Tag: propaganda

  • Wereldnieuws: Russische oorlogsmusea als propagandamiddel & meer

    Wereldnieuws: Russische oorlogsmusea als propagandamiddel & meer

    Inflatie Argentinië op laagste niveau sinds corona 

    De inflatie in Argentinië was in januari 2,2 procent, het laagste niveau sinds het aantreden van Javier Milei in december 2023, schrijft Clarín. Voor een lager maandelijks inflatiecijfer (1,9 procent) moet je teruggaan tot juli 2020, toen de economie vertraging opliep door de coronapandemie. Na twaalf maanden Milei staat het inflatiecijfer op 84,5 procent, een sterke daling ten opzichte van eind 2023 (211,4 procent) en 2024 (117,8 procent). 

    De post met de grootste stijgingen in januari was de horeca

    De post met de grootste stijgingen in januari was de horeca (5,3 procent), als gevolg van stijgingen in verband met de vakantieperiode. De posten die de kleinste veranderingen vertoonden in januari 2025 waren onderwijs, kleding en schoeisel. De twee laatstgenoemde posten waren de enige die deflatie vertoonden met een daling van 0,7 procent.

    Argentine peso notes 1

    Enorme methaanuitstoot ontdekt onder Antarctica 

    Een team van Spaanse wetenschappers heeft enorme emissies van methaan gedetecteerd in de Antarctische zeebodem, aldus El País. Methaan is als broeikasgas ongeveer dertig keer zo sterk als koolstofdioxide. De onderzoekers hebben methaanpluimen in de oceaan waargenomen die tot wel 700 meter lang en 70 meter breed zijn. Deze tot nu toe onbekende emissies zouden een enorme aanjager kunnen zijn van de klimaatopwarming.

    Het Antarctisch Schiereiland is een van de regio’s op aarde die het zwaarst getroffen zijn door de opwarming van de aarde. In slechts een halve eeuw is de temperatuur daar met meer dan 3 graden gestegen. Ze schatten dat er in dit gebied ongeveer 24 gigaton koolstof zit opgeslagen in methaanhydraat, oftewel methaanijs. Dat is evenveel als de totale uitstoot van de mensheid in twee jaar.

    De voorlopige onderzoeksresultaten suggereren dat er methaangas uit de ondergrond langs breuklijnen omhoogborrelt

    Het vaste, bevroren methaan is bezig over te gaan in gasvorm, iets wat al was vastgesteld in het Noordpoolgebied. Voor het eerst is het fenomeen nu ook in Antarctica waargenomen. De voorlopige onderzoeksresultaten suggereren dat er methaangas uit de ondergrond langs breuklijnen omhoogborrelt.

    De instabiliteit van sedimenten op de zeebodem kan enorme aardverschuivingen op de continentale helling veroorzaken, mogelijk zelfs met tsunami’s tot gevolg. Wanneer methaanhydraten in gas overgaan, nemen ze een 160 keer zo groot volume in. Het is dus zaak dat het gas snel verdwijnt.


    Archeologen ontdekken graf van farao Thoetmosis II

    Egyptische en Britse archeologen hebben nabij de Egyptische stad Luxor het bijna 3500 jaar oude graf van Thoetmosis II blootgelegd. In tegenstelling tot zijn beroemde voorvader Toetanchamon, wiens graf in 1922 werd ontdekt, troffen de archeologen in zijn tombe geen mummie of kostbaarheden aan. Uit archeologisch onderzoek bleek dat het graf herhaaldelijk onder water is gelopen. Daarom was de inhoud van de tombe uit voorzorg al in de oudheid elders ondergebracht, legt The Guardian uit.

    ‘Het is verbijsterend te bedenken dat er mogelijk een tweede, hoogstwaarschijnlijk intacte graftombe van Thoetmosis II bestaat’

    De ingang naar de tombe werd al in 2022 ontdekt in een vallei ten westen van de oude koningsstad Thebe (nu Luxor), maar experts dachten aanvankelijk dat deze leidde naar het graf van een prinses. ‘Het is verbijsterend te bedenken dat er mogelijk een tweede, hoogstwaarschijnlijk intacte graftombe van Thoetmosis II bestaat,’ aldus Mohsen Kamel, assistent van de onderzoeksleider.

    532px Stone block with relief at Karnak Temple

    Denen ondertekenen petitie om Californië te kopen 

    Sinds Donald Trump in januari aantrad als president, heeft hij onder andere geprobeerd Groenland van Denemarken te kopen. Onder Denen gaat nu een satirische petitie rond om Californië van de VS over te kopen, aldus The Guardian. Meer dan 200.000 Denen hebben de petitie al ondertekend. 

    ‘We brengen hygge naar Hollywood, fietspaden naar Beverly Hills en biologische smørrebrød naar elke straathoek’

    Bovenaan de website van de petitie staat de slogan Måke Califørnia Great Ægain. Er zijn zelfs Denen die voorstellen om Californië om te dopen tot New Denmark. ‘We brengen hygge naar Hollywood, fietspaden naar Beverly Hills en biologische smørrebrød naar elke straathoek’, zo staat te lezen in de petitie. 

    De Deense petitie om Californië te kopen mag dan wel een grap zijn, het Amerikaanse bod om Groenland te kopen lijkt bloedserieus. Buddy Carter, een Republikeinse vertegenwoordiger van Georgia, maakte onlangs bekend dat hij een wetsvoorstel had ingediend om de aankoop van Groenland mogelijk te maken en het eiland om te dopen tot ‘Red, White and Blueland’.


    Russische oorlogsmusea als propagandamiddel 

    De drie jaar durende oorlog in Oekraïne heeft grote gevolgen gehad voor de Russische scholen. Zo zijn er patriottische en militaire lessen aan het lesprogramma toegevoegd en gedenkplaten op gevels aangebracht ter ere van gesneuvelde leerlingen. 

    Het afgelopen jaar zijn er zelfs complete musea over de ‘speciale militaire operatie’ van het Kremlin opgericht in scholen door heel Rusland. Op die manier probeert de staat alle generaties te indoctrineren met zijn narratief over de oorlog. Ondertussen zijn in Oekraïne honderden scholen beschadigd of verwoest in de oorlog met Rusland.

    ‘Eerder [aan het begin van de invasie] waren [deze musea] een lokaal initiatief; iemand drong erop aan, iemand nam Poetins toespraak te letterlijk. Maar nu zien we een bredere trend,’ vertelt onderwijzer Dima Zitzer aan The Moscow Times.

    ‘Tot de leeftijd van zeven jaar gelooft een kind onvoorwaardelijk wat volwassenen zeggen’

    Er worden oorlogsmusea op scholen geopend in de hoofdstad Moskou en in de regio’s die het meest getroffen zijn door de mobilisatie. In Oelan-Oede, de hoofdstad van de Oost-Siberische republiek Boerjatië, werd een tentoonstelling over de oorlog in Oekraïne geopend in een kunstschool voor kinderen. ‘Dankzij musea als deze zullen we de waarheid, de echte waarheid, kunnen doorgeven aan de volgende generaties,’ zei de burgemeester van Oelan-Oede tijdens de openingsceremonie. In een museum in een school in de republiek Basjkirostan is een aparte tentoonstelling gewijd aan de Tweede Wereldoorlog die het propagandaverhaal versterkt dat Rusland vandaag de dag dezelfde oorlog tegen het fascisme voert als destijds tegen nazi-Duitsland.

    Zitzer vreest dat hoe langer de oorlog in Oekraïne duurt, hoe meer kinderen geïndoctrineerd zullen worden met deze staatspropaganda. ‘Tot de leeftijd van zeven jaar gelooft een kind onvoorwaardelijk wat volwassenen zeggen. En als de oorlog tien jaar duurt, zal er geen tiener zijn die niet op jonge leeftijd met indoctrinatie in aanraking is gekomen,’ aldus Zitzer.

    ANP 475762443

    Paint me a road out of here 

    Een documentaire van Catherine Gund volgt de strijd van Faith Ringgold om de controle over de muurschildering terug te krijgen die zij in opdracht van de stad New York maakte voor de vrouwengevangenis op Rikers Island. Geïnspireerd door de vraag van een gevangene die haar vroeg ‘een weg naar buiten’ af te beelden, schilderde Ringgold vrouwen in beroepen die destijds voor hen onbereikbaar waren.

    Paint me a road out of here vertelt het verhaal van de bijna verloren gegane muurschildering

    Toen Rikers Island in 1998 veranderde in een mannengevangenis werd het werk overgeschilderd en verborgen onder een dikke laag witte verf. Paint me a road out of here vertelt het verhaal van de bijna verloren gegane muurschildering – ze werd in 2022 verplaatst –, maar gaat ook over de verbinding die kunst teweeg kan brengen, vooral op plaatsen waar wanhoop en verloedering aan de orde van de dag zijn, schrijft It’s Colossal.

    paint 3
  • Rusland gebruikt oorlogsmusea op scholen om kinderen te indoctrineren

    Rusland gebruikt oorlogsmusea op scholen om kinderen te indoctrineren

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Denen ondertekenen satirische petitie om Californië te kopen

    » Geologen ontdekken enorme methaanuitstoot onder Antarctica

    Ze krijgen te horen dat Rusland in Oekraïne tegen fascisten vecht

    De oorlog in Oekraïne, die drie jaar geleden begon, heeft grote gevolgen gehad voor de Russische scholen. Zo zijn er patriottische en militaire lessen aan het lesprogramma toegevoegd en gedenkplaten op gevels aangebracht ter ere van gesneuvelde leerlingen. Het afgelopen jaar zijn er zelfs complete musea over de ‘speciale militaire operatie’ van het Kremlin opgericht in scholen door heel Rusland. Op die manier probeert de staat alle generaties te indoctrineren met zijn narratief over de oorlog, aldus The Moscow Times.

    Er worden oorlogsmusea op scholen geopend in de hoofdstad Moskou en in de regio’s die het zwaarst getroffen zijn door de mobilisatie. In Ulan-Ude, de hoofdstad van de Oost-Siberische republiek Boerjatië, werd een tentoonstelling over de oorlog in Oekraïne geopend in een kunstschool voor kinderen. ‘Dankzij musea als deze zullen we de waarheid, de echte waarheid, kunnen doorgeven aan de volgende generaties,’ zei de burgemeester van Ulan-Ude tijdens de openingsceremonie.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    In een museum in een school in de republiek Basjkirostan is een aparte tentoonstelling gewijd aan de Tweede Wereldoorlog die het propagandaverhaal van het Kremlin versterkt dat Rusland vandaag de dag dezelfde oorlog tegen het fascisme voert als toen het tegen nazi-Duitsland vocht.

    De Russische onderwijzer Dima Zitzer vreest dat hoe langer de oorlog in Oekraïne voortduurt, hoe meer kinderen geïndoctrineerd zullen worden met deze staatspropaganda. ‘Tot de leeftijd van zeven jaar gelooft een kind onvoorwaardelijk alles wat volwassenen zeggen. En als de oorlog tien jaar duurt, zal er geen tiener zijn die niet op jonge leeftijd met indoctrinatie in aanraking is gekomen,’ aldus Zitzer.

  • Desinformatie als wapen. ‘Woede maakt ons kwetsbaar voor manipulatie’

    Desinformatie als wapen. ‘Woede maakt ons kwetsbaar voor manipulatie’

    Hoewel rechtse desinformatienetwerken bekender zijn, bestaan er aan de andere kant van het politieke spectrum vergelijkbare misleidende structuren, vaak met hetzelfde doel: invloed uitoefenen op de publieke opinie en politieke processen.

    Het Syrië van Bashar al-Assad is geen vriendelijke plek voor journalisten. Sinds het begin van de opstand in 2011 heeft het regime weinig visa afgegeven. Toen de Amerikaanse journalist Marie Colvin en de Franse fotojournalist Rémi Ochlik in 2012 zonder toestemming Syrië binnenkwamen, waren ze een doelwit en werden vermoord. Maar in 2021 kreeg een Canadese podcaster op ongebruikelijke wijze toegang tot het door het regime gecontroleerde Syrië. Toen hij voor de ruïnes van Jarmuk stond – een Palestijns vluchtelingenkamp dat van 2013 tot 2018 door het regime werd belegerd, geblokkeerd en gebombardeerd – moffelde hij Assads verantwoordelijkheid voor de vernietiging van het kamp weg en deed hij, met een staaltje adembenemend cynisme, een oproep om de sancties tegen zijn regime op te heffen.

    Voordat hij zich erop toelegde moordenaars van Palestijnen van blaam te zuiveren, was Aaron Maté, de podcaster in kwestie, een pro-Palestijnse activist. Hij werkte ooit voor onafhankelijke mediaorganisaties zoals Democracy Now! en The Real News Network, maar toen zijn carrière in het slop raakte, werd ze er door nieuwe weldoeners uit getrokken. Hij werd naar voren geschoven door de Russische delegatie bij de Verenigde Naties toen die iemand nodig had om de feiten over de chemische aanval van Assad op Douma in april 2018 te verdoezelen. Een cache van e-mails die de Commissie voor Internationale Gerechtigheid en Verantwoording in handen kreeg, onthulde ook dat hij door het Russische propaganda-apparaat werd gezien als een nuttig kanaal voor het plaatsen van lekken: een medewerker van de Russische mediaorganisatie Ruptly vertrouwde twee van Matés Britse bondgenoten – de controversiële academici Paul McKeigue en Piers Robinson – toe dat hij persoonlijke informatie had verzameld over de getuigen en overlevenden van het bloedbad in Douma, die hij van plan was naar Maté te lekken, zodat die ze kon verspreiden. Dit zou de individuen in levensgevaar hebben gebracht, aangezien het regime meedogenloos alle informatie over haar verantwoordelijkheid voor de aanval liet verdwijnen.

    Na een pelgrimstocht naar Moskou in december 2015 keerde hij terug als een nieuwe man met nieuwe standpunten

    Maté trad slechts in de voetsporen van zijn Amerikaanse kameraad Max Blumenthal, die zelf een Paulusbekering had ondergaan. In 2012 was Blumenthal fel gekant tegen het Syrische regime en nam hij ontslag bij de Libanese krant Al-Akhbar vanwege de pro-Assad-houding ervan. Maar toen rond de tijd van de zogenaamde Arabische Lente de contrarevolutie werd ingezet, maakte Blumenthal een ommezwaai. Na een pelgrimstocht naar Moskou in december 2015 keerde hij terug als een nieuwe man met nieuwe standpunten – en een nieuwe website: The Grayzone. Russische media hielpen hem zich beter te profileren en Blumenthal trouwde zelfs met een producer voor RT, het door de staat gefinancierde tv-station dat voorheen Russia Today heette. Op dat moment stond Rusland voor een ramp op het gebied van public relations omdat de Syrische vrijwillige reddingswerkers en medici, bekend als de Witte Helmen, die Rusland systematisch op de korrel nam, genomineerd waren voor de Nobelprijs voor de Vrede. Een documentaire over hun heldendaden was in de race voor een Oscar. En toen kwam Blumenthal om de zaken te vertroebelen. Hij verzon een verhaal uit bestaande samenzweringstheorieën (de pro-Assad-activist Vanessa Beeley beweerde dat het merendeel daarvan van haar gestolen was), over de Witte Helmen en later ook over de medische professionals van de Syrian American Medical Society (SAMS). Blumenthal gebruikte islamofobe stijlfiguren die deden denken aan de propaganda van het Assad-regime en probeerde beide organisaties in verband te brengen met Al-Qaida. 

    Opmerkelijke wending

    Deze laster is weerlegd door zeven regeringen, waaronder de Verenigde Staten. Blumenthal zou ook bij de VN verschijnen als gast van het Russische regime.

    Dit betekende een opmerkelijke wending voor Blumenthal. Tijdens een optreden in 2013 aan de Universiteit van Denver had hij geklaagd over het verlies van inkomsten vanwege zijn kritiek op het Syrische regime, waardoor hij naar eigen zeggen zijn huur niet meer kon betalen. Maar met zijn herziene waardering voor Assad en zijn beslissende stop in Rusland – waar hij hetzelfde gala bijwoonde als waar oud-generaal Michael Flynn en de eeuwige presidentskandidaat van de Green Party, Jill Stein, dineerden met president Vladimir Poetin – lijkt hij zijn dagen van gebrek achter zich te hebben gelaten. Blumenthal staat nu in openbare registers als de trotse eigenaar van een huis in Washington, D.C. Hij onthulde in 2023 dat zijn voormalige makker Ben Norton dankzij de inkomsten van The Grayzone zelfs onroerend goed in Nicaragua had kunnen kopen, waarna Norton hem bestempelde als ‘een labiele megalomaan zonder samenhangende principes’ en naar China verdween met wat volgens Blumenthal 70.000 dollar aan Grayzone-geld was.

    Op 11 september 2024 klaagden Amerikaanse federale aanklagers RT-medewerkers Kostjantyn Kalasjnikov en Jelena Afanasjeva aan wegens overtreding van de Foreign Agents Registration Act voor een beïnvloedingsoperatie waarbij 9,7 miljoen dollar werd doorgesluisd naar rechtse mediasterren Tim Pool, Dave Rubin, Benny Johnson en Lauren Southern. Volgens de federale aanklacht werd het geld via lege vennootschappen in Turkije, de Verenigde Arabische Emiraten en Mauritius doorgesluisd naar Tenet Media, een socialmediabedrijf dat in Tennessee geregistreerd staat op naam van het Canadese echtpaar Liam Donovan en Lauren Chen (de laatste een voormalige RT-medewerker). Tenet huurde de rechtse influencers in en verdeelde alleen al 8,7 miljoen dollar onder Pool, Rubin en Johnson (Rubin ontving 400.000 dollar per maand plus een tekenbonus van 100.000 dollar en Pool verdiende 100.000 dollar per video). De influencers moesten video’s produceren over een aantal van dezelfde onderwerpen die The Grayzone behandelt, zoals samenzweringstheorieën rond covid-19 en vaccins en een sympathieke kijk op de interventie van Rusland in Oekraïne.

    Als de website geen geld ontvangt van Rusland, zal dat zeker niet zijn vanwege zijn journalistieke onafhankelijkheid

    The Grayzone beweert dat het nieuwskanaal ‘geen financiering ontvangt van een overheid noch van een door de overheid gesteunde groep of persoon’ en dat het volledig afhankelijk is van de ‘steun van lezers zoals jij’. Maar als de website geen geld ontvangt van Rusland, zal dat zeker niet zijn vanwege zijn journalistieke onafhankelijkheid. Het personeel van The Grayzone is te gast geweest bij regimes van Caracas tot Managua en heeft massamisdaden witgewassen van Damascus tot Xinjiang. Ze hadden er geen moeite mee Russische narratieven te propageren op door Russische functionarissen georganiseerde forums. Blumenthal werd naar de VN-Veiligheidsraad gestuurd om te beweren dat Oekraïne de onverzettelijke partij was in de oorlog met Rusland, terwijl Maté een ander VN-forum bijwoonde om de met bewijzen gestaafde verantwoordelijkheid van het Syrische regime voor de chemische aanval op Douma in april 2018 te ontkennen. Hun relaties met Russische staatsvertegenwoordigers lijken hartelijk. De permanente vertegenwoordiger van Rusland bij de VN, Dmitri Poljanski, bedankte zowel Blumenthal als Maté persoonlijk voor hun respectievelijke getuigenissen bij de VN. Hij verspreidt Matés berichten vaak op Twitter en was te gast op de podcast van The Grayzone.

    In tegenstelling tot de wispelturige rechtse rakkers die het Kremlin probeerde in te zetten, biedt The Grayzone betrouwbaarheid. Na de verkiezingen van 2016, toen RT en het Russische staatsnieuwsagentschap en de radio-omroepdienst Sputnik steeds meer onder de loep werden genomen, weken verschillende van hun werknemers uit naar alternatieve media in de VS. Naast bedrijven als MintPress en BreakThrough News werd The Grayzone blijkbaar een geliefd toevluchtsoord. De werknemers en medewerkers, zoals Anya Parampil, Wyatt Reed, Mohamed Elmaazi, Jeremy Loffredo, Kit Klarenberg, Dan Cohen en Rania Khalek, zijn allemaal ooit in dienst geweest van de Russische overheid. De inhoud die ze produceren voor The Grayzone is niet te onderscheiden van de inhoud die ze produceerden voor RT of Sputnik. (Misschien is deze overlap de reden dat het Kremlin hen niet de investering waard vindt die Rubin, Pool en Johnson ten deel viel.)

