Tag: president

  • Stel het partijenstelsel ter discussie

    Stel het partijenstelsel ter discussie

    De Duitse kiezer is uitgekeken op partijen en ‘Koalitionspolitik’ die groezelige resultaten oplevert. Het presidentiële systeem en het sterk gepersonaliseerde districtenstelsel zijn veel beter voorbereid op dit ontwrichtende tijdperk.

    Door tegenstrijdige verwachtingen van SPD, CDU en nu ook de CSU bij hun voormalige kiezers zijn de volkspartijen vrijwel opgebrand. Bij de SPD wilde het Neue Mitte sociale hervormingen, terwijl de oude kameraden het systeem van werkloosheidsuitkeringen juist helemaal niet pruimden. Bij CDU/CSU waren sommigen blij met de liberalisering, zelfs sociaaldemocratisering onder Merkel, maar raakten anderen door de open grenzen van de partij vervreemd.

    Zo hebben de conservatieven van rechts voor de AfD en die van links voor Die Linke gekozen, terwijl de succesvolle, progressieve Duitsers een moderne ‘beweging van het midden’ willen. Ze voelen zich meer thuis bij de FDP en de Grünen, wier posterboys de vervelende generatie X voorbij zijn gestreefd. Christian Lindner (FDP) rijdt in een vintage Porsche, Robert Habeck (Grünen) gaat in een nonchalante outfit de verkiezingsstrijd in.

    Door hun persoonlijkheid radicaal voorop te stellen, doen ze de kiezer de spruitjeslucht van de partij vergeten. Daarentegen lijkt Alexander Dobrindt (CSU) met zijn gouden sneakers een mislukte hipster en maakt Dorothee Bär (CSU) met haar interview over hoge hakken ook een heel merkwaardige indruk. Wie vraagt zich nog af hoe het komt dat de niet zo glamoureuze conservatieven met hun toekomstangst zich tot de AfD of Die Linke aangetrokken voelen?

    De Reichstag in Berlijn, waar de Bundestag sinds 1999 weer zetelt – © HH
    De Reichstag in Berlijn, waar de Bundestag sinds 1999 weer zetelt – © HH

    Bij de SPD begon de neergang met de hervormingen van Agenda 2010 (een SPD-plan voor hervorming van de arbeidsmarkt en het systeem van sociale verzekeringen) en het vertrek van Gerhard Schröder. Terwijl hij de partij met zijn charme en brutaliteit nog bij elkaar wist te houden, stortte die na zijn vertrek in.

    Wat Agenda 2010 voor de SPD was, is de vluchtelingencrisis voor de CDU. In beide gevallen kwam het tot een strijd tussen zeer tegengestelde richtingen, die uitpakte in het voordeel van de liberalen en de voorstanders van globalisering, maar de andere kant ging daar niet in mee. Zo hebben de twee volkspartijen zichzelf opgeblazen.

    De partijen zelf hebben deze ontwikkeling verdrongen. In de eerste plaats konden ze na de Bondsdagverkiezingen van 2005 geen klassieke tweepartijencoalitie vormen, zoals zwart-geel, rood-groen of rood-geel. Toch kwam er ook geen driepartijencoalitie tot stand. Het voelt alsof we ons vandaag de dag al dertien jaar in een eeuwige Grote Coalitie bevinden. De kiezers constateren dat – hoe ze ook stemmen – ze toch altijd dezelfde regering krijgen. Dat schokt niet alleen hun geloof in democratische zelfbeschikking, ze verliezen ook het vertrouwen in de partijen en daarmee – ten onrechte – in de democratie.

    Technologische ontwrichting

    Zolang de economie groeit en de werkloosheid daalt, kan de politieke en technologische ontwrichting worden verdrongen. Dat is in Duitsland gebeurd. Duitsers hebben een ingenieursmentaliteit. Des te sceptischer staan ze tegenover de nieuwe en radicale veranderingslogica die de uitdagers van de liberale democratie hun opdringen: in de media door Facebook, Twitter en Instagram, politiek door de nationalistische neochauvinisten in Rusland, Hongarije, Italië en de VS.

    De geglobaliseerde en gedigitaliseerde nieuwe wereld waarin we nu leven is in alles het tegengestelde van waar Duitsland tot voor kort voor stond: vaste banen in de industrie, alom betrouwbare certificering en een door de werkende meerderheid gefinancierde welvaartsstaat. Dat wordt door de onvoorstelbare opkomst van Apple, Amazon en Alibaba allemaal ter discussie gesteld. In plaats van de trotse, innovatieve NV Duitsland is het land nu alleen nog maar een afzetmarkt voor deze winner-takes-it-all-platforms.

    De kiezers constateren dat ze toch altijd dezelfde regering krijgen

    De politiek reageert hulpeloos op de eisen van de tijd. De retoriek tegen de AfD en andere vijanden van de liberale democratie is oudbakken en moraliserend en maakt totaal geen indruk. Voor straf is de EU invoerrecht gaan heffen op spijkerbroeken en whiskey made in USA, in plaats van eindelijk de techgiganten aan te pakken die zo goed als geen belasting betalen en ongereguleerd hun cultuurbepalende monopolie in Europa uitrollen.

    De Duitse politiek zit gevangen in de logica van het verleden. En dat wil zeggen: de logica van de partijen. Hoewel de partijenstaat onder verwijzing naar de Republiek van Weimar in de gangbare opvatting binnen de politieke wetenschap tot nu toe gold als een betrouwbaar, democratisch integratiesysteem, wordt die staat nu opeens een gevaar.

    Want zoals Maassen-gate (de rel rond Hans-Georg Maassen, hoofd van de binnenlandse veiligheidsdienst, wiens promotie door Merkel tot staatssecretaris van Binnenlandse Zaken op grote weerstand stuitte) heeft laten zien, maakt de partijlogica groezelige compromissen noodzakelijk. Daardoor neemt de boosheid op de politiek toe. Besluitvormingsprocessen in partijen zijn vanwege de gecompliceerde machtsverhoudingen nu eenmaal taai. De partijen reageren veel te langzaam op uitdagingen waar de moderne tijd hen mee confronteert. En dat schrikt het dringend noodzakelijke politieke talent af.

    De versplintering van het partijensysteem, met in de toekomst zes of meer partijen die alle ongeveer even groot zijn, verscherpt deze situatie nog eens. Regeringscoalities van drie partijen moeten meer compromissen sluiten dan wanneer er twee partijen meedoen. Tegelijkertijd nemen door het echo chamber effect op de sociale netwerken (denkbeelden worden versterkt en uitvergroot door ze binnen een gesloten systeem te communiceren en steeds te blijven herhalen) de willekeur en het egoïsme binnen het politieke milieu toe. Ze zijn steeds ontevredener over hun eigen compromissen.

    Macron

    In Frankrijk heeft Emmanuel Macron met zijn La République En Marche een frisse beweging op poten gezet. Donald Trump agiteert tegen het establishment, hoewel hij als republikein daar juist een vertegenwoordiger van is.

    Terwijl in een presidentiële democratie en in een districtenstelsel mensen rechtstreeks moeten kiezen tussen twee kandidaten (Macron of Le Pen), waardoor de zelfwerkzaamheid van de burger wordt gemaximaliseerd, is in een partijenstaat het compromis gedelegeerd aan de partijen. Niet de verkiezingsuitslag bepaalt wat voor regering er komt, maar een coalitie van partijen. Daarbij geldt: hoe meer partijen, hoe meer opties er zijn om een coalitie te vormen. En aan het eind van het proces is het aantal teleurgestelde kiezers des te groter.

    Dat verlamt de politiek. In staten als Duitsland, Spanje en Italië heeft men dit vanwege de ervaring met een dictatuur ooit echt zo gewild. Maar nu is het een nadeel. Het presidentiële systeem en het sterk gepersonaliseerde districtenstelsel zijn veel beter voorbereid op dit ontwrichtende tijdperk. Ze maken het politieke proces directer en eenvoudiger dan bij coalitieregeringen met een toenemend aantal partijen. Gecompliceerde veelpartijensystemen blokkeren zichzelf. De toekomst ligt bij flexibele, mobiele digitale platforms als En Marche.

    Zo ziet de Piratenpartij het ook. Maar technerds op sandalen maken weinig kans om door het midden van de samenleving gehoord te worden. In dat midden wachten de voormalige kiezers van de volkspartijen op nieuw politiek aanbod en nieuwe politieke participatieformats. Wie het systeem ‘democratie’ wil behouden, moet het besturingssysteem ‘partijenstaat’ ter discussie stellen. De politiek van de toekomst is digitaal.

    Auteur: Andreas Barthelmess

    Die Welt Welt
    Duitsland | dagblad | 202.000

    Profileert zich als conservatief. Op economisch gebied zeer uitgebreid, ook aandacht voor toerisme en de huizenmarkt. In 1946 door de Britten in Hamburg opgericht.

  • ‘Trump is de eerste
 racistische president’

    ‘Trump is de eerste
 racistische president’

    Je kunt gerust zeggen dat de wereld van vandaag zeer complex is geworden en in toenemende mate polariseert. Een diepe kloof verscheurt landen die voorheen de stabiliteit van een liberale democratie kenden. Hoe dat komt, vroeg 52 Insights aan de Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama.

    Francis Fukuyama ziet de nieuwe gepolariseerde wereld als het resultaat van een toenemende scheiding tussen een linkervleugel die zich blindstaart op de identiteitspolitiek, en een rechtervleugel die wordt gevoed door populistische retoriek. De Amerikaanse politicoloog werd bekend met zijn invloedrijke essay ‘Het einde van de geschiedenis’, waarin hij verklaarde dat de liberale democratie een staat van zelfregulering had bereikt en dat we nu de post-ideologische wereldorde konden verwelkomen. Sinds hij dat in 1992 schreef, is de wereld immens veranderd: 9/11, de Arabische Lente, de financiële crisis in 2008, de terugval in de globalisering en niet te vergeten de snel voortschrijdende technologie hebben de wereld waarin we leven gedefinieerd. Intellectuelen doen wanhopige pogingen om de stukjes van de puzzel weer in elkaar te passen.

    Ondanks zijn profetische gave denken we niet dat Francis Fukuyama had kunnen raden dat de presentator van een reality-tv-programma met een neiging tot racisme en misogynie de positie van leider van 
de vrije wereld zou verkrijgen. Is dit slechts een stipje op de tijdlijn van de liberale democratie, of is er iets sinisterders en permanenters aan de hand?

    Hoe kijkt u als bekend intellectueel tegen dit mondiaal bijzonder gepolariseerde moment in 
de geschiedenis aan? Wordt u omarmd door links en weggeduwd door rechts?

    ‘Voor zover ik weet, zal rechts geen aandacht besteden aan wat ik zeg. Ik verwacht niet veel kritiek 
van die kant. De meeste serieuze kritiek verwacht 
ik van links, want zij geloven in een bepaalde vorm van identiteitspolitiek, dus zij zullen het meeste tegengas geven.

    Het is lastig, de vorige keer dat ik betrokken was bij een belangrijk debat, was na de invasie in Irak in 2003. Ik had het boek America at the Crossroads geschreven, waarin ik een harde lijn tegen Saddam Hoessein voorstond. Maar toen de invasie dichterbij kwam, vond ik dat we daartoe niet in de positie waren en werd ik heel kritisch op de regering-Bush. Dientengevolge kreeg ik veel kritiek over me heen, omdat 
ik eerst wel achter de invasie had gestaan. Ik denk dat er nog wel wat kwaad bloed uit die tijd zit.’

    Het is momenteel een bijzonder ongemakkelijke tijd voor iemand die neigt naar links. Links lijkt tegenwoordig net zo’n groot probleem als rechts.

    ‘Dat geldt zowel voor Engeland als voor de Verenigde Staten. Sinds 2016 is de polarisatie in de samenleving enorm toegenomen. In Engeland is dat een uitvloeisel van het Brexit-referendum. In Amerika is het onze president die de polarisatie aanzwengelt. Donald Trump is de weerspiegeling van de sluimerende polarisatie tussen links en rechts in de VS. Ons kiesstelsel maakte het mogelijk dat hij werd gekozen door een minderheid. In plaats van zich in het midden op te stellen, heeft hij er alles aan gedaan 
om de bestaande spanningen aan te wakkeren.

    Volgens mij is hij de eerste echt racistische president. En dientengevolge heeft hij links nog verder naar links geduwd. Dat doet hij expres, want hij wil in 2020 geen kansrijke kandidaat tegenover zich hebben. Het zorgt voor een moeilijke periode in 
onze politiek, waarin je geen centralistische positie kunt innemen, omdat mensen de extremen van het politieke spectrum opzoeken.’

    Hoe zijn we historisch gezien in deze situatie terechtgekomen? Ontstonden de voorwaarden daarvoor in 2016? Of broeide het huidige klimaat al langer?

    ‘Dat is een proces dat ik in mijn boek probeer te beschrijven. De moderne identiteitspolitiek begon bij links in de jaren zestig, als een voortvloeisel van veel sociale bewegingen die in die tijd waren ontstaan: de lhbt-beweging, de Afro-Amerikaanse burgerrechtenbeweging, de feministische beweging. Alle groepen die in de maatschappij waren gemarginaliseerd, eisten terecht erkenning voor hun problemen en specifieke ervaringen. De agenda van links, voorheen stevig verankerd in de arbeidersklasse, verschoof daardoor als geheel.

    In Europa was links voornamelijk marxistisch, in 
de VS was links gefundeerd in de vakbonden. Met de opkomst van de identiteitspolitiek begon links zich te mobiliseren rondom specifieke groepen en hun problemen. Toen Martin Luther King de burgerrechtenbeweging begon, betoogde hij dat zwarte Amerikanen gewoon net zo behandeld wilden worden als witte Amerikanen, dat ze deel wilden 
uitmaken van de Amerikaanse droom.

    In de loop van de tijd veranderde dat in een door sommigen – bijvoorbeeld de Black Powerbeweging – ingenomen standpunt dat zwarte Amerikanen anders waren dan witte Amerikanen. De rest van 
de Amerikaanse samenleving moest accepteren dat zwarte Amerikanen een eigen cultuur en waardestelsel hadden. Veel groepen hebben zich op die manier ontwikkeld; in het begin wilden ze geaccepteerd worden als onderdeel van de maatschappij, daarna splitste een deel zich af dat niet als gelijke behandeld wilde worden, maar juist erkenning zocht voor zijn anders-zijn. Op dat moment begint de identiteitspolitiek problematisch te worden. Kijk maar naar de opkomst van rechtse anti-immigratiegroeperingen in Europa die willen vasthouden aan een ouder besef van nationale identiteit.

    In de VS zien we het uiterst rechtse witte nationalisme, dat probeert de Amerikaanse identiteit terug te brengen naar iets wat wordt gedefinieerd door ras, naar zoals de Amerikaanse identiteit was vóór de burgerrechtenbeweging. Over het algemeen is het voor de democratie een ongezonde situatie als mensen zich terugtrekken in categorieën gebaseerd op afkomst. Dan krijg je geen overkoepelend besef van nationale identiteit dat probeert mensen te 
re-integreren in een democratische gemeenschap.’

    Een van de dingen die dit specifieke thema zo ongewoon maken, is het idee van waardigheid, het idee dat iedereen evenveel autoriteit krijgt toebedeeld en een podium heeft om te kunnen spreken. Dat is met name verontrustend en gevaarlijk als dat podium vooral wordt gebruikt door de schreeuwlelijken. Hoe denkt u daarover?

    ‘De roep om waardigheid en respect is niet nieuw, het is een essentiële component van de menselijke psychologie: we willen dat andere mensen ons erkennen en respecteren. Daar is de moderne democratie op gebaseerd. Neem Mohammed Bouazizi, 
de Tunesische fruitverkoper wiens kar in 2011 door het totalitaire regime van Ben Ali in beslag werd genomen. Hij kreeg geen enkele erkenning van het regime, overgoot zich met benzine en stak zichzelf in brand. Veel van de omwentelingen in de voormalige Sovjetrepublieken kwamen voort uit de eis van de bevolking dat het betreffende totalitaire regime hun fundamentele waardigheid moest erkennen: hun zelfbeschikkingsrecht en hun mens-zijn.

    Maar als de overgang naar een werkelijk liberale democratie is gemaakt, blijkt dat opeens een vanzelfsprekendheid te zijn. In het totalitaire Oost-Europa van voor 1989 verlangde het volk naar fundamentele rechten van de mens, maar toen de democratie daar eenmaal was bereikt, maakte vrijwel niemand zich daar nog druk om.’

    Francis Fukuyama:  ‘Er is een grote mate van ongelijkheid ontstaan door de moderne, zeer liberale, geglobaliseerde kapitalistische economie.’ – © HH
    Francis Fukuyama: ‘Er is een grote mate van ongelijkheid ontstaan door de moderne, zeer liberale, geglobaliseerde kapitalistische economie.’ – © HH

    In het verleden sprak u over thema’s die hebben bijgedragen aan het feit dat mensen in Amerika zich niet meer vertegenwoordigd voelen. Een 
verbetering van Obamacare had daar iets aan kunnen doen, maar Trump-stemmers zeggen juist dat Obamacare een boosaardig socialistisch complot is. Hoe lost u dat op, als ze niet willen luisteren?

    ‘Dat is een interessante vraag. Het blijkt dat veel 
kiezers met een laag inkomen profiteerden van 
Obamacare, terwijl Republikeinse leiders ervan 
overtuigd waren dat het een boosaardig socialistisch complot was. Maar nu ze weer in de oude situatie zijn beland, merken ze hoe duur het is om je tegen ziektekosten te verzekeren. Nu blijkt het misschien helemaal geen socialistisch complot te zijn, maar 
iets wat ze juist heel erg nodig hadden.

    Als de Democraten slim zijn, concentreren ze zich 
op dat brede sociale thema waar veel arme mensen voordeel van hebben, ongeacht hun huidskleur, 
etniciteit enzovoort. Dat zou het kernthema van 
hun verkiezingscampagne moeten zijn.’

    Versterkt de voortdurende mythevorming in 
de media deze steun aan complottheorieën?

    ‘Hier spelen meer dingen mee. Als je kijkt naar de afgelopen tien of vijftien jaar in de politiek, heeft de elite enorme fouten gemaakt; de financiële crisis van 2008 in de VS, de eurocrisis in 2010 en de immigratiecrisis in Europa werden allemaal veroorzaakt door beleidsfouten van de elite en troffen juist de gewone man. Wall Street doet het prima, het financiële 
centrum van Londen doet het afgezien van de Brexit geweldig. Als je niet inziet dat de verontwaardiging grotendeels voortkomt uit iets reëels, kom je nooit tot de kern van het probleem. Daarnaast is er ook de mediahype, en daarmee betreden we een complex terrein, want de conservatieve media neigen ertoe incidenten van bijvoorbeeld vluchtelingen die 
misdaden begaan extra uit te vergroten.

