Na een mesaanval door een Soedanees braken racistische rellen uit
De Belfast Telegraph meldde dat het de ‘grootste’ antiracisme-demonstratie ooit in de Noord-Ierse hoofdstad was, met ‘duizenden mensen die zich zaterdag in het stadscentrum verzamelden’. Verpleegkundige Beverly Simpson vertelt aan de krant: ‘Ik vind het fantastisch om zoveel mensen hun steun te zien betuigen. Ze zijn zich zeer bewust van wat er gaande is en ze zijn volledig tegen racisme.’
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De stad wordt sinds dinsdag 9 juni geteisterd door anti-immigratie-rellen nadat afgelopen maandag een video werd gepubliceerd van een Soedanese man die met een mes een man in Belfast te lijf gaat. De relschoppers, vaak jonge mannen met maskers, richtten hun vizier op huizen van etnische minderheden.
Elders in het Verenigd Koninkrijk, in Brighton, Liverpool, Sheffield en Glasgow, ontstonden aanvaringen tussen extreemrechtse demonstranten en antiracistische tegendemonstranten, meldt The Guardian.
Muholi zet zich in tegen racisme en voor lhbti-rechten
Zanele Muholi (1972), een Zuid-Afrikaanse, visuele activist, heeft de prestigieuze Hasselblad Award gewonnen, meldt The Guardian, dat een interview met Muholi hield. De Zweedse fotografieprijs, een bedrag van bijna tweehonderdduizend euro, werd eerder uitgereikt aan Nan Goldin, Cindy Sherman, Wolfgang Tillmans en aan de Nederlandse fotograaf Rineke Dijkstra.
Muholi zet zich onder andere in tegen racisme en strijdt voor de rechten van de lhbti-gemeenschap waar hun deel van uitmaakt. Zelf opgegroeid onder de apartheid, in een land waar queer zijn nog altijd gevaarlijk is, combineert Muholi activisme met humor en verbeeldingskracht, zonder in somberheid te vervallen.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Hun bekendste project is Faces and Phases: een reeks portretten van zwarte lesbische en transgender individuen, met als doel de visuele LHBTI-geschiedenis van Zuid-Afrika te herschrijven. Eerder documenteerde Muholi in Only Half the Picture het leven van lesbiennes en slachtoffers van haatmisdrijven. De portretten spelen in op vooroordelen en hebben inmiddels galeries en musea veroverd die lang het domein waren van witte curatoren en kunstenaars.
360 kiest een door de buitenlandse pers beschreven sportevent, van voetbal tot Grieks-Romeins worstelen. Deze keer racisme in de sport en Ironman.
Strengere sancties niet afdoende om racisme uit te bannen
Het motto ‘Say no to racism’ is de afgelopen jaren luid en duidelijk uitgedragen binnen de internationale voetbalwereld. Van teams die gezamenlijk met grote spandoeken het veld op lopen tot wereldwijd vertoonde tv-spotjes van topspelers en gerichte campagnes door tientallen nationale voetbalbonden. De vraag is of het ook effect sorteert.
Vinícius Jr, de Braziliaanse vedette van Real Madrid, tekende in 2024 meerdere keren protest aan tegen racistische uitlatingen vanaf de tribunes en barstte tijdens een persconferentie in tranen uit: ‘Het wordt alleen maar erger en daardoor heb ik steeds minder zin om te voetballen’, meldde The Athletic. De aanvaller kreeg gelijk. Want volgens dezelfde krant deed de leiding van La Liga, de hoogste Spaanse divisie, eind augustus aangifte bij de Nationale Politie na racistisch gezang aan het adres van Vinícius en ploeggenoot Kylian Mbappé tijdens de competitiewedstrijd tegen Real Oviedo. Ook elders in de wereld blijft racisme een hardnekkig probleem. Zo diende de Surinaamse voetbalbond begin september een officiële klacht in bij de FIFA naar aanleiding van apengeluiden en het veelvuldig scanderen van scheldwoorden als ‘zwarten’ en ‘negros’ jegens de Surinaamse spelers rond de WK-kwalificatiewedstrijd in en tegen El Salvador.
‘Lidbonden maken boetes over zonder dat het effect heeft op het gedrag’
De wereldfederatie stelde in mei zwaardere sancties in het vooruitzicht tegen racisme en discriminatie in het voetbalstadion. ‘Puntenaftrek van clubs of landenteams, boetes tot zes miljoen US dollar of het spelen van thuiswedstrijden zonder publiek’, schreef onder meer The Maravi Post. De Salvadoriaanse bond kan dan ook een forse geldboete tegemoet zien, verwacht El Mundo: ‘Zeker nadat de FIFA de bonden van Albanië, Argentinië, Chili, Colombia, Servië en Bosnië-Herzegovina onlangs geldstraffen tussen de 100.000 en 200.000 dollar oplegde na racistisch gedrag op de tribunes.’
Of het probleem daarmee uit de wereld is? De onafhankelijke organisatie Ethics and Regulations Watch, die de FIFA observeert op het gebied van ethische en corruptie-vrije sportbeoefening, betwijfelt dat: ‘Lidbonden maken boetes over zonder dat het effect heeft op het gedrag of leidt tot interne hervormingen. Daarnaast ontbreekt het aan een functioneel systeem om daders op te sporen en te straffen.’ Bovendien ziet de FIFA racisme in het stadion ‘als een indicatie van cultuur in het algemeen. Fans betreden de stadions met de vooroordelen van de samenleving en anonimiteit en menigtesituaties versterken het beledigende gedrag. Het aanpakken van deze cultuur lukt niet met boetes of zelfs slogans.’
Volledig Noors podium op het WK Ironman: ‘Noorwegen heeft de hele trainingsaanpak herschreven’
Wat de Kenianen zijn voor het marathonlopen, lijken de Noren te worden voor de Ironman, met een triatlon van 3,8 kilometer zwemmen, 180 kilometer fietsen en 42,2 kilometer hardlopen. Zo meldde onder meer NBC Sports dat tijdens het WK Ironman in het Franse Nice het volledige podium werd ingenomen door Noorse atleten.
‘Voor het eerst in de geschiedenis van het WK Ironman stonden drie Noren op het podium’, schrijft VG, een van Noorwegens grootste kranten. ‘Casper Stornes was zo superieur dat hij de tijd nam om het publiek een high five te geven.’ Zijn landgenoten Gustav Iden en Kristian Blummenfelt vulden het podium aan. ‘Ik wist dat ik een kans had om te winnen, maar dan moest ik wel twee extreem sterke landgenoten verslaan,’ zei Stornes na afloop tegen VG.
De prestaties zijn allerminst toeval, benadrukt het Amerikaanse Triathlete Magazine. ‘Noorwegen heeft de manier waarop Ironman-races worden benaderd, compleet herschreven.’ Niet per se met grote namen, maar met focus op héél veel data, waaronder lactaattesten en calorieverbruik en -inname. Deze trainingsaanpak wordt internationaal aangeduid als de ‘Norwegian Method’.
‘De Noren maken niet alleen de Noren beter, maar ook de sport in het algemeen’
Endurance.biz, een gespecialiseerde website voor duursport, benoemt dat het de ‘eerste keer is sinds 2016 dat één land alle drie de plekken op het podium pakt bij het Ironman Wereldkampioenschap’. Maar het gaat eigenlijk nog een stap verder. ‘Het unieke aan het volledig Noorse podium is dat dit werd gedomineerd door een trainingsgroep’, schrijft Triathlete Magazine. De intensieve samenwerking tussen de Noren zou een van de geheimen zijn van het succes. Al jaren trainen de drie triatleten samen onder leiding van dezelfde coach. ‘De Noren maken niet alleen de Noren beter, maar ook de sport in het algemeen.’
Stornes won met een tijd van 7 uur, 51 minuten en 36 seconden. Iden en Blummenfelt, beiden eerder al een keer wereldkampioen Ironman, volgden op korte afstand. ‘Het is fantastisch om te zien hoe onze trainingsgroep hier presteert, het is echt ongelooflijk,’ zei Blummenfelt tegen VG. ‘We droomden ervan om de wedstrijd te domineren. Dat klinkt misschien een beetje arrogant, maar om dat doel daadwerkelijk te bereiken en met zijn drieën op het podium te staan, is een geweldig gevoel.’
De Noorse zender TV2, dat sprak van een ‘Noorse feestdag’, vertrouwde winnaar Stornes toe: ‘Als ik het met iemand zou mogen delen, dan met deze twee. Ik ben ontzettend blij.’
Bijna de helft van de zwarte mensen rapporteert discriminatie
Uit onderzoek onder 6.752 mensen van Afrikaanse afkomst in dertien EU-landen blijkt dat 45 procent discriminatie ervaart. In 2016 lag dit percentage op 39 procent. Dat schrijft The Guardian. Het racisme dat door het bureau van de Europese Unie voor de grondrechten aan het licht werd gebracht, komt voor in alle sectoren van het leven, zoals het onderwijs, de arbeidsmarkt, huisvesting en gezondheidszorg.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De respondenten van de enquête waren geboren in Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara of stamden af van immigranten van wie minstens één ouder in Afrika ten zuiden van de Sahara was geboren. De 13 landen die waren opgenomen in het onderzoek waren België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Polen, Portugal, Spanje en Zweden. Enkele van de slechtste resultaten kwamen uit Oostenrijk en Duitsland, waar extreemrechtse partijen in opmars zijn.
Michael O’Flaherty, directeur van het bureau voor de grondrechten, dat de Europese Commissie adviseert over beleid, zei dat de resultaten in het rapport beschamend waren. ‘Het is schokkend om geen verbetering te zien sinds ons laatste onderzoek in 2016. Racisme en discriminatie horen niet thuis in onze samenleving. De EU en haar lidstaten moeten deze bevindingen gebruiken om ervoor te zorgen dat mensen van Afrikaanse afkomst vrij hun rechten kunnen uitoefenen.’
In democratische landen worden mensen nog altijd getagd, gelabeld of bestempeld op basis van hun huidskleur of afkomst. In Mexico is het palet wel erg uitgebreid. ‘Hoe leggen we deze figuren uit dat er witte Latijns-Amerikanen, Duitsers met een donkere huid en Europese moslims bestaan?’
‘Kom binnen, güerita, wat zal het zijn, wat is er van je dienst?’ Het woord güera/owordt niet in alle landen gebruikt, maar in het mijne, Mexico, worden er blonde personen of personen met een witte huid mee bedoeld. De enige uitzondering zijn de marktkooplieden, die de gewoonte hebben iedere vrouw güerita(‘blondje’) te noemen, of ze er nou uitziet als een Barbie met platinablond haar of een chocoladekleurige huid heeft. Ik neem aan dat deze gewoonte oorspronkelijk een vorm van vleierij was, want eeuwenlang, en nog steeds, worden mensen met een lichte huid gezien als mensen met macht, als bazen en eigenaren. Als je op de markt in Mexico deel uitmaakt van de clientèle ben je dus vanzelf güerita.
Deze merkwaardige uitzondering daargelaten beschikt de Mexicaanse kleurenwaaier, net als die in andere landen van Latijns-Amerika, over enkele hulpmiddelen om onze kleurverschillen aan te geven, waarbij de lichte huid, die wij ‘wit’ noemen, altijd als vertrekpunt geldt. Wie over een lichte huid beschikt is güera/o, al ben je óók güera/oals je al dan niet geverfd blond haar hebt. En van wit naar boven – of naar beneden, het is maar hoe je het bekijkt – beschrijven de mensen zichzelf aan de hand van bepaalde schakeringen: je kunt een gezonde roze, een tarwekleurige, een kastanjebruine of een gebronsde huidskleur hebben. Het woord morenowordt doorgaans afgezwakt met de toevoeging ‘licht’. Met de donkere huid heeft men meer moeite, vandaar dat de verkleinvorm wordt gebruikt: de pasgeboren baby is morenito;net iets donkerder en het wordt prietito,en alleen iemand met een heel donkere huid is mulato. In bepaalde kringen, met name als je behoort of wilt behoren tot een sociaal-economische of culturele middenklasse of bovenlaag, typeren maar weinigen zichzelf als morenoof ‘zwart’. Nu ja, in grappen en beledigingen komt het woord ‘zwart’ veelvuldig voor.
Ik ben opgegroeid in een geschoold arbeidersgezin in het Mexico van de jaren zeventig en ging dus op de markt door voor güerita, op school – een nonnenschool met veel meisjes uit Spaanse gezinnen – voor wit,en bij de kapper voor kastanjebruin. Eigenlijk ben ik het een noch het ander, ik ben wit noch güera: ik heb donker kastanjekleurig haar en een kaneelkleurige huid. Maar in de denkbeeldige klasse uit mijn kindertijd en jeugd was ik een wit Mexicaans meisje dat op een particuliere school zat, een buitenlandse naam had en bovendien Engels sprak.
Brown, white en latina
Om te profiteren van die twee laatste eigenschappen pakte ik in 2004 mijn biezen en ging in de Verenigde Staten wonen. Eenmaal in Los Angeles duurde het geen jaar voor het tot me doordrong dat ik helemaal niet was wat ik dacht dat ik was en dat ik ook nog eens van alles was waarvan ik me niet bewust was. Al stond het in mijn Mexicaanse paspoort – in die tijd werd in je paspoort je huidskleur vermeld –, wit was ik niet, want in de VS is white voorbehouden aan Angelsaksische Noord-Amerikanen. Ik was niet güera,wat dat staat gelijk aan blonde, en ik heb mijn haar nooit willen blonderen. Ik had niet langer een buitenlandse naam – al bleven ze hem bij Starbucks verkeerd spellen – en wat ik beschouwde als een behoorlijk goed niveau Engels viel vies tegen, want één ding is films zonder ondertiteling begrijpen, schrijven over het uitgavenbudget van Californië is andere koek. Wat nog het meeste indruk op me maakte was dat het feit dat ik Mexicaans was niet zo belangrijk leek, want toen ik in de Verenigde Staten kwam, veranderde ik prompt in ‘brown’ en in ‘latina’: Brown, immigrant, latina, who writes in Spanish and speaks English with a funny heavy accent.’
Yup, that was me.
Terwijl ik bezig was me een nieuwe identiteit aan te meten, had ik vooral moeite om de vinger achter het etiket ‘latina’ te krijgen. Strikt genomen is iedereen latino – voornamelijk mensen afkomstig uit Europa en Midden- en Zuid-Amerika – die een van het Latijn afgeleide taal spreekt. Spanjaarden, Italianen en Fransen zijn dus latinos, en natuurlijk ook Mexicanen, Colombianen, Argentijnen en Peruanen. En omdat we met zovelen zijn kwam iemand op het idee om de latinos van het Amerikaanse continent onder één noemer te brengen en ons Latijns-Amerikanen te noemen. Tot zover is het min of meer duidelijk. Het wordt pas problematisch als het etiket daadwerkelijk wordt gebruikt.
Alle hispanos zijn latinos, maar niet alle latinos zijn hispanos
In het dagelijks leven van de Verenigde Staten gebruikt men ‘latino’ voor iedereen die uit een Latijns-Amerikaans land afkomstig is. De bepaling ‘Amerikaans’ wordt uiteraard weggelaten, want degenen die in de VS wonen beschouwen alleen zichzelf als Amerikanen. (Bolívar draait zich om in zijn graf.) ‘Latino’ wordt ook gebruikt als synoniem voor ‘brown’: je bent ‘moreno’, je bent ‘latino’. En het wordt door elkaar gehaald met ‘hispano’, wat de benaming is voor degenen die afkomstig zijn uit landen die het Spaans als officiële taal hebben: alle hispanos zijn latinos, maar niet alle latinos zijn hispanos. Op officiële papieren vallen beide categorieën onder het kopje ‘etnische groepering’.
Wat het kopje ‘race’ betreft bieden genoemde formulieren vier opties: wit, zwart, Aziatisch of Native American, die laatste om de inheemse volkeren van het continent aan te duiden. Wat een onzin, opnieuw. Want ik ben niet wit, maar ook niet zwart of een van de andere opties. Als het om kleur gaat past brownme het best. Maar browngeldt als synoniem van latino, wat een etnische categorie is. Toen ik in 2010 mijn bedenkingen kenbaar maakte aan de mensen van het Census Bureau, opperden ze om ‘Race: white. Ethnicity: latina’ in te vullen. Maar hoor eens: in dit land ben ik zelfs op de markt niet white.
Nationalisme en witte suprematie
Als het voorgaande niet genoeg is om iemand in zijn identiteit te laten verstrikken, zal ik je vertellen wat me overkwam toen ik na 17 jaar Verenigde Staten besloot in Spanje te gaan wonen. Het eerste wat ze vragen als ze horen waar ik vandaan kom, is wat ik vind van de Amerikaanse politiek. Ik zou kunnen antwoorden: van welke van de 35 landen van Amerika? Ik doe het niet, want ik weet best wat ze bedoelen: Amerikanen, dat zijn de inwoners van de VS (Bolívar draait zich nog eens om). Ze zeggen toch dat zij, de Spanjaarden, Amerika, de Amerikanen dus, hebben ‘veroverd’? Denken ze soms dat Hernán Cortés tot Manhattan is gekomen? Maar het mooiste komt nog: als met ‘Amerikanen’ de inwoners van de Verenigde Staten worden bedoeld, wat zijn wij dan? Het antwoord: latinos. In Spanje gebruiken de Spanjaarden, dus de oorspronkelijke latinos die ons een Latijnse/Romaanse taal hebben opgelegd, het woord ‘latino’ om ons, de Mexicaanse, Ecuadoriaanse of Peruaanse immigranten, aan te duiden. En de Spanjaarden? Dat zijn witte Europeanen.
Het punt is dat deze Europeanen die Spaans spreken, en in veel gevallen niet blond zijn en ook geen blauwe ogen hebben, als ze in de Verenigde Staten aankomen, etiketten krijgen opgeplakt als immigrant, latino, en in sommige gevallen brown. Ook al zijn ze geboren in Europa. Ook al beheersen ze het Engels. Kunt u zich de verwarring voorstellen?
Welkom in mijn wereld.
Aan welke kant van de Atlantische Oceaan je je ook bevindt, nationalisme en witte suprematie plegen de troef van de kleurenkaart te spelen: zeg me hoe donker je huid is en ik zal je zeggen hoe weinig je waard bent voor je land en je samenleving. Dat is hetzelfde in Mexico ten aanzien van de inheemse bevolking uit Oaxaca of van immigranten uit Honduras of Haïti, en in de Verenigde Staten als er sprake is van Mexicanen, Midden-Amerikanen of Afro-Amerikanen, en in Spanje als er mensen ten Zuiden van de Sahara, moros oftewel Noord-Afrikanen of zigeuners in het spel zijn: in het dagelijks leven word je onophoudelijk geconfronteerd met uitingen van latent of expliciet, niet-aflatend, heftig racisme, waarin het wemelt van de etiketten. En dat in landen die er prat op gaan tot het democratische deel van de wereld te horen.
Hoe kunnen we de diversiteit begrijpen als het onszelf al zo’n moeite kost om te weten wat wij zijn?
Ik schrijf dit vanuit Barcelona, een paar uur na de Spaanse verkiezingscampagne die uiteindelijk in de media werd gedomineerd door een racistische belediging aan het adres van een zwarte voetballer, die ‘aap’ werd genoemd. Na afloop van de gemeenteraadsverkiezingen bleken rechts en extreemrechts in het hele land belangrijke winst te hebben geboekt, zowel wat het aantal zetels als het aantal gemeenten betreft. Heel wat leden van die partijen zinspelen heimelijk of zelfs openlijk op hun witte huid of Europese afkomst als een van de waarden die hun programma voorstaat.
En hier wordt het opnieuw ingewikkeld. Hoe leggen we deze figuren uit dat er witte Latijns-Amerikanen, Duitsers met een donkere huid, Europese moslims, latinos die Spaans noch Amerikaans zijn of niet-nationalistische witten bestaan, als het ons soms moeite kost de anderen én onszelfte zien als zwarte Latijns-Amerikanen, als Noord-Amerikanen die Spaans spreken, als Latijns-Europeanen, als niet-witte Spanjaarden, als niet-Noord-Amerikaanse Amerikanen, als Native Americans? Hoe kunnen we de diversiteit begrijpen en recht doen als het onszelf al zo’n moeite kost om te weten – of te accepteren – wat wij zijn?
Real Madrid-spits Vinícius Júnior werd onlangs door fans van de tegenpartij uitgescholden voor ‘aap’. En dat was niet de eerste keer. In een reactie noemde hij Spanje een racistisch land. Zijn uitspraak verdeelt de Spaanse pers.
‘Racisme houdt niet op in LaLiga’, schrijft El País nadat Real Madrid-spits Vinícius Júnior op 21 mei tijdens een wedstrijd tegen Valencia racistisch was bejegend door supporters van de tegenstander. ‘Het was niet de eerste keer dat het de Braziliaan overkwam en ook niet de enige keer in de afgelopen jaren in LaLiga’, vervolgt de Spaanse krant.
