Bedrijven kunnen persoonlijke data voor onbepaalde tijd bewaren
Een rapport van de Amerikaanse Federal Trade Commission (FTC), dat woensdagavond werd gepubliceerd en gebaseerd is op verzoeken die vier jaar geleden werden gedaan aan negen techgiganten, ontdekte dat deze bedrijven grote hoeveelheden gegevens verzamelden, soms via persoonlijke gegevensmakelaars, en deze informatie voor onbepaalde tijd konden bewaren.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Hoewel deze surveillancepraktijken winstgevend zijn voor de bedrijven, kunnen ze de privacy van mensen in gevaar brengen, hun vrijheden bedreigen en hen blootstellen aan een aantal gevaren, van identiteitsdiefstal tot intimidatie’, benadrukt FTC-baas Lina Khan.
Het rapport laat met name zien dat ‘consumenten weinig controle hebben over hoe deze bedrijven hun persoonlijke gegevens gebruiken en delen’, merkt The Guardian op. Het agentschap beveelt daarom aan dat het Congres federale regelgeving aanneemt om de online privacy te beschermen.
Journalist Tobias Haberl van Süddeutsche Zeitung is pertinent tegen het afschaffen van contant geld. Een wereld zonder bankbiljetten en munten? Hij moet er niet aan denken – ook om politieke redenen. ‘Wie contant betaalt, laat geen sporen na en is minder berekenbaar, minder stuurbaar.’
Het was maar een kort berichtje afgelopen januari, maar omdat kleine nieuwsfeitjes vaak grote rampen blijken te zijn, sloeg me de schrik om het hart: elektronicawinkel Gravis, met veertig vestigingen in Duitsland, neemt geen contant geld meer aan. Je mag me cynisch of harteloos vinden, maar toen ik het hoorde, kon ik opeens aan niets anders meer denken; niet aan de oorlog, de elektriciteitsprijs, de klimaatverandering, het met de week afnemende aantal parkeerplaatsen bij mij in de buurt. Ineens had ik weer dat gevoel dat me al jaren achtervolgt: de angst dat er binnenkort wellicht geen bankbiljetten en munten meer zijn, en als ze er wel zijn, dan heb je er niets aan, zoals toen ik onlangs in een café mijn cappuccino niet kon betalen omdat ik wel een biljet van 100 euro, maar geen creditcard, laat staan een smartwatch bij me had.
De laatste tijd is die angst groter en op een of andere manier reëler geworden. Soms betrap ik mezelf erop dat ik me afvraag waarheen ik zou kunnen emigreren als cash al tijdens mijn leven verdwijnt. Nu de hele wereld uit zijn voegen raakt, kun je mijn paniek absurd of belachelijk vinden, maar aan de andere kant: is het in de loop van de geschiedenis niet altijd zo gegaan dat we ons concentreerden op de zogenaamde urgente problemen, terwijl andere, soms veel ernstiger kwesties uitgroeiden tot een catastrofe die door gebrek aan verantwoordelijkheid of uit naïviteit werd genegeerd? Onze afhankelijkheid van Russisch gas bijvoorbeeld?
Oké, het zal nog wel even duren, maar het gaat gebeuren, en de signalen zijn steeds duidelijker: dit najaar wil de Europese Centrale Bank een besluit nemen over het invoeren van de ‘digitale euro’, een elektronische versie van onze gemeenschappelijke munt. Al maanden wordt fel gediscussieerd over het verlagen van het plafond voor betalingen in contanten, soms zeggen ze 10.000 euro, dan weer 7000 euro. Tijdens de pandemie, toen bankbiljetten en munten (ten onrechte) als virusdragers werden bestempeld, bloeide niet alleen de onlinehandel op, maar zag je ineens ook overal pinapparaten verschijnen waar ze daarvóór niet waren, zelfs in het café op de hoek en in dönerzaken. Onlangs heb ik voor het eerst een onderbroek gekocht bij een zelfbedieningskassa. Ik hoefde hem maar in een bak te deponeren, model en prijs werden automatisch gescand, en dan: betalen met een kaart. O ja, mijn supermarkt doet daar nu ook aan mee. En laatst las ik een stukje waarin een auteur heel grappig en een beetje deprimerend beschreef hoe ze in Londen van haar pondbiljetten probeerde af te komen. Forget it. ‘Sorry, love, no cash’, kreeg ze vaak te horen. Inmiddels hebben zelfs straatmuzikanten een pinapparaat.
Het zou niet de eerste keer zijn dat we een stuk vrijheid opgeven voor het gemak en de zogenaamde veiligheid
De laatste zes jaar is het aandeel contante betalingen in de eurozone gedaald van 79 naar 59 procent. Zelfs Duitsers betalen steeds vaker digitaal, ook al houden ze traditioneel veel meer van cash dan bijvoorbeeld Scandinaviërs, die op de boerenmarkt zelfs appels met hun mobieltje betalen. Ook al zegt meer dan twee derde dat ze bankbiljetten en munten absoluut niet kwijt willen, ze gebruiken ze steeds minder. In Berlijn ligt het aandeel contante betalingen al onder de 26 procent. Het is net als met die gezellige boekhandel om de hoek: je bent blij dat hij er is, maar je bestelt je boeken toch veel te vaak bij Amazon. Weliswaar zijn eurobiljetten nog steeds het ‘enige onbeperkte wettige betaalmiddel’, maar als steeds minder mensen contant betalen, als het voor handelaren niet meer loont contant geld aan te nemen omdat de kosten in verhouding tot de omzet te hoog zijn, dan hoeft het niet eens formeel afgeschaft te worden, het sterft vanzelf uit, het mendelt uit, je raakt het per ongeluk kwijt. Het zou niet de eerste keer zijn dat we een stuk vrijheid opgeven voor het gemak en de zogenaamde veiligheid. In het digitale tijdperk lijkt het altijd te gaan om het afschaffen van prima werkende, analoge dingen, die ons daarna weer in digitale vorm in de maag worden gesplitst. Maar dan natuurlijk wel tegen provisie en ten koste van datadiefstal en controle.
Het is ingewikkeld geworden om überhaupt nog aan contant geld te komen; ik dwaal zelf in elk geval regelmatig door voetgangerszones op zoek naar een geldautomaat. Je rekent er al niet meer op dat die gratis zal zijn. Maar overal waar vroeger bankfilialen waren, zijn nu barber- en coffeeshops met een bordje bij de kassa: ‘Wij accepteren geen contant geld’. In feite gaat het met contant geld als met broodjes leverworst of dieselauto’s: het wordt niet alleen onpraktisch gevonden, maar ook achterhaald, een anachronistisch euvel, een symbool van de fossiele en patriarchale samenleving waar we zo snel mogelijk vanaf moeten komen. Digitaal betalen daarentegen geldt als transparant, duurzaam, toekomstgericht. Dat de CO₂-voetafdruk van één enkele bitcointransactie ongeveer gelijk staat aan een vlucht van New York naar Sydney? Wat kan het schelen. ‘Over twintig jaar denken we waarschijnlijk niet eens meer na over hoe we betalen,’ zegt Mastercard-directeur Michael Miebach. ‘Misschien gebeurt het met een knipoog, of met een glimlachje. Aan dat soort dingen werken we al.’
Eerlijk gezegd kan ik soms zelf niet geloven dat we in 2023 nog altijd betalen met een stukje papier met een getal erop. Het doet me denken aan de maaltijdbonnen uit bedrijfskantines, het ontroert me op een of andere manier. Ook kan ik sommige argumenten tegen contant geld best begrijpen: wisselgeld wordt overbodig, witwassen ingewikkelder, overvallen lonen niet meer. Bedrijven besparen personeel en geld, omdat contant geld geadministreerd, geteld en naar de bank gebracht moet worden. De productie van munten en biljetten valt weg; het fabriceren van één 1 eurocentmuntje kost tenslotte maar liefst 1,65 cent. En ja, ook ik word ongemakkelijk als vóór me aan de kassa een oudere heer minutenlang muntjes in zijn handpalm heen en weer schuift, er ook nog een laat vallen, zich bukt, niet meer overeind kan komen, enzovoort.
De Bundesbank heeft onlangs laten onderzoeken hoe lang de verschillende betalingsprocessen duren. Volgens dat onderzoek gaat betalen met smartphone of smartwatch het snelst (14 seconden), gevolgd door contactloos betalen zonder pincode (15,2 seconden), contant betalen (18,7 seconden), contactloos betalen met kaart en pincode (23,3 seconden) en tot slot de kaartbetaling waarbij de kaart wordt ingestoken (25,7 seconden). We zouden dus een paar seconden kunnen besparen, maar waarvoor? Let wel, ik heb niets tegen kaarten op zich, alleen tegen de beperking van mijn keuzemogelijkheden. Is het dat ik geen verstand van financiën heb, sentimenteel ben of sceptisch sta tegenover technologie? Waarschijnlijk niet. Ook vooraanstaand econoom Peter Bofinger zegt: ‘Een digitale euro is als alcoholvrije wijn. Wat wijn voor de meeste mensen waardevol maakt, is de alcohol, bij contant geld het feit dat het fysiek is.’
Erotische band
Ik heb een lichamelijke, bijna erotische band met contant geld. Ik zal het nooit in een portemonnee stoppen, ik heb het in mijn broekzak, wil het voelen, het horen rinkelen. Het gaat me ook niet om de waarde, maar om de aura, de materialiteit ervan. In Der Ring des Nibelungen van Wagner bezingen de Rijndochters het goud dat op de bodem van de rivier ligt ook niet omdat het waardevol is, maar omdat het zo mooi glanst. Dat is zo ongeveer hoe ik me voel. Een bundeltje bankbiljetten met een elastiekje erom? Love it. Ik weet nog dat ik als jongetje op Wereldspaardag met mijn spaarpot (een blauwe motorhelm) aandachtig luisterde hoe de muntjes door de mechanische telmachine ratelden. Ik hou trouwens van versleten munten en verkreukelde, gescheurde en weer slordig aan elkaar geplakte biljetten. Als ik er een in mijn vingers krijg, denk ik niet aan ziektekiemen of bacteriën, maar aan hoe het met de mensen zou gaan die het voor mij in handen hebben gehad en wat ze ermee hebben betaald: iets om mee op te scheppen of iets om te overleven? Iets overbodigs of iets noodzakelijks? Het klinkt misschien gek, maar even voel ik dan hoe alles met alles samenhangt, ik voel geschiedenis en noodlot, tragedie en geluk. Vroeger vond ik het mooi als iemand op het werk met een A5-envelopje van bureau naar bureau liep om geld in te zamelen voor de verjaardag van een collega. Sinds er alleen nog maar Paypal-gegevens worden rondgestuurd, geef ik niets meer.
Geld dat alleen nog uit datarecords bestaat, verliest zijn karakter. Het vertelt geen verhalen meer. Terwijl contant geld mensen met elkaar in contact brengt en ontmoetingen bewerkstelligt omdat het ‘overhandigd’ wordt. Als ik een bedelaar 50 cent geef, is het bijna altijd op het moment dat het muntje rinkelend in zijn beker valt, dat hij even opkijkt en onze blikken elkaar ontmoeten. Bent u weleens in een minibus door een Afrikaanse stad gereden? De munten worden van de achterste rij naar voren aan de chauffeur doorgegeven; even zijn alle inzittenden met elkaar verbonden, ze draaien zich om of tikken de man voor hen op de schouder, een choreografie van de solidariteit. Nu kun je natuurlijk zeggen dat je helemaal geen zin hebt om vreemde mensen aan te raken of in een gesprek betrokken te worden, maar dat is nou juist het probleem: dat we, nu alles steeds digitaler wordt, ons door spontane ontmoetingen eerder lastiggevallen dan verrijkt voelen. En contant geld heeft nog meer voordelen: er is geen elektriciteit voor nodig, het beschermt ons tegen phishing, behoedt ons voor negatieve rente en werkt disciplinerend, omdat het nu eenmaal makkelijker is een plastic kaartje op een pinapparaat te houden dan een briefje van 200 euro op tafel te knallen. Contant geld is nu eenmaal geen fictieve grootheid, maar heerlijk reëel.
Ik hou ervan dingen aan te raken en ernaar te kijken. Het maakt me nerveus dat zoveel dingen zich tegenwoordig aan hun aanschouwelijkheid onttrekken door zich te verstoppen op geheugenchips of in een cloud. Als alles onzichtbaar wordt, voel ik me hulpeloos, alsof belangrijke informatie me opzettelijk wordt onthouden. Ik besef dat er zonder contant geld geen koffers vol geld meer de kantoren van de EU kunnen worden binnengesmokkeld, maar ik heb zo’n idee dat via digitale kanalen veel doortraptere fraude mogelijk is. Zo zijn cryptocurrencies een geweldige manier om de herkomst van vermogen te verhullen. Volgens het Crypto Crime Report – ja, zoiets bestaat intussen – werd in 2022 minstens 23,8 miljard dollar witgewassen – een toename van 68 procent vergeleken met een jaar daarvoor. Na een cyberaanval wordt het losgeld allang niet meer in een plastic tas bij een benzinestation aan de snelweg betaald, maar in Bitcoin. Helaas worden niet alleen het recherchewerk, maar ook de criminelen steeds moderner, geraffineerder en digitaler.