    Maar ook hier speelt onder de oppervlakte iets reëels mee. Een goed voorbeeld is het incident van enkele jaren geleden, waarbij in Keulen vrouwen werden aangerand door vluchtelingen, wat de Duitse pers enkele dagen onvermeld liet omdat ze de islamofobie niet verder wilden opstoken. Dat soort politieke correctheid is heel schadelijk geweest, omdat daarmee de reguliere media in diskrediet werden gebracht, hoe begrijpelijk hun intenties ook waren. Ze verhulden werkelijke problemen die zich voordoen bij de integratie van het grote aantal vluchtelingen. Dus 
ja, er is sprake van veel mythevorming en sensatie-beluste publiciteit.’

    Trump voelde goed aan dat hij de verkiezing kon winnen als hij inspeelde op de haat die leeft tegen de elite. Hij heeft een soort boeman gecreëerd 
die we niet kunnen zien, maar die onze banen en toekomst afpakt.

    ‘Een van de dingen die de komende jaren gaan gebeuren, is dat de elite zich zal moeten aanpassen, wil ze niet in de problemen komen. Er is een grote mate van ongelijkheid ontstaan door de moderne, zeer liberale, geglobaliseerde kapitalistische economie. Dus we zullen veel politieke veranderingen moeten doorvoeren om mensen daartegen te beschermen, 
en die aanpassing kost veel tijd. Over immigratie moet ook goed worden nagedacht, want dat probleem kan net zo’n belangrijke reden zijn om tegen de EU stemmen als economische factoren. In Engeland bleek de vluchtelingenkwestie een belangrijke factor om voor de Brexit te stemmen. Er zullen 
aanpassingen moeten komen, want de huidige 
situatie in Europa is niet houdbaar.’

    Denkt u dat de EU bij elkaar blijft?

    ‘Voorlopig wel. Nu is Italië het grote probleem, omdat ze daar een populistische regering hebben gekozen die, als ze de beloften van haar verkiezingscampagne inlost, de eurozone meer op haar grondvesten zal doen trillen dan Griekenland ooit dreigde te doen. Maar het is geen verrassing dat er nu een populistische regering is, want sinds het sluiten van de 
Balkanroute komen de meeste vluchtelingen uit het Midden-Oosten en Afrika naar Griekenland en Italië. De eilanden en de steden van juist de zwakkere leden van de EU stromen vol. Dus als je geen helpende 
hand toesteekt, kom je nooit bij de onderliggende oorzaken van het populisme.’

    Rusland lijkt er op korte termijn garen bij te spinnen, maar wat is hun langetermijnstrategie? En hoe zou u hun identiteit als soevereine staat willen definiëren?

    ‘Het huidige Rusland verschilt van de oude Sovjet-Unie. In de voormalige Sovjet-Unie bestond een duidelijke messiaanse ideologie, die ze in theorie naar de rest van de wereld wilden exporteren. Poetin heeft zich echter teruggetrokken in een soort nationalistische ideologie, maar daar is niet veel messiaans aan. Hij is niet bezig Zuid-Amerika of sub-Sahara-Afrika te Ruslandiseren. De ideologie waarin hij noodzakelijkerwijs verzeild is geraakt, is het conservatieve nationalisme. Rusland is een christelijk land met conservatieve sociale waarden, dus geen homohuwelijk of dat soort fratsen. Dat maakt Rusland trouwens aantrekkelijk voor veel conservatieven in Europa en de VS. Maar de filosofie van Poetin en de zijnen gaat niet zo diep. Het is eerder iets waarachter ze zich uit pragmatische overwegingen scharen, dan een ideologie als het communisme, waaraan men zich in de tijd van de Sovjet-Unie daadwerkelijk verbond. Ze hebben een bloedhekel aan de intimiderende toon die veel westerse politici aannemen als ze de schending van de mensenrechten in Rusland aankaarten. Ze willen die landen terugpakken door hun uiterste best te doen om westerse democratieën op terroristen te laten lijken. Daar hebben ze veel succes mee.’

    Even terug naar uw stelling dat de elite haar aanpak moet heroverwegen. Is het juist om de liberale wereldorde gelijk te stellen aan de elite? En als dat zo is, zou het dan niet tijd zijn voor 
een grootschalige heroverweging?

    ‘Dat hangt af van wat je verstaat onder een grootschalige heroverweging. In de jaren negentig en aan het begin van deze eeuw maakten we een soort hyperliberale periode door waarin een poging werd gedaan om alle bestaande handels- en investeringsbarrières te slechten. In het begin van de 21ste eeuw geloofde men dat als je China toeliet in de Wereldhandelsorganisatie (WTO), de economie van dat land zou liberaliseren en de democratie bevorderd zou worden, waarna er uiteindelijk meer eenheid zou komen tussen China en de rest van de wereld. Nu gelooft niemand dat meer en ziet men in dat de komst van China in de WTO tot het verlies van 2 à 3 miljoen banen in de VS heeft geleid.

    Algemeen wordt nu wel erkend dat de globalisering in sommige opzichten vertraagd moet worden, 
dat het voor landen goed is om bepaalde nationale barrières te hebben, gebaseerd op hun inzichten 
op het gebied van sociale bescherming of milieu-bescherming.’

    Dus we moeten eerder de elitepolitiek dan het elitesysteem heroverwegen?

    ‘Er zullen altijd elites zijn. Waar we nu behoefte aan hebben, is een fundamentele heroverweging van het sociale contract, omdat er zo veel macht en middelen zijn geconcentreerd in de handen van een heel klein aantal mensen, en dat ontregelt ons democratische politieke systeem. Ik woon in Silicon Valley en ik vind dat techbedrijven zo snel mogelijk moeten worden aangepakt. Amazon, Google, Facebook en dergelijke zijn veel te groot. We moeten bedenken hoe we de antitrustwetten gaan aanpassen aan de veranderingen die de afgelopen jaren in de technologie hebben plaatsgevonden. Dat moet echt gebeuren.’

    Hoe moet het nu verder? Want het lijkt alsof de grote thema’s van vandaag – identiteitspolitiek, immigratie, automatisering en klimaatverandering – ons uit elkaar drijven. Hoe komen we vanuit die thema’s tot een zinvol, harmonieus systeem?

    ‘Het is een combinatie van factoren. We moeten 
ons concentreren op de re-integratie van een uiterst gepolariseerde maatschappij. Daarom benadruk ik 
de noodzaak van een liberale nationale identiteit als belangrijkste aandachtspunt voor een groot deel van onze politiek. We hebben manieren nodig om de 
globalisering te vertragen, zonder afbreuk te doen aan de fundamentele voordelen van hoe we handel drijven en investeren. Het sociale model dient te worden heroverwogen als tegenwicht om die machtsconcentraties aan te pakken en alles weer 
een beetje gelijkmatiger te verdelen. Dat zouden componenten moeten zijn van wat een verstandig antwoord is op de huidige tijd.’

    52 Insights
    Verenigd Koninkrijk | 52-insights.com

    Deze website is in 2015 opgericht door de Brit Ari Stein, die ‘de ruimte tussen wetenschap en cultuur wil bestuderen’ en ‘intelligentie weer hip wil maken’. Elke week publiceert de site een lang interview met een persoonlijkheid die onze perceptie van de wereld doet kantelen.

  • 7. Tijdslijn

    7. Tijdslijn

    Een overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen van Macrons eerste bestuursjaar.

    schermafbeelding 2018 05 02 om 11 32 19 am
    schermafbeelding 2018 05 02 om 11 32 39 am
    schermafbeelding 2018 05 02 om 11 32 57 am
    schermafbeelding 2018 05 02 om 11 33 17 am

    Openingsbeeld: Aanhangers van Macron vlak voor zijn verkiezing. – © HH

  • 5. De president als krijgsheer

    5. De president als krijgsheer

    Een jaar na zijn verkiezingsoverwinning zette Macron voor het eerst militair geweld in.

    Nadat hij de toon eerst flink had opgevoerd, gaf de Franse president zijn strijdkrachten uiteindelijk opdracht toe te slaan in Syrië. Een beslissing waarmee hij zich onderscheidt van eerdere presidenten.

    Het symbool was er meteen al, vanaf zijn eerste minuten als staatshoofd. Nauwelijks had hij zijn ambt aanvaard, of Emmanuel Macron verliet op 14 mei 2017 het Elysée om de Avenue des Champs-Elysées op te rijden aan boord van een geblindeerde command car, een verkennings- en ondersteuningsvoertuig dat veel bij interventies in Afrika wordt gebruikt. Vanaf het begin heeft de president willen tonen dat hij, ondanks zijn jeugdige leeftijd – hij behoort tot de generatie die niet meer dienstplichtig is – van plan is zich 
ten volle te kwijten van zijn taak als militair opperbevelhebber.

    Symbolen zijn één ding, daden een ander. Tot dusver legde Emmanuel Macron een zekere terughoudendheid aan de dag. Hoewel hij niet besloot Franse troepen uit het buitenland terug te roepen, bijvoorbeeld uit de Sahel, waar het plaatselijke leger nog niet wordt geacht het stokje te 
kunnen overnemen, waagde hij zich ook niet op nieuwe fronten. In die zin verschilde zijn handelwijze van die 
van zijn voorganger François Hollande.

    Macron in een militair voertuig op de Champs Elysées op de dag van zijn inauguratie. – © Michel Euler / HH
    Macron in een militair voertuig op de Champs Elysées op de dag van zijn inauguratie. – © Michel Euler / HH

    Drie uur ’s ochtends op 14 april jongstleden was dus een historisch keerpunt. Het moment waarop de president, door zich in het tenue van een krijgsheer te hullen, in alle eenzaamheid de ultieme beslissing moest nemen, namelijk de inzet van militair geweld. ‘Ik heb de Franse strijdkrachten bevel gegeven 
te interveniëren in het kader van een internationale operatie die samen met de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk werd uitgevoerd, en die was gericht tegen het verboden chemische arsenaal van het Syrische regime,’ verklaarde Macron in een communiqué. Hij voegde eraan toe dat het Franse parlement krachtens artikel 35 over de interventie zal debatteren.

    Direct daarna werd er een officiële foto openbaar gemaakt, waarop het staatshoofd te zien is in de Jupiterbunker, het militaire commandocentrum onder het Elysée, samen met minister Florence Parly van Defensie, de presidentiële stafchef Bernard Rogel, de stafchef van de Franse strijdkrachten François Lecointre en andere hoge militairen. Op het moment dat de foto werd gemaakt ‘hadden we al actie ondernomen en liet de president zich informeren over het verloop van de missie’, zei een van de deelnemers tegen Reuters. De foto doet denken 
aan de fameuze scène waarin Barack Obama getuige is van de inval in de Pakistaanse woning van Osama Bin Laden in 2011.

    Dit keer staat Frankrijk er in 
militair opzicht niet alleen voor, zoals in augustus 2013, toen François 
Hollande bij gebrek aan steun van de Amerikanen en de Britten moest afzien van een aanval op het regime van Bashar al-Assad

    Tijdens de spoedvergadering van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties feliciteerde de president zichzelf met ‘de uitstekende coördinatie tussen onze strijdkrachten en die van onze Britse en Amerikaanse bondgenoten’. Hij drong er vervolgens op aan dat de Veiligheidsraad ‘eensgezind initiatieven zou nemen ten aanzien van 
politieke, chemische en humanitaire kwesties in Syrië om de burgerbevolking te beschermen en eindelijk de vrede in het land te laten terugkeren’. Daarna telefoneerde hij met respectievelijk Donald Trump en Theresa May.

    De afgelopen dagen heeft Emmanuel Macron de toon opgevoerd door op 
TF1 te verklaren dat hij ‘bewijs’ had dat er chemische wapens waren gebruikt. Vanaf dat moment kon hij moeilijk terug. ‘Hij heeft zich de afgelopen weken afgebeuld in de coulissen en zeer belangrijke telefoongesprekken gevoerd met Erdogan, Poetin en de Iraanse president Rohani,’ deelde 
een minister enkele dagen geleden vertrouwelijk mee.

    Maar dit keer staat Frankrijk er in 
militair opzicht niet alleen voor, zoals in augustus 2013, toen François 
Hollande bij gebrek aan steun van de Amerikanen en de Britten moest afzien van een aanval op het regime van Bashar al-Assad. Dit keer worden de Franse aanvallen samen met Washington en Londen uitgevoerd.

    Auteur: Marcelo Wesfreid
    Vertaler: Peter Bergsma

    Le Figaro
    Frankrijk | dagblad | oplage 313.010

    Grote, rechts georiënteerde zakenkrant. Eigendom van de zakentycoon Serge Dassault, die regelmatig de neiging moet onderdrukken om zich persoonlijk met de inhoud te bemoeien.

  • 4. En Marche! komt 
naar je toe deze zomer

    4. En Marche! komt 
naar je toe deze zomer

    Na de klinkende verkiezingszege in Frankrijk richt de partij van Macron zich nu op de Europese verkiezingen van 2019. Een leger vrijwilligers gaat het land in om de stemming van de burgers peilen.

    In een cafeetje in een tamelijk armoedige straat achter Montmartre bereikt de powerpoint-
presentatie een hoogtepunt. Op de muur staat geprojecteerd: ‘We kunnen het niet vaak genoeg zeggen: glimlachen!’ De ruim veertig aanwezigen knikken. Ze worden getraind om de politieke buitendienst in te gaan. De komende weken zullen zij en vele andere glimlachende mensen bij honderdduizend huizen aanbellen en de burgers vragen of ze even tijd hebben om over Europa te praten. Begin april gaf La République En Marche! (LRM) het startsein voor de ‘Grote Mars voor Europa’. Toen partijleider Christophe Castaner de ‘Grote Mars’ aankondigde tegenover journalisten in Parijs, zei hij dat LRM ‘de beweging van het luisteren’ is, die ‘de Europese droom wil teruggeven aan de 
Fransen’. Deze vaag klinkende teksten zijn de voorbereiding op de Europese verkiezingen in 2019. President Macron en zijn partij willen laten zien dat ze meer zijn dan verrassende winnaars. Ze willen bewijzen dat het succes bij de presidentsverkiezingen niet alleen te danken was aan stemmen tegen Marine Le Pen. De overwinning van LRM bij de parlementsverkiezingen in de zomer was de eerste consolidatie; nu wil de partij ook in 
het Europees Parlement de grootste politieke kracht worden.

    Woonkamers van de republiek

    Maar met politieke strategie moet je de Fransen 
niet lastigvallen. En evenmin met de woorden ‘EU’ 
en ‘Brussel’. Het gaat ‘om Europa’. In het cafeetje in Parijs worden de ‘marcheerders’, zoals de partij ze noemt, eraan herinnerd dat het niet om een 
verkiezingscampagne gaat: ‘Jullie zijn hier niet om te overtuigen, maar om te luisteren.’ De glimlachende luisteraars worden voorzien van een Europablauwe pullover en een vragenlijst. Hebben ze het tot in de woonkamers van de republiek gebracht, dan moet over de volgende vragen van gedachten worden gewisseld: ‘Waar denkt u aan bij Europa? Wat werkt er volgens u niet in Europa? Vindt u dat Europa een wezenlijke invloed heeft op uw dagelijks leven?’ Alle antwoorden worden genoteerd en moeten worden verwerkt in het verkiezingsprogramma voor 2019.

    Wat Macron betreft is de raadpleging van de Fransen slechts een eerste stap in zijn Europapolitiek. Op 17 april maakte hij in het Europees Parlement in Straatsburg de start van een Europese burgerraadpleging bekend. Dat is in zoverre een voortzetting van de ‘Grote Mars’ dat de burgermaatschappij moet worden aangespoord in discussie te gaan over 
Europese kwesties. Maar anders dan in Frankrijk moet zijn partij niet in verband worden gebracht met deze raadplegingen. Macron hoopt dat van Denemarken tot Roemenië zwemverenigingen, 
vrijwillige brandweerkorpsen en vakbonden zelf in gesprek gaan over Europa. Het mogelijke, tactische neveneffect van deze debatoefening is dat er nieuwe partijen kunnen ontstaan die het voor LRM eenvoudiger maken om bondgenoten te vinden in het 
Europees Parlement.

    Auteur: Nadia Pantel
    Vertaler: Pieter Streutker

    Süddeutsche Zeitung
    München | dagblad | oplage 358.000 | sueddeutsche.de

    Het dagblad voor het zuiden van Duitsland behoort tot de toonaangevende kranten in het land. De links-liberale krant is een energiek verdediger van de mensenrechten en van de rechtsstaat.

  • 2. Stilte voor de storm?

    2. Stilte voor de storm?

    Volgens de Spaanse krant El País lijkt het Frankrijk van Macron op het Frankrijk van voor mei ’68. Sluimert er een opstand?

    Alleen de allerbeste journalisten zijn in staat om in 996 woorden, 12 alinea’s en 6180 tekens de stemming van een land te verwoorden. Alleen de allerbesten beschikken over 
een uitzonderlijk observatievermogen, een sensor waarmee ze de diepe onderstromen peilen die 
kenmerkend zijn voor een bepaald moment uit de geschiedenis. En alleen de allerbesten, zoals alleen de grote literaire schrijvers dat kunnen, schrijven teksten die je op verschillende manieren kunt interpreteren en die, afhankelijk van de bril waarmee ze worden gelezen, één ding betekenen of precies het tegenovergestelde. Het artikel in kwestie was de meest trefzekere diagnose van het prerevolutionaire Frankrijk van 1968 of een van de grootste analytische missers in de geschiedenis van de journalistiek.

    Verveling

    ‘Wanneer Frankrijk zich verveelt…’ Dat is de titel van het artikel van Pierre Viansson-Ponté – een ervaren journalist van Le Monde – dat op 15 maart 1968 op de voorpagina van de Parijse ochtendeditie van de krant stond afgedrukt. Het was een klassiek Frans journalistiek stuk: informatief, maar niet 
overladen met saaie data, interpretatief maar 
niet opiniërend, helder en prachtig geschreven. Viansson-Ponté beschreef een Frankrijk dat was weggezonken in lethargie en verveling, zoiets als ‘het einde van de geschiedenis’ 25 jaar voordat dit dankzij Francis Fukuyama een populair begrip werd. Frankrijk was een welvarend land, zonder oorlogen, zonder politieke spanningen, zonder sociale 
conflicten. Het paradijs, of de hel.

