Tag: Parijs

  • Door de ogen van Monsieur le Président

    Door de ogen van Monsieur le Président

    De hoogtijdagen van Emmanuel Macron lijken geteld. Valt het massale protest hem aan te rekenen? En is hij in staat het tij te keren? De twijfels stapelen zich op.

    Keuze uit het archief

    In Frankrijk gaan betogers massaal de straat op om te demonstreren tegen de pensioenhervorming van de regering. De woede richt zich vooral op president Macron, die niet naar het volk zou luisteren. Voor Macron is het niet de eerste keer dat hij het doelwit is van betogers: in 2018 waren het de gele hesjes die hun pijlen op hem richtten. Dit artikel van Die Zeit uit datzelfde jaar legt uit waarom.

    Het is op zijn minst een poging waard om de wereld door de ogen van de Franse president te bekijken. Emmanuel Macron is in de diepste crisis van zijn ambtsperiode beland, op de Champs-Élysées staan barricaden in brand. Hoe heeft het zover kunnen komen? Macron wordt ’s ochtends wakker in een van de 365 kamers van het Élysée, te midden van prachtige meubels in Lodewijk XV-stijl. Als hij omhoog kijkt, ziet hij kroonluchters aan het plafond hangen. Het porselein is onlangs voor 50.000 euro vernieuwd, maar in de koperen pannen in de keuken is nog voor Napoleon gekookt. Zijn omgeving laat niet na hem duidelijk te maken: jij schrijft geschiedenis.

    Als Macron ergens verschijnt, zoals onlangs in de Duitse Bondsdag, dan wijkt vóór hem de mensenmassa uiteen. Niemand verspert hem de weg. Om hem heen voeren de mensen een ballet uit zodat hij ongestoord de ene voet voor de andere kan zetten. Het is zijn ervaring van de afgelopen jaren: niemand verzet zich tegen hem. Dat hebben de gele hesjes wel gedaan. Het protest van de mensen in de veiligheidshesjes is ongeordend, onstuimig, ongedisciplineerd. Anders gezegd zijn ze alles wat Macron haat. Met protesten tegen zijn beleid had hij beslist rekening gehouden, een krachtmeting op straat, met de vakbonden, met weerbarstige ambtenaren die op hun privileges staan.

    Maar de gele hesjes zijn anders. Ze zijn bijna apolitiek en zeggen niet veel meer dan: ons leven wordt zo duur dat we het ons niet meer kunnen permitteren. Ze zijn niet rechts en niet links. Ze hebben geen leidersfiguur. Ze hebben geen duidelijke eisen, maar vooral gevoelens. Ze zijn de grootste uitdaging voor een man die zo analytisch denkt als Macron. Hij heeft dus iemand nodig die hem uitlegt wat er aan de hand is. Die hem vertelt hoe het is als je niet meer uit je woorden komt van woede. Iemand die hem erop wijst dat mensen die bang zijn te verarmen geen nieuwe auto kopen en dat een subsidie van 4000 euro voor een elektrische auto, zoals de regering heeft voorgesteld, de gele hesjes niet kalmeert, maar nog kwader maakt.

    Maar zo iemand is er niet in Macrons omgeving. Macron heeft het centralistische systeem van Frankrijk nog een beetje centralistischer gemaakt. In wezen zijn er vier personen, met inbegrip van hemzelf, die over het beleid gaan. Om precies te zijn: vier mannen. Allemaal begin of midden veertig. Vier mannen die vlug van begrip zijn en vrijwel altijd succes hebben gehad in het leven. Allereerst is daar Édouard Philippe, de premier van Macron, 48 jaar oud, afgestudeerd aan twee elite-universiteiten, de Sciences Po en de École Nationale d’Administration.

    De gilets jaunes zijn 
niet rechts en niet links. Ze hebben geen leider. 
Ze hebben geen duidelijke eisen, maar vooral gevoelens

    Dan is er Benoît Ribadeau-Dumas, bijgenaamd BRD, het hoofd van het kabinet van de premier en diens rechterhand, 46 jaar oud en eveneens afgestudeerd aan twee 
elite-universiteiten. De vierde van de Macron-boys is Alexis Kohler, eveneens 46 jaar oud en natuurlijk ook afgestudeerd aan twee elite-universiteiten. 
De twee laatsten werken op operationeel niveau uit wat de president en de premier bedenken. Ze bereiden de ontmoetingen tussen Macron en Philippe voor, in het bijzonder de wekelijkse lunch waarbij de twee zelf ook aanschuiven. In de woorden van BRD: ‘Wij zorgen dat het gesmeerd loopt.’

    Zelfs in hun slanke verschijning lijken ze op elkaar. Ze dragen pakken van een onopvallende elegantie en hechten verder weinig waarde aan uiterlijk vertoon. Het gemiddelde intelligentiequotiënt in het Élysée ligt enorm hoog, aldus een medewerker. Maar Macrons crisis duurt nu al weken.

    Gilets jaunes in Toulouse roepen om Macrons aftreden, voornamelijk vanwege de verhoogde belasting op benzine. – © Getty Images
    Gilets jaunes in Toulouse roepen om Macrons aftreden, voornamelijk vanwege de verhoogde belasting op benzine. – © Getty Images

    De open vraag is dus of hoogbegaafd zijn en je met hoogvliegers omringen volstaat om een land te regeren. Of doet te veel intelligentie of in elk geval te veel soortgelijke intelligentie afbreuk aan goed bestuur?

    Macron heeft de Socialistische Partij ondergraven, Philippe heeft zijn partij, de conservatieven, in een existentiële crisis gestort toen hij zonder zichtbare aarzeling Macrons aanbod aanvaardde om diens 
premier te worden. De partij is sindsdien verdeeld 
en Philippe zelf is geen lid meer. Daarin zijn hij en Macron eensgezind: partijfamilies en andere 
sentimentaliteiten zijn niet veel waard.

    Er is nog een overeenkomst: Philippe zou een extreem grote zelfbeheersing hebben. Zijn discipline gebruikt hij vooral om zelfs maar niet de indruk te laten ontstaan dat er tussen hem en de president een concurrentieverhouding bestaat. Elke maandag verlaat Édouard Philippe rond het middaguur zijn werkkamer in Hôtel de Matignon op de linkeroever van de Seine voor een bezoek aan het nabijgelegen Élysée. Het omgekeerde, Macron die langsgaat bij Philippe, is ondenkbaar. ‘De president is de baas,’ zegt een hooggeplaatste medewerker van de premier. ‘Matignon is een soort logistiek centrum dat ervoor zorgt dat de treinen op tijd aankomen.’

    Wanneer de twee mannen tijdens de lunch ruim anderhalf uur lang de dienstregeling bespreken, zouden ze voor grote ergernis zorgen als ze elkaar bij de achter- of zelfs voornaam zouden noemen. ‘Monsieur le Président’ en ‘Monsieur le Premier Ministre’ zijn de correcte en enige acceptabele aanspreektitels. De medewerker van de premier wijst thuis zelfs zijn kinderen terecht als ze het over ‘Macron’ hebben. ‘Dat getuigt niet van respect,’ zegt hij. ‘Le Président is juist. Le PR mag ook.’

    Wie wil begrijpen waarom het voor Macron – een liberaal die zich inzet voor vrouwenquota, multilateralisme en maatschappelijke deelname – zo belangrijk is om zich alleen te omringen met gelijken moet zich nog eens Macrons politieke werdegang voor de geest halen. Macron is zonder hulp in het Élysée terechtgekomen, tegen alle verwachtingen in. Vrijwel al zijn medewerkers hebben ook campagne voor hem gevoerd. Zij geloofden in hem toen de kranten nog schreven dat die jongeman in een bubbel leefde 
en het nooit zou redden.

    En nadat Macron tot president was gekozen, schreven ze dat hij geen meerderheid in het parlement zou krijgen. Hij behaalde de absolute meerderheid. Het is dus niet vreemd 
als Macron nu denkt: zijn de mensen tegen ons, dan doen we iets goed. Als er al een gevoel is dat Macron zich permitteert, dan is het een zekere koppigheid. ‘Macron spreekt zelden iemand tegen. Hij kiest daarentegen een ander perspectief en doet er alles aan om zijn gesprekspartner van dat standpunt te overtuigen,’ zo vertelt de onlangs afgetreden minister van 
Binnenlandse Zaken Gérard Collomb.

    Een van de adviseurs van Macron drukt het sterker uit: ‘Als Macron een vergissing maakt, dan gedraagt hij zich als een goede leerling die je op een fout hebt betrapt. Achteraf komt hij met een rationele verklaring om niet te hoeven toegeven dat hij het mis had.’

    Hun doel voorbij

    Op dinsdag richtte Macron zich voor het eerst tot de gele hesjes. Zij kwamen in protest omdat de prijzen van benzine en diesel door een ecobelasting vanaf januari volgend jaar met 2,9 cent respectievelijk 
6,5 cent per liter zullen stijgen. Macron kwam met een reactie, alleen op een hoger niveau. De mensen maken zich zorgen dat ze aan het eind van de maand geen geld meer hebben? Macron maande de Fransen voor ogen te houden dat het einde van de wereld nabij was als er niets zou veranderen, als Frankrijk niet geleidelijk aan zijn door de jaren heen opgebouwde milieuschuld zou aflossen.

    Het staat buiten kijf dat hij de argumenten aan zijn kant heeft, maar ze schieten hun doel voorbij. Temeer omdat er vragen zijn die openblijven. Waarom slaagt Macron er niet in om de demonstranten duidelijk te maken dat hij ze heeft begrepen? Waarom worden er geen maatregelen getroffen waarvan de laagste inkomensgroepen verschoond blijven en die de levensstijl van de beter gesitueerden raken? Waarom herziet Macron zijn plan niet?

    ‘Controle’ is een woord dat vies klinkt en in de entourage van Macron niet wordt gebruikt. Daar heeft men het over ‘coherentie’. ‘Ik vind het prettig als de zaken goed georganiseerd zijn, de coherentie,’ aldus Alexis Kohler, secretaris-generaal van het Élysée. 
Hij wordt ook wel ‘de schaduw’ genoemd. ‘Als de 
president zich omdraait, dan staat Kohler daar,’ zegt een socialistische parlementariër. Macron en Kohler leerden elkaar kennen op het ministerie van Economische Zaken, waar ze nauw samenwerkten. Iemand uit hun omgeving karakteriseert de relatie tussen 
de twee als volgt: ‘Macron kan hem vertrouwen en Kohler is iemand die zo’n beetje woont in zijn 
kantoor.’

    Op het ministerie van Economische Zaken vonden hun belangrijke ontmoetingen diep in de nacht plaats. Tegenwoordig gaat Kohler ’s ochtends om 
8.45 uur achter zijn altijd opgeruimde bureau pal naast het kantoor van de president zitten en besluit de dag tegen drie uur ’s ochtends. Slapen is iets voor normale mensen. Ook Macron zou volgens sommige mensen die rechtstreeks met hem in contact staan diep in de nacht nog sms’jes versturen en de volgende ochtend weer heel vroeg aan de slag gaan. 
Hij maakte de afgelopen tijd een vermoeide indruk en er wordt gezegd dat enkele fouten mede door 
uitputting zijn gemaakt.

    Historica Barbara Tuchman schreef een boek over John F. Kennedy en zijn omgeving, met als titel 
The March of Folly. From Troy to Vietnam. Hierin schetst 
ze hoe een groep begaafde, ontwikkelde jongelingen met open ogen de grootste ramp uit de recentere Amerikaanse geschiedenis voorbereidde: de oorlog 
in Vietnam. ‘Hardheid was de basiseigenschap en ondanks de verschillen in karakter en aanleg sloeg die over op alle leden van Kennedy’s team, zoals dat ook te verwachten zou zijn aan het hof in de entourage van een koning of in een werkgroep waarvan de leden hun benoeming te danken hebben aan een dominante leider.’

    Dat was in de jaren zestig van de vorige eeuw en de jongelingen en ook Kennedy waren oorlogsveteranen. In Macrons entourage is de verbindende eigenschap niet hardheid, maar het onverwoestbare geloof in zichzelf. Macron karakteriseert de elite van nu en zet die af tegen hen die nu in Frankrijk de straat op gaan. Wie schreeuwend een geel veiligheidshesje aantrekt, gelooft niet meer dat louter doorzettingsvermogen volstaat om het leven ongeveer in de richting te 
laten verlopen die je je had voorgesteld. De protestbeweging heeft geen structuur, maar de deelnemers worden verenigd door hun overtuiging dat er onoverkomelijke problemen zijn, en door de ervaring dat hun banksaldo aan het eind van de maand ondanks alle inspanningen negatief is.

    Ook elders in Frankrijk waren zaterdag 8 december grote demonstraties van gele hesjes, zoals hier in Marseille. 
– © Getty Images
    Ook elders in Frankrijk waren zaterdag 8 december grote demonstraties van gele hesjes, zoals hier in Marseille. 
– © Getty Images

    De Franse volkspartijen liggen op apegapen. Bijna drie kwart van de parlementsleden van Macrons eigen partij zijn nieuw in de parlementaire wereld – onervaren mensen die de president dank verschuldigd zijn voor hun nieuwe status. De president heeft de speelruimte van zijn ministers beperkt, wat ertoe leidt dat ervaren, zelfbewuste kandidaten helemaal niet meer in aanmerking komen voor die posten. Twee weken had Macron nodig om na het aftreden van Collomb een nieuwe minister van Binnenlandse Zaken te vinden.

    In theorie heeft Macron een efficiënte manier van regeren gevonden. In de praktijk steken mensen 
in gele hesjes de stoelen voor de cafés op de Champs-Élysées in brand.

    Auteurs: Elisabeth Raether en Karin Finkenzeller

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt grote politieke analyses. Die Zeit heeft vanaf de oprichting een liberale koers gevaren, met soms een lichtelijk rechtse, maar vaker een wat linkse inslag.

  • 2. Klassenstrijd in actie

    2. Klassenstrijd in actie

    In ‘een bende gekken in gele hesjes, die enigszins aangeschoten 
en onbeheerst een bus verhinderen zijn bestemming te bereiken’, ziet deze Russische kroniekschrijver de democratie aan het werk.

    Mijn zware lot als kroniekschrijver heeft me onlangs naar Parijs gebracht. De 
etalages straalden met duizenden lichtreclames, maar de gezichten van de Parijzenaars stonden somber. In het nieuwe jaar wacht hun de zoveelste prijsverhoging en daarom strijden de 
geëngageerde arbeiders van de Franse hoofdstad voor hun rechten. Dat is tenminste de indruk die 
je in het buitenland uit de officiële media krijgt. 
Het doet me denken aan mijn vroege jeugd onder 
Brezjnev… Maar ik maak geen grapje – ik ben 
inderdaad naar Frankrijk gegaan en daar heb ik voor het eerst van mijn leven de klassenstrijd in actie gezien, à la Marx en Engels.

    Een strijd die zich plotseling voor mijn ogen ontrolde, toen ik nietsvermoedend even buiten Parijs in de bus zat. Ik was op weg naar het station en had, kennelijk vanuit een vreemd voorgevoel, twee uur 
te vroeg op de halte gestaan. Toch miste ik nog bijna mijn trein. We kwamen namelijk midden tussen de weilanden en bossen in een enorme file terecht. 
Een file zoals je ze maar zelden ziet, zelfs in Moskou. ‘Dat zijn de demonstranten, die laten ons er niet door,’ legde de conductrice opgewekt uit, alsof het vanzelf sprak.

    Democratie

    Waar gaat het om? Vanaf 1 januari 2019 zal de accijns op brandstof met 3 cent per liter worden verhoogd, en die op dieselolie met 6,6 cent per liter. De Franse burgers zijn boos! Om 3 cent, oftewel 2 roebel, en dat terwijl benzine in dit land ongeveer 1,50 euro kost 
(in Moskou kost een liter ongelood 0,66 euro, en een liter diesel 0,60 euro). We zouden ze eens hierheen moeten laten komen, die boze Fransen. Hier zie je op alle tv-zenders burgers die vóór de verhoging van de pensioenleeftijd zijn, vóór de verhoging van de btw, vóór betaald parkeren in Moskou, gemeentelijke belastingen voor het onderhoud van gebouwen en 
al die andere manieren om de laatste kopeken uit de zakken van de bevolking te kloppen!