Vooral een tweet die de voetballer na de wedstrijd postte, ontketende in Spanje het debat over hoe diep het racisme in de haarvaten van de maatschappij zit. Vinícius Júnior schreef daarin dat ‘Spanje in Brazilië bekend staat als een land van racisten’.
Não foi a primeira vez, nem a segunda e nem a terceira. O racismo é o normal na La Liga. A competição acha normal, a Federação também e os adversários incentivam. Lamento muito. O campeonato que já foi de Ronaldinho, Ronaldo, Cristiano e Messi hoje é dos racistas. Uma nação…
Terecht, schrijft de Cubaanse journalist Abraham Jiménez Enoa, die woonachtig is in Spanje, ‘de kleur van mijn huid heeft mijn ervaring in dit land getekend’. Nee, ‘een land met racisten is niet hetzelfde als een racistisch land, aldus Josep Martí Blanch, columnist van El Confidencial.
Nee: ‘Spanje is tegenwoordig geen racistisch land’
‘Spanje is geen racistisch land. Het draagt ook niet het beeld van een racistische samenleving uit naar de wereld. Zo is het’, schrijft Josep Martí Blanch in El Confidencial. ‘Vinícius Júnior heeft het mis.’ Vooral de uitspraak van de spits van Real Madrid dat Spanje wereldwijd bekendstaat als een racistisch land is Martí Blanc in het verkeerde keelgat geschoten.
Dat moet niet begrepen worden als kritiek op Vinícius, ‘de beste speler van dit seizoen’, aldus Martí Blanch. ‘Wat de jonge Braziliaanse speler in het Mestalla [het stadion van Valencia] heeft meegemaakt, verklaart niet alleen zijn woede-uitbarsting en verontwaardiging, maar rechtvaardigt die ook. Maar dat zijn woede terecht is, betekent nog niet dat hij gelijk heeft. Spanje, laat ik het nog een keer herhalen, is geen racistisch land. Nog niet. Maar dat neemt niet weg dat we dat in het verleden wel zijn geweest en dat we dat in de toekomst weer kunnen worden.’
Martí Blanch wil dan ook niet ontkennen dat er racisme in Spanje is. ‘Dat Spanje geen racistisch land is, betekent niet dat er geen racistische Spanjaarden zijn. Natuurlijk zijn die er. Ongelofelijk veel. (…) Wat er zondag in Valencia is gebeurd, is beschamend. En elke keer als er zoiets gebeurt – Vinícius was niet de eerste en zal ook niet de laatste zijn – is het gerechtvaardigd om het debat weer aan te zwengelen over hoe we nog meer kunnen doen in de strijd tegen racisme. Maar wat niet verstandig is, is dat de acties van een zeer klein deel van de fans – in dit geval de supporters van Valencia – worden gebruikt om maximalistische stellingen te omarmen over hoe racistisch Spanjaarden zijn’, vervolgt de El Confidencial-columnist.
‘Dat Vinícius een slachtoffer is en heel boos, geeft hem nog geen gelijk’
‘Er zijn veel manieren om een debat vanaf het begin te laten ontsporen. Eén daarvan is om een categorische uitspraak te doen over iets wat, hoewel het niet anekdotisch is, verre van algemeen gangbaar is. Beweren dat Spanje een racistisch land is, heeft dezelfde waarde als met een uitgestreken gezicht beweren dat alle migranten criminelen zijn.’
Volgens Martí Blanch is het algemeen aanvaard in Spanje dat iemand vernederen vanwege zijn huidskleur not done is en beschikt het land over voldoende wetten om dat gedrag te bestraffen. ‘We kunnen het nog wel hebben (…) over de laksheid van voetbalinstanties als het gaat om het streng hanteren van de meest radicale dwang- en ontmoedigingsmiddelen die ze tot hun beschikking hebben – het schorsen van wedstrijden en het aftrekken van punten – zodat de racist niet alleen bang moet zijn voor de wet, maar ook en vooral voor de fan die naast hem staat en met wie hij de liefde voor dezelfde club deelt.’
Maar in deze discussie kan volgens Martí Blanch ‘het uitgangspunt niet zijn om als vanzelfsprekend aan te nemen dat Spanje als land medeplichtig is aan racisme of, erger nog, dat het een land is met wijdverspreid racisme, zoals de ster van Real Madrid beweert. Een land met racisten is niet hetzelfde als een racistisch land. Vinícius kan daar natuurlijk anders over denken, dat staat buiten kijf. Hij kan blijven rekenen op ons medeleven en onze solidariteit. Maar dat hij een slachtoffer is en heel boos, geeft hem nog geen gelijk. Tenminste, niet op alle vlakken. Niet in dit geval’, besluit de columnist.
Ja: ‘Racisme tekent het dagelijks leven van iedereen die niet wit is’
‘Ik woon nu een jaar en vier maanden in Spanje. Ik ben geen Braziliaan, geen profvoetballer en ik heet ook geen Vinícius. Maar ik ben zwart, net als de speler van Real Madrid. En helaas heeft mijn huidskleur een stempel gedrukt op mijn ervaring in dit land’, zo opent Abraham Jiménez Enoa, een Cubaanse journalist die door toenemende druk van het regime zijn land is ontvlucht.
Jiménez Enoa, die in 2022 de Internationale Persvrijheidsprijs van het Amerikaanse Committee to Protect Journalists ontving, schrijft in El Paísdat hij het sinds zijn aankomst in Spanje in zijn dagboek noteert als hij racistisch bejegend wordt. ‘Elk van deze voorvallen, elke scène van ervaren discriminatie, met hun respectievelijke beschrijvingen, heb ik opgeschreven. Ik zit nu op honderdtweeëntachtig in haast anderhalf jaar.’
Zo schrijft hij: ‘Daarom kan ik sinds vanmorgen niet stoppen met het bekijken van de walgelijke video’s uit het Mestalla-stadion, waarin fans onacceptabele beledigingen naar Vinícius slingeren. Daarom heeft het vertrokken gezicht van de speler als hij die beestachtigheid moet aanhoren, zo veel woede, zo veel ontzetting in me opgeroepen. Omdat ik weet wat Vinicius op dat moment voelt, dezelfde hulpeloosheid, dezelfde vijandigheid die ik heb gevoeld, wanneer ik in een winkel te horen kreeg dat ik een vervalst biljet gaf zonder dat het gecontroleerd werd, wanneer ik in het openbaar vervoer om identificatie werd gevraagd, wanneer ze er in bars van uitgingen dat ik daar werkte en niet dat ik daar was voor mijn plezier, als ze op straat mijn zoon met een lichtere huidskleur “complimenteren”, als ik een markthal in loop en winkelbedienden achter mijn rug om hoor zeggen dat ze me in de gaten moeten houden omdat ik een tas bij me heb, als witte mensen me iemand met een kleurtje noemen, alsof zwart de enige kleur is die er bestaat en wit geen kleur is. Want alles wat Vinicius dit seizoen in verschillende stadions heeft moeten doorstaan, gebeurt ook buiten de voetbalvelden van Spanje.’
‘De enige manier om racisme te bestrijden is te erkennen dat het bestaat’
De Cubaans journalist hekelt het feit dat racisme alleen discussiethema is als het betrekking heeft op voetbal, met al zijn media-aandacht. ‘Het trieste is dat we het vandaag over racisme in Spanje hebben vanwege de zaak Vinicius en niet vanwege het bestaan van het fenomeen, terwijl de mantra “Spanje is niet racistisch, maar in Spanje zijn er racisten” overal wordt herhaald. Iedereen praat nu over racisme omdat we het hebben over een speler van Real Madrid, een commerciële ster, een miljonair. Want er zijn maar weinig zaken op deze planeet met een grotere zichtbaarheid dan voetbal. Als het niet daar was voorgevallen, zou niemand het erover hebben’, schrijft Jiménez Enoa.
‘Natuurlijk is er racisme in Spanje’, vervolgt hij. ‘Het tekent het dagelijks leven van iedereen die niet wit is. Het zijn geen geïsoleerde gevallen, zoals veel media, intellectuelen, politici, zakenmensen, allemaal wit natuurlijk, de samenleving willen doen geloven: het is iets van vroeger, iets uit de provincie, van ouderen. Nee, nee en nee. Ik herhaal: racisme in Spanje bestaat. En vandaag de dag is het maar al te aanwezig in het dagelijks leven van mensen.’
‘De enige manier om racisme te bestrijden is te erkennen dat het bestaat. De Spaanse samenleving als geheel moet haar uiterste best doen om het uit te roeien. Dit is een serieuze strijd waarin geen plaats is voor schone schijn. Het heeft geen zin om in een voetbalstadion een spandoek op te hangen met de tekst “Nee tegen racisme”, terwijl daarvoor lachende fans staan die “aap” schreeuwen naar zwarte spelers’, besluit Jiménez Enoa.
Catalonië zou slavenhandel hebben voortgezet na afschaffing
De regering van Catalonië heeft gezegd dat de rijke Spaanse regio ‘het racisme uit haar slavernijverleden’ moet aanpakken. Dit naar aanleiding van een documentaire van Televisió de Catalunya, waarin werd onthuld hoe Catalaanse industriëlen en zeelieden profiteerden van de trans-Atlantische slavenhandel toen de Britten deze praktijk in 1807 afschaften. Hoewel Spanje al snel na Groot-Brittannië de slavernij officieel afschafte, werd de clandestiene handel voortgezet, veelal op schepen die eigendom waren van en bemand werden door Catalanen, schrijft The Guardian.
Tussen 1817 en 1867 waren Catalanen betrokken bij het vervoer van 700.000 slaven
Het is al lang bekend dat veel Catalanen – waaronder Antonio Gaudí’s beschermheer Eusebi Güell – steenrijk zijn geworden dankzij de slavenarbeid op de tabaks-, suiker- en katoenplantages van Cuba en, in mindere mate, Puerto Rico. Veel minder bekend is dat Catalaanse magnaten en zeelieden nog tientallen jaren na de afschaffing van de slavenhandel en de slavernij door Groot-Brittannië grof geld bleven verdienen met deze praktijken.
De genoemde documentaire, die vorige maand op de Catalaanse publieke televisie werd uitgezonden, wil recht doen aan de geschiedenis. Ze belicht wat historici al tientallen jaren aantonen: dat tussen 1817 en 1867 Catalanen direct of indirect betrokken waren bij het vervoer van 700.000 slaven uit West-Afrika naar het Caribisch gebied en dat deze handel een groot deel van de industrialisatie van Catalonië en de negentiende-eeuwse grootschalige bouwactiviteiten in Barcelona financierde.
In Maleisië bestaat een bloeiende subcultuur van skinheads. De meesten van hen zijn progressieve moslims die strijden voor een pluriforme samenleving.
Keuze uit het archief
Skinheads? Bestaan die nog? En zijn dat geen radicaal-rechtse figuren? Dit stuk uit 2015 doet je anders naar deze cultuur kijken, want wie had kunnen stellen dat progressieve moslims in Maleisië deze cultuur zo omarmd hebben?
De groep skinheads dringt naar voren. Op het podium voor hen staat de band, met zware schoenen, poloshirts en rode bretels. Terwijl de openingsakkoorden van het volgende streetpunknummer door de geluidsinstallatie scheuren, grijpt de Maleisische zanger de microfoon en geeft het nummer een ruige introductie mee: ‘Dit is tegen alle racisme en discriminatie in ons land. Heb je een probleem met ras? Wij beuken je in elkaar!’ Het publiek bestaat uit jonge Maleisische mannen, bijna allemaal met Lonsdale-shirts en Dr. Martens-kistjes – het onofficiële skinheaduniform in de hele wereld. De zaal is een en al gejuich, gebalde vuisten, pogoënde jongeren, zweet en revolutionaire meezingers. De skinheadcultuur kwam rond 1960 in Engeland op en had toen duidelijk een eigen muziek en mode. De geschoren hoofden en de shirts moesten agressie uitstralen maar stonden ook symbool voor de arbeidersklasse waar de beweging uit voortkwam. Muziek was belangrijk en de liefde van skinheads voor reggae betekende dat hun identiteit nauw verbonden was met de cultuur van zwarte immigranten.
Ontvankelijk
In de jaren zeventig ebde de beweging weg, maar in datzelfde decennium kwam ze ook weer op. Volgens een artikel van Timothy S. Brown in het Journal of Social History van de universiteit in Oxford was die tweede skinheadgolf ontvankelijker voor de rechtse retoriek van die tijd. ‘Economisch verval, werkloosheid en toenemende immigratie versterkten het latent aanwezige racisme en de rechtse opvattingen in de Britse samenleving van de jaren tachtig en negentig en de skinheads weerspiegelden deze vooroordelen in overdreven vorm,’ schreef Brown in zijn artikel ‘Subcultures, Pop Music and Politics: Skinheads and “Nazi Rock” in England and Germany’.
‘Heb je een probleem met ras? Wij beuken je in elkaar!’
‘De skinheads met hun gewelddadige reputatie en patriottisch-nationalistische opvattingen waren voor radicaal rechts een aantrekkelijke groep om in te lijven.’ De rechtse skinheads zijn volgens Brown nooit in de meerderheid geweest, maar het verband tussen skinheads en fascisme was gelegd. En dat is altijd zo gebleven.
De meerderheid van de Maleisische skinheadbands, met namen als Street Rebel, Chaos Bomb en Oi! Koholik, omarmt het proletarische mannelijkheidsideaal van de oorspronkelijke skinheads, maar verwerpt krachtig het racistische geluid dat later opkwam. Dat geluid wordt echter steeds dringender in Maleisië; een pluralistische samenleving, maar met een overheid die een steeds islamistischer koers vaart.
In 1971 kwam die overheid met een ‘Nieuw Economische Beleid’, waarin etnische Maleisiërs meer rechten kregen dan Chinezen en Indiërs. ‘Skinhead zijn in Maleisië betekent dat je met positieve, antiracistische ideeën over sociaalpolitieke veranderingen tegen onze regering ingaat,’ zegt de 34-jarige Rozaimin Elias, vooraanstaand lid van de antifascistische skinheadbeweging en bassist in de band Street Boundaries uit Kuala Lumpur. Elias beperkt zich trouwens niet tot de muziekscene, hij is ook actief in de oppositiepartij AP in Penang.
Verwarring
De Maleisische skinheadbeweging kwam eind jaren tachtig op uit de vroege punk-en metalscenes van Kuala Lumpur en verbreidde zich in de jaren negentig over de rest van het land. Elias herinnert zich nog goed hoe de verwarring die onder die vroege Maleisische skinheads bestond, een ongelukkige uitwerking kreeg. ‘We droegen swastika’s omdat we die cool vonden,’ vertelt hij. ‘We hadden allemaal de beelden gezien van Sid Vicious met de swastika en we dachten dat dat punk was. We wilden er alleen maar anders uitzien dan andere Maleisiërs.’ Volgens Brown komt dat soort verwarring vaak voor. ‘Maleisische punks gingen de swastika als symbool gebruiken voordat ze wisten wat de betekenis daarvan was, omdat dat “punk” leek, en nu wordt het klakkeloos overgenomen – dat zie je heel vaak bij jongerenculturen die zich over de wereld verspreiden. Jonge mensen kopiëren stijl en iconografie, maar geven daar ook betekenissen aan die juist voor hun eigen situatie opgaan.’ Het waren vroege bands zoals ACAB (All Cops Are Bastards) uit Kuala Lumpur die de leiding namen en een actieve antifascistische skinheadbeweging vormden, volgens de principes van Skinheads Against Racism (Sharp), de antiracistische beweging die in 1987 in New York werd opgericht.
‘Net als elders in Zuidoost-Azië zijn er ook in Maleisië progressieve skinheads die niet alleen anti-establishment zijn en zich bezighouden met de modes van hun subcultuur, maar ook expliciet commentaar leveren op de relaties tussen de verschillende etnische groepen in het land,’ zegt Yeoh Seng Guan, een antropoloog die verbonden is aan de Monash University Malaysia in Kuala Lumpur.
Dankzij internet kunnen de Maleisische Sharp-skinheads ook in het buitenland contacten onderhouden. Ik heb een ontmoeting met een van de meest bereisde skinheads in Maleisië in Subang Jaya, een zuidelijk district van Groot-Kuala Lumpur. Met zijn Lonsdale-jasje, strakke spijkerbroek en kleurige veters in zijn leren kistjes ziet GG eruit als één van de gestaalde kaders uit de beweging, en hij vertelt enthousiast over de reis die hij maakte naar Europa om contact te leggen met de beroemde antifascistische skinheads van de Hamburgse wijk Sankt Pauli. ‘Zij waren niet echt blij toen in Vice een stuk stond over een neonazi-skinheadbeweging in Maleisië,’ vertelt GG. Ik schaamde me zo… Ik verzekerde ze dat dat bij ons maar een klein probleem is.’ Inderdaad opende een artikel in 2013 in Vice magazine met een foto van veertien Maleisische jongeren die met hun rechterarm de nazigroet brachten.
Rondhangen
Het artikel onthulde het bestaan van Maleisische fascistische skinheads die swastika’s dragen, naar nazi-rockbands als Angry Aryan en Skrewdriver luisteren en die niet-Maleisiërs discrimineren. Maar volgens Elias werd de omvang van het probleem in het artikel overdreven. ‘Een handjevol bands zoals Brown Attack en Spiderwar zien zichzelf als “Malay Power”, maar zij vormen geen werkelijke bedreiging,’ zegt hij. En GG stemt daar lachend mee in: ‘In Duitsland zijn neonazi-skinheads een echte sociale dreiging. Maar hier hangen ze gewoon een beetje rond met hun swastika’s en gaan dan een biertje drinken bij een Chinees restaurant,
want daar is het goedkoop. Ze werden toch geacht alle niet-Maleisiërs te boycotten en te bestrijden?’
Een groep Aziatische mannen die het nazisme omarmen – dat lijkt op zijn minst misplaatst. Zelfs het artikel in Vice eindigde met de vraag: ‘Hoe kun je het nazi zijn verenigen met het feit dat je niet blank bent?’ Toch is dat volgens Brown, die ook hoogleraar geschiedenis is aan de Northeastern University in Boston, minder onlogisch dan we denken. ‘Het heeft een bepaalde logica.
‘Het handjevol neonazi-skinheads vormt geen echte bedreiging’
Deze jongeren gebruiken het nazisme blijkbaar als een model voor raciale zuiverheid dat ook overgezet kan worden naar hun situatie, hoe anders die ook is. Zo kan dat model dienen als een soort ideologische onderbouwing voor hun nationalistische vreemdelingenhaat.’ Volgens GG kost het de fascisten moeite om geaccepteerd te raken in Kuala Lumpur en daarbuiten. ‘De bands van de boneheads (kaalkoppen, een term die antifascistische skinheads voor hun racistische broeders gebruiken) kunnen niet spelen waar ze willen omdat niemand in de scene iets met ze te maken wil hebben. Sharp-skinheads kunnen wel op alle punkpodia spelen, vanwege onze morele integriteit.’
Dat die integriteit belangrijk is, zeggen ook veel andere Sharp-skinheads in Maleisië. Ook in de Britse skinheadscene van de jaren zestig en zeventig waren begrippen als integriteit en authenticiteit belangrijk voor de ‘oorspronkelijke’ skinheads, die vonden dat racisten totaal niets hadden begrepen van de waarden en oorsprong van de subcultuur. Dat idee leeft nog steeds onder de Sharp-skinheads van Maleisië. Toch zouden ze ook wel graag wat meer begrip willen in de bredere Maleisische samenleving. Anders dan de meeste stereotypen die over hen bestaan, zijn de meeste Sharp-skinheads in Maleisië eigenlijk progressieve moslims. ‘Zet tien van ons bij elkaar,’ zegt GG terwijl een Bengaalse ober glazen vruchtensap op ons tafeltje zet, ‘en dan is er maar eentje bij die rookt en drinkt. We bidden ook gewoon vijf keer per dag. We zijn Maleisiërs, dat is onze manier van leven. Het heeft niets te maken met onze liefde voor de muziek. Of met de manier waarop we punkrock gebruiken om te ageren voor sociale verandering.’
Een video uit een Afrikaans dorp ging viraal – en veroorzaakte een grote politieke crisis.
In de zomer belandde een video van Chinese sociale media aan onze kant van de wereld. Dat gebeurt niet vaak, vanwege taalbarrières en omdat veel van ons internet in China gecensureerd wordt. Maar deze video overleefde de reis, werd in het Engels vertaald en ging viraal vanwege de verontrustende inhoud.
Gefilmd in een dorp ergens in Afrika, hoor je achter de camera een Chinese man een groep Afrikaanse kinderen opdragen te herhalen wat hij zegt. Eerst schreeuwt hij: ‘Ik ben een zwarte duivel’ in het Chinees. En dan herhalen de kinderen in het Chinees: ‘Ik ben een zwarte duivel.’ Dan schreeuwt hij: ‘En mijn IQ is laag!’ De kinderen herhalen ‘En mijn IQ is laag!’ Dan begint er een liedje te spelen en beginnen de kinderen te zingen en te dansen.