    Steun

    Maar er is geen reden om de mogelijkheid van tafel te vegen dat The Grayzone in de lucht wordt gehouden dankzij de ‘steun van lezers zoals jij’. Er is inderdaad veel steun van lezers, zelfs als die niet zijn zoals jij of ik. Op een GoFundMe-pagina van The Grayzone staat bijvoorbeeld een donatie van 30.000 dollar van slechts één iemand: ‘George Waters’ (de officiële naam van Pink Floyd-bassist Roger Waters, die op latere leeftijd geïnteresseerd is geraakt in pro-Kremlin-complottheorieën). Als podcasts zoals Chapo Trap House miljoenen hebben binnengeharkt met reactionair gebrabbel, dan focust The Grayzone zich tenminste op belangrijkere zaken. Het is niet ondenkbaar dat er genoeg publiek is dat ervoor wil betalen.

    De afgelopen jaren hebben zowel de Amerikaanse regering als EU-functionarissen de dreiging van desinformatie benadrukt. Sinds 2016 is er een hele industrie ontstaan rond deze kwestie. Gepensioneerde spionnen, slimme academici en ondernemende journalisten doen allemaal mee. Ze richten zich bijna uitsluitend op de kant van het aanbod. Volg het geld, ontwar het web, ontmantel het bedrog, adviseren ze. 

    Als je kwaadwillende actoren in de gaten houdt en hun financiering afknijpt, kun je ze door middel van wetgeving ruïneren, zeggen ze.

    Normale mensen lopen net zoveel kans om in de desinformatievalstrik terecht te komen

    Maar er wordt weinig aandacht besteed aan de kant van de vraag. Dat er excentriekelingen zijn met een voorliefde voor samenzweringstheorieën of ideologen met oedipale ideeën die zich aangetrokken voelen tot tegendraadse verhalen is niet verrassend. Maar dat zijn marginale fenomenen. Normale mensen lopen net zoveel kans om in de desinformatievalstrik terecht te komen. Alleen de boosdoeners opsporen zal weinig helpen om het probleem te beteugelen zolang we niet begrijpen waarom mensen ten prooi vallen aan dergelijke verhalen.

    Na jaren gestaag te hebben ingeboet aan geloofwaardigheid vanwege hun schaamteloos propagandistische berichtgeving over Syrië, Oekraïne en covid-19, beleeft The Grayzone een soort opleving te midden van Israëls oorlog in Gaza. In 2016 waren de samenzweringstheorieën van The Grayzone die Assad steunden en zijn slachtoffers belasterden, voor honderden Palestijnse schrijvers en activisten aanleiding om een open brief te schrijven waarin ze dergelijke activiteiten aan de kaak stelden. Mainstream activistische groepen en podia mijden The Grayzone daarom. Maar ze worden nu weer toegelaten tot respectabele forums. Mensenrechtenactivisten in Groot-Brittannië waren verbijsterd toen ze onlangs vernamen dat Maté is uitgenodigd als spreker op een fondsenwervingsevenement voor de Palestijnse mensenrechtenorganisatie Al-Haq. Dit is des te ironischer gezien Matés vergoelijking van de moord op Palestijnen in Jarmuk en zijn kritiek op de geloofwaardigheid van Forensic Architecture, de in Londen gevestigde onderzoeksgroep die vaak samenwerkt met Al-Haq om Israëlische oorlogsmisdaden te onderzoeken (hij was boos dat Forensic Architecture Assad in verband had gebracht met de aanval op Douma). 

    Ook Blumenthal heeft zijn opwachting gemaakt op pro-Palestijnse forums, slechts een paar jaar nadat hij alom werd veroordeeld vanwege een sketch waarin hij de spot dreef met de Syrische slachtoffers van chemische aanvallen en om islamofobe laster tegen dezelfde heldhaftige gezondheidswerkers (in het bijzonder dr. Zaher Sahloul, de voorzitter van MedGlobal) die nu hun leven riskeren in Gaza, ondanks de systematische aanvallen van Israël op ziekenhuizen.

    Wanneer de berichtgeving wordt bepaald door politieke overwegingen, staat de waarheid in dienst van de macht. Nu de morele en epistemische basis instort, is alleen de macht nog scheidsrechter van de werkelijkheid. En om deze onbalans uit te wissen, wenden degenen die zich vervreemd en machteloos voelen zich tot elke bron waarvan ze denken dat die de scheefgroei zal helpen corrigeren.

    Moreel gevaar

    Deze relativering van de waarheid creëert een moreel gevaar. Het vermindert het vertrouwen in de media en wakkert het cynisme aan. De media zijn tegenwoordig diverser en vaak diepgaander dan twintig jaar geleden, en publicaties als The New York Times, The Washington Post en CNN produceren soms uitstekende journalistiek (zie bijvoorbeeld het uitmuntende werk van de visuele onderzoeksteams van deze instituten, de keiharde journalistiek van Clarissa Ward en de menselijke berichtgeving van Christiane Amanpour). Maar dat doet er weinig toe als de voorpagina’s en primetime worden gedomineerd door oppervlakkige, vertekende en sensationele verslaggeving en flauw commentaar. Wanneer een gebroken raam op een Amerikaanse universiteit meer aandacht krijgt dan de vernietiging van een hele familie in Gaza, haken velen af en gaan ze op zoek naar alternatieve bronnen. Een miljoen ‘desinformatie-experts’ zijn van weinig nut als één persconferentie van het Witte Huis al hun werk ongedaan kan maken. Rusland heeft miljoenen gespendeerd aan het kopen van invloed, maar de grootste troef die het ooit heeft gehad is Kirby, van wie elke uitspraak meer doet om de Amerikaanse geloofwaardigheid uit te hollen dan duizend betaalde influencers.

    Het cynisme dat hierdoor wordt gekweekt, ondermijnt het idee van universele mensenrechten. Wanneer mensenrechten selectief worden afgedwongen, worden ze gezien als een knuppel om ideologische tegenstanders mee te slaan. Met groot leedvermaak gaven China en Iran afgelopen voorjaar verklaringen uit waarin ze de VS opriepen zich gematigd op te stellen in hun gewelddadige optreden tegen studenten. Westerse verklaringen over mensenrechtenschendingen elders leiden nu alleen nog maar tot hoongelach.

    Onze terechte woede maakt ons kwetsbaar, waardoor cynici ons kunnen manipuleren

    Dit cynisme sijpelt overal doorheen. Mensen als Blumenthal, die de massamisdaden van autoritaire regimes witwasten, de spot dreven met de slachtoffers van massamoord en het zelfs opnamen voor de kwelgeesten van de Palestijnen in Jarmuk, worden nu uitgenodigd op mensenrechtenforums. Voor veel jonge activisten die wakker zijn geschud door Gaza, is de oorlog in Syrië verleden tijd. Maar als ze zich tot The Grayzone wenden voor informatie over Gaza, laten ze toe dat pro-Assad- en pro-Kremlinverhalen de activistenwereld binnensluipen. The Grayzone mag dan een ‘alternatief’ zijn voor de Amerikaanse mainstream media, wat betreft de oorlogen in Syrië en Oekraïne is het verbonden met de oorlogvoerende staten en fungeert het als spreekbuis voor hun verhalen. Hun wereldbeeld is net zo manicheïstisch als het wereldbeeld dat Palestijnen als onwaardige slachtoffers behandelt; behalve dan dat zíj de slachtoffers van antiwesterse daders als onwaardig beschouwen.

    Als we protesteren tegen het bedrog van de ene groep daders, kunnen we niet toestaan dat een andere groep ons openbare debat vergiftigt. Onze terechte woede maakt ons kwetsbaar, waardoor cynici ons kunnen manipuleren. Door ons scepticisme op te schorten en onze principes te laten varen, helpen we een leegte te creëren waarin zelfs het lijden van kinderen toelaatbaar wordt, afhankelijk van de context.

    The Grayzone is eerder een plaag dan een ingenieuze uitvinding om de waarheid te ondermijnen. Maar dit soort nieuwsbedrijven zullen altijd blijven bestaan zolang onze media zo gecompromitteerd zijn en onze debatten zo vervormd dat de grove tegendraadsheid van propagandisten op moedige waarheidsvinding lijkt. 

  • Journalistiek in Iran is levensgevaarlijk

    Journalistiek in Iran is levensgevaarlijk

    De Iraanse president Ebrahim Raisi is drukdoende het weinige nog resterende journalistieke toezicht op de leiders van de Islamitische Republiek onmogelijk te maken. Correspondenten zijn afwezig, en voor lokale verslaggevers bestaat persvrijheid niet.

    Iran is nog net niet het onherbergzaamste land voor journalisten, maar het gaat wel hard die kant op. Volgens Verslaggevers Zonder Grenzen scoren alleen Vietnam, China en Noord-Korea lager dan Iran als het om persvrijheid gaat. Ebrahim Raisi, de meest meedogenloze president in de geschiedenis van de in 1979 opgerichte Islamitische Republiek, doet schijnbaar zijn uiterste best om ervoor te zorgen dat Iran Noord-Korea inhaalt.

    De cijfers schetsen een verontrustend beeld. Zo telde het Comité ter Bescherming van Journalisten in oktober 2023 maar liefst 95 arrestaties van journalisten sinds de uitbraak van de ‘Woman, Life, Freedom’-demonstraties in het jaar ervoor. Sommige bronnen, waaronder de Internationale Federatie van Journalisten (IFJ), beweren dat zes van de gearresteerden nog steeds vastzitten. Ook zegt de IFJ dat negen journalisten die in dienst waren van aan de overheid gelieerde kranten zijn ontslagen vanwege hun politieke opvattingen, en dat aan acht (online)kranten disciplinaire maatregelen zijn opgelegd. De pro-hervormingsnieuwssite Ensaf News moest zijn directeur vervangen om te mogen blijven bestaan.

    Een lokale verslaggever die Morseli op sociale media had bekritiseerd werd tot zes maanden gevangenisstraf veroordeeld

    Onder het bewind van Raisi ligt de lat van wat wordt toegestaan lager dan ooit, waardoor er een aura van onschendbaarheid lijkt te hangen rond eenieder die zich in kringen van de macht bevindt. Zo leidde een door gebedsleider Hassan Morseli aangespannen rechtszaak in juni 2022 tot de veroordeling tot zes maanden gevangenisstraf van een lokale verslaggever die Morseli op sociale media had bekritiseerd. En een pr-manager van het staatsbedrijf Bakhtar Regional Electricity diende in juli 2022 een klacht in tegen de website Bargh News om de identiteit van een anonieme reageerder te achterhalen; die had in een commentaar onder een nieuwsbericht het arbeidsethos van de manager bekritiseerd. 

    Fanatieke overheid

    Tegenwoordig moeten journalisten in Iran zich laten registreren bij het ministerie van Cultuur en Islamitische Begeleiding. In ruil voor persoonlijke informatie, die het ministerie zorgvuldig bewaart, ontvangen zij hun perskaart. Betrokken ambtenaren zeggen dat dit initiatief Iraanse journalisten beschermt, maar daar denken journalisten wel anders over. Zij menen dat, net als bij de regulering van het internet, het ministerie hun juist een recht ontneemt.

    Er was een tijd waarin journalisten zich konden beroepen op een grondwet die, ondanks zijn tekortkomingen, op zijn minst lippendienst bewees aan het idee van persvrijheid. Dat document maakt nu plaats voor fanatieke overheidsinstanties die mediabedrijven de mond snoeren en journalisten neerzetten als staatsvijanden.

    Dat het medialandschap van Iran in staat van crisis verkeert, valt niet te ontkennen

    Dat het medialandschap van Iran in staat van crisis verkeert, valt niet te ontkennen. Buitenlandse correspondenten die verslag doen zijn nergens te bekennen en het staatsmonopolie op alle vormen van uitzendingen maakt een onafhankelijk toezicht op het bestuur van de Islamitische Republiek nagenoeg onmogelijk. Grootspraak en propaganda geven de betreurenswaardige realiteit een rooskleurig tintje en de relatie tussen overheid en media is grotendeels transactioneel: lovende reportages worden beloond, kritiek afgestraft.

    In oktober vertelde de Iraanse minister van Wetenschap Mohammad Ali Zolfigol studenten aan Sharif University of Technology dat Iran enkele van de ‘meest vrije universiteiten ter wereld’ heeft. De duisternis van zijn onbedoelde humor kan niet worden overschat. Na verloop van tijd leiden dit soort uitspraken tot minder verontwaardiging en worden ze genegeerd. En sympathisanten van de overheid verwijzen er juist naar als bewijs voor het feit dat Iran journalisten voorziet van ongekende veiligheid en bescherming.

    Verdiensten van de regering

    In 2019 verkondigde de toenmalige vicepresident Eshaq Jahangiri dat ‘Iran het meest vrije land in het Midden-Oosten’ was. Afgelopen augustus beweerde president Raisi dat vrijheid van pers en meningsuiting de verdiensten zijn van de Islamitische regering: ‘Geïnspireerd door het bloed van onze martelaren hebben we de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid gegarandeerd.’ Esmaeil Kowsari, commandant van de Iraanse Revolutionaire Garde en voormalig parlementslid, zei in reactie op de toenemende kritiek op het hardhandige optreden van de regering tegen de ‘Woman, Life, Freedom’-demonstraties van vorig jaar dat ‘het niveau van vrijheid van meningsuiting in ons land hoger is dan in Europa of Amerika’.

    Een verslaggever uit de stad Rasjt, die spreekt op voorwaarde van anonimiteit, vertelt dat het ministerie van Cultuur en Islamitische Begeleiding onder de vorige president Hassan Rouhani de redactie van zijn tijdschrift adviseerde welke nieuwsonderwerpen voorrang moesten krijgen. Zo werd hun onder meer opgedragen om essays te publiceren over thema’s als familie, kinderen en sociale media. Als het tijdschrift deze richtlijnen niet navolgde, riskeerde het strafmaat­regelen. 

    Het is dan ook logisch dat veelal kleine redacties ervoor kiezen de richtlijnen van de overheid te volgen

    Iran heeft een staatskapitalistische economie; dat betekent dat de overheid invloed heeft op de privésector en bepaalt hoeveel financiering elke onderneming ontvangt. Binnen dit systeem kan zelfs de formeel onafhankelijke pers niet aan de genade van de uitvoerende macht ontkomen. Subsidies, belastingvrijstellingen, verzekeringsvoordelen en vervroegd pensioen zijn in Iran geen garanties, maar gunsten die je moet verdienen. Het is dan ook logisch dat veelal kleine redacties ervoor kiezen de richtlijnen van de overheid te volgen.

    Paramilitaire militie

    Volgens de verslaggever uit Rasjt is dit systeem in de afgelopen jaren ietwat veranderd. Zo is het ministerie van Cultuur inmiddels vervangen door de Basij, een paramilitaire militie die sinds 2011 over een mediatak beschikt. De Basij controleert de verslaggeving van lokale media en organiseert conferenties over thema’s zoals de toestand in Palestina, het verplicht dragen van de hijab, kuisheid, seksesegregatie, nucleaire zelfvoorziening, sjiitische rouwrituelen en de nalatenschap van generaal Qassem Soleimani. Lokale journalisten worden gesponsord om deel te nemen aan deze evenementen en er verslagen over te schrijven. De ‘krachtigste’ stukken komen in aanmerking voor soms royale geldprijzen.

    Kranten en tijdschriften worden minder vaak gesloten dan voorheen. Niet omdat de Islamitische Republiek zich niets aantrekt van publieke of internationale kritiek, maar omdat sluitingen bijdragen aan de werkloosheid. Als alternatief plaatst de overheid liever plotselinge verboden op verkooppunten of probeert het nieuwsconsortia en uitgeversbedrijven te nationaliseren: een relatief goedkope strategie. 

    Neem Hamshahri, een enorm mediabedrijf dat in 2008 werd opgericht en momenteel zeven kranten, tijdschriften en websites onder zijn hoede heeft. Op zijn hoogtepunt had het bedrijf maar liefst achttien dochterondernemingen en gold het onder de leiding van een van de meest gerenommeerde journalisten van het land als betrouwbare informatiebron. Vandaag de dag is het bedrijf in handen van Alireza Zakani, de ultraconservatieve burgemeester van Teheran, en bestaat de missie naar eigen zeggen uit verslaggeving ‘binnen het kader van de doelen en waarden van de Islamitische Revolutie’ en het opleiden van ‘mediapersoneel dat loyaal is aan het heilige systeem van de Islamitische Republiek’.

    Studenten

    Een andere grote naam in de Iraanse nieuwswereld die een klap kreeg als gevolg van het micromanagement van de overheid is het Iraanse Studentennieuwsagentschap. Dit werd in 1999 opgericht door het door de staat gerunde Academisch Centrum voor Onderwijs, Cultuur en Onderzoek als stem van de academische gemeenschap van Iran. Het was een nieuwsdienst die werd bemand door jonge hervormingsgezinde journalisten en studenten die de wereldbeschouwing van voormalig president Mohammad Khatami onderschreven. Het agentschap won het vertrouwen van zijn lezerspubliek en werd gezien als een uitstekende nieuwswebsite met een redelijk niveau van redactionele onafhankelijkheid. Maar vanaf het moment dat president Mahmoud Ahmadinejad aan de macht kwam, werd die relatieve openheid aangetast door diverse ontslagrondes. En onder het presidentschap van Raisi verwerd de organisatie tot een zoveelste spreekbuis voor totalitaire newspeak.

    De website staat nu vol met ‘whataboutisme’ en onjuiste informatie over de wereldpolitiek, laster tegen een kwijnende hervormingsbeweging en sentimenteel geslijm over de extremisten van de regering-Raisi, waaronder een ononderbroken lofzang over de president zelf.

    Hoewel deze sombere situatie weinig ruimte overlaat voor optimisme, zijn er wel degelijk enkele journalisten en progressieve (online)kranten in Iran die een tipje van de maatschappelijke sluier blijven oplichten en verhalen aan het licht brengen die de staat verborgen houdt. 

    De in augustus 2003 opgerichte krant Shargh Daily is een van de laatste restanten van een collectief van veelbelovende liberale kranten die opkwamen tijdens de hervormingsperiode. Sinds de oprichting is Shargh vier keer tijdelijk verboden geweest door de overheid. De meest recente sluiting, in 2012, was het gevolg van de publicatie van een prent over strijders uit de Irak-Iranoorlog die door de autoriteiten als kleinerend werd beschouwd. 

    Een andere pro-hervormingskrant, Ham-Mihan, roept herinneringen op aan de jaren rond de eeuwwisseling

    Shargh heeft zijn status als bolwerk van kritische, vooruitstrevende journalistiek weten te behouden, zij het in verzwakte vorm. De krant produceerde onder andere een artikel over een gettowijk in de stad Mashhad, een onderzoek naar de dood van grensarbeiders die door de strijdkrachten onder vuur waren genomen, een onthullend verhaal over de vergiftiging van schoolmeisjes na de ‘Woman, Life, Freedom’-protesten en een vernietigend rapport over eerwraak.

    Een andere pro-hervormingskrant, Ham-Mihan, roept herinneringen op aan de jaren rond de eeuwwisseling, toen tientallen uitgesproken kranten dapper en onverbloemd verslag leverden. Ham-Mihan, opgericht in 2000, is net als Shargh meerdere malen verboden geweest. De huidige redactie bestaat uit een aantal toonaangevende verslaggevers die het land niet hebben verlaten en tot nog toe geen slachtoffer zijn geworden van willekeurige vervolging.