Elke opwelling, elk verlangen, elk geheim, smerig of niet, kan door dataverzamelaars worden geregistreerd
En als techbedrijven, die hun miljarden toch al met onze persoonlijke data verdienen, de ene na de andere digitale betaaldienst ontwikkelen, ga ik er niet vanuit dat ze dat uit naastenliefde doen. Nieuwe mogelijkheden gaan altijd gepaard met nieuwe beperkingen. Bijna altijd hebben praktische oplossingen voor alledaagse problemen een prijs. Voor banken, techbedrijven en creditcardaanbieders is contant geld een nachtmerrie: hoe minder ervan is, hoe meer ze verdienen. Mocht het op een dag daadwerkelijk worden afgeschaft, dan zijn we definitief aan hen overgeleverd als volmaakt voorspelbare, transparante mensen. Al onze gewoontes, voorliefdes en wensen waar we geld voor uitgeven, zijn dan niet alleen toegankelijk voor de bedrijven die dat afhandelen, maar via big-data-applicaties ook voor alle aanbieders van goederen en diensten, voor de overheid en de geheime diensten. Elke opwelling, elk verlangen, elk geheim, smerig of niet, kan door dataverzamelaars worden geregistreerd, gevolgd en tegen ons worden gebruikt wanneer onze betalingsgegevens aan andere informatie worden gekoppeld, wat hoogstwaarschijnlijk ook zal gebeuren. Daarom gebruikt China al jaren de ‘digitale yuan’, daarom introduceert Rusland nu de ‘digitale roebel’.
Zonder contant geld verliezen we ons laatste restje vrijheid, wordt onze zogenaamd vrije samenleving een stuk gecontroleerder en ondemocratischer. Het is dan niet langer mogelijk op straat een munt van twee euro te vinden en onopgemerkt door de overheid, laten we zeggen, een appel te kopen. Het klinkt misschien banaal, maar het is van cruciaal belang dat u niet van deze aankoop kunt worden weerhouden, dat u de toegang daartoe niet kan worden ontzegd en u niet om een update of wachtwoord kunt worden gevraagd. Wie contant betaalt, laat geen sporen na en is minder berekenbaar, minder stuurbaar. Natuurlijk bevalt dat sommige mensen niet. En juist daarom is het belangrijk. Wie contant betaalt, is een vrijer mens.
Elke week pluist de redactie van 360 een actuele gebeurtenis voor je uit aan de hand van de internationale pers. Deze week kijken we naar de razendsnelle ontwikkeling van AI. Welke invloed gaat kunstmatige intelligentie hebben op ons werk en op de politiek?
Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief Buiten de grenzen, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – al vanaf €4 per maand – op 360 Magazine en abonneer je op de nieuwsbrieven.
Hoe werkt kunstmatige intelligentie (en waarom is dat bedreigend)?
‘Technologische revoluties beginnen meestal met weinig tamtam (…). Met kunstmatige intelligentie is dat anders. In de lente van 2023 merkten miljoenen technologiebewuste mensen en daarna het brede publiek binnen een paar weken dat er een transformatie plaatsvond die de aard van werk, leren en creativiteit en de taken van het dagelijks leven zou veranderen’, schrijft Walter Isaacson in The Wall Street Journal.
De razendsnelle opkomst van chatbots, zoals ChatGPT, en andere vormen van generatieve AI – computers die originele tekst of beelden kunnen genereren door zichzelf te trainen met enorme datasets – zal je vast niet zijn ontgaan. Maar hoe werkt kunstmatige intelligentie precies?
Kunstmatige intelligentie, beter bekend als AI (artificial intelligence), verwijst naar het vermogen van computers en computersystemen om taken uit te voeren die normaliter menselijke intelligentie vereisen. Hierbij valt te denken aan leren, redeneren, beslissingen nemen, problemen oplossen en menselijke taal begrijpen.
AI maakt gebruik van diverse technieken en benaderingen, waaronder machine learning, natuurlijke taalverwerking, beeldherkenning, neurale netwerken en expertsystemen. Bijzonder relevant is het belang van machine learning binnen kunstmatige intelligentie. Dit betreft het vermogen van computersystemen om automatisch te leren en te verbeteren door middel van ervaring, zonder expliciete programmering.
Laten we, om dit concreter in te maken, inzoomen op chatbots, zoals ChatGPT. ‘Chatbots kunnen niet denken zoals mensen: Ze begrijpen niet echt wat we zeggen’, schrijft The Washington Post. ‘Ze kunnen menselijke spraak nabootsen omdat de kunstmatige intelligentie die hen aanstuurt een gigantische hoeveelheid tekst tot zijn beschikking heeft, meestal afkomstig van het internet.’
Technologiebedrijven zijn nogal geheimzinnig over welke input ze hun AI-systemen geven. The Washington Post heeft een van deze datasets geanalyseerd om volledig te onthullen welke websites in de trainingsdata van een AI worden opgenomen. Uit het onderzoek bleek dat de dataset voornamelijk bestaat uit websites uit de journalistiek, entertainment, softwareontwikkeling, geneeskunde en contentcreatie. De drie sites die verantwoordelijk zijn voor de meeste data waren patents.google.com, met tekst van octrooien van over de hele wereld; wikipedia.org, de gratis online encyclopedie; en scribd.com, een digitale bibliotheek op abonnementsbasis.
Opvallend is dat ook websites die zich bezighouden met illegale activiteiten en websites met privégegevens deel uitmaken van de trainingsdata. Zo zijn er sites voor piraterij en namaakgoederen aangetroffen, evenals databases met gegevens van Amerikaanse kiezers.
Daarnaast zijn sommige websites met potentieel aanstootgevende inhoud niet correct gefilterd uit de trainingsdata, waaronder de extreemrechtse site stormfront.org. De auteurs van het WSJ-artikel waarschuwen daarom voor privacykwesties en mogelijke verspreiding van vooroordelen, propaganda en desinformatie door AI-chatbots.
Gezien het toenemende belang van AI-modellen in ons dagelijks leven zouden bedrijven transparanter moeten zijn over de inhoud van hun trainingsdata, stelt The Wall Street Journal. Als wij als gebruikers niet weten met welke data een AI is getraind, kunnen we ook niet de betrouwbaarheid van de output van een AI vaststellen.
Hoe gaat AI de manier waarop we werken veranderen?
‘Van landbouw en onderwijs tot gezondheidszorg en het leger, kunstmatige intelligentie staat op het punt de werkplek ingrijpend te veranderen. Maar kan het een positieve impact hebben – of staat ons een duistere toekomst te wachten?’ vraagt Philippa Kelly van The Guardianzich af.
Volgens Philip Torr, hoogleraar technische wetenschappen aan de Universiteit van Oxford, wordt de soep niet zo heet gegeten. Kelly ging te rade bij Torr, die stelt dat de feilbaarheid van AI-tools – die niet worden gedreven door emotie, maar door gegevens en algoritmen – betekent dat menselijke arbeid essentieel zal blijven. ‘Industriële revoluties in het verleden hebben doorgaans geleid tot meer werkgelegenheid, niet minder,’ aldus Torr tegen The Guardian. ‘Ik denk dat we het type banen zullen zien veranderen, maar dat is een natuurlijke ontwikkeling.’
Uit een recente raming van Goldman Sachs komt naar voren dat generatieve AI, zoals ChatGPT, taken zou kunnen automatiseren die overeenkomen met 300 miljoen voltijdse banen wereldwijd, schrijft The New York Times. De hoogste baas van IBM zei al eerder tegen de krant dat hij verwacht dat AI een grote impact zal hebben op hoogopgeleid werk, waardoor tot 30 procent van de functies overbodig wordt en nieuwe functies worden gecreëerd.
De Amerikaanse universiteit MIT, zo haalt The New York Times aan in een ander artikel, voerde onlangs een onderzoek uit naar de impact van ChatGPT op werk in human resources en marketing. De deelnemers kregen taken die doorgaans twintig tot dertig minuten duren, zoals het schrijven van nieuwsberichten en korte rapporten. Degenen die ChatGPT gebruikten voltooiden de opdrachten gemiddeld 37 procent sneller dan degenen die dat niet deden – een aanzienlijke productiviteitsverhoging. Ook meldden zij een toename van 20 procent in werktevredenheid.
Een andere studie, die NYT aanhaalt, onderzocht het effect van generatieve AI op softwareontwikkelaars. In een onderzoek uitgevoerd door GitHub voltooiden ontwikkelaars die werden aangemoedigd het programma Copilot te gebruiken, de basale taak die ze kregen opgedragen 55 procent sneller dan degenen die de opdracht handmatig uitvoerden.
Volgens het rapport van Goldman Sach kan generatieve AI de groei van de Amerikaanse arbeidsproductiviteit in tien jaar tijd met bijna 1,5 procentpunt per jaar doen toenemen en het jaarlijkse wereldwijde bruto binnenlands product met 7 procent kunnen verhogen. Ook zou het kunnen leiden tot voorheen ondenkbare creatieve beroepen.
Maar voor veel werknemers zal de onzekerheid wat betreft werk en inkomen enorm groeien, aldus NYT. Volgens een studie van onderzoekers van het Massachusetts Institute of Technology en de Universiteit van Boston is automatisering een belangrijke motor van inkomensongelijkheid in Amerika. Volgens hun schattingen is 50 tot 70 procent van de veranderingen in de Amerikaanse loonstructuur sinds 1980 te wijten aan inkomensverlies onder arbeiders en kantoorpersoneel als gevolg van automatisering.
‘Hoewel de makers van AI de nadruk leggen op het potentieel van de technologie om werkgelegenheid te creëren, zullen veel werknemers die op zoek gaan naar een nieuwe baan die goed betaalt en voldoening geeft, te maken krijgen met een ontwrichte arbeidsmarkt’, concludeert Emma Goldberg van The New York Times.
Hoe gaat AI de politiek veranderen?
‘Afhankelijk van wie je het in de politiek vraagt, zal de plotselinge vooruitgang in kunstmatige intelligentie de Amerikaanse democratie ten goede veranderen of haar ondergang bewerkstelligen’, schrijft Russel Berman van The Atlantic. ‘Momenteel zijn de doemdenkers luider. Stemvervalsingstechnologie en deepfakevideo’s jagen campagnestrategen angst aan.’
Er is echter ook een kamp dat denkt dat AI de kosten van campagnevoeren drastisch naar beneden kan brengen. Dit is vooral een belangrijke factor in de VS, waar veel geld nodig is om aan verkiezingen deel te nemen en kiezers achter je te krijgen. ‘Het resultaat zou een meer open en toegankelijke democratie kunnen zijn, waarin kleine, sobere campagnes kunnen concurreren met goed gefinancierde giganten’, aldus Berman.
Volgens de Atlantic-redacteur is het gebruik van generatieve AI-software zoals ChatGPT en DALL-E om digitale advertenties te maken, teksten te corrigeren en zelfs persberichten en fondsenwervingspraatjes te schrijven al gemeengoed in politieke campagnes in de VS. De Republikeinen hebben zelfs al een video uitgebracht die gemaakt is met door AI gegenereerde beelden om een dystopische toekomst voor te stellen als Biden opnieuw president wordt in 2024.
Dit creëert ook het risico dat met weinig middelen geloofwaardig nepnieuws en -video’s kunnen worden verspreid die de verkiezingen drastisch kunnen beïnvloeden. Zo zou ‘een overtuigende deepfake kunnen worden gepubliceerd aan de vooravond van de verkiezingen, waardoor er te weinig tijd is om het bericht op grote schaal te ontkrachten’, aldus Berman.
AI kan niet alleen worden toegepast in politieke campagnes, maar ook in beleid. ‘De fundamenten van beleidsvorming – in het bijzonder het vermogen om patronen van behoeften waar te nemen, op bewijs gebaseerde programma’s te ontwikkelen, resultaten te voorspellen en de effectiviteit te analyseren – vallen precies in de sweet spot van AI’, aldus het managementadviesbureau BCG in een paper die in 2021 werd gepubliceerd.’ Maar dit is niet zonder risico’s, volgens The Guardian.
Zo kunnen er vooroordelen bestaan in AI-systemen. ‘Algoritmen zijn slechts zo goed als de gegevens waarop ze zijn gebaseerd, en het probleem met de huidige AI is dat deze is getraind op gegevens die onvolledig of niet representatief zijn. Het risico op vooroordelen of oneerlijkheid is behoorlijk groot,’ zegt ook Darrell West, senior fellow bij het Center for Technology Innovation van het Brookings Institute tegen de Britse krant. Een ander risico is dat als overheden meer data gaan verzamelen over hun burgers om AI te trainen, deze data kunnen uitlekken of in de toekomst kunnen worden gebruikt om burgers te manipuleren.
Om willekeur in door AI-gestuurd beleid te voorkomen pleit Walter Isaacson in The Wall Street Journal voor een betere verhouding tussen mens en machine. ‘Het doel moet zijn ervoor te zorgen dat onze machines altijd verbonden zijn met menselijk handelen. Op zijn minst zou dat ervoor zorgen dat echte mensen verantwoordelijk en aansprakelijk zijn voor wat de machines doen. En in het beste geval zou het de kans verkleinen dat deze systemen op hol slaan en als het ware een eigen leven gaan leiden.’
Geen wonder dat er zowel techondernemers als politici oproepen om AI beter te reguleren. Zo ondertekenden verschillende experts en publieke figuren deze week een statement van het Center for AI Safety, waarin zij de risico’s van AI aan de kaak stellen.
Voor deze nieuwsbrief is gebruikgemaakt van DeepL als hulpmiddel bij het vertalen van citaten en ChatGPT voor het samenvatten van artikelen en als sparringpartner. Alle tekst is evengoed geschreven door een persoon en gecontroleerd door verschillende andere personen.
