360 kiest een door de buitenlandse pers beschreven sportevent, van voetbal tot Grieks-Romeins worstelen. Deze keer: schaatsen in Italië en honkbal.
Davide Ghiotto hoopt het schaatsen in Italië op de kaart te zetten
SCHAATSEN – ‘In Italië is schaatsen niet groot. Er is weinig interesse vanuit de media,’ vertelt Davide Ghiotto in een interview met Schaatsen.nl. ‘Ik hoop en wil proberen dit te veranderen met goede resultaten.’
Kijkend naar grote Italiaanse sportkranten, zoals La Gazetta dello Sport en Corriere dello Sport, valt inderdaad op dat deze nauwelijks over de schaatssport berichten. Van de wintersporten lijkt momenteel vooral alpineskiën populair. Opvallend, omdat het land dat in 2026 de Olympische Winterspelen organiseert met Ghiotto een grote kanshebber voor schaatsgoud in handen heeft.
‘Binnen het schaatsen bestaat er geen grote Italiaanse traditie, afgezien van de overwinningen van Enrico Fabris op de Spelen van Turijn in 2006,’ valt er te lezen op de Italiaanse wielerwebsite Bici Style. Grappig genoeg heeft de wielerwebsite wel ruimte voor een interview met Ghiotto, wellicht ook omdat hij de zoon is van oud-profwielrenner Federico Ghiotto.
‘Ghiotto begon met rolschaatsen en stapte over naar het ijs toen hij 19 was’
De eenendertigjarige Ghiotto, afgestudeerd in filosofie, probeert al jaren het schaatsen in Italië op de kaart te zetten. ‘Ghiotto won brons op de Olympische Spelen van 2022 en is tweevoudig regerend wereldkampioen op de 10.000 meter, het langste onderdeel in het Olympisch schaatsen’, aldus NBC Sport. ‘Ghiotto begon met rolschaatsen en stapte over naar het ijs toen hij 19 was. Hij staat erom bekend dat hij vÓÓr een wedstrijd tegen zijn schaatsen praat.’
Ook dit seizoen is Ghiotto weer goed bezig, maar dat lijkt de Italiaanse media nog niet te zijn opgevallen. Tijdens de eerste twee wereldbekerwedstrijden, in Japan en China, behaalde hij respectievelijk een eerste en een tweede plek op de 5000 meter. Kort daarvoor verbeterde de Italiaan zelfs het wereldrecord op de 10.000 meter in Inzell, ‘maar door het ontbreken van juryleden en drugstesters van de Internationale Schaatsunie werd het niet als officieel wereldrecord erkend’, aldus Eurosport. In de Italiaanse kranten is het nauwelijks terug te vinden.
HONKBAL – Half december werd bekend dat de Dominicaanse honkballer Juan Soto (26) The New York Mets verruilt voor aartsrivaal The New York Yankees. In 15 seizoenen gaat Soto 765 miljoen dollar verdienen. Daarmee kan hij weliswaar niet tippen aan de 250 miljoen die voetballer Cristiano Ronaldo in tweeënhalf jaar bij de Saoedische club Al Nassr opstrijkt, maar zo’n riant inkomen over zo’n lange periode betekent wel een wereldrecord voor een topsporter.
Het roept de vraag op waar de loongrens ligt in de Major League, de hoogste honkbaldivisie in de VS. In Huff Sports geeft Alex Chester uitleg over het ontbreken van een salarisplafond. Eerst wijst hij op een juridisch pact van een eeuw geleden dat honkbalclubs, anders dan in het basketbal, American football en ijshockey, in staat stelt ongelimiteerde spelerscontracten af te sluiten. Daar staat wel een belastingsysteem tegenover, schrijft Chester: ‘Clubs die bovenmodaal belonen, moeten een deel van hun salarisuitgaven afdragen. Dat wordt vervolgens verdeeld onder minder kapitaalkrachtige concurrenten. Tegelijkertijd dwingt minder financiële slagkracht teams tot innovaties op het gebied van strategie, analyse of talentscouting.’
‘Zo kan een competitie ontstaan waarin de passie en het spel en niet de loonstrookjes bepalend zijn’
Chester stelt dat een salarisplafond zakelijk gezien de economie van het honkbal zou stabiliseren: ‘Teams kennen hun bestedingslimieten, wat leidt tot een voorspelbaardere financiële planning. Deze duurzaamheid is cruciaal voor de gezondheid van de sport op lange termijn en de betrokkenheid van fans. Zo kan een competitie ontstaan waarin de passie en het spel en niet de loonstrookjes bepalend zijn.’
Daarnaast somt Chester argumenten op tégen de invoering van gelimiteerde spelersbudgetten: ‘Teams worden dan niet gehinderd in hun zoektocht naar een zo competitief mogelijke selectie. Financiële flexibiliteit stelt teams in staat om te reageren op kansen en uitdagingen wanneer die zich voordoen. Stel dat een belangrijke speler geblesseerd raakt of dat het team ondermaats presteert. Dan kan de club op tijd een of meer vervangers aantrekken.’
Chester concludeert dat er niet snel verandering zal komen in de financiële huishouding van topclubs in het Amerikaanse honkbal. Omdat er volgens hem ‘altijd een diep geworteld verzet is tegen verandering in de sport. Tegelijkertijd is er veel weerstand van teams met hoge inkomsten die hun bestedingsvoordeel willen behouden. Plus de tegenstand van de machtige en goed georganiseerde spelersvakbond, die een limiet kan beschouwen als een begrenzing van de inkomsten van spelers.’
360 kiest een door de buitenlandse pers beschreven sportevent, van voetbal tot Grieks-Romeins worstelen. Deze keer: het boksspektakel van Tyson vs. Paul en de omstreden toewijzing van het WK 2034.
Tyson vs. Paul
‘Een van de meest controversiële gevechten aller tijden’
Boksen – Van Süddeutsche Zeitung tot The New York Times en van El País tot Variety, medio november berichtten internationale media unaniem over dezelfde sportwedstrijd: het gevecht tussen bokslegende Mike Tyson (58) en youtuber Jake Paul (27). Die wedstrijd, oorspronkelijk gepland voor juli maar uitgesteld omdat Tyson een maagzweer had, trok internationaal veel aandacht. The Independent sprak van ‘een van de meest controversiële gevechten aller tijden’. The New York Times meldde dat de wedstrijd van te voren al ‘werd afgekeurd door leden van de boksgemeenschap, waarbij de Britse promotor Eddie Hearn de partij beschreef als “respectloos” voor de sport’.
Tyson is een van de grootste zwaargewichten uit de boksgeschiedenis, maar wordt ook gezien als een van de meest controversiële figuren in de sport. Zo verwezen verschillende sportmedia naar zijn veroordeling voor verkrachting in 1992 en naar de zes jaar gevangenisstraf die hij daarvoor kreeg. Tegenstander Paul is weliswaar een nieuwkomer in de sport – hij staat pas sinds 2020 in de ring – maar is volgens de media niet minder omstreden. Zo beweerde de youtuber dat de coronapandemie een ‘hoax’ was en werd hij eerder beschuldigd van aanranding.
Het gevecht werd live op Netflix uitgezonden, waarbij ‘naar schatting 60 miljoen huishoudens wereldwijd de wedstrijd bekeken’
Op vrijdag 15 november stonden de twee tegenover elkaar ‘voor 70.000 toeschouwers in het AT&T Stadion in Arlington, Texas’, schreef The Independent. Ook werd het gevecht live op Netflix uitgezonden, waarbij ‘naar schatting 60 miljoen huishoudens wereldwijd de wedstrijd bekeken’, aldus Variety. ‘In een vertoning die veel meer spektakel dan spectaculair was, versloeg Paul Tyson met gemak’ op punten, schreef The New York Times. ‘Zestig seconden lang leek het erop dat Tyson het publiek in vervoering zou brengen met een optreden dat zou doen denken aan zijn hoogtijdagen in de jaren tachtig en begin jaren negentig. In de daaropvolgende negentien minuten leek hij precies op een man die tegen de zestig loopt en al negentig jaar geen professionele wedstrijd meer heeft gebokst.’
Toch schreef Tyson achteraf zelf op X dat de wedstrijd voor hem niet als een nederlaag voelde. ‘Dit is een van die situaties waarin je hebt verloren, maar toch hebt gewonnen,’ aldus Tyson. ‘In juni ging ik bijna dood. Ik heb acht bloedtransfusies gehad, ik verloor de helft van mijn bloed. In het ziekenhuis viel ik 12 kilo af. Ik moest vechten om weer gezond te worden, dus ik heb gewonnen.’
Voetbal – Ruim een maand voor de officiële bekendmaking dat Saoedi-Arabië het WK voetbal in 2034 mag organiseren, eisen negen grote mensenrechtenorganisaties, waaronder Amnesty International en Human Rights Watch, dat de FIFA de toewijzing uitstelt. In The New York Timesstelt Steve Cockburn namens Amnesty dat bij toekenning van het WK aan Saoedi-Arabië ‘fans zullen worden gediscrimineerd, bewoners met geweld zullen worden uitgezet, arbeidsmigranten zullen worden uitgebuit en velen zullen sterven. De FIFA moet het proces stopzetten totdat de juiste bescherming van de mensenrechten is gegarandeerd om te voorkomen dat de toch al nijpende situatie verder verslechtert.’ De organisaties noemen het onderzoek dat de FIFA liet doen naar de mensenrechtensituatie tijdens het WK in Rusland van 2018 ‘een lippendienst aan de internationale bezorgdheid. Terwijl het rapport over de situatie in Qatar, waar het WK eind 2022 werd gehouden, nog altijd niet is gepubliceerd.’
‘Tenzij de FIFA eerlijk is over de omvang en ernst van de risico’s en actie onderneemt om die te voorkomen, moge duidelijk zijn dat de toewijding aan mensenrechten een schijnvertoning is,’ zegt Andrea Florence, directeur van Sport & Rights Alliance in The Indian Express.
Joshua Kimmich, aanvoerder van het Duitse elftal, waarschuwde voor ‘politieke overbelasting van voetballers’
Van de voetballers zelf hoeven Florence en haar medestanders vooralsnog geen steun te verwachten. Tijdens een persconferentie voorafgaand aan de Nations League-wedstrijd tegen Bosnië-Herzegovina waarschuwde Joshua Kimmich, aanvoerder van het Duitse elftal, voor ‘politieke overbelasting van voetballers’, zo meldt Der Spiegel. Kimmich vindt dat profvoetballers zich ‘als rolmodellen sterk moeten maken voor normen en waarden, maar dat het niet hun taak is politieke uitspraken te doen’. De vedette van Bayern München legt een verband tussen de matige prestaties van Die Manschaft op het WK in 2022 en de vele debatten over de politieke en sociale situatie in Qatar en de discussie over het wel of niet dragen van de aanvoerdersband met het One Love-symbool. ‘Het was een schande dat we ons politiek moesten uiten. Daardoor werd ons het plezier tijdens zo’n toptoernooi ontnomen.’
Tot slot zegt Kimmich dat hij ‘tijdens gesprekken met teamgenoten de bevestiging krijgt dat ze geen politici zijn, maar voetballers.’ Wel kan het nationale team tijdens de huidige Duitse regeringscrisis ‘vreugde brengen, vooral als je het gevoel hebt dat het politiek even niet zo lekker loopt’.
360 kiest door de buitenlandse pers beschreven sportnieuws. Deze keer: een hockeyveiling in India en voetbalcorruptie in Portugal.
Internationale topspelers geveild in New Delhi
Ruim 30.000 euro voor de Nederlandse Yibbi Jansen
HOCKEY – Internationale sportmedia schrijven over een opvallende veiling afgelopen maand in New Delhi, India. Honderden duizenden euro’s werden over de tafels gegooid, niet voor kunstwerken of sieraden, maar voor het tijdelijk inhuren van hockeyers, waaronder Afrikaanse, Argentijnse en ook Nederlandse topspelers.
De sporters werden geveild voor de Hockey India League, een van de belangrijkste sportcompetities van het land, die na zeven jaar afwezigheid weer terug is. Bij het enorme hockeytoernooi, dat zes weken duurt (van eind december tot begin februari), mogen de verschillende clubs zelf hun ploeg samenstellen aan de hand van de veiling.
Volgens The Hindustan Times hebben de acht Indiase clubs, allemaal gesteund door een rijke investeerder of een groot bedrijf, bij het mannentoernooi een spelersbudget van ruim 400.000 dollar. ‘Elk club stelt vervolgens een team samen van 24 spelers, bestaande uit ten minste 16 Indiase hockeyspelers (met verplicht 4 spelers onder de 21 jaar) en 8 internationale sterren,’ legt The New Indian Express uit. Sommige spelers verdienen met dit toernooi in een paar weken meer dan normaal gesproken in een heel seizoen.
Het budget voor de zes vrouwenteams is precies de helft van wat er voor de mannenteams wordt uitgetrokken
Voor het eerst doen er ook zes vrouwenteams mee aan het toernooi. Het budget is precies de helft van wat er voor de mannenteams wordt uitgetrokken, omgerekend zo’n 200.000 euro. Hockey India stelt dat ‘de introductie van een exclusieve vrouwencompetitie bijdraagt aan een inclusievere en competitievere toekomst voor het Indiase hockey’. Daarnaast is het ook ‘een van de eerste keren dat in India de mannen- en vrouwenedities van een grote sportcompetitie tegelijkertijd worden gehouden’.
The Indian Express legt uit dat de spelers ‘zijn verdeeld in drie prijscategorieën, gebaseerd op de waarde die de hockeyers voor zichzelf hebben geselecteerd’. Op die manier kunnen de spelers zelf hun minimumloon vastzetten, die tijdens de biedingen alleen nog kunnen stijgen. In totaal schreven meer dan 1000 spelers zich in voor de veiling: 400 binnenlandse en 150 buitenlandse mannen, en 250 binnenlandse en 70 buitenlandse vrouwen.
De veiling was van begin tot eind online te volgen via een livestream op YouTube. Met een bedrag van ruim 30.000 euro is de Nederlandse Yibbi Jansen ‘de grootste overzeese aankoop’ bij de vrouwen, aldus India Today. Voor de Nederlandse mannelijke topspeler Jip Janssen werd omgerekend zo’n 60.000 euro neergelegd.
Benfica opnieuw beschuldigd van matchfixing en corruptie
Voetbalsupporters bij de rechterlijke macht in Portugal
VOETBAL – Portugese media waaronder Correio da Manhã en A Bola berichtten half oktober dat voetbalclub Benfica zich tussen 2016 en 2020 schuldig zou hebben gemaakt aan matchfixing en corruptie. In ruil voor ruime financiële vergoedingen zouden spelers van tegenstander Vitória Setúbal in directe confrontaties met Benfica beduidend minder goed hebben gespeeld. Daarnaast blijkt er mogelijk te zijn gesjoemeld met transfers tussen beide clubs. De officier van Justitie stelt een grootschalig onderzoek in, terwijl oud-voorzitter Luis Felipe Vieira en voormalg vicevoorzitter Fernando Tavares in staat van beschuldiging zijn gesteld.
De internationale pers, van Le Figaro tot de Daily Mail Online, nam het nieuws onmiddellijk over en die aandacht valt niet los te zien van de sterke seizoenstart van de club uit Lissabon. Onlangs zette Benfica in de Champions League de Spaanse grootmacht Atlético Madrid met liefst 4-0 aan de kant.
‘Minstens de helft van de bevolking is fan van Benfica’
Of de zaak tot sancties leidt, valt nog te bezien. En dat heeft alles te maken met de grenzeloze populariteit van Benfica. ‘Minstens de helft van de bevolking is fan van Benfica’, schreef Tariq Panja al in 2020 voor The New York Times, toen de club eveneens onder vuur lag. Destijds bracht hacker Rui Pinto, een van de drijvende krachten achter het digitale platform Football Leaks, tal van verdachte financiële transacties en malversaties bij Benfica aan het licht.
Maar vóór het tot juridische stappen tegen de club kwam, gaf de rechter die in de zaak zou oordelen, een toegewijd Benfica-supporter, publiekelijk te kennen dat hij Pinto’s verdachtmakingen allesbehalve serieus nam. Uiteindelijk was het Pinto die werd veroordeeld omdat hij zich ongeoorloofd toegang had verschaft tot vertrouwelijke documenten en een poging tot afpersing van het sportagentschap Doyen had ondernomen.
Panja denkt te weten hoe het zit. Volgens de journalist is Benfica de grootste van de drie machtigste clubs van Portugal (Porto en Sporting zijn de andere twee), ‘een sport- en mediakolos waarvan de invloed zich uitstrekt tot bijna elk aspect van het dagelijks leven. Supporters bekleden overal machtsposities, van media tot banken en regeringen. Die macht, zeggen de critici van Benfica, biedt de club en zijn leiders een soort hefboomwerking die veel verder reikt dan het voetbalveld, en verklaart waarom sommigen die de Octopus noemen.’
Jonge Algerijnen in Algiers vinden elkaar in hun gedeelde passie voor parkour, een extreme sport waarbij de stad wordt gebruikt als hindernisbaan. Ze rennen over daken, springen over muren en balanceren op smalle randen.
Er zijn twee stappen om je voor te bereiden op een sprong van het dak van het ene gebouw naar het andere. Stap één: meet de afstand en oefen de landing op vaste grond. Stap twee: oefen met het rennen naar de rand.
Bilal Ahmedali traint samen met twee vrienden en collega-parkouratleten op het dak van een verlaten winkelcentrum in de wijk Bab Ezzouar in Algiers. De westelijke vleugel van het winkelcomplex vormt een hoefijzervorm, met een opening van vijf meter tussen de uiteinden en een val van negen meter naar de rood betegelde binnenplaats eronder.
Maanden eerder, tijdens een training op hetzelfde dak met een grotere groep, rende Ahmedali naar de rand maar durfde de sprong niet te maken. ‘Ik wist dat ik ver genoeg kon springen, maar ik was te bang. Ik heb wel 20 keer naar de rand gelopen om het te proberen, maar het lukte niet.’
Op deze septemberavond besloot hij om het nog een keer te proberen – en deze keer lukte het. ‘Ik liep naar de rand, keek één keer, liep terug. Keek nog een keer, liep weer terug. De derde keer rende ik door en boem, ik sprong eroverheen.’
