Cricket, croquet en zelfs tennis behoorden ooit tot de grote zweetvrije Britse sporten, waarbij deelnemers een lange broek, trui en zelfs stropdas droegen. ‘Geen hond wil de verfijnde geur van thee verdrijven met vieze lichaamsluchten in het clubhuis.’
Er was eens een tijd, toen de trofee van Wimbledon bijna exclusief door Britse handen werd vastgehouden, dat je op de baan in Zuidwest-Londen kon winnen met een lange broek. Zelfs met een stropdas, als je ver genoeg teruggaat. Maar in die lang vervlogen dagen was tennis nog een zweetvrije sport.
Nou ja, een paar druppeltjes misschien, maar er vloog beslist minder vocht in het rond dan tegenwoordig, nu zweetbandjes, transpiratie en regelmatig afvegen met de handdoek een onderdeel zijn geworden van een fetisjistische show van pijn en inspanning. Een show die vaak gepaard gaat met verbale ejaculaties van soms nogal alarmerende intensiteit. Ik weet zeker dat ik niet de enige ben die het geluid van Wimbledon zachter moet zetten vanwege het voortdurende gebrul aan de baseline.
Maar zo was het niet altijd. Lang voordat vrouwen hartstochtelijk gingen kreunen, serveerden zij onderhands, gekleed als de weduwen van Downton Abbey, terwijl de mannen – denk aan Fred Perry, drievoudig winnaar in de jaren dertig – zelfs een trui droegen. Het feit dat dit bovendien de periode was dat Groot-Brittannië uitblonk in tennis, is intrigerend.
Geen hond wil de verfijnde geur van thee verdrijven met vieze lichaamsluchten in het clubhuis
Cricket is ook al zo’n geweldige zweetvrije sport: zelfs tot op de dag van vandaag is zweten niet gepast, tenzij je langdurig en intensief aan het bowlen bent. Zweten doe je dus niet, behalve als het echt heel heet is, wat in Groot-Brittannië meestal niet het geval is. Bovendien zit het spel zo in elkaar dat de fysieke inspanning die de spelers moeten leveren slechts zes ballen duurt. Daarna kunnen ze weer gaan luieren op het buitenveld en nadenken over hun volgende Mr Kipling.
Daar zit wat in: geen hond wil de verfijnde geur van thee verdrijven met vieze lichaamsluchten in het clubhuis. Ik weet zeker dat ik eindeloos rustige worpen zou kunnen doen met mijn rechterarm zonder dat er ook maar een enkele zweetklier gaat werken, en volgens mij ben ik niet de enige. Dat hebben we voor een groot deel te danken aan het slechte Engelse weer, want waar ter wereld hebben spelers bij een zomersport een wollen trui nodig die net zoveel weegt als een dwergteckel?
Maar het blijft een feit dat buiten adem raken bij cricket hetzelfde betekent als hevig transpireren op de golfbaan: je lichaam waarschuwt je dat er iets anders is om je druk over te maken dan je slaggemiddelde. Hoog tijd om naar de huisarts te gaan.
Croquet
De nummer 1 van de Britse zweetvrije sporten is croquet, het vriendelijke gezicht van het sadomasochisme uit de Home Counties [de regio Londen / Zuidoost-Engeland]. Bij croquet is het ogenschijnlijk de bedoeling dat je de bal door poortjes krijgt, maar in werkelijkheid gaat het erom dat je je tegenstander vernedert. In veel opzichten is de sport vergelijkbaar met golf, vooral in die zin dat het enige waardoor je transpireert de emotionele druk is en niet zozeer de fysieke inspanning die het kost om een houten hamer of een golfclub te hanteren.
Is het een verrassing dat Engeland bij croquet vaak bovenaan het wereldklassement staat? Op de voet gevolgd door de Schotten en de Welsh?
Uiteraard staan eten en drinken centraal bij alle Engelse sporten. De negentiende hole bij golf – de bar – is minstens zo geliefd bij de meeste spelers als de achttien holes die eraan voorafgaan. In die zin lijken golf en croquet ook op elkaar. Het is geen geheim dat je croquet probleemloos kunt spelen op een verfrissend glas Pimm’s of een gin-tonic.
Net als de andere zuiver zweetvrije sporten vereist croquet nul conditie en is er geen leeftijdsgrens: mijn vader vierde zijn zeventigste verjaardag door alle tegenstanders te verslaan tijdens een rijkelijk besprenkelde croquetmarathon in de sneeuw.
Het heeft meer weg van darts, waar een BMI onder de 30 uitermate verdacht is
Dat brengt ons bij snooker, een andere sport die zo typisch Engels is dat drinken en roken tot voor kort op het hoogste niveau verplicht waren. Het heeft meer weg van darts, waar een BMI onder de 30 uitermate verdacht is: als je een paar trappen op kunt lopen zonder tintelingen in je linkerarm te voelen, heb je je fitnessprogramma duidelijk te serieus genomen. Snooker en darts zijn misschien wel de laatst overgebleven bolwerken van echt zweetvrije topsport.
Niet voor niets zijn deze terreinen van menselijke inspanning ofwel volledig genegeerd door het Internationaal Olympisch Comité, ofwel genoten ze een veel te korte olympische opflakkering. Cricket en croquet waren alleen op de Spelen van 1900 toegelaten (respectievelijk Groot-Brittannië en Frankrijk streken met de eer), terwijl golf in 1900 en 1904 meedeed en pas in 2016 weer een olympische discipline werd. Het schijnt dat ook darts hoopt op een plaatsje bij de Spelen. We zullen zien.
Tot de overige geweldige zweetvrije sporten behoort natuurlijk ook het schieten; een activiteit die zelfs origami fysiek zwaar doet lijken. Je kunt het beoefenen met een stropdas om en een sigaret in je mond (indien toegestaan), zelfs als je lijdt aan morbide obesitas, en dat allemaal zonder dat je hartslag ook maar een tikkie omhooggaat. In dit opzicht is schieten de zweetvrije sport bij uitstek, en dat het nog steeds op het olympisch programma prijkt is beslist een ongewone overwinning voor de zorgeloze schutters. Moge deze nog lang voortduren.
Hoe komt het dat de Britten zich zo aangetrokken voelen tot sporten die nul fysieke inspanning vergen? Zit het misschien in het bloed? Zonder twijfel zit het in ons culturele dna gebakken dat wij ons niet moe maken aan voorbereiding of training vlak voor een wedstrijd. Het hoort niet en we vinden het zelfs iets weg hebben van bedrog. Natuurlijk mag je wel winnen, maar God verhoede dat je daarvoor te hard je best doet. De Engelsman is meer onder de indruk van behendigheid.
Dus de volgende keer dat het plaatselijke cricketteam je vraagt om te batten, of als de dominee je uitnodigt voor een potje croquet, doe dan enthousiast mee, maar breng jezelf niet in verlegenheid door je al te veel in te spannen. En vergeet niet een dikke trui mee te nemen.
Voetbaltoernooien zijn een manier om het aanhoudende oorlogsgeweld in Jemen even te kunnen vergeten. Bovendien versterken de patriottische liederen van het publiek de hoop op een vreedzame toekomst voor iedereen.
Keuze uit het archief
Te midden van de oorlog en de humanitaire crisis die in Jemen woeden en die deze week weer zijn opgelaaid na de Amerikaans-Britse aanval op de Houthi’s, is er één ding waar de Jemenieten troost en voldoening uit halen: voetbal. De teamsport zorgt ervoor dat de bevolking de oorlog, die al sinds 2014 gaande is, even kan vergeten en brengt mensen uit heel het land bij elkaar, zoals deze reportage van Al Jazeera uit 2022 laat zien. ‘Ons leven is door oorlog verwoest, maar de liefde voor voetbal en het spelen op straat zijn gebleven,’ aldus een van de voetballers.
De gewelddadige strijd in Jemen heeft al aan ruim 370.000 mensen het leven gekost. De liefde voor voetbal die veel Jemenieten koesteren helpt hen het hoofd te bieden aan de verwoestingen, het geweld en de humanitaire crisis die hun land teisteren.
Officieuze voetbaltoernooien in dorpen en steden brengen Jemenitische jongens en mannen samen en bieden hun een schijn van een normaal bestaan. Op geïmproviseerde voetbalvelden van zand en steen tonen amateurspelers hun vaardigheden aan een juichend publiek dat vaak van heinde en verre is toegestroomd. Stoeltjes zijn er niet. De toeschouwers – van achthonderd tot vijftienhonderd man – moedigen hun helden de hele wedstrijd staand aan met spreekkoren en gezang.
Zoals aan veel aspecten van het openbare leven in Jemen kwam er ook een abrupt einde aan officiële voetbalcompetities, nadat de oorlog in 2014 was uitgebroken.
In het politieke vacuüm dat volgde op het aftreden van Ali Abdullah Saleh, de man die vele jaren president van het land was geweest, probeerde de door Iran gesteunde Houthi-groepering de macht in Jemen te grijpen. De Houthi’s veroverden de hoofdstad Sana’a en verdreven de door de Verenigde Naties erkende regering en haar president Abd-Rabbu Mansour Hadi, die de steun genoot van Saoedi-Arabië en andere regionale spelers.