Zowel in de VS als Europa wordt TikTok aan banden gelegd uit vrees voor Chinese spionage en propaganda. Het inperken van de populaire app zou weleens een nieuw tijdperk van techregulering kunnen inluiden.
Keuze uit het archief
Afgelopen weekend won de extreemrechtse kandidaat Calin Georgescu de eerste ronde van de Roemeense presidentsverkiezingen. De winst verraste vriend en vijand, aangezien Georgescu er in de peilingen slecht voor stond. Hij zou zijn overwinning te danken hebben aan een TikTok-campagne waarin hij oproept te stoppen met de hulp aan Oekraïne. Om deze reden heeft de EU meteen na de verkiezingen een onderzoek ingesteld naar mogelijke inmenging van TikTok.
De argwaan van de EU ten aanzien van het Chinese sociale medium is niet nieuw, zo blijkt uit dit artikel van The Guardian van begin 2023. De Chinese app zou gebruikt worden om gebruikersgegevens te verzamelen en ingezet worden voor propagandadoeleinden van de Chinese regering. De reactie van westerse regeringen op TikTok kan een beslissende stap zijn in de manier waarop technologie de komende decennia gereguleerd zal worden, aldus het artikel.
De FBI noemde TikTok een bedreiging voor de nationale veiligheid. De Amerikaanse regering nam een wet aan die ambtenaren verplicht de app van hun telefoon te verwijderen. Senator Ted Cruz van Texas betitelde TikTok als ‘een Trojaans paard dat door de Chinese Communistische Partij kan worden gebruikt om invloed uit te oefenen op wat Amerikanen zien, horen en – uiteindelijk – denken’. En de CEO moet de app in maart verdedigen ten overstaan van het Amerikaanse Congres.
Voor wie het debat aan de andere kant van de Atlantische Oceaan niet heeft gevolgd, komt het doelwit van deze felle retoriek misschien als een verrassing: het betreft een app die vooral bekendstaat om de dansjes die viraal gaan, het lanceren van de socialemediasterren van generatie Z en het meesleuren van tieners in een bodemloze put van filmpjes.
Maar het vijandige debat over TikTok dat begon tijdens de regering-Trump, gaat voort onder president Biden. Behalve dat de app op alle apparaten van de federale overheid verboden is, hebben ten minste zevenentwintig staten TikTok op hun apparatuur geblokkeerd, waarmee ook een aantal publieke universiteiten wordt getroffen. Het Congres moet nog stemmen over een wetsvoorstel dat afgelopen december door Republikeinen én Democraten werd ingediend en dat beoogt het gebruik van de app door iedereen in de Verenigde Staten te verbieden.
De scepsis over TikTok is ook naar Europa uitgewaaierd. Sommige politici beweren – in navolging van hun collega’s in Washington – dat TikTok een veiligheidsrisico inhoudt en waarschuwen dat de app mogelijk gebruikersgegevens kan doorgeven aan de Chinese autoriteiten en kan worden gebruikt als propagandamiddel van de Chinese regering. De ruim een miljard maandelijkse actieve gebruikers van TikTok zouden subtiel in een richting worden gestuurd die aansluit bij de doelstellingen van het Chinese buitenlandbeleid.
In december werk bekend dat werknemers van TikTok de privacy van westerse journalisten hadden geschonden
Het is tekenend voor de toenemende spanningen tussen China en het Westen. De strijd om technologie heeft niet alleen te maken met werkelijke paranoia over spionage, maar is ook een handige arena voor geopolitieke grootspraak. In dit tijdperk van het ‘splinternet’ – waarin het web dat ooit open was uiteenvalt in verschillende rechtsgebieden – neemt de bezorgdheid over gegevenssoevereiniteit en informatiestromen toe. De reactie van westerse regeringen op TikTok kan een beslissende stap zijn in de manier waarop technologie de komende decennia gereguleerd zal worden.
Hoewel de beschuldigingen dat TikTok gebruikersgegevens overdraagt aan de Chinese overheid tot dusver niet konden worden gestaafd, kreeg de geclaimde betrouwbaarheid van de app in december een dreun. Toen werd bekend dat werknemers van ByteDance (het moederbedrijf van TikTok) zich toegang hadden verschaft tot TikTok-data, in een poging de verblijfplaats van verschillende westerse journalisten te achterhalen om achter hun bronnen te komen.
TikTok zegt dat het bij dit incident ging om ongeoorloofde toegang tot gegevens, en dat de verantwoordelijke medewerkers zijn ontslagen. Niettemin vergrootte de overtreding de zorgen over het bedrijf en over de regels van de app met betrekking tot dataprivacy.
In het Verenigd Koninkrijk riep het Conservatieve parlementslid Alicia Kearns – voorzitter van zowel de Foreign Affairs Select Committee als de China Research Group – TikTok eerder op om een verklaring af te leggen over de dataprivacy van Britse gebruikers. ‘In hun getuigenis zeiden ze zoiets als “dit zou nooit kunnen gebeuren”,’ zegt Kearns. ‘Nou, dat is dus duidelijk niet waar, want het is wel gebeurd.’ (Afgelopen oktober twitterde ByteDance dat ‘TikTok nooit is gebruikt om leden van de Amerikaanse overheid, activisten, publieke figuren of journalisten tot doelwit te maken’.)
Nagel aan de doodskist
TikTok had vorige maand een ontmoeting met Europese commissarissen om te praten over dataprivacy en het modereren van de inhoud. Dit gebeurde in de context van de vraag hoe het bedrijf van plan is te voldoen aan de nieuwe verordening van de EU voor digitale diensten. ‘Ze beginnen te beseffen dat TikTok niet zomaar een app is om mee te communiceren, om filmpjes naar elkaar te sturen, of voor ander vermaak,’ zegt het Belgische Europarlementslid Tom Vandendriessche. ‘TikTok verzamelt data van en over onze burgers.’
Overigens is TikTok niet het enige bedrijf dat zich daarmee bezighoudt: ook Amerikaanse bedrijven, waaronder Microsoft en Uber, werden in het verleden schuldig bevonden aan het volgen van individuele gebruikers via hun producten. Maar in de VS kwam het nieuws voor TikTok op een zeer gevoelig moment. ‘Dit zou de laatste nagel aan de doodskist moeten zijn voor het idee dat de VS TikTok kunnen vertrouwen,’ twitterde Brendan Carr, lid van de Amerikaanse Federal Communications Commission.
Ook bedrijven als Facebook en Google zijn verstrikt geraakt in de Europese privacywetgeving
In Europa wordt het gesprek enigszins anders gevoerd. Tot dusver is men er minder geneigd om TikTok uit te sluiten op grond van de locatie van het moederbedrijf. De app ligt onder een vergrootglas vanwege bezorgdheid over de dataprivacy. De Ierse commissaris voor gegevensbescherming begon in 2021 twee onderzoeken naar het bedrijf. Het ene richt zich op de omgang met gegevens van kinderen, het andere onderzoekt of de gegevensoverdracht naar China overeenstemt met de datawetgeving van de EU. (Over het eerste onderzoek is een ontwerpbesluit ingediend.)
Dit geldt echter niet uitsluitend TikTok. Ook bedrijven als Facebook en Google zijn verstrikt geraakt in de Europese privacywetgeving, en de EU strijdt momenteel met de VS over de vraag of EU-gegevens daarheen mogen worden verzonden, uit angst dat ze kunnen worden opgeslokt door Amerikaanse inlichtingendiensten.
‘Sommige vragen over TikTok en onze Chinese achtergrond zijn gepolitiseerd, maar wij nemen nationale veiligheidsbelangen zeer serieus,’ zegt Theo Bertram, vicepresident openbaar beleid en overheidsrelaties Europa van TikTok.
Overdreven
Ongeacht waar je je bevindt: hoe serieus moet je alle waarschuwingen nemen? Sommige technologie-experts zeggen dat de beschuldigingen enigszins overdreven zijn. Voor zowel de bedreiging van dataprivacy als de manipulatie van de inhoud, die door politici worden genoemd, ontbreekt momenteel overtuigend bewijs, zegt Graham Webster, onderzoeker en hoofdredacteur van het DigiChina Project aan het Cyber Policy Center van de Stanford-universiteit in Californië.
‘Ik denk dat beide mogelijk zijn, maar op dit moment is voor allebei een aanzienlijke hoeveelheid fantasie nodig om ze daadwerkelijk als een bedreiging voor de nationale veiligheid van de VS te zien,’ aldus Webster. Hij vindt niet dat het in dit stadium onredelijk is om te denken dat Chinese ambtenaren mogelijk ongeoorloofde toegang hebben tot de data van TikTok-gebruikers. ‘Maar je zult moeten beargumenteren waarom die toegang zodanig kan worden gebruikt dat hij een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid,’ zegt hij.
De gegevens waarover TikTok beschikt zijn niet uniek. De app kan locatiegegevens verzamelen, maar moet gebruikers om toestemming vragen alvorens gedetailleerde gps-data te kunnen traceren. Als de gebruiker weigert, kan de locatie alleen grofweg worden geregistreerd. (Een woordvoerder van TikTok beweerde dat medewerkers er juist daarom niet in slaagden journalisten op te sporen.) Bovendien worden diezelfde gegevens ook verzameld door allerlei andere apps. Ze worden routinematig verkocht aan externe datamakelaars, die ze aanbieden aan potentiële kopers.
Trojaans paard
‘Er zijn allerlei manieren waarop buitenlandse regeringen toegang kunnen krijgen tot data in de Verenigde Staten,’ zegt Anupam Chander, hoogleraar recht en technologie aan het Georgetown University Law Center in de stad Washington. ‘Het lijkt onwaarschijnlijk dat TikTok doelwit is van gegevensverzameling door de Chinese overheid, omdat activiteiten op de app een grotendeels openbaar karakter hebben.’
Maar hoe zit het dan met het ‘Trojaanse paard’ van Cruz? Zorgt TikTok er stiekem voor dat generatie Z hunkert naar de Chinese Communistische Partij? In 2019 onthuldeThe Guardian dat de richtlijnen voor moderatoren van de app aangaande de omgang met opruiende inhoud toevalligerwijs als bijproduct opleverden dat berichten over Tiananmen, Tibetaanse onafhankelijkheid of Falun Gong – allemaal onderwerp van onderdrukking door Beijing – werden gecensureerd. Het bedrijf benadrukte destijds dat deze documenten met richtlijnen niet langer in overeenstemming waren met het beleid. Sindsdien zouden strategieën voor de beperking van de inhoud zijn ingevoerd die per regio worden afgestemd.
Uit een studie bleek dat TikTok goed scoorde wat betreft de bestrijding van onoprechte manipulatie
Uit een studie uit 2021/2022 van het Strategic Communications Centre of Excellence van de NAVO bleek dat TikTok gunstig afstak bij andere platforms wat betreft de bestrijding van onoprechte manipulatie (het kwam op de tweede plaats, na Twitter en voor Facebook, Instagram en YouTube). Het rapport doet de aanbeveling om meer samen te werken met externe onderzoekers om onderzoek van moderatie van de inhoud op het platform te vergemakkelijken – iets waar de app volgens een woordvoerder van TikTok voorstander van is.
TikTok heeft herhaaldelijk gezegd dat westerse gebruikersdata niet in China worden opgeslagen, dat het nooit gebruikersdata met Chinese ambtenaren heeft gedeeld en dat ook nooit zal doen, en dat zijn mondiale strategie voor moderatie van de inhoud niet afhankelijk is van Beijing. Desondanks hebben TikTok en de Amerikaanse Commissie voor Buitenlandse Investeringen in de Verenigde Staten (CFIUS) de afgelopen zes jaar onderhandeld over een overeenkomst die de bezorgdheid van Amerikaanse politici uiteindelijk moet wegnemen.
Datacentra in VS en Europa
Het 1,5 miljard dollar kostende Project Texas behelst de oprichting van een datacentrum dat Amerikaanse gebruikersgegevens zal opslaan in Texas, onder toeziend oog van Oracle, de Amerikaanse softwaregigant die wordt geleid door miljardair, financier van de Republikeinse Partij en Trump-bondgenoot Larry Ellison. Om de vrees voor manipulatie van de inhoud ten dienste van de Chinese overheid weg te nemen, zal Oracle ook de broncode en de inhoudsalgoritmen van de app onderzoeken.
TikTok wil nu iets soortgelijks in Europa. Het bedrijf zet een datacentrum op in Ierland waar de gegevens van gebruikers in het Verenigd Koninkrijk en de EU zullen worden opgeslagen.
Door deze maatregelen liggen de datapraktijken van de app veel meer onder een vergrootglas dan die van zijn concurrenten in Silicon Valley, zegt Webster. ‘Uitgaande van de informatie over hoe Project Texas eruit gaat zien,’ zegt hij, ‘klinkt het volgens mij alsof ze het hebben over maatregelen die in principe potentiële veiligheidsrisico’s moeten beperken – zoveel als redelijk is.’ Of dat genoeg zal zijn om toezichthouders tevreden te stellen is een andere kwestie.
Facebook heeft een lobbycampagne tegen TikTok gesteund die inspeelde op de angst voor privacy
Een partij die de onderhandelingen met belangstelling volgt, is Facebook, dat TikTok als een existentiële bedreiging ziet. Vorig jaar onthulde The Washington Post een door Facebook gesteunde lobbycampagne tegen TikTok die specifiek inspeelde op de angst voor dataprivacy. Dat zou weleens goed besteed geld kunnen blijken, aangezien TikTok-gebruikers zeggen dat ze bij een verbod op de app waarschijnlijk zouden overstappen naar Instagram (dat eigendom is van Facebook) of andere sociale media.
