Tag: poëzie

  • Aanbevolen door de redactie. Iedereen wordt vrolijk van ballonkunst & Meer

    Aanbevolen door de redactie. Iedereen wordt vrolijk van ballonkunst & Meer

    De ballonnen van kunstinstallatie Weightless Forest of Resonating Life maken je zo blij als een kind. Verder: De schoonheidstrend BBL (Brazilian Butt Lift) leidt tot gevaarlijke operaties, soms zelfs met de dood tot gevolg & meer aanraders van de 360-redactie.

    Omdat 360 niet alles kan vertalen wat de redactie leest, ziet en hoort, tippen wij voor u enkele interessante artikelen, documentaires, fotoreportages en podcasts die wij deze week tijdens het speuren naar mooie journalistiek zijn tegengekomen.

    Het Europa van 1914 versus 2021

    Caroline de Gruyter schrijft columns over Europa en internationale politiek. Niet alleen voor NRC Handelsblad, maar ook voor de site euobserverVanwege haar kraakheldere schrijfstijl, internationale blik, bewonderenswaardige kennis en vaak verrassende invalshoeken is het zeer de moeite waard om ook die in de gaten houden, tipt redacteur IJsbrand van Veelen

    Haar meest recente bijdrage voor euobserver begint zo: ‘De Hongaarse schilder Béla Zombory-Moldován was 29 toen zijn leven voor altijd veranderde. In 1914 brak de oorlog uit terwijl hij met vrienden op vakantie was aan de Adriatische kust. Binnen een week was de zorgeloze, zachtaardige kunstenaar uit een rijke familie op weg naar het front, in uniform. Zoals hij schreef in The Burning of the World, zijn memoires van het eerste jaar van de oorlog die in 2014 door zijn kleinzoon werden gepubliceerd, had hij geen idee van wat hem te wachten stond. “Sinds mijn grootvader was niemand in mijn familie in oorlog geweest. Totdat we ermee werden geconfronteerd, had iedereen oorlog als een absurditeit beschouwd. Nu was het realiteit. Een schrale troost: de vijand moet hetzelfde probleem hebben.”

    In een Europa waar al meer dan zeventig jaar vrede is, roepen deze woorden onwillekeurig parallellen op’, vervolgt De Gruyter. ‘Niemand zegt dat er in 2021 oorlog zal uitbreken in Europa. 1914 is zeker geen 2021. Maar…’ Het vervolg lees je hier

    Deze column is een voorproefje uit haar nieuwe boek Beter wordt het niet – Een reis door het Habsburgse Rijk en de Europese Unie, dat op 2 maart verschijnt.


    Braziliaanse billen

    De afkorting alleen al: BBL, geen sandwich, maar een brazilian butt lift. In Zuid-Amerika is de butt een ontzettend belangrijk onderdeel van het vrouwelijk lichaam. En sinds een aantal jaren voor iedereen zelf naar ideaalbeeld te boetseren, Zoals Melissa – niet haar echte naam – in dit artikel van The Guardian – getipt door editor at large Katrien Gottlieb – zegt: ‘Je ziet iets wat je leuk vindt, en dan wil je het hebben.’ Logisch toch?

    Cosmetische chirurgie heeft er groots aan bijgedragen dat het uiterlijk niet langer een ‘gradually decaying biological event’ is maar een project dat voortdurend kan worden bijgeschaafd. Maar wat gebeurt er als de BBL uit het modebeeld verdwijnt, en iedereen opeens de voorkeur geeft aan een AB, een Aspirine Butt? Zoals het Britse model Twiggy de trend zette met haar cup AA en vrouwen met een voluptueuze boezem frustreerde.

    In de afgelopen drie jaar zijn drie Britse vrouwen, Abimbola Ajoke Bamgbose, Leah Cambridge en Melissa Kerr, overleden als gevolg van complicaties die zich voordeden bij BBL’s in Turkije, schrijft The Guardian. Wat mensen bezielt om zichzelf zoiets aan te doen om hun zelfbeeld kunstmatig op te pimpen, soms tot de dood erop volgt, blijft een interessant fenomeen.


    Ambassadeur van een sombere generatie

    Arlo Parks verwoordt de eeuwige problemen van de adolescentie, en in het bijzonder de problemen die ze in de huidige tijd ervaren, schrijft The Times in een portret. Zo schreef ze het nummer ‘Black Dog’ (‘It’s so cruel what your mind can do for no reason’) voor een vriendin. ‘Ik zag iemand zonder aanwijsbare reden vreselijke pijn lijden. (…) er was geen duidelijke oorzaak en ik voelde me machteloos.’ Een aanrader van hoofdredacteur Laura Weeda.

    Haar muziek richt zich in het bijzonder op de eerste generatie ‘digitale autochtonen’, waar ze zelf als twintigjarige deel van uitmaakt: jongeren die zijn opgegroeid met internet. Volgens een rapport dat in oktober 2020 is vrijgegeven door de American Psychological Association, leed meer dan 70 procent van de jongvolwassenen het afgelopen jaar aan een vorm van depressie.

    We snappen waarom, schrijft de Londense krant. De jongeren van Generatie Z zitten vastgeschroefd aan hun mobiele telefoon, worden belaagd met sombere berichten en steeds meer overweldigd door wanhoop. Parks is ook ambassadeur voor CALM: Campaign Against Living Miserably – een organisatie die zich inzet voor een goede geestelijke gezondheid.

    ‘Gedurende het jaar dat voor de meesten van ons gekenmerkt werd door algehele verlamming, veranderde ze van een volslagen onbekende in een openbaring’

    Zelf lijkt de artiest een gelukkige jeugd te hebben gehad. Ze is de dochter van een Nigeriaanse vader en een Franse moeder en bezocht een privéschool in Hammersmith in Londen. Ze begon op zevenjarige schrijver met het schrijven van gedichten, op haar veertiende met gitaar spelen. Op de middelbare school werd ze nadat ze voor haar biseksualiteit was uitgekomen zelfverzekerder, vertelt ze zelf, en begon ze ook te zingen.

    Ze laat zich inspireren door bijvoorbeeld de Amerikaanse R&B-ster Frank Ocean, King Krule, een cultzanger uit Zuid-Londen, The Cure, maar bijvoorbeeld ook door de meanderende taal uit Virginia Woolfs Mrs Dalloway (‘Ze neemt je mee in een zin en laat je er bijna in verdwalen tot je er aan het einde weer uit komt’) en Just Kids van Patti Smith (‘Een bundeling van alles wat vreemd, romantisch en destructief was in het leven van een kunstenaar in het New York van de jaren zeventig’). Haar album Collapsed in Sunbeams, dat deze maand verscheen, ontleent zijn titel aan Zadie Smiths essaybundel On Beauty (2005).

    ‘Gedurende het jaar dat voor de meesten van ons gekenmerkt werd door algehele verlamming, veranderde ze van een volslagen onbekende in een openbaring, die onder andere Michelle Obama en Billie Eilish wordt bewonderd’, schrijft The Times.

    Het artikel van The Times zit achter een betaalmuur maar haar muziek spreekt voor zichzelf en is online te beluisteren.


    Ballonkunst

    Tijdens deze donkere coronaperiode snakt menig mens naar een feestje, en wat schreeuwt nou meer feest dan de ballon. In Tokio kunt u nu de ultieme ballonervaring ondergaan door te stuiteren door de kunstinstallatie Weightless Forest of Resonating Life van het internationale collectief teamLab, te zien in het MORI Building Digital Art Museum. Nu reizen naar Japan lastig is, zijn er gelukkig videobeelden van de installatie om je aan te vergapen.

    Een tip van onze art director Majel van der Meulen: ‘Licht, beweeglijk, kleurrijk, vrolijk, feestelijk: de ballon. Meer dan een feestje, in de beeldende kunst kom ik ze regelmatig en graag tegen. Door de jaren heen heb ik een flinke verzameling gezien. In 2017 genoot ik van Martin Creeds installatie SAY CHEESE! in Museum Voorlinden, met onder andere een zaal gevuld met ballonnen. Al eerder zag ik in Tate Modern Andy Warhols Silver Clouds en in 2013 in De Pont in Tilburg Two Younger Women Come In and Pull Out A Table van Katharina Grosse. Ook bijzonder vrolijk makend is Jeff Koons Balloon Dog (Magenta), die te zien was op de Biënnale van Venetië in 2015. En een nu dus deze ballonkunstinstallatie in Tokyo.’


