Tag: racisme

  • 41 miljoen armen, welkom in Amerika

    41 miljoen armen, welkom in Amerika

    VN-rapporteur Philip Alston wil weten waarom 41 miljoen Amerikanen in armoede leven. The Guardian vergezelde hem twee weken lang tijdens een speciale missie naar het donkere hart van het rijkste land ter wereld.

    Los Angeles, Californië

    ‘Je moet een keuze maken, man. Je kunt rechtdoor, naar de hemel. Of je kunt rechtsaf slaan en dáár eindigen.’ We zijn in Los Angeles, in het hart van een van de rijkste steden van Amerika, en de geheel in het zwart gestoken General Dogon is onze gids. Naast hem kuiert een andere lange man, met grijs haar en keurig gekleed in spijkerbroek en colbertje. Professor Philip Alston is een Australische academicus met een officiële titel: speciale VN-rapporteur op het gebied van extreme armoede en mensenrechten. General Dogon, zelf een oudgediende van deze straten in de wijk Skid Row, stapt zonder commentaar over een dode rat heen en omzeilt een lichaam dat in een versleten oranje deken gewikkeld op het trottoir ligt.

    De twee mannen passeren het ene na het andere blok van sjofele tenten en geïmproviseerde optrekjes van zeildoek. Ervoor zitten of slapen mannen en vrouwen, soms in groepjes maar meestal alleen, als figuranten in een goedkope griezelfilm.

    We komen op een kruispunt, waar General Dogon stopt en zijn gast voor de eerdergenoemde keuze stelt. Hij wijst recht vooruit naar het eind van de straat, waar de glinsterende wolkenkrabbers van het centrum van LA als een belofte van goddelijke rijkdom ten hemel rijzen. Dan draait hij naar rechts, waarbij de Black Power-tatoeage in zijn nek zichtbaar wordt, en leidt onze blik weer naar Skid Row, vijftig blokken van opeengepakte menselijke vernedering. Een nachtmerrie in het volle zicht, in de stad van de dromen.

    Zo begint een reis van twee weken naar de schaduwkant van de Amerikaanse Droom. De belangstelling van de VN-rapporteur, die overal ter wereld een onafhankelijk oordeel velt over de mensenrechtensituatie, gaat ditmaal uit naar de VS en bereikt een hoogtepunt met de presentatie van zijn eerste bevindingen in Washington. Zijn feitenonderzoek naar het rijkste land dat de wereld ooit heeft gekend heeft hem naar de kern van de tragedie geleid: de 41 miljoen mensen die officieel in armoede leven. Negen miljoen daarvan hebben geen enkel inkomen – ze ontvangen geen cent overheidssteun.

    Van armoede naar armoede

    Alstons epische reis heeft hem van kust naar kust gevoerd, van armoede naar armoede. Hij begon in LA en San Francisco, reisde door de koloniale schandvlek Puerto Rico en daarna terug naar de zwaar beproefde kolenstreek van West Virginia, en overal zag hij met eigen ogen de funeste uitwerking van Amerika’s vertrouwen in het vrije ondernemerschap, waarbij publieke hulp uit den boze is.

    The Guardian kon de VN-gezant door het hele land volgen, woonde zijn belangrijkste bezoeken bij en was getuige van de extreme armoede waar hij persoonlijk kennis van nam. Zie het als een koekje van eigen deeg. Om met de VN-rapporteur zelf te spreken: ‘Washington wil maar al te graag dat ik de armoede en de slechte mensenrechtensituatie in andere landen aan de kaak stel. Ditmaal ben ik in de VS.’

    De reis vindt plaats op een kritiek moment voor Amerika en de rest van de wereld. Hij begint op de dag dat de Republikeinen in de Amerikaanse Senaat voor drastische belastingverlagingen stemmen die de superrijken in de kaart zullen spelen, terwijl veel lage-inkomensgezinnen zich met hogere belastingen geconfronteerd zullen zien. Door de veranderingen zal de inkomensongelijkheid toenemen, die met drie mannen – Bill Gates, Jeff Bezos en Warren Buffet – die samen evenveel bezitten als de helft van het hele Amerikaanse volk, toch al extremer is dan in enig ander geïndustrialiseerd land. Een paar dagen na het begin van het VN-bezoek doen de Republikeinse leiders er nog een reusachtige schep bovenop. Ze kondigen een verdere aanslag aan op de sociale voorzieningen van een toch al tot op de draad versleten verzorgingsstaat.

    ‘Kijk omhoog! Kijk naar die banken, die hijskranen, die luxeflats die verrijzen!’ roept General Dogon, die vroeger dakloos was in Skid Row en zich nu inzet voor het buurtactiecentrum LACAN. ‘Hier beneden is niks. Je ziet de tenten rug aan rug staan, de mensen kunnen nergens heen.’

    ©  Désirée van Hoek
    © Désirée van Hoek

    Californië is een goed startpunt voor het VN-bezoek. De staat belichaamt zowel de onmetelijke rijkdom die de 0,001 procent aan de techboom heeft overgehouden als de gestegen huizenprijzen die daar het gevolg van zijn en waardoor het aantal daklozen de pan uit rijst. Los Angeles, de stad met veruit de grootste daklozenpopulatie van de VS, worstelt met het aantal crisisgevallen, dat het afgelopen jaar met 25 procent gestegen is tot 55.000.

    Ressy Finley (41) is druk doende met het ontsmetten van de witte emmer die ze als toilet gebruikt in haar tent waar ze nu al meer dan tien jaar af en aan woont. Ze houdt haar woonruimte – een hoop versleten matrassen en dekens en een paar andere bijeengeraapte bezittingen – zo schoon mogelijk in een verloren strijd tegen ratten en kakkerlakken. Ook kampt ze met bedwantsen, waar de rode plekken op haar schouder van getuigen. Ze heeft geen officieel inkomen, en wat ze verdient met het inzamelen van flessen en blikjes is bij lange na niet voldoende om zich de gemiddelde huur van 1400 dollar per maand voor een minuscuul eenkamerwoninkje te kunnen veroorloven. Een vriend brengt haar om de paar dagen eten; de rest van de tijd is ze aangewezen op voedselbanken in de buurt.

    Ze huilt tot twee keer toe tijdens ons korte gesprek, eenmaal wanneer ze vertelt hoe haar baby door welzijnswerkers uit haar armen werd getrokken vanwege haar drugsgebruik (hij is nu veertien, ze heeft hem nooit meer gezien). De tweede keer is als ze zinspeelt op het seksueel misbruik dat haar als kind op het pad van drugs en dakloosheid bracht.

    Bij dat alles is het opmerkelijk hoe positief Finley blijft. Wat vindt ze van de Amerikaanse Droom, het idee dat iedereen het kan maken als hij maar hard genoeg zijn best doet? Ze geeft onmiddellijk antwoord: ‘Ik weet dat ik het ga maken.’

    Een vrouw van 41 die op het trottoir in Skid Row woont en het gaat maken?

    ‘Tuurlijk, zolang ik er maar in blijf geloven.’

    Wat betekent ‘het maken’ precies voor haar?

    ‘Ik wil schrijver worden, dichter, ondernemer, therapeut.’

    Zelfs een doorgewinterde armoede-expert als Alston is erdoor van zijn stuk gebracht

    Het stukje trottoir naast Finley wordt bezet door Robert Chambers. Hij heeft van houten pallets een gebied rond zijn tent gemaakt dat in Skid Row doorgaat voor een tuintje. Hij heeft een bord neergezet waarop ‘Dakloze Schrijverscoalitie’ staat, de naam van een groep daklozen die hij leidt om ze hun waardigheid te laten behouden tegenover wat hij de ‘animalistische’ aspecten van hun leven noemt. Hij doelt vooral op het gebrek aan openbare toiletten dat mensen dwingt hun behoefte op straat te doen.

    Het stadsbestuur van LA heeft meer beschikbare toiletten beloofd – wat hoognodig is, gezien de uitbraak van hepatitis A die zich vanuit San Diego langs de westkust verspreidt en al 21 mensen het leven heeft gekost, voornamelijk als gevolg van het gebrek aan sanitaire voorzieningen in daklozenkampen. ’s Nachts worden de parken met openbare toiletten gesloten om daklozen te weren.

    Skid Row telt ’s nachts negen toiletten voor 1800 mensen die op straat leven. Dat is beduidend minder dan de VN voorschrijft voor de kampen voor Syrische vluchtelingen. ‘Het is gewoon onmenselijk, en uiteindelijk zul je er een animalistische levensinstelling aan overhouden,’ zegt Chambers. Hij leeft al bijna een jaar op straat, omdat hij wegens drugsbezit de voorwaarden van zijn voorwaardelijke vrijlating heeft geschonden en uit zijn goedkope appartement is gezet. Hij is niet meer te helpen, zegt hij, van ‘het maken’ is geen sprake meer. ‘Het veiligheidsnet? Daar zitten voor mij te veel gaten in.’

    Van alle mensen die het pad van de VN-rapporteur kruisen, is Chambers het negatiefst over de Amerikaanse Droom. ‘Mensen realiseren zich niet dat het nooit beter wordt; mensen zoals wij kunnen er nooit bovenop komen. Ik ben 67, ik heb een hartkwaal, ik zou hier niet buiten moeten wonen. Ik zal het misschien niet lang meer maken.’

    Dat is een heleboel ellende om op één dag te verstouwen, en zelfs een doorgewinterde armoede-expert als Alston is erdoor van zijn stuk gebracht. Als speciale VN-rapporteur heeft hij eerder verslag uitgebracht over de erbarmelijke leefomstandigheden in onder andere Saoedi-Arabië en China. Maar Skid Row? ‘Ik was behoorlijk gedeprimeerd,’ vertelt hij The Guardian later. ‘Die eindeloze stroom gruwelverhalen. Op een bepaald moment ga je je afvragen of iemand er wel iets aan kan doen, laat staan ik.’

    Dan neemt hij het vliegtuig naar San Francisco, naar de wijk Tenderloin, waar het wemelt van de daklozen, en loopt de St. Boniface-kerk binnen. Wat hij daar ziet is balsem voor zijn ziel.

    San Francisco, Californië

    Zo’n zeventig daklozen liggen rustig te slapen op banken achter in de kerk, zoals hun op weekdagen elke ochtend is toegestaan, terwijl voor in de kerk de gelovigen eensgezind bidden. De kerk vangt hen op vanuit de katholieke gedachte dat iedereen een helpende hand verdient.

    ‘Ik vond die kerk heel erg opbeurend,’ zegt Alston. ‘Het was zo’n simpel schouwspel en zo’n voor de hand liggend idee. Ik dacht: als het christendom hier niet over gaat, waarover dan in hemelsnaam wel?’

    Het is een zeldzame druppel altruïsme aan de westkust, die het moet opnemen tegen een zee van vijandigheid. Californische steden hebben de afgelopen jaren meer dan vijfhonderd antidaklozenwetten aangenomen. En Ben Carson, de neurochirurg die door Donald Trump tot minister van Huisvesting is benoemd, decimeert het nationale budget voor betaalbare woningen.

    Het meest veelzeggende detail is misschien nog wel dat behalve St. Boniface en haar zusterkerk geen enkel gebedshuis in San Francisco daklozen opvangt. Sterker nog, vele hebben, zelfs in dit seizoen van naastenliefde, hun deuren voor iedereen gesloten om de daklozen maar buiten te houden.

    Zoals Tiny Gray-Garcia, die zelf op straat leeft, aan Alston vertelt, hebben zij en haar lotgenoten elke dag te maken met wat ze ‘het geweld van het wegkijken’ noemt. Die wrede trek is al sinds de stichting van het land een kenmerk van het Amerikaanse leven. Het afwerpen van het juk van een al te bemoeizuchtige overheid (de Britse monarchie) werd in de ogen van veel Amerikanen synoniem met het individualistische idee dat je het zelf moet maken – een idee dat prima is voor degenen die zo gelukkig zijn dat ze dat kunnen, maar minder voor degenen die aan de verkeerde kant van de spoorlijn zijn geboren.

    De New Deal van Franklin Roosevelt en de Great Society van Lyndon Johnson waren strijdig met dit idee en gingen ervan uit dat een samenleving zichzelf moet beschermen tegen de grillen van honger en werkloosheid. Maar de laatste tijd waait de wind sterk in de richting van ‘zoek het zelf maar uit’. Die trend werd in de jaren tachtig gezet door de belastingverlagingen van Ronald Reagan, gevolgd door Bill Clinton die in 1996 besloot de bijstand voor gezinnen met lage inkomens te schrappen, een maatregel waaronder nog steeds miljoenen Amerikanen gebukt gaan.

    © Désirée van Hoek
    © Désirée van Hoek

    Als gevolg van deze opeenstapeling van aanvallen op de verzorgingsstaat genieten gezinnen die moeite hebben om rond te komen, onder wie de vijftien miljoen kinderen die officieel in armoede leven, beduidend minder steun dan in enige andere geïndustrialiseerde economie. En nu worden ze misschien wel met de allergrootste dreiging geconfronteerd. Zoals Alston zelf schreef in een essay over het populisme van Trump en de agressieve uitdaging die dat voor de mensenrechten betekent: ‘Dit zijn bijzonder gevaarlijke tijden. Bijna alles lijkt mogelijk.’

    Lowndes County, Alabama

    Trumps ondermijning van de mensenrechten, gevoegd bij het Republikeinse dreigement om volgend jaar nog verder in de sociale uitkeringen te snoeien en daarmee een deel van de belastingverlagingen te compenseren die nu door het Congres worden gejaagd, zal Afro-Amerikanen disproportioneel hard treffen. Zwarte mensen vormen 13 procent van de Amerikaanse bevolking, maar 23 procent van de mensen die onder de armoedegrens leven is zwart, evenals 39 procent van de daklozen.

    Het raciale element van Amerika’s armoedecrisis is nergens zo zichtbaar als in het diepe zuiden, waar de open wonden van de slavernij nog altijd bloeden. De volgende halte van de speciale VN-rapporteur is de ‘Black Belt’, een term die oorspronkelijk naar de rijke donkere grond verwees die in een strook door Alabama loopt, maar die mettertijd gebruikt ging worden voor de Afro-Amerikaanse bevolking die daar de meerderheid vormt.

    De link tussen bodemsoort en demografie was niet toevallig. De katoen tierde welig op dit vruchtbare land, wat op zijn beurt tot een levendige handel in slaven leidde om die te oogsten. De afstammelingen van de slaven wonen nog altijd in de Black Belt en behoren nog steeds tot de armsten van het land.

    Je kunt de geschiedenis van de Amerikaanse schande, van de slavernij tot het heden, in een reeks eenvoudige grafieken weergeven. De eerste toont de katoenvriendelijke bodem van de Black Belt, de tweede de slavenbevolking, gevolgd door het zwarte woongebied en de extreme armoede van vandaag de dag: allemaal vormen ze precies dezelfde halvemaan die door Alabama loopt.

    De huidige erbarmelijke situatie van de zwarte gemeenschap van Alabama zou je op vele manieren kunnen analyseren. De grimmigste is misschien wel het feit dat zo veel gezinnen in de Black Belt nog altijd geen toegang hebben tot sanitaire voorzieningen. Duizenden mensen leven nog steeds tussen open riolen die je normaliter met ontwikkelingslanden associeert.

    Als Amerikaanse staatsburgers hebben ze evenveel recht op leven, vrijheid en het streven naar geluk. Alleen worden ze omringd door poelen met uitwerpselen

    Vorig jaar onthulde The Guardian dat deze crisis tot een aanhoudende mijnwormepidemie heeft geleid, veroorzaakt door de gelijknamige intestinale parasiet die zich via menselijke ontlasting verspreidt. Deze komt voor in Afrika en Zuid-Azië, maar werd in de VS al jaren geleden als uitgeroeid beschouwd. Maar in de thuisstaat van Trumps minister van Justitie Jeff Sessions doet de worm zich nog altijd tegoed aan het bloed van arme mensen – een ziekte van ontwikkelingslanden die gedijt in het rijkste land ter wereld.

    Het openrioolprobleem is vooral nijpend in Lowndes County, een overwegend zwart district dat het epicentrum was van de burgerrechtenbeweging en vanwaaruit Martin Luther King in 1965 zijn mars van Selma naar Montgomery ondernam om voor algemeen kiesrecht te demonstreren. Ondanks de trotse geschiedenis schat Catherine Flowers dat 70 procent van de huishoudens in het gebied zijn uitwerpselen ofwel rechtstreeks op open terrein deponeert, ofwel in gebrekkige septic tanks die niet bestand zijn tegen zware regen. Toen haar organisatie, het Alabama Center for Rural Entreprise (Acre), er bij de plaatselijke overheid op aandrong daar iets aan te doen, investeerde deze 6 miljoen dollar in de uitbreiding van afvalverwerkingssystemen naar voornamelijk blanke bedrijven, terwijl zwarte huishoudens in overgrote meerderheid werden overgeslagen. ‘Dat is een schrijnend voorbeeld van onrechtvaardigheid,’ zegt Flowers. ‘Mensen die zich geen eigen systeem kunnen veroorloven, moeten het zelf maar rooien, terwijl bedrijven die er wel het geld voor hebben van openbare diensten profiteren.’

    Walter, een inwoner van Lowndes County die zijn achternaam liever geheimhoudt uit vrees dat zijn watertoevoer wordt afgesneden omdat hij zijn mond heeft opengedaan, leeft met de dagelijkse gevolgen van deze vorm van publieke veronachtzaming. ‘Als het flink hard regent, komt het zo je huis binnen.’ Dat is een beleefde manier om te zeggen dat het rioolwater zijn gootsteen, wastafel en badkuip in gorgelt en een misselijkmakende zoete stank in het huis verspreidt.

    Wat vindt hij onder deze omstandigheden van de ideologie dat iedereen het kan maken als hij zijn best maar doet? ‘Als ze de kans kregen, zou dat ze waarschijnlijk wel lukken,’ zegt Walter. Hij pauzeert en voegt er dan aan toe: ‘Maar mensen krijgen de kans niet.’

    Zouden zijn rioolproblemen inmiddels wel zijn opgelost als hij blank was geweest? Na weer een pauze zegt hij: ‘Niet om racistisch te zijn, maar ja, ik denk van wel.’

    Aan de achterkant van Walters huis komt de ware onrechtvaardigheid van de situatie aan het licht. Overal door de tuin lopen smalle geulen vanaf naburige huizen waar donkere vloeistof doorheen stroomt. De geulen komen samen in stroperige poelen die recht onder de stacaravan zijn gelegen waarin Walters zoon, schoondochter en zestienjarige kleindochter wonen. Het is het ultieme beeld van het lot van Alabama’s verarmde zwarte gemeenschap. Als Amerikaanse staatsburgers hebben ze evenveel recht op leven, vrijheid en het streven naar geluk. Alleen worden ze omringd door poelen met uitwerpselen.

    Onlangs sloeg de Black Belt terug. Toen werd er een nieuwe versie van die eenvoudige grafiek toegevoegd, waarop precies dezelfde halvemaan te zien is die door Alabama loopt, alleen was die dit keer niet zwart maar blauw. Die blauwe halvemaan staat voor het leger van Afro-Amerikaanse stemmers dat tegen alle verwachtingen in Doug Jones naar de Amerikaanse Senaat stuurde, de eerste Democraat uit Alabama sinds een hele generatie. Dat betekende een flinke bloedneus voor zijn tegenstander, de van kindermisbruik beschuldigde Roy Moore, en voor Steve Bannon en Donald Trump, van wie hij de marionet is. Dit kan met recht het belangrijkste vertoon van zwarte politieke spierkracht worden genoemd sinds de mars van King in 1965. Waar de eerdere grafieken voor ‘bodem’, ‘slavernij’ en ‘armoede’ stonden, zou bij deze grafiek het onderschrift ‘mondigheid’ moeten staan.