Met meer verboden wordt de kans op juridische procedures over de vrijheid van meningsuiting groter. Er zijn duidelijke overeenkomsten tussen het verbieden van apps en het strenge toezicht van de Chinese overheid op internet. En dat is vooral ironisch voor de Republikeinen, die zich de afgelopen jaren druk zeiden te maken over de vrijheid van meningsuiting.
Maar over één ding is er overeenstemming, namelijk dat dit alles voor de VS een katalysator moet zijn om nu eindelijk eens in algemenere zin na te denken over gegevensbescherming. ‘Het idee dat buitenlands eigendom de basis is om in te grijpen bij TikTok lijkt onverstandig,’ zegt Chander. ‘We moeten naar een ruimere aanpak, waarbij we in bredere zin onderzoeken wat de nationale veiligheidsrisico’s van gegevensstromen zijn.’
Hij is niet de enige die hoopt dat het TikTok-debat de totstandkoming van een nationale privacywetgeving bespoedigt, zodat Amerikaanse consumenten op alle apps worden beschermd, en niet alleen op TikTok.
Data zijn de grootste schat van de digitale samenleving. Ze worden opgeslagen in gigantische serverfarms. Wat particuliere ondernemingen ermee doen bedreigt niet alleen het milieu, maar ook de democratie.
Wie inzicht wil krijgen in de problemen van de toekomst, de bedreiging van de democratie en het controleren van burgers, hoeft maar te kijken naar de toekomststad die architectenbureau Snøhetta momenteel in Noorwegen plant. Op het eerste gezicht lijkt het ontwerp geenszins problematisch, integendeel. Uit de nevel doemt een reusachtig gebouw op dat enigszins doet denken aan de beroemde Neue Nationalgalerie in Berlijn, alleen lijken de pilaren in dit ontwerp op berkenstammen. Door een moerassig landschap loopt iemand op het gebouw af. Alles is groen en idyllisch. Het gigantische gebouw zelf is een serverpark, een datacentrum. Snøhetta ontwierp het voor het Nokia-concern, vastgoedontwikkelaar Miris en twee Scandinavische bouwbedrijven. Het geheel heet The Spark, en voor het eerst moet een datacentrum het centrum van een kleine stad worden en een paar woonwijken voorzien van de enorme warmte die bij het koelen van de servers als afvalproduct vrijkomt. De serverfarm vormt ‘zowel het lichaam als de hersenen’ van de nieuwe stad, jubelen de architecten. Boven op de hersenen groeien groenten en waterlelies: op het openbare dakterras komen een contemplatieve zenvijver en bloemperken. Op deze manier moet ‘de menselijke factor in ons gedigitaliseerde, door smartphones beheerste leven, worden teruggebracht’, aldus de architecten.
Dat in de serverracks in de eerste plaats de problemen worden gefabriceerd – dankzij manipulatie op basis van data die gebruikers van mobiele telefoons opzettelijk verslaafd maken – waarvan het omhulsel van The Spark hen daarboven met vijver en wortelen wil genezen, is slechts een van de vele paradoxen van deze nieuwe wereld. Is het een goed idee dat burgers hun data, de basis voor participatie en politiek in het digitale tijdperk, afstaan aan particuliere bedrijven in ruil voor gratis verwarming, een beetje zenpraat en een gratis ecowortel?
Datacentra zijn de zetel van de macht
Tot dusver toonde het publiek weinig belangstelling voor datacentra. Toch zijn deze voor het digitale tijdperk wat het kasteel was voor de middeleeuwen: de zetel van de macht. In de moderne consumptiemaatschappij draaide het om de kantoortorens van de grote concerns; de wolkenkrabbers van Woolworth en Chrysler waren al van veraf te zien, als uitroeptekens achter de verkondiging wie het in het kapitalisme voor het zeggen had. De huidige digitale revolutie verandert alles radicaler dan ooit, de invloed van digitale concerns op de economie en de politiek is overduidelijk, maar deze verschuivingen hebben zich nog niet afgetekend in de steden. Verscholen, op het platteland of aan stadsranden maakt de bouw van datacentra echter een bliksemsnelle groei door: in 2019 waren er alleen al in de Verenigde Staten ruim 3 miljoen datacentra en meer dan 500 hyperscalers; extreem grote datacentra.
Dat de centra liever onzichtbaar bleven heeft vele redenen. Een daarvan is de milieuvervuiling die wordt veroorzaakt door het immateriële internet en zijn luchtige clouds. Datacentra verbruiken ondanks alle inspanningen om klimaatneutraal te worden namelijk nog steeds buitensporige hoeveelheden energie. Het internet brengt nu al meer schade toe aan het milieu dan alle luchtverkeer. Als het wereldwijde web een land was, zou het wat betreft elektriciteitsverbruik en de uitstoot van klimaatgassen meteen na de Verenigde Staten en China komen. Vooral servers en datacentra verbruiken enorme hoeveelheden: in Europa is hun energiebehoefte tussen 2010 en 2020 met 55 procent gestegen tot 87 terawattuur. 2 procent van alle broeikasgasemissies in de wereld is uitsluitend toe te schrijven aan serverfarms, 8 procent van de wereldwijd geproduceerde elektriciteit gaat naar het transport van data op eindapparaten.
Volgens het klimaatrapport van Frankfurt zal de stad zijn energiedoelstellingen niet halen vanwege de elektriciteitsvraag van zijn servers. In 2020 hebben de serverfarms in Frankfurt 60 procent meer elektriciteit verbruikt dan alle 400.000 huishoudens in de stad, en die hoeveelheid loopt nog op. Hoe groter de hoeveelheid data die nodig zijn voor Big Data, cloudcomputing en kunstmatige intelligentie, hoe gigantischer de opslagbehoefte. Steeds meer kleine en middelgrote bedrijven slaan hun data elders op, grote bedrijven bouwen de hardware zelf. De grootste hyperscaler is Amazon Web Service (AWS). Dit cloudplatform levert een forse bijdrage aan Amazons bedrijfsresultaat, méér dan de pakketverzending: ongeveer twee derde van Amazons beurswaarde is te danken aan AWS. De op een na grootste hyperscaler is Azure (Microsoft), Google volgt op de derde plaats.
Collectieve schat
Digitale concerns verzamelen niet alleen de data van hun gebruikers, ze bouwen ook de raffinaderijen waar ze worden opgeslagen en geanalyseerd en behandelen deze data in de streng beveiligde faciliteiten als hun privé-eigendom. Dat is niet probleemloos, alleen al omdat op deze manier het digitale gedrag van burgers wordt voorspeld en gemanipuleerd. En aangezien deze ondernemingen bijna allemaal in de Verenigde Staten of in China zijn gevestigd, staat niet alleen de technologische, maar ook de economische en politieke soevereiniteit van Europa op het spel.
Het feit dat data de brandstof en de grootste economische schat van het digitale informatietijdperk zijn, staat in schril contrast met de naïviteit waarmee gewone burgers uit gemakzucht op de ‘accepteer alles’-optie klikken en zo hun gegevens prijsgeven. Toch hebben veel onderzoekers indrukwekkend beschreven hoe mensen kunnen worden gemanipuleerd op basis van de analyse van gedragsgegevens, hoe algoritmes raciale vooroordelen en sociale ongelijkheid vergroten en helpen bij de verspreiding van nepnieuws. In haar studie Dirty Data, Bad Predictions beschrijft Rashida Richardson hoe in de Verenigde Staten zelfs politiebureaus die zich schuldig hebben gemaakt aan ‘vooringenomen racistische of anderszins illegale’ praktijken data blijven verstrekken voor de ontwikkeling van nieuwe geautomatiseerde systemen die agenten ondersteunen in hun werk. Datamisbruik kan fatale, zelfs dodelijke gevolgen hebben. Uit een onderzoek van Berkeley bleek dat algoritmes in de Verenigde Staten Latino’s en mensen uit zwarte gemeenschappen bij voorbaat afkeuren wanneer zij zich aanmelden voor een leegkomende woning. Naar verluidt zijn er onder hen namelijk meer wanbetalers.
Als data de grootste collectieve schat van een digitale samenleving zijn – goud, olie, de grondstof van de eenentwintigste eeuw, het basismateriaal voor bedrijfsleven en politiek – en het bezit ervan de waarborg is voor democratie en transparantie, moeten ze dan niet worden behandeld als gemeengoed, als deel van de openbare infrastructuur? Als we niet willen dat de gezondheidszorg van burgers in de toekomst wordt overgenomen door Google-werknemers en het vervoer door Uber – en dat de enorme winsten van beide bedrijven richting de Verenigde Staten stromen – hebben we regulering nodig van het tot nu toe wildwestachtige wegvloeien van data, en hebben we instellingen nodig die de digitale soevereiniteit van Europa (en, net zo belangrijk, van Afrika) kunnen garanderen ten opzichte van Amerikaanse en Chinese concerns: Europa’s eigen techbedrijven, meer kwantumcomputers, betere algoritmes én datacentra die deel uitmaken van de openbare infrastructuur.
In zijn essay Big data for the people: it’s time to take it back from our tech overlords pleit Ben Tarnoff ervoor dat de maatschappij, en niet de industrie, bepaalt of en hoe haar hulpbronnen worden gebruikt – big data vormen daarop geen uitzondering. Het zou voldoende zijn om data publiek goed te noemen. Bedrijven kunnen doorgaan met het verfijnen ervan en worden betaald om ze te analyseren, maar op onze voorwaarden en ‘ten behoeve van ons welzijn’. Maar wie definieert dit ‘welzijn’? Wie bepaalt of de analyse van persoonsgegevens voor een gezondheidsapp in het belang is van het ‘welzijn’ van de gebruiker (zoals de providers zouden beweren) dan wel dient om hem bang te maken en ertoe aan te zetten meer producten en apps te kopen die de gezondheid helpen verbeteren en zo de kassa’s van diezelfde providers te vullen? De staat? De burger? Vooral inwoners van het mondiale zuiden moeten de soevereiniteit over hun data veiligstellen en deze ‘nationaliseren’, betoogt Ulises Ali Mejias, directeur van het Institute for Global Engagement aan de State University van New York. Niet alleen olie, kostbare aardmetalen en grondstoffen, maar ook data worden daar op grote schaal gewonnen door westerse en Chinese concerns: er is sprake van een nieuw datakolonialisme.
In tijden van datakapitalisme is een openbare serverfarm een symbool van burgerlijke vrijheid
Alleen al daarom is er dringend behoefte aan een publieke plaats waar zichtbaar wordt hoe sterk gegevensopslag en macht met elkaar verweven zijn, hoe groot het gevaar is de controle te verliezen en hoe belangrijk het is om de data niet te verzamelen op de servers van grote particuliere ondernemingen, maar decentraal in handen van burgers te leggen. Alleen op die manier is een nieuwe rol voor burgers mogelijk, een nieuwe rijkdom voor iedereen. Maar hoe zou deze publieke plaats er dan uit kunnen zien?
Het is de taak van de staat om iets nieuws te bouwen dat alle onbegrijpelijke technologieën die meer dan wat ook een stempel drukken op het leven, zichtbaar en begrijpelijk maakt: een hybride gebouw bestaande uit een datacentrum, bibliotheek en museum van de toekomst, een nieuwe onderwijsinstelling waar de gehele bevolking, scholieren en politici kunnen leren hoe gevaarlijk het heersende bedrijfsmodel van het digitale kapitalisme is voor democratie en zelfbeschikking. Deze openbare serverfarm zou programmeerscholen, tentoonstellingsruimten en onderzoeksfaciliteiten kunnen huisvesten en eveneens een centrum kunnen zijn voor digitale soevereiniteit. Ook in kleinere steden en dorpen zouden lokale gedecentraliseerde servers nieuwe openbare plaatsen kunnen worden, zoals gemeenschapshuizen, dorpsscholen en bibliotheken dat ooit waren.
De enorme hitte die vrijkomt bij het koelen van de data zou ook hier de basis kunnen vormen voor een volledig nieuwe openbare – en niet, zoals bij The Spark, particulier geëxploiteerde – architectuur: bibliotheken, sporthallen, kassen, zwembaden, een collectieve dorpshuiskamer, overkoepelde tropische altijd groene woongebieden. In tijden van datakapitalisme zou zo’n openbare serverfarm een symbool van burgerlijke vrijheid zijn, zoals het stadhuis dat ooit was als tegenwicht voor het kasteel van de feodale heer; een schatkamer van het digitale tijdperk waarin data als collectief eigendom, als ‘publiek goed’ worden beschouwd.
Deze tekst is een fragment uit het boek van Niklas Maak: Servermanifest Architectur der Aufklärung: Data Centra als Politik-maschinen. Met een voorwoord van Francesca Bria. Hatje Cantz Verlag, 112 blz. met vele afbeeldingen, € 17,99. Het boek is op 13 juni 2022 verschenen.
De Ierse toezichthouder (DPC) heeft de Meta-groep (voormalig Facebook), eigenaar van Instagram, een zware sancties van 405 miljoen euro opgelegd wegens het schenden van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De boete is met name uitgevaardigd voor het schenden van de privacy van minderjarigen.
Het onderzoek, dat al twee jaar loopt, richtte zich op twee overtredingen, legt techsite The Verge uit. Ten eerste het feit dat Instagram ‘jonge gebruikers tussen dertien en zeventien jaar toestaat professionele accounts aan te maken op het platform, waarbij hun gegevens openbaar worden gemaakt’. Ten tweede wordt het sociale netwerk ervan beschuldigd ‘de accounts van sommige jonge gebruikers standaard openbaar te maken’.