‘Denk na voordat je springt; spring zonder na te denken.’
In een video die naar Facebook is geüpload, is te zien hoe Ahmedali in een sierlijke boog door de lucht vliegt en vervolgens met beide voeten keurig op de borstwering aan de overkant landt.
Ahmed Belkahla, 30, die net klaar is met het filmen van zijn vriend, zegt dat hij opgetogen is, maar benadrukt dat er bij zo’n sprong geen ‘plan B’ is. ‘Het is zowel leuk als riskant. Er is een gezegde in parkour: “Denk na voordat je springt; spring zonder na te denken.” Het is de aarzeling die je fataal kan worden.’
De 24-jarige Ahmedali, een psychologie student aan de Universiteit van Algiers, zegt dat hij rust vindt in het maken van deze extreme sprongen. ‘Ik heb last van dwanggedachten. Maar wanneer ik aan parkour doe, ben ik alleen met het beton – alles om me heen vervaagt. Het gaat alleen om mij en de aanloop die ik wil nemen.’
Sport met een filosofie
Ahmedali en Belkahla maken deel uit van een groeiende parkourgemeenschap die jonge Algerijnen een uitlaatklep biedt om zich de stad – en de sport – eigen te maken. In Algerije, waar overheidsfinanciering voor sportfaciliteiten beperkt is, gebruikt deze gemeenschap sociale media om hun atletische vaardigheden te tonen tegen de achtergrond van de historische architectuur van Algiers. De stedelijke topografie van de stad, die verschillende periodes uit het verleden van het land weerspiegelt, biedt een unieke setting voor parkour. Deze atleten transformeren de Ottomaanse Casbah en Franse koloniale boulevards tot hindernisbanen naar hun eigen ontwerp.
Parkouristen – of ‘traceurs’, om de Franse term te gebruiken – zijn in het hele land te vinden, hoewel de meeste zich in de hoofdstad hebben geconcentreerd sinds de sport begin 2010 populair werd.
Khadidja Boussaid, socioloog en postdoc aan de Universiteit van Algiers, legt uit dat parkour jonge Algerijnen de mogelijkheid biedt om openbare ruimtes toe te eigenen en stedelijke structuren te gebruiken voor hun eigen doelen. ‘Het is een manier om een stempel te drukken op de stad, vergelijkbaar met hoe straatartiesten hun stempel drukken met graffiti.’
Het scouten van nieuwe trainingslocaties is een essentiële taak voor de traceurs van Algiers. Sarah Latreche, 33, raakte geïnteresseerd in parkour toen ze architectuur studeerde aan de universiteit.
‘De meeste mensen zien gebouwen als een plek om te wonen,’ zegt ze. ‘Maar voor ons [in parkour] is het het gebouw waar we in geïnteresseerd zijn – de constructie zelf.’
Het is een sport met een filosofie, volgens Boubakeur Noui, een 21-jarige student die Instagramvideo’s post van zichzelf waarin hij over betonnen barrières springt op soundtracks van Radiohead en Phoebe Bridgers. ‘Door – of over – een obstakel heen komen geeft je een soort gevoel van succes,’ zegt hij. ‘Zo is het ook in het leven.’
‘Wat het mogelijk heeft gemaakt, is verbeeldingskracht en het vermogen om te spelen’
Parkour ontstond eind jaren tachtig in de buitenwijken van Parijs en voegde elementen van Franse militaire oefeningen samen met een nieuwe, vrije stijl van hardlopen. De term zelf is een bewerking van het Franse woord ‘parcours’, of ‘route’. Rond de millenniumwisseling kreeg de sport erkenning van het grote publiek toen het te zien was in kaskrakers als Yamakasi in 2001 en de Bondfilm Casino Royale uit 2006.
Sebastien Foucan, 49 jaar, was een van de oprichters van parkour en hij speelde zelf de schurk die de sport gebruikte om de James Bond van Daniel Craig te ontwijken tijdens een ruzie op een bouwterrein. Parkour wordt in films vaak gezien als een virtuoze manier om een tegenstander af te schudden, maar Foucan houdt vol dat de sport is ontstaan als een vorm van spel. ‘Wat het mogelijk heeft gemaakt, is verbeeldingskracht en het vermogen om te spelen,’ vertelt Foucan aan Al Jazeera.
‘Je gebruikt de stedelijke omgeving om jezelf te ontwikkelen – en anderen kunnen meedoen,’ zegt hij. ‘Als je het mij vraagt, zijn we zo begonnen.’
Volgens Mahfoud Amara, een professor aan de Universiteit van Qatar, viel de wereldwijde opkomst van parkour samen met een gespannen politiek moment in Algerije, toen het land in de jaren 2000 uit de decennialange burgeroorlog kwam. ‘Tijdens het tumultueuze “Zwarte Decennium” van politiek geweld – toen de mogelijkheden voor vrijetijdsbesteding en vermaak in het land ernstig beperkt waren vanwege de veiligheidsdreigingen – boden satelliettelevisiekanalen, waaronder Franse kanalen en met name Canal Plus, een waardevolle uitweg uit de harde realiteit,’ legt hij uit. Dankzij deze uitzendingen, zegt hij, konden Algerijnse jongeren in contact komen met nieuwe sporten en subculturen zoals parkour.
Imad Bouziani, 23 jaar, herinnert zich de invloed van films als Casino Royale en dat hij vond dat de traceurs op het scherm op superhelden leken terwijl ze hun vijanden – vaak afgezanten van de Franse staat – te slim af waren. Parkour betekende ook iets abstracts voor hem: ‘Het is de vrijheid – de vrijheid die gepaard gaat met beweging en met de mogelijkheid om te gaan en staan waar je wilt.’
Parkour in de kashba
Sinds de jaren 2000 hebben parkouristen elkaar gevonden dankzij de opkomst van sociale media. In 2017 maakten Ahmedali en Bouziani een WhatsApp-groep aan om trainingen in en rond Algiers te organiseren.
Op vrijdag stonden ze voor zonsopgang op om om 6 uur ‘s ochtends de bus te nemen naar de verspreide rotsblokken van de Romeinse ruïnes in Tipaza, of ze gingen flips oefenen op de betonnen daken van universiteitscampussen als er geen lessen werden gegeven.
Sommige locaties waren verboden terrein. Ahmedali herinnert zich dat hij werd achtervolgd door een bewaker die ‘eruitzag als Hulk’.
Bouziani’s favoriete plek voor parkour was echter altijd de historische Casbah van Algiers. Hoewel hij familiebanden heeft met het gebied, lag zijn grootste interesse om er te trainen in de verscheidenheid aan gebouwen en de iconische status als bastion van verzet tijdens de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog.
Sociale media hebben ook geholpen om traceurs uit het hele land samen te brengen voor een jaarlijkse ‘Parkour Day’, die in 2014 voor het eerst in Algiers werd georganiseerd. Mensen gaan tot het uiterste om deel te nemen. Ahmed Bendaho nam eerst een bus en daarna een trein, zo’n duizend kilometer van Béchar in de Sahara-woestijn naar de Parkour Day in Algiers in 2019.
Boubakeur Noui verwoordt het eenvoudig: ‘Gemeenschap is zo belangrijk. Je hebt het gevoel dat wat je doet betekenis heeft als andere mensen het ook doen.’
Het is een groep die zichzelf selecteert en dat is een deel van wat hun relaties heeft versterkt. ‘Je deelt iets waar je van houdt met mensen die er ook van houden.’
Te midden van houtsnippers en bouwmateriaal ontstaat een junglegym van levensgrote Tetris-stukken
Parkour is een extreme sport; sommige traceurs hebben het achter zich moeten laten omdat ze om persoonlijke of professionele redenen naar plaatsen als Dubai of Canada verhuisden. Voor anderen waren blessures een keerpunt. Net voor de pandemische lockdown liep Bouziani een ernstige knieblessure op toen hij een dubbele backflip probeerde te maken.
Hoewel het tegenwoordig goed met hem gaat, kijkt hij terug op de trainingsonderbreking als ‘hartverscheurend’, maar hij voegt er ook aan toe dat de opgelegde pauze hem tijd gaf voor introspectie: ‘Ik ontdekte waarom ik geblesseerd was geraakt en dat dat kwam door mijn slechte fysieke conditie. De conclusie was dus dat ik sterker moest worden.’ Bouziani richt zich nu op langeafstandslopen.
Voor Fares Belmadani, 27, is parkour iets waar hij zich in Algerije professioneel voor inzet. Hij is nu een gecertificeerde parkourcoach en wil de sport promoten en meer bekendheid geven in het hele land.
Hij heeft al gezorgd voor overheidsfinanciering voor een officieel parkourgebied op La Sablette, een zandbank die als een haak uitsteekt boven de kustlijn van Algiers in de Middellandse Zee.
Sarah Latreche heeft haar achtergrond in zowel architectuur als parkour gebruikt om de blauwdruk te maken voor het trainingspark op La Sablette. Momenteel wordt haar ontwerp gebouwd in een pakhuis in Algiers voordat het aan de kust wordt geïnstalleerd. Te midden van houtsnippers en bouwmateriaal ontstaat een junglegym van levensgrote Tetris-stukken – de bouwstenen van een ruimte waar toekomstige generaties kunnen trainen.
Belmadani schat dat ze voor 60 procent klaar zijn en hoopt de ruimte dit jaar voor de Ramadan te kunnen inwijden. ‘Iemand vroeg me of ik erover dacht om Algerije te verlaten,’ zegt hij. Maar hij is van plan om te blijven: ‘De Algerijnse jeugd is het potentieel dat Algerije heeft.’
360 kiest een door de buitenlandse pers beschreven sportevent, van voetbal tot Grieks-Romeins worstelen. Deze keer de Olympische Spelen, met de Saint Luciaanse hardloopster Julien Alfred en de Pakistaanse speerwerper Arshad Nadeem.
Eeuwige roem voor Saint Lucia
Het begon op blote voeten
Volgens The Daily Staris iedereen in het Caribische eiland Saint Lucia ‘razend trots’ op Julien Alfred, die begin augustus met goud op de 100 meter sprint en zilver op de dubbele afstand de allereerste olympische medailles voor het West-Indische eiland veroverde. ‘Haar races vonden plaats onder het oog van 69.000 toeschouwers in het Stade de France, dat zijn er maar 110.000 minder dan onze hele bevolking.’
Saint Lucia’s minister-president Philip J. Pierre kondigde op X een nationale vrije dag aan en stelde voor om 3 augustus voortaan naar Alfred te vernoemen. ‘We hebben het nu moeilijk. Onze jongeren moeten begrijpen dat we met discipline, inzet, de nodige opofferingen en een beetje steun de top kunnen bereiken. Ik wil dat dit de jeugd van mijn land helpt, ik wil dat jonge mensen geloven in het feit dat ze uit het getto kunnen komen’, zo wordt de premier geciteerd in Le Parisien.
‘Als ik in het buitenland een Uber neem, moet ik altijd uitleggen waar ik vandaan kom’
Op de Surinaamse nieuwssite Starnieuws herinnert columnist Hans Breeveld zich maar al te goed hoe zwemmer Anthony Nesty goud won op de 100 meter vlinderslag in 1988. ‘De vreugde en het gevoel van trots dat hij bezorgde aan het volk door voor Suriname de eerste – gouden – medaille op de Spelen te behalen gun ik elk land.’
Julien Alfred zelf voelt zich vereerd dat ze samen met drie andere sporters als ambassadeur van haar land naar de Spelen in Parijs mocht afreizen, vertelt ze aan The Daily Maverick: ‘Er zijn maar weinig mensen die van het bestaan van Saint Lucia weten. Als ik in het buitenland een Uber neem, moet ik altijd uitleggen waar ik vandaan kom.’ Kort na het winnen van haar gouden medaille keek ze terug op het begin van haar sportcarrière: ‘Ooit stond ik op het veld te worstelen, zonder schoenen. Ik rende op blote voeten, in mijn schooluniform; ik rende overal en nergens. Wij hebben daar amper de juiste faciliteiten.’
Diederik Samwel
Pakistaanse speerwerper schrijft geschiedenis
Nadeem trainde in zijn achtertuin met een bamboestok
‘De meeste dagen geen eten, geen geld om een speer te kopen: Arshad Nadeems verhaal is groter dan zijn historische goud op de Olympische Spelen in Parijs’, kopte The Hindustan Times. Nadeem won de eerste gouden olympische medaille in veertig jaar voor Pakistan. Ook verbrak de speerwerper met zijn sensationele worp van 92.97 meter het olympisch record.
Maar de manier waarop deze zevenentwintigjarige atleet de Spelen bereikte, is misschien nog specialer. ‘In een gezin dat de meeste dagen met moeite de eindjes aan elkaar kon knopen, was sport een luxe waar ze niet eens van konden dromen’, aldus The Hindustan Times. Daarnaast zijn er in het cricketgekke Pakistan nauwelijks atletiekfaciliteiten, voegt Al Jazeera toe. En dus begon Nadeem in 2012 in een klein dorpje in de Pakistaanse provincie Punjab in zijn achtertuin te trainen met een zelfgemaakte speer van een bamboestok.
Die ene gouden worp heeft hem meer dan 1 miljoen dollar opgeleverd
Twaalf jaar later stond Nadeem in de olympische finale. Maar geld voor een speer had hij nog steeds niet. En dus zette hij enkele maanden voor de Spelen een crowdfunding op om een nieuwe speer te kunnen kopen. Met de steun van vrienden en het dorp waarin hij opgroeide werden uiteindelijk alle kosten gedekt.
Geldzorgen zal Nadeem vanaf nu niet meer hebben: die ene gouden worp heeft hem meer dan 1 miljoen dollar opgeleverd, meldt The Washington Post. Ook worden er in verschillende steden in Pakistan nu sportfaciliteiten gebouwd, vernoemd naar Nadeem. En die faciliteiten zijn hard nodig, vertelt de speerwerper aan The Guardian: ‘In deze tijd moet je faciliteiten van wereldklasse bieden om atleten te ontwikkelen, want de concurrentie wordt steeds harder. Je kunt niet nog een Arshad voortbrengen zonder ze die faciliteiten te geven.’
360 kiest een door de buitenlandse pers beschreven sportevenement, van voetbal tot Grieks-Romeins worstelen. Deze keer de Olympische Spelen, met de bijzondere deelnemende landen zoals het piepkleine San Marino.
Dwergstaat San Marino op het podium
‘San Marino wachtte 61 jaar op zijn eerste Olympische medaille. Daarna nog maar twee dagen op de volgende’, schreef The New York Timesin de zomer van 2021. Hoewel het in de oostelijke Apennijnen in Italië gelegen landje sinds 1960 deelnam aan de Olympische Spelen, wist het land tot de laatste editie in Tokio nog nooit het podium te halen.
Daar bracht de San Marinese Alessandra Perilli drie jaar geleden verandering in: ze won brons op het schiet-onderdeel trap en pakte daarmee de eerste olympische medaille voor de microstaat (ongeveer 34 duizend inwoners op 61 vierkante kilometer). ‘Tranen van vreugde als San Marino het kleinste land wordt met een Olympische medaille’, meldde Reuters destijds. Het record was tot die tijd in handen van Bermuda, dat pakweg 70.000 inwoners telt.
‘San Marino stuurde vijf atleten naar Tokio en kwam thuis met 3 medailles’
Alsof die allereerste medaille nog niet bijzonder genoeg was, ging San Marino twee dagen later opnieuw de boeken in. Samen met Gian Marco Berti legde Perilli beslag op een zilveren plak, wederom op het onderdeel trap bij het schieten. Ook daarmee was de medailleoogst nog niet voorbij: San Marino bleek in Japan op nog een onderdeel succesvol. Worstelaar Myles Amine veroverde een bronzen medaille bij de middengewichten (klasse tot 86 kilogram).
En dus kopte EuroNews: ‘Tokio 2020: Vergeet de VS en China, het piepkleine San Marino is het succesvolste land tijdens deze Spelen.’ Kijkend naar de grootte van de delegatie en het aantal medailles, werden grootmachten Amerika en China door het kleine San Marino met speels gemak verslagen. ‘San Marino stuurde vijf atleten naar Tokio en kwam thuis met 3 medailles – een zilveren en twee bronzen.’
Tijdens de Spelen in Parijs is San Marino opnieuw van de partij. Dit keer met drie atleten, onder wie de eerdere medaillewinnaars Perilli en Amine. Ook boogschutter Giorgia Cesarini maakt deel uit van de delegatie. Wie weet lukt het een van hen om de eerste gouden plak voor de dwergstaat binnen te slepen.
Vaticaanstad mikt op deelname aan de Spelen van 2028
‘Sport is het middel bij uitstek om vrede en verbroedering tot stand te brengen in deze versplinterde wereld.’ Met die woorden sprak Paus Franciscus dit voorjaar ruim honderd sporters toe die zijn aangesloten bij het sportinstituut Athletica Vaticana in Vaticaanstad, meldt Vatican News.
Bij de officiële opening van Athletica Vaticana in 2019 sprak Monseigneur Melchor José Sanches, minister van Cultuur en Sport van Vaticaanstad, tegen The Guardian de sportieve ambities van de natie uit: ‘Onze terugkerende droom is dat we op termijn de vlag van de Heilige Stoel zien wapperen tijdens de openingsceremonie van Olympische Spelen.’
Het Vaticaanse sportcollectief biedt plaats aan alle sporters in Vaticaanstad
Vijf jaar later in Parijs is het nog niet zover, maar het Vaticaan stelt alles in het werk om in 2028 wél sporters af te vaardigen naar de Zomerspelen in Los Angeles. Het IOC (Internationaal Olympisch Comité) stelt als voorwaarde voor toelating dat vijf nationale sportbonden zijn aangesloten bij de erkende internationale sportfederaties: met atletiek, wielrennen en taekwondo is Vaticaanstad daar al in geslaagd. De vijf sportbonden moeten vervolgens toetreden tot het nog op te richten Nationaal Olympisch Comité van Vaticaanstad. De afgelopen jaren liet Vaticaanstad zich al wel met een voetbal-en een cricketteam vertegenwoordigen tijdens internationale sportevenementen zoals de Middellandse Zee Spelen. Sinds 2018 verschijnen sporters uit Vaticaanstad aan de start tijdens de officiële atletiekkampioenschappen voor Kleine Staten van Europa.