Voor 5 miljoen mensen dreigt hongersnood en meer dan 1 miljoen mensen hebben cholera opgelopen
Meer dan de helft van de 370.000 doden is omgekomen door honger, gebrek aan gezondheidszorg en onveilig water, die weer het gevolg zijn van een zwaar beschadigde infrastructuur. Bijna 25 miljoen Jemenieten hebben nog steeds hulp nodig, voor 5 miljoen dreigt hongersnood, en meer dan 1 miljoen mensen hebben cholera opgelopen.
In deze erbarmelijke omstandigheden zoeken veel Jemenieten hun toevlucht tot voetbal, niet alleen in de vorm van officieuze toernooien, maar ook straatvoetbal.
Sportieve infrastructuur
Volgens Sami al-Handhali, voetbalcommentator en voormalig speler van Al-Ahly Taiz, is de sportieve infrastructuur vermorzeld. Stadions en sportcentra waren het doelwit van aanvallen of werden omgebouwd tot militaire bases. Hoewel de officiële voetbalcompetities in september vorig jaar werden hervat, blijft de financiering van sportclubs en sporters schamel, zegt hij.
‘Door eigen evenementen te organiseren op geïmproviseerde voetbalvelden hebben Jemenieten het enthousiasme voor het voetbal nieuw leven ingeblazen,’ aldus Al-Handhali tegen Al Jazeera. ‘Zo kunnen ze hun benarde situatie weer een beetje aan. Mooi is ook dat er op deze manier nieuwe talenten zijn ontdekt, door zowel clubs als door het nationale team. Bovendien voorkom je op deze manier dat jonge mannen in het oorlogsgeweld verwikkeld raken, omdat de banden tussen spelers en publiek van allerlei regio’s en stammen zo worden aangehaald.’
Het publiek zingt vaak patriottische liederen en roept op tot een verenigd en vreedzaam thuisland voor iedereen
De wedstrijden versterken niet alleen de verbondenheid met een dorp of provincie, maar komen ook gevoelens van nationale eenheid ten goede, ondanks de jarenlange verdeeldheid, met twee rivaliserende regeringen. Het publiek zingt vaak patriottische liederen en roept op tot een verenigd en vreedzaam thuisland voor iedereen.
Voor Ramzy Mosa’d (25) zijn de voetbaltoernooien een kans om contact te maken met landgenoten op een manier die hij niet gewend is. Hij behoort tot de Muhamasheen, een gemarginaliseerde bevolkingsgroep van Afrikaanse afkomst. Het is voor hem moeilijk te ontsnappen aan de sloppenwijken van Jibla, een plaatsje in het zuidwesten van Jemen, vlak bij de stad Ibb. Hier wonen de Muhamasheen, afgezonderd van andere Jemenieten, opeengepakt in onderkomens van riet of karton. Basisvoorzieningen als gezondheidszorg, schoon water, sanitair en ononderbroken stroom zijn er niet.
Vandaar dat de uitnodiging aan het Muhamasheen-voetbalteam ‘Elnaseem’ om deel te nemen aan een toernooi in het district Assayani en te spelen tegen andere teams uit de regio Ibb ‘ons hart verwarmde’, zegt Mosa’d. ‘Dat de bevolking van Assayani naar onze wedstrijden kwam kijken, was van onschatbare waarde. We waren overweldigd en zielsgelukkig toen de menigte ons toejuichte alsof we zonen van de streek waren.’ Als klap op de vuurpijl won zijn team het toernooi.
Als gevolg van een eeuwenoude sociale hiërarchie waarin de Muhamasheen helemaal onderaan staan wordt deze bevolkingsgroep uit de samenleving geweerd. Juist daarom werd de uitnodiging om deel te nemen aan het toernooi zo enorm gewaardeerd. ‘We wilden anderen laten zien dat wij ook talentvolle voetballers hebben en dat we graag deel van de samenleving willen worden.’
Dit specifieke toernooi vindt sinds 2017 elke winter plaats in de regio waar de Houthi’s het voor het zeggen hebben, vertelt Motee’ Dammaj, een van de organisatoren en financiers van het toernooi in Assayani. Er worden uitnodigingen verstuurd naar liefst zestien teams uit dorpen in Assayani en Jibla. ‘We willen dergelijke evenementen organiseren omdat de liefde van de Jemenieten voor de sport ons welbekend is,’ zegt Dammaj, ‘en om veel Jemenieten die door de oorlog zijn getroffen nieuwe levenskracht te geven en de sociale banden tussen hen te versterken.’
De situatie in het land maakt deelname echter niet altijd voor iedereen mogelijk, zegt Dammaj. ‘Elk jaar is er veel publiek, doen veel spelers mee, de stemming zit er altijd goed in. Door het acute brandstoftekort is het voor velen moeilijk om naar het toernooi te komen, maar toch lukte het acht teams om mee te doen.’ Hij is vooral blij met de deelname van de Muhamasheen. ‘Het is belangrijk om de spiraal van discriminatie te doorbreken waarmee deze minderheid al jaren wordt geconfronteerd’.
In 2017 ontvluchtte Hamza Mahrous, toen dertien jaar, samen met honderdduizenden anderen de havenstad Hodeida aan de Rode Zee vanwege het escalerende geweld. Hij vestigde zich met zijn familie in Taiz, dat ook niet voor geweld gespaard bleef en sinds 2015 zucht onder een blokkade door de Houthi’s.
Al op jonge leeftijd ontwikkelde Mahrous, die afkomstig is van het Jemenitische platteland, een grote liefde voor voetbal. Hij sleepte diverse onderscheidingen in de wacht, als spits in zijn schoolteam en voor een lokale club. In Taiz draafde hij op in officieuze toernooien die werden gespeeld in de door oorlog verwoeste straten van de wijk Al-Masbah, waar hij woonde. Hij werd al snel ontdekt door lokale teams, waaronder Talee’ Taiz en Ahly Taiz. In 2019 werd hij opgemerkt door een groep scouts die op zoek waren naar spelers voor het nationale elftal. Hij kreeg een uitnodiging om zich bij de selectie onder 15 te voegen.
Sommigen schoten van pure blijdschap hun wapens leeg in de lucht
‘Ik had nooit durven dromen dat ik nog eens voor het nationale team zou spelen, gezien de zware tijden die we hebben gehad na onze vlucht,’ vertelt Mahrous. ‘Maar door vol te houden en te oefenen, op straat en op voetbalvelden, en dankzij de steun van mijn ouders, is het gelukt.’
In december 2021 gaven Mahrous en zijn medespelers hun landgenoten een zeldzame reden om te gloeien van nationale trots: ze wonnen het West-Aziatisch kampioenschap voor junioren door Saoedi-Arabië in de finale na strafschoppen te verslaan. De Jemenieten vierden feest in de straten, waar trots en eensgezindheid heersten. Sommigen schoten van pure blijdschap hun wapens leeg in de lucht.
‘Ik merkte dat ik had bijgedragen aan een gevoel van geluk waar miljoenen Jemenieten zo naar verlangden en dat ze zo nodig hadden. Dat kon alleen door voetbal – een sport waar iedereen van houdt,’ zegt Mahrous.
Stilstand
Saad Murad (30) vertelt dat hij door de oorlog zijn voetbalcarrière niet heeft kunnen voortzetten. Na ruim tien jaar, waarin hij zich had opgewerkt van schooltoernooien in zijn thuisstad Damt tot speler op het hoogste niveau bij de club Dhu Reidan, leek hij klaar voor het nationale team. Maar toen de competitie en alle officiële sportactiviteiten werden opgeschort, kwam Murads carrière tot stilstand. Alleen de officieuze toernooien die ‘s winters plaatsvinden herinneren hem aan zijn vroegere voetballeven.
‘Deze lokale toernooien bieden troost en geven me een manier om mijn verloren dromen te accepteren,’ zegt Murad, die geen baan kan vinden door de erbarmelijke economische situatie in het land.
Met de deelname van tweeëndertig officiële voetbalclubs en spelers van het nationale team was het toernooi dat afgelopen winter in Damt werd gehouden een van de grootste voetbalevenementen in het land in zeven jaar. Volgens Moammar al-Hajri, lid van het organisatiecomité in Damt, vindt dit toernooi sinds 2018 jaarlijks plaats dankzij onafhankelijke financiering en donaties en door steun van zakenlieden, bedrijven en Jemenieten in het buitenland.
‘Het winnende team won dit jaar ongeveer 500.000 Jemenitische riyal [bijna 2000 euro] aan prijzengeld, en de verliezend finalisten ontvingen 300.000 Jemenitische riyal [bijna 1200 euro],’ zegt Al-Hajri. Dat zijn grote bedragen in een land waar de lokale munt forse devaluaties heeft ondergaan als gevolg van de oorlog. Banen zijn verloren gegaan, salarissen worden niet uitbetaald, miljoenen mensen houden met moeite het hoofd boven water. En tot overmaat van ramp heeft een brandstoftekort de inflatie opgedreven.
‘Ons leven is door oorlog verwoest, maar de liefde voor voetbal en het spelen op straat zijn gebleven’
Mahioub al-Marisi, een vijftigjarige ambtenaar die dit jaar met zijn kinderen de meeste wedstrijden van het toernooi bijwoonde, stond versteld van het grote aantal bezoekers uit verre streken, die vaak te voet waren gekomen. ‘De velden waren zanderig, maar dat kon het enthousiaste publiek niet deren,’ zegt hij. ‘De mensen stonden tot op de rand van boerengebied om een glimp op te vangen van de wedstrijden, zo blij waren ze dat ze erbij konden zijn. Het heeft het moreel van de Jemenieten voor een deel hersteld.’