    Zes weken nadat het artikel was gepubliceerd, barstte mei ’68 los. Eerst waren er de studentenprotesten, daarna volgden de arbeiders en uiteindelijk brak er een politieke crisis uit die de Vijfde Republiek tot aan de rand van de afgrond bracht. In het door Viansson-Ponté beschreven conformistische, melancholische en doodverveelde Frankrijk ontketende zich in een paar weken tijd een ongebreidelde opstand – het tegendeel van verveling – waarin de ambities en dromen van een deel van de westerse jeugd zich samenbalden, en die de kiem droeg van veel van de sociale veranderingen – van gelijke rechten voor mannen en vrouwen tot het individualisme en de 
ik-cultuur – die onze huidige wereld kenmerken.

    Een Parijse demonstrant ligt op de grond tijdens clashes met de politie in mei 1968. – © HH
    Een Parijse demonstrant ligt op de grond tijdens clashes met de politie in mei 1968. – © HH

    Het zou zomaar kunnen dat Frankrijk zich nu, vijftig jaar later, opnieuw verveelt. Net als in 1968 heeft het land een sterke regering, is er geen noemenswaardige oppositie en staat er een zelfverzekerde, bijna koninklijke president aan het roer. Pas tien maanden nadat Emmanuel Macron de verkiezingen won, valt er iets van sociale onvrede over zijn hervormingen te bespeuren. Maar de diepgaande problemen waarover de Fransen zich ernstig zorgen maakten – de sociale tegenstellingen, de etnische verdeeldheid, de jihadistengetto’s, een bijna chronisch pessimisme en een onherroepelijke achteruitgang – lijken verleden tijd. Sinds de zomer van 2016 is de terroristische dreiging nog steeds van kracht maar groeit de economie, daalt de werkloosheid en wordt de president bewonderd in de wereld.

    Verveelt Frankrijk zich? ‘Nee,’ zei Frédéric Dabi, mededirecteur van marktonderzoekbureau Ifop. ‘Frankrijk wacht…,’ vulde hij aan. Dát zou vandaag een betere titel zijn voor het artikel van Viansson-Ponté. Of nog beter: Frankrijk wacht af… Wat wacht Frankrijk af? Wat de hervormingen van Macron gaan 
brengen. Dat de economie verder groeit en dat de werkloosheid daalt. En dat de kloof tussen het kansrijke en kansarme Frankrijk, tussen de Franse steden en de periferie, gedicht zal worden.

    Publicist Alain Minc, tot voor kort pleitbezorger van de globalisering, analyseert het onbehagen in zijn nieuwste boek Une humble cavalcade dans le monde de demain (Een bescheiden ritje ter paard door de wereld van morgen). ‘Het is niet nieuw in de geschiedenis: het kapitalisme is een machine die efficiëntie en ongelijkheid produceert’, schrijft hij. En hij ziet in het Frankrijk van 2018 tekenen van een aanzwellende golf, een gefrustreerde generatie, het pré-mei ’68-klimaat.

    Een beeld van wat Frankrijk anno maart 2018 zou kunnen zijn, geeft het Insee (het Centraal Bureau voor de Statistiek en Economische Studies) 
in zijn jaarlijkse rapport: ‘Frankrijk, een sociaal portret’. Het rapport 
concentreert zich op wat ze de modale Fransman met een gemiddeld
inkomen noemen. 18,5 procent van de bevolking behoort tot die categorie, voor wie het salaris schommelt tussen de 1510 en 1850 euro netto per maand. Hun opleidingsniveau, hun baan – 
áls ze al werk hebben – en hun 
toekomstvisie liggen dichter bij die van de arme Fransman. Wat betreft de kans op werk, de toegang tot primaire levensbehoeften, de kans op een eigen woning en de zeldzaamheid van eenoudergezinnen staan ze dichter bij de rijke klassen.

    Culturele kloof

    In een recent verschenen rapport van de Stichting Jean-Jaurès legt onderzoeker Jérôme Fourquet nóg een kloof bloot: de culturele kloof die de economische ongelijkheid, die in Frankrijk minder groot is dan 
in andere westerse landen, overstijgt. Het rapport ‘1985-2017: Wanneer de bevoorrechte klasse zich afscheidt’ beschrijft een ‘onzichtbaar proces’ dat bij de elite tot een vorm van separatisme heeft geleid.

    De elite woont in dezelfde wijken en steden, en wordt op dezelfde scholen opgeleid. Men gaat met elkaar om, trouwt met elkaar en krijgt kinderen met elkaar. Terwijl vroeger kruisbestuiving tussen de verschillende Frankrijken plaatsvond tijdens de dienstplicht en in de vakantiekampen, bestaat dit niet langer 
(het eerste geval) of is het nauwelijks meer in trek (het tweede geval).

    Als je het huidige Frankrijk op zijn Viansson-Pontés beschouwt, zou je het moeten hebben over een etnische breuklijn en de jihadisten in de getto’s, maar die diagnose zou onvolledig zijn als je voorbijgaat aan de angst van de modale Fransman voor een onzeker bestaan en het risico daarop dat hij loopt, zoals in het Insee-rapport staat. Of aan de sociale klassen die niet meer met elkaar in aanraking komen, zoals Fourquet beschrijft. Door die sociale segregatie is het ongenoegen met de politiek, dat zich niet alleen in Frankrijk manifesteert, beter te begrijpen.

    ‘Het enige waarover ze zich druk maken is of de meisjes op de campussen van Nanterre en Antony op de kamers van de jongens mogen komen’

    ‘Verveling is wat ons openbare leven kenmerkt. 
De Fransen vervelen zich’, begon Viansson-Ponté op 15 maart 1968 zijn artikel ‘Wanneer Frankrijk zich verveelt…’ Frankrijk, betoogde hij, had zich afgekeerd van de problemen in Vietnam, Latijns-Amerika en Azië die de wereld op hun grondvesten deed trillen. Frankrijk leefde onder een vreedzame stolp van onwetendheid. ‘Het zijn hun problemen, niet de onze…’ Het Frankrijk van toen had een stabiele 
regering en de arbeiders, suf van het televisiekijken, gehoorzaamden de wet en de autoriteiten, net als de studenten. Bij de jeugd was de verveling voelbaar. ‘In Spanje, Italië, België, Algerije, Japan, Amerika, Egypte, Duitsland en Polen’, zo schreef de journalist van Le Monde, ‘protesteren de studenten, roeren ze zich. Maar in Frankrijk: vergeet het maar. Het enige waarover ze zich druk maken is of de meisjes op de campussen van Nanterre en Antony op de kamers van de jongens mogen komen.’ ‘Het probleem,’ zo concludeerde hij, was ‘dat je niks opbouwt zonder bevlogenheid.’ En zijn laatste zin was: ‘Uiteindelijk, en dat is gebleken, kun je ook doodgaan van verveling.’

    Het knappe van het artikel was dat de schrijver, zonder dat hij het wist, zijn vinger had gelegd op de symptomen van de opstand die op het punt stond uit te breken. De diagnose van de wereld van vandaag moet nog geschreven worden.

    Auteur: Marc Bassets
    Vertaler: Henriëtte Arons

    El País
    Spanje | dagblad | oplage 238.560

    Zes maanden na de dood van Franco opgericht. Prachtige tabloidkrant 
met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers.

  • 1. Macrons 
Thatcher-moment is aangebroken

    1. Macrons 
Thatcher-moment is aangebroken

    Na een vrij rimpelloos eerste jaar wacht de Franse president nu een beslissende slag met de vakbonden, schrijft het Britse weekblad The Spectator.

    De wittebroodsweken zijn voorbij voor Emmanuel Macron. Zijn eerste elf maanden als president gingen min of meer van een leien dakje, dankzij economische groei, internationale goedkeuring en museumopeningen in het Midden-Oosten. Maar de jonge president van Frankrijk maakt zich op voor maandenlange vijandigheden in zijn thuisland. ‘De uitputtingsslag’, kopte Le Parisien op 10 april. Naast deze grimmige tekst stond een foto van een van de vijanden van de president, een prominente figuur binnen de uiterst linkse vakbond CGT. Laurent Blum, de potige, baardige en oorlogszuchtige leider van de spoorwegafdeling van de bond, toonde zich onverzettelijk toen hij deze week een drie maanden durende spoorwegstaking afkondigde.

    Macron is even vastberaden als de stakers en lijkt ervan overtuigd dat hij als winnaar uit de bus zal komen. Tijdens het Paasweekend toonde de Franse televisie beelden van de president die in zijn auto stapte. ‘Geef niet toe aan de stakers!’ schreeuwde 
een voorbijganger. Een glimlachende Macron groette 
zijn medestander met een gebalde vuist en riep: ‘Maak u geen zorgen!’

    Zelfingenomen als altijd, toen nog. Maar misschien begint Macron toch wat nerveus te worden. Hij weet dat zijn reputatie op het spel staat, niet alleen in Frankrijk maar overal ter wereld. Stel je het gegrijns voor in Berlijn, het gegniffel in Londen, het teleur
gestelde hoofdschudden in Brussel als de president met zijn stoere praat even zwak blijkt te zijn als zijn voorgangers wanneer hij met massale stakingen wordt geconfronteerd.

    Stormenderhand

    Sinds zijn uitverkiezing heeft Macron de wereld 
stormenderhand veroverd. Hij heeft Trump, Poetin en Erdogan ontvangen, de spanningen tussen 
Libanon en Saoedi-Arabië helpen verminderen, het initiatief genomen om de stroom vluchtelingen van Noord-Afrika naar Italië in te dammen, Frankrijk weer op de kaart gezet als ‘soft power’ nummer 1 
van de wereld en het Parijse klimaatakkoord van 2015 nieuw leven ingeblazen na de terugtrekking van de VS.

    Dit alles was mogelijk doordat hij het thuisfront 
volledig domineerde. De wijdverbreide stakingen, afgelopen herfst, tegen de eerste fase van zijn 
economische hervormingen bloedden dood, en zijn politieke opponenten bleken al even ondoeltreffend, 
gedesoriënteerd als ze waren door de 
wanprestatie van hun partijen bij de verkiezingen van vorig jaar, toen Macron zijn opmerkelijke overwinning behaalde.

    Maar nu wordt de president geconfronteerd met vier uitdagingen die de komende vier jaar van zijn presidentschap zullen bepalen. De terugkeer van de islamistische terreur in Frankrijk heeft het land in opschudding gebracht en aangetoond dat zelfs stille binnenwateren niet veilig zijn voor 
de jihadisten. De recente aanslagen in Carcassonne en Trèbes, die vier mensen het leven kostten, waren ook een bewijs van datgene waarvoor de veiligheidsdiensten al maanden 
waarschuwden: dat de val van het 
IS-kalifaat geen eind zal maken aan het geweld in Europa. Eerder is het tegendeel het geval, nu de jihadisten in groten getale terugkeren, vastbesloten om de strijd hier voort te zetten.

    Een stakende spoorwegarbeider met een masker van Macron tijdens een betoging in Marseille op 13 april. – © Claude Paris / HH
    Een stakende spoorwegarbeider met een masker van Macron tijdens een betoging in Marseille op 13 april. – © Claude Paris / HH

    Voor veel Fransen is islamisme onverbrekelijk verbonden met immigratie – de tweede horde die Macron moet nemen – en met de overtuiging dat terroristen gemakkelijk hun land kunnen binnenkomen dankzij de slappe grenscontroles. In februari 
kondigde de regering plannen aan om illegale immigratie een halt toe te roepen en afgewezen asielzoekers 
versneld uit te zetten. Het wetsvoorstel, dat deze maand in het parlement zal worden behandeld, wordt door de meerderheid van de Fransen met open armen ontvangen, maar niet door sommige leden van Macrons eigen partij, La République En Marche. Het wetsvoorstel zal worden aangenomen, maar op het Franse bureau voor vluchtelingenbescherming wordt al gestaakt en antikapitalistische groeperingen kondigen demonstraties aan. Ook sommige kunstenaars laten zich niet onbetuigd, met voorop Jean-Marie Gustave Le Clézio, in 2008 winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur, 
die tekeergaat tegen Frankrijks ‘schandalige behandeling van migranten’.

    Handenwringende schrijvers zullen Macron geen zorgen baren, maar het derde probleem, het spoorwegpersoneel dat tot eind juni twee dagen per week het werk zal neerleggen, is angstaanjagender. Een van de hervormingsvoorstellen van de regering behelst het openstellen van het treinvervoer voor buitenlandse concurrenten en het 
verbeteren van een dienstverlening die de afgelopen jaren aanzienlijk aan kwaliteit heeft ingeboet. Daar kan de 46,6 miljard euro schuld van de SNCF nog bij worden opgeteld, een astronomisch bedrag dat deels zal worden 
verlaagd door het beëindigen van de geprivilegieerde status van spoorwegbeambten die al sinds 1909 bestaat en voorziet in levenslange baangarantie en pensionering op 50-jarige leeftijd voor machinisten en op 57-jarige 
leeftijd voor andere werknemers.

    De “Zadistes” zijn een symbool van verzet voor Franse beroepsdemonstranten, de anarchisten, milieuactivisten en antifascisten die snakken naar een gevecht met hun president

    Met steun van de CGT is het spoorwegpersoneel vastbesloten om vast te houden aan zijn rechten, maar Macron beschouwt de SNCF als de belichaming van verouderde arbeidspraktijken in 
de publieke sector. ‘We leven in een veranderende wereld,’ zei minister van Verkeer 
Élisabeth Borne onlangs. ‘Ook de SNCF moet veranderen om haar dienstverlening te verbeteren.’ Een 
peiling van een krant wees uit dat van de bijna 
honderdduizend respondenten slechts 28 procent achter de staking stond. Maar die krant was dan wel de centrum-rechtse Le Figaro. Veel mensen ter linkerzijde steunen de staking, en andere groepen met grieven, zoals studenten, Air France-medewerkers, werknemers van supermarkten en vuilnisophalers zullen in de nabije toekomst hun eigen stakingen of protestbetogingen organiseren.

    De vierde uitdaging voor Macron lijkt oppervlakkig bezien de minst problematische: wat moet er worden gedaan aan de driehonderd milieuactivisten die 1650 hectare moerasland bezet houden in Notre-Dame-des-Landes, in de buurt van Nantes? 
In januari wisten ze na een lange campagne de bouw van een vliegveld tegen te houden. De regering, die haar nederlaag erkende, droeg hun op het gebied uiterlijk 31 maart te verlaten. Die deadline is verstreken, maar een harde kern van rouwdouwers blijft zitten en heeft zich verschanst met behulp van 
tunnels en barricades met boobytraps. De politie zou hun verzet binnen enkele uren kunnen breken, maar de regering weet dat dat een lont in het kruitvat zou kunnen zijn. De ‘Zadistes’, zoals ze zichzelf noemen – naar zone à défendre, oftewel ZAD – zijn een symbool van verzet voor Franse beroepsdemonstranten, de anarchisten, milieuactivisten en antifascisten die snakken naar een gevecht met hun president.

    Leuze tijdens een anti-Macronbetoging in Parijs op 19 april. – © Julien Mattia / Getty Images
    Leuze tijdens een anti-Macronbetoging in Parijs op 19 april. – © Julien Mattia / Getty Images

    Frankrijk is dus niet alleen maar aan een uitputtingsslag begonnen, het is een slag tussen verschillende visies. Macron en zijn medestanders willen Frankrijk zo snel mogelijk ontdoen van zijn reputatie als land van werkschuwe stakers, de mensen die de president afgelopen september gedenkwaardig omschreef als fainéants (slampampers). Het was geen toeval dat op de dag dat de SNCF-staking begon, de regering bekendmaakte dat Frankrijk in 2017 een recordbedrag aan buitenlandse investeringen had binnengehaald, een stijging van 16 procent ten opzichte van het jaar daarvoor. De linkse krant Le Monde schreef dit toe aan het ‘Macron-effect’.

    Dit is het Frankrijk dat Macron voor zich ziet, de ‘start-upnatie’ die hij tijdens zijn presidentiële 
campagne van vorig jaar in het vooruitzicht stelde en die, naar hij hoopt, de knapste koppen ter wereld zal aantrekken. Hij wil van Parijs een post-Brexit-paradijs voor bankiers maken en heeft aangekondigd dat hij de komende vijf jaar 1,5 miljard euro zal investeren in een nieuw nationaal programma voor kunstmatige intelligentie dat met de Chinese en Amerikaanse programma’s moet wedijveren.

    Dat is een angstaanjagende visie voor miljoenen mannen en vrouwen die niet willen dat Frankrijk verandert, die de veiligheid en bescherming van de publieke sector koesteren. Maar Macron weet van geen wijken. Hij heeft zelfs de ouderen tegen zich in het harnas gejaagd door de belasting op pensioenen te verhogen om belastingverlaging voor werkenden mee te kunnen financieren. ‘Sommige mensen zullen klagen en het niet willen begrijpen, maar zo 
is Frankrijk nu eenmaal,’ zei hij eens.

    Veel gepensioneerden zullen tot de acht miljoen werknemers hebben behoord die vijftig jaar geleden, in mei 1968, een algemene staking hielden en de straat op gingen om te protesteren tegen het bewind van Charles de Gaulle, een president die ze als wereldvreemd en conservatief beschouwden. Een halve eeuw later wordt de man in het Elysée als te innovatief en ambitieus beschouwd, als een gevaarlijke jonge megalomaan die in de woorden van een socialistisch parlementslid ‘het beleid van Margaret Thatcher’ overneemt. Als Emmanuel Macron deze lente en zomer ongeschonden doorkomt, zal hij zich de ‘Iron Man’ mogen noemen.

    Auteurs: Gavin Mortimer en Luke Baker
    Vertaler: Peter Bergsma

    The Spectator 
    Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 73.791

    Springplank voor aspirant-parlementariërs. Opgericht in 1828 en nog altijd het kompas voor intellectuelen en conservatieve leiders. Sterke analyses, scherp van toon.

    THE WEEK

    ‘Heeft Frankrijk nu ook een Thatcher?’ vroeg het Britse weekblad The Week zich medio april op zijn voorpagina af. In een overzicht van de internationale pers waarschuwde het blad de Franse president: Macron wil duidelijk doorgaan voor een vastberaden hervormer, maar dan heeft hij er het grootste belang bij niet door de knieën te gaan voor de vakbond van het spoorwegpersoneel. Doet hij dat wel, dan brengt hij andere hervormingen in gevaar die nog veel belangrijker zijn.

  • Dossier: Eén jaar Macron

    Dossier: Eén jaar Macron

    De Franse president staat er goed op.