De verontrustende aard van de video is evident. Afrikaanse kinderen die racistische beledigingen roepen in een taal die ze niet verstaan, terwijl ze gefilmd worden. Maar waarom werd die video gemaakt en wie stond er achter de camera? Al snel begon het verhaal rond de video zich te ontvouwen op een manier die niemand had voorspeld.
De vernedering werd gefilmd in opdracht van mensen die duizenden kilometers verderop werken in een enorme Chinese amusementsindustrie die overal op het continent Afrikaanse kinderen uitbuit.
Duistere kant
Om erachter te komen wat de industrie inhoudt, ging Zetland op jacht naar de man achter deze video, die aantoont dat de economische betrokkenheid van China bij Afrika ook online een behoorlijk duistere kant heeft.
Het verhaal begint in februari 2020, toen de video van de Afrikaanse kinderen voor het eerst viraal ging op de Chinese sociale media. Sommige Chinezen vonden het grappig, anderen vonden het over de schreef gaan. Runako Celina, een Britse vrouw die destijds studeerde aan een Chinese universiteit, zag de video ook. Als zwarte vrouw in China kreeg ze de beelden maar niet uit haar hoofd, vertelt ze. Op het schoolbord waar de kinderen omheen stonden, stonden in het Chinees de racistische zinnen die door de kinderen moesten worden herhaald. Ze vermoedde dat iemand in China hen had betaald om ze op te zeggen.
In China is het een populaire gewoonte om vrienden videogroeten te sturen uitgesproken door Afrikanen die Chinees spreken
In China is het een populaire gewoonte om familie en vrienden videogroeten met verjaardags- of huwelijkswensen te sturen uitgesproken door Afrikanen die Chinees spreken, Chinese kleren dragen en dansen op Chinese liedjes. De video’s worden in China online verkocht voor tussen de 70 en 500 kronen [9 tot 67 euro], afhankelijk van of de personen in de video een bepaalde outfit moeten dragen, een bepaald dansje moeten doen of bepaalde dingen moeten zeggen – dat geeft de koper op bij de bestelling.
Waarom er in China vraag is naar videogroeten met Afrikanen als afzender, heb ik niet kunnen achterhalen. Misschien gaat het erom online een video te bezitten die niemand anders heeft; een persoonlijke video met extra waarde. De business profiteert van verschillen in uurloon tussen de verschillende landen, en vanwege de grote afstand staan mensen er misschien niet bij stil dat zo’n video ergens aan de andere kant van de wereld mensen pijn kan doen. In elk geval zijn de video’s in China zo populair geworden dat er een miljoenenmarkt is ontstaan en Chinese gelukszoekers reizen af naar dorpen in Afrika om van de rage te profiteren. Veel van de beelden die ze opnemen zijn onschuldig, andere zijn op het randje en sommige zijn er zonder meer overheen.
In een video die Runako Celina tegenkwam staan Afrikaanse kinderen op een rij en zeggen in het Chinees: ‘We hebben honger’, terwijl de regisseur, een Chinees, ze een dienblad met frietjes voorhoudt. In een andere video dansen Afrikaanse kinderen terwijl ze zingen ‘Een gele huid en zwarte ogen zijn de mooiste kleuren’. Maar de ergste die ze zag was er een waarin de kinderen roepen dat ze ‘zwarte duivels’ zijn. Runako Celina kon die video maar niet uit haar hoofd krijgen.
Chinese influencers
De video’s maken deel uit van een grotere trend in China, waarbij Chinese influencers naar Afrika reizen en zichzelf in modieuze kleding filmen terwijl ze snacks uitdelen aan lokale kinderen of zich omringen met aantrekkelijke lokale vrouwen. Een 28-jarige Chinees die zichzelf African Mr. Hello noemt op Douyin, China’s versie van TikTok, is het populairst. Met één livestream kan hij voor duizenden dollars aan merchandise verkopen aan fans in China.
In drie maanden tijd verdiende Cheng Wei, zoals zijn echte naam luidt, op die manier 5,4 miljoen euro. African Mr. Hello verklaart zijn succes als volgt: ‘Chinezen houden ervan om te zien dat het op andere plekken in de wereld niet zo goed is als in China. (…) Als je de meer geavanceerde dingen filmt die er te zien zijn, vinden mensen dat niet leuk om te zien. Ze zien liever een leven dat erger is dan hun eigen leven.’
Met dat in het achterhoofd wilde de Britse Runako Celina tot op de bodem uitzoeken welk deel van de Chinese industrie racistische videogroeten op bestelling verkoopt. In samenwerking met de BBC en een team van journalisten werd de jacht geopend. Eerst moest Runako Celina uitzoeken waar de ‘Lage IQ’-video was gefilmd.
De opnames waren gemaakt in het extreem arme Malawi in Zuidoost-Afrika
Door honderden in opdracht gemaakte video’s te bekijken, die allemaal op dezelfde locatie waren gefilmd, konden de journalisten het dorp met zijn stoffige wegen en gebouwen in kaart brengen. De opnames waren gemaakt in het extreem arme Malawi in Zuidoost-Afrika. Njewa, zoals het dorp heet, vormt een passend, authentiek decor voor veel Chinese video’s, ook de racistische.
De journalisten wilden niet met een cameraploeg komen aanzetten, dus ze maakten contact met Henry Mhango, een lokale journalist. Uitgerust met een verborgen camera trok hij via een onverharde weg met hoog gras het dorp binnen. Tussen enkele lage huizen met golfplaten daken rond een groot plein zag hij een witte bestelwagen staan. De achterklep van de wagen stond open en in de schaduw ervan filmde een jonge Chinees een aantal kinderen die ineengedoken zaten rondom een schoolbord: ze waren bezig met het opnemen van een video voor een koper in China. Henry Mhango filmde het tafereel van een afstand en ontdekte dat de dorpelingen de man Susu noemen, ‘oom’ in het Chinees. Zij vertelden hem dat Susu de kinderen een halve dollar per dag betaalt om mee te doen, ook op dagen dat zij eigenlijk op school moeten zijn.
Terwijl Henry Mhango aan het werk was in Malawi, zochten Runako Celina en de journalisten van de BBC ondertussen naar de ware identiteit van Susu. In een video die hij had gedeeld op Douyin konden ze zien dat zijn naam Lu Ke was. Hij had video’s gepost van zichzelf met dorpskinderen terwijl hij snoepjes uitdeelde. Hij droeg een dure zonnebril. De vraag was of deze Lu Ke dezelfde man was die in de video de kinderen van Njewa opdroeg die vernederende dingen te roepen.
Om die vraag te beantwoorden reisden Runako Celina en de verslaggevers naar een dorp niet al te ver van Njewa. Hier had Lu Ke enkele jaren gewoond en video’s gemaakt met plaatselijke kinderen. Runako Celina wilde vooral in gesprek met één kind, een jongen die camerageniek was en er schattig uitzag in de traditionele Chinese kleren die Lu Ke in verschillende video’s had gebruikt. Op de Chinese sociale media was deze Afrikaanse jongen bijna een beroemdheid. Xiao Gulah, noemden ze hem.
‘Armoedeporno’, zo bestempelde ze de video’s
In het dorp vonden ze Xiao Gulah en zijn familie. Zijn echte naam was Bright, en hij was zes jaar oud. Runako Celina vroeg Bright naar Susu, die hij kende als Lu Ke, en Bright vertelde haar dat deze man de kinderen uitschold als ze tijdens de opnames een fout maakten, en ze ook sloeg met een tak. Fausika, de moeder van Bright, die bij het gesprek aanwezig was, vertelde dat zij haar zoon bij Susu had weggehaald, maar dat Susu hem terughaalde om nieuwe video’s te filmen. ‘Het doet me pijn,’ zei ze. Runako Celina kreeg tranen in de ogen. Brights verhaal bevestigde haar angst: dat de kinderen werden uitgebuit als rekwisieten in de onderneming van Lu Ke. ‘Armoedeporno’, zo bestempelde ze de video’s.
Vervolgens vroeg het team van de BBC een Chinese collega, Paul, om een ontmoeting met Lu Ke te regelen. Paul zou een verborgen camera dragen en zeggen dat hij als mogelijke zakenpartner geïnteresseerd was in de onderneming. In de opname van hun ontmoeting legt Lu Ke uit hoe je slaagt als regisseur van videogroeten. Hij zegt: ‘Behandel ze niet als vrienden. (…) Heb nooit medelijden met ze, onthoud dat. Heb nooit medelijden met ze,’ herhaalde hij. ‘Dat is hoe je zwarte mensen behandelt. Onthoud dat.’
Voorbode
Paul liet de ‘Lage IQ’-video aan Lu Ke zien met de vraag of hij die had gemaakt. ‘Ja, die is van mij,’ antwoordde hij prompt. Maar meteen daarop nam hij dat terug. ‘O nee, wacht,’ zei hij. ‘Nee, die is niet van mij. Dat is een video van een vriend.’ Het was alsof hij er zelf van geschrokken was. ‘Ik raad je aan die video te verwijderen,’ zei hij. ‘Laat hem niet aan zwarte mensen zien.’
Maar het was al te laat.
In Njewa had de lokale journalist Henry Mhango drie kinderen gevonden die in de video te zien zijn. Hij vond ook de vader van een van de kinderen en een grootmoeder. Henry Mhango vertaalde voor hen wat Susu, of Lu Ke, de kinderen had laten zeggen. De grootmoeder was geschokt, wreef in haar ogen en zei: ‘Hij profiteert van de armen.’ De vader zei: ‘We ploeteren om onze kinderen op te voeden. En dan komt zo iemand langs en maakt misbruik van hen om geld te verdienen. Hij moet het dorp uit, zo snel mogelijk.’
Was er bij de ‘Lage IQ-video’ sprake van kindermisbruik?
Dat was de voorbode van een fikse confrontatie. Runako Celina arriveerde korte tijd later in het dorp met een cameraploeg van de BBC en vond Lu Ke aan het werk, zittend aan een tafel. In het Chinees vroeg zij hem waarom hij de video’s maakte, en Lu Ke antwoordde dat hij ‘de Chinese cultuur, dans en muziek’ wilde verspreiden. Hij ontkende de kinderen te slaan, net zoals hij ontkende dat hij achter de ‘Lage IQ-video’ zat of dat hij de kinderen uitbuitte. Runako Celina verliet het dorp met gemengde gevoelens. Zij hadden met succes de methoden van één Chinese videomaker blootgelegd, maar wisten ook dat er veel meer zoals hij waren in dorpen zoals Njewa, op een continent waar grote sommen geld werden verdiend om mensen duizenden kilometers verderop te vermaken.
Het verhaal kreeg nog een flinke staart. Want al snel begon een klopjacht en ontstond een grote politieke crisis. In juli van dit jaar verscheen de BBC-documentaire Racism for Sale over de ontrafeling van de ‘Lage IQ-video’ waarop het verhaal tot nu toe was gebaseerd. Die ging viraal. De onthullingen in de documentaire waren voor de politie in Malawi aanleiding om te onderzoeken of er bij de ‘Lage IQ-video’ sprake was van kindermisbruik. Lu Ke ontvluchtte het land en kwam illegaal in buurland Zambia terecht. Daar werd hij al snel opgepakt en uitgeleverd aan Malawi. Tegen hem lopen momenteel vijf aanklachten wegens uitbuiting van kinderen. Ondertussen zei de minister van Buitenlandse Zaken van Malawi: ‘We zijn ontzet, we zijn respectloos behandeld en we voelen veel verdriet.’ In hoofdstad Lilongwe gingen burgers de straat op met borden met daarop: ‘Over kinderrechten valt niet te onderhandelen’. Naar verluidt liepen Bright en zijn familie mee met de demonstranten.
Zero tolerance
Nu raakten de topambtenaren in China in paniek. Het land heeft onvoorstelbare bedragen in Afrika geïnvesteerd, in de infrastructuur en in de ontginning van natuurlijke hulpbronnen. Dat zijn zeer centrale schakels in de expansieve dromen van de Communistische Partij om China weer tot een supermacht te maken. En als er volgens analisten iets is wat de partij van de geschiedenis heeft geleerd, dan is het wel dat zij niet als een nieuwe koloniale macht moet worden gezien. De beschuldigingen van racisme en uitbuiting van kinderen ontketenden dan ook een ernstige crisis. Zo ernstig dat Wu Peng, de Chinese topdiplomaat voor heel Afrika die zelden commentaar geeft op mediaverhalen, in een tweet liet weten dat China ‘zero tolerance voor racisme’ heeft en beloofde dat zijn land onlineracisme hard zal aanpakken.
En dat gebeurde onmiddellijk: Chinese sociale media verhinderen hun tientallen miljoenen gebruikers nu om te zoeken naar videomakers gecombineerd met het woord ‘Afrika’. De grootste influencer van allemaal, African Mr. Hello, stopte met zijn populaire livestreams vanuit de dorpen. Fans in China waren woedend en hij keerde al snel terug onder een nieuwe naam: Mr. Hello Overseas. De vraag naar een rijke Chinees die spullen in Afrika uitdeelt, was simpelweg te groot.
‘Malcom X’ analyse van racisme was zo helder en zo precies dat je hem bijna vijftig jaar na zijn dood haast profetisch kunt noemen.’ Los Angeles Review of Books interviewde de invloedrijke Britse Black Lives Matter-woordvoerder Kehinde Andrews over zijn grote voorbeeld.
Nexus-conferentie: ‘Revolutie van de hoop‘
‘Revolutie van de hoop’ is dit jaar het onderwerp van de Nexus-conferentie. Met als hoofdvraag: Waar vinden we, te midden van al onze hedendaagse crises, de revolutionaire hoop, moed en creativiteit om nieuwe werelden vorm te geven?
Op zaterdag 20 november komen sprekers als Giuseppe Conte, Patti Smith, Wole Soyinka en Mary L. Trump bijeen in Amsterdam om een antwoord te formuleren op deze vragen.
Deze week publiceert 360 Magazine artikelen en speeches van de sprekers van de Nexus-conferentie ‘Revolution of Hope’. De zesde in de reeks is Kehinde Andrews, hoogleraar Black Studies aan Birmingham City University.
In een serie gesprekken met kunstenaars, schrijvers en kritische geesten over geweldsvraagstukken sprak Brad Evans met Kehinde Andrews over zijn boek Back to Black: Retelling Black Radicalism for the 21st Century (Zed Books, 2018). Andrews is hoogleraar Black Studies aan Birmingham City University, hoofd van het Centre for Black Studies, oprichter van de Harambee Organisation of Black Unity, en medevoorzitter van de Black Studies Association.
Lees ook de artikelen van de andere sprekers van de Nexus-conferentie:
Waarom spreekt de boodschap van Malcolm X u nog altijd zo aan? En op welke manier is zijn gedachtegoed direct van invloed geweest op uw kijk op geweld in de wereld anno nu?
‘Malcolm X is een van de belangrijkste intellectuelen van de twintigste eeuw. Zijn analyse van racisme was zo helder en zo precies dat je hem bijna vijftig jaar na zijn dood haast profetisch kunt noemen. Het is niet overdreven om te stellen dat Malcolm de ontwikkelingen had voorspeld die we in deze raciale staat hebben gezien. Zijn voornaamste uitgangspunt was dat de Verenigde Staten en het westen in bredere zin net zomin “vrijheid, rechtvaardigheid en gelijkheid konden bieden” aan Zwarten dan dat “een kip eendeneieren kan leggen”. Hij zag racistische praktijken niet zozeer als een uitwas van maatschappelijke misstanden, maar eerder als de logica van het systeem. Terwijl velen zes decennia na de opkomst van de Burgerechtenbeweging verbaasd om zich heen kijken en constateren dat racisme nog altijd hoogtij viert, heeft Malcolm ons duidelijk gemaakt dat de ongelijkheid van nu de doodlopende weg is die we zijn ingeslagen op het moment dat we binnen een fundamenteel racistisch systeem probeerden het racisme te hervormen. De wetenschappelijke wereld komt pas eind jaren tachtig tot een soortgelijk inzicht met de Critical Race Theory (CRT), waarin wetenschappers duidelijk maken dat het racisme binnen de Amerikaanse maatschappij van “blijvende aard” is.
‘Net als andere radicale denkers spreekt Malcolm zich uit over de legitimiteit van geweld wanneer je wordt onderdrukt’
Malcolm geeft niet alleen een vlijmscherpe analyse van het probleem, hij brengt ook de oplossing ongekend helder onder woorden. Meer dan wie ook weet hij duidelijk te maken dat het een radicale daad is om Zwart-zijn te omarmen als een politieke identiteit. Malcolm was compromisloos in hoe hij zijn Zwart-zijn beleefde, een Zwart-zijn dat was geworteld in een herwonnen trots op zijn Afrikaanse afkomst en zijn inzet voor de georganiseerde vrijheidsstrijd van Zwarte gemeenschappen. Hij riep “een nieuw soort Negro” in het leven, die zich er niet voor verontschuldigt zwart te zijn en die weigert geduldig te wachten op maatschappelijke hervormingen. Daarom vindt Malcolm zoveel weerklank onder jongeren en mensen in de marge: hij is meer dan wie ook de stem van wat hij de ‘Veld-Negro’ noemde, die tijdens de slavernij buiten op de plantage werkte.
Waar het gaat om geweld keerde Malcolm de zaak om en betrok de vraag op de onderdrukten in plaats van de onderdrukkers, en wees hij de Verenigde Staten aan als voornaamste verspreider van geweld op deze aarde. Zo hekelde hij Zwarte Amerikanen en stelde hun de vraag: “Hoe kun je geweldloos zijn in Mississippi na het geweld dat je hebt gebruikt in Korea?” Zo herinnerde hij zijn publiek zowel aan het Amerikaanse koloniale verleden als aan hun plicht zich te verweren tegen het geweld van de overheid. Net als andere radicale denkers spreekt Malcolm zich uit over de legitimiteit van geweld wanneer je wordt onderdrukt.’
Dat idee, dat je je niet hoeft te verontschuldigen voor je bestaan maar dat je een plek voor jezelf opeist op aarde, zelfs als dergelijke rechten je worden ontnomen, lijkt cruciaal om tot een radicalere opvatting van rechtvaardigheid te kunnen komen. Het doet ook denken aan de zapatisten, die zeiden dat het niet aan de overheid was om hun al dan niet rechten toe te kennen. Hoe ziet rechtvaardigheid in het licht van systematische vervolging er voor u uit, vanuit de inspiratie die u vindt bij Malcolm?
‘Rechtvaardigheid is alleen te bereiken door een nieuw politiek en economisch systeem op te zetten. De wortels van onderdrukking zijn gecodeerd in het DNA van raciaal kapitalisme. De valse voorstelling van zaken dat er alleen binnen dit kader ooit sprake kan zijn van rechtvaardigheid is een van de belangrijkste mythen die transformatieve verandering in de weg staan. Een van de eerste stappen op weg naar bevrijding is dat de onderdrukten hun eigen voorwaarden moeten definiëren, hun eigen perspectieven, hun eigen mechanismen om verandering te bewerkstelligen. Zoals Malcolm al stelde: “Niemand kan je vrijheid geven”, vrijheid is iets wat je moet nemen. Helaas richt het merendeel van de Zwarte bewegingen zich op de machthebbers die ons zouden moeten erkennen of legaliseren. De omslag van Black Power naar de slogan Black Lives Matter is in dat verband illustratief. Black Power is geworteld in een lange geschiedenis van mensen die de capaciteit van Zwarten hebben willen gebruiken om eigen alternatieven te creëren, of dat nou op lokaal, nationaal of globaal niveau is. Black Lives Matter wil een basale erkenning dat we allemaal mensen zijn, en zet zich ervoor in dat iedereen een eerlijke behandeling krijgt. Er zullen ongetwijfeld versies van Black Power zijn geweest die ook campagne wilden voeren voor een brede erkenning, zeker in de politiek, maar de radicale Black Power van Malcolm wilde het tegenovergestelde. Voor Malcolm ging het om het bepalen en definiëren van onze eigen menselijkheid en het streven was om een collectief te creëren en Black Power strijdvaardig te maken, om de bevrijding dichterbij te brengen. Voor Malcolms dood werkte hij met anderen samen om de Organization of Afro-American Unity (OAAU) op te zetten, die in veel leek op de eerdere Universal Negro Improvement Association (UNIA). Het doel was om de diaspora te verbinden aan de Afrikaanse revolutie en zo een maatschappij te creëren waarin vrijheid, rechtvaardigheid en gelijkheid waarlijk mogelijk waren.’
De mainstreammedia, en ook het maatschappelijk middenveld, vinden het veel makkelijker om ruimte te bieden aan de nalatenschap van Martin Luther King, en die te incorporeren, dan aan de revolutionaire geest en de hartstocht van Malcolm. Cornel West heeft dat toegeschreven aan gesimplificeerde karikaturen, ‘een gekuiste Martin en een gedemoniseerde Malcolm,’ al was King tegen het einde van zijn leven duidelijk radicaler dan ten tijde van zijn ‘I have a dream’-speech, terwijl X verzoeningsgezinder was en meer openstond voor dialoog – zelfs met diegenen die hem naar het leven stonden. Waarom zou het voor Witte bevolkingsgroepen makkelijker zijn geweest om zich te verzoenen met Martin dan met Malcolm?
