Technologiereuzen uit Silicon Valley zijn huiverig om naar de beurs te gaan omdat ze vinden dat de markten te zeer zijn gefocust op de korte termijn. Daarom willen ze een nieuwe Long-Term Stock Exchange.
Hightechspecialisten uit Silicon Valley klagen dat aandelenmarkten lijden onder een te beperkte focus op kortetermijninkomsten en -winsten.
Om daar iets aan te doen is nu onder de naam Long-Term Stock Exchange een nieuwe instelling gelanceerd, die ondernemingsbestuur, investeringen en handel anders wil gaan organiseren. Topfiguren uit de Valley als durfkapitalist Marc Andreessen en medeoprichter van LinkedIn Reid Hoffman steunen het initiatief; de LTSE zegt binnenkort officiële toestemming aan te zullen vragen om al eind dit jaar de jongste Amerikaanse aandelenbeurs te kunnen worden.
‘Het enige wat er nu toe doet is: “Wat heb je Wall Street verteld en hoeveel heb je verdiend?’’,’ zegt Margit Wennmachers, partner bij Andreessens Californische bedrijf Andreessen Horowitz. ‘Ze hebben geen boodschap aan virtual reality of zelfrijdende auto’s en ook je langetermijnstrategie boeit ze niet.’
Volgens oprichter en CEO van de LTSE Eric Ries zou een aandelenbeurs die langetermijndenken stimuleert een oplossing kunnen zijn. Schrijver en start-upgoeroe Ries speelde in zijn boek The Lean Startup uit 2011 voor het eerst met het idee van zo’n aandelenbeurs.
Loyaiteitsstemrecht
Belangrijkste kenmerk van het systeem is dat de stem van aandelen zwaarder gaat wegen naarmate investeerders ze langer in hun bezit hebben. Alle aan deze beurs genoteerde bedrijven zullen dit principe van ‘loyaiteitsstemrecht’ moeten gaan gebruiken. Daarnaast zijn er nog talloze andere regels, zoals een verbod om de beloning van directieleden aan de kortetermijnresultaten van het bedrijf te koppelen.
Wordt de LTSE een succes, dan zou dat voor technologiereuzen als Airbnb en Uber, die nu nog in private handen zijn, een reden kunnen zijn om naar de beurs te gaan. Marktanalisten en toezichthouders vrezen namelijk dat de stap naar de beurs voor veel bedrijven momenteel niet erg aantrekkelijk is.
Sceptici vragen zich echter af of de LTSE niet gewoon een nieuwe manier voor de oprichters van de grote Silicon Valley-bedrijven en enkele grote investeerders is om de controle uit handen van andere aandeelhouders te houden.
Groen licht
De LTSE wordt opgericht met geld van een aantal durfkapitaalfondsen, waaronder Peter Thiels Founders Fund, Andreessen Horowitz, SV Angel en Greylock Partners, naast individuele investeerders als voormalig Twitter-baas Dick Costolo, AOL-medeoprichter Steve Case en Andrew Mason, oprichter van Groupon. Het bedrijf zegt 19 miljoen dollar te hebben opgehaald bij in totaal zeventig investeerders.
Hoffman vertelt dat hij zou willen dat de LTSE al bestaan had toen LinkedIn in 2011 naar de beurs ging. ‘Dan had ik de raad van bestuur sterk aangeraden om een notering aan de LTSE te krijgen,’ aldus Hoffman. Hij investeerde in het project via investeringsbedrijf Greylock, waarvan hij partner is.
Nu moet de LTSE bureaucraten in Washington ervan overtuigen de onorthodoxe aanpak groen licht te geven. Een aanvraag bij de Securities and Exchange Commission, om de status van aandelenbeurs te krijgen, is in de maak.
De LTSE wordt meer dan alleen een plek om in aandelen te handelen. Het staat voor een hele nieuwe benadering van het ondernemingsbestuur
Door de probusinessagenda van het Witte Huis is die aanvraag kansrijk. De door Trump benoemde bestuursvoorzitter van de SEC, Jay Clayton, zegt zich zorgen over te maken over de sterke afname van het aantal Amerikaanse beursgenoteerde bedrijven in de afgelopen twintig jaar, met wel vijftig procent. Die afname komt vooral doordat bedrijven vaak langer in private handen blijven.
‘De timing had niet beter kunnen zijn,’ vertelt voormalig NASDAQ-ondernemer John Jacobs, die nu doceert aan de McDonough School of Business van Georgetown University.
Ries vertelt dat hij twee jaar lang verkennende gesprekken met het SEC voerde en bemoedigende reacties ontving van de toezichtsinstantie. Toch blijft het enorm lastig om toestemming voor een nieuwe beurs te krijgen; het proces kan meer dan een jaar vergen.
De LTSE wordt meer dan alleen een plek om in aandelen te handelen. Het staat voor een hele nieuwe benadering van het ondernemingsbestuur, waarbij bedrijven verplicht worden om loyaliteitsstemrecht in te voeren, naast allerlei andere beleidsmaatregelen die te maken hebben met de beloning van bestuurders, openheid en toezicht.
De bonussen van directieleden mogen bijvoorbeeld niet afhangen van financiële targets met een looptijd van minder dan een jaar. En als de directie in aandelen betaald krijgt, komen die pas na vijf jaar definitief in hun bezit. Weliswaar moeten aan de LTSE genoteerde bedrijven nog steeds hun kwartaalcijfers bekendmaken – een vereiste van de SEC –, maar ze mogen daarbij geen voorspellingen doen over toekomstige verdiensten, een praktijk die volgens critici kortetermijndenken in de hand werkt. In principe krijgt elke aandeelhouder van een aan de LTSE genoteerd bedrijf loyaliteitsstemrecht. Investeerders die meedoen, zien het stemrecht van hun aandelen in tien jaar langzaam groeien tot maximaal tien keer het stemgewicht van gewone aandelen. Worden de aandelen verkocht, dan begint de nieuwe eigenaar weer met het aanvankelijke lage stemgewicht.
Hoe dan ook de moeite waard
Volgens Ries zullen zulke algemene regels een ecosysteem doen ontstaan waarin bedrijven met een langetermijnvisie kunnen floreren. ‘Zelfs als dit mislukt, gaan we strijdend ten onder voor een goede zaak,’ zegt hij. ‘Dit experiment is hoe dan ook de moeite waard.’
Niet iedereen is het met de benadering eens. De manier van stemmen zal de aandelenprijzen van alle bedrijven in de LTSE omlaagbrengen, denkt voormalig CEO van de American Stock Exchange Neal Wolkoff. ‘Mensen zullen niet graag aandelen in een bedrijf willen kopen waar het management zich zo verschanst,’ zegt hij.
Maar Ries bestrijdt dat de LTSE goed is voor de oprichters van bedrijven en slecht voor alle anderen. Hij vindt het loyaliteitsstemrecht beter dan de oplossing die sommige andere bedrijven uit Silicon Valley aandragen: het beperken van het stemgewicht van gewone aandeelhouders door twee of meer klassen aandelen te hanteren.
Zo heeft het bedrijf Snap Inc. een controversiële aandelenstructuur met meerdere klassen; aandeelhouders die op de New Yorkse aandelenbeurs gewone aandelen kopen, hebben zelfs helemaal geen stemrecht. ‘Dat vinden wij geen goed idee,’ zegt Ries. ‘Absolute monarchieën hebben het in het verleden niet al te best gedaan.’
De bijbel voor zakenmensen. Maar bij het lezen is enig beleid nodig: naast reportages van hoge kwaliteit drukt de krant hoofdredactionele commentaren af die zó patriottisch zijn, dat ze hun geloofwaardigheid verliezen.
De Deense eurocommissaris van mededinging Margrethe Vestager geldt als de schrik van Silicon Valley sinds ze megaboetes uitdeelde aan Apple en Google. De Financial Times strikte haar voor een lunchinterview.
Margrethe Vestager schuift over de leren bank aan het hoektafeltje naar me toe en gaat naast me zitten. Onze knieën raken elkaar bijna in een rechte hoek. Ze glimlacht. Ik kijk naar het mes met de vork en het aquavitglas er keurig tegenover, en naar de houten stoel waar ze niet op is gaan zitten. Onze tafel, in een knus restaurant in Kopenhagen, biedt ruim plaats aan vier personen; wij nemen slechts plaats in voor anderhalf. Zo moet het voelen, denk ik, om door ’s werelds sluwste antitrusthandhaver klem te worden gezet.
Met die ervaring bevind ik me in goed gezelschap. Nog geen drie jaar geleden stapte de 49-jarige Vestager van de Deense politiek over naar de Europese Commissie. Toch heeft ze nu al de EU-records verpulverd voor het onttakelen van kartels, het uitdelen van boetes en het innen van achterstallige belasting. Waarschijnlijk heeft niemand in de democratische wereld zo veel macht – en is niemand er zozeer toe bereid die te gebruiken – als de eurocommissaris voor mededinging. Vraag het maar aan Tim Cook van Apple (dat Ierland 13 miljard pond aan achterstallige belasting moest betalen), aan Sundar Pichai van Google (dat een boete van 2,4 miljard pond kreeg voor misbruik van zijn marktpositie) of aan de vrachtwagenfabrikanten, farmaceuten en financiële topmannen die het met Vestager aan de stok kregen. Haar besluiten kunnen eventueel pas jaren later door de rechtbank worden teruggedraaid.