    Mentor van de beat-dichters

    Lawrence Ferlinghetti, dichter, uitgever en politiek iconoclast, die generaties kunstenaars en schrijvers uit San Francisco inspireerde en ondersteunde, is maandag in zijn huis in San Francisco overleden aan een longziekte. Hij werd 101 jaar.

    The New York Times publiceerde een prachtig portret van de ‘spirituele godfather van de beat-beweging’, die in 1953 de boekhandel, uitgeverij en ‘literaire ontmoetingsplaats’ City Lights in San Francisco oprichtte. Een elf minuten durende documentaire over het leven van de Ferlinghetti, die grote beat-dichters als Allen Ginsberg, Gregory Corso en Michael McClure uitgaf, begeleidt het artikel.

    Een aanrader van redacteur Joep Harmsen. ‘In 2018 bracht ik een bezoek aan City Lights Bookstore en werd overvallen door de historische sensatie van het zijn op een plek waar grootheden als Allen Ginsberg, Jack Kerouac en Ferlenghetti himself elkaar hun energieke en taboedoorbrekende poëzie voordroegen.’

    Zijn meest succesvolle bundel, A Coney Island of the Mind (1958) trok de aandacht toen een van de gedichten als godslastering werd bestempeld door een congreslid uit New York, Steven B. Derounian, die beweerde dat het de kruisiging van Christus belachelijk maakt. Het gedicht, ‘Sometime During Eternity …’ begint als volgt:

    Sometime during eternity

    some guys show up

    and one of them

    who shows up real late

    is a kind of carpenter

    from some square-type place

    like Galilee

    and he starts wailing

    and claiming he is hip

    En dan nog, om de levenslust van de 101 jaar oud geworden Ferlinghetti te vieren, het begin van zijn gedicht ‘The World is a Beautiful Place’:

    The world is a beautiful place

    to be born into

    if you don’t mind happiness

    not always being

    so very much fun

    if you don’t mind a touch of hell

    now and then

    just when everything is fine

    because even in heaven

    they don’t sing

    all the time

  • Aanbevolen door de redactie. Het beste van de Franstalige cinema & Meer

    Aanbevolen door de redactie. Het beste van de Franstalige cinema & Meer

    My French Film Festival presenteert een nieuwe generatie cineasten uit de Francofone wereld. Verder: het nieuws van de dag in historisch perspectief & meer aanraders van de 360-redactie.

    Omdat 360 niet alles kan vertalen wat de redactie leest, ziet en hoort, tippen wij voor u enkele interessante artikelen, documentaires, fotoreportages en podcasts die wij deze week tijdens het speuren naar mooie journalistiek zijn tegengekomen.

    Hondenlevens en andere Franse films

    Clebs 1 1
    Still uit Clebs.

    Ontdek het beste van een nieuwe generatie Franstalige cineasten van over de hele wereld op het My French Film Festival, dat plaatsvindt van 15 januari tot 15 februari. De korte films zijn gratis te zien, zoals de prachtige korte animaties Empty places en Blue Fear.

    Art director Majel van der Meulen: ‘Mijn absolute tip is Clebs met in de hoofdrol 750 zwerfhonden. De hond als muze, veelvuldig door mij getekend, waardoor ik ooit de geuzennaam “Madonna van de honden” kreeg toegedicht. Het woord geus komt van het Franse gueux voor bedelaar, dat komt dan weer dicht bij zwerfhonden.’ 

    Clebs (plat Frans voor hond) is een korte film van Halima Ouardiri, de film won al verschillende prijzen, waaronder de Best Canadian Short Film Award in 2019. Deze tweede korte film van Oardiri gaat over een opvangcentrum voor zwerfhonden in Marokko waar de tijd lijkt stil te staan voor de 750 dieren die wachten op adoptie. Hun leven volgt een precieze, monotone routine.


    Hoe consumeren we coronanieuws?

    Het aanbod van aan covid-19 gerelateerd ‘nieuws’ is overal ter wereld overweldigend. Behalve in sommige landen waar het verboden is cijfers te publiceren. Zoals in Tanzania:

    In deze infographics van Visual Capitalist is de mediaconsumptie van de verschillende generaties overzichtelijk in beeld gebracht. Dat iedereen meer online consumeert is geen verrassing, maar wie wat hoe gebruikt weten we nu dankzij het mooie grafische werk van Visual Capitalist. Een aanrader van editor at large Katrien Gottlieb.


    Nieuws in historisch perspectief

    Laphams Quarterly is een Amerikaans kwartaalblad dat fraaie, doorwrochte artikelen publiceert vanuit de overtuiging dat kennis van de geschiedenis noodzakelijk is om goed geïnformeerd en onderwezen te kunnen worden over wetenschap, literatuur, politiek en economie. Elk nummer behandelt een actueel onderwerp over bijvoorbeeld oorlog, religie, geld, geneeskunde, natuur of misdaad en trekt parallellen met verhalen uit het verleden. 

    Een bijzonder leuke rubriek in dit licht is Déja-Vu, tipt redacteur IJsbrand van Veelen. ‘Een historisch perspectief bij het nieuws van de dag’ is de ondertitel, en in deze rubriek wordt deze aanpak lichtvoetig losgelaten op kleinere gebeurtenissen.

    Zoals ‘Whale Tales’, waarin het bericht over de ontspoorde metro op de verhoogde sporen in Spijkenisse, die vorig jaar november terechtkwam op het beeld van een walvis en zo de bestuurder redde, wordt gekoppeld aan een bericht uit 1891 over zeelieden die het lichaam van een vermiste collega in de buik van een walvis zouden hebben aangetroffen.


    Dante-jaar in Italië

    In Italië is 2021 het jaar van Dante Alighieri. Hij werd geboren in Florence in 1265 en stierf in 1321 in Ravenna. Zijn epische werk La Divina Commedia (De goddelijke komedie) is opgesplitst in drie delen en volgt een pelgrimsreis door de hel, het vagevuur en de hemel, waarbij de dichter Vergilius de auteur tot gids is – behalve in de hemel, waar deze laatste niet naar binnen mag.

    Dante wordt ook wel de vader van de Italiaanse taal genoemd. De gedichten uit de Komedie inspireerden vele grote schilders en tekenaar tot afbeeldingen van de beschreven taferelen. Onder andere Gustave Dorés gravures van dieven die door slangen worden belaagd of voor straf eeuwig met hun hoofd naar beneden in een brandend gat in de aarde moeten doorbrengen zijn beroemd.

    Ter ere van het zevenhonderdste sterfjaar organiseert nu Gallerie degli Uffizi in Florence een virtuele tentoonstelling met de nog onbekende tekeningen van de 16e-eeuwse renaissancekunstenaar Federico Zuccari, tipt hoofdredacteur Laura Weeda.

    Illustration par Federico Zuccari de la Divine Comédie de Dante II 1 1
    Een illustratie van Zuccari van de hel uit Dante’s La Divina Commedia. – © Helvio Ricina / Wikimedia Commons

    De schetsen werden door Zuccari gemaakt tijdens een verblijf in Spanje tussen 1586 en 1588. Na de dood van Zuccari in 1609 waren de tekeningen lange tijd in het bezit van particuliere families voor wie de kunstenaar had gewerkt, totdat ze in handen kwamen van het Uffizi. 

    Tot nu toe werden Zuccari’s tekeningen slechts door een paar geleerden gezien, en twee keer gedeeltelijk aan het publiek getoond, zegt Eike Schmidt, directeur van het museum. Op de onlinetentoonstelling worden ze volledig gepubliceerd én voorzien van een didactisch-wetenschappelijk commentaar.


    Gedicht van de week

    Elke maandag kiest Carol Rumens van The Guardian als sinds 2007 een gedicht van de week, in totaal bedraagt het archief meer dan zevenhonderd. Soms een klassieker, soms modern, maar altijd vergezeld van een heldere uiteenzetting die de kern van het gedicht openbaart en handvatten biedt bij het lezen. Een aanrader van redacteur Joep Harmsen.

    Een de beste analyses van Rumens is die van het gedicht ‘Song’ van de Amerikaanse dichter Peter Grizzy. Waarin ze ons door dit ambigue gedicht leidt aan de hand van de vragen die opkomen bij het lezen ervan.