    Hij wist zijn eerste jaar zonder grote kleerscheuren door te komen, bouwde als enige Europese leider een goede band op met Donald Trump en toonde zich een militaire leider door in te grijpen in Syrië. De vraag is nu: kan hij zijn succes doortrekken bij zijn confrontaties met de vakbonden in eigen land en bij de Europese verkiezingen van 2019?  

    1. Macrons 
Thatcher-moment is aangebroken

    2. Stilte voor de storm?

    3. Trumps beste vriend in Europa

    4. En Marche! komt 
naar je toe deze zomer

    5. De president als krijgsheer

    6. Drie vragen aan…

    7. Tijdslijn

    Beeld: Emmanuel Macron loopt na zijn inhuldiging in 2017 naar de Arc de Triomphe, om een krans te leggen bij het graf van de onbekende soldaat. – © Alain Jocard / AFP PHOTO

  • Frankrijk: 1968 of 1984?

    Frankrijk: 1968 of 1984?

    Het zal u niet ontgaan zijn: Emmanuel Macron is een jaar in functie. Ook 360 doet mee aan de kalenderjournalistiek en brengt u in dit nummer een kloek dossier vol stukken over 
de Franse president.

    Een van de interessantste daarvan komt uit de Spaanse krant El País. De auteur heeft de knipselmap erbij gepakt en duikelde daar een beroemde analyse op van de Franse journalist Pierre Viansson-Ponté (1920-1979). Die schreef in maart 1968 in een voorpaginastuk in Le Monde dat Frankrijk was ‘weggezonken in lethargie en verveling’. Het was een welvarend land, zonder oorlogen, zonder politieke spanningen, zonder sociale conflicten. De Franse studenten? Zij misten in tegenstelling tot hun leeftijdgenoten in andere landen bevlogenheid. Zes weken later brak Mei ’68 aan. Tien miljoen Franse studenten en arbeiders gingen de straat op, legden het land plat en wierpen bijna de regering omver.

    Zou zoiets nu weer kunnen gebeuren? vraagt de auteur van het El País -verhaal zich af. Dat we het niet doorhebben, maar dat er onder de oppervlakte een opstand sluimert? Volgens sommige linkse Franse politici en analisten zijn er tekenen 
die daarop wijzen. Kijk naar de ook in Frankrijk zeer populaire #MeToo-beweging, zeggen zij. En naar de spoorwegstakingen. Of neem de recente studentenprotesten tegen de veranderingen in het Franse baccalaureaat. Macrons linkse concurrent Mélenchon, nooit te beroerd om hem weg te zetten als een president voor de rijken, sprak onlangs zelfs hardop over een nieuw Mei ’68. ‘Tegen degenen die zeggen dat ik droom, zeg ik dat ik liever mijn droom heb dan de nachtmerries die ik om me heen zie.’

    Het kan zomaar zijn dat we helemaal geen linkse opstand krijgen, dat Macron zijn confrontatie met de vakbonden wint en daarmee zijn Margaret Thatcher-moment beleeft

    Maar anderen geven de linkse krachten weinig kans. Het zijn de verliezers van de verkiezingen die nu vergeefs revanche proberen te nemen, zo klinkt het. Ook de culturele omstandigheden lijken niet te vergelijken. Macron mag dan volgens velen autoritaire trekjes hebben, een vergelijking tussen deze tijd en het repressieve tijdperk-De Gaulle gaat volledig mank.

    Het kan ook dus zomaar zijn dat we helemaal geen linkse opstand krijgen, dat Macron zijn confrontatie met de vakbonden wint en daarmee zijn Margaret Thatcher-moment beleeft. Dan zijn we niet in 1968, maar in 1984.

    Macron zei er zelf ook wat over in een recent interview 
met La Nouvelle Revue française, dat hem ondervroeg over zijn literaire voorkeuren (Gide, Camus, Colette). Volgens Macron was Mei ’68 ‘een gebeurtenis uit een andere tijd. Het was eenmalig, het is voorbij’. Over 1984 liet hij zich niet uit.

    Han Ceelen
    ceelen@360international.nl

    Beeld: Een Parijse demonstrant ligt op de grond tijdens clashes met de politie in mei 1968. – © HH

  • 6. Drie vragen aan…

    6. Drie vragen aan…

    Kenners aan het woord over de president.

    … 
Adam Sage, 
correspondent in Parijs van de Britse krant The Times

    ‘Een door en door Franse president’

    Welke conclusies trekt u uit het eerste jaar van Macron?
    ‘Macron is vooral een door en door Franse president, hij vertegenwoordigt niet de nieuwe wereld. In veel opzichten staat hij voor de continuïteit van de Franse naoorlogse politiek. Maar daarbij moet worden gezegd dat hij redelijk efficiënt en competent is, en dat hij bovendien al tijdens zijn verkiezingscampagne had aangekondigd wat hij nu in de praktijk brengt.’

    Heeft hij u verrast?
    ‘Wat mij verrast is zijn sterke vermogen om de zaken voor te stellen zoals de toehoorder ze graag zou vernemen. Als hij voor de buitenlandse pers spreekt, slaagt hij erin zich voor te doen als een leider die Frankrijk gaat hervormen in een richting die vooral op prijs wordt gesteld door niet-Fransen.’

    Op welk onderdeel van de hervormingen is hij het meest markant?
    ‘Hij heeft vooral indruk gemaakt op het internationale toneel, waar hij een onbekende was zonder enige ervaring. Desondanks heeft hij daar werkelijke invloed gekregen, met name door Donald Trump uit te nodigen voor de Franse nationale feestdag, de Quatorze Juillet. Dat was geniaal. Macron stak Trump in zijn zak, zonder enige protestdemonstratie in Parijs.

    Bij zijn bezoek aan het Verenigd Koninkrijk in januari was zijn optreden ook heel sterk, hoewel de sfeer gespannen was, met het oog op Calais en de Brexit. Met het aanbod om het Tapijt van Bayeux in Londen tentoon te stellen, effende hij het pad. Hij kreeg een fantastisch onthaal en gaf een interview aan de BBC dat iedereen geweldig vond. Alle Britten moeten hebben verzucht: “Hadden wij maar zo’n politicus…”’


    1. Adam Sage; 2. Rickard Werly; 3. Pablo Levi.
    1. Adam Sage; 2. Rickard Werly; 3. Pablo Levi.

    … Richard Werly, 
correspondent in Parijs van de Zwitserse krant Le Temps.

    ‘Macron belichaamt Frankrijk’

    Wat vindt u het meest opvallend aan het eerste jaar Macron?
    ‘De radicale verandering van stijl: Macron wil vooral niet op zijn voorganger Hollande lijken. Hij wil de man van de hervormingen zijn. Zo bezien doet hij het goed. Hij heeft het idee dat Frankrijk moet veranderen geloofwaardig gemaakt. De eerste tegenvaller: Macron wil hervormen, maar de Fransen niet. Tweede tegenvaller: Europa. Even was er hoop met zijn verkiezing, maar sindsdien wijst alles de andere kant op: de verkiezingen in Italië, Catalonië, de herverkiezing van Viktor Orbán… Macron blijft een eenling met tegenwind.’

    Waar komt het onbegrip tussen hem en de Fransen vandaan?
    ‘Het is vreemd om Macron nu te verwijten dat hij te snel gaat: hij had dat in de campagne duidelijk aangekondigd. Mij treft desondanks zijn onbuigzaamheid, zoals in het conflict met de spoorwegen. Je kunt geen hervormingen doorvoeren door je als een heerser te gedragen. Macron moet het debat aangaan.’

    Welke rol heeft hij ingeruimd voor de Franse diplomatie?
    ‘Er is een verschil tussen het Franse imago en de resultaten op diplomatiek niveau. Het imago is een doorslaand succes: met zijn aanval op Donald Trump inzake het klimaat belichaamde Macron Frankrijk, zijn rede in Davos trok veel aandacht, de ontmoeting van Poetin in Versailles was ook zeer geslaagd. Het probleem is dat diplomatie berust op het vermogen mee te tellen op momenten van crisis. Heeft Macron op klimaatgebied echt een sterke coalitie tegen Trump weten te smeden? Heeft hij in Syrië inderdaad een ombuiging bewerkstelligd? Je krijgt de indruk dat Rusland en Iran aan het langste eind trekken.’

    Dit is een man van amper veertig, die is opgegroeid met Erasmus en in wie de Europese waarden vast verankerd zijn

    … Pablo Levi, correspondent in Parijs van 
het Italiaanse persbureau Ansa.

    Onder de maat als ‘het land van de mensenrechten’

    Is Frankrijk in een jaar tijd veranderd?
    ‘Vrijwel onmiddellijk na het aantreden van Emmanuel Macron deed zich een Copericaanse revolutie van de arbeidsmarkt voor. Er was een “zwarte herfst” van protestdemonstraties aangekondigd, maar de hervormingen verliepen gladjes. Dat prikkelde Macron om het met het staatsspoorbedrijf SNCF nogmaals te proberen. Maar de wittebroodsweken waren voorbij, het sociale gemor stak de kop weer op en men herkende Frankrijk weer.’

    Wat vindt u van de Europese ambities van de president?
    ‘Daaruit spreekt een waanzinnige wilskracht en een grote oprechtheid. Dit is een man van amper veertig, die is opgegroeid met Erasmus en in wie de Europese waarden vast verankerd zijn. Helaas heeft hij een koude douche gekregen: men kan Europa niet in z’n eentje tot stand brengen. Of het nu Duitsland betreft met het lange en pijnlijke proces bij de vorming van een nieuwe regering, of Italië, waar de verkiezingen werden gewonnen door de populisten: Frankrijks bondgenoten lieten het vooralsnog afweten.’

    Heeft Macron u op een speciaal punt teleurgesteld?
    ‘Frankrijk blijft onder de maat als “het land van de universele mensenrechten”, een titel die het zichzelf heeft toegekend. De mooie woorden van de president over humanisme worden door de feiten niet ondersteund. In de bergen tussen Italië en Frankrijk steken vluchtelingen onder barre omstandigheden de grens over. Er zijn doden bij gevallen. Dat is “het land van de mensenrechten” onwaardig.’

  • Westen bekritiseert wetswijziging Xi Jinping

    Westen bekritiseert wetswijziging Xi Jinping

    Het Westen heeft hem verwelkomd, gevoed, opgeleid en gefinancierd, in de hoop een stuk van de Chinese markt te veroveren. Met de komst van keizer Xi realiseert het Westen zich, zij het een beetje laat, dat het een tijger aan de borst heeft gedrukt.

    Sinds Xi Jinping te kennen heeft gegeven dat hij de grondwet wilde wijzigen om voor onbeperkte tijd ‘keizer Xi’ te kunnen blijven, is de Chinese bevolking verontwaardigd zonder dat openlijk te durven uiten. Men ziet zich gedwongen zijn woede in te slikken en te accepteren dat de officiële pers deze ‘restauratie’, het in ere herstellen van het keizerschap, van harte onderschrijft. De internationale media daarentegen nemen geen blad voor de mond om deze maatregel te bekritiseren. De felste kritiek is waarschijnlijk afkomstig van The Economist. Het Britse blad herinnert in een hoofdartikel allereerst aan alle moeite die de westerse landen zich de afgelopen tien jaar hebben getroost om China onderdeel te laten worden van het globale politieke en economische systeem. Door Beijing te helpen bij zijn hervormingsbeleid en zijn pogingen zich meer open te stellen voor de buitenwereld, zo vervolgt het artikel, is het Westen een verkeerde weg ingeslagen, omdat het daarmee een monster heeft gecreëerd dat zijn greep op de samenleving onophoudelijk verstevigt en westerse beschavingswaarden als economische vrijheid, openheid en respect voor de mensenrechten opnieuw ter discussie stelt.

    Wolf tussen schapen

    Het verwijt dat men, zoals The Economist het uitdrukt, ‘een wolf tussen de schapen heeft gezet’, dekt misschien niet helemaal de lading, maar het scheelt niet veel. Ook al gaat het om een westers gezichtspunt, helemaal ongegrond is het niet. Toen Deng Xiaoping in 1979 zijn hervormingsbeleid lanceerde en naar meer openheid streefde, begaf hij zich allereerst naar de Verenigde Staten om contact te leggen met de Amerikaanse leiders; op die manier wilde hij zijn land gemakkelijker laten integreren in het internationale economische systeem dat werd gedomineerd door het Westen om zo de technologie, het kapitaal, de managementmethodes en de toegang tot de gigantische buitenlandse markt te verwerven waar China zo dringend behoefte aan had. Dat het Westen, en met name de VS, zich bereid toonde China te helpen zich open te stellen voor de markteconomie, was allereerst bedoeld om tegenwicht te bieden aan de invloed van de Sovjet-Unie en zowel het Westen als het Oosten onder druk te zetten.

    Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie en het Oostblok begin jaren negentig hoopte het Westen, met de Verenigde Staten voorop, op een vreedzame ontwikkeling in China. Men rekende erop dat dankzij de nieuwe middenklasse, ontstaan als gevolg van de markthervormingen, China het communistische bestel zou inruilen voor een liberale markteconomie en politieke liberalisering. Om die reden ondersteunde het Westen krachtig de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie (WHO), waardoor de Chinese export een hoge vlucht heeft genomen. Als het westerse kamp de Chinese toetreding tot de WHO zou hebben belet, zou het land veel meer moeite hebben gehad om de ‘werkplaats’ van de wereld te worden.

    Maar de grote westerse mogendheden hebben de snelheid van de ontwikkelingen in China onderschat, evenals de diepe politieke en sociale verankering van het autoritaire regime. De eerste jaren na zijn aansluiting bij de WHO 
(in 2001) respecteerde China als een gehoorzaam kind de internationale regels; het liet multinationals toe tot zijn binnenlandse markt zonder ze al te veel te dwarsbomen. Kortom, China was nog van zins een ‘goede leerling’ van het Westen te zijn en de voordelen van verwestersing en universele waarden te onderschrijven’.

    Maar sinds China zich als redder van ontwikkelingslanden heeft ontpopt en van internationale financiële instellingen die waren getroffen door de bancaire tsunami van 2007, is de situatie drastisch veranderd. China is zijn plaats in de economische en politieke wereldorde gaan opeisen, wat het 
land met name meer stemrecht in het Internationaal Monetair Fonds heeft opgeleverd en de mogelijkheid om daarvoor mensen te nomineren. Sinds 2012, toen Xi Jinping aan de macht kwam, probeert China niet langer een plaats in de bestaande orde te bemachtigen, maar die orde juist omver te werpen en het evenwicht tussen de bestaande machten te veranderen, 
met de bedoeling daarvoor een andere grondslag te leggen.

    Het Chinese parlement stemt over de historische wetswijziging. – 
© Getty Images
    Het Chinese parlement stemt over de historische wetswijziging. – 
© Getty Images

    De oprichting in 2001 van de Sjanghai-samenwerkingsorganisatie, die met name Rusland en diverse Centraal-Aziatische landen verenigt, was voor Beijing slechts een voorgerecht. Rond China gestructureerde projecten als de in 2013 gelanceerde implementatieplan OBOR (One Belt, One Road), dat moet voorzien in een nieuwe ‘zijderoute’, vormen de werkelijke uitdaging. Het beleid om zijn binnenlandse markt wijdopen te stellen voor buitenlandse bedrijven heeft het land snel laten varen; inmiddels worden aan die bedrijven steeds meer beperkingen opgelegd en moeten ze zich conformeren aan de regels van de Chinese overheid, op straffe van een boete of uitsluiting van de Chinese markt. Ook de beloofde openstelling van zijn financiële markten laat nog steeds op zich wachten; de greep van de regering en de Partij daarop is juist sterker dan ooit.

    Politiek gezien staat het er nog slechter voor. Het op hervormingen en meer openheid gerichte beleid uit de jaren tachtig had de weg gebaand voor buitenlandse ideeën. In geletterde en universitaire kringen kon redelijk vrij worden gedebatteerd zonder dat men bang hoefde te zijn voor repercussies. Binnen de Partij konden hervormers en afwijkende stemmen zich nog laten horen. De oppositie en apolitieke verdedigers van de mensenrechten, die met name tegen de speculatieve praktijken en de corruptie van plaatselijke leiders streden, werden nog getolereerd; ook maatschappelijke organisaties konden in een grijs gebied hun activiteiten ontplooien zonder door de regering in de ban te worden gedaan.

    The Economist betreurt dus terecht, zonder dat met zo veel woorden te zeggen, dat het Westen een wolf (in 
dit geval een tijger) tussen de schapen heeft gezet

    De afgelopen vijf jaar, sinds Xi Jinping aan de macht is, kenmerken zich door een ernstige politieke teruggang: de sfeer van openheid en pluralisme is een halt toegeroepen; dissidenten hebben het zwaarder te verduren dan ooit; reformistische of progressieve stemmen binnen de Partij is het zwijgen opgelegd, want iedereen dient zich 
aan de richtlijnen te houden van het Centraal Comité, oftewel ‘keizer Xi’. 
Op de universiteiten kan niet langer vrijelijk over politieke kwesties worden gedebatteerd; universele waarden zoals mensenrechten, vrijheid en democratie zijn inmiddels taboe. Wie daar nog aan refereert dreigt ontheven te worden van zijn functie als docent en zelfs in de gevangenis te belanden.
    Ondanks alle goede zorgen waarmee het China tientallen jaren heeft omringd blijkt het Westen uiteindelijk alleen maar een ‘kwaadaardige tijger’ te hebben gevoed die vrije concurrentie en politieke openheid de rug toekeert. Diezelfde tijger begint zich zelfs op te werpen als een alternatief voor de westerse waarden door overal op de wereld zijn ‘soft power’ uit te oefenen. The Economist betreurt dus terecht, zonder dat met zo veel woorden te zeggen, dat het Westen een wolf (in 
dit geval een tijger) tussen de schapen heeft gezet. Het probleem is dat die ‘kwaadaardige tijger’ springlevend is, en helemaal volwassen, met zijn scherpe klauwen en zijn puntige hoektanden die blinken dat het een aard heeft. Het Westen kan niet meer betreuren dat het hem heeft gevoed, en als het nog denkt hem tot economische en politieke liberalisering te kunnen verleiden, is dat een volstrekte illusie.

    Auteur: Lu Feng

    Apple Daily
    China | oplage 200.000

    Krant uit Hongkong die in 1995 werd opgericht. Staat bekend om zijn anti-regeringskoers, maar ook om zijn sensationele verslaggeving.