Buiten deze toernooien gaat de 22-jarige Jameel Nasher bijna dagelijks naar een veldje in de buurt van zijn huis aan de weg naar Taiz in Ibb, waar hij ‘s middags andere liefhebbers ontmoet om tot ’s avonds laat te voetballen. Hij is groot fan van Mohamed Salah en draagt het Liverpool-shirt met nummer 11 van de Egyptenaar.
Nasher heeft een team van acht spelers samengesteld. Op het veld is er een bonte verzameling kleuren, elke speler draagt een shirt van de club waar hij fan van is. ‘Ons leven is door oorlog verwoest, maar de liefde voor voetbal en het spelen op straat zijn gebleven,’ zegt hij. ‘We zijn opgegroeid met voetbal, en het is een geruststellend idee dat dat ons niet is afgenomen.’
Het Americanfootballteam van de California School for the Deaf in Riverside walst over zijn (horende) tegenstanders heen. De ongeslagen Cubs brengen vreugde op een school die al heel wat sportieve nederlagen te verduren heeft gehad.
De sportteams van de California School for the Deaf in Riverside hebben in de loop der jaren al heel wat vernederingen en pesterijen moeten slikken. Zoals toen de coach van een bezoekend volleybalteam de spot dreef met de dove spelers. En de keer dat de horende coach van het meisjesbasketbalteam tegenstanders hoorde zeggen hoe gênant het zou zijn om te verliezen van een doof team. Ook weinig bevorderlijk voor het moreel was het feit dat de Cubs, het Americanfootballteam van de school, in het recente verleden zeven seizoenen op rij wedstrijd na wedstrijd verloren, zodat tegenstanders die de campus in Riverside bezochten er al van tevoren van uitgingen dat het een makkie zou worden.
Maar nu doet niemand meer geringschattend over de Cubs. Ze zijn dit seizoen ongeslagen en bezetten de eerste plaats in hun Zuid-Californische divisie. Elf wedstrijden lang hebben ze hun tegenstanders niet alleen verslagen, maar compleet platgewalst. In de tweede ronde van de play-offs, afgelopen november, straften de Cubs de Desert Christian Knights af met 84-12, een uitslag die nog meer uit balans zou zijn geweest als de Cubs niet uit medelijden de hele tweede helft uitsluitend spelers van het tweede garnituur hadden opgesteld.
Een razendsnel en efficiënt systeem van gecodeerde handgebaren die spelers en coaches met elkaar uitwisselen, brengt tegenstanders in verwarring
Onder leiding van de potige en bruisende Keith Adams, de dove docent lichamelijke opvoeding van de school, wiens twee dove zoons ook deel uitmaken van het team, zijn de Cubs een snel en sterk team geworden. Wide receivers schieten op voeten met vleugels langs verdedigers met een gemiddelde van zeventien meter per catch. De quarterback heeft een dubbelrol als de belangrijkste rusher van het team, met 22 touchdowns in één seizoen. Een razendsnel en efficiënt systeem van gecodeerde handgebaren die spelers en coaches met elkaar uitwisselen, brengt tegenstanders in verwarring.
Domineren
Na de winst op die vrijdagavond in november waren de Cubs nog twee wedstrijden verwijderd van het divisiekampioenschap, wat een primeur in de achtenzestigjarige geschiedenis van de school zou zijn. Maar coaches en spelers voelden zich nu al winnaars. ‘Soms kan ik nog steeds niet geloven hoe goed we dit jaar hebben gespeeld,’ zei coach Adams na de wedstrijd. ‘Ik wist dat we goed waren, maar dat we in elk spel zouden domineren had ik nooit durven dromen.’
In dit deel van Californië, dat ernstig is getroffen door de pandemie, resulterend in een hoge werkloosheid en meer dan vijfduizend doden, hebben de uitstekende resultaten van de Cubs de school en de omringende gemeenschap een hart onder de riem gestoken.
Bij American football spelen geluiden een belangrijke rol: het tegen elkaar knallen van helmen, het geknars van een tackle, de schreeuwende teamgenoten langs de zijlijn en het goedkeurende gebrul van de toeschouwers. De vrijdagavondwedstrijden in Riverside zijn niet doodstil, maar evenmin lawaaierig. De generators die de lampen voeden snorren en her en der reageert het publiek met applaus. Maar er is geen commentator die via luidsprekers de namen van spelers noemt na een touchdownpass of een genadeloze tackle.
Een door de school ingehuurde doventolk fungeert als tussenpersoon tussen het coachteam van de Cubs en de scheidsrechters
Er wappert wel een Amerikaanse vlag bij het veld, maar voorafgaand aan de wedstrijd wordt er geen volkslied gezongen. Een door de school ingehuurde doventolk fungeert als tussenpersoon tussen het coachteam van de Cubs en de scheidsrechters. Voor de wedstrijd van afgelopen november herinnerde de doventolk de scheidsrechters eraan dat ze ook met hun handen moesten zwaaien als ze op hun fluitje bliezen om het spel stil te leggen. Volgens het coachteam heeft het succes van de Cubs de aloude opvatting weerlegd dat doofheid een belemmering is bij American football.
Conditieverbetering
Keith Adams, die het team in 2005 en 2006 ook al leidde en vier jaar geleden aan zijn tweede periode begon, schrijft de ommekeer toe aan een rigoureuze conditieverbetering en een uitzonderlijk getalenteerd stel spelers, van wie sommigen jarenlang hebben samengespeeld op een lager niveau. Hij hangt ook de filosofie aan dat elk nadeel een voordeel kan hebben. Veel teams proberen onderling te communiceren door middel van handgebaren, maar tegen de razendsnelle gebarentaal van de Cubs kunnen ze niet op. Er wordt geen tijd verspild met naar de zijlijn rennen om door de coaches te worden geïnstrueerd. Tussentijdse tactiekbesprekingen, de zogenaamde huddles, zijn niet nodig.
Ook hebben dove spelers volgens de coaches een beter ontwikkeld gezichtsvermogen, waardoor ze alerter zijn op beweging. En omdat ze zo visueel zijn ingesteld, zijn dove spelers zich scherper bewust van de posities die hun tegenstanders in het veld innemen.
Na de nederlaag op die vrijdagavond in november zei Aaron Williams, de coach van de Desert Christian Knights, dat toekomstige tegenstanders van de California School for the Deaf in Riverside gewaarschuwd waren. ‘Ik zou maar niet te gauw denken dat je in het voordeel bent,’ zei hij. ‘Ze communiceren onderling beter dan alle andere teams waar ik tegen heb gecoacht.’
Eenzaamheid
Voor spelers, ouders en coaches is het succes van het footballteam meer dan alleen een sportieve triomf. Velen beschrijven het als een teken dat dove spelers op hun best kunnen zijn in een omgeving met alleen maar doven. Delia Gonzales, de moeder van Felix, een van de wide receivers van het team, stond die vrijdag te stralen aan de zijlijn toen haar zoon twee touchdowns scoorde. Ze vertelde dat Felix al op zijn tiende smeekte of hij op American football mocht, maar wanhopig werd toen hij alleen maar werd omringd door horende spelers die hij niet kon verstaan. ‘De coach praatte alleen maar tegen hem,’ zei mevrouw Gonzales. ‘Hij kwam huilend thuis.’
Docenten en ouders vertellen hoe leerlingen opbloeiden met alleen doven om zich heen
Veel spelers en stafleden gebruiken het woord ‘eenzaamheid’ om te beschrijven hoe ze zich voelden in een ‘gewone’ omgeving: omringd door mensen en toch geïsoleerd. En docenten en ouders vertellen hoe leerlingen opbloeiden met alleen doven om zich heen. ‘Dit heeft zijn leven absoluut veranderd,’ zei mevrouw Gonzales over haar zoon. ‘Nu is hij een van de sterren.’
Omdat hun highschool maar 168 leerlingen telt, spelen de Cubs in een competitie voor teams met acht spelers [in plaats van de gebruikelijke elf], die voornamelijk is bedoeld voor kleinere plattelands- of privéscholen. Andere scholen in Zuid-Californië met een team van acht spelers zijn de prestigieuze Cate School en Thacher School. Er is maar één andere highschool voor doven in de staat, maar die speelt niet in dezelfde divisie.
Door hun reeks overwinningen beginnen de Cubs op te vallen. Spelers en coaches werden voorafgaand aan de NFL-wedstrijd tussen de Los Angeles Charters en de Minnesota Vikings al op een groot beeldscherm voorgesteld aan een stampvol, uitzinnig juichend stadion.
Winnen
De school is de enige openbare dovenschool in de zuidelijke helft van Californië, met een 25 hectare grote campus die ooit werd omringd door sinaasappelbomen, maar nu ligt ingeklemd tussen winkelpromenades, snelwegen en fastfoodrestaurants. Het succes van het footballteam heeft de campus nieuwe energie gegeven en de wedstrijden zijn aanleiding voor menige geïmproviseerde reünie van oud-leerlingen. Een van de aanwezigen op die vrijdagavond in november was Patricia Davis, een van de eerste 56 leerlingen toen de school in 1953 opende. ‘Dit heeft lang geduurd,’ zei ze. ‘We zijn zo lang het verliezende team geweest. Ik ben helemaal opgewonden.’
