In Caïro verkopen christenen hun huizen alleen aan christenen, en moslims alleen aan moslims. Een fenomeen dat terrein wint in chique wijken van de stad. ‘Het geloof van de nieuwe eigenaar is een voorwaarde om door de bewoners te worden geaccepteerd.’
Mariam wilde een appartement kopen. De wijk Al-Daher, hartje Caïro, waar veel kopten wonen en dus ook veel kerken te vinden zijn, leek haar wel wat. Haar vriendin Chayma, die in deze oude buurt woont, vergezelde haar naar woningen in aanbouw. Een ervan was eigendom van een christen, de bewoners en de conciërge waren dat eveneens.
‘Het is beter dat ik niet met je meega, want de conciërge zou kunnen denken dat ik de koper ben en de verkoop kunnen dwarsbomen omdat ik moslim ben,’ zei Chayma. ‘De moslims zijn hier een vervolgde minderheid, jij behoort tot de meerderheid.’ Dat laatste zei ze lachend, maar het is in Egypte maar al te waar, vooral in buurten met een koptische meerderheid, ook al wist Mariam daar niets van. Islamitische huizenbezitters staan erop dat alle bewoners moslim zijn; evenzo willen christelijke eigenaren van onroerend goed alleen iets te maken hebben met geloofsgenoten. Het fenomeen wint terrein in de beste buurten van Caïro.
‘U zou zich toch niet op uw gemak voelen, de bewoners hier zijn allemaal moslims’
De Egyptenaren geven graag hoog op van wijken die ze beschouwen als voorbeelden van vreedzame religieuze co-existentie, waar minaretten en kerktorenspitsen elkaar gebroederlijk flankeren. Toch wonen kopten meestal in de buurt van een kerk en moslims naast een moskee. En verder voel je in zo’n gemengde wijk wel degelijk een diepe polarisatie.
Chérine Chérif, een jonge koptische journalist, vertelt dat ze ooit met een makelaar een van de chicste wijken van Nieuw-Caïro in ging om er een pand te kopen. ‘Ik trof de eigenaar en zijn zus, en we werden het eens over de prijs. Diezelfde avond kreeg ik een telefoontje van de echtgenoot van de zus: ‘We kunnen u de woning niet verkopen, omdat u christen bent.’ Hij voegde eraan toe: ‘U zou zich toch niet op uw gemak voelen, de bewoners hier zijn allemaal moslims.’
Façade
Majdi Sameh had besloten om een appartement te huren in de wijk Ain Al-Shams. Op het terrein stond een kruis. Bij de ingang, vlak bij de lift, waren afbeeldingen van heiligen opgehangen. ‘Nadat ik het appartement had bezocht en met de eigenaar alle bijzonderheden had nagelopen, spraken we af dat ik diezelfde avond nog het contract zou ondertekenen. Mijn verloofde kwam mee om het appartement te bekijken waar we na onze bruiloft zouden gaan wonen. De eigenaar reageerde als door een adder gebeten toen hij zag dat mijn verloofde gesluierd was, alsof ik hem voor de gek had gehouden. Hij vroeg me wat mijn achternaam precies was en toen hij hoorde dat die eindigde op ‘Hussein’, verbrak hij de huurovereenkomst. Hij zou ineens hebben besloten te verkopen.’
Shubra is een chique buurt met een op het oog onberispelijke diversiteit, waar evenveel kopten als moslims wonen. In de straten staan kerken en moskeeën zij aan zij, restaurants en patisserieën adverteren met ‘speciale levensmiddelen voor de vasten’ – dat wil zeggen: zonder dierlijke vetten voor de kopten. Maar deze façade verbergt een heel andere werkelijkheid. ‘Het geloof van de nieuwe eigenaar is een voorwaarde om door de bewoners te worden geaccepteerd,’ zegt Nabil Hakim, makelaar in Shubra.
Aanslagen
Volgens de 86-jarige makelaar Ahmad Abdel Fattah ‘zijn de kopten begonnen zich te isoleren en te hergroeperen rond de kerken, in panden die vaak familiebezit zijn, na de religieus gemotiveerde aanslagen in 1981 in Al-Zawiya Al-Hamra. Daarbij kwamen tientallen kopten om het leven en werd een aantal gebouwen van hen verbrand. Moslims zijn zich pas gaan afzonderen na de aanslagen op het World Trade Center.’
Assem Ad-Dassouki, hoogleraar hedendaagse geschiedenis, wijst erop dat Egypte voor de Britse kolonisatie in 1882 nooit religieuze discriminatie had gekend. ‘De Britten probeerden hetzelfde regime in te stellen als ze in India hadden gedaan tussen hindoes en moslims. Toen in 1952 de revolutie uitbrak, werd de nationale eenheid tussen alle bevolkingsgroepen bevestigd, en deze hield min of meer tot stand tot Sadat, die in 1970 aan de macht kwam, artikel 2 invoerde. Daarin werd vastgelegd dat de islam de staatsgodsdienst was en de sharia de bron van wetgeving.’
‘Vandaag de dag zien we ook discriminatie binnen sociale klassen en beroepsgroepen, zelfs tussen mensen met hetzelfde beroep’
Saoussan Al-Fayed, hoogleraar sociale psychologie, zegt dat gezamenlijke actie van instellingen op het gebied van onderwijs, media en cultuur essentieel zijn. ‘Vandaag de dag zien we ook discriminatie binnen sociale klassen en beroepsgroepen, zelfs tussen mensen met hetzelfde beroep.’ Volgens advocaat Hoda Nasrallah is er geen wet die een eigenaar verbiedt om een koper op grond van welke criteria dan ook uit te kiezen. De eigenaar kan wel een boete krijgen, alleen moet wel bewezen kunnen worden waarom de koop niet doorging. En dat is niet eenvoudig.
Wereldwijd zijn meer dan 10 miljard coronavaccins toegediend. Dat is in principe ruim één dosis per aardbewoner, bericht The Boston Globe. Maar de verdeling is ongelijk: 54 procent van de wereldbevolking in de rijkste 107 landen – waaronder China, de VS en Europa – kreeg 71 procent van de vaccins. Arme streken in India, Afrika en Azië, met 50 procent van de wereldbevolking, ontvingen minder dan 30 procent.
The World Inequality Lab, een onderzoeksinstituut naar ongelijkheid dat mede wordt voorgezeten door de Franse econoom Thomas Piketty, stelt in zijn rapport voor 2022 dat 3,5 procent van de mondiale rijkdom inmiddels in handen is van zo’n 2750 ultrarijken, terwijl de armste 50 procent slechts 2 procent van de rijkdom deelt, schrijft Bloomberg. Het rapport wordt sinds 2018 jaarlijks opgesteld door honderden internationale onderzoekers van onder andere de l’École d’Économie de Paris en de University of California in Berkeley.
Door tekorten aan vaccins en financiën leden opkomende economieën meer onder de pandemie dan geavanceerde. Ondertussen stegen in de rijke wereld sinds vorig jaar de financiële en vastgoedmarkten, waardoor ook de binnenlandse kloof is vergroot.
Miljardairs hebben tijdens de crisis 3,6 biljoen euro aan rijkdom verworven
Volgens mededirecteur Lucas Chancel, hebben miljardairs tijdens de crisis 3,6 biljoen euro aan rijkdom verworven terwijl naar schatting zo’n 100 miljoen mensen in extreme armoede vervielen. Het effect van de pandemie op ongelijkheid is volgens Chancel het gevolg van ‘tientallen jaren van beleid dat vaak is ontworpen voor individuen die aan de top van de ladder staan en dat uitging van een ‘trickle down’-idee waarbij uiteindelijk iedereen zou profiteren. Deze polarisatie komt bovenop een wereld die voor de pandemie al erg ongelijk was.’
Latijns-Amerika en het Midden-Oosten zijn volgens het rapport de ‘meest ongelijke regio’s ter wereld, met meer dan 75 procent van de rijkdom in handen van de rijkste 10 procent’; Rusland en Sub-Sahara Afrika volgen. De meest gelijke regio ter wereld is Europa, zowel in termen van inkomen als vermogen.
In 2020 werkten 236.000 mensen op Bali in de toeristische sector, tegenover 328.000 in 2019. Dat aantal zal in 2021 hoogstwaarschijnlijk niet gestegen zijn. Want internationale reizigers zijn sinds oktober weer welkom, maar in de eerste 10 maanden van dit jaar verwelkomde het eiland slechts 45 toeristen, tegenover ruim zes miljoen internationale en 10 miljoen binnenlandse toeristen in 2019.
De pandemie en de ineenstorting van het toerisme hebben veel jonge mensen geïnspireerd om na te denken over het starten van een eigen bedrijfje, schrijft Al Jazeera. Als medeoprichter van de nonprofitorganisatie Pratisara Bumi Foundation helpt Irma Sitompul hen bij het opzetten van bedrijven die prioriteit geven aan duurzame praktijken. ‘Jongeren zoeken ook naar alternatieven voor toerisme omdat ze zien hoe destructief het effect van massatoerisme op Bali is, hoe voorouderlijk land plaats moest maken voor villa’s en hoe het eiland lijdt onder afvalvervuiling’.
Sitompul heeft inmiddels 276 aanmeldingen van mensen tussen de 18 en 32 jaar; 45 procent daarvan zit nog op school.
Wapenbezit in de VS blijft stijgen
De aankoop van wapens door particulieren in de VS is in 2020-2021 gegroeid in vergelijking met 2019. Meer dan 5 miljoen volwassenen werden tussen januari 2020 en april 2021 voor het eerst wapenbezitter, tegenover 2,4 miljoen in 2019, zo blijkt uit een onderzoek naar nieuw wapenbezit door professor Matt Miller van de Northeastern University, waarover The Guardian bericht.
Tussen januari 2019 en april van dit jaar kochten ongeveer 7,5 miljoen mensen, dat is 2,9 procent van alle Amerikaanse volwassenen, voor het eerst een wapen.
Ongeveer de helft van alle nieuwe wapenbezitters is vrouw en bijna de helft is van kleur.
‘De verhouding tussen wapenverkoop aan nieuwe bezitters met bestaande wapenbezitters is met 20 procent ongeveer hetzelfde gebleven’, zegt Miller. ‘Wat is veranderd, is het volume van de wapenaankopen.’
Het totale aantal wapenaankopen tussen 2019 steeg van 13,8 miljoen naar 16,6 miljoen. Ongeveer de helft van alle nieuwe wapenbezitters is vrouw en bijna de helft is van kleur.
Voormalige Oekraïense president beschuldigd van hoogverraad
Tegen de voormalige Oekraïense president en huidige oppositiepoliticus Petro Porosjenko dreigt een proces wegens hoogverraad. De beschuldiging luidt dat hij ‘terroristische activiteiten’ heeft gefinancierd door voor 50 miljoen euro steenkool te kopen in door separatisten gecontroleerde gebieden in het oosten van Oekraïne, schrijft Der Spiegel. Dat zou zijn gebeurd in opdracht en in het belang van Russische vertegenwoordigers die de separatisten steunen.
Porosjenko heeft het land inmiddels tijdelijk verlaten
Recente berichten over Russische voorbereidingen voor een invasie in Oekraïne zorgden ervoor dat de EU en de NAVO Moskou met ernstige gevolgen dreigden in het geval van militaire escalatie. Het Kremlin noemde die berichten ‘hysterisch’, maar riep het Westen wel op om Oekraïne en andere ex-Sovjetrepublieken niet toe te laten tot de NAVO.
Porosjenko heeft het land inmiddels tijdelijk verlaten.
Van vijf zoekmachines verspreidt Yandex de meeste complottheorieën
Een op de vijf volwassenen in de VS denkt dat hun eigen land een rol speelde bij de aanslagen van 9/11. Een op de drie gelooft dat Big Pharma schadelijke bijwerkingen van vaccins verbergt. Zevenendertig procent gelooft dat de wereld wordt geregeerd door een groep lieden die zich New World Order noemt. Een aantal sociale wetenschappers uit Zwitserland en Duitsland onderzocht waar die misplaatste overtuigingen vandaan komen door de rol te analyseren die zoekmachines spelen bij het bestendigen van onwaarheden.
Zoekmachines zijn ‘erg belangrijk in de huidige informatie-ecologie’, aldus Mykola Makhortykh van de Universiteit van Bern tegen InputMag. Volgens zijn collega Roberto Ulloa, van het Duitse GESIS-Leibniz-Institut für Sozialwissenschaften, zijn zoekmachines bepalend in het vormgeven van overtuigingen: ‘de informatie die ze bieden heeft uiteindelijk invloed op beslissingen van individuen.’
Vergeleken met andere zoekmachines haalt Yandex een groter aandeel berichten van socialemediasites
In Google, Bing, DuckDuckGo, Yahoo en de Russischtalige Yandex voerden de onderzoekers zes zoektermen in die populair zijn bij complottheoretici, zoals ‘Platte Aarde’, ‘9/11’, ‘Qanon’, ‘Illuminati’, ‘George Soros’ en ‘Nieuwe Wereldorde’. Ze onderzochten deze controversiële termen in verschillende regio’s. Er bleek geen verschil te zijn in zoekresultaten op basis van waar gebrowsed werd, maar de zoekmachines die werden gebruikt vertoonden een enorm verschil wat betreft de waarschijnlijkheid om aan complottheorieën te worden blootgesteld.
Ruim driekwart van de zoekresultaten op Yandex leverde voor de zes termen sites op die samenzweringen vermelden of actief promoten. Op Yahoo was dat ruim de helft. Op Bing en DuckDuckGo ging het om iets minder dan de helft. Alleen Google slaagde er goed in om samenzweringstheorieën niet rond te pompen.
De resultaten zijn deels te herleiden tot het soort bronnen waaruit de zoekmachines putten. Vergeleken met andere zoekmachines haalt Yandex een groter aandeel berichten van socialemediasites en een veel kleiner aandeel van nieuwssites. Ruim de helft van de Yandex-resultaten verwees naar uitgesproken samenzweringssites, terwijl Google er vrijwel geen liet zien.
2750 Miljardairs bezitten 3,5 procent van ’s werelds rijkdom
The World Inequality Lab, een onderzoeksinstituut naar ongelijkheid dat mede wordt voorgezeten door de Franse econoom Thomas Piketty, stelt in zijn rapport voor 2022 dat 3,5 procent van de mondiale rijkdom inmiddels in handen is van zo’n 2750 ultrarijken, terwijl de armste 50 procent slechts 2 procent van de rijkdom deelt, schrijft Bloomberg. Het rapport wordt sinds 2018 jaarlijks opgesteld door honderden internationale onderzoekers van onder andere de l’École d’Économie de Paris en de University of California in Berkeley.
Door tekorten aan vaccins en financiën leden opkomende economieën meer onder de pandemie dan geavanceerde. Ondertussen stegen in de rijke wereld sinds vorig jaar de financiële en vastgoedmarkten, waardoor ook de binnenlandse kloof is vergroot.
Miljardairs hebben tijdens de crisis 3,6 biljoen euro aan rijkdom verworven
Volgens mededirecteur Lucas Chancel, hebben miljardairs tijdens de crisis 3,6 biljoen euro aan rijkdom verworven terwijl naar schatting zo’n 100 miljoen mensen in extreme armoede vervielen. Het effect van de pandemie op ongelijkheid is volgens Chancel het gevolg van ‘tientallen jaren van beleid dat vaak is ontworpen voor individuen die aan de top van de ladder staan en dat uitging van een ‘trickle down’-idee waarbij uiteindelijk iedereen zou profiteren. Deze polarisatie komt bovenop een wereld die voor de pandemie al erg ongelijk was.’
Latijns-Amerika en het Midden-Oosten zijn volgens het rapport de ‘meest ongelijke regio’s ter wereld, met meer dan 75 procent van de rijkdom in handen van de rijkste 10 procent’; Rusland en Sub-Sahara Afrika volgen. De meest gelijke regio ter wereld is Europa, zowel in termen van inkomen als vermogen.
Bij de aanpak van klimaatverandering moet rekening worden gehouden met economische, sociale én genderongelijkheid, schrijft Thomas Piketty naar aanleiding van het Wereld Ongelijkheidsrapport 2022. Hij doet alvast een voorstel: ‘Op zijn minst zouden de fiscale cadeautjes aan de meest vermogenden moeten stoppen.’
Wat leert ons het nieuwe Wereld Ongelijkheidsrapport 2022 van Oxfam Novib, dat deze week is gepubliceerd? Deze vrucht van de samenwerking van een honderdtal onderzoekers uit alle continenten die om de vier jaar verschijnt, geeft inzicht in de grote ongelijkheidsbreuklijnen op de wereld. Naast de inmiddels welbekende constatering dat de inkomensongelijkheid de afgelopen decennia is gestegen, zijn er drie belangrijke noviteiten aan te wijzen, die betrekking hebben op de ongelijkheid qua vermogensverdeling, gender en klimaat.
Laten we beginnen met de vermogensverdeling. Dankzij het voorwerk van Luis Bauluz, Thomas Blanchet en Clara Martínez-Toledano hebben de onderzoekers systematische gegevens kunnen verzamelen die het mogelijk maken de vermogensverdeling in alle landen wereldwijd te vergelijken, van de laagste tot de hoogste inkomensklasse. De algehele conclusie is dat de hyperconcentratie van vermogen, die tijdens de pandemie nog eens is verergerd, voor alle regio’s van de wereld geldt. Wereldwijd bezat de armste 50 procent in 2020 amper 2 procent van het totale privé-eigendom (onroerend goed, beroepsactiva en financiële vaste activa, na aftrek van schulden) terwijl de rijkste 10 procent 76 procent van het totaal bezat.
Latijns-Amerika en het Midden-Oosten spannen qua ongelijkheid de kroon, gevolgd door Rusland en Sub-Saharaans Afrika, waar de armste 50 procent amper 1 procent bezit van alles wat er te bezitten valt, terwijl de rijkste 10 procent tegen de 80 procent aan schurkt. In Europa is de situatie wat minder extreem, maar is er ook geen reden om de vlag uit te steken: de armste 50 procent bezit 4 procent van het totaal, tegen 58 procent voor de rijkste 10 procent.
Rijkdom verdelen
Tegen deze constatering kun je op verschillende manieren aankijken. Je kunt geduldig wachten tot groei en marktwerking de rijkdom verdelen. Maar aangezien meer dan twee eeuwen na de industriële revolutie het deel dat in bezit is van de armste 50 procent in Europa nauwelijks 4 procent bedraagt en in de Verenigde Staten 2 procent, moet je daarvoor waarschijnlijk wel erg geduldig zijn. Je kunt ook zeggen dat de huidige situatie de best mogelijke is en dat iedere poging om de rijkdom te verdelen economisch riskant zou zijn. Een weinig overtuigend argument. In Europa bedroeg het deel dat in bezit was van de rijkste 10 procent tot 1914 80 à 90 procent van het totale vermogen. Dat is in ruim een eeuw gedaald tot minder dan 60 procent, voornamelijk dankzij de 40 procent van de bevolking die tussen de rijkste 10 procent en de armste 50 procent in zit. Deze middenklasse is in staat geweest woningen te kopen en bedrijven te beginnen, wat een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de welvaart in de periode tussen het einde van de Tweede Wereldoorlog in 1945 en de oliecrisis in 1973.
Wat kun je doen om deze langzame ontwikkeling in de richting van gelijkheid, die historisch gezien onlosmakelijk verbonden is met een evolutie naar een grotere welvaart, te laten voortduren? Idealiter zou je een herverdeling van het erfgoed moeten overwegen. Op zijn minst zouden de fiscale cadeautjes aan de meest vermogenden moeten stoppen en moet er werk worden gemaakt van een herziening van de grondbelasting, die erg zwaar en onrechtvaardig is voor mensen die hun eerste schreden op de weg naar bezit zetten. Deze belasting zou je moeten omvormen tot een progressieve belasting op het nettovermogen.
Vrouwen hebben minder toegang tot dezelfde banen en arbeidsuren als mannen
De tweede les van het Wereld Ongelijkheidsrapport 2022 heeft betrekking op de genderongelijkheid. Dankzij de door Theresa Neef en Anne-Sophie Robillard verzamelde gegevens kunnen we nu meten hoe het aandeel van vrouwen in het totale arbeidsinkomen zich wereldwijd heeft ontwikkeld. We kunnen eruit opmaken hoe groot de ongelijkheid tussen man en vrouw nog altijd is: wereldwijd toucheerden vrouwen in 2020 amper 35 procent van het totale arbeidsinkomen, en mannen dus 65 procent. In 1990 was het aandeel van vrouwen 31 procent en in 2000 33 procent. We zien dus enige vooruitgang, maar het gaat uiterst langzaam. In Europa bedroeg het aandeel van vrouwen in 2020 38 procent, dus bij lange na niet de helft.
Deze indicator geeft een minder rooskleurig maar juister beeld van de werkelijkheid dan een vergelijking per functie. Hij legt genadeloos bloot dat vrouwen minder toegang hebben tot dezelfde banen en arbeidsuren als mannen, met name vanwege voortdurende vooroordelen en discriminatie en de geringe inspanningen die overheden zich getroosten om banen waarin vrouwen het sterkst vertegenwoordigd zijn (met name in de zorg, de detailhandel en de schoonmaakbranche) beter te structureren. De geringe vooruitgang die de afgelopen decennia wereldwijd is geboekt, weerspiegelt bovendien het groeiende aandeel zeer hoge salarissen – die voor het overgrote deel door mannen worden verdiend – in de totale loonsom. In bepaalde regio’s, zoals China, valt zelfs een verlaging te constateren van het aandeel van vrouwen in het totale arbeidsinkomen. Deze gegevens roepen om veel voortvarender maatregelen dan tot dusver zijn genomen.
We kunnen constateren dat de armste 50 procent vrijwel overal verantwoordelijk is voor een relatief redelijk uitstootniveau
De derde noviteit van het Rapport heeft betrekking op de ongelijkheid op klimaatgebied. Maar al te vaak beperkt het klimaatdebat zich tot een vergelijking van de gemiddelde CO2-uitstoot per land en de ontwikkeling daarvan in de loop der tijd. Dankzij het werk van Lucas Chancel beschikken we nu over gegevens over de verdeling van de uitstoot binnen individuele landen en de verschillende regio’s van de wereld. We kunnen constateren dat de armste 50 procent vrijwel overal verantwoordelijk is voor een relatief redelijk uitstootniveau, in Europa bijvoorbeeld van 5 ton per inwoner. Over eenzelfde periode gemeten bedraagt de gemiddelde uitstoot van de rijkste 10 procent 29 ton, en die van de allerrijkste 1 procent 89 ton. De conclusie spreekt voor zich: het klimaatprobleem wordt niet opgelost als we iedereen over één kam scheren. Om de sociale en klimatologische gevaren die haar ondermijnen het hoofd te bieden, zal de planeet meer dan ooit rekening moeten houden met de vele ongelijkheidsbreuklijnen die haar doorkruisen.
Nu kritiek op het kapitalisme toeneemt, is het voor miljonairs niet langer geoorloofd om met hun vermogen te koop te lopen. Maar dat betekent niet dat geld gelijker zal worden verdeeld. Hoe ver kan het verschil tussen arm en rijk uiteenlopen zonder dat de democratie eraan bezwijkt?
Ooit was het in Azië cool om op Instagram te koop te lopen met Bentleys en Lamborghini’s of om gouden Apple-horloges aan te schaffen voor je huisdier. Zo cool zelfs dat het verschijnsel Crazy Rich Asians een begrip werd. Gedoeld werd met name op de kinderen van Chinese miljonairs die absurd rijk geworden waren bij de gigantische inhaalrace, aangeduid als staatskapitalisme.
Maar die tijden zijn voorbij. Inmiddels laat vrijwel niemand zich meer zien met een zonnebril die even duur is als een kleine auto. Oud geld, nieuw geld. Geërfd, gegokt of geleend. Geld stinkt weer in China. In een land waar 600 miljoen mensen rond moeten komen van 150 dollar per maand en tegelijkertijd elke week weer iemand miljardair wordt. In een land waar het afgelopen jaar in ongekend tempo vermogen werd vergaard. En niet alleen daar.
Momenteel creëert de markt elke zeventien uur een nieuwe miljardair
De tien rijkste mannen ter wereld (ja, het zijn echt alleen mannen) vergrootten hun vermogen de afgelopen twaalf maanden met 540 miljard dollar. Terwijl honderden miljoenen mensen door de pandemie onder de armoedegrens belandden. In de hele wereld pompten regeringen 9 biljoen dollar aan coronahulp in de economie. Het merendeel ervan kwam via de markten weer terecht in de portfolio van de superrijken. Momenteel creëert de markt elke zeventien uur een nieuwe miljardair. Als dit zo doorgaat, zal het aantal miljonairs in 2025 met bijna 50 procent zijn toegenomen.
Tegelijkertijd betaalden de allerrijksten nauwelijks belasting, zoals blijkt uit een recent gepubliceerd verslag van onderzoek-platform Propublica. En het aandeel van de miljardairs in het bruto binnenlands product stijgt juist in die landen waar hardere belastingwetgeving als ineffectief van de hand gewezen wordt. Zoals in Zweden. Dat mag dan weinig opzienbarend zijn, het werpt wel de vraag op hoe ver het verschil tussen arm en rijk uiteen kan lopen zonder dat de democratie eraan te gronde gaat.
Eeuwige liefde
Behalve in China wonen de meeste superrijken in de VS. De ongelijkheid ligt er als het ware verankerd in de wet. ‘Onze belastingwetgeving is heel bewust zo ingericht dat inkomsten uit kapitaal worden bevoordeeld boven inkomsten uit arbeid,’ legt Erica Payne uit. De armsten betalen 10 cent per dollar aan belasting, de rijksten slechts 1 of 2 cent, zo vat de auteur van boeken over economie en politiek het samen. Politici als Bernie Sanders of Elizabeth Warren stelden daarom een vermogensbelasting voor. Ook de nieuwe Amerikaanse president Joe Biden heeft belastinghervorming heel hoog op zijn agenda gezet. Alleen kunnen alle stappen richting regulering, hoe klein ook, sneuvelen in de Senaat.
Sinds onder Ronald Reagan de politiek vakbondsvijandige trekjes kreeg, is de depreciatie van arbeid tegenover kapitaal alleen maar verder toegenomen. En de eeuwige liefde van Amerika voor monopolisten van het slag oliemiljardair John Rockefeller ging gewoon door. Later was dit soort lieden bestuursvoorzitter van AT&T of Microsoft, momenteel heten ze Jeff Bezos of Elon Musk. En nog altijd wordt die liefde niet het minst levend gehouden door donaties. Wie genoeg geld aan partijen en kandidaten geeft, koopt zichzelf invloed en wordt juist nog rijker. Een bekend voorbeeld daarvan zijn de gebroeders Koch. Een ander is Peter Thiel, die vier jaar lang kind aan huis was bij Donald Trump.