Haar legendarische onverzettelijkheid gaat gepaard met huiselijke persoonlijke trekjes. Het levert krantenprofielen van Vestager op die lezen als de sage van Vikingkoningin Margrethe III, bedwingster van Silicon Valley, gesel van belastingontduikers, temster van superego’s uit het bedrijfsleven, breister van olifanten (die ze aan regeringsmedewerkers geeft en die soms grote oren hebben als aansporing om beter te luisteren) en vermaard kaneelbroodjesbakster.
Het is allang duidelijk dat Vestager zich als politicus aan de zwaartekracht onttrekt. Ze is afkomstig uit een kleine partij uit een klein land en voerde ooit campagne onder de lekker antipopulistische slogan: ‘Luister naar de economen. Dat doen wij ook.’ Vestager, scherp en hoffelijk, vormde de inspiratie voor de populaire Deense tv-serie Borgen, die volgens haar bewonderaars bleek afstak tegen de werkelijkheid. Maar in de Verenigde Staten geldt ze als belichaming van de politieke tegenwind die Silicon Valley bedreigt. Daar beschouwen velen haar als de laatste in een lange reeks Europese bemoeials die het goede oude Amerikaanse bedrijfsleven de voet dwars zetten. Vorig jaar vatte Cook die andere kijk op haar werk fijntjes samen: ‘Alleen maar politiek gelul.’
Smørrebrød
We zitten in de Kronborg, een tot restaurant omgetoverde kelder, bekend om zijn smørrebrød: sneeën roggebrood die rijkelijk zijn belegd. Het is een prima plek om op een regenachtige middag in Kopenhagen te schuilen. De balken aan het plafond zijn donker, de muren wit, op lichtgroene versieringen na.
Vestager is er op haar gemak. Ze heeft een bordeauxrode jurk en een zwart gebreid vestje aan en een gouden halsketting om. Haar staalgrijze haar zit keurig in model. Het personeel is er maar wat trots op de voormalige vicepremier te mogen ontvangen. Een dertigtal vrouwen die aan de tafeI tegenover ons een verjaardag vieren, werpen steeds nieuwsgieriger blikken. Waarschijnlijk kennen ze haar nog van de coalitieregering uit 2011-2015 van Helle Thorning-Schmidt, een sociaaldemocrate die het niet aan flair ontbrak. Thorning-Schmidt vervreemdde haar kiezers bijna onmiddellijk van zich door zich te laten gelden als een belastinghavik. De belangrijkste oorzaak: Vestager, een kleine coalitiepartner met een flinke vinger in de pap van het beleid. Ze wist wat ze wilde en harkte het grotendeels binnen. De relatie verzuurde op slag. Vestager zegt dat ze tegenwoordig op veel betere voet staat met de ‘geweldige’ Thorning-Schmidt. ‘Maar de rúzies die we hebben gehad…’
Het was een onwaarschijnlijk machtige positie voor de leider van een sociaalliberale nichepartij – liefkozend de caffè-lattepartij genoemd – met als electoraal hoogtepunt 15 procent van de stemmen… in 1968. Maar tijdens de coalitiegesprekken ging Vestager er met de winst vandoor. Ik breng het verschil ter sprake tussen de situatie nu en Vestagers eerste lunch met Thorning-Schmidt, een jaar of twintig geleden in een café verderop. Bij het afscheid gaf Vestager Thorning-Schmidt haar telefoonnummer: ‘Misschien komt het nog een keer van pas.’ Thorning-Schmidt noteerde het, maar gaf het hare niet. Vestager was zeker niet belangrijk genoeg? ‘O ja!’ zegt Vestager. ‘Dat was ik helemaal vergeten. Dat is wel heel lang geleden.’
Ik kijk op de kaart in de hoop dat een van de negen haringvariaties er beter op is geworden sinds ik voor het laatst heb gekeken. Ik ben geen liefhebber. We nemen allebei de dagschotel: ‘Sol over Gudhjem’, gerookte haring met rauwe eidooier.
Vestager groeide op in het stationsplaatsje Ølgod (‘Biergoed’), niet ver van de vlakke, door weer en wind geteisterde westkust van Jutland. Haar ouders waren lutherse predikanten en politiek actief. Die kerkelijke achtergrond deelt ze met de Duitse Angela Merkel, de Britse Theresa May en de voormalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice, en ik vraag of er sprake is van een patroon.
‘In Denemarken zeggen ze dat predikantenkinderen de ergste zijn,’ zegt ze met een lach. ‘Die moeten zich wel afzetten. Omdat het er bij ons thuis helemaal niet zo religieus aan toeging, had ik weinig om me tegen af te zetten. Als er één ding belangrijk is – ik weet niet veel van de verschillende gezindten – dan is het dat je je voor anderen inzet.’
Volgens Vestager struikelde ze zowat de politiek binnen. ‘Eind jaren tachtig stelde ik me verkiesbaar voor het parlement, alleen maar omdat ik wist dat ik toch geen kans maakte om te worden gekozen,’ zegt ze. Het betrof een zetel waar haar moeder zich ooit kandidaat voor had gesteld. ‘Ik was erg verlegen toen ik jong was, maar nieuwsgierig naar wat het inhield.’
Op haar vijfentwintigste deelde Vestager het partijvoorzitterschap terwijl ze een baan had op het ministerie van Financiën. Op haar negentwintigste werd ze, zonder te zijn gekozen, minister van Onderwijs en Godsdienstige Zaken. ‘Ik besefte niet dat ik jong was, ik dacht er niet over na, dus was er niet bang voor,’ zeg ze. ‘Had ik het wel beseft, dan zou ik doodsbenauwd zijn geweest. Het was ontzettend zwaar. Als ik het over mocht doen, dan zou ik het heel anders aanpakken.’
Vestagers politieke persoonlijkheid heeft ze tot op zekere hoogte te danken aan de dieptepunten die ze aan de top beleefde. Haar eerste jaren als partijleider waren verschrikkelijk, met slechte peilingen omdat ze zo gereserveerd en afstandelijk overkwam. ‘Ze is als volwassene geboren!’ riep een collega destijds denigrerend uit. Vestager besloot dat het tijd werd zich aan te passen. Ze besefte dat als ze het toch anders moest aanpakken, ze net zo goed kon gaan staan voor waar ze in geloofde. Na een hap haring legt ze uit dat ze ‘andere kanten van zichzelf naar voren schoof, en weer andere misschien een beetje terugdrong’. Het was een vorm van beheerste authenticiteit die haar voormalige spindoctor de vergelijking met een oester ontlokte: verleidelijk en eerlijk, maar zo open als ze zelf wil zijn.
Brusselse juristen verwijten Vestager vooral dat ze de neiging heeft de rol die haar van godswege lijkt ingegeven te gebruiken als preekstoel om “rechtvaardigheid” te prediken
Iedereen die Vestagers kantoor in Brussel bezoekt snapt wat dat betekent. Het is een meesterlijk ingerichte kamer vol curiosa en snuisterijen. Je vindt er een gipsen middelvinger (gekregen van een vakbond die tegen bezuinigingen protesteerde), een straatnaambordje met ‘Vestervej’ erop en foto’s van het winderige vlakke land van Jutland waar ze opgroeide. Aan elk voorwerp kleeft een bijzonder verhaal, maar ze lijken weinig prijs te geven over Vestager.
Vestager is vermaard om de ‘vergadertechniek’ waarmee ze de grote ego’s der aarde met beide benen op de grond zet. Ze weet wat ze wil en gaat zonder aantekeningen de bijeenkomst in. Ze schenkt koffie voor haar gasten in. Ze vertrok geen spier toen Cook in 2016 tekeerging tegen haar belastingonderzoek, dat hij met steeds grotere stemverheffing vergeleek met de Venezolaanse rechtspraak. Directeuren van Gazprom kregen te horen dat ze hun entourage moesten inkrimpen zodat iedereen aan tafel paste, met als gevolg dat driekwart van de delegatie op de gang moest blijven. Een aanwezige beweert dat Vestager de bijeenkomst ondanks herhaalde seintjes een kwartier liet uitlopen. Bij het naar buiten gaan zag het gezelschap dat Jack Lew, destijds de Amerikaanse minister van Financiën, zich in de wachtkamer zat op te vreten.