    Guayama, Puerto Rico

    Dus hoe ziet Alston de rol van VN-rapporteur en zijn bezoek? Zijn volledige rapport over de VS zal in mei verschijnen en aan de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties in Genève worden gepresenteerd. Niemand verwacht er veel van: de raad heeft niet genoeg macht om goed gedrag af te dwingen van recalcitrante regeringen. Maar Alston hoopt dat zijn bezoek de VS zo veel schaamte zal bezorgen dat men nog eens gaat nadenken over de eigen waarden. ‘Het is mijn rol om regeringen ter verantwoording te roepen,’ zegt hij. ‘Als de Amerikaanse regering niet over het recht op huisvesting, gezondheidszorg of voedsel wil praten, dan zijn er nog altijd basale normen voor mensenrechten waaraan moet worden voldaan. Het is mijn taak om daarop te wijzen.’

    In zijn eerdere onderzoek naar extreme armoede in landen als Mauritanië wond Alston er geen doekjes om. We mogen dezelfde onzachtzinnige liefde verwachten bij zijn analyse van Puerto Rico, de volgende halte tijdens zijn reis naar de donkere kant van Amerika.
    Drie maanden na Maria is de verwoesting die de orkaan op het eiland heeft aangericht genoegzaam bekend. Van zeventigduizend huizen is niets meer over, de industrie is tot stilstand gekomen en de algehele stroomstoring leidt nog steeds tot plunderingen. Maar het treurige lot van Puerto Rico dateert al van ver vóór Maria en is geworteld in de onverschilligheid waarmee het eiland is bejegend sinds het in 1898 als oorlogsbuit in bezit werd genomen.

    Bijna de helft van de Amerikanen heeft geen idee dat de drieënhalf miljoen Puerto Ricanen Amerikaanse staatsburgers zijn – des te kwalijker gezien het feit dat het eiland geen eigen vertegenwoordiging in het Congres heeft, terwijl zijn fiscale beleid wordt gedicteerd door een raad van toezicht die door Washington is aangesteld. Hoe zat het ook alweer met dat afwerpen van het juk van een al te bemoeizuchtige overheid?

    Evenmin zijn de meeste mensen zich ervan bewust dat het aantal armen op het eiland (44 procent) ruim twee keer zo groot is als dat in de minst welvarende Amerikaanse staten, inclusief Alabama (19 procent). En dat was nog vóór de orkaan, die volgens sommige schattingen het armoedepercentage heeft opgedreven tot 60 procent. ‘Puerto Rico wordt geregeerd door de Verenigde Staten, maar we worden nooit geraadpleegd,’ zegt Ruth Santiago, die als advocaat gespecialiseerd is in gemeenschapsrecht. ‘We hebben geen enkele invloed, we zijn gewoon hun speelbal.’

    General Dogon, de gids van Philip Alston die zich inzet voor buurtactiecentrum LACAN. – © Désirée van Hoek
    General Dogon, de gids van Philip Alston die zich inzet voor buurtactiecentrum LACAN. – © Désirée van Hoek

    De VN-rapporteur krijgt een idee van wat het betekent de speelbal van de VS te zijn wanneer hij naar Guayama reist, een stad van 42.000 inwoners in het zuiden, vlak bij de plek waar Maria aan land kwam. Verwoesting alom: gehavende huizen, ontbrekende daken, onheilspellend doorzakkende elektriciteitsleidingen. Boven de stad torent dreigend een kolencentrale uit die is gebouwd door de Puerto Ricaanse tak van AES Corporation, een multinational die zijn hoofdkwartier in Virginia heeft. De schoorsteen van de centrale domineert de horizon, evenals een enorme berg as van de verbrande kolen die oprijst als een reusachtig zandkasteel van ruim twintig meter hoog. De berg is blootgesteld aan de elementen, en de plaatselijke bevolking klaagt dat het gif ervan de zee in lekt en dat de vissers door kwikvergiftiging het brood uit de mond wordt gestoten. Ook is men bang dat het stof dat de berg verspreidt gezondheidsproblemen veroorzaakt, een zorg die wordt gedeeld door plaatselijke artsen die de VN-rapporteur vertellen dat ze veel patiënten hebben met ademhalingsaandoeningen en kanker. ‘De bladeren van mijn mangoboom gaan ervan dood,’ zegt Flora Picar Cruz (82). Ze ligt rond het middaguur in bed en ademt moeizaam door een zuurstofmasker.

    Onderzoek van de asberg wijst op gevaarlijke hoeveelheden giftige stoffen zoals arsenicum, broom, chloride en chroom. Desondanks is de regering-Trump bezig het relatief lakse toezicht op de schadelijke emissies ervan nog verder te versoepelen. AES Puerto Rico verzekerde The Guardian dat er geen reden tot zorg is, omdat de centrale een van de schoonste van de VS zou zijn, die met opzet zo is gebouwd dat er geen schadelijke stoffen in de lucht of de zee terecht kunnen komen. Maar daar denken de mensen in Guayama wel anders over. Zij vrezen dat de Amerikaanse kolonisten hen nog meer aan hun lot zullen overlaten dan ze nu al ruim een eeuw lang doen.

    Het is dan ook niet verwonderlijk dat zo veel Puerto Ricanen stemmen met hun voeten; na de orkaan hebben bijna tweehonderdduizend van hen hun koffers gepakt en zijn naar Florida, New York of Pennsylvania vertrokken, waar inmiddels al meer dan vijf miljoen Puerto Ricanen wonen. Dat geeft de Amerikaanse Droom een geheel nieuwe betekenis: iedereen kan het maken, zolang hij zijn familie, zijn huis en zijn cultuur maar in de steek laat en koers zet naar een vreemd en ongastvrij land.

    Charleston, West Virginia

    ‘Jullie zijn kanjers! Al die jaren dat jullie schandalig zijn behandeld gaan we goedmaken, oké? Honderd procent zeker!’ Donald Trumps belofte aan de blanke stemmers van West Virginia werd gedaan in mei 2016, op het moment dat hij de Republikeinse nominatie voor de presidentsverkiezingen binnenhaalde. Zes maanden later beloonde zijn achterban in de staat hem royaal met een verpletterende overwinning.

    Als je bedenkt dat hij hun gouden bergen beloofde, is het niet zo verwonderlijk dat blanke gezinnen in West Virginia positief reageerden op het charmeoffensief van Trump: ‘We gaan zorgen dat de mijnwerkers weer aan het werk komen!’ Getalsmatig is de meerderheid van alle Amerikanen die in armoede leven – 27 miljoen mensen – blank.

    Met name in West Virginia hebben blanke gezinnen veel om verbitterd over te zijn. De mechanisering en het sluiten van kolenmijnen hebben tot grote werkloosheid en stagnerende lonen geleid. De overheveling van banen in de kolen- en staalsector naar supermarktketen Walmart heeft ertoe geleid dat de gemiddelde werknemer tegenwoordig 3,5 dollar per uur minder verdient dan in 1979. Wat wel verwonderlijk is, is dat zo veel trotse werkende mensen hun dromen aan een (veronderstelde) miljardair hebben toevertrouwd die zijn onroerendgoedimperium heeft gebouwd op wat zijn vader hem heeft toegestopt.

    Voordat hij presidentskandidaat was, toonde Trump maar weinig belangstelling voor de problemen van gezinnen met lage inkomens, blank of anderszins. Nu hij bijna een jaar in het Oval Office zit, zijn er ook weinig tekenen dat hij zich aan zijn campagnebeloftes houdt. Integendeel. Als de VN-rapporteur als laatste halte tijdens zijn rondreis Charleston, West Virginia, aandoet, wordt hij overspoeld door bewijs dat de president juist de mensen die hem hebben gekozen het mes op de keel zet.

    ‘Het beleid van Trump zal de ongelijkheid doen toenemen, loonstijgingen blokkeren en het moeilijker maken voor gezinnen met lage inkomens om hulp te zoeken’

    Diezelfde dag presenteren de Republikeinen in de Senaat en het Congres gezamenlijk hun plannen voor belastingverlaging, waarover de week erna zal worden gestemd. Veel mensen in West Virginia zullen voor zoete koek slikken dat deze veranderingen bedoeld zijn om hen te helpen, omdat aanvankelijk iedereen in de staat minder belasting zal gaan betalen. Maar in 2027, als het begrotingstekort moet worden aangezuiverd, zal de onderste 80 procent van de bevolking méér betalen, terwijl de bovenste 1 procent een meevaller behoudt van 21.000 dollar. ‘Het beleid van Trump zal de ongelijkheid doen toenemen, loonstijgingen blokkeren en het moeilijker maken voor gezinnen met lage inkomens om hulp te zoeken,’ zegt Ted Boettner, lid van de raad van bestuur van het niet-partijgebonden West Virginia Center on Budget and Policy.

    Als de riolering het aanhoudende probleem is waarmee de Black Belt kampt, dan is een mond vol rottende tanden en kiezen dat van West Virginia. Artsen van Health Right, een medisch vrijwilligerscentrum in Charleston dat 21.000 werknemers met lage inkomens gratis behandelt, toont de VN-rapporteur een foto van een van hun patiënten. De man is pas 32, maar zodra hij zijn mond opendoet wordt hij een heks uit Macbeth. Zijn paar resterende rotte tanden en kiezen en groenblauwe tandvlees zien eruit als etterende brij in een kokende ketel.

    Medicaid [een hulpverleningsprogramma voor mensen met lage inkomens] dekt geen tandheelkundige behandeling van volwassenen, tenzij er sprake is van een noodgeval, en dus doen de mensen wat het meest voor de hand ligt: ze wachten tot hun abcessen knappen, zodat ze naar de spoedeisende hulp moeten. Een vrouw die onlangs de mobiele tandartskliniek van het centrum bezocht, had alleen nog dertig wortels in haar mond, die allemaal behandeld moesten worden.

    Ook tijdens zijn andere ontmoetingen krijgt Alston een beeld van de manier waarop het leven van gezinnen met lage inkomens in West Virginia onder druk staat. Waar Lyndon Johnson de armoede de oorlog verklaarde, voert Trump oorlog tegen de armen. Mensen gaan jarenlang de gevangenis in omdat ze, in afwachting van hun proces, de borgtocht niet kunnen betalen; er worden privédetectives ingehuurd om mensen te bespioneren die aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering; zware minimumstraffen wegens drugsbezit zijn weer in de mode; Jeff Sessions schrapt federale reclasseringsprogramma’s voor ex-gedetineerden; huurders van gesubsidieerde huizen leven in voortdurende vrees dat ze uit hun huis zullen worden gezet na de geringste overtreding. En ga zo maar door.

    En het resultaat van deze meedogenloze klappen? ‘Mensen raken uiteindelijk met elkaar in de clinch,’ zegt Eli Baumwell, beleidsdirecteur van de American Civil Liberties Union (ACLU) in West Virginia. ‘Je raakt zo geobsedeerd door wat jij bezit en wat je buurman bezit, dat je rancuneus wordt. Dat is wat Trump doet, mensen tegen elkaar opzetten.’

    En zo stapt Philip Alston voor de laatste keer in het vliegtuig om in Washington een samenvatting te presenteren van de kwellingen die het Amerikaanse volk ondergaat. Op een gegeven moment tijdens de vlucht zegt Alston dat hij een slapeloze nacht heeft gehad door het piekeren over de verloren zielen die we in Skid Row hebben ontmoet. Hij vraagt zich af hoe iemand anders in zijn positie – ‘Ik ben oud, een man, blank, rijk en ik heb een heel goed leven’ – op zo’n dakloze zou reageren. ‘Hij zou naar hem kijken en hem beschouwen als iemand die smerig is, die zich niet wast, die hij niet in zijn buurt wil hebben.’ Dan krijgt Alston een openbaring. ‘Ik besef dat de overheid hen zo ziet. Maar wat ik zie, is een maatschappelijk falen. Ik zie een maatschappij die zoiets laat gebeuren, die niet doet wat ze moet doen. En dat is heel treurig.’

    De rondreis van de speciale VN-rapporteur is ten einde.

    Auteur: Ed Pilkington
    Vertaler: Peter Bergsma

    De Nederlandse fotograaf Désirée van Hoek werkt al sinds 2007 met tussenpozen op Skid Row in Los Angeles. In 2015 verscheen haar boek Skid Row, met een voorwoord van Skid Row-verslaggever Gale Holland van de Los Angeles Times. Het boek werd in 2016 bekroond als een van de Best Verzorgde boeken van Nederland en Vlaanderen.

    Fotografie:
    De Nederlandse fotograaf Désirée van Hoek werkt al sinds 2007 met tussenpozen op Skid Row in Los Angeles. In 2015 verscheen haar boek Skid Row, met een voorwoord van LA Times- verslaggever Gale Holland. Het boek werd in 2016 bekroond als een van de Best Verzorgde boeken van Nederland en Vlaanderen. www.desireevanhoek.com

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

  • 3. Slavenveiling toont hardnekkig racisme

    3. Slavenveiling toont hardnekkig racisme

    De verkoop van Afrikaanse migranten komt niet uit de lucht vallen, schrijft Haythem Guesmi. ‘De hiërarchische samenleving in de hele Maghreb is doortrokken van racistische, discriminerende praktijken.’

    Het hardnekkige probleem met racisme in Libië en de Maghreb is oud nieuws. Bewijzen van slavernij in Libië werden al in april verzameld door de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Ophef ontstond pas na de CNN-reportage Mensen te koop: waar levens worden geveild voor vierhonderd dollar, waarin te zien is hoe Libiërs Afrikaanse migranten per opbod verkopen. De storm van verontwaardiging was te verwachten, nu mensen het met eigen ogen konden aanschouwen.

    Legio zwarte Noord-Afrikanen worden op sociaal, institutioneel en politiek vlak geconfronteerd met racisme. Wanneer de zwarte Tunesische dichter Anis Chouchene dicht over ‘een samenleving die bang is voor verschillen’, bekritiseert hij de manier waarop zwarte Afrikanen als inferieur ras worden bestempeld. De hiërarchische samenleving in de hele Maghreb is doortrokken van racistische, discriminerende praktijken. Libië vormt daarop geen uitzondering. Maar dit racisme moet naar mijn idee worden gezien als ‘een strijd tegen allochtone Afrikanen’ – om wijlen de zwarte emancipator Frantz Fanon aan te halen – en niet als moderne slavernij.


    Migranten wachten om terug te gaan naar hun barakken na een lunch in het detentiecentrum in Karareem, nabij Misrata in Libië. – © Manu Brabo / HH
    Migranten wachten om terug te gaan naar hun barakken na een lunch in het detentiecentrum in Karareem, nabij Misrata in Libië. – © Manu Brabo / HH

    Zwarte Libiërs worden Fezzazna genoemd, een verwijzing naar de zuidwestelijke regio Fezzan waar ze voornamelijk wonen, maar ook om hun inferieure sociale positie aan te geven. In Benghazi, in het oosten van Libië, heet een lokale markt in de volksmond ‘slavensoek’. En in Tunesië zijn Zinji [Oost-Afrikaanse slaven die in vroeger tijden door Arabieren werden verhandeld] of Aswad [zwarte slaven die in vroege moslimlegers dienstdeden] inmiddels geaccepteerde termen om zwarte mensen aan te duiden omdat de racistische lading eraf zou zijn. Maar zolang er zich geen werkelijke omwenteling voordoet, blijven complexe kwesties als ‘negrofobie’ en xenofobie bestaan. Zoals Fanon stelt: ‘We zijn van nationalisme overgegaan op ultranationalisme, vervolgens op chauvinisme, en uiteindelijk op racisme.’

    Het in 1951 – het jaar van onafhankelijkheid – gestichte koninkrijk was geen lang leven beschoren: het werd na een staatsgreep in 1969 vervangen door Moammar al-Qadhafi’s Jamahiriya, een dictatuur waarin de mensenrechten van zowel Libiërs als buitenlanders continu werden geschonden. Tijdens de volksopstand om de dictator en zijn regime ten val te brengen, werd de bodem gelegd voor de huidige relatie tussen Libische rebellen en Afrikanen uit landen bezuiden de Sahara. Het Libische leger ronselde zwarte Afrikaanse huurlingen, voornamelijk onder Toearegs, om Qadhafi te helpen de protesten te kop in te drukken. Toen de opstand uitgroeide tot een gewapend conflict, keerden de Libiërs zich tegen de zwarte huurlingen én tegen zwarte arbeiders.

    In Tripoli, Misrata, Benghazi of Tobroek zal de CNN-reportage weinig uithalen. In een door burgeroorlog verscheurd land met torenhoge inflatie, een kwijnende economie en massaexecuties van gevangenen, is iedereen ofwel betrokken bij mensenhandel, of juist bij de bestrijding ervan. Hoewel de CNN-reportage een geval van schuldslavernij laat zien, gaat het bij veel migrantenveilingen om mensenhandel met losgeld als motief. Nu de Libië-route naar Italië nagenoeg is afgesloten, zitten veel migranten uit landen bezuiden de Sahara klem. Ze hebben veelal geen geld om smokkelaars te betalen voor terugkeer naar hun moederland. Smokkelaars kiezen ervoor de migranten te verkopen aan de hoogste bieder – privépersonen dan wel organisaties, bijvoorbeeld milities. De kopers dwingen de migranten om familie te bellen voor losgeld. Naar verluidt halen mensenhandelaren per persoon omgerekend drie- tot vijfduizend euro binnen.

    ‘Onmenselijk’

    Een paar dagen voordat de CNN-beelden de wereld overgingen, noemde de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten bij de VN, Zeid Ra’ad al-Hussein, het EU-beleid om Libische autoriteiten te helpen migranten te onderscheppen en vast te zetten ‘onmenselijk’. Veel Libiërs reageerden geschokt op het nieuws over de slavenveilingen. Door de Europese militaire en politieke interventie en de druk op het instabiele land om in de vluchtelingencrisis als poortwachter te fungeren, loopt de situatie, die al rampzalig was, inmiddels volledig uit de hand.

    Auteur: Haythem Guesmi
    Vertaler: Astrid Staartjes

    Africa is a Country
    Verenigde Staten | africasacountry.com

    Deze tien jaar oude blog, beheerd vanuit Zuid-Afrika, de VS en Engeland, werd opgericht om een tegengeluid te geven op de traditionele opvattingen van de westerse media over Afrika. ‘Op deze site gaat het niet over honger, Barack Obama of Bono’, zei oprichter Sean Jacobs (Zuid-Afrika). Waarover wel? Politiek, economie, voetbal en maatschappij, met een kritische blik.

  • In Negroland beschouwden we onszelf als het Derde Ras

    In Negroland beschouwden we onszelf als het Derde Ras

    Journalist, professor en schrijfster Margo Jefferson (1947) vertelt in haar onlangs vertaalde autobiografie Negroland hoe het was om op te groeien in de elite van de zwarte gemeenschap in Chicago. Een fragment.

    Ik heb geleerd me niet op de voorgrond te dringen. Ik heb geleerd me te onderscheiden door declameren, niet proclameren, uit te blinken door prestaties en manieren, niet door me op de voorgrond te dringen. Maar is elke autobiografie niet een manier om je op de voorgrond te dringen?
 In het Negroland van mijn jeugd was dat een gevaarlijke bezigheid. Negroland is mijn naam voor het deel van zwart Amerika waar de inwoners zich tot op zekere hoogte beschermd wisten door voorrechten en welvaart. De kinderen in Negroland werden gewaarschuwd dat weinig negers deze voorrechten en welvaart ten deel viel en dat de meeste blanken hen het liefst weer behoeftig, eerbiedig en onderdanig zagen. De kinderen werd geleerd dat andere negers een voorbeeld aan ons moesten nemen, maar dat velen van hen (uit afgunst of onwetendheid) de vooroordelen juist bevestigden.

    Te veel negers, zo werd gezegd, vielen op door de verkeerde dingen: hun luide stemmen, hun vrijpostige en opvallende manier van doen, hun talent voor populaire muziek en dans, voor sport meer dan voor de letteren en de wetenschap. De meeste blanken, zo werd ons verteld, waren gespitst op deze, in hun ogen, fundamentele raskenmerken. Maar de meeste blanken waren ook gespitst op al te zichtbare successen op hún terrein, op ons aandeel in hún voorrechten 
en welvaart, in wat zij als hún raskenmerken zagen. Je moest je in hun gezelschap altijd waardig gedragen, en opzichtigheid werd niet op prijs gesteld. Op 
de voorgrond treden was toegestaan, werd zelfs aangemoedigd, maar alleen als dat je hele familie ten goede kwam, en hun vrienden, en alle gemeenschappelijke voorouders.