Wie liever zijn geld weggeeft dan belastingen betaalt, gaat voorbij aan de regels van de democratie
Toch werd het vermogen van bekende ondernemers lang onder de bevolking geaccepteerd. Zij deden immers ook veel goeds. Bill Gates die als quasi-monopolist aan de top van Microsoft lange tijd de rijkste mens op aarde was, werd na zijn pensioen hier een duidelijk voorbeeld van. De stichting die hij met destijds nog zijn echtgenote Melinda oprichtte hielp bij het uitroeien van ziektes. Inmiddels werkt hij aan schone vormen van energie. Hoe goed deze filantropie ook bedoeld is; wie liever zijn geld weggeeft dan belastingen betaalt, gaat voorbij aan de regels van de democratie.
Zelfs ten tijde van de financiële crisis van 2008 leek Amerika zich, op Occupy Wall Street na, nauwelijks te storen aan de miljardairsklasse. De rijkste 10 procent verloor toen immers net zo goed als ieder ander.
Bij de huidige crisis ziet dat er heel anders uit. Een heel jaar pandemie betekende voor de een arbeidsduurverkorting of werkloosheid, voor de ander enorme winsten op de aandelenmarkten. Markt en realiteit hebben nog maar weinig met elkaar van doen. En uit enquêtes blijkt dat dat goede oude kapitalisme aan populariteit verliest. Het protest groeit. Verveelde jongeren organiseren zich inmiddels op platforms als Reddit om de aandelenkoersen van vrijwel failliete bedrijven als Gameshop of AMC ‘op te jagen naar de maan’ en hebzuchtige hedgefonds met hun eigen methodes te verslaan. Ook dat duidt op een failliet systeem. Uiteindelijk voert het eigentijds activisme, de nieuwe Fight Club, het financieel kapitalisme ad absurdum.
Tech-rockstars
De tech-rockstars genieten een verbazingwekkende populariteit. Wereldwijd staan zij op de covers van de tijdschriften en treden ze op in comedyshows. Tegelijkertijd voerde Jeff Bezos het afgelopen jaar het werktempo in zijn warenhuizen zozeer op dat velen alleen met pijnstillers nog hun werk konden blijven doen en steeg zijn vermogen met 74 procent. Op de sociale mediaplatforms van Mark Zuckerberg verspreidden berichten dat covid-19 een fabeltje was zich sneller dan het echte nieuws. Hij werd zo’n 108 procent rijker. En Elon Musk weigerde zijn Tesla-fabrieken in Californië te sluiten, hoewel de pandemie allang miljoenen doden eiste. Hij verhoogde zijn marktwaarde met 599 procent. Musk is blijkens enquêtes de meest populaire van de groep. Hij geldt als een visionair die ons behoedt voor een klimaatramp, de vleesgeworden iron man.
Vanaf de late jaren negentig van de vorige eeuw cultiveerde Silicon Valley de ideologie ‘dat innovatie en kapitaal op zichzelf een sociaal goed zijn’, zegt Megan Tompkins-Stange. Zij is hoogleraar politicologie aan de universiteit van Michigan. Dat narratief heeft overal ter wereld ingang gevonden.
En dat terwijl in software de oneerlijke concentratie van vermogen al ingebakken zit. Want het techbedrijf berust op netwerkeffecten en creëert winner-takes-it-all-markten. De servers op aarde zijn grotendeels in handen van Amazon en veel westerse regeringen werken met de krachtige software van data-analysebedrijf Palantir. Software die vol zit met algoritmes die mensen van kleur discrimineren en een ongekende vorm van controle in de hand werken. Wie de infrastructuur controleert, controleert de waarden. Misschien zou ze daarom juist niet door een paar miljardairs gebouwd moeten worden. Democratie en fairness staan doorgaans namelijk niet op hun prioriteitenlijst. Het kapitalisme heeft een update nodig die het vermoedelijk niet zal krijgen in Washington, Brussel of Berlijn. En al helemaal niet in Beijing.
Protesten
Uiteindelijk kunnen – ook dat laat de geschiedenis zien – arbeidersbewegingen voor een koerscorrectie zorgen. Bij Amazon kwam het vorig jaar tot grote protesten. En het personeel van Google en Apple organiseerde zogeheten walk-outs. Velen legden hun werk neer om op te komen voor hun rechten. Zij hebben echte macht en weten die inmiddels ook te gebruiken.
Toen de beursgang van vakantieverhuur-start-up Airbnb een deel van haar personeel misschien niet miljonair maar wel heel rijk maakte, staken vierhonderd mensen de koppen bij elkaar en belegden in totaal 50 miljoen dollar in aandelen van goede doelen. De nieuwe techies lachen om dure auto’s of grote huizen. Als zij geld uitgeven, dan alleen voor NFT‘s, dus digitale kunst of cryptomunten zoals bitcoin. Systemen die weliswaar niet vrij van ongelijkheid zijn maar toch een verandering inhouden: de wil om zich niet langer aan de regels te houden die altijd van toepassing waren, regels die hun bazen onfatsoenlijk rijk maakten – of hun ouders.
De huidige elite houdt zich opzettelijk blind voor haar bevoorrechte positie en bekommert zich daarom niet meer om lagere klassen, stelt politicoloog Patrick J. Deneen. Zijn studenten geloven – net als Marx – dat lageropgeleiden vatbaarder zijn voor een ‘vals bewustzijn’.
Nexus-conferentie: ‘Revolutie van de hoop‘
‘Revolutie van de hoop’ is dit jaar het onderwerp van de Nexus-conferentie. Met als hoofdvraag: Waar vinden we, te midden van al onze hedendaagse crises, de revolutionaire hoop, moed en creativiteit om nieuwe werelden vorm te geven?
Op zaterdag 20 november komen sprekers als Giuseppe Conte, Patti Smith, Wole Soyinka en Mary L. Trump bijeen in Amsterdam om een antwoord te formuleren op deze vragen.
Deze week publiceert 360 Magazine artikelen en speeches van de sprekers van de Nexus-conferentie ‘Revolution of Hope’. De derde in de reeks is Patrick J. Deneen, universitair hoofddocent Politieke Wetenschappen aan de universiteit van Notre Dame.
Tijdens een van de verfoeilijkste momenten in Plato’s De Staat suggereert Socrates dat de ideale stad een stichtingsmythe nodig heeft – wat hij een ‘nobele leugen’ noemt – om zich van succes te verzekeren. De mythe bestaat uit twee delen. Volgens het eerste deel stamt iedereen in de stad af van dezelfde moeder, waarmee het geloof wordt aangemoedigd dat alle inwoners van de stad een gemeenschappelijke oorsprong hebben en familie van elkaar zijn. Volgens het tweede behoort iedereen al bij de geboorte tot een bepaalde klasse op grond van zijn of haar talenten en bekwaamheden, die worden aangeduid door een metaal dat iedere ziel bij de geboorte is toebedeeld: de heersende klasse goud; ministers, soldaten en hoge ambtenaren zilver; arbeiders brons en ijzer.
Socrates betoogt dat om de stad succesvol te laten zijn, alle burgers beide delen van de mythe moeten geloven. De mythe probeert tegelijkertijd te verenigen en te differentiëren, te verklaren wat gemeenschappelijk en verschillend is, en ondanks aanzienlijke verschillen burgerlijk patriottisme te kweken. Het eerste deel moedigt burgerlijke betrokkenheid, gemeenschappelijke opofferingsgezindheid en het geloof in een algemeen welzijn aan. Het tweede rechtvaardigt het bestaan van ongelijkheid als een permanent kenmerk van de menselijke samenleving.
Socrates aarzelt zelfs om hardop over de mythe te spreken, omdat hij beseft hoezeer die zijn gehoor vermoedelijk tegen de borst zal stuiten. Bovendien erkent hij dat er veel overtuigingskracht nodig zal zijn – vermoedelijk generaties lang – voordat de mythe door de stedelingen wordt geaccepteerd, en ook dan zal de heersende klasse zich er vermoedelijk niet door laten overtuigen. Als er één bevolkingsgroep is die de mythe waarschijnlijk zal accepteren, oppert hij, dan is het de ongeschoolde werkende klasse.
Bedrog
Wanneer ik de nobele leugen tijdens mijn colleges aan mijn studenten voorleg, valt hij niet in goede aarde, zoals Socrates al had voorspeld. Zij hebben moeite met het idee dat een rechtvaardig bestel op bedrog moet zijn gegrondvest. Maar wat hun nog meer ergert is de suggestie dat de rechtvaardige stad op ongelijkheid moet zijn gegrondvest. Als goede progressieve democratische burgers verafschuwen ze de suggestie dat ongelijkheid kan worden bestendigd als een geboorterecht, en ze vereenzelvigen zich met het onrecht dat de zwaksten in de samenleving wordt aangedaan. Van de twintig jaar die ik college gaf aan Princeton, Georgetown en Notre Dame kan ik me geen enkele student herinneren die geen moeite met de mythe had. De meesten vonden hem ronduit weerzinwekkend.
Op de vraag waarom het moeilijker zal zijn de heersende klasse van de waarheid van de nobele leugen te overtuigen, zeggen de meeste studenten te geloven dat de heersende klasse door haar hogere opleiding en grotere intelligentie beter bestand is tegen propaganda, terwijl de eenvoudige werkende klasse vermoedelijk ten prooi valt aan bedrog omdat ze haar eigen belangen onvoldoende onderkent. Door te geloven dat lageropgeleiden vatbaarder zijn voor een ‘vals bewustzijn’ kiezen mijn studenten impliciet de kant van Marx.
Lees ook het artikel van een van de andere sprekers van de Nexus-conferentie:
Plato wil dat wij de mythe anders begrijpen. Anders dan Marx geloofde hij niet dat de leden van de lagere klasse vermoedelijk hun eigen belangen niet zouden onderkennen. De lagere klasse zal de mythe vermoedelijk accepteren omdat ze beseft dat die in haar voordeel werkt. Haar leden zijn zich er scherp van bewust dat er ongelijkheid bestaat. Dat deel van de ‘leugen’ komt hun nauwelijks als onwaar voor. Wat nieuw is, en wat in hun voordeel werkt, is het idee dat zowel de lagere als de heersende klasse gebaat is bij ongelijkheid. Dat wil zeggen, het werk van leden met edele metalen in hun ziel moet ten goede komen aan iedereen, ook aan degenen wier ziel het met onedele metalen moet stellen. Leden van de heersende klasse daarentegen zullen de mythe vermoedelijk niet geloven uit eigenbelang. Zij schrikken terug voor de bewering dat iedereen, ongeacht rang of stand, tot dezelfde familie behoort. Ze willen niet dat de voordelen die wellicht alleen hun klasse ten goede zullen komen ten bate van het geheel zullen worden aangewend.
Alleen als iedere groep ieder deel van de ‘leugen’ accepteert, legt Socrates uit, komt er een soort sociaal contract tot stand
Alleen als iedere groep ieder deel van de ‘leugen’ accepteert, legt Socrates uit, komt er een soort sociaal contract tot stand. Zowel de elite als de gewone man accepteert het deel van de mythe dat hun niet aanspreekt omwille van het deel dat dat wel doet. De elite geniet aanzien in een samenleving die ongelijkheid rechtvaardigt; de gewone man is het beste af in een samenleving die afdwingt dat de elite zich in dienst stelt van het geheel. In plaats van te werk te gaan als strijdende partijen, zetten beide kanten zich in voor het algemeen nut.
Zo’n compromis is moeilijk te bereiken. Een groot deel van de rest van De Staat gaat over de vraag hoe de heersende klasse kan worden overreed, of zelfs gedwongen, haar lot aan de rest van de stad te verbinden, in plaats van de anderen simpelweg te domineren of te negeren. Omdat ongelijkheid een onmiskenbaar feit is, ziet Plato het als een grote uitdaging voor de politiek om de bevoordeelden ervan te overtuigen dat zij zichzelf als deel van het geheel moeten beschouwen.
Vergelijk de reactie op deze ‘nobele leugen’ die Socrates van de heersende klasse verwachtte eens met de typische reactie van studenten aan elite-universiteiten. De huidige elitestudenten vinden de mythe vooral verwerpelijk omdat deze uitgaat van eeuwige ongelijkheid door de generaties heen. De onderlinge verwantschap lijkt weinig problematisch en zelfs oninteressant. Wat verklaart dat de heersende klasse van onze tijd kennelijk heel andere dingen als schandalig ervaart en zich daartegen verzet?
Activisme
Campussen van elite-universiteiten zijn broeinesten van activisme tegen ongelijkheid, vooral op het gebied van huidskleur, geslacht, invaliditeit en seksuele geaardheid. De afgelopen jaren hebben studenten van UC Berkeley tot Reed College geprotesteerd tegen voorbeelden van vermeende vooringenomenheid, maar weinig incidenten hebben zoveel opzien gebaard als het protest waaronder de socioloog Charles Murray op 2 maart 2017 werd bedolven op Middlebury College in Vermont. Voordat hij een woord had kunnen uitbrengen werd Murray getrakteerd op twintig minuten boegeroep van honderden studenten in zijn gehoor. Om het geplande gesprek toch nog te kunnen voeren moesten hij en zijn gastheer, professor Allison Stanger, de collegezaal verruilen voor een privévertrek. Studenten volgden hen en sloegen op de muren en ramen. Toen ze ten slotte naar buiten kwamen, ging de menigte Murray en Stanger te lijf, waarbij Stanger nekletsel en een hersenschudding opliep.
Murray was uitgenodigd om over zijn boek Coming Apart te komen praten, een studie over de toenemende ongelijkheid tussen rijke en arme witte Amerikanen tussen 1960 en 2010. Murrays boek concentreert zich op twee fenomenen. Ten eerste wijst hij erop dat Amerikanen in afzonderlijke geografische enclaves zijn opgedeeld op grond van rijkdom, klasse en opleiding. Ten tweede wijst hij op de ongekend hoge sociale problematiek bij arme en laagopgeleide Amerikanen, zoals echtscheidingen, buitenechtelijke kinderen, misdaad, drugsverslaving, werkloosheid, faillissementen, isolatie en wetteloosheid.
De studenten die Murray het spreken beletten komen voornamelijk uit wat Murray de ‘HPY-bubbel’ noemt, Harvard, Princeton en Yale, universiteiten waar een opmerkelijke ideologische, economische en sociale homogeniteit heerst. Een diploma van een opleiding als Middlebury College is het paspoort om in de HPY-bubbel te geraken. Je komt er niet zomaar binnen. Volgens het U.S. News and World Report bezet Middlebury samen met Pomona College de zesde plaats op de ranglijst van Amerikaanse alfa-colleges, na Williams, Amherst, Bowdoin, Swarthmore en Wellesley. In 2017 werd maar zeventien procent van de aanmeldingen geaccepteerd. Studenten moeten een gemiddelde studiepuntenscore van 1450 van de 1600 hebben. De kosten van onderwijs plus kost en inwoning bedragen ruim 64.000 dollar per jaar.
Het gevolg was dat de elitestudenten zelfvoldaan konden volharden in hun demonstratieve steun aan het gelijkheidsbeginsel
Je zou denken dat studenten van zo’n opleiding zeer geïnteresseerd zouden zijn in een lezing over de grondslagen en implicaties van economische en klassenverschillen in het huidige Amerika. Je zou zelfs verwachten dat als de studenten aanstoot namen aan ongelijkheid, ze zich door Murray zouden hebben laten inspireren om hun onlustgevoelens op Middlebury College bot te vieren als bestendiger van klassenverschillen of zelfs op zichzelf als gewillige deelnemers aan die bestendiging. Je zou op zijn minst hebben gedacht dat ze geïnteresseerd zouden zijn in een analyse van de rol die opleidingsinstituten spelen bij het creëren en handhaven van ongelijkheid. In plaats daarvan joelden ze, uit naam van de ongelijkheid zelf, de man uit die met hen kwam spreken over hun rol bij de bestendiging van die ongelijkheid.
Natuurlijk was het niet het onderwerp van Murrays lezing waartegen werd geprotesteerd, maar het feit dat hij in zijn boek The Bell Curve uit 1994 statistische IQ-verschillen tussen verschillende etniciteiten ter sprake had gebracht. Maar het belangrijkste thema van dat boek was de zorg dat sociale selectie de klassenverschillen in Amerika zou vergroten, precies het soort selectie dat door eliteopleidingen als Middlebury wordt bevorderd. Het prettige gevolg van de heftige protesten tegen Murray was dat er geen verder onderzoek hoefde te worden gedaan naar de wijdverbreide klassenverschillen in het huidige Amerika, en dat de elitestudenten van de eliteopleiding Middlebury zelfvoldaan konden volharden in hun demonstratieve steun aan het gelijkheidsbeginsel.
Eigenbelang
Zoals veel demonstraties tegen ongelijkheid op campussen van elite-universiteiten was het protest tegen Murray een echo van het verzet van de heersende klasse tegen de nobele leugen. De heersende klasse ontkent dat ze eigenlijk een zichzelf bestendigende elite is die niet alleen bepaalde vooroordelen heeft geërfd maar die ook wil doorgeven. Om dat te maskeren omschrijven ze zichzelf als de voorhoede van het streven naar gelijkheid, waarbij ze hun hogere status in feite ontkennen, evenals het feit dat ze door het handhaven van de klassenscheiding hun minder fortuinlijke landgenoten in een erbarmelijke en gevaarlijke situatie brengen. Je komt zelfs in de verleiding te concluderen dat hun hardnekkige verdediging van het gelijkheidsbeginsel een manier is om zich te ontdoen van werkelijke verplichtingen tegenover de lagere klasse die steeds verder uit hun geografische zicht en hun denkwereld verdwijnt. Omdat ze ongelijkheid verfoeien, hoeven ze zichzelf niet bewust als een heersende klasse te beschouwen. Door te ontkennen dat het zeer in hun eigenbelang is om hun elitepositie te handhaven, gaan ze er moeiteloos vanuit dat ze in onderlinge verwantschap geloven, zolang dat hun positie maar niet bedreigt. Het deel van de nobele leugen dat de elite ooit de stuipen op het lijf zou hebben gejaagd, namelijk de aanspraak op onderlinge verwantschap, is inmiddels irrelevant; in plaats daarvan verzetten ze zich tegen het niet-egalitaire deel van de mythe dat destijds, net als nu, voor zowel de elite als de lagere klasse vanzelfsprekend zou zijn geweest. De huidige lagere klasse zal haar ongelijkheid vermoedelijk evenzeer herkennen als die van Plato. Het is de elite die vatbaar lijkt voor een ‘vals bewustzijn’.
‘Wanneer de kloof tussen ideaal en realiteit te groot wordt, bezwijkt het systeem’
Het domein van de nieuwe elite is al lange tijd voorspeld en het meest overtuigend besproken door maatschappijcritici als Michael Young, C. Wright Mills en Christopher Lasch. Tot de kundigste chroniqueurs van de nieuwe elite behoort columnist David Brooks van de New York Times, die in april 2001 een essay publiceerde, ‘The Organization Kid’ getiteld, waarin hij beschreef hoe de witte Amerikaanse aristocratie werd vervangen door een meritocratie. Nadat hij verscheidene weken onder studenten op de campus van Princeton had verkeerd, concludeerde Brooks dat er aan deze regimeverandering bepaalde voordelen kleefden maar beslist ook nadelen. Een nadeel was in zijn ogen de teloorgang van het ‘noblesse oblige’, de zorg van de heersende klasse voor mensen die minder fortuinlijk waren omdat ze het minder getroffen hadden met hun geboorte en afkomst. Brooks stelde dit tegenover het oude ideaal van de witte aristocratie dat op burgerlijke, militaire en protestantse waarden was gebaseerd: ‘Het Princeton uit die dagen had tot doel geprivilegieerde mannen uit hun prominente familie te halen en hen weerbaar te maken, hun een gevoel van maatschappelijke verantwoordelijkheid bij te brengen dat was gebaseerd op de code van de gentleman en noblesse oblige. Kortom, het had tot doel hun ridderlijkheid bij te brengen.’ Noblesse oblige verschafte de oude aristocratische orde een zekere mate van legitimiteit. Het stelde de heersende klasse in staat te beweren dat hun handelen niet uitsluitend door eigenbelang werd ingegeven, maar de hele gemeenschap ten goede kwam, vooral de amen en machtelozen. Het beeld van de dolende ridder die de jonkvrouw in nood te hulp schiet was een romantische en dramatische weergave van een veel bredere ethiek, namelijk die van de sterke die de zwakke beschermt. Het ancien régime, gebaseerd op bestuur door een erfelijke aristocratie die het belang van de hele gemeenschap voor ogen had, werd omvergeworpen omdat de meeste mensen niet langer in het idee ervan geloofden. Het vleiende zelfportret dat het régime schilderde van een paternalistische en zorgzame bovenklasse werd steeds meer gezien als een door eigenbelang ingegeven rationalisering en een vorm van maatschappelijk zelfbedrog ten dienste van de status quo. Barbara Tuchman beschreef de legitimiteitscrisis van de riddercode in haar boek A Distant Mirror:
‘Het ideaal was handhaving van de orde door de strijdende klasse naar het voorbeeld van de Ronde Tafel, de volmaaktste vorm in de natuur. De ridders van koning Arthur namen het op tegen draken, tovenaars en goddelozen om orde te scheppen in een woeste wereld. Dus hun levende tegenhangers werden in theorie geacht te fungeren als verdedigers van het geloof, handhavers van het recht en beschermers van de onderdrukten. In werkelijkheid waren zijzelf de onderdrukkers, en in de veertiende eeuw waren geweld en de wetteloosheid van de mannen van het zwaard een belangrijke oorzaak voor wanorde geworden. Wanneer de kloof tussen ideaal en realiteit te groot wordt, bezwijkt het systeem. Uit de legendes en verhalen blijkt dit keer op keer: in de Arthurromans wordt de Ronde Tafel van binnenuit vernietigd.’
We kunnen het er snel over eens zijn dat er een kloof bestond tussen de zelfverklaarde ethiek van het noblesse oblige en de feitelijke daden van de adelstand van het ancien régime. Maar net als degenen die het politieke bestel gedurende de middeleeuwen veelal als een vanzelfsprekend natuurlijk gegeven beschouwden, beziet de huidige elite haar meritocratische rechtvaardiging van haar status en positie maar zelden met een sceptische blik.
Oogkleppen
Waar de elite zich wellicht opzettelijk blind houdt voor de aard van haar positie, ziet de rest van de samenleving duidelijk waar ze mee bezig is. De opstand van de arbeidersklasse overal in het ontwikkelde Westen komt voort uit een idee van onrechtmatigheid, van een kloof tussen de aanspraken van de heersende klasse en de realiteit die wordt ervaren door degenen over wie wordt geheerst. Het is geen toeval dat het socialistisch links en autoritair rechts zijn die in opstand komen, twee stromingen die zich nu beide verzetten tegen staatskapitalisme, een heersende klasse van managers, de financialisering van de economie en globalisering. De populistische opstand daagt de liberale orde zelf uit.
Onze heersende klasse heeft grotere oogkleppen op dan die van het ancien régime. Anders dan de oude aristocraten houden ze vol dat hun exclusieve instellingen uitsluitend door voorstanders van gelijkheid worden bevolkt. Ze gaan luidkeels prat op hun eigen deugdzaamheid en zetten zich dubbel zo hard in voor diversiteit en inclusie. Ze schilderen fanatieke ultraconservatieven af als de grote belemmering voor volstrekte gelijkheid, en niet de elite-instellingen waarvan zijzelf profiteren. De instellingen die verantwoordelijk zijn voor het scheiden van de sociale en economische winnaars van de verliezers zijn grotendeels doof voor kritiek en lopen te koop met hun onafgebroken inzet voor het gelijkheidsbeginsel. De meritocratische ideologie verbloemt de rol die de heersende klasse zelf speelt bij het laten voortbestaan van de ongelijkheid en cultiveert zelfs een bredere sociale ecologie waarbinnen degenen die niet tot de heersende klasse behoren te kampen hebben met tal van sociale en economische kwalen die steeds kenmerkender worden voor de Amerikaanse lagere klasse. Om de realiteit onder ogen te zien zouden er dringende vragen moeten worden gesteld over de agenda die aan de inzet voor ‘diversiteit en inclusie’ ten grondslag ligt. Dat is wel het minste wat je van onze zelfverklaarde toewijding aan ‘kritisch denken’ zou mogen verwachten, maar de kans is groot dat zulke vragen zullen worden weggewimpeld, soms op een gewelddadige manier, op de hedendaagse campussen.
Lees ook het artikel van een van de andere sprekers van de Nexus-conferentie:
Uit gelijkheidscampagnes die zich eerder op de inclusie van identiteitsgroepen richten dan op een onderzoek naar de klassenscheiding blijkt een ontstellend gebrek aan nieuwsgierigheid naar de medeplichtigheid aan een systeem dat de status van de elite generaties lang heeft veiliggesteld. Aandacht voor diversiteit en inclusie op grond van ‘ascriptieve’ kenmerken als ras, geslacht, invaliditeit of seksuele geaardheid stelt de heersende klasse in staat de klassenverschillen over het hoofd te zien en zich te concentreren op ongekozen vormen van identiteit. Diversiteit en inclusie passen keurig in de meritocratische structuur en houden de structuur van de nieuwe aristocratische orde stevig in het zadel.
Harvard heeft mooi praten met haar verzet tegen uitsluiting: in 2017 werd maar vijf procent van de aanmeldingen gehonoreerd
Dit verklaart mede de merkwaardige en vaak hysterische nadruk die de meeste elitaire en exclusieve instellingen in de VS op het gelijkheidsbeginsel leggen. Het meest recente absurde voorbeeld was de officiële poging van Harvard University om, in de woorden van haar bestuursvoorzitter, gezelligheidsverenigingen op te heffen vanwege hun rol ‘in het handhaven van vormen van bevoorrechting en uitsluiting die strijdig zijn met onze diepste waarden’. Harvard heeft mooi praten met haar verzet tegen uitsluiting: in 2017 werd vijf procent van de aanmeldingen (2056 van de 40.000) door de universiteit gehonoreerd. Het ontkennen van bevoorrechting en uitsluiting lijkt gelijke tred te houden met de exclusiviteit van de instelling.