    Of kan het zo zijn dat de Fransen zichzelf niet als burgers zien, maar als belastingbetalers? Dat is een wezenlijk verschil.

    Wij die zo sterk verlangen naar werkelijke democratie, naar vrijheid van meningsuiting, moeten beseffen dat de ware democratie vooral verschrikkelijk lastig is. Het betekent dat herrieschoppers vanwege drie miserabele eurocenten het leven van hun medeburgers ernstig in de war kunnen sturen, te oordelen naar de passagiers in mijn bus. Dag na dag trekken zij in Parijs en de rest van het land hun gele hesjes aan en gaan op kruispunten het verkeer blokkeren.

    Ze gedragen zich alsof ze op een familiepicknick zijn, dekken de tafel, halen de zakoeski [borrelhapjes] en biertjes tevoorschijn… En filteren het verkeer al naargelang de steun die automobilisten aan de beweging betonen: wie voor de rechten van de arbeiders is, mag doorrijden, de foute bourgeois moet wachten. En die wacht gelaten of zoekt een andere route, net als de bussen. Niemand pakt de honkbalknuppel 
die hij per ongeluk in de kofferbak heeft liggen, om zich met geweld een weg te banen.

    Een Franse vriend vertelde me dat de gele hesjes op die heilige dag van de consument, Black Friday, de uitgang van een winkelcentrum blokkeerden. Mensen die een mandje bij zich hadden mochten doorlopen, maar wie achter een winkelkarretje liep, en dus een vertegenwoordiger van de consumptiecultuur was, werd tegengehouden. Mijn vriend 
koos eieren voor zijn geld, nam alleen het aller-noodzakelijkste mee en liet zijn karretje, dat nog 
vol overbodige producten zat, achter. Wat moet je anders? De klassenstrijd heeft nu eenmaal een prijs.

    Een demonstrant op Place République in Parijs, in een geel pak in de vorm van een lijkkist waarop staat: ‘Macrons begraafplaats: hier ligt uw koopkracht’. – © Getty Images
    Een demonstrant op Place République in Parijs, in een geel pak in de vorm van een lijkkist waarop staat: ‘Macrons begraafplaats: hier ligt uw koopkracht’. – © Getty Images

    In heel Frankrijk stellen de gele hesjes de politiek 
ter discussie en maken ze iedereen het leven 
onmogelijk. Of, om precies te zijn, voor diezelfde arbeiders die de bus nemen en boodschappen 
doen op de dag van de uitverkoop. De tactiek van 
de gele hesjes is duidelijk: door iedereen het leven onmogelijk te maken, hopen ze de kiezers over te halen niet langer te stemmen op de zittende macht, die het zover heeft laten komen.

    Ik heb Parijs die dag uiteindelijk bereikt. Ik heb door de straten gelopen, langs de fonkelende etalages, 
terwijl ik naar de zwijgende gezichten van de 
arbeiders keek en dacht aan de revoluties en de daaropvolgende restauraties die deze stad heeft gekend. Al die gebeurtenissen hebben hun stempel op de straatnamen gedrukt en hun eigen monumenten achtergelaten. Hoe vaak hebben rauwdouwers in werkkleding over deze zelfde straten gelopen om te vechten voor een stralende toekomst – opstanden van klassen, rassen, religies.

    Bij ons in Rusland is 
het simpeler: wij trekken in gesloten rijen op naar het grote maar heilige doel, waarbij we ons onderweg ontdoen van enkele renegaten; dan staan we voor dat heilige doel en begrijpen dat het vals is. 
Vervolgens draaien we ons als één man om en lopen de andere kant weer op, met hetzelfde resultaat. 
Ik heb trouwens zo’n idee dat we ons binnenkort weer gaan omdraaien.

    Veel mensen zien de democratie als een eerbiedwaardige House of Lords, waarin heren met witte pruiken discussiëren over grote filosofische vragen

    En uiteindelijk willen we maar één ding: Parijs zien, terwijl de Parijzenaars zelf niet bepaald onze kant 
op stormen. Dat is vast gewoon omdat het best goed gaat met de democratie. Ze ziet er niet mooi uit, ze maakt een hoop lawaai, maar op de lange termijn bouwt ze dingen zoals Parijs.

    Op een dag zullen wij dat ook hebben. Veel mensen zien de democratie als een eerbiedwaardige House of Lords, waarin heren met witte pruiken discussiëren over grote filosofische vragen. In werkelijkheid is democratie een bende gekken in gele hesjes, die enigszins aangeschoten en onbeheerst een bus 
verhinderen zijn bestemming te bereiken. Het zal in het begin niet gemakkelijk zijn, het zal bizar lijken, het zal onaangenaam zijn. Maar we komen er wel.

    Auteur: Andrej Desnitski

    Gazeta.ru
    Rusland | website | gazeta.ru

    De Russische nieuwssite met een liberaal profiel onderscheidt zich door zijn snelle reactievermogen ten opzichte van de actualiteiten en zijn brede verslaggeving 
van zowel Russisch als internationaal nieuws. Met regelmaat publiceert het blad ook bijdragen van bekende opinieleiders. Heldere, moderne vormgeving.

  • Is het Amazonewoud bestand tegen de Trump van de Tropen?

    Is het Amazonewoud bestand tegen de Trump van de Tropen?

    Koploper in de Braziliaanse presidentsverkiezingen is Jair Bolsonaro. Maar zijn aantreden zou volgens wetenschappers de grootste bedreiging voor het Amazonegebied betekenen sinds Brazilië een dictatuur was.

    Elke nieuwe hap die er uit het enorme Braziliaanse regenwoud wordt genomen, verkleint onze kans om de opwarming van de aarde tot 1,5° C te beperken. Dit woud is namelijk cruciaal om de hoeveelheid broeikasgas in de atmosfeer te verminderen. Naar het zich laat aanzien gaat de extreemrechtse Jair Bolsonaro, de ‘Trump van de Tropen’, de tweede ronde van de presidentsverkiezingen winnen, en dit betekent een acuut gevaar voor het Amazonegebied. Bolsonaro heeft gezegd dat hij mijnbouw in indianenreservaten wil toestaan en eventueel zelfs een geasfalteerde snelweg door het Amazonegebied wil aanleggen. Deze en andere plannen zouden de ‘grootste bedreiging voor het Amazonegebied betekenen sinds Brazilië een dictatuur was’, vertelt wetenschappelijk adviseur Doug Boucher van het Union of Concerned Scientists’ Tropical Forest and Climate Initiative. ‘Ze bedreigen het klimaat van de hele planeet.’

    Controversiële politicus

    Tussen 2005 en 2012 ging het best goed met het Braziliaanse oerwoud. Tijdens de regeerperiode van Luiz Inácio Lula da Silva nam de ontbossing met zo’n twee derde af – van twintigduizend vierkante kilometer per jaar vóór zijn aantreden tot slechts zesduizend vierkante kilometer per jaar bij zijn aftreden. En sindsdien is de ontbossing op ditzelfde relatief lage niveau gebleven, waardoor de CO2-uitstoot van Brazilië met ruim de helft afnam, vertelt Boucher.

    Een regeringswissel in het land zou deze vooruitgang in één klap teniet kunnen doen. Sowieso wordt er rondom Braziliaanse presidentsverkiezingen meestal meer gekapt, ongeacht welke kandidaat gekozen wordt, omdat er tijdelijk minder toezicht wordt gehouden. Maar Bolsonaro houdt er ook een uitzonderlijk beangstigende kijk op milieuzaken op na. Niet alleen staat hij bekend om zijn homofobe, racistische en misogyne opvattingen, maar de controversiële politicus heeft ook een lange staat van dienst als het gaat om weerstand tegen milieumaatregelen. Hij is gekant tegen elke vorm van actie tegen klimaatverandering en heeft daarom beloofd Donald Trumps voorbeeld te volgen en uit het klimaatakkoord van Parijs te zullen stappen.

    ‘In plaats van de ontbossing en de georganiseerde misdaad te bestrijden, richt Bolsonaro zijn pijlen op het ministerie van Milieu’

    Bolsonaro laat er ook geen misverstand over bestaan hoe hij het rassenvraagstuk ziet. Hij bekritiseerde de toezegging van de huidige Braziliaanse regering om grote stukken van het Amazonegebied voor inheemse volkeren te reserveren. Hij stelt dat hij ‘de indianen geen centimeter land meer zal geven’. Bovendien is Bolsonaro een alliantie aangegaan met het rechtse ruralista-blok, dat opkomt voor de belangen van landbouwbedrijven en grootgrondbezitters. Jarenlang ondersteunde hij initiatieven om beleidsmaatregelen tegen ontbossing op te heffen. De lijst van Bolsonaro’s milieudoelwitten is lang. Hij is van plan het ministerie van Milieu op te heffen en het onder te brengen bij het ministerie van Landbouw, dat door de landbouwsector wordt beheerst. ‘In plaats van de ontbossing en de georganiseerde misdaad te bestrijden, richt Bolsonaro zijn pijlen op het ministerie van Milieu, Ibama en ICMbio [Brazilië’s nationale milieuagentschappen]’, vertelt de huidige minister van Milieu Edson Duarte. ‘Dat is net zoiets als zeggen dat je de politie van straat wilt halen.’

    Het lijkt erop dat de oud-legerofficier Bolsonaro het Braziliaanse beleid ten aanzien van het Amazonegebied uit de tijd van de dictatuur in ere wil herstellen. Het land stimuleerde in die periode – tijdens de jaren zestig, zeventig en tachtig – een snelle ontwikkeling van het Amazonegebied, legde wegen aan en kapte bos om plaats te maken voor akkers en landerijen.

    De tinmijn Bom Futuro in een ontbost gebied binnen de Amazone. Bijna 2 miljoen acre van het woud is ontbost. – © Mario Tama / Getty Images
    De tinmijn Bom Futuro in een ontbost gebied binnen de Amazone. Bijna 2 miljoen acre van het woud is ontbost. – © Mario Tama / Getty Images

    Het wereldwijde gevecht tegen de catastrofale klimaatverandering is in een hogere versnelling terechtgekomen en bossen zijn een belangrijke schakel in die strijd. Volgens een somber nieuw VN-rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) is het stoppen van ontbossing cruciaal als we de opwarming tot 1,5°C willen beperken. Bos kan immers grote hoeveelheden CO2 uit de atmosfeer halen en opslaan.

    ‘We kunnen er niet omheen koolstofdioxide uit de atmosfeer te halen. Dat is nodig om een zeer gevaarlijke temperatuurstijging te verhinderen, en een toename van het aantal overstromingen, zware stormen en hittegolven tegen te gaan’, zegt Boucher. ‘Verreweg de eenvoudigste manier om dat te doen, is door onze bossen te behouden en zelfs nieuwe te planten.’ Als je beschermt wat er nog over is van het Braziliaanse oerwoud, ben je al een heel eind. En zestig procent van het Amazonewoud – op afstand het grootste oerwoud ter wereld – ligt in Brazilië. Dit woud haalt het hele jaar door CO2 uit de lucht, dankzij het continu vochtige en warme klimaat.

    Bolsonaro kreeg tijdens de eerste ronde van de Braziliaanse presidentsverkiezingen bijna een absolute meerderheid van de stemmen, maar toch is het niet zeker dat hij de tweede ronde zal winnen. Zijn tegenstander is de linkse Fernando Haddad, die in de eerste ronde als tweede eindigde.

    ‘De samenleving moet druk blijven uitoefenen – en dat gebeurt ook’, vertelt Boucher. ‘Nu is het afwachten wat er verder gebeurt.’

    Auteur: Paola Rosa-Aquino
    Vertaling: Valentijn van Dijk

    Lees ook ‘Deze haat kennen we niet’ uit # 146, over de toegenomen kans voor Bolsonaro om president te worden na de aanslag op hem vorige maand.

    Grist
    VS | grist.org

    Laat zogenaamde fixers aan het woord: mensen die ‘opmerkelijke, ambitieuze oplossingen hebben voor de grootste uitdagingen van de mensheid’. De missie van Grist is om ons een goed gevoel te geven over de toekomst.

  • 4. Sta ook eens stil 
bij het lot van 
de Arabische vrouw

    4. Sta ook eens stil 
bij het lot van 
de Arabische vrouw

    Prima, die #MeToo-discussie. Maar bezien vanuit de Arabische wereld – waar vrouwen op grote schaal worden uitgehuwelijkt, vermoord en verkracht – heeft ze iets gênants, schrijft de Libanese journaliste Diana Moukalled.

    Eigenlijk zouden we het Iraakse parlementslid Jamila Al-Obeidi, die plotseling beroemd is geworden met haar pleidooi voor polygamie, dankbaar moeten zijn. Zij vindt zelfs dat Irakezen toestemming moeten krijgen om een tweede, een derde en een vierde vrouw te nemen zonder dat met hun eerste vrouw te bespreken, omdat dat volgens haar een oplossing zou zijn voor het probleem van 
de weduwen en gescheiden vrouwen. Ze verscheen in het ene tv-programma na het andere om haar opvattingen over vrouwen te promoten. Aanvankelijk waren de reacties op haar idee sarcastisch, maar nu zou het wel eens bewaarheid kunnen worden want het is inmiddels een wetsvoorstel dat aan het Iraakse parlement zal worden voorgelegd.

    Eigenlijk zouden we haar dankbaar moeten zijn; haar initiatief kwam op het moment dat ik geheel in beslag werd genomen door een andere discussie, die zich voornamelijk afspeelt tussen Hollywood en Parijs. Ik heb het over het vervolg op de #MeToo-campagne die de val van beroemdheden uit de wereld van de media, de kunst en de politiek heeft veroorzaakt. Daarop kwam de verrassing uit Parijs, in de vorm van een manifest dat was ondertekend door honderd vrouwen, onder wie Catherine Deneuve. Binnen een paar uur raakte de westerse wereld in een verhit debat verzeild over de vraag waar de vrijheid die het individu zou moeten hebben, omslaat in een overmaat aan machismo dat via misbruik van macht en invloed leidt tot seksuele intimidatie.

    Ik kan niet voorkomen dat ik me beledigd voel door het ongezond elitaire karakter van dit debat, dat enerzijds eer betoont aan slachtoffers van seksuele agressie en anderzijds weigert de vrouw alleen als slachtoffer te zien

    Waar eindigt de individuele vrijheid? Vanaf welk punt is er sprake van agressie? Kan het artistieke scheppingsproces dienen om intimidatie toe te dekken? Zo stond de westerse discussie ervoor… toen ik het nieuws hoorde over mevrouw Al-Obeidi en haar campagne voor polygamie in Irak. Daardoor kwam ik weer met mijn voeten op de grond terecht en besefte ik weer hoe het er met ons, Arabische vrouwen, voorstaat.

    De feministische strijd waarmee wij hier in de regio te maken hebben, is van een heel andere orde. Ik vind niet dat ik het recht heb om een mondiale discussie over seksuele vrijheden weg te wuiven, maar ik kan niet voorkomen dat ik me beledigd voel door het ongezond elitaire karakter van dit debat, dat enerzijds – in Amerika – eer betoont aan slachtoffers van seksuele agressie en anderzijds – in Frankrijk – weigert de vrouw alleen als slachtoffer te zien. Ik kan alleen maar spreken vanuit mijn positie als Irakese, Syrische, Jemenitische, Saoedische, Egyptische, Tunesische…

    Privilege

    Al zeven jaar worden vrouwen in Syrië vermoord 
en verkracht, en wij zijn niet in staat hen te beschermen. Zoals de Syrische Mariam Khalaf het in de documentaire Syrie, le cri étouffé zegt over de systematische verkrachtingen onder het regime van Bashar al-Assad: ‘[Westerlingen] zullen deze film bekijken, 
er een naar gevoel van krijgen, en dan weer overgaan op iets anders.’ Dat is inderdaad de houding van de wereld tegenover de fysieke en morele vernietiging van duizenden en duizenden vrouwen in Syrië, 
om nog maar niet te spreken van de mannen en 
kinderen die ook een hoge prijs hebben betaald.