‘Malcolm en Martin staan voor heel verschillende benaderingen van Zwarte bevrijding. Martin is zonder meer gekuist maar hij kan makkelijk worden opgenomen in de mainstream omdat hij uiteindelijk geloofde dat de Verenigde Staten verlossing zouden kunnen vinden. Malcolm maakte zich echter geen illusies en was van mening dat er op zijn minst een revolutie nodig was om de sociale orde omver te werpen. Ik denk dat we niet te veel waarde moeten hechten aan de ommekeer aan het einde van hun leven. Ze hebben elkaar slechts één keer ontmoet voordat Malcolm werd vermoord en tegen het einde van zijn leven stond hij zeer kritisch tegenover Martin vanwege diens liberale standpunten. In januari 1965 werd hem op de Canadese televisie gevraagd of hij King ooit een Uncle Tom had genoemd. Malcolm legde uit dat hij die term niet snel zou gebruiken omdat hij dan aangeklaagd zou kunnen worden wegens smaad, maar dat hij wel wilde zeggen dat “Uncle Martin mijn vriend is”. Vervolgens legde hij uit waarom Martins aanpak Zwarte mensen nooit echte vrijheid zou brengen. Er is meer onenigheid geweest tussen Zwarten onderling dan tussen ons en Witten, en beide groepen staan voor verschillende politieke ideologieën, en de Witte meerderheid heeft minder moeite met de ideologie van King. King vertegenwoordigt een lange traditie van intellectuelen en activisten die zich ervoor hebben ingezet dat Zwarte mensen toegang konden krijgen tot de machtssystemen, en die druk hebben uitgeoefend om te zorgen dat die systemen werden hervormd. Hoewel dit een bedreiging kan vormen voor de dominante ideologie, kan het makkelijk worden geaccommodeerd binnen de liberale, goedbedoelende, naar links neigende politiek van de Witte meerderheid. Door ons bewust te zijn van hun privileges en ons toe te leggen op vermeend antiracistische praktijken kunnen we gezamenlijk optrekken in de richting van een zonniger toekomst. Malcolm biedt niets van een dergelijke troost, met zijn veroordeling van het politieke en economische systeem van Witte suprematie als onveranderlijk racistisch, met als enige oplossing revolutie. Hoewel King goedbedoelende Witten koesterde als een onmisbaar onderdeel van de coalitie om te komen tot raciale gelijkheid, hoeven in Malcolms analyse díe Witte mensen die waarlijk begrijpen wat hun rol is, enkel een stapje opzij te doen. Binnen de OAAU was Malcolm er heel stellig over dat “Witten ons kunnen helpen, maar zich niet bij ons kunnen aansluiten”.‘
Ik wil graag iets dieper ingaan op de geestelijke weg naar macht en geweld die u keer op keer expliciet maakt in uw werk. U heeft betoogd dat kolonisatie en het voortdurende imperialisme een bepaalde Witte psychose blootleggen die wezenlijk onderdeel vormt van de raciale structurering van de wereld. Kunt u iets meer zeggen over wat u daar precies mee bedoelt, en wat dat betekent voor het radicale imperatief?
‘De psychose van Witheid is het volkomen irrationele en door waandenkbeelden bepaalde debat dat wordt gevoerd om het raciale imperialisme overeind te houden. Het Westen is opgetrokken uit een mate van geweld en barbarij die zijn weerga niet kent. De grootste genocide in de geschiedenis waarbij bijna 98 procent van de inheemse bevolking van de beide Amerika’s de dood heeft gevonden; de trans-Atlantische slavernij die miljoenen heeft geknecht en tientallen miljoenen meer heeft geruïneerd; het koloniale geweld overal ter wereld. Als gevolg daarvan is een mondiale politieke economie ontstaan naar het evenbeeld van de Witte suprematie, met Afrika als armste deel, Europa en Amerika als rijkste delen, en de rest van de wereld ergens daartussenin op een sociale, Darwiniaanse evolutieladder. Vandaag de dag sterft er elke tien seconden een kind doordat het geen water of voedsel heeft, vrijwel uitsluitend in de onderontwikkelde wereld. Onze welvaart stoelt op die dagelijkse stapel Zwarte en bruine kinderen en de psychose is bedoeld om het misplaatste gevoel te geven dat de westerse vooruitgang niet is te danken aan koloniaal geweld maar aan de vernuftigheid, de vastberadenheid en de wetenschap die we over de wereld verspreiden. Dat verklaart waarom 60 procent van de Britse bevolking van mening is dat het Britse Rijk, dat de dood van tientallen miljoenen mensen op zijn geweten heeft, de wereld veel goeds heeft gebracht; of dat de voormalige Engelse premier David Cameron er prat op gaat dat Engeland “de slavernij heeft afgeschaft”, zonder zich er rekenschap van te geven dat Engeland tot aan die tijd een van de belangrijke slavenhandelaren was. Het eurocentristische onderwijs, de pers en de media versterken de psychose, om ons allemaal te doen geloven dat onze in bloed gedrenkte handen schoon zijn, of sterker nog: dat het Westen de oplossing is voor het probleem dat het zelf heeft geschapen en waarvan het afhankelijk is.
‘Door in te zien dat Witheid een psychose is, wordt duidelijk dat revolutie de enige oplossing is’
Psychose is echt het enige woord voor de stoornis en de bedrieglijke logica (zie alle hallucinaties in film en op televisie) die typerend zijn voor het begrip van ras en racisme. Zodra we inzien dat het gaat om een psychose, zullen we niet langer proberen via het onderwijs af te rekenen met racisme. Er zijn geen bewijzen of rationele argumenten die je kunt inzetten tegen mensen die in de greep zijn van een psychose. We hebben al vierhonderd jaar het gelijk aan onze kant, maar het mag niet baten. De enige manier om met een psychose om te gaan is de onderliggen stoornis aanpakken waaruit de psychose voortkomt. In dit geval is dat het politieke en economische systeem van het westers imperialisme. Door in te zien dat Witheid een psychose is, wordt duidelijk dat revolutie de enige oplossing is.’
Gezien het feit dat Malcolm X nog vaak wordt gezien als een voorstander van positieve discriminatie (ik weet dat u wel is aangewreven dat te hebben overgenomen in recensies van auteurs die erom bekendstaan identiteit in de strijd te werpen zonder zich rekenschap te geven van hun eigen geïncorporeerde privilege), kan men zich afvragen waarom zijn werk nog altijd een niet-Zwart publiek aanspreekt. En wat hoopt u dat een Wit publiek dat vandaag de dag kennisneemt van zijn gedachten, ervan meeneemt?
‘Er bestaat niet zoiets als positieve discriminatie. Racisme is de logica waarop het huidige politieke en economische systeem stoelt en zo de bronnen van macht mobiliseert. Maar al te vaak worden vooroordelen verward met racisme. Een vooroordeel betekent dat je iets tegen iemand hebt op grond van een waargenomen categorie zoals huidskleur. Maar racisme is de macht om dat vooroordeel binnen de maatschappij als geheel door te voeren. Lynchpartijen in de Verenigde Staten waren op zich uitingen van vooroordelen. Wat ze racistisch maakte is het feit dat het gebeurde met de steun van de wetshandhavers en het gerecht. Het was duidelijk door de overheid gesanctioneerd geweld. Malcolm die alle Witten tot duivels uitriep, terwijl een deel van de Nation of Islam zonder meer bevooroordeeld is, maar niet racistisch. Sterker nog, de drijfveer voor de Nation of Islam om de mythe van de Witte duivel in het leven te roepen was antiracistisch, bedoeld om Zwarten te mobiliseren om af te rekenen met raciale onderdrukking.
Malcolm had het over racisme, kolonialisme over de hele wereld, revolutie, klasse en identiteit
Een belangrijk publiek voor Malcolm waren Witte universiteiten. Hij bezocht uiversiteiten door heel Amerika en hij sprak ook voor de Oxford Union en de University of Birmingham. Hij was mede zo populair omdat hij Witheid afwees, waarmee het publiek vaak een haast katholieke zelfkastijdingsobsessie heeft (zie Witheid als psychose). Maar zijn populariteit kwam ook doordat zijn analyses en ideeën zo inzichtelijk waren dat iedereen zich erin kon vinden. Malcolm had het over racisme, kolonialisme over de hele wereld, revolutie, klasse en identiteit, en hij bepleitte radicale maatschappelijke veranderingen. Zoals hij zei: “De waarheid staat aan de kant van de onderdrukten”, en het Zwarte radicale perspectief legt de ware aard en de condities van de maatschappij bloot.
Malcolm bood de Witte meerderheid ook expliciet een weg om verre te blijven van het “raciale kruitvat” dat elk moment kon ontploffen. In een van zijn beroemde speeches, “The Ballot or the Bullet”, [het stembiljet of de kogel], legt hij uit dat Amerika het enige land in de geschiedenis is waar zich een “geweldloze revolutie∏ kan voltrekken, eenvoudigweg door Zwarte mensen te geven wat hun toekomt. Als het niet het stembriefje werd, waarschuwde hij, zou het vrijwel zeker de kogel worden. Malcolms werk is vandaag de dag nog altijd onverminderd belangrijk, in de zin dat hij niet alleen het racisme zelf onderkent, maar ook wat er op het spel staat als er geen oplossing komt.’
Tot besluit wil ik even ingaan op de rol van de universiteit. We weten dat universiteiten in het verleden intellectuele legitimiteit hebben verleend aan systemen van raciale superioriteit – vaak gemaskeerd door de taal van verlichting en door een vermeend wetenschappelijk waarheidsgehalte. Hoe zou een werkelijk gedekolonialiseerde universiteit eruitzien, en is dat een haalbaar streven?
‘Het is onmogelijk om een universitair systeem te dekolonialiseren dat voortkomt uit het systeem van raciaal kapitalisme, en dat systeem ook in stand houdt. De reden dat de universiteit eurocentrische curricula hanteert en ernstige raciale ongelijkheden in stand houdt, heeft te maken met de functie van de universiteit binnen de maatschappij. De universiteit als een ivoren toren, een elitaire plek die is losgezongen van de rest van de wereld, en daarop neerkijkt, is een beeld dat zit ingebakken in de kennis en de praktijk van westerse universiteiten. We kunnen, en moeten, ons ervoor inzetten om zoveel mogelijk veranderingen in gang te zetten die de universiteit verrijken met nieuwe ideeën, nieuwe content en nieuwe gebruiken, al was het maar om de ervaringen draaglijker te maken voor studenten uit minderheidsgroepen. Maar bij Black Studies hebben we het over de noodzaak de universiteit te ‘koloniseren,’ door haar privileges en de middelen in te zetten om ook bevrijdingsbewegingen buiten de campus te steunen. De universiteit is een belangrijk onderdeel van het probleem, maar de oplossing zal niet van de universiteit komen. De les van Black Studies, en Malcolm is hier het perfecte voorbeeld van, is dat revolutionaire kennis alleen ontstaat in de strijd voor revolutie op plekken ver weg van de gewijde universiteitszalen, en vrijwel altijd wordt geïnstigeerd door diegenen die daar geen toegang toe hebben.’
Kehinde Andrews
Kehinde Andrews is de meest eloquente en invloedrijke woordvoerder voor Black Lives Matter in het Verenigd Koninkrijk. Hij werd een autoriteit in het publieke debat over racisme met zijn boek Resisting Racism: Race, Inequality and the Black Supplementary School Movement (2013) en de internationale bestseller Back to Black: Retelling Black Radicalism for the 21st Century (2018). Zijn meest recente boek is The New Age of Empire: How Racism and Colonialism Still Rule World (2021). Andrews is redacteur van de boekenreeks Blackness in Britain die bij Bloomsbury verschijnt.
Daarnaast levert Andrews geregeld bijdragen aan onder meer The Guardian, The Washington Post en CNN, en is hij oprichter van de Harambee Organisation of Black Unity. Hij is tevens hoofdredacteur van de website Make it Plain, gericht op het verspreiden van kennis over de zwarte radicale intellectuele traditie. Andrews is hoogleraar Black Studies aan Birmingham City University.
De superioriteit van het ene ras over het andere is niet alleen een onderbuikkwestie. Wetenschap en filosofie hebben hun steentje bijgedragen.
Keuze uit ons archief
In 2012 stelden we een nummer samen over racisme, en wat we noemden ‘De angst voor zwart’, die in dit artikel van Nina Jablonski ook aan de orde komt. Zit racisme in onze genen? stelden we als vraag. Zelfs in dat geval is er iets aan te doen.
Jablonski, hoogleraar antropologie aan de Pennsylvania State University en aan het Stellenbosch Institute for Advanced Study in Zuid-Afrika, baseerde dit essay op haar boek Living Color: The Biological and Social Meaning of Skin Color (University of California Press), waarin ze duidelijk maakt hoe door de tijd heen tegen verschillende soorten huidskleur is aangekeken, en hoe vooroordelen generatie op generatie werden overgedragen.
Opbeurende opvattingen komen uit de Freedom Charter van Zuid-Afrika uit 1955. ‘De rechten van alle mensen zijn gelijk, ongeacht ras, huidskleur of geslacht. Alle wetten die discrimineren op basis van ras, huidskleur of geloof moeten worden ingetrokken.’ Ze waren later terug te vinden in de Zuid-Afrikaanse grondwet van 1996. Vergelijkbare frasen werden opgenomen in de Amerikaanse Civil Rights Act van 1964 en de Britse Race Relations Act van 1965. In de tweede helft van de twintigste eeuw werd discriminatie op basis van ras, huidskleur, geslacht, godsdienst of nationaliteit beschouwd als een schending van de fundamentele mensenrechten.
Desondanks ging de verschillende behandeling van mensen op grond van ras en huidskleur gewoon door, vooral in landen als de VS en Zuid-Afrika, met hun lange geschiedenis van gelegaliseerde segregatie en discriminatie. Academici en onderzoekers zien vol ongeloof dat zulke ideeën tot in de eenentwintigste eeuw blijven bestaan en komen altijd met bewijsmateriaal om aan te tonen dat rassen biologisch gezien helemaal niet bestaan en ‘slechts’ sociale concepten zijn.
Toch is voor veel mensen op deze aarde rassendiscriminatie de realiteit. Ook al komt er steeds meer genetisch bewijs dat rassen niet bestaan, het geloof in de inherente superioriteit en inferioriteit van volkeren maakt nog steeds mensen het leven zuur.
Veel ideeën over aangeboren superioriteit zijn gebaseerd op de overtuiging dat huidskleuren een hiërarchie kennen. Wanneer we op zoek gaan naar de dieperliggende oorzaken van het probleem, zien we dat het zijn oorsprong vindt in de verkeerde veronderstelling dat verschillen in intellectuele capaciteiten, morele standvastigheid en gedrag terug te voeren zijn op verschillen in huidskleur, met een glijdende schaal van blank naar zwart.
De hardnekkigheid van het verborgen, maar sterk aanwezige racisme is te verklaren uit een diepgewortelde en onwetenschappelijke aanvaarding van het genetische determinisme, de overtuiging dat verschillende groepen mensen geboren worden met verschillende capaciteiten, en dat die een natuurlijke sociale orde bepalen.
Pigment
Om een begin te maken met het ontrafelen van de oorsprong en hardnekkigheid van deze misvatting moeten we eerst bekijken hoe de diversiteit in de menselijke huid zich heeft ontwikkeld. Melaninepigment is verantwoordelijk voor de bijna oneindige variaties bruin die de menselijke huid kent. Het donkerste type melanine, eumelanine, is het belangrijkste en meest algemene pigment in de huid; het is een van de meest effectieve zonnefilters in de natuur, omdat het in staat is om ultraviolette straling te absorberen.
Alle mensen in Afrika evolueerden onder een krachtige tropische zon en hadden een donkere huid, rijk aan beschermend eumelanine. Gedurende meer dan de helft van de geschiedenis van onze soort – van ruwweg 200.000 tot 80.000 jaar geleden – waren we Afrikanen, en terwijl we door Afrika trokken werd onze pigmentatie steeds weer aangepast aan de lokale omstandigheden.
Vooroordelen zijn niet genetisch bepaald
Ongeveer 80.000 jaar geleden begonnen kleine groepen donker gepigmenteerde mensen van het continent weg te trekken. De eerste migranten gingen naar de kusten van Zuid-Azië. Anderen drongen door in het achterland van West-Azië met een aanzienlijk minder zonnig klimaat en een meer seizoensgebonden hoeveelheid uv-straling. Sommige van die populaties trokken uiteindelijk naar Oost-Azië, terwijl andere zich in Midden-Europa en later in Noord-Europa vestigden. Die migratie bracht mensen op plekken die steeds minder zonnig waren, en genetische veranderingen – mutaties – kwamen tot stand om een lichter gepigmenteerde huid te produceren.
Ultraviolette straling is meestal schadelijk, maar kleine hoeveelheden zijn noodzakelijk voor de productie van vitamine D in de huid. De evolutie van gedepigmenteerde huid betekende dat mensen die leefden in streken met een lager niveau aan uv B toch vitamine D konden aanmaken. Het feit dat die ontwikkeling zich overal voordeed waar uv B schaars was, getuigt van het vermogen van de natuurlijke selectie om gelijke fenotypes te produceren bij gelijke milieuomstandigheden. Enkele licht of gemiddeld gepigmenteerde populaties trokken weer naar gebieden met sterk zonlicht en een hoge uv-straling en werden, voorspelbaar, weer donkerder. Dus veranderingen in de huidpigmentatie waren aanpassingen aan heersende omstandigheden. Vanwege het belang van de huid als de belangrijkste beschermer van het lichaam tegen de omgeving is die het grootste deel van onze geschiedenis onderhevig geweest aan een strenge natuurlijke selectie.
En zo werd de ‘huidskleurmeme’ geboren, de culturele overdracht van het vooroordeel tegen donkere mensen
Goed kijken
Omdat menselijke populaties zich uitbreidden, kregen veel groepen die eerder geïsoleerd van elkaar hadden geleefd nu contact met elkaar en begonnen ze handel te drijven: langs de Nijl en de kusten van de Middellandse Zee kwamen mensen met zichtbaar verschillende huidskleur regelmatig met elkaar in aanraking. Wat daar gebeurde, is leerzaam en nuttig. Uit de kunst en de historische bronnen van het oude Egypte en Griekenland weten we dat men de verschillen in huidskleur wel zag, maar dat die verschillen niet de onderlinge relatie of de handelstransacties beïnvloedden. Huidskleur werd gezien, maar bepaalde niet je waarde als mens.
Wij zien huidskleur omdat dat het meest in het oog vallende kenmerk is en omdat we zeer visueel ingestelde wezens zijn. Het is echter niet genetisch bepaald dat we vooroordelen hebben, alleen dat we onze indrukken van anderen en de wereld om ons heen allereerst opdoen door wat we zien. Ons vertrouwen op ons gezichtsvermogen komt in elk aspect van ons leven als sociaal wezen tot uiting. De mensen om ons heen observeren we scherp, en als we niet weten wat we moeten doen, komen we vaak tot een besluit door te kijken naar wat degenen doen die we goed kennen of voor wie we veel respect hebben. Als we jong zijn, bekijken en imiteren we onze ouders en verzorgers, en besteden we veel aandacht aan de sociale nuances die door lichaamstaal worden overgebracht. Een verhevigd visueel bewustzijn en imitatiegedrag dragen eraan bij dat we onderdeel gaan uitmaken onze sociale groep.
Die activiteiten bevorderen ook dat we aardig worden gevonden en dat anderen zich positief tegen ons gedragen. We kijken niet alleen naar hoe gezaghebbende personen zich gedragen, maar luisteren ook zorgvuldig en imiteren hun sociale categorieën. Als klein kind leren we heel veel van subtiele visuele aanwijzingen over wie er tot onze familie behoort en wie niet. We leren de voorkeur te geven aan individuen of groepen aan wie de volwassenen om ons heen extra aandacht schenken, ook al hebben de volwassenen nooit expliciet iets goeds of slechts over hen gezegd.
Dus de overdracht van vooroordelen verloopt langzaam en subtiel. We leren mensen in categorieën in te delen op basis van overeenkomsten in uiterlijk of gedrag en door hoe gezaghebbende personen om ons heen zich ten opzichte van hen gedragen. Onze geest zit kennelijk zo in elkaar dat we gemakkelijk mensen in verschillende groepen kunnen indelen en dan de voorkeur geven aan onze eigen groep, de zogeheten ‘in-group’.