De veelgeprezen inzet voor gelijkheid, inclusie en diversiteit is niet alleen een denkmantel voor institutioneel elitarisme. Hij impliceert ook dat iedereen die desondanks buiten de boot valt zijn lagere status verdient. Als de elite haar sociale status, rijkdom en positie voornamelijk als het resultaat van haar eigen inspanning en werk beschouwt (en zeker niet van geboorte of erfenis), dan hebben zij die in de lagere klasse blijven hangen daar volgens diezelfde logica zelf voor gekozen. Dit geringschattende standpunt wordt ingenomen door prominente stemmen aan zowel de rechter- als de linkerzijde van het politieke spectrum. Zo zei James Stimson, hoogleraar Politieke Wetenschappen aan de University of North Carolina, onlangs tegen de New York Times:
‘Als we kijken naar het gedrag van mensen die in behoeftige buurten wonen, dan zien we niet het effect van economische achteruitgang op de arbeidersklasse, we zien een uiterst selectieve groep mensen die met economische tegenspoed is geconfronteerd en ervoor heeft gekozen thuis te blijven en die te accepteren, terwijl anderen elders hun heil hebben gezocht en gevonden. (…) Degenen die angstig zijn, conservatief in maatschappelijke zin, en ambitie ontberen, blijven waar ze zijn en accepteren de achteruitgang.’
Om een samenleving te laten functioneren moeten er tegelijkertijd twee schijnbaar tegenstrijdige overtuigingen worden gehuldigd: wij zijn radicaal verschillend en radicaal gelijk
Met andere woorden, het is hun eigen schuld. Ze verdienen het om te verliezen, zoals de meritocraten van Harvard het verdienen om te winnen.
Dat de heersende klasse van tegenwoordig eerder geneigd is ongelijkheid te veroordelen vanaf haar gemanicuurde campus dan dat ze naar buiten treedt om haar geloof in een gemeenschappelijk burgerbestaan uit te dragen is geen teken van grotere verlichting en vooruitgang, maar toont aan dat er een nieuwe aristocratie is ontstaan die zich niet bewust is van haar eigen positie en de verantwoordelijkheden die daarbij horen. Ze laat zich misleiden door een geüpdatete ‘nobele’ leugen.
Nu, bijna vijfentwintighonderd jaar later, lijkt Plato’s nobele leugen toch zo onwaar nog niet. Om een samenleving te laten functioneren moeten er tegelijkertijd twee schijnbaar tegenstrijdige overtuigingen worden gehuldigd: wij zijn radicaal verschillend en radicaal gelijk. We zijn uiterst gedifferentieerd maar met elkaar verbonden. We zijn vaak tot radicaal verschillende taken geroepen, maar die taken zijn bedoeld om het geheel ten goede te komen. Plato dacht dat mensen het ‘feitelijke verschil’ gemakkelijk zouden kunnen onderkennen, omdat het zo vanzelfsprekend is voor onze zintuigen, zij het niet altijd gemakkelijk te accepteren voor mensen met een lagere status. De uitdaging was het kweken van een geloof in een gemeenschappelijke oorsprong en onderlinge verwantschap. De Staat van Plato was één poging om deze uitdaging te beantwoorden, zij het een nogal absurde en ongeloofwaardige (zoals Socrates meteen toegaf). Vandaag de dag hebben we twee mogelijke antwoorden.
Liberale samenleving
Zolang Amerika als natie bestaat, is het Amerikaanse credo altijd aan verwarde en uiteenlopende invloeden onderhevig geweest. De eerste was die van het politiek liberalisme. Dat legt de nadruk op individuele rechten en vrijheden en belooft dat als we ons gezamenlijk inzetten voor de totstandkoming van een liberale samenleving, onze uitgesproken en vaak onverzoenlijke verschillen beschermd zullen worden. Het liberalisme propageert politieke eenheid als een manier om onze persoonlijke verschillen veilig te stellen.
De andere invloed was die van het christendom. Dat benadert de vraag vanuit het tegenovergestelde perspectief, met begrip voor onze verschillen om een sterkere eenheid te kweken. Dit is de krachtige boodschap van Paulus in 1 Korintiërs 12 en 13, waarin hij de kibbelende christenen van Korinthe vraagt te begrijpen dat hun gaven niet ter meerdere glorie van een bepaalde persoon of een bepaald slag mensen zijn, maar van het lichaam als geheel. John Winthrop herhaalde deze leerstelling in zijn zelden gelezen, vaak verkeerd geciteerde preek ‘A Model of Christian Charity’, die hij hield aan boord van de Arbella. Winthrop begint met de vaststelling dat mensen overal en altijd in lagere en hogere standen worden geboren; de armen zijn altijd onder ons, zoals Christus opmerkte. Dit onderscheid werd echter niet toegestaan om de eersten af te vallen en de tweeden te prijzen, maar ter meerdere glorie van God, opdat allen weten dat zij elkaar nodig hebben en verantwoordelijk zijn voor het delen van bepaalde gaven tot nut van het algemeen. Verschillen in talent en omstandigheden bestaan om een sterkere eenheid te bevorderen.
Een samenleving die alleen is gebaseerd op een gemeenschappelijk geloof in individuele verschillen zal uitlopen op een totale oorlog
Zolang het liberalisme niet volledig zichzelf was, zolang het werd gecorrigeerd en zelfs gestuurd door het christendom, was een werkend sociaal contract mogelijk. In het christendom wordt verschil tot eenheid geordend. In het liberalisme wordt eenheid gewaardeerd zolang het verschil bevordert. Het Amerikaanse experiment vermengde en verwarde deze twee begrippen, maar alleen net genoeg om er een blijvende bron van zorg van te maken. De balans was nooit perfect omdat er altijd te veel ontbrak, slingerde altijd heen en weer tussen een quasi-theologische verkondiging van eenheid en ontworteld individualisme. Maar er bleek bijna tweehonderdvijftig jaar lang mee te leven. De recente sterke afname van gelovigheid en christelijke morele normen wordt door velen als een triomf van het liberalisme beschouwd, en dat is het in zekere zin ook. Tegenwoordig wordt onze eenheid vrijwel volledig in het licht van onze verschillen gezien. We komen bijeen… om diversiteit te vieren. En tegenwoordig fungeert de viering van diversiteit ten slotte altijd als masker voor macht en ongelijkheid.
In deze opzet vigeert de taal van het recht. Maar zoals Simone Weil decennia geleden al opmerkte, is de taal van het recht uiteindelijk niet in staat een gemeenschappelijk leven op te bouwen, of zelfs maar in stand te houden:
‘Als je tegen iemand met oren om te horen zegt: “Wat je me aandoet is onjuist,” dan wakker je aandacht en liefde aan in hun meest oorspronkelijke vorm. Maar dat geldt niet voor woorden als “ik heb het recht…” of “jij hebt het recht niet om…”. Die lokken een latente oorlog uit en wakkeren tweespalt aan. Door van het rechtenidee het middelpunt van sociale conflicten te maken wordt beide kanten iedere aandrang tot naastenliefde ontnomen.’
Weil voorspelde wat we nu meemaken. Na meer dan twee eeuwen kunnen we niet langer stellen dat christendom en liberalisme met elkaar verenigbaar zijn. Het liberalisme is in opkomst, maar het zal een pyrrusoverwinning behalen. Een samenleving die alleen is gebaseerd op een gemeenschappelijk geloof in individuele verschillen zal uitlopen op een totale oorlog. De natuurlijke staat ligt niet in een denkbeeldig verleden; hij is duidelijk zichtbaar in een nabije en maar al te reële toekomst.
De nieuwe aristocraten denken dat we de behoefte aan het christendom, dat ze als een even leugenachtige mythe beschouwen als de nobele leugen van Plato, zijn ontstegen. Ze geloven dat ze door het verwerpen van de oude mythen de voorhoede van een nog gelijkwaardiger samenleving kunnen worden. Ze hebben geen oog voor het feit dat deze aanspraak een vorm van statushandhaving is, zodat ze een sterkere gemeenschappelijke band met degenen die ze als achterlijk beschouwen kunnen ontkennen. De elite verfoeit populisten maar ontkent dat zijzelf een klassenoorlog heeft ontketend. Ze hekelt de afstotelijkheid van Donald Trump en is zich totaal niet bewust van haar medeplichtigheid aan zijn opkomst.
We bevinden ons in een gebied dat nog niet in kaart is gebracht. Het liberalisme heeft gedurende zijn hele geschiedenis gecoëxisteerd met het christendom, waarbij het christendom de harde kantjes van de heersende politieke filosofie afschaafde en de elite verplichtte haar bevoorrechte positie te erkennen, evenals de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden en verplichtingen jegens de minder fortuinlijken. De volstrekte minachting van de hedendaagse elite voor de arbeidersklasse is een weerspiegeling van onze pas ontdekte ‘verlichting’, zoals de overtuiging van de lagere klasse dat alleen een sterke en even minachtende leider de elite in bedwang zal kunnen houden dat ook is. Het liberalisme is erin geslaagd de oude goden van het openbare plein te verwijderen, zodat het een onguur strijdperk is geworden voor ongelijken die niets gemeenschappelijks meer bij elkaar herkennen. Of dat plein weer gevuld kan worden met opnieuw vertelde oude verhalen over een gemeenschappelijke oorsprong en bestemming, of dat het gewoon gedomineerd moet worden door degene die de sterkste blijkt, is de uitdaging voor ons tijdperk.
Patrick J. Deneen
Patrick J. Deneen is een internationaal gerenommeerd politiek denker en universitair hoofddocent Politieke Wetenschappen aan de universiteit van Notre Dame. Hij publiceerde over democratie, Amerikaanse politieke filosofie, politieke theologie, religie en Amerikaans liberalisme, en literatuur en politiek.
Deneen schreef meerdere boeken, waaronder Why Liberalism Failed (2018), dat werd vertaald in vijftien talen. Het boek werd een veelbesproken titel en heeft nog steeds grote invloed op het denken over liberalisme. President Barack Obama liet zich lovend uit over Deneens boek en schreef dat ‘het de lezer dieper inzicht verschaft in het verlies van gemeenschapszin die velen in het Westen voelen, en de onderkenning van de waarde ervan in liberale democratieën’.
Wifiwachtwoorden van scholen worden doorverkocht aan buurtbewoners
Schoolkinderen in Zuid-Afrika verkopen het wifiwachtwoord van hun school om hun lunch te kunnen betalen. Miljoenen verarmde kinderen in Zuid-Afrika hebben thuis geen internet en krijgen daarom gratis toegang tot internet op school. Tegen een vergoeding geven leerlingen het wifiwachtwoord van de school prijs aan mensen in de buurt van de school die geen internetaansluiting of mobiele-data-abonnement hebben, schrijft Rest of world. ‘De gangbare koers is 10 tot 20 rand, ongeveer 60 cent tot 1 euro 20’, aldus scholier Thabo, die in Duduza Township woont, op zo’n 90 kilometer van Johannesburg. ‘Op een goede dag verdien ik 50 rand’.
Zuid-Afrika is volgens de Wereldbank ook het meest inkomensongelijke land ter wereld
Veel Zuid-Afrikanen hebben behoefte aan goedkope internettoegang, zeker nu steeds meer activiteiten, van overheidszaken tot entertainment, online plaatsvinden. Het land heeft weliswaar de meest ontwikkelde telecommunicatie-infrastructuur van het continent en ook een van de meest geavanceerde economieën van Afrika, maar is volgens de Wereldbank ook het meest inkomensongelijke land ter wereld.
De Franse stereconoom Thomas Piketty roept naar aanleiding van de Pandora Papers op tot een openbaar financieel kadaster. Door het vrije verkeer van kapitaal zijn grote vermogens ongrijpbaar voor de fiscus, en dat moet volgens hem zo snel mogelijk veranderen.
Na de LuxLeaks in 2014, de Panama Papers in 2016 en de Paradise Papers in 2017 tonen de onthullingen in de Pandora Papers, afkomstig van een nieuw lek van twaalf miljoen documenten over financiële offshoreconstructies, in welke mate de allerrijksten belasting blijven ontduiken. In tegenstelling tot wat soms wel wordt beweerd zijn er geen betrouwbare aanwijzingen dat de situatie de afgelopen tien jaar is verbeterd.
Vóór de zomer had de site ProPublica al onthuld dat miljardairs in de Verenigde Staten praktisch geen belasting betalen in verhouding tot hun vermogen en tot wat de rest van de bevolking betaalt. Volgens Challenges is het vermogen van de vijfhonderd rijkste Fransen toegenomen van 210 miljard euro in 2010 tot ruim 730 miljard in 2020, en alles wijst erop dat de belasting die over deze enorme vermogens wordt betaald (in feite uiterst simpel te achterhalen informatie die de overheid echter nog altijd weigert te publiceren) buitengewoon gering is. Moeten we lijdzaam wachten op de volgende uitgelekte documenten, of wordt het tijd dat media en burgers met een actieplatform komen en regeringen onder druk zetten om deze kwestie op een systemische manier op te lossen?
Ieder voor zich
Het wezenlijke probleem is dat vermogens aan het begin van de eenentwintigste eeuw [in Frankrijk] nog altijd alleen worden belast op basis van onroerend goed, waarbij methodes en kadasters worden gebruikt die dateren uit het begin van de negentiende eeuw. Als we onszelf geen middelen verschaffen om deze stand van zaken te veranderen, zullen de schandalen zich blijven voordoen, met als risico een langzaam uiteenvallen van ons sociale en fiscale pact en een onontkoombare groei van het ieder-voor-zich.
Belangrijk hierbij is dat het registreren en belasten van bezit historisch gezien altijd nauw met elkaar verbonden is geweest. Allereerst omdat het registreren van bezit de bezitter voordeel oplevert, namelijk bescherming door het rechtssysteem, en ten tweede omdat alleen een minimale belasting de registratie echt verplicht en systematisch kan maken. Daar komt bij dat bezit ook een indicator is voor de hoeveelheid belasting die mensen kunnen betalen, wat verklaart waarom inkomsten uit vermogen altijd een belangrijke rol hebben gespeeld in de moderne fiscale systemen, boven op de inkomstenbelasting (die soms flink kan worden gedrukt, vooral bij mensen met een zeer groot vermogen, zoals ProPublica heeft aangetoond).
Door een gecentraliseerd kadaster in het leven te roepen voor alle onroerend goed, zowel met een woon- als bedrijfsbestemming (landbouwgrond, winkels, fabrieken et cetera), heeft de Franse Revolutie in één klap ook een belastingsysteem ingevoerd dat is gebaseerd op transacties (de nog altijd bestaande overdrachtsbelasting) en vooral op bezit (via de taxe foncière, de onroerendgoedbelasting).
Het resultaat is een uitermate onrechtvaardig systeem dat grote ongelijkheid schept
Zowel in Frankrijk als de Verenigde Staten en vrijwel alle andere rijke landen blijft de onroerendgoedbelasting, of de Angelsaksische variant daarvan, de property tax, de belangrijkste heffing op bezit (in Frankrijk rond de 2 procent van het bnp, oftewel zo’n 40 miljard euro per jaar). Het ontbreken van een dergelijk registratie- en belastingsysteem voor onroerend goed met een woon- of beroepsbestemming verklaart daarentegen de buitensporig grote omvang van de informele sector in veel zuidelijke landen en de daaruit voortvloeiende problemen bij het heffen van inkomstenbelasting.
Het probleem is dat dit systeem van vermogensregistratie en -belasting de afgelopen twee eeuwen vrijwel ongewijzigd is gebleven, terwijl financiële activa tegenwoordig het grootste vermogensbestanddeel vormen. Het resultaat is een uitermate onrechtvaardig systeem dat grote ongelijkheid schept. Als u een woning of een bedrijfsruimte bezit met een waarde van 300.000 euro, en u hebt een schuld van 290.000 euro, dan betaalt u evenveel onroerendgoedbelasting als iemand die een pand met dezelfde waarde heeft geërfd en ook nog eens 3 miljoen euro aan financiële tegoeden bezit.
Politieke keuze
Geen enkel principe, geen enkel economisch argument kan een belastingsysteem rechtvaardigen dat zo genadeloos regressief is (de facto is de effectieve rente die mensen met weinig onroerend goed betalen structureel hoger dan die van mensen met veel onroerend goed), nog afgezien van het feit dat ervan wordt uitgegaan dat het onmogelijk zou zijn financieel bezit te registreren. Het gaat hier echter niet om een technische onmogelijkheid, maar om een politieke keuze: er is voor gekozen de registratie van effecten te privatiseren (via privaatrechtelijke dienstverleners als Clearstream of Eurostream) en vervolgens het vrije verkeer van kapitaal te introduceren dat gegarandeerd wordt door de staten, zonder enige voorafgaande fiscale coördinatie.
De Pandora Papers herinneren ons er ook aan dat de allerrijksten erin slagen belasting over hun onroerend goed te ontduiken door het in belastingparadijzen als effecten te registreren, zoals in het geval van het echtpaar Blair en hun huis van 7 miljoen euro in Londen (waarmee 400.000 euro aan overdrachtsbelasting werd ontdoken) of dat van de villa’s aan de Côte d’Azur die via brievenbusfirma’s in het bezit zijn van de Tsjechische premier Babis (die ook wordt verdacht van verduistering van Europese gelden).
Wat moet er gebeuren? De prioriteit moet de oprichting zijn van een openbaar financieel kadaster en het heffen van een minimale belasting op alle bezit, al was het maar om er objectieve informatie over te verkrijgen. Elk land kan daar onmiddellijk toe overgaan door van alle bedrijven die tegoeden op zijn grondgebied beheren of exploiteren te eisen dat ze de identiteit van de eigenaars onthullen, en die eigenaars vervolgens op volstrekt transparante wijze een belastingheffing op te leggen die overeenkomt met die voor gewone belastingbetalers, niet meer en niet minder. Als we iedere ambitie op het gebied van fiscale soevereiniteit en sociale rechtvaardigheid laten varen, moedigen we het separatisme van de allerrijksten en onze eigen in-onszelf-gekeerdheid alleen maar aan. Het is hoog tijd om in actie te komen.
Thomas Piketty
De Franse econoom en historicus Thomas Piketty verwierf in 2014 een rocksterstatus met de Engelse vertaling van Le capital au XXIe siècle door Harvard University Press. Hij is de wegbereider van Rethinking Economics, een herbezinning over de verdeling van kapitaal, concentratie van welvaart en economische groei; de grote vraagstukken van deze tijd.
De ongelijkheid in de wereld was al groot voor de komst van het virus en is door de pandemie alleen maar groter geworden. Maar er dient zich een brede tegenbeweging aan van vrouwelijke en mannelijke ondernemers, politici, hoogleraren en activisten – met baanbrekende ideeën die het tij kunnen keren.
Daar is hij dan. De man die Einhorn uit handen heeft gegeven, zijn onderneming, die 15 tot 20 miljoen euro waard is. Waldemar Zeiler, met karakteristieke baard en muts. Eind dertig, oprichter. Hij verontschuldigt zich dat hij er zo moe uitziet, morgen vroeg om vijf uur moet hij weer aan de slag. Hij blijft wel bij Einhorn, zijn proeftuin, zoals hij het noemt. Maar vanaf nu is niemand de baas. De medewerkers bepalen zelf hoeveel ze verdienen en nemen vrij wanneer ze willen; Einhorn maakt tenslotte winst en het bedrijf groeit.
43 vrouwen kijken naar Zeiler: architecten, musici, artsen, menigeen is zelf een bedrijf gestart. Ze zijn voor deze videoconferentie uitgenodigd door Women’s Hub, een organisatie die vrouwen bij elkaar brengt. Ze praten over ideeën en visies met betrekking tot werk, bedrijf en maatschappij, en geven elkaar feedback. Voor de pandemie vonden de bijeenkomsten plaats in Hamburg, München en Rosenheim, ten zuidoosten van München. ‘We geloven in gemeenschappelijkheid,’ zegt Maren Jopen, een van de oprichters van Women’s Hub, ‘en we willen een internationale beweging worden.’ Dat klinkt optimistisch, maar de drie oprichters zijn nuchtere zakenvrouwen. De Financial Times Deutschland keurde Jopens eerste start-up een paginagroot artikel waardig; in 2017 stapte ze uit het bedrijf, ze wilde iets nieuws opzetten, net als Zeiler. Hij richt de ene onderneming na de andere op, een van de andere voorbeelden is Rocket Internet, een wereldwijde investeringsmaatschappij en start-upincubator. Zijn helden zijn Jack Welch en Milton Friedman, de knapste koppen van het kapitalisme.
‘Stel je voor dat jullie de macht hebben om de wereld te veranderen’
Nu zit hij hier en trekt zijn muts over zijn voorhoofd. Hij stelt een gedachte-experiment voor: John Rawls’ ‘sluier van onwetendheid’. Diens Theorie van rechtvaardigheid heeft het filosofische denken van de twintigste eeuw veranderd en baant zich nu een weg door de economie van de eenentwintigste eeuw. Zeiler heeft het experiment overgenomen van Maja Göpel, politiek econoom, hoogleraar en adviseur van de Duitse regering. ‘Doe je ogen dicht,’ zegt Zeiler, ‘en stel je voor dat jullie de macht hebben om de wereld te veranderen. Onder één voorwaarde: je weet niet hoe en als wat je in de nieuwe wereld terugkomt, qua geslacht, huidskleur, status, intelligentie, gezondheid en vermogen. Als Jeff Bezos, of als dagloner in India. Hoe zouden jullie die nieuwe wereld vormgeven?’
Tegenbeweging
Het is nu al een andere wereld. Nog meer mensen dan voorheen worden achtergesteld. En nog meer mensen overlijden daardoor: de Wereldbank voorspelt dat tegen het einde van dit jaar nog eens 150 miljoen mensen door armoede met de dood worden bedreigd. Maar er bestaat een vaak over het hoofd geziene tegenbeweging. Steeds meer mensen komen in opstand tegen de ongelijkheid. Dat was vóór de pandemie al zo, maar nu zijn het er nog meer. Ook voor de goede zaak zijn ongewone tijden aangebroken.
Ik heb een videogesprek met Erica Chenoweth, hoogleraar aan Harvard, die deze ontwikkeling als een van de eersten heeft ontdekt en onderzocht. Het gerenommeerde Foreign Policy Magazine heeft haar uitgeroepen tot een van de honderd belangrijkste politieke denkers ter wereld. ‘Het is duizelingwekkend hoe snel het aantal massabewegingen groeit,’ zegt ze. Tot nog toe lag het record op zestig per decennium. Alleen al in 2019 zijn er 39 ‘revolutionaire uitbarstingen’ geweest. Geweldloos, wat ze sterker maakt: door af te zien van geweld zijn ze succesvoller. Chenoweth is benieuwd naar de getallen van 2020. Waldemar Zeiler en Maren Jopen, met hun ideeën en hun alternatieven voor het oude systeem, zijn volgens haar echt mensen van onze tijd.
‘De pandemie,’ zegt Chenoweth, ‘heeft aan het licht gebracht waar mensen zich al decennia zorgen over maken: slechte gezondheidszorg, onzekere arbeidsplaatsen, economische ongelijkheid, structurele ongelijkheid door racisme en seksisme. Nu worden veel meer mensen door deze misstanden getroffen, doordat de epidemie niet alleen een noodsituatie in de gezondheidszorg heeft veroorzaakt, maar ook een economische crisis. Wereldwijd. Dat heeft een veel grotere gemeenschap de impuls gegeven zich te mobiliseren.’
‘Ik moet gaan, de democratie heeft me nodig,’ schreef Tang aan haar collega’s bij Apple
Uit onderzoek blijkt dat mensen door rampen veranderen: de gemeenschapszin wordt versterkt en rampen leggen de kiem voor grassroots movements, bewegingen of maatschappelijke initiatieven die aan de basis ontstaan. Er ontstaan nieuwe wegen, en de mensen die die wegen al bewandelen, worden belangrijk. Zoals Audrey Tang, het brein achter het pandemiewonder van Taiwan. Toen Duitsland eind november 2020 de miljoenste besmetting meldde en de gedeeltelijke lockdown verlengde, telde Taiwan, een land van 24 miljoen inwoners, 625 besmettingen. Zonder lockdown. Een wonder dat begon met de Zonnebloembeweging.
‘Ik moet gaan, de democratie heeft me nodig,’ schreef Tang, werkzaam bij Apple, in 2014 in een chatbericht aan haar collega’s in Silicon Valley. Even later zat ze in het vliegtuig naar Taipei. De democratie, dat waren de studenten van de Zonnebloembeweging, die in opstand waren gekomen tegen een wet en tegen Taiwans toenadering tot China. Ze hadden het parlement bezet en Tang schoot hen met haar eigen middelen te hulp.
Op achtjarige leeftijd leerde ze zichzelf programmeren, met niet meer dan potlood en papier. Toen ze elf was, verhuisden haar ouders naar Dudweiler, in het Saarland. De kinderen op de basisschool vond ze net kleine volwassenen. Twee woorden zijn haar bijgebleven: stiptheid en verantwoordelijkheid. In Taiwan leerden de leraren haar antwoorden te herhalen, in Duitsland hoe ze het antwoord moest vinden. Zo ging het toen en zo gaat het misschien nog steeds. Hoewel, die stiptheid… Ze lacht.
Toen ze bij de Zonnebloemstudenten kwam, bezorgde ze hun snel internet en verspreidde ze haar gedachtengoed door het hele land. Snel daarna gingen honderdduizenden mensen de straat op en gaf de regering toe. Twee jaar later kwam er een nieuwe regering, die ook revolutionaire krachten in haar kabinet opnam, onder wie Audrey Tang, destijds 35. Ze moest Taiwan het digitale tijdperk in brengen en de democratie versterken door digitalisering, maar haar ook beschermen tegen de gevaren van hackers, nepnieuws en maatschappelijke tweedeling.
Coronawonder
Het was het begin van een tijdperk van transparantie. Tang publiceerde op internet inhoudelijke gesprekken met haar medewerkers, burgers werden bij het beleid betrokken; leerlingen en leraren verrichten bijvoorbeeld metingen naar lucht- en waterkwaliteit. Taiwan werd de meest open samenleving in Azië en legde daarmee de basis voor zijn coronawonder.
Toen een Taiwanese vrouw de viruswaarschuwing van de Chinese klokkenluider Li Wenliang deelde, nam de regering die serieus. Nog geen 24 uur later, op 31 december 2019, stonden er artsen in beschermende kleding op het vliegveld. Toen Europa nog lag te slapen, organiseerde Taiwan een crisisstaf, fabriceerde miljoenen mondkapjes en hackers bouwden een app waarop je live kon zien bij welke apotheken die beschikbaar waren. Bovendien verplichtte Taiwan – democratisch gelegitimeerd – zijn burgers een app te downloaden om daarmee de strenge quarantaine te bewaken.