    Amerika maakt zich druk om het lot van Hollywoodsterren die seksueel geïntimideerd worden. 
De Parijse intellectuelen maken zich druk om wat 
zij beschouwen als preutsheid en een aanslag op het vrouw-zijn. Maar de wereld maakt zich nauwelijks druk om het verhaal van Mariam en duizenden – 
wat zeg ik? – miljoenen andere vrouwen uit haar land die veel erger geweld moeten ondergaan.

    Ik ken niet één vrouw die geen ervaring heeft met seksuele intimidatie. Het is mij ook overkomen. Ja, 
ik en veel andere vrouwen kunnen dat achter ons laten en verdergaan. Maar ik zie wel dat er ook andere vrouwen zijn die niet weten hoe ze verder moeten. Ik besef dat je niet alles door elkaar moet halen. Dit soort zaken is complex en moeilijk te ontwarren. Maar hoe kun je dit trans-Atlantische debat anders zien dan als een privilege, voorbehouden aan een elite, een luxe die wij ons niet kunnen veroorloven, wij die in landen leven waar onophoudelijk geweld tegen het lichaam en de ziel van vrouwen wordt gepleegd? Zolang men het niet nodig vindt 
om deze vrouwen te redden, heeft het huidige debat iets gênants, ja zelfs iets onfatsoenlijks.

    Auteur: Diana Moukalled
    Vertaler: Annemie de Vries

    Daraj
    Libanon | daraj.com

    Pan-Arabische nieuwssite met grootse ambities, 
o.a. om taboes te doorbreken. Richt zich vooral 
op millennials.

  • Waarom de banlieue de Franse staat haat

    Waarom de banlieue de Franse staat haat

    De rellen van de laatste weken in de Franse banlieues hebben hun wortels in de Franse koloniale geschiedenis, betoogt Andrew Hussey in zijn boek De Franse intifada.

    Op 27 maart 2007 was ik laat in de middag na een werkdag in Parijs-Oost met de metro onderweg naar huis. Op het Gare du Nord stapte ik uit om van trein te wisselen. Als in trance liep ik, opgaand in de muziek op mijn koptelefoon, werktuiglijk naar de winkelgalerij die de verbinding vormt tussen de boven- en benedenverdieping van het station. Normaliter kocht ik hier een krant en koffie en pakte ik daarna een trein naar mijn at in zuid.

    Maar het was geen gewone avond. Toen ik de trap naar de uitgang op liep, drong de geur van rook mijn neus binnen en hoorde ik geschreeuw. In de gangen was het meer dringen dan gewoonlijk en waren de mensen iets gespannener en slechter gehumeurd dan doorgaans tijdens het spitsuur. Toen ik het hoofdplein van de galerij naderde, prikte rook in mijn ogen en neusgaten en werd het geschreeuw luider. Ik zag gewapende politieagenten en honden. Niettemin had ik niet het idee dat er echt iets mis was. Het enige wat me zorgen baarde, was hoe ik door de inmiddels tot stilstand gekomen stroom forenzen naar de trein kon komen die me naar huis zou brengen.

    Ik wurmde me door de menigte, stapte het plein op en zat plots gevangen in een lege ruimte tussen twee gevechtslinies – aan de ene kant politiemensen in zwart-blauwe uitrusting die met wapenstokken op hun doorzichtige, harde schilden sloegen, aan de andere kant een ordeloze verzameling kinderen en jongeren, voornamelijk zwart of Arabisch, jongens en meiden in hiphopkleding die zongen, lachten en met dingen gooiden. Je kon uit hun accent en manier van doen opmaken dat het geen Parijzenaars waren; het waren kinderen uit de banlieues – de arme voorsteden ten noorden van Parijs die via treinen met Gare du Nord als eindbestemming waren verbonden met de stad. Een Afrikaans uitziende jongen slingerde met een kreet een ijzeren staaf de lucht in, die tegen een fotocabine en een drankautomaat knalde. Een paar meter verderop werd brandgesticht bij een loket.

    Vrolijk

    De sfeer was vreemd genoeg vrolijk. Achter het staal en glas van de eindhalte van de Eurostar escorteerden soldaten met machinegeweren net gearriveerde passagiers uit Londen naar Parijs, de schitterende hoofdstad van Europa, waar het nu zo te zien oorlog was. Ze sloegen het tafereel met afschuw gade. Jongeren sprongen over metropoortjes, rookten stickies, schreeuwden, liepen waar ze wilden en negeerden de normaal geldende regels rond de toegang naar het station. Het was een vermakelijk gezicht, maar riep tegelijkertijd angst op, want deze jongeren konden je nu zomaar iets aandoen als ze er zin in hadden. Regels en wetten – ze trokken zich nergens iets van aan.

    In de dagen daarna las ik de kranten erop na. De meeste reporters en ooggetuigen waren het eens over de chronologie. Om halfvijf ’s middags was een Congolese jongeman, een bekende van de politie, opgepakt toen hij zonder kaartje het station probeerde binnen te komen. Bij de arrestatie ging het niet zachtzinnig toe, en toen de politieagenten op de jongen begonnen in te slaan, kwamen voorbijgangers tussenbeide om het op te nemen voor de underdog. De agenten grepen naar hun geweren en knuppels, en algauw ontstond een niet meer een-twee-drie in te tomen rel.

    De rellen op Gare du Nord in maart 2007. Gare du Nord, dat het grensgebied vormt met de banlieues, veranderde ‘binnen een paar minuten na de arrestatie van een zwartrijder in een wetteloos stukje Frans grondgebied’. – © Reuters / Charles Platiau
    De rellen op Gare du Nord in maart 2007. Gare du Nord, dat het grensgebied vormt met de banlieues, veranderde ‘binnen een paar minuten na de arrestatie van een zwartrijder in een wetteloos stukje Frans grondgebied’. – © Reuters / Charles Platiau

    Maar hoe had dit kunnen gebeuren? Wat maakte het Gare du Nord tot een zodanig explosief kruitvat dat het binnen een paar minuten na de arrestatie van een zwartrijder was veranderd in een wetteloos stukje Frans grondgebied? Op dit punt liepen de interpretaties uiteen. In Le Parisien, de krant die verslag doet van het dagelijks leven in de stad, werden de gebeurtenissen omschreven als ‘une émeute populaire’ (een volksoproer). De toon was er een van gematigde instemming. Le Parisien is niet bepaald links te noemen, maar staat altijd, zo wil een diep gekoesterde Parijse mythe, aan de kant van het ‘volk’. Dit woordgebruik plaatste de gebeurtenissen in het Gare du Nord in een lange traditie van volksopstanden in de stad – ze behoren, te beginnen bij de tijd van La Fronde en zo door tot de Franse Revolutie en de Commune, tot de onlosmakelijke elementen van de geschiedenis van Parijs. Een paar andere kranten, waaronder de rechtse Le Figaro, schreven erover met een huivering van afkeer en meldden dat de oproerkraaiers ‘A bas l’état, les flics et les patrons’ (Weg met de staat, de wouten en de bazen) hadden gescandeerd, waarmee ze de rel een plek gaven in de rebelse folklore van de stad.

    Maar het probleem met deze berichtgeving was dat er weinig van klopte. De jongeren die ik zag gaven geen moer om de staat of de ‘bazen’. De meesten van hen hadden sowieso geen werk. En ze hadden weliswaar een grondige hekel aan de politie, maar zouden nooit een ouderwets scheldwoord als flics hebben gebruikt, dat behoort tot het Parijse equivalent van de generatie van de Krays. Politieagenten waren voor de relschoppers keufs of schmitts. Het gescandeer dat ik hoorde ging voornamelijk in het Frans: ‘Nik les schmitts’ (Rot op, juten), en soms in het Engels: ‘Fuck the police!’ Maar er was nog een slogan, die werd gescandeerd in gewoon Arabisch en het hardst leek aan te komen: ‘Na’al abouk la France!’ (Fuck Frankrijk!). Deze slogan – het is eigenlijk meer een vloek – staat volledig los van Franse tradities van opstandigheid.

    Frankrijk herbergt vandaag de dag de grootste moslimbevolking in Europa. Daartoe behoren ruim vijf miljoen mensen uit Noord-Afrika, het Midden-Oosten en de zogeheten ‘zwarte landen aan de Atlantische Oceaan’, het langgerekte gebied in West-Afrika dat zich uitstrekt van Mali tot Senegal. Bij een korte wandeling in de overbevolkte wijk Barbès in het noorden van Parijs, waar bijna al deze nationaliteiten vertegenwoordigd zijn, krijg je een goed beeld van de diversiteit van deze bewoners en kun je aardig wat opsteken over het Franse koloniale verleden.

    Het Gare du Nord in het hart van deze wijk is grensterrein. Het vormt de scheidslijn tussen de miserabele omstandigheden in de banlieues, de voorsteden rond Parijs, en de relatieve overvloed in het centrale deel van de stad. Dit is de plek waar jonge banlieusards naartoe gaan om rond te hangen, de andere sekse te ontmoeten, te winkelen, te roken, zich te laten zien en te flirten – de dingen die jonge mensen graag doen. Parijs is zowel dichtbij als veraf; je bent er in een wip, maar als het gaat om banen, huisvesting, een leven opbouwen, is het voor deze jonge mensen net zo ontoegankelijk en ver weg als Amerika. En dus koesteren ze dit kleine stukje van de stad dat hun toebehoort.

    In het Gare du Nord kunnen de gemoederen daarom snel hoog oplopen. De sfeer is er over het algemeen gespannen maar stabiel: iedereen houdt zich bij het zijne, van het politie tot de dealers. Maar wanneer de politie hard optreedt, kan dat lijken op het zoveelste vertoon van koloniale macht. De strijdkreet ‘Na’al abouk la France!’ is zodoende ook een kreet van pijn en woede. Er komen oude emoties van verlies, schaamte en angst in tot uitdrukking. En daarom is het zo’n krachtige vloek.

    De relschoppers in de banlieues afficheren zich vaak als soldaten in de “lange oorlog” tegen Frankrijk en Europa

    De relschoppers in het Gare du Nord en in de banlieues afficheren zich daarnaast ook vaak als soldaten in de ‘lange oorlog’ tegen Frankrijk en Europa. Een begrip als ‘beschaving’, dat ze zien als een Europese uitvinding, is voor hen iets om zich tegen af te zetten. De zogenoemde ‘Franse intifada’, de guerrillaoorlog met de politie aan de randen en in het hart van Franse steden, is slechts de nieuwste en meest dramatische vorm van confrontatie met de vijand.

    Het geweld begon op 27 oktober 2005 na de dood door elektrocutie van twee jongemannen die waren weggevlucht in een transformatorhuisje om te ontsnappen aan de politie. Bijna een week lang ontstonden daarna elke avond rellen, waarbij duizenden auto’s in brand werden gestoken. Vervolgens sloeg de onrust over naar andere Franse plaatsen. President Jacques Chirac kondigde de noodtoestand af, die op 8 november om middernacht inging. De regering en de politie kregen hierdoor speciale bevoegdheden om mensen op te pakken en het recht om een avondklok in te stellen en huiszoekingen te doen. Maar dit maakte de situatie er niet beter op. Op 11 november viel in een deel van Amiens de stroom uit toen een elektriciteitscentrale werd belaagd – wat tot schrik van de politie een vaak gebruikte en doeltreffende tactiek werd. Verder werden kerken bestookt met brandbommen.

    Uiteindelijk was het na twee weken gedaan met de rellen. Maar het was voor de politie allesbehalve een makkelijke overwinning – integendeel zelfs. Het geweld werd deels gevoed door het agressieve optreden van de politie en door de onverzettelijke houding van Nicolas Sarkozy, op dat moment minister van Binnenlandse Zaken, die een beleid van zero tolerance afkondigde en zei dat hij het ‘racaille’ (tuig) van de straat zou vegen. Deze harde woorden deden de verontwaardiging in de banlieues alleen maar toenemen – het was onmiskenbaar oorlogstaal. Toen de Franse regering eind november aan het bijkomen was van de onthutsende gebeurtenissen, kon de rekening opgemaakt worden: de rellen in Frankrijk hadden duidelijk gemaakt dat de jongeren van de banlieues met succes de strijd konden aanbinden met de autoriteiten wanneer ze maar wilden.

    De gebeurtenissen in 2005 hebben onvermijdelijk geleid tot een bijna eindeloze stroom artikelen, boeken en debatten in Frankrijk. Hoewel menigeen zich te buiten ging aan luidruchtige retoriek, waren er een paar belangrijke punten waarop rechts en links het met elkaar eens waren. Ten eerste waren beide kampen van mening dat de ernst van de crisis was overdreven door de Engelstalige media, die weinig wisten van Frankrijk en de rellen hadden aangegrepen om de aandacht af te leiden van hun eigen problemen met immigratie en immigranten in hun eigen landen. Uiteraard is dit iets wat de perfide Britten en Amerikanen altijd al hebben gedaan.

    Ten tweede was er de breed gedeelde consensus dat de rellen weinig of niets te maken hadden met de islam en de historische aanwezigheid van Frankrijk in delen van de islamitische wereld. Linkse intellectuelen sloofden zich in Le Monde en Libération uit om aan te tonen dat de rellen op geen enkele wijze terug te voeren waren op de woede die ook een voedingsbodem was geweest voor radicaliserende islamisten. Volgens deze journalisten waren de rellen te wijten aan een ‘fracture sociale’ en een gebrek aan ‘justice sociale’. Zelfs de Franse inlichtingendienst, de Renseignements Généraux, droeg haar steentje bij. Ze kwam met een rapport waarin de rellen werden omschreven als een ‘volksopstand’ en de rol van islamistische groepen en de allochtone afkomst van de relschoppers werden gebagatelliseerd. Aldus werden de rellen van 2005 ontdaan van hun bijzondere lading en weggezet als een zoveelste uitbarsting van traditioneel Frans protest.

    Er is in het hedendaagse Frankrijk echter sprake van een hoogst reëel conflict tussen de tegengestelde beginselen laïcité en communautarisme, dat tot uiting kwam in de rellen. Het begrip laïcité is moeilijk te vertalen; de strekking ervan is simpel gezegd dat het volgens de Franse wet verboden is om onderscheid te maken tussen individuen op grond van hun godsdienst. De Franse notie laïcité is, anders dan het Engels-Amerikaanse model van de seculiere staat, waarin staatsbemoeienis met religieuze aangelegenheden uit den boze is, te beschouwen als een dam tegen elke vorm van religieuze inmenging in staatsaangelegenheden. Dit dateert van de revolutie van 1789 en wordt traditioneel gezien als een manier om de katholieke kerk kort te houden. De Dreyfus-affaire, die in 1905 leidde tot de officiële scheiding tussen kerk en staat, dient nog altijd als schoolvoorbeeld waarom de katholieke kerk op deze wijze in toom gehouden dient te worden. Laïcité garandeert als specifiek antireligieus concept, zo wordt gesteld, de morele eenheid van de Franse natie – de ‘République indivisible’.

    In de voorbije jaren is tegenover deze kernwaarde van de Franse Republiek iets anders komen te staan: communautarisme, waarin de behoeften van de ‘gemeenschap’ worden afgezet tegen de behoeften van de ‘maatschappij’. Opnieuw is er voor het losse Engels-Amerikaanse model, waarin ‘verschillen’ op grond van seksualiteit, godsdienst of handicaps worden getolereerd of zelfs op prijs worden gesteld, geen plaats in Frankrijk, waar ‘verschillend zijn’ wordt gezien als een vorm van sektarisme en een bedreiging voor de Republiek. Het acuutste probleem voor de recente generaties moslimimmigranten in Frankrijk is dat de met nadruk beleden universaliteit van de republikeinse waarden, en met name laïcité, algauw doet denken aan de ‘beschavingsmissie’ in de koloniale tijd. Met andere woorden, als moslims ‘Frans’ willen zijn, moeten ze eerst leren burgers van de Republiek te zijn en pas op de tweede plaats moslims; dit is voor velen niet te doen, en vandaar de zorgen of de moslims in Frankrijk musulmans de France zijn of musulmans en France.