    Wilt u al die mooie dichtregels ergens bewaren? Maak dan een commonplace book, oftewel een citatenboek. The New York Times legt uit hoe u dat digitaal kunt doen.

    ‘Het overnemen van je favoriete regels uit andermans werk in je eigen notitieboekje met aantekeningen was een geliefde en veel beoefende bezigheid in het Europa van de Renaissance, en de praktijk kan worden teruggevoerd tot de Romeinse tijd’, schrijft de NYT. Met alle technieken en apps die er tegenwoordig zijn, is het nu nog makkelijker geworden.

  • De dichteres van Instagram

    De dichteres van Instagram

    ‘Insta-dichter’ Rupi Kaur (24) verkocht 1,4 miljoen exemplaren van haar eerste boek, maar is ook voortdurend mikpunt van spot. Dankt de Canadees-Indiase haar succes echt alleen aan de korte
    spanningsboog van millennials? Of is ze haar tijd gewoon vooruit?

    Rupi Kaur, 24, wil zichzelf nogal eens in omgevingen parachuteren die van oudsher niet voor haar bestemd waren. Om ze vervolgens te domineren. Zo gebeurt het niet dagelijks dat een 22-jarige universiteitsstudente een foto van menstruatievlekken post en dan strijd moet voeren tegen de socialmediasite die de boodschap heeft verwijderd (‘Ik ga me niet verontschuldigen voor het feit dat ik weiger het ego en de trots van de vrouwenhatende maatschappij te voeden’, schreef ze toen. Haar aantal volgers verzevenvoudigde.) Evenmin gebeurt het dagelijks dat een meisje uit een dorpje in Hoshiarpur, Punjab, op The New York Times Bestsellers List terechtkomt en 1,4 miljoen exemplaren van haar eerste boek verkoopt. En het gebeurt ook niet dagelijks dat een jonge, krachtige gekleurde stem weerklank vindt over de hele wereld, zoals die van Kaur, of dat nou goed of slecht is.


    De insta-dichter staat bekend om haar korte, openhartige versregels met willekeurige afbrekingen en vlotte, vaak recht-voor-zijn-raap poëzie over onderwerpen als immigratie, de mensheid, misbruik, verkrachting, alcoholisme en feminisme. (Our backs/tell stories/no books/have the spine to/carry) Ze wordt bekritiseerd (en vaak bespot) omdat ze uit het niets bekend is geworden met iets wat als ‘makkelijk’ wordt beschouwd. Kaur is zich wel degelijk bewust van de commentaren die haar tijdlijnen overspoelen. ‘Het is net als bij hedendaagse kunst. Toen die een beweging werd, raakten mensen ook geïrriteerd van een schilderij met alleen maar een stip erop, en zeiden ze: “Dat is niet eerlijk, dat zou ik ook kunnen.”’ Kaur hanteert verschillende processen voor het gesproken woord en internetpoëzie. ‘Ik schreef lange gedichten van vier pagina’s en merkte dat ze gedrukt niet zo goed vielen als gesproken. Dus ging ik op zoek naar het gedeelte waar m’n maag van omdraaide en dat bracht ik dan naar buiten.’

    Het succes van Kaurs werk wordt deels toegeschreven aan de korte spanningsboog van millenials. De poëzie die zij voorschotelt is snel en vaak provocerend, en vrijwel altijd herkenbaar. Dat laatste is de redding voor een generatie die bevestiging en kameraadschap zoekt op het internet. Het is echter niet zo dat alle 1,4 miljoen exemplaren van Milk and Honey aan millenials werden verkocht. En dat is nu precies Kaurs verdienste: ze wordt door alle generaties heen gewaardeerd.

    Zelfhaat

    Toen Kaur vier was, verhuisde ze met haar moeder naar Toronto om zich te herenigen met haar vader, die in Hoshiarpur als elektricien had gewerkt. ‘Ons dorpje is een gemeenschap,’ zei ze. ‘Die plotselinge verhuizing naar Canada was heel eenzaam.’ De ervaring nestelde zich in haar emotionele gestel en ze kan zich herinneren hoe haar vader haar plaagde: ‘Hij dacht dat ik kon huilen als hij met zijn vingers knipte.’ Wat ook waar was, geeft ze toe. Kaur denkt dat dit haar bij het schrijven heeft geholpen.

    Toen Kaur opgroeide, las ze alles van Amrita Pritam tot Maya Angelou, Roald Dahl, Doctor Suess en Harry Potter. ‘Je groeit op met zo veel zelfhaat,’ zei ze. ‘Thuis zeiden mijn ouders dat ik uit de zon moest blijven, omdat ik anders te donker zou worden. Op school kreeg ik te horen dat ik heel breed gebouwd ben en overal haar had, dus ik dacht dat ik een mislukking was.’ Ze gebruikte poëzie als ontlading. (We are all born/so beautiful/the greatest tragedy is/being convinced we are not)

    Rupi Kaur verhuisde op haar vierde van Punjab naar Toronto. – © Getty Images
    Rupi Kaur verhuisde op haar vierde van Punjab naar Toronto. – © Getty Images

    Kaurs positie van immigrant dreef haar echter niet af van haar sikh-identiteit, die haar niet alleen bij haar schrijven inspireert, maar haar op slechte dagen nog steeds kracht geeft. ‘Sikhs werden vermoord door de Mongolen. Maar ze hebben zich aan dat gevaar ontworsteld, en enerzijds vind ik dat heel pijnlijk, maar anderzijds geeft me dat juist kracht. De boodschap is dat ik afstam uit een cultuur die heeft overwonnen.’ [Het sikhisme is een monotheïstische religie die vooral in de Indiase staat Punjab wordt aangehangen.] Kaur is haar portie controversen ook wel te boven gekomen. Een paar maanden geleden werd ze door Twitteraars beschuldigd van plagiaat op mede-Tumblr dichter Nayyirah Waheed. Zoals dat gaat met nieuws op internet, werd ze verontwaardigd aan de gescherpte hooivorken van 140 karakters geregen. Dit incident leidde echter ook tot een grotere discussie over poëzie, ervaringen en vertellingen van gekleurde vrouwen die in deze nieuwe epigrammatische stijl schrijven. ‘Ik heb geen plagiaat gepleegd,’ zegt Kaur. ‘Mijn ervaring vertegenwoordigt waarschijnlijk een procent, maar mijn stem is belangrijk, net als al die andere ervaringen. We gaan heel veel vergelijkbare ervaringen horen. Maar het zou toch oneerlijk zijn om als ik over seksueel misbruik schrijf en een ander jong, bruin meisje gaat dat toevallig ook doen, te zeggen dat zij bezig is met plagiaat of toe-eigening?’ Kaur denkt dat dit een moment in de tijd vertegenwoordigt en vergelijkt het met de renaissance of victoriaanse periode. ‘Die perioden werden later zo genoemd omdat er bewegingen waren die bepaalde tijden, bepaalde metaforen, bepaalde thema’s herhaalden,’ zegt ze.

    Voor haar volgende boek, waarvoor ze op het punt staat op tournee te gaan, vertelt Kaur te zijn geïnspireerd door zonnebloemen. ‘Ik dacht, stel dat we allemaal onze eigen zon zijn? En de bloemen zijn verschillende mensen en ervaringen die we opdoen in het leven.’ Dit boek met vijf hoofdstukken (Verwelking, Neervallen, Wortelschieten, Groeien, Bloeien) is in essentie de reis door de levenscyclus van een plant, maar vertelt ‘naar buiten gekeerde’ – in tegenstelling tot bespiegelende – verhalen over migratie en andere ervaringen. Hoewel het schrijfproces bij dit boek moeizaam was voor de zeer zelfkritische Kaur, volhardde ze en schreef ze onvermoeibaar de hele dag door. ‘Als je als artiest je kunst aan de wereld laat zien, zul je nooit goed genoeg zijn. Er zal altijd wel iemand zijn die je weet te raken,’ zei ze. ‘We moeten ons op ons werk concentreren. Dat zal ons overleven en dat zal de haat overleven.’

    Auteur: Asmita Bakshi
    Vertaler: Tineke Funhoff

    India Today
    India | weekblad | oplage 1.600.000

    India Today werd in 1975 opgericht en wordt tegenwoordig uitgegeven in het Hindi, Tamil, Malayalam 
en Telugu.