    Het begon me te dagen dat zo’n uitspraak – iedereen laten delen in wat je doet als je alleen bent – altijd op afkeuring kon rekenen

    En dus sta ik bij een talentenshow van Jack and Jill 
of America, vier jaar oud, achter de coulissen in een auditorium, samen met andere opgewonden deelnemers. Terwijl we met zachte en harde hand tot stilte worden gemaand, glip ik weg en stap het toneel op. Mijn vriendinnetje van vijf is halverwege haar voordracht. Ik ga voor haar staan, draai me om, en zeg tegen de man achter de piano: ‘Speel maar door.’ Hij gehoorzaamt; ik draai me weer naar het publiek en doe een paar minuten lang wat ik denk dat een dans is. Ik hoor de aansporingen en gulle lach van de volwassenen. Ik heb ze betoverd, want ze kennen mij als slim en spontaan; zelfs de moeder van mijn vriendinnetje laat me begaan. Ik herinner me niet hoe mijn vriendinnetje reageerde – en waarom zou ik ook? Ik was erop uit haar weg te blazen.

    Soms deed ik een te groot beroep op de toegeeflijkheid van de volwassenen, en mijn verlangen om te schitteren maakte dat ik vergat wat de gelegenheid van mij vroeg. Tijdens een etentje niet lang daarna, waar de volwassenen weinig oog hadden voor de kinderen, wachtte ik een moment van stilte af en verklaarde toen: ‘Soms vergeet ik mijn billen af te vegen.’

    De lach kwam, maar pas na een korte stilte, en ik zag hoe de gasten blikken wisselden voordat ze zich naar mij richtten. Ik besefte dat ze me eerder tolereerden dan vertederd waren, en het begon me te dagen dat zo’n uitspraak – iedereen laten delen in wat je doet als je alleen bent – altijd op afkeuring kon rekenen.

    Dus ontwikkelde ik me. En terwijl ik me ontwikkelde, leerde ik dat mijn fouten – slechte manieren, slechte smaak, een overmaat aan enthousiasme – buiten onze vertrouwde kring een probleem vormden voor mij, mijn ouders en mijn mensen.

    Levenslang secundair

    Allemaal konden we zomaar, en voor altijd, bestempeld worden als vulgair, grof en minderwaardig.

    Slim van mij om recensent te worden. Wij recensenten keuren en dringen ons op de voorgrond voor een hoger doel. Voor een gemeenschappelijk belang. Onze manieren, onze smaak en onze proclamaties worden verwelkomd.

    Levenslang superieur. Behalve wanneer we dat niet zijn. Behalve wanneer we worden weggewuifd of voor afgunstig en kleinzielig worden uitgemaakt; voor onecht en inherent parasitair. Levenslang secundair.

    Dat is het verhaal in grote lijnen. Hier is de toegespitste versie: het verhaal van een meisje uit het Midden-Westen halverwege de vorige eeuw, een van twee kinderen van een aantrekkelijk echtpaar dat zich gelukkig prees met hun leven en prestaties, dat het beste wilde voor hun kinderen en dat wilde dat hun kinderen tot de besten zouden behoren.

    Bloed des blancs

    In Negroland beschouwden we onszelf als het Derde Ras, ergens tussen het gros van de negers en de blanken van alle klassen in. Net als het Derde Oog beschikte het Derde Ras over wijsheid, intuïtie en verlichte kennis die bij de andere twee rassen ontbrak. De leden waren goed opgeleid, ambitieus, 
ontwikkeld en hadden de verbale vingervlugheid 
tot kunstvorm verheven.

    Als, zoals zo vaak werd gezegd, te velen van ons ernaar hunkerden, verlangden, streefden om Blank 
te zijn zijn zijn, Blank Blank Blank Blank blank…

    Als (zoals zo vaak werd gezegd) velen van ons te zeer opschepten over het bloed des blancs dat door de eeuwen heen openlijk of heimelijker zijn weg naar onze aderen en bloedvaten had gevonden en daar 
nu futloos stroomde (arteria cerebri, aorta, renalis, femoralis, jugularis, subclavia, en de mesenterica superior) …

    Als we te veel waarde hechtten aan het uiterlijk, de manieren en moraal die het geboorterecht vormden van de mensen van Angelsaksische afkomst…

    Blanke mensen wilden net zo graag blank zijn als wij. Ze deden er net zozeer hun best voor. Ze mislukten net zo vaak. Ze mislukten vaker. Toch doorstonden ze altijd de test, en dus was er niemand die protesteerde.

    Margo Jefferson, circa 1950. – © Privéarchief auteur
    Margo Jefferson, circa 1950. – © Privéarchief auteur

    Denise en Margo dragen allebei een wollen mantel met een kraag van Perzisch lammerenbont. Ze stoppen hun handen diep weg in een mof van Perzisch lammerenbont. Ze zijn betoverd door hun eigen bekoorlijkheid. Ze dragen bijna nooit dezelfde kleren, maar dit keer doen ze dat met een doel. Denise en Margo zijn een setje en een tableau. Hun outfit is de beloning voor een onberispelijke kindertijd: jurken van taf en fluweel met kragen van kant, petticoats, enkellinten, handtasjes en zakdoekjes met initialen, handschoentjes, passend bij het seizoen, van katoen en geitenleer, dezelfde mantels en moffen. Strooien hoeden en hoofdbanden met bloemen. Niet slechts één bloem, als bij een corsage, maar een ovale rij, als in een prieel.

    Het prieel van de kindertijd. We praten of lachen niet hard in het openbaar. We zakken niet onderuit. We spreken goed gearticuleerd en zonder accent. Wanneer onze tante Ruby, onderwijzeres op een basisschool, 
op bezoek komt vanuit Californië, dwingt ze me een penny in een spaarpot te doen voor elke keer dat ik ‘jee’ zeg. Ik vind het fijn. Ik vind het fijn om onberispelijk te zijn.

    De schoonheidsidealen voor meisjes zijn dwingend in het Negroland van de jaren vijftig. Negermeisjes moeten alert zijn op hun vermeende gebreken. Meedogenloos. Catalogiseer en compenseer.

    Platte voeten in plaats van een hoge voetboog.

    Een opzichtig achterwerk dat weigert stilletjes in nauwsluitende jurken te schuiven, te slinken en te blijven zitten.

    ‘Asachtige huid.’ Wit sediment op het oppervlak van een bruine huid die te lang niet is ingesmeerd. Knieën en ellebogen moeten goed worden verzorgd. ‘Een goed geoliede machine’ is geen metafoor.

    Huidskleur
    Ivoor, crème, beige, graan, leer, mocassin, kalfsleer, café au lait en de blekere tinten van honing, amber en brons zijn het best. Siena, chocolade, zadelbruin, omber (gebrand of rauw) en mahonie werken het best met fatsoenlijk-tot-goed haar en gelijkmatige-tot-scherpe gelaatstrekken. In deze gevallen moet 
de vrouw kiezen voor kleding in ingetogen kleuren. Felle kleuren maken de indruk dat ze met zichzelf te koop loopt. In het algemeen geldt voor vrouwen dat de donkere huidskleuren, zoals walnoot, chocoladebruin, zwart en zwart met blauwe ondertonen niet zijn toegestaan. Een donkere huid geeft een indruk van agressieve en algehele seksuele bereidheid. Op zijn minst vestigt het de aandacht op je ras en kan zo ongunstige associaties oproepen.

    Soorten haar
    1. Supersteil haar kan gedragen worden in lange, dikke vlechten die tot halverwege de rug reiken, of zelfs tot aan de taille.
    2. Glanzend haar dat golft en krult: dit roept associaties op met het Moorse Spanje en Mexico.
    3. Dichter opeengepakte golven met minder glans: dit haar kan geborsteld worden tot het bijna steil is, maar moet wel behandeld worden met een dunne haarcrème voor licht haar. Een hoge vochtigheidsgraad (de keuken) kan het stug maken in de nek en kroezig rond het gezicht. Ga er herhaaldelijk snel doorheen met een hete kam.
    4. Pluizig haar, stadium 1. Vereist dagelijks een dikke haarcrème en frequent gebruik van de hete kam. Groeit doorgaans niet tot voorbij de schouders.
    5. Pluizig haar, stadium 2. Vereist steeds nieuwe lagen haarcrème en constant gebruik van de hete kam. Groeit doorgaans niet verder dan halverwege de nek.

    De meisjes Jefferson
    Een plat achterste moet vermeden worden, maar 
dat van hen is mooi van vorm en niet overdreven 
volumineus. Geen van de twee meisjes Jefferson heeft een van de drie topsoorten haar. Hun moeder bewerkt het met de hete kam en de krultang. Dagelijks brengt ze olie aan; blootgesteld aan regen of hoge luchtvochtigheid neemt negerhaar een borstelige, pluizige of kroezige vorm aan. ‘Borstelig’ is het woord dat het meest wordt gebruikt; ‘pluizig’ en ‘kroezig’ zijn scherpere en grovere woorden. Denises haar is een paar graden erger dan dat van Margo. Maar Margo was weer dom genoeg om te geloven, toen ze nog klein was, dat haar haar blond zou worden als haar moeder het waste. Gelukkig sprak ze haar overtuiging uit, zodat deze een genadige en snelle dood kon sterven. Haarolie kan vlekken maken op linten en op de bloemen op hoofdbanden en op de stoffen binnenkant van bleke strooien hoeden die naar de kerk gedragen worden en naar gelegenheden waar nette kleding vereist is, als je er niet voor zorgt dat je handen schoon zijn wanneer je ze opdoet en weer afneemt.

    Mevrouw Jefferson heeft een opvallende Romeinse neus. Denise heeft een kleine, goedgevormde neus; meer decoratief dan sierlijk. Hoewel Margo’s neusgaten wijken, wijken ze niet zo dat de onwelwillende toeschouwer er aanstoot aan kan nemen.

    Beide meisjes hebben volle maar niet overdreven volle lippen. Ze zouden liever kleinere, smallere lippen hebben, maar de basisvorm is goed.

    Niemand kan hen ervan beschuldigen dat ze dikke lippen hebben.

    Margo Jefferson nu. – © Michael Ironstar
    Margo Jefferson nu. – © Michael Ironstar

    We woonden in Bronzeville tot ik drie was 
en Denise zes; toen verhuisden we naar Park Manor. Bronzeville was de op een na grootste gekleurde stad in Amerika, en onze grootmoeder bezat er twee gebouwen. We woonden comfortabel in een daarvan, toen op een dag in 1949, zo leert de geschiedenis, ‘een poging van twee zwarte gezinnen om twee huizen te betrekken aan de zuidkant van Park Manor resulteerde in een menigte van tweeduizend blanken 
die scandeerden: “Wij willen vuur, wij willen bloed”, 
terwijl blanke politiemannen zwijgend toekeken.’ Wat zouden blanke politiemannen anders moeten? Ze handhaafden vijfentwintig jaar oude wetten en meer dan honderd jaar oude gebruiken. Ze beschermden het bezit van hun collega’s, die ook in Park Manor woonden.

    Op een avond, een paar jaar later, wanneer we ons zonder probleem in Park Manor hebben gevestigd, houdt een politieauto papa aan.

    ‘Wat doet u hier?’

    ‘Ik woon hier.’

    ‘Wat zit er in die zwarte tas? Drugs?’

    ‘Ik ben arts.’

    De inhoud van de tas bevestigt dat. Gelukkig was hij kinderarts, geen anesthesioloog.

    ‘Er woonde een blank gezin pal naast ons. Ze hadden twee kinderen. Van jouw leeftijd. En ze zorgden ervoor dat die zich zo min mogelijk met jullie bemoeiden’

    We hebben hier bijna een heel huis. Drie van de vier verdiepingen zijn van ons. De vierde verhuren we aan een gescheiden vrouw, mevrouw Collins (negerin), die hoeden maakt en door haar appartement loopt in felgekleurde robes die zo uit 
de film lijken te komen, met aan haar voeten muiltjes die zijn afgezet met een randje ganzendons. Ze rookt, en ze slikt met een hese precisie haar klanken in. Zoals Peggy Lee die ‘Black Coffee’ zingt.

    Links van ons woont de vriendelijke dokter Hall (neger), met zijn ronde gezicht, waarboven hij in de winter een bruinvilten gleufhoed draagt en in de zomer een bleekgele strohoed. Ik zou zijn huidskleur ‘donkere tabak’ willen noemen. Jesse Owens (bekend negeratleet) woont een tijdje aan het eind van onze huizenrij, maar zijn kinderen hebben een andere kinderarts. In het huis van lichte baksteen aan de andere kant wonen meneer en mevrouw Hull. Ze hebben een licht zuidelijk accent. Meneer Hull is taxichauffeur. Mevrouw Hull is verpleegster; ze heeft een volle pony en donkere krullen die tot op haar schouders vallen. Hun dochter Shirley is van mijn leeftijd; we spelen vaak samen, in hun tuin of de onze.

    Niet langer worden hier kruizen verbrand, en niemand trekt lelijke grimassen of schreeuwt. Wij komen, en de buurt gaat eraan. Brrring rinkelt de telefoon overal om ons heen. ‘Hallo, wij zijn slimme blanke makelaars en u bent een boze blanke huiseigenaar. Laat ons uw huis verkopen aan de negers, en voor prijzen die veel hoger liggen dan u of welke andere blanke er ooit voor zou betalen. U zult uw geluk niet op kunnen. Laat hen betalen om de buurt te verzieken, als ze dat dan zo graag willen.’

    ‘Moeder, waren er ooit blanke gezinnen in onze straat?’ vraag ik twintig jaar later.

    ‘O ja, kind, die waren er. Er woonde een gezin pal naast ons, voordat de Hulls er kwamen wonen. Ze hadden twee kinderen. Van jouw leeftijd. En ze zorgden ervoor dat die zich zo min mogelijk met jullie bemoeiden.’

    Een zomerdag in 1952…

    Mevrouw Jefferson legde Denise en Margo in bed voor hun middagslaapje, en ging toen naar de eetkamer. Ze ging aan tafel zitten en schonk zichzelf koffie in. Ze was van plan te dagdromen. De jaloezieën boden een doorkijk naar de tuin. De viooltjes stonden in hun borders, de rozen tegen hun latwerk. Het was een moment van leeuwerik-in-de-lucht en slak-op-de-doorn, tot het moment dat ze de twee blanke buurkinderen het tuinhek zag openen, onze tuin 
zag binnenstappen, recht op onze vrolijk gekleurde schommels af zag lopen en hun achterwerkjes erop zag neerdalen.

    Nog een vertelling uit de crypte van een negerjeugd. Ik vraag haar hoe ze eruitzagen.

    ‘Als twee blanke kinderen. Niets bijzonders. Vaal blond haar.’

    ‘Waren het meisjes?’ (zucht) ‘Ik geloof van wel.’

    Mevrouw Jefferson zag hoe de schommels in beweging kwamen, stond toen op en trok haar schouders naar achteren. Was dit zo ongeveer wat ze dacht?

    De duizend verwondingen door blanken had ik zo goed als ik kon verdragen, maar toen ze het domein van de belediging betraden zon ik op wraak. Jij, die mijn ziel zo goed kent, hoeft er natuurlijk niet van uit te gaan dat ik dreigende woorden heb gesproken…

    Toen ze de veranda op stapte verraadde niets in haar ook maar het minste gevoel van urgentie of irritatie. ‘Meisjes,’ zei ze kalm maar duidelijk, ‘Margo en Denise slapen. Ze komen niet spelen, dus jullie kunnen beter naar huis gaan.’

    En ze gaan. Maar de volgende week keren ze terug. En de week erna. Elke keer stapt mevrouw Jefferson op de veranda en spreekt dezelfde woorden. Elke keer vertrekken ze zonder iets te zeggen. Na de derde keer komen ze niet meer terug. En binnen het jaar zijn ze voorgoed verdwenen.

    Een onrecht is niet gewraakt wanneer vergelding de wreker treft. Een onrecht is evenmin gewraakt wanneer de wreker zich niet als zodanig bekend weet te maken aan degene die haar het onrecht aandeed.

    Nu, zoveel jaar later, slaat mevrouw Jefferson haar ogen neer, dempt haar stem en eindigt haar verhaal als volgt: ‘Ik was te geïntimideerd om hun moeder erop aan te spreken.’

    Ik vind het ondraaglijk om aan haar te denken als geïntimideerd. ‘Natuurlijk was je dat,’ zeg ik snel. ‘Die politiemensen uit de buurt patrouilleerden waarschijnlijk nog steeds, alleen nu in hun vrije tijd.’

    Stilte.

    Ze zwijgt, dus ik probeer een slavernijgrapje. ‘Je moest altijd uitkijken voor de ontsnapteslavenpatrouille van Park Manor.’ Het is flauw en het produceert een plichtmatig pre-lachgeluidje. Ik moet beter mijn best doen.

    ‘Moeder, het enige wat mij dwarszit is dat die mensen verhuisd waren voordat ik mijn badmintonset kreeg. Ze zouden erin gebleven zijn.’ Ze gunt me een blik waarin ik lees dat ze mijn poging waardeert, of in elk geval mijn goede bedoeling.

    Dan staat ze op en beëindigt het gesprek, nog immer vervuld van schaamte.

    Margo Jefferson is op 4 november te gast in het 
Humanity House in Den Haag in het kader van 
het Crossing Border Festival. Aanvang 20:45 uur. 
www.crossingborder.nl

    Auteur: Margo Jefferson

    Dit is een fragment uit 
Margo Jeffersons Negroland, 
dat onlangs verscheen bij 
De Arbeiderspers 
(vertaling: Pauline Slot).

  • 1. We moeten besmette monumenten niet vernietigen, maar verplaatsen

    1. We moeten besmette monumenten niet vernietigen, maar verplaatsen

    In het Amerikaanse Charlottesville leidde een demonstratie tegen een standbeeld van de Zuidelijke generaal Robert E. Lee tot een geweldsexplosie. En de vraag: wat moeten we met dit soort monumenten? Volgens (kunst)historicus Holland Cotter is het het beste ze in musea te bewaren. ‘Op een plaats delict moet je het bewijsmateriaal intact laten.’

    Dit is een zomer van herhalingen. De cultuuroorlogen zijn terug. Evenals de burgerrechtenbeweging. En de Burgeroorlog. Op 12 augustus deden die zich allemaal gelden in Charlottesville, Virginia, toen een demonstratie tegen de voorgenomen verwijdering uit een stadspark van een standbeeld van generaal Robert E. Lee, een generaal van het zuidelijke leger, tot een geweldsexplosie leidde. Twee groepen demonstranten kwamen samen en gingen met elkaar op de vuist: een bataljon blanke nationalisten, neonazi’s en Ku Klux Klan-aanhangers enerzijds, en een groep tegendemonstranten, van wie sommigen met Black Lives Matter-borden liepen.

    Vervolgens was er een tweede uitbarsting, nu op internet, toen president Donald J. Trump zich er, na een betekenisvolle stilte, vanaf maakte door beide partijen de schuld te geven van al het geweld. (‘Hoe zit het dan met het geweld van alt-links?’) Hij plaatste Robert E. Lee op één lijn met George Washington. Hij roemde de ‘schoonheid’ van het standbeeld van Lee en betreurde het verlies van andere standbeelden van geconfedereerden.

    Het is waar dat ook andere standbeelden gevaar lopen. Door de gebeurtenissen in Charlottesville en door de opmerkingen van de president, is er een zekere bewustwording op gang gekomen, een roep om alle standbeelden die herinneringen oproepen aan de Burgeroorlog weg te halen – of er juist voor te vechten. Er dient zich een verhitte ideologische strijd aan. Voor de demonstrerende blank-nationalisten is Lee een held, en symboliseert zijn standbeeld de blanke overheersing die, in een Amerika dat gestaag van kleur verandert, terrein verliest.

    Voor de raciaal gemengde contraprotestanten is hetzelfde standbeeld een herinnering aan de tijd dat de Zuidelijke Staten het land in tweeën wilde verdelen teneinde de zwarten als slaven te kunnen houden.