    Heftige emoties

    Maar in dit conflict gaat het niet alleen om politiek of godsdienst. Het gaat daarin ook om heel heftige emoties. De meeste mensen zijn banger voor aftakeling dan voor de dood. Dit is vertrouwd terrein voor psychiaters die patiënten behandelen voor stoornissen als schizofrenie en depressies. Een deel van het proces van geestelijk verval dat kenmerkend is voor deze aandoeningen is een gevoel van gedeeltelijke of algehele vervreemding. Wanneer mensen niet meer het idee hebben een eigen identiteit te bezitten en er van hun ik-gevoel nog maar zo weinig over is dat ze in hun beleving niet meer bestaan, kunnen ze letterlijk vreemden voor zichzelf worden.

    Dit is wat er in de koloniale tijd gebeurde in de door Frankrijk veroverde gebieden en wat er nu gebeurt in de banlieues. En daarom is het voor immigranten uit voormalige Franse kolonies bijna onmogelijk om zich echt ‘thuis’ te voelen in Frankrijk. Ondanks al hun moderniteit lijken deze stadswijken qua ontwerp nog het meest op immense gevangenenkampen. De banlieue staat in de meest letterlijke zin voor ‘anders-zijn’ – het anders-zijn van uitsluiting, van de onderdrukten, van angstige en geminachte mensen, die fysiek en cultureel worden weggehouden van de mainstream van de Franse ‘beschaving’.

    Dit is de stelling die de politicoloog Gilles Kepel poneert in zijn boek Quatre-vingt-treize (2012), een titel die verwijst naar Victor Hugo’s grootse roman over het schrikbewind in 1793 en naar de beruchte Parijse wijk Seine Saint-Denis, die vanwege de postcode bekendstaat als ‘Drieënnegentig’. In dit boek onderwerpt Kepel de recente geschiedenis van dit stadsdeel aan een diepgaand onderzoek, en zijn conclusie is dat de diverse varianten van de islam elkaar weliswaar bestrijden, maar dat ze verenigd zijn in hun vijandigheid tegenover de seculiere Franse staat.

    Kepel is er daarnaast van overtuigd dat de Franse Republiek moet vrezen voor bedreigingen van ‘buiten’, waarmee hij zowel de banlieues als de voormalige Franse gebieden in de moslimwereld bedoelt. In tegenstelling tot veel van zijn vakgenoten denkt hij dat de recente veranderingen in de Franse maatschappij nauw verband houden met gebeurtenissen in de Arabische wereld, die in het Westen amper begrepen worden. ‘Veel Franse politieke commentatoren zijn blind,’ vertelde hij me in zijn krappe werkkamer vlak bij boulevard Saint-Germain. ‘Ze weigeren verder te kijken dan Frankrijk. En dus snappen ze niet dat wat hier gebeurt te maken heeft met onze relatie met de Arabische wereld en ons verleden daar.’

    Kepel beklemtoont dat de huidige spanningen in Frankrijk niet los te zien zijn van de zogenoemde ‘Arabische Lente’ – de golf van opstanden die in 2011 de moslimwereld overspoelde. Ofwel preciezer gezegd: de Arabische Lente heeft ertoe geleid dat de algemeen aanvaarde waarheden over Noord-Afrika, waarvan de wereld tot nu toe een door Franse ogen bepaald beeld had, flink op de schop zijn gegaan.


    De voorstad Aulnay sur Bois in november 2005, tijdens de zevende nacht van de rellen in de banlieues in 2005. – © Reuters / Victor Tonelli
    De voorstad Aulnay sur Bois in november 2005, tijdens de zevende nacht van de rellen in de banlieues in 2005. – © Reuters / Victor Tonelli

    Op 14 januari 2011 ontvluchtte president Zine Ben Ali eindelijk zijn paleis om in ballingschap te gaan in Saoedi-Arabië. In Parijs heerste die dag op straat net zo’n feeststemming als in de steden in Tunesië. Dit kwam doordat het ondenkbare was gebeurd: Ben Ali was sinds 1987 aan de macht geweest, en het leek een uitgemaakte zaak dat hij nog lang aan het roer zou blijven – wat gezien zijn goede gezondheid en eigenwaan heel lang had kunnen zijn – maar binnen een paar weken was hij weg.
    De katalysator voor de woedende demonstraties die hadden geleid tot zijn vertrek was de zelfdoding van Mohammed Bouazizi, een zesentwintigjarige straatverkoper in de tot dan toe onbekende Tunesische plaats Sidi Bouzid. Op 17 december 2010 zette ‘Besboos’, zoals hij plaatselijk bekendstond, om acht uur ’s morgens zoals gebruikelijk zijn kar met fruit neer in het centrum van Sidi Bouzid. Rond tien uur kreeg hij het aan de stok met politieagenten die zeiden dat hij geen vergunning had en daarom niet mocht staan waar hij stond.

    Het werkelijke probleem was dat Mohammed de lokale politie niet genoeg smeergeld had betaald, hoewel hij zich door geld te lenen al voor tweehonderd dollar in de schulden had gestoken om beambten om te kopen. Maar Mohammed was die dag niet in de stemming om met zich te laten sollen en hield voet bij stuk toen een agente van middelbare leeftijd hem beledigde, zijn overleden vader vervloekte en zijn kar in beslag probeerde te nemen. Toen de agente zijn weegschaal pakte, zijn duurste apparaat dat hij, wilde hij zakendoen, absoluut niet kon missen, werd het hem te veel. Hij raakte buiten zichzelf van woede en rende, niet meer in staat zijn tranen te bedwingen, naar het kantoor van de lokale gouverneur om zijn beklag te doen over het hem aangedane onrecht. De gouverneur weigerde vlakaf hem te ontvangen.

    Mohammed verliet heftig gefrustreerd het kantoor van de gouverneur en overgoot zichzelf buiten met een blik benzine. Tot afschuw van de groep mensen die om hen heen was komen staan, stak hij de benzine vervolgens in brand. De vlammen sloegen van zijn lichaam terwijl hij in stille pijn rondwankelde. Dit was om halftwaalf, ongeveer een uur na aanvang van de ruzie over zijn kar.

    Mohammed overleed een paar dagen later in een ziekenhuis. Zijn dood staat nu te boek als de vonk die het vuur van de Tunesische revolutie deed ontbranden. Toen hij op sterven lag, stonden de gewone mensen van Sidi Bouzid op tegen de lagere ambtenaren die hen tot dan toe in toom hadden gehouden. Toen de opstand aan kracht won, staakte het leger zijn pogingen om er paal en perk aan te stellen en beseften honderdduizenden Tunesiërs dat dit hun eerste kans was om in verzet te komen tegen de autoriteiten. De rellen verspreidden zich over het land, en een paar spannende weken later maakte president Ben Ali, voor wie de haat van zijn volk niet meer te trotseren viel, zich uit de voeten.

    Het was het sprookjesachtige karakter van de revolutie dat op de dag van Ben Ali’s vertrek in de straten van Parijs werd gevierd. In Frankrijk wonen ruim zevenhonderdduizend Tunesiërs, grotendeels geconcentreerd in de regio Parijs. Tijdens de revolte in Tunesië stonden overal waar je in Parijs kwam in winkels, afhaalrestaurants en cafés draagbare tv’s waaruit op volle geluidssterkte een polyglot, polyfoon gebabbel op- rees van Al-Jazeera, Al-Arabiya en Franstalige kanalen uit de Maghreb. Iedereen was opgewonden en wilde praten, vooral de Tunesiërs zelf.

    Het verbluffendste aan deze gebeurtenissen – althans voor mensen die Tunesië niet kenden – was dat ze in gang waren gezet in een land dat het Westen beschouwde als een gematigde, stabiele en onopvallende speler in de politiek van de regio. Tot dat moment was Tunesië in de ogen van de buitenwereld een goedkope vakantiebestemming geweest, een land met een gedienstige houding jegens het Westen. De Tunesiërs wisten dat dit beeld op zijn best niet meer dan wensdenken was, en op zijn slechtst een bewuste leugen.

    De pesterijen waarmee Bouazizi te maken had, waren in Tunesië een alledaags fenomeen. Ze waren rechtstreeks terug te voeren tot de mensen op hoge, machtige posities, die deze intimidatie op laag niveau niet alleen toestonden, maar zelfs actief aanmoedigden. Toen Mohammed Bouazizi zichzelf in brand stak, wekte dat zo veel verontwaardiging bij de Tunesiërs dat ze alles op het spel zetten voor de vrijheid. Het recht kreeg met de vlucht van Ben Ali eindelijk zijn beloop. ‘Toen Ben Ali wegging, was dat een prachtig moment,’ kreeg ik te horen van een jonge vrouw die in Tunis de straat op was gegaan om tegen hem te protesteren. ‘Ik wist niet dat mensen zo blij konden zijn.’

    Verrast

    In de regeringsburelen van Frankrijk heerste die dag, anders dan onder de Tunesische bevolking in Parijs, geen jubelstemming. De val van Ben Ali was wel het laatste wat de Franse regering had gewild. Vanaf het moment dat hij in 1987 aan de macht kwam, hadden de opeenvolgende Franse leiders zich achter zijn regime geschaard, daartoe aangezet door zijn verwijzingen naar Algerije en de mogelijke dreiging van islamistisch terrorisme in Tunesië. De Fransen hadden Ben Ali op zijn woord geloofd en zich blind gehouden voor de wanpraktijken waarvan hij zich bediende om in Tunesië de ‘stabiliteit’ te handhaven. Daarnaast hadden ze in de veronderstelling verkeerd dat zijn positie onaantastbaar was.

    ‘We werden verrast,’ zei Henri Guaino, speciaal adviseur van Nicolas Sarkozy op het terrein van mediterrane aangelegenheden. ‘Niemand had door wat er gaande was. Het ging allemaal heel snel, een reeks gebeurtenissen waardoor de boel razendsnel uit de hand liep.’ Verder gaf hij toe: ‘Ik was niet waakzaam genoeg geweest ten aanzien van de ontwikkeling van het regime en de Tunesische publieke opinie.’ Dit was wel heel zwak uitgedrukt. Sinds eind jaren tachtig waren de opeenvolgende Franse regeringen verstrikt geraakt in compromitterende en inconsistente relaties met Tunesië. Franse diplomaten hadden al in 1990 melding gemaakt van het brute karakter van Ben Ali’s regime, maar de autoriteiten in Parijs hadden de andere kant op gekeken.

    Michèle Alliot-Marie, de Franse minister van Buitenlandse Zaken, zette zich op 11 januari 2011 schandelijk te kijk toen ze ten overstaan van de Nationale Assemblee in Parijs meedeelde dat de opstand in Tunesië ‘een complexe situatie’ was, en dat het niet aan de Franse regering was om ‘het regime de les te lezen’. Een arrogantere en zelfgenoegzamere verklaring was moeilijk voorstelbaar op het moment dat het Tunesische volk vocht voor zijn vrijheid. Maar het werd allemaal nog erger: Alliot-Marie bood Ben Ali’s regime vervolgens het ‘wereldbefaamde savoir-faire’ van het Franse leger aan en zei bereid te zijn dit ‘savoir-faire’ over te laten brengen naar Tunis. Alle Assembleeleden, het maakte niet uit van welke partij, reageerden vol ongeloof. Bedoelde de Franse minister daadwerkelijk dat Franse soldaten of politiemensen ingezet zouden worden om de mensenmenigten in Tunis onder vuur te nemen?

    Sarkozy nam in het openbaar onmiddellijk afstand van haar – zijn adviseur deelde mee dat Alliot-Marie haar ‘eigen persoonlijke analyse van de situatie’ had gegeven. Links reageerde trager, deels omdat veel linkse politici, onder wie de burgemeester van Parijs, zelf problemen hadden met Tunesië. In de regio en in de banlieues van Frankrijk wekte de toespraak echter woede. In Algerije stelde het dagblad Liberté dat Michèle Alliot-Marie in haar arrogantie ‘kennelijk niet bang is om de herinneringen op te rakelen van mensen die in het verleden al kennis hebben gemaakt met het militaire “savoir-faire” van Frankrijk. Deze herinneringen zijn feiten: ten aanzien van Algerije kunnen we terugdenken aan 11 december 1960 in Algiers, in de wijk Belcourt, en aan 17 oktober in Parijs in 1961 – om slechts twee voorbeelden te noemen.’ Tunesische bloggers – bloggen was inmiddels de voornaamste vorm van communicatie in het land – waren furieus en sarcastisch. ‘Merci la France!’ luidde de reactie in een campagne op Facebook.

    De controverse liep in de volgende paar dagen nog hoger op toen aan het licht kwam dat Alliot-Marie, die hechte vriendschappelijke banden onderhield met Ben Ali, de kerst van 2010 had doorgebracht in een luxeresort in Tabarka, en dat ze daarheen was gereisd in een privévliegtuig van een goede vriend van Ben Ali, die tevens een crimineel was. Daarna werd bekend dat ze recent een appartement had gekocht in het vakantiecomplex te Gammarth niet ver van Tunis. En ondertussen ging Tunesië op in vlammen.

    Deze Franse dubbelhartigheid wekte bij de Tunesiërs amper verbazing. In de voorbije paar jaar hadden ze moeten aanzien hoe Ben Ali en zijn familie en vrienden schatrijk waren geworden door de natie te plunderen. Tunesië was geen rijk Arabisch land – het heeft bijvoorbeeld geen inkomsten uit olie. Maar dit weerhield Ben Ali en zijn kompanen er niet van om zich de nationale hulpbronnen toe te eigenen en het geld te spenderen in Frankrijk.

    Ben Ali reisde vaak naar Parijs, zijn “echte hoofdstad”, waar hij leefde in overdaad en niet alleen de Franse elite paaide, maar ook de meer dubieuze figuren binnen de Trabelsiclan

    Toen ik op een middag in de herfst van 2012 in Tunis uit het vliegtuig stapte, waren er vrijwel geen andere westerlingen te bekennen. Ik zag meteen dat alles was veranderd na mijn laatste bezoek in 2011. Ik had Tunis vanaf 2005 vrij vaak bezocht, maar sinds de revolutie was ik er niet meer geweest. De stad had nu een heel ander aanzien.

    Tijdens de korte rit van het vliegveld naar de stad zagen de buitenwijken er smeriger en vervallener uit dan tevoren. De meest in het oog lopende verandering in de stad was de afwezigheid van de enorme portretten van Ben Ali, die tot de revolutie langs elke hoofdstraat in en rond de stad hadden gestaan. Toen we het stadscentrum in reden, was er overal graffiti te zien, vaak in diverse talen, niet alleen het Arabisch; in de graffiti in het Engels, Frans en Spaans werd opgeroepen tot meer revolutie en de oorlog verklaard aan het Westen en iedereen die de islam haatte.

    Een paar dagen eerder was de Amerikaanse ambassade in Tunis belaagd en de American School in brand gestoken door een salafistische menigte die naar verluidt demonstreerde tegen de provocerende anti-islamitische film The Innocence of Muslims. Slechts een paar dagen hiervoor was de Amerikaanse ambassadeur in Libië vermoord door een jihadistische militie. De Amerikanen hadden in Tunesië al hun personeel en burgers weggehaald om de Tunesiërs duidelijk te maken dat ze niet gediend waren van agressie. De sfeer werd nog onbestendiger door de publicatie in Frankrijk van afbeeldingen van de Profeet in het satirische tijdschrift Charlie Hebdo. Toen de salafisten daarna met doodsbedreigingen kwamen, achtte de aanzienlijke populatie Fransen in Tunesië het verstandiger om niet meer de straat op te gaan en thuis te blijven.