  • De dichter is gestorven voor uw telefoon

    De dichter is gestorven voor uw telefoon

    Overdag staan ze aan de lopende band, maar in de spaarzame vrije uren wordt er heel wat afgedicht door de Chinese arbeidsmigrant. De poëzie, een van de meest gekoesterde en gerespecteerde vormen van klassieke kunst in China, biedt tegenwicht aan de harde realiteit van het moderne bestaan.

    Er zullen maar weinig plekken op aarde zijn waar het een slimme carrièrestap is om dichter te worden, maar het geldt zéker voor de armste mensen met de minste kansen, die voet aan de grond proberen te krijgen in de mallemolen van China’s speciale economische zones.

    De afgelopen jaren zijn er talloze documentaires gemaakt over de ontberingen van Chinese arbeidsmigranten, maar Iron Moon uit 2015 vestigt de aandacht op een wel heel specifieke groep: de dichtende arbeidsmigrant. De documentaire volgt enkele jonge schrijvers die kampen met economische en culturele vooroordelen in hun poging veertienurige diensten aan de lopende band in poëzie te gieten. We zien de jonge, gevoelige Wu Niaoniao (wiens naam merel betekent), die in Guangzhou, op de reusachtige banenmarkt van Zuid-China, in de felle neonverlichting van het ene naar het andere kraampje slentert en informeert naar een positie binnen de redactie van een fabriekskrant. Met een afgewogen mengeling van fatalisme en hoop, die de poëzie van de Chinese migrantenarbeiders typeert, leest hij een gedicht voor en wacht met een schaapachtige glimlach de reacties af.

    ‘Ik weet dat jonge mensen hun droom willen waarmaken, maar…’ zegt een cynische recruiter, die zijn zin niet afmaakt. Een ander kijkt over zijn brilletje heen en zegt: ‘Maar wat dóé je? Met een opleiding kun je heel veel geld verdienen. Zonder opleiding kom je niet aan het werk, hè.’ Een andere recruiter vraagt zich onomwonden af of Wu weleens heeft geprobeerd iets vrolijkers te schrijven.

    Hoewel in de drie decennia maoïstisch bewind de arbeider, boer en soldaat een centrale positie zouden innemen binnen de fictie, leverde dit slechte, door de staat gecontroleerde literatuur op die weinig van doen had met de feitelijke levens van hen die erin gerepresenteerd zouden worden

    De uitzichtloze toestand van de migranten van het platteland is niet nieuw binnen de Chinese fictie. De New Culture Movement uit de jaren tien en twintig van de vorige eeuw, voortgekomen uit de vraag hoe China te moderniseren en die mensen vooruit te helpen die in het oude, feodale stelsel in de verdrukking waren geraakt, maakte de weg vrij voor Lu Xun, misschien wel de grootste Chinese schrijver van de twintigste eeuw, die met zijn vernieuwende gebruik van spreektaal in De waarachtige historie van Ah Q het leven van een boer in de stad in kaart bracht. Hij werd gevolgd door Lao She’s plattelands-wees in Bejing in Rickshaw Boy en Zhang Lepings langlopende animatieserie over de ‘dolende ziel’ San Moa in de jaren dertig en veertig. Maar toch, dat waren allemaal verhalen over migranten, opgetekend van een zekere afstand. En hoewel in de drie decennia maoïstisch bewind die daarop volgden de arbeider, boer en soldaat een centrale positie zouden innemen binnen de fictie, leverde dit slechte, door de staat gecontroleerde literatuur op die weinig van doen had met de feitelijke levens van hen die erin gerepresenteerd zouden worden.

    Platteland

    Dat alles veranderde in de jaren tachtig. Sinds de hervormingen in China, die gepaard gingen met meer openheid en een landbouwkundige decollectivisering, een industriële privatisering en een overgang naar een zelf vormgegeven markteconomie, zijn naar schatting 274 miljoen Chinese arbeiders weggetrokken van het platteland om te gaan werken in de mijnen, of ergens aan een lopende band. De positie van de arbeider, die tijdens de communistische revolutie zo’n belangrijke positie had ingenomen, verslechterde in razend tempo, en het sociale vangnet verdween. Dit wordt prachtig verbeeld in een gedicht van de voormalig bouwvakker Xie Xiangnan, waarin een jonge migrant het luisterrijke beeld van ‘Lenin op het podium’ uit zijn schooltijd vergelijkt met de aanblik van de hordes berooide migranten op het station van Guangzhou, die hun hele hebben en houwen meedragen in een plastic zakje, ‘als explosieven’.

    Maar toch was er in die vroege postsocialistische jaren niet altijd sprake van een dergelijke ontgoocheling. De poëzie van de arbeidsmigranten (niet te verwarren met de propagandistische arbeiderspoëzie van de Grote Sprong Voorwaarts) was een van de vele genres die opkwamen in het braakliggende culturele landschap na Mao’s dood in 1976. Maar in tegenstelling tot de meer bekende en meer elitaire genres met (veelal bedrieglijke) namen als ‘littekenliteratuur’ en ‘mistige poëzie’, is dit een genre dat, tot voor kort, goeddeels over het hoofd is gezien. Als je kijkt naar de vroegste uitingen, is dat misschien ook wel enigszins begrijpelijk.

    Na tientallen jaren van diepgewortelde trouw aan de partij weerspiegelde de vroege arbeidsmigrantenliteratuur voornamelijk een aanhoudende betrokkenheid bij de staatspolitiek. Begin jaren tachtig betekende dat massaproductie, volgens een bepaalde formule geschreven zelfhulpachtige verhalen over succes dat is verkregen met hard werken, geheel overeenkomstig het beleid van de overheid om de mensen naar de stad te lokken. Anzi’s Posthouse of Youth: The True Life of Migrant Women in the Special Economic Zone is misschien wel het meest indrukwekkende voorbeeld. (Anzi groeide uit tot een vrouwelijke modelarbeider, door wier succes als ondernemer de stedelijke droom realiteit werd.) Deze autobiografieën en verhalen van sociale mobiliteit in Shenzhen werden door kranten en overheidstelevisiekanalen bejubeld en heel handig gepresenteerd als bewijs dat de arbeiders van het platteland, die de zwaarste last droegen van de economische omwenteling in het land, er ook bij gebaat waren. Maar zoals het vaker gaat met literatuur die volgt op een door de staat geleide literaire zuiveringsactie, is het merendeel eerder van antropologische dan van literaire waarde. Zoals Xie weeklaagt in zijn gedicht ‘Production, the Middle of Production, is Soaked by Production: ‘a floating country can’t pillow a broken dream’ (een dobberend land kan geen verloren droom dragen).

    Arbeiders aan de lopende band in het Foxconn complex in Shenzhen, China. – © AP /Kin Cheung
    Arbeiders aan de lopende band in het Foxconn complex in Shenzhen, China. – © AP /Kin Cheung

    De beroemdste arbeidsmigrantendichter van dit moment is de vierentwintigjarige Xu Lizhi, die in 2014 zelfmoord heeft gepleegd. Hij werkte in Foxconn City, de elektronische megafabriek in Shenzhen waar niet alleen onze Apple-producten worden gemaakt, maar waar in 2010 ook een record aantal zelfmoorden werd gepleegd, wat een nieuw licht wierp op de lugubere mythe van maatschappelijke kansen en sociale mobiliteit aan de lopende band: ‘Sterven is de enige manier om te bewijzen dat we hebben geleefd,’ schreef een blogger binnen de fabriek. (Foxconn heeft vervolgens netten opgehangen, niet om de wanhoop tegen te gaan, maar om het aantal sterfgevallen terug te dringen). Maar toen Xu vier jaar later van de zestiende verdieping van een gebouw sprong, nadat hij een groot deel van zijn werk online had gezet, was het niet zijn dood die de krant haalde, maar zijn talent als dichter.