Uit het profiel van Athletica Vaticana op de internationale katholieke nieuwssite CatholicTT blijkt dat het Vaticaanse sportcollectief plaats biedt aan alle sporters in Vaticaanstad: ‘Het team heeft een inclusieve geest: van Afrikaanse migranten, leden van de Zwitserse Garde, medewerkers op het postkantoor of in het museum tot apothekers, timmermannen en restaurateurs van de werken Raphaël. Mannen en vrouwen: van 19 tot 65.’
In een persoonlijk interview voor L’Osservatore Romano gaat Paus Franciscus in op de herkomst van het Griekse woord “athletica”. Volgens de kerkvorst gaat het niet om ‘concurrerend zegevieren over anderen. Om eerlijk te zijn suggereert de etymologie van “athletica” een taak die moet worden uitgevoerd. Sport is ieders recht en helpt om te leven, als een sociale ervaring van gemeenschap. Zodat niemand alleen achterblijft.’
Sinds de Olympische Spelen van Tokio in 2021 is er meer erkenning voor het belang van de mentale gezondheid van topsporters. ‘Als er alleen naar het aantal behaalde medailles wordt gekeken boeten de Olympische Spelen aan intrinsieke waarde in.’
KEUZE UIT HET ARCHIEF
Op vrijdag zijn de Olympische winterspelen in Milaan en Cortina begonnen. Sporters zullen perfectie moeten leveren om de recordboeken in te gaan, wat resulteert in hoge prestatiedruk. Bij de laatste Olympische zomerspelen in Tokio probeerde het Japanse Olympische Comité een cultuurverandering teweeg te brengen, zoals beschreven in dit archiefstuk.
Tijdens de Aziatische Spelen van afgelopen oktober in het Chinese Hangzhou, die als een aanloop naar de Olympische Spelen in Parijs werden beschouwd, heeft het Japanse Olympisch Comité (JOC) met geen woord gerept van het beoogde aantal medailles, wat tot 2021 gebruikelijk was. ‘De context is aanzienlijk veranderd sinds de Spelen in Tokio, ook al blijven medailles natuurlijk belangrijk. We willen meer nadruk leggen op de persoonlijke uitdaging voor de atleten dan op medailles,’ bevestigt Mitsugi Ogata, bestuursvoorzitter van het Comité.
Hisashi Mizutori, belast met de strategie voor de middellange en lange termijn van het Comité, erkent dat zijn land hiermee het voorbeeld volgt van andere landen. Een van die landen, Australië, heeft al aangekondigd voor de Spelen van Parijs niet naar een bepaald aantal medailles te streven. Wielrenner Anna Meares, de vlaggendrager van de Australische delegatie, zegt hierover in de lokale pers: ‘Ik denk dat de druk op de sporters hierdoor zal afnemen.’
Geestelijke gezondheid
Takeshi Kukidome, directeur van het Japan Institute of Sports Sciences, volgt nauwgezet de voorbereidingsstrategieën van de verschillende landen. ‘Voor zover ik weet hebben alleen het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Nederland een beoogd aantal medailles genoemd voor de Spelen van Parijs. Sinds de Spelen in Tokio is er een wereldwijde tendens om meer rekening te houden met de geestelijke gezondheid van de sporters en hen beter te beschermen tijdens hun sportbeoefening [met name tegen ongewenste intimiteiten].’
De geestelijke gezondheid van sporters is een van de kwesties die door de Olympische Spelen in Tokio in 2021 aan de orde is gekomen. De Amerikaanse Simone Biles, de absolute koningin van het vrouwenturnen, schokte de wereld door haar wedstrijddeelname te staken vanwege psychische problemen. Ook andere sporters van hoog niveau bekenden dat ze te maken hadden met psychische spanningen, wat leidde tot meer oog voor het geestelijk welzijn van sporters.
Een rapport over dit onderwerp van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) spreekt boekdelen: 33,6 procent van de nog actieve sporters op hoog niveau en 26,4 procent van de gestopte sporters in dezelfde categorie vertoonde symptomen van angst en depressie, 49 procent van de Olympische sporters kampte met slaapproblemen en bij 25,8 procent was sprake van een gevaarlijk hoog alcoholgebruik. De onderlinge concurrentie wordt als een van de drie grote stressfactoren genoemd, naast de persoonlijke situatie, met name het privéleven, en de spanningen binnen het team.
‘Als je het geld in aanmerking neemt dat aan de voorbereiding wordt besteed, staan zowel organisaties als sporters natuurlijk onder druk’
Naast de sporters strijden ook hun landen – niet alleen die van het oude communistische blok, zoals Rusland en China, maar ook westerse landen – met elkaar om de medailles en geven ze aanzienlijke bedragen uit aan de Olympische voorbereiding. De afgelopen jaren hebben organiserende landen als het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Australië hun sportbudget in aanzienlijke mate zien groeien.
Ook in Japan heeft de staat de afgelopen twee decennia veel meer geld in sport gestoken. Met name in de organisatie van de Olympische Spelen in Tokio, de oprichting van het Japan Sports Agency en de opening van een nationaal trainingscentrum, waar sporters van hoog niveau het hele jaar door kunnen trainen. De organisatie van de Olympische Spelen heeft meer dan tien miljard yen gekost, wat neerkomt op zo’n zestig miljoen euro. Het aantal gewonnen medailles wordt over het algemeen als rendement op de investering beschouwd en meegenomen bij het vaststellen van de volgende begroting.
Kaori Yamaguchi, hoogleraar aan de Universiteit van Tsukuba en voormalig lid van het JOC-bestuur, zegt het zo: ‘Als je het geld in aanmerking neemt dat aan de voorbereiding wordt besteed, staan zowel organisaties als sporters natuurlijk onder druk. Men heeft ongetwijfeld het recht iets terug te verlangen voor de voorbereiding en het geïnvesteerde geld, maar als er alleen maar naar het aantal behaalde medailles wordt gekeken boeten de Olympische Spelen en de sport in het algemeen aan intrinsieke waarde in.’
Smet
Corruptieaffaires hebben een smet geworpen op de organisatie en het imago van de Olympische Spelen in Tokio, die in 2020 werden uitgesteld en uiteindelijk in 2021 doorgang vonden, nog midden tijdens de pandemie en ondanks grote bezwaren van veel Japanners. Het proces tegen Haruyuki Takahashi, voormalig bestuurslid van het organisatiecomité van de Spelen in Tokio en hoofdrolspeler in de affaire, loopt nog. Volgens de Japanse publieke zender NHK wordt hij ervan beschuldigd 198 miljoen yen (1,2 miljoen euro) aan steekpenningen te hebben opgestreken van grote Japanse bedrijven in ruil voor het aanwenden van zijn invloed bij aanbestedingen. Om nog maar te zwijgen van het Franse gerechtelijk onderzoek naar de steekpenningenaffaire inzake de toekenning van de Spelen aan Tokio, die in 2019 leidde tot een strafrechtelijke procedure tegen Tsunekazu Takeda, de voormalige voorzitter van het JOC.
In Japan hebben deze corruptieaffaires zoals gezegd een ernstige smet geworpen op het imago van de Olympische Spelen. Zo ernstig zelfs dat de stad Sapporo, in het noorden van de archipel, afgelopen oktober heeft moeten afzien van het idee om in 2030 de Olympische Winterspelen te organiseren, hoewel die als favoriet gold. ‘De belangrijkste reden is het gebrek aan steun bij de bewoners van Sapporo en bij de Japanners in het algemeen,’ erkent Katsuhiro Akimoto, de burgemeester van de stad. In een hoofdartikel van 9 maart jongstleden verwijt het Japanse dagblad Asahi Shimbun het JOC dat de schandalen en de organisatorische chaos het wantrouwen bij de Japanners hebben aangewakkerd: ‘Japan zal de Olympische Spelen voorlopig niet meer organiseren. Eerst zal de prioriteit van de onderlinge concurrentie ter discussie moeten worden gesteld en zal een manier moeten worden gevonden waarop sport zonder die prioriteit een bijdrage kan leveren aan de maatschappij. […] Pas als dat alles op de schop is gegooid zullen we ons een beeld kunnen vormen van de toekomstige sportwereld.’
De sport heeft in Japan sinds het begin van deze eeuw in het teken gestaan van de honger naar medailles
Dat de prioriteit van medailles momenteel ter discussie staat, wordt niet alleen ingegeven door zorgen over de geestelijke gezondheid van sporters. Tijdens de Olympische Spelen in Tokio won Japan 58 medailles, waaronder 27 maal goud, een record. Toch hebben de nationale sportbonden in Japan niet echt het idee dat ze vruchten hebben geplukt van dit succes. Een onderzoek heeft uitgewezen dat de inkomsten van deze organisaties, die in 2020 al begonnen te dalen, in 2022 nog verder zijn gedaald. De Japanse sportbonden worden voornamelijk gefinancierd door overheidssubsidies, lidmaatschapsgelden en commerciële inkomsten, met name sponsorgelden en uitzendrechten. Maar die laatste, die goed zijn voor meer dan zestig procent van hun totale inkomsten, zijn dalende, wat de bonden in een kritieke situatie brengt.
Het merendeel van de Olympische disciplines zonder profcompetitie probeert zo veel mogelijk medailles in de wacht te slepen om aandacht te krijgen en sponsors en beoefenaars aan te trekken. Desondanks worden medailles minder belangrijk, als gevolg van het dalende geboortecijfer in Japan en de concurrentie van andere vormen van vrijetijdsbesteding. Bij judo behaalde Japan in Tokio een recordaantal gouden plakken, maar er zijn steeds minder mensen die de sport beoefenen; hun aantal is de afgelopen twintig jaar met zo’n veertig procent gedaald. Na het vertrek van zijn sponsors verwacht de Japanse turnbond het seizoen voor het tweede achtereenvolgende jaar met rode cijfers te moeten afsluiten.
De sport heeft in Japan sinds het begin van deze eeuw in het teken gestaan van de honger naar medailles en de kandidatuur van Tokio voor de Olympische Spelen. Maar de relatie tussen maatschappij en sport evolueert en nodigt ons uit om nieuwe waarden te creëren, die niet alleen zijn af te meten aan het aantal medailles.
360 kiest een door de buitenlandse pers beschreven sportevent, van voetbal tot Grieks-Romeins worstelen. Deze keer het EK Voetbal: Georgië en Slovenië.
Land van worstelaars en martial arts
‘Hier is het altijd alles of niets’
EK voetbal 2024 – Nadat het Georgische voetbalteam zich eind maart voor de allereerste keer had gekwalificeerd voor het EK voetbal in Duitsland, werd anderhalf uur later bekend dat de spelers gedecoreerd zouden worden door president Irakli Kobakhidze. Het volksfeest was toen al in volle hevigheid losgebarsten, vertelt de Georgische bondscoach, de Franse international Willy Sagnol, in een interview met het Britse sportmagazine The Athletic: ‘Hier is het altijd alles of niets. De mensen zijn óf intens verdrietig óf dolgelukkig. Dus dat werd een eindeloos feest vol vuurwerk en vreugdetranen. De Georgiërs hebben nu namelijk het gevoel dat ze bestaan als natie.’
Op de vraag hoe hij de Georgische internationals benadert, antwoordt Sagnol, die negen jaar voor Bayern München uitkwam en voormalig assistent was van Real Madrid-coach Carlo Ancelotti: ‘Je ziet mij niet schreeuwen langs de zijlijn. Dat gaat totaal niet werken in dit land, waar iedereen zich laat meeslepen door emoties. Wordt het spannend, dan probeer ik juist zo kalm mogelijk te blijven.’
‘Wij zijn een land van worstelaars en beoefenaars van martial arts’
Voor CNN verklaarde aanvaller Chvitsja Kvaratschelia, die de laatste jaren uitgroeide tot de populairste speler van de Italiaanse topclub Napoli en daar als ‘Kvaradona’ door het leven gaat, dat hij ‘tijdens zijn carrière in een hoop stadions heeft gespeeld, maar dat hij nog nooit zo veel support heeft meegemaakt als in Tbilisi’. Volgens CNN-reporter Ben Church moeten we Kvaratschelia beschouwen als de ‘nationale talisman van Georgië’.
Columnist en blogger Tony Hanmer schrijft in Georgia Today dat hij nog nauwelijks van de verbazing is bekomen na de EK-kwalificatie: ‘Wij zijn een land van worstelaars en beoefenaars van martial arts. Sinds een tijdje is rugby hier de grootste sport. Mogelijk heeft dat te maken met de mannelijke lichaamsbouw en mentale gesteldheid. Die roemrijke geschiedenis van militaire overwinningen kan ook geen kwaad natuurlijk, net als de nederlagen op het slagveld, waardoor we een diepgewortelde strijdlust hebben ontwikkeld.’
Kaartjes voor Ronaldo binnen vier minuten uitverkocht
EK voetbal 2024 – ‘Voetbal is in Slovenië wakker geworden’, kopte het Sloveense dagblad Vecer nadat het land zich afgelopen november kwalificeerde voor het Europees Kampioenschap voetbal. Na 24 jaar is Slovenië terug op het EK, en dat is best bijzonder voor een land met net 2 miljoen inwoners.
‘Ze hebben het vertrouwen in het Sloveense voetbal teruggewonnen,’ aldus de Sloveense bondscoach Matjaž Kek nadat zijn ploeg zich had gekwalificeerd voor het EK. Het is pas de tweede keer dat Slovenië deelneemt aan het kampioenschap.
De laatste keer dat de Slovenen present waren op een eindtoernooi was tijdens het WK in 2010. Toen schreef The Guardian: ‘Hun geheim, als dat er al is, is Keks focus op teamethiek in plaats van individuele flair. In de tijd van het voormalige Joegoslavië werden de Slovenen beschouwd als de ijverigste en evenwichtigste van de zes republieken en ze spotten dan ook met de emotionaliteit en inconsistentie van hun zuiderburen. Deze nationale kenmerken worden weerspiegeld in hun voetbal.’
‘Ondanks talloze successen heeft het nationale team in Slovenië nog steeds geen cultstatus’
Bondscoach Kek staat ook tijdens dit kampioenschap weer aan het roer. In de aanloop naar het EK in juni werden er de afgelopen maanden al wat vriendschappelijke duels gespeeld. Hoewel de toeschouwers bij de uitwedstrijd tegen Malta wegbleven, was dat bij de wedstrijd tegen Portugal een ander verhaal. The Slovenia Times schreef dat de wedstrijd ‘ongekende aandacht van het publiek en de media trok door de komst van Ronaldo. De kaartjes waren binnen vier minuten uitverkocht.’
Meer dan 16.000 toeschouwers zagen in het Stožicestadion in Ljubljana hoe Slovenië won van Portugal. ‘Het is natuurlijk niet verkeerd dat mensen Cristiano Ronaldo live willen zien. Maar het zou passend zijn als Slovenen ook wedstrijden bijwonen voor… Slovenen!’ aldus de Sloveense voetbalwebsite Football Planet. ‘Ondanks talloze successen heeft het nationale team in Slovenië nog steeds geen cultstatus, die ervoor zou zorgen dat wedstrijden uitverkocht zijn.’
De oplossing van dit probleem is wellicht de nieuw opgerichte supportersgroep United Fans of Slovenia (ZNS). De groep is verantwoordelijk voor het georganiseerde gejuich voor Slovenië en had bij de beslissende kwalificatiewedstrijd ‘in samenwerking met de Sloveense voetbalbond een grote choreografie voorbereid, die werd uitgevoerd door de toeschouwers op de tribunes toen de voetballers op het veld arriveerden’, schrijft Vecer.
Keniaanse topsporters hebben de grenzen van fysieke prestaties met hardlopen verlegd. Maar ook voor mindere goden heeft de sport een belangrijke betekenis: deze is voor Kenianen een manier om contact te maken en biedt perspectief op een betere toekomst voor zichzelf en hun gemeenschap.
Alweer heeft een Keniaanse atleet een belangrijk record gebroken. Begin oktober, in Chicago, verbeterde Kelvin Kiptum het wereldrecord op de marathon bij de mannen. Daarmee overtrof hij de prestatie van de Keniaanse ‘filosoof-koning van het hardlopen’, Eliud Kipchoge, met ruim een halve minuut. Een geweldige mijlpaal, maar toch niet uniek dit jaar, want in juni vestigde de Keniaanse Faith Kipyegon in zeven dagen tijd twee nieuwe wereldrecords, op de 1500 en 5000 meter (het record op die laatste afstand werd overigens drie maanden later verbroken door de Ethiopische Gudaf Tsegay).
Overlijden Kelvin Kiptum
Kelvin Kiptum en zijn coach, de Oegandees Gervais Hakizimana, zijn op 11 februari omgekomen bij een auto-ongeluk in de buurt van de Keniaanse stad Eldoret. Kiptum is slechts 24 jaar geworden.
De internationale atletiekwereld reageerde geschokt. Sebastian Coe, voorzitter van de internationale atletiekbond, zei dat Kiptum ‘een ongelooflijke atleet was die een ongelooflijke erfenis achterlaat’.
Ook in Kenia is het verdriet om de dood van de wereldrecordhouder groot. ‘Kelvin Kiptum was een ster’, aldus een bericht op sociale media van de Keniaanse president William Ruto. ‘Zijn mentale kracht en discipline waren ongeëvenaard. Kiptum was onze toekomst.’
Kiptum zou in april aan de start staan van de marathon van Rotterdam, waar hij een aanval zou doen op zijn eigen wereldrecord. Met een persoonlijk record van 2 uur en 35 seconden leek de Keniaan voorbestemd om als eerste marathonloper onder de magische grens van twee uur te duiken. Helaas zal hij deze belofte nooit waar kunnen maken.
Ook hardlopers uit andere Oost-Afrikaanse landen, met name Ethiopië en Oeganda (en soms Tanzania en Burundi), blinken sinds jaar en dag uit op het wereldpodium, maar het zijn vooral Kenianen die de internationale atletiek hebben getransformeerd en de grenzen van de fysieke prestatie door middel van hardlopen hebben verlegd.