    Bij mijn vorige bezoeken aan Tunis was het er steeds makkelijk werken geweest, vond ik; het was er veilig en alles was goed geregeld. Maar ondanks de schoonheid en ogenschijnlijke orde had het leven in Tunesië altijd een geheime en sinistere kant. Je had er niet te maken met het soort geweld en extremisme waardoor Algerije werd geteisterd, en de armoede was er minder schrijnend dan in Marokko. Desalniettemin deed Tunesië me denken aan mijn tijd in Roemenië begin jaren negentig, waar gewone mensen zelfs na de val van Ceausescu nog zo bang waren dat ze liever niet zeiden wat ze werkelijk dachten. De Roemenen noemden dit ‘zelfcensuur’ en zeiden dat het veel effectiever was dan de Securitate, de geheime politie. Bijna iedereen die ik voor de revolutie ontmoette in Tunesië, had zich deze gewoonte eigengemaakt. Het was een land waar je met niemand echt contact kon krijgen. De geheime politie was overal, luisterde overal mee en hield alles in de gaten. Maar feitelijk was hun werk overbodig, want de mensen durfden sowieso geen kritiek te leveren op de regering.

    Toen de journalist Christopher Hitchens in 2007 hier was om een stuk voor Vanity Fair te schrijven, noteerde hij dat zijn vriend Edward Said hem had verteld dat Tunesië het ‘aangenaamste land van Afrika’ was. Hij werd niet teleurgesteld: de elegantie van de avenue Habib Bourguiba, de verkeersslagader in Tunis, sprak hem zeer aan, en datzelfde gold voor de olijfgaarden en de adembenemende pracht van het eiland Djerba (waar in 2002 overigens negentien toeristen waren omgekomen bij een aanslag van Al-Qaida). Tunesië was in Hitchens’ ogen een ‘mild’ land, en hoewel hij vraagtekens had bij de twintig jaar dat Ben Ali aan de macht was, de alomtegenwoordigheid van diens portret en de onwil van de mensen om over politiek te praten, was het voor hem bemoedigend dat je er anticonceptiemiddelen kon krijgen, dat jonge men- sen elkaars hand vasthielden, dat er andere duidelijk zichtbare tekenen van ‘westerse waarden’ te bespeuren waren, en dat er onverschilligheid heerste ten aanzien van de puriteinse waarden van het islamisme. Dit was wat iedereen zag wanneer je voor het eerst in Tunesië was. Onder de oppervlakte telde de Tunesische werkelijkheid echter tal van wrange facetten die de psyche van de natie niet onberoerd lieten.

    Net als in Algerije en Marokko behoorden voetbalwedstrijden tot de schaarse gelegenheden waar je een glimp kon opvangen van de innerlijke woede van de Tunesiërs. In september 2008 zag ik hoe een groep van niet meer dan honderd fans van Espérance Sportive Tunis – de grootste club van het land – het in de achterafstraten rond place de Carthage en place de Barcelone opnam tegen de oproerpolitie. Wat vooral indruk op mij maakte, was dat de ‘hooligans’ behendig en goedgeorganiseerd te werk gingen – ze vormden een beweeglijke, voortdurende veranderende formatie, maar bleven desondanks een solide geheel. Ze sloegen ruiten stuk en trokken al schreeuwend door de stegen en straatjes. Ze hadden de situatie volledig onder controle en vonden het zo te zien prachtig om het gevecht aan te gaan met de voetsoldaten van het regime. Later sprak ik in bar Celestina, een met rook gevuld dranklokaal nabij het metrostation, met een aantal van hen. Ze maakten meteen al duidelijk dat ze niet vochten met fans van andere clubs, alleen met de politie, die de gewapende vleugel van de regering vormde. Niemand had het over Ben Ali, maar hij was uiteraard de grote vijand.

    En de andere grote vijand waren de Fransen. Tunesië was ten tijde van Ben Ali onofficieel Frankrijks meest begunstigde natie in de Maghreb. De banden tussen Ben Ali en een reeks Franse presidenten, van Mitterrand tot Chirac en Sarkozy, waren altijd stevig. Ben Ali reisde vaak naar Parijs, zijn ‘echte hoofdstad’, waar hij leefde in overdaad en niet alleen de Franse elite paaide, maar ook de meer dubieuze figuren binnen de Trabelsiclan. Ben Ali’s tweede vrouw Leila was lid van de Trabelsifamilie, een maffia-achtige organisatie met onderkomens in de duurste quartiers van Parijs en Nice die in Tunesië feitelijk de dienst uitmaakte als was het hun persoonlijke bezit. De Tunesiërs wisten dat de val van Ben Ali niet alleen was toe te schrijven aan de ideologische steriliteit van zijn regering, maar ook aan het feit dat op korte termijn aan het licht zou komen dat hij het land samen met de Trabelsi’s flink had geplunderd. Dat was de reden waarom hij zo snel Tunesië ontvluchtte.

    De rebellie duurde slechts vier weken. Maar het veranderde alles in Tunesië en de rest van de Arabische wereld: gewone mensen van Marokko tot Jemen raakten zo begeesterd dat ze hun angst opzijzetten en zich tegen hun leiders keerden. De meeste Tunesiërs, niet alleen de salafisten, voelen zich nu tweemaal verraden door Frankrijk, het land dat de politieke en culturele identiteit van Tunesië ruim een eeuw lang heeft gedomineerd en vormgegeven. Of ze nu wilden of niet, ze waren opgegroeid in de overtuiging dat Frankrijk hun moederland was, en dat de Fransen het beste met hen voorhadden. Nu was echter in de onstuimige tijd van de revolutie gebleken dat Frankrijk een cynische en corrupte vijand was.


    Op 14 oktober 2008 was er ’s avonds in het Stade de France een vriendschappelijke voetbalwedstrijd tussen Frankrijk en Tunesië. Sinds de rellen in Clichy-sous-Bois in 2005 waren wedstrijden tegen Noord-Afrikaanse teams aldoor een potentiële aanleiding geweest voor trammelant in Parijs. Niettemin werd Tunesië voor een minder instabiel en gevaarlijk land gehouden dan Marokko of Algerije en werden Tunesiërs in Parijs niet beschouwd als gangsters of islamitische radicalen. Maar om mogelijke spanningen weg te nemen hadden de autoriteiten besloten dat de elftallen voor aanvang door elkaar in de rij zouden gaan staan, en dat de ‘Marseillaise’ gezongen zou worden door Laam, een jonge r&b-zangeres van Frans-Tunesische komaf.

    Zodra Laam de microfoon oppakte, begon het gefluit, en algauw klonk het zo hard dat het van links naar rechts door het stadion galmde. De jonge vrouw keek om zich heen voor hulp, maar die bleef uit. Ze probeerde er ondanks de orkaan van herrie toch nog iets van terecht te brengen, maar het was hopeloos. Toen ze eindelijk klaar was, lachten de Tunesische fans en gaven ze elkaar high fives alsof ze met 3-0 voorstonden.

    ‘Waar kwam dat vandaan, die muur van haat?’ vroeg ik een Tunesische gozer naast me in de bar waar ik de wedstrijd bekeek. Hij glimlachte sullig en sloeg zijn laatste restje bier achterover: ‘Made in France!’

    Dit is een voorpublicatie uit De Franse intifada van Andrew Hussey, dat onlangs verscheen bij De Arbeiderspers.
    Vertaler: Jan Braks

    ISBN: 9789029510455
    Prijs: € 22,99

    schermafbeelding 2017 03 09 om 10 54 29
  • Parijs’ koninkrijk des doods

    Parijs’ koninkrijk des doods

    Onder de stad Parijs ligt een tunnelstelsel dat tien keer zo groot is als Central Park in New York. Kunnen deze ruimtes een rol gaan spelen bij de ontwikkeling van de stad?

    ‘Halt! U betreedt het koninkrijk des doods’, waarschuwt een macaber opschrift naast de ingang van de catacomben van Parijs, het ondergrondse knekelhuis waar zich de stoffelijke resten van zes miljoen Parijzenaren bevinden en dat elk jaar een half miljoen bezoekers trekt.

    Dit anderhalf kilometer lange ossuarium (nog steeds een van de meest winstgevende toeristenattracties van de Franse hoofdstad) valt in het niet bij de 300 kilometer ondergrondse tunnels die ontoegankelijk zijn voor het publiek. En er wordt geregeld iets nieuws ontdekt, zoals onlangs een galerij onder het Bois de Vincennes, een van de grootste parken van Parijs.

    Naast de catacomben ligt een voormalig tolhuis. In deze Barrière d’Enfer (‘Hellepoort’) is de Inspection Générale des Carrières (IGC) gehuisvest, een in 1777 door koning Lodewijk XVI opgerichte instelling die toeziet op het in kaart brengen en onderhouden van de 32 vierkante kilometer verlaten steengroeven onder de stad. Het ondergrondse gebied is daarmee tien keer zo groot als het Central Park in New York.

    Spectaculaire zinkgaten worden niet altijd veroorzaakt door mijnactiviteiten, maar door zijn ondergrondse geschiedenis is Parijs er wel vatbaar voor. Hoewel de laatste ramp alweer van 1961 dateert, toen 22 mensen omkwamen doordat een hele buurt in een Parijse buitenwijk instortte, rukt de IGC nog steeds ruim zeventig keer per jaar uit. Het gaat om gevallen als huizen die dreigen te verzakken of wegen die in zinkgaten verdwijnen.

    De winning van krijt, gips en vooral kalksteen voorzag Parijs van het roomkleurige steen dat werd gebruikt voor het Louvre en gebouwen uit de tijd van de negentiende-eeuwse stadsbouwmeester Haussmann. Het uiterlijk van een stad wordt van oudsher bepaald door de beschikbare bouwmaterialen. De steenhouwerij vond plaats buiten de stad zelf, in toenmalige semiplattelandsgebieden als Montmartre en Montparnasse. Maar in de begintijd van de moderne verstedelijking werden die dorpen al snel opgeslokt door het uitdijende Parijs, waardoor groeven die nog in bedrijf waren ontoegankelijk werden of te duur om te exploiteren.

    Nadat deze doolhof van ondergrondse steengroeven was verlaten zonder in kaart te zijn gebracht, werd hij een verborgen gevaar voor een stad die zich in rap tempo bleef uitbreiden. In 1774 verdween 300 meter straat in een 20 meter diep gat, het eerste grote incident van deze aard. Er waren geen slachtoffers, maar het was de aanzet tot de oprichting van het inspectoraat.

    De schedelmuur in de catacombes van Parijs, een van de meest winstgevende attracties van de Franse hoofdstad. – © Education Images / UIG via Getty Images
    De schedelmuur in de catacombes van Parijs, een van de meest winstgevende attracties van de Franse hoofdstad. – © Education Images / UIG via Getty Images

    Meer dan twee eeuwen later is de kennis van de ondergrondse wereld waarover de IGC beschikt ongelofelijk gedetailleerd. Toch stuiten de inspecteurs soms op ruimtes die niet in kaart zijn gebracht. Ik heb een vroege afspraak met Julien Alaterre, de zevenentwintigjarige directeur van de IGC, om een kijkje te gaan nemen bij de pas ontdekte galerij onder het Bois de Vincennes.

    Als we aan onze negentien meter lange afdaling langs een steile trap beginnen, worden al snel de drie opvallendste kenmerken van de Parijse onderbuik duidelijk: hoge luchtvochtigheid, doodse stilte en een onverwacht hoge temperatuur. In de onderaardse ruimtes is het constant 14 graden, een groot contrast met het ijzige januariweer boven de grond.

    De pas ontdekte galerij beslaat maar een fractie van de bekende, vier hectare grote ‘Brouwersgroeve’, die sinds de jaren zestig van de negentiende eeuw buiten gebruik is omdat de steenhouwerij toen werd verboden. Alaterre legt uit dat het de best bewaarde groeve van Parijs is, met ruimtes tot wel zes meter hoog. Omdat het al twintig jaar de bedoeling is hem open te stellen voor het publiek, komt hij in aanmerking voor herontwikkeling in het kader van een ontwerpwedstrijd die binnenkort wordt gelanceerd door de burgemeester van Parijs, Anne Hidalgo.

    De Brouwersgroeve vertoont nog steeds sporen van het industriële verleden: de laatste steenhouwers hebben op de muren geschreven. Er is een verroeste plaquette met de naam van een plaatselijke biersoort, want na de steenwinning werd de groeve gebruikt voor de productie en opslag van bier. En er zijn uitgesleten sporen, want in de twintigste eeuw was er een champignonkwekerij in gevestigd. (Tegenwoordig worden de champignons uit China geïmporteerd.) De pas ontdekte galerij mogen we niet in, want die is zwaar beschadigd en wordt geïnjecteerd met duizenden kubieke meters beton om de parkgebouwen te beschermen.

    ‘Als je in de oorverdovende stilte en het volledige duister door de galerijen loopt, is het alsof je de ingewanden van de stad doorkruist.’ – © Jean-Francois Deroubaix / Gamma-Rapho via Getty
    ‘Als je in de oorverdovende stilte en het volledige duister door de galerijen loopt, is het alsof je de ingewanden van de stad doorkruist.’ – © Jean-Francois Deroubaix / Gamma-Rapho via Getty

    De IGC wordt vaak bekritiseerd omdat ze de ondergrondse erfenis van Parijs zou verkwanselen, maar Alaterre beweert dat betoninjecties vaak de goedkoopste en efficiëntste manier zijn om schade onder én boven de grond te voorkomen.

    Behalve dat ze ingrijpt in noodsituaties, heeft de IGC tot taak risico’s te vermijden en de Parijzenaren te informeren en te adviseren over wat zich onder hun voeten bevindt. De Franse wet is duidelijk: huiseigenaren zijn ook eigenaar van de grond waarop hun onroerend goed staat en wat zich eronder bevindt. Als een huis in de grond verdwijnt, moet de eigenaar de rekening ophoesten, niet de gemeente. Omdat ongeveer twintig procent van Parijs door dat gevaar wordt bedreigd, loont het de moeite om even bij de IGC langs te gaan voordat je een pied-à-terre aanschaft.

    Een groot onroerendgoed- of infrastructuurproject loopt hetzelfde risico: volgens Alaterre gaat vijfentwintig procent van het budget voor de aanleg van een nieuwe metrolijn op aan versteviging van de ondergrond. Dat was al zo in 1900, toen de eerste lijnen opengingen, en is ook nu nog het geval met de Grand Paris Express, het nieuwe hogesnelheidsnetwerk in de regio Île-de-France.

    Toegang tot de groeven is ten strengste verboden. ‘Allereerst,’ aldus Alaterre, ‘omdat het geen openbare ruimte is: je betreedt per definitie de ruimte onder het eigendom van anderen. Daarnaast is het erg gevaarlijk.’ Hij zegt het terwijl we door een claustrofobische tunnel pal onder het Place Denfert-Rocherau in het centrum van Parijs lopen.

    Het hoofdkwartier van de IGC beschikt over een ondergrondse bunker die is gebouwd in de Tweede Wereldoorlog, met een gepantserde deur die rechtstreeks toegang geeft tot het grote gangenstelsel. Het is er krap en je moet vaak bukken – soms bijna kruipen – om vooruit te komen. Het is er bovendien erg vochtig: het water druipt van het plafond en de muren en hier en daar waad je tot aan je enkels door de modder.

    Het stinkt er echter niet, al ruikt het een beetje naar een oeroude grot. Het netwerk van steengroeven ligt dieper dan het riool en het enige licht is het licht dat je meebrengt. Door de inspanning die nodig is om door de onderaardse doolhof te kruipen, gecombineerd met de warmte, droog je snel uit.

    De politie treedt streng op tegen “toeristen” die er voor het eerst komen, en tegen organisatoren van ondergrondse houseparty’s en concerten

    Toch snap je heel goed waarom ‘catafielen’ gefascineerd zijn door dit ondergrondse rijk: als je in de oorverdovende stilte en het volledige duister door de galerijen loopt, is het alsof je de ingewanden van de stad doorkruist. Overal zie je graffiti. Lege bierblikjes en halfopgebrande kaarsen leveren het bewijs dat, hoewel illegaal, een bezoekje aan de groeven gewild is. ‘In het weekend is het superdruk,’ zegt Alaterre.

