Attila Hildmann, een kok die in Berlijn werd geboren uit Turkse ouders, maar opgroeide bij Duitse adoptieouders, is sinds eind 2020 op de vlucht en houdt zich schuil in Turkije. Tegen deze extreemrechtse complotdenker loopt een internationaal arrestatiebevel. De Turkse ambassade heeft laten weten dat Hildmann de Turkse nationaliteit heeft, waardoor hij niet uitgeleverd kan worden, schrijft Freie Presse.
Het Openbaar Ministerie in Berlijn is al langere tijd bezig met Hildmann, die zichzelf omschrijft als ‘ultrarechts’ en als een complotverspreider. Tegen hem lopen aanklachten wegens opruiing, verdenking van aansporing tot het plegen van een misdrijf en verzet tegen ordehandhavers. De voormalige auteur van veganistische kookboeken trok sinds het begin van de pandemie in toenemende mate de aandacht met steeds flagrantere antisemitische berichten op Telegram.
Nieuw-Zeelanders die vier jaar in Australië hebben gewoond en een Special Category Visa (SCV) hebben – het visum dat de meeste Nieuw-Zeelandse burgers bij aankomst krijgen – kunnen vanaf 1 juli rechtstreeks het Australische staatsburgerschap aanvragen. Het is de laatste stap in de toenadering van de Australische premier Anthony Albanese tot Nieuw-Zeeland; eerder dit jaar werden de regels voor deportatie van veroordeelde Nieuw-Zeelanders al versoepeld. ‘We weten dat hier veel Nieuw-Zeelanders zijn met een SCV die een gezin grootbrengen, werken en een leven opbouwen. Ik ben er trots op hun de voordelen van het Australische staatsburgerschap aan te kunnen bieden,’ citeert de Sydney Morning Herald.
Dit jaar is het 50 jaar geleden dat een regeling in werking trad die Australiërs en Nieuw-Zeelanders de vrijheid bood om zonder beperkingen een van beide landen te bezoeken, er te wonen en te werken. In Australië wonen ongeveer 350.000 Nieuw-Zeelanders.
Sir David immersief
In Londen is vorige maand The BBC Earth Eperience geopend, ingesproken door de grootste troefkaart die de omroep heeft: Sir David Attenborough. De nieuwste attractie in de hoofdstad is een grote immersieve tentoonstelling, waarin bezoekers door alle zeven continenten van de wereld kunnen wandelen, door dichte regenwouden, langs wilde dieren, reptielen en insecten, maar altijd met de kalme en veilige stem van Sir David in het oor. Haarscherp geluid en verschillende camerastandpunten schijnen tot een overrompelend spektakel te leiden in het immense Daikin Centre in Earls Court.
De inflatie heeft inmiddels ook de prijs voor het beloven van de eeuwige liefde bereikt. Althans, als je van plan bent dat te doen vanaf een gewilde romantische plek in de Italiaanse stad Verona. Het bedrag om aldaar gebruik te mogen maken van het balkon van Julia (van Romeo), wordt verdubbeld van 50 naar 100 euro. Daarvoor mag je – net als jaarlijks duizenden andere geliefden – tien minuten vertoeven op het balkon. Dat zou voldoende moeten zijn om ringen uit te wisselen en elkaar de eeuwige liefde te beloven, aldus Corriere della Sera.
Verder biedt de stad van Romeo en Julia al sinds jaar en dag de mogelijkheid om een burgerlijk huwelijk te sluiten op enkele fraaie locaties: in Palazzo Barbieri bijvoorbeeld, het neoklassieke stadhuis, of in het Museo degli Affreschi, dicht bij ‘het graf’ van Julia, of in ‘het huis van Julia’ zelf. Alles tussen aanhalingstekens uiteraard, want de scheidslijn tussen feit en fictie is er dun.
Ook al is Nigeria de grootste olieproducent van Afrika, de wachtrijen bij benzinepompen zijn er lang en de tarieven voor openbaar vervoer onberekenbaar vanwege de onbetrouwbare toevoer van brandstof. Daarom is Mustapha Gajibo (30) in Maiduguri begonnen met Phoenix Renewables, een start-up voor elektrische voertuigen, schrijft MIT Technology Review. Ondanks de scepsis over de beperkte oplaadmogelijkheden begon hij met het elektrisch maken van bestaande minibusjes en kekes, gemotoriseerde driewielers.
‘Veel mensen geloven niet dat elektrische mobiliteit mogelijk en commercieel levensvatbaar is,’ zegt Gajibo. Maar langzaamaan wint hij terrein. Zijn bedrijf onderhoudt nu een tiental elektrische minibussen die met een volle accu 150 kilometer kunnen afleggen; volledig opladen kost ongeveer 1,30 euro. Gajibo en mede- oprichter Sadiq Abubakar Issa hebben een zelfontworpen oplaadstation op zonne-energie van 60 kilowattuur in hun stad neergezet en mikken op meer stations.
Inmiddels zijn ze overgestapt van het ombouwen van benzinemotoren naar nieuwgebouwde elektrische voertuigen. De eerste is een bus met twaalf zitplaatsen, gemaakt van lokaal geproduceerde materialen, met een actieradius van 200 kilometer, die met zonne-energie in 35 minuten kan worden opgeladen via een geïntegreerd systeem. Tijdens een testmaand in Maiduguri vervoerden zijn busjes 35.000 passagiers. Een nieuwe minibus met verbrandingsmotor kost ruim 9000 euro; zoals de busjes op zonne-energie van Gajibo. Het uiteindelijke doel is om te concurreren met Tesla.
Fietsstad Parijs
Een fietsschool in het 20e arrondissement van Parijs heeft een maandenlange wachttijd voor fietslessen die op zaterdagochtend worden gegeven à 50 euro per trimester. Niet zo gek, want burgemeester Anne Hidalgo maakt haast met het fietsvriendelijker maken van Parijs. Overal verschijnen fietspaden en de auto is op zijn retour. In de jaren negentig telde Parijs zo weinig fietsers dat ze elkaar kenden en in de stad lag amper 5 kilometer aan fietspaden. Nu ligt er al 250 kilometer. In oktober 2020 werd het aantal van 400.000 fietsritten per dag overschreden – dat komt neer op een fietsrit per vijf inwoners. Sindsdien is het verkeer op de drukste fietspaden in de stad met ruim twintig procent gestegen, schrijft het New Yorkse digitale magazine Slate.
Volgens het Atelier Parisien d’Urbanisme, de gemeenteafdeling voor planning, daalde het aantal autoritten binnen Parijs tussen 2001 en 2018 met bijna 60 procent; autoritten tussen de stad en haar voorsteden daalden met 35 procent. Het aantal auto-ongelukken nam af met 30 procent en ook de vervuiling is verminderd. Door een enorme investering in het openbaar vervoer – in buscorridors, trams en metro’s – is het gebruik van het openbaar vervoer in diezelfde periode met bijna 40 procent gestegen. Maar de stad is nog niet klaar en zal nog enkele radicale stappen zetten.
Vanaf volgende zomer worden nog uitsluitend voertuigen met beperkte uitstoot toegelaten en na 2030 gaan auto’s op fossiele brandstoffen helemaal in de ban. Er komt een verbod op doorgaand verkeer in het stadscentrum en mogelijkheden tot parkeren op straat worden gehalveerd. De Champs-Elysées wordt voetgangersvriendelijk gemaakt en de ringweg gaat op de schop. Voorstanders juichen omdat Parijs een schonere, groenere, koelere en stillere stad zal worden. Tegenstanders vinden dat de hoofdstad een speelgoedstad wordt, die vijandig staat tegenover mensen die een auto voor hun werk nodig hebben en die steeds ontoegankelijker wordt voor mensen van buiten.
Premier omzeilde het parlement om pensioenwet door te voeren
In meerdere Franse steden is het dit weekend zeer onrustig geweest naar aanleiding van de aangekondigde pensioenhervorming van de Franse regering, schrijft Le Monde. Aanleiding is de actie van de premier Elisabeth Borne, die aankondigde grondwetsartikel 49.3 te gebruiken om een stemming over de hervorming in het parlement te omzeilen. De premier vreesde geen meerderheid te hebben voor de hervormingsplannen.
Ook in steden als Nantes, Bordeaux en Marseille is het al dagen onrustig
De actie wordt door oppositieleden als ondemocratisch gezien en machtige vakbonden, studentenorganisaties en tegenstanders van de regering gingen massaal de straat op om tegen de beslissing te protesteren. In onder meer Parijs ging het er gewelddadig aan toe: de oproerpolitie werd bekogeld en er werden brandende barricades opgezet. Politieagenten moesten meerdere malen traangas en waterkanonnen inzetten om de menigte uiteen te drijven.
Ondanks een verbod op protesten in Parijs gaan mensen nog steeds de straat op. Tientallen mensen zijn inmiddels opgepakt. Ook in steden als Nantes, Bordeaux en Marseille is het al dagen onrustig. Volgens veel betogers gaan ze er financieel op achteruit door de pensioenhervorming en zullen ze daarnaast langer moeten werken.
Na intense en langdurige intellectuele inspanningen stapelt een molecuul – glutamaat – zich op in bepaalde delen van onze hersenen, waardoor het moeilijker wordt om te redeneren en besluiten te nemen. Zo worden we gewaarschuwd dat het tijd is om te stoppen met werken, toont een Franse studie.
Zelfs professionele schakers kunnen, na vier of vijf uur spelen, grote fouten gaan maken. Bedenk maar eens hoe uitgeput je kunt zijn na een dag van intense intellectuele inspanning. Die cognitieve vermoeidheid is geen verzinsel, maar heeft een fysiologische basis. Dat is de conclusie van een Franse studie die op 11 augustus werd gepubliceerd in Current Biology.
Intensieve en langdurige geestelijke inspanning zorgt voor ophoping van glutamaat, een bijproduct van neuronen, in bepaalde gebieden van de laterale prefrontale cortex. Dat is de plek in de hersenen waar onze hogere geestelijke functies worden geregeld. De ophoping van glutamaat verandert de werking van onze neuronen.
De tests duurden zes uur en een kwartier, ‘met halverwege een pauze van tien minuten’
‘Deze vermoeidheid zou daarom een signaal kunnen zijn om te stoppen met werken, zodat onze hersenen naar behoren blijven functioneren,’ zegt Mathias Pessiglione, neurowetenschapper aan het Herseninstituut (ICM) van het Pitié-Salpêtrière-ziekenhuis in Parijs en coördinator van het onderzoek. Het komt dan dus niet, zoals lang werd gedacht, door uitputting van de hoeveelheid glucose in de bloedbaan.
Het Parijse team rekruteerde veertig vrijwilligers: twintig mannen en twintig vrouwen. De meesten van hen waren studenten, met een gemiddelde leeftijd van 24 jaar. Zij werden willekeurig in twee groepen verdeeld: de eerste groep moest cognitieve taken uitvoeren die veel aandacht vereisten en de tweede groep, de controlegroep, moest vergelijkbare taken doen, maar dan makkelijker. De tests duurden zes uur en een kwartier, ‘met halverwege een pauze van tien minuten‘, aldus Pessiglione.
Tests
Een van de tests was de ‘n-terug’-taak. Aan de deelnemers werd gevraagd aan te geven of de laatste letter in een reeks overeenkomt met dezelfde letter die n-posities eerder is te zien. Bijvoorbeeld: F-B-L-B heeft een ‘2-terug’-overeenkomst, want er staat een B twee stapjes terug in de rij; de reeks B-F-L-B heeft dan dus een ‘3-terug’-overeenkomst. De mensen in de controlegroep deden de ‘1-terug’-test en die in de testgroep de ‘3-terug’-test, een taak die veel moeilijker is.
Een andere test was de ‘n-switch’-taak. Hierbij was de kleur van een getoonde letter bepalend. Als die letter rood was, moesten de deelnemers aangeven of het om een medeklinker of een klinker ging. Was hij groen, dan was de vraag of het een hoofdletter of een kleine letter betrof. Bij het achtereenvolgens tonen van de letters wisselde de kleur ervan in de testgroep veel vaker, zodat hun test moeilijker was.
De tests vonden plaats in vijf sessies van 75 minuten. De onderzoekers vergeleken de twee groepen met elkaar en keken ook binnen elke groep naar wat er in het hoofd van de deelnemers omging. Tijdens sessies 1, 3 en 5 deden de deelnemers hun test in de tunnel van een MRI-scanner (Magnetic Resonance Imaging). Een conventionele MRI-scan toont hoe het bloed door de hersenen stroomt, zodat is te zien welke gebieden van de hersenen aan het werk zijn. Maar nu gebruikten de onderzoekers een andere techniek voor het verzamelen van gegevens: magnetische resonantie-spectroscopie, waarmee je de concentraties van verschillende stoffen in de hersenen kunt gemeten. Deze techniek maakt het ook mogelijk te analyseren hoe deze stoffen zich over korte afstanden verspreiden. ‘Als een molecuul vrijkomt in de synapsen [de ruimten tussen de neuronen], zal het veel gemakkelijker diffunderen [zich verspreiden van een hoge naar een lage concentratie] dan wanneer het in de cellen is opgesloten,’ legt Pessiglione uit.
Naarmate de dag vorderde stelden de onderzoekers ook andere tekenen van cognitieve vermoeidheid vast
Laten we eerst eens kijken naar wat er gebeurde in het hoofd van de deelnemers tijdens de tests. In de laterale prefrontale cortex van de groep die veeleisende taken uitvoerde, steeg de concentratie glutamaat met 1,5 procent, terwijl deze in de controlegroep met 9 procent daalde. Maar echt van belang is de diffusie van dit molecuul: in dit hersengebied nam de hoeveelheid in de eerste groep toe met 7,2 procent, en in de controlegroep met slechts 1,6 procent. ‘Na meer dan zes uur intense cognitieve inspanning stapelde glutamaat zich op in de synapsen van de laterale prefrontale cortex,’ concludeert de neurowetenschapper. Anderzijds werd er geen accumulatie van glutamaat waargenomen in het visuele gebied, achteraan in de hersenen, een gebied dat ook in actie komt bij deze tests. Deze paradox ‘blijft een mysterie,’ aldus Pessiglione.
Verwijde pupillen
Naarmate de dag vorderde stelden de onderzoekers ook andere tekenen van cognitieve vermoeidheid vast, maar alleen bij de deelnemers die de moeilijkste taken kregen toebedeeld. Hun pupillen verwijdden zich bijvoorbeeld minder dan normaal tijdens het nemen van beslissingen – een bekend teken van vermoeidheid.
Een andere vermoeidheidstest was een binaire keuzetest: de proefpersonen moesten kiezen voor een onmiddellijke geldelijke beloning dan wel voor een beloning die met weinig inspanning zou worden verkregen, of voor een hogere beloning, maar dan later of met grotere moeite verkregen.
‘Naarmate de dag vorderde werd er steeds meer gekozen voor de eerste optie,’ aldus Pessiglione – opnieuw een klassiek teken van vermoeidheid. Zijn observatie komt overeen met wat het onderzoek uitwees: ‘Als je uren achtereen continu ingespannen aandacht moet opbrengen, verstoort het glutamaat dat zich ophoopt in je synapsen het functioneren van de neuronen in je laterale prefrontale cortex, het gebied dat betrokken is bij redeneren en besluitvorming. Logischerwijs wordt dan dus ook je controle over beslissingen verstoord.’ Daardoor zul je de voorkeur geven aan handelingen die weinig inspanning vragen en die een onmiddellijke beloning opleveren.
Daarom is het ‘gezond verstand’-advies: neem na een dag van intense intellectuele inspanning geen belangrijke beslissingen
Kunnen we deze rem op de motor van ons brein vermijden? ‘Er bestaat geen wonderrecept,’ zegt Pessiglione. Glutamaat is een van de belangrijkste neurotransmitters in de hersenen: het zorgt ervoor dat neuronen met elkaar kunnen communiceren. ‘Maar als het in overmaat in de synapsen vrijkomt, verandert het de communicatieoverdracht tussen de zenuwen. Bovendien ontstaat er een tekort in de neuronen.’
Bij dieren werkt deze verstoring bijvoorbeeld epileptische aanvallen in de hand. Daarom is het ‘gezond verstand’-advies: neem na een dag van intense intellectuele inspanning geen belangrijke beslissingen. En vooral: ga slapen! Slaap zorgt ervoor dat glutamaat wordt gerecycled: overtollig glutamaat wordt uit de synapsen verwijderd en een deel wordt teruggegeven aan de neuronen.
‘Veel verschijnselen van geestelijke vermoeidheid, zoals een burn-out, staan waarschijnlijk in verband met deze overmatige afgifte van glutamaat,’ concludeert Pessiglione. Zijn team heeft overigens dezelfde hersen- en gedragskenmerken aangetroffen bij atleten die lijden aan het syndroom van overtraining, een aandoening die vergelijkbaar is met het burn-outsyndroom.
De regio Parijs brengt de laatste jaren meer voetbaltalent voort dan Azië, Afrika en Noord-Amerika bij elkaar. Sportjournalist en Financial Times-columnist Simon Kuper legt uit hoe dat komt.
Keuze uit het archief
De deze week overleden Braziliaanse voetballegende Pelé is de enige voetballer ooit die drie WK’s wist te winnen. Voetbalkenners zeggen dat de huidige Franse voetbalster Kylian Mbappé misschien wel de enige voetballer is die dat ook kan bereiken. Hij komt in ieder geval uit de juiste omgeving: de regio Parijs is een haast overstromende vijver aan voetbaltalent. In dit stuk uit 2018 ontdekken we waarom.
Bijna tien jaar geleden noemde [Arsenal-coach] Arsène Wenger de regio Parijs de op een na beste leverancier van voetbaltalent, na het Braziliaanse São Paulo. Maar inmiddels staat de Franse hoofdstad onbetwist aan de top.
Ziehier een paar hedendaagse spelers die in de Parijse regio zijn opgegroeid: Paul Pogba, Anthony Martial, N’Golo Kanté, Kingsley Coman, Blaise Matuidi en Kylian Mbappé, plus drie andere spelers die tot de vaste opstelling van Paris Saint-Germain behoren, de Algerijnse internationals Riyad Mahrez en Yacine Brahimi, en diverse Senegalese en Marokkaanse internationals die tijdens het komende Wereldkampioenschap zullen spelen. In feite brengt Île-de-France waarschijnlijk meer talent voort dan Azië, Afrika en Noord-Amerika bij elkaar. Hoe komt dat?