In Kenia zijn dergelijke prestaties vaak doordesemd van een diepe symboliek, waarbij allerlei opvattingen over nationalisme, politiek protest en lokale identiteit een rol spelen. De records die Kipyegon binnen één week verbeterde inspireerden de Keniaanse president William Ruto tot mooie woorden over hard werken en nationale trots. ‘Vasthoudendheid, focus, streven naar perfectie en een winnaarsmentaliteit zijn een recept voor grootsheid,’ zo schreef hij op sociale media. ‘Wat een atlete! Wat een inspiratie! Wat een kampioene! Gefeliciteerd, Kenia is enorm trots op je.’
Kalebas vol mursik
Kranten lieten foto’s zien van Kipyegon en haar gezin met vicepresident Rigathi Gachagua tijdens een bezoek aan het presidentiële paleis, anderen stelden dat haar heldendaden lieten zien hoe Kenianen ‘kunnen slagen zonder Ruto of Raila’, de kandidaten voor de Keniaanse presidentsverkiezingen van 2022. Toen Kelvin Kiptum na zijn triomf in Chicago terugkwam in Nairobi, werd hij getrakteerd op een kalebas vol mursik, een gefermenteerde melk die populair is onder de Kalenjin, een volk in het westen van Kenia; het betrof een traditie die teruggaat tot begin jaren zeventig.
Dit enthousiasme is herkenbaar voor iedereen die het Keniaanse hardlopen volgt. In de afgelopen zestig jaar heeft de atletiek telkens een podium geboden waarop Kenianen konden excelleren, en vaak werd dit succes verbonden aan hogere sociale en politieke ambities. Het Keniaanse hardlopen is een interessant onderwerp gebleken voor auteurs met de meest uiteenlopende achtergronden. Zij schreven verhalen over de sport waarin de heldendaden van topatleten centraal stonden; atleten die het hardlopen gebruikten om hun leven te veranderen, de nationale eenheid te bevorderen en elkaar te inspireren.
‘Je ziet dat als je in de groep blijft en begrip voor elkaar hebt, je sterk wordt en discipline en teamgeest krijgt’
Hoewel dergelijke interpretaties zeker van belang zijn, wordt de sport daarmee beperkt tot een onderdeel van grotere politieke projecten of tot een weg naar individuele sociale mobiliteit waarbij hard werken, natuurlijk talent en ‘cultuur’ succes bepalen. Verhalen over topsporters die allerlei ontberingen overwinnen kunnen weliswaar inspirerend zijn, maar ze verdoezelen vaak de sociale dynamiek van de Keniaanse hardloopcultuur en gaan voorbij aan de vele manieren waarop Kenianen betekenis en nut proberen te vinden in de sport.
De sociale relaties binnen familie, school, team en gemeenschap vormen de netwerken die het Keniaanse hardlopen en zijn lange, roemruchte geschiedenis schragen – dat zijn hoge ligging een ideale trainingsplek is voor veel atleten en ook wel ‘stad van kampioenen’ wordt genoemd), benadrukte de Keniaanse marathonloper Elisha Rotich een paar jaar geleden de sleutelrol die dergelijke factoren hebben gespeeld in zijn eigen hardloopcarrière. ‘Kidole kimoja hakiui chawa (een enkele vinger doodt geen luis), zeggen we in onze cultuur,’ vertelde hij. ‘Eén persoon kan geen goud winnen. Mijn team en familie zijn erg belangrijk voor mij. Je ziet dat als je in de groep blijft en begrip voor elkaar hebt, je sterk wordt en discipline en teamgeest krijgt. Zo niet, dan zul je nooit iets bereiken.’
Wie zich verdiept in de achterliggende sociale dynamiek van de sport en haar geschiedenis, komt tot de conclusie dat er ook plaats moet zijn voor verhalen van minder bekende mensen die hebben bijgedragen aan de Keniaanse hardlooptraditie. Voormalige atleten zoals Naftali Mutwa, die eind jaren veertig als student aan de Kapsabet High School en de Thika Technical School kennismaakte met atletiek. Hij zat weliswaar in een raciaal gesegregeerd systeem – Kenia was destijds nog een Britse kolonie – maar dat neemt niet weg dat hij bijdroeg aan een aantal mijlpalen in de Keniaanse atletiekgeschiedenis.
Hordenlopen
Eind jaren vijftig, begin jaren zestig deed Mutwa aan hordenlopen en concurreerde hij met de bekendste vroege hardlopers van Kenia, zoals Nyandika Maiyoro, Lazaro Chepkwony, Joseph Leresea, Seraphino Antao en Kiptalam Keter. In 1959 nam hij deel aan de eerste atletiekwedstrijd in het beroemde Kamariny-stadion, waar hij eerste werd bij het individuele kampioenschap op de 100 meter horden voor de hele kolonie. In 1960 herhaalde hij deze prestatie.
Dit alles deed hij terwijl hij als leraar en coach werkte aan de Kaptumo Intermediate School. Mutwa verdiende weinig met zijn prestaties. Toch toonde hij zich voldaan en trots tijdens een interview in zijn huis in Koyo in 2019. Kijkend naar foto’s haalde hij geestdriftig herinneringen op aan zijn teamgenoten. ‘Dit was het team van Kenia,’ vertelde hij trots. ‘En dankzij zo’n foto blijven we aan elkaar denken.’ In het koloniale tijdperk werd atletiek gebruikt om sociale controle uit te oefenen en inheemse sporten zoals worstelen en dansen uit te wissen en te marginaliseren.
Toch tonen de ervaringen van atleten als Mutwa aan hoeveel jonge Kenianen, veelal mannen, deelnamen aan en betekenis vonden in koloniale sporten. De beroemde Keniaanse auteur Ngugi wa Thiong’o, die in de jaren vijftig als student van de Alliance High School aan veldlopen deed, beschreef het langeafstandshardlopen als ‘een lang verhaal, verteld en gespeeld door de hardloper met zijn lichaam… een gevecht tussen wil en vastberadenheid enerzijds en de duivelse verleiding van het opgeven anderzijds’. Voor Ngugi zou hardlopen later een belangrijke symbolische plaats opeisen in zijn schrijven.
Zoals blijkt uit de voorbeelden van Mutwa en Ngugi, heeft schoolsport het Keniaanse hardlopen sterk gestimuleerd. De belangrijkste school in deze geschiedenis is misschien wel St. Patrick’s High School in Iten, een stadje in het westen van Kenia dat ook wel het mekka van de atletiek en de thuisbasis van de kampioenen wordt genoemd. St. Patrick’s werd in 1961 op initiatief van lokale politici en Ierse missionarissen geopend als jongenskostschool. Tegenwoordig staat de school in Kenia en de rest van de wereld bekend om zijn atletiekprestaties, maar er zijn ook grote nationale successen geboekt op het gebied van volleybal, hockey, basketbal en tennis.
Nationale team
Bovendien herbergt de school een van de eerste trainingsaccommodaties van Iten: een club voor jonge aspirant-hardlopers onder toezicht van broeder Colm O’Connell, die onder meer coaching biedt aan de leden. Tientallen hardlopers die op de school hebben getraind, werden geselecteerd voor het nationale team, namen voor Amerikaanse hogescholen en universiteiten deel aan allerlei wedstrijden en veranderden het internationale professionele hardlopen.
Wilson Kipketer, een alumnus van St. Patrick’s, was bijvoorbeeld een van de eerste Keniaanse atleten die van staatsburgerschap veranderde en voor een ander land streed, wat de afgelopen decennia steeds meer een patroon is geworden en tot discussies in sportkringen heeft geleid. St. Patrick’s laat, samen met scholen als Sing’ore Girls, zien hoe Keniaanse instituties het internationale hardlopen hebben vormgegeven en biedt daarmee een tegengif voor het idee dat Afrikaanse instituties onbeduidend en ineffectief zouden zijn in mondiale netwerken. Behalve de scholen zijn ook de ervaringen van mensen die een hardloopcarrière hebben opgebouwd en niet tot de professionele atletiektop behoorden van cruciaal belang om de sport beter te begrijpen.
Hardlopers hebben in hun latere leven vaak te kampen met het gevoel dat de Keniaanse samenleving hen is vergeten
In de decennia na de onafhankelijkheid van Kenia [in 1963] werkten sommige Keniaanse hardlopers als politieagenten, gevangenispersoneel en soldaten terwijl ze voor Keniaanse nationale teams deelnamen aan internationale wedstrijden. Sinds de jaren tachtig en de explosie van het professionele hardlopen hebben veel ‘tweederangs’ professionals carrière gemaakt in het buitenland, waar ze strijden om prijzengeld van honderden of soms duizenden dollars, waarna ze vaak terugkeren naar Kenia om te investeren in land, onderwijs of zaken.
Zo liep Everline Kosgei hard in Europa en Azië en gebruikte ze naar eigen zeggen een deel van haar verdiensten om zich in te schrijven voor een vakschool in het Chinese Chengdu. Daarnaast ontplooien Kenianen met uiteenlopende achtergronden en beroepen – van hazen tot coaches en van trainingskampmedewerkers tot resorteigenaren – lokale en nationale economische activiteiten die verband houden met het Keniaanse hardlopen.
Tegelijkertijd worstelen veel hardlopers met blessures, corruptie en de druk van de nieuwe rijkdom, maar ook met slechte faciliteiten en een toenemende dopingcrisis die de geloofwaardigheid van de sport dreigt te ondermijnen. Oudere hardlopers hebben in hun latere leven vaak te kampen met armoede, en met het gevoel dat de Keniaanse samenleving hen is vergeten. Deze problemen zijn vaak nog groter voor ambitieuze vrouwelijke atleten, die barrières moeten slechten die door inheemse en koloniale ideeën zijn opgeworpen, en bovendien te maken hebben met seksueel en soms zelfs dodelijk geweld. Dergelijke tragedies en obstakels wijzen op de grenzen aan het idee van sport als balsem voor de grootste problemen in Kenia.
Hardloopsters
Niettemin zijn de ervaringen van Keniaanse hardloopsters cruciaal geweest voor de ontwikkeling van de sport. In haar recente boek Kenya’s Running Women legt historica Michelle Sikes de centrale rol van gender bloot in de wijze waarop Kenianen door de jaren heen de sport hebben ervaren. Ook belicht ze de vele manieren waarop Keniaanse meisjes en vrouwen betekenis, vreugde en een doel in de sport hebben gevonden. ‘Ik hou van hardlopen,’ zei Sabina Chebichi tegen East African, nadat ze in 1974 als tiener een bronzen medaille had gewonnen op de 800 meter op de Gemenebestspelen. ‘Het geeft me een goed gevoel om beter te zijn dan de rest. Ik hou ervan als mensen in een vreemde stad naar me wijzen en over me praten vanwege mijn hardlopen. En als ik het publiek hoor schreeuwen, dan wil ik nog harder rennen.’
In een tijd waarin veel Kenianen diepgaand ontevreden zijn over de politiek en worstelen met stijgende prijzen, inflatie, slinkende economische kansen, inhoudsloze politieke agenda’s en toenemende sociale ongelijkheid, is het van belang het Keniaanse hardlopen niet alleen te zien als een aangelegenheid voor topatleten en wereldsterren. Voor tal van Kenianen is de sport een manier om contact te maken met anderen, betekenis te creëren voor zichzelf, vreugde te vinden in hun dagelijks leven en zich een betere toekomst voor te stellen voor zichzelf en hun gemeenschap.
Internationale commentatoren en opiniemakers over sportswashing door Saoedi-Arabië. ‘Het zijn niet alleen voetballers zoals feestbeest Neymar die het koninkrijk een warm hart toedragen. Waarom verwachten we van atleten meer morele scrupules dan van politici?’
Christoph Gastinger – sportredacteur
Die Presse
‘Aangetrokken door astronomische salarissen zijn dit jaar al meer dan dertig bekende professionals van voetbalclubs als Liverpool, Barcelona of Chelsea naar Saoedi-Arabië verhuisd. Hun huidige clubs heten Al Ahli, Al Nassr of Ettifaq FC. Deze ontwikkelingen op de transfermarkt doen de fundamenten van het wereldvoetbal al schudden. Als sterren als Kylian Mbappé of Erling Haaland zouden vertrekken, zou Europa zeker een probleem hebben. Mbappé heeft in ieder geval het eerste aanbod van Saoedi-Arabië afgeslagen.’
João Vieira Pereira – redacteur
Expresso
‘Saoedi-Arabië produceert elke dag voor een miljard euro aan olie en kan het zich veroorloven om eindeloos veel geld uit te geven aan voetbal. Vinden we het goed wanneer spelers echte competities en liefde voor hun club inruilen voor ettelijke miljoenen? Nee. Vinden we het erg dat ze dat doen in een land waar mensenrechten systematisch worden geschonden? Uiteraard. Maar voetbal is al lang business geworden. Financiële foul play werd door de vingers gezien – en nu is het te laat.’
Cathrin Gilbert – chef entertainment
Die Zeit
‘Natuurlijk speelt sportswashing een rol, maar er zijn ook andere redenen. In het land is enorm veel interesse voor entertainment en luxeproducten, zoals apparaten van Apple, schoenen en voetbalshirts van Nike. Waarom zouden de Saoedi’s van een afstand moeten toekijken in FC Bayern München-shirts als ze hun eigen competitie kunnen kopen, die ook nog eens aantrekkelijk en succesvol voetbal biedt? Alleen dan krijgt het fan-zijn betekenis en genereert het zelfvertrouwen en identificatie.’
Hoofdredactioneel commentaar
Le Monde
‘De ambitieuze kroonprins Mohammad bin Salman probeert natuurlijk het imago goed te praten dat is aangetast door mensenrechtenschendingen en het toenemende aantal executies. Maar het zijn niet alleen voetballers zoals feestbeest Neymar die het koninkrijk een warm hart toedragen. Presidenten Joe Biden en Emmanuel Macron hebben vaak contact met Mohammad bin Salman, die onlangs ook werd uitgenodigd voor een bezoek aan het VK. Waarom verwachten we dat atleten meer morele scrupules hebben dan politici?’
De Sloveense freediver Alenka Artnik brak vele records. Dat was niet de enige mijlpaal die Alenka behaalde: om op één ademteug zo diep te kunnen duiken moest ze eerst haar problematische verleden en haar doodswens overwinnen.
Op een balkon op de derde verdieping zit een meisje met haar poppen te spelen. Midden jaren tachtig in Koper, een Joegoslavisch stadje aan de Adriatische Zee. Het is hoogzomer. Naast het meisje staat een grote teil water, waarop bloemblaadjes drijven die van haar moeders planten zijn gevallen. Het meisje gaat in de teil zitten. Ze houdt haar poppen een voor een onder water om ze te laten zwemmen – haar zeemeerminnen. Ze wil weten hoe het voelt als je je onder water beweegt. Nog even en ze zal het zelf ervaren.
De vader van het meisje neemt haar mee naar het strand, waar ze een bassin met zeewater in loopt. Ze haalt adem, duikt onder en duwt zich met haar armen vooruit. Ze is zo betoverd door deze stille, andere wereld dat ze de betonnen muur vol schelpen niet ziet en er met haar voorhoofd hard tegenaan stoot. Haar bloed trekt een kringelend spoortje door het zoute water.
Een eenzame vrouw staat op een smalle voetgangersbrug. Het is winter 2010 in Ljubljana, Slovenië. Het is nacht, en het water diep beneden is donker en koud. Meer dan twee decennia zijn verstreken sinds haar bloed in het zeewater terechtkwam, en sindsdien heeft ze heel veel meer verdriet, pijn en verlies geleden. De vrouw roept zachtjes naar het universum. Ik kan niet meer. Als ze over de leuning klimt en springt, is alles voorbij.
Ze is 39, en de beste vrouwelijke freediver ter wereld
Een duikster drijft op haar rug boven een diep gat in zee. Het is juli 2021, op de Bahama’s. Ze heeft een dun neopreen pak aan, een lampje op haar voorhoofd en een monovin van koolstofvezel, waardoor ze eruitziet als een zeemeermin. Ze is 39, en de beste vrouwelijke freediver ter wereld. Slechts een paar mensen, allemaal mannen, zijn op één ademteug dieper de oceaan in gedoken dan zij. Op een dag zal ze hen misschien overtreffen.
Geen beweging in haar gezicht, en ook haar hoofd is leeg. Met opzet: voor denken is kostbare zuurstof nodig, en de lucht in haar longen moet voldoende zijn om haar bijna 120 meter diep omlaag te brengen in Dean’s Blue Hole, waar het zo donker is dat geen hand voor ogen zou zien als haar lampje zou uitgaan. Dezelfde ademteug moet haar uit de duisternis ook weer terugbrengen naar de zonnestralen, die breken in het turquoise water.
210 seconden lang zal ze zweven in het grensgebied tussen dit en het volgende leven
210 seconden lang zal ze zweven in het grensgebied tussen dit en het volgende leven, waar het gewicht van het water haar stevig in zijn greep houdt en haar longen doet krimpen tot ze zo klein zijn als tennisballen. Waar haar hartslag vertraagt tot 30 slagen per minuut en haar bloedvaten zich vernauwen om te voorkomen dat er bloed naar haar armen en benen stroomt. Waar ze zal flauwvallen wanneer ze bij het naar boven komen te weinig zuurstof heeft en erop vertrouwt dat de veiligheidsduikers in hun witte vesten haar naar de oppervlakte zullen trekken, haar naam zullen roepen en op haar oogleden zullen blazen om haar adem-haling te stimuleren en haar ervoor te behoeden nog verder weg te drijven in de richting van de dood.
Negen maanden heeft de duikster voor dit moment getraind. En geleden. Haar adem zo lang ingehouden, zo vaak – onder water, tijdens het lopen, liggend op bed – dat toen haar mond eindelijk weer openging ze zich inbeeldde dat ze het hele uitspansel inademde. Nadat ze zo vaak zo diep had gedoken, voelde ze zich aan het einde van de dag te moe om zelfs maar de sleutel in het slot van de voordeur te steken.
Maar wacht, dat tijdsbestek klopt niet. Ze heeft zich niet slechts negen maanden, maar haar hele leven voorbereid. Vlakbij, vanaf een drijvend platform, begint een scheidsrechter met een roze hoed met brede rand af te tellen: ‘Vijf, vier, drie, twee, één… Top time!’ De duikster haalt lang en diep adem en hapt dan luidruchtig naar lucht, als een vis op het droge. Acht korte ademteugen die haar longen tot barstens toe vullen. Dan draait ze zich zachtjes op haar buik en duikt als een eend, met het hoofd vooruit, langs het touw omlaag. Ze sluit haar ogen. Een paar slagen met haar staartvin en de zeemeermin is verdwenen. Er volgt nog een aankondiging: ‘Alenka Artnik, Slovenië, 118 meter, een nieuw wereldrecord!’