Brusselse juristen verwijten Vestager vooral dat ze de neiging heeft de rol die haar van godswege lijkt ingegeven te gebruiken als preekstoel om ‘rechtvaardigheid’ te prediken. In een bekend geworden toespraak verwees ze naar Luther, Adam en Eva en de hebzucht die aan de basis ligt van monopolistisch gedrag. Ze vindt de kritiek duidelijk misplaatst. ‘Ik heb de 95 stellingen van Luther niet aan mijn deur genageld; ik werk met het Europese mededingingsrecht. Maar wie je ook bent en wat je ook doet, je kunt altijd nadenken over hoe je het doet.’
Wat dat betreft tekent het haar dat ze de reuzen van Silicon Valley uitdaagde: Google, Apple, Facebook en Amazon. Alle vier hebben ze openlijke aanvaringen met Vestager gehad, en ze is van Berlijn tot Washington geprezen omdat ze ze heeft aangepakt. Maar ze krijgt ook het verwijt dat haar interventies (vooral op belastinggebied) niet zozeer juridisch als wel politiek zijn gemotiveerd. Sommigen kunnen het niet uitstaan dat ze zo overtuigd is van haar gelijk. Ik vraag haar of haar welhaast koninklijke voorrecht – als aanklager, rechter, jury én beul – niet te groot is. Ze wuift mijn bezwaar weg en zegt dat de rechtbanken, juristen en media er zijn ‘om haar eerlijk te houden’. ‘En ik heb sterk het gevoel dat ze dat ook doen,’ voegt ze eraan toe.
Het rumoer in het restaurant wordt een tikje minder. Naast ons worden cadeautjes uitgepakt, onze borden worden weggehaald. Ik kies een andere aanpak. Er woedt een academische discussie over de vraag of de aloude antitrustmiddelen – en de orthodoxie van de Chicago School, met de nadruk op nadelige prijseffecten voor consumenten – de spectaculaire veranderingen in maatschappij en economie kunnen bijbenen. Met andere woorden: goedkope producten vragen misschien een hoge prijs, terwijl door concurrentie ingegeven fusies (bijvoorbeeld in de landbouwwereld) om milieuredenen wellicht een slecht idee zijn. Ik vraag of ze, idealiter, geen bredere opdracht zou willen om zich sterk te maken voor een bredere opvatting van consumentenwelzijn.
Haar antwoord is diplomatiek: de principes van het Europese recht zijn breed genoeg. ‘Ook de consument moet zich realiseren dat hij uiteindelijk altijd betaalt. Je betaalt hoe dan ook, zonder dat je alle cijfers van je creditcard intoetst,’ zegt ze. ‘Tot op zekere hoogte zijn sommige firma’s ouderwetse reclamebedrijven in een nieuw jasje. Ze doen fantastische dingen. Hun innovaties hebben onze samenleving veranderd. Dat neemt niet weg dat ze nog steeds een verantwoordelijkheid hebben. Als je dominant bent in de markt, heb je een speciale verantwoordelijkheid.’
Het is een verwijzing naar Google, een bedrijf dat ze op het matje riep omdat het zijn dominante positie misbruikte om zijn eigen zoekresultaten te bevoordelen. Als Google straks geen onderscheid meer maakt, maar de klantbeleving er slechter op wordt, is ze dan nog steeds tevreden? ‘Wie ben ik om daarover te oordelen?’ antwoordt ze. ‘Op zichzelf is het goed als je iets te kiezen hebt.’
Vrachtwagenkartel
De zaken die ze tegen technologiereuzen aanspande trokken de aandacht, maar louter vanuit het oogpunt van consumentenwelzijn bezien vallen ze in het niet bij haar ontmanteling van het vrachtwagenkartel. Dat hanteerde niet alleen vaste prijzen, maar dwarsboomde ook de technologie om de uitstoot te verminderen. Een klokkenluider heeft vergelijkbare aantijgingen gedaan jegens autofabrikanten die onder één hoedje spelen. Had de commissie eerder moeten ingrijpen? Ze noemt de auto-onderdelenkartels die het afgelopen decennium zijn bestraft.
‘Het houdt maar niet op,’ zegt ze met opgetrokken wenkbrauwen. ‘In dat opzicht staat het al tijden bij ons op de agenda, maar het emissieschandaal is niet echt een antitrustkwestie. Misschien is het milieufraude, zoiets… We zien misschien een autokartel door de vingers waarin schijnbaar hecht wordt samengewerkt. We gaan ernaar kijken, maar hebben al heel wat middelen in die sector gestoken.’
Aan haar termijn komt een einde op het hoogtepunt van haar loopbaan. Volgens sommige collega’s zou ze dolgraag directeur van het Internationaal Monetair Fonds worden. Anderen zien graag dat ze de nieuwe commissievoorzitter wordt. Maar liberalen krijgen bijna nooit een topfunctie, en zij komt ook nog eens uit een land zonder euro dat in Europees verband vaak zijn eigen weg kiest. ‘In een andere wereld wordt een sociaalliberaal misschien ergens de baas van,’ schertst ze. Het klinkt althans als een grap, maar helemaal zeker ben ik er niet van.
Ze werpt een laatste blik op het roggebrood en daar gaat ze, alleen de motregen in. Ik kijk naar haar halfopgedronken koffie en haar keurig opgevouwen servet, en denk na over wat een klein land groot maakt.
Auteur: Alex Barker
Vertaling: Nico Groen
Financial Times
Verenigd Koninkrijk, dagblad, oplage 448.000
Gezaghebbende krant voor de Londense City en de rest van de zakenwereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld. Het in 1888 opgerichte dagblad wordt inmiddels in 23 landen gedrukt en heeft naast de Britse ook drie Europese, een Amerikaanse en een Aziatische editie.
Misschien al binnen één generatie zullen de meeste Amerikanen een zelfbesturend voertuig bezitten. Maar hoe moet dat in een land waar autorijden een essentieel onderdeel is van de cultuur?
‘Als ik deze hele eeuw in één beeld zou moeten samenvatten’, schreef romanschrijver J.G. Ballard in 1971, ‘dan zou ik een bekend alledaags beeld nemen: een man in een auto die over een snelweg naar een of andere onbekende bestemming rijdt. Bijna elk aspect van het moderne leven, goed of slecht, is daarin gevat: snelheid, drama en agressie, de wereld van de reclame en consumptiegoederen, techniek en massaproductie, en de gemeenschappelijke ervaring van het gezamenlijk door een uitgebreid bewegwijzerd landschap reizen.’ Met andere woorden: het leven is een snelweg. En die snelweg was volgens Ballard een bloedige maar prachtige chaos.
Ballard was destijds nog een relatief obscure auteur van sciencefictionromans over een toekomst vol heftige ecologische crises (droogte, overstromingen, orkanen) en krankzinnige geweldsuitbarstingen. Maar rond 1970 raakte hij vooral gefascineerd door de ouderwetse techniek van de automobiel. Auto’s hadden voor hem een sterke, mythische aantrekkingskracht. Hij was opgegroeid in Shanghai, waar hij in de watten werd gelegd en elke dag door een chauffeur naar school werd gebracht in een grote, Amerikaanse Packard. Totdat de Japanners tijdens de Tweede Wereldoorlog Shanghai binnenvielen en de auto in beslag namen, waardoor de familie zich voortaan per fiets moest verplaatsen. Ballard was toen elf jaar. Een paar jaar later werd zijn wereld nog kleiner: hij werd geïnterneerd in een Japans concentratiekamp. Toen hij twee jaar later uit dat kamp kwam, had hij een diepgewortelde afkeer van prikkeldraad en een grote voorliefde voor kolossale Amerikaanse auto’s.
De auto stelde Ballard voor een verwarrende paradox. Hoe kon zo’n erotisch object dat tegelijk zo gespierd en wulps was, zo maagdelijk en ‘snel’, toch een van de dodelijkste uitvindingen uit de geschiedenis zijn? Was de populariteit simpelweg te danken aan de optimistische overtuiging en het blinde vertrouwen dat een ongeluk alleen anderen zou overkomen? Ballard dacht van niet. Hij vermoedde dat autobestuurders in zekere zin opgewonden raken van het gevaar, en misschien zelfs het verlangen koesteren om bij een spectaculair ongeluk betrokken te raken. Een paar jaar later zou dat idee zich als een reuzenaronskelk (bijgenaamd de ‘lijkbloem’) ontvouwen tot Crash, zijn controversiële roman over een groep mensen die autowrakken en verminkte lijken als fetisj hebben.
Hoe moet het met de afgezaagde countrysongs waarin autorijden een metafoor is voor het leven?
In de loop van een eeuw, schreef Ballard, had de ‘perverse technologie’ van de auto onze denkwereld gekoloniseerd en de fysieke wereld getransformeerd. Maar hij voorzag dat de auto door de ongewenste bijeffecten – het verkeer, de slachtoffers, de vervuiling, de groei van de buitenwijken – snel ter ziele zou gaan. Ergens halverwege de eenentwintigste eeuw, schreef hij, zouden bestuurders vervangen worden door ‘directe elektronische besturing’ en zou het verboden worden om zelf een auto te besturen. De sensuele machines zouden geslachtloos worden gemaakt, worden gesteriliseerd, ontdaan van hun rempedaal, hun gaspedaal, hun stuur. Er zou een einde komen aan het autorijden en de autocultuur zoals we die kennen. Het besturen van een auto zou uit de tijd raken, en alleen nog als nostalgische curiositeit kunnen worden beoefend in een paar ‘verkeersparken’.