Dat vraag ik me ook elk weekend af.
Ik woon in Parijs en sta meestal op zaterdagochtend langs de lijn bij voetbalwedstrijden van mijn kinderen. Over het algemeen verlopen die ochtenden volgens een vast patroon: je propt je in iemands auto en rijdt naar een spartaans maar goed onderhouden sportcomplex in de banlieues, de buitenwijken. Mijn favoriete complex, in een banlieue die vroeger communistisch stemde, heet ‘Stade Karl Marx’. Gewoonlijk is het er ijskoud. De velden worden in de regel omringd door sjofele appartementencomplexen. De meeste Parijse banlieues zijn onaantrekkelijk, maar ondanks buitenlandse vooroordelen over deze regio zijn het geen verpauperde, van terroristen vergeven inferno’s. Saai is waarschijnlijk de beste omschrijving.
Terwijl de kinderen zich omkleden, halen de ouders koffie, idealiter bij een lokale bakkerij of in het ergste geval bij een automaat in het clubhuis. Daarna komen er jongens van allerlei tinten uit de kleedkamers gestroomd. Op het hek rond het nieuwerwetse kunstgrasveld hangen vaak borden met ‘Fairplay’, dat in het Frans als één woord wordt geschreven. Tijdens de wedstrijd zie je meestal een aantal behoorlijk indrukwekkende passeerbewegingen. Je moet zelf de score bijhouden want aan het eind worden er geen uitslagen bekendgemaakt, doelbewust beleid van de voetbalbond om kinderwedstrijden niet uit de hand te laten lopen. Na afloop geeft iedereen elkaar een hand. Tegen lunchtijd kun je eindelijk naar huis om te ontdooien.
De mars naar de voetbaltop van Île-de-France is geleidelijk verlopen. De meeste banlieues van de metropool werden in de naoorlogse decennia gebouwd; naarmate er meer mensen kwamen wonen, voornamelijk immigranten, en er meer sportcomplexen werden gebouwd en bemand, werd het plaatselijke voetbal beter.
Aanvankelijk werd het meeste talent hier waarschijnlijk niet gescout. Geen van de spelers in het Franse team dat in 1984 het EK won groeide op in de Parijse regio. In 1998 telde het Franse wereldkampioensteam drie memorabele voortbrengselen van de Parijse banlieues: Thierry Henry, Patrick Vieira en Lilian Thuram. Tegenwoordig levert de regio in de regel meer dan een derde van het Franse team. Ondertussen was 27 procent van de spelers in het Franse eredivisieseizoen 2013-2014 geboren in Île-de-France, tegen 10 procent in 1995-1996, aldus Bastien Drut en Richard Duhautois in hun boek Sciences sociales football club.
Alleen maar voetbal
In 2016 vroeg ik Pogba tijdens een interview in Turijn waarom er zoveel talent is in de Parijse banlieues. Zijn antwoord: ‘Omdat er alleen maar voetbal is. Op school of buiten in de wijk, iedereen voetbalt. En dat helpt mensen om niet niks te doen of stommiteiten uit te halen. Elke dag is er de bal. En verder niks.’
Het extreemste geval is misschien wel Les Ulis, een satellietstad van Parijs die zo geïsoleerd is dat je er niet eens een treinstation vindt. De plaatselijke voetbalclub heeft Henry, Martial en Patrice Evra voortgebracht.
Pogba groeide op met zijn moeder en oudere tweelingbroers in de oostelijke satellietstad Roissy. Naast hun vroegere appartementencomplex is een klein sportveld, met basketbalringen en voetbalgoals. Dat is typerend: in deze dichtbevolkte voorsteden wemelt het op de speelplaatsen van de kinderen die aan hun krappe appartement ontsnappen om een balletje te trappen. Zelfs in het smartphonetijdperk oefenen velen van hen de talloze uren die nodig zijn om de top te bereiken, zonder dat ze worden afgeleid door vakanties of vioolles. Om diezelfde reden brengen Amerikaanse binnensteden basketbalsterren voort.
Veel vaders in de Parijse banlieues wijden hun leven (meestal tevergeefs) aan het opleiden van hun kinderen tot voetbalmiljonairs. Pogba’s vader, een immigrant uit Guinee, trainde zijn drie zoons (die allemaal prof werden) met ballen die hij keihard had opgepompt, omdat hij dacht dat daardoor hun schotkracht zou verbeteren. In het arme Seine-Saint-Denis, ten noordoosten van Parijs, coachte ook de Kameroense vader van Mbappe zijn zoon, zowel thuis als op zijn plaatselijke club AS Bondy. Die combinatie is cruciaal. Zelfs de armste Franse banlieue beschikt over een door de staat gesubsidieerde sportclub met gediplomeerde trainers.
Op een korte wandeling vanaf het vroegere appartementencomplex van Pogba bevindt zich de plaatselijke club, US Roissy. In een naar de grootse naam ‘Bureau Football’ luisterende ruimte hangen getekende shirts van alle drie de broertjes Pogba. Op de enige tribune van het hoofdveld vroeg ik Pogba’s vroegere jeugdtrainer, Sambou Tati (nu voorzitter van de club), of de kleine Paul altijd al prof wilde worden.
‘Alle jongens willen prof worden,’ zei Tati. ‘Het enige probleem was dat hij dribbelde. Dan zei ik: “Nee, Paul, zo verlies je tijd. Als je dat doet ben je geen goede speler.”’ En Tati imiteerde Pogba’s woeste reactie: ‘Waah!’ Maar Pogba leerde ervan, min of meer.
In deze banlieues, misschien wel meer dan waar ook ter wereld, wordt talent verbeterd door een efficiënte, door de staat bevorderde sportstructuur. De beste buurtkinderen promoveren algauw naar het profcircuit. Volgens Jamel Sandjak, voorzitter van de bond van Paris-Île-de-France, is vergeleken met de rest van Frankrijk ‘het gemiddelde niveau hoger in Île-de-France en zijn de jongeren gemotiveerder om prof te worden. De profclubs hebben bijna overal in onze regio scoutingnetwerken.’
Als Mbappe wat minder bedreven was geweest, zou hij waarschijnlijk hebben gespeeld voor het Kameroen van zijn vader, of voor het geboorteland van zijn moeder, Algerije
Zo werd Pogba op zijn dertiende gerekruteerd door de voetbalacademie van Le Havre. ‘Ze hadden hem al lange tijd gevolgd,’ zei Tati. ‘Op de dag dat Le Havre hem contracteerde, wilde Le Mans hem ook hebben, maar ze visten achter het net.’ Op zijn vijftiende vertrok Pogba naar Manchester United.
Tegenwoordig zou hij waarschijnlijk zijn gespot door een beter georganiseerd Paris Saint-Germain, dat ervoor zorgt geen enkel talent in de regio over het hoofd te zien. Maar ook de buitenlandse concurrentie snuffelt inmiddels rond. De allerbeste spelers stromen door naar Clairefontaine, de Franse nationale academie in de bossen ten zuidwesten van Parijs. Dankzij deze infrastructuur groeide Mbappe uit tot een angstaanjagende combinatie: een geboren atleet die de beste coaching ter wereld genoot. Hij dribbelt en scoort, maar hij kan ook passeren en doet zijn werk in de defensie.
Als Mbappe wat minder bedreven was geweest, zou hij waarschijnlijk hebben gespeeld voor het Kameroen van zijn vader, of voor het geboorteland van zijn moeder, Algerije. Veel kinderen van Afrikaanse immigranten die het in Frankrijk niet redden kiezen voor een ander nationaal elftal. Pogba’s tweelingbroers zijn international bij Guinee, terwijl het Algerijnse team, dat zo goed presteerde tijdens het WK van 2014, voor driekwart uit in Frankrijk geboren spelers bestond. Senegal komt deze zomer in Rusland uit met een half dozijn spelers uit Île-de-France.
In 2018 staat de Parijse talentenpoel voor twee grote uitdagingen. Frankrijk, aantoonbaar het getalenteerdste nationale team ter wereld, is van plan het WK te winnen. En Paris Saint-Germain hoopt zijn eerste Champions League te winnen met een team dat veel meer van eigen bodem is dan waarnemers willen geloven.
Ondanks alle ophef rond Neymar maken keeper Alphonse Aréola (24), centrale verdediger Presnel Kimpembe (22), middenvelder Adrien Rabiot (22) en de 18-jarige Mbappe dit seizoen deel uit van de vaste PSG-opstelling – allemaal geboren in of rond Parijs. Als PSG oplettender was geweest, zou het nog een andere plaatselijke speler hebben gestrikt, Kingsley Coman, die op zijn negende naar de PSG-academie ging maar op zijn achttiende door Juventus werd weggepikt. (Een jaar later ging hij naar Bayern München.)
Zelfs zonder hem zou een PSG-overwinning echt een Parijse overwinning zijn, die een licht-aubade door de Eiffeltoren zeker zou verdienen.
In 1998 opgericht als aanvulling op het gelijknamige televisienetwerk dat 24 uur per dag sportgerelateerde programma’s uitzendt. Het blad is eigendom van de Disney-groep en wist een plek op de markt te veroveren naast Sports Illustrated, waarvan wekelijks 3 miljoen exemplaren over de toonbank gaan. De luchtige lay-out en rijk geïllustreerde verhalen wonnen veel prijzen.
In het Musée des Arts Décoratifs, gevestigd in een vleugel van het Palais du Louvre in Parijs, is tot en met januari 2023 een retrospectief te zien van de Italiaanse modeontwerpster Elsa Schiaparelli, vriendin en inspiratiebron van Salvador Dalí.
Shocking, de tentoonstelling over het werk van Elsa Schiaparelli (1890-1973), belicht voornamelijk de samenwerking die de modeontwerpster aanging met surrealistische kunstenaars zoals Salvador Dalí, Jean Cocteau en Man Ray. Vooral met Dalí deelde zij een gemeenschappelijke neiging tot grapjes maken en provoceren.
Schiaparelli plaatste het liefst accenten daar waar ze in de haute couture niet thuishoorden: handen op riemen, aspirines op halskettingen, krekels op knopen en klauwen op de vingertoppen van handschoenen. Die ‘grapjes’ veranderden overigens als dat zo uitkwam in praktische ontwerpen, zoals een jas met een borststuk dat een veldfles kon verbergen, ten tijde van de drooglegging, toen ze in New York woonde en werkte.
Schiaparelli plaatste het liefst accenten daar waar ze in de haute couture niet thuishoorden
Het beroemdste stuk uit de samenwerking met Dalí is de ‘kreeftenjurk’ uit 1937, een avondjurk van crèmekleurige zijde met daarop een grote gekookte kreeft, gedecoreerd met takjes peterselie. Het was een van de vele ontwerpen die Schiaparelli maakte ter gelegenheid van het huwelijk van de Amerikaanse Wallis Simpson en de Britse koning Edward VIII, die na zijn aftreden de titel hertog van Windsor droeg. De inspiratie voor het ontwerp kwam van Dalí’s Lobster Telephone, een werk dat de Spanjaard in 1936 had gemaakt voor de Britse dichter Edward James.
Ook te zien in Parijs is Schiaparelli’s Shoe Hat (1937-1938), een zwart-roze hoed in de vorm van een schoen met hoge hak. Die was geïnspireerd op een door Dalí’s vrouw Gala gemaakte foto waarop haar man op komische wijze één vrouwenschoen op zijn hoofd draagt en de andere op zijn schouder.
Rivaal Chanel
Tijdgenoot Coco Chanel kon Schiaparelli’s innige band met de surrealisten niet uitstaan, zo is te lezen in Schiaparelli’s biografie Shocking Life. Chanel zou haar steevast ‘die Italiaanse kunstenares die kleren maakt’ noemen en Schiaparelli noemde Chanel op haar beurt ‘die hoedenmaakster’. Het verhaal gaat zelfs dat Coco Chanel haar rivaal een keer ten dans vroeg en haar richting kandelaar bewoog, waar zij vlam vatte.
Maar Schiaparelli liet zich ook inspireren door onder meer de verzen van Ovidius, en door circus en muziek. Zonder enige terughoudendheid bedrukte en borduurde zij stoffen met wat er ook maar in haar opkwam. Ze bezat een ongebreidelde fantasie en een speelsheid die destijds niet alledaags waren.
Een voormalige ober onthult wat er achter de klapdeur van een Parijse bistro gebeurt. Hij vergelijkt de hectiek in de keuken met een aards inferno. ‘De chef-kok duwt me tegen de muur, zijn mes vlak bij mijn oog.’
Keuze uit het archief
De Deense topchef René Redzepi kondigde deze week aan te vertrekken bij het wereldberoemde sterrenrestaurant Noma. Hij wordt beschuldigd van fysiek en verbaal geweld richting personeel. Daarmee lijkt er sprake te zijn van een cultuuromslag: ondergeschikten pikken het niet langer om door hun chef-kok geïntimideerd te worden.
In dit artikel van The Telegraph uit 2022, een fragment uit het boek A Waiter in Paris, doet ober Edward Chisholm uit de doeken hoe het er in de Parijse bistro Les Deux Magots achter de schermen aan toegaat. Het stuk sluit naadloos aan bij de onthullingen van de afgelopen week.
‘Veel mensen zien een restaurant in Parijs misschien als iets moois, een goed geoliede machine vergelijkbaar met een goed getraind leger, iets wat al eeuwen op rolletjes loopt. Dat beeld klopt niet. Een restaurant in Parijs is een tweemaal daagse oefening in crisisbeheer en winstmaximalisatie en eerlijk gezegd, nu ik weet hoe het werkt, kan ik vertellen dat het een wonder is dat de gerechten zoals jij ze besteld hebt op tafel belanden. Een restaurant in Parijs is in werkelijkheid een inefficiënte bedoening, bemand door onderbetaalde en ondervoede slaven.’
Dat zegt Edward Chisholm, die tien jaar geleden aan de grond zat in Parijs en een baan kreeg in een restaurant dat het midden hield tussen een buurtbistro en een sterrentent, en zich profileerde als ‘een soort Mekka waar mode en goed eten bij elkaar komen: het hedendaagse Parijs in een notendop’.
Dat betekende dat hij twaalf tot veertien uur per dag moest werken, slechts gevoed door koffie en sigaretten
Chisholm, beter bekend als ‘l’Anglais’, ‘de Engelsman’, begon als runner, de laagste positie op de ladder van de bedieningshiërarchie. Dat betekende dat hij twaalf tot veertien uur per dag moest werken, slechts gevoed door koffie en sigaretten, en tijdens zijn pauzes in een hokje van de herentoiletten in een naburig luxehotel wat bijsliep.
De klapdeur achter in het restaurant vormde voor Chisholm het begin van een groot avontuur en van een levenslange liefde voor Frankrijk en Europa. Plotseling werd hij ingewijd in een van de meest iconische steden op aarde. Hij ontdekte een verborgen wereld bevolkt door dieven, immigranten zonder papieren, ex-soldaten, zogenaamde acteurs, drugsdealers en meer.
Zoals de vergeten arbeiders in veel rijke steden zwoegden ze gezamenlijk in de schaduw van de Lichtstad, in de hoop dat dat tijdelijk was en het echte leven ergens om de hoek lag. Hier moesten ze alleen even doorheen.
Nu, tien jaar later, heeft Chisholm een boek geschreven over zijn ervaringen. Het volgende fragment beschrijft de gruwelen van de Passage en de grote gevaren die op de loer liggen wanneer je de bovenkeuken betreedt…
Afdaling naar de eethel
Een restaurant in Parijs is als een bijenkorf, met jullie, de gasten, bovenaan, en de keukens ergens beneden. Maar het knooppunt van deze operatie, de plek die deze twee werelden verbindt en waar ik het grootste deel van mijn tijd doorbracht, heet de Passage.
Dit vagevuur van zes vierkante meter met lage plafonds is de plek waar al het eten en drinken langskomt, hetzij vanuit de keukens richting restaurant, hetzij op de terugweg in de vorm van vuile borden en glazen. Hier komen ook de obers samen, een groep buitenbeentjes die meer weghebben van een goed geklede straatbende dan van een groep obers in een chic restaurant in Parijs.
De Passage is de poort naar de onderwereld, compleet met zijn eigen Hellehond in de vorm van drie linke Sri Lankanen die geen genade kennen en hun werk verrichten in een ruimte ter grootte van een cockpit, slechts verlicht door een kaal peertje. Ze dragen vuile laboratoriumjassen die ooit wit waren en die bij de knopen opbollen door de vele lagen kleding eronder. Ook al zijn deze mannen de bewakers van het inferno beneden, in de Parijse winters werken ze bij ijskoude temperaturen aangezien de Passage voor de zomer ook een opening heeft naar het terras, die in de winter attent wordt afgedekt met een dun metalen luik.
De leider van de bende in Le Bistrot de la Seine is Nimsath, een kleine pezige man met diepe groeven in het gezicht, een intense blik en vinnige houding, die schijnbaar altijd op het punt staat te ontploffen. Hij is donker en gespierd. Hij zou eind twintig of veertig kunnen zijn – dat is lastig te bepalen aan de hand van zijn uiterlijk. Hij maakt een prachtig grommend geluid als hij boos is. ‘Tamiltijger, vrijheidsstrijder,’ blaft hij dan. ‘Niet Sri Lankaans, niet Indiaas, Ingleeshman.‘
De mannen die de Passage beheren, blijken allemaal lid te zijn van een guerrillaorganisatie
De tweede Tamil is reusachtig, met zeer donkere trekken. Alle obers noemen hem Baloo. Hij heeft vriendelijke ogen en beweegt zich langzaam en doelgericht, alsof hij bang is iets te breken. De derde heet Mani. Ik heb hem niet eerder gezien. Hij zegt niets, kijkt alleen naar me en glimlacht.