    In Time verscheen een artikel over het korte leven dat hij naast zijn werk had geleid, met als titel: ‘De dichter die is gestorven voor uw telefoon.’ In een Chinese talkshow verbaasde de presentator zich in al zijn naïviteit over de diepe gedachten van deze ongeschoolde arbeider. Xu gaf zijn ervaringen vorm in poëzie, en liet scherp zien hoe wij de mensen die de kleren maken die we dragen, of de telefoons die we gebruiken, haast hebben ontmenselijkt, zoals valt te lezen in de laatste regels van zijn gedicht ‘Terracotta Army on the Assembly Line’:

    (…) deze arbeiders die geen verschil zien tussen dag en nacht
    dragen
    elektrostatische kleren
    elektrostatische hoeden
    elektrostatische schoenen
    elektrostatische handschoenen
    elektrostatische armbanden
    staan allemaal klaar
    wachten zwijgend hun orders af
    wanneer de bel gaat
    worden ze teruggestuurd naar de Qin

    In 1956 waarschuwde Erich Fromm: ‘Het gevaar van het verleden was dat mensen slaven werden. Het gevaar van de toekomst zou weleens kunnen zijn dat mensen robots worden.’ De migrantenarbeiders in Xu’s poëtische universum staan voor de voetsoldaten van de oude Qin-dynastie én, als ze aan het werk zijn, voor de robots van de toekomst. Ze zijn uitgegroeid tot een ontmenselijkte, huiveringwekkend gesynchroniseerde belichaming van Fritz Langs ooit zo futuristische Metropolis.

    Iron Moon

    Deze maand zal de eerste vertaalde bundel van migrantenarbeiderspoëzie uitkomen, tegelijk met de documentaire, beide onder auspiciën van dichter en criticus Qin Xiaoyu. De bundel, knap vertaald door Eleanor Goodman, telt éénendertig werken van dichters (geselecteerd uit de meer dan honderd gedichten in de Chinese uitgave). Stuk voor stuk onweerlegbaar bewijs dat de mythe van de sociale mobiliteit onderuit is gehaald; men is zich bewust van het feit dat men wordt uitgebuit, is zich bewust van de economische drijfveren die de menselijke waarden onderuithalen. Sinds halverwege de jaren negentig hebben de ervaringen van machteloosheid de fictie iets vernieuwends verleend, een intimiderende kracht en oprechtheid. De titel van de bundel luidt ook Iron Moon, een visuele metafoor ontleend aan een van de bekendste gedichten van Xu Lizhi:

    Ik slikte een ijzeren maan
    die een schroef werd genoemd

    Ik slikte afvalwater van de fabriek en 
werkloosheidsformulieren
    gebogen over machines is onze jeugd vroeg gestorven

    Ik slikte arbeid, ik slikte armoede
    slikte voetgangersbruggen, slikte dit sleetse bestaan

    Ik kan niet meer slikken
    alles wat ik heb geslikt roert zich in mijn keel

    Ik verspreid over mijn land
    een gedicht van schaamte

    Gezien de prominente plaats die de maan inneemt binnen de Chinese poëzie – een beeld van eenzaamheid, romantiek, vriendschap –, betekent de verbinding met ijzer, aldus Goodman, ‘een frontale botsing van de traditionele Chinese cultuur met een explosief kapitalisme, van menselijkheid met mechanisatie, romantiek met een prozaïsche wereld – het wordt een amalgaam van extremen. En deze dichters gaan hier allemaal zeer bewust mee om.’ Ze gebruiken de poëzie, een van de meest gekoesterde en gerespecteerde vormen van klassieke kunst in China, om tegenwicht te bieden aan de realiteit van het moderne bestaan, die mensen ontmenselijkt.

    Zheng Xiaoqiong, een van de beste dichters in deze verzameling, heeft haar eigen kenmerkende ‘esthetiek van ijzer’ ontwikkeld: een plooibare en haast grenzeloze metafoor om een leven te vangen dat meedogenloos hard en koud is. Na jaren in een metaalbewerkingsfabriek te hebben gewerkt en een machine te hebben bediend die gaten maakt, blijkt al uit de eerste zinnen van ‘Language’ hoe ze de fysieke en intellectuele symbiose van mens en metaal naadloos samenvoegt:

    Ik spreek een scherp-gerande, geoliede taal
    van gietijzer – de taal van stille arbeiders
    een taal van vastgedraaide schroeven het krimpen en 
herinneren van metalen platen
    een taal als eeltplekken sterk huilend ongelukkig
    pijnlijk gretige taal terugslag van de bulderende machines beroepsziekten
    taal van verloren vingers de oertaal van het leven op die duistere plek van werkeloosheid
    tussen de klamme stalen spijlen deze treurige talen
    ……. ik spreek ze fluisterzacht

    Het is een thema dat in de hele bundel terugkeert, zoals ook in ‘Demolitions Mark’, van Chen Nianxi, waarin hij schrijft: ‘Ik durf nauwelijks naar mijn leven te kijken / het is zwaar en metalig zwart / gekromd als een pikhouweel.’


    Zoals er ook duidelijk sprake is van een tweedeling tussen de rijke, complexe beeldspraak in sommige gedichten en een uitgebeend gebruik van spreektaal in andere gedichten, is er ook een opvallend verschil in kwaliteit. Maar daarnaast zijn er fascinerende verbindende elementen: een nostalgie naar een leven dat niet is geleefd, de ontoereikendheid van taal (‘het is ondraaglijk om onze tranen en onze pijn te verwoorden in onze brieven… De onbeschreven plekken van vele jaren’, schrijft Xie), een verdriet om verloren lichaamsdelen en een afgeknotte jeugd: ‘Mijn beste jaren zijn opgeslokt door een machine’, voegt Xie eraan toe. ‘Ik zag die vijf jeugdige jaren weer tevoorschijn komen uit de / kont van het apparaat – in de vorm van elliptisch plastic speelgoed.’

    Zoals het besef van tijd in Engeland volkomen is veranderd door de Industriële Revolutie, doordat arbeid niet langer was verbonden met de seizoenen, spreken deze dichters van verstoorde menstruatiecycli, het in elkaar overvloeien van dag en nacht en een gevoel van ontheemding, waarbij zowel stad als platteland onbewoonbaar zijn geworden (sommigen verwijzen naar zichzelf als een weerloze prooi, verminkt en niet in staat de reis terug naar huis te ondernemen). Ze zijn natuurlijk niet de enigen die zich druk maken om het spirituele vacuüm van de nietsontziende kapitalistische Chinese economie of de verwoestende gevolgen voor het milieu, maar wat hun eco-poëzie zo indringend maakt is dat ze niet schrijven vanaf een zekere afstand, maar vanaf de werkvloer zelf.

    Ze maken hels lange dagen, hebben geen enkele zekerheid, drinken water uit rivieren terwijl ze zien dat er afvalstoffen en chemicaliën in worden gedumpt, ademen lucht in die is verontreinigd met giftige gassen. Ze lopen het risico te worden verwond door nietsontziende machines, die als een soort vampiers niet alleen hun jeugd verslinden, maar ook hun ledematen (in 2005 was er naar schatting sprake van zo’n veertigduizend afgehakte vingers in de economische zones van Zuid-China). En toch weten ze nog tijd te vinden naast hun veertienuursdiensten, en ruimte in hun overvolle slaapzalen, om te schrijven over hun leven en om hun gedichten te publiceren met behulp van een eenvoudige mobiele telefoon (van de vele fora waarvan ze gebruikmaken is de grootste de Worker’s Poetry Alliance). Dit unieke raakvlak van de Chinese industrialisatie en de toegankelijkheid van het internet creëert ongekende mogelijkheden voor de literatuur van de arbeidersklasse.

    De gedichten zorgen ervoor dat wij niet langer gemakzuchtig met een opgeheven vingertje beginnen over de mensenrechtensituatie in China

    Natuurlijk is niemand jaloers op hun situatie. Zoals Goodman laat zien, hebben ze niet alleen te kampen met discriminatie omdat ze geen opleiding hebben genoten, ze worden ook geconfronteerd met een ‘diepgeworteld vooroordeel dat mensen zonder officiële scholing geen poëzie kunnen schrijven. Poëzie heeft altijd onderdeel uitgemaakt van het officiële onderwijsprogramma; het was onderdeel van de examens voor wie ambtenaar wilde worden. Wanneer je met Chinezen praat is men zich er altijd van bewust of iemand al dan niet culturele bagage heeft – in de ogen van de brede bevolking hebben deze arbeiders geen “culturele bagage”.’