De details van zijn voorspelling lijken nu heel curieus. Zo dacht hij dat het stuur zou worden vervangen door een kiesschijf en een adresboek, waarmee de passagiers hun bestemming konden ‘draaien’. Vervolgens zou de auto worden bestuurd met radiogolven die uit metalen strips in de weg kwamen. ‘Stel dat je in Toronto bent en New York kiest, dan zou je een stem kunnen horen die zei: “Sorry, New York is vol. Wat dacht u van Philadelphia, of Saskatoon?”’ Ballard had niet voorzien dat niet de wegen maar de auto’s op een dag extreem veel slimmer zouden worden, dat hun besturing niet door Big Brother zou worden overgenomen, maar door techneuten. In 2014 onthulde Google met een actie die Ballard vreselijk zou hebben gevonden zijn eerste volledig zelfsturende auto, die was ontdaan van een stuur en een agressief schattige voorkant had gekregen.
Volgens Ballards sombere inschatting zou het einde van het autorijden maar één stap zijn op de lange weg naar de ‘gematigde dystopie’ van buitensporige consumptiedrang en de controlestaat waarin mensen vrijwillig de zeggenschap over hun leven opgeven in ruil voor technologisch gemak. ‘De auto zoals wij die nu kennen is op sterven na dood’, schreef Ballard. ‘Tot op zekere hoogte betreur ik zijn heengaan, want deze fundamenteel ouderwetse machine is het vehikel van een fundamenteel ouderwets concept: vrijheid.’
Beroemde autoscènes: Bonnie en Clyde.
In een recent opiniestuk in de Pittsburghse Post-Gazette merkte president Obama op dat de zelfrijdende auto in de zevenenhalf jaar van zijn presidentschap van een sciencefictionfantasie werkelijkheid is geworden en misschien ons leven zal gaan veranderen. Autofabrikanten en technologiebedrijven proberen om het hardst binnen de komende vijf tot twintig jaar auto’s zonder bestuurder op de weg te laten rijden. Sommige zijn daar al in geslaagd: Tesla’s nieuwe zelfsturende auto’s hebben al zo’n 350 miljoen kilometer afgelegd, zelfrijdende vrachtwagens rijden over de Autobahn, en in Pittsburgh kunnen passagiers zich al in zelfrijdende Ubertaxi’s laten vervoeren. In al die gevallen is er nog wel een bestuurder die in geval van nood de besturing kan overnemen. Volgens de autofabrikanten is het nu de vraag hoe snel en hoe volledig robots dit zullen gaan doen. Het antwoord is misschien verrassend: in een recent beleidsplan van Morgan Stanley wordt optimistisch voorspeld dat de Verenigde Staten in 2025 een ‘utopische wereld is waarin elke auto zelfstandig rijdt’ – mits er niet allerlei nadelige regels worden ingevoerd of maatschappelijke paniek uitbreekt.
De potentiële voordelen van zo’n wereld zijn enorm. Zelfrijdende auto’s geven bewegingsvrijheid aan het toenemende aantal ouderen en gehandicapten (om nog maar te zwijgen van kinderen, huisdieren en goederen) die niet zelf kunnen rijden. Omdat negentig procent van de verkeersongelukken wordt veroorzaakt door menselijke fouten, kunnen door zelfrijdende auto’s miljoenen levens per jaar worden gered. Minder ongelukken betekent ook minder files en minder verkeer betekent minder vervuiling. Er is een groep futuristen opgestaan om de effecten te berekenen die deze technologie heeft op de stedelijke omgeving (geen parkeerprobleem meer!), de balans tussen werk en vrije tijd (geen verloren tijd meer!), het milieu (geen smog!), gezondheid (geen dronken bestuurders!) en de werkgelegenheid (in alle soorten vervoer!).
Dat alles is echter nog niets vergeleken met de enorme veranderingen op cultureel, politiek, en economisch gebied die zullen plaatsvinden in de wereld van de zelfrijdende auto en de veranderde beleving van het autorijden. Dat zal een immense transformatie zijn: ons land van bestuurders staat op het punt een land van passagiers te worden.
Fear and Loathing in Las Vegas.
Het besturen van een auto behoort al een halve eeuw tot de kern van de Amerikaanse mythe. Hoe zal het zijn als dat wegvalt? Misschien ligt het ons nog te na aan het hart om daarover te kunnen oordelen. Zullen we het verlies van controle erg betreuren? Zal het ons gevoel van persoonlijke vrijheid – het gevoel dat we onze toekomst in eigen hand hebben – op subtiele wijze aantasten? Zal het betekenen dat we niet meer dagelijks het risico lopen te zullen sterven? Zal het onze (maar al te vaak) door ras en geslacht bepaalde ideeën veranderen over wie in welk soort auto behoort te rijden? Als we niet meer zelf door het drukke verkeer hoeven te manoeuvreren, zou dat verkeer dan minder frustrerend worden of juist meer? En hoe moet het met achtervolgingen in films? En met de afgezaagde countrysongs waarin autorijden een metafoor is voor het leven?
In hun nieuwe boek: Driverless: Intelligent Cars and the Road Ahead (september 2016) vragen Hod Lipson en Melba Kurman zich af hoe je in de toekomst aan een kind moet uitleggen ‘dat autorijden vroeger vergeleken werd met volwassenheid en vrijheid’. Zonder de noodzaak van een rijbewijs zal de leeftijd van zestien jaar niet meer de overgang markeren naar de volwassenheid, iets wat tegelijkertijd volwassenen zal infantiliseren en kinderen zal bevrijden. Ouders zullen niet meer urenlang taxi hoeven te spelen voor hun kinderen. Taxichauffeurs, buschauffeurs, vrachtwagenchauffeurs en bezorgers zullen hun baan kwijtraken, en allerlei bedrijfstakken zullen zich moeten aanpassen. Zo voorzien Lipson en Kurman dat autogarages 24 uur per dag open zullen moeten zijn zodat uw auto zelf voor een onderhoudsbeurt naar de garage kan rijden terwijl u slaapt en weer voor de deur staat als u wakker wordt. Auto’s en vrachtwagens die zonder bestuurder een lange afstand moeten afleggen, zullen dat waarschijnlijk ’s nachts doen omdat het dan minder druk op de weg is.
Ook het interieur van de auto zal geleidelijk aan veranderen. Er zijn al ontwerpen die doen denken aan de businessclass van vliegtuigen, met makkelijke stoelen en ingebouwde audiovisuele apparatuur. De twee voorstoelen zouden kunnen worden omgedraaid zodat ouders tegenover hun kinderen kunnen zitten, net als thuis aan tafel. Een zelfrijdende auto zou ook als een soort rijdende slaapkamer kunnen worden ingericht. Daarbij zou je kunnen denken aan de auto als anoniem motel, als geheime ontmoetingsplaats. Lipson en Kurman zien een ‘bed-bus’ voor zich, ‘compleet met getinte ramen met het oog op de privacy’. Omdat veel mensen in hun eentje in hun auto zullen zitten en dan niets te doen hebben, voorspellen de auteurs ook dat zelfrijdende auto’s ‘een comfortabele nieuwe omgeving bieden waarin liefhebbers van pornografie zich kunnen uitleven’. Hun akeligste voorspelling is nog wel dat passagiers die niet in hun eentje in een afgesloten cocon willen rondrijden, tegen betaling de optie ‘Mensen Ontmoeten’ zullen kiezen als ze een robottaxi bestellen, zodat ze ‘kunnen worden gekoppeld aan andere passagiers van dezelfde leeftijd of met vergelijkbaar surfgedrag op internet en vergelijkbare Facebook-likes’.
Grease.
Analisten voorspellen dat hoe meer zelfrijdende auto’s er rondrijden, hoe efficiënter ze zullen worden. Door de bewegingen te coördineren kunnen ze als treintjes aan elkaar worden gekoppeld, waardoor ze minder luchtweerstand hebben, net als fietsers in een peloton, en relatief veilig veel hogere snelheden kunnen bereiken.
Egocentrisch rijgedrag, dat filevorming verergert, wordt daarmee uitgesloten, en |de auto’s kunnen leren van elkaars fouten, iets wat ‘fleet learning’ wordt genoemd. En omdat ze op een veel complexere manier met elkaar kunnen communiceren dan met alleen maar handgebaren en getoeter, zal het moderne verkeersbeeld er drastisch door veranderen. Zelfrijdende auto’s hoeven bij een kruispunt niet meer te stoppen, maar kunnen vlak voor of achter elkaar langsrijden; in de spits kunnen auto’s over de relatief lege tegemoetkomende rijbaan rijden, waarbij de enkele tegenligger tussen het verkeer door manoeuvreert, net als Braziliaanse legermieren. Kortom: onze auto’s kunnen eindelijk de kudde-intelligentie ontwikkelen die wij zelf niet kennen, maar waarvan in het dierenrijk al duizenden jaren gebruik wordt gemaakt.