    Het standbeeld van geconfedereerde generaal Robert E. Lee in het Emancipation-park in Charlottesville wordt op 23 aug. neergehaald nadat Heather Heyer eerder die maand tijdens een rally tegen witte nationalisten werd vermoord. – © AP / Steve Helber
    Het standbeeld van geconfedereerde generaal Robert E. Lee in het Emancipation-park in Charlottesville wordt op 23 aug. neergehaald nadat Heather Heyer eerder die maand tijdens een rally tegen witte nationalisten werd vermoord. – © AP / Steve Helber

    Het gaat er niet bepaald netjes aan toe – de strijd kan niet worden beslecht met een opgestoken of naar beneden gekeerd duimpje. De standbeelden die het slachtoffer worden van deze strijd kunnen geheel verloren gaan, mogelijk voorgoed. De dag na de protesten gaan er beelden rond van demonstranten in Durham, North Carolina, waar een bronzen beeld van een Zuidelijke soldaat van zijn sokkel wordt getrokken. In Baltimore worden die woensdag, in het holst van de nacht, vier monumentale beelden die verwijzen naar de geconfedereerden in bestelwagens geladen en weggereden.

    Overal in het land klinkt de roep om dergelijke acties – in Annapolis, Maryland; in Jacksonville, Florida; in Memphis; in Washington; in New York, waar burgemeester Bill de Blasio opdracht heeft gegeven om alle ‘symbolen van haat’ in de stad in kaart te brengen. (Eentje was snel gevonden: een muur in de subway van Times Square, met tegeltjes die, daar waren de onderzoekers het al snel over eens, het patroon van de vlag van de Zuidelijke Staten vormden.)

    Niets nieuws

    Het vernielen van standbeelden uit sociale, politieke of religieuze motieven is niets nieuws. In het oude Egypte was het gebruikelijk dat de farao afbeeldingen van voorgangers schond of voor andere doeleinden gebruikte. In Noord-Europa werd tijdens de protestantse reformatie kunst uit katholieke kerken gehaald. De nazi’s zuiverden Europa van ‘ontaarde’ moderne schilderkunst. Mao Zedong scheurde, in zijn ‘Vier Oude Dingen’-campagne, klassieke landschappen aan flarden.

    Van recenter datum zijn de reusachtige Boeddha’s van Bamyan in Afghanistan, die de taliban in 2001 heeft opgeblazen. De beelden hiervan zijn de hele wereld over gegaan. Datzelfde geldt voor de opnamen van twee jaar later, van het reusachtige beeld van Saddam Hoessein dat in Bagdad omver werd getrokken. Eerder dit jaar heeft een Engelse kunstenares, Hannah Black, de curatoren van de Whitney Biënnale verzocht om een schilderij te verwijderen – een schilderij van een blanke kunstenares, Dana Schutz, waarop de tot martelaar uitgegroeide Emmett Till staat afgebeeld [een veertienjarige Afro-Amerikaanse jongen die in 1955 werd gelyncht in Mississippi nadat een blanke vrouw aanstoot aan hen nam].


    In principe lijkt het me heel gezond om beelden van geconfedereerde nationalisten in kaart te brengen en weg te halen. De burger in mij – die, net als elke Amerikaan dagelijks getuige is van racisme, het virus dat door ons land waart – is verheugd over de mogelijkheid om bepaalde sporen van de geschiedenis van ons land uit te wissen. De kunsthistoricus in mij is verheugd daarmee te kunnen afrekenen, maar om een andere reden.

    In tegenstelling tot president Trump kan ik weinig schoonheid ontwaren in het standbeeld van Robert E. Lee, met zijn gladde, neoklassieke nietszeggendheid. In Lee zelf zie ik een verrader die oorlog voerde tegen de Verenigde Staten, in een strijd voor een systeem van slavernij dat niet valt te verdedigen.

    Ook zie ik een werk dat niet helemaal is wat het lijkt, een reliek uit de Burgeroorlog. Zoals geldt voor veel militaire monumenten van de geconfedereerden, dateert ook dit standbeeld van ver na de oorlog – uit 1924 om precies te zijn, en het is vervaardigd in New York, voor het grootste deel door Henry Merwin Shrady, die met name bekend is geworden door zijn standbeeld van Ulysses S. Grant dat voor het United States Capitol in Washington staat. Na Shrady’s dood is het standbeeld voltooid door de Italiaanse beeldhouwer Leo Lentelli.

    In de decennia tussen 1890 en 1920 namen dit soort opdrachten een hoge vlucht. In die jaren na de wederopbouw kwam de politieke macht weer in handen van blanke zuiderlingen, en kwam de Lost Cause-beweging op. Die laatste verwijst naar een collectieve fantasie van een geïdealiseerde antebellumwereld waarin de behandeling van slaven dermate zachtaardig was dat dit onmogelijk een belangrijke factor kon zijn geweest voor het uitbreken van de Burgeroorlog.

    Om kort te gaan: het Charlottesville-Lee-standbeeld heeft veel minder van doen met het gedenken van zowel een held als een cultuur die weliswaar verloren is gegaan maar niet vergeten, dan met gevoelens van weemoed die worden aangewend om de werkelijkheid te verzachten van een heden waarin heimelijk van alles broeit. Het zal geen verbazing wekken dat in de jaren waarin dit beeld het licht zag, een sterke toename was te zien van blank-nationalistisch activisme en racistisch geweld.

    Musea zullen instellingen moeten worden die de waarheid uitdragen

    Het is belangrijk om het conceptuele mechanisme van een dergelijk beeld te doorgronden: hoe het door middel van stijl en bedrog boodschappen uitzendt die door verschillende soorten publiek op verschillende manieren kunnen worden gelezen. En die boodschappen worden heel duidelijk, en gevaarlijk, verspreid in het heden. De gewelddadige verdediging van het Lee-standbeeld in Charlottesville bewijst dat eens te meer en maakt ook dat ik, als historicus, die beelden wil behouden in plaats van ze te vernietigen.

    Zoals gezegd zijn mijn redenen pragmatisch. Op een plaats delict moet je het bewijsmateriaal intact laten. Het moet bewaard blijven voor het openbaar ministerie. In het geval van dit soort beelden is de officier van justitie de geschiedenis en kan het proces lang duren, tot ver in de toekomst voortslepen, en kunnen talloze getuigen worden opgeroepen. Men moet waken voor een overhaast oordeel en drastische beslissingen.

    Dus wat te doen met deze beelden, die nu evenzeer symbool staan voor racisme als de vlag van de Geconfedereerden? Een conservator zou kunnen zeggen: voorzie ze van een toelichting en behoud ze binnen de bedoelde context. Maar waar het mij om gaat is die context veranderen, de magie doorbreken, het stof van een vals soort nostalgie eraf kloppen, onszelf wakker schudden. Bovendien, als je de beelden verplaatst, kan er iets anders voor terugkomen, kun je nieuwe verhalen introduceren.

    En waar moeten ze dan naartoe? Naar al bestaande of nog te bouwen musea, in of buiten de stad. Daar kunnen ze in zekere zin worden bewaard, toegankelijk maar onder gecontroleerde omstandigheden, en kunnen ze worden getoond als de propaganda die ze zijn. Om dat mogelijk te maken zullen musea afstand moeten doen van hun vermeende ideologische neutraliteit. Ze zullen instellingen moeten worden die de waarheid uitdragen.

    Oefenterrein

    Onze encyclopedische musea, zoals het Met, zijn reusachtige pakhuizen vol voorwerpen van over de hele wereld die zijn bedoeld om precies dat te doen wat de beelden van de Geconfedereerden beoogden: om een ideologische boodschap uit te dragen, met ethische beelden die we stuitend zouden kunnen vinden als we in staat zouden zijn de visuele symbolen te duiden – de taal die taal overstijgt. We moeten leren symbolen te lezen met wijd open ogen, in onze eigen politieke realiteit van vandaag de dag, in een tijd van razendsnelle tweets en elektronische afleiding.

    Musea kunnen fungeren als oefenterrein voor een dergelijke manier van lezen, maar om echt effectief te zijn zullen ze eerst moeten onderkennen dat ze in historisch opzicht niet alleen een hall of fame zijn, maar ook een hall of shame.

    In reactie op de voorgenomen verwijdering van het standbeeld in Charlottesville, en andere standbeelden, twitterde president Trump: ‘Robert E. Lee, Stonewall Jackson – wie is de volgende? Jefferson? Washington? Zo dom! Je kunt de geschiedenis niet veranderen, maar je kunt er wel van leren.’

    Mis. Je kunt de geschiedenis wel veranderen, omdat je je kijk op de geschiedenis kunt veranderen. Die ligt nooit vast, al willen de Lost Cause-gedachte en de hedendaagse blank-nationalisten ons anders doen geloven. Door te graven naar beelden en woorden in dat wat we het verleden noemen, hebben wetenschappers het verleden veranderd, de cycli in kaart gebracht, er nieuwe informatie aan ontleend. Wat wij kunnen doen is bewijsmateriaal vergaren, of we er blij mee zijn of niet, en dat doorgeven.

    Auteur: Holland Cotter
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • We leven in een tijd van het grote eigen gelijk

    We leven in een tijd van het grote eigen gelijk

    George Packer, auteur van De ontluistering van Amerika en sterverslaggever van The New Yorker, reageert in The Atlantic op een kapitteling van collega-schrijver Ta-Nehisi Coates. Coates stelt dat racisme een fundamenteel onderdeel is van de Amerikaanse politiek en verwijt Packer dat niet als énige oorzaak te zien voor de opkomst van het fenomeen Donald Trump.

    Er valt veel te bewonderen aan het artikel ‘The First White 
President’ van Ta-Nehisi Coates over Donald Trump in de oktobereditie van The Atlantic. Het is zo’n stuk dat je meteen al in de eerste alinea bij de lurven grijpt en je niet meer loslaat. Het betoog wint aan kracht en bevat tot aan het einde toe treffende beeldspraak en bijtende polemiek (de 
politiek die opiaten als een ziekte beschouwt en crack als misdaad). De boodschap is de onweerlegbare waarheid dat racisme een fundamenteel onderdeel is van de Amerikaanse 
politiek.

    Het is de dwingende, énige oorzaak waaruit Coates het fenomeen Donald Trump verklaart. Het is een oorzaak waar niemand in Amerika het mee oneens zou mogen zijn. En het ligt ten grondslag aan elke stelling die Coates poneert. Omdat elke politieke gedraging in de blanke Amerikaanse politiek volgens hem zonder uitzondering is gebaseerd op het idee van ras, kapittelt hij mij omdat ik in de aanloop naar de verkiezingen voor The New Yorker een stuk heb geschreven over de blanke arbeidersklasse. Waarom zou je, aangezien de meeste blanke kiezers op Trump hebben gestemd, inzoomen op diegenen zonder universitaire graad, tenzij je ze van racisme wilt vrijpleiten door er andere redenen bij te halen, zoals klasse? Of erger, je sympathie met hen betuigen omdat ze van de maatschappelijke ladder af zijn gekukeld waar ze, anders dan zwarte Amerikanen, ‘van nature’ niet thuishoren? Of, nog erger, waarom zou je jezelf vrijpleiten?

    Tijdens de campagne wees de ene na de andere peiling uit dat verschillende gradaties van bevooroordeeldheid en het idee dat de economie achteruitholde de twee belangrijkste oorzaken waren voor de steun aan Trump. Ik schreef over kiezers uit de blanke arbeidersklasse, omdat hun politieke voorkeuren steeds meer verschillen van die van de hoogopgeleide blanke beroepsbevolking, zodanig dat de kaart van Amerika rood kleurt. Van Roosevelt tot Reagan, Clinton, Obama en Trump: zij zijn de belangrijkste zwevende kiezers. De flinterdunne verkiezingsoverwinning in de Rust Belt bevestigde mijn visie.

    George Packer – © Guillermo Riveros; Ta-Nehisi Coates – © The Atlantic.
    George Packer – © Guillermo Riveros; Ta-Nehisi Coates – © The Atlantic.

    Racisme ligt aan de basis van de Amerikaanse politiek. Maar niet alleen: dat geldt ook voor hebzucht, uiteengevallen gemeenschappen, partijgebonden haat en onwetendheid. Iedere schrijver die de Amerikaanse politiek wil begrijpen, moet een manier bedenken om in het hoofd te kruipen van degenen die op Trump hebben gestemd. Iedere progressieve politicus die aan de macht wil komen, moet een belang zien te vinden dat hij met hen deelt, zonder eerst de bijltjesdag af te wachten die blanke Amerikanen voor hun zonden laat boeten. Het is een van de belangrijkste uitdagingen van de politiek.

    Coates zul je er niet over horen, maar in mijn stuk besprak ik het verband tussen ras en klasse. Ik beweerde dat onverdraagzaamheid een constante van sommige mensen is, terwijl de vooroordelen van anderen afhankelijk van de omstandigheden kunnen worden gemanipuleerd door een demagoog als Trump. Ik zei erbij dat iedereen die Trump heeft gesteund, om welke reden ook, ‘probeert een gevaarlijke, verachtelijke man de leiding over het land te geven’. Ik heb niemand vrijgepleit noch iemand mijn sympathie betoond. Analyseren is iets anders dan rechtvaardigen, tenzij je vindt, zoals Coates, dat het hele onderwerp taboe is omdat het de waarheid over blanke superioriteit verdoezelt.

    Soms interpreteert iemand je zo slecht dat je er steil van achterover slaat, zoals wanneer Coates me ervan beschuldigt dat ik problemen als politiegeweld, draconische strafmaatregelen en andere misstanden wegwuif, alleen maar omdat ik Lawrence Summers heb geciteerd toen die het woord ‘diversiteit’ gebruikte om de Democratische coalitie te typeren. Het is het soort vertekening dat ontstaat als je fanatiek op zoek bent naar slechts één oorzaak. 
En was het mij niet ook ontgaan dat 
er zoiets bestaat als blanke-identiteitspolitiek? Ik schreef er tien jaar geleden al over, toen Sarah Palin – de Johannes de Doper van Trump – voor het eerst op het toneel verscheen. Heb ik de zwarte arbeidsklasse links laten liggen omdat de toestand waarin die zich bevindt de natuurlijke orde der dingen zou zijn? Een belangrijk deel van mijn laatste boek, De ontluistering van Amerika, gaat over een zwarte fabrieksarbeidster en de problemen in haar gemeenschap in Youngstown, Ohio. Ik vraag Coates 
niet of hij alles wil lezen wat ik heb geschreven, maar wel of hij niet wil doen alsof hij in mijn ziel kan kijken 
en of hij mijn bevoorrechte positie als blanke niet de ware oorsprong van mijn ideeën wil noemen.

    Niet één oorzaak

    Wanneer je een complete teleologie op één oorzaak bouwt – zelfs al is het zo’n machtige, hardnekkige als het blanke racisme – loop je de kans voorbij te gaan aan alles wat er niet in past. En daarom doet Coates Trumps seksisme – zijn walgelijke taal en de fysieke afkeer die veel van zijn aanhangers hebben van Hillary Clinton – af als achtergrondruis. Hij bagatelliseert vreemdelingenhaat, hoewel buitenlanders veel vaker het slachtoffer waren van Trumps retoriek en beleidsvoornemens dan zwarte Amerikanen. Coates verklaart niet waarom uiteenlopende Republikeinen op een gegeven moment Ben Carson hebben gesteund ten koste van de negen andere kandidaten, allemaal blanken. Hij laat het merkwaardige gegeven buiten beschouwing dat iets meer zwarte en Latijns-Amerikaanse kiezers en iets minder blanke voor Trump kozen en niet voor Mitt Romney. Hij noemt niet eens de naar schatting achtenhalf miljoen Amerikanen die op president Obama hebben gestemd en daarna op Trump, hoewel zij het verschil hebben gemaakt. Niet nodig om het steeds virulentere nihilisme van de Republikeinse Partij te beschrijven. Het onderscheid tussen stad en platteland? Slechts schijn.

    En dan is er het feit dat de steun voor Trump onder de blanke arbeidersklasse van tweederde op de dag van de verkiezingen is gedaald naar 43 procent in de afgelopen maand. Neemt Trump het toch niet zo nauw met die onverdraagzaamheid? Of heeft hij zijn andere plannen niet kunnen waarmaken: de corruptie aanpakken, amazing handelsovereenkomsten sluiten en Amerika weer great maken? Coates zou wel eens meer dan één oorzaak nodig kunnen hebben om dat allemaal te verklaren.

    Zij stuk slaat de geschiedenis plat tot één enkele, onomstotelijke waarheid, zodat een gebeurtenis uit 2016 hetzelfde is als een gebeurtenis uit 1805, de meest recente verkiezingen de vorige tenietdoen

    Dat 46 procent van de kiezers, voor het overgrote deel blank, op Trump heeft gestemd, dat sommigen op hem hebben gestemd vanwege zijn onverdraagzaamheid terwijl anderen die door de vingers zien, dat meer dan eenderde van het land hem steunt: het is allemaal al erg genoeg. Maar we leven in een tijd van het grote eigen gelijk, waarin nuances en concessies als zwaktes worden beschouwd en tegenvoorbeelden het bewijs zijn van een vals bewustzijn. Die sfeer is in Coates’ werk geslopen. In zijn stuk en in ander recent werk heeft hij de zelfkritische kwaliteit van zijn eerdere werk de rug toegedraaid ten gunste van een orakelachtige literaire stijl. Hij is de meest invloedrijke Amerikaanse schrijver van dit moment; zijn vorige stuk uit The Atlantic wordt op de universiteit al in de colleges gebruikt. Hij heeft nog nooit zo overtuigend geschreven en zijn zinnen slepen je mee omdat ze nergens voor wijken.

    Maar de stijl van het non-compromis offert onderwerpen op die voor lezers veel te belangrijk zijn om zo maar te laten schieten. Het slaat de geschiedenis plat tot één enkele, onomstotelijke waarheid, zodat een gebeurtenis uit 2016 hetzelfde is als een gebeurtenis uit 1805, de meest recente verkiezingen de vorige tenietdoen, de jaren van Obama een illusie worden. Het doet beleidsvoorstellen af als afleidingsmanoeuvres en de politiek zelf als immoreel handjeklap. Het tast de liberale waarde van het individuele denken aan – en daarmee de individuele verantwoordelijkheid – door gedachten en personen ondergeschikt te maken aan theorieën en groeperingen. Het begint met het essentiële inzicht dat ras een idee is en eindigt ermee dat ras zo ongeveer de essentie is van alles.

    Auteur: George Packer

    Openingsbeeld: © Ralph Fresco / Getty

    The Atlantic
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 430.000

    Voorheen The Atlantic Monthly. Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Boekte in 2010 voor het eerst winst dankzij een krachtige onlinestrategie. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en beeld.

  • In Eden zijn alleen blanken welkom

    In Eden zijn alleen blanken welkom

    Vijfentwintig jaar na de afschaffing van de apartheid in Zuid-Afrika wil een groep blanken een nieuwe enclave bouwen die verboden is voor zwarten.

    Ook zwarte mensen zullen worden toegelaten tot de blanke enclave ‘Die Eden Projek’ in de Oostkaap. Ze mogen de huizen bouwen, het land bewerken en de maaltijden voor de blanke gezinnen bereiden. En zwarte vrouwen zullen de kinderen die door de bedreigde blanken naar dit toevluchtsoord zijn gebracht helpen grootbrengen. Maar bij zonsondergang moeten ze het privéterrein van drieëntwintighonderd hectare verlaten en zich weer naar de townships en de sloppenwijken van het nabijgelegen plaatsje Willowmore begeven.

    ‘We moeten nog regels opstellen omtrent hun aanwezigheid. Zwarten mogen omliggend land kopen, maar deze grond is van ons. Het is particulier eigendom,’ zegt initiatiefnemer Jacqui Gradwell. ‘De vrijheid van vereniging geldt voor iedereen, dus ook voor ons [Afrikaners]. Niemand kan ons dat recht ontnemen.’