Taiwan kwam het jaar goed door, en Tang denkt al na over de tijd hierna. Ze citeert Leonard Cohen: ‘There’s a crack in everything, that’s how the light gets in.’ Corona mag dan barsten in de samenleving hebben geslagen, zegt ze, maar daardoor komt ook licht naar binnen. ‘De pandemie is een grote versterker. De nieuwe wereld is voorlopig niets anders dan de versterkte oude wereld.’ In sociale landen versterkt ze het sociale, in autocratieën het autoritaire. Op de hele wereld vindt er een wedloop plaats tussen de verschillende zienswijzen. Tang verwacht dat de ideeën van degenen die de pandemie het best te lijf gaan de nieuwe wereld zullen bepalen. ‘Voor sociale vernieuwers zijn het gouden tijden.’
De pandemie heeft autocraten en populisten als Trump, Poetin, Johnson en Bolsonaro verzwakt. Op zoek naar antwoorden kijkt de hele wereld naar Taiwan en kan daar, ook los van de coronapandemie, veel van leren.
De spannendste vernieuwing die Tang introduceerde, heeft betrekking op een van de grootste problemen van onze tijd: de tweedeling van de samenleving. Met haar sociale medium Join daagt ze Facebook en diens concurrenten uit en vernieuwt ze en passant de politiek.
In onze democratie stellen partijen een programma op en gaan daarmee naar de kiezers. Tangs beleid doet het tegenovergestelde: eerst luisteren ze naar de burgers, daarna wordt het programma opgesteld. Ze past in de politiek mechanism design toe, de speltheorie waarvoor in 2007 de Nobelprijs voor Economie werd verleend: leg eerst het doel vast, pas daarna de weg (het mechanisme) ernaartoe. Basketbal is een klassiek voorbeeld: vanuit de wens het spel sneller te maken volgde de regel dat een aanval ten hoogste 24 seconden mag duren. Of een voorbeeld uit de opvoeding: als je twee kinderen tevreden wilt stellen, mag de eerste de koek delen en de tweede het eerst een stuk kiezen.
‘Wij oude democratieën denken altijd dat wij de ware democratie hebben’
Tang heeft de theorie op onze wereld toegepast zoals alleen mensen dat kunnen die zichzelf op hun achtste met papier en potlood hebben leren programmeren. Met hulp van hackers ontwikkelde ze een sociaal medium dat zich van Twitter en Facebook onderscheidt. Die leggen de nadruk op berichten die ophef veroorzaken, dus is er altijd herrie. Haar Join daarentegen legt juist de nadruk op bijdragen die, dwars door alle bubbels heen, weerklank vinden. Zo raadpleegde Taiwan zijn burgers over de taxidienst Uber. De klassieke benadering zou zijn: ja of nee? Taiwan vroeg juist naar wensen en gevoelens. Een concurrent met goede service zou mooi zijn, zeiden de ondervraagden; en Uber moest zijn chauffeurs wel sociale verzekeringen bieden. Zowel Uber als de beroepsgroep verbeterden daardoor. Of het nu gaat over maritiem beleid of de diplomatieke verhouding met de Verenigde Staten, de helft van de inwoners van Taiwan, 12 miljoen mensen, doet via Join mee.
De nieuwe spelregels verspreiden zich op dit moment over de hele wereld. Tang heeft zich aangesloten bij de beweging RadicalxChange, die politiek, economie en samenleving wil veranderen door middel van mechanism design. Voorzitter is de kunstenares Jennifer Lyn Morone, in de raad van bestuur zitten onder anderen Danielle Allen, hoogleraar ethiek aan Harvard, Vitalik Buterin, uitvinder van de cryptomunt Ethereum en Glen Weyl, adviseur van Microsoft en docent aan Princeton.
Als Weyl voor het interview de camera van zijn computer aanzet, verschijnen achter hem, keurig op een rijtje op het netjes opgemaakte bed, acht poppen. Ze doen aan de Muppets denken: Einstein, Nietzsche, Darwin, Da Vinci, Marx, Kahlo, Curie en Lovelace, de eerste vrouwelijke programmeur. ‘Wij oude democratieën denken altijd dat wij de ware democratie hebben,’ zegt Weyl, ‘maar de plaatsen waar de democratie floreert zijn Taiwan of bijvoorbeeld Estland, ook een jonge democratie die aan een autoritair systeem grenst en gedwongen is na te denken hoe ze vitaal kan blijven.’
Met RadicalxChange heeft Weyl iets geheel nieuws geschapen, iets dat links noch rechts is. Het brengt het koude kapitalisme samen met de warmte van de verzorgingsstaat. Zo heeft hij een model ontwikkeld dat, met een marktmechanisme dat links het bloed in de aderen doet stollen, exact de wereld creëert waarvan zij altijd gedroomd hebben, een wereld met beperkt privébezit. Weyl adviseert partijen over de hele wereld, de Democraten in de Verenigde Staten en de CDU in Duitsland. Met de logica van mechanism design heeft hij een kiesstelsel ontwikkeld dat kiezers in staat stelt aan de stemmen een gewicht toe te kennen, waardoor het stemrecht van minderheden wordt versterkt. In de Amerikaanse staat Colorado is in 2019 al op deze manier gestemd, geheel in de zin van Audrey Tang. ‘Mechanism design is inclusie,’ zegt ze.
Independent Living-beweging
‘Even mijn aantekeningen erbij halen,’ zegt Judith Heumann, en ze rijdt met haar rolstoel bij haar pc vandaan. Ze wordt Judy genoemd. Voor de mensenrechten is ze even belangrijk als Martin Luther King of Louise Otto-Peters. Heumann is het brein achter de wereldberoemde Independent Living-beweging en buitengewoon adviseur van Barack Obama. In de Verenigde Staten kent iedereen haar, met haar bril en haar ondeugende gezicht; 73 is ze, haar nieuwe biografie Being Heumann ligt op haar schoot.
Toen ze anderhalf jaar was, kreeg ze polio. Niet veel later stelden de artsen voor om Judy in een tehuis te laten opnemen, zodat haar ouders van de zorg voor haar bevrijd waren. Toen ze vijf was, mocht ze niet naar school omdat haar rolstoel bij brand gevaar zou opleveren. Op haar negende mocht ze naar het speciaal onderwijs; ze kwam terecht bij allemaal kinderen met een beperking, de klassenvertegenwoordigster was 21. Haar ouders lieten het er niet bij zitten. ‘Van discriminatie wisten ze alles. Ze waren Duitsers, in 1936 gevlucht, hun ouders vermoord in de Holocaust. Ze konden niet blijven zwijgen,’ zegt ze nu. Uiteindelijk mocht Judy naar high school.
Als kind bracht ze haar zomers door in een vakantiekamp voor gehandicapte jongeren. Daar maakten ze plezier en deelden ze hun woede over hoe ze werden behandeld en wat hun werd ontzegd. ‘We begonnen ons voor te stellen hoe de wereld eruit kon zien,’ vertelt Heumann. Ze organiseerde haar eerste protestdemonstraties: voor invalideningangen bij scholen en plaatsen in studentenhuizen.
‘Als iets discriminatie is, noem het dan ook discriminatie’
Bij de medische keuring ter afsluiting van haar praktijkjaar vroeg een vrouwelijk lid van de examencommissie haar of ze kon laten zien hoe ze naar de wc ging. Ze werd afgewezen. De officiële reden: verlamming van de onderste ledematen. Heumann ging in beroep, keerde zich, vervuld van angst, openlijk tegen het systeem. Toen zag ze op de rechterstoel Constance Baker Motley, de eerste Afro-Amerikaanse federale rechter. Later werd Judy Heumann lerares op een basisschool. Haar eerste regel voor gerechtigheid is: ‘Als iets discriminatie is, noem het dan ook discriminatie.’
De tweede regel: eis wettelijke maatregelen en zorg dat ze worden toegepast. Toen Richard Nixon zijn veto uitsprak over een verordening die mensen met een handicap moest beschermen tegen discriminatie door de staat, gingen activisten voor zijn kantoor op Madison Avenue zitten en legden heel New York plat. Nixon tekende alsnog. En zo demonstreerden ze van de ene wet naar de andere, net zo lang tot ook zij in 1990 burgerrechten kregen. En de strijd houdt niet op, nog steeds hebben de Verenigde Staten het VN-verdrag uit 2006 niet geratificeerd dat mensen met een handicap volledige participatie garandeert. ‘Ik ben het zat steeds te moeten vragen,’ zegt Heumann. ‘Ik heb geen tijd om te wachten tot andere mensen hebben besloten dat ik volgens hen het recht heb naar school te gaan of in mijn rolstoel in de bioscoop te zitten. En om te vragen of we een deel van de samenleving mogen zijn.’
De wereld is voor mensen met een handicap nog altijd niet zoals die zou moeten zijn, maar wat Heumann heeft bereikt, is indrukwekkend. Het belangrijkste wat ze in al die jaren heeft geleerd: zorg voor samenwerking met andere bewegingen.
Toen Seattle ooit bussen zonder rolstoelbaan kocht en Heumann daar een klacht over indiende, kwamen latino’s en zwarte mensen haar te hulp. Op haar beurt hielp Heumann hen de begroting van Seattle aan te passen. In tien steden gingen strijders voor vrouwenrechten de straat op. Ook de Black Panthers, omdat Brad Lomax, een van hun leden, in een rolstoel zat. En net als de machtige burgerrechtenbeweging stuurden ook de Teamsters, de vakbond van vrachtwagenchauffeurs, vertegenwoordigers naar Washington.
Iedere beweging die in staat was 3,5 procent van de burgers op de been te krijgen, heeft het systeem wezenlijk veranderd
Er is een behoorlijke overlap tussen al deze groepen, leerde Judy Heumann al op zomerkamp. ‘De kans dat je ooit een handicap krijgt, is groot,’ zegt ze. Blind of doof, diabetes of Parkinson, een ongeluk bij het sporten of met de auto. Mensen met een beperking kunnen zwart zijn, Joods, dakloos of wat dan ook. Er zijn duizend redenen om samen te werken.’
Hoeveel macht samenwerkende groepen kunnen hebben, blijkt uit het onderzoek van Harvard-hoogleraar Erica Chenoweth, dat resulteerde in haar ‘3,5 procent-wet’: iedere beweging die de afgelopen jaren in staat was 3,5 procent van de burgers op de been te krijgen, heeft volgens die wet het systeem wezenlijk veranderd.
3,5 procent. Maar waarom is er dan nog zo veel ongelijkheid in de wereld? Omdat de mensen denken: Ik kan er toch niets aan veranderen. En omdat ze fouten maken. Ze tolereren bijvoorbeeld veel te vaak dat aan de randen van hun organisatie geweld wordt gebruikt. Toen in Taiwan de Zonnebloembeweging begon, sprak de regering van ‘gewelddadige anarchisten’. De studenten waren zo slim zich niet in de daderrol te laten dringen.
Een tweede grote fout: ‘Ze vertrouwen te veel op massademonstraties,’ zegt Chenoweth, en demonstreren er meestal maar een beetje op los. Zonder strategie: hoe houden we de mensen blijvend in beweging? Hoe zorgen we ervoor dat we effect hebben? In elk geval niet met demonstraties waarvoor de belangstelling algauw afneemt. Met een algemene staking of burgerlijke ongehoorzaamheid breng je de economie schade toe en dwing je eerder concessies af.
Zo werden de massabewegingen, ook al nam hun aantal de afgelopen jaren sterk toe, door de pandemie verzwakt. Slechts een op de drie was een succes, omdat ze gemiddeld maar 1,3 procent van de mensen bereikten. In de jaren negentig was dat gemiddeld 2,7 procent.
‘De pandemie heeft op de resetknop gedrukt,’ zegt Chenoweth, ‘en dat was hard nodig.’ Tijdens de onderbreking zijn veel bewegingen volwassener geworden, ze hebben overheidstaken op zich genomen, zoals als voedselvoorziening en hulpfondsen. Werken voor het algemeen belang is, naast passief verzet, Gandhi’s tweede zuil van verandering. Ze hebben alternatieven gevonden voor demonstraties, massale ziekmeldingen bijvoorbeeld (‘sick-ins’), passief verzet gepleegd, ze hebben zich ontwikkeld en coalities gevormd. Earth Day, de jaarlijkse dag voor het klimaat op 22 april, heeft honderden bewegingen bij elkaar gebracht. ‘Vele daarvan zijn veel sterker uit de crisis gekomen,’ zegt Chenoweth. En er zijn meer dan tien nieuwe bewegingen ontstaan, in de Verenigde Staten, Wit-Rusland, Polen, Israël, Thailand, tegen despoten en tegen racisme, voor vrouwenrechten en voor vrijheid, even veelzijdig en machtig als de ongelijkheid waartegen ze strijden.
Ibram X. Kendi’s boek How to Be an Antiracist drukt zijn stempel op het denken over racisme.
Toen hij drie jaar geleden aan zijn boek werkte, werd bij hem darmkanker geconstateerd. De kans dat hij vijf jaar later nog in leven zou zijn, was 12 procent. Hij was midden dertig, zijn dochter was één. Hij ging door met schrijven, tegen de kanker buiten zijn lichaam, zoals hij het noemt: racisme.
Ibram X. Kendi. Die naam heeft hij zelf gekozen, kendi betekent bij de Meru-volken in Kenia ‘geliefde’. Zijn middelste naam Henry zei hij vaarwel nadat hij had gehoord over prins Henry de Zeevaarder, de Portugese ontdekkingsreiziger uit de vijftiende eeuw, die in Afrikaanse slaven handelde. In plaats daarvan koos hij Xolani, Zoeloe voor ‘vrede’.
Het gaat goed met Kendi. Hij kreeg de prestigieuze Andrew W. Mellon-leerstoel aan de Universiteit van Boston toegekend, die eerder alleen werd bekleed door Nobelprijswinnaar Elie Wiesel. Twitter-oprichter Jack Dorsey schonk 10 miljoen dollar voor deze leerstoel, Selena Gomez stelde Kendi haar Twitteraccount ter beschikking en Time Magazine zette hem op de lijst van de 100 belangrijkste mensen ter wereld. Zijn boek How to Be an Antiracist, dat kort voor de opkomst van Black Live Matters verscheen, zal de komende jaren onze blik op racisme veranderen. Het boek is (nog) niet in het Nederlands vertaald.
Kendi heeft het interview vóór zijn werkdag gepropt, geen video, alleen zijn stem, 30 minuten.
Zijn concept van antiracisme: 1. Er zijn racisten en antiracisten, daartussen zit niets. Wie zegt dat hij geen racist is, is er al een. Racisme is status quo, ongelijkheid is status quo. En als er niets tegen de status quo wordt gedaan, wat gebeurt er dan? Dan blijft die bestaan. ‘Niets doen tegen racisme betekent racistisch zijn. Het staat het racisme toe te blijven bestaan.’ 2. Racisme is niet gebonden aan personen, maar aan daden en woorden. Ieder mens is soms racist, soms antiracist. Ook hijzelf.
Kendi heeft het concept van de antiracist niet zelf bedacht. In de jaren zeventig zei Angela Davis, de grande dame van de Black Power-beweging: ‘In een racistische maatschappij is het niet voldoende om niet-racistisch te zijn. We moeten antiracistisch zijn.’ Maar de wereld was daar nog niet klaar voor. ‘De afgelopen vijf jaar,’ zegt Kendi, ‘is het bewustzijn in de westerse wereld gegroeid. Steeds meer mensen beseffen dat ongelijkheid niet wordt veroorzaakt doordat mensen niet deugen, maar doordat de politiek niet deugt. Daarom zoeken steeds meer mensen naar een oplossing.’
Deze beweging, versterkt door het racisme van Trump, de dood van George Floyd, Black Lives Matter, heeft door de pandemie een nieuwe impuls gekregen, zegt Kendi: wetenschap werd belangrijk. ‘Hetzelfde hebben we ook bij alle andere grote problemen nodig. We hebben geleerden nodig die racistische ongelijkheid in real time onderzoeken. Die op basis van onderzoek politieke oplossingen ontwikkelen die onrechtvaardigheden kunnen verminderen en er een eind aan kunnen maken. Dat willen we in ons centrum voor antiracistisch onderzoek opzetten.’
Het boek, dat hij alleen kon voltooien omdat hij dacht dat het zijn ‘laatste bericht aan de wereld’ was, is dus nu nog maar het eerste begin van zijn werk. ‘Omdat ik wil dat mijn dochter opgroeit in een rechtvaardige wereld, waar de kleur van haar huid even irrelevant is als de kleur van haar bloes.’
Educate Girls
Men is op zoek naar oriëntatie. Waar zijn de ideeën? Waar is het wondermiddel waarmee grote veranderingen kunnen worden gerealiseerd? Eén vrouw weet zeker dat ze er een heeft gevonden, en toen ze op een TED-toekomstconferentie over haar idee vertelde, leek ze ook anderen te overtuigen. 1,7 miljoen mensen hebben naar haar presentatie gekeken, ook al was ze volkomen onbekend. Haar naam is Amel Karboul, ze is 47 en komt uit Tunesië.
Karboul begon haar presentatie als volgt: ‘Ik ben het product van een moedig besluit. Toen Tunesië in 1956 onafhankelijk werd, besloot onze eerste president, Habib Bourguiba, 20 procent van de begroting in het onderwijs te investeren. Ja, 20 procent, zelfs naar huidige maatstaven aan de bovenkant van het spectrum. Mensen protesteerden. Hoe moest het dan met de infrastructuur? En met elektriciteit, wegen en stromend water? Was dat niet belangrijk? Mijn argument zou zijn dat de belangrijkste infrastructuur die we hebben goed opgeleide mensen zijn.’
Zonder president Bourguiba was Karboul niet naar school gegaan. Bij mijn vijfde poging slaag ik er eindelijk in haar in Londen aan de lijn te krijgen. Ze spreekt Duits, heeft in Duitsland gestudeerd en onlangs nog haar zus in Stuttgart bezocht. Ze is van alle markten thuis, heeft voor de Boston Consulting Group gewerkt, leiding gegeven aan ngo’s, was tijdens de Arabische Lente minister in Tunesië en wijdt zich nu met voormalig Brits premier Gordon Brown aan de wellicht meest onderschatte crisis van onze tijd.
‘En als we niets doen, zal in 2030 de helft van de kinderen en jongeren op de wereld niet leren’
‘Bij de 250 miljoen kinderen die niet naar school gaan, moeten nog 330 miljoen kinderen worden opgeteld die wel naar school gaan, maar daar niets leren,’ zegt Karboul. ‘En als we niets doen, zal in 2030 de helft van de kinderen en jongeren op de wereld, de helft van 1,6 miljard mensen, niet leren.’ Deze getallen zullen na de pandemie nog angstaanjagender klinken. Karboul: ‘Wat betekent het als er de komende 4500 dagen een miljard Afrikanen op de arbeidsmarkt komen? Worden ze werkloos? Met alle risico’s van dien? Of worden ze de leiders van morgen?’ Net als Karboul zelf dus, die met drie achterstandshindernissen tegelijk werd geconfronteerd: geslacht, afkomst en huidskleur. Ze werd niet toevallig minister in Tunesië. En niet toevallig kwam Tunesië als enige land uit de Arabische Lente tevoorschijn als democratie, waarvoor het in 2015 de Nobelprijs voor de Vrede ontving.
Zo kan een gevaar dus in een kans veranderen, misschien wel in een wondermiddel. De Wereldbank heeft uitgerekend dat het opleiden van meisjes een positief effect heeft op negen van de zeventien ontwikkelingsdoelen van de VN. En klimaatonderzoekers hebben het opleiden van meisjes op de zesde plaats gezet van hun adviezen om het klimaat te redden. Hoger dan elektrische auto’s.
Amel Karboul heeft een concept ontwikkeld dat ervoor moet zorgen dat ieder kind naar school gaat. En dat het daar ook iets leert. Hoe? Elk onderwijsstelsel leert van het beste stelsel uit zijn klasse: Tunesië van Vietnam, Duitsland van Finland. En de financiering wordt gekoppeld aan resultaten. Het pilotproject om te zien of dit concept succesvol kan zijn, is de ngo Educate Girls, waarmee de Indiase Safeena Husain meisjes naar school krijgt.
Educate Girls bereikte 7300 kinderen in 140 dorpen, hun leerniveau ging tussen 2016 en 2019 met 79 procent meer omhoog dan dat van even oude kinderen op andere scholen. Kosten: 278.000 dollar. De financiering van dit idee is totaal anders dan gebruikelijk, maar is wel de kwintessens van Karbouls leven. ‘Ik ben in de allerarmste landen geweest, heb gezien hoe boeken in de kast stonden te verstoffen; ik zag scholen zonder ramen, maar met enorme wc’s, omdat daar wel geld voor was. Driekwart van wat we doen heeft geen enkel resultaat: geen banen voor kinderen die van school komen, kinderen die na jaren nog niet kunnen lezen. Ik word er gek van. Zo veel geld. Zou u 1000 euro uitgeven voor een vlucht naar New York, als de vliegtuigmaatschappij zegt dat drie van de vier vluchten niet aankomen?’
Deel 1 van haar idee: landen en ontwikkelingshulporganisaties betalen niets meer voor boeken en wc’s, maar betalen voor een kind dat kan lezen. En voor een schoolverlater die een baan heeft. Risico: geen. Boeken en toiletten worden betaald door private investeerders, ondernemingen en privépersonen. Als ze succes hebben, verdienen ze mee: 3 tot 15 procent. De gesubsidieerden kunnen met het geld doen wat ze nodig vinden. Geen toiletten en boeken meer waar niemand wat aan heeft.
‘Wij definiëren rechtvaardigheid in termen van prestatie en behoefte’
Voor deze financieringsdriehoek heeft Karboul een fonds opgericht. De VN geloven in het concept en hebben het uitverkoren tot trustfund. Ook investeerders geloven erin, Educate Girls heeft inmiddels toezeggingen voor 100 miljoen dollar: hoop voor 1,5 miljoen meisjes. In Sierra Leone, geteisterd door burgeroorlog en ebola, dongen drie keer zoveel investeerders mee als er nodig waren. Toch krijgen ze alleen geld als hun project er beter uitkomt dan klassieke ontwikkelingshulpprojecten. Wie aarzelen, zijn de mensen van de ontwikkelingshulp. Groot-Brittannië neemt het voortouw en betaalt samen met de regering aldaar 30 miljoen dollar voor een project in Ghana. Langzaam gaat het ook daar de goede kant op. ‘Covid heeft ons een flinke push gegeven,’ zegt Karboul: de politici in Europa weten nu wat een crisis in het onderwijs betekent.
Ideeën zijn alleen een aanbod. Dat geldt voor alle ideeën hier, waarin twee dingen samenkomen. Ze verminderen de ongelijkheid en ze zijn verankerd in de realiteit, ze zijn bewezen succesvol. Niet iedereen vindt ze goed. Ook het concept van Karboul krijgt kritiek: waarom moeten ook private investeerders eraan verdienen? Leidt dat er niet toe dat landen zich zullen terugtrekken? Is onderwijs geen publiek goed?
Belangrijke vragen. De vraag waarom investeerders eraan moeten verdienen, valt te beantwoorden: omdat zij de enigen zijn die risico lopen, en het dus rechtvaardig is – althans vanuit Duits perspectief. ‘Voor de meerderheid van de Duitsers betekent rechtvaardigheid niet dat iedereen gelijk is,’ zegt Marcel Fratscher, directeur van het DIW, een Duits Instituut voor economisch onderzoek, die een boek heeft gepubliceerd over de samenleving na corona, dat werd genomineerd voor de prijs voor het beste boek over economie. ‘Wij definiëren rechtvaardigheid in termen van prestatie en behoefte. Het is rechtvaardig dat iemand die meer presteert, meer bezit. En ook dat iemand die niets heeft, hulp krijgt.’ Fratscher kan veel over rechtvaardigheid vertellen, bijvoorbeeld dat samenlevingen die hun zwakkeren beschermen, beter uit de pandemie komen. En net als Erica Chenoweth gelooft hij dat de wereld een kans heeft om door de pandemie rechtvaardiger te worden. Het blijft daarbij alleen wel onduidelijk wat rechtvaardigheid precies is. Ieder mens verstaat er iets anders onder, ook Chenoweth, Zeiler, Karboul en Weyl. Alleen Tang en Heumann zijn het met elkaar eens: rechtvaardigheid is inclusie, participatie.
De strijd van Kristina Lunz
Kristina Lunz voert actie voor vrouwenrechten in het klein en denkt erover na in het groot.
Kristina Lunz komt uit een arbeidersgezin in Franken en was in haar familie de eerste die ging studeren – haar eerste overwinning op een onrechtvaardige samenleving. In Duitsland gaat maar 27 procent van de arbeiderskinderen studeren, tegen 79 procent van de kinderen van academici. In 2014, als student, voerde ze actie tegen de Bild Zeitung, waarin elke dag een foto van een topless meisje verscheen. Het was haar eerste gevecht tegen stereotypering en seksisme. In 2018 stopte Bild Zeitung ermee. Haar volgende succes behaalde ze toen ze met andere vrouwen de campagne ‘Nee is nee’ initieerde, die resulteerde in een wet voor vrouwenrechten.
Eenmaal afgestudeerd werd Lunz door Scilla Elworthy, een activiste die driemaal is genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede, gevraagd om een organisatie voor haar op te zetten. Lunz voelde zich gevleid en richtte het Centre for Feminist Foreign Policy op.
Feministische buitenlandse politiek? Jazeker. In Zweden, Canada en Frankrijk bestaat die al. En landen als Duitsland en Finland nemen het steeds serieuzer, alleen al omdat Lunz en haar team hen adviseren. Hetzelfde deed ze tot begin 2020 bij het opzetten van het feministische netwerk Unidas van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Heiko Maas.
‘Wij zijn niet de eersten die feministische analyses en buitenlandse politiek bij elkaar brengen, maar we horen wel tot de veel te weinigen naar wie geluisterd wordt,’ zegt Lunz. Juist nu is haar werk van belang. Vrouwen worden door de pandemie harder geraakt dan mannen: doordat ze als verpleegkundigen meer aan het virus worden blootgesteld, doordat er minder geld wordt besteed aan anticonceptie en gezinspolitiek nu het geld naar de strijd tegen corona gaat, doordat vrouwen door discriminatie armer, zwakker en aan meer gevaren blootgesteld zijn.
In juli schreef ze met haar team in een plan van 41 pagina’s hoe vrouwen tijdens de pandemie geholpen kunnen worden. Het ging over de bezetting van de gremia die hulpgelden verdelen, via humanitaire noodhulp tot en met het opzetten van nieuwe structuren. Ideeën die Zweden in praktijk bracht toen het, naast veel andere hulp, snel 2 miljoen euro ter beschikking stelde voor voorbehoedmiddelen in ontwikkelingslanden en voor vrouwenhuizen in Sierra Leone.