    CONTEXT I: Een nieuwe grootinquisiteur

    Het Chinese parlement, in Beijing bijeen voor zijn jaarvergadering, heeft niet alleen elke wettelijke grens overschreden door het presidentiële mandaat te vernieuwen en Xi Jinping absolute macht te verschaffen, maar ook een verstrekkende reorganisatie van de regeringsorganen in gang gezet. Minder ministeries en meer concentratie van bevoegdheden, dat lijkt het belangrijkste argument voor deze reorganisatie te zijn. Vijftien ministeries en staatssecretariaten verdwijnen. Diverse daarvan zijn in een superministerie van Ecologie en Milieu ondergebracht en er is een ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen gecreëerd, dat de beslissing over het toewijzen van hulpbronnen voortaan in handen van lokale overheden zal leggen, aldus webzine The Diplomat. Ook wordt een nieuw anticorruptieorgaan in het leven geroepen dat meer macht zal krijgen dan politie en justitie.

    CONTEXT II: Machtig anticorruptieorgaan

    Het is vooral de oprichting van een ‘Nationale Toezichtscommissie’, belast met de strijd tegen corruptie, die de aandacht van commentatoren trekt en zelfs tot enkele kritische opmerkingen in juridische kringen leidt. De Toezichtscommissie, die rechtstreeks onder de regering ressorteert en hoger in hiërarchie is dan het opperste volksparket en volkstribunaal, zal worden geregeld bij een wet die werd bekrachtigd op 20 maart, de sluitingsdag van de parlementszitting. Ze zal de strijd tegen corruptie, die in 2012 door Xi Jinping in gang is gezet, naar een hoger plan tillen. Deze strijd, die tot dusver onder de verantwoordelijkheid van de Disciplinaire Commissie van de Communistische Partij viel, heeft sinds 2012 al tot het ontslag 
van tientallen hoge functionarissen geleid en tot sancties tegen honderdduizenden ambtenaren.

    CONTEXT III: De openbare diensten als mikpunt

    De interne disciplinaire Partijcampagne, die in de ernstigste gevallen tot gerechtelijke vervolging heeft geleid, was echter ‘beperkt’ tot Partijleden. De nieuwe commissie zal ook naar anderen een onderzoek kunnen instellen: ‘ambtenaren, leidinggevenden van staatsbedrijven, scholen en medische instellingen, plaatselijke bestuurders, kortom iedereen die een openbare functie vervult’, aldus het Singaporese dagblad Lianhe Zaobao. Bovendien zal de nieuwe wet de commissie de bevoegdheid verlenen mensen gevangen te zetten. ‘Mensen die ervan worden verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan ernstige misdrijven of nalatigheden in de uitoefening van hun beroep, en bij wie de mogelijkheid bestaat dat ze vluchten of zelfmoord plegen, kunnen voor de duur van maximaal zes maanden in hechtenis worden genomen.’

    De instelling van deze nieuwe vorm van hechtenis hangende een onderzoek is een manier om een praktijk te wettigen die al bestond maar tot nu toe in een grijze zone verkeerde, schrijft de South China Morning Post.

    CONTEXT IV: Ongerustheid over het recht der verdediging

    Ook al is hun de afgelopen jaren door de steeds zwaardere repressie het zwijgen opgelegd, juristen die opkomen voor de mensenrechten blijven kritiek uiten op het detentiesysteem dat buiten ieder juridisch kader wordt gehanteerd. Het wetsontwerp inzake het toezicht voorziet in maatregelen die de rechten van verdachten garanderen, maar juristen zijn van mening dat deze maatregelen tekortschieten. Zo zou het wetsontwerp niet voorzien in het recht van verdediging in de aanwezigheid van een advocaat bij het verhoor van iemand naar wie een onderzoek wordt ingesteld.

    CONTEXT V: Anoniem gedicht

    anoniem gedicht

    Ik ben tegen
    Ik ben tegen de noordenwind
    Ik ben tegen de smog
    Ik ben tegen de bedekte en regenachtige ochtenden
    Ik ben tegen de sombere en decadente schemer
    Ik ben tegen de ontregelde jaargetijden
    Ik ben tegen de door elkaar gegooide uren
    Ik ben tegen de gordijnen voor de ramen, tegen de ijzeren deuren
    En die hoge muren
    Ik ben tegen de gecementeerde wegen waar geen bloem of boom kan groeien
    Ik ben tegen de vijvers die zwanen gevangenhouden
    En het prikkeldraad dat ze omgeeft
    Tegen de schoenen die om de voeten knellen
    En de uniforme kleur van hun leer
    Ik ben tegen de mannen die hun vrouwen slaan
    Ik ben tegen de ouders die hun kinderen mishandelen
    Ik ben tegen de kille en plotselinge scheidingen
    Ik ben tegen het verraad
    Ik ben tegen de ondankbaarheid
    Ik ben tegen het voldane gelach
    Ik ben tegen de doordringende kreten
    Ik ben tegen de machteloze snikken
    Ik ben tegen de afstotelijke gezichten
    En die vulgaire liederen die uit hun mond komen
    Ik ben tegen de wind die die liederen verspreidt
    Ik ben tegen het gras dat door de wind wordt platgedrukt
    Ik ben ook tegen mezelf
    Ik ben tegen mijn onbeholpenheid, mijn hebzucht en mijn lafheid
    Maar ik ben niet tegen het schrijven van dit gedicht
    Waarin ik zeg dat ik tegen ben
    Ik ben tegen het geschreeuw van de wereld
    Ik ben tegen de geveinsde kalmte
    Ik ben tegen de grandiositeit
    Ik ben tegen de onderdrukking ervan
    Ik ben tegen de gecensureerde waarheid
    Ik ben tegen de pure onnozelheid
    Ik ben tegen de volgende dagen die zingen
    Ik wil maar één ding: dat jullie samen met mij heel hard roepen
    ‘Ik ben tegen!’

    Ondanks de censuur proberen Chinese internetgebruikers in het geweer te komen tegen de ‘zelfbenoeming’ van keizer Xi. Dit anonieme gedicht heeft veelvuldig gecirculeerd.

  • 3. Stem nee bij het referendum

    3. Stem nee bij het referendum

    Wanneer het volk de autoritaire volmacht van president Erdogan legitimeert, betekent dat een afscheid van de Turkse rechtsstaat, aldus intellectueel Ahmet Insel.

    In de nieuwe grondwetstekst die de regering op 16 april via een referendum [zie kader beneden] wil laten bekrachtigen, krijgt de president van de republiek drie petten op, die van staatshoofd, die van regeringsleider en die van leider van de meerderheidspartij, zodat er een autocratisch regime zal ontstaan waarin de belangen van de meerderheidspartij en de staat op één hoop worden gegooid. De uitkomst van dit referendum hangt af van de stem van de kiezers van de AKP en haar belangrijkste bondgenoot, de extreemrechtse, anti-Koerdische MHP.

    Beseffen deze kiezers wel welke dreiging deze grondwetsherziening inhoudt? Er wordt gediscussieerd over de vraag of die alleen maar afschaffing van het parlementaire stelsel betekent of een verandering van het politieke systeem, maar daar gaat het niet om. Door al onze politieke macht en instellingen in de handen van één man te leggen, Recep Tayyip Erdogan, brengen we niet alleen de politieke en culturele toekomst van ons land in gevaar, maar ook de economische, wat de onzekerheid en instabiliteit die gepaard gaan met een despotisch en arbitrair bewind ernstig zal doen toenemen. Daar kunnen we in de maanden die ons nog scheiden van het referendum niet genoeg op hameren.

    Hoe verdedig je de rechtsstaat tegen een man die als leider van de staat en de partij alle macht zou hebben om leden van de hoogste rechtsinstanties te benoemen?

    De discussie gaat veel verder dan de intenties of kwaliteiten van de man aan wie we alle teugels van de macht in handen gaan geven. Iedereen, zowel voor- als tegenstanders, zou zijn overgeleverd aan de genade van een regering met steeds meer despotische, gecentraliseerde en arbitraire trekken. Rechtszekerheid en vrijheid zouden op losse schroeven komen te staan. Hoe verdedig je de rechtsstaat tegen een man die als leider van de staat en de partij alle macht zou hebben om leden van de hoogste rechtsinstanties te benoemen? Welke garanties biedt een systeem dat het nationale parlement tot een rompparlement degradeert?

    Turkije heeft al heel wat bittere ervaringen opgedaan met extreme machtsconcentraties en de gevolgen daarvan voor de publieke vrijheid, lees de dissidenten, of het nu gaat om de nadagen van een staatsgreep, een eenpartijstaat of een regerende meerderheidspartij. Allemaal formuleren ze hun grieven op grond van hun ideologische voorkeuren, zodat het scenario altijd hetzelfde blijft: een steeds autoritairder regime dat berust op onrechtvaardigheid en onderdrukking. Elke keer wordt alle macht in de handen van één enkele persoon gelegd. Dat deze ontwikkeling de zegen van het volk heeft maakt haar niet minder rampzalig; de tekst die in het referendum wordt voorgelegd is het zoveelste voorbeeld van deze autoritaire ontsporing die onze geschiedenis kenmerkt.

    Demonstranten bij een bijeenkomst in Keulen van Erdogans AKP, begin maart. Herhaaldelijk probeerden Turkse politici de meer dan een miljoen in Duitsland wonende Turken ervan te overtuigen 'ja' te stemmen op het referendum. –  © Lukas Schulze / Getty
    Demonstranten bij een bijeenkomst in Keulen van Erdogans AKP, begin maart. Herhaaldelijk probeerden Turkse politici de meer dan een miljoen in Duitsland wonende Turken ervan te overtuigen ‘ja’ te stemmen op het referendum. – © Lukas Schulze / Getty

    Dat de AKP bij de verkiezingen op 7 juni 2015 haar absolute meerderheid verloor kwam doordat een deel van het electoraat, verontrust door de manier waarop Erdogan de partij naar zijn hand zette en de campagne inzet maakte van de regimeverandering die hij voorstond, liever op een andere partij stemde of zich van stemming onthield. De oproep om te voorkomen dat Erdogan de absolute leider werd vond gehoor. We kennen het vervolg: door vijf maanden later vervroegde verkiezingen uit te schrijven is de AKP erin geslaagd de verloren stemmen terug te winnen.

    De huidige situatie in Turkije is veel erger dan die tijdens de lente en zomer van 2015, te meer omdat de noodtoestand de regering de macht geeft rechten en vrijheden naar hartenlust in te perken. Het zal dan ook veel moeilijker zijn om AKP– of MHP-kiezers ervan te overtuigen dat ze tegen de grondwetsherziening moeten stemmen. Op de schouders van de nee-stemmers rust een zware verantwoordelijkheid. Ze moeten de aanhangers van de AKP en de MHP duidelijk maken dat zelfs degenen die in een goed blaadje bij de machthebbers staan onder de overwinning van het ja zullen lijden. Laten we niet bang zijn om een les uit onze gemeenschappelijke geschiedenis te trekken.

    Auteur: Ahmet Insel
    Vertaler: Peter Bergsma

    CONTEXT: Wat staat er op het spel op 16 april?

    Sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog is Turkije altijd bestuurd door een parlementair stelsel. De echte macht berustte bij de premier, de leider van de parlementaire meerderheid. De president had een symbolische rol als hoeder van de instituties. Maar sinds Erdogan, premier van 2003 tot 2014, zich tot president heeft laten verkiezen dringt zijn partij AKP aan op een herziening van dit systeem, zodat het staatshoofd een grotere rol krijgt.

    Op 16 april wordt er een referendum gehouden over een tekst waarin een grondwetsherziening wordt voorgesteld. Doel is om het land onder presidentieel bestuur te brengen. Voorstanders van de nieuwe grondwet, die de rol van de premier inperkt en de president de uitvoerende macht geeft, hopen dat daarmee in de toekomst de institutionele impasses worden voorkomen die het land tijdens de coalitieregeringen heeft gekend, met name aan het eind van de jaren negentig. Tegenstanders vrezen dat het plan, waarin de rol van het parlement wordt gemarginaliseerd en de president alle uitvoerende macht krijgt en kan ingrijpen in juridische aangelegenheden, zal uitdraaien op een totalitair regime.

  • De ontheiliging van 
het Franse presidentschap

    De ontheiliging van 
het Franse presidentschap

    Dat François Hollande zich heeft teruggetrokken als presidentskandidaat is ongekend sinds het begin van de Vijfde Republiek, maar past wel in de afkalving van het ambt, schrijft commentator Alain Duhamel.

    Normale presidenten bestaan niet meer, en een gelukkig presidentschap evenmin. François Hollande heeft ernstig, weemoedig en waardig aangekondigd af te zien van een tweede termijn. Hij had geen keus, maar hij pakte het goed aan. Met deze vernedering, die respect afdwong, wilde hij ook het verzwakte presidentschap beschermen.

    Twee keer eerder kreeg een zittende president – eerst Valéry Giscard d’Estaing en later Nicolas Sarkozy – geen tweede termijn, een bewijs van de verzwakking van het instituut. François Hollande, wiens kandidatuur bij de eerste ronde al geen vanzelfsprekendheid was, wilde niet het risico lopen dat hij door zijn eigen sympathisanten werd afgewezen. Deze ongekende situatie toont aan dat in de Vijfde Republiek, die nu juist was bedoeld om het primaat van de uitvoerende macht te herstellen, het presidentschap ontheiligd is.

    Aan de kaak gesteld

    Dat presidentschap was sinds 1958 niet alleen de hoeksteen van de Franse instituties, maar ook het dwangmatige middelpunt van het politieke leven. Een president van de Vijfde Republiek beschikt over meer macht en privileges dan enig ander democratisch gekozen staatshoofd. Het is dus de Franse specificiteit die momenteel wankelt.

    De burgers houden terecht vast aan hun grote democratische macht, die erin bestaat dat ze zelf hun president kiezen. De keuze voor een president is daarmee elke vijf jaar de grondslag van de Franse democratie. Maar tegelijkertijd wordt de macht van de republikeinse monarch die door het soevereine volk is gekozen voortdurend aan de kaak gesteld. Sinds Georges Pompidou heeft elke president ofwel een coalitie moeten sluiten (François Mitterand en Jacques Chirac), en dus een groot deel van zijn macht uit handen moeten geven, of hij is er niet in geslaagd een tweede termijn te vervullen (Valéry Giscard d’Estaing en Nicolas Sarkozy) of heeft zelfs van een poging daartoe moeten afzien (François Hollande).

    Nicolas Sarkozy (l.), toen nog burgemeester van Neuilly, en premier Jacques Chirac in 1986. – © HH
    Nicolas Sarkozy (l.), toen nog burgemeester van Neuilly, en premier Jacques Chirac in 1986. – © HH

    Dat de Fransen dol zijn op hun presidentiële instituut, weerhoudt hen er niet van om hun president genadeloos af te straffen. Daarmee wordt het verketteren van de gekozen president een nationaal ritueel. De democratie van de Vijfde Republiek bestaat uit het kiezen en vervolgens afbranden van de gekozen leider. De Fransen blijven monarchistische koningsmoordenaars of bonapartisten die in opstand komen tegen de keizer.

    Dit heeft, zoals in alle democratieën, duidelijk te maken met de crises die zich al meer dan veertig jaar aaneenrijgen en die door regeringen niet of nauwelijks bedwongen kunnen worden. Het wordt nog versterkt door de extreme verpersoonlijking van het presidentiële systeem die door de dagelijkse informatiestroom wordt gevoed en waarmee de sociale netwerken nietsontziend de vloer aanvegen.

    De macht van de president is nog nooit zo zichtbaar en tegelijkertijd zo omstreden geweest. De vijfjarige ambtstermijn heeft dit proces alleen maar verergerd. Door de beknotting van het politieke leven en de druk om zich na twee of drie jaar presidentschap alweer tot een toekomstige kandidaat te transformeren, is het staatshoofd een deerniswekkend mikpunt geworden dat weldra uitgroeit tot een zondebok. De hypergemediatiseerde vijfjarige ambtstermijn is een roofdier, temeer omdat de nog maar nauwelijks gekozen president zich al snel in een minderheidspositie bevindt als gevolg van stemonthouding en snelle afbraak van de parlementaire meerderheid, die leidt tot oppositionele sabotage. Het Franse presidentschap is een monument dat met verwoesting wordt bedreigd.

    Nicolas Sarkozy sloeg op hol, François Hollande liet alles op zijn beloop. De een was veel te autoritair, de ander veel te weinig

    Maar ook de laatste presidenten zelf zijn hiervoor verantwoordelijk geweest. Jacques Chirac verzuimde de republiek te verenigen na zijn overwinning op Jean-Marie Le Pen. Nicolas Sarkozy, zo energiek tijdens crises, spreidde een deplorabele stijl en een pathologische alomtegenwoordigheid tentoon terwijl François Hollande, zodra hij het Palais de l’Elysée betrad, zich juist omgekeerd gedroeg, tot in het extreme. Nicolas Sarkozy communiceerde veel te veel, zijn opvolger vermeed iedere vorm van communicatie. Behalve bij dramatische gebeurtenissen (aanslagen, militaire initiatieven) heeft hij zich wars getoond van theater. Geen sterke symbolen, geen spectaculaire gebaren, geen grootse, principiële toespraken à la Mitterand, terwijl hij een uitstekende spreker kan zijn. Nooit een duidelijke politieke lijn, terwijl het hem in kleine kring niet aan scherpzinnigheid of coherentie ontbrak. Maar in het openbaar was het een en al wolligheid, contradicties en getalm. Alles wat hij goed deed werd op slag onzichtbaar, en alles wat hij verkeerd deed te zichtbaar. Nicolas Sarkozy sloeg op hol, François Hollande liet alles op zijn beloop. De een was veel te autoritair, de ander veel te weinig.

    Een zevenjarige ambtstermijn lijkt dus een veel redelijker keuze dan een vijfjarige. Maar één wezenlijk feit blijft: een rechtstreeks gekozen president moet de belichaming zijn van de macht, een krachtige lijn uitzetten en zich zo coherent mogelijk tonen tussen de verovering en de uitoefening van zijn ambt. Een utopie?

    Auteur: Alain Duhamel

    Libération
    Frankrijk | dagblad | oplage 151.000

    ‘Libé’ werd in 1973 opgericht door o.a. Sartre n.a.v. de studentenrevolte van mei 1986 tegen kapitalisme, consumisme en traditionele instituties.

  • 4. De drone-president

    4. De drone-president

    Als winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede kreeg Obama veel kritiek op zijn inzet van drones voor het uitschakelen van terroristen. Maar zijn staat van dienst op dit gebied is genuanceerder dan je misschien zou verwachten.