    De relatie tussen de autoriteiten en de catafielen is onduidelijk. De IGC is niet bevoegd om toezicht te houden; die taak is voorbehouden aan een speciaal politieteam, dat niet aan dit artikel wilde meewerken. Ook al is het illegaal om door de groeven te struinen – je riskeert een boete van rond de vijftig euro – zowel de IGC als de politie knijpt een oogje toe voor catafiele veteranen die over grote kennis van het onderaardse rijk beschikken en het erfgoed eerbiedigen. De politie treedt wel streng op tegen ‘toeristen’ die er voor het eerst komen, en tegen organisatoren van ondergrondse houseparty’s en concerten.

    Als je weer boven de grond bent, doet het gebruikelijke rumoer van Parijs bijna opdringerig aan. Niet alleen is het driehonderd kilometer lange ondergrondse netwerk van verlaten groeven grillig en fascinerend, het is misschien zelfs het meest verkeerd begrepen en ondergewaardeerde architectonische bouwwerk van de Franse hoofdstad.

    Het zou zeker een rol kunnen spelen in de omgang met nieuwe uitdagingen waar steden voor staan: overbevolking, het terugdringen van de kooldioxide-uitstoot, en binnen de stadsgrenzen ruimte creëren voor landbouwactiviteiten, kleinschalige industrie, telecominfrastructuur, datacentra en zelfs uitgaansgelegenheden.

    Voor de herontwikkeling van de verlaten groeven zijn grote investeringen door zowel publieke als private partijen nodig. Want werd de steenhouwerij in de negentiende eeuw om veiligheidsredenen beëindigd, aan het gebruik van de ondergrondse ruimte voor de champignonteelt en de bierbrouwerij kwam een einde door economische redenen.

    De uitdagingen van de verstedelijking in een van de dichtstbevolkte steden ter wereld veranderen razendsnel en de onderaardse groeven zouden een nieuwe rol in de ontwikkeling van Parijs kunnen spelen. Wat sowieso blijft is de niet-aflatende fascinatie van het publiek voor het koninkrijk des doods.

    Auteur: Justinien Tribillon
    Vertaler: Nico Groen

    Openingsbeeld: © Pinterest

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

  • Franse rellen: in dertig jaar is er niets veranderd

    Franse rellen: in dertig jaar is er niets veranderd

    In 1990 vonden de eerste rellen plaats in de Parijse voorstad Aulnay-sous-Bois. Sindsdien zijn de sociale en institutionele problemen die de oorzaak waren van dit geweld niet afgenomen.

    Eind 1990, begin 1991 vonden in een tiental Franse voorsteden geweldsuitbarstingen plaats, van Lyon tot Parijs. Die boezemden destijds veel angst in, omdat ze werden geassocieerd met woorden als ‘drugs’, ‘getto’, ‘stedelijk geweld’ et cetera.

    De ontwikkelingen die zich dezer dagen voltrekken in Aulnay-sous-Bois in het departement Seine-Saint-Denis zijn hiervan een klassiek voorbeeld; ze herinneren ons er alleen maar aan dat we in 27 jaar niets hebben geleerd en dat er niets is veranderd aan de sociale en institutionele problemen waardoor dit soort geweldsuitbarstingen regelmatig wordt uitgelokt.

    Het gaat altijd op dezelfde manier: op een dag is het buitensporige politiegeweld de druppel die de emmer doet overlopen – de emmer waarin de rancune van een groot deel van de bewoners van arme wijken zich dag in dag uit heeft opgehoopt. De politie wordt enkele dagen lang de belichaming van alle kwaad. ’s Nachts organiseren de opstandelingen zich en komt het tot een treffen.

    De politie probeert de ‘leiders’ te arresteren om anderen te ontmoedigen. Meestal pakken ze alleen de jongsten op of degenen die het minst hard rennen. Nadat die voor het parket zijn gebracht, wordt er meestal snelrecht toegepast en krijgen ze een fikse gevangenisstraf die niet in verhouding staat tot wat ze hebben gedaan. Alsof bepaalde rechters zich in de collectieve emotie meer bekommeren om de openbare orde dan om individuele vrijheid.


    Een man met een brandende afvalcontainer tijdens de onlusten in Parijs. – © Getty
    Een man met een brandende afvalcontainer tijdens de onlusten in Parijs. – © Getty

    Dat deze ontwikkeling helaas niet de laatste is in een heel oude reeks, komt doordat geen enkele regering de elementen van het scenario de afgelopen 27 jaar heeft veranderd. De arme wijken zijn nog altijd arm. De miljarden die in het beton van de ‘stadsvernieuwing’ zijn gestoken hebben niets veranderd aan de dagelijkse problemen van de bewoners. Om te beginnen de werkloosheid, die in veel wijken ruim de helft van de jongeren onder de dertig treft. De crisis van 2008 heeft de problemen alleen nog maar verergerd, omdat de bewoners van deze ‘gevoelige stadswijken’ er het hardst door zijn geraakt.

    Ook is er niets veranderd aan de discriminatie waardoor een deel van onze medeburgers nog altijd moeilijk toegang krijgt tot werk, huisvesting, goederen en diensten. Alleen is de etnisch-raciale discriminatie voor een deel vervangen door discriminatie op grond van godsdienst, die vooral vrouwen met een hoofddoek treft. In deze wijken zijn gezinnen nog altijd even bang dat hun kinderen mislukken op school – en terecht, want de ongelijkheid op onderwijsgebied is nog altijd even groot. Op een school in een welgestelde buurt slaagt meer dan 95 procent voor zijn eindexamen; in de ‘gevoelige wijken’, een paar kilometer verderop, slaagt minder dan 50 procent van de kinderen.

    Ook de relatie met de politie is nog altijd even slecht. Er is in 27 jaar niets veranderd, ondanks de ontelbare waarschuwingen, rapporten en boeken die over dit onderwerp zijn gepubliceerd. Ten eerste omdat meer politie in de wijk, waar de bewoners zowel hier als elders op aandringen, een politiek taboe is geworden. In 2002 heeft een bekende politicus, die nu overigens wordt verdacht van ernstige zakelijke fraude [Nicolas Sarkozy], dit beleid in diskrediet gebracht. Zijn opvolgers bij het ministerie van Binnenlandse Zaken hebben zijn gebod tot het eind van de conservatieve regeringsperiode gerespecteerd. Toen in 2012 de socialist François Hollande aan de macht kwam, hoopte men op verandering, omdat meer politie in de wijken een van zijn verkiezingsbeloftes was. Die is helaas niet ingelost en snel begraven door de nieuwe bewoner van het ministerie op het Place Beauvau, Manuel Valls.

    Rellen dringen alleen door tot de media als beelden op de sociale netwerken de autoriteiten verhinderen de woede- en wanhoopskreten bijtijds te smoren

    Frankrijk heeft dus nog steeds geen nationale politie die in staat is wijkagenten aan te stellen die dagelijks patrouilleren, te voet of op de fiets, die bewoners, middenstanders en verenigingsbestuurders ontmoeten, informatie inwinnen, diensten verlenen, maar ook boetes uitdelen en wetsovertreders zo nodig aanhouden.
    Nee, de bewoners zien nog altijd auto’s passeren die nooit stoppen, behalve om een controle uit te voeren. Ze kennen alleen maar een interventiepolitie, gevormd door jonge rekruten van elders, die zich tijdens hun opleiding hebben bekwaamd in ‘interventietechnieken’ en strafwetsregels, maar niet in conflictbeheersing of menselijke betrekkingen. Jongeren die vaak met angst in hun buik naar wijken worden gestuurd waar ze alleen oog hebben voor het (vaak reële) gevaar en niet voor de burgers, en waar ze blindelings te werk gaan, zonder aanziens des persoons.

    Onder deze omstandigheden doen zich dagelijks incidenten voor, maar die interesseren meestal niemand. Ze dringen alleen door tot de media als ze uitzonderlijk ernstig zijn en als beelden op de sociale netwerken de autoriteiten verhinderen de woede- en wanhoopskreten bijtijds te smoren.

    Zolang thema’s als veiligheid en geweld in de wijken er alleen maar toe dienen om politici carrière te laten maken, zolang de noodzaak van openbare orde elke analyse het zwijgen oplegt, zolang de politie hetzelfde type agenten naar de wijken blijft sturen en zolang de bewoners van de arme wijken met dezelfde problemen blijven kampen, kunnen we met een gerust hart voorspellen dat Aulnay-sous-Bois nog heel wat navolging zal krijgen.

    Auteur: Laurent Mucchielli
    Vertaler: Peter Bergsma

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.

  • Dossier: Klimaattop in Parijs

    Dossier: Klimaattop in Parijs

    Als dit nummer van 360 Magazine verschijnt, is de klimaattop in Parijs enkele dagen onderweg. Uit de duizenden artikelen die in de aanloop ervan verschenen, selecteerde 360 een mix van concrete cases en weidse vergezichten, met artikelen over de relatie tussen klimaatverandering en conflicten, een waarschuwing om onze democratische principes niet te verloochenen, duurzame restaurants, en een krankzinnig gedachte-experiment.

    1. Waarom persen we niet alle continenten op elkaar?

    2. Klimaatverandering en conflict: een complexe relatie

    3. Wake-up-call: de Grote Oceaan

    4. Wat de bestuurskamer kan leren van de straat

    5. Democratie is geen sta-in-de-weg

    6. Stijging zeespiegel kan 600 miljoen mensen verjagen

    7. Duurzaam dineren is lucratieve groeimarkt

    8. Mirakel in de maak: wonderrijst

  • 8. Het fanatisme dat de islam vernietigt

    8. Het fanatisme dat de islam vernietigt

    Een woedende reactie op een Syrisch oppositieblog.

    Onder de daders van de aanslagen in Parijs waren Arabische moslims, aanhangers van het kalifaat, die in Frankrijk wonen, het land waarvan zij de nationaliteit hebben verworven. Door oorlog te voeren uit naam van IS menen zij de wereld tot de islam te kunnen bekeren. Wanneer begrijpen ze nu eens dat de islam in de versie van het kalifaat zich tegen de moslims zelf zal keren en de islam zal vernietigen? Wanneer zullen ze de godsdienst nu eens terzijde schuiven om een seculiere politieke strijd te voeren, zoals de rest van de wereld dat doet? Oorlog dient ertoe om de vrijheid, de soevereiniteit van een land te verdedigen en zijn fundamentele belangen, niet om de onwetendheid en de haat te doen zegevieren in de naam van de godsdienst. Alleen het gezamenlijk bestaan naast andere beschavingen in de wereld kan de islam uitzicht bieden op vooruitgang, op een verbetering van het bestaansniveau en op een culturele renaissance. Dat de moslims op hun eigen grondgebied kunnen leven, is dankzij de westerse uitvindingen. De auto’s die moslims gebruiken zijn gemaakt door ‘ongelovigen’, evenals het vliegtuig waarmee ze comfortabel op pelgrimstocht naar Mekka gaan. Zelfs de luidsprekers die zij daar tijdens het gebed gebruiken zijn ‘ongelovige producten’. Ze verbieden niet-moslims om Mekka binnen te gaan, maar het zijn de mobiele telefoons uit die ‘ongelovige landen’ die in hun plaats Mekka overstromen.

    Ze lijken zich er niet van bewust te zijn dat hun landen in woestijnen dreigen te veranderen, terwijl hun geboortecijfers op hol zijn geslagen

    De ergste oorlogen die op dit moment in de wereld woeden zijn die waarin moslims tegenover moslims staan – in Libië, Egypte, Somalië, Libanon, Syrië en in een aantal landen in Afrika. Maar ze lijken zich er niet van bewust te zijn dat hun landen in woestijnen dreigen te veranderen, terwijl hun geboortecijfers op hol zijn geslagen. Om zich te verzoenen met het moderne leven en de uitdaging van de ontwikkeling aan te kunnen gaan, dienen de moslims de hele geschiedenis te herzien. De olie van de Arabische landen zou geen stuiver waard zijn geweest als het Westen niet de industriële revolutie had ontketend. En als het Westen eenmaal de bronnen voor alternatieve energie heeft ontwikkeld, zullen de Arabieren zich geen raad meer weten. Een revolutie binnen de islam moet ons in staat stellen ons te verzoenen met het leven. Leven in vrede met andere volken, strijden tegen onderontwikkeling met dezelfde snelheid als het virus van het extremisme. Laten we ophouden met die religieuze instanties die God aanroepen om de onwetendheid te prediken. Laten de moslims eindelijk eens gaan geloven in burger-schap en in politieke strijd.

    Auteur: Habib Saleh
    Vertaler: Peter Bergsma

    Habib Saleh is blogger. In Syrië werd hij drie keer gearresteerd en veroordeeld tot gevangenisstraf, nog altijd verkondigt hij zijn onverbloemde mening op diverse platforms, waaronder syria4all en elaph, een pan-Arabische nieuwssite die in Syrië wordt gecensureerd. Zijn arrestaties werden aangevochten door mensenrechtenorganisaties, waaronder Amnesty International, die op hun site ook zijn tijdelijke vermissing in 2008 meldden.

    All4Syria
    Syrië, all4syria.info
    Voor een vrij en verbonden vaderland, tegen sektarisme, discriminatie en alle vormen van monopolie van mening.

  • 7. Nederlaag van de beschaving

    7. Nederlaag van de beschaving

    Een journalist van de Tunesische nieuwssite Leaders noemt de aanvallen op ‘de mooiste stad ter wereld’ een daad van onverbloemde barbarij.

    Woorden schieten tekort 
om uiting te geven aan de gevoelens van verdriet, opstandigheid en afschuw die de gebeurtenissen van afgelopen vrijdagavond in Parijs bij ons oproepen. Op de vraag naar het waarom valt op geen enkele manier antwoord te geven. 13 november 2015. In de geschiedenis zal deze datum vast en zeker op dezelfde manier worden geboekstaafd als die van de aanslag op het World Trade Center. Na 11 september 2001 dacht men dat deze agressie zich nooit ofte nimmer zou herhalen. Vrijdagavond heeft de mensheid een grote stap terug gedaan. Vergeleken met IS zijn de terroristen van Al-Qaida koorknaapjes. Dit betekent de terugkeer van de primitieve mens, van de wet van de jungle, van onverbloemde barbarij. Het is de neder
laag van de rede, van het denken, van de beschaving.

    De keuze voor Parijs was niet toevallig. Parijs is de mooiste stad van de wereld, de stad waar de mensen voor het eerst in de geschiedenis zijn opgestaan tegen tirannie en onderdrukking, waar de eerste verklaring van de rechten van de mens werd uitgevaardigd, waar de briljantste en meest vrije geesten zijn geboren of hebben geleefd. Parijs is de kwintessens van de universele beschaving. Het is tegen dit symbool dat de vijanden van de menselijke soort zich hebben gekeerd. De tientallen doden die zijn gevallen in Le Bataclan of in de straten van Parijs, slachtoffers van het meest abjecte terrorisme dat nota bene uit naam van een religie wordt bedreven, zijn vóór alles onze ‘broeders in menselijkheid’, net als de slachtoffers van 
het Bardomuseum en [de kustplaats] Sousse en die van het World Trade Center. Op vrijdag was niet alleen Parijs het doelwit, maar de hele mensheid.

    Eén vraag brandt op mijn lippen. De moslims hebben hem altijd ontweken. Maar nu is het tijd om zich er serieus over te buigen. Ik richt me zowel tot mijn landgenoten als tot al mijn geloofsgenoten op de wereld. Waarom baren onze samenlevingen, andere dan alle andere, zulke monsters?

    Auteur: Mustapha
    Vertaler: Peter Bergsma

    Leaders
    Tunesië, leaders.com.tn
    Nieuwssite voor m.n. Tunesische actualiteiten, sinds 2011 ook als maandblad verkrijgbaar.