RadicalxChange
Glen Weyl, oprichter van RadicalxChange, heeft eens een ongewone uitspraak gedaan. Naast zijn politieke werk is hij adviseur van Microsoft en doet hij onderzoek. Zoals zovelen ergert hij zich aan de macht van de big tech-bedrijven en ook vindt hij het onterecht dat ze ons niet betalen voor onze data, zoals werknemers worden betaald voor hun werk. De wereld heeft een datavakbond nodig. Volgens dezelfde logica heeft een ‘future team’ van Microsoft,geleid door Weyl, een app ontwikkeld die 60 cent betaalt voor iedere afbeelding die een gebruiker ter beschikking stelt, zodat een bedrijf met kunstmatige intelligentie daarmee kan oefenen om beelden te herkennen. Weyl probeert het systeem van binnenuit te veranderen.
‘Onze CEO Satya Nadella,’ zegt Weyl in die ongewone verklaring, ‘spreekt steeds vaker van een referendum over het kapitalisme dat op dit moment plaatsvindt. Dat we geloven dat het kapitalisme niet zal overleven als het niet leert dat ondernemingen niet moeten afgaan op de waarde die ze intern creëren, maar op de waarde die ze creëren voor de ecosystemen om hen heen.’ Ook in het kapitalisme is de wedloop van de ideeën begonnen. Ook Waldemar Zeiler, oprichter van Einhorn, maakt deel uit van deze beweging.
Hoe zijn rechtvaardige wereld, geschapen achter de sluier van onwetendheid, eruitziet? ‘Eh, dat weet ik nog niet,’ zegt Zeiler tegen de vraagsteller bij Women’s Hub. Hij wil, zegt hij vervolgens, gewoon de economie veranderen, dat eeuwige ‘meer en meer en meer’.
Zeven jaar geleden was hij het zat. Voor zijn toenmalige start-up had hij 3 miljoen euro opgehaald, een bewijs van de grote verwachtingen die de investeerders ervan hadden. Het liet hem koud. Hij gooide het bijltje erbij neer en ging op wereldreis. Af en toe stuurde zijn kompaan Philip hem foto’s met businessideeën. Op een dag: lelijk verpakte condooms.
Condooms? Oké, dan moest het nieuwe dus in de onderneming zelf zitten: new work, het idee dat ondernemingen levende organismen zijn die het best in staat zijn informele hiërarchieën te vormen. De baas wordt afgeschaft. Wie vragen heeft, moet ze stellen aan degene die ergens het meest van afweet. En iedereen neemt vrij wanneer hij wil. De salarissen worden gezamenlijk vastgesteld.
‘Alles weggeven, 100 procent van de winst naar het bedrijf’
Terwijl Zeiler vertelt, verschijnen er vragen op het chatscherm: hoe zit het met het ego? En met het salaris? Het geld is niet zo moeilijk, zegt hij, niemand kan zich verrijken. Maar het ego… Daar wordt nog aan gewerkt. Workshops over geweldloze communicatie, bijeenkomsten waarbij iedereen kan zeggen wat haar of hem niet bevalt.
Of ze met al dat ‘inner work’ nog wel aan werken toekomen? Als je leest, zegt Zeiler, hoeveel mensen nog permanente stiptheidsacties lijken te voeren, dan is het geld goed besteed.
Veganistisch en duurzaam: hun condooms veroverden al snel de biomarkt. Ze maakten winst, de drogisterijketen DM nam ze in het assortiment op. Veel verandering, maar het echt revolutionaire idee moest nog komen. 50 procent van de winst ging in de onderneming, 50 procent naar Philip en hemzelf, maar op een dag zeiden ze: dit klopt niet. De vrouwen bij Einhorn hebben ook menstruatieproducten ontwikkeld en daarmee de omzet verdubbeld.
Ze bespraken het fenomeen van de ongelijkheid en gingen naar een conferentie op een oud landgoed, waar ze Armin Steuernagel ontmoetten, oprichter van de Stiftung Verantwortungseigentum [Stichting Eigendom schept verantwoordelijkheid]. Steuernagel stond daar in de paardenstal en Zeiler vond hem aanvankelijk maar extreem: alles weggeven, 100 procent van de winst naar het bedrijf. Maar mettertijd wilden zij dat ook. ‘Het voelde als een revolutie, een uitbarsting, een utopie, omdat het de hebzucht uitschakelde,’ zegt Zeiler. Het tegendeel van het oprichterskapitalisme van Silicon Valley, dat volledig gericht is op het uittreden van de oprichters als de onderneming is verkocht of naar de beurs gebracht.
Tot nu toe is er voor hun model geen geschikte rechtsvorm. Verschillende ministeries kijken ernaar. Maar Zeiler en zijn medestrijders hebben wel een signaal afgegeven; zeshonderd ondernemers en honderd medestanders, vrouwen en mannen, onder wie Marcel Fratscher, sloten zich bij de ideeën aan. En steeds meer mensen voegen zich bij de beweging, ook Maren Jopen, wier volgende bedrijf Jopenau net van start is gegaan, speelt met de gedachte. Meer en meer en meer, maar op een heel andere manier.
Lorenz Wagner is de afgelopen maanden op zoek geweest naar grote ideeën over gerechtigheid. Er geldt slechts één criterium: ze moeten zich al enigszins bewezen hebben. Een van die denkmodellen heeft Wagner zelf in de praktijk gebracht: als zijn twee kinderen allebei het laatste stukje van de taart willen, mag het ene het stuk delen en mag het andere kiezen welk stuk voor hem is.
Miljonairs eisen belasting
Op dit moment bezit 10 procent van de Duitsers tweederde van het nationale nettovermogen; de bovenste 1 procent heeft 35 procent in bezit. Daartegenover heeft 20 procent van de Duitsers, en volgens sommige studies zelfs 40 procent, geen reserves en mogelijk schulden.
Tijdens de coronacrisis steeg het vermogen van de rijken in Duitsland naar 20 biljoen dollar, een recordbedrag. Het aantal miljonairs groeide van 1,5 miljoen in 2019 naar 2,1 miljoen in 2021 en 2900 Duitsers bezitten nu meer dan 100 miljoen dollar.
Volgens experts blijft de vermogenskloof groeien als er niets verandert. Wie rijk is geboren, wordt nog rijker; degenen die arm beginnen, zullen hun achterstand nooit inhalen. De levensverwachting van rijken is acht tot tien jaar hoger dan die van armen. Bedroeg het salaris van een topmanager vroeger twintig of dertig keer het gemiddelde salaris, nu is dat tweehonderd, driehonderd of zelfs duizend keer.
‘Waarom betalen we zo veel meer aan mensen die voor ons geld zorgen dan aan mensen die voor onze kinderen zorgen?’, vroeg selfmade multimiljonair Ralph Suikat zich af. ‘Dat is qua prestaties niet te verklaren.’ Daarom plaatste hij in juli met collega-campagnevoerders – georganiseerd in de Movement Foundation, een fonds van tweehonderd vermogenden die gerechtigheid, ecologisch bewustzijn, democratie, vrede en ander moois willen bevorderen – de oproep #Taxmenow in Süddeutsche Zeitung en de Oostenrijkse Standard, waarin ze eisen dat de staat meer belastingen heft. De oproep werd door 36 vermogenden uit Duitsland en Oostenrijk ondertekend en ook andere Europese miljonairs sloten zich aan. ‘Corona vergroot de ongelijkheid en gezondheidsrisico’s en vermindert onderwijskansen voor armen, terwijl sommige rijke mensen en bedrijven tijdens de crisis nog rijker zijn geworden’, staat in de oproep. ‘Wij zijn welvarend en zetten ons in voor een hogere vermogensbelasting om meer kansen, participatie en toekomstige investeringen voor iedereen mogelijk te maken.’
De ondertekenaars pleiten onder meer voor herinvoering van de vermogens-belasting en strengere regels tegen belastingontduiking.
Ze behoren tot de rijkste steden ter wereld – Parijs, Hongkong en Santiago – maar toch hadden ze de afgelopen jaren te kampen met massale demonstraties. ‘Economische groei zonder eerlijke verdeling en ecologische duurzaamheid is een recept voor wanorde, niet voor welzijn.’
Dossier De straat op
Overal ter wereld zijn gefrustreerde burgers de afgelopen jaren straat op gegaan om hun politieke of economische eisen kracht bij te zetten. In de meeste landen is men woedend over de ongelijkheid en de schaamteloze corruptie van de politieke klasse, terwijl met name de jongere generatie met moeite het hoofd boven water kan houden. De coronapandemie heeft de sociale tegenstellingen – maar ook de urgentie om hier iets aan te veranderen – alleen maar vergroot.
In drie van de rijkste steden ter wereld zijn dit jaar massale protesten uitgebroken en is een klimaat van maatschappelijke onrust ontstaan. Parijs kampt met golven demonstraties en rellen; deze begonnen in november 2018, kort nadat president Emmanuel Macron de accijns op brandstof had verhoogd.
Hongkong is in opstand sinds maart van dit jaar [2019], toen leider Carrie Lam met een wetsvoorstel kwam dat uitlevering van burgers aan China mogelijk moest maken. En Santiago explodeerde [in oktober 2019], nadat president Sebastián Piñera de prijs van een metrokaartje had verhoogd. Elk protest heeft zijn eigen lokale kenmerken, maar samen vertellen ze een breder verhaal: dit is wat er kan gebeuren wanneer gevoelens over oneerlijke verdeling samengaan met een wijdverbreid besef van gebrek aan sociale mobiliteit.
Volgens de klassieke meetmethode van bnp per hoofd van de bevolking zijn deze drie steden toonbeelden van economisch succes. in Hongkong ligt het inkomen per hoofd van de bevolking rond de 36.000 euro, in Parijs ligt het boven de 54.000 euro en in Santiago, een van de rijkste steden van Latijns-Amerika, rond de 16.000 euro. In het Global Competitiveness Report van het World Economic Forum staat Hongkong op de derde plaats, Parijs op de vijftiende en Santiago op de drieëndertigste (verreweg het hoogst van heel Latijns-Amerika).
Persoonlijke vrijheid
Deze landen zijn volgens de gebruikelijke economische maatstaven dus redelijk rijk en concurrerend, maar toch zijn hun inwoners ontevreden over belangrijke aspecten van hun leven. Volgens het World Happiness Report van 2019 hebben de burgers van Hongkong, Frankrijk en Chili het gevoel dat hun leven op veel belangrijke punten is vastgelopen.
Onderzoeksbureau Gallup stelt mensen over de hele wereld elk jaar de vraag: ‘Bent u tevreden of ontevreden over uw vrijheid om te kiezen wat u met uw leven wilt doen?’ Hongkong, dat qua bnp wereldwijd op de negende plaats staat, komt in het ervaren van persoonlijke vrijheid om een eigen levensloop te kiezen pas op de zesenzestigste plaats. Hetzelfde contrast is te zien in Frankrijk (vijfentwintigste in bnp per hoofd van de bevolking, maar negenenzestigste in persoonlijke keuzevrijheid) en Chili (respectievelijk achtenveertigste en achtennegentigste).
Ironisch genoeg wordt Hongkong zowel door de Heritage Foundation als door de Canadese Simon Fraser-universiteit de stad met de meeste economische vrijheid ter wereld genoemd, en toch zijn de inwoners van Hongkong ongelukkig over hun vrijheid om zelf te bepalen wat ze met hun leven willen doen. In alle drie de landen zien jonge mensen die niet uit een rijke familie komen nauwelijks kansen om betaalbare huisvesting en een fatsoenlijke baan te vinden.
‘Economische groei zonder eerlijke verdeling is een recept voor wanorde, niet voor welzijn’
De gemiddelde prijs voor een woning in verhouding tot het gemiddelde salaris is in Hongkong het hoogst ter wereld. Binnen de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de club van landen met hoge inkomens, heeft Chili de grootste inkomensongelijkheid. In Frankrijk hebben kinderen uit elitefamilies een enorme voorsprong in het leven.
Door torenhoge huizenprijzen worden de meeste mensen uit centrale zakendistricten verdreven en zijn ze vaak afhankelijk van openbaar vervoer om naar hun werk te komen. Veel mensen zullen dus extra gevoelig zijn voor veranderingen in de vervoersprijzen, zoals de uitbarstingen van protest in Parijs en Santiago hebben laten zien.
Hongkong, Frankrijk en Chili zijn bepaald niet de enige landen die te maken hebben met een crisis op het gebied van sociale mobiliteit en met woede over ongelijkheid. In de Verenigde Staten neemt het aantal zelfdodingen sterk toe en zijn er ook andere tekenen van maatschappelijke nood, zoals massaschietpartijen, in een tijd dat de ongelijkheid groter is dan ooit en het vertrouwen in de overheid praktisch is verdwenen. Als Amerika politiek en economisch op dezelfde voet doorgaat, kan het land zeker nog meer maatschappelijke uitbarstingen verwachten.
Willen we dat afwenden, dan moeten we lering trekken uit de drie bovengenoemde recente voorbeelden. Geen van deze drie regeringen had de protesten zien aankomen. Ze waren het contact met wat er onder de bevolking leeft kwijtgeraakt en voorzagen daardoor niet dat een ogenschijnlijk bescheiden beleidsmaatregel (de uitleveringswet van Hongkong, de verhoging van de benzineaccijns in Frankrijk en duurdere metrokaartjes in Chili) zo’n maatschappelijke explosie zou veroorzaken.
‘In de VS is de ongelijkheid groter dan ooit en het vertrouwen in de overheid praktisch verdwenen’
Misschien nog wel het belangrijkst, en het minst verrassend, is dat de traditionele economische methoden om welzijn te meten totaal niet meer voldoen voor het inschatten van de werkelijke gevoelens van de samenleving. Het bnp per hoofd van de bevolking meet een gemiddeld inkomen van een economie, maar zegt niets over de verdeling daarvan, over gevoelens van eerlijkheid of onrecht onder de mensen, over de financiële kwetsbaarheid die ze ervaren of over andere omstandigheden (zoals vertrouwen in de overheid) die belangrijk zijn voor de algehele kwaliteit van leven.
Rankings als die in de Global Competitive Index van het World Economic Forum of de Index of Economic Freedom van de Heritage Foundation, en de meeteenheid van de Economic Freedom of the World die de Simon Fraser-universiteit gebruikt, geven ook veel te weinig weer van de subjectieve gevoelens over een eerlijke verdeling, de vrijheid om eigen keuzes te maken, de oprechtheid van de overheid en de betrouwbaarheid van medeburgers zoals die wordt ervaren.
Om over dat soort gevoelens meer te weten te komen, moet je het publiek rechtstreeks vragen naar de tevredenheid over hun leven, hun gevoel van persoonlijke vrijheid, hun vertrouwen in overheid en landgenoten en andere dimensies van het maatschappelijk leven die belangrijk zijn voor de kwaliteit van leven en daarmee voor de kans op het ontstaan van maatschappelijke onrust.
Het idee achter de duurzame ontwikkeling die wordt weerspiegeld in de zeventien duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) die in 2015 door de Verenigde Naties zijn vastgesteld, is om niet alleen te kijken naar traditionele indicatoren zoals groei van het bnp en inkomen per hoofd van de bevolking, maar ook naar een reeks doelen zoals sociale rechtvaardigheid, vertrouwen en ecologische duurzaamheid. De SDG’s hebben bijvoorbeeld specifiek aandacht voor inkomensongelijkheid, maar ook voor bredere factoren van welzijn.
Elke samenleving hoort de pols van zijn bevolking te nemen en aandacht te schenken aan de bronnen van maatschappelijk ongeluk en wantrouwen. Economische groei zonder eerlijke verdeling en ecologische duurzaamheid is een recept voor wanorde, niet voor welzijn. Zelfs schijnbaar redelijke maatregelen zoals het stoppen van brandstofsubsidies of het verhogen van de metroprijs om daarmee kosten te dekken, kunnen tot protesten leiden wanneer ze worden doorgevoerd in een tijd van onvoldoende vertrouwen in de maatschappij, grote ongelijkheid en een algeheel gevoel van oneerlijkheid.
Er zijn meer filantropen dan ooit tevoren. Elk jaar geven ze tientallen miljarden aan goede doelen. Hoe komt het dan dat de ongelijkheid blijft toenemen?
Filantropie, zo wordt algemeen aangenomen, houdt in dat geld van de rijken terechtkomt bij de armen. Dat is niet het geval. In de Verenigde Staten, volgens de statistieken het meest filantropische land, gaat amper een vijfde van het geld dat door grote gevers wordt gedoneerd naar de armen. Veel gaat naar kunst, sportteams en andere culturele bezigheden, en de helft komt ten goede aan onderwijs en gezondheidszorg. Op het eerste gezicht lijkt dat te passen in het populaire plaatje van ‘goede doelen’. Tot je een beetje begint te graven.
In 2019 gingen de grootste donaties binnen het onderwijs naar de elite-universiteiten en -scholen waar de rijken zelf op hadden gezeten. In het VK gingen tussen 2007 en 2017 meer dan twee derde van alle miljonairdonaties – 4,79 miljard Britse pond (5,3 miljard euro) – naar het hoger onderwijs, waarvan de helft naar slechts twee universiteiten: Oxford en Cambridge. Wanneer de rijken en de middenklasse aan scholen doneren, doen ze dat liever aan de scholen die door hun eigen kinderen worden bezocht dan aan die van minder bedeelden. Britse miljonairs gaven in het genoemde decennium 1,04 miljard pond uit aan kunst tegenover 222 miljoen pond aan armoedebestrijding.
De algemene aanname dat filantropie automatisch leidt tot een herverdeling van geld is onjuist. Veel elitefilantropie betreft elitedoelen. De wereld wordt er niet beter van; de status quo wordt versterkt. Filantropie is heel vaak in het voordeel van de rijken – en er is niemand die filantropen daarvoor verantwoordelijk stelt.
Uiting van macht
De rol van particuliere filantropie is de afgelopen twee decennia dramatisch toegenomen. Bijna driekwart van de 260.000 filantropische stichtingen die wereldwijd in deze periode zijn opgericht, heeft samen meer dan 1,5 biljoen dollar (1,3 biljoen euro) in handen. De grootste gevers zitten in de VS, het VK komt op de tweede plaats. De omvang van de schenkingen is enorm. De Gates Foundation alleen al gaf in 2018 5 miljard pond weg – een bedrag dat in verreweg de meeste landen hoger is dan het totale budget voor ontwikkelingssamenwerking.
Filantropie is altijd een uiting van macht. Donaties hangen meestal af van de persoonlijke grillen van superrijke individuen. Soms vallen deze samen met de prioriteiten van de samenleving, maar soms ook zijn ze ermee in tegenspraak, of werken ze ondermijnend. Er rijzen steeds meer vragen over de impact die deze megadonaties op samenlevingen hebben.
De relatie tussen filantropie en democratie levert automatisch spanningen op. Ondanks de grote voordelen die moderne filantropie met zich mee kan brengen, kan de omvang van de donaties de uitgaven op gebieden als onderwijs en gezondheidszorg zodanig vertekenen dat de prioriteiten van democratisch gekozen regeringen en lokale autoriteiten worden gedwarsboomd.
Een deel van deze invloed is indirect. De filantropie van Bill en Melinda Gates heeft de mensheid enorme voordelen opgeleverd. Toen de stichting haar eerste grote subsidie voor malariaonderzoek deed, verdubbelde ze daarmee bijna het bedrag dat wereldwijd aan de ziekte werd uitgegeven. Hetzelfde geldt voor polio. Mede dankzij Gates (en anderen) zijn ongeveer 2,5 miljard kinderen ingeënt tegen deze ziekte en zijn er wereldwijd 99,9% minder gevallen van polio. Polio is zo goed als uitgeroeid. Filantropie heeft de mislukkingen van zowel de farmaceutische industrie als van regeringen over de hele wereld goedgemaakt. De Gates Foundation heeft er sinds haar oprichting in 2000 meer dan $45 miljard aan geschonken, en miljoenen levens gered.
Niet langer de staat bepaalt wat goed is voor de mensen, de rijken beslissen dat
Toch kan deze gang van zaken ook problematisch zijn. Zo kan Bill Gates zich focussen op het aanpakken van een probleem dat door de lokale bevolking niet als een prioriteit wordt gezien, bijvoorbeeld de aanpak van polio in een gebied waar de ziekte geen grote rol speelt. Iets dergelijks deed zich voor bij de donaties aan opleidingen in de VS, waar hij zich richtte op de grootte van de klas, waardoor minder geld werd uitgegeven aan de prioriteiten die lokale gemeenschappen zelf stelden.
Andere filantropen grijpen bewuster in. Individuen als Charles Koch aan de rechterkant en George Soros op links slaagden erin het publieke beleid te veranderen. Alleen al in de VS wordt meer dan 10 miljard dollar per jaar besteed aan ideologische overtuiging.
Het resultaat is wat de overleden Duitse miljardair, scheepsmagnaat en filantroop Peter Kramer ‘een verkeerde machtsoverdracht’ noemde, namelijk die van democratisch gekozen politici naar miljardairs, zodat ‘niet langer de staat bepaalt wat goed is voor de mensen, maar de rijken dat beslissen’. Het Global Policy Forum, een onafhankelijke beleidswaakhond die toezicht houdt op de algemene vergadering van de Verenigde Naties, heeft regeringen en internationale organisaties gewaarschuwd dat ze, voordat ze geld van rijke donoren aannemen, ‘de groeiende invloed van grote filantropische stichtingen, en vooral de Bill & Melinda Gates Foundation, moeten overwegen (…) en de bedoelde en onbedoelde risico’s en bijwerkingen van hun activiteiten analyseren’. Gekozen politici, zo waarschuwde de VN-waakhond in 2015, zouden vooral bezorgd moeten zijn over ‘de onvoorspelbare en ontoereikende financiering van publieke goederen, het gebrek aan controle- en verantwoordingsmechanismen en de heersende praktijk om bedrijfslogica toe te passen op de levering van publieke goederen’.
Antidemocratisch
Sommige soorten filantropie zijn misschien niet alleen ondemocratisch, maar zelfs antidemocratisch. Charles Koch en zijn overleden broer, David, zijn ongetwijfeld het meest prominente praktijkvoorbeeld van rechtse filantropie. Maar er zijn tal van anderen, vooral in de VS, die zich bezighouden met zaken die velen controversieel en zelfs weerzinwekkend vinden. Zo gebruikte Art Pope het fortuin dat hij met zijn discountwinkelketen vergaarde om aan te dringen op een aanscherping van de wet ter voorkoming van fraude bij verkiezingen, ook al is zulke fraude in de VS zo goed als verwaarloosbaar. Popes wens dat kiezers zich bij de verkiezingen legitimeren, zorgt er in de praktijk voor dat de 10 procent van de kiezers die geen identiteitsbewijs met foto hebben, buiten het kiesrecht vallen omdat ze te arm zijn om een auto te bezitten en het onwaarschijnlijk is dat ze speciaal om te stemmen een rijbewijs of ander ID aanschaffen. Zulke kiezers – waarvan velen zwart zijn – zullen statistisch gezien waarschijnlijk niet stemmen op de aartsconservatieven die Art Pope aanhangt.
Manipuleren dergelijke filantropische activiteiten het democratische proces meer dan de campagnes van miljardair-financier George Soros om een verantwoordelijke overheid en sociale hervormingen over de hele wereld te promoten? Of de steun van hedgefonds-miljardair Tom Steyer aan een beweging die jongeren aanmoedigt om zich uit te spreken over klimaatverandering? Of de aanvallen van internetmiljardair Craig Newmark op nepnieuws? Ieder van deze rijke individuen grijpt de eigen ervaring aan als motivatie. Aan de hand van welke maatstaf zouden we de ene ingreep legitiemer kunnen noemen dan andere?
David Callahan, redacteur van de Inside Philanthropy-website, zegt het zo: ‘Als donateurs meningen hebben die we verafschuwen, hebben we de neiging ze te zien als valse beïnvloeders van het beleid. Maar als we hun doelen aanhangen, zien we ze vaak als heldhaftigen die bereid zijn zich te verzetten tegen machtsbelangen of achterlijke publieke meerderheden… Dit soort à la carte-reacties hebben weinig zin. De vraag zou eigenlijk moeten zijn of we denken dat het over het algemeen in orde is dat filantropen de macht hebben om hun eigen visie op een betere samenleving zo breed uit te dragen.’
Het idee dat het geld van een filantroop zijn eigen geld is waarmee hij kan doen wat hij wil, zit diepgeworteld
Het idee dat het geld van een filantroop zijn eigen geld is waarmee hij kan doen wat hij wil, zit diepgeworteld. Sommige filosofen beweren dat elk individu de volledige eigendomsrechten over zijn vermogen heeft – en dat de enige verantwoordelijkheid van een rijk persoon is om dat vermogen verstandig te gebruiken. John Rawls, een van de meest invloedrijke filosofen van de vorige eeuw, zag gerechtigheid als een kwestie van eerlijkheid. Hij voerde aan dat burgers hun morele verantwoordelijkheid nakomen wanneer ze een eerlijk deel van de belasting betalen waarmee regeringen voor de armen en kwetsbaren zorgen. Los daarvan zijn welgestelden vrij om over hun inkomen te beschikken.
Zeggenschap
Maar wat de rijken weggeven, is niet helemaal hun eigen geld. Door belastingvermindering worden de doelen die door rijke individuen worden gekozen mede gefinancierd met het geld van de belastingbetalende burger.
De meeste westerse regeringen bieden genereuze fiscale prikkels om liefdadigheidsacties aan te moedigen. In Engeland en Wales betaalde in 2019 een persoon die tot 50.000 pond per jaar verdiende 20 procent daarvan aan inkomstenbelasting. Voor degenen die meer verdienden, werd alles tussen 50.000 en 150.000 pond belast tegen 40 procent, en alles boven 150.000 pond tegen 45 procent. Maar giften aan geregistreerde liefdadigheidsinstellingen zijn belastingvrij. Een gift van 100 pond zou de gewone belastingbetaler dus slechts 80 pond kosten, terwijl 20 pond door de overheid wordt betaald. De belastingbetaler met het hoogste tarief hoeft slechts 55 pond te betalen, terwijl de staat de overige 45 pond betaalt. [Ook in Nederlands zijn veel giften aan goede doelen fiscaal aftrekbaar.] Superrijke filantropen bevinden zich daardoor in een positie waarin een groot percentage van hun gift door de belastingbetaler wordt gefinancierd. Dat maakt de bewering dat het geld dat de rijken aan goede doelen weggeven helemaal van henzelf is, een stuk dubieuzer. En als belastingbetalers een deel van de gift bijdragen, waarom zouden ze dan geen zeggenschap hebben over de liefdadigheidsinstelling waar die naartoe gaat?