Dit is de derde en grootste boete die de Ierse toezichthouder aan Meta heeft opgelegd. In 2021 werd al 225 miljoen euro van WhatsApp geëist vanwege het gebrekkige privacybeleid, schrijft The Verge. Het bedrijf van Mark Zuckerberg heeft verklaard in beroep te gaan.
Om überhaupt een reputatie te krijgen online bestaat een wildgroei aan bedrijven die voor een aanzienlijk honorarium een socialmediaplan opstellen waarmee u of uw onderneming boven aan een zoekmachine komt te staan. De klantenkring van deze commerciële branche bestaat vooral uit grote merken en beroemdheden, laten we zeggen partijen met voldoende budget om het digitale reputatiemanagement voortdurend bij te houden. Want dat loopt in de papieren.
Maar stel dat die jarenlange opgebouwde naam en faam opeens nogal slecht uitkomen? Zakenlui en politici kunnen daar bijvoorbeeld nog wel eens last van hebben. In eigen land worstelde een actrice met een filmpje dat viraal ging, wat he-le-maal niet de bedoeling was. Probeer die digitale sporen maar eens uit te wissen.
Wat de witwassers met geen mogelijkheid weggewassen krijgen is dat er gewassen wordt
Wereldwijd zijn er in de afgelopen jaren talloze witwasbedrijven uit de grond gestampt die voor 2500 dollar een onwelgevallige url van het web kunnen halen. Sinds 2014 hebben inwoners van de Europese Unie namelijk ‘het recht om vergeten te worden’, wat betekent dat ze bij Google een nogal omslachtig verzoek moeten indienen om privacy-gevoelige desinformatie over zichzelf te laten verwijderen. Daar wordt door particulieren vrijwel geen gebruik van gemaakt omdat de criteria die Google hanteert nogal complex zijn en veel tijd in beslag nemen. Commerciële bedrijven zagen een gat in de markt en boden hun diensten aan om straatjes schoon te vegen. De vraag rijst dan al snel of het ethisch te verantwoorden is, en waar die grens dan ligt. En wie dat bepaalt.
Het zal niemand verbazen dat de moraal in deze bedrijfstak ver te zoeken is, ‘ja hoor ’ns even, we zijn geen rechters’, en dat zijn ze inderdaad niet. Of de werkwijze van de door Rest of World op de korrel genomen witwasserette Eliminalia (sinds 2013 met hoofdkantoren in Barcelona en Kyiv) door de beugel kan, valt te betwijfelen. Copyrightclaims en loze juridische aanmaningen inzetten om artikelen van internet te laten halen waarin cliënten in verband worden gebracht met belastingontduiking, corruptie en drugshandel, mag dat?
Nog wel. Terwijl het recht om vergeten te worden een recht is voor iedereen die zijn of haar naam wil zuiveren, blijkt uit documenten dat het toch vooral corrupte politici zijn die soms honderden artikelen en internetpagina’s voor grof geld willen laten verwijderen. Wat de witwassers met geen mogelijkheid weggewassen krijgen, is dat er gewassen wordt. Hoewel ze daar in sommige landen een uitgebreid wapenarsenaal voor hebben.
In Chengdu, in het westen van China, werd het privéleven van een jonge vrouw die besmet was met het coronavirus openbaar gemaakt op sociale media. Ze kreeg een golf van online haat en bedreigingen over zich heen.
‘Als je eenmaal besmet bent met het coronavirus, heb je dan geen recht meer op privacy?’ schrijft Phoenix Weekly uit Hongkong. Het antwoord is duidelijk nee – in China althans.
Dinsdag publiceerde de Gezondheidscommissie van de stad Chengdu, de hoofdstad van provincie Sichuan, informatie op het sociale netwerk Weibo over drie mensen die met covid-19 besmet waren. Het betreft een familie die bestaat uit een jonge vrouw en haar twee grootouders. ‘Patiënt 1: Zhao, vrouw, 20 jaar oud, zonder vast werk.’
De gezondheidscommissie heeft ook de verblijfplaats van de familie bekendgemaakt, zoals gebruikelijk sinds het begin van de epidemie. Ze vermeldde alleen de wijk waar de familie woont, maar heeft wel de exacte locaties aangegeven die de jonge vrouw de afgelopen veertien heeft bezocht, zoals het park, een nagelsalon, een restaurant en drie bars, die allemaal met naam en toenaam worden genoemd.
Delen van Chengdu werden afgesloten om het virus meteen in te dammen, waardoor velen zich beklaagden over de overlast die dat veroorzaakte. Maar al snel richtten de pijlen van het publiek zich op de levensstijl van de jonge vrouw en begonnen de slutshaming en online haat, aldus de Hongkongse krant South China Morning Post.
South China Morning Post maakte een item over het rigoureuze ingrijpen in Chengdu om het virus in te dammen na recente gevallen.
Klopjacht
Internetgebruikers organiseerden een klopjacht naar het identiteitskaartnummer van de vrouw, foto’s, voor- en achternaam en haar exacte adres, die vervolgens werden gepost op Chinese sociale netwerken, samen met een minutieus verslag van waar ze allemaal was geweest. Bijvoorbeeld: ‘Op 2 december bezocht ze rond 18 uur ’s avonds haar grootouders en heeft ze vervolgens dertig minuten met hen gegeten’, of: ‘Om 14.00 uur op 5 december verliet ze haar woning om een pakketje op te halen.’
In China wordt de publicatie van nauwkeurige gegevens over de plaatsen die door geïnfecteerde mensen worden bezocht, beschouwd als een effectieve manier om de verspreiding van de epidemie tegen te gaan: zo blijft iedereen waakzaam en kunnen de contacten van de besmette persoon worden nagetrokken. Maar die aanpak heeft ernstige gevolgen gehad voor deze jonge vrouw, die een lawine van persoonlijke aanvallen over zich heen kreeg.
Massaal vielen de internetgebruikers over haar openbaar gemaakte uitgaansleven, toen het volgende werd gepost: ‘Om middernacht op 6 december nam ze met vier vrienden een taxi naar de Haiwuli-bar, waar ze tot 3 uur ’s nachts bleven. Toen nam ze met drie van de vier vrienden een taxi naar de Heben-bar.’
‘Koningin van de bar’
Kort daarna werd het slachtoffer door Chinese reageerders de ‘koningin van de bar’ genoemd. Ook werd ze aangevallen op haar losbandigheid: ‘Op haar leeftijd heeft ze plezier in bars, in plaats van dat ze thuisblijft. Ze is geen goed mens’ en: ‘Ze is 20, ze zit niet op school, heeft geen werkt, ze huurt een flat in haar eentje en hangt rond in bars. We weten allemaal wat ze echt doet.’
Anderen verdedigden Zhao, aldus SCMP. Catch Up, een Weibo-blog dat zich richt op gendergelijkheid, zei dat Zhao’s levensstijl veel voorkomt onder jongeren en dat ze niet bekritiseerd moet worden.
Het lijkt erop dat de officiële media een beslissende rol hebben gespeeld in deze openbare lynchpartij
CCTV, het grootste televisiestation van China, probeert de zaak op Weibo te kalmeren door te schrijven dat ‘angst voor de epidemie geen aanleiding mag geven tot een dergelijke uitbarsting van online geweld’. Toch lijkt het erop dat de officiële media een beslissende rol hebben gespeeld in deze openbare lynchpartij. Met name een artikel van het Volksdagblad, de krant van de Communistische Partij, met de kop: ‘Dringend opsporingsbericht’, waarin de gangen van de jonge vrouw werden gespecificeerd. De officiële partijkrant verspreidde dus privacygevoelige aanwijzingen met het doel haar op te sporen.
‘Niet zo lang geleden plaatste de overheid op WeChat de telefoon- en identiteitskaartnummers van mensen in mijn stad die als contactpersonen werden geïdentificeerd’, zei een internetgebruiker op Weibo. ‘Als dit zo doorgaat, is niemand veilig voor [online haat]’, schreef een ander.
Een 24-jarige man is gestraft voor het verspreiden van persoonlijke informatie van de jonge besmette vrouw, meldt South China Morning Post. SCMP laat ook weten dat het slachtoffer een verklaring heeft gepost dat zij en haar familie online zijn aangevallen en dat ze bedreigingen heeft ontvangen op haar telefoon. Ook schrijft ze dat ze niet zou zijn uitgegaan als ze wist dat ze besmet was. ‘Ik heb toevallig covid-19 gekregen, ik ben ook een slachtoffer.’
‘Smart dust’ is binnen bereik: piepkleine sensoren die energie uit de lucht kunnen halen. Ze bieden allerlei mileuvriendelijke mogelijkheden. Maar het wordt ook een koud kunstje om overal miniscule bewakingscamera’s te plaatsen.
Het idee van een perpetuum mobile, een apparaat dat eeuwig blijft bewegen als het eenmaal in gang is gezet, slaat nergens op. De energie die zo’n apparaat nodig heeft, moet ergens vandaan komen. Maar een nieuwe variatie op dat oude idee, een superzuinig apparaat dat zijn energie aan de omgeving onttrekt, is geen hersenspinsel meer. Sommige mensen spreken al van perpetuum-computers. Zo’n apparaat dat energie uit de lucht haalt hoeft nu al niet groter te zijn dan drie stuivers op elkaar. En er is geen natuurwet die verhindert dat ze ooit zo klein worden dat we ze overal in kunnen stoppen. Stel je voor: piepkleine sensoren die geluid, trillingen, chemicaliën, licht of beweging waarnemen en niet afhankelijk zijn van netstroom of batterijen.
De eerste generatie zullen onopvallende, zelf rekenende sensoren zijn met draadloze zendertjes met een bereik tot wel een kilometer. De eerste toepassingen waaraan gedacht wordt, worden nu vaak al uitgevoerd door hun broertjes op batterijen of netstroom: de sensoren die gebruikt worden in ‘slimme’ fabrieken, huizen en wearables. Uiteindelijk denken deskundigen dat deze piepkleine apparaatjes met hun onuitputtelijke energie ons in staat zullen stellen om dingen te doen die nu nog niet mogelijk zijn. Overal waar we willen piepkleine bewakingscamera’s plaatsen bijvoorbeeld. Of elke vierkante meter van een boerderij volhangen met sensoren.
Of onze auto’s en huizen volstouwen met sensoren die zowel onze veiligheid als de efficiëntie van onze kostbaarste bezittingen verhogen. Er bestaat al een term voor zulke potentieel alomtegenwoordige sensoren: ‘smart dust’ (slim stof). Eerst moeten er nog wel wat hindernissen worden genomen. De meeste van de huidige microchips verbruiken nog te veel energie om zonder opladen te kunnen blijven draaien. En de nieuwe technologie om ze zelfvoorzienend te maken staat in de kinderschoenen: de precieze prestaties en levensduur daarvan zijn nog onbekend. En zijn die problemen eenmaal opgelost, dan rijzen er waarschijnlijk vragen over het privacyaspect van microscopisch kleine sensoren die altijd aanstaan.
Ruimte voor verbetering
Smart dust komt nu binnen bereik doordat elektronica dankzij nieuwe technieken steeds minder energie nodig heeft. ‘Wat stroomverbruik betreft heeft micro-elektronica ten opzichte van ENIAC [een van de eerste elektronische computers ter wereld] inmiddels een energie-efficiëntie die meer dan een biljoen maal zo hoog is,’ zegt Joshua R. Smith, als hoogleraar aan de universiteit van Washington gespecialiseerd in energiezuinige systemen en draadloze communicatie.
Er is al een hele sector van bedrijfjes die chips met een minuscuul energieverbruik maken. Startups zoals Ambiq Micro, gespecialiseerd in wearables, sensoren en smartcards, en PsiKick, dat met zijn eigen zuinige chips voor de industrie batterijloze ‘internet of things’-netwerken bouwt. De processor in je smartphone verbruikt ongeveer één watt, maar het stroomverbruik van sommige van deze chips wordt gemeten in microwatts: één miljoenste daarvan. Er zijn nu ook betere manieren om energie aan de omgeving te onttrekken.
Enkele startups werken aan draadloze communicatiesystemen die zo weinig stroom nodig hebben dat de veldeenheden hun energie kunnen halen uit de communicatie met het basisstation. Die techniek wordt al gebruikt in RFID-chips: die reageren op het draadloze signaal van een RFID-lezer door hun unieke ID-nummer terug te kaatsen. Maar de ontwikkeling van RFID is tot stilstand gekomen, terwijl er nog ruimte voor verbetering is, aldus Gregory Durgin, hoogleraar op het gebied van draadloos opladen aan het Georgia Institute of Technology. ‘We zitten nog lang niet aan de fysieke grens van wat mogelijk is met de energiewinning uit radiofrequenties door computers en communicatieapparatuur,’ zegt hij.
Een Britse prent uit ca. 1834 getiteld The Century of Invention, met hierop een verbeelding van de toekomst van transport. De kunstenaar voorspelt dat in het jaar 2000 het paard een bedreigde diersoort is en dat we in stoomvoertuigen zullen rijden. –
Een veelbelovende ontwikkeling is zogenaamd passieve wifi, die gebruikmaakt van ‘backscatter’-communicatie. Dat werkt als een soort spiegel, maar dan een spiegel die berekeningen kan uitvoeren op het licht dat erin wordt weerkaatst: passieve wifi-elementen kaatsen een signaal terug dat is gewijzigd door de energiezuinige elektronica waarvan ze deel uitmaken. Joshua Smith is een van de oprichters van de startup Jeeva Wireless, die pioniert met extreem energiezuinige communicatie over lange afstanden voor industrieel gebruik, zoals omgevingssensoren op boerderijen en tal van andere toepassingen.