    Dit beeld speelt, al dan niet bewust, in alle lagen van de bevolking, zelfs voor de vader van Xu Lizhi, die nog altijd rouwt om zijn zoon die drie jaar terug is overleden. Hij heeft er weinig vertrouwen in dat poëzie de levens kan veranderen van de laagste klassen – in geestelijk noch economisch opzicht. ‘Als dit [zijn dood] niet was gebeurd,’ zegt hij in de documentaire, met tranen in zijn ogen, ‘zouden we nooit hebben geweten dat hij gedichten schreef. Maar ik geloof niet dat poëzie een toekomst heeft. Het kan niet tippen aan wetenschap en technologie. Poëzie was belangrijk ten tijde van de dynastieën, toen het deel uitmaakte van het examen voor de ambtenarij… je kon pas ambtenaar worden als je mooie gedichten kon schrijven. Maar de maatschappij is ingrijpend veranderd. Niet dat ik niet achter hem sta, maar als je tegenwoordig geen geld of macht hebt, is het leven zwaar.’

    De meer ‘intellectuele’ schrijvers van de Chinese avant-garde, zoals Mo Yan, Su Tong, Yu Hua en Can Xue maken gebruik van een kafkaësk surrealisme of magisch realisme om netelige kwesties aan te snijden. Maar als je Iron Moon leest, wordt duidelijk hoe intiem en persoonlijk het werk van deze jongen migrantenschrijvers kan zijn. Hun microverhalen over mechanisatie, waarin ze zichzelf identificeren met een schroef, een spijker, een weggegooide steen, een stofatoom, klinken tezamen als een krachtig koor. Ze vormen een diepere en betekenisvollere schakel tussen het grootse verhaal van de economische voorspoed en de ongehoorde verhalen van de miljoenen die hun gezondheid, jeugd en geestelijk welzijn offeren voor ons genot.

    Een van de meest vergevingsgezinde en optimistische arbeidsmigrantendichters is Wu Xia, met haar hartverscheurend ontwapenende zachtmoedigheid jegens diegenen die profiteren van haar arbeid:

    ik wil de bandjes platdrukken
    zodat ze niet in je schouders snijden
    en dan strijken vanaf de taille omhoog
    zo’n ranke taille
    waar iemand een slanke hand kan leggen
    en op de lommerrijke laan
    een ingetogen liefde tonen
    ik strijk de jurk glad
    maak alle plooien even breed
    zodat jij aan het meer of in het gras kunt zitten
    wachtend op een briesje
    als een bloem

    Alleen al het schrijven van deze gedichten is een manier om het eigen bestaan te bevestigen, een manier voor mensen die zelf geen stem hebben om de vervreemding tegen te gaan die ze voelen van elkaar, van hun werk, van de producten die ze maken, en een manier om iets van hun eigen waardigheid te herwinnen. De gedichten zorgen er ook voor dat wij niet langer gemakzuchtig met een opgeheven vingertje beginnen over de mensenrechtensituatie in China, maar dat we gaan nadenken over de rol die wij, zonder daar ook maar even bij stil te staan, spelen in de erbarmelijke situatie van deze arbeiders. Hun welbespraakte toewijding aan de poëzie biedt ons een andere manier om te begrijpen wat de prijs is van het werk in deze sweatshops, en dan niet in kille, gevoelloze termen van economische waarde.

    Auteur: Megan Walsh

    The Literary Hub
    Verenigde Staten | lithub.com

    The Literary Hub is een Amerikaanse website over (Engelstalige) boeken, opgezet in 2015 vanuit de uitgeverswereld met als achterliggende gedachte dat kranten en niet-gespecialiseerde tijdschriften steeds minder aandacht besteden aan literatuur. De site is een initiatief van de onafankelijke (ander woord voor kleine) uitgever Morgan Entrekin van Grove Atlantic in New York en de non-profitwebsite Electric Literature. LitHub werkt samen met ‘partners’: anno 2017 hebben vrijwel alle grote Engelstalige uitgeverijen, van Knopf tot Penguin Press, naast de kleinere branchegenoten die status verworven. The Literary Hub wordt dus op de been gehouden door de uitgeverswereld zelf. Of zoals Andy Hunter, de oprichter van Electric Literature zegt; ‘Lit Hub ondersteunt het hele ecosysteem dat literatuur nodig heeft om te bloeien, van auteurs tot uitgevers klein en groot, tot boekwinkels en lezers. Onze culturele conversatie voeren we in deze tijd online, en de literaire cultuur behoort daar een belangrijke rol in te spelen.’

  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.

    © HH
    © HH

    LITERATUUR – Zo was het

    Humor en sentiment om de verloren dagen

    Hoe een recensent in één alinea een boek in z’n context kan plaatsen, en dan ook heel precies de plaats van dat boek binnen die context aangeven. Bij Die Zeit verstaan ze die kunst. De recensie van de roman_ Auerhaus_ van Bov Bjerg begint zo: ‘Het meest voor de hand liggende wat je over een roman als deze kan zeggen, is waarschijnlijk dat de jeugd, als hij eenmaal voorbij is, ook werkelijk verloren is. Die tijd waarin al het zware nog licht leek en een kleinigheid loodzwaar kon wegen, is niet meer terug te halen, elke poging daartoe is slechts nostalgie. Er is geen weg terug. Daarom heeft elke goede roman over volwassen worden aandacht voor het verdriet over die onmogelijkheid om de jeugd terug te halen. En Auerhaus van Bov Bjerg is een van die goede romans, maar ook weer niet een hele goeie.’

    Hoe zou het zijn om zo’n alinea te lezen, met die ontknoping aan het eind, als je Bov Bjerg heet?

    Bjerg, pseudoniem van Rolf Böttcher, is een bekende in de Berlijnse literaire wereld. Verwijzend naar de wijk Prenzlauer Berg, waar hij vaak te vinden is, noemt de Duitse pers hem soms Prenzlauer Bjerg. Hij heeft zijn pen gescherpt bij het Duitse fenomeen van de Lesebühne, een soort voordrachtsavonden. Behalve romanschrijver is Bjerg ook cabaretier. Hij is 51 jaar oud, Auerhaus (de verduitsing van Our House, een nummer van Madness uit de jaren tachtig), is zijn tweede roman. Dan kan je wat hebben. Maar toch.

    ‘We moeten zonder meer vaststellen dat Bjergs roman niet vervalt tot dat verkrampt opgekraste jargon van de jeugdrestauratie waarin zo veel van zulke literatuur is geschreven, die dan ook meestal klinkt als de presentator van de ontbijt-tv die het lexicon straattaal heeft verslonden’, zo gaat recensent David Hugendick verder. Dat klinkt toch alsof Bov Bjerg weer rustig kan ademhalen. ‘Het is vooral de melancholische koppigheid die Bjerg uit de taal van de jeugd weet over te leveren.’ Dat klinkt zelfs helemaal niet slecht. En dat Hugendick Auerhaus vervolgens ‘een zeer spaarzaam verteld boek’ noemt, zal in het licht van het voorgaande ook als een compliment zijn bedoeld. Waar zit dan het voorbehoud, die vileine ‘ook weer niet een hele goeie’ van het begin?

    Alsof Bjerg zelf nog bezig is met zijn coming of age en zijn eigen jeugd nog niet voorbij is, alleen die van zijn personages, die stap voor stap leren dat de tijd onherroepelijk voortschrijdt

    Hugendick concludeert nogmaals dat het ‘eenvoudig dieptreurig’ is dat geen dag van onze jeugd ooit nog terugkeert, een besef dat Bjerg met ‘sympathieke sentimentaliteit’ de lezer nog eens onder de neus wrijft, ‘en ons eraan herinnert dat we zelfs de mooiste momenten van die dagen al lang zijn vergeten’, eindigt hij. Het lijkt erop dat Hugendick het boek eerder verwijt dat het hem te hard heeft geraakt, in plaats van niet hard genoeg.