Met een onverhard pad rond het veld, stukken tribune die eruitzien alsof ze uit een gesloopt stadium zijn gered, een wazig scorebord en een hobbelige grasmat heeft de school alles in huis voor een team van underdogs. Het veld wordt vaag verlicht door draagbare schijnwerpers, elk met zijn eigen walmende generator van het soort dat wegwerkers gebruiken als er ’s nachts een snelweg moet worden gerepareerd.
Dankzij de overwinningen zijn die omstandigheden dit seizoen beter te verdragen. Voordat de wedstrijd die vrijdagavond begon, luisterden de spelers op banken in hun kleedkamer naar de peptalk van hun coaches. ‘Jullie hoeven maar één ding te doen, en dat is winnen,’ prentte assistent-coach Esau Zornoza de spelers in gebarentaal in. Gekleed in hun kardinaalrode tenues stelden de 21 spelers zich op bij de deur en sloegen tegen de muren van de gang terwijl ze achter elkaar de warme Zuid-Californische avond in liepen.
Broederschap
Trevin Adams, de quarterback van de Cubs met zijn lange bruine haar, zei dat het spelen met dove teamgenoten bevrijdend werkt en voor de juiste chemie heeft gezorgd om het team te laten winnen. ‘We kunnen onszelf volledig uitdrukken,’ zei hij. ‘We kunnen leiders zijn. We kunnen assertief zijn.’ Toen hij jonger was, speelde Trevin, een zoon van coach Keith Adams, in een competitie met horende spelers. ‘Dat voelde alleen maar als een team,’ zei hij. ‘Dit voelt meer als een broederschap.’
Neurobioloog Peter Strick geloofde nooit in yoga en pilates. Tot hij ontdekte dat niet alleen je hersenen, maar ook je spieren invloed hebben op stressreacties.
Keuze uit ons archief
Door corona is er een grotere aandacht voor het immuunsysteem gekomen, maar ook voor psychische klachten die kunnen ontstaan door de onzekerheid, eenzaamheid en thuiswerkstress of -verveling. Neurobioloog Peter Strick deed onderzoek naar hoe je je lichaam en geest weerbaarder kunt maken.
Dit artikel verscheen eerder in nummer 107, oktober 2016
Toptennissers hebben het unieke vermogen om na een gemaakte fout hun hoofd weer leeg te maken. Ze zetten het van zich af en spelen met frisse moed verder voor het volgende punt. Ze kunnen het zich niet veroorloven om lang bij fouten stil te staan.
Peter Strick is geen proftennisser. Deze vooraanstaande hoogleraar, hoofd van de vakgroep Neurobiologie aan het herseninstituut van de Universiteit van Pittsburgh, is zo’n man die bij elk foutje stilstaat, hoe klein het ook is. ‘Mijn kinderen zeiden: papa, ga toch pilates doen. Ga aan yoga doen,’ zegt hij. ‘Maar dan zei ik: ik zie geen wetenschappelijk bewijs dat ik daar baat bij zou hebben.’
Wel heeft deze onverbeterlijke scepticus zich aangeleerd om bij stress te kiezen voor de tennisaanpak: jezelf dwingen om stug door te gaan. Er zijn natuurlijk aanwijzingen dat yoga goed is voor je gezondheid, maar geen bewijzen van het soort dat Strick overtuigt.
Hiërarchisch beeld
Onderzoek wijst wel op een correlatie, maar hij wil een fysiologische verklaring van het mechanisme dat erachter zit. Hij heeft niet genoeg aan de vage suggestie dat yoga ‘stress vermindert’. Want hoe werkt dat dan? Doordat het je gedachten verzet?
De stressreactie wordt bij mensen opgewekt door de bijnieren. Die pompen adrenaline in ons bloed als het tijd is voor een vecht-of-vluchtreactie. In gevaarlijke omstandigheden kan zo’n stressreactie onmisbaar zijn, maar in het moderne leven, en zeker in academische kringen, hebben we er zelden behoefte aan. Meestal vormen onze lichamelijke stressreacties een soort achtergrondruis die ons continu gespannen houdt. Pas als we die ruis uitschakelen, kunnen we ontspannen.
Als onze stressreactie alleen door gebieden in de hersenschors wordt gereguleerd, hoe kan het bewegen van lichaamsdelen dan bijdragen aan het verlagen van stress?
Lange tijd ging men ervan uit dat de bijnieren werden aangestuurd via enkele zenuwbanen vanuit de hersenen. ‘Mensen zeiden dat er een of misschien twee gebieden in de hersenschors waren die het bijniermerg aanstuurden,’ zegt Strick. Volgens Randy Bruno, universitair hoofddocent Neurowetenschappen aan de Columbia-universiteit, ‘hebben mensen vaak een heel hiërarchisch beeld van de hersenschors’, namelijk dat zintuiglijke waarnemingen van het ene deel van de hersenen worden doorgegeven aan het volgende, en dan weer aan het volgende en het volgende, enzovoort. Eén lange hiërarchische keten, tot het signaal uiteindelijk in de frontale kwab belandt, die vervolgens een motorische reactie opwekt. En als onze stressreactie alleen door deze gebieden in de hersenschors wordt gereguleerd – de gebieden waar ons hoger functioneren plaatsvindt, waar onze overtuigingen en existentieel zelfbesef zetelen – hoe kan het bewegen van lichaamsdelen dan bijdragen aan het verlagen van stress?
Strick lijkt zijn eigen probleem te hebben opgelost. In het wetenschappelijk tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences legt hij uit dat hij nog een heel ander uitgebreid netwerk in de hersenschors heeft gevonden dat het bijniermerg aanstuurt. De verbindingen tussen de hersenen en het bijniermerg lijken veel uitgebreider te zijn dan altijd werd aangenomen. Complexe netwerken in de primaire somatosensibele en motorische schors hebben rechtstreeks invloed op onze stressreacties. Die ontdekking veranderde zijn beeld van de relatie tussen lichaamsbeweging en gezondheid. Dus begon Strick toch maar met pilates.
‘Dit lijkt erop te wijzen dat dit proces veel decentraler is,’ zegt Randy Bruno over Stricks onderzoek, waaraan hij zelf niet heeft meegewerkt. ‘Er liggen allerlei verschillende circuits over elkaar heen, en die sturen allemaal informatie naar onze oudste en primitiefste reactiesystemen. Dit onderzoek toont echt aan dat stressreacties niet alleen door de traditionele hogere, cognitieve hersengebieden worden aangestuurd. Dat lijkt me heel belangrijk.’
Om te begrijpen wat de implicaties zijn van dit nieuwe ‘connectoom’ (zoals nieuwe neurale verbindingen in de hersenen tegenwoordig vaak worden genoemd), moet je weten hoe dit nieuwe netwerk in kaart is gebracht.
Hondsdolheid
In de juiste handen kan hondsdolheid echt een uitkomst zijn. Als je rabiës in een orgaan injecteert, zullen de zenuwen van dat orgaan het virus verder het centraal zenuwstelsel in voeren. Onderweg kaapt dat virus het replicatiemechanisme van de zenuwen in het cellichaam en de dendrieten om zichzelf te vermenigvuldigen en via de synapsen over te springen naar andere zenuwcellen. Door bij te houden hoe het virus zich verspreidt, kunnen wetenschappers de neurale verbindingen tussen het geïnjecteerde orgaan en de hersenen met ongekende precisie in kaart brengen. Voor dit onderzoek heeft het team van Strick rabiës geïnjecteerd in de bijnieren van apen.
Het verloop van rabiës is heel voorspelbaar. Elke acht à tien uur repliceert het zichzelf, zodat het zich vrij snel door het zenuwstelsel kan verspreiden en zo een netwerk blootlegt. De onderzoekers wachtten dus tot het virus de hersenen bereikte en lieten de apen dan inslapen voordat ze symptomen van de besmetting gingen vertonen.
‘Bij iemand die aan herpes is overleden, zijn de temporale kwabben één grote soep,’ legt Strick uit. In vergelijking daarmee zien de hersenen van iemand die aan rabiës is overleden er redelijk normaal uit. Het is nog steeds een open vraag hoe rabiës ons zenuwstelsel precies uitschakelt. Het kan een tijdje in een zenuwcel zitten zonder kwaad te doen – daardoor kan rabiës zich in een populatie verspreiden. Dat betekent dus, benadrukt Strick, dat de apen niet hebben geleden.
‘Bij iemand die depressief of gestrest is, zie je een andere lichaamshouding. Als je met een rechte rug staat, heeft dat invloed op hoe je jezelf presenteert en hoe je je voelt’
Als het virus de tijd heeft gehad om een bepaalde, goed voorspelbare afstand af te leggen, brengen de onderzoekers het dier onder narcose en laten het leegbloeden. Dan fixeren ze het zenuwstelsel en kijken met behulp van antilichamen hoe het virus zich verspreid heeft. Door apen op verschillende momenten te laten inslapen, konden ze de verspreiding van het virus in kaart brengen. Zodra het virus enkele synapsen is gepasseerd, levert dat enorm veel werk op: het aantal aangetaste zenuwcellen stijgt dan exponentieel. Maar toen dat werk eenmaal was voltooid, wisten de onderzoekers niet wat ze zagen.