Landdieren
Bijna zesduizend mensen hebben de Mount Everest beklommen. Slechts enkele tientallen hebben een freedive van 100 meter in de oceaan gemaakt. Wij zijn landdieren, en als we niet op jonge leeftijd leren zwemmen wekt open water oerangsten in ons op. We raken in paniek als we onze adem inhouden. Gemiddeld kan een mens dat 60 seconden.
Maar wanneer ons voedsel of veel geld of roem in het vooruitzicht wordt gesteld, kunnen we tegen ons instinct ingaan. Eeuwenoude bergen schelpen, gevonden in uiteenlopende gebieden als het Verre Oosten en de Oostzee, wijzen erop dat onze voorouders duizenden jaren geleden in ondiepe stukken van de zee naar parels en schelpdieren hebben gedoken.
Niemand kan met zekerheid zeggen wie als eerste echt diep heeft gedoken, maar er is veel voor te zeggen dat het Haggi Statti was. Het sponsduiken had deze Griek reeds zijn trommelvliezen gekost, toen een Italiaans marineschip in 1913 in de buurt van Kreta zijn anker verloor. Statti zei dat hij het wel zou terugvinden. Hij bond het ene einde van een touw aan een vlot en het andere aan een steen, die hij bij het duiken stevig onder zijn arm klemde. Op de bodem, 76 meter diep, vond hij het anker, maakte het vast en trok zichzelf naar boven.
Freediven
Freediven is pas in de twintigste en eenentwintigste eeuw uitgegroeid tot een professionele sport. Twee rivaliserende organisaties kennen elk aparte wereldkampioenschappen en officiële records: de Confédération Mondiale des Activités Subaquatiques (CMAS) en de Association Internationale pour le Développement de l’Apnée (AIDA), de veruit breedst erkende vereniging voor het wedstrijd- freediven.
Het freediven, of het diepteduiken, kent verschillende disciplines. In het zwembad bijvoorbeeld, waar je zo ver mogelijk onder water moet zwemmen, of je adem zo lang mogelijk moet inhouden terwijl je onbeweeglijk op je buik ligt met je gezicht in het water. In de zee zijn de meest ‘pure’ disciplines van het freediven die waarbij de duiker een klein gewicht draagt dat hem helpt om te dalen, maar dat hij moet vasthouden als hij naar boven komt.
En dan is er ook nog de variant waarbij je zo diep mogelijk langs een touw naar beneden duikt en met een ballon weer omhoog gehesen wordt. Het kan gevaarlijk zijn, daarom dalen duikers nooit alleen af, maar altijd met een buddy.
Decennialang leek wat Statti had gedaan verbazingwekkend, abnormaal. Midden jaren twintig waarschuwde een arts in dienst van de Franse marine dat 50 meter voor een mens de absolute limiet was bij het diepzeeduiken. Nog dieper en je zou worden platgedrukt.
Maar toen, in 1962, dook Enzo Maiorca, een Italiaanse harpoenvisser die zijn grote angst voor de zee had overwonnen, zonder duikuitrusting 51 meter diep, waarbij hij een met gewichten volgepakte slee gebruikte om zijn afdaling te versnellen en een luchtballon om weer omhoog te komen. Hij kwam ongedeerd weer boven. Veertien jaar later haalde zijn Franse rivaal Jacques Mayol met dezelfde techniek 100 meter. Hun prestaties vormden in 1988 de inspiratie voor de film The Big Blue en daarmee voor een hele generatie freedivers.
Het meisje op het balkon in Koper hoort daar niet bij. Ze heet Alenka Artnik en eind jaren tachtig valt haar geboorteland Joegoslavië uiteen.
Op een ochtend in de zomer van 1991 komt haar moeder Vida de kamer in die Alenka deelt met haar oudere zus Tjasi en vertelt de meisjes dat de oorlog is begonnen. Tien dagen later is die voorbij, althans voor Slovenië, dat onafhankelijk wordt, terwijl de rest van Joegoslavië verzinkt in chaos.
Maar bij de Artniks thuis is het altijd chaos. Vida was pas achttien toen ze met Franc trouwde, een gescheiden man die de voogdij had over zijn zoontje Simon, wat in die tijd ongebruikelijk was. Simon, een knappe, atletische jongen, is tien als Alenka wordt geboren. Al voordat hij van school gaat, is Simon verslaafd aan heroïne.
Franc en Vida sturen Simon naar een afkickkliniek in Italië en vervolgens drie jaar naar Thailand. Als hij weer thuiskomt, is hij clean. Zijn vader Franc, een alcoholist, is dat niet.
Franc is altijd een trotse, onafhankelijke man geweest, die zich aan de Communistische Partij nooit iets gelegen heeft laten liggen. Door de week heeft hij een succesvol loodgietersbedrijf. In de weekends verdwijnt hij urenlang in het bos om kruiden, wilde asperges en paddenstoelen te zoeken. De dennennaalden die uit zijn kleren vallen als hij weer thuiskomt, brengen de geur van het bos mee.
Maar kort nadat de problemen met Simon beginnen, verergert Francs drankzucht. De ene week is hij dronken, de andere nuchter. Er zijn dagen dat hij niet meer op zijn benen kan staan. Wanneer Alenka, die nog op de basisschool zit, thuis drank vindt, giet ze die door de gootsteen. Franc koopt steeds meer drank. Zijn zaak gaat failliet, Vida werkt als kokkin in een fabriekskantine.
Het nu
Ze scheidt van Franc, maar ze blijven onder hetzelfde dak wonen. Hij slaapt in de woonkamer, en zodra Vida thuiskomt van haar werk vlucht ze naar haar slaapkamer.
’s Nachts hoort Alenka haar moeder huilen en ze is bezorgd dat die zichzelf iets zou kunnen aandoen. Ze omarmt haar deken alsof het haar moeder is. Als ze aan de ellende wil ontsnappen, stopt ze een gele cassette in haar cassettespeler en verliest ze zich in het verhaal van Heidi, het weeskind dat samen met haar opa in de Alpen woont.
Simon heeft een terugval, de politie komt aan de deur. Vader en zoon, de alcoholist en de drugsverslaafde, hebben voortdurend ruzie.
Op zee vergeet ze de ruzies thuis. Alles wat telt, is haar slag, haar ademhaling, het water
Op het strand in Koper, waar Alenka destijds haar hoofd stootte, is een kajakclub. Alenka is negen als ze lid wordt. Op zee vergeet ze de ruzies thuis. Alles wat telt, is haar slag, haar ademhaling, het water. Het nu.
De club wordt haar tweede thuis, een toevluchtsoord. Ze traint elke dag, in het weekend twee keer per dag, en wordt geselecteerd voor het nationale juniorenteam. Steeds vaker spijbelt ze om in haar eentje het water op te gaan.
In 1998 stopt ze op haar zeventiende met school en vertelt haar ouders dat ze professioneel kajakster wil worden. Dat is weliswaar aannemelijk, maar complete onzin. In werkelijkheid wil ze gewoon weg.
Maar in plaats daarvan verlaat haar moeder, met wie Alenka zo’n nauwe band heeft, het gezin en gaat met een andere man samenwonen. Alenka’s zus is allang verhuisd naar Ljubljana, de grootste stad van Slovenië, en waar Simon uithangt, weet niemand. Alenka blijft alleen achter met haar vader.
De woede en het psychische geweld die zich eerder tegen zijn vrouw en zoon richtten, treffen nu Alenka. Hij geeft haar de schuld van zijn ongeluk en falen en vernietigt zo het laatste beetje zelfvertrouwen dat ze nog heeft. Ze is radeloos en denkt aan zelfmoord.
Ik spring van het balkon om je te straffen en je te laten zien hoeveel pijn je me doet.
Door haar nieuwe leven raakt Vida nog verder van Alenka verwijderd, en in 2001 trouwt ze voor de tweede keer. Het jaar daarop verhuist Alenka, die genoeg heeft van het emotionele misbruik door haar vader, naar Ljubljana, waar ze in een skatewinkel gaat werken om haar kamer in een woongroep te kunnen betalen. Ze drinkt en feest te veel, een uitlaatklep om de druk van haar trauma kwijt te raken. Ze voelt zich eenzaam en ook een reeks liefdesaffaires kan haar niet van haar depressies bevrijden.
De volgende dag bezwijkt Simons lichaam aan de verwoestende effecten van zijn verslaving.
Op een avond in 2004 belt Simon haar vanuit een afkickkliniek. Ze is te moe om naar zijn verhalen te kunnen luisteren, te moe van haar eigen leven en neemt de telefoon niet op. De volgende dag bezwijkt Simons lichaam aan de verwoestende effecten van zijn verslaving. Vida heeft inmiddels kanker en na een vijf jaar durende strijd tegen de ziekte overlijdt ook zij.
Afgesneden van haar familie voelt Alenka zich niet in staat om adequaat te rouwen over de dood van haar broer en haar moeder. Franc, die nog steeds in Koper woont, kwelt haar uit de verte met zijn manipulatieve gedrag. De last van de ellende van haar familie vergroot haar wanhoop.
Ze is zich daar niet van bewust, en op die brug in de winternacht van 2010, gaat ze bijna aan haar verdriet ten onder. Bijna tien jaar zijn verstreken sinds Alenka voor het eerst fantaseerde dat ze van het balkon sprong om haar vader te straffen. Nu ze hier zo alleen naar het water in de diepte staart, is het beetje gevoel van eigenwaarde dat ze nog heeft bijna uitgeput.
Maar haar wanhoopskreet naar het universum maakt diep binnen in haar iets los. Ze realiseert zich dat het de last van de ellende in haar familie is, die haar als een gewicht naar deze duistere plek, deze afgrond, heeft getrokken. Ik wil dat niet; het is niet van mij, denkt ze. Ik kan dit niet langer.
Nu laat ze de last als een zware rugzak van haar schouders glijden en laat hem los. Haar zorgen zijn nog lang niet voorbij, maar Alenka is niet langer verlamd door het verleden. Ze verlaat de brug en gaat naar huis.
De verlossing
Zoals zo vaak begint de verlossing met een vriendelijke daad. Een jaar na Alenka’s nacht op de brug wordt ze door een vriend van vroeger uitgenodigd om te gaan zwemmen in een openbaar zwembad. Hij is begonnen met harpoenvissen en zwemt met een paar mannen baantjes onder water om zijn uithoudingsvermogen te verbeteren.
Alenka haalt adem, glijdt onder water en trekt zich met haar armen vooruit. Ze is weer een kind, diep in de zee bij Koper. Al het lawaai van de wereld is verdwenen, denkt ze. Ik ben alleen en tegelijkertijd ben ik ergens onderdeel van. Voor het eerst in lange tijd voelt ze zich vredig.
De volgende dag koopt Alenka een paar zwemvinnen en komt ze zonder adem te halen even ver als de beste mannen. Nieuwsgierig naar deze vreemde bezigheid schrijft ze zich in voor een korte introductiecursus bij Jure Daić, een van de beste freedivers van het land. Daić beschouwt iemand die na zijn tweedaagse cursus 75 meter onder water kan zwemmen – drie keer de lengte van een normaal bad – als een uitstekende zwemmer. Op de tweede dag van de cursus zwemt Alenka één baan, twee banen, dan drie en meer. Bij 92 meter verliest ze een van haar vinnen. In plaats van naar boven te komen, keert ze onder water om, pakt de vin, doet hem weer aan en maakt de baan af. Als ze uit het zwembad komt, is ze boos en zegt dat ze de 120 meter had willen halen.
De andere cursisten kijken met open mond toe. De meeste hebben de 50 meter niet eens gehaald. Wie is die vrouw?
‘Ik haat dit rotleven. Ik duik om aan de wereld te ontsnappen’
Dat vraagt Daić zich ook af. Alenka lijkt heel leer-gierig en overstelpt hem met technische vragen. Bovendien heeft ze tussen de bedrijven door aan een van Daićs trainers dingen verteld die hem verbazen: ‘Ik haat dit rotleven. Ik duik om aan de wereld te ontsnappen.’
Daić vraagt Alenka naar haar verleden en langzaam begint hij het te begrijpen: de oorzaak van haar intense drive is dat ze zo ongelukkig is. Vergeleken met andere topatleten die hij heeft getraind, lijkt ze fysiek niet uitzonderlijk. Maar hij heeft de indruk dat de mentale kracht die Alenka door het overwinnen van haar problemen heeft ontwikkeld, haar sterke punt is.
In veel sporten naderen dertigjarigen het einde van hun carrière. Bij freediving ligt dat anders. Duikers hebben niet alleen kracht, flexibiliteit en een buitengewoon vermogen om hun adem te kunnen inhouden nodig, maar ook innerlijke rust, balans en zelfkennis. Als ze te snel te veel willen, is de kans op een burn-out – of erger – groot.
Net als de kajakclub in haar jeugd wordt het zwembad Alenka’s toevluchtsoord. Iedere ochtend voor ze naar haar werk gaat, glijdt ze soepel onder water, terwijl de zwemmers boven haar zich druk maken. Bij wedstrijden breekt ze al snel nationale records.
Ook al neemt Alenka’s zelfvertrouwen toe, haar innerlijke pijn blijft. Francs psychologische misbruik gaat gewoon door wanneer ze begint te freediven, maar uiteindelijk laat hij haar emotioneel los en zegt dat hij trots is op haar duiksuccessen. Niet lang daarna overlijdt ook hij aan kanker.
In 2013 wordt Alenka opgenomen in het Sloveense nationale team, en al snel wordt haar duidelijk dat het een groot verschil is of je de beste van het land bent of de beste van de wereld. Ze traint nu nog harder, te hard. Voor het wereldkampioenschap van 2015 traint ze zo intensief dat ze vijf kilo afvalt. Tegen de tijd dat het kampioenschap begint, is ze zo uitgeput dat ze de finale niet haalt. Maar in plaats van teleurgesteld te zijn – zoals toen ze een van haar vinnen verloor – ontdekt ze dat ook falen voldoening kan geven.
En ze heeft een droom: een langdurig avontuur op een plek waar ze in de oceaan kan duiken.
Door dit nieuwe zelfinzicht veranderen Alenka’s prioriteiten. Liever dan medailles wil ze haar verloren jaren inhalen, leven, uitzoeken wie ze werkelijk is. En ze heeft een droom: een langdurig avontuur op een plek waar ze in de oceaan kan duiken. Als ze goed is in freediven in open water, cool. Zo niet, dan ziet ze in elk geval een ander deel van de wereld.
In de zomer van 2015 gaat Alenka naar Vis, een eiland voor de kust van Kroatië, waar ze een paar weken wil ontspannen. Ze komt een paar Sloveense vrienden tegen die freediving-cursussen organiseren. Een van die cursussen begint net, vertellen ze Alenka, en wel met een heel bijzondere trainster: Natalja Moltsjanova.
Natalja, een Russische atlete met de bijnaam ‘de machine’, was al van kinds af aan een goede zwemster. Toen ze op haar veertiende het freediven ontdekte, duurde het niet lang tot ze die tak van sport onder de knie had. Ze was de eerste vrouw die in een zwembad 200 meter onder water zwom en de eerste vrouw die acht minuten haar adem kon inhouden. Bovendien was ze de eerste vrouw die in de oceaan dieper dan 100 meter dook. Nu, op haar 53e, is Natalja de beste duikster aller tijden en nog steeds houder van de meeste wereldrecords bij de vrouwen, zowel in het zwembad als in de zee.
Is het het universum dat weer tot Alenka spreekt? Ze was Natalja al eerder tegengekomen bij wedstrijden, maar nu heeft ze de kans haar echt te leren kennen en les te nemen bij een echte kampioene. Alenka annuleert haar vakantieplannen en schrijft zich in voor de cursus. Hun liefde voor katten schept meteen een band tussen de twee vrouwen. Natalja vertelt dat ze net heeft leren surfen en hoeveel ze van de zee houdt. Duiken in een zwembad lijkt op joggen op een loopband, heeft Natalja ooit gezegd, in de zee daarentegen is het net als hardlopen in het bos.
In de wateren rond het eiland leert Alenka nog meer over dat verschil. De dichtheid van ons lichaam is iets minder dan die van water, zodat we kunnen blijven drijven maar hard moeten trappen om naar beneden te komen. Maar hoe dieper we duiken, hoe meer water er van boven op ons drukt. Met de toe-nemende druk wordt ook onze dichtheid groter. Ten slotte wordt het te veel en zinken we als een baksteen. We hoeven niet meer te trappelen. De zwaartekracht neemt ons mee, we zijn in vrije val.
Met alles verbonden
Alenka geeft toe aan de druk en dat is een geweldig gevoel. Bij het afdalen is ze alleen in het nu; voorbij het water bestaat niets meer, zelfs haar eigen identiteit niet. Ze is alleen, maar ze voelt zich met alles verbonden.
Ik val in het centrum van het universum, denkt ze. Zo moet het voelen om te vliegen.
Bij haar diepste duik met Natalja haalt ze 49 meter. Na het afronden van de cursus freediving is Natalja van plan op het eiland te blijven trainen, maar ze krijgt een telefoontje van een rijk echtpaar dat ergens in Spanje privéles wil nemen. Alenka brengt Natalja naar de veerboot en neemt afscheid. Een paar dagen later hoort de verbijsterde duikersgemeenschap op Vis – en op de hele wereld – dat Natalja wordt vermist. Na een les met haar klanten heeft ze een duik gemaakt waarvan ze niet is teruggekomen. Ondanks een uitgebreide zoektocht wordt Natalja’s lichaam nooit gevonden. Men neemt aan dat ze is meegevoerd door sterke onderwaterstromingen.
Twee maanden later arriveert Alenka met twee koffers, twee wetsuits en twee paar vinnen in de Egyptische stad Sharm-el-Sheikh aan de Rode Zee. Het is oktober 2015, ze is 34. Met een taxi rijdt ze langs de kust door de woestijn naar Dahab, een voormalig vissersdorp dat nu een populaire plaats is voor duiken en snorkelen.