    Op 5 maart van dit jaar voerden de VS met onbemande drones en bemande vliegtuigen 
een bombardement uit op wat de 
regering omschreef als een kamp van Al-Shabaab, bijna 200 kilometer ten noorden van Mogadishu. Daarbij zouden zo’n honderdvijftig leden van de terreurbeweging zijn gedood. Volgens de regering vormden deze strijders een directe bedreiging voor de troepen van de Afrikaanse Unie waar Amerikaanse adviseurs mee samenwerken, al werd daarvoor geen bewijs aangevoerd. Het nieuws dat Amerika aan de andere kant van de wereld, in een land waarmee het niet in oorlog is, honderdvijftig niet nader genoemde mensen had gedood, kreeg in eigen land nauwelijks aandacht, laat staan dat het enige ophef veroorzaakte. Het op afstand en buiten oorlogsgebied doden van mensen lijkt de gewoonste zaak van de wereld te worden.

    Een opvallende ontwikkeling, des te meer omdat die zich heeft voorgedaan onder Obama, die bij zijn aantreden toch het imago van antioorlogspresident had – in zo sterke mate dat hij misschien wel als enige man ter wereld de Nobelprijs voor de Vrede heeft gekregen op basis van wishful thinking. Als president voert onze Nobelprijswinnaar nu al langer oorlog dan al zijn voorgangers. Hij heeft in zeven landen militair geweld ingezet: Afghanistan, Irak, Syrië, Pakistan, Libië, Jemen en Somalië. In de laatste vier landen bestaat dat geweld bijna volledig uit onbemande drones die 
terreurverdachten executeren die 
banden zouden hebben met Al-Qaida of ‘daaraan gelieerde machten’.

    Dat een antioorlogspresident het gebruik van drones zo aantrekkelijk vindt, moet een teken aan de wand zijn. In de woorden van Hugh Gusterson in Drone: Remote Control Warfare:

    Als buitenrechtelijke liquidaties al zo’n aantrekkingskracht uitoefenen op een president die vroeger staatsrecht doceerde, die van begin af aan tegen de oorlog in Irak was, die een eind maakte aan het martelprogramma van de CIA en die bij zijn aantreden de intentie uitsprak om het detentiekamp in Guantanamo Bay te sluiten, dan is het onwaarschijnlijk dat eender welke opvolger de verleiding van de drone zal kunnen weerstaan.

    Obama met Nationaal Veiligheidsadviseur Susan E. Rice tijdens een terrorisme-update.
    Obama met Nationaal Veiligheidsadviseur Susan E. Rice tijdens een terrorisme-update.

    En we moeten ons dan niet alleen 
zorgen maken om president Trump of Clinton. Andere landen zullen ook niet schromen om naar het middel van onbemande luchtaanvallen te grijpen om problemen buiten hun landsgrenzen ‘op te lossen’. Israël, het Verenigd Koninkrijk, Iran, Irak, Nigeria en Pakistan hebben het voorbeeld van de VS 
al gevolgd en zetten inmiddels ook bewapende drones in. China heeft ze 
in de aanbieding voor 1 miljoen dollar per stuk. Het zal niet lang meer duren 
voordat het grootste deel van de 
ontwikkelde wereld over dit wapen beschikt. En als andere landen een 
precedent zoeken, is Obama’s staat 
van dienst op dit gebied het eerste waarnaar ze zullen wijzen.

    Wat is die staat van dienst? En wat 
kan en moet hij nu nog doen om de risico’s te verkleinen van een met 
drones bewapende wereld? Sommige critici stellen Obama’s staat van dienst op dit vlak gelijk aan de oorlogsmisdaden van zijn voorganger Bush. 
Zo beweert Glenn Greenwald in het nawoord bij The Assassination Complex dat Obama’s dronebeleid ‘de slechtste kanten belichaamt van wat de war on terror van Bush en Cheney zo funest maakte’. Greenwald vat Obama’s 
benadering van drones als volgt samen:

    De kern van zijn drone-moordprogramma is dat hij en hij alleen bij machte is om overal 
ter wereld mensen, ook Amerikaanse burgers, op de korrel te nemen en eenzijdig het bevel 
te geven om hen te executeren, op basis van zijn overtuiging dat het beoogde slachtoffer een terrorist is.

    Droneaanvallen zijn van alle verschillende oorlogsmiddelen het middel dat de minste burgerslachtoffers kost

    Als dat inderdaad zijn beleid was, 
zouden de verwijten van Greenwald 
en tal van andere critici terecht zijn. Maar het klopt niet. Ten eerste maakt Obama geen aanspraak op het recht om af te rekenen met ‘terroristen’, maar alleen met personen die onze tegenstander zijn in een door het 
Congres gesanctioneerd gewapend conflict met Al-Qaida en daaraan 
gelieerde organisaties. En het recht 
om vijanden in een gewapend conflict te doden is zo oud als het fenomeen oorlog zelf.

    Ten tweede maakt Obama geen 
aanspraak op het recht op de inzet van dodelijk geweld ‘overal ter wereld’, maar alleen in oorlogsgebieden, en daarbuiten alleen tegen vijandelijke strijders die een direct gevaar vormen dat niet op een andere wijze kan 
worden bestreden – meestal omdat het land waar zo’n strijder zich bevindt niet in staat is hem gevangen te nemen. Als zo’n land de vijand wel kan oppakken en berechten, is executie 
volgens onze regering geen optie.

    Ten derde blijkt uit meerdere bronnen, waaronder Greenwalds eigen website The Intercept, dat Obama zijn doelwitten zeker niet op eigen houtje kiest. Hij heeft een uitgebreid proces opgetuigd waarbij de informatie en adviezen van allerlei hooggeplaatste functionarissen in de krijgsmacht en de regering 
worden meegewogen voordat een gerichte actie wordt goedgekeurd.

    Minder drone-inzet

    Het is ook belangrijk om op te merken dat Obama’s beleid en praktijk ten 
aanzien van de inzet van drones in 
de loop van zijn regeerperiode sterk 
is veranderd. Zijn eerste jaren in het ambt werden gekenmerkt door een agressieve uitbreiding van het droneprogramma. Zo zijn er volgens de 
New America Foundation onder Bush 48 drone-aanvallen uitgevoerd in 
Pakistan, met tussen de 377 en 558 doden tot gevolg, terwijl er onder Obama 355 aanvallen werden uitgevoerd, met in totaal tussen de 1907 
en 3067 doden tot gevolg. Maar nadat het aantal droneaanvallen in Pakistan in 2010 piekte met 122, is het sindsdien ieder jaar gedaald. In 2015 zijn er in Pakistan slechts tien aanvallen uitgevoerd en dit jaar tot nu toe nog maar drie. Ook het aantal droneaanvallen in Jemen is gedaald, van een piek van 47 in 2012 tot 24 in 2015 en negen in dit jaar. Obama’s neiging om drones in te zetten is in zijn tweede ambtstermijn dus beduidend zwakker dan in zijn eerste.

    Volgens critici kosten drones veel levens van onschuldige burgers. Ook hier is het beeld gecompliceerd. De VS hebben jarenlang geweigerd droneaanvallen te erkennen, en legden dus ook geen publieke verantwoording af over de slachtoffers die daarbij vielen en over de vraag of dat strijders of 
burgers waren. Diverse onafhankelijke organisaties proberen in die leemte te voorzien, maar het is buitengewoon moeilijk om aan accurate gegevens te komen.

    Het Londense Bureau of Investigative Journalism kwam met de schatting 
dat in Pakistan, Jemen en Somalië samen tot 24 mei 2016 tussen de 493 
en 1168 burgers zijn omgekomen door Amerikaanse droneaanvallen. De New America Foundation is voorzichtiger en houdt het op 370 tot 448 burger-doden in dezelfde drie landen. Na 
zevenenhalf jaar over het onderwerp 
te hebben gezwegen, meldde de regering op 1 juli jongstleden zelf dat er tussen januari 2009 en december 2015 64 tot 116 burgers zijn omgekomen 
bij 473 ‘terreurbestrijdingsoperaties buiten actieve conflictgebieden’. Daarbij werden Irak, Syrië en Afghanistan expliciet als ‘actieve conflictgebieden’ aangemerkt, dus het rapport bevatte geen cijfers over de hoeveelheid burgerslachtoffers die er in die landen zijn gevallen, al mag je ervan uitgaan dat het om aanzienlijke aantallen gaat.


    De discrepantie met de cijfers van organisaties als de New America 
Foundation was volgens de regering het gevolg van de veronderstelde 
superioriteit van haar eigen inlichtingenwerk en het feit dat onafhankelijke organisaties zich baseren op nieuwsbronnen die mogelijk vatbaar zijn voor terroristische propaganda. Maar in 2011 beweerde John Brennan, Obama’s toenmalige adviseur voor de nationale veiligheid, dat er in het jaar daarvoor niet één onschuldige burger was omgekomen als gevolg van een drone-aanval: terroristen zijn dus niet de 
enigen die propaganda maken.

    De beschuldiging dat droneaanvallen zo veel burgerslachtoffers eisen, roept enerzijds de vraag op: in vergelijking waarmee dan? In één opzicht lijkt het vreemd om juist droneaanvallen te bekritiseren omdat er burgerslachtoffers bij vallen. Zoals Avery Plaw van de Universiteit van Massachusetts in Dartmouth overtuigend aantoont in Killing by Remote Control, zijn droneaanvallen van alle verschillende oorlogsmiddelen het middel dat de minste burgerslachtoffers kost. Bemande vliegtuigen kunnen veel minder 
precies te werk gaan, omdat ze niet urenlang in de lucht kunnen blijven hangen om te wachten op het ideale moment om toe te slaan. En grondtroepen resulteren bijna onvermijdelijk in meer collateral damage dan een 
droneaanval.

    Dat er burgerslachtoffers vallen is te wijten aan allerhande factoren, met als voornaamste dat het moeilijk is om ‘de vijand’ te lokaliseren als die zich tussen burgers verschuilt en geen uniform draagt. Gebrekkig inlichtingenwerk is een andere oorzaak, evenals een te groot vertrouwen in de belgegevens van telefoons waarvan je niet zeker kunt weten of ze echt in handen zijn van het beoogde slachtoffer. Zoals 
The Intercept hoorde van een voormalige dronebestuurder: ‘We jagen niet op mensen maar op hun telefoon – in de hoop dat de persoon die we treffen 
ook daadwerkelijk de boef is.’ Of zoals Michael Hayden in 2014 zei, in een debat met mij aan de Johns Hopkins-universiteit: ‘We doden mensen op basis van belgegevens.’

    Het aantal burgerslachtoffers van droneaanvallen buiten oorlogsgebieden is de afgelopen jaren niettemin sterk gedaald. Zo maakt de New America Foundation melding van 49 tot 63 doden in Pakistan in 2011, maar heeft het er van 2014 tot 2016 slechts twee geteld. In Jemen meldt het zestien 
burgerdoden in 2012, maar slechts 
vijf in 2014 en tot nu toe niet een in 2015 en 2016. De cijfers van het Bureau of Investigative Journalism vallen doorgaans hoger uit, maar ook daar 
is sprake van een daling en zie je de laatste jaren nog maar heel weinig burgerslachtoffers.

    Betere cijfers

    Eén reden voor die betere cijfers schuilt misschien in de nieuwe standaard 
voor droneaanvallen buiten conflictgebieden, die Obama in mei 2013 
aankondigde. In een toespraak voor de National Defense University en in een gelijktijdig uitgevaardigde geheime presidentiële beleidsrichtlijn zei hij gerichte aanvallen buiten oorlogsgebieden alleen nog te zullen toestaan als 1) het doelwit een aanhoudende bedreiging vormt voor Amerikaanse burgers, 2) gevangenneming niet 
haalbaar is en de dreiging niet op een andere wijze kan worden geneutraliseerd, en 3) het vrijwel zeker is dat 
bij de actie geen doden of gewonden onder burgers zullen vallen. Diverse critici, waaronder ikzelf, hebben 
kritiek geuit op de ruime betekenis die aan de term ‘aanhoudende bedreiging’ wordt gegeven en gevraagd wat de regering precies bedoelt met de 
‘haalbaarheid’. Maar bij een strenge uitleg van die woorden kun je er eigenlijk niet zo veel meer op tegen hebben 
en valt te verwachten dat er minder aanvallen worden uitgevoerd, en dat er daarbij ook minder burgerslachtoffers vallen.

    Het dronebeleid van Obama laat 
dus een gemengd beeld zien. In zijn eerste ambtstermijn was het een 
middel waarvan hij intensief gebruikmaakte, in zijn tweede termijn is hij steeds selectiever geworden. Daar zijn waarschijnlijk twee belangrijke redenen voor. Ten eerste heeft Obama in 
de loop van zijn regeerperiode, mede in reactie op de brede kritiek, steeds meer openheid over het droneprogramma gegeven – al ging dat met horten en stoten. Na een toespraak van toenmalig juridisch adviseur van Buitenlandse Zaken Harold Koh, in maart 2010, is 
de regering begonnen het programma publiekelijk te verdedigen en steeds meer details prijs te geven. Transparantie dwingt je om verantwoording af te leggen: het is geen toeval dat grotere openheid geleid heeft tot voorzichtiger beleid en grotere terughoudendheid 
bij de inzet van drones.

    Ten tweede heeft de regering misschien meer oog gekregen voor de strategische nadelen van de aanvankelijke nadruk op drones. Enerzijds zijn 
droneaanvallen een effectieve manier om gevaarlijke individuen op moeilijk toegankelijke plaatsen uit te schakelen. Zoals Audrey Cronin opmerkt in Drones and the Future of Armed Conflict:

    De dreiging van drones heeft terroristische operaties verstoord en uit koers geslagen. 
Het dwingt Al-Qaida en zijn bondgenoten hun gedrag aan te passen, zodat ze vooral 
nog bezig zijn te overleven en ernstig worden belemmerd in hun bewegingsvrijheid en 
hun mogelijkheden om operaties te plannen en uit te voeren.

    Het gebruik 
van drones is goedkoper dan andere vormen van geweld, je brengt er geen Amerikaanse levens mee in gevaar en je kunt relatief gemakkelijk ontkennen dat je ze gebruikt

    Anderzijds schrijft Cronin ook dat droneaanvallen ‘niet kunnen voorkomen dat de leiders worden opgevolgd en de organisatie doorgaat met het maken van propaganda en het uitvoeren van lokale aanslagen’. En als drones haat zaaien en daarmee de steun voor onze vijand vergroten, zijn ze misschien contraproductief. De meeste berichten lijken daarop te wijzen. Generaal 
Stanley McChrystal, die het bevel 
voerde over de Amerikaanse troepen 
in Afghanistan, zei in 2013 tegen The Huffington Post dat droneaanvallen 
‘een beeld van Amerikaanse arrogantie’ creëren en ‘hartgrondige’ haat oproepen. In 2012 bleek uit peilingen dat 
90 procent van de Pakistanen tegen droneaanvallen was en 74 procent 
de VS als vijand beschouwde. En dat terwijl Pakistan de op een na grootste ontvanger van Amerikaanse financiële steun is, na Afghanistan, en nog vóór Israël.

    Juist hun specifieke kwaliteiten maken drones zo verleidelijk. Het gebruik 
van drones is goedkoper dan andere vormen van geweld, je brengt er geen Amerikaanse levens mee in gevaar en je kunt relatief gemakkelijk ontkennen dat je ze gebruikt. En daardoor, zo waarschuwt Gusterson, kunnen drones leiden tot ‘een vorm van permanente kleinschalige militaire operaties 
waardoor de grens tussen oorlog en vrede dreigt te vervagen’.

    De vraag voor Obama is of hij de geschiedenis wil ingaan als de leider die het tijdperk van permanente, 
kleinschalige oorlogvoering per drone heeft ingeluid. Andere leiders, zowel 
in Amerika als elders, zullen in zijn optreden een rechtvaardiging voor hun eigen handelwijze zoeken.

    Het ligt volledig binnen Obama’s macht om een minder dubieuze 
erfenis inzake drones achter te laten. Daarvoor moet hij dan nog wel een aantal andere hervormingen door-voeren. Het is niet genoeg, zoals een voormalige hoge regeringsmedewerker me uitlegde, om de presidentiële richtlijn voor de inzet van drones openbaar te maken: hij moet er een presidentieel decreet van maken, zodat het voor zijn opvolger moeilijker wordt om ervan 
af te wijken. En hij moet de in die richtlijn geformuleerde strenge voorwaarden als uitgangspunt nemen 
voor gesprekken met onze NAVO-bondgenoten over een algemeen aanvaarde standaard voor de inzet van drones buiten oorlogsgebieden. Of we het leuk vinden of niet, drone-aanvallen horen bij de oorlogvoering van de toekomst, en de hele wereld heeft er belang bij om op internationaal niveau een hoge drempel op te werpen tegen de inzet van dat middel.

    Het overheidsrapport over burgerslachtoffers van 1 juli is wat dat betreft een belangrijke stap vooruit. Het is de eerste poging om verantwoording af 
te leggen over de resultaten van het gebruik van drones. Het op dezelfde dag uitgevaardigde presidentiële decreet verplicht de regering om 
hierover voortaan jaarlijks een rapport uit te brengen. Ook verplicht het alle partijen die zijn betrokken bij de inzet van geweld, zowel binnen als buiten oorlogsgebied, om het aantal burgerslachtoffers tot een minimum te beperken en ‘indien van toepassing en in overeenstemming met de doelstelling van de missie’ fouten te erkennen en schadeloosstelling te betalen aan burgerslachtoffers of hun nabestaanden. De regering verdient hiervoor 
alle lof.

    Maar de nieuwe openheid en het presidentieel decreet schieten op belangrijke fronten ook ernstig tekort. Door alleen totaalcijfers te geven over de hele 
afgelopen periode van zeven jaar, maakt de regering het onmogelijk haar cijfers te vergelijken met de door ngo’s gedocumenteerde individuele incidenten. Daarbij komt dat het presidentiële decreet weliswaar geldt voor álle 
burgerslachtoffers van oorlogsgeweld, maar dat de jaarlijkse verplichte 
rapportage alleen burgerslachtoffers buiten actieve conflictzones betreft. Burgerslachtoffers verdienen altijd erkenning, waar ze ook vallen. Voor deze beperking van de jaarlijkse 
rapportage geeft de regering geen 
verklaring.

    Formeel toezicht

    Het belangrijkste wat Obama moet doen betreft niet alleen de formulering van algemene richtlijnen voor drone-inzet, maar de implementatie daarvan. De bevoegdheid om iemand van 
het leven te beroven moet een strak juridisch kader krijgen. En om daarover verantwoording te kunnen afleggen is een vorm van formeel toezicht vereist.