Een andere veelbelovende energiebron voor smart dust is warmte. Het is allang bekend dat een temperatuurverschil tussen twee zijden van bepaalde materialen elektriciteit kan genereren. Zo loopt de MATRIX PowerWatch van Matrix Industries op de lichaamswarmte van de drager. Sinds de oprichting in 2011 heeft Matrix al voor 30 miljoen dollar aan investeringen opgehaald, onder meer bij 3M. Het bedrijf beschikt momenteel ook over technologie voor sensoren die hun eigen energie opwekken in fabrieken waar bijvoorbeeld ketels en motoren veel warmte produceren.
En het Pakistaanse energiebedrijf The Hub Power Company wil de betrouwbaarheid van zijn energiecentrales verhogen door trillings- en warmtegegevens draadloos te verzamelen en naar General Electric te sturen, dat dan onderhoudsadviezen kan geven. Maar honderden sensoren stuk voor stuk van nieuwe batterijen voorzien of op het lichtnet aansluiten is erg arbeidsintensief, zegt Aly Khan, een van de directeuren van Hub Power. Toen de directie van het bedrijf hoorde over de technologie van Matrix, besloten ze die te proberen. Ze zijn nu bezig om de beloofde prestaties te verifiëren en willen de sensoren volgend jaar bij één centrale in gebruik nemen, om de techniek later naar andere locaties uit te rollen.
Matrix werkt ook aan een systeem om stroom te genereren uit de temperatuurverschillen tussen dag en nacht, zegt directeur en medeoprichter Akram Boukai. Een dagelijkse temperatuurschommeling van tien graden kan gemiddeld vijf tot tien milliwatt opleveren. Dat is genoeg om een keur aan sensoren van stroom te voorzien en hun data om de vijf à tien minuten naar een zendmast te sturen.
Slimme woningen kunnen worden ingericht zonder alle kabels en stroomvoorzieningen die ze momenteel vereisen
De omvang van het apparaat dat energie opwekt uit temperatuurverschillen illustreert een van de vele hindernissen bij de ontwikkeling van smart dust: het is ongeveer zo groot als de Amazon Echo-speaker, al hoopt Matrix de omvang te kunnen terugbrengen tot die van een colablikje. Maar thermo-elektrische generatoren moeten nog een stuk kleiner worden om in huis rondgestrooide microsensoren te kunnen aandrijven. Wel zijn er nu al tal van toepassingen waarbij de omvang van een colablikje geen probleem is, en nog meer voorbeelden van warme objecten die genoeg energie genereren voor kleinere sensoren die niet groter zijn dan een munt.
Zo produceren koeien meer dan genoeg lichaamswarmte om een eigen draagbare gezondheidsmonitor ter grootte van een horloge van stroom te voorzien. (En geloof het of niet, maar veel boeren hebben al in zulke wearables voor koeien geïnvesteerd.) En spionnen die de vijand willen afluisteren, hoeven niet langer hun leven te wagen om achter de vijandelijke linies de batterij in een microfoontje te vervangen.
De verdere verbetering van deze technologie, die er volgens Gregory Durgin van Georgia Tech absoluut aankomt, leidt misschien niet alleen tot nieuwe toepassingen, maar ook tot herinrichting van de bestaande en nog grotendeels bekabelde wereld. Zo bevat een auto gemiddeld zo’n 25 kilo aan kabels. Dat kan waarschijnlijk een heel stuk minder door de inzet van draadloze sensoren die zichzelf van stroom voorzien.
En slimme woningen kunnen worden ingericht zonder alle kabels en stroomvoorzieningen die ze momenteel vereisen. Maar zo mooi als dit allemaal mag klinken, deze technologie kan ook worden gebruikt voor de ontwikkeling van onverslijtbare peilzendertjes, microfoontjes of cameraatjes om aan onze persoon of onze auto te hangen – of waar je maar wil. Niemand heeft de ontwikkeling van zulke apparaatjes nog aangekondigd, maar de grote kans dat ze er gaan komen is wel iets om bij stil te staan.
De bijbel voor zakenmensen. Maar bij het lezen is enig beleid vereist: naast reportages van hoge kwaliteit drukt de krant hoofdredactionele commentaren af die zo patriottisch zijn dat ze hun geloofwaardigheid verliezen.
Techgigant Google ondersteunt het droneprogramma Project Maven van het Pentagon. Dat strookt niet met de waarden van het bedrijf, vonden veel werknemers. Daarop besloot Google op 1 juni het contract in 2019 niet te verlengen. Een juiste beslissing?
JA
Moet multinational Google zijn technologie gebruiken om het militaire overwicht van één land te versterken? Moet het zijn geavanceerde AI-software, zijn onlinediensten en de reusachtige hoeveelheid persoonlijke gegevens die het verzamelt, inzetten bij de ontwikkeling van autonome wapens?
Onlangs nam ruim een dozijn werknemers ontslag omdat Google het droneprogramma Project Maven van het Pentagon met zijn AI ondersteunt. Dit project moet drones gemakkelijker mensen laten identificeren. Hun stap volgt op een open brief, ondertekend door ruim 3100 Google-werknemers, waarin staat dat Google zich niet met oorlogsvoering moet bezighouden.
In het Maven-programma van het Amerikaanse leger wordt AI gebruikt om op beelden van surveillancedrones ‘interessante objecten’ te ontdekken, die menselijke analisten dan verder kunnen inspecteren. Niet alleen levert Google hiervoor de AI-technologie, maar ook technici en expertise. Maven is al actief ‘in het Midden-Oosten’ en vanaf volgende zomer wordt de inzet geïntensiveerd. De bedoeling is om er ongerichte surveillancebeelden mee te analyseren die ‘hele steden kunnen bestrijken’.
Door aan project Maven deel te nemen, ondersteunt Google het mogelijk illegale Amerikaanse droneprogramma en werkt het de immorele praktijk in de hand van door statistiek en algoritmes gedreven liquidaties
In de berichtgeving over Project Maven wordt vooralsnog de rol van menselijke analisten benadrukt, maar de bedoelingen van de Amerikaanse ministerie van Defensie zijn overduidelijk. De techniek moet het proces van identificatie van doelwitten, waaronder mensen, gaan automatiseren en vervolgens de wapens aansturen om die mee aan te vallen. Volgens Defense One heeft het Pentagon al plannen om zulke beeldanalysesoftware eveneens in de drones zelf in te bouwen, ook in gewapende. Het is dan nog maar een kleine stap naar volledig autonome drones, die zonder menselijk toezicht of menselijke controle mogen doden.
Zelfs zonder de automatische identificatie van doelwitten was het Amerikaanse droneprogramma al controversieel. Volgens velen waren de gerichte liquidaties in strijd met Amerikaanse en internationale wetgeving. Het ging bij deze liquidaties om ‘personality strikes’ op bekende individuen, wier naam op een dodenlijst voorkwam, en om ‘signature strikes’, gebaseerd op een ‘levenspatroonanalyse’. Bij dit laatste type aanval worden mensen tot doelwit bestempeld louter op basis van hun uiterlijk en hun gedrag op surveillancebeelden. Het gevolg was dat er bij luchtaanvallen niet alleen geregeld omstanders werden gedood, maar dat zelfs sociale bijeenkomsten, zoals huwelijken, soms doelwit werden van een aanval.
Door aan project Maven deel te nemen, ondersteunt Google het mogelijk illegale Amerikaanse droneprogramma en werkt het de immorele praktijk in de hand van door statistiek en algoritmes gedreven liquidaties. Het multinationale bedrijf Google heeft de handen ineen geslagen met het leger van één bepaald land. Het ontwikkelt een techniek die mogelijk zeer gevaarlijk kan worden voor haar gebruikers en hun buren. Dit is een kritiek moment.
Auteurs: Lucy Suchman, Lilly Irani, Peter Asaro
Bron: The Guardian
Lucy Suchman is hoogleraar wetenschapsantropologie aan Universiteit van Lancaster. Lilly Irani is universitair docent aan de Universiteit van California. Peter Asaro doceert aan de New School in New York.
1. Lucy Suchman; 2. Christopher M. Kirchoff.
NEE
Moeten technologen voorkomen dat hun gereedschappen gebruikt worden om oorlog te voeren? Bij Google werd deze vraag woedend met ‘ja’ beantwoord. Ruim drieduizend werknemers ondertekenden een petitie als protest tegen het gebruik van de algoritmes van het bedrijf in Project Maven. Dit is een project waarmee het ministerie van Defensie objecten op videobeelden automatisch wil gaan identificeren.
Ondanks hun nobele bedoelingen snappen de ondertekenaars niet goed wat technologie is. Evenmin zien ze in hoe belangrijk het leger is voor de economische voorspoed van de VS. Een nauwe relatie tussen Silicon Valley en het Pentagon is zowel goed voor de industrie als voor de nationale veiligheid.
Op zich valt toe te juichen dat de technici van Google zich openlijk afvragen of de door hun uitgevonden machine learning-algoritmes wel in Project Maven mogen worden toegepast. Het zou morele helderheid scheppen als technologie voor oorlogvoering netjes van andere soorten technologie kon worden gescheiden. Alleen kan dat helaas niet. Silicon Valley voert allang oorlog: de technologieën die het ontwikkelt voor automatisch zoeken, gegevensopslag en patroonherkenning hebben ook militaire toepassingen. De machinaal lerende algoritmes waarmee beelden op het internet worden geclassificeerd kunnen ook gebruikt worden om terroristische activiteiten mee op te sporen. Overheid en industrie wisselen technologie uit; vredelievende technologie wordt ingezet bij oorlogsvoering en andersom.
De technologie achter Project Maven probeert het aantal onschuldige slachtoffers verder te beperken. Een beslissing van Google om er niet aan mee te werken is dus moreel erg complex
Toch is de hoop op een verantwoord gebruik van deze techniek niet vervlogen. De controverse omtrent Project Maven leert ons een belangrijke les over wie uiteindelijk de inzet van technologie bepaalt. Google maakt immers deel uit van een democratisch bestel. Uiteindelijk besluiten onze volksvertegenwoordigers over het gebruik van geweld en de ingezette middelen. Beïnvloeden hoe de VS oorlog voeren, kun je via de stembus.
Ook het Amerikaanse leger functioneert binnen ons democratisch bestel en probeert daarom om met een zo groot mogelijke precisie te vechten. Veel meer dan bij minder democratische grootmachten ligt de focus op het beperken van burgerslachtoffers. De technologie achter Project Maven probeert het aantal onschuldige slachtoffers verder te beperken. Een beslissing van Google om er niet aan mee te werken is dus moreel erg complex.
De marktwaarde van Apple en Google ligt twee keer zo hoog als de waarde van de gehele Amerikaanse defensie. De enige manier waarop het leger het land kan blijven beschermen en de relatieve vrede kan blijven waarborgen, is door voortdurend de nieuwste technieken toe te passen. Het leger de toegang weigeren tot deze techniek zou op termijn de slagvaardigheid in de weg staan, wat een ramp zou betekenen voor de natie, en voor de wereld.
Auteur: Christopher M. Kirchhoff
Bron: The New York Times
Christopher M. Kirchhoff leidde een Pentagongroep die technologie van start-ups integreerde in militaire missies.
Misschien denkt Mark Zuckerberg dat de wereld beter af is zonder privacy. Maar hij heeft het mis, schrijft journalist Franklin Foer.
Het wordt smullen als het wonderkind er straks van langs krijgt. Al die politici die Mark Zuckerberg de volle laag gaan geven – ironisch genoeg in de hoop daarmee zelf viraal te gaan. Ze zullen de oprichter van Facebook het vuur aan de schenen leggen en hem allerlei vreselijke wandaden proberen aan te wrijven [Zuckerberg getuigde intussen op 10 en 11 april]. Heerlijk spektakel wordt dat. Maar met spektakel heb je nog geen goed beleid.
Na de laatste schandalen rond Facebook is de stemming rond de grote techbedrijven razendsnel omgeslagen. We horen alleen meer boze klachten dan doordachte plannen. Het best uitgewerkte voorstel dat in het Congres circuleert en op enthousiaste steun kan rekenen, behelst regels voor politieke advertenties op het internetplatform. Die zullen de macht en de omzet van het bedrijf nauwelijks aantasten. En het wetsvoorstel pakt de kern van het probleem niet aan: het ontbreken van goede regelgeving om onze persoonsgegevens te beschermen.
Ons digitale leven wordt gedomineerd door het feit dat het internet een massamedium werd in de jaren negentig, toen het vrijemarktdenken hoogtij vierde. Toen we het privatiseerden, om het uit handen te trekken van de onderwijsinstellingen en overheidsinstanties die er aanvankelijk als enigen gebruik van maakten, hebben we onze maatschappelijke neiging tot regulering bedwongen. Anders dan voorheen met het bankenstelsel, de luchtvaart of de landbouw hebben we voor het internet geen strenge regelgeving opgesteld om onze veiligheid en grondwettelijke waarden te beschermen.