De bijnieren bleken in verbinding te staan met de motorische gebieden in de hersenen. In de primaire motorische schors bevindt zich een afspiegeling van het hele lichaam: er zijn gebieden die corresponderen met het gezicht, de armen en benen, en ook een gebied dat de axiale spieren aanstuurt (de ‘core’, in fitnessjargon). Stricks onderzoeksteam had helemaal niet gedacht dat de primaire motorische schors het bijniermerg aanstuurde. Maar er blijken daar een heleboel zenuwcellen te zitten die dat wel doen. En die bevinden zich vooral in het gedeelte van de schors dat correspondeert met de axiale spieren.
‘De aansturing van de axiale spieren heeft op een of andere wijze invloed op stressreacties,’ redeneert Strick. ‘Er waren al veel aanwijzingen dat het versterken van die spieren invloed heeft op het stressniveau. En bij iemand die depressief of gestrest is, zie je een andere lichaamshouding. Als je met een rechte rug staat, heeft dat invloed op hoe je jezelf presenteert en hoe je je voelt. En nu blijken de spieren van de romp dus invloed te hebben op stress. Als je die spieren op een verkeerde wijze stimuleert, door een slechte houding, denk ik daarom dat het ook invloed op het stressniveau heeft.’
‘Die zenuwbanen kunnen een verklaring bieden voor ons intuïtieve gevoel dat je stress op veel verschillende manieren kunt bestrijden,’ zegt Bruno. ‘Ik vind de voorbeelden in hun artikel heel aansprekend, het idee dat yoga en pilates misschien daarom zo effectief zijn. Maar er zijn nog allerlei andere methoden waarmee mensen stress bestrijden, bijvoorbeeld met behulp van verbeeldingskracht. Dat er zo veel zenuwbanen direct verbonden zijn met het systeem dat stressreacties aanstuurt, dat is heel interessant.’
Strick heeft vooral gekeken naar lichaamsbeweging, Bruno is meer gespecialiseerd in de zintuigen. Hij kijkt dus vooral naar de resultaten die betrekking hebben op de primaire somatosensibele schors. Sommige van die hersengebieden, waar de signalen van onze tastzintuigen worden verwerkt, lijken al evenzeer met de bijnieren te communiceren. ‘Dat is ook heel nieuw en heel interessant voor mij,’ zegt Bruno. ‘Dat kan helpen verklaren waarom we bepaalde gewaarwordingen ontspannend of juist stressvol vinden.’ Ik moest meteen denken aan lekker op je rug gekrabd worden, of dat rustgevende gevoel als je je hand in een berg verse pasta steekt.
‘Als ik dit soort resultaten zie, denk ik: Hm, misschien zijn deze gebieden complexer dan we dachten’
Doordat de primaire somatosensorische en motorische gebieden in de hersenen zo’n grote rol lijken te spelen in onze innerlijke toestand, begint Bruno vraagtekens te plaatsen bij de gangbare opvatting over de aard van deze hersengebieden. ‘Door deze onderzoeksresultaten en die van mezelf begin ik te betwijfelen of dat wat wij de motorische schors noemen ook echt de motorische schors is,’ zegt hij.
‘Misschien vervult de primaire somatosensibele schors wel veel meer functies dan we altijd dachten. Als ik dit soort resultaten zie, denk ik: Hm, misschien zijn deze gebieden complexer dan we dachten.’
Psychosomatisch
En dat heeft gevolgen voor wat we nu ‘psychosomatische aandoeningen’ noemen, het idee dat onze geest invloed heeft op orgaanfuncties. De term ‘psychosomatisch’ heeft nu een negatieve bijklank. De stilzwijgende gedachte is dat het verband tussen lichaam en geest niet bestaat, dat die psychosomatische aandoeningen alleen ‘tussen de oren’ zitten. Maar het soort uitgebreide verbindingen waarvan het bestaan nu is aangetoond, kan betekenen dat die aandoeningen ook écht tussen je oren ontstaan. Het feit dat er gebieden in de hersenschors zijn die via multisynaptische verbindingen de orgaanfuncties beïnvloeden, kan de term ‘psychosomatisch’ misschien van zijn negatieve bijklank verlossen.
Bij eerder onderzoek heeft het team in Pittsburgh een virus geïnjecteerd in het hart. Toen vonden ze hersengebieden die invloed hebben op het hartritme, waarin ze een mogelijke verklaring zien voor allerlei onverwachte sterfgevallen: doordat gebeurtenissen in de hersenen, van epilepsie en hersenletsel tot sterke emotionele prikkels (zowel positieve als negatieve) een hartaanval opwekken.
En dan is er ook nog het nieuwe vakgebied van de neuro-immunologie, waarin men onderzoek doet naar de gevolgen van stress voor het immuunsysteem. Het draagt allemaal bij aan de geloofwaardigheid van gezondheidsclaims die ooit werden weggelachen door mensen zoals Strick, omdat er geen concreet mechanisme aan ten grondslag leek te liggen. In zijn woorden: ‘Onze bewegingen, gedachten en gevoelens hebben invloed op onze stressreactie dankzij échte neurale verbindingen.’
Fotograaf Pelle Cass maakte duizelingwekkende foto’s van overvolle sportvelden. Verder: Luister naar uiteenlopende geluiden uit de 55 landen van het Afrikaanse continent op AIAC Radio & meer aanraders van de 360-redactie.
Omdat 360 niet alles kan vertalen wat de redactie leest, ziet en hoort, tippen wij voor u enkele interessante artikelen, documentaires, fotoreportages en podcasts die wij deze week tijdens het speuren naar mooie journalistiek zijn tegengekomen.
Foto’s van gewone Noord-Koreanen
Redacteur IJsbrand van Veelen stuitte op een fascinerende serie foto’s die de Franse fotograaf Stéphan Gladieu in Noord-Korea maakte van de bevolking. Dit artikel op de cultuursite It’s Nice That biedt daarvan een fraai overzicht.
Over doorsnee Noord-Koreanen horen we zelden of nooit iets, aldus Gladieu. ‘De 25 miljoen inwoners zijn een soort spook van de moderne wereld. Ik wilde daar een gezicht aan geven.’ Daarvoor waren wel vijf reizen naar het geïsoleerde land nodig en drie jaar lang onderhandelen over de plaatsen waartoe hij toegang wilde hebben.
‘Ik heb een vertrouwensband weten op te bouwen door me heel voorspelbaar, statisch en controleerbaar te gedragen. Daar is ook het hele idee van deze serie op gebaseerd: om binnen de controle waaraan ik was onderworpen precies genoeg vrijheid te vinden voor mijn foto’s.’
Gladieu maakte een boek van zijn foto’s van Noord-Koreanen, Corée Du Nord (2020).
Radio Afrika
De Sierra Leonees-Amerikaanse muziekproducent, dj, schrijver en cultureel activist Chief Boima, tevens hoofdredacteur van Africa Is a Country, medeoprichter van Kondi Band en de oprichter van het INTL BLK-platenlabel, heeft een maandelijkse onlineradioprogramma: AIAC Radio. De show bevat een mix van muziek en interviews met muzikanten, historici, journalisten en meer. Een aanrader van hoofdredacteur Laura Weeda.
Als luisteraar kom je veel te weten over de cultuur en politiek van de verschillende Afrikaanse landen, onderlinge en externe invloeden op alle gebieden en maak je dankzij Boima’s zeer gevarieerde selectie kennis met muziek van alle genres. De afleveringen zijn voorzien van tracklist, zodat je zelf verder op verkenning kunt gaan.
In de afgelopen drie afleveringen, respectievelijk gewijd aan Sierra Leone, Trinidad en Tobago en Djibouti, leerde ik onder andere dat reggae in Sierra Leone populair is, dat Trinidad en Tobago de meeste vakanties van alle landen ter wereld heeft omdat alle religieuze feestdagen er worden gevierd en dat de muziek- en filmindustrie op Djibouti het meest is beïnvloed door India, dat zich aan de andere kant van de Arabische Zee bevindt.
Overvolle velden
Nu we allemaal snakken naar zwetende mensenmassa’s ontwierp de Amerikaanse fotograaf Pelle Cass foto’s van overbevolkte sportvelden. Hij legt meerdere foto’s van dezelfde sportwedstrijd over elkaar waardoor de hele wedstrijd in één beeld lijkt samengevat, zoals te zien is in een voorproefje van deze fotoserie in The Guardian.
Een tip van art directorMajel van der Meulen: ‘Foto’s van sportevenementen, ik selecteer ze zelden voor 360 Magazine. Nooit heeft kijken naar sport me gefascineerd, liever zelf bewegen is mijn motto. Deze serie Crowded Fields is verbluffend mooi, en deel ik graag.’
Pelle Cass’ Crowded Fields is tot en met 21 maart te zien in Abigail Ogilvy Gallery in Boston.
Verbreek het pact
In heel Mexico protesteren al enkele dagen (voornamelijk) vrouwen tegen de kandidatuur Félix Salgado Macedonio voor gouverneur van de staat Guerrero. Deze kandidaat van regeringspartij Morena is door twee vrouwen beschuldigd van verkrachting.
Op 15 februari verscheen Basilia ‘N.’, een van de slachtoffers, voor de Nationale Commissie voor Waarheid en Rechtvaardigheid (CNHJ). Na de zitting vroeg zij de president om in haar zaak tussenbeide te komen, schrijft de Mexicaanse websiteAnimal Político.