De mannen die de Passage beheren, blijken allemaal lid te zijn van een guerrillaorganisatie die sinds 2006 op de zwarte lijst van de Europese Unie staat. Uit gesprekken met Nimsath en de andere Tamils blijkt dat het geharde soldaten zijn, met genoeg gruwelverhalen om de obers door de tragere diensten te loodsen. Je kunt je soms moeilijk voorstellen dat deze mannen die daar borden aan het stapelen zijn en tegen de obers schreeuwen, bedreven zijn in lijf-aan-lijfgevechten en weten hoe ze een guerrilla-aanval op een gewapend konvooi moeten plannen en uitvoeren.
Kwijtgeraakt bord
Van iedereen die in het restaurant werkt respecteer ik Nimsath waarschijnlijk het meest. Niemand werkt harder. Een meter zestig, louter spieren en agressie. De obers mogen dan schreeuwen en tekeergaan over een kwijtgeraakt bord, ze weten allemaal dat Nimsath hen met gemak in elkaar timmert. Hij hoeft het niet te zeggen, je ziet het aan de blik in zijn ogen. Tegelijkertijd heeft hij iets komisch, haast kinderlijks.
Natuurlijk probeert het management met haar kleingeestige regeltjes soms de onafhankelijke geest van de Tamils te breken. Maar ze onderschatten hen en weten waarschijnlijk niet precies met wie ze te maken hebben. Want hoe zwaar het ook wordt, de Tamils krijg je er niet onder. Ze breken niet. Op momenten dat het wat rustiger is, stel ik me graag voor dat Corentin, de manager, de Passage binnenkomt om hen te berispen, waarna de Tamils als uit een schuttersputje tevoorschijn sluipen, messen tussen de tanden geklemd, om ‘het gevaar te neutraliseren’. Mogelijk sleept Baloo daarna het nog warme lijk van Corentin terug de Passage in om het vervolgens op gepaste wijze te laten verdwijnen.
Als enige Engelsman in het restaurant kreeg ik snel de naam, of misschien de identiteit van l’Anglais, de Engelsman. Ik kwam erachter dat die naam op veel verschillende manieren kan worden uitgesproken: met afkeer, bewondering, achterdocht. Maar niemand schept er meer genoegen in mijn naam te roepen dan Nimsath, die de voorkeur geeft aan de Engelse versie, die hij uitspreekt als Ing-gleeesh-maan.
Behalve deze vrij oppervlakkige buitenkant, weet niemand iets over mij. Niemand lijkt ook erg geïnteresseerd, en dat is prima. We zijn hier tenslotte om te werken, en alleen daarop word ik beoordeeld. Maar voor Nimsath heb ik een zekere fascinatie. Hoewel onze levens totaal verschillen en de redenen waarom we hier zijn nog meer, ziet Nimsath ons als gelijken: we zijn beiden buitenlanders in Frankrijk. En hij heeft een obsessie met Londen. Dat is een voordeel, want ik ontdek al snel dat je voor een succesvolle baan als runner maar beter de Tamils, en in het bijzonder Nimsath, aan jouw kant kan hebben.
Als gast denk je dat je naar een restaurant gaat om te eten, maar wat je daadwerkelijk wordt verkocht is een illusie
Als gast denk je dat je naar een restaurant gaat om te eten, maar wat je daadwerkelijk wordt verkocht is een illusie. Het is doodeenvoudig theater. En jouw ober, de eerste en laatste schakel in de keten die jou, die boven zit, verbindt met de arme drommels die onder de grond lopen te zweten en te vloeken, is de grootste acteur van allemaal.
Vergeet niet dat de ober slechts één doel heeft en dat is ervoor zorgen dat jouw bestelling precies op tijd op jouw tafel terechtkomt. Het lijkt zo eenvoudig. Daarom verwijt je hem soms dat hij onaardig is en laat je na hem fooi te geven. Maar om zijn eenvoudige doel te bereiken, moet de ober ervoor zorgen dat Nimsath en de andere Tamils in de Passage prioriteit geven aan jouw bestelling. Simpel gezegd betekent dit dat hij de Tamils paait, onder druk zet en overhaalt om andere bestellingen even te laten voor wat ze zijn, en tegelijkertijd gerechten van andere obers steelt zodat hij zijn eigen bestelling compleet heeft en kan wegbrengen.
Dit proces wordt bemoeilijkt door het feit dat elke ober precies hetzelfde doet. En ze doen het omdat ze jouw fooi willen. Als runner sta ik regelmatig aan de ontvangende kant van al deze stress. De obers hebben het vaak zo druk met het afhandelen van verzoeken van hun tafels dat ik regelmatig met strikte instructies naar de Passage wordt gestuurd om iets te halen dat nog ontbreekt. Als er dan een probleem is, is het dus meteen mijn schuld: zo is het leven aan de onderkant van de voedselketen nu eenmaal. En als ik snel iets moet regelen, dien ik me tot Nimsath te wenden.
Niet meer dan een concept
De gebeurtenissen in het restaurant laten Nimsath koud: het restaurant ligt weliswaar direct achter de klapdeur, maar voor hem is het niet meer dan een concept, ongeveer net zo vaag en onbestemd als Londen. De wereld van Nimsath bestaat uit de zes vierkante meter waar hij werkt. Of een Hollywoodster misschien op haar seizoensgroenten wacht en een van de obers op het punt staat mij te vermoorden, interesseert hem geen moer. Zijn werk is eenvoudig: het eten arriveert, hij doet zijn best om complete bestellingen samen te voegen zonder al te veel inmenging van de obers; de vuile borden die binnenkomen stuurt hij terug naar beneden. En als je iets van hem gedaan wil krijgen, tja, dan zal je dat moeten verdienen.
Je zal je fooien met hem moeten delen; je zal moeten accepteren dat hij jouw gerechten soms aan iemand anders meegeeft en dus met hem in discussie moeten gaan en daarbij, als vast onderdeel van je baan, elk denkbaar Tamil-scheldwoord voor je kiezen krijgen; en ten slotte zal je tegen hem terugschreeuwen, en wel in het Tamil, want elke zichzelf respecterende Parijse runner of ober spreekt wel een klein beetje Tamil. Maar als de dienst dan voorbij is en de slachtoffers geteld zijn, drink je weer koffie met hem en hoop je dat hij je van wat overgebleven voedsel kan voorzien, want je hebt al acht uur niet gegeten. En dan praat je over van alles en nog wat totdat de volgende keer exact hetzelfde gebeurt. Het is een herhaling van herhalingen.
Als runner is mijn positie ten opzichte van de Tamils extra zwak aangezien ik geen fooien krijg en ze dus ook niet kan delen, hoewel zij volgens mij denken dat ik gewoon gierig ben. In theorie is het de bedoeling dat de obers mij elk drie euro geven voor mijn werk, maar dat doen ze zelden en het is vernederend om ze aan het eind van de dienst als een Oliver Twist met uitgestoken hand langs te gaan.
Het gevolg is dat het Nimsath geen zier kan schelen of de obers tegen me schreeuwen dat ik de ontbrekende pommes dauphinoises voor tafel 487 moet gaan halen. Ik heb meer harde valuta nodig om dit alles draaiende te houden, ik moet fooi gaan verdienen en niet alleen om de Tamils om te kopen, ook om van te kunnen leven. Tot die tijd heb ik één troefkaart wat Nimsath betreft: Londen. Maar hoelang dat zal duren? Ik heb geen idee.
‘Londen goed, Parijs slecht’ is zijn vaste uitspraak.
Voor Nimsath is het ondenkbaar dat ik Londen heb verlaten, waar, volgens hem, iedereen vriendelijk is en je nooit als slaaf wordt behandeld. De kans dat hij ooit Londen zal bereiken is klein, en dat weet hij. Dus neemt hij er genoegen mee mij vragen te stellen in gebroken Engels in de hoop dat hij door met mij, een echte Engelsman, te spreken op de een of andere manier dichter bij zijn droom komt.
Als de dienst voorbij is, wikkelt Nimsath zich, net als de andere Tamils, in nog meer lagen kleding en vertrekt hij naar de vergeten buitenwijken. Ik weet niet precies waar hij woont, maar hij beschrijft een plek met verwaarloosde torenflats waar de liften niet meer werken en de bewoners hun boodschappen met touwen omhoog moeten hijsen. Geen wonder dat hij denkt dat Londen beter is. Bovendien kan hij nooit meer terug naar Sri Lanka, zegt hij.
‘Tamiltijger, vrijheidsstrijder,’ mompelen de Tamils in zichzelf als ze het zwaar hebben.
Nimsath is al tien jaar in Parijs, waarvan hij het merendeel in de Passage heeft doorgebracht. Hij is weliswaar geen soldaat meer, maar hij vecht nog steeds voor zijn vrijheid.
Onderbemand
Het is lunchtijd en we zijn onderbemand. Een Amerikaanse vrouw houdt me staande, verontwaardigd dat haar filet de boeuf niet à point is, zoals gevraagd, maar absoluut saignant. De opengesneden, roze binnenkant van het gewraakte stuk vlees staart me aan als een oude wond. Wat zij heeft gekregen is wat Franse koks medium zouden noemen, zeg ik beleefd; misschien wil ze het eerst proeven? Met taalgebruik dat eerder thuishoort in de Passage duwt de dame me het bord in handen en draagt me op me uit de voeten te maken. Je raakt er als ober al snel aan gewend dat mensen menen tegen je te kunnen praten alsof je tot een lagere soort behoort.
In de Passage kan de timing niet slechter zijn. Bijna alle obers zijn er, en de sfeer is giftig. Je hebt Lucien, mijn onwillige Gallische gids; De Souza, een kleine, voormalige bokser met gebroken neus; Salvatore, een Siciliaan zo groot als een beer; Renaud, de beroepsober met het onbetrouwbare gezicht; Jamaal, scheel en bedrieglijk en natuurlijk Adrien, de maître d’ouvrage, met zijn vettige blonde haar, zijn puisterige gezicht en zijn bijbaantje als cokedealer van de directie.
De beschuldigingen vliegen in het rond, Nimsath schreeuwt obsceniteiten in het Tamil, en De Souza en Renaud staan tegenover elkaar, met Adrien als bemiddelaar. De Souza zegt iets over Renaud, die opnieuw fooien zou hebben gestolen. Renaud lacht hem uit.
Nimsath weigert botweg het vlees terug te sturen naar de keuken. De andere obers zijn het daarmee eens en ik word de Passage uitgewerkt en teruggeduwd naar het restaurant.
Ik zal het vlees zelf naar de bovenkeuken moeten brengen, besluit ik. Daar ben ik nog nooit geweest. We moeten er uit de buurt blijven. Het kastenstelsel houdt ons strikt gescheiden. Uit de bovenkeuken komen de belangrijkste onderdelen van elk gerecht: het vlees en de vis. Ze worden met dienstliften naar beneden gestuurd. Daar voegen de Tamils ze met de rest van het gerecht samen.
Bovenaan de trap tref ik een ruimte aan ter grootte van een cockpit, met aan alle kanten op vol gas vlammende kookplaten
Ik stel me de bovenkeuken voor als een redelijk glamoureuze plek, gezien de prestige, vol hoogopgeleide mensen die belangrijk culinair werk verrichten op glanzende metalen werkbladen met behulp van chique apparatuur. Bovenaan de trap tref ik echter een ruimte aan ter grootte van een cockpit, met aan alle kanten op vol gas vlammende kookplaten.
Het lawaai is oorverdovend, een aanhoudend kabaal van afzuigkappen, ventilatoren, sissend vlees, metaal dat tegen metaal klettert en geschreeuw. Boven de hoofden bevindt zich een klein raampje, dat gesloten is. De intensiteit van de hitte is onbeschrijfelijk. De zwarte muren en het plafond zijn bedekt met grote plekken condens. Tussen de vlammen staan vijf Afrikaanse mannen. Grote mannen in doorweekte, bevuilde kokskleren. Het lijkt hier meer op een ijzersmederij in een afgelegen Romeinse buitenpost dan op een Parijse keuken. Ik zie hoe stukken schroeiend vlees en sissende vis uit de pannen worden geschept en op borden worden gegooid om na een snelle veeg met een vuile doek met de liften naar beneden te worden gestuurd.
De chef-kok zwaait de scepter over dit aardse inferno
De chef-kok zwaait de scepter over dit aardse inferno. De enige witte man in de keuken. Een Corsicaan. Een reus van een man die een mes hanteert dat zo groot is dat het waarschijnlijk ooit van Hercules zelf is geweest. Hij wijst, prikt, snijdt, smeert met het mes, slaat ermee op metalen oppervlakken. Een man vol schuimbekkende woede. Niets is ooit goed genoeg. Een kleine printer spuugt aan één stuk door kaartjes uit die hij zo woest afscheurt dat de machine van de muur dreigt los te komen. De bestellingen schreeuwt hij bruut in de oren van de koks, alsof hij er intens behagen in schept hen met een dergelijke minachting te behandelen.
‘Deux poulets! Trois loups! Un filet – bien cuit!’ Hij buigt zich naar hen toe als hij in hun oren schreeuwt: ‘Heb je me verdomme gehoord?’
‘Oui, chef!‘ roepen ze als in trance eenstemmig terug. Ze nemen niet eens de moeite om zijn spuug van hun wangen te vegen.
‘Bon, espèce de connard. Encore! Deux magrets! Un loup! Trois saumons!’
‘Deux veaux!’
Dan ziet hij mij. ‘Flikker op jij!’
Ik sta daar als een idioot met het uitgestoken bord.
Hij wijst op me met het reusachtige mes. ‘Heb je me niet begrepen? Va te faire foutre! Fils de pute!’
Door de zenuwen laat mijn Frans me in de steek en ik stotter. Het voelt alsof ik me in een trainingsscène uit een film over de Vietnamoorlog bevindt.
‘Dégage! Deze biefstuk is medium. Jouw klant is niet speciaal. Ze is een pute!’
Hij keert terug naar zijn personeel. Om de een of andere reden blijf ik staan waar ik sta, op de drempel. Vastbesloten om het vlees gegaard te krijgen.
Als hij zich weer omdraait en mij nog steeds ziet staan met het bord biefstuk in de hand, zie ik voor mijn ogen gebeuren dat hij verteerd raakt door woede, door onvervalste, pure haat. In een oogwenk duwt hij me tegen de muur, met zijn vrije hand op mijn keel en de punt van het reusachtige mes vlak bij mijn oog.
‘Hoe durf je me te vertellen hoe ik moet koken!’ schreeuwt hij.
Ik krijg geen lucht meer. Zijn bankschroefachtige greep vermorzelt mijn luchtpijp. Hij houdt mijn keel nog steeds vast, laat het mes zakken en trekt het bord uit mijn hand. De steak glijdt in een pan.
‘Cremeer het!’ schreeuwt hij naar de kok.
‘Oui, chef!’
Ik voel paniek opkomen want ik krijg nog steeds geen lucht. Ik probeer me vergeefs te ontworstelen aan zijn greep, wat hem alleen maar bozer maakt, zodat hij nog harder knijpt. Zijn adem ruikt naar sigaretten en cognac, de muur ruikt naar vlees. Nog nooit is de tijd zo langzaam voorbijgegaan. Ik sta op het punt een black-out te krijgen en dan…
‘Cramé, chef!’ schreeuwt de kok die het dichtst bij ons staat. Verbrand.
Nu laat de chef-kok eindelijk mijn keel los, pakt het stuk vlees met zijn blote hand, houdt het voor mijn gezicht zodat het mijn neus raakt, en smijt het dan op het bord, dat bijna uit mijn hand valt. Ik draai me om en haast me de trap af. Beneden raap ik mezelf bijeen. Het kost me moeite om adem te halen. Ik controleer mijn verschijning en strijk mijn haar glad. Met een servet dat aan de zijkant van het bord is blijven liggen veeg ik eerst het bord en daarna mijn gezicht af, waarna ik me een weg baan door de smalle gangen, richting het restaurant.
In de eetzaal is niets veranderd. Ik ben nauwelijks een paar minuten weg geweest. Er klinkt nog steeds het gekletter van bestek tegen borden en het geroezemoes van beleefde gesprekken, obers zwermen nog steeds rond als vliegen. Ik ga rechtstreeks naar de tafel van de Amerikaanse dame en zet het vlees voor haar neer. Ze kijkt me niet aan en bedankt me niet. Ze prikt er simpelweg met haar vork in, laat weten dat het in orde is en gaat verder met eten. Als een speer begeef ik me naar de Passage, elke gast en ober negerend die mijn aandacht probeert te trekken. Ik schreeuw naar Nimsath om water, dat ik weer ophoest als ik drink. Yulia, een van de gastvrouwen, komt me achterna gesneld. ‘Wat heb je gedaan?’
Ik kijk om. Geschrokken. ‘Wat?’
‘Je rug!’
Ze draait me om en begint te wrijven met een doek. ‘Walgelijk.’
Mijn jasje is bedekt met een laagje slijm. Vet, zweet en condens van de muren in de bovenkeuken. Gaat er nooit meer uit. En dat midden in mijn dienst. Als ik geen jasje heb, kan ik niet in de eetzaal werken en als ik niet kan werken, word ik ontslagen.
Lucien, de ober die de weinig benijdenswaardige opdracht heeft ervoor te zorgen dat ik er geen zooitje van maak, stormt naar binnen. Als ik hem vertel wat er is gebeurd, is hij onvermurwbaar: ‘Wat heb ik je nou gezegd? Hè? Je mag nooit in de bovenkeuken komen. Nooit!’
Edward Chisholm, A Waiter in Paris: Adventures in the Dark Heart of the City, Octopus.
Zes jaar na de aanslagen van 13 november heeft de rechtbank in Parijs Salah Abdeslam veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf zonder kans op vervroegde vrijlating. ‘Een uitzonderlijke straf’, schrijft Le Soir, voor het enige nog levende lid van de terreurgroep die in 2015 op verschillende plaatsen in de Franse hoofdstad een bloedbad aanrichtte.
De straf is ‘een primeur voor een terroristische daad’, merkt ook Le Temps op. ‘De openbaar aanklager had deze straf geëist, de zwaarst mogelijke volgens het Franse recht.’ De uitspraak ‘onderstreept het unieke en historische karakter van deze misdaad’, schrijft Corriere della Sera.