In Groot-Brittannië werden de totale kosten voor de staat van de verschillende belastingvoordelen voor donoren in 2012 geschat op 3,64 miljard pond. Belastingvrijstellingen voor liefdadigheidsinstellingen bestaan in het VK sinds de invoering van inkomstenbelasting in 1799, maar liefdadigheidsinstellingen zijn al sinds het elizabethaanse tijdperk grotendeels vrijgesteld van bepaalde belastingen. In feite is de Britse belastingvermindering nog steeds grotendeels beperkt tot de categorieën van liefdadigheid die zijn uiteengezet in de Charitable Uses Act van 1601: vermindering van armoede, bevordering van het onderwijs, bevordering van religie en ‘andere doeleinden die gunstig zijn voor de gemeenschap’. In de VS zijn er zelfs nog minder beperkingen om een van belasting vrijgestelde liefdadigheidsinstelling te worden, behalve de voorwaarde dat de instantie in kwestie zich niet met partijpolitiek inlaat.
Beide landen stimuleren op die manier het doneren aan liefdadigheidsinstellingen. De filantroop ontloopt niet alleen de belasting op de schenking, maar houdt bovendien controle over de besteding van het geld, binnen de beperkingen van de liefdadigheidswet. Het effect hiervan is vaak dat de rijken zeggenschap krijgen over zaken waar anders de staat over zou beslissen.
Prioriteiten
Maar de prioriteiten van de plutocratie, waarin de rijken de baas zijn, en de democratie, waarin het volk de baas is, zijn nogal verschillend. De persoonlijke keuzes van de rijken wijken flink af van de bestedingskeuzes van democratisch gekozen regeringen. Uit een groot onderzoek uit 2013 bleek dat de rijkste 1 procent van de Amerikanen aanzienlijk rechtser is dan het volk in het algemeen op het gebied van belastingen, economische regulering en vooral welzijnsprogramma’s voor armeren. Veel van de rijkste 0,1 procent – individuen met een vermogen van meer dan 40 miljoen dollar – willen bezuinigen op sociale zekerheid en gezondheidszorg. Ze zijn minder vaak voorstander van een minimumloon dan de rest van de bevolking. Ze zijn voorstander van verminderde overheidsregulering van grote bedrijven, farmaceutische bedrijven, Wall Street en de City of London.
‘Er is een gegronde reden om bezorgd te zijn over de impact op de democratie als deze individuen invloed uitoefenen via hun filantropie’, schreef Benjamin Page, leider van het onderzoek. De onevenredige invloed van de megarijken zou kunnen verklaren, zo concludeerde zijn team, waarom overheidsbeleid soms lijkt af te wijken van wat de meerderheid van de burgers wil dat de regering doet. De keuzes van filantropen versterken de sociale ongelijkheid eerder dan dat ze deze verkleinen.
En daarom is er veel voor te zeggen om het geld dat door filantropen wordt geschonken als belastingen te innen en te besteden volgens de prioriteiten van een democratisch gekozen regering. En dat roept de vraag op of deze belastingvermindering überhaupt een goed idee is.
De argumenten voor belastinghervorming – om deze subsidies volledig af te schaffen of ervoor te zorgen dat de rijken niet meer invloed hebben dan de basisbelastingbetalers – komen zowel van rechts als van links. Belastingvermindering verstoort marktwerking, betoogt een vooraanstaande libertair, Daniel Mitchell, van het Cato Institute, een denktank die wordt gefinancierd door de conservatieve filantroop Charles Koch. Aan de andere kant van het politieke spectrum betoogt Fran Quigley, een mensenrechtenadvocaat aan de Indiana University, dat er een einde moet komen aan de belastingaftrek voor liefdadigheidsinstellingen zodat miljarden dollars kunnen worden vrijgemaakt voor hogere overheidsuitgaven aan ‘voedselbonnen, werkloosheidsuitkeringen en hulp bij huisvesting’. Maar ze moeten ook eindigen omdat ze de moreel twijfelachtige illusie versterken dat liefdadigheid ‘een effectieve en adequate reactie is op honger, dakloosheid en ziekte’.
Donaties aan universiteitsvoetbalteams, operagezelschappen en opvangcentra voor zeldzame vogels komen in aanmerking voor dezelfde belastingaftrek als donaties aan een daklozenopvang
Pogingen van politici om belastingvermindering in te dammen – laat staan af te schaffen – stuitten echter al op publieke weerstand sinds William Gladstones poging in 1863. Hetzelfde gebeurde toen de Britse regering in 2012 het probleem wilde aanpakken: het voorstel van kanselier George Osborne om het bedrag van de belastingvermindering die de rijken op hun giften kunnen claimen te beperken, veroorzaakte massale verontwaardiging van filantropen, media en liefdadigheidsinstellingen. Hetzelfde gold voor hervormingspogingen door president Barack Obama.
Een alternatieve oplossing zou zijn om beperkingen op te leggen aan de soort uitgaven waarvoor vrijstellingen kunnen worden geclaimd. Bij de laatste verkiezingen kwam de Labour-partij onder leiding van Jeremy Corbyn met het idee om de liefdadigheidsstatus van betaalde scholen te schrappen. Anderen gaan verder. ‘Donaties aan universiteitsvoetbalteams, operagezelschappen en opvangcentra voor zeldzame vogels komen in aanmerking voor dezelfde belastingaftrek als donaties aan een daklozenopvang’, snijdt Quigley aan. Een van de meest genuanceerde hedendaagse verdedigers van filantropie, Rob Reich, directeur van het Center on Philanthropy and Civil Society aan de Stanford University, die filantropie beschreef als ‘een vorm van macht die grotendeels onverklaarbaar, ondoorzichtig en donorgericht is, waarbij deze laatste voor altijd beschermd is en rijkelijk fiscaal bevoordeeld’, ziet de oplossing in de beperking van belastingvermindering tot een hiërarchie van goedgekeurde doelen.
Belastingen, belastingen, belastingen
Maar wie bepaalt die hiërarchie? Hoe kan het schenken aan goede doelen systematisch beter worden afgestemd op aanvaarde opvattingen over het algemeen welzijn? Het kan natuurlijk aan de staat worden overgelaten. Maar zoals Rowan Williams, voormalig aartsbisschop van Canterbury, me zei: ‘Dat geeft de staat een gevaarlijk grote mate van beschikking. De rol voor de staat als controleur van de moraal vind ik zeer zorgwekkend (…) en de gebeurtenissen van de afgelopen eeuw maken duidelijk dat een hyperactivistische staat met veel morele overtuigingen voor niemand goed is.’
Anderen zien de oplossing in simpelweg het verhogen van de belastingen voor de megarijken. Toen historicus Rutger Bregman in 2019 in Davos werd gevraagd hoe de wereld kan voorkomen dat er een sociale terugslag ontstaat door de toenemende ongelijkheid, antwoordde hij: ‘Het antwoord is heel simpel. Stop gewoon met praten over filantropie. En begin over belastingen te praten (…) Belastingen, belastingen, belastingen. De rest is naar mijn mening onzin.’
Het idee van hogere belastingen voor de rijken wint overal ter wereld aan aanhang. Tijdens de presidentsverkiezingen van de Democratische Partij hebben verschillende kandidaten voorstellen gedaan om belastingen te heffen op de activa of het inkomen van de superrijken. Het groeiende economische populisme in Europa en in de VS zal die druk nog eens vergroten, en dat geldt eveneens voor de noodzaak om de overheidsinkomsten te verhogen zodat de kosten van de coronacrisis kunnen worden gedekt.
De groei van de filantropie de afgelopen decennia heeft de groei van de sociale en economische ongelijkheid niet kunnen beteugelen
Een aantal prominente filantropen, waaronder Warren Buffett en Bill Gates, hebben zich publiekelijk achter het idee geschaard. ‘Ik heb meer belasting betaald dan wie dan ook ooit, en met plezier. Ik zou meer moeten betalen,’ zei Gates. Volgens Buffett is ‘de samenleving verantwoordelijk voor een zeer aanzienlijk percentage van wat ik heb verdiend’, zodat hij de plicht heeft die samenleving iets terug te geven. Een andere rijke ondernemer, Martin Rothenberg, oprichter van Syracuse Language Systems, legt uit hoe publieke investeringen leiden tot private fortuinen. ‘Mijn rijkdom is niet alleen een product van mijn eigen harde werk. Het was ook het resultaat van een sterke economie en veel overheidsinvesteringen, zowel in anderen als in mij,’ zei hij. De staat had hem een goede opleiding geschonken. Er stonden gratis bibliotheken en musea tot zijn beschikking. De regering had hem een beurs voor afgestudeerden verstrekt. En tijdens het lesgeven aan de universiteit, werd hij ondersteund door tal van onderzoeksbeurzen. Dit alles vormde de basis waarop hij het bedrijf bouwde dat hem rijk maakte.
Dit alles ondermijnt het argument dat de rijken het recht hebben hun rijkdom te behouden omdat het allemaal het resultaat is van hun eigen harde werk. Sommigen erkennen inderdaad openlijk het bestaan van dit sociale contract. In 2019 droeg Julian Richer, oprichter van de hifi-keten Richer Sounds, in een partnerschapstrust 60 procent van het eigendom van zijn bedrijf van 9 miljoen pond over aan zijn werknemers. Op de vraag waarom hij deze beslissing nam, antwoordde hij dat het personeel gedurende vier decennia blijk had gegeven van loyaliteit. Hij deed nu ‘het goede’ omdat ‘ik er ’s nachts beter door slaap’.
Monopolies
De groei van de filantropie de afgelopen decennia heeft de groei van de sociale en economische ongelijkheid niet kunnen beteugelen. ‘We mogen verwachten dat de ongelijkheid enigszins zal afnemen naarmate de filantropie toeneemt (…) Dat is niet het geval’, schrijft Kevin Laskowski, een medewerker van het National Committee for Responsive Philanthropy. Inderdaad, zoals Albert Ruesga, president en CEO van de Greater New Orleans Foundation, opmerkte, ‘hebben de collectieve acties van meer dan 90.000 stichtingen (…) na decennia van werk (…) de meest elementaire omstandigheden van de armen in de VS niet veranderd.’
Hoe komt dat? Het antwoord ligt in de zienswijze van de mannen die de moderne filantropie door de enorme schaal van hun giften aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw veranderden. Ondanks al hun vrijgevigheid was het opmerkelijk – zelfs in hun eigen tijd – dat staalmagnaat Andrew Carnegie en de grote industriële filantropen van die tijd de hele kwestie van economische rechtvaardigheid vermeden. Net als nu was een enorm percentage van de rijkdom destijds in handen van een klein aantal mensen dat vrijwel volledig gevrijwaard was van belastingen en andere reguleringen. Carnegie en zijn collega’s, zeggen hun critici, negeerden de grote ethische vraag, die ging om ‘de verdeling in plaats van de herverdeling van rijkdom’. Carnegie, destijds de rijkste man ter wereld, kreeg in zijn tijd kritiek op zijn ongekende vrijgevigheid omdat zijn fortuin was gebouwd op tactieken als het laaghouden van de lonen van zijn staalarbeiders. Carnegies grootste hedendaagse criticus, William Jewett Tucker, concludeerde dat er ‘geen grotere vergissing bestaat (…) dan te proberen gerechtigheid te vervangen door liefdadigheid’.
Carnegie bouwde een netwerk van bijna drieduizend bibliotheken en andere instellingen om de armen te helpen hun ambities te verheffen, maar sociale rechtvaardigheid ontbrak volledig op zijn agenda. Hij en zijn mede-‘roofbaronfilantropen’ werden geconfronteerd met vragen over de herkomst van het geld dat ze zo royaal uitdeelden, dat namelijk was vergaard door middel van meedogenloze nieuwe manieren van zaken doen. Net als veel van de huidige tech-titanen werden ze rijk dankzij de jacht op monopolies. Het oordeel van Teddy Roosevelt over John D. Rockefeller was dat ‘geen enkele liefdadigheid, hoe groot het bedrag ook is, op enigerlei wijze het wangedrag tijdens het verwerven ervan kan compenseren’.
Het witwassen van reputaties
Dit is een inzicht dat in onze tijd opnieuw aan kracht heeft gewonnen – zoals werd aangetoond door de uitsluiting van de familie Sackler als vooraanstaande internationale kunstfilantropen in 2019 en de boycot van BP’s sponsoring door culturele leiders, waaronder de Royal Shakespeare Company. Roosevelts oordeel over het witwassen van reputatie door middel van filantropie vindt steeds meer weerklank.
Filantropie kan ook op rechtmatige wijze geschieden. Maar alleen als filantropen zich daar bewust voor inspannen. En tot op vandaag helt de gangbare houding de andere kant op. Reinhold Niebuhr betoogt in zijn boek Moral Man and Immoral Society uit 1932 al hoe dit komt: ‘Filantropie combineert oprecht medelijden met het vertoon van macht [wat] verklaart dat de machtigen eerder geneigd zijn genereus te zijn dan om voor sociale gelijkheid te zorgen.’
Hoe kunnen filantropen deze houding doorbreken? Door te luisteren naar de veelheid van stemmen die onderdeel zijn van de overheid en de vrije markt. Filantropie kan zelfs als een een voorbeeld fungeren, suggereerde de Amerikaanse filantropiehistoricus Benjamin Soskis onmiddellijk na de verkiezing van Donald Trump. ‘De fundamentele liberale waarden, tolerantie en respect voor anderen, fatsoen, naastenliefde en gematigdheid, zijn in ons openbare leven afgezwakt’, aldus Soskis. ‘Binnen de filantropie moeten die waarden worden bewaard, verdedigd en gekoesterd.’
Een waar gevoel van altruïsme
Filantropie kan alleen een waar gevoel van altruïsme teweegbrengen als onder ogen wordt gezien dat het de taken van overheid of het bedrijfsleven niet kan overnemen. Het verschijnsel behoort immers niet tot het politieke of commerciële domein, maar tot de burgermaatschappij en de wereld van sociale instellingen die bemiddelen tussen individuen, de markt en de staat. Ja, filantropie kan gekozen regeringen verzwakken, vooral in de derde wereld, door nationale systemen te omzeilen of te ondermijnen. En het kan doelen begunstigen die alleen de belangen van de rijken behartigen. Maar wanneer filantropen gemeenschapsorganisaties, ouder-lerarenverenigingen, coöperaties, geloofsgroepen, milieuactivisten of mensenrechtenactivisten steunen – of rechtstreeks schenken aan liefdadigheidsinstellingen die ongelijkheid aanpakken en zich inzetten voor achtergestelde groepen – kunnen ze de burgers helpen zich te weren tegen al te autoritaire regeringen. Onder die omstandigheden kan filantropie de democratie versterken in plaats van verzwakken.
Om dit te doen, moeten filantropen scherper zijn in hun analyses en tactieken. Op dit moment richten de meeste filantropen, als ze zich al zorgen maken over achterstand, zich eerder op het verlichten van de symptomen dan op het aanpakken van de oorzaken. Ze financieren projecten om honger tegen te gaan, banen te creëren, huizen te bouwen en diensten te verbeteren. Maar al dat goede werk kan weer worden weggevaagd door bezuinigingen op overheidsuitgaven, roofkredieten en de uitbuiting van arbeidskrachten.
Maar heel weinig bezorgde filantropen komen op het idee om onderzoek of belangenbehartiging te financieren waarbij het gaat om de oorzaak dat veel scholen arm zijn en veel banen zo slecht betaald
En er is een dieper probleem. Als het gaat om het aanpakken van ongelijkheid, kan een goedbedoelende filantroop onderwijsbeurzen financieren voor kinderen uit kansarme milieus, of opleidingsprogramma’s om laagbetaalde werknemers klaar te stomen voor betere banen. Dat stelt een paar mensen in staat om uit hun slechte omstandigheden te komen, terwijl talloze anderen aangewezen blijven op onderpresterende scholen en laagbetaald onzeker werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Maar heel weinig bezorgde filantropen komen op het idee om onderzoek of belangenbehartiging te financieren waarbij het gaat om de oorzaak dat veel scholen arm zijn, en veel banen zo slecht betaald. Zo’n benadering, zegt David Callahan van Inside Philanthropy, is als ‘jonge boompjes verzorgen terwijl het bos wordt gekapt’.
Conservatieve filantropen hebben de afgelopen twee decennia op een heel ander niveau geopereerd. Hun agenda was om het publieke debat te veranderen zodat het meer aansloot bij hun neoliberale wereldbeeld, dat zich verzet tegen de regulering van de financiën, verbeteringen van het minimumloon, controles op vervuilende industrieën en de totstandbrenging van universele gezondheidszorg. Ze financieren academici die klimaatverandering ontkennen, steunen denktanks voor de vrije markt, sluiten allianties met conservatieve religieuze groeperingen, creëren populistische tv- en radiostations en zetten ‘bedrijfsinstituten’ op binnen universiteiten, waardoor zij, en niet de universiteiten, de academici kunnen selecteren.
Onderzoek door Callahan laat zien dat progressief ingestelde filantropen zich veel minder dan hun conservatieve tegenhangers hebben ingezet om ideeën te cultiveren en belangrijke openbare beleidsdebatten te beïnvloeden.
Slechts een paar vooraanstaande filantropische stichtingen – zoals Ford, Kellogg en George Soros’ Open Society Foundations – geven subsidies aan groepen die armen en kansarmen mondiger maken. De meeste filantropen vinden deze bewegingen te politiek. De nieuwe generatie grote gevers komt overwegend uit de ondernemerswereld en is niet geneigd om groepen te steunen die zich verzetten tegen de werking van het kapitalisme. Ze zijn terughoudend in het steunen van initiatieven die meer macht willen geven aan de achtergestelde groepen die ze beweren zo graag te willen helpen. Ze hebben niet de neiging om initiatieven te financieren die het belasting- en fiscaal beleid, dat ten gunste van de rijken is, willen aanpakken of het regelgevend toezicht op de financiële sector versterken, dan wel de bedrijfscultuur veranderen om het delen van de opbrengst te bevorderen. Ze denken zelden aan investeringen in de media of in juridische en academische netwerken van belangrijke opinievormers, die onder andere de invloed van conservatieve filantropie willen herzien.
Inspanning
Rechtse filantropen zien al meer dan twintig jaar de noodzaak om zich te mengen in maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Het wordt tijd dat mainstream filantropen zich bewust worden van deze realiteit. Filantropie is niet per definitie in botsing met democratie, maar het kost de nodige inspanning om ze met elkaar te verenigen.
Dit is een bewerkt fragment uit Filantropie – van Aristoteles tot Zuckerberg door Paul Vallely, gepubliceerd door Bloomsbury op 17 september en beschikbaar op guardianbookshop.com
Afrika heeft het hoogste aantal vrouwelijke ondernemers ter wereld, maar slechts 2 procent van het durfkapitaal gaat naar vrouwen. En dat geldt voor de VS ook. Terwijl vrouwen betere investeringen doen in de gemeenschap.
Als Tokunboh Ishmael door de straten van Lagos, de economische hoofdstad van Nigeria, liep, zag ze overal waar ze keek vrouwen zaken doen. Ze dreven kraampjes waar ze donuts frituurden of vleesspiesjes roosterden. Ze toverden achter naaimachines eigen ontwerpen tevoorschijn en liepen door de beruchte Nigeriaanse verkeersopstoppingen, waar ze de gefrustreerde automobilisten luchtverfrissers of opblaasbare zwembadspeeltjes verkochten. Maar binnen, in de glanzende, airconditioned kantoren waarin zij als bankmedewerker en later als vermogensbeheerder werkte, zag ze een heel ander beeld.
Afrika mag dan het hoogste aantal vrouwelijke ondernemers ter wereld hebben, er bestaat op het continent een investeringskloof van zo’n 42 miljard tussen mannelijke en vrouwelijke ondernemers, volgens cijfers van de African Development Bank. Zo ontvingen Afrikaanse startups in 2018 zo’n 725 miljoen dollar aan kapitaal van durfinvesteerders. Daarvan ging maar 2 procent naar ondernemingen van vrouwen.
Van en voor vrouwen
Ishmael maakt deel uit van een groeiende groep vrouwelijke investeerders in Afrika die hierin verandering probeert te brengen door welbewust te investeren in bedrijven van en voor vrouwen. Ze is directeur van vermogensbeheerder Alitheia Capital en richtte in 2016 het Alitheia Identity Fund op, dat tot doel heeft die verandering te bewerkstelligen. Tot nu toe heeft het fonds zo’n 70 miljoen dollar binnengehaald.
Dat is in moreel opzicht belangrijk en nodig, zeggen investeerders als Ishmael, omdat vrouwen hiermee toegang krijgen tot de bolwerken waarin de beslissingen worden genomen maar die voor hen altijd gesloten bleven. Maar het is ook gewoon een kwestie van verstandig zakendoen.
‘Wij opereren in een gebied waar geld onbenut bleef en we zagen een kans,’ zegt Ishmael. Ze kende de cijfers: bedrijven van vrouwen groeien sneller, gaan efficiënter met geld om en maken meer winst dan bedrijven van mannen. Meer in het algemeen maakt diversiteit bedrijven creatiever en innovatiever. ‘Ik wil dat Nigeria het beste uit zichzelf haalt, en dat Afrika het beste uit zichzelf haalt, en dat lukt onmogelijk als ze het potentieel van vrouwen niet ten volle benutten.’
Het probleem bestaat niet alleen in Afrika. In de Verenigde Staten gaat zo’n 2 procent van de financieringen door durfinvesteerders naar vrouwelijke startup-teams. In het Verenigd Koninkrijk zweeft dat getal rond de 1 procent. En het probleem speelt nog meer bij vrouwen van kleur: in de VS krijgen zwarte vrouwelijke starters maar 6 van elke miljoen geïnvesteerde dollars.
Het probleem is volgens deskundigen dat vrouwen op geen enkel niveau toegang hebben tot investeringskapitaal, vermogensbeheer of zelfs meer traditionele vormen van lenen en investeren zoals bankleningen.
Hordes
‘Financiering is geen genderneutraal terrein,’ zegt Sharon McPherson, die al jaren in Afrikaanse bedrijven investeert en aan de businessschool van de universiteit van Kaapstad doceert. ‘Vrouwelijke investeerders en vrouwen met bedrijven die investeerders zoeken, begeven zich op een terrein dat nooit voor hen bedoeld was. Ze zwemmen tegen de stroom in, terwijl mannen met de stroom mee drijven.’
Vrouwen moeten allerlei hordes nemen om in die wereld mee te kunnen doen, zegt ze. Op microniveau bekeken heeft maar 37 procent van de Afrikaanse vrouwen een bankrekening, vergeleken met 48 procent van de mannen, en die kloof wordt steeds groter, zelfs nu vrouwen meer toegang tot financiering krijgen. Vrouwen zien er vaak van af om geld te lenen, niet alleen omdat ze worden ontmoedigd door degenen die het geld uitlenen, maar ook doordat het hun ontbreekt aan financiële kennis.
Kijk je naar het niveau van startups die financiering zoeken en gevestigde bedrijven die privaat kapitaal zoeken, dan zie je dat het vrouwen nog steeds moeite kost om serieus genomen te worden met hun ideeën, als gevolg van bewuste en onbewuste sekse-vooroordelen. Zo bleek bij een Harvard onderzoek in 2014 dat een pitchvoorstel gepresenteerd door een vrouwenstem minder kans maakte bij mogelijke investeerders dan een voorstel gepresenteerd door een mannenstem – ook al was de inhoud hetzelfde.
‘Wij opereren in een gebied waar geld onbenut bleef en we zagen een kans’
Uit een ander onderzoek, in 2017, bleek dat vrouwelijke oprichters veel vaker ‘preventieve’ vragen over hun onderneming kregen, dat wil zeggen vragen over hun verlieskansen. Mannen kregen daarentegen meer ‘promotie’-vragen, over de ‘sterke kanten en winstmogelijkheden’ van hun onderneming, een type vragen dat gemiddeld zes keer zoveel aan investeringen opleverde.
Veel investeerders komen ook uit door mannen beheerste sectoren als technologie, mijnbouw en landbouw en zijn meer geneigd om daarin te investeren dan in ondernemingen voor producten of diensten gericht op vrouwen, zoals zwangerschapszorg, menstruatieproducten of make-up. En het netwerken dat nodig is om uiteindelijk zo’n deal te krijgen speelt zich nog steeds af in informele omgevingen waar vrouwen niet bij kunnen zijn of niet voor worden uitgenodigd, zoals golfwedstrijden en borrels na het werk.
Barrières
‘Vrouwen stuiten op onzichtbare barrières die mannen niet zien of waar mannen geen last van hebben,’ zegt ontwikkelingseconoom Nthabiseng Moleko, vicevoorzitter van de Commission for Gender Equality in Zuid-Afrika.
Daar kunnen investeringsfondsen als Alitheia IDF van Ishmael een rol spelen, door te zorgen dat geld welbewust naar bedrijven van en voor vrouwen gaat. In Ghana heeft Alitheia geïnvesteerd in Innovative Microfinance, een bedrijf dat kleine leningen verstrekt aan mensen op het Ghanese platteland die geen bankrekening hebben, voornamelijk vrouwen met een klein bedrijf zoals een marktkraam.
En in Nigeria financierde Alitheia een door vrouwen gerunde tomatenpastafabriek, Tomato Jos. Zo’n 30 procent van de tomatenproducenten die aan het bedrijf leveren zijn nu vrouwen, volgens oprichter Mira Metha, en het bedrijf probeert dat getal omhoog te krijgen, onder andere omdat vrouwen meer zekerheid blijken te bieden.
‘Wij zien dat onze vrouwelijke landbouwers met hun winst grotere investeringen doen in hun gemeenschap’ dan de mannen, vertelt ze. Zo gebruiken ze hun geld bijvoorbeeld voor onderwijs aan kinderen en voor medische zorg. En wat betreft het verbouwen zelf zegt Metha dat de vrouwen met wie haar bedrijf werkt altijd de beste oogsten hebben: ‘Ze doen het gewoon elke keer weer beter dan de mannen.’
Voorstanders van gescheiden onderwijs voor jongens en meisjes hameren erop dat hun hersenen fundamenteel anders in elkaar zitten. Dergelijke overtuigingen versterken niet alleen verraderlijke genderstereotypen, maar ook raciale.
Op een heldere herfstochtend in 2017 begaven de ervaren biologieleraar Mary Bozenmayer en haar collega’s zich naar de kantine van hun middelbare school in New Jersey voor een professionele ‘ontwikkelingssessie’, die de hele dag zou duren. De spreker betrad het podium, glimlachte opgewekt en legde uit dat hij er was om hen te vertellen hoe verschillend jongens en meisjes denken.