    Angst

    In september 2023 publiceerde de krant een rapport waarin werd geconcludeerd dat de moord op Mahsa Amini door de zedenpolitie en het gewelddadig neerslaan van de daaropvolgende demonstraties tot angst en andere psychische aandoeningen hebben geleid onder de Iraanse bevolking. De verslaggevers spraken met apothekers in diverse steden en onthulden dat een op de vijf patiënten psychiatrische medicatie kreeg voorgeschreven.

    De interviews en verhalen die in het rapport werden gedeeld, bevestigen een sluimerende geestelijkegezondheidscrisis, die wordt verergerd door politieke onderdrukking – een klap in het gezicht van de overheid, die aanhoudend stelt dat psychische aandoeningen niet in de media mogen worden besproken. Politici beschouwen de verwijzingen naar geestesziekten als een beschuldiging dat zij er niet in zijn geslaagd een veilige, gelukkige samenleving te creëren. Wanneer kranten dit dilemma openlijk bespreken, voelt de regering zich beledigd omdat dit zou suggereren dat het bestuur van de Islamitische Republiek het probleem zelf heeft veroorzaakt. Juist daarom moet volgens hen het debat onder het tapijt worden geveegd.

    De journalistiek in Iran is gehandicapt en verlamd

    De journalistiek in Iran is gehandicapt en verlamd. Maar dat betekent niet dat het potentieel van de Iraanse journalisten is verdwenen en dat ze geen stevig, respectabel werk meer kunnen leveren. Integendeel: ze grijpen iedere kans, hoe klein ook, aan om hun vak uit te oefenen.

    Een langdurig tekort aan journalistiek onderwijs en een gebrek aan professionele trainingsmogelijkheden hebben de ontwikkeling van de Iraanse mediawereld aanzienlijk afgeremd. Eind december zaten er in Iran nog steeds minstens 62 verslaggevers achter de tralies – een wereldrecord. De journalistiek van het land is in levensgevaar, maar ademt nog steeds. 

  • Amerikaanse justitie treedt op tegen Chinese inmenging

    Amerikaanse justitie treedt op tegen Chinese inmenging

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Tunesië: oppositieleider Rached Ghannouchi gearresteerd

    » Qatargate: Europees Parlement herziet lobbyregels voor ex-leden

    Chinees ‘politiebureau’ in New York is opgerold

    De Amerikaanse justitie maakte maandag de arrestatie van twee verdachten bekend en vaardigde tientallen aanklachten uit om clandestiene Chinese politieoperaties in het buitenland tegen te gaan, waaronder een filiaal dat midden in New York opereert, bericht New York Post.

    De twee verdachten werden gearresteerd in verband met een onderzoek van de federale politie naar een Chinees ‘politiebureau’, een structuur die is ontworpen om dissidenten te controleren en onder druk te zetten, vertelde openbaar aanklager Breon Peace tijdens een persconferentie.

    Clandestiene Chinese politiebureaus zijn in meerdere westerse landen aan de kaak gesteld

    In een afzonderlijk onderzoek worden vierendertig Chinese ‘ambtenaren van het ministerie van Openbare Veiligheid’ aangeklaagd wegens hun betrokkenheid bij een ‘cel’ die ‘een trollenfarm op internet’ runde, aldus Peace. Deze groep ‘creëerde een groot aantal valse onlineaccounts met als doel het verspreiden van Chinese staatspropaganda om kritische geluiden over Beijing te smoren’, schrijft New York Post.

    De aanwezigheid van clandestiene politiebureaus is in andere westerse landen, zoals Canada, Tsjechië en zelfs Nederland, aan de kaak gesteld en voedt beschuldigingen van spionage aan het adres van Beijing, dat enige betrokkenheid ontkent.

    Lees ook:

  • Kremlin spint garen bij brandhaard in Servië en Kosovo

    Kremlin spint garen bij brandhaard in Servië en Kosovo

    Sluimerende etnische spanningen op de Balkan worden door Poetin aangewakkerd en gebruikt om de aandacht af te leiden van de oorlog in Oekraïne. Hoe beperkt de rol van Rusland als Servische bondgenoot ook mag zijn.

    Terwijl de wereld haar ogen gericht houdt op de Russische invasie in Oekraïne, gaan Vladimir Poetins propagandaoperaties in de hele wereld door. Van Zuid-Amerika tot Afrika, overal zijn Russische onruststokers bezig met het destabiliseren en ondermijnen van regeringen die in hun ogen de doelstellingen van Moskou in de weg zitten. De invloed hiervan was bijvoorbeeld merkbaar op de Australian Open, waar de vader van de Servische toptennisser Novak Djokovic gefilmd werd terwijl hij poseerde met pro-Russische demonstranten en naar verluidt ‘lang leve de Russen’ riep.

    Voor mensen die de regio al lang in de gaten houden, is dit geen verrassing. Poetin heeft Servië en Kosovo tegen elkaar opgehitst door Belgrado dieper in de invloedssfeer van Moskou te trekken. Nu, drie decennia nadat Joegoslavië op bloedige wijze uiteenviel, hebben de recente aanvaringen tussen Servië en Kosovo de sluimerende etnische spanningen doen oplaaien en onrust veroorzaakt in het Westen.    

    Eind december heeft Servië zijn troepen in de hoogste staat van paraatheid gebracht, toen de Servische premier stelde dat de twee landen ‘op de rand van een gewapend conflict’ stonden. Sir Stuart Peach, de speciaal gezant van het Verenigd Koninkrijk, bracht een bezoek aan Servië om de gemoederen tot bedaren te brengen. Maar het risico dat het in de toekomst opnieuw tot een aanvaring komt, blijft reëel. Temeer omdat Rusland achter de schermen bezig is het Westen van de oorlog in Oekraïne af te leiden. 

    Wagner Group

    De campagnes waarmee Rusland invloed uitoefent in Servië kennen een lange geschiedenis. Via instituten als de orthodoxe kerk behoudt Moskou vergaande culturele en politieke invloed in Servië. Sputnik, een Russisch nieuwsbureau dat eigendom is van de staat, is duidelijk aanwezig in Belgrado en het internationale televisienetwerk Russia Today heeft er kortgeleden nog zijn deuren geopend. Misschien is het meest alarmerend nog wel dat de Wagner Group in december zijn aanwezigheid in Servië heeft aangekondigd in de vorm van een ‘Russisch-Servisch Cultureel en Informatiecentrum voor Vriendschap en Samenwerking’. Deze beruchte Russische paramilitaire organisatie, die onder leiding staat van Poetin-vertrouweling Jevgeni Prigozjin, is gespecialiseerd in informatieoperaties die tot doel hebben spanningen aan te wakkeren.  

    De activiteiten van het Kremlin in Servië zijn extra zorgwekkend omdat Servië onlangs als directeur van de inlichtingendienst een pro-Russisch politicus heeft aangesteld die ertoe oproept een ‘Servische wereld’ te creëren – de tegenhanger van Poetins ‘Russische wereld’ op de Balkan. Het doel is alle Serviërs te verenigen in eenzelfde cultureel referentiekader. 

    Servië heeft nooit de onafhankelijkheid van Kosovo erkend. De regering heeft de Serviërs die in Kosovo wonen, en daar in het noorden de meerderheid vormen, aangemoedigd om zich tegen de richtlijnen van [de Kosovaarse hoofdstad] Pristina te verzetten. De spanningen namen toe in augustus, toen Kosovo de Serviërs aldaar verplichtte kentekenplaten en documenten in het Kosovaars te laten registreren. Veel Serviërs weigerden dit en legden uit protest hun werk neer. Door de arrestatie van een voormalig Servisch politieambtenaar verslechterde de situatie verder; Serviërs blokkeerden de wegen net zolang tot hij werd vrijgelaten.   

    ‘Rusland is helemaal vastgelopen op het grondgebied van Oekraïne. Hoe kunnen wij Servië dan helpen?’

    Zowel Servië als Rusland profiteert van de chaos die zulke spanningen veroorzaken. De Servische president Aleksandar Vucic omdat de escalatie de Serviërs afleidt van binnenlandse gebeurtenissen. Eind december zette Vucic bijvoorbeeld het Servische leger op scherp op de dag dat meer dan vijftien mensen in het ziekenhuis belandden door een ammoniaklek in een vrachttrein. Deze was ontspoord als gevolg van de slechte staat van de spoorlijn. Vucic probeert zich met deze strategie in de regio te profileren als een baken van stabiliteit. 

    Poetin op zijn beurt kan door zijn stellingname in het conflict verschillende doelstellingen van zijn buitenlands beleid verwezenlijken: het Westen afleiden van de oorlog in Oekraïne, de NAVO verzwakken en Rusland positioneren als de enige regionale bemiddelaar. Dit geeft hem een zekere macht ten opzichte van westerse mogendheden, die niet willen dat het geweld in de regio verder escaleert. 

    De Russische ambassadeur in Servië maakt duidelijk dat Belgrado kan rekenen op de steun van Moskou en benadrukt dat Kosovo zich ‘op de rand van een groter conflict’ bevindt. Tot op zekere hoogte is dit goedkope retoriek, aangezien Moskou niet in staat is Servië militair bij te staan in geval van een openlijk conflict. Zoals Igor Strelkov, een Russische oorlogsveteraan en voormalig minister van Defensie van de marionettenstaat Donetsk, uitlegt: ‘Rusland is helemaal vastgelopen op het grondgebied van Oekraïne. Hoe kunnen wij Servië dan helpen? Dat lukt enkel als we een totale oorlog met de NAVO aangaan, en daar zijn we totaal niet op voorbereid.’

    Weigering

    Hoe beperkt de rol van Rusland als Servische bondgenoot ook mag zijn, het zal het Servisch-Kosovaarse conflict ongetwijfeld blijven aanwakkeren. Ondertussen kondigde Vucic op 23 januari in een toespraak tot de natie aan dat Servië onder westerse druk staat. Zijn weigering om in te gaan op het Frans-Duitse voorstel om de betrekkingen tussen Servië en Kosovo te normaliseren, zou de onderhandelingen over toetreding tot de EU en westerse investeringen in Servië namelijk tot stilstand brengen. Maar zoals we in Oekraïne hebben gezien, pakken Moskous plannen niet altijd uit zoals ze bedoeld zijn.

    Het Kremlin is niet in staat Belgrado militair of economisch bij te staan, en het Westen heeft de middelen om het conflict te bezweren. Dit vereist de juiste inzet van invloed, een tegenbeweging om Russische informatieoperaties te ontmantelen en NAVO-vredesmissies om nieuwe wegblokkades op te heffen, waarmee de boodschap wordt afgegeven dat het Westen in een geval van escalatie zal ingrijpen. 

    Voor Vucic is het in sommige opzichten makkelijker om in te binden. Met name vanwege zijn controle over de media kan de Servische president bepaalde informatie zo brengen dat hij de betrekkingen met Pristina normaliseert zonder bang te hoeven zijn voor represailles van ultrarechtse groeperingen. 

    Als het Westen snel handelt, wordt het plan van het Kremlin om een nieuwe brandhaard te creëren en zo de aandacht van Oekraïne af te leiden, ondermijnd. 

    Lees ook:

  • Ontwerpers grijpen terug naar agitprop

    Ontwerpers grijpen terug naar agitprop

    Politieke affiches die vooral in het Verenigd Koninkrijk na de Tweede Wereldoorlog baanbrekend waren, worden door ontwerpers opnieuw gebruikt om inspiratie uit te putten. Ze gaan terug naar het straatactivisme, recht-voor-zijn-raap, fel en kleurig.

    Maatschappelijke en politieke bewegingen hebben vaak baanbrekend grafisch ontwerp voortgebracht. Van de overvloed aan propaganda-affiches tijdens de Tweede Wereldoorlog tot het telkens hergebruikte portret van Che Guevara en de uiterst effectieve aids-poster Silence = Death uit de jaren tachtig: een goed ontworpen affiche kan invloed uitoefenen, verandering brengen en inspireren.

    Maar nu de wereld meer dan ooit in het onlinedomein verkeert, is het de vraag hoe relevant een medium nog is dat altijd bij uitstek zichtbaar was op straat. Sinds de snelle commercialisering en commodificering van de ontwerpkunst worden nu vaak gedachteloos dezelfde beelden en stijlen gereproduceerd, en daarmee is de kans op een radicale en innovatieve aanpak afgenomen. Maar via collectieven als Labour Party Graphic Designers en Autonomous Design Group zijn ontwerpers bezig uit dat stramien los te breken, nieuwe esthetische wegen te zoeken en het radicale affiche nieuw leven in te blazen. 

    Labour Party Graphic Designers (LPGD) is een onafhankelijk ontwerperscollectief dat zich sterk maakt voor een Labour-regering

    Labour Party Graphic Designers (LPGD) is een onafhankelijk ontwerperscollectief dat zich sterk maakt voor een Labour-regering. Het collectief is in 2018 opgericht door freelance ontwerper Kevin Kennedy-Ryan en was aanvankelijk bedoeld om linkse ontwerpers bij politieke discussies te betrekken en de partij een praktische manier van communiceren te bieden. Kevin benadrukt dat LPGD ‘onofficieel’ gelieerd is met de Labour Party. Hij weet nog goed hoe de partij vlak na de oprichting van het collectief (dat toen voornamelijk vanuit zijn flatje opereerde) contact met hem legde. ‘De eerste boodschap die we ooit van de partij kregen was: “Hé, cool project. Kun je wel een disclaimer toevoegen dat jullie niet met ons verbonden zijn?”’ Sana Iqbal, freelance strategisch ontwerper en pas later lid geworden van LPGD, heeft onlangs met de afdeling Lewisham van de Labour Party samengewerkt. Daarvoor werd ze benaderd via ‘een berichtje in mijn direct mails’ zegt ze. ‘Ik werk meestal alleen en het was fijn om met een collectief te werken en meer mensen te leren kennen met dezelfde politieke ideeën en ontwerpinteresses.’

    1935.6 SqCQOd7.format webp.width 1440 Ab5C19JT6jJNCggh
    Verkiezingsposter van onbekende ontwerper, 1935. – © The Labour Party

    Archiefnerd

    De designgeschiedenis van Labour is een van de belangrijkste inspiratiebronnen voor het collectief en in hun werk proberen ze vaak de levendigheid, kracht en invloed van de vroegere Partij-ontwerpen te hervinden. Volgens Kevin, die zichzelf een ‘archiefnerd’ noemt, zijn vooral de jaren dertig tot het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw een bepalende periode geweest voor het linksgeoriënteerde design. Hij vertelt over zijn liefde voor de sterk typografische affiches in boekdruk en houtsnede uit de jaren dertig, maar ziet ook de jaren vlak na de oorlog als een bepalende periode, ‘toen de partij terugkeerde naar de ideeën van het millennianisme, wedergeboorte en de opbouw van een beter land’. 

    Sana zag bij een recent en verhelderend bezoek met LPGD aan het People’s History Museum in Manchester hoeveel geld en aandacht Labour vroeger voor grafisch ontwerp over had. De tentoongestelde voorbeelden, met hun emblemen, goudfolie, illustraties en kalligrafie, stonden voor een veel grotere boodschap. ‘Het was bijna een manier om tegen de kijker te zeggen: “Wij vinden jou zo belangrijk, dat we je niet zomaar een stukje plastic geven, we geven je iets dat zo prachtig is dat je het wilt hebben en bewaren,”’ vertelt ze een beetje weemoedig.

    Dus wanneer is het misgegaan? Kevin: ‘Tussen eind jaren tachtig en eind jaren negentig werd communicatie veel meer ”verfijnd”. New Labour deed dat uitzonderlijk goed en zo kreeg de partij waarschijnlijk voor het eerst zeer strikte merkrichtlijnen opgelegd.’ Volgens Sana is als gevolg van deze vercommercialisering ‘de centrale functie van het design zijn fundament kwijtgeraakt en nu is het naar mijn idee net een reusachtig verkoopapparaat, en daar heb ik gewoon niets mee’. Het is deze aanpak waartegen LPGD iets probeert te doen: het vluchtige wegwerpkarakter van onverschillig politiek design.

    Het collectief geeft om de paar maanden een ‘artpack’ uit met daarin een aantal door verschillende ontwerpers gemaakte affiches

    Het collectief geeft om de paar maanden een ‘artpack’ uit met daarin een aantal door verschillende ontwerpers gemaakte affiches. Deze pakketten stellen altijd een actueel thema aan de orde, zoals de vierdaagse werkweek, de privatisering van de National Health Service, het belang van vakbonden en de klimaatcrisis. Hiervoor creëert de groep visuele elementen waaraan evenveel zorg en aandacht zijn besteed als aan de affiches uit het verleden, met de bedoeling iets te maken wat ‘mooi’ is. Sana: ‘Van oudsher bestond de opvatting dat kunst aan alle mensen toebehoort en dat die “beautification” iets is waarnaar we allemaal moeten streven: het idee dat het leven voor mensen uit de arbeidersklasse mooier moet zijn. En dat is wat LPDG probeert te doen: dingen maken waarvan mensen denken: “Dit is zo mooi, dat wil ik in mijn huis.”’

    628b3f28e461d3b1878b8b5c Simon Pates

    Een van de middelen waarmee LPDG deze ‘beautification’ wil bereiken is door afstand te doen van de archetypische kleurkeuzes. Sana: ‘De functie van kleuren is met de tijd echt veranderd. “Conservatief blauw” en “Labour rood” gaven ooit echt onderscheid aan. Maar nu vervaagt dat onderscheid.’ Het verlangen om niet door kleur te worden beperkt wordt duidelijk als je naar de vele artpacks van LPDG kijkt. In zijn affiche voor het artpack Public Spaces gebruikte Keir Barnett paarse, roze, gele en oranje tinten om een opvallend, in het licht van een zonsondergang badend berglandschap te creëren. Talitha Cargil gaf haar affiche – in het artpack over de privatisering van de NHS – een zuurstokroze achtergrond met pastelkleurige typografie. Dat uiterst zoete beeld vormt een scherp contrast met de serieuze boodschap van het affiche.

    Helderheid en directheid

    Nog een aspect van het historische Labour-design dat LPDG probeert terug te brengen is het gevoel van helderheid en directheid. ‘Hoe verder je teruggaat, hoe meer visuele eenvoud je ziet,’ zegt Kevin. ‘De boodschap is heel effectief, met name wanneer die goed samengaat met de visuele kant.’ Kijkend naar het werk van LPDG noemen Kevin en Sana het affiche van Toby Forster uit het New Green Deal-artpack als een voorbeeld van een ontwerp dat het potentieel van een simpel beeld bewijst. Met een figuur die op een windturbine in aanbouw staat, is het affiche een volmaakt voorbeeld van het adagium ‘show, don’t tell’.

    ‘Wij proberen te bereiken dat meer mensen voor hun eigen groep en hun eigen actie ontwerpen kunnen maken’

    De Autonomous Design Group is een anoniem ontwerperscollectief, opgericht door een groep individuele ontwerpers die voornamelijk voor linkse activistische organisaties werken. Verreweg de meeste groepsleden, die affiches ontwerpen over actuele maatschappelijke en politieke kwesties zoals huisvesting, vakbonden en de politie, hebben het vak in de praktijk geleerd: maar twee leden hebben een academische kunstopleiding gevolgd. Belangrijke motivatie voor dit collectief is dat iedereen toegang tot design zou moeten hebben, zodat het medium in feite wordt ‘gedemocratiseerd’; leden van de groep organiseren en leiden vaak workshops voor organisaties als People and Planet, The World Transformed en de huurdersbond Acorn. ‘Wij proberen te bereiken dat meer mensen voor hun eigen groep en hun eigen actie ontwerpen kunnen maken.’