  • 6. ‘Nachtmerrie veiligheidsdiensten is werkelijkheid geworden’

    6. ‘Nachtmerrie veiligheidsdiensten is werkelijkheid geworden’

    Gelijktijdige en op elkaar afgestemde aanslagen, dat is precies wat de Franse inlichtingendiensten al maandenlang vreesden, schrijft het Libanese dagblad L’Orient-Le Jour.

    Gelijktijdige aanslagen, een gijzel
neming door verschillende schutters en minstens één 
zelfmoordactie: dat is het nachtmerrie
scenario dat zich vrijdagavond in Parijs heeft voltrokken en dat al maandenlang door de terrorismebestrijders werd gevreesd.

    De afgelopen weken hebben experts herhaaldelijk gewaarschuwd dat er islamistische aanslagen van ongekende omvang in Frankrijk werden voorbereid die vrijwel onmogelijk konden worden verijdeld.

    ‘De thermometer stijgt. Ze wachten gewoon het juiste moment af om de gebeurtenis rechtstreeks door de media te laten verslaan zodat een maximum aan publiciteit is gegarandeerd,’ verklaarde een lid van de Franse terrorismebestrijding onlangs anoniem tegenover het Franse nieuwsagentschap AFP. ‘We vrezen aanslagen met kalasjnikovs, die lange tijd zullen duren.’

    Wat er vrijdagavond is gebeurd bij onder meer het Stade de France en Le Bataclan is precies wat de Franse terrorismebestrijders al maandenlang vreesden: een Parijse kopie, maar dan nog erger, van de aanslag door een goed bewapend islamistisch commando in het winkelcentrum Westgate in Nairobi, in september 2013, die 68 mensen het leven kostte tijdens een belegering van vier dagen, voor de lens van camera’s van over de hele wereld.

    ‘Op de dag dat je twee goede veteranen van de strijd in Syrië treft, heb je een probleem’

    ‘Als ze zich opsluiten in een warenhuis, is het een nachtmerrie om ze te vinden,’ had dezelfde leidinggevende eraan toegevoegd. ‘Je moet eerst weten hoeveel schutters er zijn, ze daarna zien te 
vinden en ze neutraliseren, en dat 
kost uren. Op de dag dat je twee goede veteranen van de strijd in Syrië treft, heb je een probleem.’

    Sinds begin dit jaar hebben alleen geluk en de onhandigheid van de mannen die een aanslag wilden plegen, zoals die op een Thalys en een kerk in Villejuif, een bloedbad kunnen voorkomen. Maar nu er tientallen steeds gehardere jihadistische strijders zijn teruggekeerd, zo’n groot aantal dat het onmogelijk is ze allemaal in het oog te houden, zijn de risico’s van een aanslag van ongekende omvang onophoudelijk toegenomen.

    Leden van de Forensische Opsporing verzamelen bewijsmateriaal bij café Comptoir Voltaire. – © SIPA / HH
    Leden van de Forensische Opsporing verzamelen bewijsmateriaal bij café Comptoir Voltaire. – © SIPA / HH

    ‘Het gevaar komt van een aanzienlijke groep jongemannen die gehard zijn in de strijd, misschien in Syrië, misschien in Libië, misschien in Jemen, en die ter plaatse (in Frankrijk) wapens vinden en tot actie overgaan,’ zo verklaarde Yves Trotignon, tot voor kort verbonden aan de antiterrorismeafdeling van Franse buitenlandse inlichtingendienst DGSE, onlangs tegenover AFP. 
Hij voegde eraan toe: ‘Jongens die vastbesloten zijn en bereid om te sterven, die hun doelwit hebben bestudeerd en operationeel gezien hun mannetje staan, kunnen veel kwaad aanrichten. Het aantal veteranen van de jihad neemt met de dag toe. De veiligheidsdiensten, je kunt er niet omheen, worden erdoor overspoeld.’

    Na de aanslagen op Charlie Hebdo en de Hyper Cacher afgelopen januari hebben de antiterrorismedienst, de inlichtingendiensten, de politie en de veiligheidsdiensten zich voorbereid op een eventuele gelijktijdige aanslag, zoals die zich in de nacht van vrijdag op zaterdag heeft voltrokken. Ze hebben geoefend op hoe ze moeten reageren, zich moeten mobiliseren en moeten samenwerken als zo’n aanslag werkelijkheid wordt.

    De aanslagen in Mumbai in november 2008, waarbij tien aanslagplegers tegelijkertijd vijf verschillende doelen aanvielen en 173 mensen doodden, waren door alle antiterrorismediensten op de wereld bestudeerd. Maar alle verantwoordelijken verklaarden desgevraagd dat het onvermijdelijk was dat de aanslagplegers methodes zouden kunnen gebruiken die ze niet hadden voorzien.

    Auteur: Michel Moutot
    Vertaler: Peter Bergsma

    Michel Moutot is journalist voor l’Agence France-Presse (AFP). Hij verbleef in die functie achtereenvolgens in Lyon, Beiroet, Bosnië, Kenia, Albanië en Servië en New York. Hij won prijzen voor zijn verslagen over de Kosovo-oorlog en de aanslagen in New York. In 2015 verscheen zijn eerste roman, Ciel d’acier: ces indiens qui ont construit l’Amérique, waarmee hij een debutantenprijs won.

    L’Orient-Le Jour
    Libanon, dagblad, oplage onbekend
    In 1971 fuseerden de twee grootste Franstalige kranten van Beiroet: L’Orient en Le Jour. Behartigt de preoccupaties van de Libanese christenen.

  • 5. Mumbai was blauwdruk voor Parijs

    5. Mumbai was blauwdruk voor Parijs

    In 2008 werd de Indiase stad Mumbai getroffen door soortgelijke aanslagen als in Parijs, met 166 doden als gevolg. Het is de hoogste tijd dat regeringen en veiligheidsdiensten gaan samenwerken om dit soort terrorisme te bestrijden.

    Bijna drie weken geleden klaagde een hoge functionaris van de Indiase inlichtingendienst over het mislukken van een initiatief dat de Indiase potentie tot contraterrorisme aanzienlijk had kunnen verhogen.

    Bezorgd om het gebrek aan samenwerking tussen de veiligheidsdiensten, kwamen twee sleutelfiguren uit de 
top van de inlichtingendiensten, Asif Ibrahim van het Intelligence Bureau en Alok Joshi van de Research and 
Analysis Wing, in de zomer van 2014 bij elkaar om een stoutmoedig plan op te stellen ten einde zaken die speelden tussen beide bureaus op te lossen. 
Hun plan was eenvoudig van opzet, maar beiden waren zich bewust van 
de moeilijkheid om het ook echt te implementeren.

    ‘Het plan was om professionals bij elkaar te brengen die te maken hebben met contraterrorisme, en vervolgens als één team samen te werken,’ liet de functionaris mij weten. ‘Beide chefs hadden gehoopt dat met een gezamenlijk optreden de informatiestromen sneller op gang zouden komen zodat de tegenmaat‑regelen effectiever zouden zijn dan op dit moment het geval is.’

    Maar zoals het met de meeste goede ideeën gaat, was de weerstand zo groot dat zelfs de twee kopstukken uit de wereld van de inlichtingendiensten het plan niet wisten te realiseren. Beiden namen ontslag, en het voorstel verdween in de torenhoge stapels dossiers van de ministeries van North en South Block.

    Het tegengaan van terroristische aanslagen zal moeten beginnen bij de vooronderstelling dat ze onmogelijk voorkomen kunnen worden

    Met de aanslagen in Parijs afgelopen vrijdag, werd het opnieuw duidelijk 
dat het terrorisme vandaag de dag een soort wereldwijde coalitie is. Helaas is het antwoord op het wereldwijde terrorisme allesbehalve eenduidig. Zoals India heeft aangetoond, is het een hele uitdaging om de twee belangrijkste veiligheidsinstanties tot een vorm 
van samenwerking te brengen, en de politieke wil om radicale veranderingen door te voeren blijft hopeloos klein. Elke stap die werd beschouwd als een tegenmaatregel in India’s strijd tegen het terrorisme na de aanslagen door 
de terroristen van Lashkar-e-Taiba (LeT) in november 2008 in Mumbai, is door de omvangrijke bureaucratie van India 
in de ijskast verdwenen.

    De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat veel van de voorgestelde maatregelen gebreken vertoonden. Het geplande Nationale Centrum voor Contraterror‑isme had uiteindelijk fataal kunnen zijn voor India’s federale principes, 
terwijl de plannen die de National Intelligence Grid had om de databanken van de belangrijkste Indiase veiligheidsdiensten aan elkaar koppelen, niet voorzagen in de vereiste veiligheidsgarantie. Maar die maatregelen hadden uitgebreid besproken moeten worden, de verschillen van inzicht erover bijgelegd, en vervolgens zonder verder uitstel geïmplementeerd moeten worden.

    Indiase Moslims in Mumbai verbranden een poster van IS-leider Abu Bakr al-Baghdadi in reactie op de aanslagen in Parijs. – © Rafiq Maqboo / AP
    Indiase Moslims in Mumbai verbranden een poster van IS-leider Abu Bakr al-Baghdadi in reactie op de aanslagen in Parijs. – © Rafiq Maqboo / AP

    Dit is ironisch. De aanslagen in Mumbai door de moslimorganisatie Lashkar-e-Taiba vormen nu de blauwdruk voor wereldwijde terroristische aanslagen, zoals de recente tragedie in Parijs aantoont. Terwijl een 9/11 spectaculair is wat betreft planning en uitvoering, is het ook veel moeilijker te realiseren in deze tijd van toegenomen toezicht en bewaking. Maar een aanslag à la Mumbai is veel makkelijker te plannen en uit te voeren, en met als resultaat nog meer dodelijke slachtoffers. Het verkrijgen en binnensmokkelen van kleine wapens, het motiveren en vervolgens naar kwetsbare openbare gelegenheden sturen van zelfmoordterroristen, is de ergste nachtmerrie voor veiligheidsfunctionarissen, en die nachtmerrie 
is nu werkelijkheid geworden.

    Het tegengaan van terroristische aanslagen zal moeten beginnen bij de vooronderstelling dat ze onmogelijk voorkomen kunnen worden. Dergelijke aanslagen zullen plaats blijven vinden en zullen het kenmerk blijven van het terrorisme in de toekomst. Wat veiligheidsfunctionarissen kunnen doen is beginnen met het smeden van plannen voor tegenmaatregelen om het aantal van dergelijke aanslagen te verminderen, de veerkracht en veiligheid van openbare gelegenheden te verbeteren, het reactievermogen van contraterroristische eenheden te versnellen, worstcase‑scenario’s te bedenken en uit te werken, een doelgerichte inlichtingendienst op te zetten die opereert ver van het krachtenveld van de grootschalige bewaking, en werk te maken van het opsporen en wegnemen van de onderliggende oorzaken die tot terrorisme kunnen leiden.

    Niets van dit alles zal eenvoudig zijn. Al meer dan twintig jaar dringt India zonder veel succes aan op een Conventie van de Verenigde Naties over terrorisme, omdat velen het wereldwijd oneens zijn over wat ‘terrorisme’ precies is. Zolang er geen overeenstemming is over hoe terrorisme gedefinieerd moet worden, hoe kunnen er dan wereldwijde protocollen worden geschreven over het bestrijden van terrorisme? India kreeg ook te maken met tegenstand van wereldmachten als de VS toen het in het begin van de jaren negentig aandacht vroeg voor het door Pakistan gesponsorde terrorisme. Na de bomaanslagen van 1993 in Mumbai stelden Indiase inlichtingendiensten heel accuraat de verbanden vast tussen de wapenaankopen door het Pakistaanse leger en de munitie die werd gebruikt in Mumbai. Toen die bewijzen werden voorgelegd aan de VS, hielpen die het bewijsmateriaal ‘kwijt te raken’, en zodoende werd een mogelijke strafzaak tegen Pakistan succesvol de nek omgedraaid. Dat soort dubbele standaarden hebben de wereldwijde zaak tegen het terrorisme zelden of nooit goed gedaan.

    Nieuwe doctrines

    Terrorisme is ook een kwestie van leren en ervaring opdoen van nieuwe doctrines. Het VN Bureau voor Drugs- en Misdaadbestrijding gaf opdracht voor een onderzoek naar de vraag hoe terroristen gebruikmaken van online community’s om hun doelen te 
bereiken.

    Een citaat: ‘De snelheid, het wereldwijde bereik en de relatieve anonimiteit waarmee terroristen gebruik kunnen maken van het internet om hun zaak te bepleiten of terroristische aanslagen mogelijk te maken, maakt, (…) een alerte en effectieve internationale samenwerking tussen ordehandhaving en inlichtingendiensten tot een steeds crucialere factor in een succesvol onderzoek.’ Maar de afwezigheid van een universeel instrument om cyberkwesties aan te pakken voorkomt dat regeringen onderling samenwerken in de strijd tegen terroristische netwerken die online hun boodschap verspreiden. Zaken als jurisdictie, uitzetting en vervolging vormen de voornaamste onderlinge verschillen, waardoor regeringen het nog steeds niet eens kunnen worden over het vinden van gemeenschappelijke methoden om het internationale terrorisme te bestrijden.

    Zoals onderzoek heeft aangetoond, 
is de Islamitische Staat een meester in het gebruik van socialemedianetwerken voor financiering en rekrutering, waardoor hun terrorisme kan blijven groeien. Zoals onderzoekers onlangs ontdekten zijn de meeste van die sociale medianetwerken van IS vooral actief in Europa, en minder in het Midden-Oosten.

    Het is duidelijk dat de aanslagen in Parijs niet de laatste zullen zijn. 
Landen als India worden al als voornaamste doelwit aangemerkt door internationale terreurorganisaties als Al-Qaida en IS. Alleen maar toegeven dat er een dreiging bestaat is niet voldoende. Er is een gezamenlijke reactie nodig, zowel intern als op internationaal vlak. Tenzij naties het erover eens worden hoe ze gezamenlijk de gesel van het terrorisme kunnen bestrijden, zullen ze gedoemd zijn voor altijd de rol te spelen van het slachtoffer van terrorisme.

    Saikat Datta is journalist, auteur van een boek over India’s Speciale Eenheden en gastonderzoeker voor de Observer Research Foundation. Hij houdt zich ook bezig met zaken als contraterrorisme, inlichtingenkwesties en cyberbeveiliging.

    Auteur: Saikat Datta
    Vertaler: Peter Bergsma

    Saikat Datta is journalist, auteur van een boek over India’s Speciale Eenheden en gastonderzoeker voor de Observer Research Foundation. Hij houdt zich ook bezig met zaken als contraterrorisme, inlichtingenkwesties en cyberbeveiliging.

    Scroll.in
    India, scroll.in
    Website die is opgericht in 2013 door een team van prijswinnende journalisten. Het biedt een onafhankelijk nieuwsoverzicht en kritische analyse van de belangrijkste politieke en culturele verhalen die vormgevend zijn voor hedendaags India.

  • 4. Waarom le Bataclan?

    4. Waarom le Bataclan?

    In de Franse media wordt druk gespeculeerd over de vraag waarom bij de aanslagen van vrijdag-de-dertiende de ‘rocktempel’ Le Bataclan aan de boulevard Voltaire een van de doelwitten was. Een bevredigend antwoord wordt niet gegeven.

    De zaal werd een jaar of tien geleden een enkele maal afgehuurd door joodse organisaties in Parijs voor het geven van benefietvoorstellingen ten bate van de goede doelen van de Magav, de Israëlische grenspolitie. Le Bataclan heeft wel eens een joodse eigenaar gehad. De Eagles of Death Metal, de Amerikaanse band die er vrijdagavond optrad, heeft niet lang geleden ook in Israël een concert gegeven. Maar het blijft gissen. Het meest voor de hand liggend: er waren veel mensen bijeen in een kleine ruimte en het was een relatief gemakkelijk doelwit zonder al te veel bewaking.