Bozenmayer was sceptisch. Door haar biologieopleiding wist ze dat de meeste theorieën over seksegerelateerde hersenverschillen al lang geleden waren ontkracht. Toch probeerde ze open te staan voor het verhaal van de trainer, die werkzaam was voor een organisatie genaamd het Gurian Institute, en die de leraren vertelde dat meisjes het beste leren door rustig te zitten en aanwijzingen op te volgen, terwijl jongens competitie en fysieke activiteit nodig hebben om moeilijke concepten onder de knie te krijgen. ‘Mannen kunnen trivia (zoals sportstatistieken) beter opslaan dan vrouwen, en voor een langere periode’, stond op een van de kaarten die hij liet zien. Op een andere stond: ‘Jongens hebben meer tijd nodig om emoties te verwerken dan meisjes, waardoor ze over het algemeen emotioneel kwetsbaarder zijn.’ Moderne klaslokalen, zei de trainer, spelen in op de leerstijl van meisjes – met als gevolg, concludeerde hij, dat meisjes op school slagen terwijl jongens gevaarlijk achterop raken.
‘De opkomende wetenschap van man-vrouwverschillen’
Dat ging Bozenmayer te ver. Ze stak haar hand op en vroeg: ‘Als jongens het zo moeilijk hebben, waarom zien we dan nog steeds dat vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in het Congres, en in Fortune 500-bedrijven?’ De trainer reageerde door zijn punten te herhalen. ‘Ik voelde mijn bloeddruk stijgen,’ herinnert Bozenmayer zich. ‘Ik had zoiets van: dit is gewoon te scheef.’ Maar toen ze de ruimte rondkeek, zag ze veel van haar mannelijke en vrouwelijke collega’s instemmend knikken, ijverig de kaarten doornemen en aantekeningen maken.
Het idee dat jongens en meisjes aangeboren kenmerken hebben waardoor ze anders leren, is het afgelopen decennium in een stroomversnelling geraakt. Het Gurian Institute zegt dat het 60.000 leraren heeft opgeleid in 2000 schooldistricten – voor een bedrag van maar liefst 10.000 dollar per sessie. Een andere prominente pleitbezorger van naar geslacht gedifferentieerd onderwijs, psycholoog Leonard Sax, biedt een populaire tweedaagse workshop aan voor scholen over ‘de opkomende wetenschap van man-vrouwverschillen’. Op de Boy Brains & Engagement-conferentie scoren honderden leraren onderwijscredits door te luisteren naar uitleg over de leerstijlen van jongens en meisjes. ‘Wetenschappers hebben ongeveer 100 typische geslachtsverschillen in de hersenen ontdekt,’ aldus de brochure.
De ideeën vonden ook aansluiting bij beleidsmakers. De in 2002 door president George W. Bush ondertekende No Child Left Behind-wet moedigt aparte klaslokalen voor jongens en meisjes aan. Hoewel de regering-Obama zich tegen dat idee heeft verzet, hebben wetgevers op staatsniveau de zaak opgepakt: de gouverneur van Florida, Rick Scott, heeft in 2014 een wet ondertekend die ‘genderspecifieke klaslokalen’ toestaat; Californië heeft in 2017 een soortgelijke wet aangenomen. Het aantal openbare seksespecifieke scholen is de afgelopen twee decennia explosief gestegen, van een handvol begin 2000 tot een paar honderd vandaag.
Achter de beweging die scholen ‘gendervriendelijker’ wil maken, schuilt de angst dat ons onderwijssysteem vooral jongens achterstelt. Een reeks bestsellers over hoe jongens worstelen met leren liet duidelijk zien dat ze achterblijven op het gebied van cijfers, toetsscores en afstudeerpercentages. ‘Het bewijs dat jongens achterop raken stapelt zich op,’ schreef de New York Times-columnist David Brooks in 2012. ‘Dit is een uitgemaakte zaak.’ In een opinieartikel uit 2015 in The Washington Post, getiteld ‘Waarom scholen onze jongens in de steek laten’, schreef een ouder (een moeder): ‘Het gebrek aan beweging en de rigide beperkingen in het moderne onderwijs doden de ziel van mijn zoon.’ Sommige schrijvers zien de zogenaamde jongenscrisis als een gevolg van het feminisme. In een National Review-artikel uit 2017 getiteld ‘De vervrouwelijking van alles gaat ten koste van onze jongens’, beschuldigt conservatief expert David French ‘de gefeminiseerde school, compleet met zijn zerotolerancebeleid, dodelijke angst voor alles wat ook maar enigszins martiaal is, en de niet-aflatende nadruk op medeleven en zorg in plaats van verkenning en avontuur (tenzij de avonturier een vrouw is).’
De stereotypen van meisjes als van nature ijverige huiswerkmakers en jongens als verkeerd begrepen rebellen bieden een handig kader om de matige schoolprestaties van sommige jongens te verklaren. Maar er is één probleem: overweldigend bewijs toont aan dat onze culturele verwachtingen van gender een minstens even grote rol spelen als de zogenaamd kernachtige verschillen in de leerstijlen van jongens en meisjes. Hoewel sommige studies van een paar jaar geleden lieten zien dat meisjes het wat leren betreft beter doen dan jongens, suggereert recenter onderzoek dat deze bevindingen verre van universeel zijn: de genderkloof in schoolprestaties varieert enorm per afkomst, klasse en geografische locatie.
‘Het gebrek aan beweging en de rigide beperkingen in het moderne onderwijs doden de ziel van mijn zoon’
En zelfs als meisjes een voorsprong hebben op school, is de oorzaak misschien niet biologisch: toonaangevend hersenonderzoek trekt het idee van consistente en significante hersenverschillen tussen meisjes en jongens in twijfel, en onderwijsonderzoekers hebben ontdekt dat seksegedifferentieerd onderwijs geen studievooruitgang garandeert. Integendeel, onze vooroordelen over hoe meisjes en jongens leren en zich gedragen, beïnvloeden juist hun schoolervaringen en versterken genderstereotypen. En het meest verontrustende is dat neurologisch onderzoek erop wijst dat deze stereotypen de hersenen van de leerlingen misschien zelfs vórmen.
Bescheiden overwinning
Bozenmayer deelde haar zorgen over de koers van haar school met het schoolhoofd en zijn superieuren. Toen ze geen actie ondernamen, nam ze contact op met Galen Sherwin, een senior advocaat bij de American Civil Liberties Union (ACLU), die leiding geeft aan de ‘Teach Kids, Not Stereotypes’-campagne. De ACLU betoogt dat het scheiden van jongens en meisjes op school bijna altijd oneerlijk is – en in veel gevallen kan het illegaal zijn volgens Title IX, de federale wet die discriminatie op grond van geslacht in het onderwijs verbiedt. Tot dusver heeft de ACLU seksegescheiden onderwijs in vijftien staten betwist, wat heeft geleid tot de sluiting van 36 programma’s. Nadat de ACLU in 2018 contact had opgenomen met het kantoor van de procureur-generaal van New Jersey voor burgerrechten, stopte het district van Bozenmayer met de trainingen.
Sherwin noemt het een bescheiden overwinning.
Maar nieuwe openbare single-sex-scholen blijven opduiken, meestal in arme gemeenschappen van kleur, waar ze volgens haar niet alleen verraderlijke genderstereotypen versterken, maar ook raciale. Uit een Education Week-rapport uit 2017 bleek dat openbare single-sex-scholen bestaan uit een onevenredig groot aantal leerlingen van kleur – ongeveer 90 procent, vergeleken met ongeveer 50 procent door het hele land. Meer dan driekwart van de leerlingen op single-sex-scholen komt daarbij uit arme gezinnen, tegen ongeveer de helft in het hele land.
Voor leraren die worstelen met discipline, overvolle klaslokalen en ondergefinancierde scholen, kan het argument voor leerverschillen tussen jongens en meisjes overtuigend zijn. Zoals Rebecca Bigler, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Texas, Austin, die onderzoek doet naar de genderrolontwikkeling bij kinderen, opmerkt: ‘Het biedt een eenvoudige oplossing voor een in werkelijkheid complex probleem.’
The Wonder of Boys
Deze manier van leren is natuurlijk niet nieuw. Het werd ooit als ongepast beschouwd dat meisjes en jongens samen zouden leren. Toen ik in de jaren negentig naar een middelbare meisjesschool ging, was de heersende gedachte dat jongens de klasgesprekken domineerden en meisjes zich niet van hun slimme kant durfden te laten zien. Maar de overheersende onderwijsfilosofie voor jongens en meisjes die in deze eeuw is ontstaan, is minder gericht op het vergroten van de macht van meisjes dan op het redden van jongens.
In 2006 publiceerde auteur en zelfbenoemd ‘sociaal filosoof’ Michael Gurian The Wonder of Boys, waarin hij betoogt dat de mannelijke hersenstructuur, samen met de ontbinding van traditionele maatschappelijke structuren, jongens vatbaar heeft gemaakt voor ‘bende-activiteiten, seksueel wangedrag en misdaad’. Critici prezen het boek als het mannelijke antwoord op Reviving Ophelia van Mary Pipher, de bestseller uit 1994 over worstelende tienermeisjes. Van The Wonder of Boys zijn meer dan 400.000 exemplaren verkocht en het is vertaald in 17 talen. Op zijn site beweert Gurian het Congres over zijn werk te hebben ‘ingelicht’. In 1996 richtte hij het Gurian Institute op, dat schooldistricten helpt om aparte klaslokalen voor mannen en vrouwen in te richten en sommige ertoe heeft overgehaald om seksegescheiden scholen op te richten.
Gurian, die geen certificaten heeft in onderwijs, psychologie of neurowetenschappen, heeft zijn ‘op de natuur gebaseerde theorie’ over gender in meer dan twee dozijn boeken uitgewerkt. In The Minds of Boys: Saving Our Sons From Falling Behind in School and Life trekt Gurian van leer tegen een onderwijssysteem dat is afgestemd op volgzame, goed opgevoede meisjes, maar dat onstuimige, competitieve jongens achterstelt en buitensluit. ‘Ouders die hun zonen naar hun eerste dag op de kleuterschool brengen, zullen in toenemende mate merken dat ten minste een van hun jongens uiteindelijk een onderwijscrisis krijgt te doorstaan,’ schrijft hij.
Om dit tegen te gaan, zegt Gurian, moeten we klaslokalen en onderwijsstrategieën speciaal voor jongens inrichten. Dit zou moeten beginnen op de kleuterschool, waar leraren in plaats van geweld te verbieden ‘agressiezorg’ moeten onderwijzen, zodat jongens elkaar kunnen slaan en schoppen in plaats van woorden te gebruiken. ‘Gezien de hormonale en neurale samenstelling van mannen,’ schrijft hij, ‘geldt voor jongens (en mannen) vaak dat agressieve gebaren net zo vormend zijn als woorden, en voor net zo veel binding zorgen als een knuffel.’ (Sax, de eerdergenoemde psycholoog, beaamt deze ideeën en raadt slaan aan als straf voor jongens, maar niet voor meisjes.) Gurian stelt een reeks strategieën voor waarvan hij beweert dat ze het leren van jongens op alle niveaus zullen verbeteren: leraren mogen jongens niet in de ogen kijken – het mannelijke brein raakt gefrustreerd door direct oogcontact. Het licht moet altijd fel blijven, want bij weinig licht kunnen jongens ‘zich gaan misdragen’. Om jongens tot lezen te verleiden stelt hij voor om ze handleidingen, businessboeken en strips aan te bieden in plaats van To Kill a Mockingbird of Romeo en Julia.
Gurian stelt dat jongens zeer geschikt zijn voor het soort lessen dat ze een paar eeuwen geleden zouden hebben gekregen: jagen, boer worden of een vak leren bij een ervaren ambachtsman. Hij geeft de Industriële Revolutie de schuld van de ondergang van dat type onderwijs. Amerikaanse scholen, zegt hij, zijn ontwikkeld om leerlingen op te leiden voor fabriekswerk. Gurian, die ook romanschrijver is, verwerpt de moderne nadruk op lezen en verbale taken, waar meisjes, zo beweert hij, van nature beter in zijn. ‘Omdat jongenshersenen van nature niet geschikt zijn voor klaslokalen die de nadruk leggen op lezen, schrijven en complexe woordvorming, ontstaan in elke cultuur die sterk afhankelijk is van die vaardigheden problemen bij de jongens.’ Bovendien, zegt hij, zijn jongens van nature minder veerkrachtig dan meisjes – dus een slecht cijfer kan hun kwetsbare ego’s beschadigen. ‘Het mannelijke lerende brein is meer van porselein dan het vrouwelijke; het vrouwelijk lerende brein is meer van staal.’
Geslachtsmozaïek
Meer dan tien jaar geleden merkte Lise Eliot op dat ouders vaak verwezen naar zogenaamd aangeboren verschillen in hoe jongens en meisjes denken. Dat klonk aannemelijk, vond Eliot, een neurowetenschapper aan de Rosalind Franklin University in Chicago die de plasticiteit van de hersenen bestudeert – het vermogen van onze geest om zich te ontwikkelen en aan te passen. Dus besloot ze er een onderzoeksproject van te maken, waarbij ze een schat aan gegevens vergaarde uit brain imaging-onderzoek van kinderen en volwassenen.
‘Het mannelijke lerende brein is meer van porselein dan het vrouwelijke; het vrouwelijk lerende brein is meer van staal’
Eliot verwachtte consistente verschillen te zien in de structuren van mannelijke en vrouwelijke hersenen, dus ze was perplex toen de beelden iets heel anders onthulden. Sommige kenmerken kwamen inderdaad vaker voor in de hersenen van één geslacht. Bij vrouwen is de buitenste laag van de hersenen, die bekendstaat als de hersenschors, bijvoorbeeld dikker; de hippocampus, een regio die geassocieerd wordt met het geheugen, is bij mannen verhoudingsgewijs vaak groter dan bij vrouwen. Toch ontdekte ze dat individuele hersenen een mix van eigenschappen bevatten die als ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ worden beschouwd. In feite vond ze slechts één consistent verschil tussen mannelijke en vrouwelijke hersenen dat voor alle leeftijden gold: mannelijke hersenen zijn ongeveer 11 procent groter dan vrouwelijke hersenen. Maar dat leek niet echt veelzeggend, aangezien alle mannelijke organen iets groter zijn, wat in verhouding staat tot de grotere lichaamsomvang van mannen.
Toen Eliot en haar collega’s naar beelden en studies van de hersenen van kinderen keken, zagen ze nog minder consistente verschillen tussen mannen en vrouwen. ‘Ik stond versteld,’ herinnert ze zich. ‘Mensen beweren dat als we ons anders gedragen, er ook iets anders moet zijn aan de hersenen. Maar dat is aan de grote hersengebieden of zenuwbanen zeker niet te zien.’ Daphna Joel, hoogleraar psychologie en neurowetenschappen aan de universiteit van Tel Aviv, beschrijft het algehele effect als een ‘geslachtsmozaïek’ – elk brein heeft een ‘specifieke configuratie’ van ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ kenmerken.
Toen Eliot zich begon te verdiepen in psychologische onderzoeken viel haar iets soortgelijks op. Over het algemeen waren verschillen in gedrag op basis van geslacht bij zowel kinderen als volwassenen statistisch klein. Bij zeer jonge kinderen bestonden ze vrijwel niet, terwijl ze bij tieners en volwassenen iets aanweziger waren: meisjes hadden de neiging om iets op jongens voor te lopen in hun verbale taken, en jongens werden over het algemeen iets beter in ruimtelijke en wiskundige problemen. Tussen de vroege kinderjaren en het einde van de adolescentie ontdekten onderzoekers van de Emory-universiteit dat de voorsprong van jongens op meisjes bij ruimtelijke taken verdrievoudigde, van ‘klein’ tot ‘gemiddeld’. Er is een statistisch significante genderkloof te zien bij leestoetsen die aan Amerikaanse leerlingen worden gegeven, waarbij meisjes hoger scoren, vooral op de middelbare school. Maar zoals een rapport van de Brookings Institution opmerkt, is deze kloof kleiner geworden en kleiner dan de kloof tussen witte en zwarte leerlingen, tussen leerlingen in de stad en leerlingen uit voorsteden, en tussen leerlingen met verschillende sociaaleconomische achtergronden. En deze genderkloof verdwijnt op volwassen leeftijd.
Eliot wist vanuit haar vakgebied dat het menselijk brein uitzonderlijk goed is in zich aanpassen en veranderen als reactie op prikkels van buitenaf. Dat bracht haar ertoe te onderzoeken of we onbedoeld de hersenen van onze kinderen vormgeven volgens genderstereotypen. Hiervoor zijn goede bewijzen te vinden. Wetenschappers hebben bijvoorbeeld ontdekt dat het gebied van Broca, een hersengebied dat verantwoordelijk is voor verbale verwerking, groter is bij meisjes en vrouwen. Toch is aangetoond dat ouders de taalvaardigheid van hun jonge kinderen kunnen verbeteren door met hen te praten – en dat moeders meer met babymeisjes praten dan met babyjongens, wat de ontwikkeling van deze regio zou kunnen stimuleren. ‘Hoe,’ vraagt Joel zich af in haar recente boek Gender Mosaic: Beyond the Myth of the Male and Female Brain (dat ze samen met Luba Vikhanski schreef), ‘kunnen we dan zien of de superieure verbale vaardigheden van de meisjes inderdaad het gevolg zijn van hun geslacht, of dat ze worden beïnvloed door de genderspecifieke zorg die ze krijgen?’ Ze haalt een onderzoek uit 2014 aan, waarin wetenschappers de hersenactiviteit bij ouders van zuigelingen analyseerden. Bij heteroseksuele koppels waren er consistenties langs geslachtslijnen – de vrouwenpatronen wezen de ene kant op, de mannenpatronen de andere kant. Maar bij homoseksuele paren, waar de opvoedingsrollen minder geslachtsgebonden zijn, vertoonden beide ouders typisch mannelijke én vrouwelijke patronen in de hersenactiviteit. Dit, schrijft Joel, roept een interessante vraag op: ‘Zijn dergelijke verschillen voorgeprogrammeerd in onze biologie, of worden ze gedicteerd door de rollen die vrouwen en mannen in onze samenleving krijgen toebedeeld?’
De invloed van onze sociale omgeving op de vorming van ons lichaam, beperkt zich niet tot de hersenen. Terwijl Gurian en Sax beweren dat een overvloed aan testosteron ervoor zorgt dat jongens competitief zijn, kan het omgekeerde ook het geval zijn: studies tonen aan dat competitie zelf tijdelijk de testosteronniveaus verhoogt bij zowel jongens als meisjes.
Essentialistisch denken
Als ik vrienden en kennissen vertel wat ik heb geleerd over het gebrek aan bewijs voor consistente op geslacht gebaseerde hersenverschillen, krijg ik vaak opmerkingen als: ‘Dat kan onmogelijk waar zijn! Ik heb mijn kinderen en hun vriendjes bestudeerd, en vanaf de peuterleeftijd leggen de meisjes de speelgoedtrucks als baby’s in bed en veranderen de jongens poppen in geweren.’ Dat is misschien zo, zegt Joel tegen mij, maar we weten niet hoeveel hiervan te wijten is aan de manier waarop stereotypen onze kinderen vormen. Als mensen hebben we een opmerkelijk vermogen om onze waarnemingen te filteren op informatie die onze overtuigingen versterkt. We zullen dus eerder de kleine meisjes opmerken die de vrachtwagens vertroetelen, dan degenen die het verschil kunnen zien tussen een shovel en een graafmachine. En zodra we gedrag opmerken dat overeenkomt met onze vooroordelen, hebben we de neiging dit te versterken. ‘Is die vrachtwagen jouw baby?’ vragen we het meisje bijvoorbeeld. ‘Wil je hem een flesje geven?’
Studies tonen aan dat competitie zelf tijdelijk de testosteronniveaus verhoogt bij zowel jongens als meisjes
Zulke stereotypen sluipen het klaslokaal binnen. Bigler, de psycholoog, heeft ontdekt dat het simpelweg gebruiken van de termen ‘jongens’ en ‘meisjes’ op school (en elders) de manier kan veranderen waarop kinderen over gender denken. Zelfs de schijnbaar onschadelijke begroeting ‘Goedemorgen, jongens en meisjes!’ bevordert wat psychologen essentialistisch denken noemen – het idee dat mensen in verschillende categorieën ‘op grote, ingrijpende manieren anders zijn’, zegt Bigler. Kinderen worden sterk beïnvloed door de houding van hun ouders en leraren – en, zegt Bigler, volwassenen verwerpen het ‘gendervooroordeel’ van kinderen gewoonlijk als schattig of onschadelijk. Bigler vroeg ooit een klas met basisschoolleerlingen om hun favoriete en minst favoriete klasgenoten te noemen. Veel van de jongens zeiden dat ze niet slechts vijf kinderen konden noemen die ze niet leuk vonden – ze vonden alle meisjes stom. Wanneer Bigler me dit verhaal vertelt, lach ik. ‘Ik vertel deze anekdote al dertig jaar en iedereen lacht,’ zegt Bigler. ‘Maar het is niet grappig. Het probleem is dat als kinderen zulke dingen zeggen, volwassenen er niet tegen ingaan.’
Deze vicieuze cirkel van stereotypeversterking vindt Eliot kwalijk. ‘Als je wilt dat jongens en meisjes meer hetzelfde denken, moet je ze een vergelijkbaardere opleiding geven,’ vertelt ze. ‘Alles wat we weten over de hersenen ondersteunt dit.’ Het is één ding wanneer ouders de gendervooroordelen van hun kinderen beïnvloeden; het is iets anders wanneer die vooroordelen niet alleen weerspiegeld worden, maar bovendien worden gepromoot op onze openbare scholen.
Toch is Gurian niet onder de indruk van de groeiende wetenschappelijke consensus omtrent het sekseneutrale brein – hij verzet zich zelfs vaak tegen de wetenschappers die dit hebben aangetoond. Toen Eliot Gurian op Twitter tagde om zijn bewering te bekritiseren dat vrouwelijke hersenen beter uitgerust zijn voor verbale taken, tweette Gurian terug: ‘Je bent net een klimaatontkenner: een wetenschapper die de wetenschap ontkent.’ (‘Laat me de gegevens zien,’ stuurde ze terug, Gurians misleidende argumentatie rechttrekkend. Hij reageerde niet.)
Grabbelton
Toen ik contact opnam met Gurian was zijn eerste opmerking: ‘Als je achter Lise Eliots ideeën staat, ben ik niet geïnteresseerd in een gesprek.’ Haar onderzoek staat volgens hem te ver af van het klaslokaal om van belang te zijn voor het onderwijs. Hij beweert dat zijn werk ter bevordering van naar geslacht gedifferentieerd onderwijs en single-sex-scholen is gebaseerd op ‘meer dan 1000 onderzoeken naar mannelijke en vrouwelijke hersenen’. De bronnen die op zijn site worden vermeld, zijn op zijn zachtst gezegd een grabbelton: recentere, peer-reviewed studies worden afgewisseld met tientallen jaren oude artikelen met titels als ‘IJsconsumptie, de neiging tot overmatig eten en persoonlijkheid’ en ‘Vrouwelijke voorkeur voor aantrekkelijke make-up veroorzaakt veranderingen in hun testosteron’, en een boek uit 1999 genaamd Why Men Don’t Iron. (Toen ik contact met hem opnam om toelichting te vragen over zijn bronnen, wilde hij geen commentaar geven.)
In tegenstelling tot wat Gurian beweert, wezen de experts met wie ik sprak op recent onderzoek waaruit blijkt dat de genderstereotypering van leraren zichzelf kan versterken. In een studie uit 2014 analyseerde Sarah Theule Lubienski, hoogleraar wiskunde aan de Indiana-universiteit, de manier waarop leraren van basisschoolleerlingen gedrag en leercompetentie beoordeelden. Ze ontdekte dat meisjes even goed in wiskunde konden zijn als ze door leraren werden gezien als hardwerkender en gretiger dan jongens. In een volgende studie toonde Lubienski aan dat de verwachting dat meisjes gehoorzaam zijn, hen ervan weerhoudt het gedurfde, creatieve, probleemoplossende denken te ontwikkelen dat vereist is voor wiskunde op een hoger niveau. Dat zou kunnen verklaren waarom meisjes over het algemeen gelijke tred houden met jongens bij gestandaardiseerde wiskundetoetsen, ook al zijn er onder de toppresteerders onevenredig veel jongens. ‘We leren meisjes om een goede leerling te zijn,’ zegt Lubienski. ‘In plaats daarvan zouden we hen moeten helpen strategieën te ontwikkelen om onbekende problemen op te lossen. Laten we leerlingen belonen als ze moedig zijn in hun denken.’
Onderzoek toont aan dat single-sex-scholing de beweringen van Gurian niet waarmaakt. In 2010 onderzochten Bigler en een team van onderzoekers van de Universiteit van Texas een openbare middelbare school voor meisjes in het zuidwesten. Op papier was de school een lichtend voorbeeld van het succes van gescheiden onderwijs voor jongens en meisjes: de leerlingenpopulatie was divers en de toetsscores waren hoog. Maar toen de onderzoekers dieper in de gegevens doken, ontdekten ze dat de meisjes die werden toegelaten via een zogenaamd willekeurige loting al beter presteerden dan hun leeftijdsgenoten op andere gemengde scholen – terwijl meisjes aan wie de toelating werd geweigerd, lagere scores haalden. De leerlingen van de meisjesschool deden het niet beter op gestandaardiseerde toetsen dan hun leeftijdsgenoten op een gemengde school. In 2014 hebben onderzoekers in een meta-analyse, gepubliceerd door de American Psychological Association, 184 studies van 1,6 miljoen leerlingen over de hele wereld doorgekamd. Niet-gemengde scholen bleken ‘weinig of niets’ voor te hebben op gemengde scholen, waarbij werd opgemerkt dat die bevindingen de veronderstellingen over biologische verschillen tussen jongens en meisjes ondergraven.
Om te zien hoe het er in het single-sex-onderwijs aan toegaat, reis ik naar een van de gebieden waar voor- en tegenstanders een harde strijd voeren. In 2014 diende de ACLU een klacht in bij het ministerie van Onderwijs tegen het schooldistrict Hillsborough County in Tampa, Florida, met het argument dat de betreffende scholen de rechten van leerlingen op grond van Title IX schonden. Het district, zo beweerde de klacht, had bijna 100.000 dollar uitgegeven aan trainingen door het Gurian Institute, Sax en anderen. (Een van die sessies heette Busy Boys, Little Ladies.) Daarop werden in achttien scholen klaslokalen voor jongens dan wel meisjes ingericht, waar leraren op gender gebaseerde instructiestrategieën implementeerden, zoals meisjes een vleugje parfum op hun polsen geven voor het correct uitvoeren van een taak, terwijl jongens die zich goed gedroegen elektronica mee naar school mochten nemen. Dat programma werd uiteindelijk geschrapt. Maar in 2011 werden in het district opnieuw twee niet-gemengde middelbare scholen geopend: Ferrell Girls Preparatory Academy en Franklin Boys Preparatory Academy, die beide zijn benoemd tot Gurian Institute Model School.