Maar onze reacties op leden van ‘out-groups’ zijn niet automatisch negatief, noch zijn ze alles of niets. Ze worden bepaald door neurale responsen in de hersenen (vooral in de amygdala) die zich ontwikkelen wanneer we angst of boosheid bij de mensen om ons heen waarnemen en die gevoelens zelf beginnen te voelen of overnemen. Op zich creëren reacties in de hersenen op out-groups geen stereotypen, maar herhaaldelijk opgelegde associaties wel. En dan tellen vooral de verbale kwalificaties.
Sterker nog, de aard van de sociale en handelsnetwerken tussen de volkeren die van ongeveer 3150 v.Chr. tot 476 n.Chr. langs de Nijl en de kusten van de Middellandse Zee leefden, werd bepaald door overeenkomsten en verschillen in cultuur en taal, niet door huidskleur. Slavernij bestond, maar de slaven waren gewoonlijk krijgsgevangenen, ongeacht hun huidskleur.
Maar dat alles veranderde in de Middeleeuwen, toen het reizen over zee over langere afstanden sneller, veiliger en gebruikelijker werd, waardoor mensen plotseling in contact konden komen met verre ‘anderen’, vaak zonder dat ze vooraf van elkaars bestaan afwisten. Ze waren ook geschokt door elkaars uiterlijk. Dergelijke ontmoetingen voltrokken zich zelden op een gelijkwaardige sociale of militaire basis. Europese ontdekkingsreizigers waren op zoek naar buit en zelden uit op een gelijkwaardig contact. De meeste Europeanen verbaasden zich over donker gepigmenteerde huid, en hun reisverhalen uit die tijd beschreven de huidskleur van die verre volkeren in choquerende en vaak negatieve termen.
Intellectuele basis
De eerste wetenschappelijke taxonomie werd door Carl Linnaeus opgesteld in de eerste editie van zijn Systema Naturae uit 1735, waarin hij de mensen naar huidskleur en werelddeel indeelde in vier groepen. In 1758 definieerde Linnaeus die groepen nader op basis van temperament: sanguinisch voor Europeanen, melancholisch voor Aziaten, cholerisch voor Indianen en flegmatisch voor Afrikanen. De combinatie van volksgeloof over aanleg en karakter enerzijds en fysieke kenmerken vastgelegd in een gezaghebbende classificatie anderzijds legde de intellectuele basis voor het racisme zoals wij dat nu kennen. Sindsdien konden negatieve kwalificaties over karakter, cultuur en uiterlijk opgenomen worden in verhandelingen over de menselijke variatie en konden ze als wetenschappelijk worden beschouwd en niet zozeer als persoonlijke en emotionele uitingen van afkeer, ongemak en vooroordelen.
De overdracht van vooroordelen verloopt subtiel
In 1785, nog geen dertig jaar na Linnaeus’ herziene taxonomie, publiceerde Immanuel Kant zijn invloedrijke bespiegelingen over de menselijke variatie, waarin hij als eerste het woord ‘rassen’ gebruikte en die definieerde aan de hand van huidskleur en plaats van herkomst. Volgens Kant was ‘ras’ een onveranderbaar gegeven. Hij bracht een hiërarchie aan op basis van wat hij als hun talenten beschouwde, met de Europeanen bovenaan, dan ‘gele Indiërs’ met een gering talent, ‘negers’ kwamen daar ver onder en helemaal onderaan kwamen de indianen. Hoewel Kant werd bekritiseerd door invloedrijke critici onder zijn tijdgenoten, zoals de filosoof Johann Gottfried von Herder en de naturalist en anatoom Johann Friedrich Blumenbach, hield hij vast aan zijn definities.
Voor Kant en de meeste theoretici na hem hield het verband tussen huidskleur en karakter in dat lichter gekleurde rassen superieur waren aan donkerder gekleurde, en dat leden van deze laatste voorbestemd waren om de eerste te dienen. Kants ideeën over huidskleur en karakter werden wijd en zijd aanvaard, omdat zijn geschriften in groten getale werden verspreid, hij een gezaghebbend filosoof en geleerde was en zijn publiek voor het merendeel naïef was en geen persoonlijk contact had gehad met de donker gekleurde – vooral Afrikaanse – mensen die hij zijn geschriften zo vernederde. En zo werd de ‘huidskleurmeme’ geboren, de culturele overdracht van het vooroordeel tegen donkere mensen.
Knechting
Het leggen van een verband tussen zwart zijn en anders zijn is een van de krachtigste en meest destructieve intellectuele concepten aller tijden. Het standpunt van de inherente superioriteit en inferioriteit van rassen werd gretig door de intelligentsia van West-Europa en uiteindelijk ook door het gewone volk geaccepteerd, omdat het paste in al aanwezige stereotypen. Voor hen die de overtuiging aanhingen dat de oorspronkelijk blanke mens zwart werd vanwege blootstelling aan extreme hitte, was de transformatie van licht naar donker een soort degeneratie en een afwijking van de norm.
De negatieve associatie van een donkere huid met de waarde als mens werd winstgevend bij de opkomst van de trans-Atlantische slavenhandel. De grootscheepse knechting van Afrikanen werd sociaal aanvaardbaar gemaakt door het idee dat zij die werden geknecht alleen geschikt werden geacht voor de slavernij. Het geloof in de inferioriteit van de donker gekleurde volkeren van Afrika werd sterker naarmate de slavenhandel toenam.
De tragische en negatieve verschuiving in de woordkeus ten opzichte van de donker gepigmenteerde Afrikanen wordt levendig geïllustreerd door twee lemmata uit de Encyclopaedia Britannicamet elkaar te vergelijken. Dit staat in de eerste editie uit 1771: ‘NEGERS, strikt genomen de inwoners van Nigritia in Afrika, ook wel zwarten of moren genoemd; maar deze naam wordt nu aan alle zwarten gegeven. De oorsprong van de negers, en de reden waarom ze zo verschillen van de rest van de menselijke soort, heeft naturalisten voor veel raadselen gesteld. Boyle is van mening dat het niet door het warme klimaat komt: want de hitte van de zon mag dan de huid donker kleuren, toch blijkt dat het onvoldoende is om het zwart van negers te veroorzaken.’
In 1823 echter was het lemma doorspekt met pejoratieve ‘beschrijvingen’ en kwetsende beschimpingen: ‘NEGER, Homo pelli nigra, een naam van een variëteit binnen de menselijke soort, die geheel zwart is en wordt aangetroffen in tropische gebieden, in het bijzonder in dat deel van Afrika dat rond de evenaar ligt. De huidskleur van Negers kent verscheidene tinten, maar hun gezicht verschilt bij allen wezenlijk van andere mensen… De kwalijkste ondeugden kenmerken dit armzalige ras: ijdelheid, onbetrouwbaarheid, wraakzucht, wreedheid, losbandigheid, valsheid, onmatigheid, en ze stelen, liegen en vloeken, en die ondeugden lijken de principes van de natuurlijke zedenwetten te hebben verdrongen en het geweten het zwijgen te hebben opgelegd. Ze zijn onbekend met elk gevoel van compassie en ze vormen een afschrikwekkend voorbeeld van de verwording van de mens wanneer hij op zichzelf is teruggeworpen.’
Sociaal darwinisme
In het begin van de negentiende eeuw gold een mens met een donkere huid als inferieur en potentieel winstgevend als slaaf; een licht gepigmenteerde huid werd de norm waarvan de rest een afwijking was. De overheersing van de blanke Europeanen over de donkerder rassen werd ‘gerechtvaardigd’ door de onwrikbare, maar onjuiste overtuiging dat huidskleur onlosmakelijk verbonden was met moraal, economie, esthetica en taal. De opkomst van het sociale darwinisme aan het eind van de negentiende eeuw versterkte de opvatting dat de superioriteit van het blanke ras onderdeel uitmaakte van de natuurlijke orde, omdat bepaalde ‘loten van de stam’ verder waren geëvolueerd en cultureel superieur waren. Ze waren immers sterker en konden zich beter aanpassen. Het concept van de huidskleur had een wetenschappelijk keurmerk gekregen.
In de VS en Zuid-Afrika, waar de knechting en uitbuiting van de donker gekleurde arbeidskrachten de hoekstenen van de economische groei vormden, werd de hiërarchie in huidskleur ondersteund door de rechterlijke macht en mondelinge overlevering over superioriteit en inferioriteit. In de loop van vele generaties raakte de ideologie van op huidskleur gebaseerde rassenwaan verankerd door de collectieve bevestiging van stereotypen en vele culturele tradities. Rassenwaan hield stand, tegelijk met de hiërarchie die daar impliciet uit voortvloeide. Rassenkwalificaties die berusten op negatieve afbeeldingen en verhalen hebben een krachtig effect op leden van zowel out-groups als in-groups, doordat het idee postvat dat hun eigen groep superieur, inferieur, slimmer, dommer, sterker of zwakker is. Zo wordt die kwalificatie bepalend voor de persoonlijkheid en de individuele ervaring en is ze een doel op zich.
Dat betekent dat de ‘huidskleurmeme’ niet ons lot hoeft te bepalen. De opvattingen van een mens zijn door ervaringen en, wat nog belangrijker is, door bewuste keuzes, aan veranderingen onderhevig. Vooroordelen kunnen worden gewijzigd en zelfs teniet worden gedaan door ervaring en motivatie, en stereotypen kunnen worden veranderd wanneer mensen ertoe worden aangezet om iemand op de een of andere manier te zien als een lid van hun eigen groep. We zijn allemaal één volk.
In de VS mogen volledig gevaccineerden hun mondmasker afdoen
Amerikanen die volledig zijn ingeënt tegen covid-19 mogen zich binnen en buiten zonder mondmasker begeven, dat maakte de Centers for Disease Control and Prevention (CDC) – de Amerikaanse RIVM – donderdag bekend.
De aangepaste richtlijnen van ’s lands hoogste federale agentschap voor volksgezondheid betekenen dat de VS weer een stap dichter bij een normale situatie zijn, reageerde infectieziektespecialist Anthony Fauci. ‘Ik zou niet te vroeg willen juichen, maar ik zou zeggen dat dit duidelijk een stap is in de goede richting’, vertelde hij aan CNN. Het land heeft echter nog ‘een lange weg te gaan voordat we groepsimmuniteit hebben bereikt’, aldus de nieuwszender. Volgens gegevens van de CDC afgelopen woensdag (12 mei) was 35,4 procent van de Amerikanen volledig gevaccineerd.
De nieuwe aanbevelingen verrasten ambtenaren op staatsniveau en bedrijven en zorgden voor verwarring over de wijze waarop de richtlijnen zouden moeten worden uitgevoerd, schrijft The New York Times. ‘Maar het advies kwam als geroepen voor veel Amerikanen die de beperkingen moe waren en getraumatiseerd door het afgelopen jaar.’
‘Met het afzetten van mondmaskers wordt niet alleen het begin van het einde van de pandemie ingeluid, maar ook de hoop op een terugkeer naar de normale gang van zaken’
‘We hebben allemaal naar dit moment verlangd’, zei Rochelle P. Walensky, de directeur van de CDC, op een persconferentie in het Witte Huis op donderdag (13 mei). ‘Als je volledig gevaccineerd bent, kun je de dingen gaan doen die je vanwege de pandemie niet meer deed.’
‘Mondmaskers zijn symbool komen te staan voor een bittere partijdige verdeeldheid’, schrijft NYT. ‘Door ze af te zetten in restaurants en op trottoirs, in musea en winkels, zou niet alleen het begin van het einde van de pandemie worden ingeluid, maar ook de hoop op een terugkeer naar de normale gang van zaken.’
Het afzetten van mondkapjes moet ook als stimulans dienen voor de vele miljoenen die nog steeds aarzelen om zich te laten vaccineren, schrijft de krant uit New York. ‘Het vaccinatietempo is namelijk vertraagd: aanbieders dienen gemiddeld ongeveer 2,09 miljoen doses per dag toe, een daling van ongeveer 38 procent ten opzichte van de piek van 3,38 miljoen die medio april werd gemeld.’
Het Israëlische leger is Gaza toch niet binnengevallen
Het Israëlische leger zei donderdagavond dat het de Gazastrook was binnengedrongen, maar trok die bewering uiteindelijk terug, daarbij verwijzend naar een ‘intern communicatieprobleem’.
‘De Israëlische luchtmacht en grondtroepen voeren momenteel een aanval uit in de Gazastrook’, maakte het Israëlische leger donderdagavond rond 23.00 uur bekend in een kort bericht op Twitter.
IDF air and ground troops are currently attacking in the Gaza Strip.
Deze ‘dubbelzinnige’ formulering, legt The Times of Israel uit, ‘lijkt de buitenlandse media [waaronder verschillende Nederlandse kranten] te hebben misleid met de veronderstelling dat het leger een grondinvasie in de Gazastrook was gestart tijdens de grootschalige bombardement van Noord-Gaza’. De krant voegde eraan toe dat Jonathan Conricus, de Engelstalige woordvoerder van het leger, op de vraag of er inderdaad een grondinvasie was begonnen, antwoordde: ‘Ja. Zoals in de verklaring staat. Inderdaad, de grondtroepen vallen aan in Gaza. Dat wil zeggen, ze zijn in de Gazastrook.’
‘De sirenes klonken bijna de hele nacht non-stop’
‘Hoewel dit technisch gezien correct is, aangezien sommige Israëlische troepen werden gepositioneerd in een enclave die binnen het grondgebied van Gaza ligt maar onder Israëlische controle staat, betekent dit redelijkerwijs geen “grondinvasie”’, stelt The Times of Israel.
Hoe dan ook, het geweld woedt voort. Israëlische lucht- en grondaanvallen op het noorden van Gaza van donderdagavond waren ‘de zwaarste bombardementen’ sinds het geweld op maandag begon, schrijft The Times of Israel in een ander artikel. De krant meldde vannacht dat het antiraketschild ‘Iron Dome’ tientallen raketten heeft onderschept die voor de vierde nacht op rij door Hamas werden gelanceerd op de steden Asjdod, Beër Sjeva en gemeenschappen in Zuid-Israël. En volgens Haaretz ‘klonken de sirenes [in dat deel van het land] bijna de hele nacht non-stop’.
Het Israëlische leger heeft donderdag tanks en pantservoertuigen opgesteld langs Palestijns grondgebied, waaruit de Israëlische troepen zich in 2005 eenzijdig hebben teruggetrokken. En het ministerie van Defensie heeft ’s avonds de mobilisatie van ‘tweeduizend extra reservisten goedgekeurd, waarmee het totaal op negenduizend komt’, aldus Haaretz.
Netanyahu: ‘We gaan Hamas een hoge prijs laten betalen’
De Israëlische premier Benjamin Netanyahu zei vannacht dat Israël Hamas zal blijven aanvallen. ‘Ik zei dat we Hamas een hoge prijs zouden laten betalen. Dat doen we en dat zullen we met grote intensiteit blijven doen (…) en deze operatie zal doorgaan zo lang als nodig is’, zei hij in een bericht dat in het Hebreeuws op Twitter werd geplaatst en dat door The Guardianwerd overgenomen.
אמרתי שאנחנו נגבה מחיר כבד מאוד מהחמאס. אנחנו עושים זאת ואנחנו נמשיך לעשות זאת בעוצמה רבה. המילה האחרונה לא נאמרה והמבצע הזה יימשך ככל שיידרש.
אנחנו נותנים מאה אחוז גיבוי לשוטרים, לחיילי מג״ב ולשאר כוחות הביטחון כדי להשיב את החוק והסדר לערי ישראל – לא נסבול אנרכיה.
— Benjamin Netanyahu – בנימין נתניהו (@netanyahu) May 13, 2021
Sinds maandag zijn 109 Palestijnen gedood, volgens het ministerie van Volksgezondheid van Gaza. Aan de Israëlische kant is het dodental zeven. Haaretz spreekt van ‘de grootste geweldsuitbraak sinds het conflict in Gaza van 2014’. ‘Israël heeft honderden luchtaanvallen uitgevoerd in Gaza, terwijl Palestijnse militanten sinds maandag meer dan duizend raketten hebben afgevuurd op centraal- en Zuid-Israël.’
’De aanvallen hebben onder de internationale gemeenschap de vrees gewekt dat de situatie uit de hand loopt’, vervolgt het dagblad. De VN-Veiligheidsraad zal zondag een virtuele openbare vergadering over het conflict houden.
Duizenden betogers tegen racisme en politiegeweld in Brazilië
Enkele duizenden Brazilianen hebben op donderdag 13 mei gedemonstreerd tegen racisme en politiegeweld, een week na een politieactie die 28 mensen het leven kostte in de favela van Jacarezinho, Rio de Janeiro, meldt Folha de S.Paulo. In Rio scandeerde de menigte slogans tegen president Jair Bolsonaro of leuzes als: ‘Geen kogel, geen honger, geen corona. De zwarte bevolking wil leven!’
De demonstratie werd gemarkeerd door de getuigenis van moeders van slachtoffers van politiegeweld in de favela’s, aldus Folha de S.Paulo. In verschillende grote steden van het land, waaronder São Paulo, vonden ook marsen plaatst. Deze grootschalige demonstraties tegen de ‘valse vrijheid’ van de zwarte bevolking in Brazilië vonden plaats op de dag dat in het land het einde van de slavernij wordt herdacht, 13 mei 1888, zo meldt Jornal do Brasil.
Armenië beschuldigt Azerbeidzjan van landjepik
De premier van Armenië, Nikol Pasjinian, heeft het Azerbeidzjaanse leger er donderdag [13 mei] van beschuldigd de Armeense grens te schenden en nieuwe gebieden te willen veroveren, meldt Armenpress. Pasjinian heeft tijdens een buitengewone vergadering van zijn veiligheidsraad de ‘provocatie’ aan de kaak gesteld.
Pasjinian en Emmanuel Macron bespraken donderdag telefonisch de ‘alarmerende situatie’, schrijft het Armeense persbureau in een ander artikel, en de Franse president ‘benadrukte de noodzaak van de onmiddellijke terugtrekking van Azerbeidzjaanse strijdkrachten uit het soevereine grondgebied van Armenië’.
Als drievoudig Grand Slam-winnares en de best betaalde vrouwelijke sporter ter wereld is tennisster Naomi Osaka over de hele wereld populair. In Japan prijkt haar beeltenis niet alleen op T-shirts en sleutelhangers, maar nu ook op de pagina’s van manga, oftewel strips. Niet eerder was een zwart personage hierin een held.
Twee eerdere pogingen om Osaka, die van gemengde afkomst is, als strippersonage te gebruiken, in een Australische krant en in een Japanse advertentie, sloegen de plank mis: ze werd erin afgebeeld met een witte huid en lichtgekleurd haar. Maar in december 2020 bracht het Japanse tijdschrift Nakayoshi voor het eerst ‘De weergaloze NAOMI Tenkaichi’, met Osaka als heldin (tenkaichi betekent ‘de beste op aarde’).
In deze strip wordt ze wél correct afgebeeld, voor een deel dankzij het feit dat het project tot stand kwam onder toeziend oog van haar zus Mari. Het tenniswonder, dat in december de Associated Press-prijs voor beste vrouwelijke sporter van het jaar kreeg, heeft nu een plaats in het uitgebreide mangapantheon van sterke vrouwelijke personages en een klein maar groeiend gezelschap zwarte personages.
Het is een bekend gegeven dat etnische verschillen in de Japanse samenleving worden uitgewist of weggestopt
Dat is een teken van vooruitgang in een genre waarin tot nu toe weinig correcte weergaven van raciale diversiteit te vinden waren. Het is een bekend gegeven dat etnische verschillen in de Japanse samenleving worden uitgewist of weggestopt. Maar volgens deskundigen verandert dat geleidelijk aan en krijgt manga een nieuw uiterlijk.
‘Meer mangaka (mangamakers) doen hun best om zwarte personages beter en met meer respect af te beelden,’ zegt LaNeysha Campbell, een mangarecensent die voor popcultuurwebsite ‘But Why Tho?’ schrijft. ‘Een goed voorbeeld is Aran Ojiro, een van de personages in Haikyū!! Zijn gezicht en huidtint worden afgebeeld met respect voor zwarte trekken.’
Voor schrijver en The Japan Times-columnist Baye McNeil was het eerdere debacle met Osaka’s stripbeeld een katalysator voor verandering. ‘Er ontstaat meer bewustzijn in verschillende Japanse media en daardoor gaan sommige kunstenaars duidelijk zorgvuldiger te werk wanneer ze niet-Japanse personages gebruiken. Niemand wil opeens allerlei negatieve aandacht uit de hele wereld op zich gericht krijgen. Het is treurig, maar soms is zo’n incident nodig om mensen de ogen te openen.’
Sommige mangapersonages tonen de liefde van de kunstenaar voor zwarte cultuur
In het verleden hebben makers van manga en van de filmtegenhanger daarvan, anime, maar al te vaak stereotypes gebruikt om zwarte mensen af te beelden. ‘In veel klassieke manga uit de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw werden zwarte mensen getekend met grote lippen en voorgesteld als intimiderende, vaak domme personages,’ zegt mangaliefhebber Diamond Cheffin. ‘Zelfs in het eerste decennium van deze eeuw kom je nog die zwarte karikaturen tegen.’