    Le Bataclan – oorspronkelijk Ba-Ta-Clan, naar een destijds populaire operette van Jacques Offenbach uit 1855 – heeft een lang en wisselvallig verleden. De zaal werd in 1865 gebouwd als café-concert naar een ontwerp van een architect, Charles Duval, die ook al niet een onuitwisbaar stempel op Parijs heeft gedrukt. Het was de tijd van de ‘chinoiseries’: het dak kreeg de vorm van een pagode. Beneden was het café met biljartzalen, boven de danszaal. Tijdens de belegering van Parijs door de Duitsers in 1870 en de daaropvolgende opstand van de Commune deed het café dienst als veldhospitaal.

    Er traden in later tijden veel revuemeisjes op en beroemdheden als Aristide Bruant, Maurice Chevalier (die er zijn debuut maakte), en ook Buffalo Bill kwam 
er met zijn Wild West-show.

    42 79231420

    In 1926 werd het café-concert voor het eerst ingrijpend verbouwd: Le Bataclan werd een bioscoop en bleef dat tot 1969. Daarna werd het gebouw jarenlang als opslagruimte gebruikt. In 1983 begon het aan een tweede leven als concertzaal voor rockbands van allerhande pluimage. Opnieuw werd er binnen een ingrijpende verbouwing uitgevoerd, en de voorgevel herkreeg de oorspronkelijke beschildering in rood en geel.

    In september van dit jaar werd Le Bataclan overgenomen door de Groupe Lagardère Entertainment, waarvan onder meer ook het vrouwentijdschrift Elle, de uitgeverij Grasset en het radiostation Europe 1 deel uitmaken. 


    Auteur: Patrick Straumann
    Vertaler: Peter Bergsma

    Neue Zürcher Zeitung
    Zwitserland, dagblad, oplage 155.000
    Een van de oudste kranten ter wereld. Dagblad van wereldklasse bekend om zijn intellectuele diepgaande stijl en zijn liberale signatuur.

  • 3. ‘Frankrijk kan   rekenen op zijn voorsteden’

    3. ‘Frankrijk kan rekenen op zijn voorsteden’

    In een café vlak bij het Stade de France in Saint-Denis zijn de stamgasten woedend op de terroristen. ‘Men zal zich tegen de moslims keren.’

    Sommigen lezen de krant aan de bar, zwijgend. Anderen, op het trottoir, vertellen, praten met elkaar, discussiëren. Op deze zaterdagochtend is café La Royale, op een steenworp van het Stade de France in Saint-Denis, in rumoerige rouw gedompeld. Hier heeft bijna iedereen vrijdagavond de ontploffingen gehoord die door de drie zelfmoordenaars werden veroorzaakt. Al heel gauw verspreidde de angst zich door de wijk: ‘Mijn neef en mijn schoonzus waren in het stadion, maar we konden ze niet bereiken. Mijn moeder moest bijna overgeven,’ vertelt Hassen (45). Otman was aan het werk in een van de pizzeria’s voor het sportcomplex: ‘Het eerste wat ik heb gedaan was mijn familie bellen om te zeggen dat ze moesten maken dat ze weg‑kwamen of naar huis moesten gaan. Het is afgelopen, we zijn niet veilig meer.’ ‘Wat er is gebeurd heeft ons tot in het diepst van onze ziel geraakt,’ voegt Aziz, een vijftiger van Tunesische afkomst, eraan toe.

    Tarek (33) heeft twee verschillende avonden meegemaakt. De ene was ‘goed, want we hebben Duitsland verslagen met voetbal’. De andere was ‘walgelijk’. Hij fluistert dat het ‘erger’ was dan de aanslagen van januari 2015. Allereerst vanwege het aantal doden: ‘Dat is onvoorstelbaar.’ Hij voegt eraan toe: ‘En ten tweede kenden we geen zelfmoord
aanslagen in Frankrijk. We waren er niet op voorbereid.’ Hij heeft die nacht geen oog dichtgedaan. ‘Hoe kun je na zoiets slapen? Ze hebben ons aangevallen in onze eigen wijk. Zoiets als vrijdag
avond heb ik nog nooit gezien. Er was enorm veel politie op de been, maar als je naar hun gezichten keek, zag je dat ze allemaal geschokt waren,’ zegt Tarek, die ‘in het verzet’ is gegaan. ‘Frankrijk is in oorlog, het kan rekenen op zijn voorsteden.’

    Alles op één hoop

    Hassen, die persabonnementen verkoopt, benadrukt: ‘We stonden achter Charlie Hebdo en de vrijheid van meningsuiting. Maar nu hebben ze heel Frankrijk getroffen, om het even wie.’ Je merkt dat de mensen radeloos zijn. ‘Hoe kun je jezelf opblazen vanwege ideeën, in naam van een godsdienst?’ vraagt Hassen. ‘De wereld is tot stilstand gekomen. Het is volkomen geschift.’ Janel, van oorsprong Algerijns, verzucht: ‘De islam verbiedt bloedvergieten en zelfmoord. Hoe kun je zover komen?’ Zijn familie heeft in de jaren negentig het terrorisme van de FIS, een islamitisch-fundamentalistische Algerijnse groepering, meegemaakt: ‘De avondklok, de noodtoestand. Juist daarom zijn we naar Frankrijk gevlucht.’

    Tarek begrijpt het niet: ‘Ik ben een Franse moslim. Hier kan ik bidden, ramadan vieren. Als je er extreme ideeën op nahoudt, moet je hier niet willen blijven.’ De identiteit van de plegers van de aanslagen, waarvoor de verantwoordelijkheid is opgeëist door IS, baart hun zorgen: ‘Dit zal zich ongetwijfeld tegen de moslims, tegen de mensen uit de voorsteden keren,’ vreest Hassen. 
De term ‘alles op één hoop gooien’ keert telkens terug, vooral met het oog op de naderende verkiezingen. ‘Er zal vooral met een schuin oog naar één deel van de Franse bevolking worden gekeken, en dat is eerlijk gezegd wel te begrijpen,’ laat Tarek zich ontvallen. Om er even later op terug te komen: ‘We moeten de eenheid bewaren. We moeten ons geen angst laten aanjagen door de terroristen. Je kunt je niet gewonnen geven in je eigen wijk. Het zal tijd kosten om erbovenop te komen, maar we moeten ze laten zien dat ze ons met hun aanslagen alleen maar sterker maken.’ Hij hoopt ook dat de media niet in een ‘stigmatiseringsspiraal’ zullen vervallen en dat François Hollande ‘het volk kracht zal weten te geven om zich te verenigen’.

    ‘Toen ik Hollande vrijdagavond op tv zag, leek hij in paniek. Hij heeft me niet gerustgesteld’

    Deze oproep tot ‘nationale eenheid’ wordt door alle klanten gesteund. 
‘De politici moeten ophouden met 
kibbelen,’ zegt Jamel, ‘anders wordt 
het van kwaad tot erger.’ Hij maakt zich zorgen over de komende regionale verkiezingen: ‘Wie profiteert er van deze misdaden? Het Front National…’ Soms vallen er harde woorden: ‘Als ik een van die terroristen te pakken krijg, knevel ik hem en gooi hem in het zoutzuur.’ Een andere jongen: ‘We zullen onze wijk met hand en tand verdedigen!’

    Volgens Jamel heeft Frankrijk (een ‘grootse natie’) een echte leider nodig, ‘iemand als De Gaulle of Chirac. Toen ik Hollande vrijdagavond op tv zag, leek hij in paniek. Hij heeft me niet gerustgesteld.’ Hij roept op tot meer grenscontroles: ‘Tussen de migranten die momenteel naar Frankrijk komen zitten misschien wel terroristen.’ Hij wil dat mensen die van plannen voor een aanslag worden verdacht ‘het land worden uitgezet’. En als het Fransen zijn? ‘Dan moet je ze hun nationaliteit ontnemen!’ Hassen benadrukt: ‘Je moet de goeden van de kwaden scheiden!’ Met luide stem vraagt hij zich af, verwijzend naar Syrië, Egypte en Libië, ‘of een goede dictator niet beter zou zijn om het terrorisme te bestrijden.’ Tarek gaat nog verder: ‘Als je twijfels over iemand hebt, moet je niet aarzelen. Dan stop je hem in de gevangenis.’

    Auteur: Sylvain Mouillard
    Vertaler: Peter Bergsma

    Libération
    Frankrijk, dagblad, oplage 151.000
    In 1973 opgericht door o.a. Jean-Paul Sartre. De krant hoort inmiddels bij de grote, serieuze Franse dagbladen. Nieuwsgierig en brutaal.

  • Vanavond zal mijn gezin niets overkomen. Maar daarna?

    Vanavond zal mijn gezin niets overkomen. Maar daarna?

    Financial Times-correspondent Simon Kuper zat in het stadion op vrijdag de 13de. Net als zijn kinderen houdt hij erg van Parijs. Maar hij vraagt zich nu voor het eerst af of hij er wel wil blijven wonen.

    Keuze uit het archief

    In Parijs werden deze week de terroristische aanslagen van 13 november 2015 herdacht. Dat ze een enorme impact hadden op het gevoel van veiligheid van de burgers, blijkt ook weer uit dit artikel van FT-correspondent Simon Kuper, die de aanslagen van dichtbij meemaakte. De vraag die hem na 13 november bezighield was: wil ik in Parijs blijven wonen? ‘Ik ben bang dat angst en gevaar hier misschien wel het nieuwe normaal worden.’

    Ik zat in het stadion naar de wedstrijd Frankrijk-Duitsland te kijken, toen ik de eerste explosie hoorde. Hij klonk heel hard en het leek of hij van vlak buiten het stadion kwam. De meeste mensen negeerden het geluid, of begonnen zelfs te juichen: voetbalpubliek is gewend aan vuurwerk. Zelfs na de tweede explosie, een paar minuten later, bleef de stemming onder het publiek goed en de wedstrijd ging gewoon door.

    Frankrijk-Duitsland is het soort eersteklas vermaak voor mensen in Parijs wonen: de wereldkampioen die tegen het land komt spelen dat over zeven maanden gastheer van het
Europese Kampioenschap is. Uren na de wedstrijd hoorden we dat bij twee zelfmoordaanslagen vijf mensen waren omgekomen en nog veel meer gewonden waren gevallen, vlak buiten het stadion, een paar honderd meter van de plek waar wij hadden gezeten.

    Het was een avond vol onzekerheid, van erachter proberen te komen wat er in hemelsnaam aan de hand was. Na de explosies bleef het publiek,
bizar genoeg, gewoon naar de wedstrijd kijken en voor de Franse doelpunten juichen. Ik keek al niet meer. Ik was online met mijn laptop, volgde het nieuws dat binnenkwam, verschrikkelijk nieuws, en vroeg me af: moet ik mijn kinderen hier wel grootbrengen?

    Ik woon al dertien jaar in Parijs. In mijn ogen functioneerde de stad altijd prima. Het is al eeuwenlang een van de echt grote steden. Ze hebben er hun eigen portie aan terroristen, maar de meeste Parijzenaren gaan over etnische grenzen heen aardig goed met elkaar om.

    – © Christophe Ena  / AP Photo
    – © Christophe Ena / AP Photo

    Vooral via de school en de voetbalclub van mijn kinderen hebben we min of meer vanzelf vriendschappelijke contacten opgebouwd met mensen van heel verschillende achtergrond, of die nu Arabisch is, christelijk, niet-religieus of Joods. Pas geleden nog zat bij
ons aan de keukentafel een islamitisch stel uit Senegal – onze kinderen spelen al sinds de crèche met elkaar – en ze vroegen zich af waarom niet iedereen gewoon met elkaar kan opschieten. In de Parijse agglomeratie wonen twaalf miljoen mensen boven op elkaar, vaak met een kort lontje, maar tot nu toe is dat uitstekend gegaan. Parijs is een wonder. Samen hebben we de Charlie Hebdo-aanslagen doorstaan. De meeste Parijzenaren houden zich niet bezig met de grote, wereldwijde strijd tussen religies. Net als de meeste mensen elders willen ze alleen maar hun leventje leiden, hun hypotheek afbetalen en ’s avonds onderuitzakken voor de televisie, met vrienden uit eten of naar een voetbalwedstrijd gaan.

    Na Charlie Hebdo zijn we allemaal doorgegaan met ons leven. De school van mijn kinderen ligt naast een nogal duidelijk doelwit voor terroristen, en zij raakten eraan gewend dat daar soldaten met machinegeweren stonden als ze ’s morgens langsliepen. Na een tijdje zagen ze het nauwelijks meer.

    Maar vanavond vraag ik me voor het eerst af of we wel in Parijs kunnen blijven. Le Bataclan, het populaire café annex concertzaal waar tientallen mensen zijn neergeschoten, ligt een paar honderd meter van ons huis. (Het ligt ook om de hoek bij het voormalige Charlie Hebdo-redactiegebouw). Ik heb een paar keer bij Le Bataclan gegeten, ben er talloze keren langsgelopen. Nu zal het voorgoed herinnerd worden als een plek des doods.

    Daarnet belde een vriend. Hij zat te eten in de straat waarin ook Le Bataclan ligt. Een politieagent had hem verteld welke kant hij op moest vluchten. Hij klonk hysterisch aan de telefoon. Ik hoop dat hij hier overheen komt.

    Mijn vrouw was uit eten met vrienden. Toen de schietpartijen begonnen waren mijn kinderen thuis met de oppas. Ik belde de oppas en vroeg haar, een beetje onzinnig, om de deur op slot te doen. Straks zal ik proberen een Uber-taxi te krijgen van het stadion naar huis in het centrum van Parijs, dat nu wel een oorlogsgebied lijkt, waar op allerlei plekken geschoten wordt, op loopafstand van onze flat.

    Vanavond zal mijn gezin waarschijnlijk niets overkomen. Maar daarna? In Parijs gaat het er juist om dat je de stad gebruikt. Iedereen hier woont in een krap appartementje. Er zijn vrijwel geen achtertuinen waar je kunt barbecueën of tikkertje kunt spelen met je kinderen en waar je jezelf van de wereld kunt afsluiten. In Parijs woon je om uit te gaan, om met vrienden af te spreken in een café als Le Bataclan, om gesprekken te voeren met intelligente mensen uit de hele wereld, om naar voetbalwedstrijden te gaan of naar het 
Louvre – waar vanavond ook een schietpartij in de buurt was. In Parijs gaat het om de openbare ruimte – 
de cafés, de culturele ontmoetingsplaatsen en de pleinen. Geen stad heeft betere. En als die openbare ruimte gevaarlijk wordt – de Parijse autoriteiten hebben nu gezegd dat mensen niet de deur uit moeten gaan, tenzij er een ‘absolute noodzaak’ is – valt de stad uit elkaar.

    Het probleem is dat er maar een paar mannen met een geweer nodig zijn om een plek onleefbaar te maken

    Ik denk niet dat dit een botsing
tussen beschavingen is. Ik zie het als een botsing van een paar duizend jihadisten met een geweldige stad. Het probleem is, zoals we ook hebben gezien in voormalig Joegoslavië of
in Libanon, dat er maar een paar mannen met een geweer nodig zijn om een plek onleefbaar te maken.

    Misschien klinkt dit hysterisch. Ik schrijf het op een emotionele avond. Misschien is alles over een week of twee weer normaal, net zoals na Charlie Hebdo, en net zoals in New York een paar maanden na de aanslagen van 11 september. Als dat zo is, blijf ik misschien nog wel dertien jaar in Parijs. Maar ik ben pessimistisch. Ik ben bang dat angst en gevaar hier misschien wel het nieuwe normaal worden.

    Ik weet niet hoe ik dit mijn kinderen moet vertellen. Ze houden van Parijs. Ze beschouwen zichzelf als Parijzenaren. Ze hebben nooit ergens anders gewoond en zeggen vaak dat we nooit mogen verhuizen. Maar ik kan tegenover hen niet doen alsof alles in orde is. Hun voetbalwedstrijd morgen zal denk ik wel afgelast worden. Normaal gesproken zouden we in het park in de buurt gaan spelen. Nu weet ik niet zeker of dat wel een goed idee is.