Vermoedelijk vanwege de ACLU-klacht heeft Tampa er alles aan gedaan te zorgen dat de single-sex-scholen niet in strijd waren met Title IX, dat over het algemeen verbiedt om kinderen volgens gender of geslacht te scheiden, terwijl het genderspecifieke scholen onder bepaalde omstandigheden toestaat. Zo is geen enkele leerling uit Tampa verplicht naar een jongens- of meisjesschool te gaan – het zijn programma’s waar gezinnen zelf voor moeten kiezen.
Meisjes kregen een vleugje parfum op hun polsen voor het correct uitvoeren van een taak, terwijl jongens die zich goed gedroegen elektronica mee naar school mochten nemen
Franklin Boys Preparatory Academy bevindt zich in een buurt met lage inkomens aan de oostkant van Tampa. Leerlingen zijn gemiddeld armer dan op de meeste scholen in de buurt. Ongeveer 75 procent van de 530 leerlingen krijgt een gratis lunch of lunch met korting. Driekwart van de leerlingen is zwart of van Latijns-Amerikaanse afkomst, vergeleken met 57 procent in de rest van de wijk. Senior beheerder Kathy Wasserman leidt me rond in de school en wijst op de kenmerken die speciaal voor jongens zijn ontworpen. Bij de ingang staat een trofeekast met in het midden een grote beker. Die, vertelt ze, behoort toe aan de winnende afdeling van vorig jaar – de jongens zijn à la Harry Potter verdeeld over drie afdelingen, elk gestructureerd als een bedrijf, met hoofdmonitors die optreden als ‘directeur’. Door resultaten, sport en goed gedrag kunnen de afdelingen punten verzamelen, die elke twee weken worden opgeteld. Het afdelingssysteem, legt Wasserman uit, is een hoeksteen van de school. ‘Jongens gedijen bij concurrentie,’ vertelt ze me.
De gangen worden in tweeën gedeeld door geel met zwart gestreepte lijnen. Wasserman vertelt dat de school tweebaansverkeer heeft ingesteld omdat ‘jongens gedijen bij structuur’. Dat is de sleutel van de aanpak van de school. ‘Alles wat we doen gaat volgens een bepaalde structuur en een bepaalde procedure.’ In een taalvaardigheidsles wijst Wasserman erop dat de bureaus in traditionele rijen zijn gerangschikt – omdat, zegt ze, jongens informatie het beste kunnen assimileren als ze recht vooruit kijken. Een assistent-leraar laat me een timer zien en vertelt dat deze elke 12 minuten afgaat, waarna de jongens naar de drinkfontein in de hal mogen gaan. ‘Jongens reageren heel goed op die timer,’ zegt Wasserman. ‘Schema’s, timers, al deze dingen liggen vast.’
Als ik vraag wat ze denkt van het idee dat traditionele scholen het jongens moeilijk maken, zegt ze na even nadenken: ‘Meisjes zijn goed in zitten en stil zijn en doen wat ik zeg. Ik denk dat onderwijs vaak op dat principe is afgestemd. Maar wij zijn ingesteld op jongens, op beweging. We zijn luidruchtig. We hebben energie. We zorgen dat er tijdens de lunch genoeg tijd is om de jongens naar buiten te laten gaan.’
Maar zelfs de schoolpauzes hier voelen bijna militaristisch aan in hun nadruk op structuur. Tijdens de lunch in de kantine vertelt Wasserman: ‘Als je naar het toilet moet, gaat dat volgens protocol. Als je water wilt, gaat dat volgens protocol. Als je je vork bent vergeten, gaat dat volgens protocol. En het loopt op rolletjes.’
Het Gurian Institute promoot seksuele voorlichting als onderdeel van de oplossing voor de specifieke uitdagingen waarmee jongens van kleur worden geconfronteerd, zoals hoge schooluitval en de gang van-school-naar-de-gevangenis. De aanpak van het instituut wordt gepresenteerd door de lens van de veronderstelde jongenscrisis. ‘De meeste mannelijke problemen, inclusief de problemen waarmee jongens van kleur worden geconfronteerd, houden verband met het onvermogen van onze samenleving om de aard van mannen te koesteren,’ schrijft Gurian. Een recente aflevering van zijn podcast heet: ‘We kunnen raciale en sociaaleconomische hiaten niet oplossen zonder de genderkloof te verhelpen.’
Verontrustende raciale boventonen
Hoewel deze inspanningen worden gedreven door oprechte bezorgdheid over de raciale kloof in prestaties, maakt Sherwin, de ACLU-advocaat, zich zorgen dat het op geslacht scheiden van leerlingen van kleur ‘berust op het stereotiepe idee dat deze kinderen zo weerbarstig en onbeheerst zijn dat jongens en meisjes zich niet samen in één klaslokaal kunnen bevinden’. Dit is bijzonder verontrustend in het licht van de recente geschiedenis van het openbaar onderwijs voor jongens en meisjes in de Verenigde Staten. Juliet A. Williams, hoogleraar genderstudies aan de University of California, Los Angeles, is nagegaan welke schooldistricten leerlingen in het verleden scheidden op basis van geslacht, in opdracht van witte ouders die in opstand kwamen tegen het idee dat hun witte meisjes samen met zwarte jongens werden onderwezen. Ideeën over op sekse gebaseerde verschillen, zegt ze, ‘kunnen een verontrustende racistische ondertoon hebben en het vooroordeel uitdragen dat zwarte en latinojongens chaotischer, onhandelbaarder en onbeheerster zouden zijn’.
Zelfs de schoolpauzes hier voelen bijna militaristisch aan in hun nadruk op structuur
Seksegescheiden schoolprogramma’s worden steeds vaker aangeboden als alternatief voor lokale scholen en ingekaderd als een onderdeel van de schoolkeuzebeweging die door minister van Onderwijs Betsy DeVos wordt gepromoot. Bijgevolg heeft de organisatie van Sax, de National Association for Single Sex Public Education, haar naam veranderd in de National Association for Choice in Education. ‘De realiteit is dat ouders beperkte onderwijskeuzes hebben,’ zegt Bigler. ‘En misschien is een school voor één geslacht in sommige gemeenschappen de beste optie, omdat die meer middelen heeft.’ Het is veelzeggend, benadrukt Sherwin, dat de trend onder elitescholen naar gemengd onderwijs neigt. ‘Als single-sex zo goed zou werken, zou je zien dat het overal werd toegepast, niet alleen in arme minderheidsdistricten.’ Een meta-analyse uit 2014 van dit type onderwijs heeft geen bewijs gevonden dat het arme leerlingen van kleur vooruithelpt.
Ondanks het gebrek aan bewijs, houden de voorstanders van single-sex-onderwijs voet bij stuk. De National Association for Choice in Education heeft in 2011 haar openbare lijst van seksegescheiden klaslokalen en scholen geschrapt om de ‘intimiderende aanpak van ACLU’ te belemmeren. In 2017, twee jaar nadat ACLU een klacht had ingediend tegen een overwegend door latinokinderen bezochte middelbare school in Los Angeles die leerlingen naar geslacht scheidde, hebben wetgevers in Californië een wet aangenomen die de oprichting van zulke scholen legaal maakt. In 2018 verloor ACLU een zaak over de middelbare seksegedifferentieerde scholen in Austin, het schooldistrict met het grootste aantal latinoleerlingen van Texas. Het is niet duidelijk wat de volgende stap in de juridische strijd zal zijn. Tot dusver heeft de Trump-regering geen beleid uitgevaardigd over openbare scholen voor één geslacht, maar de trend lijkt te zijn om schooldistricten maximale speelruimte te geven.
55 procent van de scores van de Ferrell-meisjes in 2018 kwalificeerde zich als bekwaam, tegen 40 procent van de Franklin-jongens
Ik sprak met een lerares Engels uit een groot, veelal arm en niet-wit schooldistrict in Texas, die zich had beklaagd dat ze van de onderwijsinspecteur een training moesten volgen op basis van het werk van Gurian en Sax, waarna haar middelbare school zich enkel nog op jongens richtte. Maandenlang verzette ze zich tegen wat zij zag als een schoolcultuur gebaseerd op valse stereotypen over mannelijkheid – die schadelijk was voor een kwetsbare populatie jongens. Ze maakte zich vooral zorgen over het feit dat een groep homoseksuele leerlingen werd gepest en dat een beginnende lerares seksueel werd lastiggevallen door leerlingen. Haar klachten bleven grotendeels onbeantwoord en aan het einde van het schooljaar werd ze zonder toelichting ontslagen.
Zo’n 3 kilometer van de Franklin Boys Preparatory Academy hangt er in de Ferrell Girls Preparatory Academy, waarvan de leerlingen demografisch vergelijkbaar zijn met die van Franklin, een heel andere sfeer. Hier geen timers, stroken in de gang of bureaus in rijen. Het is er niet zozeer chaotisch maar wel een beetje vriendelijker. En dat is geen toeval. De tegenhanger van Wasserman, Lori Bartholomew, vertelt me dat haar leraren de nadruk leggen op samenwerking en inclusiviteit, en uitzoeken hoe het emotionele leven van meisjes hun leren beïnvloedt. Het is gebruikelijk, zegt ze, dat leraren met de les beginnen met de vraag wat er bij de meisjes speelt. Net als bij Franklin worden de leerlingen verdeeld over verschillende afdelingen, maar hier ligt de focus op samenwerking, niet op concurrentie.
Bartholomew noemt veel generalisaties waarvan ik vermoed dat ze het bloed van Lise Eliot zouden doen koken. Ze wijst erop dat een leraar een ‘zachte toon’ gebruikt omdat ‘meisjes erg gevoelig zijn voor geluid’. De toegewezen zitplaatsen in de kantine worden om de twee weken vervangen omdat de vriendschapsgroepen van meisjes ‘als beton zijn, en je een sloophamer nodig hebt om ze uit elkaar te halen’. Ze vertelt me dat meisjes gevoeliger zijn voor emoties dan jongens. ‘Veel daarvan heeft te maken met moederen en verzorgen,’ zegt ze. ‘Ze zeggen zelfs dat vrouwen oxytocine aanmaken als ze een baby horen huilen, want dat is hun instinct.’
Het resultaat van dit alles is pervers genoeg een educatieve omgeving die echt lijkt te werken. Ik zie hoe de leraar in een wiskundeles meisjes uitdaagt om samen te werken en creatief na te denken. Op een gegeven moment verdeelt ze de klas in verschillende groepen om erachter te komen hoe het concept van absolute waarde zich zou kunnen verhouden tot de echte wereld. Na een paar minuten de koppen bij elkaar te hebben gestoken, delen de meisjes hun ideeën. ‘Als je loopt, loop je nooit negatieve afstanden,’ zegt een meisje. De anderen knikken. Later in de les moedigt de leraar de meisjes aan om samen te werken aan een oefening in grafieken tekenen. ‘Communiceer met je buren. Kijk of ze dezelfde soort grafiek hebben als jij,’ zegt ze. ‘Zo niet, help ze dan.’
Sociaal-emotioneel leren
Het soort onderwijsstrategieën dat ik bij Ferrell heb gezien, legt de nadruk op wat bekendstaat als sociaal-emotioneel leren: kinderen helpen hun emoties te uiten en te beheersen, zelfrespect te ontwikkelen, relaties aan te gaan en empathie te ervaren. Onderzoek toont aan dat sociaal-emotioneel leren de schoolprestaties kan verbeteren. In 2011 analyseerde de nonprofitorganisatie Collaborative for Academic, Social and Emotional Learning meer dan 200 schoolprogramma’s en ontdekte dat hoogwaardige sociaal-emotionele leerprogramma’s correleerden met een sprong van 11 percentiel in de lees- en rekenscores van leerlingen. Uit een vervolgonderzoek in 2017 bleek dat de voordelen van deze programma’s jarenlang aanhielden.
Bij gestandaardiseerde toetsen presteerden Ferrell-meisjes in elk vak beter dan Franklin-jongens. Het verschil was het grootste in wiskunde: 55 procent van de Ferrell-meisjes in 2018 scoorde een ruime voldoende, tegen 40 procent van de Franklin-jongens. Deze kloof tussen mannen en vrouwen op single-sex-scholen in Tampa duidt op een grote ironie: naar geslacht gedifferentieerd onderwijs moest de ‘jongenscrisis’ in het onderwijs oplossen, maar de meeste experts die ik heb gesproken, zijn bang dat precies het tegenovergestelde gebeurt. ‘We leren jongens soms dat het niet oké is om hun emoties te uiten, en dat kan voor hun leerproces verstikkend zijn,’ zegt Justina Schlund, de coördinator veldonderzoek van de Collaborative for Academic, Social and Emotional Learning. Ze is bezorgd dat stereotypen over emotioneel afstandelijke mannelijke hersenen docenten zouden kunnen ontmoedigen om belangrijke lessen te geven die jongens nodig hebben om te slagen: ‘Jongens moeten leren dat ze empathische wezens zijn, dat ze lid van een klas zijn, een gezin, een gemeenschap. Dit zijn cruciale lessen in het echte leven, maar ook in de klas.’
Het bevorderen van kwetsbaarheid
Een onderdeel van het sociaal-emotionele leerplan is het stimuleren van kwetsbaarheid – de bereidheid om mislukkingen te accepteren en om hulp te vragen. Edward Morris, een socioloog van de University of Kentucky, onderzoekt hoe de verwachtingen van mannelijkheid het leven van jongens bepalen. In zijn uitgebreide observatie van middelbareschoolklassen stelde hij een patroon vast van onwil bij jongens om leraren om hulp te vragen als ze iets niet begrijpen. ‘Jongens worden gesocialiseerd om geen zwakte te tonen,’ zegt hij. Die mentaliteit is van grote invloed: niet alleen de schoolprestaties van jongens kunnen erdoor worden belemmerd, ook hun loopbaan en relaties kunnen eronder lijden. ‘Deze beperkende visie op mannelijkheid levert mannen aan de oppervlakte macht op, maar is uiteindelijk vooral schadelijk voor hun eigen welzijn en de gezondheid van de samenleving in het algemeen.’
Tijdens mijn rondleiding in de middelbare jongensschool stoppen we bij het mediacentrum. Een schildering van inspirerende leiders – allemaal mannen – siert de muur. Onder het toeziend oog van Martin Luther King Jr., Benjamin Franklin en Abraham Lincoln zitten twee jongens aan een tafel huiswerk te maken. Wasserman vraagt hen om op te staan en de schoolbelijdenis te reciteren, die de leerlingen elke ochtend in koor opzeggen. De jongens schuifelen zonder te glimlachen overeind.
‘Ik zal een verantwoordelijke, respectvolle, eerlijke en integere man worden,’ zeggen ze. ‘Vertrouwen, doorzettingsvermogen, hoffelijkheid, beoordelingsvermogen en sportiviteit. Zo’n man zal ik worden.’
Wasserman glimlacht en gebaart de jongens weer te gaan zitten. ‘Dank u, heren.’
De Merriam-Webster, de Amerikaanse Van Dale, heeft aangekondigd de definitie van het woord ‘racisme’ te gaan verruimen. Taalkundige John McWhorter vindt dit ‘hoog tijd’ worden nu er meer aandacht is voor institutioneel racisme. ‘Het is onvermijdelijk dat de betekenis van woorden voortdurend verandert.’
Keuze uit het archief
Afgelopen week bleek uit onderzoek in dertien EU-landen dat het aantal mensen van Afrikaanse afkomst dat discriminatie en racisme ervaart is toegenomen. Het is een probleem waar we maar niet van afkomen en dat zich al jarenlang voortsleept.
In dit artikel van The Atlantic uit 2020 legt taalkundige John McWhorter uit hoe de term ‘racisme’ ontstaan is, hoe de betekenis ervan in de loop der jaren veranderd is en hoe belangrijk het is dat woordenboekmakers de huidige ontwikkelingen in de gaten houden. Waar racisme eerst nog stond voor het denkbeeld dat het ene ras superieur is aan het andere, heeft het de afgelopen jaren een nieuwe betekenis erbij gekregen: alle vormen van sociale ongelijkheid die gebaseerd zijn op ras, aldus McWhorter. ‘Als woordenboeken een afspiegeling moeten bieden van hoe de taal daadwerkelijk wordt gebruikt, moet dit erin verdisconteerd worden,’ zo besluit hij.
De woordenboekmakers van Merriam-Webster werken aan een nieuwe definitie van ‘racisme’. Gaat de Great Awokening [‘woke’ betekent je bewust zijn van racisme en andere onderdrukkende structuren in de samenleving] nu al zo ver dat het woordenboek ervoor moet worden herschreven? Nee, maar de manier waarop het woord ‘racisme’ in de samenleving wordt gebruikt, valt al heel lang niet meer binnen de gangbare woordenboekdefinitie, en het is hoog tijd dat de woordenboekmakers dat doorkrijgen.
In de Merriam-Webster werd racisme altijd gedefinieerd met wat je betekenis 1.0 zou kunnen noemen: de definitie die je voorleest aan een nieuwsgierig kind. Het gaat dan om wat we in het Engels vroeger prejudiced noemden: ‘de opvatting dat de eigenschappen en capaciteiten van een mens in hoofdzaak door raciale verschillen worden bepaald en dat één ras superieur is aan de andere’.
Institutioneel racisme
Maar al sinds de jaren zestig kom je ook begrippen tegen als ‘maatschappelijk racisme’ of ‘institutioneel racisme’, ter aanduiding van de maatschappelijke structuren die mensen van ondergeschikte rassen benadelen, door het collectieve effect van racistische denkbeelden. Zo zou je kunnen zeggen dat maatschappelijk racisme verantwoordelijk is voor de teloorgang van de infrastructuur in bepaalde wijken wanneer het wegtrekken van witte bewoners daar tot lagere belastingopbrengsten leidt.
Omdat zo’n begrip een hele mond vol is, wordt het natuurlijk vaak afgekort tot racisme, en zo krijgt dat woord zijn definitie 2.0. Daarin voorziet het lemma in de Merriam-Webster ook al, want dat stelt dat racisme ook ‘een op racisme berustend politiek of maatschappelijk systeem’ kan zijn.
Maar de pas afgestudeerde, 22-jarige Kennedy Mitchum heeft de woordenboekmakers gemaild om te vragen het lemma nog verder uit te breiden, zodat ook recht wordt gedaan aan de bredere betekenis die het woord inmiddels heeft gekregen met betrekking tot ‘maatschappelijke en institutionele macht’. Want racisme is, zoals Mitchum schreef, ‘een systeem van bevoordeling op basis van huidskleur’.
Hier gaat het niet zozeer om denkbeelden als om het resultaat daarvan. Alle maatschappelijke ongelijkheid tussen witte mensen en andere bevolkingsgroepen wordt als racisme betiteld, wat dan een soort afkorting is voor de racistische denkbeelden die aan die ongelijkheid ten grondslag liggen. Deze betekenis 3.0 is inmiddels wijdverbreid. De populaire auteur Ibram X. Kendi, die ook voor The Atlantic schrijft, bestempelt alle op ras gebaseerde sociale ongelijkheid als onwenselijk racisme. Deze betekenis van het woord is in de sociale wetenschappen inmiddels gemeengoed en vormt de grondslag voor het moderne debat over ras en racisme. Zo zullen veel mensen zeggen dat de lagere prestaties van zwarte studenten op gestandaardiseerde tests betekenen dat die tests racistisch zijn, in de zin dat ze zwarte studenten benadelen.
Mitchum was het zat dat mensen haar in debatten over racisme verweten dat haar gebruik van het woord racisme niet klopte omdat die betekenis 3.0 niet ‘in het woordenboek staat’. En haar irritatie is terecht. Ze zoog die betekenis niet uit haar duim – overal in ons land wordt het woord door massa’s mensen, met name hoogopgeleiden, in die betekenis gebruikt.
Woordenboeken kunnen achterlopen op de maatschappelijke ontwikkeling. Het idee dat een woord altijd onmiskenbaar ‘betekent’ wat er in het woordenboek staat, is dan ook veel te makkelijk. Het is onvermijdelijk dat de betekenis van woorden voortdurend verandert, en niet alleen in groepstaal en jargon. Wie dat niet gelooft, moet maar eens letten op het gebruik van het woord fantastic in oude films of oude afleveringen van de tv-serie The Twilight Zone: toen bedoelden ze niet fantastisch in de zin van ‘geweldig’, maar in de zin van ‘fantasierijk, imaginair’. De betekenis is geleidelijk verschoven. Maar in onze echte, fantasie-arme wereld hebben mensen de neiging om te denken dat de kille letters in een woordenboek een onveranderlijke waarheid uitdrukken. We kunnen dus niet toelaten dat de definities van zulke belangrijke woorden als ‘racisme’ bevroren blijven in de tijd van Watergate en zitkuilen. Want wreed en zo, maar we zijn alweer een heel stuk verder, weetjewel.
Woorden zijn net mensen, hun ontwikkeling is vaak wanordelijk
Maar de waaier aan betekenissen die het woord ‘racisme’ nu heeft, kan natuurlijk ook verwarrend zijn. Ik voorzie al een lang gesprek met mijn kinderen als ze over een tijdje met vragen komen omdat ze het woord in een betekenis hebben gehoord die veel verder reikt dan de simpele oude betekenis van prejudiced, mensen met ‘vooroordelen’.
Het is op zichzelf niet ongebruikelijk dat de definitie van een woord uitdijt van de eigenschap van een individu naar die van een hele samenleving.
De ontwikkeling van racisme 1.0 naar racisme 2.0 volgt een lijn van metaforisch denken die al dateert van de oude Grieken. Ook zij zagen een samenleving als individu in een macrokosmos. De conceptuele stap van een gezonde persoon naar een gezonde samenleving is dan niet zo groot, net zomin als die van een racistisch mens naar een racistische samenleving.
Ongelijkheid
Maar die stap is alleen klein als je discriminatie, dus actieve achterstelling, nog steeds als de essentie van racisme beschouwt. De stap van racisme 2.0 naar racisme 3.0 is een minder gebruikelijk soort taalverandering. In betekenis 3.0 spreekt het vanzelf om maatschappelijke ongelijkheid als racisme te bestempelen omdat die ongelijkheid ontegenzeggelijk voortvloeit uit een door vooroordelen ingegeven achterstelling. Zo zullen velen zeggen dat de gezondheidsstatistieken van zwarte Amerikanen slechter zijn doordat ze minder toegang hebben tot goede gezondheidszorg en supermarkten. In zo’n geval wordt ook vaak van racisme gesproken als actieve discriminatie niet (of niet meer) de directe oorzaak van de verschillen is.
In de sociale wetenschappen is dit een algemeen aanvaard uitgangspunt, maar in de samenleving als geheel lijkt deze gedachte nog niet op algemene instemming te kunnen rekenen. Eén struikelblok is daarbij dat sommige maatschappelijke belemmeringen, die weliswaar voortkwamen uit racisme 1.0 en 2.0, inmiddels tot het verleden behoren, zoals de postcodediscriminatie (‘redlining’), waardoor zwarte wijken vanzelf overbevolkte achterstandswijken werden. Er zullen vast mensen zijn die zich verzetten tegen een definitie van racisme waarin ook denkbeelden en daden nawerken van mensen die allang overleden zijn.
Taalkundigen schrijven anderen niet voor hoe ze de taal moeten gebruiken. Wij zijn als Chauncey Gardiner in Being There: we kijken graag toe. Maar taalkundigen zijn ook mensen, dus ik heb wel mijn voorkeuren. Zo houd ik niet van wanorde.
Als ik mijn zin kreeg – maar dat gaat niet gebeuren – zouden we toestaan dat ‘racisme’ nu ook slaat op een samenleving en daarnaast het woord prejudiced uit de mottenballen halen om het racisme van individuen mee aan te duiden. Ooit was prejudiced immers hét Amerikaanse woord voor ‘racistisch’. Pas vanaf 1970 begon dat plaats te maken voor het woord ‘racistisch’ (racist), dat na 1980 sterk opkwam. Neem de manier waarop Sammy Davis Jr. in 1972 in All in the Family de spot drijft met Archie Bunker. Zijn gebruik van ‘prejudiced’ in deze passage is verouderd, daar zou je nu gewoon racist zeggen:
If you were prejudiced, you’d go around saying you were better than anyone else in the world, but I can honestly say, after spending these marvelous moments with you, you ain’t better than anybody!
In dezelfde periode waarin prejudiced het veld ruimde voor racist, begon chauvinist [seksistisch] plaats te maken voor sexist, om dezelfde redenen: heftige begrippen moeten soms ververst worden om hun kracht te behouden, zeker als ze veel gebruikt worden. Daardoor maakt het woord racism nu steeds vaker plaats voor white supremacy. Het is een kwestie van tijd voordat het daardoor is verdrongen, en woordenboekmakers moeten daar rekening mee houden.
Vooroordelen
Ik ken geen voorbeelden van verouderde woorden die met succes zijn afgestoft voor hernieuwd dagelijks gebruik, maar hemeltje – wat zou prejudiced tegenwoordig goed van pas komen. Daarmee doe je een heldere bewering over een persoon en diens denkbeelden: dat het iemand is die vooroordelen koestert. Het zou raar voelen om van een samenleving te zeggen dat die vol vooroordelen zit – je blijft dan toch denken aan die ene persoon, die mopperende racist op de veranda.
In den beginne was het woord ‘racist’ voor velerlei uitleg vatbaar. Is dat iemand die lid is van een bepaald ras? Die voor andere rassen opkomt? Of iemand die aandacht vraagt voor het bestaan van verschillende rassen? Of slaat ‘racistisch’ vooral op een bepaald beleid? Dat laatste is de richting waarin de betekenis zich heeft ontwikkeld. Maar in mijn ideale taal leggen mensen vooroordelen aan de dag en geeft een samenleving blijk van racisme.
Helaas voegt de taal zich nooit volledig naar je wensen. Woorden zijn net mensen, hun ontwikkeling is vaak wanordelijk. ‘Letterlijk’ kan ook precies het tegenovergestelde betekenen, evenals het Engels voor ‘snel’ (zo heb je run fast, hardlopen, tegenover stuck fast, vastzitten). En wat kan ‘daten’ wel niet allemaal betekenen?
Hoe het ook zij, als woordenboeken een afspiegeling moeten bieden van hoe de taal daadwerkelijk wordt gebruikt, moet dit erin verdisconteerd worden. Dus laten we blij zijn dat ook de lexicografie woke wordt over racisme.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.