    Hij geeft toe dat de “afslachting” van blanken de voornaamste reden is voor het stichten van een Afrikaner enclave in de Oostkaap

    Het project bevindt zich nog in de opstartfase. De stichters hopen 20.000 tot 40.000 blanke gezinnen te verwelkomen om de nieuwe vrijplaats op te bouwen. Er geldt een strikt toelatingsbeleid. ‘We selecteren onze bewoners op basis van hun cultuur, de Afrikaner cultuur, en hun geloof, het christelijke. Dit is een boerengemeenschap, maar uiteraard zijn niet alle boeren Afrikaner. Ze zijn hoe dan ook welkom,’ zegt de 55-jarige Gradwell. Hij geeft toe dat de ‘afslachting’ van blanken de voornaamste reden is voor het stichten van een Afrikaner enclave in de Oostkaap. Volgens Gradwell zijn zwarten verantwoordelijk voor alle criminaliteit in Zuid-Afrika en maken ze zich schuldig aan ‘systematische genocide van blanke boeren en Afrikaners’. ‘Alle misdaden tegen blanken worden door zwarten gepleegd. Alle misdaden tegen zwarten worden zwarten gepleegd. Ze vermoorden en verkrachten ons, onze kinderen worden als schapen afgeslacht. In Zuid-Afrika zijn 80.000 blanken vermoord, ik heb een lijst met alle namen. De hoofdreden is dat we onze mensen in veiligheid willen brengen. En natuurlijk ook onze cultuur, die om zeep wordt geholpen.’

    De interesse van rijke, blanke investeerders is al gewekt en Gradwell hoopt dat ze de zestig percelen zullen kopen die zijn uitgetekend op de blauwdruk van zijn visie op het concept ‘volksstaat’, bedacht door de vermoorde blanke separatist en leider van de Afrikaner Weerstandsbeweging, Eugene Terre’Blanche.

    Wanneer het project is voltooid, zal ‘Die Eden Projek’ twee scholen tellen, een bestuursgebouw en een eigen rugbyveld en -team. Het streven is een geheel zelfvoorzienende gemeenschap waarin iedereen werk heeft, een vast inkomen en een dak boven het hoofd. ‘We willen onafhankelijk zijn van de staat en zelf voor water, elektriciteit en voedsel zorgen.’


    Gradwell voorziet geen protesten tegen de blanke enclave, die is geïnspireerd op het in de jaren negentig gestichte ‘slegs vir blankes’-dorp Orania in de Noordkaap. Maar de verkoop van de percelen kan uitlopen op wetsovertreding. ‘Wettelijk gezien is het discriminatie,’ zegt Cathi Albertyn, hoogleraar rechten aan de Wits University. ‘Wat zou er gebeuren als een zwarte een stuk grond wil kopen en te horen krijgt: “Nee, jij kunt hier geen land kopen, het is exclusief voor blanken.” Als het wordt aangevochten, hebben de eigenaren geen poot om op te staan.’ Mensenrechtenorganisaties zouden de zaak aanhangig kunnen maken. Volgens Albertyn zou Zuid-Afrika’s apartheidsverleden sterk in hun voordeel werken. ‘Met de geschiedenis van gedwongen verhuizingen en landverdeling nog vers in het geheugen is uitsluiting op basis van ras erg lastig te verdedigen.’

    Vanwege de racistische ondertonen heeft de leider van Orania, Carel Boshoff, zich van het project gedistantieerd. ‘Autonome gemeenschappen vormen de beste bouwstenen voor een succesvol Zuid-Afrika. Alleen gaat Orania uit van onoverbrugbare cultuurverschillen en zijn wij niet gefocust op ras, al wordt ons wel racisme aangewreven. Wij geloven ook in zelfwerkzaamheid. Daarom zijn we geen voorstander van het inschakelen van gastarbeiders,’ zegt Boshoff. ‘We doen liever alles zelf.’

    Auteur: Govan Whittles

    Mail & Guardian
    Zuid-Afrika | weekblad | oplage 41.000

    Opgericht in 1985 als Weekly Mail en in 1990 vlot getrokken door The Guardian in Londen. Sinds 2002 eigendom van de Zimbabwaanse krantenuitgever Trevor Ncube. De duidelijk links georiënteerde krant ijvert voor een toleranter Zuid-Afrika.

  • Spreekbuis rassenpolitiek komt tot andere inzichten

    Spreekbuis rassenpolitiek komt tot andere inzichten

    De massale schreeuw om herstel van blank Amerika is gehoord en beloond. Maar er is altijd hoop en kans op herbezinning. Lees het ongelofelijke verhaal van Derek Black, spreekbuis van het blankesuprematiebeginsel, die door discussies met medestudenten langzaam maar zeker aan zijn eigen logica begint te twijfelen.

    Hun openbare bijeenkomst wordt verstoord door een demonstratie en een bommelding, dus besluiten de white nationalists op een geheime locatie te vergaderen. Ze glippen langs politieagenten en demonstranten een hotel binnen in het centrum van Memphis. Het is november 2008, een paar dagen nadat Amerika voor het eerst in de geschiedenis een zwarte president heeft gekozen. Tientallen vooraanstaande racisten van over de hele wereld willen hun strategie voor de komende jaren bepalen. ‘De aftrap van de strijd voor het herstel van een blank Amerika’, staat er op de agenda.

    De ruimte is voor een groot deel gevuld met voormalig Ku Klux Klan-aanvoerders en prominente neonazi’s, maar een van de keynotesprekers is een student uit Florida, een jongen van nog maar net negentien. Derek Black heeft al een eigen radioprogramma. Hij is een white nationalist-website voor kinderen begonnen en is op lokaal niveau politiek actief in Florida. ‘Het lichtende voorbeeld van onze conferentie’, zo luidt zijn introductie. En dan neemt Derek plaats achter het spreekgestoelte. ‘Dé manier om iets te bereiken is via de politiek,’ zegt hij. ‘We kunnen infiltreren. We kunnen ons land terugveroveren.’

    Zijn moeder, Chloe, is ooit getrouwd geweest met David Duke, een van de beruchtste en fanatiekste racisten van Amerika, en Duke is Dereks peetvader

    Jaren voordat Donald Trump een verkiezingscampagne voert die deels is gebaseerd op een politiek van raciale ongelijkheid en verdeeldheid, is een groep openlijke white nationalists al bezig de weg voor hem te effenen en zijn opkomst mogelijk te maken, door het racistische gedachtengoed steeds meer weg te halen uit de hoek van het extremisme en onder te brengen bij rechtse, zeer conservatieve partijen. Veel van de aanwezigen in Memphis hebben een ontwikkeling doorgemaakt van Klan-lid naar aanhanger van het blankesuprematiebeginsel naar ‘raciaal-realist’, om hun eigen terminologie te gebruiken. Derek Black staat voor een volgende stap in die evolutie.

    Hij doet nooit racistische uitspraken. Hij roept niet op tot geweld of tot het overtreden van de wet. Hij is verkozen binnen een Republikeinse commissie in Palm Beach County, Florida (waar Trump ook een huis heeft), zonder ooit de term ‘white nationalism’ in de mond te hebben genomen. In plaats daarvan spreekt hij over de ongekende schade die wordt aangericht door politieke correctheid, positieve discriminatie en een ongebreidelde instroom van hispanics.

    Erfgenaam

    Derek Black is niet alleen een spreekbuis van de rassenpolitiek, hij is er ook een voortbrengsel van. Zijn vader, Don Black, is de oprichter van Stormfront, het eerste en grootste internetforum van de white nationalists, met meer dan 300.000 leden – een aantal dat nog altijd groeit. Zijn moeder, Chloe, is ooit getrouwd geweest met David Duke, een van de beruchtste en fanatiekste racisten van Amerika, en Duke is Dereks peetvader. Derek is opgegroeid in de voorste gelederen van de beweging, en sommige white nationalists noemen hem dan ook ‘de erfgenaam’.

    Hier, in Memphis, spreekt Derek over de toekomst van hun ideologie. ‘De Republikeinse partij moet ofwel ten val worden gebracht, ofwel worden overgenomen,’ zegt hij. ‘Ik ga ervan uit dat de Republikeinen hun rol als blanke partij zullen oppakken en waarmaken.’

    Een paar toehoorders beginnen te klappen, vervolgens beginnen er een paar te fluiten, en het duurt niet lang of de hele zaal applaudisseert. ‘Dit is ons moment,’ zegt Derek, want in deze zaal heerst tenminste consensus. Men is ervan overtuigd dat het white nationalism een politieke revolutie in gang zal zetten. Ook is men ervan overtuigd, in ieder geval op dat moment, dat Derek die beweging mede zal aanvoeren. ‘Over vele jaren zullen we terugkijken op deze tijd,’ zegt hij. ‘De grote intellectuele beweging om de blanken te redden is vandaag in gang gezet.’

    Hij krijgt te horen dat andere rassen gewantrouwd dienen te worden, evenals de Amerikaanse overheid, kraanwater en popmuziek

    Acht jaar later zal de toekomst die ze op dat moment voor zich zien eindelijk gestalte krijgen, met de presidentsverkiezingen van 2016. Donald Trump retweet de blanke racisten. Hillary Clinton houdt toespraken over de toenemende haat onder blanken en citeert David Duke, die zelf een campagne is begonnen om een Senaatszetel in de wacht te slepen.

    Het white nationalism heeft zich inmiddels op grove wijze een pad gebaand naar het centrum van de Amerikaanse politiek, maar een van de mensen die de ideologie als geen ander kent, is in geen velden of wegen meer te bekennen. Derek is net 27 geworden ten tijde van de campagnes voor de verkiezingen van 2016. In plaats van de beweging aan te voeren, doet hij verwoede pogingen zich ervan los te maken. En dan niet alleen van de landelijke beweging, maar ook van een leven waar hij zich niet langer een voorstelling bij kan maken.

    Dat leven heeft zich, vanaf het allereerste begin, afgespeeld in de geïsoleerde wereld van blanke racisten, een wereld waarin geen seconde wordt getwijfeld aan de positie van de blanken binnen de Amerikaanse samenleving. Derek heeft met de paplepel ingegoten gekregen dat Amerika is bedoeld voor blanke Europeanen en dat alle anderen uiteindelijk zullen moeten vertrekken. Hij krijgt te horen dat andere rassen gewantrouwd dienen te worden, evenals de Amerikaanse overheid, kraanwater en popmuziek. Zijn ouders halen hem in groep drie van zijn school in Palm Beach, omdat ze zijn zwarte leraar ‘ain’t’ horen zeggen. Derek is dan een van de weinige blanke kinderen in een klas met voornamelijk hispanics en Haïtianen. Zijn ouders besluiten dat hij thuis beter af is.

    ‘Het is verschrikkelijk hoeveel blanke geesten worden verpest binnen het schoolsysteem’, schrijft Derek niet veel later op de Stormfront-site voor kinderen, die hij maakt wanneer hij tien is. ‘Ik word nu niet langer belaagd door groepen niet-blanken. Ik leer trots te zijn op mezelf, mijn familie en mijn volk.’

    Derek Black in 2008. De zoon van voormalig Ku-Klux-Klan-wizard Don Black is op zijn 19e verkozen in de Republikeinse commissie in Palm Beach County. – © Hollandse Hoogte
    Derek Black in 2008. De zoon van voormalig Ku-Klux-Klan-wizard Don Black is op zijn 19e verkozen in de Republikeinse commissie in Palm Beach County. – © Hollandse Hoogte

    Omdat hij thuisonderwijs krijgt, kan racisme een speerpunt van zijn scholing worden. Thuisonderwijs betekent ook dat hij de vrijheid heeft om op pad te gaan met zijn vader, die elk jaar een paar weken afreist naar het Diepe Zuiden om te spreken op congressen van white nationalists. Don Black komt uit Alabama, waar hij zich in de jaren zeventig aansluit bij de White Youth Alliance, die wordt geleid door David Duke, die op dat moment nog is getrouwd met Chloe. Dat huwelijk loopt uiteindelijk stuk en jaren later komen Don en Chloe elkaar weer tegen. Ze trouwen en in 1989 wordt Derek geboren.

    Ze nemen hun intrek in Chloe’s geboortehuis in West Palm Beach waar ze Derek samen met de twee dochtertjes van Chloe grootbrengen. Verderop in de straat wonen immigranten uit Guatemala en in een flat vlakbij komen gepensioneerde joden wonen. ‘Indringers,’ zegt Don soms, maar Chloe wil niet weg bij haar oude moeder in Florida, dus berust Don uiteindelijk in de langdurige uitstapjes naar het blankste deel van het Zuiden.

    Tijdens die uitstapjes verblijven Don en Derek altijd bij Dons vrienden uit de white power-beweging, waar Derek hun vele verhalen hoort. Zoals het verhaal over zijn vader die, op zijn zestiende, in de borst wordt geschoten terwijl hij in Georgia campagne voert voor rassenscheiding. Of over de dag in 1981 waarop Don met acht andere extremisten plannen smeedt om aan boord te gaan van een boot, met tassen vol dynamiet, automatische wapens en een nazivlag. Hun plan, operatie Rode Hond geheten, is om het piepkleine Caribische eilandstaatje Dominica in te nemen. Maar Don wordt gesnapt, ingerekend en tot drie jaar cel veroordeeld. In de gevangenis leert hij een beetje programmeren en in 1995 maakt hij de Stormfront-website, met als motto: White Pride World Wide.

    In de loop der jaren trekt zijn website allerhande extremisten aan: skinheads, burgerwachtbewegingen, terroristen en Holocaustontkenners. Volgens het Southern Poverty Law Center, dat haat in kaart brengt, is in de loop der jaren een handvol van de mensen die berichten op Stormfront plaatsen ook daadwerkelijk overgegaan tot het plegen van hate crimes, waaronder ook moorden.

    Een van de mensen die geregeld berichten op het forum plaatst, pleegt in 1999 een aanslag op een crèche in Los Angeles, waarbij hij drie kinderen verwondt. Een ander vermoordt in 2000 zijn joodse buurman, in een plaats niet ver van Pittsburgh. ‘We trekken te veel psychopaten aan’, post Don. Hij besluit tot een gematigder toon, om Stormfront een breder draagvlak te geven.

    Satanskind

    Stormfront is inmiddels uitgegroeid tot een dagtaak, hoewel Don er weinig aan verdient en het gezin moet zien rond te komen van Chloe’s salaris als secretaresse. Zij gaat elke ochtend naar haar werk en Don neemt thuis plaats achter zijn overvolle bureau, vanwaar hij probeert alt-rightschrijvers en -wetenschappers [onlinegemeenschap die in korte tijd een leger volgers verzamelde dat zich achter Trump schaart] over te halen om op zijn website te publiceren. In 2008 besluit hij beledigingen, nazisymbolen en fysieke dreigementen van de website te weren, hoewel zijn eigen taalgebruik goeddeels onveranderd blijft. Hij heeft geen vrienden maar ‘kameraden’. Men is ‘tegen ons’ of ‘voor ons’, men is ofwel een ‘sympathisant’ ofwel een ‘vijand’. Derek versterkt de band met zijn vader door zijn belangrijkste ideologische bondgenoot te worden.

    Derek leert programmeren en maakt de Stormfront-website voor kinderen. Hij wordt geïnterviewd over haatzaaien door Nickelodeon, diverse talkshows, HBO en USA Today. ‘Satanskind,’ noemt Don hem soms, met trots en liefde in zijn stem.

    Maar Don leest ook verschrikkelijke mails die zijn zoon krijgt van onbekenden die aanstoot nemen aan de Stormfront-website voor kinderen. Don begint zich zorgen te maken over de dertienjarige die maar al te vertrouwd raakt met de wisselwerking tussen vooroordelen en haat. ‘Je zult branden in de hel’, staat er in een van de mails, uit 2002. ‘Ik zou willen dat je nu hier bij me was’, schrijft iemand anders. ‘Je zou de rest van je leven alleen nog maar door een slangetje kunnen eten, vuile ellendeling.’

    Don zegt tegen Derek dat hij de berichten niet meer moet lezen. Later zal hij zich afvragen: ‘Heb ik hem dit opgedrongen? Doet hij het alleen voor mij?’ Hij vraagt Derek of hij wil stoppen met de kinderwebsite, maar Derek zegt dat hij geen last heeft van de mails. Het is de vijand. Wat doet het ertoe wat die vindt?

    Hij was slimmer dan ik. Hij doorzag de dingen beter. Hij ging voluit’

    Vanaf dat moment kijkt Don met andere ogen naar zijn zoon. Hij ziet niet langer een kind dat binnen de beweging ter wereld is gekomen, hij ziet een leider in de dop, hij ziet iemand met een gedrevenheid en een overtuiging die volkomen vanuit hemzelf komen. Don heeft meer dan veertig jaar gewacht op blanken die de rassenkwestie in Amerika weer op de kaart kunnen zetten, en langzaam begint bij hem het besef te dagen dat de puber die onder zijn eigen dak woont weleens als katalysator zou kunnen fungeren. ‘Al mijn kracht, maar dan zonder mijn zwakten,’ zal Don later zeggen over de Derek van toen. ‘Hij was slimmer dan ik. Hij doorzag de dingen beter. Hij ging voluit.’

    Velen binnen de beweging worden gevoed door woede en angst, maar Derek staat heel erg open voor de mensen die hij ontmoet, ongeacht hun huidskleur. Hij beroept zich niet op emoties maar op logica en wetenschap om zijn kijk op de wereld te onderbouwen. Hij leest rapporten van conservatieve denktanks, over de biologische verschillen tussen de rassen, over verschillen in IQ en over het aantal misdrijven dat wordt gepleegd door zwarten, afgezet tegen het aantal dat wordt gepleegd door blanken. Derek begint een dagelijks radioprogramma waarin hij zijn ideeën uiteenzet, en Don telt 275 dollar per week neer voor zendtijd op een AM-zender in de buurt van Lake Worth. Op de radio draagt Derek eraan bij dat het idee van genocide op de blanken weerklank vindt – het idee dat blanken hun cultuur en tradities wordt afgenomen door een golf van niet-blanke immigranten. ‘Als wij het maar vaak genoeg blijven herhalen – “Genocide op het blanke ras! We raken de greep op ons land kwijt!” – zullen politici het uiteindelijk overnemen,’ zegt hij. Hij herhaalt het in interviews, in berichten op Stormfront en tijdens zijn speech op de conferentie in Memphis, waar hij meer dan ooit overtuigd is van zijn gelijk.

    Derek maakt zijn middelbare school af, gaat studeren en stelt zich kandidaat voor een Republikeinse commissie. Hij weet het zittende lid te verslaan, met 60 procent van de stemmen. Hij besluit middeleeuwse Europese geschiedenis te gaan studeren en schrijft zich in op het New College of Florida, een opleiding die hoog staat aangeschreven en waar veel geschiedenisvakken worden aangeboden. ‘We willen dat je niet alleen geschiedenis studéért, maar ook geschiedenis schríjft,’ brengen Don en Chloe hem soms in herinnering.

    New College behoort tot de vrijzinnigere opleidingen in de staat. ‘Ze doen niet moeilijk over wiet, ze doen niet moeilijk over homoseksualiteit,’ licht Don toe in zijn radioprogramma. Voor sommige white nationalists is het dan ook een onbegrijpelijke keuze. Don wordt een keer tijdens de uitzending door een van zijn vrienden gevraagd of het hem geen zorgen baart dat zijn zoon studeert in een ‘culturele smeltkroes’, waarop Don in lachen uitbarst. ‘Als íémand daardoor wordt beïnvloed, dan zijn het al die anderen,’ zegt hij. ‘Over niet al te lange tijd zal zowel de docenten als de studenten duidelijk worden wie ze in hun midden hebben.’

    Aanvankelijk weet niemand iets van Derek, en dat wil hij graag zo houden. New College is in Sarasota, op drie uur rijden, en Derek is voor het eerst van zijn leven het huis uit. Hij woont een introductiemiddag bij over diversiteit en begrijpt dat hij er meteen uit zal liggen als hij laat blijken dat hij een racist is. Hij besluit het onderwerp white nationalism op de campus uit de weg te gaan, of er in ieder geval mee te wachten totdat hij een paar vrienden heeft gemaakt.