    In Israël moeten alle gerichte liquidaties na afloop door de rechter worden getoetst. Bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gaat het de kant op dat er zelfs rechterlijke toetsing wordt geëist voor doden die op het slagveld vallen. Maar onder president Obama hebben de VS duizenden 
personen ver van enig slagveld geëxecuteerd zonder daarvoor ooit specifieke verantwoording af te leggen, met als enige uitzondering de liquidatie in september 2011 van Anwar al-Awlaki, een Amerikaans staatsburger. De regering heeft nooit uitgelegd wie er zijn gedood, op basis waarvan de besluiten zijn genomen en wat de daadwerkelijke gevolgen van specifieke droneaanvallen zijn geweest.

    Het op het slagveld doden van vijandelijke strijders wordt in oorlogstijd geaccepteerd en vereist doorgaans geen afzonderlijke rechtvaardiging: dat iemand 
een vijand is, is dan rechtvaardiging genoeg. Maar een land dat het recht opeist om specifieke personen buiten oorlogsgebieden te elimineren op 
basis van hun vermeende wandaden, moet dat kunnen verantwoorden – 
en moet dat zo veel mogelijk openbaar doen. Aan een dergelijke verantwoording heeft het tot nu toe ontbroken. Geheime executies zijn niet verenigbaar met de rechtsstaat. Dat is het werk van doodseskaders, niet van een democratie.

    Zoals Obama in 2013 in zijn toespraak op de National Defense University zei: ‘Dezelfde menselijke vooruitgang die ons de technologie schenkt waarmee we aan de andere kant van de wereld een aanval kunnen uitvoeren, legt 
ons ook de plicht op om die macht te beteugelen – of het risico te lopen dat we er misbruik van gaan maken.’ Hij is nu nog in de gelegenheid om die macht aanzienlijk te beteugelen. Als hij die kans niet grijpt, zal hij de geschiedenis ingaan als de winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede die verantwoordelijk is voor de doorbraak van een vreselijk gevaarlijke en ethisch dubieuze vorm van oorlogvoering. Dat is niet de Obama die ik me wil herinneren.

    Auteur: David Cole
    Vertaler: Frank Lekens

    The New York Review of Books
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 119.000

    Het lijfblad van de New Yorkse intelligentsia bestaat sinds 1963 en dankt zijn reputatie aan doorwrochte en lange bijdragen van hoge kwaliteit van diverse grote schrijvers, journalisten en historici als J.M. Coetzee, Orhan Pamuk, en eerder Tony Judt, Hannah Arendt en Saul Bellow.

  • 1. Yes, he tried

    1. Yes, he tried

    Obama werd gekozen op een golf van optimisme, met de belofte dat hij Amerika’s wonden zou helen. Is dat hem gelukt? Gary Younge kijkt terug op een adembenemende verkiezingsnacht in 2008 – en op wat volgde.

    Toen op de avond van de verkiezingen van 2008 Ohio was binnengehaald, steeg er luid gejuich op in de President’s Lounge, een bar in de overwegend zwarte south side van Chicago. Er werd champagne ontkurkt, onbekenden vielen elkaar om de hals, agenten in patrouillewagens riepen de naam van de zojuist gekozen president door hun luidspreker: ‘Obama!’

    Terwijl ik mijn blik over alle gezichten aan de bar liet glijden, keek een vrouw me stralend aan, hief haar margarita en riep: ‘Mijn man zit in Afghanistan. Nu komt hij naar huis!’ Barack Obama had nooit gezegd dat hij een einde zou maken aan de oorlog in Afghanistan. Hij had juist beloofd dat hij de inzet van het Amerikaanse leger daar zou vergroten. Het was niet zo dat deze vrouw hem verkeerd had begrepen; ze had domweg haar hoop op hem geprojecteerd.

    Dat was het effect dat Obama destijds op mensen had. Meestal werd er niet al te goed geluisterd naar wát hij zei, omdat men viel voor de manier waaróp hij het zei. Weloverwogen, welbespraakt, goed geïnformeerd: dit was een politicus die sprak in volzinnen met werkwoorden. Hij zou niet alleen de opvolger worden van George W. Bush. Hij was de anti-Bush.

    En dan was er nog Obama’s uiterlijk: lang, knap, zwart – een stijlvolle verschijning, een representant van een bevolkingsgroep

    En dan was er nog Obama’s uiterlijk: lang, knap, zwart – een stijlvolle verschijning, een representant van een bevolkingsgroep die is ondervertegenwoordigd en gemarginaliseerd. Het idee dat deze man aan het hoofd van het land zou staan, amper drie jaar na de orkaan Katrina, vervulde velen van ontzag. De details leken ineens onbelangrijk, waar het om ging was dat deze man president zou kunnen worden.

    Ik hoorde voor het eerst over Barack Obama van wijlen mijn schoonmoeder, Janet Mack, die in Chicago woonde en al in 2003 deel uitmaakte van zijn campagneteam toen hij een Senaatszetel probeerde te behalen. Dat was het jaar waarin ik als correspondent van The Guardian naar Amerika verhuisde. Ik heb eerst in New York gewoond en later in Chicago, om afgelopen augustus weer terug te keren naar Londen. Janet had Obama een paar keer op een lokale televisiezender gezien en vond dat hij zinnige dingen zei. Ze was aanwezig geweest bij een demonstratie waar hij zich, als staatssenator, uitsprak tegen de invasie in Irak. Toen hij zich net verkiesbaar had gesteld was ze bang dat hij vermoord zou worden, maar langzaam raakte ze eraan gewend dat hij in de schijnwerpers stond. ‘Vergelijk het met mensen die in Californië wonen, met de aardbevingen,’ zei ze tegen me. ‘Je kunt niet voortdurend in angst leven.’

    obamafamilie 1

    In 2008 gingen we samen naar het zuiden van Chicago voor Obama’s nominatiespeech, en we stonden met een paar honderd anderen in het Regal Theatre, waar een groot scherm hing. Er werd gehuild en er werden vuisten in de lucht gestoken. Onderweg naar huis kneep Janet, die als zwarte vrouw in het Zuiden was opgegroeid, even in mijn arm en lachte. Gewoonlijk was ze heel spraakzaam. Maar gedurende het halfuur dat we naar huis reden zei ze alleen maar, tegen niemand in het bijzonder: ‘Ik kan het nauwelijks geloven.’

    Obama’s campagne voor de presidentsverkiezingen was in veel opzichten weinig opzienbarend. In de Senaat had hij in 90 procent van de gevallen net zo gestemd als Hillary Clinton. Hij stond ergens in het midden van de partij, beloofde herzieningen van de gezondheidszorg en een iets eerlijkere verdeling van de welvaart – precies die standpunten waar de gemiddelde Democraat zich al een generatie lang sterk voor maakte. Maar hij schoot als een komeet omhoog. Zijn verhaal was zo aansprekend, zijn retoriek zo meeslepend, zijn gedrevenheid zo overduidelijk – en zijn overwinning, toen die eenmaal was behaald, zo onwaarschijnlijk.

    Obama was zich er al lange tijd van bewust dat de kiesgerechtigden in hem zagen wat ze in hem wilden zien. ‘Ik fungeer als een leeg scherm waarop kiesgerechtigden van zeer diverse politieke pluimage hun eigen visie kunnen projecteren,’ schreef hij in 2006 in De herovering van de Amerikaanse droom. ‘Ik zal dan ook sommige van die mensen teleurstellen, zo niet allen.’ Maar hij had er deels zelf de hand in gehad. Hij beweerde te zijn gevormd door de suffragettes, de burgerrechtenbeweging en de vakbonden, haalde toespraken aan uit die traditie en positioneerde zich als een man die voor een omwenteling kon zorgen. Op de laatste avond van de voorverkiezingen, in juni 2008, beloofde hij de menigte in Saint Paul, Minnesota, letterlijk de aarde: ‘Later zullen we onze kleinkinderen kunnen vertellen dat dit het moment was … waarop de stijging van de zeespiegel werd afgeremd en onze planeet weer kans kreeg om op krachten te komen.’

    Herstelwerkzaamheden

    Er waren flink wat herstelwerkzaamheden nodig. Toen Obama aan de macht kwam, had Amerika net een oorlog in de Golf verloren en was het aan de verliezende hand in Afghanistan. In een peiling onder negentien landen bleek twee derde van die landen een negatieve kijk te hebben op Amerika. De Amerikanen zelf hadden ook geen al te best zelfbeeld. Door de bankencrisis was hun economie in een vrije val beland. De armoede nam hand over hand toe, de aandelen kelderden in recordtempo en slechts 13 procent van de bevolking had het idee dat het de goede kant op ging met het land.

    Dit was het Amerika waarmee Obama werd opgezadeld toen hij op de verkiezingsavond van 2008 in een overwinningsroes met zijn gezin het podium betrad in Grant Park in Chicago – een visioen in het zwart voor een land dat nog niet van de schok was bekomen.

    Toen de Irakoorlog nog maar net een jaar bezig was, leek de Amerikaanse samenleving meer gepolariseerd dan ooit. Maar het dieptepunt bleek nog niet te zijn bereikt

    In Marshalltown, Iowa, staat op 26 januari van dit jaar een menigte urenlang in de ijzige kou te wachten op een toespraak van Donald Trump. Er worden petjes verkocht met ‘Make America Great Again’ (made in China), badges met de tekst ‘Bomb The Shit Out Of Isis’ en ‘Hillary For Prison 2016’. Een man loopt rond met een poster van Hitler die een rekening voor zorgkosten in zijn hand houdt en zegt: ‘Nu ben je te ver gegaan, Obama!’ Aan de overkant van de weg staan demonstranten, voornamelijk hispanics. In de loop van het afgelopen halfjaar heeft Trump Mexicanen uitgemaakt voor verkrachters, heeft hij beloofd alle moslims de toegang tot het land te ontzeggen en heeft hij Chinezen, gehandicapten, vrouwen en joden beledigd.

    Binnen neemt sheriff Joe Arpaio uit Arizona het woord. Arpaio, die fel gekant is tegen immigranten en nog altijd volhoudt dat Obama’s geboortebewijs is vervalst, kondigt Trump aan, die tevoorschijn komt vanachter een gordijn. ‘Heeeeeere’s Donald!’ De menigte zwelt aan, er zijn honderden mensen op afgekomen, en ook de onoverdekte tribunes worden opengesteld om alle mensen te kunnen herbergen. Trump kraamt allerlei nonsens uit, een beetje als een dronken oom op een barbecue. Hij pocht over zijn muur om de Mexicanen buiten de deur te houden. ‘Het wordt een prachtige, reusachtige muur. O, wat zullen jullie die muur mooi vinden.’ Na afloop zegt Brian Stevens, 37 jaar, dat Trump grote indruk op hem heeft gemaakt. ‘Ik ben het niet in alles met hem eens. Maar ik denk wel dat hij kan zorgen dat er iets verandert. Iemand moet zich sterk maken voor Amerika. We hebben hem gewoon nodig.’

    Obama vergaarde in één klap landelijke roem met de woorden dat dit soort dagen tot het verleden zouden behoren. Op de Democratische conventie in 2004 zei hij dat het leek alsof de politieke tweedeling van het land van buitenaf was opgelegd, door cynische arbeiders en simplistische media. Destijds, toen de Irakoorlog nog maar net een jaar bezig was, leek de Amerikaanse samenleving meer gepolariseerd dan ooit. Maar het dieptepunt bleek nog niet te zijn bereikt.

    Toen Obama in 2008 presidentskandidaat was, was een van de belangrijkste beloften van zijn campagne dat hij boven de strijdende partijen zou gaan staan en zou zoeken naar een samenwerking die de partijen oversteeg. Zo liep het echter niet. In 2010 liet de toenmalige minderheidsleider in de Senaat, Mitch McConnell, weten dat het voor de Republikeinse partijtop ‘een politieke prioriteit was om te voorkomen dat president Obama een tweede termijn zou dienen’. Republikeinse Congresleden, die zelfs weigerden samen te werken met hun eigen partijleiding, dreigden herhaaldelijk de Verenigde Staten naar de rand van de afgrond te brengen, of domweg de hele overheid lam te leggen – tenzij Obama terug zou komen op gedane beloften, of wetten zou terugdraaien die al waren aangenomen.

    Een paar jaar geleden, toen het door de Republikeinen gedomineerde Huis van Afgevaardigden ervoor zorgde dat de federale overheid gedurende een korte periode ‘op slot’ ging, maakte Congreslid Marlin Stutzman duidelijk hoezeer Obama’s tegenstanders dwarslagen: ‘We moeten zien dat we hier iets uit slepen,’ zei hij. ‘Al heb ik geen idee wát.’

    Wat president Obama ook zei of deed, hij zou altijd een katalysator zijn voor politieke polarisatie. Volgens sommigen is dat te wijten aan het feit dat rechts zich niet kon neerleggen bij het feit dat de president zwart was, en vermoedelijk zit daar wel wat in. Maar er zat veel meer achter dan alleen de rassenkwestie: Obama belichaamt op heel veel verschillende manieren de zorgen van een deel van blank Amerika. Hij is de zoon van een Keniaanse immigrant in een periode waarin Amerika het heel moeilijk heeft met de gevolgen van immigratie en buitenlandse handel. Hij is de zoon van een niet-praktiserende moslim die aan de macht kwam op het moment dat het land oorlogen verloor in landen met een bevolking die in meerderheid uit moslims bestaat. Hij komt voort uit een gemengd huwelijk in een periode waarin de snelst groeiende etnische groepering in het land de groep is die zich identificeert met ‘meer dan één ras’. Hij is een niet-blanke president die zijn presidentschap eindigt in een tijd waarin in Amerika de meerderheid van de kinderen onder de vijf niet blank is.

    Zowel in demografische als geopolitieke zin betekent het niet meer hetzelfde als vroeger om een blanke Amerikaan te zijn. Voor wie zich niet bij die ontwikkeling kon neerleggen groeide Obama uit tot de belichaming van zowel de gevoelde dreiging als de vernedering. Trump is in veel opzichten hun antwoord.


    In zijn laatste State of the Union, in januari, erkende Obama dat er niet veel was terechtgekomen van zijn droom van een politiek klimaat van consensus. ‘Een van de weinige dingen van mijn presidentschap die ik betreur,’ zei hij, ‘is dat de rancune en de argwaan tussen de partijen niet is afgenomen, maar alleen maar is verhevigd. Ik twijfel er geen seconde aan dat een president met de talenten van een Lincoln of een Roosevelt beter in staat zou zijn geweest de kloof te dichten, en ik verzeker u dat ik me zal blijven inzetten om het beter te doen zolang ik dit ambt bekleed.’ Met nog maar negen maanden te gaan in een verkiezingsjaar is het nauwelijks voorstelbaar dat de impasse nog kan worden doorbroken.

    Tegen het einde van Obama’s eerste termijn, in 2012, was er een wijdverbreid gevoel dat het allemaal niet snel genoeg ging, dat hij te makkelijk zwichtte voor zijn tegenstanders. Het was alsof hij eerst met zichzelf in onderhandeling ging voordat hij een handreiking deed naar de tegenpartij, die de uitgestoken hand vervolgens laatdunkend wegsloeg. Nadat hij was verkozen op een golf van optimisme, leek hij gereserveerd en stuurloos. Nadat hij harten had beroerd met zijn toespraken, leek hij niet langer in staat de mensen te bereiken.

    Tijdens een op televisie uitgezonden bijeenkomst in een gemeentehuis, twee jaar na zijn verkiezing, richtte Velma Hart, een Afro-Amerikaanse vrouw met twee kinderen, het woord tot Obama en verwoordde de desillusie van velen. ‘Ik kan het niet langer opbrengen,’ zei ze tegen hem. ‘Ik kan het niet langer opbrengen om u te verdedigen, om uw beleid te verdedigen, om het stelsel van veranderingen te verdedigen waar ik me sterk voor heb gemaakt, en ik ben diep teleurgesteld hoe we er nu voor staan.’ In relatie tot Obama moeten mensen hun teleurstelling onder ogen zien. Vaak zegt die net zoveel over henzelf als over Obama.

    Ik was voor Obama in de strijd met Hillary Clinton, omdat hij zich tegen de oorlog in Irak had gekeerd in een tijd waarin dat zijn politieke carrière had kunnen schaden; zij had de oorlog gesteund omdat dat gunstig was voor haar carrière. Naar mijn idee was hij de meest progressieve kandidaat. Al snel sloeg de teleurstelling toe.

    Tweede campagne

    Ik was blij met het raciaal symbolische belang van Obama’s overwinning, en ik verheugde me. Maar ik verheerlijkte het niet, omdat ik niet verwachtte dat het veel concreets zou opleveren. Als kandidaat speelde zijn ras een essentiële rol, maar in zijn boodschap kwam het niet aan de orde. Toen ik de tekst van zijn aanvaardingsspeech van 2008 doornam, viel me op dat hij Martin Luther King had geciteerd zonder hem bij naam te noemen – hij verwees naar hem als ‘de oude prediker’. Als een zwarte kandidaat niet onomwonden Martin Luther King kan citeren, dacht ik, wie kan hij dan wel citeren?

    Obama heeft nooit radicale veranderingen beloofd, en gezien de structuren waarbinnen hij moest opereren had hij ook nauwelijks kans die daadwerkelijk door te voeren. Het is uitgesloten om president van Amerika te worden zonder vele miljoenen aan sponsoring te krijgen van rijke mensen en bedrijven (tenzij je zelf miljardair bent). Die mensen zullen zich allemaal tegen je keren als je niet hun belangen behartigt. Het Congres, waar Obama de strijd mee moest aanbinden, is al evenzeer gecorrumpeerd door financiële belangen.

    Dat pleit Obama niet vrij. Op vele terreinen, met name op het vlak van de economie, de banken en de persoonlijke vrijheid, had hij meer kunnen doen, of het beter kunnen doen. Dat heeft hij ook zelf toegegeven; in 2011, kort voor zijn herverkiezing, heeft hij een lijst samengesteld van punten waarop hij onvoldoende heeft gepresteerd: hervormingen op het gebied van immigratie, armoede, het Midden-Oosten, Guantanamo Bay en het homohuwelijk. In 2011 zagen ook de mensen die dicht bij Obama stonden dat hij niet alleen zijn basis dreigde te verliezen, maar ook zijn bestaansrecht als de man die voor verandering zou zorgen.