Alles daar is overweldigend: de woestijn, de hitte, de taal, het eten. Alenka kent er niemand. Maar het water is magisch. Ze zwemt naar het rif, waar het wemelt van de gele, oranje, paarse en blauwe vissen. Als ze achterom kijkt naar de kust en in de verte de berg Sinaï ziet, huilt ze tranen van vreugde.
Alenka huurt een vervallen bedoeïenenhuisje. Ze dicht de lekkende wastafels met siliconen, verft de muren en koopt lampen en tapijten in de bazar. Twee loslopende honden en een stel katten trekken bij haar in.
’s Morgens springt ze achter in een pick-uptruck om met andere duikers het stukje naar de Blue Hole bij Dahab te rijden, een meer dan 100 meter diep onderwatergat. Door het trainen in het zwembad is ze sterk en ze kan haar adem goed inhouden. De vraag is hoe ze met de extreme diepte zal omgaan.
Een reeks aangeboren reacties die bekendstaat als de duikreflex van zoogdieren, biedt ons onder water een natuurlijke bescherming. Als je je gezicht in koud water dompelt en je adem inhoudt, vertraagt je hartslag automatisch om zuurstof te besparen. Tegelijkertijd vernauwen de slagaderen zich om ervoor te zorgen dat het bloed uit de ledematen naar de vitale organen stroomt. Dat voorkomt dat je longen platgedrukt worden, want in diep water wordt een enorme druk op het lichaam uitgeoefend. Het probleem is dat ons lichaam ook lege ruimtes heeft. Op zeeniveau is de druk per definitie één atmosfeer. Tien meter onder water is dat het dubbele, enzovoort. Een groot deel van ons lichaam bestaat uit water of vaste stof die niet kan worden samengedrukt. Maar de lege ruimtes, zoals de longen en het binnenoor, bevatten gassen en kunnen onder druk bezwijken.
Bij het afdalen duwt de druk van het water het trommelvlies van de duiker naar binnen, wat een stekende pijn veroorzaakt
Bij het afdalen duwt de druk van het water het trommelvlies van de duiker naar binnen, wat een stekende pijn veroorzaakt. Om dat te voorkomen moet een duiker tijdens het afdalen voortdurend lucht in zijn binnenoor persen. Daardoor wordt het trommelvlies weer in zijn natuurlijke positie gebracht en wordt de druk in zijn hoofd weer gelijk aan de druk die er van buitenaf op inwerkt.
De eenvoudigste methode om de druk gelijk te krijgen, is je neus en mond dicht te houden, je buikspieren te spannen en lucht uit je longen naar boven te persen. Op grotere diepte gebruiken duikers fysiek zuinigere, maar technisch moeilijkere methoden waarbij ook de tong, de wangen en de keel worden gebruikt.
Ervaren oceaanduikers doen er vaak jaren over om die drukbalans te realiseren. Maar Alenka, die vertrouwt op de aanwijzingen van haar trainingspartners, onlineduikfora en haar eigen intuïtie, heeft er nauwelijks problemen mee en duikt elke dag dieper. Op nieuwjaarsdag 2016, als het water al onaangenaam koud wordt, is haar beste duik met een monovin 77 meter. Ze weet nu dat ze de diepte aankan.
Om bij het dalen lucht te besparen, moet Alenka eerst in een meditatieve, zen-achtige staat komen. Op een dag, als ze zich omdraait om weer naar boven te gaan, ziet ze voor zich opeens het beeld van haar halfbroer Simon, die haar onder water rustig en zelfverzekerd aankijkt. Hij heeft het gezicht van een man die nooit aan de drugs is geweest, de man die hij had kunnen zijn. Simons aanwezigheid geeft Alenka een gevoel van vrede, en ze gebruikt die vrede om zich zachtjes naar het wateroppervlak te bewegen.
Tranen
’s Avonds, terug in haar huis, probeert ze de gebeurtenis te verwerken. Jarenlang is ze het Simon kwalijk blijven nemen dat hij hun gezin en vooral haar ouders zo veel leed heeft bezorgd. Terwijl de tranen haar over de wangen stromen, voelt ze nu een oneindig medelijden met hem, om alles wat hij heeft moeten doorstaan, om alles wat hij heeft moeten missen.
Als Alenka negen maanden na haar aankomst Dahab verlaat, heeft ze tot een diepte van 92 meter gedoken, slechts 9 meter minder dan het monovinwereldrecord voor vrouwen. De wereldkampioenschappen 2016 in Turkije staan voor de deur, en zij is de enige Sloveense duikster die meedoet.
Alenka, die in de wereld van het freediven op zee nog volslagen onbekend is, verbaast de concurrentie door de monovinwedstrijd te winnen met een duik van 86 meter. Ook in de discipline met twee vinnen wordt ze eerste en breekt ze bovendien het wereld-record.
Aan freediven is een dodelijk risico verbonden. Als je op weg naar beneden te hard perst, kun je een zogeheten longcontusie krijgen, waarbij het longweefsel scheurt doordat het wordt platgedrukt, zodat je bloed opgeeft. Als je de benodigde tijd om weer boven te komen verkeerd inschat, kun je bewusteloos raken omdat de hersenen zichzelf uitschakelen om het beetje zuurstof dat nog in het lichaam aanwezig is te sparen.
Door strengere regels en de aanwezigheid van veiligheidsduikers komen dodelijke ongelukken bij free-divewedstrijden weliswaar niet vaak voor, maar toch. In 2013 overleed de Amerikaan Nicholas Mevoli aan de gevolgen van een longblessure tijdens een duik zonder vinnen van 72 meter bij de Vertical Blue, een wedstrijd op de Bahama’s die voor professionele duikers het hoogtepunt van het seizoen is.
Net als polsstokhoogspringers moeten ook freedivers het beoogde doel voor de start bekendmaken
In 2018 krijgt Alenka haar eerste aanbod om bij de Vertical Blue te duiken, vlak nadat ze als vierde vrouw ooit 100 meter heeft gedoken, na Natalja Moltsjanova en twee atletes die ook zijn uitgenodigd voor de Vertical Blue. Dat zijn de Japanse Hanako Hirose en Alessia Zecchini, een 26-jarig Italiaans wonderkind dat op haar 13e met duiken begon.
Net als polsstokhoogspringers moeten ook freedivers het beoogde doel voor de start bekendmaken. De organisatoren passen voor iedere deelnemer de lengte van het touw aan. Aan het einde van dit touw zit een bodemplaat waaraan kaartjes zijn bevestigd. Voor een succesvolle poging moet de duiker als hij weer aan de oppervlakte is gekomen de scheidsrechter een kaartje overhandigen, met vinger en duim het Oké-signaal geven en gedurende 20 seconden met het hoofd boven water bij bewustzijn blijven.
Voor haar eerste Vertical Blue-duik heeft Alenka een doel van 100 meter, dat ze met gemak haalt. Een paar dagen later: 103 meter. Dan een meter dieper. Als ze 105 meter bereikt, evenaart ze Zecchini’s wereldrecord. Ook Hirose en Zecchini halen de 105 meter. Elke duikster heeft nog twee pogingen om dieper te komen. Maar een stem in Alenka’s hoofd zegt dat ze het hierbij moet laten.
Voor deze dieptes heb je meer tijd nodig, denkt ze. Je bent sterk genoeg om nu te stoppen.
Hirose gaat door tot 106 meter en probeert dan 107 meter; bij het omhoogkomen raakt ze bewusteloos. Ook Zecchini duikt naar 107 meter en zegeviert.
Alenka’s besluit om na zo’n succesvolle duik af te haken, verwart haar concurrenten. Waarom stoppen wanneer je de kans hebt om te winnen, een nieuw wereldrecord te vestigen en je internationaal te profileren? Alenka heeft niemand om naar terug te gaan, geen partner, geen kind en geen baan. Wat heeft ze te verliezen?
Maar Alenka heeft iets geleerd van deze duik: als je aan de rand van de afgrond hebt gestaan en hebt gevonden wat je weer naar de oppervlakte doet terugkeren, namelijk het leven, dan heb je alles te verliezen. Ze voelt een te grote verantwoordelijkheid tegenover het leven om iets alleen maar voor haar ego te doen.
Daarom heeft Alenka ook nooit een longcontusie gehad, daarom is ze een van de zeer weinige wedstrijdduikers die nog nooit de adem van een veiligheidsduiker op haar oogleden heeft gevoeld om haar uit die zuurstofarme toestand terug te halen. Daarom is ze tot op de dag van vandaag nog nooit bewusteloos geraakt.
Ze weigert een gevaar voor zichzelf te zijn.
Alenka blijft nooit lang op dezelfde plek en leeft als een nomade. De eerste helft van het jaar traint ze in de tropen om zich voor te bereiden op de wedstrijden in de zomer. Het is een benijdenswaardig maar eenzaam leven, altijd onderweg, altijd op zoek naar nieuwe trainingspartners. Begin 2019 ontmoet ze op Panglao, een eiland in de Filippijnen, een Zwitserse freediver, Florian Burghardt, die zijn baan bij een bank tijdelijk heeft opgezegd om zich serieus aan zijn sport te wijden.
Verliefd
Hij raakt met Alenka aan de praat, ze drinken samen een kop koffie en worden verliefd. Burghardt brengt het hele seizoen met haar door en ziet hoe ze in Honduras 113 meter duikt, een wereldrecord dat Zecchini in dezelfde wedstrijd evenaart.
Een jaar later, tijdens de pandemie, is het stel terug op de Filippijnen en zitten ze vast in een resort. Omdat de stranden gesloten zijn, slaan Alenka en Burghardt een voorraad tomaten in blik, pasta en olijfolie in en passen ze hun trainingsmethoden aan. Alenka onderneemt wat ze noemt ‘apneu-wandelingen’, waarbij ze haar adem inhoudt terwijl ze tussen de koeien op de weg door loopt. In het steeds troe-beler wordende zwembad van het resort houdt ze 30 seconden haar adem in en zwemt dan tien baantjes, 200 meter, onder water. Onbeweeglijk in het water liggend, verbetert ze haar persoonlijke record adem inhouden tot 6 minuten en 40 seconden.
Zeemeermin
De mens is altijd gefascineerd geweest door het mythische beeld van de zeemeermin die soepel door het water glijdt, met zwembewegingen die doen denken aan dolfijnen en walvissen. Ooit is de droom ontstaan deze manier van zwemmen te imiteren. Eind twintigste eeuw probeerden de eerste sporters dat met de monovin, inmiddels een veel voorkomende vrijetijdsbesteding. In een monovin zitten je voeten echt vast, het is moeilijk je ermee voort te bewegen, en het vereist kracht en vaardigheid.
Maar als je de beweging eenmaal onder de knie hebt, kun je zelfs sneller en dieper duiken dan met gewone vinnen.
Door de pandemie valt het wedstrijdseizoen 2020 uit, wel worden er een paar kleine, eenmalige evenementen georganiseerd. In Kalamata, Griekenland, brengt Alenka het wereldrecord met twee vinnen op 94 meter, maar door de slechte omstandigheden wordt het niets met haar duik met één vin. Na een korte tussenstop in Zwitserland, waar ze zich met Burghardt verlooft, vliegt ze alleen terug naar Sharm-el-Sheikh en maakt haar doel bekend: 114 meter. Als ze omhoog komt, glijdt ze met een glimlach langs de haar toegewezen veiligheidsduiker, wat hem tot tranen toe roert. Haar ongedwongenheid en zelfbeheersing maken op iedereen diepe indruk.
Hoe is dat mogelijk? Hoe kan het dat je op je dertigste totaal geen zelfvertrouwen hebt en nog geen tien jaar later de meest zelfverzekerde duikster ter wereld bent, die zich aan de grootste diepten waagt? Hoe kan het dat een vrouw op het punt staat zelfmoord te plegen en vervolgens topatleten versteld doet staan van haar successen enerzijds en haar bescheidenheid anderzijds? Hoe kan het dat iemand het leven zo haat en het daarna zo innig liefheeft?
Dat vragen mensen zich soms af en een deel van het antwoord is dat Alenka haar verleden niet alleen heeft overwonnen, maar er haar kracht aan ontleent. ‘Het komt door die pijn,’ zegt ze. ‘Ik heb me overgegeven aan de pijn, ik heb hem geaccepteerd. Daardoor groei je boven jezelf uit.’ Het andere deel van het antwoord is simpeler: ze traint als een gek.
En wat zal de toekomst brengen? Alenka is 39, wordt nog steeds sterker en duikt elk jaar efficiënter. De volgende grote mijlpaal voor duiksters is 120 meter. ‘Makkelijk zal het niet zijn,’ zegt ze, ‘wel haalbaar.’ Misschien zelfs al in het wedstrijdseizoen van 2021, dat in juli begint met de Vertical Blue. Deze diepte zou verleidelijk dicht bij het mannenrecord komen, dat slechts 10 meter dieper ligt. In 2017 was de kloof tussen mannen en vrouwen nog 28 meter.
Begin juni 2021, een maand voor de Vertical Blue, arriveert de wereldtop van de freedivers – 42 mannen en vrouwen uit 21 landen – op het strand om te acclimatiseren. Alenka en Burghardt komen uit Honduras, waar ze vier maanden hebben getraind, en huren een huisje met uitzicht op de Atlantische Oceaan.
De dag voor de wedstrijd brengt Alenka door met zich haar duik voor te stellen en naar een oude, bekende tekenfilmserie te kijken die ze op YouTube heeft ontdekt. Ze zingt de titelsong mee: Heidi, Heidi…
Bewusteloos
Op de openingsdag raakt de eerste atleet bij het naar boven komen bewusteloos. Na hem hebben een paar duikers meer succes, en andere, die de diepte niet aankunnen, komen terug zonder de bodemplaat te hebben bereikt.
Het is moeilijk de beoogde diepte geheim te houden wanneer iedereen aan hetzelfde touw traint, maar toch gaat er een geroezemoes door de menigte als op de openingsdag haar voornemen bekend wordt gemaakt. Alessia Zecchini gaat een poging van 115 meter doen, een meter dieper dan Alenka’s record met één vin. Direct na haar komt Alenka, die een poging zal doen van 118 meter.
In een mum van tijd verandert het strand in een chaos van slippers, vinnen en pool noodles, die de deelnemers tijdens de countdown als hulpmiddel gebruiken.
Voor ze naar het drijvende platform zwemmen om hun beurt af te wachten, geven Zecchini en Alenka elkaar een stevige omhelzing. De Italiaanse is als eerste aan de beurt. Haar duik verloopt probleemloos. Daarna wordt het touw drie meter dieper afgesteld.
Alenka drijft op haar rug. De scheidsrechter met zijn roze hoed telt af. Alenka maakt zich klaar voor haar duik. De diepe inademing. De acht slokken lucht die haar longen vullen. De rol voorwaarts, de duik als een eend met het hoofd naar voren. Met een klap van haar vin verdwijnt de duikster in het blauwe gat, haar armen losjes langs het lichaam.
Een duikershorloge met vijf alarminstellingen, dat aan haar halsgewicht van 1,8 kilo is bevestigd, meldt tijdens de afdaling telkens hoe diep ze is. Als de voorlaatste piep haar vertelt dat ze op 68 meter zit, slaat ze nog een laatste paar keer met haar vin, voordat ze zich helemaal overgeeft aan een vrije val. Het water ruist langs haar gezicht, het gidstouw glijdt geruststellend langs haar rechterschouder.
Bij de laatste pieptoon opent de duikster haar ogen, grijpt het kaartje en draait om, alles in één vloeiende beweging. Ze strekt haar armen omhoog, haar handen dicht bij elkaar, en slaat krachtig met haar vin. Boven beschrijft de omroeper, met een blik op het sonarscherm, hoe ze omhoog komt: 80 meter… 60 meter… De eerste veiligheidsduiker zwemt haar tegemoet, dan de tweede. 29 meter. Duiker in zicht!
Alenka komt boven, grijpt met haar rechterhand het touw en verwijdert met haar linkerhand haar neusklem. Ze geeft het Oké-signaal en glimlacht. Ze haalt het kaartje uit haar kap, waarin ze het had opgeborgen, en geeft het aan de scheidsrechter, die een witte kaart opsteekt als teken van een geslaagde duik. De sportduikers die zich rond de wedstrijdzone ophouden, kletsen juichend op het water. ‘Rock ’n roll,’ zegt ze.
Record
Vier dagen later zal Alenka de eerste vrouw zijn die de 120 meter haalt. Bij haar laatste duik in deze wedstrijd gaat ze nog 2 meter dieper. Binnen iets meer dan een week heeft ze het vrouwenrecord op 122 meter gebracht.
Binnen iets meer dan een week heeft ze het vrouwenrecord op 122 meter gebracht
Alenka en Burghardt vieren het in een café met omelet en koffie. Ze is gelukkig zonder triomfantelijk te zijn. De gedachte dat ze vanwege haar record beter zou zijn dan een ander slaat nergens op, zegt ze. Mensen begrijpen niet dat het voor haar maar een getal is, een logische consequentie van haar training. ‘De wereld daarbuiten wil ego’s en strijd en titels,’ zegt ze. ‘Het valt niet mee daar koud onder te blijven. Maar het kan wel.’
De afgelopen dagen is het geschil tussen het Internationaal Olympisch Comité en Oekraïne opgelaaid door uitspraken van het IOC over eventuele Russische en Belarussische deelname aan de Spelen in 2024. Zelensky roept het comité op om atleten uit Rusland en Belarus de toegang tot de Spelen in Parijs te weigeren, maar Thomas Bach, het hoofd van het comité, wil daar niet in meegaan. Hij houdt de mogelijkheid open dat atleten uit Rusland en Belarus onder neutrale vlag aan de Spelen mee zullen doen, bericht The Guardian.
Bach stelde dat het niet aan overheden is om te bepalen wie wel en niet mee mag doen aan sportwedstrijden, omdat dat het einde zou betekenen van de Olympische Spelen zoals we die nu kennen. ‘De missie van sport is mensen verenigen, en niet nog meer confrontaties en escalaties uitlokken,’ aldus de IOC-voorzitter.
Meerdere landen overwegen de Spelen te boycotten als Rusland zou meedoen
Oekraïne stelt daartegenover dat Moskou zal proberen politiek gewin te halen uit deelname aan de Spelen en heeft gedreigd dat het zich zal terugtrekken als Rusland mee mag doen. ‘Dit kan niet worden weggemoffeld met zogenaamde neutraliteit of een witte vlag. Rusland is op dit moment een land dat alles met bloed besmeurt, zelfs de witte vlag,’ aldus Zelensky afgelopen vrijdag tijdens een online top met sportministers.