    Nog een kerndoel van ADG is om de ontwerpen van de groep op straat te krijgen: ‘Wij ontwerpen niet alleen om het ontwerpen, of om ons werk in een galerie te laten zien. We willen het als instrument inzetten en daarvoor gebruiken we de straat.’ Voor deze manier van werken heeft ADG zich vooral laten inspireren door Atelier Populaire. Dit was een groep radicale studenten die in het Parijs van 1968 demonstraties organiseerde en affiches maakte ter ondersteuning van de arbeidersstakingen. Door de affiches gratis te verspreiden en een kleurige, opvallende, maar simpele zeefdrukstijl te hanteren, gebruikte de groep de straat als megafoon. ADG is ook beïnvloed door de Cubaanse politieke organisatie OSPAAAL (Organización de Solidaridad con los Pueblos de Asia, Europa, África y América Latina), die vooral bekend is uit de jaren zestig, en door See Red Women’s Workshop, een feministische zeefdrukstudio die in de jaren zeventig tegen de kleinerende behandeling van vrouwen protesteerde. Wat al deze bewegingen verbindt is het ‘idee van collectief ontwerpen’, volgens ADG. De groep kan zo twee van de belangrijkste redenen opnoemen waarom er in het Verenigd Koninkrijk nu zo weinig van dit type bewegingen zijn: de voortdurende afbraak van de verzorgingsstaat en van het recht op kraken.

    628684dc3d12e7bebdde79c5 Untitled 26

    Dit verlangen om de verloren gegane waarden van het zichtbare straatactivisme een nieuw bestaan en nieuwe kracht te geven drijft het werk van ADG. En misschien is de belangrijke esthetische invloed die ADG ondergaat van groepen als Atelier Populaire, OSPAAAL en See Red Woman’s Workshop wel hun neiging om affiches te maken die recht-voor-zijn-raap, fel en kleurig zijn. ‘Omdat ons echte doel is om kunst te maken die gewone mensen op straat kunnen zien.’ Dit betekent dat er ook designbewegingen in het verleden zijn die ADG esthetisch gezien verwerpt, met name het werk van de anarchisten uit de jaren negentig. Het collectief vindt dat veel van die ontwerpen door het overheersende gebruik van rood en zwart ‘angstaanjagend’ overkomen, waardoor de politieke en maatschappelijke boodschap die de makers proberen over te brengen, ‘intimiderend’ kan overkomen. ‘Die ideeën zouden niet supereng moeten zijn, of alleen gericht op een bepaald subgroepje in de samenleving. Door je eigen esthetiek te bederven, schiet je jezelf in de voet.’

    Rent Strike-posters

    Een briljant voorbeeld van de kleurige en betrokken benadering van ADG is te vinden in de door het collectief zelf geïnitieerde Rent Strike-posters, waarvan vele tijdens de pandemie werden ontworpen, toen al langer bestaande huisvestingsproblemen en ongelijkheden extra duidelijk naar voren kwamen. Een ervan – The Rent is too Damn High. RENT Strike – is een collage in de sfeer van de Franse affiches uit de jaren zestig: een brutalistisch flatgebouw, bijna verscholen achter weelderige palmbomen, met daaronder de slogan in een retro-lettertype. Op een ander opvallend exemplaar – Landlords Need Us, We Don’t Need Landlords – breekt zo’n brutalistisch gebouw door de diepblauwe achtergrond heen, terwijl de barsten zijn versierd met roze bloesems. Beide posters vertonen schoonheid en een zichtbaar optimisme en geven zo hoop op de mogelijkheid van een betere toekomst. Het is het zeldzame type politiek affiche, zowel anekdotisch als visueel, dat je in je slaapkamer zou willen hangen.

    ‘Met een klein beetje tekst laten we zien hoe ze daadwerkelijk bij de beweging betrokken kunnen raken’

    Met dit soort opvallende en unieke ontwerpen hoopt het collectief mensen aan te trekken. ‘Met een klein beetje tekst laten we zien hoe ze daadwerkelijk bij de beweging betrokken kunnen raken.’ Daarom zijn naast de beeldkeuze ook de tekst en formulering voor het collectief van groot belang. Net als LPGD streeft ADG naar eenvoud, toegankelijkheid en samenhang. ‘Links heeft een veel te grote neiging naar onnodig wollige taal. Maar die is niet bevorderlijk om een idee toegankelijk over te brengen.’ Daarom discussieert de groep vaak uitgebreid over de ‘exacte’ formulering van een slogan, de hoeveelheid tekst en hoe zichtbaar die moet zijn. Daarbij wordt altijd één belangrijke vraag gesteld: ‘Als mensen hierlangs lopen, zien ze het dan en, belangrijker: begrijpen ze het?’

    628b3df8a5a4f75d3a2305b7 Peter Brawne2

    Het is duidelijk dat de twee collectieven bepaalde kernaspecten van hun ontwerpen, hun aanpak en hun ethische opvattingen gemeen hebben. Beide zien ontwerpersbewegingen uit de twintigste eeuw als krachtiger en overtuigender, terwijl een verenigde, radicale ontwerpcultuur in hun ogen momenteel ontbreekt. Ze vinden het belangrijk om levendigheid, kleur en visuele herkenbaarheid in hun affiches terug te brengen en dat onderscheidt hen van de saaie monotonie waaronder het huidige politieke design lijdt. Ten slotte willen ze afstand nemen van al te grote gecompliceerdheid en zich juist op eenvoud en toegankelijkheid richten. Daarom zijn hun affiches niet alleen esthetische objecten, maar ook een middel om een duidelijke en inzichtelijke boodschap af te geven. Bij de discussie over de toekomst van hun projecten zijn LPDG en ADG tot dezelfde conclusie gekomen, namelijk dat ze meer middelen moeten verwerven en op zoek moeten gaan naar creatieve samenwerkingsverbanden tussen individu en collectief. Met deze aanpak kunnen de affiches van nu weer even vooruitziend, tijdloos en overtuigend worden als die uit het verleden.

  • Westplaining: hoe linkse opiniemakers het verhaal van het Kremlin overnemen

    Westplaining: hoe linkse opiniemakers het verhaal van het Kremlin overnemen

    Jeffrey Sachs, Varoufakis en Naomi Klein maken zich volgens deze auteur schuldig aan ‘gedachteloze propaganda’. ‘Ze hanteren een opvatting van het begrip soevereiniteit die opvallend veel lijkt op die van Rusland.’

    Door de Russische aanval op Oekraïne te wijten aan de oostelijke uitbreiding van de NAVO, herhalen enkele prominente figuren van het westerse politieke links gedachteloos de propaganda van het Kremlin. Anderen onthullen gedachteloos hun ware houding ten opzichte van Oost- en Centraal Europa: even neerbuigend en postkoloniaal als die van de imperialisten die ze zo gretig bekritiseren.

    Naomi Klein, die zo briljant de door Amerika geleide poging om Irak te ‘bevrijden’ heeft beschreven in de context van de westerse belangen omtrent olie in het Midden-Oosten, en die zo meeleefde met de Irakezen die aan de ‘shockdoctrine’ waren blootgesteld, prees onlangs Phyllis Bennis’ ‘uitstekende analyse’ van de oorlog in Oekraïne. Volgens Bennis moet men, om de aanval van Poetin op Oekraïne te begrijpen, teruggaan naar 1997, toen Washington ‘de NAVO onder druk zette om naar het Oosten uit te breiden, waardoor een veiligheidsgarantie werd verbroken die de VS na de Koude Oorlog aan Rusland hadden gegeven’. 

    Amerika zou geen wapens naar Oekraïne moeten sturen, want dat zou het militair-industrieel complex enkel ten goede komen

    Ze noemt de NAVO een ‘anachronistische alliantie’ die aan Rusland is opgedrongen, waardoor Rusland NAVO-troepen in zijn directe omgeving als een bedreiging beschouwt. Daarom, zelfs als de oorlog in Oekraïne ‘ongerechtvaardigd’ is, is deze niet ‘niet-uitgelokt’ – Rusland werd simpelweg door de VS die richting in geduwd. Amerika zou geen troepen en wapens naar Oekraïne moeten sturen, want dat zou het militair-industrieel complex enkel ten goede komen. Het moet de sancties ook niet aanscherpen, want die leveren gewoonweg geen resultaat op. De reactie op het conflict moet diplomatie zijn.

    Dus de NAVO en de VS moeten gezamenlijk besluiten om zware wapens en raketten terug te trekken van de Russische grens en in het openbaar erkennen wat de NAVO voor zichzelf allang heeft erkend: dat Oekraïne in de nabije toekomst niet zal toetreden tot de militaire alliantie.’

    Maar hoe zit het met Oekraïne? Moet het gewoonweg accepteren dat een buurland zijn territoriale integriteit heeft geschonden, zijn bevolking vermoordt en zijn steden verwoest? Wie kan het wat schelen? Niet die auteur van de ‘uitstekende analyse’, noch Naomi Klein. Na een overweldigend kritische reactie – Adrian Zandberg, een prominent linksgeoriënteerd lid van het Poolse parlement, nam de auteur van The Shock Doctrine haar ondraaglijke naïviteit en Angelsaksische arrogantie kwalijk – verwijderde Klein de tweet.

    NAVO

    Owen Jones, columnist van The Guardian, podcaster en activist, die welsprekend de belangen van de arbeidersklasse verdedigt, fanatiek islamofobie en transfobie aan de kaak stelt en (regelmatig) de trieste ondergang van Boris Johnsons regering voorspelt, deelde een soortgelijke analyse met de wereld, geschreven door Jeffrey Sachs. 

    Ook Sachs is van mening dat de VS moeten verzekeren dat ze Oekraïne niet tot de NAVO zullen toelaten. Vooral omdat ‘het uitbreiden van het convenant naar het oosten na de ineenstorting van de USSR onnodig, roekeloos en provocerend was’. Echte vrienden van Oekraïne, redeneert Sachs, zouden tot een compromis tussen de VS en de NAVO met Rusland moeten oproepen – ‘een compromis dat de legitieme veiligheidsbelangen van Rusland respecteert en tegelijkertijd de soevereiniteit van Oekraïne 
    volledig ondersteunt’.

    Het creëren van een ‘neutrale bufferzone’ tussen Rusland en het Westen is een uitstekend idee

    Jones tweette het opiniestuk van Sachs en voegde eraan toe dat het creëren van een ‘neutrale bufferzone’ tussen Rusland en het Westen een uitstekend idee is. Toegegeven, na vele kritische reacties kwam hij tot inkeer en verontschuldigde hij zich voor zijn ‘extreem domme, gevoelloze en simpelweg foute’ tweet. Vervolgens begon hij te waarschuwen voor het nucleaire conflict dat ons te wachten staat als het Westen betrokken zou raken bij de oorlog in Oekraïne.

    Hypocrisie

    Dezelfde waarschuwingen worden herhaald door een andere prominente linkse columnist, namelijk Bernie Sanders’ voormalige speechschrijver David Sirota, die, tot groot genoegen van Poetin, Amerikanen beschuldigt van hypocrisie: ‘Het is moeilijk om te zien dat de mensen die met hun leugens Amerika ertoe aanzetten honderdduizenden Irakezen te vermoorden, nu doen alsof ze belang hechten aan het internationaal recht en onschuldige levens.’

    ‘De enige hoop op een vreedzame oplossing is een NAVO-verklaring dat Oekraïne niet zal toetreden tot het bondgenootschap’

    Een andere hoogvlieger van het westerse politieke links, Yanis Varoufakis, de voormalige Griekse minister van Financiën, die zo overtuigend het recht van Griekenland verdedigde om soevereine beslissingen te nemen over zijn toekomst, roept al meer dan een week dat ‘de enige hoop op een vreedzame oplossing een NAVO-verklaring is dat Oekraïne niet zal toetreden tot het bondgenootschap’.

    The Guardian publiceerde op zijn beurt een artikel van Ted Galen Carpenter, een expert gelieerd aan het libertaire Cato Institute – een denktank die wordt gefinancierd door de gebroeders Koch, sponsors van rechts Amerika. Carpenters verhaal dat de aanval op Oekraïne is toe te schrijven aan het ‘arrogante en toondove’ beleid van de NAVO, en dat de ‘vriendschappelijke’ waarschuwingen van Rusland werden genegeerd, sluit naadloos aan op het narratief van het Kremlin. Carpenter suggereert dat Moskou inderdaad recht heeft op de Baltische staten; ze maakten immers niet alleen deel uit van de USSR, maar ook van het Russische Rijk. ‘De schokkend arrogante bemoeienis van het kabinet-Obama’ zou op zijn beurt hebben geleid tot de val van een pro-Russische president in 2014. Vervolgens bracht deze houding Rusland ertoe de Krim te annexeren, uit angst voor zijn veiligheid. ‘We betalen nu de prijs voor de kortzichtigheid en arrogantie van het buitenlandse beleid van Amerika,’ besluit hij.

    Branko Marcetic waarschuwde in de belangrijkste uitlaatklep van het jonge Amerikaanse extreemlinkse Jacobin dat ‘de CIA sinds 2015 in het geheim anti-Russische groeperingen in Oekraïne traint. Alles wat we tot dusver weten wijst erop dat neonazi’s extreemrechtse terroristen over de hele wereld inspireren.’ En in februari klaagde hij dat ‘progressieve wetgevers de crisis in Oekraïne hebben moesten temperen in een wereld die nog steeds besmet is met de na 2016 virale cocktail van 
    anti-Russische hysterie en McCarthy-achtige beschuldigingen’.

    Soevereiniteit

    De benadering van (sommige) westerse linkse experts ten aanzien van de oorlog in Oekraïne toont niet alleen hun verregaande mildheid tegenover Rusland, maar ook een opvatting van het begrip soevereiniteit – of in ieder geval de soevereiniteit van Oekraïne en heel Oost- en Centraal Europa – die opmerkelijk veel lijkt op die van het Kremlin.

    Het Westen is schuldig omdat het Rusland heeft uitgelokt. Maar welke zonden het ook heeft begaan, het heeft hoe dan ook recht op onafhankelijkheid – het is tenslotte ondenkbaar dat iemand beslissingen zou nemen voor de VS, Canada of het VK. De mensen die door het Westen worden onderdrukt – Irakezen, Afghanen, Palestijnen en inheemse bevolkingen – hebben dit recht ook en verdienen het des te meer vanwege eeuwenlange koloniale onderdrukking. Oost- en Centraal-Europa daarentegen – een beetje wild, een beetje barbaars, een beetje tussen een jongere broer en een provinciale oom in, het mythische land Bordurië, Zubrowka, Ruritanië – kan worden opgeofferd. Het is niet voor het eerst dat dat zou gebeuren, en het zal ook niet de laatste keer zijn.

    Het gebied van Oost- en Centraal-Europa is slechts een pion op het geopolitieke schaakbord

    Volgens deze logica waren het niet de Oekraïners die in 2014 besloten dat ze dichter bij de Europese Unie dan de Euraziatische Unie stonden – het waren de VS die een staatsgreep pleegden, ogenschijnlijk in een maatschappelijk vacuüm. Of de Oost- en Midden-Europese staten zich bij de NAVO wilden aansluiten, is allerminst van belang: hun toelating tot de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie was duidelijk een vergissing, want hoe zouden ze ooit aan de verplichtingen kunnen voldoen? Het zou veel beter zijn om het bij een ​​‘bufferzone’, een niemandsland, te laten. Het gebied van Oost- en Centraal-Europa is slechts een pion op het geopolitieke schaakbord, zonder enige zeggenschap over zijn eigen toekomst. 

    En hoewel zo’n cynische en botte benadering aan de rechterzijde van het politieke spectrum geen verrassing zou zijn, is het onbegrijpelijk dat politiek links, dat meestal zo gevoelig is voor andermans leed en het recht op een eigen identiteit verdedigt, dezelfde houding aanneemt. Blijkbaar kunnen sommige van zijn vertegenwoordigers geen twee simpele dingen tegelijk: ze zijn niet in staat én het Amerikaanse imperialisme aan de kaak te stellen én het Russische imperialisme te zien voor wat het is. Nou, Rusland heeft een scala aan methoden en een lange traditie van inspirerende dienstbare idioten om uit te putten. 

  • Russische autoriteiten overspoelen de ether met ‘positieve’ nieuwsverhalen

    Russische autoriteiten overspoelen de ether met ‘positieve’ nieuwsverhalen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Zuid-Korea: Rechter schrapt veroordeling van twee homoseksuele soldaten

    » Afghanistan: Ten minste zestien doden bij twee aanslagen door IS

    Russische staatsmedia probeert bevolking te sussen

    Nu de Russische levensstandaard daalt als gevolg van de oorlog met Oekraïne, heeft Moskou besloten om meer ‘positieve’ verhalen de ether in te zenden. Meduza sprak daarover met drie bronnen die zich dicht bij de Russische regering bevinden. ‘Ze overspoelen de media met positiviteit,’ zegt een van hen.

    Volgens een van de bronnen zit er een strategie achter. De staatstelevisie zendt bewust verhalen uit over nieuwe Russische bedrijven en producten die in de plaats komen van de buitenlandse bedrijven die Rusland hebben verlaten. Zo worden de mensen, die misschien al lege schappen hebben gezien en de prijsstijgingen opmerken, op een geruststellende manier benaderd. Volgens de bron is deze sussende tactiek niet nieuw maar past de Russische regering die toe in slechte en minder slechte tijden.

    In pro-Russische tabloids verschijnen grote, positieve nieuwskoppen

    Op de Russische staatstelevisie zijn de verhalen die de positiviteitscampagne ondersteunen in groten getale te vinden. Berichtgeving over ‘tekorten’, bijvoorbeeld in de petroleumindustrie, wordt geframed als ‘kansen’ voor ondernemers. In pro-Russische tabloids verschijnen grote, positieve nieuwskoppen van berichten die, voor wie ze helemaal leest, toch niet zo positief zijn. Zo schreef Komsomolskaya Pravda met de kop ‘Kijk uit voor vallende prijzen!’ over de prijsdaling van een paar voedingswaren zoals kiwi’s en aubergines, waarna een lange lijst volgde met items die juist duurder waren geworden.

    Meduza citeert een andere bron die zegt dat het stadsbestuur van Moskou is begonnen met een ‘Lentemediaproject’, dat als doel heeft een scherpe daling in het welbevinden van burgers te voorkomen. ‘Het militaire nieuws wordt aan de kant geschoven want het is lente in de stad en alles is aan het ontdooien, is de boodschap erachter,’ zegt hij. Een andere bron bevestigt dat dit initiatief ervoor moet zorgen dat de middenklasse het gevoel heeft dat er niets is veranderd. Zo schrijft Vechernyaya Moskva, een Moskouse avondkrant, over de Fashion Week, ‘die nieuwe kansen creëert voor ontwerpers’.  

    Lees ook:

  • Hoe Beijing buitenlandse influencers beïnvloedt

    Hoe Beijing buitenlandse influencers beïnvloedt

    Volgens gegevens uit een groot internationaal onderzoek krijgen buitenlandse influencers in China betaald om positieve berichten over het land te verspreiden, waarbij gevoelige onderwerpen worden vermeden. Zelf zeggen de youtubers uit eigen beweging te handelen.

    De YouTube-filmpjes van Lee en Oli Barrett over hun uitstapjes in China trekken miljoenen kijkers. Vader en zoon Barrett logeren in hotels op exotische locaties, bezichtigen afgelegen dorpjes, proeven plaatselijke lekkernijen op drukke inheemse markten of laten daar op traditionele wijze hun oorsmeer verwijderen. Dit zijn exponenten van een nieuwe generatie socialemediasterren die een opgeruimd beeld schetsen van het leven als buitenlander in China – en ondertussen ook weerwoord bieden aan de kritiek op het autoritaire beleid, de behandeling van etnische minderheden en de aanpak van corona in het land.

    Het zijn filmpjes die er ongedwongen en zelfgemaakt uitzien. Maar wat er vaak achter zit, is een heel apparaat van ambtelijke coördinatoren, staatsmedia en andere steun vanuit de overheid, allemaal in het kader van het groeiende streven van Beijing om pro-Chinese boodschappen de wereld in te helpen. Staatsmedia en lokale overheden organiseren en financieren de reizen van pro-Chinese influencers, zo blijkt uit documenten van de overheid en uitlatingen van de influencers zelf. De overheid biedt aan om voor de filmpjes te betalen en krikt de kijkcijfers op door ze met miljoenen volgers te delen op YouTube, Twitter en Facebook. Met de steun van officiële staatsmedia kunnen de makers bovendien filmen in regio’s van China waar de autoriteiten buitenlandse journalisten het werk juist onmogelijk maken. 