Experts toonden aan dat Abdelsalams bomgordel niet afging omdat hij niet werkte
Justitie geloofde niet in de verklaring van Salah Abdeslam, die zei dat hij zich op het laatste moment bedacht en niet wilde dat de bomgordel afging, meldt El País. Experts toonden aan dat de bomgordel niet afging omdat hij niet werkte.
Abdeslam was niet de enige die die dag werd veroordeeld. Het speciaal samengestelde Hof gaf onder andere ook levenslang aan Mohamed Abrini, die Abdeslam vergezelde om de Clio te huren die bij de aanslagen werd gebruikt en om woonruimte te huren in Parijs. Ook was hij betrokken bij de aanslag op het Brusselse vliegveld Zaventem.
‘Er is dus een uitspraak, maar het was vanaf het begin duidelijk dat het in dit proces om meer ging dan een vonnis’, schrijft Süddeutsche Zeitung. ‘Het was een poging om alle gevolgen te beschrijven die een dergelijk misdrijf met zich meebrengt, want 13 november 2015 veranderde Frankrijk.’
‘Frankrijk, Europa en de vrije wereld hebben een aanzienlijke aanval op hun collectieve welzijn overleefd. Voor de Russische president is het een zware slag dat Emmanuel Macron zijn extreemrechtse uitdager Marine Le Pen heeft weten te verslaan. Voorlopig heeft het Westen een trouwe bondgenoot met democratische aspiraties en principes die een anker zou kunnen zijn voor de toekomst van Europa – de regering Biden was zeer bezorgd dat Le Pen wellicht haar weg zou vinden naar het presidentiële paleis.’
‘Het resultaat van Le Pen was aanzienlijk beter dan bij de vorige verkiezingen in 2017, toen ze 34 procent behaalde in de tweede ronde. Toen haar vader in 2002 de laatste ronde haalde, won hij slechts 18 procent van de stemmen. De afgelopen twee decennia is een groeiend deel van de Franse burgers afgegleden naar de nationalistische politiek van Le Pen, met zijn vijandigheid tegenover moslims en scepsis tegenover instellingen die West-Europa sinds de Tweede Wereldoorlog grotendeels vreedzaam en verenigd hebben gehouden.’
‘Eind goed, al goed? Nee. Het politieke midden is uitgehold. De traditionele partijen zijn irrelevant geworden. En Marche van Macron is grotendeels de presidentiële verkiezingsclub gebleven die niet diep geworteld is in de regio’s. Een partij voor welgestelden in de steden, maar niet voor de gemarginaliseerden op het platteland. Ondertussen is het politieke discours in het land naar rechts verschoven. Het is Marine Le Pen gelukt wat haar vader Jean-Marie niet was gegeven: “présidentiable” te worden geacht, ofwel geschikt voor het presidentschap.’
‘De Franse president Emmanuel Macron kreeg geen respijt na zijn herverkiezing. Zijn politieke tegenstanders riepen hun kiezers onmiddellijk op ervoor te zorgen dat hem geen parlementaire meerderheid wordt geboden. Als Macron er niet in slaagt om bij de parlementsverkiezingen van 12 en 19 juni opnieuw een overwinning te behalen, dan zal het voor de pro-Europese, centristische president moeilijk worden om zijn probusiness-agenda door te voeren, met daarop onder andere impopulaire plannen om de pensioenleeftijd te verhogen.’
Het heeft zes jaar geduurd, maar Ankara heeft eindelijk het klimaatakkoord van Parijs geratificeerd. Met één beperking, schrijft Climate Change News: ondanks zijn status als ontwikkeld land heeft Turkije eenzijdig besloten de overeenkomst uit te voeren als ontwikkelingsland, waardoor het in theorie toegang zou krijgen tot financiële steun.
Climate Change News meldt ook dat de regering tegelijkertijd de doelstelling om de CO2-uitstoot te beperken tot nul in 2053 heeft goedgekeurd. Nu moeten alleen Iran, Irak, Eritrea, Libië en Jemen het verdrag nog ratificeren.
Tijdens de Olympische Spelen van Tokio werden in totaal vijfentwintig mensen in het ziekenhuis opgenomen vanwege covid-19, in plaats van de aanvankelijk gemelde vijf, aldus de organisatoren vorige week, bericht AsiaOne. ‘De eerste vijf die we rapporteerden, betrof uitsluitend het aantal overzeese gasten dat in het ziekenhuis werd opgenomen’, verklaarde Toshiro Muto, directeur van de Spelen.
Tijdens de Spelen zag Tokio het aantal gevallen stijgen tot 25.000 dagelijkse besmettingen
Het evenement werd grotendeels zonder toeschouwers gehouden. Tijdens de Spelen zag gaststad Tokio het aantal gevallen stijgen tot een recordhoogte van 25.000 dagelijkse besmettingen, maar binnen de hermetisch gesloten bubbel van ruim 50.000 Olympische bezoekers en deelnemers bleef het aantal besmettingen laag met 863 bevestigde positieve gevallen.
Italiaanse pastoor in ongenade na seks- en drugsfeesten
De veertigjarige Italiaanse geestelijke Don Francesco Spagnesi, die halverwege september zijn post als pastoor van de Annunciatie-parochie in Prato in handboeien moest verlaten omdat hij ervan wordt beschuldigd cocaïne en de ‘verkrachtingsdrug’ GBL (de grondstof voor GHB) te hebben ingevoerd en verhandeld, wordt inmiddels verdacht van nog meer kwalijke zaken. Hij zou niet alleen zeker 200.000 euro hebben verduisterd door een greep te doen in de offergaven van zijn gelovigen en in de kas van de Curie, dit alles om zijn drugshandel te financieren, maar het Openbaar Ministerie van Prato onderzoekt nu ook of de priester het toebrengen van zwaar fysiek leed dan wel verwijtbaar onzorgvuldig handelen ten laste kan worden gelegd, bericht Corriere della Sera.
Don Francesco is namelijk hiv-positief en hij zou seks- en drugsfeesten hebben georganiseerd waaraan hij zelf ook deelnam, zonder dat de andere feestvierders van zijn besmetting op de hoogte waren. Zijn ‘verloofde’ Alessio Regina, die eveneens is gearresteerd voor drugshandel, heeft dit het OM laten weten.
De van cocaïne en GLB vergeven feesten van Don Francesco en Alessio werden bezocht door artsen, managers, ondernemers en bankiers die online werden geronseld, ook al beweert het tweetal dat het slechts om ‘intimi’ ging. De feesten vonden frequent plaats en telden soms meer dan tweehonderd deelnemers.
Don Francesco zou, ondanks dat hij hiv-positief is, aan onbeschermde seks hebben gedaan
Op de vraag aan Don Francesco of hij, ondanks dat hij hiv-positief is, aan onbeschermde seks had gedaan, zou hij ja hebben gezegd tegen het OM. Het is nog niet bekend of Spagnesi daadwerkelijk iemand heeft besmet, maar het lijkt erop dat enkele van de deelnemers aan de feesten positief hebben getest op hiv. Onderzocht wordt nu of die besmettingen te traceren zijn naar Spagnesi.
Federico Fabbo, de advocaat van de in ongenade gevallen pastoor, ziet vooralsnog alleen maar ‘hypothesen’ over de handel en wandel van zijn cliënt en wijst erop dat de hiv-status van Don Francesco een bekend feit was.
Op de foto zijn de voorbereidingen in volle gang om de Arc de Triomphe aan de Champs-Élysées in 25.000 vierkante meter zilverblauw polypropyleen te verpakken, in de volgende stap werd bijeen gebonden door 7 kilometer rood koord. Inmiddels is het kunstwerk in zijn volle glorie te bewonderen.
Het project werd een jaar uitgesteld vanwege de pandemie, waardoor de Amerikaans-Bulgaarse ‘inpakkunstenaar’ Christo het zelf niet meer mee kon maken. Hij overleed vorig jaar op 84-jarige leeftijd.
De hommage aan Christo, die L’ArcdeTriomphe, Wrapped zestig jaar geleden al bedacht, is tot en met 3 oktober te zien.
De auto de stad uit en alles wat je nodig hebt in je eigen buurt; dat is de stad van de toekomst. Architecten in Barcelona, Parijs en Stockholm geven het goede voorbeeld. Twee Catalaanse wetenschappers onthullen hun plannen voor een nieuwe manier van samenleven.
Met de wereldwijde pandemie zijn ‘afstand’ en ‘tijd’ actuele onderwerpen geworden in de discussie over de verbetering van ons stadsleven. Boven op het probleem van de tweedeling in de leefruimte en de disbalans in het stedelijk milieu kampen we nu ook met de gevolgen van een jaar van beperkende maatregelen die het dagelijks leven hebben verstoord.
Vanuit het urbanisme, de studie van de stedelijke leefomgeving, worden vraagtekens gezet bij de tendens tot het steeds meer op afstand zetten en opdelen van wonen, werken en recreëren. De hypermobiliteit heeft ernstige consequenties gehad voor het milieu en de leefomgeving, en ook voor onze gezondheid en ons dagelijks leven.
Andere dagindelingen, andere plekken, andere relaties en ontmoetingen – dat is het nieuwe normaal
We hebben het ritme en de planning van ons dagelijks leven onder druk gezet om aan nieuwe eisen te kunnen voldoen en gebruik te maken van de nieuwe middelen die ons ter beschikking staan. Andere dagindelingen, andere plekken, andere relaties en ontmoetingen – dat is het nieuwe normaal, waarin de virtuele en reële contacten op een paradoxale manier steeds meer door elkaar zijn gaan lopen.
Voor dit opkomende levensmodel, waar we weinig van afweten, moeten nog alternatieven worden bedacht. We kunnen de consequenties voor ons en onze omgeving nog niet overzien. Er doemen nieuwe problemen op, en ook nieuwe manieren om de stad in te richten, processen, ideeën en projecten worden versneld. En gezien de huidige mogelijkheden van onmiddellijke communicatie, zijn er al stedelijke modellen met wereldwijde impact in de maak.
Zo maken Barcelona, Parijs en Stockholm zich sterk voor de stad van nabijheid, hun plannen hebben meerdere aspecten gemeen: het beperken van de ruimte voor autoverkeer en het stimuleren van een stedelijk leven waarin nabijheid centraal staat.
‘Superblokken’
Een project dat inmiddels veel navolging krijgt zijn de ‘superblokken’ van Barcelona. Recent werd een prijsvraag uitgeschreven voor ideeën om een aantal straten in Ensanche, de negentiende-eeuwse stadsuitbreiding van Barcelona, tot ‘groene kernen’ te maken en vier grote pleinen te creëren. Het basisidee van het voorstel was om huizenblokken in groepen van drie bij drie als eenheid te nemen voor het afsluiten van doorgaand gemotoriseerd verkeer.
‘Het zijn pure buurtstraten en dus vrij van lawaai en luchtverontreiniging’
Zo omschrijft Salvador Rueda, de bedenker van het plan, het ecologisch project: ‘Een cel van 400 bij 400 meter omsloten door een netwerk van verkeersaders die door de hele stad lopen. In de binnenstraten van die cellen geldt een maximum snelheid van 10 kilometer per uur. Ze kunnen niet gebruikt worden voor doorgaand verkeer, het zijn pure buurtstraten en dus vrij van lawaai en luchtverontreiniging.’
De bedoeling is de binnenstraten te ‘pacificeren’ en de kruispunten tot pleinen te maken. Een maatregel die heel goed past in het stratenplan van Ensanche, dat heel rechthoekig is, maar dat meer problemen oplevert in wijken met een onregelmatiger structuur of grotere verschillen in dichtheid of bedrijvigheid of bestemming.
De meest recente uitrol van het model vertoont enige variaties op het beginschema. Een aantal binnenstraten worden tezamen beschouwd als uitgebreide groene kernen, die kunnen dienen om bestaande voorzieningen, toepassingen en ruimtes met elkaar te verbinden.
Ville du Quart d’Heure
De burgemeester van Parijs, Anne Hidalgo, heeft in de campagne voor haar tweede termijn het idee van de Ville du Quart d’Heure – ‘de 15-Minuten Stad’ – als centraal agendapunt gelanceerd. Haar adviseur stadsplanning, Carlos Moreno – urbanist en van oorsprong wiskundige – staat een ecologisch en technologisch gerichte aanpak voor.
De onderdelen van Moreno’s strategie om de Franse hoofdstad CO2-vrij te maken zijn: ‘chrono-urbanisme’, nabijheid en polycentrisme. Een vernieuwde en geactualiseerde opvatting van het idee van ‘de woonwijk als eenheid’, met moderne benaderingen, methoden en instrumenten om tot duurzamere steden te komen.
Het vormt ook een mogelijk antwoord op de uitdagingen op het gebied van gezondheid en klimaat
Efficiënt omgaan met tijd, dat is wat ten grondslag ligt aan het concept van de 15-Minuten Stad. Niet alleen zou dat het welzijn van de bewoners ten goede komen, omdat het leven in de stad er eenvoudiger op wordt, maar het vormt ook een mogelijk antwoord op de uitdagingen op het gebied van gezondheid en klimaat die ons te wachten staan.
De 15-Minuten Stad en het 30-Minuten Gebied (Territoire de la Demi-Heure) beogen een herwaardering in de stad van de korte afstand. Het streven is een netwerk van nabije stedelijke functies en plaatsen die te voet of met de fiets bereikbaar zijn.
Dat alles betekent een andere benadering van de stad, zowel bestuurlijk (beheer van de Ville du Quart d’Heure) als qua levenssfeer. De inzet is een sociale en individuele transformatie van het stadsleven.
1-Minuut Stad
In Stockholm ijvert het gemeentebestuur, net als in de rest van Zweden, voor de 1-Minuut Stad. Door middel van innovatie en bestuurlijke samenwerking bevorderen ze de transitie naar meer duurzaamheid. Ze zetten gezamenlijke projecten op om te experimenteren met oplossingen die bijdragen aan de ontwikkelingsdoelen voor 2030.
In 2020 ondertekenden negen steden het akkoord Viable Cities, gericht op de ontwikkeling en coördinatie van klimaatmaatregelen op landelijk niveau. Twee initiatieven voor een herinrichting op straatniveau springen eruit: Future Streets en Street Moves, beide in Stockholm.
Het idee is dat bewoners deelnemen aan de inrichting van hun straat
De voorstellen zijn hyperlokaal, ze hebben betrekking op de eigen woonstraat, maar kunnen ook in breder verband en verspreid over de stad worden toegepast. De kern is een verbeterde inrichting en functionering van de straten. De prototypes en pilots, waarbij bewoners werden betrokken, zijn één op één herhaalbaar. Oplossingen met nieuwe stedelijke omgevingen en situaties worden ontwikkeld en beproefd in reëel bestaande omstandigheden.
Zo heeft de Zweedse groep ArkDes een constructiekit ontwikkeld voor een nieuw gebruik van de straten in de stad.
Dan Hill, hoofd design van het Zweedse onderzoeks- en ontwikkelingsinstituut Vinnova en leider van Street Moves zegt dat ze wilden leren van het tactisch urbanisme, maar dan op een strategische manier. Het initiatief, dat het concept van de 15-Minuten Stad nog dichter bij de burgers brengt, stelt bewoners in staat installaties bij hun voordeur aan te brengen en daarmee zelf de 1-Minuut Stad aan te kleden. Het idee is dat bewoners deelnemen aan de inrichting van hun straat, zodat beter tegemoet wordt gekomen aan de behoeften van de gemeenschap en de bewoners zich echt thuis voelen in hun wijk.
Care City
In het kader van het nog lopend herzieningsplan met de naam 22@Barcelona, hebben wij een voorstel uitgewerkt om in de wijk Poblenou een hogere graad van nabijheid te creëren, rekening houdend met het contrast tussen de verschillende deelomgevingen.
In deze Barcelonese wijk bestaan diverse werelden naast elkaar: historische kernen, flatgebouwen, voormalige industriële terreinen die tot stedelijk erfgoed behoren en die een herbestemming krijgen, nieuwbouw en hotels en andere elementen van de dienstensector. Daarom streven wij, uitgaande van een analyse van de verschillen, naar een nieuw evenwicht tussen de productieve en reproductieve stad, tussen werk- en zorgvoorzieningen, zodat de kwaliteit van het stadsleven gelijkelijk wordt verdeeld.
Onze strategie is: werken met wat er al is om een nieuw stramien te vormen waarin zulke verschillende ruimtes tot hun recht komen. Wij analyseren de centraliteit en de nabijheid, zowel op stedelijk als lokaal niveau, in termen van de ruimtelijke ordening en de activiteitenintensiteit, van ruimtes en randgebieden, van woonblokken en de straat- en voorzieningenomgeving.
De nadruk wordt gelegd op de rol van scholen als multifunctionele ruimtes en als centrale hubs van de wijk
In ons voorstel besteden we speciaal aandacht aan de bestaande educatieve centra en hun potentieel om te opereren als ruimtes waar verschillende mensen en functies samenkomen. Er zijn legio maatregelen en voorstellen om de relatie van scholen tot hun stedelijke omgeving te verbeteren, maar in dit initiatief wordt de nadruk gelegd op de rol van scholen als multifunctionele ruimtes en als centrale hubs van de wijk.
Deze benadering dwingt tot een heroverweging van de ruimtelijke posities van de scholen en hun onderlinge relaties, hun toepassingsmogelijkheden en hun specifiek sociale en fysieke omgeving, hun verbinding met andere gebouwen en andere stedelijke activiteiten, alsmede de andere collectieve ruimtes van de wijk. Het resultaat is een Schotse ruit, een stramien van stedelijke stroken en ruimtes, van nabijheden en een distributie van centraliteiten.
Meer dan een nieuw netwerk van straten of kernen, behelst ons voorstel een beter begrip en versterking van de dynamiek in het netwerk van relaties en bestaande patronen, van de voetgangersgebieden en de fijnmazige distributie van dagelijkse activiteiten, alsmede de relaties tussen het binnen en buiten van de woningen op straatniveau. Het leven beneden op straat van een stad die we koesteren en die ons koestert.