Volgens McNeil komt de houding van veel manga-artiesten tegenover zwarte personages voort uit gewoonte: ‘Veel mangaka zijn gewend om zwarte mensen op een bepaalde manier neer te zetten. En al kloppen die personages niet, ik geloof niet dat ze per se beledigend bedoeld zijn. Het is ook zo dat die strips niet voor een niet-Japans publiek bedoeld zijn.’
Een reden waarom veel Japanse mangakunstenaars zwarte mensen voorheen op een weinig vleiende manier portretteerden, is volgens Campbell dat ze altijd door de lens van witte Amerikaanse media naar zwarte cultuur hebben gekeken: ‘Het kan best zijn dat de eerste indrukken die het Japanse publiek van zwarte mensen kreeg, gevormd zijn door deze racistische en stereotiepe beelden. Die afbeeldingen stammen inmiddels van ruim zeventig jaar geleden, maar ze dragen nog steeds bij aan de negatieve houding tegenover zwarte mensen en de beledigende en problematische manier waarop die in manga worden neergezet.’
Sommige mangapersonages tonen de liefde van de kunstenaar voor zwarte cultuur. Veel Japanse makers zijn met Amerikaanse strips, muziek en films opgegroeid en nemen die iconen bij wijze van eerbetoon in hun eigen werk op. Maar dat kan nog steeds tot verkeerde typeringen leiden. Een voorbeeld is het personage Coffee in de populaire tv- en vervolgens ook manga-serie Cowboy Bebop.
‘Coffee is een typisch blaxploitation-personage,’ zegt film- en tv-recensent Kambole Campbell. ‘Ze is eigenlijk Foxy Brown, maar dan op Mars. (De film Foxy Brown uit 1974 met Pam Grier als de hypergeseksualiseerde hoofdpersoon, kreeg in de Verenigde Staten veel kritiek vanwege de manier waarop zwarte mensen en vooral zwarte vrouwen erin werden neergezet.)
Cowboy Bebop-regisseur Shinichirõ Watanabe koos in 2019 voor een andere benadering met de anime-serie Carole & Tuesday, waarvan de hoofdpersoon een zwart meisje in tuinbroek met dreadlocks en een vrolijke lach is.
Coole meiden
Naomi Osaka, dochter van een Haïtiaanse vader en een Japanse moeder, zegt dat ze vroeger in Japan wel racisme heeft ervaren. ‘Japan is een heel homogeen land, dus het was lastig voor mij om racisme bespreekbaar te maken, schreef ze in juli 2020 in een artikel voor Esquire. ‘Ik heb online en zelfs op tv wel racistische commentaren gekregen. Maar dat is de minderheid. In werkelijkheid worden mensen, en vooral sporters van gemengde afkomst door de meerderheid van het publiek, door fans, sponsors en media wel geaccepteerd. De onwetendheid van enkelingen mag de progressiviteit van de meerderheid niet overschaduwen.’
De weergaloze NAOMI Tenkaichi, de nieuwe manga over Osaka, wordt vanuit een ander standpunt gemaakt en richt zich op een van de groepen waarbij dit genre populair is: tienermeisjes.
‘We willen haar charme overbrengen,’ schrijven de makers Jitsuna en Kizuna Kamikita, tweelingzussen die hun gezamenlijke werk ondertekenen als Futago Kamikita, in een e-mail. ‘En natuurlijk ook haar grootsheid als tennisster. Naomi is een humaan, menslievend iemand. We houden ook van haar denkbeelden en haar bereidheid om daar zelf naar te handelen. Tegelijkertijd heeft ze gevoel voor humor en dat verzacht haar serieusheid.’ En, voegen ze eraan toe: ‘We vinden het ook belangrijk om een warm verhaal te tekenen over het gezin waarin ze is opgegroeid.’
De keus voor Osaka paste helemaal bij Nakayoshi,’ zegt Izumi Zushi, de uitgever van het blad. ‘Onafhankelijke heldinnen en coole meiden zijn bij onze lezers heel populair.’
In de strip speelt het personage van Osaka ‘ruimtetennis’ en ‘reist ze met haar ouders en zus door het heelal om steeds nieuwe uitdagingen aan te gaan en ieders dromen en verwachtingen te beschermen tegen de ‘Duisternis’, zegt Zushi.
In het Westen denken veel mensen dat otaku, de nerdcultuur, voornamelijk voor mannen is
Nakayoshi is een van de vele publicaties die zich op vrouwelijke lezers richten en de Kamikita-tweeling maakt deel uit van een grote groep vrouwelijke stripmakers. In het Westen denken veel mensen dat otaku, de nerdcultuur, voornamelijk iets voor mannen is, maar een aanzienlijk deel van die community bestaat uit vrouwen, zowel makers als consumenten. Volgens de Japanse uitgeversorganisatie waren er in 2019 zeker drieëntwintig tijdschriften in de mangacategorieën shojo (gericht op tienermeisjes) en josei (gericht op oudere lezeressen), met een totale maandelijkse oplage van meer dan 1,5 miljoen exemplaren.
Behalve de manga over tennisster Osaka wijzen ook andere recente ontwikkelingen in deze bedrijfstak op een nieuwe gevoeligheid voor etnische verschillen. ‘Ik vind echt dat de manier waarop zwarte mensen worden neergezet een heel stuk verbeterd is,’ zegt liefhebber Cheffin. ‘We krijgen nu coole personages zoals Ogun uit Fire Force. Over het algemeen doet deze nieuwe generatie het geweldig. Maar ik zou wel graag meer zwarte personages willen zien, op grotere schaal en niet alleen maar af en toe eentje.’
En McNeil zegt: ‘Hoe sterker kunstenaars zich ervan bewust worden dat manga mensen over de hele wereld bereikt, hoe beter ze zullen leren verhalen en personages te creëren die rekening houden met de verschillende gevoeligheden van hun groeiende publiek.’
De Amerikaanse classicus Dan-el Padilla Peralta is niet de eerste, maar momenteel wellicht wel de meest uitgesproken criticaster van het nog steeds zeer breed gedragen idee dat de klassieke wereld van de Grieken en Romeinen een ‘zuivere’, witte wereld was, die het fundament legde voor onze ‘superieure’, witte westerse civilisatie. Dit idee, dat in extreemrechtse kringen gretig wordt omhelsd, is aan grondige revisie toe, vindt Peralta. Wat hem betreft gaat de studie van de Klassieken volledig op de schop.
De 36-jarige Dan-el Padilla Peralta, een immigrant afkomstig uit de Dominicaanse Republiek, is als zwarte man een witte raaf in de doorgaans roomwitte wereld van de klassieke wetenschap. Maar hij is niet zomaar een verdwaalde in het academische klassieke bolwerk: hij is professor aan de prestigieuze universiteit van Princeton en een autoriteit op het gebied van de Romeinse geschiedenis. Rachel Poser, plaatsvervangend hoofdredacteur van Harper’s Magazine, die vaak schrijft over de relatie tussen verleden en heden, schreef zijn verhaal op als longread voor The New York Times.
Extreemrechts
Lang bewierookt als de studie naar de grondslagen van de westerse beschaving, aldus Poser, probeert de klassieke wetenschap momenteel zijn ‘elitaire’ reputatie van zich af te schudden, evenals de notie dat het een domein is van voornamelijk witte mannen. ‘Die poging kreeg onlangs nieuwe urgentie, want de Klassieken worden omarmd door aanhangers van extreemrechts, die de oude Grieken en Romeinen beschouwen als de grondleggers van de zogenaamde witte cultuur. Relschoppers in Charlottesville, Virginia, droegen vlaggen met het symbool van de Romeinse staat; online reactionairen nemen klassieke namen als pseudoniem; de wit-racistische website Stormfront toont een afbeelding van het Parthenon naast de slogan “Elke maand is een witte-geschiedenismaand.”’
Padilla spreekt sinds een aantal jaren openlijk over de schade die classici hebben aangericht in de twee millennia sinds de oudheid, door de Klassieken als rechtvaardiging te gebruiken voor slavernij, rassenwetenschap, kolonialisme, nazisme en andere twintigste-eeuwse vormen van fascisme. De wetenschap van de Klassieken was een discipline waaromheen de moderne westerse universiteit groeide, en Padilla gelooft dat daarmee racisme is gezaaid in het hoger onderwijs.
Mythen over de Oudheid
In de afgelopen jaren hebben gelijkgestemde classici zich verenigd om schadelijke mythen over de Oudheid aan te pakken, schrijft Poser. ‘Op sociale media, in tijdschriftartikelen en blogposts leggen ze uit dat, in tegenstelling tot rechtse propaganda, de Grieken en Romeinen zichzelf niet als ‘wit’ beschouwden, en dat hun marmeren sculpturen, waarvan de bleke huid sinds de achttiende eeuw is gefetisjeerd, in de oudheid vaak beschilderd waren. Ze wijzen erop dat in Athene, bejubeld als de geboorteplaats van de democratie in de vijfde eeuw voor Christus, deelname aan de politiek was beperkt tot mannelijke burgers; dat duizenden slaven werkten en stierven in zilvermijnen ten zuiden van de stad, en dat de regels dicteerden dat vrouwen uit de hogere klasse het huis niet mochten verlaten tenzij ze gesluierd waren en vergezeld werden door een mannelijk familielid. Ze hebben aangetoond dat het concept van de westerse beschaving een eufemisme werd voor ‘witte beschaving’ in de geschriften van mannen als Lothrop Stoddard, eugeneticus en lid van de Ku Klux Klan. Sommige classici zijn tot het inzicht gekomen dat hun vakgebied deel uitmaakt van het schavot van witte suprematie, maar ze beginnen daarin ook kansen te zien.’ Omdat de Klassieken een rol speelden bij de constructie van de witte mythe, kan de discipline misschien ook een rol spelen bij de ontmanteling ervan.
Witte suprematie
Volgens Poser is Padilla ‘compromisloos’ in zijn visie op de medeplichtigheid van classici aan systemisch onrecht, ‘zelfs volgens de normen van sommige van zijn bondgenoten. Hij betitelt het vakgebied als ‘gelijke delen vampier en kannibaal’, als een gevaarlijke kracht die is gebruikt om te moorden, tot slaaf te maken en te onderwerpen. ‘Hij zegt niet zeker te weten of het vakgebied een toekomst verdient,’ aldus Denis Feeney, een Latinist aan Princeton. Padilla gelooft dat de Klassieke wetenschap zo verweven is met witte suprematie dat ze er onafscheidelijk van is.
Tijdens een congres in 2019 was Padilla panellid van het onderdeel ‘De toekomst van de Klassieken’. Tijdens het vragenrondje na Padilla’s toespraak, betoogde Mary Frances Williams, een classica uit Californië: ‘We moeten opkomen voor ons vakgebied.’ Volgens haar is het absoluut noodzakelijk om te staan voor de Klassieken als de politieke, literaire en filosofische basis van de Europese en Amerikaanse cultuur: ‘Het is westerse beschaving. Het doet ertoe omdat het over het Westen gaat.’ De Klassieken hebben ons immers de begrippen vrijheid, gelijkheid en democratie gegeven, aldus Williams.
Padilla had een dergelijke reactie verwacht en antwoordde: ‘Dit is wat ik te zeggen heb over de visie op de Klassieken die je schetst. Ik wil er niets mee te maken hebben. Ik hoop dat het veld dat je hebt geschetst sterft, en dat dat zo snel mogelijk gebeurt.’ Die opmerking kwam niet zomaar uit de lucht vallen.
Athene van de Nieuwe Wereld
In zijn vroege jeugd noemden Padilla’s ouders Santo Domingo, de hoofdstad van de Dominicaanse Republiek, trots het ‘Athene van de Nieuwe Wereld’, een cultureel en educatief centrum. Dat idee werd gevoed door Rafael Trujillo, de dictator die het land regeerde van 1930 tot hij werd vermoord in 1961. Net als andere twintigste-eeuwse fascisten zag Trujillo zichzelf en zijn volk als erfgenamen van een grootse Europese traditie die zijn oorsprong vond in Griekenland en Rome. In een toespraak uit 1932 prees hij het oude Griekenland als de ‘meesteres van schoonheid, eeuwig weergegeven in de onberispelijke witheid van haar marmer’. Trujillo’s verering van witheid stond centraal in zijn boodschap. Door een beroep te doen op de klassieke erfenis, kon hij de inwoners van buurland Haïti wegzetten als inferieur, want hun huidskleur was donkerder. Dit leidde in 1937 tot een moorddadig hoogtepunt met het Parsley-bloedbad, ofwel El Corte (‘het snijden’) in het Spaans, waarbij Dominicaanse troepen volgens sommige schattingen zeker dertigduizend Haïtianen en zwarte Dominicanen vermoordden.
Padilla’s familie sprak niet veel over hun leven onder de dictatuur. Ze leefden in wat Padilla beschrijft als ‘verlammende armoede’, maar genoten door hun lichtere huidskleur een zekere mate van privilege in de Dominicaanse samenleving. Ze woonden generaties lang in Pimentel, een stad in de buurt van het bergachtige noordoosten waar tot slaaf gemaakte Afrikanen in de zestiende en zeventiende eeuw marrongemeenschappen hadden gesticht.
Net als hun tegenhangers in de Verenigde Staten gaven slavenhouders in de Dominicaanse Republiek hun slaven soms klassieke namen als bewijs van hun ‘beschavingsideaal’. Daarom is de verstrengeling van de Klassieken met het slavernijverleden vandaag de dag nog steeds terug te vinden in de namen van veel Dominicanen. ‘Waarom zijn er Dominicanen die Themístocles heten?’ vroeg Padilla zich af als kind. ‘Waarom is Aristides de tweede naam van honkballer Manny Ramirez?’ De tweede naam van dictator Trujillo was Leónidas, naar de Spartaanse koning die met driehonderd van zijn soldaten martelaar werd in Thermopylae. Leónidas is inmiddels een icoon van extreemrechts geworden.
Immigranten
Toen Padilla vier was, vloog het gezin naar New York omdat zijn moeder medische zorg nodig had vanwege zwangerschapscomplicaties. Maar nadat zijn broer, Yando, was geboren, besloot het gezin te blijven. Ze verhuisden naar de Bronx en hoopten stilletjes hun immigratiestatus te kunnen normaliseren, hetgeen hen al hun spaargeld kostte. Zonder papieren was het moeilijk om vast werk te vinden. Zijn vader ging terug naar de Dominicaanse Republiek en de rest van het gezin belandde in een daklozenopvang.
In zijn memoires Undocumented uit 2015 omschreef Padilla de opvang als uiterst goor. Een plek van rust was voor hem de kleine bibliotheek. Sinds hun vertrek uit de Dominicaanse Republiek was hij nieuwsgierig geworden naar de Dominicaanse geschiedenis, maar hij kon in de bibliotheek geen boeken vinden over het Caribisch gebied. Wat hij wel vond, was een boekje met de titel Hoe mensen leefden in het oude Griekenland en Rome.
‘De westerse beschaving is ontstaan uit de vereniging van vroege Griekse wijsheid en het sterk georganiseerde juridische denken van het vroege Rome’, zo begon het boek. ‘Het Griekse geloof in iemands vermogen om zijn verstand te gebruiken, in combinatie met het Romeinse geloof in militaire kracht, leidde tot een resultaat dat tot ons is gekomen als erfenis, als een geschenk uit het verleden.’ Dertig jaar later kan Padilla die openingszinnen nog steeds opdreunen. Hij nam het leerboek mee naar de kamer die hij deelde met zijn moeder en broer en bracht het nooit meer terug naar de bibliotheek.
De familie verhuisde naar een opvangcentrum in Bushwick. In 1994 trof Jeff Cowen, een fotograaf die daar kunstlessen gaf, de negenjarige Padilla aan, weggedoken in een hoekje met een biografie over Napoleon. ‘Terwijl de kinderen na de lunch rondrenden als gekken, zat in de hoek een jongen met dat enorme boek,’ aldus Cowen. ‘Hij stond op en schudde mijn hand als een kleine heer, sprekend alsof hij een soort Ivy League-professor was.’ Cowen was verbouwereerd. ‘Binnen vijf minuten was het duidelijk dat deze jongen de beste opleiding verdiende die hij kon krijgen. Het voelde als een verantwoordelijkheid.’
Princeton
Cowen werd mentor van Padilla en later ook zijn peetvader. Hij bracht boeken en puzzels mee, ging rolschaatsen in Central Park met Padilla en Yando en hielp Padilla uiteindelijk met de aanmelding voor Collegiate, een New Yorkse particuliere school voor de elite. Padilla werd toegelaten met een volledige beurs en raakte er bevangen door de emotionele kracht van klassieke teksten in het Latijn en Grieks, door de Griekse filosofie, en door de vurigheid en actie van het epos.
Daarna werd hij met een volledige studiebeurs aangenomen op Princeton, waar hij vaak de enige zwarte was tijdens cursussen Latijn en Grieks. ‘In de tijd dat ik me als student verloor in de Klassieken, was eenzaamheid het moeilijkste’, aldus Padilla. Toen het tijd werd om een hoofdvak te kiezen, kwam het krachtigste verzet tegen zijn keuze van zijn goede vrienden, van wie velen ook immigranten waren, of kinderen van immigranten. Ze stelden Padilla vragen die hij niet kon beantwoorden. Waarom dit wittengedoe? Hoe helpt dit ons?
Padilla meende dat hij bepaalde keuzes niet moesten schuwen enkel omdat de buitenwereld vond dat ze niet voor zwarte en bruine mensen waren. Maar hij merkte dat hij niet helemaal tevreden was met zijn eigen argumenten. De vraag over het nut van de Klassieken was niet triviaal. Zou hij een opleiding Latijn en Grieks kunnen doen en er iets bevrijdends van kunnen maken? ‘Die urgente vraag vergezelde me door het begin van mijn studie en daarna’, zo zegt Padilla.
Padilla studeerde in 2006 als een van de besten af aan Princeton en behaalde daarna een masterdiploma aan Oxford en een doctoraat aan Stanford. In die tijd probeerden steeds meer wetenschappers niet alleen de elite te begrijpen die de Griekse en Latijnse literatuur hadden geschreven, maar ook de mensen uit de oudheid zonder stem: vrouwen, de lagere klassen, slaven en immigranten. Leergangen over gender en ras in de oudheid werden gemeengoed en bleken populair, maar het was nog onduidelijk of ze blijvend hun stempel zouden drukken.
‘Ja, we zijn het eens met uw kritiek. Maar laten we nu maar weer precies gaan doen wat we altijd hebben gedaan’
Classicus Ian Morris, adviseur van Padilla aan Stanford, zegt daarover: ‘Er zijn classici die zeggen: “Ja, we zijn het eens met uw kritiek. Maar laten we nu maar weer precies gaan doen wat we altijd hebben gedaan.” Er zijn ook tal van classici die weigeren om de rol van hun vakgebied in het ‘witwassen’ van de oudheid te erkennen. ‘Classici zien zichzelf over het algemeen als liberaal’, aldus Joel Christensen, professor Griekse literatuur aan de Brandeis University. ‘Maar ze kunnen dat alleen volhouden doordat ze meestal niet omgaan met mensen die dat liberalisme en de betekenis ervan bevragen.’
Slavernij
Denkend aan de geschiedenis van zijn eigen familie, raakte Padilla geïnteresseerd in Romeinse slavernij. Decennialang richtte onderzoek zich op het gegeven dat slaven vrij konden worden en dat dat veel vaker voorkwam in Rome dan in andere samenlevingen met slavenhouders. Maar er waren talloze slaven die geen kans maakten, vooral degenen die op het veld of in de mijnen werkten, ver weg van de machtscentra.
‘Er zijn zoveel getuigenissen van hoe diep vernederend slavernij was,’ vertelt Padilla in het interview met Poser. Slaven in het oude Rome konden worden gemarteld en gekruisigd; gedwongen tot een huwelijk; aan elkaar geketend in werkploegen; gedwongen om met gladiatoren of wilde dieren te vechten; naakt tentoongesteld worden op markten met borden om hun nek die hun leeftijd, karakter en gezondheid aan potentiële kopers vermeldden.
Eigenaren konden hun voorhoofd laten tatoeëren zodat na een vluchtpoging zouden worden herkend. In graven van slaven hebben archeologen metalen kragen gevonden die om de nek van skeletten waren geklonken, zoals een ijzeren ring met een bronzen plaatje, nu in het Museo Nazionale in Rome. Daarop staat de tekst: ‘Ik ben weggelopen. Als je me terugbrengt naar mijn meester Zoninus, ontvang je een gouden munt.’
In 2015 begon Padilla als postdoctoraal onderzoeker bij de Columbia Society of Fellows. Classici vergoelijkten niet langer de slavernij in de oudheid, maar velen betwijfelden wel of de werelden van slaven konden worden gereconstrueerd, omdat ooggetuigenverslagen over slavernij de eeuwen niet hadden overleefd. Dat bevredigde Padilla niet. In 2017 publiceerde hij een artikel in het tijdschrift Classical Antiquity, waarin hij bewijsmateriaal uit de oudheid en van de slaventransporten over de Atlantische Oceaan met elkaar vergelijkt om een meer samenhangend beeld te krijgen van het religieuze leven van de Romeinse slaven.