    ‘De mensen zijn heel aardig en doen gewoon hun werk, leiden hun leven’ 

    De meeste van deze youyubers wonen al jaren in China en zeggen dat ze tegenwicht willen bieden aan de steeds negatievere westerse beeldvorming over het land. En de Communistische Partij dicteert hun niet waar ze filmpjes over moeten maken, zeggen ze, dat bepalen ze zelf. Maar ook al zien deze influencers zichzelf niet als onderdeel van een propagandacampagne, ze worden door Beijing wel zo gebruikt. Chinese diplomaten en andere officiële vertegenwoordigers vertonen deze filmpjes op nieuwsconferenties en promoten ze op sociale media. Zes van de populairste van deze influencers hebben op YouTube bij elkaar al meer dan 130 miljoen views en meer dan 1,1 miljoen abonnees verzameld.

    Het YouTube-kanaal van Lee en Oli Barret.

    Welwillende buitenlandse stemmen zijn een onderdeel van Beijings steeds ambitieuzere pogingen om het debat over China wereldwijd te beïnvloeden. De Communistische Partij schakelt diplomaten en staatsmedia in om haar eigen verhaal te brengen en kritiek te smoren, vaak geholpen door een heel legertje aan schimmige accounts die het bereik van deze berichten op sociale media vergroten. Podia als Twitter en YouTube, door China in eigen land geblokkeerd om de verspreiding van ongewenste informatie tegen te gaan, worden door Beijing zo in feite als megafoon gebruikt om Chinese propaganda de wereld in te sturen. 

    ‘China is de nieuwe supermisbruiker van de mondiale sociale media,’ zegt Eric Liu, een voormalig Chinese internetmoderator. ‘Het doel is daarbij niet om een debat te winnen, maar om chaos en achterdocht te zaaien, tot er van echte waarheid geen sprake meer is.’

    Een date met China

    Raz Gal-Or begon met het maken van grappige filmpjes toen hij in Beijing studeerde. Inmiddels kijken miljoenen abonnees met de jonge Israëliër mee wanneer hij zowel gewone Chinezen als landgenoten interviewt over hun leven in China. Afgelopen voorjaar bracht hij een bezoek aan de katoenvelden in Xinjiang om beschuldigingen over dwangarbeid in die regio te ontkrachten. ‘Het gaat er hier heel alledaags aan toe,’ zegt hij in zijn reisverslag, nadat hij met een paar van de arbeiders een grote vleesspies heeft gegeten. ‘De mensen zijn heel aardig en doen gewoon hun werk, leiden hun leven.’ Hij rept met geen woord over de interne overheidsdocumenten, getuigenverklaringen en verslagen van journalisten waaruit blijkt dat in Xinjiang honderdduizenden moslims door de autoriteiten in heropvoedingskampen zijn opgesloten.

    Het YouTube-kanaal van Raz Gal-Or.

    En hij zegt ook niets over de zakelijke banden van hem en zijn familie met de Chinese staat. Want de bestuursvoorzitter van Gal-Ors videobedrijf YChina is zijn vader Amir, een investeerder wiens beleggingsfonds volgens zijn eigen website gegarandeerd wordt door de China Development Bank, een staatsbank. En volgens de website van het door Amir Gal-Or opgerichte Innonation behoren twee Chinese staatsmedia tot de klanten van Ychina. Het hoofdkantoor van YChina bevindt zich in het gebouw van Innonation in Beijing. In e-mails aan ons laat Raz Gal-Or weten dat YChina geen ‘zakelijke contracten’ met staatsmedia heeft en dat de informatie op de website van Innonation ‘onjuist’ is. Hij zegt dat hij in Xinjiang niet door overheidsinstanties is betaald of rondgeleid. De reisverslagen die hij daar maakte gaan volgens hem over ‘het leven, het welzijn en de dromen van gewone mensen’. En ‘wie daar iets politieks in ziet, heeft ongetwijfeld zijn eigen agenda’, voegt hij eraan toe.

    ‘Ze betalen de reis, de accommodatie, het eten. Maar ze dicteren absoluut niet wat wij moeten zeggen’ 

    Andere influencers geven wel toe dat ze financiële steun van de staat hebben gekregen, al zijn ze daarmee naar hun mening nog geen spreekbuis van Beijing. De in China woonachtige Canadees Kirk Apesland noemt zijn YouTube-kanaal Gweilo 60. (Gweilo is een Kantonees woord voor buitenlander.) Hij weerspreekt daar berichten over de repressie in Xinjiang en voert zijn eigen positieve ervaringen aan als tegenvoorbeeld voor de bewering dat de Chinezen worden onderdrukt. Nadat wij contact met Apesland hadden gezocht, plaatste hij een filmpje getiteld ‘New York Times vs Gweilo 60’. Daarin erkent hij dat hij gratis hotelovernachtingen en geld van gemeentelijke en provinciale overheden accepteert. Hij vergelijkt het met het werk van een promotor. ‘Krijg ik geld voor wat ik doe? Natuurlijk,’ zegt hij. ‘Dit is werk. Ik bereik honderdduizenden mensen met deze video.’ Ook Lee Barrett erkende zoiets in een van zijn video’s. ‘Ze betalen de reis, de accommodatie, het eten,’ zegt hij. ‘Maar ze dicteren absoluut niet wat wij moeten zeggen.’ Oli Barrett heeft niet op onze vragen gereageerd.

    Volgens een document waarnaar verwezen wordt in een nieuw rapport van het Australian Strategic Policy Institute (ASPI) heeft de Chinese internetwaakhond circa 30.000 dollar betaald aan een mediabedrijf in het kader van een campagne getiteld ‘Een date met China’, waarin met behulp van ‘buitenlandse internetsterren’ het succes van Beijings armoedebestrijding wordt geprezen. ASPI, dat gefinancierd wordt door onder meer de Australische en Amerikaanse overheid en diverse bedrijven, waaronder leveranciers van militair materieel, heeft al verschillende rapporten over China’s repressieve beleid in Xinjiang gepubliceerd.

    Iets complimenteus

    Wanneer de YouTubers op kosten van de staat reizen, bepalen hun reisleiders wat ze te zien en te doen krijgen. Lee Barrett en een andere influencer, Matt Galat, voerden onlangs een gelivestreamd gesprek met twee YouTubers uit Mexico over hun stedentrip naar Xi’an voor de staatsomroep China Radio International. De organisatoren van de reis hadden Galat gevraagd iets complimenteus te zeggen over een plek die hij nog niet gezien had, zo vertelde hij in dat gesprek. Dat had hij geweigerd. En tijdens een ander onderdeel van de reis was hij teleurgesteld dat het bezoek aan een heilige berg uit het programma was geschrapt. ‘Ze moesten ruimte maken voor meer propagandabezoekjes,’ zei hij. Galat heeft de stream van het gesprek later weer van zijn kanaal verwijderd. Hij wil niet zeggen waarom.

    Het is onduidelijk hoeveel inkomsten dit de makers oplevert. Maar naast geld hebben de Chinese overheidsinstanties ook iets te bieden dat voor een sociale mediaster minstens zo belangrijk is: bezoekersverkeer. De advertentie-inkomsten op YouTube hangen af van het aantal kijkers. En hoe meer kijkers, hoe meer kans de influencers maken op sponsorcontracten van grote merken, zoals een aantal van deze pro-Chinese YouTubers die al in de wacht hebben gesleept.

    ‘Dictatoriale landen kunnen hun inzichten in het algoritme bundelen en aanwenden om al hun kanalen te promoten’

    Gal-Or zette zijn video over de katoenvelden in Xinjiang op 8 april op YouTube, kort nadat Nike, H&M en andere merken in China onder vuur kwamen te liggen omdat ze hun zorg hadden uitgesproken over berichten omtrent Chinese dwangarbeid. Luttele dagen later werd zijn filmpje met Italiaanse ondertitels op Facebook gezet door de Chinese ambassade in Italië, die op Facebook bijna 180.000 volgers heeft. In de weken daarna werden dit filmpje en andere clips van Gal-Or in Xinjiang door minstens vijfendertig accounts van Chinese ambassades en officiële nieuwsdiensten op Facebook en Twitter gedeeld, zo blijkt uit door ASPI verzamelde gegevens die door ons zijn geverifieerd. In totaal hebben al die accounts bij elkaar zo’n vierhonderd miljoen volgers. En de algoritmes van YouTube en Google geven meer gewicht aan video’s die op sociale media breed worden gedeeld.

    ‘Dictatoriale landen kunnen hun inzichten in het algoritme bundelen en aanwenden om al hun kanalen te promoten,’ zegt Guillaume Chaslot, een oud-medewerker van Google die daar heeft meegewerkt aan de ontwikkeling van het aanbevelingsalgoritme van YouTube. Volgens Darren Linvill, die aan Clemson University onderzoek doet naar desinformatie in de sociale media, werd de video van Gal-Or op Twitter gedeeld door heel veel accounts met een verdacht kaal profiel. Dat is volgens hem kenmerkend voor een gecoördineerde actie om de verspreiding te bevorderen. Van de 534 accounts die het filmpje van april tot eind juni retweetten, had twee vijfde hooguit tien volgers, zag Linvill. Een op de negen had er nul. En voor negen accounts was dit de allereerste tweet. Op deze manier wordt de digitale voetafdruk van Gal-Or en andere makers vergroot.

    Joshua Lam en Libby Lange, studenten aan de universiteit van Yale, hebben een analyse uitgevoerd op een steekproef van bijna 290.000 tweets uit de eerste helft van 2021 waarin Xinjiang werd genoemd. Zo zagen ze dat zes van de tien meest gedeelde YouTube-video’s in de tweets afkomstig waren van de pro-Chinese influencers. YouTube laat ons weten dat het geen aanwijzingen heeft dat deze makers ‘betrokken waren bij gecoördineerde beïnvloedingsoperaties’. YouTube is onderdeel van Google en haalt geregeld kanalen uit de lucht als die op repetitieve of gecoördineerde wijze een bepaalde boodschap uitdragen. Maar daarnaast eist YouTube dat de kanalen voor hun kijkers duidelijk maken welke sponsorcontracten of andere commerciële banden ze met bedrijven hebben. Gevraagd hoe het dan zit met gratis reisjes en betalingen door Chinese staatsmedia laat YouTube weten dat het deze makers op hun verplichtingen zal wijzen.

    Transparantie

    YouTube probeert de transparantie ook te bevorderen door kanalen van door overheden gefinancierde nieuwsorganisaties als zodanig aan te merken. Maar, zo laat YouTube weten, dat geldt niet voor privékanalen van de werknemers van zo’n organisatie. Zo kunnen sommige YouTubers verhullen dat ze voor Chinese staatsmedia werken. Li Jingjing neemt haar abonnees bijvoorbeeld mee naar de koraalriffen in de Zuid-Chinese Zee en bespreekt de westerse pogingen om China daar een halt toe te roepen. Maar op haar kanaal staat niet vermeld dat ze voor de staatsomroep China Global Television Network (CGTN) werkt.

    Net zoals op The China Traveler, het YouTube-kanaal van Stuart Wiggin, nergens te lezen staat dat hij een medewerker is van de Chinese krant People’s Daily. Toch werd hij door een andere Chinese staatskrant, China Daily, als zodanig benoemd in hun reportage over de ‘Date met China’-campagne. In zijn filmpjes uit Xinjiang is Wiggin lyrisch over de regionale keuken en interviewt hij bewoners over de mate waarin hun leven erop vooruit is gegaan. Onderwerpen zoals de heropvoedingskampen komen niet ter sprake. Li en Wiggin hebben geen van beiden op onze vragen gereageerd.

    Het YouTube-kanaal van Stuart Wiggin

    Galat was een van de populairste pro-Chinese YouTubers, maar heeft het land dit jaar verlaten om op zijn kanaal over andere landen te kunnen berichten. Momenteel doet hij verslag van zijn reizen in de Verenigde Staten. Hij zegt desgevraagd geen spijt te hebben van zijn Chinese filmpjes. Al voor de coronapandemie had de uit Detroit afkomstige Galat vanuit zijn Chinese woonplaats Ningbo een aardige schare kijkers opgebouwd met zijn opgewekte reisverslagen. Toen de piek van de pandemie in China voorbij was, begon hij van allerlei lokale overheden en staatsmedia uitnodigingen voor reisjes te krijgen. Het land probeerde in die tijd de westerse kritiek op de Chinese reactie op de pandemie te pareren. Galat zegt zich ook aan die kritiek te hebben geërgerd.

    ‘Mensen ervaren graag dramatische en agressieve gevoelens over dingen, en veel van die content trok meer kijkers dan mijn gewone reisverslagen’

    Zijn YouTube-filmpjes begonnen politieker te worden. Hij vroeg zich hardop af of het virus misschien uit de Verenigde Staten kwam. Hij trad op als gespreksleider in een discussie over de westerse campagne tegen de Chinese techgigant Huawei. ‘Mensen ervaren graag dramatische en agressieve gevoelens over dingen, en veel van die content trok meer kijkers dan mijn gewone reisverslagen,’ zegt hij. Hij kreeg steeds meer volgers, dit jaar zat hij al ruim over de honderdduizend. Hij erkent dat de hulp van de Chinese staatsmedia heeft bijgedragen aan die groei. En toen zijn reizen voor die media langer werden, kreeg hij er ook voor betaald, zegt hij. Hij wil niet zeggen hoeveel.

    De afgelopen zomer heeft hij een reis gemaakt naar Xinjiang die georganiseerd was door de staatsomroep CGTN. ‘Even voor de mensen die China met nazi-Duitsland willen vergelijken,’ zegt hij in een videoverslag van een bezoek aan een museum over de cultuur van de Oeigoerse minderheid. ‘Dacht je dat er in Duitsland voor de oorlog ook musea over de Joodse cultuur waren?’

    De kijkcijfers voor zijn filmpjes zijn gedaald sinds ze niet meer over China gaan. Dat vindt hij niet erg, zegt hij. Zijn kanaal zal in de toekomst waarschijnlijk niet meer zo politiek zijn. ‘Ik voel me er niet echt goed bij,’ zegt hij, ‘om een spreekbuis voor grote thema’s te worden.’

    Lees ook:

  • Drukte op Mars: drie ruimtemissies bereiken de rode planeet in anderhalve week

    Drukte op Mars: drie ruimtemissies bereiken de rode planeet in anderhalve week

    ‘Een rover, lander en satelliet lopen in een baan rond Mars’, schrijft de techwebsite The Verge schertsend. Een kleine vloot onbemande ruimtevaartuigen van de Verenigde Arabische Emiraten, China en de Verenigde Staten bereikt deze maand Mars, nadat ze vorige zomer vanaf de aarde zijn gelanceerd.

    De tocht naar de rode planeet is een ‘marathon van primeurs’: het is de eerste ruimtemisse van de VAE, China’s eerste onafhankelijke poging om op Mars te landen, en de eerste keer dat NASA een helikopter bij een Marsmissie inzet, schrijft The Verge in een vooruitblikkend artikel.

    Een sonde van de Verenigde Arabische Emiraten – de ‘satelliet’ uit de mop – is dinsdag (9 februari) met succes in een baan rond Mars gebracht. Hierdoor maakt het land nu, als eerste Arabische natie, deel uit van de selecte groep ruimtevaartmogendheden die erin is geslaagd de vierde planeet vanaf de zon van dichtbij te bestuderen.

    In de Verenigde Arabische Emiraten viert de leiding hun geslaagde missie.

    Woensdag is het ook de Chinezen gelukt een sonde in een baan rond Mars te brengen, deze zal in mei of juni landen. En op 18 februari zal het Amerikaanse NASA met een robotverkenner, de rover Perseverance, voet aan de grond zetten op onze buurplaneet.

    De VAE hopen dat hun missie ‘al-Amal’ (Arabisch voor ‘Hoop’) belangrijke ontdekkingen zal opleveren over de weerpatronen op Mars en als katalysator zal dienen voor de opkomende wetenschappelijke en technologische sector in het land. De Golfstaat wil door te investeren in andere sectoren minder afhankelijk zijn van olie, schrijft The Verge in een tweede artikel.

    Maar de ruimtemissie dient vooral propagandadoeleinden, stelt El País kritisch: ‘Deze absolute monarchie viert haar vijftigjarige bestaan door zich te laten gelden als ruimtemacht. (…) Het is bovenal een poging om het imago op te poetsen van een land zonder vrijheid van meningsuiting, waar immigranten in onmenselijke omstandigheden werken en waar homoseksualiteit strafbaar is.’

    Missie volbracht

    ‘Missie volbracht’, twitterde de vicepresident van de VAE, Mohammed bin Rashid Al Maktoum op 9 februari. ‘In een baan rond de planeet komen was het meest kritische en gevaarlijke deel van onze reis naar Mars, waarbij de Hoop-sonde werd blootgesteld aan nog nooit eerder ondervonden druk’, aldus Omran Sharaf, projectleider van de missie, tegen The Verge. De sonde heeft ruim 480 miljoen kilometer afgelegd nadat ze afgelopen juli werd gelanceerd vanaf de Japanse ruimtebasis Tanegashima.

    De timing van de Hoop-missie was van cruciaal belang, aldus de techwebsite. De VAE lanceerden de sonde afgelopen zomer in een krappe periode van ongeveer twee maanden, toen de aarde en Mars op één lijn stonden in hun banen rond de zon. Dat gebeurt slechts eens in de twee jaar en de ‘drie landen hebben in 2020 van die kans gebruik gemaakt, net toen de ruimte weer opdook als speelplaats voor wetenschappelijke ontdekkingen en nationalistisch vertoon van macht’, aldus The Verge.

    ‘De ruimte is weer opgedoken als speelplaats voor wetenschappelijke ontdekkingen en nationalistisch vertoon van macht’

    Nu al-Amal met succes in een baan rond Mars is gebracht, gaat het twee jaar lang de atmosfeer en het weer op de planeet in kaart brengen. De eerste foto wordt deze week nog verwacht, meldt de Qatarese krant The Khaleej Times.

    De Chinese ruimtesonde ‘Tianwen-1’ (Chinees voor ‘Zoektocht naar de Hemelse Waarheid’) vergezelde woensdagochtend al-Amal in zijn baan om de rode planeet.

    Het ruimtevaartuig is in een baan gebracht die het binnen 400 kilometer van het Marsoppervlak zal brengen. In mei zullen de lander en de rover zich losmaken van het ruimtevaartuig en een gewaagde poging wagen om te landen in Utopia Planitia, waar zich onder het oppervlak van de planeet een grote laag ijs bevindt. Als China daarin slaagt, zal het na de VS het tweede land zijn dat een rover op het oppervlak van Mars laat landen en metingen verricht, schrijft The Verge in weer een ander artikel.

    De landingspoging van Tianwen-1 was oorspronkelijk gepland voor april, maar de Chinese ruimtevaartorganisatie heeft bekend gemaakt dat deze is verplaatst naar mei of juni. De landingsplaats is ongeveer 1846 kilometer verwijderd van de landingsplaats van NASA’s rover Perseverance, die volgende week zal landen, meldt The Verge – ruwweg de afstand per auto van Amsterdam naar Riga.

    Met de rover Tianwen-1 op de Marsbodem en een satelliet die van bovenaf de planeet scant, wil China de distributie van het waterijs onder de grond in kaart brengen om een beter inzicht te krijgen in de geologische structuur van de planeet. Ook onderzoekt China de mogelijkheid om het waterijs te gebruiken voor bemande Marsmissies op lange termijn, aldus SpaceNews.

    Ingenuity is de eerste helikopter die op een andere planeet wordt ingezet

    De Amerikaanse rover Perseverance zal tijdens zijn tijd op de rode planeet een heel bijzondere techniek inzetten, schrijft The Verge: een doosvormige helikopter met de naam Ingenuity. Ingenuity zal vanaf de buik van de rover proberen op te stijgen in de ultradunne atmosfeer van Mars. Als dat lukt, is het de eerste keer dat een helikopter op een andere planeet wordt ingezet, aldus de techwebsite.

    De landing op 18 februari is live te volgen via het YouTube-kanaal van NASA.