Van de zijlijnen van het debat roepen internetactivisten dit al langer, en ergens waren misschien ook de meeste Facebookgebruikers zich wel van de gevaren bewust. Maar een abstract besef van de grootscheepse exploitatie van onze persoonlijke data is iets anders dan een scherpe illustratie van de manier waarop die data tegen je kunnen worden gebruikt – zoals de onthullingen over de bijdrage van Facebook aan het fiasco van de presidentsverkiezingen. Dat Facebook de eigen rol nog steeds niet lijkt te willen erkennen, verhoogt het wantrouwen over de methoden en motieven van het bedrijf. En naarmate er meer wantoestanden aan het licht komen, kan het grote publiek weleens tot het inzicht komen dat het succes van Facebook van meet af aan gebaseerd was op leemtes in onze wetgeving.
Als je er even rustig over nadenkt, is dat onmiskenbaar: het hele verdienmodel van Facebook berust op het uitkleden van onze privacy. Het bedrijf wil gebruikers ertoe aanzetten zo veel mogelijk persoonlijke gegevens te delen – wat ze zelf ‘radicale transparantie’ noemen – en ze nauwlettend volgen, zodat ze bij de site ‘betrokken’ blijven en met gerichte advertenties kunnen worden bestookt. Af en toe maakt Mark Zuckerberg wel een gebaar in de richting van privacybescherming, maar het is altijd heel duidelijk hoe hij er echt over denkt. In 2010 zei hij bijvoorbeeld dat privacy geen ‘sociale norm’ meer is. (In een bui van puberale overmoed noemde hij zijn gebruikers ook al eens ‘domme eikels’, omdat ze hem zomaar al hun persoonsgegevens toevertrouwen.) Ook leidinggevenden in het bedrijf lijken zich bewust van de reikwijdte van hun systeem. Iemand van Facebook met wie ik onlangs in een gesprekspanel zat, gaf toe dat hij de site al jaren niet meer gebruikt, om zijn eigen privacy te beschermen.
We moeten ons goed bewust zijn van die ideologische onverschilligheid over privacy. Dan is er niets schokkends aan de nonchalance die spreekt uit de hele affaire rond Cambridge Analytica. Blijkbaar zag Facebook er geen been in om jouw data aan de charlatans van Cambridge Analytica te overhandigen – zonder die lui na te trekken of zich ook maar even af te vragen wat hun achterliggende reden voor het verzamelen van zo veel privacygevoelige informatie kon zijn. En dit incident stond niet op zichzelf. Facebook gaf die dataverzamelaars toegang tot onze gegevens, omdat het een duivels pact heeft gesloten met ontwikkelaars van externe apps. Het bedrijf had die ontwikkelaars nodig om gebruikers te verleiden steeds meer tijd op Facebook door te brengen. Zoals mijn collega Alexis Madrigal eerder al beschreef, stelde Facebook nauwelijks eisen aan het verzamelen van gegevens, ondanks de felle kritiek die het daarop kreeg.
Misschien denkt Mark Zuckerberg inderdaad dat de wereld beter af is zonder privacy. Maar nu worden we geconfronteerd met de nadelige gevolgen van die opvatting
Misschien denkt Mark Zuckerberg inderdaad dat de wereld beter af is zonder privacy. Maar nu worden we geconfronteerd met de nadelige gevolgen van die opvatting. Onze intieme gegevens werden vrijelijk gedeeld met kwaadwillende personen die onze politieke overtuiging, ons denken en ons consumptiepatroon willen manipuleren. Allemaal kinderspel voor de eigenaren van Cambridge Analytica. Onze data, in feite een röntgenfoto van ons innerlijk, werden buiten ons medeweten door Facebook als koopwaar verhandeld.
In het verleden hebben Amerikanen altijd verlangd dat de overheid hen tegen al te machtige marktpartijen beschermde. Tegen banken die onze menselijke zwakheden en kennisachterstand willen uitbuiten, beschermt de wet ons met een verbod op de verhandeling van onze financiële gegevens. Omdat voedselfabrikanten soms vreselijke ingrediënten in hun producten stoppen, worden ze door de overheid verplicht alle ingrediënten op het etiket te vermelden. In het verkeer heeft de overheid snelheidslimieten vastgesteld en gebruik van de veiligheidsgordel verplicht. Er zitten mazen in al die wetten, maar er heerst een zwaarwegende consensus dat dit allemaal beter is dan wetteloosheid. Dat historische model moeten we nu ook gaan toepassen op onze nieuwe wereld.
Gelukkig hoeven we niet zelf het wiel uit te vinden. In mei wordt in de EU de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van kracht. Verschillende Europese landen hebben in de loop der tijd ieder hun eigen regels en toezichthouders voor de technologiesector ontwikkeld. Met deze nieuwe verordening komt er één standaard voor de hele EU – een enorme en grotendeels prijzenswaardige poging om techbedrijven te dwingen helder uit te leggen wat zij van plan zijn met de persoonsgegevens die ze verzamelen. Het geeft burgers ook meer mogelijkheden om de exploitatie daarvan aan banden te leggen, onder meer via het recht op het wissen van persoonlijke data.
Amerikaanse toezichthouder
Het wordt tijd dat we in de VS onze eigen toezichthouder krijgen, in overeenstemming met onze eigen waarden en tradities – een Data Protection Authority. Die naam is, zoals ik in mijn boek World Without Mind al schreef, een doelbewuste verwijzing naar de overheidsinstantie (de Environmental Protection Authority) die op de naleving van onze milieuwetgeving toeziet. Er zijn overeenkomsten tussen het milieu en onze privacy. Het zijn allebei zaken waarvoor een volledig vrije marktwerking fataal zou zijn. We laten weliswaar toe dat het bedrijfsleven de lucht, het water en de bossen vervuilt, maar we leggen toch belangrijke beperkingen op aan de commerciële exploitatie van onze leefomgeving. Dat moeten we met onze privacy ook gaan doen. Onze burgers zouden net als in Europa het recht moeten krijgen hun gegevens van servers te wissen. Bedrijven moeten worden verplicht standaardinstellingen zo in te richten dat het voortaan een actieve keuze van gebruikers is om zich te laten bespioneren, in plaats van dat ze zonder iets te doen automatisch hun privacy prijsgeven.
De oprichting van zo’n Data Protection Authority werpt natuurlijk allerlei lastige vragen op. Er is een reële angst dat het grote geld nieuwe regels zal willen aanwenden om onwelgevallige journalistiek het zwijgen op te leggen. Gelukkig is onze jurisprudentie op het gebied van persvrijheid een stuk sterker dan in Europa, en we kunnen ervoor zorgen dat bescherming van de persvrijheid stevig in die nieuwe regelgeving wordt verankerd. Bovendien is niets doen een veel grotere bedreiging voor onze democratie. Als onze privacy eenmaal is verdwenen, krijgen we die nooit meer terug. En als demagogen de zwakheden in ons systeem gaan uitbuiten, kan dat de genadeklap voor onze politieke normen en waarden betekenen.
Bij de ontwikkeling van hun app om Facebookgebruikers over te halen hun gegevens prijs te geven, maakte Cambridge Analytica een duivelse grap. Ze gaven dat Trojaanse paard een naam die leek aan te kondigen hoe ver hun plannen reikten: ze doopten hun app thisisyourdigitallife. Als we alle boze woorden nu eens omzetten in daden, hoeft dit niet ons digitale leven te worden.
De auteur van dit artikel, journalist bij The Atlantic, publiceerde in september vorig jaar het boek World Without Mind(360 publiceerde voor uit de Nederlandse vertaling, Ontzielde wereld (bekijk de voorpublicatie hier). Daarin levert hij kritiek op de macht van grote technologische bedrijven als Google, Amazon, Facebook en Apple. ‘Dat deze bedrijven fantastische dingen voor ons hebben ontwikkeld en dat wij dat kunnen beschouwen als geweldige innovaties, wil nog niet zeggen dat we hun duistere kanten buiten beschouwing moeten laten,’ zei Foer onlangs in een interview met het blad Wired. Als men zich een ranglijst zou kunnen voorstellen van ‘de meest diabolische bedrijven’ ter wereld, dan zou Facebook volgens hem bovenaan staan, gevolgd door Amazon, Google en Apple.
The Atlantic
Verenigde Staten | weekblad | oplage 494.000
Anticipatievermogen is altijd een van de sterke kanten geweest van The Atlantic sinds het blad in 1857 voor het eerst verscheen. De eerbiedwaardige publicatie, waaraan de meest prestigieuze pennen van hun tijd bijdragen hebben geleverd, heeft beter dan welk ander Amerikaans tijdschrift de overgang naar het internettijdperk weten te maken. De website is een zeer dynamische plek voor reflectie en debat.
Als maar genoeg mensen Facebook de rug toekeren, begrijpt het concern wel dat het zich niet langer zo onwetend kan opstellen. Of zorgt de koersval er vanzelf voor dat Facebook zijn lesje leert?
JA
Het is welletjes. Ik ben weg. Mijn Facebookaccount heb ik verwijderd. Dag beste 348 ‘vrienden’, ik vind jullie nog altijd aardig, maar we zien elkaar wel ergens anders. Waarom nu? Tegenvraag: waarom nu pas? Het is immers bekend dat Facebook een mondiaal opererend bewakingssysteem en een reusachtig datamonster is. En we weten al jaren dat het concern nagenoeg een monopolist is en zich ook als zodanig opstelt, onbuigzaam naar concurrenten, ondoorzichtig in eigen zaken, arrogant tegenover de politiek.
Dus wat is er veranderd? Te veel is er de laatste tijd samengekomen: in het debat over lastercampagnes op internet deed Facebook telkens weer de belofte actie te zullen ondernemen. Maar er gebeurde pas iets toen de [Duitse] Bondsregering ingreep. Sindsdien ben ik het vertrouwen in de beloften van het concern kwijtgeraakt.
Vervolgens de kwestie met de Amerikaanse verkiezingsstrijd (en naar het zich laat aanzien ook met de Brexit): Facebook is kennelijk misbruikt voor propaganda, voor leugens, voor nepnieuws. Of de Russen erachter zitten, of de verkiezingen zo werden beslist – het doet er niet toe. Duidelijk is dat Facebook zelf geen vat meer heeft op wat er op het platform gebeurt.
Ten slotte het schandaal rond Cambridge Analytica. Veel is nog onduidelijk, maar vaststaat dat Facebook al twee jaar van het datamisbruik afwist en niet heeft ingegrepen. Facebookoprichter Mark Zuckerberg heeft daar een heel juiste verklaring over afgegeven: ‘Wij hebben de verantwoordelijkheid om jullie informatie te beschermen. Als we dat niet kunnen, verdienen we jullie niet.’ Dat vind ik nou ook.
Ik mis: niets. Een foto van bekenden hier, een like daar. Niets daarvan is belangrijk. In werkelijkheid is Facebook een tijddodingsmachine
Om Facebook te verlaten moet je alleen je eigen gemakzucht overwinnen. Het is niet heel eenvoudig om je af te melden en dat is waarschijnlijk geen toeval. Ook wie bij Facebook vertrekt maar bij WhatsApp of Instagram blijft, is nog altijd toeleverancier van Zuckerbergs computers, want beide ondernemingen maken deel uit van zijn concern. Maar is dat een argument tegen stap één? Integendeel.
Zal Facebook veranderen, enkel omdat ik me afmeld? Het is evident dat alleen met overheidsregulering echt iets te bereiken valt, maar als er maar genoeg gebruikers vertrekken en adverteerders wegblijven, dan snapt zelfs een wereldmacht als Facebook dat het de regels niet zelf kan bepalen. En er zijn tamelijk veel mensen die Facebook vaarwel zeggen. Zoals Elon Musk van elektrische-autofabriek Tesla en Brian Acton, medeoprichter van WhatsApp. Jim Snabe, voorzitter van de raad van toezicht bij Siemens. En Tim Cook, de baas van Apple, zegt: ‘Ik heb geen kinderen, maar wel een neefje en ik wil niet dat hij gebruikmaakt van sociale netwerken.’
Uiteindelijk is het een persoonlijke kwestie: wat heb ik aan Facebook, hoe belangrijk vind ik de berichtenstroom, hoezeer heb ik het medium nodig? De antwoorden kunnen bij een onderneming anders uitpakken dan bij mij (ook Die Zeit zit op Facebook).
In het recentste schandaal rond Facebook moeten twee zaken worden onderscheiden. Ten eerste Facebook zelf. Buiten kijf staat dat gegevens van miljoenen gebruikers in verkeerde handen zijn gevallen. Het sociale netwerk wist dat al vanaf 2015, heeft het verdoezeld en daarmee het vertrouwen van zijn gebruikers misbruikt. Door deze en andere gebeurtenissen ontstaat de indruk dat Facebook zijn gebruikers niet afdoende beschermt en een probleem heeft met de kwaliteit van zijn software.
De tweede speler in dit schandaal Cambridge Analytica, een bedrijf voor politieke marketing uit Groot-Brittannië. Een oud-medewerker heeft onthuld dat het bedrijf zich de genoemde gegevens van de Facebookgebruikers heeft toegeëigend en die later voor de Amerikaanse verkiezingsstrijd wilde gaan gebruiken. In 2016 werkte Cambridge Analytica namelijk voor Donald Trump. Onduidelijk is nog of de gegevens daadwerkelijk zijn gebruikt.