Voorstanders van deze techniek beloven ons steevast dat we door al die veranderingen meer vrije tijd zullen krijgen. Maar wat moeten we daar precies mee? Volgens een onderzoek van de Carnegie Mellon University zullen passagiers in een zelfrijdende auto vooral veel tijd op hun mobiele apparaten kijken. Het zal wel niet lang duren voordat de voorruit volledig wordt gekoloniseerd door opgloeiende pixels en in elk geval een deel van de tijd zal fungeren als een soort breedbeeldtelevisie. Nog griezeliger is het idee om op alle ruiten van de auto zeer gestileerde versies weer te geven van de omgeving waar de auto doorheen rijdt met behulp van Instagramachtige filters, of er augmented reality games op weer te geven, of simpelweg een fraaier landschap op te vertonen.
Monkey Business.
Vorig jaar hebben de president-commissarissen van zowel Tesla en Uber als van Lyft verklaard dat de bestuurderloze toekomst nabij is. Elon Musk, CEO van de elektrische autofabriek Tesla, ontvouwde in juli 2016 zijn ‘masterplan’ voor zelfrijdende auto’s, die de eigenaren konden uitlenen aan andere mensen als ze ze niet nodig hadden – een soort Autobnb. De CEO van Uber, Travis Kalanick, voorspelde dat elke Uber-auto over enkele tientallen jaren zelfrijdend zal zijn. John Zimmer van Lyft had een veel radicalere boodschap: ‘In 2025 zullen in de grote Amerikaanse steden nauwelijks nog auto’s rondrijden die privébezit zijn.’ Volgens Zimmer zullen de Amerikanen het eigen autobezit opgeven, en met hun mobiel een robotaxi bestellen als ze ergens naartoe moeten, en zal dat veel goedkoper zijn dan een eigen auto. Daardoor zal er minder verkeer zijn, zullen parkeerplaatsen voor iets nuttigers worden gebruikt, en kunnen mensen het type zelfrijdende auto kiezen dat geschikt is voor hun doel – een pick-uptruck om hout te halen bij een bouwmarkt, een busje om de kinderen van en naar school te laten vervoeren, en een eenzitter om naar het werk te gaan. Zimmer noemt dat de Derde Transportrevolutie. Als zelfbenoemde autodeskundige is hij goed op de hoogte van de geschiedenis van de auto. Hij is zo verstandig om zijn redenering te formuleren in termen van vrijheid, maar door een slimme retorische truc belooft deze service een brug te slaan tussen de ouderwetse automobiliteitsvrijheid en de nieuwerwetse bevrijding van de auto.
Wat is die vrijheid nu precies waard? Bij het beantwoorden van die vraag valt de maatschappij op een merkwaardige manier in tweeën uiteen. Mensen die autorijden als een soort gevangenis zien – wat het ruimtelijk gezien letterlijk is – zullen erg blij zijn met een extra uur om te werken of te spelen (of te eten, lezen, mediteren, hun haar te doen of zich op te maken). Maar mensen die autorijden als een fysieke vrijheid zien – wat het ruimtelijk gezien óók is – zullen het einde van het zelf besturen van een auto als een beperking beschouwen.
Thelma and Louise.
Deze kwestie wordt nog gecompliceerder als hij verstrikt raakt in een partijpolitiek web, iets wat ongetwijfeld zal gebeuren; opnieuw een teken hoe beladen het symbool van de auto is in de Amerikaanse mythe. Zal links zich tegen zelfrijdende auto’s verzetten omdat ze banen dreigen te gaan kosten en een paar private bedrijven biljarden dollars zullen gaan opleveren? Of zal rechts zich verzetten omdat ze de individuele vrijheid dreigen in te perken en de ‘traditionele Amerikaanse waarden’ ondermijnen? Aan beide kanten wordt al gemopperd, maar als autorijden ooit illegaal wordt vanwege de redenatie die Elon Musk recent opperde, namelijk dat ‘mensen niet met een moordmachine van twee ton zouden moeten kunnen rondrijden’, dan zal deze discussie ongetwijfeld zeer hoog oplopen. In het rechtse
kamp worden bestuurbare auto’s al vergeleken met wapens, waarmee meteen duidelijk moge zijn dat men ze niet makkelijk zal willen opgegeven. De redenaties hebben een ondertoon die te maken heeft met gender, zoals wel vaker in het politieke debat: moedertje staat wil ons onze auto’s afpakken, maar echte kerels leggen zich daar natuurlijk niet bij neer. In een satirisch artikel in de National Review van vorig jaar wordt het beeld geschetst van een ambtenaartje dat naar Elk Groin (het fictieve Elandkruis) in de wildweststaat Montana wordt gestuurd om ‘de jongens van de garage te vertellen dat ze niet meer in hun truck mogen rijden’. De ambtenaar zegt opgewekt: ‘Ik geef jullie even een linkje met informatie over de nieuwe wet, jongens, dan kunnen jullie zien dat het voor iedereen een win-winsituatie is.’ De ‘jongens’ staan uiteraard niet te juichen. Maar is het inderdaad geen win-win? Uit onderzoek blijkt dat de meeste verkeersslachtoffers vallen onder jonge mannen in landelijke en rode, dat wil zeggen Republikeinse staten: Montana heeft het op twee na hoogste aantal verkeersdoden van heel Amerika en Wyoming voert die lijst aan.
Het lijkt misschien ironisch dat de mensen die het meest gebaat zullen zijn bij de zelfrijdende auto juist degenen zijn die zich ertegen verzetten. Maar eigenlijk is dat niet meer dan logisch. De reden waarom mensen in afgelegen gebieden van Amerika zo vaak bij verkeersongelukken om het leven komen is dat ze zo veel tijd in hun auto doorbrengen. De auto – en met name de pick-uptruck – is iets waar je op vertrouwt, een voertuig dat je als je broekzak kent, en iets waar je werkelijk, niet in metaforische zin, van houdt.
Daarom is de band die mensen in zulke afgelegen streken met hun auto hebben meer te vergelijken met de band met paarden dan die met treinen. Honderd jaar geleden werd voorspeld dat paarden in dit autotijdperk praktisch uitgestorven zouden raken. Maar zo is het niet gegaan: in Amerika zijn nog zo’n vijf miljoen paarden die worden gehouden om mee te werken of voor recreatie. Ook in een overwegend chauffeurloos tijdperk zullen veel mensen buiten de grote steden waarschijnlijk nog een auto hebben die ze zelf kunnen besturen, zij het aan de uitersten van het socio-economisch spectrum: sommige vintage auto’s zullen fungeren als een paradepaardje, andere als een werkpaard. Die auto’s zullen ook steeds meer van paarden weg hebben: trucks worden sterker en gespierder en sportwagens worden sneller om de bestuurders een groter gevoel van snelheid en gevaar te geven. Dat is altijd al een deel van de aantrekkingskracht van de auto geweest: hij voert ons verleidelijk dicht langs het randje van de dood, maar houdt ons ook in leven – meestal tenminste. Voor sommige mensen (met auto’s net zo goed als met wapens, drugs, onbeschermde seks, extreme sporten en suikerhoudende frisdrank) betekent vrijheid de vrijheid om hun leven op het spel te zetten. Zoals Ballard het formuleert: ‘Als je een auto bestuurt heb je elke seconde de absolute vrijheid om je in de meest dramatische gebeurtenis van het leven te storten – afgezien van de geboorte –, namelijk de dood.’
When Harry Met Sally.
De vrijheid om in een vlammenzee om het leven te komen (en daarbij het leven van anderen op het spel te zetten) vind ik persoonlijk geen geldig argument ter verdediging van het zelf besturen van een auto. Wat me meer zorgen baart is het gemis van de kleinere vrijheden en subtielere geneugten die het autorijden ons verschaft. Omdat zelfrijdende auto’s zijn geprogrammeerd om nooit de verkeersregels te overtreden, zullen ze nooit meer dan een tiental kilometers per uur te hard rijden, ook niet als je snel naar het ziekenhuis moet omdat je dochter blauw aanloopt. Je kunt nooit te hard een bocht om rijden om zo’n lekker raar gevoel in je buik te krijgen. Je kunt nooit meer je auto laten spinnen, hard wegscheuren, of de motor laten brullen. De collectieve ervaring van de Amerikaanse adolescentie – die voor een groot deel in de auto wordt doorgebracht, waarbij een genuanceerd begrip wordt verkregen over regels en wanneer en hoe die kunnen worden overtreden – zal simpelweg verdwijnen. In ruil daarvoor krijgen we elke dag wat extra tijd om op een of ander scherm te kijken. Er zullen levens worden gered, maar het leven zal wel saaier worden. Het is niets anders dan een voortzetting van de verschuiving die we hebben meegemaakt toen we paarden inruilden voor auto’s: meer veiligheid, meer gemak, maar ook meer versplintering en saaiheid. Het logische eindpunt van dat traject is de nachtmerrie waar Ballard ons voor waarschuwde: ‘een immense, zielloze saaiheid’.