    Geobsedeerd

    Maar ‘waarom is iedereen toch zo dang geobsedeerd met Mars?’ vraagt het tijdschrift van National Geographic zich af. ‘De belangstelling van de mens voor Mars is tijdloos. Al duizenden jaren geven we betekenis aan Mars door er onze goden aan te verbinden, en haar bewegingen en oppervlak in kaart te brengen. We hebben Mars verwerkt in onze kunst, onze liederen, onze literatuur, onze films. Sinds het begin van het ruimtetijdperk hebben we meer dan vijftig ruimtevaartuigen – technische hoogstandjes die samen miljarden dollars hebben gekost – naar Mars gelanceerd. Vele pogingen, vooral in het begin, zijn mislukt. En toch houdt onze Marsmanie aan.’

    Die obsessie lijkt nog lang niet klaar. The Wall Street Journal moedigt NASA aan om mensen naar de rode planeet te sturen in plaats van de beoogde bemande missie naar de maan. ‘Het huidige doel van de NASA is de maan, maar de maan behoort toe aan een vorige generatie van Amerikaanse pioniers. Een grotere, meer passende ambitie voor het ruimtevaartprogramma dat als eerste mensen op een ander hemellichaam liet landen, is Mars – een bestemming die de NASA al sinds haar eerste visionaire dagen nastreeft. Het is nu tijd om die droom te verwezenlijken.’

    Een animatie van de landing van de rover Perseverance

    NASA schat dat een bemande missie naar de maan 24,4 miljard euro zal kosten en dat de lessen die daaruit worden getrokken, kunnen worden toegepast in toekomstige ruimtereizen naar Mars. Maar de krant benadrukt dat de maan en Mars heel verschillende omgevingen kennen. ‘Mars is een planeet met een atmosfeer, ijs, wind, weer en exploiteerbare grondstoffen’. De rode planeet ‘zou een nieuw thuis voor de mensheid kunnen worden, wat de Maan nooit zal zijn’.

    ‘Het is heel moeilijk om het idee dat Mars op de een of andere manier leven voor ons verbergt om zeep te helpen’

    Dat is volgens National Geographic ook een van de aantrekkingskrachten van onze buurplaneet. ‘De reden waarom Mars in de populaire cultuur zo’n grote rol speelt, is misschien wel heel eenvoudig: zelfs nu ons beeld van Mars in de loop der tijd is aangescherpt, kunnen we ons nog steeds gemakkelijk voorstellen dat we daar een nieuw thuis stichten, ver weg van de aarde.’

    Verlangen naar kameraadschap

    De NASA-rover Perseverance gaat zelfs op zoek naar bewijs voor leven op Mars – iets wat de fantasie van de Marsfanaten nog verder prikkelt. Maar wat als de rover niets kan vinden, niet eens bewijs dat het ooit mogelijk is om mensen voor lange tijd naar de rode planeet te sturen? ‘Zullen we dan het idee van leven op Mars kunnen opgeven?’ vraagt het populair-wetenschappelijk tijdschrift zich af.

    ‘Waarschijnlijk niet’, zegt David Grinspoon, hoofdwetenschapper bij het Planetary Science Institute tegen NG. ‘Het is heel moeilijk om het idee dat Mars op de een of andere manier leven voor ons verbergt om zeep te helpen.’

    ‘Op een bepaalde manier is die koppigheid misschien wel de meest flagrante manifestatie van ons verlangen naar kameraadschap, een verlangen naar gemeenschap, een behoefte om te weten dat we niet alleen zijn in het heelal’, filosofeert NG. ‘Mensen hebben andere mensen nodig om te overleven, en misschien is dat op planetaire schaal ook wel zo.’

  • Controverse: Bedrijft Schmeichel propaganda voor Poetin?

    Controverse: Bedrijft Schmeichel propaganda voor Poetin?

    De voormalige Deense topkeeper en voetbalanalist Peter Schmeichel verslaat 
de aanloop naar het WK voetbal voor de zender Russia Today, bekend als spreekbuis van het Kremlin. Dat levert hem veel kritiek op in zijn vaderland.

    JA

    Peter Schmeichel werd tot twee keer toe verkozen tot keeper van het jaar, won met Denemarken het EK van 1992 en vierde triomfen met zijn club Manchester United. Zijn vizier staat nu echter minder scherp dan in zijn tijd als keeper. Dat kunnen we tenminste opmaken uit zijn recente werkzaamheden voor de Russische televisiezender Russia Today (RT). Een zender die niet alleen gefinancierd wordt door de Russische staat, maar ook 
als journalistieke spreekbuis van het Kremlin fungeert.

    Natuurlijk heeft Schmeichel het recht om zijn geld te verdienen zoals het hem goeddunkt. Wat hij doet is, zoals zijn vroegere teamgenoot Stig Tøfting het verwoordde, ‘in ieder geval niet verboden’. Maar is het ook slim? Of ook maar verdedigbaar? Rusland is, na een korte flirt met de democratie, uitgegroeid tot schurkenstaat. Poetins opponenten zijn onschadelijk gemaakt, potentieel gevaarlijke tegenstanders worden uitgesloten van deelname aan de verkiezingen, sommigen van hen zelfs vermoord of ze verongelukken onder verdachte omstandigheden. De president vertrekt hierbij geen spier. De Krim is ingelijfd, de Baltische staten voelen zich bedreigd en in het oosten van Oekraïne woedt een oorlog, waarbij een Maleisisch lijnvliegtuig werd neergehaald met luchtafweerraketten van Russische makelij. De Russische ambassadeur in Kopenhagen dreigt zelfs eventueel kernwapens in te zetten tegen Deense oorlogsschepen, indien het land zich aansluit bij het westerse antiraketschild. Het Deense ministerie van Defensie en de grote wapenfabrikant Maersk hebben te lijden onder cyberaanvallen. En dat is nog maar het begin van een lange, lange lijst.

    De oud-keeper is niet bepaald een onderzoeksjournalist. Dat is hij nooit geweest, waarom zou hij het nu dan opeens worden?

    Schmeichel heeft echter vrolijk besloten zich in dienst te stellen van dit regime. Hij benadrukt dat hij geheel zelfstandig de thema’s en inhoud van zijn programma’s mag kiezen, en dat hij niemand verantwoording schuldig is. Dat is fijn voor Schmeichel en helemaal voor RT, want de oud-keeper is niet bepaald een onderzoeksjournalist. Dat is hij nooit geweest, waarom zou hij het nu dan opeens worden?

    Op zich kan het medialandschap het best zonder een kritische Schmeichel stellen. Rusland komt de laatste tijd sowieso bijna uitsluitend negatief in het nieuws. Stemmingmakerij tegen het land is dus onnodig, die verzorgt het zelf al. Het meest recente voorbeeld was de poging tot moord in Salisbury.

    Schmeichel heeft een onverstandige keuze gemaakt, misschien zonder er goed over na te denken. Hij zou op zijn beslissing terug moeten komen. Sportief als hij is, ziet hij dat hopelijk zelf ook in. 

    Redactioneel – Jyllands-Posten

    Denemarken | dagblad | oplage 84.000
    Liberaal-conservatieve ochtendkrant. Jyllands-Posten kwam in 2005 internationaal 
in het nieuws toen het satirische politieke spotprenten publiceerde waarin de profeet Mohammed werd gebruikt.

    1. Jyllands-Posten; 2. Christian Jensen (van Politiken).
    1. Jyllands-Posten; 2. Christian Jensen (van Politiken).

    NEE

    Peter Schmeichel wordt voorgesteld als een clown met een rode neus in een Russisch staatscircus, met Vladimir Poetin als directeur met de hoge hoed. Anderen zien in Schmeichel een naïeve topvoetballer die voor presentator speelt zonder te beseffen dat hij in werkelijkheid een 1.91 meter lange reclamezuil is voor het beleid van Poetin. En weer anderen vinden hem een slimme zakenman die gewoon zijn Peter Schmeichelshow verkoopt 
aan de hoogste bieder.

    Zonder twijfel wordt Peter Schmeichel voor zijn werk als presentator bij de Russische televisiezender Russia Today vorstelijk betaald – zelfs naar Russische maatstaven. Ook staat buiten 
kijf dat RT Poetins propagandakanaal is. En ten slotte is evident dat Schmeichel, door als gastheer voor het gastland van het wk voetbal op te treden, smakeloze televisie maakt.

    Als kijker kun je moeilijk Schmeichels enthousiasme delen wanneer hij een stadion in de stad Nizjni Novgorod binnenwandelt, schilderijen van Kandinsky bekijkt, langlauft of Russische matroesjkapoppetjes beschildert.

    Heeft Schmeichel iets van een gids in een van Poetins nationalistische potemkindorpen? Iets wel, ja. Helpt hij met zijn optredens mee om Rusland in een gunstig daglicht te zetten? Absoluut.

    Deze politici vinden het niet kunnen dat Schmeichel dit WK verslaat, maar zelf staan zij ons nationale team toe om er te spelen en sturen ze officiële vertegenwoordigers

    Om allerlei redenen was het onverstandig van Schmeichel om zich door RT te laten inlijven. Toch is het wel zo fair om hem naar de concrete inhoud van zijn programma’s te beoordelen. Goed beschouwd was zijn optreden daarin tot dusver eerder pijnlijk dan werkelijk laakbaar.

    Schmeichel kreeg kritiek omdat hij, in een interview over de veiligheidssituatie tijdens het WK, naliet om door te vragen. 
Die kritiek was terecht, maar hij ondervroeg de president van [wereldvoetbalbond] FIFA, de Zwitser Gianni Infantino. Niet de Russische autoriteiten. Niet Poetins woordvoerder.

    En zelfs al is de inhoud van deze televisieprogramma’s misschien soms discutabel, dan nog kunnen bepaalde Deense politici de ex-voetballer moeilijk bekritiseren zonder hypocriet over te komen. Deze politici vinden het niet kunnen dat Schmeichel dit WK verslaat, maar zelf staan zij ons nationale team toe om er te spelen en sturen ze officiële vertegenwoordigers. Onze deelname aan het evenement legitimeert Poetin net zo goed.

    Als Denemarken, net als andere landen, van plan is om zijn volkslied op Poetins WK te laten klinken, dan is dat vanuit de overtuiging dat voetbal landen moet verenigen en niet verdelen. Wij zijn ervan overtuigd dat het beter is om contact te blijven houden en een dialoog te voeren, dan om het Russische volk de rug toe te keren. En wij denken dat het mogelijk is Poetins beleid scherp 
te veroordelen en tegelijkertijd toch in zijn stadions te spelen.

    Daar kun je het mee oneens zijn. Maar in dat geval moet je ook de consequenties aanvaarden. Je kunt niet tegelijkertijd meedoen met het WK en diegenen bekritiseren die het evenement verslaan. Politici die dat doen, zijn hypocriet.

    Auteur: Christian Jensen
    Christian Jensen (1972) is hoofdredacteur van Politiken. Hij werkte eerder 
voor Dagbladet Information en, 
als onderzoeksjournalist, voor 
het dagblad Berlingske.

    Politiken
    Denemarken | dagblad | oplage 88.000
    Een van de grootste kranten van Denemarken. Met zijn sociaal-liberale karakter vooral gelezen door de hogere middenklasse in Kopenhagen. De vormgeving van Politiken wordt wereldwijd geprezen.

    Vertaler: Valentijn van Dijk

  • Moeten we stoppen met berichtgeving over terreuraanslagen?

    Moeten we stoppen met berichtgeving over terreuraanslagen?

    Om ervoor te zorgen dat een misdaad terreur wordt, hebben de daders zo veel mogelijk publieke belangstelling nodig. Daar komen wij journalisten in beeld, wij boodschappers van de terreur laten ons ge- en misbruiken voor propaganda van terroristen.

    Moeten we dan zwijgen? Nee, zegt Bastian Berbner van Die Zeit, we moeten afstompen. De belangstelling voor de aanslagen moet afnemen.

    Bewogenheid is eindig. Na de aanslag op het Franse satirische tijdschrift Charlie Hebdo kwamen voor een protestwake bij de Brandenburger Tor bijna twintigduizend mensen bijeen, die als solidariteitsbetuiging met de slachtoffers de Marseillaise zongen en T-shirts droegen met de tekst ‘Je suis Charlie’.

    Tien maanden later, toen terroristen opnieuw toesloegen in Parijs, kwamen er niet eens meer tweeduizend mensen naar de Brandenburger Tor. Wel keken er bijna tien miljoen mensen naar Brennpunkt [een soort extra journaal met achtergrondinformatie over bijzondere gebeurtenissen] op Das Erste.

    Enkele maanden later voerden terroristen aanslagen uit in Brussel en vervolgens in Londen, maar naar Brennpunkt keken in beide gevallen nog maar zes miljoen mensen en naar de Brandenburger Tor kwam vrijwel niemand meer.

    Nu, na Barcelona, trok Brennpunkt nog maar iets meer dan vier miljoen kijkers. Protestwaken werden niet meer gehouden.

    Er zijn ook zo veel aanslagen geweest de afgelopen twee jaar. Hannover, Essen, Würzburg, Ansbach, Berlijn, Hamburg, Kopenhagen, Londen, Nice, Brussel, Sint-Petersburg, Stockholm, Manchester, Londen, verscheidene keren Parijs, verscheidene keren Istanboel en dat zijn ze nog niet eens allemaal.

    Ergens onderweg is ons medelijden bekoeld

    We zien de beelden van de Ramblas in Barcelona, maar we kijken er inmiddels naar als naar een ongeluk op de snelweg. Een korte blik, een moment van ontzetting en daarna keren we terug naar onze emotionele comfortzone.

    Vreselijk hoe we afstompen, hè?

    Nee, niet vreselijk. Integendeel. Ik denk dat dat het beste is wat ons kan gebeuren.

    Als het gaat om de vraag hoe de aanslagen te voorkomen zijn, dan wordt meestal gesproken over strengere wetgeving, extra politieagenten en nieuwe apparatuur voor gezichtsherkenning. Hoewel iedereen weet dat niet alle aanslagplegers zich daardoor laten tegenhouden.

    Er is echter een veel effectiever middel voor terreurbestrijding. Een middel dat het terrorisme als geheel attaqueert en niet de individuele terroristen, het hart van de hydra en niet de vele koppen ervan.

    Je kunt het afstomping noemen. Ik zou het positiever formuleren: gerichte desinteresse.

    Dat klinkt in eerste instantie misschien cynisch, vooral voor de slachtoffers van terreuraanslagen en hun naaste verwanten. Maar je moet je realiseren hoe terrorisme functioneert – en afgelopen december in herinnering roepen.

    Anis Amri reed toen met een vrachtwagen in op de kerstmarkt op de Breitscheidplatz in Berlijn. Hij verpletterde kraampjes, reed mensen omver en wist aan politie en veiligheidsdienst te ontkomen. Evengoed wisten ze precies naar wie ze moesten zoeken. Op zijn vlucht bracht Amri een groet voor een bewakingscamera. En hij was zo vriendelijk om zijn paspoort in de vrachtwagen achter te laten.

    De aanslagpleger in Nice, die 86 mensen overreed, liet op zijn beurt zijn rijbewijs in de vrachtwagen liggen en in de vluchtauto van de aanslagplegers bij Charlie Hebdo vond de politie eveneens een paspoort.

    Terroristen die op de vlucht zijn en in plaats van hun identificatie te bemoeilijken hun paspoort laten zien?

    Natuurlijk is dat geen onachtzaamheid, geen fout die ze telkens weer begaan. De terroristen doen dat voor mensen zoals ik, voor ons journalisten. Net zoals ze videoboodschappen online zetten of beelden van de daad op Facebook plaatsen. Ze willen dat wij artikelen over hen schrijven, dat wij hun naam in zo groot mogelijke letters op de voorpagina afdrukken en een foto van hen erbij zetten. Ze willen dat het hele land over hen hoort, het liefst de hele wereld.

    Symbolisch en willekeurig

    Een misdaad wordt namelijk pas een terroristische daad door de publieke belangstelling. Een gewone moord en een die terreur moet zaaien lijken in wezen heel sterk op elkaar: de ene mens vermoordt een ander. Het verschil is het motief. Moorden, bijvoorbeeld uit begeerte of jaloezie, zijn gericht op heel specifieke personen, want anders hebben ze geen zin. De dader hoopt dat zijn daad zo min mogelijk mensen ter ore komt, het liefst niemand. Hoe geheimer, hoe beter.

    Bij een moord die een terreuraanslag moet worden, is het precies andersom. De slachtoffers zijn symbolisch en vaak willekeurig gekozen. Het kan iedereen overkomen, feestgangers, voetbalsupporters, tieners bij een popconcert. En de daad en de dader moeten bij zo veel mogelijk mensen bekend worden. Hoe openlijker, hoe beter.

    Een paar jaar terug was er een aanslag die bijna ten onder ging in het tumult rond de grote aanslagen in Brussel, Parijs en Berlijn, maar waarin zich de essentie van het terrorisme weerspiegelde. Een paar weken geleden ben ik naar de plaats van die aanslag gereden, naar Saint-Étienne-du-Rouvray, een dorp in de buurt van de Noord-Franse stad Rouen.

    Ik liep het uit forse steenblokken opgetrokken kerkje in, waar over een paar minuten de mis zou beginnen. Links voorin zat een man met gebogen rug, grijs haar en een grijze jas. Ik kende hem van televisie, had op internet foto’s van hem gezien en in Franse kranten over hem gelezen.

    Guy Coponet is 88 jaar oud. Na de dienst sprak ik hem aan en hij vertelde me wat er op deze plek was gebeurd.

    Die dag, 26 juli 2016, was er vrijwel niemand naar de dienst gekomen: alleen Coponet, zijn vrouw en drie nonnen. Maar Coponet verheugde zich erop, want zijn beste vriend, priester Jacques Hamel, stond voorin bij het altaar. Met zijn 85 jaar was Hamel allang met pensioen, maar soms viel hij nog in.

    Vlak voor het eind van de dienst vliegt de deur van de sacristie open en stormen twee in het zwart geklede mannen naar binnen. Ze hebben een mes in hun hand en schreeuwen ‘Allahoe akbar’. Een van de twee stort zich op de priester, die voordat de messteken hem treffen nog roept: ‘Ga weg, Satan!’ Vervolgens zakt Hamel ineen op het altaar en sterft.

    De aanslagplegers hebben een mens om het leven gebracht, maar tot nog toe zijn daarvan slechts vijf mensen getuige geweest: het echtpaar Coponet en de drie nonnen. Om ervoor te zorgen dat een misdaad terreur wordt, moet de daad zich onderscheiden van de dertien andere moorden die er gemiddeld per dag in Europa worden gepleegd, maar waarover je nauwelijks iets hoort.

    Vijf mensen moeten er miljoenen worden. Een eerste stap hebben de twee mannen in het zwart al gezet, want ze hebben de moord voorzien van symboliek: een priester, een kerk. Maar dat is niet voldoende.

    De man die Hamel heeft gedood, kijkt op van het lichaam, loopt naar Guy Coponet en drukt hem een smartphone in de hand; de camerafunctie is al gestart. Hij zegt: ‘Jij gaat filmen, opa!’ Guy Coponet richt de lens op het altaar en legt vast hoe de man boven het lichaam poseert.

    Een jihadist met een bebloed mes boven een dode priester op het altaar van een christelijke kerk in Europa – de islamisten kennen de kracht van deze beelden. Dat geldt ook voor Coponet. ‘Dit gaan ze op internet zetten, dacht ik, maar ik heb toch gefilmd. Wat had ik moeten doen?’

    Na een paar seconden komt de aanslagpleger terug en bekijkt de kwaliteit van de beelden. Hij zegt: ‘Bijna zonder trillen, opa!’ Dan steekt hij toe. Drie keer. In de arm, in de rug, in de nek. Coponet zakt bloedend op de vloer. Hij houdt zich dood en bidt.