Sinds afgelopen woensdag (17 februari) sporen vrouwen president Andrés Manuel López Obrador via sociale media aan om ‘het patriarchale pact te verbreken’ en de kandidatuur van Salgado Macedonio niet te steunen.
Donderdag (18 februari) zei de president dat de protesten van de vrouwen gegrond zijn, maar dat de inwoners van Guerrero die Salgado steunen ook het recht hebben om gehoord te worden.
‘Wat moet ik doen als mijn vriend, neef of partner een vrouw heeft verkracht of seksueel misbruikt?’
Daarom wil redacteur Joep Harmseneen les delen uit een tweede artikel van Animal Político, van de hand van Ana Estrada. ‘Wat moet ik doen als mijn vriend, neef of partner een vrouw heeft verkracht of seksueel misbruikt?’ In de ijdele hoop dat de Mexicaanse president en alle andere mannen in machtsposities meelezen (Geert Wilders en Dion Grauss bijvoorbeeld).
Animal Político: ‘Als u een man bent, heb ik nieuws voor u: het is tijd om dit pact te verbreken, om een soort “verraad aan het patriarchaat” te plegen en te stoppen met gedrag dat geweld tegen vrouwen veroorzaakt.
Mannen (…) moeten erkennen dat het verhaal van hun mannelijkheid complex is en begrijpen dat “we niet alleen monsters zijn die elke dag geweld uitoefenen; we zijn mensen, een product van onze omstandigheden en onze sociaalculturele constructies. Het is aan ons om te veranderen en verantwoordelijkheid te nemen voor onze daden.”’
Een tropisch netwerk opbouwen
De site Tropical Papers zet Latijns-Amerikaanse kunstenaars, architecten, ontwerpers en wetenschappers in de zon die ook hier weer begint te schijnen. Het is een kleurige ambitieuze site met de meest verrassende protagonisten uit verschillende disciplines.
Opgericht in Parijs in 2020 als een non-profit artistieke organisatie, brengt tropical papers een lokaal en internationaal publiek bijeen dat zich op verschillende vlakken bezighoudt met ‘de tropen’, in feite een denkbeeldig gebied.
‘Het is een hedendaags postkoloniaal laboratorium, een bron van kennis en multidisciplinaire projecten’
‘Het is een hedendaags postkoloniaal laboratorium, een bron van kennis en multidisciplinaire projecten die interconnectiviteit, uitwisseling van ervaringen en dialogen over sociale, historische en actuele geopolitiek stimuleren, door middel van milieu- en duurzame perspectieven’, schrijven de oprichters, onder wie voormalig directeur van het Museum voor Moderne Kunst (CAPC) in Bordeaux.
Editor at largeKatrien Gottlieb: ‘Zo, een mondvol over dit bewonderenswaardige initiatief dat allerlei programma’s ontwikkeld heeft om virtueel aan deel te nemen, bedoeld om een tropisch netwerk op te bouwen en kennis uit verschillende disciplines te delen.’
De voormalige Deense topkeeper en voetbalanalist Peter Schmeichel verslaat de aanloop naar het WK voetbal voor de zender Russia Today, bekend als spreekbuis van het Kremlin. Dat levert hem veel kritiek op in zijn vaderland.
JA
Peter Schmeichel werd tot twee keer toe verkozen tot keeper van het jaar, won met Denemarken het EK van 1992 en vierde triomfen met zijn club Manchester United. Zijn vizier staat nu echter minder scherp dan in zijn tijd als keeper. Dat kunnen we tenminste opmaken uit zijn recente werkzaamheden voor de Russische televisiezender Russia Today (RT). Een zender die niet alleen gefinancierd wordt door de Russische staat, maar ook als journalistieke spreekbuis van het Kremlin fungeert.
Natuurlijk heeft Schmeichel het recht om zijn geld te verdienen zoals het hem goeddunkt. Wat hij doet is, zoals zijn vroegere teamgenoot Stig Tøfting het verwoordde, ‘in ieder geval niet verboden’. Maar is het ook slim? Of ook maar verdedigbaar? Rusland is, na een korte flirt met de democratie, uitgegroeid tot schurkenstaat. Poetins opponenten zijn onschadelijk gemaakt, potentieel gevaarlijke tegenstanders worden uitgesloten van deelname aan de verkiezingen, sommigen van hen zelfs vermoord of ze verongelukken onder verdachte omstandigheden. De president vertrekt hierbij geen spier. De Krim is ingelijfd, de Baltische staten voelen zich bedreigd en in het oosten van Oekraïne woedt een oorlog, waarbij een Maleisisch lijnvliegtuig werd neergehaald met luchtafweerraketten van Russische makelij. De Russische ambassadeur in Kopenhagen dreigt zelfs eventueel kernwapens in te zetten tegen Deense oorlogsschepen, indien het land zich aansluit bij het westerse antiraketschild. Het Deense ministerie van Defensie en de grote wapenfabrikant Maersk hebben te lijden onder cyberaanvallen. En dat is nog maar het begin van een lange, lange lijst.
De oud-keeper is niet bepaald een onderzoeksjournalist. Dat is hij nooit geweest, waarom zou hij het nu dan opeens worden?
Schmeichel heeft echter vrolijk besloten zich in dienst te stellen van dit regime. Hij benadrukt dat hij geheel zelfstandig de thema’s en inhoud van zijn programma’s mag kiezen, en dat hij niemand verantwoording schuldig is. Dat is fijn voor Schmeichel en helemaal voor RT, want de oud-keeper is niet bepaald een onderzoeksjournalist. Dat is hij nooit geweest, waarom zou hij het nu dan opeens worden?
Op zich kan het medialandschap het best zonder een kritische Schmeichel stellen. Rusland komt de laatste tijd sowieso bijna uitsluitend negatief in het nieuws. Stemmingmakerij tegen het land is dus onnodig, die verzorgt het zelf al. Het meest recente voorbeeld was de poging tot moord in Salisbury.
Schmeichel heeft een onverstandige keuze gemaakt, misschien zonder er goed over na te denken. Hij zou op zijn beslissing terug moeten komen. Sportief als hij is, ziet hij dat hopelijk zelf ook in.
Redactioneel – Jyllands-Posten
Denemarken | dagblad | oplage 84.000 Liberaal-conservatieve ochtendkrant.Jyllands-Posten kwam in 2005 internationaal in het nieuws toen het satirische politieke spotprenten publiceerde waarin de profeet Mohammed werd gebruikt.
1. Jyllands-Posten; 2. Christian Jensen (van Politiken).
NEE
Peter Schmeichel wordt voorgesteld als een clown met een rode neus in een Russisch staatscircus, met Vladimir Poetin als directeur met de hoge hoed. Anderen zien in Schmeichel een naïeve topvoetballer die voor presentator speelt zonder te beseffen dat hij in werkelijkheid een 1.91 meter lange reclamezuil is voor het beleid van Poetin. En weer anderen vinden hem een slimme zakenman die gewoon zijn Peter Schmeichelshow verkoopt aan de hoogste bieder.
Zonder twijfel wordt Peter Schmeichel voor zijn werk als presentator bij de Russische televisiezender Russia Today vorstelijk betaald – zelfs naar Russische maatstaven. Ook staat buiten kijf dat RT Poetins propagandakanaal is. En ten slotte is evident dat Schmeichel, door als gastheer voor het gastland van het wk voetbal op te treden, smakeloze televisie maakt.
Als kijker kun je moeilijk Schmeichels enthousiasme delen wanneer hij een stadion in de stad Nizjni Novgorod binnenwandelt, schilderijen van Kandinsky bekijkt, langlauft of Russische matroesjkapoppetjes beschildert.
Heeft Schmeichel iets van een gids in een van Poetins nationalistische potemkindorpen? Iets wel, ja. Helpt hij met zijn optredens mee om Rusland in een gunstig daglicht te zetten? Absoluut.
Deze politici vinden het niet kunnen dat Schmeichel dit WK verslaat, maar zelf staan zij ons nationale team toe om er te spelen en sturen ze officiële vertegenwoordigers
Om allerlei redenen was het onverstandig van Schmeichel om zich door RT te laten inlijven. Toch is het wel zo fair om hem naar de concrete inhoud van zijn programma’s te beoordelen. Goed beschouwd was zijn optreden daarin tot dusver eerder pijnlijk dan werkelijk laakbaar.
Schmeichel kreeg kritiek omdat hij, in een interview over de veiligheidssituatie tijdens het WK, naliet om door te vragen. Die kritiek was terecht, maar hij ondervroeg de president van [wereldvoetbalbond] FIFA, de Zwitser Gianni Infantino. Niet de Russische autoriteiten. Niet Poetins woordvoerder.
En zelfs al is de inhoud van deze televisieprogramma’s misschien soms discutabel, dan nog kunnen bepaalde Deense politici de ex-voetballer moeilijk bekritiseren zonder hypocriet over te komen. Deze politici vinden het niet kunnen dat Schmeichel dit WK verslaat, maar zelf staan zij ons nationale team toe om er te spelen en sturen ze officiële vertegenwoordigers. Onze deelname aan het evenement legitimeert Poetin net zo goed.
Als Denemarken, net als andere landen, van plan is om zijn volkslied op Poetins WK te laten klinken, dan is dat vanuit de overtuiging dat voetbal landen moet verenigen en niet verdelen. Wij zijn ervan overtuigd dat het beter is om contact te blijven houden en een dialoog te voeren, dan om het Russische volk de rug toe te keren. En wij denken dat het mogelijk is Poetins beleid scherp te veroordelen en tegelijkertijd toch in zijn stadions te spelen.