Donald Trump
Rond de tijd dat Padilla aan dat artikel werkte, maakte Donald Trump tijdens zijn presidentscampagne zijn eerste opmerkingen over Mexicaanse ‘criminelen, drugsdealers, verkrachters’ die de VS binnenkwamen. Padilla, die twintig jaar lang met een onzekere immigratiestatus had geleefd, had net een Green Card aangevraagd. Nu zag hij alt-rechtse figuren zoals Richard Spencer, die fantaseerde over het creëren van een ‘blanke etno-staat op het Noord-Amerikaanse continent’ die ‘een reconstructie van het Romeinse Rijk’ moest worden.
Spencer groeide uit tot nationale bekendheid. Als reactie op het toenemende anti-immigrantengevoel in Europa en de VS, schreef Mary Beard, misschien wel de beroemdste classica ter wereld, in The Wall Street Journal dat de Romeinen ‘verbaasd zouden zijn over onze moderne problemen met migratie en asiel’, omdat hun rijk immers was gebaseerd op ‘principes van incorporatie en van het vrije verkeer van mensen’.
Padilla raakte gefrustreerd door de manier waarop wetenschappers probeerden de trumpiaanse retoriek te bestrijden. Hij schreef een essay voor Eidolon waarin hij duidelijk maakt dat in Rome, net als in de VS, lofzangen op multiculturalisme samengaan met haat tegen buitenlanders. Padilla betoogt ook dat het signaleren van onwaarheden over de oudheid, hoewel belangrijk, niet voldoende is.
‘Ik ben niet geïnteresseerd in sloop omwille van de sloop. Ik wil iets bouwen’
De uitleg dat er nooit een almachtig, leliewit Romeins Rijk heeft bestaan, zal witte nationalisten niet doen stoppen met hun hunkering naar die mythe. Het is niet de taak van classici om ‘de schreeuwers aan te wijzen’, zei hij op een panel van 2017. ‘De positie innemen van leraar, van de gekwalificeerde classicus die dingen weet en op fouten wijst, is niet voldoende.’ Het ontmantelen van machtsstructuren die de klassieke traditie gebruiken als ondersteuning, vereist meer dan alleen het toetsen van feiten; het vereist een geheel nieuw verhaal over de oudheid, en over wie we nu zijn.
Om dat verhaal te vinden, pleit Padilla voor hervormingen die ‘de canon doen exploderen’ en die ‘het vakgebied tot in de details herzien’, inclusief het volledig afschaffen van het label ‘Klassieken’. ‘Sommige studenten en collega’s hebben me verteld dat dit ofwel te deprimerend is, ofwel op een bepaalde manier bedreigend. Mijn enige antwoord is dat ik niet geïnteresseerd ben in sloop omwille van de sloop. Ik wil iets bouwen’, zegt Padilla.
Hij werd doelwit van rechtse woede vanwege de verzengende taal die hij bezigt en, volgens velen, vanwege het lichaam dat hij bewoont. Hij kreeg racistische mails. ‘Wellicht past Afrikaanse Studies beter bij je als je niet kunt leven met de realiteit van hoe geavanceerd Europeanen waren’, schreef iemand. De extreemrechtse site Breitbart van Steve Bannon publiceerde een verhaal waarin Padilla wordt beschuldigd van het ‘vermoorden’ van de Klassieken. ‘Als er één leergebied was dat gegarandeerd nooit zou worden gekaapt door de krachten van onwetendheid, politieke correctheid, identiteitspolitiek, sociale rechtvaardigheid en domheid, zou je denken dat het de Klassieken waren’, aldus de site. Maar nee hoor: ‘Welkom, barbaren! De poorten van Rome staan wagenwijd open!’
De Verlichting
Hoe de Oudheid centraal kwam te staan in het Amerikaanse intellectuele leven, is een verhaal dat niet in de oudheid begint, en ook niet in de Renaissance, maar tijdens de Verlichting. De Klassieken zoals we die nu kennen, zijn een creatie van de achttiende en negentiende eeuw. In die periode, toen de Europese universiteiten zich bevrijdden van de controle van de kerk, bood de studie van Griekenland en Rome het continent een nieuw, seculier wordingsverhaal. Griekse en Latijnse geschriften tastten het morele gezag van de Bijbel aan en dat gaf ze een bevrijdende kracht. Denkers als Diderot en Hume ontleenden ideeën over vrijheid aan klassieke teksten, waarin ze verklaringen over politieke en persoonlijke vrijheden vonden.
Een van de meest invloedrijke teksten werd de rede van Perikles bij de graven van de Atheense oorlogsslachtoffers in 431 v.Chr., opgetekend door Thucydides. Daarin prijst de staatsman zijn ‘glorieuze’ stad voor het garanderen van ‘gelijke gerechtigheid voor iedereen’. ‘Onze regering bootst onze buren niet na’, aldus Perikles, ‘maar fungeert juist als een voorbeeld voor hen. Het is juist dat we een democratie worden genoemd, want het bestuur is in handen van velen en niet van enkelen.’
De bewondering voor de Oudheid nam grillige, manische vormen aan. Mannen kleedden zich in Romeinse toga’s om in het openbaar te spreken, ondertekenden hun brieven met de namen van beroemde Romeinen en vulden handleidingen, preken en schoolboeken met lessen van de Klassieken. Johann Joachim Winckelmann, een Duitse antiquair uit de achttiende eeuw, verzekerde zijn landgenoten dat ‘de enige manier waarop we groot kunnen worden, of zelfs onnavolgbaar indien mogelijk, is door de Grieken te imiteren.’
Winckelmann, die wel de ‘vader van de kunstgeschiedenis’ wordt genoemd, vond dat de Griekse marmeren beeldhouwkunst het toppunt van menselijk kunnen was, onovertroffen door enige andere samenleving, oud of modern. Hij schreef dat de ‘nobele eenvoud en stille grootsheid’ van de Atheense kunst de ‘vrijheid’ weerspiegelde van de cultuur die haar voortbracht. Die verstrengeling van artistieke en morele waarden zou Over de esthetiek van Hegel beïnvloeden en zou ook terugkeren in de poëzie van de romantici. Zo schreef Keats in ‘Ode aan een Griekse vaas’: ‘Schoonheid is waarheid, waarheid schoon, dit is al wat gij op aarde weet, en hoeft te weten.’
Hiërarchie
Historici benadrukken dat dergelijke ideeën niet los kunnen worden gezien van de vertogen over nationalisme, colorisme en vooruitgang, die vorm kregen tijdens de koloniale periode, toen Europeanen in contact kwamen met andere volkeren en hun tradities. ‘Hoe witter het lichaam, hoe mooier het is’, schreef Winckelmann. Terwijl Renaissance-geleerden gefascineerd waren door de veelheid aan culturen in de antieke wereld, creëerden Verlichtingsdenkers juist een hiërarchie, met bovenaan Griekenland en Rome, gecodeerd als wit en de rest daaronder.
‘Die uitsluiting was de kern van de Klassieken als project’, volgens Paul Kosmin, Harvard-professor in oude geschiedenis. De overtuiging van Aristoteles dat sommige mensen ‘van nature’ slaven waren, werd gretig omarmd in het Amerikaanse Zuiden van vóór de Burgeroorlog, om het houden van slaven te verdedigen tegenover de kritiek van de voorstanders van afschaffing.
De Klassieken zien zoals Padilla ze ziet, betekent dat die spiegel gebroken moet worden. Het betekent dat we de klassieke erfenis moeten afwijzen als een van de schadelijkste verhalen die we onszelf hebben verteld. Voor Padilla verdient de wetenschap van de Klassieken het alleen om te overleven als ze ‘een plek van polemiek’ kan worden voor de gemeenschappen die er in het verleden door zijn gekleineerd. Mocht dat niet lukken dan zijn Padilla en anderen bereid om het vakgebied op te geven.
Instituten als Howard en Emory hebben de Klassieken nu geïntegreerd in Oude Mediterrane wetenschap, waarbij wordt gekeken naar Egypte, Anatolië, de Levant en Noord-Afrika
’Ik zou het helemaal opdoeken’, stelt Walter Scheidel, een andere voormalige adviseur van Padilla aan Stanford. ‘Ik denk niet dat het als academisch vakgebied zou moeten bestaan.’ Een mogelijke manier zou zijn de faculteiten op te heffen en onderdelen toe te wijzen aan afdelingen geschiedenis, archeologie en taal.
Maar veel classicisten pleiten voor zachtere benaderingen om het vakgebied te hervormen, door vooral grenzen te verleggen. Instituten als Howard en Emory hebben de Klassieken nu geïntegreerd in Oude Mediterrane wetenschap, waarbij wordt gekeken naar Egypte, Anatolië, de Levant en Noord-Afrika. Het idee is het hiërarchische denken van de Verlichting te verlaten en terug te gaan naar het Renaissancemodel van de oude wereld als een plaats van diversiteit en vermenging. ‘Er is een interessanter verhaal te vertellen over de geschiedenis van wat wij het Westen noemen, zonder specifieke culturen erin te bejubelen’, meent Josephine Quinn, hoogleraar Oude Geschiedenis aan Oxford. ‘Het lijkt mij dat de cruciale aanjager in de geschiedenis altijd de relatie tussen mensen, tussen culturen is.’ Classicus Ian Morris stelt het wat botter. ‘De Klassieken is een Euro-Amerikaanse stichtingsmythe. Willen we die echt?’
Molon labe
Op 6 januari zette Padilla de televisie aan, enkele minuten nadat de ramen van het Capitool waren ingeslagen. In de menigte zag hij een man met een Griekse helm met daarop TRUMP 2020 in wit geschilderd. Hij zag een man in een T-shirt met daarop een steenarend op een fasces, symbolen van de Romeinse wet en bestuur, onder het logo 6MWE, ofwel ‘Six Million Wasn’t Enough’, een verwijzing naar het aantal vermoorde Joden in de Holocaust. Hij zag vlaggen met daarop de zin geborduurd die Leónidas zou hebben uitgesproken toen de Perzische koning hem beval zijn wapens neer te leggen: ‘Molon labe’, klassiek Grieks voor ‘Kom ze maar halen’. Het is de slogan geworden van Amerikaanse wapenrechtenactivisten. Afgevaardigde Marjorie Taylor Greene, een net gekozen Republikein uit Georgia die berichten om democraten te vermoorden ondersteunde op sociale media, droeg een week na de bestorming van het Capitool een masker met diezelfde zin erop, toen ze tegen impeachment van Trump stemde in het Huis van Afgevaardigden.
Padilla vermoedt dat hij op een dag afscheid zal moeten nemen van de Klassieken en de academische wereld om harder te kunnen vechten voor de veranderingen die hij in de wereld wil zien. Hij heeft zelfs overwogen de politiek in te gaan.
‘Als kind had ik nooit gedacht dat de positie die ik nu bekleed haalbaar was,’ zegt hij. ‘Maar het gegeven dat dit een klein wonder is, doet niets af aan mijn diepere overtuiging dat dit ook tijdelijk is.’
‘Dan-el Padilla heeft veel mensen geprikkeld’, meent Rebecca Futo Kennedy, professor Klassieke Studies aan de Denison University. Joel Christensen, de professor Griekse literatuur aan Brandeis University, vindt het zijn ‘morele, ethische en intellectuele verantwoordelijkheid’ om de Klassieken te onderwijzen op een manier die de racistische geschiedenis blootlegt. ‘Anders doen we gewoon mee aan propaganda.’ Hij begrijpt de angst van veel classici om het verhaal van hun levenswerk te moeten herschrijven. Maar, zegt hij, ‘die toekomst komt er, met of zonder Dan-el’.
Naschrift
Padilla en de classici die hem steunen liggen al langer onder vuur. Niet alleen van extreemrechts maar ook van het meer behoudende deel van de classici. Ook op dit artikel volgde weldra kritiek. Slechts drie dagen na de publicatie in The New York Times, reageerde blogger Andrew Sullivan op The Weekly Dish met een artikel onder de kop ‘De Ondraaglijke witheid van de Klassieken’. De ondertitel is veelzeggend: ‘De woke beweren dat de studie van het oude Griekenland en Rome weggegooid moet worden’.
De Nigeriaans-Amerikaanse schrijver Teju Cole bezoekt hetzelfde Zwitserse bergdorp als James Baldwin in de jaren vijftig. In Baldwins tijd hadden de dorpelingen nog nooit een zwarte man gezien, en riepen kinderen ‘neger’ naar hem. Dat is nu gelukkig anders, constateert Cole. Maar is er in hun beider thuisland ook zo veel veranderd?
Dit artikel verscheen eerder op 9 september 2016 in 360 Magazine #105.
Toen reed de bus de wolken binnen, en tussen de ene wolk en de volgende vingen we glimpen op van de stad beneden. Het was etenstijd en de stad was een verzameling gele puntjes. We kwamen dertig minuten na ons vertrek uit die stad, die Leuk heette, aan. De trein naar Leuk was aangekomen uit Visp, de trein uit Visp was gearriveerd uit Bern, en de trein dáárvoor kwam uit Zürich, waar ik ’s middags was vertrokken. Drie treinen, een bus en een korte wandeling, allemaal door een prachtig landschap, en daarna bereikten we Leukerbad in de duisternis.
Leukerbad, niet ver in termen van absolute afstand, was dus niet zo makkelijk te bereiken. 2 augustus 2014: het was de verjaardag van James Baldwin. Als hij nog in leven zou zijn, zou hij negentig zijn geworden. Hij is een van die mensen die op het punt staan uit de hedendaagse tijd te verdwijnen naar de historische – John Coltrane zou dit jaar 88 zijn geworden, en Martin Luther King Jr. 85; mensen die nog steeds onder ons zouden kunnen zijn, maar die soms heel ver weg voelen, alsof ze eeuwen geleden hebben geleefd.
Grappig en treurig
James Baldwin verliet in 1951 voor het eerst Parijs om naar Leukerbad te gaan. De familie van zijn vriend Lucien Happersberger had een chalet in een dorp in de bergen. Dus Baldwin, die destijds gedeprimeerd en verstrooid was, ging erheen, en het dorp (dat Loeche-les-Bains heet) bleek een toevluchtsoord voor hem te zijn.
Zijn eerste reis was in de zomer en duurde twee weken. Toen keerde hij, ook tot zijn eigen verrassing, voor nog eens twee winters terug. Zijn eerste roman, Go Tell It on the Mountain, kreeg hier zijn definitieve vorm. Hij had acht jaar met dat boek geworsteld, en hij kon het eindelijk voltooien op deze onwaarschijnlijke plek. Hij schreef ook nog iets anders, een essay getiteld ‘Stranger in the Village’; het was dit essay, meer nog dan de roman, dat me naar Leukerbad bracht.
‘Stranger in the Village’ werd eerst gepubliceerd in Harper’s Magazine, in 1953, en vervolgens in de essaycollectie Notes of a Native Son, in 1955. Het gaat over de ervaringen van het zwart zijn in een volledig wit dorp. Het begint met het gevoel van een extreme reis, zoals die van Charles Darwin naar de Galápagos-eilanden of die van Tété-Michel Kpomassie naar Groenland.
Hij is boos en profetisch, schrijvend met een harde helderheid en voortgedragen door een duizelingwekkende eloquentie
Maar dan geeft het ruimte aan andere zorgen en aan een andere stem, om te kijken naar de Amerikaanse rassensituatie in de jaren vijftig. Het deel van het essay dat over het Zwitserse dorp gaat is zowel grappig als treurig. Baldwin is gevoelig voor de absurditeit van een schrijver uit New York die op een bepaalde manier inferieur wordt gevonden door de Zwitserse dorpelingen, waarvan velen nooit hebben gereisd. Maar verderop in het essay, als hij schrijft over ras in Amerika, is hij helemaal niet grappig meer. Hij is boos en profetisch, schrijvend met een harde helderheid en voortgedragen door een duizelingwekkende eloquentie.
Ik nam een kamer in Hotel Mercure Bristol, de nacht dat ik aankwam. Ik opende het raam en zag slechts duisternis, maar ik wist dat in de duisternis de Daubenhorn-berg school. Ik nam een heet bad en lag tot aan mijn nek in het water met mijn oude paperbackeditie van Notes of a Native Son. Het blikachtige geluid uit mijn laptop was Bessie Smith die I’m Wild about That Thing zong, een smerig bluesnummer en een meesterwerk van plausibele ontkenning: ‘Don’t hold it baby when I cry / Give me every bit of it, else I’d die / I’m wild about that thing’. Ze zou over een trombone kunnen zingen.
En het was daar in dat bad, met zijn woorden en haar stem, dat ik mijn ‘bodydoublemoment’ beleefde: hier was ik dan, in Leukerbad, met Bessie Smith zingend door de jaren heen vanuit 1929; ik ben zwart, net als hij; en ik ben slank; en ik heb een spleetje tussen mijn voortanden; en ik ben niet bijzonder lang (nee, eerder kort); en ik ben cool op schrift en geanimeerd in persoon, behalve als het andersom is; en ik was ooit een fervente tienerprediker (Baldwin: ‘Niets dat mij sindsdien is overkomen kan tippen aan de macht en de roem die ik soms heb gevoeld als ik, midden in een preek, wist dat ik op een bepaalde manier, door een of ander wonder, werkelijk “het Woord” – zoals ze dat noemen – droeg: dat de kerk en ik één waren’); en ook ik heb de kerk vaarwel gezegd; en ik noem New York ‘thuis’ terwijl ik daar niet eens woon; en ik voel mij overal, van New York City tot op het platteland van Zwitserland, de hoeder van een zwart lichaam, en moet de taal zien te vinden voor wat dat allemaal voor mij betekent, en voor de mensen die naar mij kijken. De voorouder had kortstondig bezit genomen van de afstammeling. Het was een moment van identificatie, en in de dagen die volgden was dat moment een gids.
Geen bezienswaardigheid
‘Al het beschikbare bewijsmateriaal wees erop dat geen enkele zwarte man ooit in dit kleine Zwitserse dorp was geweest voordat ik kwam’, schreef Baldwin. Maar het dorp is sinds zijn bezoeken, ruim zestig jaar geleden, aanzienlijk gegroeid. Nu hebben ze wél eerder een zwarte man gezien; ik was geen bezienswaardigheid.
Er werd wel wat gegluurd in het hotel toen ik incheckte, en in het goede restaurant verderop langs de weg, maar er wordt altijd wel gegluurd. Er wordt gegluurd in Zürich, waar ik de zomer doorbreng, en er wordt gegluurd in New York City, waar ik al veertien jaar woon. Er wordt in heel Europa en India gegluurd, en overal waar ik heen ga, behalve in Afrika. De proef op de som is hoe lang dat gegluur duurt, en of het gestaar wordt, met welke bedoeling het gebeurt, of er ook maar enige mate van vijandigheid of spot in schuilt, en in welke mate connecties, geld of kleding mij in deze situaties kunnen beschermen. Als je een vreemdeling bent wordt er naar je gekeken, maar als je zwart bent wordt er in het bijzonder naar je gekeken. (‘De kinderen roepen Neger! Neger! als ik over straat loop.’)
Leukerbad is veranderd, maar op welke manier? Er waren helemaal geen groepen kinderen meer op straat, er waren überhaupt weinig kinderen te bekennen. Vermoedelijk zaten de kinderen van Leukerbad binnen, net als kinderen in de hele wereld, gebogen over hun computerspelletjes, Facebook checkend of muziekvideo’s kijkend. Misschien waren sommige oudere mensen die ik op straat tegenkwam de vroegere kinderen die ooit zo verbaasd waren geweest bij het zien van Baldwin, en over wie, in het essay, hij moeite heeft redelijk te blijven: ‘In dit alles, ook al moet ik toegeven dat er sprake was van de charme van echte verbazing en er zeker geen element van doelbewuste onvriendelijkheid in school, klonk op geen enkele wijze de suggestie door dat ik menselijk was: ik was eenvoudigweg een levend wonder.’
‘Mensen zitten gevangen in de geschiedenis, en de geschiedenis zit gevangen in hen’, schreef Baldwin
Maar nu zijn de kinderen of kleinkinderen van deze vroegere kinderen op een of andere manier verbonden. Misschien maken xenofobie of racisme nog steeds deel uit van hun levens, maar dat geldt ook voor Beyoncé, Drake en Meek Mill, de muziek die ik iedere vrijdagnacht uit de Zwitserse clubs hoor komen. Baldwin moest in de jaren vijftig zijn eigen platen meebrengen, als een geheime voorraad geneesmiddelen, en hij moest zijn platenspeler omhoog zeulen naar Leukerbad, zodat het geluid van de Amerikaanse blues hem verbonden kon houden met een Harlem van de geest. Ik luisterde naar wat van dezelfde muziek terwijl ik daar was, als een manier om met hem samen te zijn: Bessie Smith die I Need a Little Sugar in My Bowl zingt (‘I need a little hot dog on my roll’), Fats Waller die Your Feet’s Too Big zingt. Ik luisterde ook naar mijn eigen playlist: Bettye Swann, Billie Holiday, Jean Wells, Coltrane Plays the Blues, The Physics, Childish Gambino. De muziek waarmee je reist helpt je je eigen innerlijk weer te scheppen. Maar de wereld doet ook mee: toen ik op een middag ging zitten lunchen bij het Römerhof-restaurant – die dag waren alle klanten en personeelsleden wit – was de muziek die ik op de achtergrond hoorde Whitney Houstons I Wanna Dance with Somebody. De geschiedenis is nu en zwart Amerika.