    Dereks vader, Don Black, geflankeerd door veiligheidsagenten tijdens een bijeenkomst van de extreem racistische organisatie Ku-Klux-Klan in Winnsboro, Texas. – © Bettmann Archive
    Dereks vader, Don Black, geflankeerd door veiligheidsagenten tijdens een bijeenkomst van de extreem racistische organisatie Ku-Klux-Klan in Winnsboro, Texas. – © Bettmann Archive

    De meeste anderen in zijn studentenhuis komen net van de middelbare school, terwijl Derek, die eenentwintig is, al een auto heeft en oud genoeg is om legaal aan bier te komen. Precies die dingen die hem ooit tot een buitenbeentje maakten – het rode haar tot over zijn schouders, zijn cowboyhoed, zijn enthousiasme voor middeleeuwse re-enactment – maken dat hij uitstekend past op New College, waar vrijwel alle achthonderd studenten wel iets aparts hebben. Met Halloween maakt Derek zelf een harnas en gaat verkleed als ridder. Hij kijkt naar zombiefilms met de andere jongens uit zijn studentenhuis, onder wie een Peruviaanse immigrant en een orthodoxe jood.

    Misschien zijn het indringers, zoals zijn vader zegt, maar Derek mag ze ook wel. Hij houdt zijn overtuigingen nog altijd voor zich, maar gaandeweg voert hij steeds meer een innerlijke strijd. Wanneer een medestudent vertelt dat hij op een website die Stormfront heet een stuk heeft gelezen over de racistische aspecten van The Lord of the Rings, doet Derek of zijn neus bloedt.

    Ondertussen belt hij elke doordeweekse ochtend naar de radiozender om zijn bijdrage aan het programma te leveren. Hij zegt tegen zijn vrienden dat hij zijn ouders belt, en in zekere zin is dat ook zo. Elke ochtend zijn Derek en zijn vader te beluisteren, ingeleid door muziek: ‘I’m a White Boy’ van Merle Haggard. Derek herhaalt met grote regelmaat zijn opvatting dat blanken worden weggevaagd – ‘een genocide in ons eigen land’, noemt hij het. Hij houdt de luisteraars voor dat het probleem schuilt in een ‘golf van niet-blanke immigranten’. Hij noemt Obama een ‘anti-blanke radicaal’. Hij zegt dat blanke kiezers ‘met smart wachten op een politicus die gewoon durft te benoemen op welke manieren blanken allemaal in de verdrukking raken’. Hij zegt dat het om ‘de belangrijkste strijd van ons bestaan’ gaat.
    Vervolgens hangt hij op en gaat terug naar het studentenhuis waar hij op zijn gitaar nummers van Taylor Swift speelt of met een van de boten van New College gaat zeilen op Sarasota Bay.

    Na een semester gaat hij een tijdje in Duitsland studeren, omdat hij de taal wil leren. Hij houdt contact met New College via een messageboard voor studenten, ‘het forum’ genoemd. Hij krijgt automatisch updates via de mail.

    Op een avond in april 2011 ziet Derek een bericht voor alle studenten, gepost om vier minuten voor twee ’s nachts. Het is geschreven door iemand die Derek niet kent – een ouderejaars die online onderzoek doet naar terroristische groeperingen en daarbij op een bekend gezicht is gestuit. ‘Kent iemand deze man?’ luidt het bericht. Onder de woorden een foto die geen enkele twijfel laat. Het rode haar. De cowboyhoed. ‘Derek Black: blanke suprematist, radiomaker… student aan New College???’ staat er. ‘Hoe gaan we hier als gemeenschap mee om?’

    Tegen de tijd dat Derek het volgende semester weer op de campus komt, zijn er meer dan duizend reacties geplaatst. Het is de langste thread in de geschiedenis van een school waar Derek nu het liefst verre van blijft. Hij keert terug naar Sarasota, verzoekt om toestemming om buiten de campus onderdak te zoeken en huurt een kamer een paar kilometer verderop.

    Overwinnen met argumenten

    Een paar vrienden uit het vorige jaar mailen om te zeggen dat ze zich verraden voelen. Op de campus steken onbekenden van veilige afstand een middelvinger naar hem op. Derek probeert zich zo min mogelijk in het openbaar te vertonen; de andere studenten kijken hem voornamelijk vuil aan of laten hem links liggen, hoewel er op het forum nog altijd druk wordt gespeculeerd.

    ‘Misschien probeert hij zich los te maken van een leven waar hij niet voor heeft gekozen.’

    ‘Hij heeft ervoor gekozen zich in het openbaar als racist te profileren. Wij hebben ervoor gekozen hem in het openbaar als racist te bestempelen.’

    ‘Ik wil alleen maar dat hij een pijnlijke dood sterft, en zijn hele familie erbij. Is dat te veel gevraagd?’

    ‘Ik zou willen dat Derek Black eens een keer reageerde…’

    In plaats van te reageren leest Derek de berichten op het forum en gebruikt die als motivatie om een congres voor white nationalists te beleggen in East Tennessee. ‘Overwinnen met argumenten: verbale tactieken voor iedereen die wit en normaal is’, schrijft hij in de uitnodiging. Hij heeft op diverse congressen gesproken, onder meer die ene keer in Memphis, maar pas nu voelt hij zich geroepen weer een bijeenkomst te organiseren, nu het gedachtengoed van de white nationalists steeds meer opgang maakt. Het idee van genocide op de blanken, dat hij altijd heeft omarmd, is niet meer weg te denken van rechtse radiozenders. David Duke probeert banden aan te knopen met ‘onze vrienden en bondgenoten binnen de Tea Party’. Donald Trump heeft de gemoederen binnen alt-right verhit door Obama’s geboorteakte in twijfel te trekken, en volgens een opiniepeiling gelooft slechts 38 procent van de Amerikanen ‘oprecht’ dat Obama is geboren in de Verenigde Staten.

    ‘Een cruciaal moment om onze beweging meer bekendheid te verlenen,’ zegt Derek op de radio. Hij zorgt voor honderdvijftig inschrijvingen en regelt toespraken van zijn vader, Duke en andere separatistische kopstukken. Een andere student van New College krijgt lucht van het congres en plaatst de details op het forum, waar geleidelijk een nieuwe houding lijkt te ontstaan.

    ‘We bereiken er niets mee om Derek buiten te sluiten’, schrijft een van de studenten.

    ‘Dit is onze kans om echt iets te veranderen, om invloed uit te oefenen op een van de leiders van de blanke suprematisten in Amerika. Ik overdrijf niet. De burgerrechten zouden zegevieren.’

    ‘Wie is slim genoeg om iets te bedenken dat hem van gedachten kan doen veranderen?’

    Derek belt terug, en nu neemt zijn moeder op. Ze zegt dat ze niet met hem wil praten

    Een van de mensen die Derek kent uit het eerste jaar heeft misschien een idee. Hij verdiept zich in Stormfront en luistert naar Dereks radioprogramma. Eind september stuurt hij Derek een sms’je. ‘Wat doe je vrijdagavond?’ schrijft hij.

    Matthew Stevenson geeft wekelijks een sabbatsetentje bij hem thuis. Hij is ermee begonnen vlak nadat hij zich in 2010 heeft ingeschreven op New College. Hij is de enige orthodoxe jood op een opleiding waar vrijwel geen enkele joodse infrastructuur is, dus besluit hij elke vrijdagavond op zijn studentenkamer te koken voor een klein groepje vrienden. Matthew drinkt altijd uit een kiddoesjbeker en zegt de traditionele gebeden, maar zijn gasten zijn voornamelijk christenen, atheïsten, zwarten of hispanics – iedereen die ruimdenkend genoeg is om naar een paar joodse zegenspreuken te luisteren. In het najaar van 2011 nodigt Matthew ook Derek uit om te komen eten.

    Matthew heeft er een paar weken over gedubd of het een goed idee is. Derek en hij zaten ooit vlak naast elkaar in het studentenhuis, maar ze hebben elkaar niet meer gesproken sinds Derek op het forum is ontmaskerd. Matthew, die vrijwel altijd een keppeltje draagt, heeft in zijn leven genoeg met antisemitisme te maken gehad om weet te hebben van de KKK, David Duke en Stormfront. Hij leest nog een paar berichten van Derek uit 2007 en 2008: ‘Joden zijn níét blank.’ ‘Joden proberen op slinkse wijze de macht over onze maatschappij in handen te krijgen.’ ‘Ze moeten weg.’

    Matthew besluit dat hij de meeste kans maakt om Dereks denken te beïnvloeden wanneer hij hem opneemt in zijn kring, meer dan wanneer hij hem blijft negeren of de confrontatie aangaat. ‘Misschien kent hij nog helemaal geen joden,’ herinnert Matthew zijn overweging.


    Het is de eerste keer dat Derek ergens voor wordt uitgenodigd sinds zijn terugkeer naar de campus, dus hij besluit te gaan. Eerder waren er weleens acht tot tien mensen bij het sabbatsmaal, maar dit keer komen er maar een paar. ‘Laten we niet anders tegen hem doen dan tegen wie ook,’ zegt Matthew tegen de aanwezigen.

    Derek komt met een fles wijn. Niemand begint over de white nationalists of het forum, uit respect voor Matthew. Derek is stil en beleefd. De week daarop komt hij weer, en de week daarop ook. Na een paar maanden voelt niemand zich meer echt bedreigd en is de sabbatsgroep weer net zo groot als voorheen.

    De zeldzame keren dat Derek aan tafel een onderwerp aansnijdt, gaat het over de eigenaardigheden van de Arabische grammatica, dieren die in zee leven of de middeleeuwse wortels van het christendom. Hij maakt een intelligente en nieuwsgierige indruk, en hij luistert voornamelijk. Hij luistert naar een Peruviaanse student die vertelt over zijn middelbare school, waar 90 procent hispanics op zaten. Hij vraagt Matthew hoe hij denkt over het conflict tussen Israël en Palestina. Ze zijn allebei nog enigszins op hun hoede: Derek vraagt zich af of Matthew hem dronken wil voeren en hem probeert te verleiden aanstootgevende dingen te zeggen die hij vervolgens op het forum kan plaatsen; Matthew vraagt zich af of Derek vriendschap probeert te sluiten met een jood om zich te verweren tegen aantijgingen van antisemitisme. Maar ze mogen elkaar ook, en ze gaan samen poolen in een kroeg niet ver van de campus.

    Gaandeweg vragen mensen uit de sabbatsgroep Derek weleens naar zijn opvattingen, die hij in 2011 en 2012 incidenteel toelicht in een gesprek of een mail. Hij zegt dat hij voor abortus is. Hij zegt dat hij tegen de doodstraf is. Hij zegt dat hij niet gelooft in geweld of in de KKK of in het nazisme of zelfs maar in de blanke suprematie – wat iets heel anders is dan white nationalism, benadrukt hij. Hij schrijft in een e-mail dat hij zich alleen zorgen maakt dat de ‘golf van immigranten en de gedwongen integratie’ zullen resulteren in een genocide op de blanken. Hij zegt dat hij gelooft in de rechten van alle rassen, maar dat hij van mening is dat mensen beter af zijn in hun eigen land, apart van elkaar.

    ‘Je hebt het nooit benoemd, Derek’, schrijft een van zijn sabbatsvrienden. ‘Je hebt nooit gezegd: “Hé, jongens, dit is waar ik in geloof en dit is waar ik niet in geloof.” Het is niet aan degene die bang/geïntimideerd zou kunnen zijn om op de ander af te stappen om vast te stellen of diegene echt eng of intimiderend is.’

    ‘Ik geloof dat ik alleen waarde hecht aan de mening van mensen die ik ken’, schrijft Derek terug. Inmiddels rekent hij zijn sabbatsvrienden tot de mensen die hij kent en respecteert. ‘Jullie hebben natuurlijk gelijk dat ik mijn eigen rol bagatelliseer,’ schrijft hij.

    Afgezwakt

    Aan het begin van zijn laatste jaar aan New College besluit Derek eindelijk een reactie op het forum te plaatsen. Hij wil dat zijn vrienden op de campus zich niet langer ongemakkelijk voelen, ook al is hij van mening dat voor sommigen van hen hun thuisland elders is. Hij gaat naar een koffietentje en begint aan zijn bericht, zwakt met elke nieuwe versie zijn eigen ideologie wat meer af. Hij is niet langer van mening dat het eindstation van white nationalism een gedwongen deportatie van niet-blanken is, maar geleidelijke zelfdeportatie, waarbij niet-blanken uit eigen verkiezing zouden vertrekken. Hij gelooft niet in zelfdeportatie per direct, in ieder geval niet waar het zijn vrienden betreft, maar uiteindelijk, ooit, in theorie. ‘Mij is duidelijk gemaakt dat sommige mensen bang zijn geworden, of zijn geïntimideerd, of zich zelfs bedreigd voelen, door dingen die over mij zijn gezegd’, begint hij. ‘Ik wil graag openlijk op die zorgen ingaan, aangezien ze totaal onnodig zijn. Ik ben niet voor onderdrukking van mensen op grond van ras, geloof, overtuiging, gender, sociaal-economische positie en dergelijke.’

    Het bericht, enkel bedoeld voor het College, wordt doorgespeeld aan het Southern Poverty Law Center (SPLC), dat een openbaar dossier bijhoudt over Derek en andere racistische kopstukken. De groep stuurt Derek een mail waarin ze hem om opheldering vragen. Heeft hij het white nationalism afgezworen? ‘Je opvattingen lijken heel anders dan veel mensen denken’, staat er in de mail.

    Derek krijgt het bericht terwijl hij op vakantie is in Europa, met de Kerst. Hij logeert bij Duke, die zijn radioprogramma verzorgt vanuit een deel van Europa waar de wetgeving op het gebied van de vrijheid van meningsuiting zeer soepel is. ‘Dankzij de Tea Party worden enkele van onze opvattingen nu breed gedeeld,’ heeft hij een paar dagen eerder gezegd. Zelfs Derek vindt enkele van de dingen die Duke zegt overtrokken, of zelfs onrustbarend, maar de man is en blijft zijn peetvader. Derek schrijft terug, gezeten op de bank in Dukes woonkamer.

    ‘Alles wat ik [op het forum] heb gezegd is waar’, schrijft hij. ‘Ik geloof ook in white nationalism. Mijn bericht en mijn raciale ideologie bijten elkaar niet.’

    Maar in werkelijkheid is Derek meer en meer in verwarring over wat hij nou precies vindt. Soms scrolt hij wat door de berichten op Stormfront, in de hoop zijn ideologische overtuiging te sterken, maar de threads over Obama’s geboorteakte of over DNA-tests die zijn staatsburgerschap moeten bevestigen, komen hem inmiddels voor als krankzinnig of paranoïde. Hij post geen berichten meer op Stormfront. Hij verzint excuses om onder zijn radioprogramma uit te komen, laat zijn vader elke ochtend in zijn eentje op zender gaan om uit te leggen waarom Derek niets van zich laat horen. Derek zou zich voorbereiden op een examen. Derek zal die linkse hoogleraren eens wat laten zien. In werkelijkheid gaat Derek echter vaak met zijn kajak naar het strand, om alleen te zijn en te kunnen nadenken.

    Hij heeft zijn opvattingen altijd gebaseerd op feiten, maar de laatste tijd wordt zijn logica steeds vaker onderuitgehaald door e-mails van zijn vrienden. Ze sturen hem links naar onderzoeken die aantonen dat raciale verschillen in IQ voor een groot deel kunnen worden verklaard uit externe factoren als prenatale voeding en onderwijsmogelijkheden. Ze geven hem wetenschappelijke artikelen over de effecten van discriminatie op de bloeddruk, prestaties op het werk en geestelijke gezondheid. Hij leest artikelen over de bevoorrechte positie van blanken en over het feit dat minderheden niet evenredig zijn vertegenwoordigd in het journaal. Een vriend mailt: ‘De geNOcide op blanken is onvoorstelbaar, diep kwetsend, en een schande in het licht van de werkelijke, waargebeurde en aan den lijve ondervonden genocide op joden, Rwandezen, Armeniërs, et cetera.’

    ‘Ik haat niemand vanwege zijn of haar ras of religie’, laat Derek op het forum weten. ‘Ik geloof niet in blanke suprematie’, schrijft hij. ‘Ik vind niet dat mensen omwille van ras, religie of wat ook hun huis zouden moeten verlaten, uit elkaar gehaald moeten worden of hun vrijheid moeten inleveren.’

    ‘Derek,’ antwoordt een van zijn vrienden, ‘ik heb het gevoel dat je de spreekbuis bent van een beweging waar je nauwelijks achter staat. Je moet je toch echt in meer dan een vijftigste van een bepaalde overtuiging kunnen vinden om te kunnen zeggen dat je die overtuiging deelt.’


    Don Black in pak. Achter hem de zogenaamde Klansmen met hun puntmutsen. – © Bettmann Archives
    Don Black in pak. Achter hem de zogenaamde Klansmen met hun puntmutsen. – © Bettmann Archives

    Tijdens zijn laatste jaar aan New College verdiept Derek zich in de joodse geschriften en het Duitse multiculturalisme, hoewel zijn onderzoek zich nog altijd voornamelijk richt op het middeleeuwse Europa. Hij komt tot de ontdekking dat West-Europa niet is begonnen als een grootse samenleving van mensen die genetisch superieur zijn, maar als een plek die in technologisch opzicht achterliep op de islamitische cultuur. Hij verdiept zich in het tijdperk van de achtste tot de twaalfde eeuw, in een poging de oorsprong van hedendaagse concepten als (het blanke) ras en huidskleur te achterhalen, maar het levert niets op. We hebben het min of meer zelf verzonnen, luidt zijn conclusie.

    ‘Breek ermee’, mailt een van zijn sabbatsvrienden een week na Dereks afstuderen in mei 2013. Hij dringt erop aan dat Derek in het openbaar het white nationalism afzweert. ‘Breek ermee voordat het nog meer onherstelbare schade toebrengt aan een deel van je toekomst.’

    Derek blijft na zijn afstuderen in de buurt van de campus. Hij past op het huis van een hoogleraar. In die periode overweegt hij een verklaring uit te brengen. Hij gelooft niet langer in white nationalism en is van plan om afstand te doen van zijn verleden door een deel van zijn naam te veranderen en zijn opleiding elders voort te zetten. Zijn gevoel zegt hem dat hij er het beste stilletjes tussenuit kan knijpen, maar zijn uitingen zijn altijd openbaar geweest – hij laat een hele reeks radioprogramma’s, internetberichten en tv-optredens na, plus het jaarlijkse congres over raciale tactieken.

    Hij heeft de knoop nog altijd niet doorgehakt wanneer hij later die zomer naar zijn ouders gaat. Zijn vader volgt de opkomst van white nationalism op de televisie en zijn ouders hebben het over ‘vijanden’ en ‘kameraden’ in de ‘oorlog die woedt’. Het klinkt Derek nu bespottelijk in de oren. Ze zijn de hele dag samen bezig raamkozijnen te maken, een van Dereks merkwaardige hobby’s die zijn ouders altijd hebben aangemoedigd. Zijn ouders hebben zijn gitaar betaald en meegedaan aan zijn middeleeuwse re-enactments. Ze hebben zijn studie betaald aan het college waar hij de sabbatsmaaltijden bijwoonde. Maar bovenal hebben ze hem geleerd om zelfstandig en kritisch na te denken, en om uit te komen voor zijn mening, ook wanneer dat op verzet stuit.

    Die avond gaat hij de deur uit, naar de kroeg. Hij neemt zijn laptop mee en begint aan een verklaring.

    ‘Een groot deel van de gemeenschap waarin ik ben opgegroeid gelooft sterk in white nationalism, en leden van mijn familie, voor wie ik immens veel respect heb, al helemaal voor mijn vader, zijn sinds jaar en dag fervent aanhanger van die beweging. Ik was niet bereid het risico te nemen me van hen te vervreemden.

    Na lang wikken en wegen ben ik tot de conclusie gekomen dat het voor iedereen beter is dat ik eerlijk toegeef dat ik me geleidelijk maar onmiskenbaar heb losgemaakt van het gedachtengoed van white nationalism. Ik kan me niet achter een beweging scharen die me verbiedt vrienden te zijn met wie ik wil, of die voorschrijft dat ik iemand in een bepaald licht moet zien vanwege zijn of haar ras, of moet wantrouwen wat hij of zij doet.