De Mensenrechtenraad van de VN maakt ernstige bezwaren tegen de uitsluiting van atleten ‘puur op grond van hun paspoort’, omdat dit een schending van hun rechten is, aldus Bach. Er zijn al verschillende sporten, zoals tennis, waaraan Russen mogen deelnemen, zij het onder neutrale vlag. In Europa zijn echter meerdere landen tegen Russische deelname, bepaalde landen overwegen zelfs de Spelen te boycotten als Rusland zou meedoen.
Hoe de zoveelste diplomatieke crisis tussen Marokko en Algerije Abdeslam Ouaddou, voormalig aanvoerder van het Marokkaanse voetbalelftal, tot slachtoffer maakte van een grimmige lastercampagne.
Het is een kerel wiens bescheidenheid en eenvoud door iedereen, zijn vijanden in-begrepen, worden geprezen. Een uitstekende voetballer die zijn berichten, brieven en e-mails altijd beëindigt met hoffelijke ‘sportieve groeten’. Abdeslam Ouaddou, voormalig aanvoerder van het Marokkaanse voetbalelftal, houdt zich totaal niet bezig met de politiek in zijn land. Hij heeft geen ideologische voorkeur en wanneer hij het over de koning heeft, bezigt hij het eer-biedige en gebruikelijke predicaat ‘Zijne Majesteit’.
Nooit heeft hij onderwerpen aangeroerd als ernstige mensenrechtenschendingen door het Marokkaanse regime, de onderdrukking van de Sahrawi (het volk van de Westelijke Sahara), de wandaden tegen de mijnwerkers van Jerada, de activisten van Sidi Ifni, de leden van de protestbeweging Hirak in het noordelijke Rifgebied, die werden gemarteld en in de cel gegooid, de zware gevangenisstraffen voor journalisten, youtubers of doodgewone internetters, enkel omdat zij zogeheten gevoelige onderwerpen durfden aan te snijden.
‘We hebben niemand die ons vertegenwoordigt in het parlement’
‘Ik ben sportman, ik heb geen verstand van dat soort dingen,’ zegt hij, en daarmee is voor hem de kous af. Hij benadrukt dat hij zich als MRE (Marocain résidant à l’étranger, Marokkaan die in het buitenland woont) niet al te bewust is van wat er in zijn land gebeurt. ‘We hebben niemand die ons vertegenwoordigt in het parlement.’
Als het om liefdadigheidsactiviteiten gaat, is het een ander verhaal. Toen Marokko in 2020 hard werd getroffen door corona, schonk Ouaddou 1 miljoen dirham (bijna 100.000 euro) aan een bijzonder fonds voor de beheersing van de pandemie. Hij is ook bepaald niet te beroerd om computers en tablets te schenken aan schoolkinderen in zijn douar (dorp) of andere gebieden in Marokko, om benefietwedstrijden ter plaatse te organiseren of om een gezin in financiële nood te helpen.
Alles gegeven
Abdeslam was twee jaar oud toen zijn vader, die zich in 1970 in Frankrijk vestigde, hem in 1980 in het kader van de gezinshereniging liet overkomen. Zijn integratie in Frankrijk verliep naar verluidt voorspoedig. In een lokaal pupillenteam, werd hij opgemerkt door AS Nancy-Lorraine, dat hem inlijfde. Later speelde hij in Frankrijk onder meer voor Stade Rennais en Valenciennes FC. Ook in het buitenland bouwde hij een mooi cv op: hij kwam uit voor het Londense Fulham, voor Olympiakos Piraeus en voor andere grote clubs.
Zijn carrière in Marokko begon in 1998 bij het Olympisch team dat deelnam aan de Spelen van Sydney, in de zomer van 2000. Daarna maakte hij zijn debuut voor het Marokkaanse elftal. ‘Tien jaar international, tachtig keer geselecteerd, een jaar lang aanvoerder: ik heb alles gegeven voor mijn team, voor mijn land,’ meldt hij telefonisch vanuit Nancy, zijn woonplaats in Frankrijk.
Tijdens het toernooi om de Afrika Cup in 2004, in het Taïeb Mhiri-stadion in Sfax, Tunesië, scoorde de jonge Ouaddou in de 75ste minuut een doelpunt tegen Benin. Dat was een moment van groot geluk en trots. Een paar dagen later won zijn team in hetzelfde stadion afgetekend met 3-1 van Algerije. Marokko bereikte de finale, maar moest daarin buigen voor Tunesië: 1-2.
De eer was echter gered. Iedereen in Marokko besefte dat het nationale team een uitstekende prestatie had geleverd. Koning Mohammed VI nodigde staf en spelers uit in het koninklijk paleis in Agadir.
In het vliegtuig naar Marokko viel het Ouaddou op dat de meeste van zijn teamgenoten een brief aan het schrijven waren
Eén gebeurtenis uit die periode staat hem nog levendig bij. In het vliegtuig naar Marokko viel het Ouaddou op dat de meeste van zijn teamgenoten, ‘minstens 80 procent van de aanwezigen’, een brief aan het schrijven waren. Hij vroeg wat er aan de hand was en kreeg te horen dat de ontmoeting met de vorst een ideale gelegenheid was om een ‘verzoek’ in te dienen. Hij begreep er niets van. Desgevraagd legde een van zijn medespelers uit dat dit het moment was om het staatshoofd een gunst te vragen: onroerend goed, een licentie voor een taxi- of busbedrijf, een vergunning voor het een of ander, een voordeeltje.
Deed hij mee aan deze bedelactie? ‘Nee!’ klinkt het stellig. ‘Ik had geen douceurtjes nodig. Ik verdiende goed bij mijn club (Stade Rennais) en van de Marokkaanse voetbalbond kon ik een bonus tegemoet zien voor mijn deelname aan de Afrika Cup. Ik vond toen, net als nu, dat er mensen waren die het harder nodig hadden dan ik.’
Bovendien, benadrukt hij, was hij bereid om onbetaald voor Marokko te spelen. ‘De ontmoeting met Zijne Majesteit, die zei erg trots te zijn op de wijze waarop wij het land hadden vertegenwoordigd, was al een grote eer voor mij.’
Belangeloze houding
Deze in Marokko zeldzame belangeloze houding, zijn toewijding aan zijn team en zijn bescheidenheid konden hem in 2021 echter niet behoeden voor een agressieve campagne in de Marokkaanse pers en op sociale media. Hem werd verweten de kandidatuur van [de Algerijn] Kheireddine Zetchi voor hoofd van de Confédération Africaine de Football (CAF, de Afrikaanse voet-balbond) te hebben gesteund, in plaats van die van [zijn landgenoot] Fouzi Lekjaa. Hij werd gesommeerd zijn voorkeur voor de voorzitter van de Algerijnse voetbalbond boven de machtige baas van de Marokkaanse voetbalbond toe te lichten, maar weigerde tekst en uitleg te geven.
En dat om één simpele reden: van Marokkaanse supporters wilde hij kritiek voor deze keuze naar eigen zeggen wel accepteren, maar de wekenlange belastering door een georganiseerde bende die ertoe opriep zijn Marokkaanse paspoort in te trekken en hem zijn Marokkaanse nationaliteit te ontnemen – dat ging hem veel te ver.
Aan deze golven van haat heeft Ouaddou onprettige ‘herinneringen’ over-gehouden. Zo worden er online allerlei berichten gepost en opmerkingen geplaatst, vaak met kwaadaardige beelden en kwetsende woorden: ‘verrader’, ‘buitenlandse agent’, ‘klootzak’ en andere fraaie teksten – als hij al niet wordt vergeleken met een ‘aap’.
‘Ik kon niet bevroeden dat onverdraagzaamheid en boosaardig racisme zo ingebakken, zo virulent zijn in mijn land’
‘Ik verkeer nog steeds in shock. Het is alsof mijn wereld is ingestort,’ klinkt het verbluft. ‘Ik kon niet bevroeden dat onverdraagzaamheid en boosaardig racisme zo ingebakken, zo virulent zijn in mijn land.’ En dan hij heeft nog niet eens gelezen wat er in het Arabisch over hem is geschreven.
Net als zijn ouders is Ouaddou Berbertalig. Het Darija, een mix van Arabisch, Berbers, Frans en Spaans die de lingua franca is van veel Marokkanen, verstaat hij wel maar beheerst hij niet tot in de puntjes. Het Arabisch schrift kan hij al helemaal moeilijk ontcijferen.
Adressenlijst
Om de lawine aan haat tot stilstand te brengen zocht Ouaddou in zijn adressenlijst de namen op van enkele Marokkaanse sportjournalisten, maar geen van hen reageerde. ‘Ze lieten me allemaal barsten. Niemand wilde me vragen stellen of was geïnteresseerd in mijn reactie of mijn kant van de zaak. Het was alsof ik van de ene op de andere dag niet meer voor hen bestond,’ verzucht hij.
De honderden trollen op internet hebben maar één doel: hem vernederen
Op sociale media probeert hij het gesprek aan te gaan met zijn criticasters, ook als ze hem hebben geschoffeerd. Tevergeefs: door het grote aantal tegenstanders ziet hij zich gedwongen de strijd te staken. De honderden trollen, de accounts van Moorish – een racistische en extreemrechtse clandestiene organisatie die zou zijn voort-gekomen uit de Marokkaanse geheime diensten – hebben maar één doel: hem vernederen.
Maar vanwaar dan al dit tumult – vooral als je bedenkt dat de voormalige Algerijnse international Lakhdar Belloumi zichzelf zonder problemen kon uitroepen tot ‘ambassadeur van Marokko’ voor het WK van 2026?
Antwoord: omdat Ouaddou in de zoveelste politieke en diplomatieke crisis tussen Marokko en Algerije beland raakte, over een eeuwigdurend conflict: dat van de Westelijke Sahara. Met deze keer als pikant extraatje het Marokkaanse besluit om de diplomatieke betrekkingen met Israël te normaliseren. Een soeverein besluit van het koninkrijk, dat door het buurland als een bedreiging wordt gezien, wegens – in de woorden van de Algerijnse regering – de ‘installatie’ van Israël voor haar deur.
Nog zo’n onderwerp dat, net als de mensenrechten, zijn pet te boven gaat, maar waarvan hij het belang wel degelijk inziet, gezien het enorme aantal bots onder zijn lasteraars. Het feit dat hij in de pers hevige kritiek te verduren kreeg van voormalige Marokkaanse internationals, bevestigt zijn bange vermoeden dat deze vloedgolf van smaad is georkestreerd.
Deze oud-spelers, met wie hij ooit goed meende te kunnen opschieten, geeft hij lik op stuk. Noureddine Naybet? ‘Welk opleidingsniveau heeft deze meneer en wat doet hij tegenwoordig precies?’ Youssef Chippo? ‘Welke meerwaarde heeft hij gehad voor het Marokkaanse voetbal?’ Mustapha El Haddaoui? ‘Die is al vijftien jaar coach van het nationale beachvoetbalteam en voorzitter van de Marokkaanse Unie van Professionele Voetballers [UMFP]. Op welke resultaten mag hij zich laten voorstaan?’
Wat Mohammed Sahil en anderen betreft: die zegt hij niet te kennen, maar hij neemt aan dat ze verplicht zijn hem aan te vallen om de ontvangen voordeeltjes te rechtvaardigen – dezelfde voordeeltjes die hij weigerde op te strijken na de wedstrijd tegen Tunesië in 2004.
Ontslag
Direct na zijn aankomst in Oujda kreeg Ouaddou te maken met spelers die staakten omdat ze hun loon niet uit-betaald kregen. Pijnlijker nog is dat hij beweert te zijn ‘geïntimideerd’ door de bestuurder van de regio Oriental, Mouaad Jamai, die hem naar verluidt tijdens een door de club georganiseerde lunch verweet dat hij de spelers steunde en ‘de club gijzelde’.
‘De club gijzelen omdat spelers uit hun woning worden gezet vanwege een huurachterstand die ze buiten hun schuld niet meer konden ophoesten?’ vraagt hij ironisch. ‘Sommigen hadden niet eens genoeg te eten,’ zegt Ouaddou, die erop wijst dat ook hij en zijn staf niet werden betaald. Dit wordt bevestigd door de uitgebreide correspondentie tussen zijn Parijse advocaat, Alexis Rutman, en de directie van MCO.
Zijn weigering om de plaatselijke bestuurder en de voorzitter van Mouloudia ter wille te zijn en te aanvaarden dat zijn contract van vier naar één jaar werd teruggebracht, leidde uiteindelijk tot zijn ontslag. Hij verliet de stad met een bittere smaak in zijn mond en nog een laatste leuke ‘herinnering’: een door de chauffeur van de spelersbus uitgelokt handgemeen, waardoor hij vijfentwintig dagen niet kon werken.
‘Waarom steun je de Algerijnen?’ ‘Ben je tegen de Marokkaanse Sahara?’
Steunde Ouaddou daarom Zetchi in plaats van Lekjaa? De oud-international ontkent het ten stelligste. Bovendien, zo rechtvaardigt hij zichzelf, had hij ruim voor zijn aanstelling bij Mouloudia d’Oujda de Marokkaanse bond gevraagd of hij ergens stage mocht lopen om zo een trainersdiploma te kunnen behalen. Diverse keren schreef hij de bond aan, maar zonder resultaat.
Daarop wendde hij zich tot de Algerijnse voetbalbond (FAF), via Djamel Belmadi, de coach van het Algerijnse nationale team. En zie, de deuren van de deze bond zwaaiden wél voor hem open. Dat viel niet goed bij een aantal bobo’s van het Marokkaanse voetbal.
De beschuldigingen op sociale media konden natuurlijk niet uitblijven: ‘Waarom steun je de Algerijnen?’ ‘Ben je tegen de Marokkaanse Sahara?’
Maar, zo bezweert hij, hij wil echt een einde te maken aan deze zaak. Dat hij Zetchi steunde en niet Lekjaa, is niet uit ressentiment of wraak, maar puur uit sportieve overwegingen. Voor hem heeft de Algerijn een project in gedachten, een visie voor het Afrikaanse voetbal die hij volledig onderschrijft. Algerije won in 2019 de Afrika Cup met een nationaal team dat voor 70 procent bestond uit spelers uit de Algerijnse competitie; de Marokkaanse kampioen telde voor 98 procent spelers die in het buitenland actief waren. Van een jeugdopleiding die de kans op toekomstig succes van het Marokkaanse voetbal kon vergroten, was geen sprake.
Verduistering
Daarnaast wijst Ouaddou erop dat Fouzi Lekjaa de secondant was van de Malagassiër Ahmad Ahmad, de voorzitter van de CAF die werd geschorst wegens ‘het aanvaarden en uitdelen van geschenken en andere voordelen’, ‘machtsmisbruik’ en ‘verduistering’. Die veroordeling maakte zijn herverkiezing onmogelijk.
‘Lekjaa heeft veel gedaan voor infrastructuur en stadions in Marokko, maar vergeten wordt dat hij voor Ahmad werkte, die een tekort van 10 miljoen euro in de schatkist van de CAF achterliet. Als we daarbij optellen dat er in Marokko duizend profspelers zijn uit de eerste en tweede divisie die geen sociale zekerheid hebben, dan geeft dat te denken,’ zo stelt een sportjournalist die anoniem wenst te blijven uit angst voor represailles.
En zoals Abdeslam Ouaddou hardop zegt, wekt dit enkel wrevel bij de Marokkaanse voetbalbond.
En verder, zegt hij, terwijl hij zich excuseert omdat hij zijn vliegtuig moet halen: ‘Als Zijne Majesteit of de hoge autoriteiten van mijn land van mening zijn dat ik een verrader ben en dat ik het niet verdien om Marokkaan te zijn, dan ben ik bereid mijn paspoort bij het dichtstbijzijnde consulaat in te leveren’.
De regio Parijs brengt de laatste jaren meer voetbaltalent voort dan Azië, Afrika en Noord-Amerika bij elkaar. Sportjournalist en Financial Times-columnist Simon Kuper legt uit hoe dat komt.
Keuze uit het archief
De deze week overleden Braziliaanse voetballegende Pelé is de enige voetballer ooit die drie WK’s wist te winnen. Voetbalkenners zeggen dat de huidige Franse voetbalster Kylian Mbappé misschien wel de enige voetballer is die dat ook kan bereiken. Hij komt in ieder geval uit de juiste omgeving: de regio Parijs is een haast overstromende vijver aan voetbaltalent. In dit stuk uit 2018 ontdekken we waarom.
Bijna tien jaar geleden noemde [Arsenal-coach] Arsène Wenger de regio Parijs de op een na beste leverancier van voetbaltalent, na het Braziliaanse São Paulo. Maar inmiddels staat de Franse hoofdstad onbetwist aan de top.
Ziehier een paar hedendaagse spelers die in de Parijse regio zijn opgegroeid: Paul Pogba, Anthony Martial, N’Golo Kanté, Kingsley Coman, Blaise Matuidi en Kylian Mbappé, plus drie andere spelers die tot de vaste opstelling van Paris Saint-Germain behoren, de Algerijnse internationals Riyad Mahrez en Yacine Brahimi, en diverse Senegalese en Marokkaanse internationals die tijdens het komende Wereldkampioenschap zullen spelen. In feite brengt Île-de-France waarschijnlijk meer talent voort dan Azië, Afrika en Noord-Amerika bij elkaar. Hoe komt dat?
Dat vraag ik me ook elk weekend af.
Ik woon in Parijs en sta meestal op zaterdagochtend langs de lijn bij voetbalwedstrijden van mijn kinderen. Over het algemeen verlopen die ochtenden volgens een vast patroon: je propt je in iemands auto en rijdt naar een spartaans maar goed onderhouden sportcomplex in de banlieues, de buitenwijken. Mijn favoriete complex, in een banlieue die vroeger communistisch stemde, heet ‘Stade Karl Marx’. Gewoonlijk is het er ijskoud. De velden worden in de regel omringd door sjofele appartementencomplexen. De meeste Parijse banlieues zijn onaantrekkelijk, maar ondanks buitenlandse vooroordelen over deze regio zijn het geen verpauperde, van terroristen vergeven inferno’s. Saai is waarschijnlijk de beste omschrijving.