Maar misschien is dat een te somber vooruitzicht. Misschien kunnen zelfrijdende auto’s wel worden gehackt en worden geleerd om dingen te doen die niet de bedoeling van de ontwerpers waren. (Als Ballards cyberpunknazaten iets hebben geleerd, dan is het wel dat nieuwe technieken nooit zo keurig uitpakken als was voorspeld.) Misschien zullen – zoals de sciencefictionschrijver Roger Zelazny voor zich zag – mensen een blind trip met hun auto gaan maken: willekeurige coördinaten invoeren en zich dan door hun auto laten verrassen, een soort rondslenteren met de auto dus. Misschien worden auto’s zo geprogrammeerd dat voetgangers en fietsers meer ruimte krijgen en wordt het verkeer eindelijk minder gevaarlijk voor de kwetsbare mens. Of misschien zal er een enorme verschuiving optreden, zullen grote buitenwijken verdorren en zullen auto’s gedegradeerd worden en een ondergeschikte rol krijgen omdat mensen liever door opeengepakte, bruisende, uitnodigende maar krankzinnige steden lopen of fietsen. Wie zal het zeggen? De toekomst is onpeilbaar vreemd en dat is altijd al zo geweest.
Nieuws over de sterren, de mode en het nachtleven van New York. Altijd op jacht naar schandalen en politieke crises. Deze concurrent van The Village Voice is eigendom van Rupert Murdoch.
Tristan Harris, voormalig productfilosoof bij Google, vindt dat Silicon Valley ons verslaafd maakt aan onze smartphones. Hij is vastbesloten daar een einde aan te maken.
Op een avond in San Francisco krijgt Tristan Harris, voormalig productfilosoof bij Google, een naamkaartje uitgereikt door een man in pyjama die zich Honey Bear noemt. Hij schrijft er zijn eigen schuilnaam voor die avond op: ‘Presence’. Harris doet mee aan Unplug SF, een ‘digitaal detox-experiment’ ter gelegenheid van de National Day of Unplugging. Je echte naam mag je hier niet gebruiken. Ook verboden: horloges, praten over je werk en zogenaamde WMD’s (de Engelse afkorting voor weapons of mass destruction, maar hier gebruikt voor wireless mobile devices). Dus levert Harris, een donkerblonde, slanke man van 32 met een keurig stoppelbaardje, zijn iPhone in – een apparaat dat hij zo verslavend vindt dat hij spreekt van de ‘fruitautomaat in mijn broekzak’.
Ik volg hem een grote ruimte in waar bijna vierhonderd mensen zitten te tekenen, te kleuren of te breien. Hier hangt de opgewekte sfeer van een zomerkamp, maar het maakt ook duidelijk dat het voor smartphonebezitters – die hun mobieltje volgens onderzoek zo’n honderdvijftig keer per dag raadplegen – kiezen of delen is: ofwel je ‘WMD’ laten aanstaan en continu worden verleid om naar het schermpje te loeren, of het apparaat even helemaal uitbannen. ‘Het zou geen kwestie van alles of niets moeten zijn,’ zegt Harris later. ‘Dat is een ontwerpfout.’
McDonald’s maakt ons verslaafd door een fysiek verlangen naar bepaalde smaken te bevredigen – Facebook, Instagram en Twitter doen het met wat psychologen “wisselende beloning” noemen
Je zou Harris kunnen beschouwen als het geweten van Silicon Valley (voor zover dat een geweten heeft). Met zijn Time Well Spent-beweging streeft hij naar moreel integer softwaredesign: hij wil dat de technologie ons helpt om minder aan ons scherm te kleven. Volgens sommigen is de collectieve technologieverslaving onze eigen schuld, kwestie van gebrek aan wilskracht. Maar volgens Harris treft ook de software blaam. Het verlangen om even op onze telefoon te kijken is een natuurlijke respons op apps en websites die erop ontworpen zijn ons daartoe te verleiden. In de nieuwe ‘aandachtseconomie’ verdienen bedrijven vooral aan het kapen van onze aandacht, en dat leidt tot wat Harris ‘een race naar de bodem van de hersenstam’ noemt. ‘Je kunt wel zeggen dat het mijn eigen verantwoordelijkheid is,’ legt hij uit. ‘Dat het een kwestie van zelfbeheersing is. Maar dan vergeet je dat er aan de andere kant van het scherm duizend mensen aan de ondermijning van jouw zelfbeheersing zitten te werken.’
Er zijn meer mensen die bepleiten wat Harris voorstaat, zoals Adam Alter, docent marketing aan New York University. Maar volgens Josh Elman van investeringsfonds Greylock Partners, een ouwe rot in Silicon Valley, is Harris de eerste ‘die alles op deze manier bij elkaar brengt’: de formulering van het probleem, de maatschappelijke kosten en ideeën voor oplossingen. Elman vergelijkt de technologiesector met tabaksfabrikanten in de tijd dat er nog geen verband was vastgesteld tussen roken en kanker: ook zij gaven de klanten grif wat ze wilden, maar richtten daarmee flinke schade aan in hun leven. Volgens hem biedt Harris Silicon Valley de kans om zich te bezinnen voordat er straks, als gevolg van nog meeslepender technologie zoals virtual reality, geen weg meer terug is.
Al dat gepraat over hoe de mens door software wordt ‘gehackt’ kan paranoïde klinken, maar Harris heeft zelf van nabij gezien hoe gebruikers worden gemanipuleerd. Hij groeide op in San Francisco als zoon van een alleenstaande moeder die zich inzette voor mensen met arbeidsletsel en schreef als kind al eenvoudige software voor Macintosh-computers, én fanmail naar Steve Wozniak, een van de oprichters van Apple. Tijdens een stage bij Apple ging hij informatica studeren aan Stanford-universiteit, waar hij ook college liep bij het Persuasive Psychology Lab van de experimenteel psycholoog B.J. Fogg. Dat is erg populair bij ondernemers die zich willen bekwamen in Foggs principes van ‘gedragsdesign’: een eufemisme voor het bouwen van software die ons onbewust laat doen wat een bedrijf wil. (Een van de oprichters van Instagram heeft ook bij Fogg gestudeerd.) Harris deed daar onderzoek naar de psychologie van gedragsverandering: hoe je met zoiets als clickertraining voor honden ook mensen kunt conditioneren om producten aantrekkelijk te vinden. Als je bijvoorbeeld zorgt dat mensen meteen na het posten van een foto een like krijgen, kan zo’n incidentele handeling uitgroeien tot een dagelijkse activiteit.
Harris constateerde dat de succesrijkste sites en apps ons verslaafd maken door het aanspreken van diepgewortelde menselijke behoeften. Zo presenteerde LinkedIn bij zijn lancering een grafische weergave van de netwerken van gebruikers waarmee het ons aangeboren verlangen naar sociale goedkeuring aansprak en mensen stimuleerde om zich in te schrijven en contacten te leggen. ‘Je kon toen nog helemaal niks met LinkedIn, maar dat eenvoudige plaatje appelleerde aan je verlangen om niet als een loser gezien te worden,’ zegt Fogg. Harris begon te beseffen dat technologie geen neutraal gereedschap is, zoals veel ontwerpers beweren. En het zat hem dwars dat slechts een van de tien colleges van Fogg gewijd was aan de ethische aspecten van deze overredingstechnieken. (Volgens Fogg wordt er ‘door de hele studie heen’ aandacht besteed aan ethiek.)
Harris stopte met zijn studie om een start-up te beginnen die pop-ups met achtergrondinformatie maakte voor duizenden sites, waaronder die van The New York Times. Hij ging gebukt onder de spanning tussen de sociale missie van zijn bedrijf (het bevorderen van leergierigheid door het aanbieden van laagdrempelige informatie) en de wens van uitgevers om gebruikers zo lang mogelijk op hun site te houden. Harris zegt dat hij zelf geen slinkse overredingstechnieken gebruikte, maar wel van nabij heeft gezien hoe ze werden toegepast. Hij begon het te zien als een ‘gijzeltechniek’, het digitale equivalent van junkfood dat met suiker, zout en vet wordt volgestopt om te zorgen dat je blijft eten. McDonald’s maakt ons verslaafd door een fysiek verlangen naar bepaalde smaken te bevredigen – Facebook, Instagram en Twitter doen het met wat psychologen ‘wisselende beloning’ noemen. Nieuwe berichten, foto’s en likes verschijnen zonder enige regelmaat, zodat we steeds blijven kijken of er weer wat nieuws op staat, want je weet nooit wanneer je volgende dopaminekick komt. Uit onderzoek blijkt dat zulke willekeurige prikkels een krachtige en snelle manier zijn om gedrag te beïnvloeden. Even naar dat vriendenverzoek op Facebook kijken kost toch maar een paar seconden, redeneren we – al blijkt uit onderzoek dat het je gemiddeld 25 minuten kost om je daarna weer op je werk te concentreren.