De stad is een geheel van verschillende omgevingen, culturen, plaatsen, activiteiten, snelheden, tijden, collectieven en individuen
In de stad zijn ‘tijd’, ‘ruimte’, ‘nabijheid’ en ‘centraliteit’ relatieve begrippen. Zoals Crasi zegt: ‘Achter de koraalachtige, homogene schijn van de stedelijke structuur schuilen overlappende, autonome systemen en contouren van de realiteit, gegenereerd door elementen die daadwerkelijk door de verschillende sociale groepen worden beleefd en gekend.’
We moeten bereid zijn om het urbanisme en de steden te zien en te begrijpen als iets wat tegelijk technisch, politiek en sociaal is, maar ook tegenstrijdig en conflicterend. Als een dynamische plek waarin verschillende fysieke relaties, gebruiken, stromingen, individuen, belangen en behoeftes, materiële en immateriële zaken op elkaar inwerken.
De stad is een geheel van verschillende omgevingen, culturen, plaatsen, activiteiten, snelheden, tijden, collectieven en individuen. We moeten haar bekijken vanuit een ecologische visie, aldus Capra: ‘in staat om de wereld te zien, niet als een verzameling geïsoleerde objecten, maar als een netwerk van fundamenteel onderling verbonden en wederzijds afhankelijke fenomenen’. Een doordachte ecologie die ‘de intrinsieke waarde van alle levende wezens erkent en de mens ziet als slechts een van de vele strengen in het web van het leven’.
Ze behoren tot de rijkste steden ter wereld – Parijs, Hongkong en Santiago – maar toch hadden ze de afgelopen jaren te kampen met massale demonstraties. ‘Economische groei zonder eerlijke verdeling en ecologische duurzaamheid is een recept voor wanorde, niet voor welzijn.’
Dossier De straat op
Overal ter wereld zijn gefrustreerde burgers de afgelopen jaren straat op gegaan om hun politieke of economische eisen kracht bij te zetten. In de meeste landen is men woedend over de ongelijkheid en de schaamteloze corruptie van de politieke klasse, terwijl met name de jongere generatie met moeite het hoofd boven water kan houden. De coronapandemie heeft de sociale tegenstellingen – maar ook de urgentie om hier iets aan te veranderen – alleen maar vergroot.
In drie van de rijkste steden ter wereld zijn dit jaar massale protesten uitgebroken en is een klimaat van maatschappelijke onrust ontstaan. Parijs kampt met golven demonstraties en rellen; deze begonnen in november 2018, kort nadat president Emmanuel Macron de accijns op brandstof had verhoogd.
Hongkong is in opstand sinds maart van dit jaar [2019], toen leider Carrie Lam met een wetsvoorstel kwam dat uitlevering van burgers aan China mogelijk moest maken. En Santiago explodeerde [in oktober 2019], nadat president Sebastián Piñera de prijs van een metrokaartje had verhoogd. Elk protest heeft zijn eigen lokale kenmerken, maar samen vertellen ze een breder verhaal: dit is wat er kan gebeuren wanneer gevoelens over oneerlijke verdeling samengaan met een wijdverbreid besef van gebrek aan sociale mobiliteit.
Volgens de klassieke meetmethode van bnp per hoofd van de bevolking zijn deze drie steden toonbeelden van economisch succes. in Hongkong ligt het inkomen per hoofd van de bevolking rond de 36.000 euro, in Parijs ligt het boven de 54.000 euro en in Santiago, een van de rijkste steden van Latijns-Amerika, rond de 16.000 euro. In het Global Competitiveness Report van het World Economic Forum staat Hongkong op de derde plaats, Parijs op de vijftiende en Santiago op de drieëndertigste (verreweg het hoogst van heel Latijns-Amerika).
Persoonlijke vrijheid
Deze landen zijn volgens de gebruikelijke economische maatstaven dus redelijk rijk en concurrerend, maar toch zijn hun inwoners ontevreden over belangrijke aspecten van hun leven. Volgens het World Happiness Report van 2019 hebben de burgers van Hongkong, Frankrijk en Chili het gevoel dat hun leven op veel belangrijke punten is vastgelopen.
Onderzoeksbureau Gallup stelt mensen over de hele wereld elk jaar de vraag: ‘Bent u tevreden of ontevreden over uw vrijheid om te kiezen wat u met uw leven wilt doen?’ Hongkong, dat qua bnp wereldwijd op de negende plaats staat, komt in het ervaren van persoonlijke vrijheid om een eigen levensloop te kiezen pas op de zesenzestigste plaats. Hetzelfde contrast is te zien in Frankrijk (vijfentwintigste in bnp per hoofd van de bevolking, maar negenenzestigste in persoonlijke keuzevrijheid) en Chili (respectievelijk achtenveertigste en achtennegentigste).
Ironisch genoeg wordt Hongkong zowel door de Heritage Foundation als door de Canadese Simon Fraser-universiteit de stad met de meeste economische vrijheid ter wereld genoemd, en toch zijn de inwoners van Hongkong ongelukkig over hun vrijheid om zelf te bepalen wat ze met hun leven willen doen. In alle drie de landen zien jonge mensen die niet uit een rijke familie komen nauwelijks kansen om betaalbare huisvesting en een fatsoenlijke baan te vinden.
‘Economische groei zonder eerlijke verdeling is een recept voor wanorde, niet voor welzijn’
De gemiddelde prijs voor een woning in verhouding tot het gemiddelde salaris is in Hongkong het hoogst ter wereld. Binnen de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de club van landen met hoge inkomens, heeft Chili de grootste inkomensongelijkheid. In Frankrijk hebben kinderen uit elitefamilies een enorme voorsprong in het leven.
Door torenhoge huizenprijzen worden de meeste mensen uit centrale zakendistricten verdreven en zijn ze vaak afhankelijk van openbaar vervoer om naar hun werk te komen. Veel mensen zullen dus extra gevoelig zijn voor veranderingen in de vervoersprijzen, zoals de uitbarstingen van protest in Parijs en Santiago hebben laten zien.
Hongkong, Frankrijk en Chili zijn bepaald niet de enige landen die te maken hebben met een crisis op het gebied van sociale mobiliteit en met woede over ongelijkheid. In de Verenigde Staten neemt het aantal zelfdodingen sterk toe en zijn er ook andere tekenen van maatschappelijke nood, zoals massaschietpartijen, in een tijd dat de ongelijkheid groter is dan ooit en het vertrouwen in de overheid praktisch is verdwenen. Als Amerika politiek en economisch op dezelfde voet doorgaat, kan het land zeker nog meer maatschappelijke uitbarstingen verwachten.
Willen we dat afwenden, dan moeten we lering trekken uit de drie bovengenoemde recente voorbeelden. Geen van deze drie regeringen had de protesten zien aankomen. Ze waren het contact met wat er onder de bevolking leeft kwijtgeraakt en voorzagen daardoor niet dat een ogenschijnlijk bescheiden beleidsmaatregel (de uitleveringswet van Hongkong, de verhoging van de benzineaccijns in Frankrijk en duurdere metrokaartjes in Chili) zo’n maatschappelijke explosie zou veroorzaken.
‘In de VS is de ongelijkheid groter dan ooit en het vertrouwen in de overheid praktisch verdwenen’
Misschien nog wel het belangrijkst, en het minst verrassend, is dat de traditionele economische methoden om welzijn te meten totaal niet meer voldoen voor het inschatten van de werkelijke gevoelens van de samenleving. Het bnp per hoofd van de bevolking meet een gemiddeld inkomen van een economie, maar zegt niets over de verdeling daarvan, over gevoelens van eerlijkheid of onrecht onder de mensen, over de financiële kwetsbaarheid die ze ervaren of over andere omstandigheden (zoals vertrouwen in de overheid) die belangrijk zijn voor de algehele kwaliteit van leven.
Rankings als die in de Global Competitive Index van het World Economic Forum of de Index of Economic Freedom van de Heritage Foundation, en de meeteenheid van de Economic Freedom of the World die de Simon Fraser-universiteit gebruikt, geven ook veel te weinig weer van de subjectieve gevoelens over een eerlijke verdeling, de vrijheid om eigen keuzes te maken, de oprechtheid van de overheid en de betrouwbaarheid van medeburgers zoals die wordt ervaren.
Om over dat soort gevoelens meer te weten te komen, moet je het publiek rechtstreeks vragen naar de tevredenheid over hun leven, hun gevoel van persoonlijke vrijheid, hun vertrouwen in overheid en landgenoten en andere dimensies van het maatschappelijk leven die belangrijk zijn voor de kwaliteit van leven en daarmee voor de kans op het ontstaan van maatschappelijke onrust.
Het idee achter de duurzame ontwikkeling die wordt weerspiegeld in de zeventien duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) die in 2015 door de Verenigde Naties zijn vastgesteld, is om niet alleen te kijken naar traditionele indicatoren zoals groei van het bnp en inkomen per hoofd van de bevolking, maar ook naar een reeks doelen zoals sociale rechtvaardigheid, vertrouwen en ecologische duurzaamheid. De SDG’s hebben bijvoorbeeld specifiek aandacht voor inkomensongelijkheid, maar ook voor bredere factoren van welzijn.
Elke samenleving hoort de pols van zijn bevolking te nemen en aandacht te schenken aan de bronnen van maatschappelijk ongeluk en wantrouwen. Economische groei zonder eerlijke verdeling en ecologische duurzaamheid is een recept voor wanorde, niet voor welzijn. Zelfs schijnbaar redelijke maatregelen zoals het stoppen van brandstofsubsidies of het verhogen van de metroprijs om daarmee kosten te dekken, kunnen tot protesten leiden wanneer ze worden doorgevoerd in een tijd van onvoldoende vertrouwen in de maatschappij, grote ongelijkheid en een algeheel gevoel van oneerlijkheid.
De hoogste rechtbank van Maleisië heeft nieuwsportaal Malaysiakini veroordeeld, in een rechtszaak die wordt gezien als lakmoesproef voor de mediavrijheid in het land, meldt het Aziatische nieuwsplatform AsiaOne. Vorig jaar spande de Maleisische procureur-generaal een zaak aan tegen Malaysiakini en hoofdredacteur Steven Gan wegens minachting van het Hof. Dit vanwege vijf commentaren die door lezers op de website waren gepost. Volgens de procureur-generaal ondermijnen deze teksten het vertrouwen van het publiek in de rechterlijke macht, en de rechtbank geeft hem daarin dus gelijk. De rechter legde het nieuwsportaal een boete op van 500.000 ringgit [ruim 100.000 euro].
Maleisië is een land met sterk gereguleerde media, die meestal in handen zijn van door de staat gecontroleerde groepen. Als platform voor de oppositie en criticus van het establishment is Malaysiakini een uitzondering.
Aanslag op vrouwelijke ontwikkelingswerkers
Zeker vier vrouwelijke ontwikkelingswerkers zijn omgekomen bij een gerichte aanslag in het Pakistaanse district Noord-Waziristan, meldt Al Jazeera. Volgens een politiewoordvoerder wisten de aanvallers te ontkomen. ‘Het is hier vergeven van militanten, de dreiging is overal,’ zei de woordvoerder op de vraag van Al Jazeera of er in het gebied een specifieke dreiging is tegen ontwikkelingswerkers.
Noord-Waziristan was ooit in handen van de Pakistaanse Taliban (TTP), een organisatie van gewapende groepen die in 2007 werd opgericht met als doel de Pakistaanse regering omver te werpen en een streng religieus bestuur te installeren. Bewegingsvrijheid van vrouwen werd ernstig beperkt en de meeste ontwikkelingsactiviteiten door niet-gouvernementele organisaties werden verboden.
In 2014 slaagde het Pakistaanse leger erin de leiders van de groep te verjagen. Sinds vorig jaar keren ontheemden weer terug naar het gebied en neemt het aantal gerichte aanslagen toe.
Uitbreiding vliegveld Parijs is van de baan
Frankrijk schrapt het plan om luchthaven Roissy-Charles de Gaulle bij Parijs uit te breiden, zo heeft minister van Ecologische Transitie Barbara Pompili laten weten, aldus de Europese tak van de politieke nieuwswebsite Politico. ‘De regering heeft luchthavenexploitant Aéroports de Paris gevraagd het project te staken en met voorstellen te komen voor een ander project, dat in overeenstemming is met de doelstellingen om klimaatverandering te bestrijden en het milieu te beschermen,’ aldus Pompili.
In plaats van het vergroten van de capaciteit moet uitstootvermindering het doel worden. ‘We zullen altijd vliegtuigen nodig hebben, maar we moeten naar een redelijker gebruik van de luchtvaart, om een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in de sector te bereiken.’
Het plan voorzag in de bouw van een vierde terminal bij de grootste lucht-haven van het land, die jaarlijks een extra stroom van 35 tot 40 miljoen passagiers moest verwerken. De bouwkosten zouden 7 tot 9 miljard euro bedragen.
Iconisch dier op postzegel
Deze zomer zal de Amerikaanse post een nieuwe postzegel introduceren. Dat is op zich niets bijzonders; wel bijzonder is dat het ontwerp voor het eerst is gemaakt door een Tlingit-/Athabaskische kunstenaar, schrijft kunstblog Colossal.
Rico Lanáat’ Worl koos voor een grafisch afgebeelde raaf, in de inheemse cultuur van Alaska een iconisch dier dat is ontsnapt uit de duisternis. Het motief is gebaseerd op ‘Raven and the Box of Daylight’, een traditioneel verhaal van de Tlingit, een inheems volk in het zuidoosten van Alaska. Worl: ‘Het verbeeldt een uitzinnig moment van adrenaline. De raaf is nog half menselijk terwijl hij de sterren steelt. We kennen het allemaal, het moment tussen falen en volbrengen.’
British Museum gaat eigen geschiedenis onderzoeken
Het British Museum (BM) heeft Isobel MacDonald aangesteld als speciaal conservator. Zij wordt verantwoordelijk voor onderzoek naar de geschiedenis van de ruim 260 jaar oude collectie, bericht The Art Newspaper. Haar aanstelling is geen overbodige luxe, want het BM ziet zich geconfronteerd met een toenemend aantal claims over betwiste objecten in de collectie. Zo eist Griekenland al sinds de negentiende eeuw de teruggave van de zogenoemde Elgin Marbles, marmeren objecten afkomstig van de Akropolis in Athene, die in 1816 in bezit van het BM kwamen.
Veel betwiste objecten in de collectie zijn het resultaat van koloniale operaties door het Britse Rijk, zoals die in het Ethiopische Maqdala (1868), het Asante-koninkrijk in Ghana (1874) en Benin City in Nigeria (1896). Ook inheemse gemeenschappen uit Australië, Nieuw-Zeeland en Noord-Amerika eisen voorwerpen op die in de koloniale tijd zijn meegenomen. Recentelijk liet Paaseiland (Rapa Nui) weten een grote Moai-sculptuur terug te willen die in 1868 werd geroofd.
Tel daarbij op dat enkele van de eerste donateurs van het museum, zoals oprichter Hans Sloane, blijken te hebben geprofiteerd van de slavenhandel, en het is duidelijk dat het BM een charmeoffensief nodig heeft.
Een woordvoerder zegt, zo citeert The Art Newspaper, dat ‘het niet de bedoeling van deze nieuwe functie is om de specifieke geschiedenis van betwiste objecten te onderzoeken’, maar noemt het ‘waarschijnlijk dat kwesties zoals de rol van de slavenhandel en het imperium relevant zijn voor een deel van het onderzoek’.
Het BM is in zekere zin ‘een verzameling verzamelingen’; het vergaarde veelal niet zelf en rechtstreeks, maar verkreeg veel objecten uit andere collecties. Dat maakt de problematiek rond de teruggave ingewikkeld. Het onderzoek van MacDonald moet nu inzicht gaan verschaffen in het ontstaan van de collectie; het zal ongetwijfeld nauwlettend worden gevolgd door eisers wereldwijd.
Extremist wil simpelheid
Over de hele wereld hebben extremisten met zwart-witte denkbeelden moeite met complexe mentale taken. Dat blijkt uit een onderzoek door de Universiteit van Cambridge, gebaseerd op eerdere studies, onder ruim 330 deelnemers in de VS tussen de 22 en 63 jaar, schrijft The Guardian. De onderzoekers wilden weten of cognitieve dispositie (het verschil tussen waarneming en verwerking van informatie) bepalend is voor de vorming van ideologische wereldbeelden, zoals politieke, nationalistische en dogmatische overtuigingen, los van factoren als leeftijd, ras en geslacht.
De deelnemers kregen neutrale, niet-emotionele opdrachten, zoals het onthouden van visuele vormen. Computermodellen haalden uit die gegevens informatie over de waarnemingscapaciteit en het leervermogen van de deelnemers.
‘Individuen of hersenen die moeite hebben met het plannen en verwerken van complexe acties, lijken eerder aangetrokken tot extreme of autoritaire ideologieën die de wereld vereenvoudigen,’ menen de onderzoekers. Mensen die neigen tot extremisme lijken moeite te hebben met het reguleren van hun emoties, zijn impulsief en hebben de neiging om emotie oproepende ervaringen op te zoeken. Tot dogmatisme neigende deelnemers die relatief afwerend zijn tegen geloofwaardig bewijs, blijken problemen te hebben met het verwerken van informatie op perceptieniveau.
De studie, die naar zestien verschillende ideologische oriëntaties keek, kan veelbetekenend zijn bij het identificeren van mensen die het kwetsbaarst zijn voor politieke of religieuze radicalisering.
Wat zegt de buitenlandse pers over de nieuwsblokkade van Facebook in Australië
‘In de confrontatie tussen nieuwsmedia en sociale media in Australië, sta ik aan de kant van Rupert Murdoch. Tenzij ik voor Mark Zuckerberg ben. De keuze is vreselijk.
Steun ik de verschrompelde mediatycoon en zijn pogingen macht te ontfutselen aan techreuzen die gehakt hebben gemaakt van de nieuwseconomie? Of sta ik achter de koning van Facebook en het internetprincipe dat het delen van hyperlinks gratis moet zijn, ook al is de creatie van Zuckerberg de belangrijkste verspreider van leugens en haatzaaierij en dreigt hij ons allemaal te overspoelen?’