    Niet alleen door wat ik heb gezegd, maar ook door wat ik heb gedaan, heb ik anderen geschaad – mensen met een andere huidskleur, joden, activisten die streven naar kansen en gelijkheid voor iedereen. Ik betreur de schade die ik heb berokkend.’

    Hij schrijft nog een paar alinea’s en stelt vervolgens een mail op aan het SPLC, de instelling die zijn vader veertig jaar lang als zijn voornaamste vijand heeft beschouwd. ‘Onverkort publiceren’, luidt Dereks instructie. Vervolgens voegt hij de brief toe als bijlage en klikt op ‘verzenden’.

    ‘Je bent gehackt’

    Don zit de volgende dag te googelen en ziet ineens een balkje met Dereks naam in beeld verschijnen. Don tikt al een jaar of tien een paar keer per week ‘Stormfront’ en ‘Derek Black’ in de zoekbalk om de opkomst van zijn zoon binnen de white nationalism-beweging te volgen. Wat nu in beeld verschijnt, is een bericht dat afkomstig is van het SPLC, door Don steevast het ‘Paleis van de Armoede’ genoemd. ‘Activistische zoon van vooraanstaand racistenleider keert white nationalism de rug toe’, staat er. Don leest de brief en stuit op termen als ‘structurele onderdrukking’, ‘geprivilegieerd’, ‘kansarm’ en ‘gemarginaliseerde groepen’ – het zalvende taalgebruik van de liberalen waar Don en Derek op de radio geregeld de draak mee hebben gestoken.

    ‘Je bent gehackt,’ herinnert Don zich dat hij tegen Derek zegt, zodra die de telefoon opneemt.

    ‘Nee, het is echt,’ zegt Derek, en hij hoort zijn vader de verbinding verbreken.

    Een paar uur lang weet Don domweg niet wat hem overkomt. Misschien haalt Derek een geintje met hem uit. Misschien gelooft hij nog altijd in white nationalism maar verlangt hij naar een simpeler bestaan.

    Derek belt terug, en nu neemt zijn moeder op. Ze zegt dat ze niet met hem wil praten. Ze geeft de telefoon aan Don, wiens stokkende stem is verstikt door tranen. Derek heeft hem nog nooit zo gehoord. ‘Ik kan nu niet praten,’ zegt hij en hangt weer op.

    Later die nacht logt Don in op het messageboard van Stormfront. ‘Dit zal zich vast snel verspreiden, op internet en in de lokale media, dus wil ik hier beginnen’, schrijft hij, en hij plaatst een link naar Dereks brief. ‘Ik wil niet met hem praten. Hij zegt dat hij niet begrijpt dat wij ons verraden voelen enkel omdat hij zijn “persoonlijke overtuigingen” kenbaar heeft gemaakt aan onze aartsvijanden.’

    ‘Het is een griezelige gedachte dat ik heb geholpen om dit gedachtengoed te verspreiden, en dat het nu niet meer is weg te denken’

    De eerste paar dagen hierna kan Don het niet opbrengen om nog meer berichten te plaatsten. ‘Ik was al licht depressief, maar op dat moment wilde ik gewoon de stekker eruit trekken,’ zegt hij later over deze tijd. ‘Wat heeft het allemaal nog voor zin? Ik was een dag of tien echt tot niets in staat. Het is het ergste wat me als volwassene is overkomen.’

    Een week later logt hij weer in op Stormfront. ‘Na een verschrikkelijke week moet ik even stoom afblazen’, schrijft hij. ‘Ik weet alleen wat Derek me heeft verteld, en dat is niet te bevatten. Ik ben inmiddels van mening dat hij serieus in dat gelul gelooft. Derek heeft herhaald dat voor hem familiebanden losstaan van politiek. Ik heb gezegd dat dat natuurlijk niet geldt voor een familie waarin alles draait om politiek activisme.’

    Al snel worden er honderden berichten geplaatst. Sommige mensen condoleren Don. Anderen zeggen dat Derek een verrader is, of dat Don zelf ook niet meer te vertrouwen is. Don reageert op een paar berichten, waarin hij soms voor Derek opkomt en soms afstand van hem neemt. Na een paar weken kan hij het niet langer opbrengen. ‘Ik sluit deze thread af’, schrijft Don uiteindelijk. Hij noemt het ‘een open wond’.

    Een paar weken later komt Derek naar huis voor zijn vaders verjaardag, al hebben zijn moeder en zijn halfzussen hem gevraagd weg te blijven. ‘Ik denk dat ze me gaan verstoten’, heeft Derek een studievriend geschreven. Maar hij staat op het punt om naar elders te verhuizen om daar verder te gaan studeren, en hij wil in ieder geval even afscheid nemen.

    Hij gaat naar het huis van zijn oma, waar de verjaardag wordt gevierd, en later zal hij vertellen hoe vreemd het was dat zijn halfzussen deden alsof ze hem helemaal niet kenden. Zijn moeder is beleefd maar afstandelijk. Don probeert Derek mee naar binnen te krijgen, maar de rest van de familie wil dat hij weggaat. ‘Ik was ongewenst op mijn eigen feestje,’ zegt Don later. ‘Als ik Derek wilde spreken, moesten we maar allebei vertrekken, kreeg ik te horen.’

    Ze gaan samen een eindje rijden, eerst naar het strand en later naar een restaurant, waar ze aan een tafeltje bijna helemaal achterin gaan zitten. Derek heeft nog altijd hetzelfde droge gevoel voor humor. Hij heeft nog dezelfde scherpe kijk op politiek en geschiedenis. ‘Hij is nog precies dezelfde Derek,’ concludeert Don na een paar uur, tot zijn eigen verbazing. Zijn verdriet was zo intens geweest dat hij had verwacht dat het verlies ook echt zichtbaar zou zijn. In plaats daarvan vergeet hij soms een paar minuten lang dat Derek ‘nu aan de andere kant staat’.

    Voormalig KKK-leider David Duke spoort de blanke bevolking aan om op Donald Trump te stemmen. Een stem op de tegenkandidaat noemt hij ‘verraad aan ons erfgoed’. – © Gerald Herbert
    Voormalig KKK-leider David Duke spoort de blanke bevolking aan om op Donald Trump te stemmen. Een stem op de tegenkandidaat noemt hij ‘verraad aan ons erfgoed’. – © Gerald Herbert

    Don vraagt Derek naar de theorieën die op het messageboard van Stormfront terecht zijn gekomen. Doet hij zich gewoon anders voor omdat hij een ongecompliceerder bestaan wil? Is dit zijn manier om zich af te zetten tegen zijn ouders?

    Als Derek ontkennend antwoordt, begint Don over het idee waar hij zelf steeds meer in is gaan geloven – de theorie die David Duke heeft gepost in de eerste paar uur na de plaatsing van Dereks brief: het stockholmsyndroom. Derek is gegijzeld door linkse intellectuelen en is vervolgens sympathie voor hen gaan koesteren.

    ‘Dat is wel heel neerbuigend,’ herinnert Derek zich zijn eigen reactie. ‘Hoe kan ik aantonen dat dit echt mijn mening is?’

    Hij probeert Don een paar uur lang te overtuigen, in het restaurant. Hij praat over de bevoorrechte positie van blanken en vertelt over de wetenschappelijke onderzoeken naar geïnstitutionaliseerd racisme. Hij noemt de grote islamitische samenlevingen die de wiskunde hebben ontwikkeld en die een maansverduistering voorspelden. Hij zegt dat hij zich inmiddels verantwoordelijk voelt voor de opmars van het white nationalism in de politiek. ‘Ik had het niet alleen maar bij het verkeerde eind,’ zegt hij. ‘Ik heb ook echt schade aangericht.’
    ‘Ik kan nauwelijks geloven dat ik uitgerekend met jou over rassenleer discussieer,’ zegt Don.

    Het restaurant gaat dicht en nog altijd zijn ze niet veel dichter tot elkaar gekomen. Derek gaat bij zijn oma slapen. Hij wordt vroeg wakker en gaat in zijn eentje op weg.

    Vanaf die dag doet Derek alle mogelijke moeite om zijn verleden achter zich te laten. Hij woont nog altijd ver van zijn ouders, ook nu hij zijn studie heeft afgerond, en hij leert Arabisch om zich te kunnen verdiepen in de geschiedenis van de vroegste islam. Hij heeft geen enkele white nationalist meer gesproken sinds hij de beweging de rug heeft toegekeerd, afgezien van een paar telefoontjes naar zijn ouders. In plaats daarvan besteedt hij zijn tijd aan het bijspijkeren van zijn kennis van de populaire cultuur, die hij heeft geleerd te verafschuwen: hij leest columns in linkse kranten, luistert naar rap en gaat naar de film. Hij is een bewonderaar van president Obama. Hij besluit de Amerikaanse overheid niet langer te wantrouwen. Hij begint kraanwater te drinken. Hij boekt goedkope vluchten naar Barcelona, Parijs, Dublin, Nicaragua en Marokko en dompelt zich onder in zo veel mogelijk verschillende culturen.

    Hij is lid geworden van een nieuw internetforum, dit keer voor couchsurfers. Hij biedt onbekenden tijdelijk onderdak in zijn tweekamerappartement. Hij is steeds beter in staat om anderen te vertrouwen – om anderen tegemoet te treden zonder vooroordelen of vooringenomenheid – en hij voelt meer en meer afstand tot de Derek die hij ooit was.

    Onder leiding van de conservatieve activiste Hedy Aldina gaan aanhangers van Trump voor hun kandidaat de straat op in Manhattan, New York. – © Getty Images
    Onder leiding van de conservatieve activiste Hedy Aldina gaan aanhangers van Trump voor hun kandidaat de straat op in Manhattan, New York. – © Getty Images

    Maar dan komt de verkiezingscampagne van 2016 op gang, en ineens vormt het white nationalism dat Derek zo graag achter zich wil laten de onvermijdelijke ondertoon van nationale debatten over vluchtelingen, immigratie, Black Lives Matter en de verkiezingen zelf. Eind augustus kijkt Derek thuis op de bank naar Hillary Clinton die een serieuze toespraak houdt over het opkomende racisme. Ze zegt dat de aanhangers van de blanke suprematie zichzelf hebben omgedoopt tot white nationalists. Ze verwijst naar Duke en het idee van ‘genocide op de blanken’, dat mede dankzij Derek opgang heeft gemaakt. Ze heeft het over Trump die een campagneleider in de arm heeft genomen die banden heeft met alt-right. ‘De Republikeinse partij is de facto overgenomen door een splintergroepering,’ zegt ze.

    Het is het gedachtengoed dat Derek een groot deel van zijn leven heeft aangehangen, maar nu vreest hij voor de toekomst van zijn land, voelt hij zich medeverantwoordelijk. ‘Het is een griezelige gedachte dat ik heb geholpen om dit gedachtengoed te verspreiden, en dat het nu niet meer is weg te denken’, schrijft hij een van zijn sabbatsvrienden.

    Hij vraagt zich ook af of hij zijn verleden ooit echt achter zich zal kunnen laten, aangezien er zo veel in de openbaarheid is gekomen. Studiegenoten herkennen hem nog altijd af en toe als die voormalige racist, hij staat nog altijd vermeld in het testament van een man met wie hij bevriend is geraakt via het white nationalism, hij is nog altijd de peetzoon van Duke, nog altijd de zoon van Chloe en Don.

    Aan het eind van de zomer gaat hij voor het eerst in jaren weer naar Florida om hen op te zoeken. In een tijd van steeds fellere polemieken is hij benieuwd naar de mening van zijn vader. Binnen, op de bank, praten ze wat over Dereks studie en over Dons nieuwe Duitse herder. Maar na een poosje komt het gesprek toch weer uit op ideologische kwesties, het onderwerp dat altijd al hun voorkeur heeft gehad.
    Don, die normaal gesproken niet stemt, zegt dat hij dit keer Trump zal steunen.

    Derek zegt dat hij een online-enquête heeft ingevuld en dat zijn standpunten voor 97 procent overeenkomen met die van Hillary Clinton.
    Don zegt dat het inperken van immigratie een goed begin is.

    Derek zegt dat hij juist voor meer immigratie is, omdat hij zich heeft verdiept in de sociale en economische voordelen van diversiteit.
    Don is van mening dat dat zal uitmonden in een ‘genocide op de blanken’.

    Derek vindt ras sowieso een onzinnig concept.

    Ze zitten tegenover elkaar, zoeken naar manieren om de kloof te overbruggen. De baai is één blok verderop. Aan de overkant is Mar-a-Lago, waar Trump regelmatig verblijft en van zijn vakantie geniet, en waar hij zelfs ooit een 25 meter hoge mast heeft laten plaatsen voor een gigantische Amerikaanse vlag.

    ‘Wie had ooit kunnen denken dat hij het tot gemeengoed zou maken?’ zegt Don. Op dit moment van ongekende verdeeldheid is deze verwondering het enige waarin ze elkaar vinden.

    Auteur: Eli Saslow
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Beeld bovenaan: Derek Black vlak na zijn uitverkiezing in de Republikeinse commissie in Palm Beach. – © Palm Beach Post

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

    Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.

  • Japan maakt begin met aanpakken racisme

    Japan maakt begin met aanpakken racisme

    Een nieuwe wet in Japan moet discriminatie van minderheden, vooral de Koreaanse, tegengaan. De eerste effecten lijken positief, al kunnen overtreders niet bestraft worden

    Van de nieuwe wetgeving tegen haatdragend taalgebruik jegens minderheden, vooral de Koreaanse, begint eindelijk een afschrikwekkende werking uit te gaan. Voorheen bestond er geen enkele maatregel die die naam verdiende.

    Op 1 juli, meer dan een maand nadat de wet tegen haatdragend taalgebruik in werking was getreden, was Osaka de eerste Japanse stad waar een plaatselijke verordening met die strekking werd ingesteld. Meteen daarna kwam een groep die op 12 juli voor het gemeentehuis van Osaka wilde demonstreren met nieuwe aanbevelingen voor de demonstranten: ‘Zet geen agressieve slogans op je bord!’ en ‘Hakenkruizen zijn verboden!’. Omdat de betoging wegens regen werd afgelast, weten we niet wat deze groep met ‘agressieve slogans’ bedoelde.

    De secretaris-generaal van de Bond tegen Haatdragend Taalgebruik van Osaka, de van oorsprong Koreaanse Moon Kong-hwi, erkent dat de situatie enigszins verbeterd is sinds deze nieuwe maatregel. ‘Toen een deelnemer aan een racistische betoging laatst expliciet tegen Koreanen tekeerging, hebben de organisatoren hem in allerijl het zwijgen opgelegd,’ zegt hij. ‘En het aantal betogingen is aanzienlijk afgenomen.’

    Kat uit de boom

    Op grond van de plaatselijke verordening, waaraan geen sancties verbonden zijn, kan de burgemeester besluiten de naam van particulieren en groepen openbaar te maken die zich aan discriminerend gedrag hebben schuldig gemaakt, maar tot nu toe is dat niet gebeurd. ‘Dat het aantal betogingen is afgenomen komt misschien gewoon doordat de organisatoren eerst de kat uit de boom willen kijken,’ licht Moon toe.

    Ook in de wijk Ginza in Tokio, waar het aantal racistische betogingen sinds vorig jaar duidelijk was toegenomen, begint zich een verandering af te tekenen. Tijdens de betoging van 19 juni verving de slogan ‘Voor het verbreken van de Japans-Koreaanse betrekkingen’ de gebruikelijke gewelddadige beledigingen aan het adres van de Koreanen. Volgens Masayuki Watanabe, lector aan de universiteit Daito Bunka, die winkeliersverenigingen en de deelraad van Ginza oproept om maatregelen te nemen tegen discriminerend gedrag, ‘zijn de racistische ideeën misschien in wezen niet veranderd, maar begint het effect van de recente initiatieven merkbaar te worden, althans op het eerste gezicht. De organisatoren geven geen megafoons meer aan de agressiefste betogers.’

    Een antiracismedemonstratie in Tokio. – © Yuya Shino / Reuters (links) en HH (rechts)
    Een antiracismedemonstratie in Tokio. – © Yuya Shino / Reuters (links) en HH (rechts)

    Ook de houding van politie en overheid tegenover racistische betogingen is veranderd. Op 5 juni, kort nadat de nieuwe verordening was ingesteld, weigerde de gemeenteraad van Kawasaki, ten zuiden van Tokio, toestemming te geven voor een betoging in een park tegen Seikyusha, een vereniging die de belangrijke Koreaanse gemeenschap in de wijk Sakuramoto bijstaat. De plaatselijke rechtbank kwalificeerde de racistische betogingen als ‘een schending van de mensenrechten’ en verbood ze in de onmiddellijke omgeving van het verenigingsbureau. De politie van de prefectuur had een andere route voorgesteld, maar omdat de organisatoren een sit-in wilden houden is erop aangedrongen dat ze de betoging om veiligheidsredenen afgelastten, zodat deze niet heeft plaatsgevonden.

    Tomohito Miura, de secretaris-generaal van Seikyusha, prijst zich gelukkig met de recente inspanningen van de plaatselijke overheid, de rechterlijke macht, de politie en de burgers: ‘Voordat de wet werd aangenomen vertelde de politie ons niet eens welke route betogingen zouden volgen; niet de betogers maar wij werden als een illegale groep behandeld. We werden niet beschermd tegen racistische taal en gedragingen, en de plaatselijke overheid zei ons dat de wet haar niet toestond om in te grijpen. Het afgelasten van de betoging is een belangrijke stap in de goede richting.’

    Maar ook al verdwijnen de vulgaire beledigingen langzaam maar zeker uit de straten, het blijft de vraag of deze wetgeving doeltreffend genoeg is om discriminatie uit te roeien.

    Om de vrijheid van meningsuiting te respecteren, die is opgenomen in de Japanse grondwet, is de nieuwe wet geen dwangmiddel

    Om de vrijheid van meningsuiting te respecteren, die is opgenomen in de Japanse grondwet, is de nieuwe wet geen dwangmiddel, maar verplicht ze de regering om slachtoffers van rassendiscriminatie te hulp te komen en het publiek er de ogen voor te openen. Als de wet een afschrikwekkend effect heeft, dan is dat dus niet zozeer het gevolg van repressie maar van een bewustmakingscampagne door de overheid.

    Sinds de wet van kracht is heeft de directie van de afdeling mensenrechten van het Japanse ministerie van Justitie mensen naar de betoging gestuurd die was gepland in Kawasaki, maar ook naar de betogingen die zijn georganiseerd in Fukuoka, op het eiland Kyushu, en in Osaka, om het publiek bewust te maken met behulp van video’s en affiches. Maar, zo benadrukt de directie, ‘de wet voorziet in geen enkele juridische maatregel in het geval van discriminatie’. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur, Sport, Wetenschap en Technologie heeft op zijn beurt aan de onderwijsraden van de prefecturen gevraagd ‘om de geëigende maatregelen’ te nemen. Toen men wilde weten wat daaronder werd verstaan, antwoordde het ministerie: ‘Bij het nemen van maatregelen dient rekening te worden gehouden met factoren als het aantal buitenlanders in het gebied’. Als dit klopt, lijkt het erop dat het ministerie nog twijfelt over de methodes.

    Zullen andere gemeentes het voorbeeld van Osaka volgen door verordeningen in te stellen tegen haatdragend taalgebruik? Toen we het gemeentebestuur van Kawasaki vroegen welke maatregelen zij op het oog hadden, was het laconieke antwoord dat de burgemeesters daarover gingen. Toen we aandrongen, vertrouwde een zegsman ons toe: ‘Nadat betogers de toegang tot een park in Kawasaki was geweigerd, werd gezegd dat mensen een klacht tegen het gemeentebestuur wilden indienen wegens “discriminatie van Japanners”. We zeggen er het liefst zo min mogelijk over.’ Kortom, zowel de plaatselijke overheid als de betogers wachten af welke kant de situatie op gaat.