Daar kun je het mee oneens zijn. Maar in dat geval moet je ook de consequenties aanvaarden. Je kunt niet tegelijkertijd meedoen met het WK en diegenen bekritiseren die het evenement verslaan. Politici die dat doen, zijn hypocriet.
Auteur: Christian Jensen
Christian Jensen (1972) is hoofdredacteur van Politiken. Hij werkte eerder voor Dagbladet Information en, als onderzoeksjournalist, voor het dagblad Berlingske.
Politiken
Denemarken | dagblad | oplage 88.000
Een van de grootste kranten van Denemarken. Met zijn sociaal-liberale karakter vooral gelezen door de hogere middenklasse in Kopenhagen. De vormgeving van Politiken wordt wereldwijd geprezen.
Door de schorsing van Rusland voor de Olympische Winterspelen staat sportdoping weer bovenaan de agenda. Maar over de bestrijding ervan blijven de meningen verschillen.
JA
De laatste tijd zijn er meerdere onderzoeken geweest naar sportdoping, zoals dat van de Onafhankelijke Commissie van het World Anti-Doping Agency (WADA). Deze commissie onderzocht de moedwillige ontduiking van het dopingbeleid door Rusland. Het land had een grootschalig dopingprogramma en vervalste systematisch urinetests.
Maar het ontbreekt de antidopingautoriteiten aan macht en middelen, zodat zij vaak niet alle aanwijzingen die zij binnenkrijgen, kunnen onderzoeken. In Groot-Brittannië zijn maar weinig voltijdse antidopingonderzoekers. Bovendien hebben zij niet de juridische volmachten om medische dossiers op te vragen, of ander vertrouwelijk materiaal dat bij het onderzoek behulpzaam zou kunnen zijn.
De dopingzondaars weten dit. Ze weten ook dat de kans om gepakt worden gering is, zolang ze maar voorzichtig zijn. Er bestaan methodes die vrijwel niet via tests aan te tonen zijn – zoals het gebruik van EPO, een truc om het aantal rode bloedcellen in de bloedbaan kunstmatig te op te peppen.
Alle medicijnen moeten dus nader bekeken worden. Wanneer een sporter bijvoorbeeld lijdt aan zware astma en daarvoor een krachtig medicijn neemt dat in potentie zijn prestaties verbetert, dan zou hij niet mee moeten kunnen doen zolang het in zijn lichaam actief is
We moeten er ernstig over denken of doping geen strafrechtelijk vergrijp zou moeten zijn. Dat zou de autoriteiten de juridische macht geven om al het bewijs te vergaren dat zij voor hun onderzoek nodig denken te hebben. Een overtreding zou dan, behalve tot uitsluiting van atleten en artsen, ook tot vervolging van alle betrokkenen kunnen leiden.
In veel landen werkt het al zo. Bij een recent onderzoek legde de Britse olympisch wielerkampioene Nicole Cooke een verklaring af. Over de veroordeling van haar voormalige teamchef William Dazzani zei zij: ‘Als hij niet in Italië maar in Engeland had gewerkt, zou hij nog steeds doping verstrekken. Maar in Italië is het een misdrijf om sporters zulke middelen te geven.’
Het gaat er ook om een ethische grens in de sport te bewaken, zodat toegestane medicijnen die sportprestaties gunstig beïnvloeden alleen met een medische noodzaak gebruikt worden. De voormalige Britse wielercoach Shane Sutton vertelde in een interview met BBC Panorama hoe wielrenners speciale certificaten hebben om legale middelen te gebruiken die bij wedstrijden verboden zijn omdat ze sportprestaties kunnen verbeteren.
Alle medicijnen moeten dus nader bekeken worden. Wanneer een sporter bijvoorbeeld lijdt aan zware astma en daarvoor een krachtig medicijn neemt dat in potentie zijn prestaties verbetert, dan zou hij niet mee moeten kunnen doen zolang het in zijn lichaam actief is. Ook zijn er strengere regels nodig voor hoe sportartsen medische gegevens bijhouden. Zij zouden verplicht moeten worden om niet alleen verslag aan coaches uit te brengen, maar ook aan officieel aangewezen onafhankelijke artsen, die hun methoden en verslaglegging aan een peer review kunnen onderwerpen. Want zoals het nu gaat, kan het niet doorgaan.
Damian Collins is Brits parlementslid voor de Conservatieven. Hij is voorzitter van de commissie Cultuur, Media en Sport van het Lagerhuis.
1. Damien Collins; 2. Simon Barnes.
NEE
Sport leeft van tegenstellingen: wij tegen jullie, onze jongens tegen de rest, leiders en volgers. Net als elke andere mythologie heeft de sport dus ook helden en boeven nodig. Daarom is er zo veel aandacht voor doping: het gaat over de boeven.
Bij de Olympische Winterspelen in Pyeongchang is de boef een heel land. Rusland werd uitgesloten van deelname, na onderzoek naar dopinggebruik bij de vorige winterspelen in Sotsji in 2014. Het gastland bleek zijn sporters systematisch van doping te hebben voorzien en hun urinetests te hebben vervalst.
Het toch al geplaagde Internationaal Olympisch Comité weigerde om Rusland uit te sluiten van deelname aan de Olympische Zomerspelen van 2016 in Rio. De organisatie besloot het opleggen van sancties aan de individuele sportfederaties over te laten (alleen de atletiekfederatie deed dat). Maar na verder onderzoek werd uitsluiting toch onvermijdelijk. Wel mochten Russische sporters die nooit doping hadden gebruikt op individuele titel meedoen in Zuid-Korea.
Zijn zij boeven? Slechte mensen, die wij moeten haten?
Elke dag brengt het sportnieuws wel een verhaal over doping. Soms vallen helden daarbij van hun voetstuk: Chris Froome, de Britse wielrenner die viermaal de Tour de France won, was zo iemand. Vorig jaar testte hij positief. Een andere Britse wielerheld, Bradley Wiggins, is ook in een dopingaffaire verwikkeld. Zijn zij daarom boeven? Slechte mensen, die wij moeten haten? Froome had een positieve testuitslag voor een astmamedicijn. Wiggins had geheel legaal toestemming gekregen om bepaalde medicijnen te gebruiken. Ging hij daarmee zijn boekje te buiten? Profiteerde hij van een lacune in de regels? Wist hij een klein voordeeltje optimaal te benutten?
Geen van beiden haalt het bij de Amerikaanse wielrenner Lance Armstrong. Van deze voormalige held werden zeven Tour de France-zeges afgepakt nadat onderzoek uitwees dat zijn team jarenlang ‘het meest geavanceerde, professionele en succesvolle dopingprogramma runde dat de sport ooit heeft gezien’.
Elke sporter die in verband wordt gebracht met doping wordt automatisch als een tweede Armstrong gezien. De binaire moraal van de sport verklaart waarom onderzoeksjournalisten zo gebrand zijn op doping: één aantijging kan iemands reputatie vernietigen en een boef van hem maken. Sportsterren moeten ofwel wanhopige junkies zijn, ofwel brandschone blauwogige helden. Daartussenin zit niets.
Wanneer is doping geen doping meer? Als het een voedingssupplement heet? Als je officieel toestemming hebt om een middel te gebruiken? Sommige medicijnen zijn tot een bepaalde dosis legaal. Het is verboden om één keertje te veel van een astmamedicijn te gebruiken, maar ook om zoals Armstrong je hele carrière lang menselijk groeihormoon te slikken. De wereld ziet de dingen graag zwart-wit, maar krijgt in feite vijftig tinten aspirine.
Simon Barnes is een Engelse journalist. Hij was tot 2014 chef sport van The Times.Barnes staat bekend om zijn stevige uitspraken. Zo noemde hij tennisser Maria Sjarapova een bimbokampioene.
Surfers wachten in de rivier de Severn, op de grens van Engeland en Wales, gespannen op de Severn Bore, de vloedbranding van meer dan een meter hoog die hen op hun planken kilometers ver landinwaarts zal dragen.
Het verschijnsel doet zich sinds mensenheugenis enkele dagen per maand tweemaal daags voor (er is een speciale kalender voor opgesteld) en trekt sinds de jaren zestig van de vorige eeuw surfers uit de hele wereld. Het afstandsrecord surfen op de Severn Bore staat op 14,8 kilometer, de snelheid die wordt bereikt varieert van 12 tot 19 km/uur.
Voetballand Italië beleefde de recente uitschakeling voor het WK in Rusland als een historische ramp. Mag het wat minder dramatisch, schrijft politicoloog Alessandro Campi.
Keuze uit het archief
Italië doet niet mee aan het wereldkampioenschap voetbal, dat deze zomer in de VS, Canada en Mexico wordt gehouden. Voor de derde keer op rij werd het elftal uitgeschakeld tijdens de WK-kwalificatiewedstrijden, een zware domper voor een voetballand als Italië.
Toen dat in 2017 gebeurde, heerste er in het land een heuse rouwstemming en werd de uitschakeling opgeklopt tot een nationale ramp. Politicoloog Alessandro Campi legt in dit artikel uit Il Messaggero uit wat aan deze dramatiek ten grondslag ligt en zet de lezer met beide benen op de grond. ‘Het blijft tenslotte maar een spelletje.’