    Dan richten de aanslagplegers zich op de vrouwen, die in shock tussen de kerkbanken staan. ‘Nu zijn wij aan de beurt, dachten we,’ herinnert zuster Huguette zich, een tengere vrouw van tachtig jaar. Maar de aanslagplegers beginnen te praten. Huguette zegt: ‘Een van hen droeg ons op: “Als jullie later op televisie komen, dan moeten jullie zeggen dat elke aanslag in Syrië wordt gevolgd door een aanslag in Frankrijk.” Toen wisten we dat we het er levend af zouden brengen.’


    Terrorisme is communicatie. Aanslagplegers willen een boodschap overbrengen. Niet zozeer aan hun directe slachtoffers, de drie nonnen of Guy Coponet en zijn vrouw, niet zozeer aan de mensen op de Breitscheidplatz en de concertbezoekers in de Bataclan, als wel aan alle anderen.

    In de nuchtere taal van de terrorismeonderzoekers worden de mensen voor wie deze boodschap is bedoeld de ‘geïnteresseerde derden’ genoemd. Bij veruit de meesten van ons, laten we zeggen 99 procent, neemt die interesse de vorm aan van angst, schrik en soms ook wraaklust. Als we de huilende zuster Huguette op televisie zien, als we horen hoe ze vertelt over het martelaarschap van de priester schudden we vol afgrijzen ons hoofd, houden we misschien wel geschokt een hand voor onze mond en betrappen we ons mogelijk op de gedachte: Dat moeten we die monsters betaald zetten!

    Dat is het moment waarop een misdaad terreur wordt.

    Misschien zullen we ons de volgende ochtend in de metro afvragen: Is die man met die baard iets van plan? Misschien gaan we een tijdje niet meer naar de kerk, omdat we bang zijn dat ons hetzelfde overkomt als Guy Coponet. Barcelona moet mooi zijn, maar is een andere reisbestemming niet veiliger? Moet je echt elk jaar naar een kerstmarkt?

    De gedachte volstaat. We waren niet aanwezig bij de aanslagen, we hebben niet gezien hoe Jacques Hamel in elkaar zakte, we hebben niet gehoord hoe het hout van de kerstkraampjes op de Breitscheidplatz versplinterde. Toch heeft de angst ons bekropen. We zijn geterroriseerd.

    En het is mijn schuld.

    Niet alleen die van mij natuurlijk, maar van ons journalisten, van mij en al mijn collega’s die over terrorisme berichten.

    De meeste mensen vernemen het nieuws van een aanslag via een pushbericht op hun smartphone, via de Tagesschau, van een stem uit de autoradio of door een blik in de krant. Maar ook wanneer politici zich erover uitlaten, wanneer bijvoorbeeld Angela Merkel een aanslag ‘ten scherpste veroordeelt’ of de minister van Buitenlandse Zaken zijn medeleven betuigt, zijn het journalisten die deze stemmen met hun camera’s en microfoons de huiskamer in brengen.

    Boodschappers van de terreur

    Het is pijnlijk om toe te geven, maar wij journalisten zijn de boodschappers van de terreur, via ons worden vijf bang gemaakte mensen miljoenen bang gemaakte, woedende, om wraak schreeuwende mensen, verspreid over de hele wereld. De Tagesschau berichtte over Hamel, net als CNN. Natuurlijk kan ik nu het beroemde zinnetje ‘Don’t shoot the messenger’ aanhalen, wat zo veel betekent als: de boodschapper heeft geen schuld aan de boodschap die hij overbrengt. Alleen in dit geval klopt dat niet.

    De hele handelwijze van de terroristen is gericht op verspreiding via de media. Ze willen ons journalisten ertoe bewegen zo veel, zo lang en zo sensationeel mogelijk te berichten. Daarom kiezen ze symbolische doelwitten. Daarom dwingen ze Guy Coponet om te filmen. Daarom laten ze de vrouwen leven. Wat is er schokkender dan huilende nonnen op televisie? De aanslagplegers van Rouen is één dode meer waard dan zes doden.

    Al in de jaren vijftig dacht een Algerijnse revolutionair er hardop over na wat beter zou zijn: tien vijanden doden in een afgelegen oord waarvan niemand getuige is, of één in Algiers, zodat mensen in verre landen en belangrijke politici er de volgende dag van horen. Hiermee formuleerde hij het leidmotief van het huidige terrorisme.

    De terroristen maken gebruik van ons journalisten. En wij laten ons gebruiken, steeds opnieuw.

    Terroristisch geweld is er altijd geweest, maar pas in de moderne tijd werd het een machtig fenomeen. Volgens historica Carola Dietze uit Braunschweig verspreidde het zich in de loop van de negentiende eeuw in eerste instantie ‘waar de transport- en de communicatietechnologie bijzonder vergevorderd waren en het politiek geïnteresseerde publiek zich zeer sterk had gemanifesteerd’.

    Dus: vooral in Europa.

    In 1858 gooide de revolutionair Felice Orsini in Parijs een bom naar de auto van de Franse keizer Napoleon III, in de hoop daarmee een volksopstand te ontketenen.

    In 1881 vermoordden anarchisten de Russische tsaar Alexander II toen hij in zijn koets door Sint-Petersburg reed.

    In 1914 schoot een Servische nationalist in Sarajevo de Oostenrijkse troonopvolger aartshertog Franz Ferdinand dood en gaf daarmee indirect de aanzet tot de Eerste Wereldoorlog.

    Alle drie de daden waren politieke moorden zoals die al millennialang werden gepleegd, maar met één verschil. De aanslagen vonden niet in het geniep plaats, maar in het openbaar, midden in Europese metropolen. Er waren honderden getuigen en via de kranten en telegrafen verspreidde het vreselijke nieuws zich binnen een paar dagen over het hele continent.

    Opeens hadden kleine terreurgroepen, zelfs individuen, een middel gevonden om met een geringe inspanning het wereldgebeuren te beïnvloeden. De publiciteit: het was een wapen geworden. Benut, naargelang de historische context, door fascistische, antikoloniale, nationalistische of communistische strijders.

    Een grote menigte verzamelde zich voor de Franse ambassade in Berlijn n.a.v. de schietpartij op de hoofdredactie van Charlie Hebdo op 7 januari 2015.
    Een grote menigte verzamelde zich voor de Franse ambassade in Berlijn n.a.v. de schietpartij op de hoofdredactie van Charlie Hebdo op 7 januari 2015.

    Terroristen werden propagandisten van de daad, maar ook van het woord. Ulrike Meinhof, een van de leiders van de RAF, was journaliste. In juni 1970, nog voor de eerste terreuraanslagen van de groep, publiceerde Der Spiegel ongeredigeerde stukken uit een RAF-pamflet dat Meinhof had geschreven. Jaren later, in september 1977, zagen Duitsers die de televisie aanzetten een uitgeputte werkgeversvoorzitter Hanns-Martin Schleyer, die in doodsangst voorlas uit de Stuttgarter Zeitung. De RAF had hem ontvoerd. De groep maakte het Duitse publiek tot getuige van deze schandelijke vertoning en zette daarmee de Bondsregering onder druk.

    De geschiedenis van de media en die van de terreur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Op elke mediatechnische doorbraak volgt een nieuwe vorm van terrorisme.

    Toen er voor het eerst live verslag van de Olympische Zomerspelen werd gedaan op televisie, in 1972 in München, vielen Palestijnen het Israëlische team aan. De beelden gingen de hele wereld over, niemand praatte meer over sport, iedereen had het over het Midden-Oosten.

    Toen halverwege de jaren negentig televisiezender Al-Jazeera was opgericht, stuurde Osama bin Laden zijn koeriers met boodschappen naar de redactie van het station. En zoals Der Spiegel Meinhofs woorden had afgedrukt, zo verspreidde Al-Jazeera het gedachtegoed van Bin Laden.

    Maar op een gegeven moment verminderde de belangstelling van de zender voor de lange teksten, waarop Bin Laden van strategie veranderde. Hij liet zijn strijders spectaculaire aanslagen uitvoeren, bomaanslagen op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania, een aanval op een Amerikaans oorlogsschip en uiteindelijk, in september 2001, de succesvolste terreuraanslag uit de geschiedenis, die zo perfect was geënsceneerd dat geen redactie ter wereld een keus had. Nog vrijwel dagelijks worden de beelden wel ergens op televisie vertoond en met elke keer dat iemand de vliegtuigen de torens in ziet vliegen, doen de islamisten hun voordeel.

    De vorm van terrorisme die de islamisten bedrijven is de tot nog toe totalitairste. De RAF viel vertegenwoordigers van de politieke en economische elite aan, Bin Laden richtte zijn pijlen op iedereen die zich niet kon vinden in zijn radicale interpretatie van de islam. Niemand mocht zich veilig voelen, iedereen moest bang zijn.

    De propagandisten van IS maken opnames vanuit verschillende standpunten, monteren de beelden op een Hollywood-achtige manier, voorzien ze van dramatische muziek en zetten ze online

    Dan vindt er een beslissende ontwikkeling plaats. Meer dan honderd jaar lang hadden de terroristen de journalistieke filters moeten trotseren om het publiek te bereiken. Ze waren aangewezen op de berichtgeving in kranten en op de radio. Met de uitbreiding van internet komt daar verandering in.

    De eerste terreurgroep die dat systematisch benut, is de Iraakse tak van Al-Qaida. Wanneer hun leider, Abu Musab al-Zarqawi, in mei 2004 de Amerikaanse zakenman Nicholas Berg onthoofdt, wordt de video daarvan binnen 24 uur een half miljoen keer gedownload. De terroristen hebben een rechtstreekse manier gevonden om de schokkendste beelden in de hoofden van mensen over de hele wereld te prenten.

    Niet veel later komen er camera’s op de markt die niet groter zijn dan een luciferdoosje.

    Aanvankelijk filmen beoefenaars van extreme sporten daarmee hun spectaculaire skiafdalingen of skateboardsprongen, maar dan bevestigt de kruimelcrimineel Mohammed Merah in maart 2012 zo’n camera op zijn borst in de Zuid-Franse stad Toulouse. Hij filmt hoe hij in een joodse school een rabbi en drie kinderen doodschiet. Wanneer een speciale eenheid twee dagen later zijn woning omsingelt, is hij nog op zijn laptop bezig om de beelden te monteren.

    Even na middernacht weet Merah op een op andere manier het politiekordon te doorbreken. Hij zou kunnen vluchten, maar in plaats daarvan loopt hij naar de brievenbus om de USB-stick met de 24 minuten durende film naar het Parijse kantoor van Al-Jazeera te sturen. Daarna gaat hij terug naar zijn woning. Korte tijd later wordt hij doodgeschoten.

    Tegenwoordig stelt de zogenaamde Islamitische Staat zich niet meer tevreden met het simpelweg filmen van zijn opmars, aanvallen en executies. De propagandisten van IS maken opnames vanuit verschillende standpunten, monteren de beelden op een Hollywood-achtige manier, voorzien ze van dramatische muziek en zetten ze online.

    En wij journalisten verspreiden ze verder. De collega’s van de televisieredacties kunnen immers niet even voor een reportage naar het kalifaat rijden. Ze gebruiken dus de films die IS zelf maakt, weliswaar met klein in een hoekje geschreven ‘propagandavideo’, maar dat verandert niets aan het feit dat we beelden zien die IS van zichzelf schetst. Beelden van onthoofdingen, weliswaar geblurd, maar de fantasie vult de gaten op. Video’s van strijders die glimlachend in de camera kijken en vertellen hoe fijn ze het vinden om ongelovigen met botte sabels de keel door te snijden.

    Zo is IS in ons hoofd de belichaming van het kwaad geworden. Na de aanslag in Barcelona kopte The Times ‘Evil strikes again’. Het kwaad slaat weer toe. Niet een paar gesjeesde figuren, nee, het kwaad als zodanig, niet minder dan dat! Vreugdekreten bij de terroristen. Doel bereikt. Iedereen is bang.


    De effecten van dit soort berichtgeving zijn uitstekend gedocumenteerd. In een Israëlisch onderzoek ontdekten wetenschappers dat mensen die gruwelijke details van aanslagen op televisie zien symptomen van een posttraumatische stressstoornis ontwikkelen.

    Bij een ander wetenschappelijk onderzoek, eveneens uitgevoerd in Israël, deelde een psychologe meer dan tweehonderd mensen in twee groepen in. De ene groep liet ze nieuwsreportages over terrorisme zien, de andere overig politiek nieuws. De leden van de eerste groep vertoonden veel meer tekenen van angst.

    Uit enquêtes blijkt dat de Amerikanen tegenwoordig banger zijn voor terreur dan voor hittegolven en auto-ongelukken, hoewel die twee laatste verantwoordelijk zijn voor een veelvoud van sterfgevallen.

    Maar wat heeft IS eraan dat mensen in Europa of Amerika bang zijn?

    Bang gemaakte maatschappijen gedragen zich als een in een hoek gedreven hond, die panisch om zich heen bijt. Dat geldt treurig genoeg in het bijzonder voor democratieën, want daar slaat de angst van de mensen algauw om in eisen aan de politiek. Om niet zwak over te komen moet die iets doen, en vaak is dat te veel.

    Het beste voorbeeld is 11 september. In de eerste oktoberdagen van 2001 eiste volgens een enquête 92 procent van de Amerikanen een militaire reactie op de terreuraanslag. Wat volgde waren de oorlogen in Afghanistan en Irak. Een paar terroristen hadden de VS geprovoceerd, en als reactie werden complete landen aangevallen waarbij honderdduizenden mensen de dood vonden, grotendeels onschuldige slachtoffers van wie de families Amerika voortaan als vijand beschouwden. Hierna volgden Guantanamo, Abu Ghraib, het verraad aan de mensenrechten.

    Veel gemakkelijker hadden de VS het de ronselaars van de terreur niet kunnen maken, want die kregen een hele reeks valide argumenten aangereikt.

    Terroristen laven zich aan de escalatie. Ze provoceren, steken toe, vallen aan, tot ze een reactie krijgen. De RAF wilde met haar aanslagen de Duitse staat dwingen zijn vermeende nazigezicht te tonen. De islamisten willen de hele westerse wereld tot een grote slag bewegen. Ook de terroristen die nog nooit in Syrië of in Irak zijn geweest en in de kinderkamer of een achterafmoskee zijn geradicaliseerd, zien zichzelf als dappere soldaten in een heroïsche oorlog.

    Die oorlog bestaat niet. De strijd tegen het terrorisme is in werkelijkheid een confrontatie met enkele radicale misdadigers. Als we het militaire vocabulaire overnemen, zoals de toenmalige Franse president François Hollande die het na de aanslagen in Parijs over een ‘oorlogsdaad’ had, of zoals de Frankfurter Allgemeine Zeitung die na Barcelona opnieuw repte van een ‘oorlog tegen het westen’, dan doen we hun een groot plezier. We verheffen hen tot iets wat ze niet zijn.

    De vijf stappen van het terrorisme zijn dus: één, er wordt een aanslag gepleegd, twee, er wordt veel over bericht, drie, de berichtgeving leidt tot angst die op zijn beurt, vier, tot een overdreven reactie leidt en uiteindelijk, vijf, tot nieuw terrorisme.

    Als journalist zou je kunnen tegenwerpen dat op stap twee, berichtgeving, niet per se stap drie, angst, hoeft te volgen. Dat het erop aankomt hoe we berichten. Ook ik heb dit argument vaak gebruikt in discussies, maar als ik eerlijk ben beschouw ik het inmiddels als een goed klinkende uitvlucht. Het stelt ons geweten gerust, maar in werkelijkheid klopt het niet. Hoe moet ik over terreuraanslagen berichten zonder angst te zaaien?

    Schrijf ik over de dader – zoals de redactie van Bild die dezer dagen foto en naam van de vermoedelijke aanslagpleger in Barcelona publiceerde –, dan plaats ik hem op een voetstuk en maak ik de 99 procent bang (‘Stel dat er nog meer zijn zoals hij’).

    Bericht ik over de slachtoffers – zoals dezer dagen RTL-verslaggevers die het verhaal vertelden van de zevenjarige Julian uit Australië die in Barcelona omkwam –, dan voed ik eveneens de angst (‘Stel dat het mijn kind zou zijn’) en bovendien het verlangen naar wraak.

    Zelfs met een artikel als dit speel ik terroristen uiteindelijk in de kaart, want alleen al de woorden “Amri”, “Breitscheidplatz” en “kerstmarkt” roepen bepaalde beelden op

    Zelfs met een artikel als dit speel ik terroristen uiteindelijk in de kaart, want alleen al de woorden ‘Amri’, ‘Breitscheidplatz’ en ‘kerstmarkt’ roepen bepaalde beelden op.

    Er is daarom maar één oplossing: we zouden moeten voorkomen dat dit mechanisme überhaupt op gang komt. We zouden moeten stoppen met het berichten over terreuraanslagen.

    Laten we het ons heel even proberen voor te stellen: geen pushberichten meer op onze smartphone, geen bericht in de Tagesschau, geen Brennpunkt daarna, geen politici die arm in arm voor fotografen poseren en statements van medeleven afgeven, en mochten ze dat wel willen dan ontbreekt een microfoon. De Brandenburger Tor zou niet meer in de kleuren van het getroffen land worden verlicht, de aanslagplegers zouden geen reden meer hebben om zich helden te voelen; ze zouden verschrompeld zijn tot wat ze eigenlijk zijn – criminelen. En wij zouden allemaal gewoon verder leven alsof er niets was gebeurd. We zouden zonder angst de metro in blijven stappen, naar Barcelona blijven vliegen en naar de kerstmarkt blijven gaan.

    Een aanslag zou dan alleen rechtstreekse gevolgen hebben voor de familie van de slachtoffers, de ooggetuigen, het medisch personeel en enkele therapeuten – net als bij een auto-ongeluk. Dat kan altijd nog om honderden mensen gaan, maar in elk geval geen miljoenen meer. Na een kettingbotsing op de A8 zet niemand de Brandenburger Tor in de schijnwerpers. De angst zou zijn beteugeld. Onze maatschappij zou gezonder zijn.

    Het Werther-effect

    Dit gedachtespel is aangenaam en een kwelling tegelijk, vooral voor mij als journalist, want natuurlijk druist het in tegen hoe ik mijn beroep zie. Het is mijn taak om verslag te doen. Systematisch zwijgen zou een vorm van zelfopgelegde censuur zijn, die intern meteen aanleiding zou geven tot discussies over de persvrijheid.

    Wat vaak wordt vergeten is dat er een situatie is waarin wij journalisten dit soort zelfcensuur allang bedrijven – het alleen anders noemen.

    In 1974 kwam een Amerikaanse socioloog tot de ontdekking dat zich in de VS altijd buitengewoon veel mensen van het leven beroofden als vlak daarvoor een artikel over zelfmoord in The New York Times was verschenen. Hij noemde het fenomeen ‘het Werther-effect’, naar de gebeurtenissen rond de beroemde achttiende-eeuwse roman van Goethe, de waarschijnlijk gevaarlijkste bestseller uit de literatuurgeschiedenis. Destijds hadden veel lezers het voorbeeld van de vertwijfelde hoofdpersoon Werther gevolgd en zich een kogel door het hoofd gejaagd.

    Deze bevindingen werden in ontelbare onderzoeken bevestigd: hoe meer er over een zelfmoord wordt geschreven, hoe groter het aantal navolgers. Daarom hebben journalisten in veel landen afgesproken om maar heel beperkt over zelfmoorden te berichten.

    Toen bijvoorbeeld het aantal zelfmoorden in Wenen halverwege de jaren tachtig steeg, gaf een Oostenrijks voorlichtingsbureau een brochure uit waarin stond dat journalisten zich moesten onthouden van ‘sensationele’ berichtgeving, in geen geval details van de daad of een foto moesten publiceren en bovendien het artikel van een telefoonnummer moesten voorzien waar mensen hulp konden krijgen. De Oostenrijkse journalisten hielden zich eraan, het aantal zelfmoorden daalde met een derde en bleef vervolgens laag.

    Geen berichtgeving redt levens – bij het thema suïcide is dat voor ons journalisten voldoende reden om te zwijgen.