‘De nieuwsblokkade onderstreept de gevaren voor derden die ervan afhankelijk zijn: Facebook is bereid is om van de ene op de andere dag de stekker eruit te trekken, zonder waarschuwing. Sommige organisaties denken al na over hoe ze terug kunnen keren naar de basis en hoe ze de manier waarop ze hun werk verspreiden kunnen diversifiëren. De gok van Facebook is dat Australië niet zonder het bedrijf zal kunnen leven. Stel je voor wat de gevolgen zijn als we bewijzen dat we dat wel kunnen.’
‘De gevolgen zijn vooral vreselijk voor de vele kleine Australische uitgevers die hun bedrijfsmodellen hadden opgebouwd rond inhoud die mensen graag delen op sociale media. Ze zijn terecht boos zijn op de regering, veronderstellend dat ze zijn opgeofferd voor de belangen van grotere gevestigde uitgevers.
Maar het grootste deel van hun woede moet Facebook gelden, dat hun toewijding jarenlang heeft toegejuicht, maar hen nu plotseling vertelt dat ze niet zo belangrijk zijn, om zo eerlijke en gelijkwaardige onderhandelingen uit de weg te kunnen gaan.’
‘Overheden houden er niet van om gepest te worden, en nog belangrijker, ze houden er niet van om in het openbaar gepest te worden. Meesters in de duistere kunsten van overheidsrelaties weten dat druk en dreiging over het algemeen achter gesloten deuren moeten plaatsvinden. Wanneer je de broek van een regering naar beneden trekt voor het oog van de wereld, laat je haar weinig keus dan zich in te graven. De impasse tussen Australië en Facebook kan de katalysator zijn voor echte wereldwijde hervormingen.’
Facebook sluit deal met Australië
Facebook maakte maandag bekend dat het het delen en bekijken van nieuwslinks in Australië zou herstellen nadat het meer tijd had gekregen om te onderhandelen over het wetsvoorstel dat de techreus zou verplichten te betalen voor nieuwsinhoud die op het sociale netwerk verschijnt, bericht The New York Times.
De meeste mensen kennen hem slechts van Duitse straatnaambordjes, maar The New Atlantis laat zien waarom je meer wilt weten over Alexander von Humboldt, de invloedrijke wetenschapper-avonturier met de ziel van een dichter. Verder: het geïllustreerde liefdesverhaal van Gertrude Stein en Alice B. Toklas & meer aanraders van de 360-redactie
Omdat 360 niet alles kan vertalen wat de redactie leest, ziet en hoort, tippen wij voor u enkele interessante artikelen, documentaires, fotoreportages en podcasts die wij deze week tijdens het speuren naar mooie journalistiek zijn tegengekomen.
‘Het brein van een wetenschapper, de ziel van een dichter’
Bergketens zijn naar hem vernoemd, steden, watervallen en honderden dieren- en plantensoorten. Alexander von Humboldt (1769–1859) was een onwaarschijnlijk veelzijdige wetenschapper, ontdekkingsreiziger, poëet en De uitvinder van de natuur (Andrea Wulf, Atlas Contact).
The New Atlantis brengt hem terug uit de vergetelheid en eert hem terecht met een uitgebreid en gedetailleerd artikel. Humboldts bevindingen zijn nog altijd actueel. Aangeraden door editor at large Katrien Gottlieb.
Maira Kalman (1949) is een Amerikaanse, in Israël geboren, illustrator, schrijver, kunstenaar en ontwerper. Ze maakte naam met haar buitengewoon speelse, grappige en luchtige illustraties voor onder meer The New York Times en The New Yorker en ze tekende en illustreerde tal van (kinder)boeken. Onlangs publiceerde ze een prachtig boek over de liefde tussen Gertrude Stein en Alice B. Toklas aan het begin van de twintigste eeuw in Parijs, waarin ook beroemdheden als Hemingway, Matisse en Picasso de revue passeren. De culturele site Brainpickings besprak het boek en haalt een prachtige zin aan van Kalman: ‘This is a love story. You know. How two people, joined together, become themselves’. Een aanrader van redacteur IJsbrand van Veelen.
Persoonlijk essay over een eeuwig controversieel meesterwerk
The New Yorker publiceerde ‘Nabokov, Steinberg, and Me’ van schrijver en humorist Ian Frazier, uit het nog te verschijnen Lolita in the Afterlife: ‘een levendige verzameling van scherpe en essentiële moderne stukken over dit eeuwig provocerende boek’, aldus de uitgever. Getipt door hoofdredacteur Laura Weeda.
Nabokovs Lolita, waarin de veertiger Humbert Humbert een jury toespreekt die moet oordelen over zijn relatie met de twaalfjarige Lolita, zorgde bij verschijning in 1955 al voor ophef, vooral vanwege de jonge leeftijd van de naamgever. Later ontsteeg het boek de schandaalsfeer en was er vooral aandacht voor de hoogstaande literaire kwaliteit, maar anno 2021 is hier uiteraard weer verandering in gekomen. In de bundel bekijken schrijvers Lolita vanuit politiek standpunt en gaat het over de witheid van de hoofdpersonages, machtsverhoudingen en seksueel trauma.
Frazier vertel hoe hij het boek, mede omdat zijn moeder, docent Engels, het droevig en gruwelijk vond, steeds opnieuw verslond. Het was vormend voor de manier waarop hij als puber naar meisjes keek en zelfs voor de woorden waarin hij over hen dacht. Pas veel later gaat hij inzien wat zijn moeder bedoelde. Hij begint zijn geliefde Lolita met andere ogen te lezen, en de oorspronkelijke Russische Nabokov, voor zijn gevoel, te doorzien. Waarom noemt hij Lolita’s latere man een ‘kreupele’? En waarom was deze oorlogsveteraan bovendien doof? Was zij wel een nymfomaan, bestaan die überhaupt?
Voor eeuwig wachten aan de grens
In de laatste aflevering van de Spaanstalige podcast El Hilo volgen we het verhaal van Moisés en Meya, die in 2019 van Honduras naar de Verenigde Staten probeerden te emigreren met hun anderhalf jaar oude dochter. Ze wilden een veiliger leven voor hun familie, weg van bendes, mishandeling door de politie en armoede. Maar Mexico stuitten ze op de muur van het anti-immigratiebeleid van de regering-Trump en zijn ‘Blijf in Mexico’-beleid. Sindsdien wachten ze aan de Mexicaans-Amerikaanse grens tot hun asielaanvraag in behandeling wordt genomen. Een tip van redacteur Joep Harmsen.
Naast Moisés en Meya komen in de podcast fotojournalist Tomás Ayuso en Fernanda Echávarri van Mother Jones aan het woord over de impact is van het immigratiebeleid van de afgelopen vier jaar en wat we kunnen verwachten van Joe Bidens nieuwe koers op dat gebied.
Ga naar het Instagramaccount van de Hondurese fotojournalist Tomás Ayuso @tomas_ayuso voor beelden bij het verhaal. En zie ook zijn reportage uit 2018 voor National Geographic, waarin Ayuso verslag doet van zijn reis met een migrantenkaravaan.
De schoonheid van de landbouw
Daan Roosegaardes meest recente kunstwerk GROW is een eerbetoon aan de schoonheid en het belang van de agrarische sector. GROW ontvouwt zich als een lichtgevend ‘droomlandschap’. Omringd door duisternis golven rode en blauwe lichten over een enorme akker. Het project is geïnspireerd op wetenschap die aantoont dat specifieke lichtrecepten groei van gewassen kunnen stimuleren en weerstand kunnen verbeteren. Een aanrader van art director Majel van der Meulen.
Twee jonge ondernemers willen CO2 uit de lucht halen en opslaan, tegen prijzen die consumenten kunnen betalen. Als dat lukt, dan kan dat grote gevolgen hebben voor de toekomst van de mensheid. Maar hoe verkoop je iets wat nooit eerder heeft bestaan, wat misschien nooit goedkoop zal worden, op een markt die er nog niet is?
Iets meer dan honderd jaar geleden verzamelde de Duitse wetenschapper Carl Bosch in Ludwigshafen een team technici om zich heen om te werken aan een nieuwe scheikundige techniek. Een andere Duitse scheikundige, Fritz Haber, had een jaar daarvoor een methode ontdekt om stikstof (N), uit de lucht te halen en te combineren met waterstof (H), en was er zo in geslaagd kleine hoeveelheden ammoniak (NH3) te produceren. Maar Habers methode was uiterst gevoelig, en vereiste hoge temperaturen en hoge druk. Bosch wilde een manier vinden om Habers ontdekking commercieel toepasbaar te maken – ‘op te schalen’, zoals we tegenwoordig zouden zeggen. Iedereen die de stand van de Europese industrie kende, kon zien dat dit een lastige opgave was: de technologie bestond gewoonweg niet.
In de volgende tien jaar wisten Bosch en zijn team echter een groot aantal technische en metallurgische obstakels te overwinnen. Hij noemde ze op in zijn aanvaardingstoespraak voor de Nobelprijs voor Scheikunde – die hij won omdat het Haber-Bosch-proces, zoals zijn onderzoek uiteindelijk heette, de wereld veranderde. Zijn doorbraak maakte het mogelijk om op industriële schaal ammoniak te produceren, en zo de wereld te voorzien van een overvloed aan goedkope kunstmest.
Wetenschapper en historicus Vaclav Smnil heeft Haber-Bosch ‘de belangrijkste uitvinding van de twintigste eeuw’ genoemd. Bosch was erin geslaagd om de beperkingen voor graanoogsten weg te nemen, en hij werd dan ook algemeen gezien als de man die ‘brood uit lucht’ maakte. Naar schatting heeft het werk van Bosch de afgelopen honderd jaar het leven van meer dan twee miljard mensen mogelijk gemaakt.
Van het begin af aan was het grote voordeel voor het Haber-Bosch-proces dat er al een markt voor bestond. Er was al veel vraag naar kunstmest, maar die moest voornamelijk komen uit beperkte natuurlijke hulpbronnen op afgelegen plekken – vogelpoep die van verre eilanden in de buurt van Peru werd geschraapt, bijvoorbeeld, of minerale stikstofafzettingen die uit de Chileense woestijn werden opgegraven. Synthetische ammoniak ging de concurrentie aan met bestaande producten en kon daardoor een bestaand innovatietraject volgen. Zoals ledlampen de tl- en gloeilampen hebben verdrongen (die op hun beurt weer de plaats van kerosinelampen en waskaarsen hadden ingenomen), neemt een nieuw product of proces vaak de plaats in van iets waar al vraag naar is. Als het beter of goedkoper is – en vooral als het beter én goedkoper is – komt het meestal als overwinnaar uit de concurrentiestrijd. Dat gold ook voor Haber-Bosch.
Het zou zomaar kunnen dat er nu opnieuw een gas, namelijk koolstofdioxide (CO2), uit de lucht kan worden gehaald voor commerciële doeleinden, en dat de verwijdering van dat gas grote gevolgen kan hebben voor de toekomst van de mensheid. Maar het is misschien nog te vroeg om dat met zekerheid te zeggen.
Direct air capture
Op een zonnige dag in oktober klim ik met technici van een Zwitsers bedrijf, Climeworks, naar het dak van een afval verbrandende energiecentrale in Hinwil, een dorp op zo’n halfuur rijden van Zürich. Voor ons zien we twaalf grote apparaten die lijken op uit hun krachten gegroeide voorlaadwasdrogers, opgestapeld in twee rijen van zes. Dit is een installatie voor een techniek die ‘direct air capture’ wordt genoemd, en die binnenkort moet gaan functioneren. Dan gaan deze apparaten via hun luchtfilter koolstofdioxide uit de lucht zuigen. Eenmaal afgevangen wordt de CO2 overgeheveld in grote tanks en per truck naar een plaatselijke bottelfabriek van Coca-Cola gebracht, waar het de prik in de limonade moet worden.
De apparaten verbruiken een grote hoeveelheid energie. Ze hebben elektrische ventilatoren die lucht naar binnen zuigen over speciale absorberende korrels die een verbinding aangaan met CO2; vervolgens wordt er bij tussenpozen hete lucht in geblazen, waardoor het gevangen gas weer vrijkomt uit het absorberende materiaal. De hele cyclus van afvangen en vrijgeven wordt geregeld door speciaal hiervoor ontworpen software. Climeworks heeft de apparaten op het dak van een energiecentrale geïnstalleerd om gebruik te kunnen maken van de CO2-neutrale elektriciteit en de warmte van de vuilverbranding. Enkele tientallen meters van de nieuwe installatie bevindt zich nog een oudere stapel van acht Climeworks-apparaten, die al meer dan een jaar op dit zelfde dak staan te zoemen. In dat jaar hebben ze zo’n duizend ton koolstofdioxide uit de lucht gevangen en die via een pijpleiding geleverd aan een enorme kas in de buurt, waar de CO2 dient om tomaten, avocado’s en veldsla te kweken. Tijdens een rondleiding door de kas laat bedrijfsleider Paul Ruser mij de proef op de som nemen. ‘Hier, probeer maar eens,’ zegt hij, terwijl hij me een knapperige, rijpe komkommer voorhoudt die hij van een plant naast zich heeft geplukt. Het is de lekkerste direct-air-capture-komkommer die ik ooit heb geproefd.
Deze dakinstallatie vertegenwoordigt een noviteit: Climeworks is de eerste direct-air-capture-onderneming in de geschiedenis die CO2 per ton wil gaan verkopen. Toen de oprichters van het bedrijf, Christoph Gebald en Jan Wurzbacher, een aantal jaren geleden de plannen voor hun bedrijf openbaarden, kregen ze een stortvloed van scepsis over zich heen. ‘Ik denk dat negen van de tien mensen kritisch reageerden,’ vertelt Gebald. ‘Eerst zei iedereen: “Dit gaat technisch nooit werken.” Nadat we in 2017 de grote installatie in Hinwil hadden gebouwd, konden we laten zien dat het technisch wél werkt. Maar toen zeiden ze: “Nou, economisch gaat het niet werken.”’
Voorlopig hebben deze sceptici gelijk: het bedrijf maakt geen winst. De kosten voor de bouw en installatie van de achttien collectoren in Hinwil, die in de eigen werkplaats in Zürich met de hand zijn geassembleerd, liggen tussen de 3 en 4 miljoen dollar, en dat is de belangrijkste reden waarom het de onderneming tussen de 500 en 600 dollar kost om een ton CO2 uit de lucht te halen. Ook al heeft Climeworks bij particuliere investeerders en via subsidies zo’n 50 miljoen dollar opgehaald, het bedrijf staat voor een even lastige opgave als Carl Bosch een eeuw geleden: hoe ver kan het de kosten omlaag brengen? En hoe snel kan het opschalen?
Gebald en Wurzbacher zijn ervan overtuigd dat ze commercieel voet aan de grond kunnen krijgen door hun dure CO2 te verkopen aan bedrijven in de landbouw- of drankensector. Niet alleen hebben deze bedrijven toch al CO2 nodig, maar bovendien willen sommige er kennelijk ook extra voor betalen, om zo hun producten als milieuvriendelijk te kunnen etaleren.
Toch vormen kassen en limonadeprik samen wereldwijd maar een kleine markt – waar misschien 6 miljoen ton CO2 per jaar valt af te zetten. En Gebald en Wurzbacher zijn niet aan het CO2-vangen begonnen met als doel om veldsla te verbouwen of prik in Fanta te stoppen. Ze verwachten de komende zeven jaar de kosten zo ver omlaag te kunnen brengen dat ze hun CO2 ook op lucratievere markten kunnen afzetten. Uit de lucht gevangen CO2 kan gecombineerd worden met waterstof en dan kun je er elke soort vervanging voor fossiele brandstof van maken die je maar wilt: geen brood uit lucht, maar brandstof uit lucht. Climeworks en een Canadees bedrijf, Carbon Engineering, werken nu al hard aan dit idee; de Canadezen hebben zelfs investeerders (onder wie Bill Gates) gevonden voor de productie in grote industriële complexen van synthetische brandstof uit in de lucht gevangen CO2.
Het uiteindelijk doel van direct air capture is echter niet om er een product van te maken – tenminste niet in de traditionele betekenis van het woord. Wat Gebald en Wurzbacher eigenlijk willen is grote hoeveelheden CO2 uit de atmosfeer halen en voorgoed diep onder de grond stoppen, en deze service verkopen aan andere bedrijven en instellingen die hun uitstoot moeten verminderen. Door Climeworks gevangen CO2 is inmiddels al diep in rotsformaties onder IJsland geïnjecteerd; eind dit jaar wil de firma vijftig installaties in de buurt van Reykjavik in werking hebben om de operatie uit te breiden. Maar wanneer het zover is, betreedt het bedrijf onontgonnen economisch terrein – als leverancier van een dienst die wel dringend nodig lijkt als bijdrage aan een oplossing voor de klimaatverandering, maar die op dit moment geen vervanging biedt voor iets anders in het consumenten- of industriële landschap. Om het nog ingewikkelder te maken: een ton CO2 onder de grond is niet iets waar bij mensen of overheden veel vraag naar is. En dus bevinden bedrijven als Climeworks zich in een lastig parket: hoe verkoop je iets wat nooit eerder heeft bestaan, wat misschien nooit goedkoop zal worden, op een markt die er nog niet is?
‘Als je zou uitrekenen hoeveel de investeringen in wind- en zonne-energie hebben opgeleverd, zou de rest van je aandelenportefeuille daarbij in het niet vallen. Het is alsof je hebt geïnvesteerd in een vroege Apple’
Zelfs de grootste adepten zullen direct air capture geen wondertechnologie noemen. Vaker ziet men het als een oud idee dat nu radicaal wordt verbeterd voor nieuwe toepassingen: in onderzeeërs gebruikt men al minstens sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw ‘scrubbers’ om CO2 te verwijderen. Zeker is zelfs dat direct air capture beschouwd zal worden als een te dure mogelijkheid met een te bescheiden effect voor het verminderen van onze koolstofuitstoot. ‘Direct air capture kan alleen zinnig zijn als we alle andere dingen die we moeten doen, meteen doen,’ zegt de Californische energiedeskundige Hal Harvey, die onderzoek doet naar klimaatvriendelijke technologieën en beleidsmaatregelen. Harvey en anderen stellen dat we de grootste, snelste en goedkoopste vooruitgang in het uit de atmosfeer halen van koolstof kunnen boeken door geheel over te schakelen op hernieuwbare energie of stroom waarvoor weinig koolstof wordt verbruikt; door te kiezen voor elektrische voertuigen en door strengere regelgeving voor toegestane rijafstanden van auto’s en vrachtwagens die op gas rijden; en door meer energie-efficiënte gebouwen en apparaten verplicht te stellen. Kortom, miljoenen direct air capture-apparaten bouwen is op dit moment niet hét middel om vooruitgang te boeken op weg naar een wereld zonder CO2. Daarvoor moeten we in de eerste plaats stoppen met CO2 in de atmosfeer blazen.