    Destijds zag het er niet al te rooskleurig uit voor Obama. Zijn tweede campagne was bij lange na niet zo euforisch als de eerste. De redenering van de president was kort gezegd als volgt: ‘Het land stond er belabberd voor toen ik aan de macht kwam, het gaat nu veel beter dan wanneer ik niet aan de macht zou zijn geweest, en het zal veel slechter gaan als ik de macht verlies.’ Wat begon als ‘Yes we can’ was verworden tot ‘Het had erger gekund’. Maar Obama heeft het altijd getroffen met zijn vijanden. Mitt Romney bleek een kansloze kandidaat.

    Naarmate het einde van Obama’s ambtsperiode naderbij komt, hoeven we ons niet langer te beperken tot de discussie over wat zijn presidentschap betekent; we kunnen het nu ook in duidelijke bewoordingen hebben over wat Obama heeft klaargespeeld.

    Vanuit esthetisch oogpunt is Obama’s publieke imago altijd een beetje retro geweest

    Iedereen heeft zijn eigen lijstje. Die lijstjes zijn geen van alle uitputtend. Obama heeft de Amerikaanse soldaten teruggetrokken uit Irak (om daar later weer te gaan bombarderen), hij heeft de betrekkingen met Cuba aangehaald, heeft Osama Bin Laden gedood, heeft een nucleaire overeenkomst gesloten met Iran en heeft het aanzien van Amerika in de wereld aanzienlijk vergroot. Twintig miljoen onverzekerde volwassen hebben nu een zorgverzekering dankzij Obamacare. Toen Obama aan de macht kwam, was er een werkloosheid van 7,8 procent, die ook nog eens opliep; vandaag de dag ligt het op 4,9 procent en is het dalende. Obama heeft het uitzetten van ouders van in Amerika geboren of legaal in Amerika verblijvende kinderen weten te traineren, en ook heeft hij ervoor gezorgd dat kinderen die illegaal met hun ouders het land zijn binnengekomen meer bescherming genieten (de Dream Act). De opbrengst van wind- en zonne-energie is verdriedubbeld; de auto-industrie is gered. Hij heeft zich uiteindelijk in krachtige bewoordingen uitgesproken voor maatregelen om het wapenbezit aan banden te leggen. Hij heeft twee vrouwen benoemd in het Hooggerechtshof, Elena Kagan en Sonia Sotomayor (de eerste Latina).

    Er zijn natuurlijk ook feiten die een heel ander beeld schetsen. Onder Obama is de strijd in Afghanistan geëscaleerd, en de troepen zitten er nog altijd; er zijn meer mensen uitgezet dan onder welke Amerikaanse president in de geschiedenis ook; hij heeft de Espionage Act uit 1917 gebruikt om twee keer zoveel klokkenluiders te vervolgen als alle eerdere presidenten bij elkaar; onder zijn bewind is het aantal drone-aanvallen in Pakistan met 700 procent toegenomen (om nog maar te zwijgen van Jemen, Somalië en andere gebieden), waarbij tussen de 1900 en de 3000 slachtoffers zijn gevallen, onder wie meer dan honderd burgers; er zijn Amerikanen zonder proces geëxecuteerd; de ongelijkheid in welstand en de inkomensongelijkheid zijn toegenomen en de bedrijfswinsten hebben een hoge vlucht genomen; zijn partij heeft legendarische tussentijdse verkiezingsnederlagen geleden. In Syrië heeft hij een rode lijn in het zand getrokken en vervolgens ontkend dat hij dat had gedaan; hij zei dat hij geen troepen zou sturen en deed het vervolgens toch.

    De discrepanties tussen Obama’s campagnebeloften en de daadwerkelijke maatregelen zijn het sterkst waar het om burgerrechten gaat. ‘Deze regering spiegelt ons een valse keuze voor tussen de vrijheden die we koesteren en de veiligheid die we kunnen bieden,’ zei hij als presidentskandidaat op 1 augustus 2007. ‘Honderd procent veiligheid en honderd procent privacy, zonder daar op wat voor manier dan ook hinder van te ondervinden, is uitgesloten,’ zei hij op 7 juni 2013, toen de Edward Snowden-affaire speelde. ‘We zullen bepaalde keuzes moeten maken.’

    Tot slot zijn er de dingen die Obama heeft nagelaten. Hij heeft niet één medewerker van de geheime dienst vervolgd wegens marteling; hij heeft niet één topman uit de financiële wereld vervolgd wegens misdrijven in verband met de crash van 2007/2008; hij heeft Guantanamo Bay niet gesloten.

    Foto’s van Obama in het Witte Huis wekken de indruk dat zowel hij als Michelle zich hun rol moeiteloos hebben aangemeten. – © Amanda Lucidon
    Foto’s van Obama in het Witte Huis wekken de indruk dat zowel hij als Michelle zich hun rol moeiteloos hebben aangemeten. – © Amanda Lucidon

    Maar een nalatenschap is iets anders dan een grootboek. Het is tegelijkertijd minder concreet dan een opsomming, én van diepere betekenis. Een nalatenschap gaat net zozeer om wat mensen voelen als om wat ze weten, het gaat net zozeer om het heden als om het verleden. Vanuit esthetisch oogpunt is Obama’s publieke imago altijd een beetje retro geweest – denk aan de oorspronkelijke campagneposters met ‘Hope’ en ‘Change’. Met zijn gezin aan zijn zijde straalde het merk Obama niet zozeer glamour uit, maar eerder stijl. Net als John F. Kennedy droeg hij een beeld uit dat voldoende Amerikanen nastreefden of waaraan ze behoefte hadden, of beide: een jong, aantrekkelijk gezin, een stralende toekomst.

    Foto’s van Obama in het Witte Huis wekken de indruk dat zowel hij als Michelle zich deze rol moeiteloos hebben aangemeten.

    Toen Virgina McLaurin, een Afro-Amerikaanse vrouw van 106, haar droom in vervulling zag gaan en eerder dit jaar een bezoek mocht brengen aan het Witte Huis, dansten de president en zijn vrouw heel ontspannen met haar. ‘Rustig aan, niet zo snel,’ grapte Obama. Naarmate we verder in zijn tweede ambtstermijn komen, lijkt hun positie hun steeds meer te passen als een tweede huid – dat die huid zwart is, is voor velen nog altijd iets bijzonders. ‘Ik had niet gedacht ooit van mijn leven in het Witte Huis te zullen komen,’ zei McLaurin, opkijkend naar de gastheer en gastvrouw. ‘Ik ben zo gelukkig. Een zwarte president, een zwarte vrouw, en ik ben hier om het zwarte verleden eer te bewijzen.’

    Een nalatenschap is geen statisch 
gegeven; het is aan voortdurende verandering onderhevig. Een paar jaar voor Martin Luther Kings dood moest bijna twee derde van de Amerikaanse bevolking maar weinig van hem hebben, vanwege zijn opstelling in de Vietnamoorlog en vanwege het feit dat hij een herverdeling van de welvaart voorstond. Maar nog geen generatie later werd 
zijn geboortedag landelijk gevierd.

    Ronald Reagan wordt inmiddels bejubeld als held van de conservatieven, hoewel hij zich sterk maakte voor een pardon voor ongeregistreerde migranten en het overheidstekort gigantisch liet oplopen. Tijdens de laatste jaren van Clintons presidentschap gingen de meeste mensen ervan uit dat hij voornamelijk herinnerd zou worden om alle schandalen. Maar nee, hij werd geroemd omdat hij het land uit het financiële dal had laten klimmen. Toen zijn vrouw zich kandidaat stelde als presidentskandidaat voor de Democraten, moest hij terugkomen op wezenlijke onderdelen van die nalatenschap – de aanpak van de misdaad, de hervorming van de gezondheidszorg, de financiële deregulatie – maatregelen waardoor Afro-Amerikanen er disproportioneel op achteruitgingen en waar de banken garen bij sponnen.

    ‘De geschiedenis zal veel milder oordelen dan het huidige Republikeinse Huis van Afgevaardigden,’ zegt Mitch Stewart, die een belangrijke rol speelde in beide verkiezingscampagnes van Obama. ‘De geschiedenis zal stilstaan bij de onderbelichte successen die deze regering heeft geboekt. Een efficiënter gebruik van energie, het terugdraaien van de CO2-uitstoot. Hij heeft het studiefinancieringsstelsel hervormd, wat grote gevolgen heeft voor een nieuwe generatie studenten. Hij heeft de Verenigde Staten een impuls gegeven die nog lang na zijn presidentschap vruchten zal afwerpen. Zijn nalatenschap draait om al deze kleinere successen die nauwelijks aandacht hebben gekregen, maar waar een hele generatie de gevolgen van ondervindt.’

    Rassengelijkheid

    De ironie wil dat het aspect van Obama’s nalatenschap waar hij vooral om zal worden herinnerd – het feit dat hij de eerste zwarte president was – betrekking heeft op een terrein waarop nauwelijks echte vooruitgang is geboekt: rassengelijkheid. De inkomensongelijkheid tussen zwarte en blanke Amerikanen is alleen maar toegenomen, evenals de werkloosheid en de armoede onder zwarten; de zwarte inkomens zijn gestagneerd. Dat wil niet zeggen dat hij niets heeft bereikt. Hij heeft meer zwarte rechters benoemd dan ooit, duizenden niet-gewelddadige drugdealers in vrijheid gesteld, het verschil in strafmaat voor crack en cocaïne verkleind. Alles wat hij heeft gedaan voor de armen, zoals Obamacare, pakt disproportioneel gunstig uit voor Afro-Amerikanen.

    Maar over het geheel genomen is Obama’s raciale nalatenschap eerder van een symbolische dan van een concrete orde. Het feit dat hij president kon worden dwong Afro-Amerikanen om hun eigen beeld van Amerika kritisch onder de loep te nemen. Hun eigen leven was er niet structureel beter op geworden, maar dat veranderde weinig aan hun kijk op de Amerikaanse samenleving. Toen Obama overwoog een gooi te doen naar het presidentschap, vroeg zijn vrouw hem wat hij dacht te kunnen bereiken als hij zou winnen. ‘De dag dat ik word ingezworen als president,’ antwoordde hij, ‘zal de wereld met andere ogen naar ons kijken. En miljoenen kinderen in dit land zullen een andere kijk op zichzelf krijgen. Dat alleen al is belangrijk.’

    Uiteindelijk bleek het echter nog niet zo eenvoudig dat beeld overeind te houden. Toegegeven, toen in 2012 Trayvon Martin werd doodgeschoten door George Zimmerman, kon Obama de woorden spreken die geen enkele president voor hem had kunnen spreken: ‘Trayvon Martin had mijn zoon kunnen zijn.’ Toch is het niet erg waarschijnlijk dat Zimmerman naar Trayvon keek en dacht: ‘Daar gaat de toekomstige president van Amerika.’ Dankzij Obama zijn Amerikanen anders tegen racisme gaan aankijken; ze hebben echter geen andere kijk gekregen op zwarten. Obama’s presidentschap eindigt in een periode van oplopende raciale spanningen vanwege politiegeweld.

    ‘Zijn presidentschap zou een periode inluiden van postracisme en kleurenblindheid,’ zegt Keeanga-Yamahtta Taylor, hoogleraar aan Princeton en schrijver van From #BlackLivesMatter To Black Liberation. ‘Tijdens zijn presidentschap is de Black Lives Matter-beweging tot grote hoogten gestegen. Het is de belangrijkste antiracistische beweging van de afgelopen veertig jaar, en die is opgekomen tijdens het bewind van een zwarte president. De ongekende opkomst van deze beweging kan worden gezien als een teleurstelling over de tekortkomingen van de regering-Obama. Voor sommige van die tekortkomingen bestaat een externe oorzaak, zoals de vijandigheid waarmee het overwegend Republikeinse Congres hem tegemoet treedt. Maar een deel van de oorzaak schuilt erin dat zijn eigen beleid tekortschiet.’

    De afgelopen paar jaar is het #BlackLivesMatter-debat vrijwel zonder enige verwijzing naar Obama gevoerd. Dat wijst erop dat, op een bepaald niveau, zijn betrokkenheid bij enkele van de belangrijkste aspecten van zwarte levens haast voor de sier is. Hij is de poster die in de etalage van de kapper of de nagelstudio prijkt, de muurschildering in een metrogang – een ideaal dat niet verward moet worden met de slijtageslag van de dagelijkse realiteit. De vraag of Amerika een zwarte president kan kiezen is beantwoord; de vraag wat zwarte levens waard zijn is nog immer actueel.

    Barack en Michelle Obama maken een dansje met de 106-jarige Virginia McLaurin.
    Barack en Michelle Obama maken een dansje met de 106-jarige Virginia McLaurin.

    Op 29 januari, in de Col Ballroom in Davenport, Iowa, is het moeilijk om niet weemoedig te worden. De Col Ballroom dateert van 1914 en staat op de lijst van het National Register of Historic Places. De kroonluchters verlichten en belichten het oude gebouw met de vorstelijke uitstraling, en de posters getuigen van alle beroemdheden die er hebben opgetreden, van Duke Ellington tot Jimi Hendrix.

    Dus op het moment dat de swingband stilvalt en Bill Clinton het podium betreedt om zijn vrouw Hillary aan te kondigen, heb je helemaal het gevoel dat je bent teruggegaan in de tijd. Hillary is alleen maar gedrevener geworden sinds ze hier acht jaar geleden van Obama verloor. Maar ze kampt nog altijd met dezelfde kwetsbaarheden als in 2008. Ze wordt gezien als een insider, terwijl de mensen nu juist verandering willen. Ze wordt achtervolgd door schandalen – haar e-mails op een privéserver – en men vindt haar onbetrouwbaar. Ze belooft vooruitgang door groei, niet door verandering. Ze probeert zelfs te scoren met het feit dat haar programma weinig opwindend is. ‘Ik geloof meer in doen dan in van alles beloven,’ zegt ze tegen de aanwezigen. In feite beoogt zij Obama’s derde termijn te dienen, en ze vraagt om een kans om zijn werk af te maken.

    Obama’s tweede termijn was overtuigender dan zijn eerste. Na de schietpartij in Sandy Hook, waar de twintigjarige Adam Lanza twintig schoolkinderen, zes leerkrachten, zijn moeder en zichzelf om het leven bracht, beloofde Obama eindelijk iets te doen aan het juridische gebrek aan daadkracht om het wapenbezit aan banden te leggen – iets waarvoor hij zich is blijven inzetten. De Republikeinen hebben laten zien dat ze niet in staat zijn compromissen te sluiten, maar ondertussen heeft Obama de ruimte gevonden om zijn stempel te drukken op de politieke toekomst. Een paar maanden na de tussentijdse verkiezingen tekende hij de Dream Act; afgelopen november heeft hij zijn veto uitgesproken over de Keystone Pipeline – een pijpleiding die van Canada naar de Mexicaanse Golf loopt – vanwege de schade aan het milieu. Terwijl andere presidenten zich de laatste maanden van hun ambtstermijn, waarin ze feitelijk aan handen en voeten zijn gebonden, voornamelijk bezighouden met de bouw van hun zogeheten presidential library, heeft Obama nog allerlei losse eindjes afgehecht.

    Obama’s nalatenschap is een voorwaardelijke wijs – hoe het had kunnen zijn

    Karen Sanchez, een negentienjarige Sanders-aanhanger uit Marshalltown, Iowa, zegt dat ze vindt dat Obama het geweldig heeft gedaan. ‘Hij heeft gedaan wat hij kon. Ik denk dat hij meer had kunnen doen, maar ze bleven hem maar tegenwerken.’ Een Hillary-aanhanger op een bijeenkomst in Adel, Iowa, die anoniem wil blijven, beaamt dat. ‘Hij heeft gedaan wat hij kon,’ zegt ze.

    Dat is de standaardreactie op elke Democratische bijeenkomst waar ik vraag hoe mensen denken dat Obama herinnerd zal worden: niet per se om wat hij heeft bereikt, maar om wat hij bereikt had kunnen hebben als de tegenpartij zich wat inschikkelijker had opgesteld. Obama’s nalatenschap is een voorwaardelijke wijs – hoe het had kunnen zijn. Yes. We. Tried.

    Maar naarmate de verkiezingen naderen lijkt de gedeeltelijke en terughoudende goedkeuring om te slaan in een onvoorwaardelijker enthousiasme. Te midden van alle politieke zwaargewichten, onheilsprofeten en showmannen lijkt Obama alleen maar te zijn gegroeid, en hij lijkt intelligenter dan ooit.

    De dag na een Republikeins debat kopte CNN: ‘Trump verdedigt de afmetingen van zijn penis’. Trump had zich verweerd tegen de suggestie van Marco Rubio dat hij, omdat hij kleine handen heeft, vast ook een kleine penis zou hebben. ‘Kijk naar deze handen – zou je dit kleine handen noemen?’ vroeg Trump aan een joelende menigte. ‘Wees gerust, er is bepaald geen probleem.’

    Als het politieke debat tot een dergelijk niveau daalt, als er zo weinig wordt verwacht van de kandidaten en er zo bedroevend weinig keuze is, gaat het feit dat Obama het heeft geprobeerd – en de manier waarop hij het heeft geprobeerd – haast als vanzelf zwaarder wegen dan het feit dat het hem bij lange na niet altijd is gelukt.

    Nu er een einde komt aan zijn ambtstermijn, begint het langzaam tot de Amerikanen door te dringen dat Obama een volwassene in het Witte Huis was, en men realiseert zich ineens hoe prettig het is dat het Witte Huis niet voortdurend in schandalen en drama’s was verwikkeld. Terwijl de lonen werden bevroren, bedrijven over de kop gingen, de onzekerheid toenam en de hoop verflauwde, probeerde Obama iets voor elkaar te boksen. Niet veel, niet genoeg – maar beter dan niets. Men kan serieuze, morele bedenkingen hebben bij Obama en zijn nalatenschap, en toch erkennen dat hij van grote waarde is geweest, gezien de alternatieven.

    Met Obama verliezen de Amerikanen een man die zowel zijn werk in dienst van het volk áls het volk zelf serieus nam; iemand die iets symboliseerde wat hemzelf oversteeg. Dit is het einde van de rit voor een leider die oprecht gelooft dat feiten van belang zijn; dat Amerikanen niet onnozel zijn; dat hun democratie een waarde vertegenwoordigt en dat de regering een bepaalde verantwoordelijkheid heeft; dat Amerika beter verdient.

    Auteur: Gary Younge
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Gary Younge (46) is verslaggever van The Guardian. Na te hebben rondgereisd in Soedan, Zuid-Afrika en tal van Europse landen, vestigde hij zich in 2003 in de Verenigde Staten. Hij is de auteur van No Place Like Home, een boek over de cultuur van zwarte Amerikanen in het zuiden van de VS.

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.