    Vier weken geleden stond er een interessant artikel in het gerenommeerde Journal of Public Economics over een onderzoek van Michael Jetter, een Duitse econoom aan de University of Western Australia. Jetter heeft 61.132 aanslagen uit de periode 1970-2012 tegen het licht gehouden aan de hand van de vraag of de terroristen door berichtgeving in de media tot hun daden waren aangezet. De conclusie: steeds wanneer er in de media bijzonder veel aandacht was besteed aan een aanslag, kwam het in de daaropvolgende zeven dagen tot nieuwe aanslagen, waarbij gemiddeld drie mensen de dood vonden.

    Jetter heeft daarmee het bewijs geleverd dat er ook bij terreuraanslagen een soort Werther-effect optreedt. Mediaberichtgeving brengt nieuw terrorisme voort. Anders gezegd: omdat wij verslag doen, sterven mensen. 99 procent van de geïnteresseerde derden mogen dan met angst en schrik reageren als ze op het avondjournaal de huilende non Huguette zien, maar er zijn ook mensen die in dezelfde situatie het tegenovergestelde voelen – enthousiasme. Als die mensen horen hoe de terroristen de priester doodstaken, hoe de aanslagplegers van Parijs bomvesten aandeden en zich bij het voetbalstadion opbliezen, dan zien ze dat als instructie. Die mensen zetten de televisie uit en gaan erop uit om te moorden.

    Er zouden minder aanslagen en minder doden zijn als wij journalisten zwijgzamer waren.


    De ochtend na de aanslag in Barcelona klikte ik door de nieuwssites op internet. Spiegel Online had de eerste zes artikelen aan de terreur gewijd, de online-edities van de Süddeutsche Zeitung en de Franfurter Allgemeine Zeitung eveneens, bij Die Zeit waren het de eerste vier, bij Bild ook, maar op de site van die laatste stonden ook nog een video en een galerij ‘De foto’s van de terreur’. Ik moest een heel stuk naar beneden scrollen alvorens iets te vinden over belastingen, de verkiezingsstrijd of de Bundesliga die die avond van start zou gaan.

    Een paar uur later stak een man op het marktplein van de Finse stad Turku in op negen voorbijgangers, van wie twee overleden. Of hij werd geïnspireerd door de aanslag in Barcelona is nog onduidelijk, maar er zijn zeker tekenen die daarop wijzen.

    Als terroristen mede worden aangespoord door onze reportages, waarom houden we er dan niet mee op? Waarom behandelen we zelfmoordterroristen als aanslagplegers en niet als zelfmoordenaars?

    Nu zou je daar tegen in kunnen brengen dat een zelfmoordenaar alleen zichzelf doodt en een zelfmoordterrorist ook vele anderen. De aanslagpleger slaat toe in de openbare ruimte; hij valt onze maatschappij aan en de mensen hebben het recht om dat te weten. Kortom, terrorisme is te belangrijk om het te verzwijgen.

    Ik heb dit altijd een valide argument gevonden, tot afgelopen zomer. Toen was ik een van de honderden journalisten die naar München reisden nadat een jongeman kort daarvoor negen mensen had doodgeschoten in het Olympia-Einkaufszentrum. Iedereen, ook ik, dacht: Daar is hij dan, de eerste grote terreuraanslag in Duitsland. De stad was in paniek, voor ons journalisten was het duidelijk dat dit onderwerp ons dagen en waarschijnlijk weken zou gaan bezighouden. Veel redacties stuurden de dag daarna nog versterking.

    Maar toen gebeurde er iets bijzonders. Het bleek dat de moorden geen terreuraanslag waren, maar een ‘klassiek’ geweldsincident – en meteen was alles anders: de mensen haalden opgelucht adem. Voor ons journalisten was het onderwerp opeens kleiner, de redacties reserveerden minder ruimte en veel collega’s vertrokken.

    En dat terwijl het aantal slachtoffers niet naar beneden was bijgesteld en het verdriet van de nabestaanden er niet minder op was geworden. Nog altijd was onduidelijk of er medeplichtigen of ingewijden waren, veel vragen waren nog onbeantwoord. Maar op een of andere manier was de druk van de ketel.

    We vinden terroristen veel gevaarlijker dan eenlingen die in het wilde weg om zich heen schieten, maar het risico om bij zo’n laatste geweldsincident om te komen is veel groter.

    In onze waarneming hebben we van iets relatief ongevaarlijks iets gevaarlijks gemaakt. Dat is een enorm succes voor de terroristen. Met hun propaganda hebben ze deze verkeerde voorstelling stevig in ons verankerd. Maar als het belang dat we toedichten aan een aanslagpleger geconstrueerd is, dan moeten we het ook kunnen deconstrueren, zodat we met dezelfde gemoedstoestand op de volgende terreuraanslag reageren als na het opgelucht ademhalen in München.

    Als we dat afgelopen juli al hadden gedaan, dan hadden we misschien moorden kunnen voorkomen. Het onderzoek van Michael Jetter naar het terroristische Werther-effect was destijds nog niet gepubliceerd. Maar toen ik het later las, moest ik terugdenken aan de zomer van afgelopen jaar, want de schietpartij in München was immers niet de eerste gewelddaad.

    Eerst viel een islamist mensen met een bijl aan in een regionale trein in Würzburg. Een golf van publiciteit.

    Vier dagen later München. Elk medium berichtte erover.

    Twee dagen later blies een aanslagpleger in Ansbach zich op.

    Het lijkt alsof het Werther-effect moeiteloos over ideologische kloven heen springt. Wie tot geweld neigt, imiteert een recent voorbeeld: een schutter dat van een islamist en een islamist dat van een schutter.

    Als we na de volgende aanslag van de terreurbeelden naar voetbal zappen, dan moeten we dat niet met een slecht geweten doen. Maar met een goed gevoel

    Natuurlijk maak ik me geen illusies. Een mediablackout voor terreur zal ons niet lukken. Het zou ook niet voldoende zijn als bijvoorbeeld Die Zeit de berichtgeving zou staken. Ook Der Spiegel, Der Stern, de Süddeutsche Zeitung, Bild, kortom alle Duitse media zouden moeten meedoen. En zelfs dat zou niet volstaan, want veel Duitsers stellen zich op de hoogte via de BBC, The New York Times of de Neue Zürcher Zeitung.

    En dan zijn er natuurlijk nog de sociale media, die aan de andere kant van het journalistieke filter opereren. Je kunt immers niet voorkomen dat iemand ‘Je suis Charlie’ twittert en dat iedereen dat kopieert. Of dat een ooggetuige een wiebelige video van dode mensen post, zoals na Barcelona.

    Je zou bloed zien of een aanslagpleger ‘Allahoe akbar’ horen roepen – ik moet er niet aan denken welk feest de leugenachtige media zouden vieren als er dan geen artikel over in de krant stond. De media zouden worden uitgemaakt voor een kartel dat informatie achterhoudt, en nog terecht ook.

    De terroristen weten dat wij niet anders kunnen – en daar maken ze gebruik van.

    Er is daarom maar één manier om de berichtgeving te reduceren, om eerst de journalisten en vervolgens de terroristen tot zwijgen te brengen: de belangstelling voor de aanslagen moet afnemen. We moeten afstompen.

    Daarom is elke aanval die ons koud laat, elke aanslag die we snel weer vergeten, elke dag waarop de Brandenburger Tor niet uit solidariteit in een vlag van licht is gehuld een stap in de goede richting. Als we na de volgende aanslag van de terreurbeelden naar voetbal zappen, dan moeten we dat niet met een slecht geweten doen. Maar met een goed gevoel.

    Auteur: Bastian Berbner
    Vertaler: Pieter Streutker

    Bastian Berbner won in 2015 de Duitse Reporter Award voor zijn buitengewoon goede interviews. Hij studeerde Arabisch en schrijft als freelancer voor onder meer Die Zeit. Ook maakt hij films.

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.

  • Propagandaoorlog EU-Rusland

    Propagandaoorlog EU-Rusland

    Het Europees Parlement heeft genoeg van de Russische propaganda. Onlangs werd een resolutie aangenomen ter bestrijding van Russische media ‘die een bedreiging vormen voor de Europese waarden’.

    De leden van het Europees Parlement in Straatsburg hebben onlangs gedebatteerd over maatregelen tegen het informatiebeleid dat door pro-Kremlin-media wordt gevoerd. Verder is er een ontwerpresolutie in stemming gebracht (en op 23 november aangenomen) waarin de Russische media worden bestempeld als bedreiging voor de traditionele Europese waarden. Dat zou vertaald moeten worden in politieke en financiële ondersteuning van de propagandainstrumenten van het oude continent.

    Uit gesprekken met vertegenwoordigers van het Europees Parlement blijkt dat Europa het informatie-instrumentarium van het Kremlin zou hebben onderschat. In het dertig bladzijden tellende verslag dat betrekking heeft op propaganda en contrapropaganda wordt benadrukt dat Moskou ‘met de Russische annexatie van de Krim en de door Rusland gevoerde hybride oorlog in het Donetsbekken’ de confrontatie met de Unie heeft geïntensiveerd en een propagandaoorlog is begonnen om ‘de samenhang in het buitenlands beleid van de EU’ te ondermijnen.

    Bedreiging

    Volgens het document heeft het informatiebeleid van het Kremlin een belangrijke invloed op de publieke opinie, niet alleen in Rusland, maar ook binnen de EU. Die invloed wordt echter voornamelijk uitgeoefend op de landen die deel uitmaken van de belangensfeer van het Oostelijk Partnerschap, namelijk Georgië, Azerbeidzjan, Oekraïne, Moldavië, Wit-Rusland en Armenië. De nationale media in deze landen zijn vaak zwak en kunnen geen weerwerk bieden tegen de machtige Russische media, aldus het verslag.

    De auteurs benadrukken dat de propaganda een bedreiging is geworden voor de territoriale integriteit van de EU, alvorens over te gaan tot een nogal curieuze beoordeling van het mediabeleid van het Kremlin: ‘De Russische regering heeft gebruikgemaakt van een groot aantal instrumenten en hulpmiddelen, zoals speciale stichtingen (Russkiy Mir), meertalige tv-kanalen (Russia Today), pseudonieuwsagentschappen en multimediadiensten (Sputnik), grensoverschrijdende sociale en religieuze groepen – aangezien het regime zichzelf wil presenteren als de enige ware beschermer van de traditionele christelijke waarden.’

    Deze strategie maakt deel uit van een campagne om de Europese Unie te destabiliseren en te verdelen, zo concludeert het document. Het verslag gaat niet uitsluitend over Rusland, want er wordt ook voor gepleit om de propaganda van Islamitische Staat tegen te gaan. Deze analogie heeft geleid tot protest van het EP-lid Javier Couso Permuy (fractie Europees Unitair links, Spanje), die het ‘onverantwoord’ vindt om Rusland als een even grote bedreiging aan te merken als IS.

    Vladimir Poetin tijdens zijn eindejaarstoespraak in Moskou in 2015. – © Maxim Zmeyev / Reuters
    Vladimir Poetin tijdens zijn eindejaarstoespraak in Moskou in 2015. – © Maxim Zmeyev / Reuters

    ‘Het Kremlin investeert veel geld in de ontwikkeling van media en andere structuren om de mensen te hersenspoelen en desinformatie te verspreiden, om er zo voor te zorgen dat het Europees beleid de Russische belangen dient,’ aldus Petras Austrevicius, EP-lid voor de fractie Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa. ‘Het doel is Europa te laten ontsporen, door de mensen te vertellen dat de Europese waarden niet deugen en dat de EU Rusland alleen maar schade wil berokkenen zonder te weten wat er gebeurt.’

    Het antwoord op de Russische propaganda moet volgens Austrevicius bestaan uit financiële en politieke ondersteuning van structuren die de leugens van de Russische media aan het licht brengen. Er worden werkgroepen opgezet zoals EastStratCom, dat belast is met de analyse van de desinformatie. Bovendien zouden er, zoals EP-lid Couso Permuy heeft aangegeven, Russischtalige Europese media moeten worden opgezet om de media van het Kremlin weerwerk te bieden. Zij moeten journalisten ontmaskeren die voor bepaalde media werken en directe beschuldigingen van desinformatie inbrengen tegen vertegenwoordigers van de Russische pers. Met andere woorden: op de Russische propaganda wil Europa reageren met propaganda.

    ‘In Tsjechië en Slowakije zijn sinds 2014 meer dan honderd pro-Kremlin-websites opgezet’

    Voor de oprichter van de Oekraïense website Stopfake.org, Jevgen Fedchenko, gaat het erom dat het Europees Parlement het bestaan erkent van het fenomeen ‘propaganda van het Kremlin’, en dat het dit kan evalueren. Volgens hem moet er permanent gesurveilleerd worden, onder meer door een lijst op te stellen van betrokken organisaties en journalisten, en door te achterhalen hoe deze propaganda buiten de Russische grenzen wordt gefinancierd.

    Volgens Fedchenko zou het tevens nuttig zijn om samen te werken met bedrijven als Facebook, Google en Twitter, om ‘het opduiken van propaganda-inhoud te beperken, of het op zijn minst te signaleren, zodat het publiek weet waar het om gaat. Hetzelfde geldt voor de adverteerders: er moet worden uitgelegd waarom hun reclameboodschappen niet moeten worden verspreid via dat soort media.’

    Olga Irisova, analiste bij het Pools-Russische Centrum voor Dialoog en Begrip, wijst erop dat er al lange tijd gewacht wordt op de start van een actieve Europese campagne: ‘Het Kremlin heeft zich zowel direct (met Russia Today en Sputnik) als indirect (met de zogenaamde ‘trollen’ en ‘deskundigen’ die de boodschap van het Kremlin in lokale media verspreiden) in het Europese medialandschap geïnstalleerd. Zo zijn er bijvoorbeeld in Tsjechië en Slowakije sinds 2014 meer dan honderd pro-Kremlin-websites opgezet.’

    De hoofdredactrice van Russia Today, Margarita Simonjan, heeft recentelijk haar beklag gedaan over ‘deze curieuze vrijheid van meningsuiting, die erin bestaat enkele afwijkende stemmen onder de duizenden Europese media aan te vallen’. Irisova antwoordt dat de pro-Kremlin-media hun best doen de liberale waarden als zodanig in diskrediet te brengen. Dat is de reden dat de mensen er voortdurend aan moeten worden herinnerd dat vrijheid te verkiezen is boven het ontbreken van vrijheid. De deskundige benadrukt dat de strategie van de EU er weliswaar op gericht moet zijn het informatiebeleid van het Kremlin tegen te werken, maar dat het tevens het liberale gedachtegoed moet stimuleren bij Europeanen die zijn begonnen zich daarvan af te wenden.

    Auteur: Aleksej Gorbatsjov

    Nezavisimaya Gazeta
    Rusland | dagblad | 
oplage 42.000

    Nieuws en achtergronden op het gebied van o.a. politiek, geschiedenis en cultuur. Gaat een kritische benadering niet uit de weg.

  • Schiettraining op school

    Schiettraining op school

    Slowakije kampt met een toename van nationalistische groeperingen. Ze organiseren kampen en gevechtstrainingen en krijgen zelfs in het onderwijs voet aan de grond.

    Een week geleden ontving de Slowaakse regering een rapport over de strijd tegen extremisme in 2014. Het wijst op een groeiende activiteit van informele groepen. ‘Er zijn groeperingen met een nationalistische agenda op het toneel verschenen en zij werven actief nieuwe leden’, zo valt er te lezen. Jonge mensen worden uitgenodigd om in speciale kampen commandogevechtstraining te ondergaan; ook guerrilla- en overlevingstechnieken staan op het programma.

    De Slovenski Branci [Slowaakse Rekruten], met zo’n tweehonderd leden de grootste van deze groeperingen, maakt geen geheim van haar activiteiten en verspreidt zelfs beelden van de gevechtstrainingen op internet. Zo stonden eind september bijvoorbeeld op het programma: parachutespringen uit een helikopter, voorbereiding van een tegenaanval op een vijandelijke positie en de evacuatie door de lucht van manschappen uit vijandelijk gebied.


    ‘Deze groep is niet alleen een militante groepering, maar ook een informele militaire sportclub, die trainingen geeft in zelfverdedigings- en gevechtstechnieken,’ zegt politiewoordvoerder Michal Slivka. De politie houdt de groep, van vooral jonge mannen, nauwlettend in het oog. ‘Het bestaan van paramilitaire groeperingen die zich aan de controle van de staat onttrekken, wat hun ideologische oriëntatie ook moge zijn, vormt een veiligheidsrisico,’ waarschuwt jurist Daniel Milo, die zich bij het ministerie van Binnenlandse Zaken met extremisme bezighoudt. Volgens hem is juridisch optreden tegen groepen als deze momenteel echter niet mogelijk. Ivo Samson, een andere expert in veiligheidskwesties, beaamt dat: ‘De Slowaakse Rekruten vormen geen illegale organisatie. Wel staan ze bekend om hun extremistische, xenofobe en racistische ideeën. Deze mensen opereren niet buiten de Slowaakse wet: vooralsnog zijn hun activiteiten legaal.’

    Schietles op school

    Geregeld worden leden van de Slowaakse Rekruten gesignaleerd op extreem-rechtse manifestaties. Ook zijn ze erg actief op sociale netwerken, waar ze ageren tegen de NAVO en de Europese Unie. Toch is een van de instructeurs, Michal Feling, soldaat in het Slowaakse leger, dat deel uitmaakt van diezelfde NAVO. Naar wij vernemen buigt het leger zich momenteel over Felings geval, en overweegt men hem te ontslaan.

    De organisatie heeft zelfs in het basisonderwijs een voet aan de grond weten te krijgen en geeft daar les over de geschiedenis van de Slaven en over de positie van Slowakije in de NAVO en de Europese Unie. Ook biedt het de kinderen trainingen aan in het schieten met losse flodders. De onderwijsinspectie onderzoekt dit momenteel. ‘Het feit dat deze kinderen met een groep als de Slowaakse Rekruten hun eerste ervaring met militaire training opdoen is natuurlijk problematisch.’ Hun waarden – vooral wat de positie van Slowakije in de NAVO en de Europese Unie betreft – staan diametraal tegenover die van ons land, benadrukt Daniel Milo nog eens.

    ‘Zodra iemand een gewapende groepering begint, roept dat angst op, omdat die in principe elk moment in actie kan komen’

    De grens tussen nationalisme en extreem nationalisme is soms dun, legt socioloog Michel Vasecek uit. ‘Zodra iemand een gewapende groepering begint, roept dat angst op, omdat die in principe elk moment in actie kan komen.’ Volgens hem oefent het ideeëngoed op sociale netwerken een grote aantrekkingskracht uit op jongeren. ‘Bijna allemaal vinden zij het geweldig om echt te mogen schieten en mee te doen aan gevechtstrainingen in het bos.’ Ook ziet hij het als een probleem dat een beroepsmilitair bij deze paramilitaire activiteiten betrokken is: ‘Het leger is per definitie een hiërarchische organisatie, de vrijheid van soldaten om in het civiele leven hun mening over onderwerpen als de NAVO te ventileren, is beperkt.’

    Hoe kunnen we kinderen onttrekken aan de invloed van deze nationalistische en paramilitaire organisaties? Volgens experts kan dat het beste door op school onderwijs te geven over thema’s als de rol van het leger binnen de staat. ‘De overheid biedt dan een volwaardig alternatief voor de ideeën van de Rekruten, zodat jongeren een kader krijgen aangereikt waarbinnen zij over militaire onderwerpen kunnen nadenken.’

    Auteur: Daniela Balazova
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Beeld bovenaan: De Slovenski Branci op de Slowaakse hei.

    Pravda Bratislava
    Bratislava, dagblad, oplage 90.000
    De Slowaakse ‘Waarheid’ bevat nieuws en actualiteiten met een rechts-liberale inslag. Heeft weinig nog te maken met zijn gelijknamige voorganger, opgericht in 1920 en tot 1989 het orgaan van resp. de Tjechoslowaakse en de Slowaakse Communistische Partij. Het dagblad werd in 2006 overgenomen door de groep Northcliffe International, die ook The Daily Mail uitgeeft.