Maar er is niet veel tijd meer om die koolstofuitstoot terug te dringen, de CO2-concentraties in de atmosfeer nemen nog steeds toe. Als alle landen van de wereld op dezelfde weg voort gaan, wordt het onmogelijk om de doelen uit de Parijse klimaatakkoorden van 2016 te halen, waarin is afgesproken dat de aarde niet meer dan 2 graden Celsius, of liever nog 1,5, mag opwarmen. En dat brengt een wereld vol ellende en economische problemen met zich. Nu al zijn de temperaturen in bepaalde regio’s met meer dan 1 graad Celsius gestegen, volgens een rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). Deze temperatuurstijgingen hebben geleid tot een toename van droogteperiodes, hittegolven, overstromingen en verlies van biodiversiteit en maken de chaos die zou ontstaan bij een opwarming van nog 2 of 3 graden onvoorstelbaar. Nog een probleem is dat te lang voortgaan op het huidige emissiepad het risico meebrengt dat de ecosystemen van de aarde onherstelbare schade oplopen – een schade die met geen enkele technologische innovatie meer te herstellen is. ‘Natuurlijke systemen hebben geen achteruit,’ zegt Harvey. ‘Als ze gaan, gaan ze. Als we de toendra ontdooien, is het einde verhaal.’
Hetzelfde kun je zeggen voor de ijsplaten van Groenland en westelijk Antarctica, of van de koraalriffen. Deze natuurlijke hulpbronnen hebben een asymmetrie in hun opbouw: ze hebben zich in duizenden of miljoenen jaren gevormd, maar de afname kan binnen een paar decennia catastrofaal zijn.
Op dit moment ligt de wereldwijde CO2-uitstoot rond de 37 miljard ton per jaar en koersen we af op een temperatuurstijging van 3 graden Celsius in 2100. Willen we een klimaat behouden waarin mensen kunnen leven, dan zullen de landen van de hele wereld de CO2-uitstoot waarschijnlijk drastisch moeten verlagen ten opzichte van het huidige niveau – tot misschien 15 miljard of 20 miljard ton per jaar in 2030. Vervolgens moeten we, middels een ongekende inspanning van politiek en bedrijfsleven, zorgen dat de koolstofemissies rond 2050 zijn teruggebracht tot nul. Als je het zo bekijkt, lijkt wat Climeworks doet – duizend ton CO2 verzamelen op een dak in de buurt van Zürich – misschien op een poging om met één emmertje de oceaan leeg te scheppen.
Toch is het idee wel degelijk belangrijk. In het IPCC-rapport van vorig jaar stond dat een beperking van de opwarming tot 1,5 graden in 2100 misschien onhaalbaar is met alleen een snelle overschakeling op schone energie, elektrische auto’s en dergelijke. Misschien moeten we, om een leefbaar milieu te behouden, wel CO2 uit de atmosfeer halen. Zoals Wurzbacher het formuleert: ‘Tel je al die cijfers van het IPCC bij elkaar op, dan kom je uit op zo’n acht tot tien miljard ton – gigaton – CO2 die per jaar uit de atmosfeer gehaald moet worden, als we die 1,5 of 2 graden echt serieus nemen.’
Nu is het zo dat er al een naam is voor manieren waarop dit soort werk, het uit de atmosfeer halen van CO2, wordt gedaan: negatieve-emissie-technologieën, oftewel NET’s. Sommige NET’s, zoals bomen en planten, waren er al eerder dan wij, en verdienen dit etiket waarschijnlijk niet. Via fotosynthese halen onze bossen buitengewoon grote hoeveelheden koolstofdioxide uit de atmosfeer, en als we meer ons best zouden doen om leeggekapte gebieden te herbebossen, zouden we in de toekomst miljarden tonnen meer koolstof kunnen opnemen. Daarbij zouden we ook speciale gewassen kunnen telen om CO2 op te nemen en die dan verbranden om energie op te wekken, waarbij we de uitstoot van de energiecentrales afvangen en die onder de grond pompen, een proces dat bekendstaat als ‘Bioenergy with carbon capture and storage’, oftewel BECCS. Andere negatieve-emissietechnologieën zijn het zo manipuleren van akkerland of moerassige kustgebieden dat die meer koolstof uit de atmosfeer vasthouden en het vergruizen van minerale formaties zodat die sneller CO2 opnemen, een proces dat ‘versnelde verwering’ wordt genoemd.
Een miljard bomen planten
Negatieve emissies kun je zien als een vorm van tijdreizen. Al sinds de Industriële Revolutie produceren menselijke samenlevingen een overschot aan CO2: ze nemen koolstofvoorraden uit het binnenste van de aarde – in de vorm van kolen, olie en gas – en van boven de grond (voornamelijk hout) en sturen die dan de atmosfeer in door ze te verbranden. Nu is het noodzakelijk geworden om dat proces om te keren, dus om de CO2 uit de lucht te halen en die ofwel weer diep in de aarde op te slaan, ofwel vast te houden binnen nieuwe ecosystemen aan het aardoppervlak. Dit is natuurlijk gemakkelijker gezegd dan gedaan. ‘Alle negatieve emissie is moeilijk – zelfs bebossing of herbebossing,’ legt Sally Benson, hoogleraar in energiebronnentechniek aan Stanford, uit. ‘Het is geen kwestie van zeggen “Ik wil een boom planten.” Het gaat erom dat je zegt: “We willen een miljard bomen planten.”’ Niettemin bieden dit soort praktijken een glimpje hoop dat de toekomstige emissiedoelen haalbaar zijn. ‘We moeten erkennen dat we te lang hebben gewacht en daardoor bepaalde mogelijkheden hebben uitgesloten,’ zegt Princeton-wetenschapper Michael Oppenheimer, die onderzoek doet naar klimaat en beleid. Vandaar dat NET’s niet langer alleen maar interessante ideeën lijken; ze lijken noodzakelijk. De apparaten van Climeworks op dat dak doen per jaar wel het werk van zo’n 36 duizend bomen.
Afgelopen najaar publiceerden de National Academies of Sciences, Engineering and Medicine een uitgebreide studie over het verwijderen van koolstof. Volgens Princeton-hoogleraar Stephen Pacala, die de leiding had over het team van auteurs, hebben de diverse negatieve-emissietechnologieën allemaal eigen voor- en nadelen, en is een ‘portfolio-benadering’ – zet ze allemaal in en kijk dan welke de beste zijn – misschien de beste optie. Kunnen de kosten van direct air capture omlaag gebracht worden, dan ziet Pacala grote mogelijkheden in die techniek, zeker als de CO2-collectoren de emissies kunnen opvangen van economische sectoren die om technologische redenen langzamer de transitie naar koolstofneutraal kunnen maken dan andere. De commerciële luchtvaart, bijvoorbeeld, zal niet binnen afzienbare tijd op zonne-energie kunnen overstappen. Volgens Jennifer Wilcox, hoogleraar chemische techniek aan Worcester Polytechnic Institute in Massachusetts, zal direct air capture zo ook kunnen helpen de impact van verscheidene belangrijke industriële sectoren te verkleinen. ‘Bij het maken van ijzer en staal, cement en glas komen proces-emissies vrij,’ zegt ze. ‘Altijd als je die materialen maakt, is er een chemische reactie die CO2 uitstoot.’ Direct air capture zou zelfs de impact van de Haber-Bosch-processen voor het maken van kunstmest kunnen verkleinen; volgens schattingen neemt die industrie nu 3 procent van alle CO2-uitstoot voor haar rekening.
Pacala vergelijkt de uitdagingen waar Climeworks en Carbon Engineering nu voor staan met die van de industrieën van wind- en zonne-energie in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, toen die producten duur waren vergeleken met fossiele brandstoffen. Die industrieën konden niet overleven op alleen de vraag uit de private sector. Maar bepaalde beleidsmakers zagen grote voordelen voor het milieu en voor de maatschappij als deze sector over die horde wist te komen. Dankzij overheidsinvesteringen in onderzoek en belastingvoordelen konden de jonge industrieën uitbreiden. ‘Wind en zon zijn nu de goedkoopste vormen van energie op de juiste plekken,’ zegt Pacala. ‘Als je zou uitrekenen hoeveel die investeringen hebben opgeleverd, zou de rest van je aandelenportefeuille daarbij in het niet vallen. Het is alsof je hebt geïnvesteerd in een vroege Apple. Dus het is een spectaculair succesverhaal. En direct air capture is net zo’n soort verhaal, met als enige barrière dat het proces te duur is.’
De zestig medewerkers van Climeworks werken voor het merendeel op een groot industrieterrein in Zürich, in een laag gebouw waarvan het bedrijf twee verdiepingen huurt van een Duits luchtvaartbedrijf. De productiewerkzaamheden vinden plaats op de begane grond; boven bevinden zich de onderzoekslaboratoria, een kleine verzameling gedeelde kantoren, een keukentje in een gang en een zitruimte. Er hangt de sobere, nonchalante sfeer van een tech-start-up, afgezien van één ding: de muren zijn behangen met bovenmaatse foto’s van sleutelmomenten in de korte geschiedenis van Climeworks: de lompe vroege prototypes, de opening van de eerste fabriek in Hinwil die CO2 verzamelde voor de kas.
‘Het is een beetje bij toeval dat we in Zwitserland zijn gevestigd,’ zegt Wurzbacher. Hij en Gebald zijn allebei opgegroeid in Duitsland en hebben elkaar leren kennen toen ze allebei studeerden aan de E.T.H, de technische hogeschool in Zürich. ‘Op dag één, 20 oktober 2003, leerden we elkaar kennen,’ vertelt Gebald. ‘En op dag één besloten we dat we een bedrijf zouden beginnen.’ Hun ambitie was om ondernemer te worden, niet per se om een direct air capture-bedrijf te beginnen, maar allebei hadden ze belangstelling voor onderzoek naar hernieuwbare energie en het reduceren van emissies.
Nadat ze allebei hun masterproject hadden afgerond, besloten ze om een prototype van een direct air capture-apparaat te maken en een onderneming te starten. Allebei noemden ze zich directeur. Met steun van een aantal kleine subsidies werd Climeworks in 2009 officieel opgericht.
Zij waren niet de enigen die wilden proberen iets af te knabbelen van tientallen jaren CO2-uitstoot. Een Amerikaanse start-up, Global Thermostat, die op dit moment de laatste hand legt aan een eerste commerciële fabriek in Alabama, begon in 2010 met het ontwerpen van direct air capture-apparaten. En al vrijwel vanaf het begin zijn Gebald en Wurzbacher in een vriendschappelijke concurrentieslag verwikkeld met David Keith, de hoogleraar techniek van Harvard die rond dezelfde tijd in Canada zijn bedrijf Carbon Engineering is begonnen.
Het bedrijf van Keith richt zich op een andere direct air capture-technologie; hij gebruikt een proces met grotere hitte en een vloeibare oplossing om CO2 te vangen, waarvan hij vervolgens synthetische brandstoffen wil maken. Het grote voordeel van Climeworks is dat het al vroeg kleinere fabrieken kan bouwen, zegt Keith. ‘Daar ben ik stikjaloers op. Het komt doordat zij een modulair model gebruiken en wij niet.’
Aan de andere kant denkt Keith dat zijn bedrijf dichter bij de bouw van een grote fabriek is, die tegen lagere kosten koolstof kan vangen en substantiële hoeveelheden brandstof kan produceren. ‘Ik zie niet hoe zij daar tegenop kunnen.’ Gebald zegt te denken dat beide bedrijven succes zullen hebben, elk met hun eigen benadering. Voorlopig hebben de oprichters één ding gemeen: ze zijn ervan overtuigd dat de kosten om een ton koolstof te vangen binnenkort sterk zullen dalen.
Geen revolutie
Sommige buitenstaanders denken daar anders over. Howard Herzog van het Massachusetts Institute of Technology (M.I.T.), die jaren heeft gekeken naar de mogelijkheden voor deze apparaten, denkt bijvoorbeeld dat de kosten tussen de 600 en 1000 dollar per ton blijven liggen. De redenen waarom hij zo sceptisch is, zijn voor een deel zeer technisch en hebben te maken met de natuurkundige kant van het scheiden van gassen. Andere zijn makkelijker te begrijpen. Om een ton CO2 te verzamelen, moeten direct air capture-apparaten enorme hoeveelheden lucht door een filter of een oplossing laten stromen. Want hoe groot de mondiale impact van dat gas ook is, het maakt maar zo’n 0,04 procent van onze atmosfeer uit. Dat betekent dat voor dit proces heel veel energie en grote apparaten nodig zijn. Bij vergelijkbare industrieën die gassen scheiden heeft Herzog gezien dat bij de vertaling van de papieren plannen voor het vangen van CO2 naar concrete toepassingen veel verborgen kosten naar boven komen. ‘Hier is veel publiciteit over geweest, maar ik denk niet dat het een revolutie teweeg zal brengen,’ zegt hij. ‘Andere negatieve-emissietechnologieën zullen waarschijnlijk goedkoper blijken. Op zijn best kan direct air capture een bijrolletje spelen.’
Volgens de cijfers die David Keith en zijn collega’s bij Carbon Engineering vorig jaar naar buiten brachten, zou hun technologie voor het vangen van koolstof de kosten omlaag kunnen brengen tot slechts 94 dollar per ton, maar Herzog is niet overtuigd. Toch betoogt Keith tegenover mij dat twee investeerders in Carbon Engineering – Chevron Technology Ventures en een dochteronderneming van Occidental Petroleum – zijn cijfers uitputtend onder de loep hebben genomen en het erover eens waren dat het ondernemingsplan solide genoeg was om er aanzienlijke bedragen in te steken bij een investeringsronde van 60 miljoen dollar. De beide oprichters van Climeworks zeggen dat zij het eens zijn met de kosteninschattingen van Keith en voor hun eigen technologie een vergelijkbare dalende lijn voorzien.
Op dit moment streeft Climeworks ernaar om halverwege de jaren twintig 1 procent van de mondiale jaarlijkse CO2-uitstoot te kunnen verwijderen. Maar om dat doel te kunnen halen, als het al mogelijk is, moeten ze de kosten van direct air capture bijna met een factor tien terugbrengen en tegelijkertijd hun klantenkring behouden en zelfs substantieel uitbreiden. Wurzbacher en Gebald hebben plannen voor verscheidene generaties Climeworks-apparaten, waarin elk nieuw model een verlaging van de kosten belooft. ‘We hebben een routekaart – van 600 dollar omlaag naar 400 dollar, omlaag naar 300 en 200 dollar per ton,’ zei Wurzbacher. ‘Dit geldt voor de komende vijf jaar. Tot 200 dollar per ton weten we vrij goed wat we doen.’ Voorbij die 200 dollar wordt de route minder duidelijk, bedoelt hij. Of de kosten nog lager kunnen, hangt af van ‘nieuwe ontwikkelingen’ in technologie of fabricage.
De beide Climeworks-oprichters zeggen dat ze enorme kostenbesparingen verwachten te kunnen halen uit het opschalen van de productie – waardoor ze materialen goedkoper in het groot kunnen inkopen en geautomatiseerd apparaten kunnen bouwen met behulp van lopende banden in plaats van met de hand, zoals nu gebeurt. Verbeteringen in het ontwerp van de apparaten kunnen verdere kostenreductie opleveren.
‘Onderhoud is erg duur,’ zegt Wurzbacher. ‘Als we nu de filters in de collectoren willen vervangen, moeten we een kraan huren, en dat kost veel manuren. Bij de volgende generatie apparaten hebben we daarin veel verbetering gebracht: relatief kleine veranderingen in ontwerp zouden de kosten van onderhoud met een factor drie kunnen terugbrengen.’ Climeworks wil ook besparingen realiseren door verbeteringen van essentiële onderdelen, zoals het materiaal dat CO2 aan zich bindt. Op dit moment vereist de technologie van het bedrijf dat de temperatuur in de apparaten regelmatig wordt verhoogd naar zo’n 1000 graden Celsius, om de CO2 uit de absorberende stof te laten vrijkomen zodat die afgezogen en opgeslagen kan worden. Als dat te bereiken is bij een lagere temperatuur, zullen de collectoren minder energie gebruiken en kan de levensduur van de materialen langer worden, wat de kosten nog verder omlaag brengt.
De ambities voor massaproductie van het bedrijf lijken nog steeds erg hoog gegrepen. Om daadwerkelijk 1 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot te kunnen vangen zou Climeworks 250.000 direct air capture-installaties zoals die op het dak in Hinwil moeten bouwen. Dat zouden in totaal zo’n 4,5 miljoen CO2-collectoren zijn. Voor een bedrijf dat nog maar honderd collectoren heeft gebouwd (en veertien kleine installaties verspreid over Europa heeft staan), is dat een onthutsend groot aantal. De Climeworks-oprichters proberen hun product dan ook te zien zoals de auto-industrie dat zou doen – als een stuk in massa geproduceerde technologie en metaal, niet als de CO2 die ze hopen te verzamelen. ‘Wat wij doen is het scheiden van gassen,’ zei Wurzbacher, ‘en dat hoort traditioneel thuis in de procesindustrie, zoals olie en gas. Maar wij zien onszelf daar niet echt.’
De twee oprichters wijzen erop dat Toyota meer dan tien miljoen auto’s per jaar maakt. ‘Elke CO2-collector heeft ongeveer hetzelfde gewicht en dezelfde afmetingen als een auto – ruwweg twee ton, en ruwweg twee bij twee bij twee meter,’ zei Gebald. ‘En alle methoden die worden gebruikt om de CO2-collectoren te bouwen zijn heel goed te automatiseren. Dus hebben wij de auto-industrie voor ogen als voorbeeld voor hoe je dingen in grote hoeveelheden tegen lage kosten produceert.’ De twee mannen hebben al advies gevraagd bij Audi. Ze zijn zich er ook van bewust dat de auto-industrie haar methoden in de loop van honderd jaar heeft geperfectioneerd. Wil Climeworks ook maar enige impact hebben, dan heeft het bij lange na niet zo veel tijd.