    Represailles

    Volgens de secretaris-generaal van Seikyusha ‘geeft het feit dat de politie de betoging in juni wilde toestaan aan waar de grenzen van de wet liggen. We kunnen niet van de politie en de plaatselijke overheid verlangen dat ze alles doen. Er is nog een lange weg te gaan.’ Behalve op het gebied van de strijd tegen haatdragend taalgebruik zal Seikyusha ook met het gemeentebestuur samenwerken om verordeningen en richtlijnen te ontwikkelen die de co-existentie van verschillende culturen moeten bevorderen. Volgens Miura weet Seikyusha nog niet in hoeverre de beslissing van Osaka doeltreffend zal zijn. ‘Dat is de reden dat we zo vaak mogelijk een beroep willen doen op deze nieuwe wettekst, om de sterke en zwakke kanten ervan te ontdekken,’ zegt hij. ‘Zo nodig zullen we een herziening eisen.’

    Dat de wijk Sakuramoto als speerpunt is gekozen is omdat de van oorsprong Koreaanse bewoners er in september 2015 in traditionele klederdracht hebben gedemonstreerd tegen de nieuwe nationale defensiewetten, die een andere invulling geven aan de pacifistische grondwet van 1947. ‘Er was duidelijk sprake van represailles,’ verzekert Miura. Alle deelnemers aan deze betoging waren bejaarde leden van Fureai-kan, een centrum voor culturele uitwisseling dat onder Seikyusha valt.

    Kim Bang-ja, een 85-jarige immigrant van de eerste generatie, volgt een schrijfcursus in dit centrum. Toen ze op vijfjarige leeftijd in Japan arriveerde om zich bij haar vader te voegen die in een kolenmijn werkte, moest ze voor haar broertjes en zusje zorgen en kon ze niet leren schrijven. Toen de wet tegen haatdragend taalgebruik afgelopen mei werd aangenomen, was ze als waarneemster aanwezig in het parlement. Ze beschrijft haar indrukken in een opstel dat ze tijdens de les heeft geschreven en zegt daarin hoe afschuwelijk ze het vindt om beledigd te worden. ‘Het wordt hoog tijd dat er een eind komt aan dit gedrag en dat we ons verzoenen,’ schrijft ze. En ze voegt eraan toe: ‘Mensen leren elkaar begrijpen door te communiceren. We moeten ophouden elkaar te haten en nader tot elkaar komen.’

    Auteur: Jun Ida
    Vertaler: Peter Bergsma

    Mainichi Shimbun
    Japan | dagblad | oplage 3.960.000 (ochtendeditie), 1.660.000 (avondeditie met andere inhoud)

    Oudste krant van Japan, 1872 voor het eerst uitgegeven onder de naam Tokyo Nichi Nichi Shimbun. De krant wordt twee keer per dag gedrukt. De site is ook in het Engels te lezen. Krant voor het politieke midden.

  • Doorgeschoten politieke correctheid

    Doorgeschoten politieke correctheid

    Volgens de conservatieve Wall Street Journal zijn de studentenprotesten een bedreiging voor het recht op vrije meningsuiting.

    Het oproer aan Yale University en de Universiteit van Missouri zich heeft uitgebreid naar andere campussen, van Californië tot New Hampshire. De klachten van de studenten en hun roep om ‘een veilige plek’ [safe space] variëren, maar de kwaal is dezelfde: faculteiten en bestuurders die rassen- en genderdiversiteit boven alle andere waarden stellen, inclusief de vrijheid van meningsuiting.

    De rondgang begint bij Yale, waar het een paar weken geleden tot een uitbarsting kwam nadat een faculteitslid opperde dat het niet aan het bestuur was om uit te maken wat een passend kostuum voor Halloween is. In betere tijden zou ze op elk campusfeestje gratis bier hebben gekregen, maar dit keer leidde het tumult ertoe dat een student de socioloog van Yale uitschold omdat ze ‘gevoelloos’ zou zijn.

    De reactie? ‘Ik heb me nog nooit tegelijkertijd zo ontroerd, uitgedaagd en bemoedigd gevoeld door onze gemeenschap,’ schreef bestuursvoorzitter Peter Salovey van Yale in een brief aan de hele universiteit. Hij beloofde een centrum dat onderzoek zou doen naar ‘ras, 
etniciteit en andere aspecten van sociale identiteit’, meer aandacht voor deze onderwerpen, meer training in het onderkennen van racisme op wat ongetwijfeld een van de meest rassengevoelige plekken op aarde is. Salovey beloofde 50 miljoen dollar in te zetten voor diversificatie van zijn universiteit – en je kunt er donder op zeggen 
dat hij geen intellectuele diversificatie bedoelde.


    Het is ook hommeles in Missouri, waar studenten de bestuursvoorzitter wegjoegen vanwege beschuldigingen dat hij rassenincidenten op de campus niet adequaat zou hebben opgelost. Groepen studenten van naar schatting honderd andere universiteiten volgden hun voorbeeld, allemaal omdat er sprake zou zijn van systematische rassen‑
ongelijkheid. Een dieptepunt was de universiteit in Dartmouth, waar demon‑
stranten de bibliotheek bestormden 
en andere studenten voor racistische onderdrukkers uitmaakten omdat ze liever wilden studeren. Bestuursvoorzitter Phil Hanlon zou de oproerkraaiers moeten wegsturen wegens overtreding van de gedragscode van de universiteit en hen moeten vervangen door enkelen van de duizenden afgewezen gegadigden die de doelstellingen van een universiteit misschien wel onderschrijven.

    Studenten willen de Amerikaanse geschiedenis herschrijven als die niet aansluit bij de huidige politieke mores

    Maar wel heel bont maakte Princeton University het. Daar drongen studenten het kantoor van de bestuursvoorzitter binnen en eisten dat de universiteit iedere verwijzing naar wijlen president Woodrow Wilson zou schrappen, omdat deze een racist was die de segregatie steunde. Wilson was bestuursvoorzitter van Princeton voordat hij opklom tot het Witte Huis. De huidige bestuursvoorzitter van Princeton, Christopher Eisgruber, beloofde naast andere concessies een discussie in gang te zetten over de nalatenschap van Wilson. Vroeger waren universiteiten trots op de prestaties van hun alumni, maar nu willen studenten de Amerikaanse geschiedenis herschrijven als die niet aansluit bij de huidige politieke mores. Maar als men ziet op welk een gepolitiseerde manier Amerikaanse geschiedenis tegenwoordig wordt onderwezen, kan men dit vak misschien maar beter schrappen. Eisgruber moest zich schamen dat hij de kapers van zijn campus hun zin heeft gegeven.

    Studenten in Missouri gingen in hongerstaking. – © Michael B. Thomas / Getty Images
    Studenten in Missouri gingen in hongerstaking. – © Michael B. Thomas / Getty Images

    De voorbeelden zijn eindeloos, met een speciale oneervolle vermelding voor de Smith University: daar verhinderden studenten journalisten om verslag te doen van de demonstraties als ze niet op voorhand bereid waren dat ‘op een positieve manier’ te doen. ‘Journalisten en media die een neutraal standpunt innemen, schaden onze strijd,’ aldus een organisator tegenover een nieuwszender in Massachusetts.

    De capitulerende bestuursvoorzitters zeggen allen pal te staan voor ‘de vrije en open uitwisseling van ideeën’ – om Salovey van Yale te citeren. Misschien moet hij Orwell eens herlezen. De demonstranten en hun vrienden binnen de media zeggen dat bezorgdheid over de vrijheid van meningsuiting een tactiek is om hun het zwijgen op te leggen en de aandacht af te leiden van klachten over rassendiscriminatie. Maar juist dankzij een samenleving die vrijheid van meningsuiting garandeert, kan iedereen zijn klachten uiten. Er zijn maar weinig betere tactieken om 
mensen het zwijgen op te leggen dan een dreigende meute.

    De progressievelingen van na 1960 
die tegenwoordig de universiteiten besturen, roemden in hun hoogtij‑
dagen de vrijheid van meningsuiting, dus waarom doen ze dat ook nu dan niet? Wellicht omdat het opkomen 
voor het Eerste amendement op de Amerikaanse grondwet de erkenning inhoudt dat de westerse beschaving, die de luxe van het leven op de campus heeft voortgebracht, het verdedigen waard is.

    Vertaler: Peter Bergsma

    The Wall Street Journal
    VS | oplage 2.000.000

    Van Dow Jones & Co. Lezers zijn voor 60 procent topmanagers van gemiddeld 55 jaar, met een gemiddeld inkomen van $ 191.000.

    BEGRIPPENLIJST

    Safe space
    ‘De gedachte achter de safe spaces is dat iedereen, met welke identiteit dan ook, recht heeft op een tolerante omgeving om zich te kunnen gedragen naar eigen aard’, zo vat The Guardian het samen. Het idee 
is ontstaan in kringen van de 
LHBT-beweging. Het gaat erom 
alles te vermijden wat sommige leden van een gemeenschap zouden kunnen opvatten als gewelddadig, ook verbaal of symbolisch.

    Trigger Warnings
    Een waarschuwing vooraf die betrekking heeft op een gevoelig onderwerp, waarbij sommige 
leerlingen zich ongemakkelijk zouden kunnen gaan voelen, of dat bij hen pijnlijke herinneringen zou kunnen wekken. Het gaat soms 
om onschuldige zaken als het werkwoord ‘schenden’ in de betekenis van ‘een wet schenden’.

    Microagressie
    Elk gezegde, elke uitdrukking of verbale agressie, vaak herhaald, 
die een persoon of groep denigreert of omlaaghaalt.

    ‘Let op je woorden’
    In september wijdde The Atlantic het omslagverhaal aan de vrijheid van meningsuiting op de universiteit. In een lang artikel onderschreef het blad de stelling dat ‘politieke correctheid bezig is het onderwijs te ruïneren’. Volgens The Atlantic vragen studenten steeds vaker van de docenten om ‘microagressie’ ten koste van alles te vermijden. De docenten dienen vooraf te waarschuwen dat zij een gevoelig onderwerp gaan aansnijden waarbij studenten zich slecht op hun gemak zouden kunnen gaan voelen of dat bij hen pijnlijke herinneringen zou kunnen wekken. Volgens de schrijvers van het artikel – een sociaal psycholoog en een advocaat gespecialiseerd in onderwijs – is deze tendens om studenten overmatig in bescherming te nemen gevaarlijk. Jonge Amerikanen worden erdoor belemmerd een kritische geest te ontwikkelen en om te gaan met nieuwe ideeën.

  • Op Amerikaanse campussen kraait het oproer weer

    Op Amerikaanse campussen kraait het oproer weer

    Een halve eeuw na de strijd om gelijke burgerrechten staan de Amerikaanse universiteiten weer in vuur en vlam.
De inzet dit keer: racisme, diversiteit en vrijheid van meningsuiting. Onze zwartepietendiscussie is er kinderspel bij.

    Keuze uit het archief

    Al wekenlang vinden er op verschillende universiteiten in de Verenigde Staten protesten plaats tegen de oorlog in Gaza. De afgelopen week sloegen de demonstraties ook over naar de campussen van de Universiteit van Amsterdam en Utrecht. Studenten protesteerden tegen de oorlog in de Gazastrook en riepen op tot vrede. Maar het protest mondde uiteindelijk uit in een confrontatie met de politie.
    Er wordt verschillend tegen deze protesten aangekeken. Demonstreren? Prima, maar hou je gedeisd, zullen sommigen denken. Anderen zullen weer van mening zijn dat de urgentie van de situatie in Gaza om drastische maatregelen vraagt.
    In dit artikel van New Republic uit 2015 over de studentenprotesten in de VS van tien jaar geleden, breekt journalist Roxane Gay een lans voor kritische studenten die hun stem laten horen, een fenomeen dat al teruggaat op de jaren zestig. ‘Studenten begrijpen dat dit heel goed de laatste keer in hun leven kan zijn dat ze echte problemen kunnen aanpakken.’

    Studentenactivisme is niets nieuws. Soms is het ondoordacht, soms wordt het van tafel geveegd, maar het is altijd oprecht. In 1960 vormden jonge zwarte studenten, die genoeg hadden van rassenongelijkheid en de inbreuk op hun burgerrechten, de Student Nonviolent Coordinating Committee (SNCC), een geweldloze studentenbeweging. Uiteindelijk werden ze de radicale tak van de Amerikaanse beweging voor gelijke burgerrechten en coördineerden ze de zogenoemde Freedom Rides tegen de segregatie in het openbaar vervoer
en campagnes voor een betere kiezersregistratie. Ze waren gepassioneerd.
Ze waren provocerend. Ze zetten hun leven op het spel. De SNCC toonde aan dat jonge mensen een integraal onderdeel zijn van een participatiedemocratie.



    Nu, na de gelijktijdige en vergelijkbare studentenprotesten aan de Universiteit van Missouri (Mizzou) en Yale University, hebben we opnieuw reden om na te denken over studentenactivisme, ras en de voortzetting van de beweging voor burgerrechten. Er is de laatste tijd veel geschreven over studenten en hun eigenaardige gewoonten, over het feit dat ze uiterst politiek correct zijn, overdreven gevoelig en verwend. Sommigen hebben gesuggereerd dat studenten pietluttige activisten zijn, dat ze geen gevoel voor humor meer hebben en dat het liberalisme op hol is geslagen op de campussen, en dat dit de studenten noodlottig is geworden.

    Dat is een kleinerende en nogal luie kijk op het studentenactivisme. Tijdens de protesten op Mizzou en Yale en ook elders hebben studenten duidelijk gemaakt dat de huidige situatie onverdraaglijk is. Of we het nu met ze eens zijn of niet, we moeten wel luisteren.

    Op 7 november werd bekend dat de zwarte leden van het footballteam 
van Mizzou van plan waren te staken. Ze schaarden zich als laatsten achter promovendus Jonathan Butler, die in hongerstaking was gegaan, en de activistische groepering Concerned Student 1950, die aandrongen op het vertrek van universiteitsbestuurder Timothy Wolfe. Hun protest was het gevolg van Wolfes laksheid en vermeende onverschilligheid ten aanzien van een aantal rassenincidenten op de campus van Mizzou, waaronder een met menselijke uitwerpselen getekend hakenkruis op een muur. Toen de footballspelers zich eenmaal achter zaak hadden geschaard, ging het snel. Er kwamen meer promovendi in opstand. Op 9 november nam zowel Wolfe als R. Bowen Loftin, de bestuursvoorzitter van Mizzou, ontslag. De overige bestuurders kondigden een reeks initiatieven aan om een beter rassenklimaat op de campus te scheppen.

    Halloween

    Bij Yale stuurde de Commissie voor Interculturele Zaken, bestaande uit diversiteitsbestuurders van alle geledingen van de universiteit, vlak voor Halloween een e-mail aan de studenten waarin ze hun smeekten beter na te denken over de keuze van hun kostuums tijdens Halloween, om daarmee beledigende cultuuruitingen of onjuiste voorstellingen van zaken te voorkomen. ‘Halloween is helaas ook een tijd waarin de gebruikelijke bedachtzaamheid en gevoeligheid van de studenten soms uit het oog worden verloren en er betreurenswaardige beslissingen kunnen worden genomen, zoals het dragen van verentooien, tulbanden, “oorlogsverf”, het aanbrengen van een andere huidskleur dan wel zwarte of rode schmink op het gezicht’, aldus een deel van de mail.

    Dit advies doet misschien paternalistisch aan, maar als je bedenkt hoeveel studenten zich in het verleden met zwarte gezichten hebben getooid en op andere manieren culturen en het gezond verstand met voeten hebben getreden, was de mail ongetwijfeld goed bedoeld en niet zo buitengewoon. Desondanks waren er studenten die klaagden.

    Studenten van de Universiteit van Missouri vieren het aftreden van universiteitspresident Tim Wolfe, die werd beschuldigd van racisme. © Michael B. Thomas / Getty Images
    Studenten van de Universiteit van Missouri vieren het aftreden van universiteitspresident Tim Wolfe, die werd beschuldigd van racisme. © Michael B. Thomas / Getty Images

    Erika Christakis, bestuurder van het Silliman College van Yale, schreef een e-mail waarin ze betoogde dat studenten het recht hebben om studenten te zijn en fouten te maken – met andere woorden, om kinderen te zijn. ‘Ik vraag me af, en ik probeer niet te provoceren, of er geen ruimte meer is voor een kind of jongere om een klein beetje aanstootgevend te zijn, een klein beetje ongepast of provocerend, of zelfs beledigend. Amerikaanse universiteiten waren ooit een veilige haven, niet alleen om volwassen te worden maar ook om enige regressieve of zelfs grensoverschrijdende ervaring op te doen. Nu lijken ze steeds meer plekken te zijn geworden waar censuur en verbods‑
bepalingen de boventoon voeren.’


    Theoretisch is het verleidelijk: waarom zouden mensen hun kwalijke oprispingen níét mogen botvieren?

    Maar Christakis las de e-mail van de Commissie voor Interculturele Zaken opzettelijk verkeerd. De commissie 
verbood helemaal niets, en suggereerde evenmin dat ze dat wilde. Ze deed alleen een aantal suggesties om voor Yale-studenten een betere wereld te scheppen dan die waarin we leven.

    Toen ik aan Yale studeerde, werd ik als zwarte vrouw als een indringer op heilige grond beschouwd

    Ik heb van 1992 tot 1994 aan Yale gestudeerd. Toen ik daar was, begreep ik dat ik als zwarte vrouw als een indringer op heilige grond werd beschouwd. Niemand kon geloven dat ik daar alleen maar was, net als de anderen, om te leren. Het was niet ongewoon om het doelwit van racistisch gemompel te zijn, van gefluister over positieve discriminatie, en om elke dag minuscule uitingen van agressie [microagressie] te ondergaan. De campuspolitie maakte er een sport van om mij en andere zwarte studenten naar onze studentenkaart te vragen. Mijn ervaring was allesbehalve uniek.



    De huidige protesten zijn het symbool van een veel ingewikkelder probleem: een verstoord rassenklimaat op de campus van Yale dat al vele jaren domineert. De meeste andere overwegend blanke campussen in de Verenigde Staten hebben daar ook last van. Ik heb het grootste deel van mijn volwassen leven op universiteitscampussen doorgebracht, eerst als student en later als docent. Op elke campus was het rassen‑
klimaat altijd gespannen – in het gunstigste geval. Wat er op Yale gebeurt verbaast me niets.

    Op Mizzou is een banale en voorspelbare tegenbeweging op gang gekomen. De studenten zijn door de conservatieve media afgeschilderd als laffe baby’s, kwezels of regelrechte leugenaars. Ze zijn ondankbaar, onverantwoordelijk. Als het om racisme gaat, moeten mensen met een kleurtje kennelijk alles maar zonder klagen slikken.

    Uiterste grens

    Er wordt vaak neerbuigend gedaan over deze zogenaamd kwetsbare jongeren die de echte wereld niet begrijpen. Maar studenten begrijpen de echte wereld wel degelijk, want ze zijn niet alleen maar studenten: ze laten hun sociale achtergrond, seksualiteit, ras
of etniciteit niet achter zich als ze zich aanmelden als student, en hun problemen verdwijnen niet wanneer ze zich inschrijven voor colleges. We mogen hun terechte zorgen niet van tafel vegen. Amerikaanse universiteiten zijn altijd kraamkamers voor de bevoorrechten geweest, en de enigen wier fysieke en emotionele veiligheid daar enigszins is gegarandeerd zijn blanke, heteroseksuele mannen. Is het dan verwonderlijk dat studenten een minimale veiligheidsgarantie eisen? We moeten niet vergeten dat voor de zwarte studenten op zowel Mizzou als Yale de uiterste grens is bereikt. Zij kunnen niet langer verdragen wat ondraaglijk is. Ze zeggen: het is genoeg geweest.



    Studentenactivisme is wijdverbreid omdat sommige studenten hun universitaire ervaring ten volle benutten. Ze begrijpen dat dit heel goed de laatste keer in hun leven kan zijn dat ze echte problemen kunnen aanpakken in een omgeving waar ze gedwongen zijn mensen te ontmoeten die er anders uitzien dan zij, die anders denken dan zij, een omgeving waar verandering nog mogelijk is. De SNCC en de demonstranten op campussen in het hele land, inclusief Yale en Mizzou, maken deel uit van een krachtige, vitale traditie die we niet over het hoofd mogen zien.
De huidige studentenactivisten 
verrichten het noodzakelijke werk om ervoor te zorgen dat de volgende generatie die deelneemt aan de traditie van studentenactivisme een andere strijd zal voeren.