Terwijl de kinderen zich omkleden, halen de ouders koffie, idealiter bij een lokale bakkerij of in het ergste geval bij een automaat in het clubhuis. Daarna komen er jongens van allerlei tinten uit de kleedkamers gestroomd. Op het hek rond het nieuwerwetse kunstgrasveld hangen vaak borden met ‘Fairplay’, dat in het Frans als één woord wordt geschreven. Tijdens de wedstrijd zie je meestal een aantal behoorlijk indrukwekkende passeerbewegingen. Je moet zelf de score bijhouden want aan het eind worden er geen uitslagen bekendgemaakt, doelbewust beleid van de voetbalbond om kinderwedstrijden niet uit de hand te laten lopen. Na afloop geeft iedereen elkaar een hand. Tegen lunchtijd kun je eindelijk naar huis om te ontdooien.
De mars naar de voetbaltop van Île-de-France is geleidelijk verlopen. De meeste banlieues van de metropool werden in de naoorlogse decennia gebouwd; naarmate er meer mensen kwamen wonen, voornamelijk immigranten, en er meer sportcomplexen werden gebouwd en bemand, werd het plaatselijke voetbal beter.
Aanvankelijk werd het meeste talent hier waarschijnlijk niet gescout. Geen van de spelers in het Franse team dat in 1984 het EK won groeide op in de Parijse regio. In 1998 telde het Franse wereldkampioensteam drie memorabele voortbrengselen van de Parijse banlieues: Thierry Henry, Patrick Vieira en Lilian Thuram. Tegenwoordig levert de regio in de regel meer dan een derde van het Franse team. Ondertussen was 27 procent van de spelers in het Franse eredivisieseizoen 2013-2014 geboren in Île-de-France, tegen 10 procent in 1995-1996, aldus Bastien Drut en Richard Duhautois in hun boek Sciences sociales football club.
Alleen maar voetbal
In 2016 vroeg ik Pogba tijdens een interview in Turijn waarom er zoveel talent is in de Parijse banlieues. Zijn antwoord: ‘Omdat er alleen maar voetbal is. Op school of buiten in de wijk, iedereen voetbalt. En dat helpt mensen om niet niks te doen of stommiteiten uit te halen. Elke dag is er de bal. En verder niks.’
Het extreemste geval is misschien wel Les Ulis, een satellietstad van Parijs die zo geïsoleerd is dat je er niet eens een treinstation vindt. De plaatselijke voetbalclub heeft Henry, Martial en Patrice Evra voortgebracht.
Pogba groeide op met zijn moeder en oudere tweelingbroers in de oostelijke satellietstad Roissy. Naast hun vroegere appartementencomplex is een klein sportveld, met basketbalringen en voetbalgoals. Dat is typerend: in deze dichtbevolkte voorsteden wemelt het op de speelplaatsen van de kinderen die aan hun krappe appartement ontsnappen om een balletje te trappen. Zelfs in het smartphonetijdperk oefenen velen van hen de talloze uren die nodig zijn om de top te bereiken, zonder dat ze worden afgeleid door vakanties of vioolles. Om diezelfde reden brengen Amerikaanse binnensteden basketbalsterren voort.
Veel vaders in de Parijse banlieues wijden hun leven (meestal tevergeefs) aan het opleiden van hun kinderen tot voetbalmiljonairs. Pogba’s vader, een immigrant uit Guinee, trainde zijn drie zoons (die allemaal prof werden) met ballen die hij keihard had opgepompt, omdat hij dacht dat daardoor hun schotkracht zou verbeteren. In het arme Seine-Saint-Denis, ten noordoosten van Parijs, coachte ook de Kameroense vader van Mbappe zijn zoon, zowel thuis als op zijn plaatselijke club AS Bondy. Die combinatie is cruciaal. Zelfs de armste Franse banlieue beschikt over een door de staat gesubsidieerde sportclub met gediplomeerde trainers.
Op een korte wandeling vanaf het vroegere appartementencomplex van Pogba bevindt zich de plaatselijke club, US Roissy. In een naar de grootse naam ‘Bureau Football’ luisterende ruimte hangen getekende shirts van alle drie de broertjes Pogba. Op de enige tribune van het hoofdveld vroeg ik Pogba’s vroegere jeugdtrainer, Sambou Tati (nu voorzitter van de club), of de kleine Paul altijd al prof wilde worden.
‘Alle jongens willen prof worden,’ zei Tati. ‘Het enige probleem was dat hij dribbelde. Dan zei ik: “Nee, Paul, zo verlies je tijd. Als je dat doet ben je geen goede speler.”’ En Tati imiteerde Pogba’s woeste reactie: ‘Waah!’ Maar Pogba leerde ervan, min of meer.
In deze banlieues, misschien wel meer dan waar ook ter wereld, wordt talent verbeterd door een efficiënte, door de staat bevorderde sportstructuur. De beste buurtkinderen promoveren algauw naar het profcircuit. Volgens Jamel Sandjak, voorzitter van de bond van Paris-Île-de-France, is vergeleken met de rest van Frankrijk ‘het gemiddelde niveau hoger in Île-de-France en zijn de jongeren gemotiveerder om prof te worden. De profclubs hebben bijna overal in onze regio scoutingnetwerken.’
Als Mbappe wat minder bedreven was geweest, zou hij waarschijnlijk hebben gespeeld voor het Kameroen van zijn vader, of voor het geboorteland van zijn moeder, Algerije
Zo werd Pogba op zijn dertiende gerekruteerd door de voetbalacademie van Le Havre. ‘Ze hadden hem al lange tijd gevolgd,’ zei Tati. ‘Op de dag dat Le Havre hem contracteerde, wilde Le Mans hem ook hebben, maar ze visten achter het net.’ Op zijn vijftiende vertrok Pogba naar Manchester United.
Tegenwoordig zou hij waarschijnlijk zijn gespot door een beter georganiseerd Paris Saint-Germain, dat ervoor zorgt geen enkel talent in de regio over het hoofd te zien. Maar ook de buitenlandse concurrentie snuffelt inmiddels rond. De allerbeste spelers stromen door naar Clairefontaine, de Franse nationale academie in de bossen ten zuidwesten van Parijs. Dankzij deze infrastructuur groeide Mbappe uit tot een angstaanjagende combinatie: een geboren atleet die de beste coaching ter wereld genoot. Hij dribbelt en scoort, maar hij kan ook passeren en doet zijn werk in de defensie.
Als Mbappe wat minder bedreven was geweest, zou hij waarschijnlijk hebben gespeeld voor het Kameroen van zijn vader, of voor het geboorteland van zijn moeder, Algerije. Veel kinderen van Afrikaanse immigranten die het in Frankrijk niet redden kiezen voor een ander nationaal elftal. Pogba’s tweelingbroers zijn international bij Guinee, terwijl het Algerijnse team, dat zo goed presteerde tijdens het WK van 2014, voor driekwart uit in Frankrijk geboren spelers bestond. Senegal komt deze zomer in Rusland uit met een half dozijn spelers uit Île-de-France.
In 2018 staat de Parijse talentenpoel voor twee grote uitdagingen. Frankrijk, aantoonbaar het getalenteerdste nationale team ter wereld, is van plan het WK te winnen. En Paris Saint-Germain hoopt zijn eerste Champions League te winnen met een team dat veel meer van eigen bodem is dan waarnemers willen geloven.
Ondanks alle ophef rond Neymar maken keeper Alphonse Aréola (24), centrale verdediger Presnel Kimpembe (22), middenvelder Adrien Rabiot (22) en de 18-jarige Mbappe dit seizoen deel uit van de vaste PSG-opstelling – allemaal geboren in of rond Parijs. Als PSG oplettender was geweest, zou het nog een andere plaatselijke speler hebben gestrikt, Kingsley Coman, die op zijn negende naar de PSG-academie ging maar op zijn achttiende door Juventus werd weggepikt. (Een jaar later ging hij naar Bayern München.)
Zelfs zonder hem zou een PSG-overwinning echt een Parijse overwinning zijn, die een licht-aubade door de Eiffeltoren zeker zou verdienen.
In 1998 opgericht als aanvulling op het gelijknamige televisienetwerk dat 24 uur per dag sportgerelateerde programma’s uitzendt. Het blad is eigendom van de Disney-groep en wist een plek op de markt te veroveren naast Sports Illustrated, waarvan wekelijks 3 miljoen exemplaren over de toonbank gaan. De luchtige lay-out en rijk geïllustreerde verhalen wonnen veel prijzen.
Bij de World Eskimo-Indian Olympics in Fairbanks strijden atleten tegen elkaar op onderdelen als de blanket toss, knuckle hop en ear pull. Alle onderdelen zijn gebaseerd op overlevingstechnieken van hun voorouders.
Elke zomer vindt in Fairbanks in Alaska een van de belangrijkste culturele evenementen voor de inheemse bevolking van Alaska plaats: de World Eskimo-Indian Olympics (WEIO). Sinds 1961 komen inheemse atleten op het vierdaagse evenement af, niet alleen vanuit de verste uithoeken van de staat, maar van over de hele wereld. Ze kunnen er deelnemen aan een groot aantal verschillende onderdelen, die allemaal gebaseerd zijn op overlevingstechnieken en culturele praktijken die al generaties lang van groot belang zijn in hun gemeenschappen.
De geschiedenis van WEIO is relatief kort vergeleken met de geschiedenis van de vele inheemse volkeren in Alaska. Juist die grote verscheidenheid aan culturele gemeenschappen, waartoe onder andere de Inuit, Iñupiaq, Yupik en Athabasken behoren, is de reden dat de WEIO ooit zijn opgericht.
In 1961 kwamen Bill English en Tom Richards sr., allebei piloot bij de nu opgeheven luchtvaartmaatschappij Wien Air Alaska, voor hun werk bij een aantal afgelegen gemeenschappen in de staat. Tijdens deze bezoeken aan inheemse volken woonden ze verschillende evenementen bij. Denk hierbij aan dansen, maar ook aan andere fysieke activiteiten, zoals de blanket toss, waarbij je als deelnemer op een strak gespannen deken van huiden staat die soms door wel meer dan dertig mensen wordt vastgehouden, waarna je de lucht in wordt gegooid en moet proberen in evenwicht te blijven en op je voeten te landen. (De traditie is ontstaan bij de Iñupiaq, een inheemse groep uit Noord-Alaska, die de techniek gebruikten om tijdens de jacht voorbij de horizon te kunnen kijken.)
Belang van tradities
Volgens Gina Kalloch, voorzitter van het WEIO-bestuur en een Athabaskische Koyukon, ‘hadden English en Richards oprechte waardering voor wat ze aantroffen. Ze beseften dat het belangrijk was deze activiteiten toegankelijk te maken voor mensen elders in de staat, zodat er meer begrip werd gekweekt voor het belang van de tradities die buiten de grote Alaskaanse steden plaatsvinden.’
Die zomer werden in Fairbanks, met steun van de lokale Kamer van Koophandel en Wien Air Alaska, de eerste WEIO georganiseerd, die toen nog de World Eskimo Olympics werden genoemd. A.E. ‘Bud’ Hagberg en Frank Whaley, beiden werkzaam bij de luchtvaartmaatschappij, worden gezien als de oprichters van WEIO. Wien Air bood aan om vluchten te betalen zodat atleten uit verschillende dorpen konden deelnemen aan een reeks evenementen die grotendeels de nog levende tradities van inheemse culturen weerspiegelen. Er deden uiteindelijk vier Eskimo-dansgroepen en twee Indiaanse dansgroepen mee, plus deelnemers aan de high kick, blanket toss en seal skinning. Bij de opening werd bovendien gestreden om de titel Miss Eskimo Olympics Queen.
‘De ear pull is speciaal ontworpen om het verdragen van pijn op de proef te stellen’
Vandaag de dag trekt het evenement duizenden toeschouwers en honderden atleten. Er vinden ruim twintig atletiekonderdelen plaats, allemaal traditionele spelen die al lang vóór de WEIO bestonden. Bij de zogenaamde knuckle hop staat uithoudingsvermogen centraal: deelnemers huppen vanuit een push-up naar voren en mogen daarbij alleen met hun knokkels en tenen de grond aanraken. De four man carry stelt kracht op de proef, en het vermogen om langere tijd een zware last te dragen, zoals bij het vervoer van vlees na de jacht. De Indian stick pull toetst de vaardigheden die nodig zijn om een vis uit het water te grijpen: twee deelnemers moeten een ingevet stuk hout van een meter lang uit elkaars hand zien te wrikken. Volgens de website van de WEIO draait de beruchte ear pull om ‘stamina’, uithoudingsvermogen. De deelnemers binden ieder hetzelfde stuk pees achter hun oor en trekken er zo hard mogelijk aan. Het doel is om de pees van het oor van de tegenstander af te rukken.
‘De ear pull is speciaal ontworpen om het verdragen van pijn op de proef te stellen,’ zegt Kalloch. ‘Dit onderdeel simuleert de pijn die je voelt bij bevriezing en leert mensen ermee om te gaan. Ik heb het één keer gedaan en doe het nooit meer, maar mijn dochter heeft er een gouden medaille mee gewonnen.’
Kalloch heeft zelf een gouden medaille behaald bij de Alaskan high kick. Hierbij balanceer je als deelnemer op één hand terwijl je met gestrekt been tegen een in de lucht hangend voorwerp, een bal bijvoorbeeld, aan schopt. Ze heeft ook meegedaan aan een aantal krachtonderdelen, zoals de Eskimo stick pull: twee deelnemers trekken zittend aan dezelfde stok, met als doel hun tegenstander omver te trekken. Dat eerste spel is onder de Iñupiaq een populair tijdverdrijf tijdens koude winterdagen. Het tweede onderdeel is gebaseerd op de techniek waarmee men bij de winterjacht een zeehond uit een wak trekt.
Signalen
Volgens Kalloch zijn twee van de populairste onderdelen bij de Spelen de eenvoetige en tweevoetige high kick, waarbij atleten moeten springen en tegen een hangend voorwerp moeten schoppen om vervolgens weer op hun voeten te landen. De oorsprong van deze twee onderdelen, niet te verwarren met de Alaskan high kick, ligt in een communicatievorm die vóór de tijd van walkietalkies en mobiele telefoons door vissersgemeenschappen aan de kust werd gebruikt.
‘De noordelijke gebieden van Alaska zijn heel vlak, je kunt er kilometers ver kijken,’ zegt ze. ‘Tijdens de jacht konden jagers via verschillende soorten schoppen signalen naar het dorp sturen. Zo konden ze laten weten dat er iemand gewond was, of dat de jacht geslaagd was en er meer mensen nodig waren om de vangst te helpen dragen. Ze konden alles zeggen wat je nu via de telefoon of telegraaf kan overdragen.’
‘We kijken uit naar de WEIO, omdat we er met familieleden zijn die we niet vaak zien. Het is net een grote familiereünie’
Amber Applebee, die ook een Athabaskische achtergrond heeft, doet bij de WEIO al jaren mee aan krachtonderdelen als de Eskimo stick pull, de arm pull (waarbij twee zittende deelnemers hun ellebogen om elkaar slaan en hun tegenstander omhoog proberen te trekken) en de greased pole walk (een evenwichtsspel waarbij tegenstanders met blote voeten over een ingevette boomstam lopen). Daarnaast is ze al ruim twintig jaar coach, en ze neemt het vaak op tegen atleten die ze zelf heeft getraind. Omdat de evenementen niet naar leeftijd worden ingedeeld, is het niet ongewoon dat tieners en adolescenten in een nek-aan-nekrace (of oor-aan-oorrace) zijn verwikkeld met iemand van hogere leeftijd. De WEIO maken alleen indelingen op basis van geslacht en deelnemers moeten minstens twaalf jaar oud zijn.
‘Lesgeven is onder inheemse Alaskanen een traditie,’ zegt Applebee. ‘Veel kinderen groeien op met dit evenement en zien hun ouders en grootouders eraan meedoen. We kijken uit naar de WEIO, omdat we er met familieleden zijn die we niet vaak zien. Het is net een grote familiereünie.’
Applebee, wier drie kinderen stuk voor stuk medaillewinnaars zijn, noemt kameraadschap een belangrijk onderdeel van de wedstrijden. Volgens haar is het niet ongewoon dat deelnemers hun rivalen aanmoedigen. ‘Toen mijn dochter dertien was en voor het eerst meedeed, stonden we toevallig tegenover elkaar bij de Indian stick pull,’ zegt Applebee. ‘Ze heeft me er flink van langs gegeven: zij haalde goud en ik zilver.’ Nu, meer dan tien jaar later, is haar dochter jurylid.
‘Het is heel belangrijk voor mij om deze tradities aan nieuwe generaties door te geven,’ zegt ze. ‘Ik wil dat mijn kinderen weten wie we zijn en wat ons volk allemaal deed, en de WEIO zijn de beste manier om ze dat te leren.’
Veranderingen
De WEIO is een van de grootste organisaties in Alaska die deze inheemse tradities voor toekomstige generaties in leven houdt, maar ze is niet de enige. Zo biedt NYO Games Alaska een eigen spelprogramma dat speciaal op jonge atleten is gericht om ze al vroeg bij culturele tradities te betrekken. Beide organisaties bieden inheemse Alaskanen bovendien de mogelijkheid om de tradities van hun voorouders te blijven beoefenen. Dat is vooral belangrijk voor degenen die in stedelijke gebieden wonen, waar ze minder vaak met hun cultureel erfgoed in contact komen.
‘De WEIO worden elk jaar belangrijker, omdat zovelen van ons de band met ons land en onze talen zijn kwijtgeraakt’
‘De WEIO worden elk jaar belangrijker, omdat zovelen van ons de band met ons land en onze talen zijn kwijtgeraakt,’ zegt Kalloch. ‘Door veranderingen in de manier van leven verhuizen mensen naar de stad om werk te zoeken. Op een bepaalde manier is dat vooruitgang, maar voor inheemse mensen gaat met zulke veranderingen ook altijd verlies gepaard. De Spelen geven mensen de kans zich te verbinden met vroegere generaties en te doen wat hun voor-ouders deden. We voelen de noodzaak om zo veel mogelijk te behouden, want het maakt ons tot wie we zijn.’
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.