Drive Them Crazy
Volgens een woordvoerder streeft Facebook naar verbetering van de gebruikerservaring, niet naar maximalisering van de tijd die mensen op de site doorbrengen, en voert het dagelijks enquêtes uit om te meten of dat lukt. Daarom heeft Facebook onlangs bijvoorbeeld het algoritme voor de newsfeed aangepast om iets te doen tegen ‘clickbait’: berichten met misleidende, sensatiebeluste koppen die alleen bedoeld zijn om lezers te lokken. (LinkedIn en Instagram wilden niet op mijn vragen ingaan. Twitter heeft na herhaalde verzoeken helemaal niet gereageerd.)
Toch is er inmiddels een heel legertje consultants die bedrijven leren hoe ze hun product onweerstaanbaar kunnen maken. Zoals Nir Eyal, de schrijver van Hooked: How to Build Habit-Forming Products, die voordrachten houdt of advies geeft aan bedrijven als LinkedIn en Instagram. Een van zijn blogberichten over de kracht van wisselende beloning is getiteld ‘Want to Hook Your Users? Drive Them Crazy’. Eyal erkent dat een bedrijf moreel verplicht is zijn gebruikers te helpen als die werkelijk aan zijn diensten verslaafd raken. Maar hij vindt dat sociale media op dezelfde manier op onze hang naar entertainment inspelen als tv of romans. Volgens hem ligt de nieuwste technologie alleen onder vuur omdat ze nieuw is en vinden mensen uiteindelijk vanzelf wel de juiste balans. ‘Als je roept: gebruik die technieken niet, dan zeg je in feite: maak je producten niet te leuk. Dat slaat nergens op,’ zegt Eyal. ‘Bij elke nieuwe technologie zegt de oudere generatie: de jeugd van tegenwoordig is hier te veel mee bezig en wordt er dom van. Maar de mens blijkt zich altijd gewoon aan te passen.’
Harris erkent ruiterlijk dat hij, als gevolg van zijn onderzoek naar hoe bedrijven onze tijd gijzelen, lichtelijk obsessief probeert bij te houden wat in zijn eigen leven “welbestede tijd” is
In 2011 werd Harris’ bedrijf door Google gekocht en ging hij werken aan Google’s Inbox-app. Na een jaar begon hij zich te storen aan het gebrek aan aandacht voor het feit dat ogenschijnlijk onschuldige keuzes in het ontwerpproces van de app, zoals de optie om bij elke nieuwe mail een meldingsgeluid te laten klinken, uiteindelijk uitgroeien tot miljarden momenten van afleiding. Zijn team was maanden bezig met het uiterlijk van de Gmail-app om tot een nog ‘heerlijker’ e-mailbeleving te komen, maar volgens hem misten ze de essentie. Kon je, in plaats van te proberen e-mail te verbeteren, niet beter de vraag stellen hoe e-mail ons leven kan verbeteren? En of beslissingen in het ontwerpproces van nieuwe software ons leven niet slechter maken?
Na een bezoek aan het Burning Man-festival in de woestijn van Nevada, dat hem naar eigen zeggen hielp om ‘te ontwaken en mijn eigen overtuigingen tegen het licht te houden’, kwam Harris zes maanden later in alle stilte met de 144 pagina’s tellende Google Slides presentatie ‘A Call to Minimize Distraction & Respect Users’ Attention’. Daarin schrijft hij: ‘Nooit eerder in de geschiedenis hebben de beslissingen van een handjevol softwaredesigners (overwegend blanke mannen van tussen de 25 en 35 uit San Francisco) bij drie bedrijven [Google, Apple en Facebook] zo veel invloed gehad op hoe miljoenen mensen overal ter wereld hun aandacht verdelen. We zouden ons bewust moeten zijn van onze enorme verantwoordelijkheid om het goed te doen.’
De presentatie, door Harris slechts naar tien naaste collega’s gestuurd, bereikte al snel meer dan vijfduizend Google-medewerkers. Daaronder ook toenmalig CEO Larry Page, die er een jaar later op een bijeenkomst met Harris over in discussie ging. Mede op basis van die presentatie wist Harris een nieuwe functie als productfilosoof te bedingen, waarbij hij onderzoek moest doen naar manieren waarop Google ethisch design kan implementeren. Maar hij zegt te zijn vastgelopen op ‘apathie’. Volgens Chris Messina, destijds softwareschrijver bij Google, veranderde na het uitbrengen van Harris’ presentatie maar weinig: ‘Het was zo’n geval waarbij iedereen instemmend knikt om vervolgens gewoon op de oude voet verder te gaan.’
Vorig jaar december is Harris bij Google vertrokken om op bredere schaal voor verandering te ijveren. Hij wordt gesteund door een groeiend netwerk van gelijkgezinden, onder wie de aan MIT verbonden hoogleraar Sherry Turkle, de CEO van Meetup Scott Heiferman, en Justin Rosenstein, een van de bedenkers van de ‘vind ik leuk’-knop – plus tal van geïrriteerde internetgebruikers en bezorgde werknemers uit de sector. ‘Praktisch alle grote bedrijven die gebruikers manipuleren hebben interesse in ons werk,’ zegt Joe Edelman, die al vijf jaar met Harris ideeën uitwisselt en workshops houdt.
Met zijn beweging Time Well Spent hoopt Harris steun te mobiliseren voor het software-equivalent van biologisch voedsel: een alternatief dat op normen en waarden berust en ons vooral wil helpen onze tijd goed te besteden, in plaats van zo veel mogelijk van onze tijd in beslag te nemen. Voorlopig is Time Well Spent meer het motto van een kruistocht – en een visie waarvan Harris hoopt dat anderen die overnemen – dan een volgroeide organisatie. Harris is de enige werknemer en betaalt alles uit eigen zak. Maar hij heeft inmiddels wel een netwerk van vrijwilligers die staan te trappelen om mee te doen, mede dankzij zijn frequente optredens in het lezingencircuit: hij heeft voordrachten gehouden op Harvard’s Berkman Klein Center for Internet & Society, op de O’Reilly Design Conference, op een interne bijeenkomst van Facebook-designers en voor TEDx. Het filmpje van die TED-talk is op internet al meer dan een miljoen keer bekeken. Tim O’Reilly, als oprichter van O’Reilly Media een echte internetpionier, vertelde me dat Harris’ ideeën ‘echt iets zijn waar invloedrijke mensen naar luisteren en over nadenken’. Zelfs Fogg, die zijn Apple Watch niet meer draagt omdat hij zich ergert aan de constante meldingen, is een fan van Harris’ werk: ‘Wat hij doet is dapper en heel moeilijk.’
Harris erkent ruiterlijk dat hij, als gevolg van zijn onderzoek naar hoe bedrijven onze tijd gijzelen, lichtelijk obsessief probeert bij te houden wat in zijn eigen leven ‘welbestede tijd’ is. De hypnoseles die hij vlak voor onze ontmoeting heeft bijgewoond (omdat hij denkt dat de passieve houding waarmee we door een newsfeed scrollen vergelijkbaar is met een staat van hypnose) bleek dat niet te zijn. Dat was een les, zegt hij, met een ‘lage bitrate’ – nerdspeak voor ‘sloom’. En de digitale detoxavond? Zeer welbesteed.
Met zijn houthakkersoverhemden en zijn armbandje met de mindfulnessleuze ‘presence’ heeft Harris, die in zijn vrije tijd accordeon speelt en tango danst, een uitstraling die het midden houdt tussen kakker en hippie. Hij voelt zich zowel in de vergaderkamers van Silicon Valley thuis als op zo’n internetloze avond. In dat opzicht heeft hij veel gemeen met de andere aanwezigen bij Unplug SF: veelal leden van de nieuwe internetelite die zich nu bewust worden van de onwelkome neveneffecten van hun sector. Die ondernemers komen tot inkeer omdat ze wat ouder worden, kinderen hebben en zichzelf al verzekerd weten van een paar miljoen op de bank, zegt Soren Gordhamer. Hij is de initiator van Wisdom 2.0, een serie conferenties over het vinden van ‘aanwezigheid en zingeving’ in het digitale tijdperk. ‘Ze voelen zich schuldig,’ zegt Gordhamer. ‘Ze beseffen dat ze iets hebben gecreëerd wat waanzinnig verslavend is.’
Omdat ik benieuwd ben wat Harris tegen manipulatieve software wil doen, ga ik op een ochtend mee naar zijn afspraak met twee start-upondernemers die de waarden van Time Well Spent willen uitdragen. Harris ziet nog rood van een yogales als hij de lunchroom binnenstapt waar we hebben afgesproken, niet ver van het ‘intentional community house’ [soort woongroep op ecologische leest] waar hij met een tiental anderen woont. Daar ontmoeten we Micha Mikailian en Johnny Chan, de oprichters van de nieuwe adblocker Intently. Die moet advertenties op websites vervangen door stimulerende teksten als ‘Follow Your Bliss’ of ‘Be Present’. Vroeger hadden ze een marketing- en reclamebureau.