    Der Tagesspiegel noemt Auerhaus een ‘wonderbaarlijke roman’ en de toon van de recensie lijkt veel minder door een persoonlijke midlifecrisis bepaald dan die van Die Zeit. Want: ‘zo was het, toen we eindexamen deden (…) diep in de jaren tachtig’. De manier waarop Bjerg dat verleden evoceert is ‘opwindend’. Hij schrijft ‘authentiek, het klopt, hij treft precies de taal van de opgroeiende jeugd, het wijsneuzige en hoogdravende ervan (…) alsof Bjerg zelf nog bezig is met zijn coming of age en zijn eigen jeugd nog niet voorbij is, alleen die van zijn personages, die stap voor stap leren dat de tijd onherroepelijk voortschrijdt’. Toch is het geen nostalgische roman, vindt Gerrit Bartels, ook al ‘komt het ene na het andere citaat voorbij: Madness, The Godfather en ook telefooncellen, waar ’s avonds “gastarbeidersgezinnen” in de rij staan’. Bov Bjerg vertelt ‘zonder tierelantijnen en met overzicht. Zijn talent voor het komische is even groot als dat voor terloopse sentimentaliteit.’

    De vertaling van_ Auerhaus_ door Anne Folkertsma verschijnt bij Uitgeverij Cossée. Het Duitsland Instituut organiseert op 14 februari een avond met Bjerg in de Duitse ambassade te Den Haag. Aanmelding is gratis maar verplicht, via ku-s1@denh.diplo.de.


    FILM – Poëzie op het witte doek

    Jarmusch en de muze

    Drieëndertig jaar geleden kwam_ Stranger than Paradise_ uit, de verpletterende doorbraak van cineast Jim Jarmusch. The Washington Post schreef daarover toen dit: ‘Er bestaat geen tweede geur als die scherpe eerste betovering van een nieuwe lente, geen kwelling zo goddelijk als die van een eerste liefde en geen ervaring in de filmwereld als de collectieve ontdekking van een geestige, helder-realistische en volstrekt originele nieuwe film van een onbekend, jong talent. Dit is de belangrijkste week uit het leven van Jim Jarmusch.’

    Jarmusch maakte daarna klassiekers als Down by Law en de serie korte vignetten Coffee and Cigarettes, evenals een aantal documentaires, onder meer over Neil Young en The Stooges. ‘Hij is een natuurlijke verteller met een zeer droog gevoel voor humor’ schreef The Independent over de in 1953 in Ohio uit een half-Duitse moeder geboren regisseur.

    Zijn twaalfde speelfilm komt deze week uit.

    ‘De held in de nieuwe film van Jim Jarmusch, Paterson, heet Paterson (gespeeld door Adam Driver). Hij woont in Paterson, New Jersey, met zijn vrouw Laura (Golshifteh Farahani). Paterson staat elke dag vroeg op, ontbijt, en gaat op weg naar zijn werk als buschauffeur. Hij bestuurt lijn 23, waar aan de voorkant “Paterson” op staat. Aan het eind van de dag komt hij weer thuis, om te eten. Waarna hij zijn Engelse buldog gaat uitlaten, die buiten moet wachten bij de bar waar hij een biertje drinkt. Om de een of andere reden heet die hond Marvin. Belachelijk. Hij had Paterson moeten heten’, schrijft Anthony Lane in de eerste New Yorker van het nieuwe jaar.

    Zoals in andere films specialisten worden ingezet voor het halsbrekende werk, werkte de dichter Ron Padgett aan deze film mee als “poëzieadviseur” van Jim Jarmusch

    Die ironische kritiek op de naam van de hond zet de toon voor de hele recensie: Lane heeft zich overgegeven aan deze film. En wie daarin niet mee wil, die moet maar achterblijven: ‘Als dit je allemaal een beetje saai lijkt, dan weet je nog niet de helft. Nog niet een zevende’, gaat Lane verder. Want de film beslaat een hele week van Patersons leven in Paterson, op de Paterson-bus. Maar Paterson is geen gewone buschauffeur. Hij zit vaak in zijn kelder. Liefhebbers van het Jarmusch-universum denken nu direct aan het geheimzinnige nummer What’s He Building In There? van Tom Waits, vriend van Jarmusch (en als acteur in meerdere van diens films magistraal).

    Anthony Lane vertelt u wat Paterson uitspookt: ‘Het is u vergeven als u denkt dat hij seriemoordenaar is of kidnapper, want in films en op tv zijn dat de enige redenen waarom onopvallende mannen de kelder in gaan. Maar nee. Paterson doet nog iets veel raadselachtigers. Hij schrijft gedichten.’

    En zo komt het dat Paterson niet echt over Paterson gaat. Noch over de man, noch over de plaats, noch over de bus. Paterson is een film over poëzie. ‘De wereld die we in Paterson zien en beleven, voelt aan als een gedicht’, schrijft Kevin Crust van de Los Angeles Times, die zich niet minder liet meeslepen door de film dan zijn collega aan de oostkust, ‘van de natuurlijke schoonheid van de Great Falls tot het industriële patroon van de straten waar Paterson zijn bus doorheen rijdt. De woorden die hij neerpent in zijn “geheime notitieboek” verschijnen op het scherm en meanderen voort, waardoor de kijker de beelden en de emoties die ze oproepen, in zich kan opnemen.

    De poëzie heeft geen grote reputatie op het witte doek. We moeten waarschijnlijk terug tot Il Postino van Michael Radford voor de laatste keer dat een film werkelijk probeerde de poëtische ervaring over te brengen. Dat vereist dus speciale maatregelen. Zoals in andere films specialisten worden ingezet voor het halsbrekende werk, werkte de dichter Ron Padgett aan deze film mee als ‘poëzieadviseur’ van Jim Jarmusch. Noem hem een stuntman, uiteindelijk schreef hij zeven gedichten die in de film voor rekening komen van de buschauffeur met z’n geheime notitieboekje Paterson. ‘Er komen minstens tien gedichten in de film voor’, telde de Los Angeles Times, ‘en vier personages houden zich op de een of andere manier met poëzie bezig.’ Dat zijn inderdaad waarschijnlijk wereldrecords.

    Auteur: Pieter van den Blink

  • Vermeer in Manhattan

    Vermeer in Manhattan

    Johannes Vermeer inspireerde de Amerikaanse dichter Michael White niet alleen tot poëzie en proza, maar bracht hem ook weer bij zinnen na een destructieve scheiding.

    Keuze uit het archief

    Afgelopen week maakte het Mauritshuis in Den Haag bekend dat het zich afvraagt of het nog schilderijen aan de Verenigde Staten wil uitlenen. Vanwege de bezuinigingen die de regering-Trump doorvoert in de kunstsector en Trumps kritiek op het narratief dat sommige kunstmusea verspreiden, is directeur Martine Gosselink bang dat ze de schilderijen die ze uitleent niet zo snel terug zal krijgen.
    Het zou erg jammer zijn als de Hollandse meesters niet meer in musea in de VS te zien zijn. De Amerikaanse dichter Michael White kan daarover meepraten. In dit artikel van The Paris Review uit 2015 vertelt hij wat de schilderijen van Johannes Vermeer voor hem betekenen.

    ‘Stel je voor dat je alles kwijtraakt wat voor jou werkelijk van belang is, en daarna heb je een droom, en in die droom kom je erachter dat je het niet echt bent kwijtgeraakt, omdat het je niet afgenomen kan worden. Dat gevoel geeft Vermeer me.’

    De dichter Michael White probeerde me uit te leggen hoe hij geobsedeerd was geraakt door Johannes Vermeer – met zijn psychologisch geladen interieurs en mysterieuze vrouwelijke figuren. Michaels fascinatie ontstond door een toevallige ontmoeting met het werk van de kunstenaar in Amsterdam, waar hij naartoe was gegaan om bij te komen van een scheiding die zo destructief was dat hij er totaal gedeprimeerd van was geraakt en die hem het gevoel had gegeven dat hij de rest van zijn leven alleen zou blijven.

    Hoewel ik met hem samenwerkte aan een universiteit in North Carolina, kende ik hem in die tijd niet goed genoeg om de emotionele ellende die hij doormaakte te begrijpen. Ik wist ook niet dat zijn ervaring in het Rijksmuseum met Vermeers onnadrukkelijk dubbelzinnige beelden hem ertoe had gebracht de hele wereld over te reizen om alle schilderijen van de meester te zien.