Tijddodingsmachine
Vlak nadat Trump tot president was gekozen, deden evenwel beweringen de ronde dat Cambridge Analytica een buitengewoon effectieve methode had ontwikkeld om aan de angsten van potentiële kiezers te appelleren. Dat zou hebben bijgedragen aan de overwinning van Trump. Managers van het bedrijf weerspraken dat niet. Als basis dienden onderzoeken aan de Universiteit van Cambridge. Wetenschappers hadden daar een persoonlijkheidsanalyse ontwikkeld die sterk steunde op de likes die een Facebookgebruiker geeft. Het lag dus voor de hand dat Cambridge Analytica geïnteresseerd was in dergelijke gegevens. Een Britse onderzoeker die de gegevens van miljoenen gebruikers van Facebook had verzameld, speelde deze door aan het bedrijf. IT-experts van de Britse privacyautoriteiten proberen momenteel deze gang van zaken met bewijzen te staven.
Ik was al een tijdje nauwelijks meer actief op Facebook en had de app al verwijderd. Ik mis: niets. Een foto van bekenden hier, een like daar. Niets daarvan is belangrijk. In werkelijkheid is Facebook een tijddodingsmachine. Ik ben daar nu weg.
NEE
De koersval zorgt ervoor dat Facebook zijn lesje leert. Wie zich nu afmeldt, benadeelt zichzelf.
Natuurlijk zeg ik Facebook niet vaarwel. Oké, ik geef toe dat ik het even heb overwogen toen bekend werd dat de gegevens van vijftig miljoen gebruikers illegaal aan het obscure bedrijf Cambridge Analytica zijn doorgespeeld, dat daarmee op zijn beurt de Amerikaanse presidentsverkiezingen zou hebben beïnvloed. Maar ik heb besloten het niet te doen, om drie redenen.
Ten eerste is Facebook nu gewaarschuwd. Een daling van de aandelenkoers met bijna 20 procent in één week laat zelfs het meest cynische management niet koud. Het concern zal na de opwinding rond Cambridge Analytica proberen het in het toekomst moeilijker te maken om op een legale manier verkregen gegevens illegaal aan anderen door te spelen. Of om toegang te krijgen tot gegevens van gebruikers die daar niet mee hebben ingestemd. Tot nog toe staat ook niet vast dat zoiets vaker of zelfs doorlopend gebeurt. Facebook zou de drempel voor dergelijk wangedrag nog kunnen verhogen. Bijvoorbeeld door de veroorzakers van het schandaal consequent en standvastig gerechtelijk te vervolgen. Ook op technisch vlak zijn er waarschijnlijk nog mogelijkheden.
Ten tweede geloof ik de beweringen over de Amerikaanse verkiezingen niet. Wie laat zich bij het invullen van een stembiljet nou beïnvloeden door posts op Facebook? Ik in elk geval niet. En als iemand dat toch doet, zouden heel gewone verkiezingsspotjes (die er in Amerika bij bosjes zijn) dan niet hetzelfde bewerkstelligen? Tot nog toe is niet duidelijk wat Cambridge Analytica precies heeft gedaan met de Facebookgegevens. Maar wat zou dat meer moeten zijn geweest dan mensen een beetje doelgerichter aanspreken? Dat is geen magie. Het verhaal dat het bedrijf de Amerikaanse presidentsverkiezingen heeft beslist is zeer waarschijnlijk vooral een geslaagde marketingstunt.
Eergisteren nog kreeg ik via Facebook een bericht van een vrouw die ik voor het laatst heb gesproken toen ik zeventien was. Zij was destijds mijn gastmoeder in Nieuw-Zeeland
Niettemin zou natuurlijk niemand illegaal aan Facebookgegevens mogen komen. En het is een gotspe dat het management van het netwerk pas zo laat publiekelijk heeft toegegeven dat dat is gebeurd. Zolang echter niet duidelijk is of privégegevens herhaaldelijk zonder instemming van de gebruikers zijn overgeheveld, is dat allemaal voor mij niet erg genoeg om Facebook te verlaten.
Dat komt door de derde en belangrijkste reden die ik heb om bij Facebook te blijven: de voordelen van het netwerk. Die winnen het voor mij tot nog toe simpelweg van de nadelen. Ik zit al meer dan tien jaar op Facebook. In die tijd heb ik veel geleerd. Bijvoorbeeld om voorzichtig om te gaan met mijn gegevens, want wie weet wie er meeleest (dat kan behalve Cambridge Analytica ook gewoon mijn baas zijn). Desondanks zit ik nog altijd om dezelfde reden op Facebook als destijds toen ik mijn profiel aanmaakte: om in contact te blijven met mensen die ik weliswaar ken, maar niet vaak zie omdat ze te ver weg wonen. Eergisteren nog kreeg ik via Facebook een bericht van een vrouw die ik voor het laatst heb gesproken toen ik zeventien was. Zij was destijds mijn gastmoeder in Nieuw-Zeeland; ze woont op een schapenboerderij, met in de wijde omgeving alleen maar bergen. Daar werd ik gewoon blij van. De kans dat ze me in plaats daarvan een kaartje had gestuurd, is bijna nul.
Een nieuwe Britse wet die overheidsdiensten vrijwel ongelimiteerd inzicht geeft in het surf- en belgedrag van burgers, is een onaanvaardbare inbreuk op het privéleven, schrijft de website Spiked.
De Investigatory Powers Act (IPA), die overheidsinstellingen toegang geeft tot e-mail- en telefoonverkeer en onlangs vrijwel ongewijzigd door het Hogerhuis kwam, is een weerzinwekkend staaltje van staatsbemoeienis. De IPA, in november vorig jaar gelanceerd door toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Theresa May, sleept de al bestaande en even weerzinwekkende inlichtingenwetgeving het digitale tijdperk binnen. Ingevolge de IPA zullen internet- en telefoonbedrijven voortaan alle gegevens over telefoontjes en websitebezoeken van hun klanten twaalf maanden lang moeten bewaren. Dat betekent dat alle mogelijke overheidsinstanties, van douane en inlichtingendiensten tot de nationale gezondheidsdienst en de voedsel- en warenautoriteit, in potentie precies kunnen zien welke sites je het afgelopen jaar hebt bezocht en wie je allemaal hebt gebeld.
En dat is nog niet alles. De IPA zal veiligheidsdiensten en politie ook toestaan computers, telefoons en netwerken te ‘hacken’ om te horen wat je zegt, te zien waar je naar kijkt en te weten wat je typt. En daarbij mogen ze alle middelen gebruiken die ze nodig achten, inclusief het benutten van zwakke plekken in software, wat klinkt als een recept voor een complot tussen bedrijven en staat.
Privacy is ook van wezenlijk belang voor het openbare leven, dat afhankelijk is van zelfverzekerde, onafhankelijk denkende individuen
Volgens May, die de IPA trots en eufemistisch roemde als een ‘inlichtingensysteem dat toonaangevend is in de wereld’, zullen de Britse veiligheidsdiensten daarmee alleen maar ‘de bevoegdheden krijgen die ze nodig hebben om ons land te beschermen’. Als dat vertrouwd klinkt, dan is het omdat elke aantasting van onze vrijheid die de staat zich permitteert wordt gerechtvaardigd met onze veiligheid. Zo noemde de voormalige New Labour-minister van Binnenlandse Zaken Jack Straw de RIPA, de voorloper van deze wet, in 2000 ‘de aangewezen manier om witwassen, mensenhandel, pedofilie, tabakssmokkel en andere ernstige misdrijven aan te pakken’.
Maar de ervaring met de RIPA is leerzaam. In de praktijk ontaardde de bescherming van burgers tegen ernstige misdrijven al snel in het betrappen van diezelfde burgers op kleine vergrijpen. Alleen al in 2009 werd de RIPA voor 552.550 snuffelgevallen gebruikt, waarvan tweeduizend keer door plaatselijke autoriteiten die individuen wilden betrappen op gruwelijke misdrijven als het niet opruimen van afval of hondenpoep. Gezien het gebruikelijke wantrouwen van de Britse staat jegens het maatschappelijk middenveld mag worden aangenomen dat Mays nieuwe versie van de Snuffelwet al even nuttig zal zijn voor de bemoeials.
Maar wat opvallend is aan de reacties op Snuffelwet 2.0, in vergelijking tot die op de oorspronkelijke versie van New Labour, is hoe onverdeeld kritisch deze zijn geweest. Voorspelbaar was misschien dat Edward Snowden, de tot verklikker bekeerde voormalige medewerker van de Amerikaanse Nationale Veiligheidsdienst, sprak van ‘de meest extreme vorm van staatstoezicht in de geschiedenis van de westerse democratie’. Ook was het nauwelijks verbazingwekkend dat de burgerrechtenbeweging Liberty van dik hout planken zaagde: ‘Onder het mom van contraterrorisme heeft de Britse staat het meest indringende toezichtsysteem ontwikkeld van alle democratieën in de menselijke geschiedenis.’ Maar ook de VN laten niets heel van de IPA: Joe Cannataci, de speciale rapporteur voor het recht op privacy, zei dat ‘massale toezichtsmaatregelen en massaal hacken, zoals voorzien in de IPA, eerder onwettig dan wettig verklaard zouden moeten worden’. Zelfs de Daily Star plengde een progressieve traan en vroeg klaaglijk: ‘Het einde van porno?’
Velen wezen er ook op hoe gedwee het parlement is geweest, met schaduwminister Keir Starmer van Labour die het wetsvoorstel praktisch door het Lagerhuis loodste. Maar dat Labour zich niet al te fel heeft verzet mag nauwelijks een verrassing heten. New Labour liep voorop met het snuffelen van staatswege, niet in de laatste plaats met de RIPA. Hun parlementariërs houden bijna net zoveel van de privacy van burgers als van Jeremy Corbyn. En ook al zitten veel sterren van het paternalistische autoritarisme van New Labour, van Jack Straw tot David Blunket, niet langer op de groene bankjes van het Lagerhuis, ze zijn nog steeds te vinden op het luxueuze rode pluche van het Hogerhuis. Dat het wetsvoorstel geen serieuze weerstand ondervindt, bewijst dat het parlement wordt gedomineerd door een politieke klasse die al lange tijd gewoon is het publiek te wantrouwen en te verachten.
Maar er is ook nog een groter probleem. Het ontbreken van serieuze oppositie tegen het wetsvoorstel is niet alleen maar te wijten aan een gebrek aan ruggengraat, maar ook aan de culturele devaluatie van de privacy zelf. Hoewel velen kritiek hadden op de IPA en verwezen naar Orwell en totalitarisme, leken maar weinigen te kunnen zeggen waarom privacy belangrijk is, waarom het waardevol is.
En dat is een probleem, omdat privacy iets is dat op waarde moet worden geschat, niet alleen omdat het mensen in staat stelt onder de radar te blijven, zich te verstoppen, maar ook omdat het van wezenlijk belang is voor het openbare leven, dat afhankelijk is van zelfverzekerde, onafhankelijk denkende individuen. De persoonlijke arena is namelijk de ruimte waar we verschillende aspecten van onszelf kunnen ontwikkelen, ideeën kunnen uitproberen, gedachten en gevoelens kunnen onderzoeken en een rijk en uitgesproken innerlijk leven kunnen opbouwen. Zodra het oog van de staat deze persoonlijke, intieme ruimte binnendringt, of kan binnendringen, raakt deze persoonlijke, intieme ruimte verstikt. Men moet plotseling handelen en spreken alsof men gevolgd en beoordeeld kan worden. De taal wordt aan zelfcensuur onderworpen, gedrag intern gecontroleerd, websites worden gemeden. Wie denkt dat het toezicht houden op het privéleven van mensen, vooral waar het politiek extremisme of seksueel afwijkend gedrag betreft, een progressieve, positieve ambitie is, zal dit ongetwijfeld als een manier beschouwen om de maatschappij te verbeteren. Maar zo’n paternalistisch plan is tot mislukken gedoemd. Mensen stoppen niet met geloven wat ze geloven of met voelen wat ze voelen; ze zetten alleen een openbaar masker op, zelfs privé. In het koninkrijk van de transparantie heersen leugen en kwade trouw.
Beloofde land
Waar privacy ontbreekt, bloeit het conformisme. Het afkalven van de privacy, of het nu komt door de IPA of het almaar toenemende staatstoezicht op internetgedrag in het algemeen, maakt het individu machteloos tegenover druk van buitenaf, de druk om zich te conformeren aan het gemiddelde, om het geloof van de dag aan te hangen, of dat nu anticommunistisch is, zoals in het Amerika van McCarthy, of politiek correct, zoals vandaag de dag. Individuen verliezen zichzelf in de openbare en officiële orthodoxie.
Het is moeilijk om dan niet te denken aan de meest nachtmerrieachtige toezichtsmetafoor: de koepelgevangenis van Jeremy Bentham, een rond gebouw met een toren in het midden van waaruit elke kamer, en daarom elke bewoner, volledig zichtbaar is. Bentham, een negentiende-eeuws filosoof en maatschappelijk hervormer, dacht hiermee de ideale gevangenis te hebben ontworpen, maar in de handen van de twintigste-eeuwse Franse filosoof Michel Foucault werd het een duister visioen van maatschappelijke discipline en straf in het algemeen, een maatschappij, kortom, waarin iedereen, zichtbaar voor alle anderen, de druk voelt om zich te conformeren, om te handelen zoals men denkt dat anderen dat van hem verwachten.
‘Zichtbaarheid is een val’, schreef Foucault. Voor mensen als May, Starmer en de rest lijkt het meer op het beloofde land.
Deze onafhankelijke website werd in 2000 opgericht door vrijwilligers en wordt gefinancierd door donateurs – en een beetje reclame. De site heeft als doel om inhoud van hoge kwaliteit te bieden, en doet dat in rubrieken als Hot Topics, Free Speech, British news, etc.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.