Publieke goederen
In 1954 kwam econoom Paul Samuelson met een theorie waarin hij onderscheid maakte tussen ‘particuliere consumptiegoederen’ – brood, auto’s, huizen en dergelijke – en goederen die buiten de gebruikelijke wetten van vraag en aanbod bestaan. De moderne mondiale markten slagen er goed in een prijskaartje te hangen aan de particuliere goederen die we nodig hebben en willen. Maar het andere type goederen dat Samuelson beschreef en dat we nu ‘publieke goederen’ noemen, is iets waarvan iedereen profiteert maar dat niet op die manier wordt gekocht, verkocht of geconsumeerd. De definities van publieke goederen lopen uiteen, maar vaak gebruikte voorbeelden zijn vuurtorens, defensie en schone lucht.
Direct air capture kan ongetwijfeld particuliere consumptiegoederen opleveren, zoals koolzuur voor alcoholvrije dranken of brandstoffen. Wat de waarde van deze techniek zo moeilijk in te schatten maakt, is dat de leveranciers ervan met het begraven van CO2 voor een betere atmosfeer – en vrijwel zeker voor een betere toekomst – ook een publiek goed zouden creëren. ‘Als je alleen CO2 verzamelt en begraaft, is het probleem dat er nog geen markt is,’ zegt Julio Friedmann, een voormalig functionaris op het Amerikaanse ministerie van Energie, die nu aan de Columbia University werkt. ‘Waar het echt om gaat is dat je tegen betaling milieudienstverlening aanbiedt.’ En dat betekent, kort gezegd, dat het succes van direct air capture beperkt zou blijven tot de afmetingen van de markt voor particuliere goederen – prik in limonade, broeikasgas – tenzij overheden zouden besluiten om zich ermee te bemoeien en bij te dragen aan de financiering van het equivalent van verscheidene miljoenen (of meer) vuurtorens.
Die bemoeienis kan verschillende vormen hebben. Te denken valt bijvoorbeeld aan ruime subsidies voor onderzoek naar betere absorberende materialen, wat te vergelijken zou zijn met de overheidsinvesteringen waarmee lang geleden de industrieën voor zonne- en windenergie zijn gevoed. Maar hulp kan ook komen door uitbreiding van de al bestaande regelgeving. Een nieuwe en onduidelijke Amerikaanse belastingmaatregel, die bekendstaat als 45Q en vorig jaar is ondertekend door president Trump, biedt lastenverlichting voor bedrijven die CO2 opslaan in geologische formaties. Die verlichting komt ten goede aan olie- en gasmaatschappijen die CO2 de grond in pompen bij boorwerkzaamheden, en aan energiecentrales die uitstoot rechtstreeks afvangen uit hun schoorsteenpijp. Ook Climeworks zou ervan kunnen profiteren, mocht het bedrijf installaties openen in de Verenigde Staten, maar alleen als het erin slaagt om honderdduizend ton CO2 per jaar te verwijderen en begraven.
Ook kunnen overheden CO2 duurder maken. De oprichters van Climeworks geloven dat hun bedrijf alleen kan slagen op ‘klimaatimpact-schaal’, zoals zij het noemen, als de wereld aanzienlijke prijzen gaat rekenen voor emissies, in de vorm van een CO2-belasting of CO2-tarief. ‘Ons doel is het mogelijk te maken CO2 uit de lucht te vangen voor minder dan 100 dollar per ton,’ zegt Wurzbacher. ‘Niemand heeft een glazen bol, maar wij denken – en zijn er vrij zeker van – dat we zo tegen 2030 een mondiale gemiddelde prijs voor CO2 zullen hebben in de orde van 100 tot 150 dollar per ton.’ Dat is optimistisch gedacht, geeft hij toe; op dit moment hebben alleen nog maar enkele Europese landen vooruitgang geboekt met het vaststellen van een prijs voor CO2, en in de Verenigde Staten is de CO2-belasting onlangs in verkiezingen verworpen. Maar toch, als dat soort prijzen werkelijkheid zouden worden, zou dat op verschillende manieren de markt voor CO2-extractie stimuleren. Een bedrijf dat een product verkoopt of een proces gebruikt dat veel uitstoot oplevert – een luchtvaartmaatschappij bijvoorbeeld of een staalfabrikant – zou dan verplicht worden om bedrijven die CO2 verwijderen 100 dollar of meer per ton te betalen om hun uitstoot van CO2 te compenseren. Of een overheid zou de opbrengsten van de CO2-belasting kunnen gebruiken om bedrijven rechtstreeks te betalen voor het verzamelen en begraven van CO2. Bij gebrek aan een overheidsoptreden van betekenis, zou een miljardair die goed wil doen misschien al zijn geld kunnen stoppen in het vangen en begraven van CO2.
Als koolstof een fatsoenlijke prijs zou hebben, zouden toezichthouders wereldwijd een CO2-boekhouding moeten bijhouden om erop toe te zien dat direct air capture-apparaten evenveel CO2 opzuigen en begraven als uitstoters produceren. Omdat CO2-emissies zich snel met de atmosfeer vermengen, zou de locatie van de installaties er weinig toe doen, afgezien van de noodzaak om ze in de buurt van schone energiebronnen en geschikte gebieden voor onderaardse opslag te plaatsen. Met andere woorden: een direct air capture-installatie in IJsland zou evenveel CO2 kunnen opnemen als een Boeing 747 in Australië uitstoot, en zo de impact daarvan op het milieu teniet kunnen doen. En het proces van onderaards opslaan levert geen beperkingen op. ‘Het kost niet zo veel om CO2 de grond in te pompen,’ zegt Sally Benson van Stanford. Bedrijven slaan per jaar al zo’n 34 miljoen ton CO2 op in de bodem, op een aantal plekken over de hele wereld, meestal ten behoeve van het olieboorproces. ‘De kosten lopen uiteen van 2 tot 15 dollar per ton. Dus de grootste kostenpost hiervoor zijn de kosten van het vangen van CO2.’
‘Je vliegt naar Europa en de app vertelt je dat je zojuist 1,7 ton CO2 hebt verbrand. Wil je die verwijderen? Nou, dat kan Climeworks voor je doen. Klik hier’
In een denkbeeldige CO2-vrije toekomst, zouden de te verwachte inkomsten voor direct air capture-bedrijven enorm zijn. ‘Als we 100 tot 150 dollar per ton krijgen, zegt Wurzbacher, ‘dan is de markt vrijwel oneindig.’ Zo groot dat hij betwijfelt of zijn bedrijf alle potentiële klanten zou kunnen bedienen, zelfs al zou het een exponentiële expansie doormaken. Bij zulke lage prijzen zouden bedrijven mogelijk CO2-verwijdering in hun prijsstelling kunnen doorberekenen – of gedwongen kunnen worden om dat te doen – en dat zou leiden tot een explosie op de markt. ‘Christoph en ik zeggen altijd: als dit zich zo ontwikkelt als wij denken, zijn wij niet bezig met het oprichten van een bedrijf, maar van een hele bedrijfstak,’ zegt Wurzbacher. Hij noemt het werk in IJsland – een gezamenlijke inspanning die gedeeltelijk wordt gefinancierd door de Europese Unie – de eerste stap in de richting van die bedrijfstak. Op het ogenblik zuigt een enkele Climeworks-collector op een geothermisch veld in Reykjavik lucht binnen en haalt daar de CO2 uit; nadat het gas uit de filter van het apparaat is gespoeld, wordt het gemengd met water, waarbij het in feite warm prikwater vormt. Dan wordt de vloeistof geïnjecteerd in een basaltsteenlaag diep onder de grond. In zo’n twee jaar tijd mineraliseert de CO2, zodat het gas voorgoed ingesloten raakt.
Op het hoofdkantoor van Climeworks in Zürich vraag ik Valentin Gutknecht, manager business development, of hij de uitstoot waarvoor ik verantwoordelijk ben door mijn vlucht van de VS naar Zürich, in IJsland kan begraven. Hij heeft daarvoor een geschreven overeenkomst die hij kan uitprinten en aan mij kan geven. Maar dat is niet goedkoop, waarschuwt hij. De prijs ligt nu op zo’n 600 dollar per ton, wat inhoudt dat mijn vlucht zo’n 700 dollar extra gaat kosten. Maar ik ben bepaald niet de eerste die dit aan hem vraagt. Vorig weekend, zo vertelt Gutknecht, heeft hij negenhonderd e-mails met verzoeken om informatie binnengekregen. Veel daarvan zijn van potentiële klanten die willen weten hoe snel Climeworks hun CO2-uitstoot kan begraven, of hoeveel een collector hun zou kosten. Ik heb het gevoel dat ik hier een glimp opvang van wat eraan komt: een hele gemeenschap – niet groot genoeg om een verschil te maken, maar daarom niet minder gemotiveerd – die kennelijk bereid is extra te betalen om haar CO2-uitstoot te terug te draaien.
Later vertelt Wurzbacher me dat hij een ‘one click’-consumentenservice wil aanbieden, misschien over een jaar of twee, waarmee ze zouden uitbreiden wat ze nu al in IJsland doen voor individuele klanten en bedrijven. Op mijn telefoon zou ik dan een Climeworks-app kunnen installeren, legt hij uit, die wordt geactiveerd door de locatieservices op mijn mobiel. ‘Je vliegt naar Europa en de app vertelt je dat je zojuist 1,7 ton CO2 hebt verbrand. Wil je die verwijderen? Nou, dat kan Climeworks voor je doen. Klik hier. We verrekenen het met je creditcard. En dan krijg jij voor elke ton die je opslaat een steen van CO2.’ Hij leunt achterover en slaakt een zucht. ‘Dat is mijn droom.’
Hoe paradoxaal het ook klinkt, waarschijnlijk bieden synthetische brandstoffen een praktischere weg naar een zakelijke toekomst voor direct air capture. De enorme en constante vraag van de markt naar brandstof is de reden waarom Carbon Engineering zijn kaarten voor de toekomst op synthetische brandstoffen heeft gezet. Op dit moment verbrandt de wereld zo’n honderd miljoen vaten olie per dag. David Keith denkt dat de vraag naar brandstoffen voor transport in 2050 vrijwel zeker zal zijn veranderd door de overschakeling naar elektrische voertuigen. ‘Dus laten we zeggen dat je in 2050 nog zo’n vijftig miljoen vaten brandstof per dag moet leveren,’ zegt hij. ‘Dat is nog steeds een megamarkt.’
Volgens Steve Oldham, algemeen directeur van Carbon Engineering, hebben synthetische brandstoffen die worden gewonnen uit direct air capture een voordeel boven traditionele fossiele brandstoffen: ze kosten geen cent aan exploratie. ‘Wil je nu als splinternieuw bedrijf brandstof gaan produceren, dan krijg je te maken met enorme kosten voor het zoeken naar en winnen van fossiele brandstof,’ zegt hij. ‘Terwijl je onze installaties zo midden in Californië kunt bouwen, overal waar lucht en water is.’ Hij vertelt dat de eerste grootschalige fabriek van Carbon Engineering in 2022 in bedrijf moet zijn, en dan minstens vijfhonderd vaten brandstofgrondstof – het ruwe materiaal dat naar raffinaderijen gaat – per dag zal produceren.
Een illustratie van Climeworks over de werking van hun product. Klink eronder voor nadere toelichting.
Ook Climeworks voorziet een grote markt voor brandstoffen. In een stad vlak bij Zürich, Rapperswil-Jona, heeft het bedrijf in een kleine fabriek op de lokale technische universiteit een collector geïnstalleerd om methaan te produceren. In een ruimte met ongeveer het formaat van een scheepscontainer zuigt het Climeworks-apparaat via een luchtfilter CO2 binnen en stuurt die door een netwerk van leidingen, om het gas te combineren met waterstof, die met behulp van zonne-energie uit water is gehaald. Als ik er ben, zal het nog een paar weken duren voor de fabriek operationeel wordt, maar het methaan uit de installatie kan als vervanging voor benzine dienen in zo’n beetje elke auto, bus of vrachtwagen die toegerust is om op aardgas te rijden. Bij een grotere fabriek in Italië is Climeworks ingestapt in een consortium van Europese landen om synthetische methaan te produceren, die gebruikt zal worden door een lokale vrachtwagenvloot. Met een paar veranderingen en verfijningen kan dit proces aangepast worden voor diesel, benzine of vliegtuigbrandstof of het methaan zou rechtstreeks via pijpleidingen naar plaatselijke wijken kunnen worden getransporteerd als brandstof voor de fornuizen in particuliere woningen.
Vanuit economisch standpunt bekeken zouden producenten met deze synthetische brandstoffen gebruik kunnen maken van een enorme bestaande infrastructuur – raffinaderijen, benzinestations, auto’s, vliegtuigen, vrachtwagens, huizen, schepen – en zouden ze zo een product waar al vraag naar is, kunnen vervangen door iets wat duidelijk beter is. Maar de nieuwe brandstoffen zijn niet per se goedkoper. Carbon Engineering streeft ernaar om zijn product te leveren tegen een uiterste retailprijs van 1 dollar per liter, of 3,75 dollar per gallon (3,785 liter). Wat het product toch concurrerend zou maken zijn is de regelgeving in Californië, die nu bepaalt dat brandstofleveranciers brandstoffen moeten produceren met een lagere ‘koolstof-intensiteit’. Tot nu toe hield dit in dat benzine en diesel werden vermengd met een biobrandstof als ethanol, maar dat zou snel ook een synthetische brandstof uit opgevangen CO2 kunnen worden.
In een zich uitbreidende markt zouden synthetische brandstoffen vreemde effecten kunnen hebben. Aangezien ze worden gemaakt van uit de lucht gevangen CO2 en waterstof en bijna overal te fabriceren zijn, zouden ze kunnen zorgen voor een herschikking van de geopolitieke orde – door de macht te verkleinen van het handjevol landen dat nu de markten voor aardgas en olie beheerst. Het methaanproject in Rapperswil-Jona is met name toegesneden op de behoeften van Zwitserland, vertelt Markus Friedl, hoogleraar thermodynamica, die de leiding heeft over het project. Dat land moet nu bijna al zijn aardgas importeren en kan in de koudere maanden slechts beperkt energie opwekken uit hernieuwbare bronnen. Brandstoffen van opgevangen CO2 zouden, als ze goedkoop genoeg worden, een vorm van energieopslag kunnen zijn – geproduceerd in de zomer met behulp van zonne- of windenergie, en gebruikt in de winter – die minder kost (en een langere levensduur heeft) dan batterijen.
CO2-neutraal
Vanuit milieu-oogpunt bekeken zijn brandstoffen uit direct air capture niet de utopische oplossing. Deze brandstoffen zijn CO2-neutraal, niet CO2-negatief. Ze kunnen geen CO2 van ons industriële verleden wegnemen en die dan weer terugstoppen in de aarde. Als alle auto’s, vrachtwagens en vliegtuigen van het jaar 2050 op deze synthetische brandstoffen draaien in plaats van op traditionele fossiele brandstoffen, moeten hun CO2-emissies uit de lucht worden gehaald, gerecycled tot hetzelfde product dat ze oorspronkelijk hebben opgebrand, en die cyclus zou zich tot in het oneindige moeten herhalen, wil de uitstoot niet groter worden. Toch zouden deze brandstoffen wel voor een enorme verbetering kunnen zorgen. Transport – op dit moment de grootste bron van uitstoot in de Verenigde Staten – zou niet langer een netto CO2-uitstoter zijn. Even belangrijk is dat de techniek van de direct air capture zou kunnen opschalen en zo beter en goedkoper zou worden.
Een enorme uitbreiding kan ook enorme complicaties meebrengen. ‘Je zult echt heel grote uitdagingen tegenkomen als je op zo’n grote schaal gaat werken,’ zegt Glen Peters, onderzoeksdirecteur bij het internationaal centrum voor klimaatonderzoek Cicero in Oslo. ‘Als je één faciliteit voor CO2-opvang kunt inrichten, waar Carbon Engineering of Climeworks een grote fabriek kan bouwen, geweldig. Dat moet je vijfduizend keer doen. En wil je met direct air capture een miljoen ton CO2 vangen, dan heb je, alleen om die fabriek te laten draaien, een kleine energiecentrale nodig. Dus als je de komende dertig jaar één direct air capture-faciliteit per dag gaat bouwen om zo’n scenario uit te voeren, dan moet je daarbij ook elke dag een mini-energiecentrale bouwen.’ Het is ook zo dat je twee buitengewone problemen tegelijkertijd moet zien op te lossen, voegt Peters toe. ‘Om de 1,5 graden te halen, moeten we elke tien jaar onze uitstoot halveren.’ Dat zou betekenen dat landen als China en de Verenigde Staten overgehaald moeten worden om van het verbranden van kolen over te schakelen op het gebruik van hernieuwbare bronnen, juist op het moment dat we immense investeringen doen in negatieve-emissietechnologieën. En Peters wijst erop dat dit toch gedaan moet worden, ook als overheden een keus moeten maken die ten koste gaat van andere prioriteiten: gezondheidszorg, onderwijs, enzovoort.
Het streven om direct air capture halverwege deze eeuw of later te verhogen tot 10 miljard ton is zo’n herculische opgave dat er een industriële opschaling voor nodig is die de wereld nooit eerder heeft gezien,’ zegt Stephen Pacala van Princeton. En toch staat hij er niet pessimistisch tegenover. Blijkbaar vindt hij het nodig dat de federale overheid een begin maakt met substantieel onderzoek en investeringen in de technologie – om te zien hoe ver en snel daarin vooruitgang kan worden geboekt, zodat ze zo snel mogelijk klaar is. Bij Climeworks zeggen Gebald en Wurzbacher iets dergelijks. Zij benadrukken dat de discussie rond klimaatuitdagingen verder gaat dan de keus tussen schone energie en CO2-verwijdering. Ze zijn allebei nodig.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.