    Dat werd me allemaal pas duidelijk toen ik zijn nieuwe boek Travels in Vermeer: A Memoir las, dat deels een reisverslag is en deels bestaat uit overpeinzingen over de betekenis van kunst. Het lezen van Travels in Vermeer maakte Vermeers schilderijen in emotioneel opzicht voor mij zo levensecht, dat ik het gevoel had dat ik ze kende toen ik het boek uit had – alsof ze personages waren in een prachtige roman over verloren liefde, verlangen en genezing. Ik denk bijvoorbeeld aan de eerste keer dat Michael Het meisje met de parel ziet: ‘Ik voel een briesje, een rilling over mijn rug als ik binnenkom, en daarom draai ik me om… Ik kijk over mijn linker-schouder naar haar. Zij staart me rechtstreeks aan over haar eigen linker-schouder. Ze is, als een schilderij dat kan zijn, een adembenemende ontmoeting.

    Dat iemand, alleen met wat verf, iets kon maken dat zo lichtgevend en zo prachtig was

    Johannes Vermeer, Slapend meisje
    Johannes Vermeer, Slapend meisje

    Rondleiding

    ‘Liefde: hoe kan ik dat gevoel zijn vergeten? De ogenblikkelijke, gepassioneerde blik die me begrijpt en waarin beschuldiging noch vergiffenis ligt. De lieftallige genegenheid in haar lichtbruine iris, de verrukkelijke erotiek van haar lippen, haar mond.’


    Het probleem was dat ik nog nooit een Vermeer in het echt had gezien. Michael was bereid me rond te leiden langs de schilderijen die in New York hangen. Er zijn er acht: drie in de Frick Collection en vijf in het Metropolitan Museum of Art. We gingen ze allemaal bekijken. We begonnen in de Frick Gallery met De soldaat en het lachende meisje, waarop een militair in uniform en een jonge vrouw aan een kleine tafel in de hoek van een kamer bij een raam zitten. Michael legde uit dat dit waarschijnlijk bedoeld was als een tafereel in een bordeel, een genre dat populair was in de tijd van Vermeer. Hij wees op de uitgestrekte hand van de vrouw die op tafel rust, open alsof ze op betaling wacht. En toch past het schilderij niet echt in die context. De vrouw draagt een keurige, witte, linnen muts die haar haren bedekt, en haar gezicht gloeit duidelijk op in het flauwe, indirecte licht dat door het raam valt. Haar ogen zijn op de soldaat gericht en haar uitdrukking is kalm maar intens gelukkig.


    ‘Kijk haar toch,’ zei Michael. ‘Ze is verliefd.’ De soldaat is evenmin de vrolijke pierewaaier die je op een typisch schunnig schilderij zou verwachten. Hij neemt de voorgrond in beslag, zit met zijn rug naar de kijker toe en streelt met één hand over zijn kin – ingetogen en niet op zijn gemak. Hij lijkt het meisje in te schatten, of misschien schat hij zijn eigen plannen met haar in. ‘Het is bijna alsof hij een vervanger voor de kunstenaar is,’ zei Michael. ‘De kunstenaar die twijfelt aan zijn recht om de vrouw te schilderen.’ Een beeld van een bordeel dat weigert een beeld van een bordeel te zijn, emoties die niet voldoen aan de verwachtingen die we ervan hebben, die zich vermengen en ronddwarrelen – allemaal doortrokken van het meest verfijnde, donker opgloeiende licht: dit was de Vermeer die ik me herinnerde uit Michaels boek, maar dan met de vreemde kracht van een beeld dat voor je aan de muur hangt. Toen ik voor De soldaat en het lachende meisje stond, leek het me onmogelijk dat iemand, alleen met wat verf, iets kon maken dat zo lichtgevend en zo prachtig was.

    Het schilderij als een vraag gehuld in rust 
en stilte

    We liepen naar het volgende schilderij, Onderbreking van de muziek. De vrouwelijke figuur zit aan een tafel waarop een citer ligt, een luitachtig instrument. Er staat een man naast haar, met één hand op de rugleuning van haar stoel, zijn blik gericht op een brief in haar hand. Ze is met haar aandacht niet meer bij de muziek: ze kijkt de toeschouwer direct aan met een heel dubbelzinnige uitdrukking op haar gezicht waarin een of andere vorm van emotionele herkenning ligt. ‘Ze lijkt precies te begrijpen wie ik ben,’ zei Michael. ‘Maar wie is dat? Wat ben ik voor haar? Een vriend? Een minnaar? Een vertrouweling? Soms denk ik dat ik er bijna achter ben, maar nooit helemaal.’


    We verlieten de Frick en liepen over Fifth Avenue naar het Metropolitan Museum of Art, waar we alle vijf de Vermeers die er hangen bekeken. Het schilderij dat indruk op me maakte, was Slapend meisje, waarop een rijk gekleed meisje alleen aan een tafel zit met een glas wijn. Haar ogen zijn dicht, ze laat haar hoofd op haar hand rusten. Meteen achter haar leidt een halfopen deur naar een lege binnen-kamer die op een of andere manier iets raadselachtigs heeft, een gevoel dat wordt versterkt door de sleutel die in het slot steekt. ‘Er waren een man en een hond in de kamer,’ zei Michael. ‘Die heeft hij weggeschilderd.’ Die afwezigheid weergalmt en vult het schilderij, dat aanvoelt als een vraag gehuld in rust en stilte, een moment van het leven dat perfect is waargenomen, maar zich verzet tegen interpretatie. Is ze werkelijk dronken, zoals het tafereeltje suggereert? Slaapt ze wel echt? En zo ja, waarom liggen haar vingers dan zo perfect, actief gebogen op het tafelblad?


    ‘Ze zou wakker kunnen zijn,’ opperde ik. ‘Maar neerslachtig.’ ‘Of ze zou net kunnen doen of ze slaapt,’ zei Michael – misschien voor de man die niet meer bestond op het schilderij. Of voor de kijker. ‘Vermeers werk bevat allemaal fascinerende verhaallijnen, maar het blijven altijd slechts lijnen.’

    Johannes Vermeer, De soldaat en het lachende meisje
    Johannes Vermeer, De soldaat en het lachende meisje

    Cupido

    De manier waarop Vermeer een verhaal tegelijkertijd suggereerde en ondergroef, was een van de bronnen van psychische geladenheid in zijn werk. Voor Michael gingen die verhalen telkens over romantisch verlies en hernieuwde hoop. Terwijl ik zwijgend naast hem stond, herinnerde ik me een passage uit Travels in Vermeer over de eerste 
keer dat hij in Amsterdam voor een Vermeer stond: ‘Plotseling begrijp ik het: Vermeers verstomde helderheid richt zich tot mij, is voor mij terwijl ik hier sta.

    Wat ik heb doorgemaakt, waar ik in mijn scheiding mee te maken heb gekregen, is absoluut verlies. Ik dacht dat ik daar alles van afwist toen mijn eerste vrouw Jackie aan kanker was gestorven – maar deze keer had ik het vertrouwen verloren. Het is niet alleen dat ik niet geloof in liefde; ik weet niet eens zeker of ik wel ergens in geloof. Maar nu ik naar deze schitterende 
doeken kijk – onbereikbaar maar toch vertrouwd – komt het weer in me op… Het is alsof die voorstellingen er zijn om me bij zinnen te brengen door me teruggehaalde beelden uit een vroeger leven te laten zien.’

    We bleven nog een poosje staan en daarna wees Michael naar de linkerbovenhoek van het doek, waar achter de vrouw een schilderij hangt. Alleen de onderkant ervan is zichtbaar, en we zien slechts het blote voetje van een kind. ‘We weten dat het schilderij aan de muur Vermeers eigendom was. Het verschijnt op nog twee doeken van hem, één halverwege zijn carrière en één aan het einde. Het is een voorstelling van Cupido, hoewel we hier alleen zijn voet zien. Het zal nog vijftien jaar duren voor we eindelijk de hele Cupido te zien krijgen, op Staande virginaalspeelster. Mijn gevoel daarbij is: ja, hij is er altijd geweest, de hele tijd, zich voorbereidend op zijn verschijning. De kracht van de liefde is altijd aanwezig, hoewel het een heel leven kan kosten om die in zijn geheel te zien.’

    Robert Anthony Siegel schreef twee romans, All the Money in the World en All Will Be Revealed. Zijn korte verhalen en essays zijn verschenen in onder meer The New York Times, de Los Angeles Times, Tin House en de Oxford American.
    Robert Anthony Siegel schreef twee romans, All the Money in the World en All Will Be Revealed. Zijn korte verhalen en essays zijn verschenen in onder meer The New York Times, de Los Angeles Times, Tin House en de Oxford American.