‘Ik zat op een dag te mediteren. En toen kreeg ik het idee voor Intently,’ zegt Mikailian, een man met een flinke turkooizen armband en een knotje.
‘En dat was precies de richting die ik op wilde,’ zei Chan.
Ze willen weten wat ervoor nodig is om hun app ethisch te ontwerpen. Samen met Joe Edelman werkt Harris aan een gedragscode, een soort eed van Hippocrates voor software-ontwerpers, en een richtlijn voor start-ups en andere bedrijven over hoe je ‘mensen met respect behandelt’. Om te beginnen door na te denken over waaraan je het succes van je bedrijf afmeet. ‘Je moet je inleven: wat zijn de concrete voordelen in het leven van een gebruiker?’ zegt Harris tegen Mikailian en Chan.
Zwarte lijst
In zijn lezingen heeft Harris prototypes gepresenteerd van producten die nog andere principes van ethisch design belichamen. Hij vindt dat technologie ons moet helpen grenzen te trekken. Bijvoorbeeld met een mailprogramma dat vraagt hoeveel tijd we aan onze mail willen besteden en ons er zachtjes aan herinnert als we die limiet overschrijden. Technologie moet ons ook laten zien waar onze tijd aan besteden, zodat we daar bewuste beslissingen over kunnen nemen. Stel je voor dat je telefoon een waarschuwing geeft als je al voor de veertiende keer in een uur het scherm ontgrendelt. Harris heeft ook een demo ontwikkeld van een hypothetische ‘focus mode’ voor Gmail, waarbij binnenkomende mail wordt achtergehouden tot iemand klaar is met een taak die concentratie vergt – behalve als het om een spoedeisende mail gaat. (In Slack, een communicatietool voor collega’s, zit al zo’n functie ingebouwd.)
Hij streeft naar een Time Well Spent-certificering, een soort keurmerk voor software die met de juiste waarden is ontworpen. Hij heeft al een lijstje met apps die hij aanprijst als pioniers op dit gebied, zoals Pocket, Calendly en f.lux: apps waarmee je, respectievelijk, artikelen kunt bewaren om ze later op je gemak te lezen, lege plekken in iemands agenda kunt reserveren om makkelijker tot een afspraak te komen, en je nachtrust kunt verbeteren door een roze gloed te geven aan het blauwe beeldschermlicht dat onze biologische klok in de war gooit. Intently zou ook in dat lijstje kunnen passen, oppert hij.
Om uit te vinden welke andere diensten hiervoor in aanmerking komen, heeft Harris geëxperimenteerd met software die meet hoeveel uur je aan al je verschillende apps besteedt en je vervolgens vraagt welke je daarvan ook echt de moeite waard vindt. Met behulp van data van verschillende gebruikers kun je dan een soort zwarte lijst maken van meest teleurstellende apps: apps die wel verslavend zijn maar geen bevrediging schenken. Edelman heeft een vergelijkbare tool voor websites ontworpen, Hindsight. ‘We moeten de betekenis van winnen veranderen,’ zegt Harris.
Technische problemen zijn niet het grootste struikelblok voor de invoering van ethisch design en meer respect voor de eigen keuzevrijheid van gebruikers. Volgens Harris is het geen kwestie van kunnen maar willen. In dat opzicht vrezen zijn aanhangers dat de cultuur van Silicon Valley van nature vijandig staat tegenover alles wat verdere groei en ontwikkeling kan afremmen. ‘Dit is geen plek waar mensen een tandje terug willen schakelen om zich te bezinnen op wat ze doen en welke gevolgen dat voor anderen heeft,’ zegt Jason Fried, al twaalf jaar het hoofd van Basecamp, een digitale tool voor projectmanagement. ‘Ze willen alles lekkerder en verleidelijker maken en jou hun diensten aansmeren, om de miljardenwaarde die hun bedrijf wordt toegeschreven en de miljoenen die erin zijn geïnvesteerd te kunnen verantwoorden.’
Harris wil die hele aandachtseconomie niet compleet ontmantelen, maar hoopt dat bedrijven op zijn minst ook een gezonder alternatief gaan bieden voor het huidige dieet van technologisch junkfood. Net als biologische groente zou de eerste generatie software met het Time Well Spent-keurmerk bijvoorbeeld iets duurder kunnen zijn dan de gewone variant, om de lagere advertentieopbrengst te compenseren. ‘Zou jij zeven dollar per maand willen betalen voor een versie van Facebook die er helemaal op ontworpen is om jou beter in staat te stellen je eigen leven in te richten?’ vraagt Harris. ‘Ik denk dat veel mensen daar wel iets voor overhebben.’
Net als vlees van de biologische slager is een paar dagen (of zelfs maar een paar) uur niet online gaan en geld betalen voor diensten die ook gratis beschikbaar zijn een luxe die alleen is weggelegd voor wie al redelijk goed af is. Ik vraag Harris of het niet tot een technologische tweedeling kan leiden, waarbij alleen een bevoorrechte elite aan de mentale gijzeling ontkomt en de grote massa eraan onderworpen blijft. ‘Het creëert een nieuw soort ongelijkheid. Dat is zeker zo,’ erkent hij. Maar als zijn beweging eenmaal op gang komt, werpt hij tegen, kan die zich als een olievlek uitbreiden. Zoals ook Walmart nu al biologische groente in de schappen heeft.
Het verlichte imago van Silicon Valley heeft iets hypocriets, vooral de manier waarop mindfulness daar de laatste tijd wordt omarmd
De beste manier om de stand van zaken te veranderen, denkt Harris, is door gebruikers boos te maken over alle manieren waarop ze worden gemanipuleerd en zo massale steun te verwerven voor technologie die de keuzevrijheid van mensen respecteert. Zo ging het ook met de massale verontwaardiging over privacyinbreuken, die bedrijven ertoe heeft aangezet om gebruikersgegevens beter te beschermen. Door zijn ervaring bij Google is Harris ervan doordrongen dat er pas iets verandert als gebruikers dat eisen. Maar Edelman denkt dat de prikkel om te veranderen ook uit de industrie zelf kan komen: als ontwerpers geen producten meer willen bouwen die ze onethisch vinden en bedrijven zich geconfronteerd zien met een braindrain. Hoe meer mensen beseffen wat de gevolgen van de gebruikte verleidingstactieken zijn, hoe sneller het uncool wordt om daar te werken, zegt hij. ‘En dan kun je heel snel door je ontwerpers heen zijn.’
Het verlichte imago van Silicon Valley heeft iets hypocriets, vooral de manier waarop mindfulness daar de laatste tijd wordt omarmd. Bedrijven als Google en Facebook lopen hierin voorop, met speciale ruimtes waar hun werknemers zich kunnen overgeven aan mindfulnesstraining of meditatie. Maar in dat hele mindfulnessverhaal blijft het wel aan de mensen zelf om te leren zich beter te concentreren. Er is geen aandacht voor het feit dat hun apparaten erop zijn ontworpen om ze juist úít hun concentratie te halen. Het is alsof je mensen vermaant dat ze gezonder moeten leven door meer te sporten, maar ze bij het eten dwingt tot een keus tussen een Big Mac of een Quarter Pounder.
En je kunt je nog zo bewust zijn van de verleidingskracht van de software, dat wil niet zeggen dat je er automatisch immuun voor bent. Toen Harris en ik op een avond bij zijn auto stonden te praten, lichtte het scherm van zijn telefoon op omdat hij een nieuw bericht had gekregen. ‘O,’ zei hij, meer tegen zijn telefoon dan tegen mij, en mompelde iets over hoe toevallig het was dat de afzender een vriend van hem kende. Toen keek hij me schuldbewust aan. ‘Dat is nou een mooi voorbeeld,’ zei hij, zwaaiend met zijn telefoon. ‘Het was sterker dan mezelf.’
The Atlantic
Verenigde Staten | maandblad | oplage 430.000
Dit vooraanstaande opinietijdschrift werd halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stow en Ralph Waldo Emerson. Naast journalistiek is er ook aandacht voor poëzie en beeld. Jarenlang had The Atlantic te kampen met tegenvallende verkoopcijfers, tot eigenaar David Bradley besloot de koers radicaal te wijzigen. Onder het mom van ‘Digital First’ ontwikkelde het blad vanaf 2008 een krachtige onlinestrategie. De betaalde content op de website werd afgeschaft en de firma investeerde in nieuwe onlineredacteurs. Ook werd The Atlantic Wire gelanceerd, waar redacteurs van The Atlantic opiniestukken uit andere media van commentaar voorzien. In 2010 wist het tijdschrift voor het eerst in tien jaar weer winst te boeken.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.