Tijdens het diner in een pizzeria werd er gegluurd. Een tafel met Britse toeristen staarde me aan. Maar de serveerster was deels zwart, en in het hotel was een van de personeelsleden van de fitnessruimte een oudere zwarte man. ‘Mensen zitten gevangen in de geschiedenis, en de geschiedenis zit gevangen in hen’, schreef Baldwin. Maar het is ook waar dat de kleine deeltjes geschiedenis zich met een enorme vaart rond bewegen en zich met een niet altijd even heldere logica vastzetten, en zelden voor langere tijd. En wellicht interessanter dan dat ik niet de enige zwarte in het dorp was is het feit dat veel van de andere mensen die ik zag ook buitenlanders waren. Dit was de grootste verandering van allemaal.
Terwijl het dorp destijds een vrome en bedaagde indruk maakte, en de sfeer van een klein Lourdes uitstraalde, is het nu veel drukker en volgepakt met bezoekers uit andere delen van Zwitserland, Duitsland, Frankrijk, Italië en de rest van Europa, en zelfs uit Azië en Noord- en Zuid-Amerika. Het is het populairste kuuroord in de Alpen geworden. De gemeentelijke heilbaden waren vol. Er zijn hotels in alle prijsklassen aan iedere straat, en er zijn restaurants en luxe winkels. Als je op veertienhonderd meter boven zeeniveau een oogverblindend duur horloge wil kopen, kan dat nu. De betere hotels hebben hun eigen warme baden. In Hotel Mercure Bristol nam ik de lift naar de fitnessruimte om in de droge sauna te gaan zitten. Een paar minuten later gleed ik in het zwembad en dreef ik naar buiten in het warme water. Er waren ook anderen, maar niet veel. Het regende licht. We werden omringd door bergen en omhuld door een onsterfelijk blauw.
Genetische verwantschap
In haar briljante Harlem Is Nowhere schrijft Sharifa Rhodes-Pitts: ‘In vrijwel ieder essay dat James Baldwin over Harlem heeft geschreven is er een moment dat hij een literair kunstje uithaalt dat zo bijzonder is dat – als hij een atleet zou zijn geweest – de sportzenders een aparte naam voor de manoeuvre zouden hebben bedacht. Ik denk er in cinematografische termen over, omdat het effect me doet denken aan een techniek waarbij cameramensen na te zijn begonnen met een close-up snel uitzoomen, terwijl de lens gericht blijft op een punt in de verte.’
Deze beweging, deze plotselinge verandering van perspectief, is zelfs aanwezig in zijn essays die niet over Harlem gaan. In ‘Stranger in the Village’ staat een passage van ongeveer zeven pagina’s waarin je het gevoel hebt dat de retoriek aanzwelt als Baldwin zich opmaakt om de kalme, verhalende atmosfeer van de openingssectie achter zich te laten. Over de dorpelingen schrijft hij: ‘Vanuit het gezichtspunt van de macht kunnen deze mensen nergens ter wereld vreemdelingen zijn; feitelijk hebben zij de moderne wereld gemaakt, ook al weten ze dat niet. De meest ongeletterde onder hen is op een manier waarop ik dat niet ben verbonden met Dante, Shakespeare, Michelangelo, Aeschylus, Da Vinci, Rembrandt en Racine; de kathedraal van Chartres zegt hun iets wat mij niets zegt, zoals ook het Empire State Building dat zou doen, als iemand van hier dat ooit zou zien.
Uit hun hymnen en dansen komen Beethoven en Bach te voorschijn. Als je een paar eeuwen teruggaat, zijn ze in hun volle glorie, terwijl ik in Afrika ben en de veroveraars zie aankomen.’
Waar gaat deze lijst over? Maakt het Baldwin werkelijk iets uit dat de mensen van Leukerbad, via een of andere vage bekendheid, verbonden zijn met Chartres? Dat een of andere verre genetische verwantschap ze in verband brengt met de vioolkwartetten van Beethoven? Want, zoals hij later in het essay betoogt, niemand kan de impact ontkennen die ‘de aanwezigheid van de Neger heeft gehad op het Amerikaanse karakter’. Hij doorziet de waarheid en de kunst in het werk van Bessie Smith. Hij slaat de blues niet lager aan dan Bach en kan dat – zo wil ik graag geloven – ook niet. Maar er school een zekere bekrompenheid in de geaccepteerde ideeën over de zwarte cultuur in de jaren vijftig.
Sterren
Sindsdien zijn er genoeg zwarte culturele prestaties geleverd om een volledig uit sterren bestaand team te kunnen samenstellen: Coltrane en Monk en Miles, Ella en Billie en Aretha; Toni Morrison, Wole Soyinka en Derek Walcott zijn langsgekomen, evenals Audre Lorde, Chinua Achebe en Bob Marley. En het lichaam werd niet verloochend ten gunste van de geest: ook Alvin Ailey, Arthur Ashe en Michael Jordan hebben van zich doen spreken. De bronnen van jazz en blues hebben de wereld ook hiphop, Afrobeat, dancehall en house gebracht. En ja, toen James Baldwin in 1987 overleed werd hij ook als een van de sterren erkend.
Verder denkend over de kathedraal van Chartres, over de grootsheid van die prestatie en over de manier waarop zwarten in zijn ogen in dat verhaal erover louter negatief, als duivels, voorkwamen, schrijft Baldwin dat ‘de Amerikaanse Neger zijn identiteit heeft gekregen dankzij de absoluutheid van zijn vervreemding van zijn verleden’. Maar dat verre Afrikaanse verleden is ook veel tastbaarder geworden dan het in 1953 was. Het zou niet in mij opkomen om me in te beelden dat ik eeuwen geleden ‘in Afrika de komst van de veroveraars zou gadeslaan’. Maar ik vermoed dat dit voor Baldwin, althans ten dele, een retorische zet is, een meedogenloze cadens om een paragraaf mee te eindigen.
In A Question of Identity (nog een essay dat is opgenomen in Notes of a Native Son) schrijft hij: ‘De waarheid over dat verleden is niet dat het te kort is, of te oppervlakkig, maar louter dat we, nadat we ons gezicht er zo resoluut van hebben afgewend, ons nooit hebben afgevraagd wat het ons kan geven.’
Leukerbad, Zwitserland.
De veertiende-eeuwse hofkunstenaars van Ife maakten bronzen beelden met behulp van een ingewikkelde gietmethode die in Europa al sinds de oudheid niet meer gangbaar was en daar pas in de Renaissance weer werd ontdekt. De beelden van Ife staan op gelijke hoogte met de werken van Ghiberti of Donatello. Uit de precisie waarmee zij zijn gemaakt en hun formele weelderigheid kunnen we de contouren van een grote monarchie afleiden, een netwerk van geavanceerde ateliers en een kosmopolitische wereld van handel en kennis.
En dat beperkte zich niet tot Ife. Heel West-Afrika verkeerde in een staat van culturele gisting. Van de egalitaire bestuurscultuur van de Igbo tot het goud van de Ashanti-hoven, de koperen beelden van Benin, de militaire prestaties van het Mandinkarijk en de muzikale virtuozen die deze oorlogshelden prezen, was dit een gebied van de wereld dat te diep geworteld was in de kunst en het leven om domweg te kunnen worden gereduceerd tot de karikatuur van het ‘gadeslaan van de aankomst van de veroveraars’.
We weten nu wel beter. We weten dat met de steun van de wetenschap, maar ook impliciet, zodat zelfs het opstellen van een lijst met verworvenheden enigszins vervelend aanvoelt en vooral behulpzaam is als tegenwicht tegen het eurocentrisme.
Kwestie van afstamming
Er is geen wereld waarin ik de intimiderende schoonheid van de Yoruba-poëzie zou willen inruilen voor bijvoorbeeld de sonnetten van Shakespeare, en ook geen wereld waarin ik de voorkeur zou geven aan de Brandenburgse Concerten boven de kora’s van Mali. Ik ben blij dat ik ze allemaal bezit. Dit zorgeloze vertrouwen is deels te danken aan de tijd. Het is het dividend van een strijd die mensen uit eerdere generaties hebben gevoerd.
Ik voel geen vervreemding in musea. Maar deze kwestie van afstamming was een enorme kwelling voor Baldwin. Hij was gevoelig voor wat belangrijk was in de wereldkunst, en had het gevoel dat hij er buiten stond. Hij maakte een soortgelijke lijst in het titelessay van Notes of a Native Son (je begint het gevoel te krijgen dat hij met dit soort lijsten werd bestookt tijdens discussies):
‘Op een subtiele, werkelijk diepzinnige manier heb ik altijd met een speciale houding naar Shakespeare, Bach, Rembrandt, de kathedraal van Chartres en het Empire State Building gekeken. Dat waren niet echt mijn creaties, zij omvatten niet echt mijn geschiedenis; ik zou er tevergeefs voorgoed op zoek kunnen gaan naar enige weerspiegeling van mijzelf. Ik was een indringer; dit was niet mijn erfenis.’
De regels druipen van de droefheid. Waar hij van houdt retourneert die liefde niet. Dit is het punt waarop Baldwin en ik van mening verschillen. Ik misken zijn specifieke droefheid niet, maar ben het niet eens met de zelfverloochening die eraan ten grondslag ligt. Bach, die zo door en door menselijk is, hoort ook bij míjn voorouders.
Fundamentele emoties
Ik voel me geen indringer als ik naar een portret van Rembrandt kijk. Ik houd er zelfs meer van dan sommige witten, net zoals sommige witten meer geven om bepaalde aspecten van de Afrikaanse kunst dan ik. Ik kan me verzetten tegen de witte superioriteit en nog steeds genieten van gotische architectuur.
Op dit punt ben ik het eens met Ralph Ellison: ‘De waarden van mijn eigen volk zijn noch “wit” noch “zwart”, ze zijn Amerikaans. Ook kan ik niet begrijpen hoe ze überhaupt iets anders zouden kunnen zijn, omdat wij mensen zijn die deel uitmaken van de textuur van de Amerikaanse ervaring.’
En toch blijf ik (ruim een halve eeuw ná Baldwin in de Verenigde Staten ter wereld gekomen) dat wel begrijpen, omdat ik zelf de ongekende woede heb gevoeld die hij voelde over het doordringende, beperkende racisme. In zijn geschriften is sprake van een honger naar het leven, naar het hele leven, en een sterke drang om voor vol te worden aangezien en niet louter als een neger, omdat hij wist dat hij zo veel in zich had. En dat gaat dan niet over zijn ego in verband met zijn schrijverschap of met zijn roem in New York of Parijs. Het gaat over de onbetwistbare fundamentele emoties van een mens: over plezier, verdriet, liefde, humor en rouw, en over de complexiteit van het innerlijke landschap dat deze gevoelens vormgeeft.
Baldwin was stomverbaasd dat mensen waar dan ook ter wereld deze fundamentele emoties ter discussie stelden, zodat hij werd opgezadeld met dat enorme tijdsverlies dat gepaard gaat met racisme, laat staan met de afkeer van zo veel mensen op zo veel uiteenlopende plekken. Dit onophoudelijke vermogen om geschokt te zijn stijgt als stoom op van zijn pagina’s. ‘De woede van de miskenden is op een persoonlijk niveau vruchteloos’, schrijft hij, ‘maar tegelijkertijd absoluut onvermijdelijk.’
Leukerbad reikte Baldwin een manier aan om vanuit de fundamenten over de witte superioriteit na te denken. Het was alsof hij die daar in zijn eenvoudigste vorm aantrof. De mannen die hem aanraadden om te gaan skiën, zodat ze om hem konden lachen, de dorpelingen die hem er achter zijn rug om van betichtten dat hij brandhout stal, degenen die zijn haar wilden aanraken en opperden het te laten groeien, zodat hij er een winterjas van kon maken, en de kinderen die ‘het uit echte angst uitschreeuwden’ als hij dichterbij kwam, omdat ‘ze hadden geleerd dat de duivel een zwarte man was’: Baldwin zag dit alles als het prototype (dat als een coelacant bewaard was gebleven) van de houding die zich tot de grondiger, ingewikkelder, bekendere en obscenere Amerikaanse vorm van witte superioriteit had ontwikkeld die hij al zo goed kende.
Amerikaans racisme
Het is een prachtig dorp. Ik hield van de berglucht. Maar toen ik van de warmwaterbaden was teruggekeerd in mijn kamer, of nadat ik met mijn fototoestel door de straten had gelopen, las ik het nieuws online. Daar trof ik een oneindige serie crises aan: in het Midden-Oosten, in Afrika, in Rusland, waar dan ook. Overal was pijn. Maar binnen in dat leed ontwaarde ik een reeks onderling verbonden verhalen, en het denken over (of met behulp van) ‘Stranger in the Village’ was als het injecteren van een contrastvloeistof in mijn confrontatie met het nieuws.
De Amerikaanse politie bleef maar schieten op ongewapende zwarte mannen, of ze op andere manieren vermoorden. De protesten die daarop volgden, in zwarte gemeenschappen, werden met geweld beantwoord door een politiemacht die veel weg heeft van een binnenvallend leger. De mensen begonnen een verband te zien tussen de verschillende gebeurtenissen: de schietpartijen, de fatale verstikkende houdgreep, de verhalen over wie geen levensreddende medicatie kreeg. En de zwarte gemeenschappen werden overspoeld door woede en verdriet. Te midden van dit alles viel mijn oog op een kleiner, minder belangrijk verhaal, dat niettemin iets te betekenen had.
De burgemeester van New York en zijn hoofdcommissaris van politie hebben een obsessie met schoon vegen, en hebben besloten dat het arresteren van de leden van dansgroepen die optreden in rijdende metro-treinen een van de manieren is om de stad ‘schoon te vegen’. Ik las de redenen waarom dit een prioriteit is geworden: sommige mensen zijn bang ernstig gewond te raken door een verdwaalde trap (dat is nog niet gebeurd, maar ze zijn er beslist bang voor), sommige mensen vinden het hinderlijk, sommige beleidsmakers denken dat achter kleine vergrijpen aangaan een manier is om grotere vergrijpen te voorkomen.
Om de dreiging van de dansers tegen te gaan greep de politie dus in. Ze begonnen de dansers te achtervolgen, lastig te vallen en in de boeien te slaan. Het ‘probleem’, de dansers, bestond voor het grootste deel uit zwarte jongeren. De kranten kozen voor dezelfde toon als de overheid: een hooghartige afwijzing van dit soort optredens. En toch zorgden deze jongeren voor een sprankje licht op een donkere dag, voor een moment van ongereguleerde schoonheid, met artiesten die onvoorstelbare talenten bezaten.
Prachtig dier
Welk soort denken ziet hun verwijdering als een verrijking van het stadsleven? Niemand vindt de kinderen die met Halloween de deuren langsgaan een bedreiging. Er is geen wet tegen mensen die je proberen te strikken voor een of ander goed doel, of tegen de activiteiten van Jehovah’s getuigen. Maar ten aanzien van zwarte lichamen bestaan nog steeds vooroordelen, en als gevolg daarvan worden ze nodeloos op de huid gezeten. Als je zwart bent loop je nog steeds de kans het slachtoffer te worden van selectief machtsmisbruik, zonder enige garantie van persoonlijke veiligheid. In de eerste plaats ben je een zwart lichaam, vóórdat je een joch bent dat gewoon op straat wandelt, of een Harvard-hoogleraar die zich in een slot vergist.
William Hazlitt heeft in een essay uit 1821, getiteld ‘The Indian Jugglers’, woorden geschreven waar ik aan moet denken als ik een grote atleet of danser zie: ‘Mens, jij bent een prachtig dier. Jij bent tot vreemde dingen in staat, maar geeft daar weinig ruchtbaarheid aan! Het denken aan deze buitengewone behendigheid leidt de verbeelding af en maakt de bewondering ademloos.’
Maar in aanwezigheid van het bewonderenswaardige zijn sommigen niet ademloos van bewondering, maar van woede. Zij verzetten zich net zo tegen de aanwezigheid van het zwarte lichaam (een ongewapende jongen in een straat, een man die speelgoed koopt, een danser in de metro, een omstander) als tegen de aanwezigheid van de zwarte geest. En tegelijk met deze uitwissing is er sprake van een oneindig profiteren van zwarte arbeid.
Door de hele cultuur heen zijn er voorbeelden van imitaties van de tred, houding en kledij van het zwarte lichaam, een vampierachtige vereenzelviging met het zwarte leven, zij het zonder de ‘lasten’. Leukerbad wordt omringd door bergen: de Daubenhorn, de Torrenthorn, de Rinderhorn. Een hoge bergpas, genaamd de Gemmi, nog eens 850 meter boven het dorp, vormt de verbinding tussen het kanton Wallis met het Berner Oberland. Door dit landschap – onherbergzaam, op sommige plekken kaal en op andere plekken groen, een schoolvoorbeeld van het ‘sublieme’ – beweeg je je als in een droom. De Gemmipas is terecht beroemd. Goethe was hier, evenals Byron, Twain en Picasso. De pas komt ook voor in een avontuur van Sherlock Holmes, als Holmes erlangs komt op weg naar zijn noodlottige ontmoeting met professor Moriarty bij de waterval van Reichenbach. Het was slecht weer op de dag dat ik erheen ging, regen en mist, maar dat was mijn geluk, want het betekende dat ik als enige over de paden liep.
Terwijl ik daar was, herinnerde ik me een verhaal dat Lucien Happersberger had verteld over Baldwin, die een wandeling in deze bergen ging maken. Tijdens de klim verloor Baldwin zijn evenwicht en de situatie was heel even precair. Maar de geoefende klimmer Happersberger reikte hem de hand, en Baldwin werd gered. Het was dankzij dit angstige, aansprekend bijbelse moment dat Baldwin de titel vond van het boek waarmee hij al die tijd had geworsteld: Go Tell It on the Mountain.
Als Leukerbad zijn kansel in de bergen was, waren de Verenigde Staten zijn gehoor
Als Leukerbad zijn kansel in de bergen was, waren de Verenigde Staten zijn gehoor. Het afgelegen dorp gaf hem een scherpere blik op de dingen thuis. Hij was een vreemdeling in Leukerbad, schreef Baldwin, maar zwarten konden geen vreemdelingen zijn in de Verenigde Staten en witten konden zich niet de fantasie veroorloven van een geheel wit Amerika, dat was ‘gezuiverd’ van zwarten. Deze fantasie over de mogelijkheid om van de zwarten af te komen is een constante factor in de Amerikaanse geschiedenis. Het duurt even voordat je doorhebt dat die factor nog steeds bestaat. Het kost witten een tijdje voordat ze dat doorhebben, het kost gekleurde, niet-zwarte mensen een tijdje voordat ze het doorhebben, en het kost sommige zwarten, of ze nu altijd in de VS hebben gewoond of laatkomers zijn zoals ikzelf, die elders met een andere strijd zijn grootgebracht, een tijdje voordat ze het doorhebben.
Het Amerikaanse racisme kent immers vele bewegende delen en heeft eeuwenlang de tijd gehad om zich op indrukwekkende wijze te camoufleren. Het kan zijn kwalijke aard lange tijd verborgen houden, pretenderend de andere kant op te kijken. Net als vrouwenhaat is het van atmosferische aard. Je ziet het eerst niet, maar na een tijdje heb je het door. ‘Mensen die hun ogen sluiten voor de werkelijkheid roepen hun eigen vernietiging over zich af, en iedereen die vasthoudt aan een staat van onwetendheid, lang nadat die onwetendheid dood is gegaan, maakt van zichzelf een monster.’ Het nieuws van de dag (oud nieuws, maar rauw als een vleeswond) is dat het leven van zwarte Amerikanen vanuit het oogpunt van de politie, de rechterlijke macht, het economisch beleid en talloze vreselijke vormen van onachtzaamheid nog steeds niets waard is. Er wordt een beroep gedaan op onwetendheid, maar er is feitelijk geen onwetendheid meer mogelijk. De morele wijzer staat nog steeds zo ver in het rood dat we ons niet eens kunnen buigen over de kwestie van schadevergoeding. Baldwin schreef ‘Stranger in the Village’ ruim zestig jaar geleden. Wat nu?
Dit was een voorpublicatie uit de essaybundel ‘Vertrouwde en vreemde dingen’ van Teju Cole, De Bezige Bij.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.