Je begint je af te vragen wat een fantastisch land Italië zou zijn als zijn inwoners ook maar een tiende van de hartstocht, de mentale inspanning, de lichamelijke energie, de creativiteit en de woorden zouden spenderen aan hun maatschappelijke betrokkenheid, hun dagelijks werk, hun sociale relaties en het algemeen belang als aan voetbal – zij het vaker als toeschouwer dan als speler.
Eens te meer hebben we laten zien waartoe we in staat zijn: het Squadra Azzurra heeft zich tegenover het over het algemeen zwakke Zweden, dat zich beslist niet kan meten met onze reputatie op voetbalgebied, niet kunnen kwalificeren voor het WK 2018 in Rusland. En op het moment dat het fluitje van de scheidsrechter het einde van de wedstrijd aankondigde, en daarmee niet alleen onze nederlaag bekrachtigde maar vooral onze fysieke inferioriteit, werden we overspoeld door een stortvloed van commentaren, beschuldigingen, protesten en standpunten die grensde aan een collectief psychodrama.
Een heel land voelde zich geroepen zijn mening te geven. We eisten op hoge toon het ontslag van de verantwoordelijken – en dan vooral van één daarvan, altijd dezelfde, de trainer. We hebben de vreselijke economische gevolgen die deze uitschakeling met zich mee zal brengen schromelijk overdreven. Om een parallel te trekken met deze nederlaag op het ereveld hebben we aan de zwartste uren van onze nationale geschiedenis gerefereerd, de onlangs herdachte Slag bij Caporetto die Italië de nekslag toebracht tijdens de Eerste Wereldoorlog. Plotseling zijn wij Italianen – gewoonlijk zo wars van iedere vorm van collectiviteitsbetoon – onszelf als een gekwetste, gewonde, diep gekrenkte gemeenschap gaan beschouwen die nu wanhopig op verlossing wacht. De woorden ‘catastrofe’, ‘tragedie’ en ‘apocalyps’ waren niet van de lucht, en ze zijn met zo veel luchtigheid en onmatigheid gedebiteerd – het blijft tenslotte maar een spelletje – dat je je kunt afvragen welke termen je moet gebruiken om een echte ramp te omschrijven.
We hebben gewoon de verkeerde mensen op de verkeerde plekken gezet. Die hebben gewoon hun werk slecht gedaan, fouten gemaakt
We zijn vooral in sociologische en massapsychologische verklaringen vervallen, op een toon die aan een cafégesprek doet denken. Maar waar staat geschreven dat voetbal een metafoor is voor de maatschappij? En dat een nationaal elftal in crisis dus het product van een land in crisis moet zijn? Want als dat zo was, zouden we daaruit de even ridicule als wijdverbreide conclusie moeten trekken dat de voetbalkracht van een land bepalend is voor zijn economische kracht en zijn internationale geloofwaardigheid. Het gezond verstand zou willen dat het tegendeel het geval was. Bovendien kunnen we minstens tien landen noemen die op voetbalgebied geen deuk in een pakje boter slaan maar desondanks over grote rijkdommen beschikken en een belangrijke rol spelen. Willen we onszelf misschien wijsmaken dat we door onze uitschakeling voor het WK voortaan voor spek en bonen zullen meedoen op het internationale toneel en dat ons bbp weldra een dieptepunt zal bereiken?
Je krijgt het gevoel dat deze merkwaardige parallel tussen sport en politiek, tussen de overwinningen van de eerste en de macht van de tweede, een onbewuste erfenis is van de totalitaire traditie van de twintigste eeuw, waarin de twee gebieden opzettelijk nauw met elkaar verweven waren. Maar de geloofwaardigheid en het goed functioneren van een democratie – waarin sport als eenvoudig volksvermaak moet worden beschouwd, en niet als een dwangmiddel voor collectieve mobilisering, voor het versterken van de burgerzin en het doen vergeten van de smeerlapperij van en de vrijheidsberoving door de machthebbers – zijn niet afhankelijk van het aantal gescoorde doelpunten of gewonnen bekers.
Als we eens zouden ophouden met filosoferen over een eenvoudige nederlaag – waarvan iedereen weet dat die sportief gezien verdiend was – zouden we misschien ontdekken dat het ons aan een minimum aan voorbereiding en organisatie heeft ontbroken. We hebben gewoon de verkeerde mensen op de verkeerde plekken gezet. Die hebben gewoon hun werk slecht gedaan, fouten gemaakt op het gebied van management, strategie, voorbereiding en prognostiek. Zulke dingen kunnen gebeuren. Maar als zoiets bij een bedrijf gebeurt – en het voetbalmilieu is, de oprechte hartstocht waardoor het wordt bezield even buiten beschouwing gelaten, een enorme commerciële onderneming geworden waarin alles draait om belangen, investeringen en getallen met zes nullen – stroopt men de mouwen op. En men probeert, met het oog op een glorieuzere toekomst, het goede te behouden en het slechte te verbeteren. Zeker, dat is een prozaïsche benadering, maar wel de enige serieuze en rationele.
Voor de rest is het alleen maar weliswaar vermakelijk maar onverdraaglijk geklets, waarmee de Italianen hun fouten en hun vaak zo armetierige houding graag plegen te maskeren. Zoals wanneer ze zich ware nationalisten betonen, het volkslied galmen, te vuur en te zwaard het Squadra verdedigen of zich alleen maar gedurende de negentig minuten van de wedstrijd als de trotse hoeders van een prestigieuze nationale geschiedenis ontpoppen. Om elkaar vervolgens weer te verscheuren, hun naaste of buurman de rug toe te keren, zich op te sluiten in hun individuele of regionale coconnetje, anti-Italiaanse stereotypen uit te braken of zich te verliezen in zelfdenigrering zodra het nationale elftal de drempel van de kleedkamer over is.
Dit volk moet eerst vermoeid en verbijsterd zijn voordat het zijn eenheid en solidariteit denkt te kunnen hervinden rond zoiets als een voetbal! En het wordt pas echt pathetisch als het van een verloren wedstrijd een historische ramp maakt waarvan het zich pas in de verre toekomst zal kunnen herstellen. Laten we duimen dat dat gebeurt. We zijn tenslotte Italianen, we hebben wel meer erge dingen meegemaakt en we beschikken over zo veel verborgen krachten.
Om niet de lachlust te wekken zullen we de soberheid van onze vaders moeten hervinden, die behept waren met een ware hartstocht voor de ronde bal, maar daarvan geen staatskwestie maakten. Toen we in januari 1958 een smadelijke nederlaag leden tegen Noord-Ierland, kopte La Gazetta dello Sport alleen maar: ‘Squadra Azurra uitgeschakeld voor WK’. Meer niet. Heel anders dan het moord en brand geschreeuw van tegenwoordig. Maar dat waren andere tijden, en andere Italianen.
CONTEXT: Einde van de wereld
De dag na de uitschakeling van de Azzurri kwam de Italiaanse pers dramatische bewoordingen tekort: ‘Apocalyps’, ‘EINDE’, ‘nationale schande’. De meeste kranten publiceerden foto’s van wanhopige spelers en vertwijfelde koppen. ‘Voor het eerst in zestig jaar zonder WK’, klaagde de Corriere della Sera. We zijn ‘de wereld uitgezet’, voegde Il Giornale eraan toe. Naast al het geweeklaag heeft het land snel naar zondebokken gezocht. De beschuldigende vingers gingen naar trainer Giampiero Venturo, ontslagen op 15 november, en naar bondsvoorzitter Carlo Tavecchia, die op 20 november aftrad.
Sport had niets met politiek te maken, beweerden fanatieke pleitbezorgers van Nederlandse deelname aan het WK voetbal van 1978 in Argentinië. Waren zij de nationaal-socialistische Olympische Spelen in 1936 expres vergeten om zonder wroeging bij te dragen aan de vuile oorlog van de Argentijnse militaire dictatuur?
Het cabaretduo Neerlands Hoop In Bange Dagen niet. Freek de Jonge en Bram Vermeulen deden een dappere poging de publieke opinie te mobiliseren met hun boycotactie Bloed aan de paal: We gaan naar Argentinië, waar dagelijks wordt gemoord. Maar daar is nu eventjes geen tijd voor, zojuist heeft Rep gescoord.
Indien Rob Rensenbrink in de allerlaatste minuut van de finale Argentinië-Nederland niet tegen diezelfde paal had geschoten, was Oranje in Buenos Aires wereldkampioen geworden en hadden de apologeten van toen triomfantelijk het argument gehanteerd dat ‘wij’ die smeerlappen toch maar een lesje hadden geleerd en dat ‘zij’, de actievoerders tegen deelname, het mooi verkeerd hadden gezien.
President Assad heeft het nationale team ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur
Syrische voetballers staan in deze maanden voor een nog ingewikkelder dilemma. President Assad heeft het nationale team ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur. Het land verkeert in een gecompliceerde oorlogssituatie; er is niet alleen een verschrikkelijke burgeroorlog gaande, maar een die door buitenlandse inmenging buitengewoon ingewikkeld en onoverzichtelijk is geworden. Rusland bemoeit zich ermee, de VS en bondgenoten bemoeien zich ermee, Iran bemoeit zich ermee, de Islamitische Staat in Irak en Syrië bemoeit zich ermee, de Koerden binnen en buiten de Syrische grenzen bemoeien zich ermee. En langs de zijlijn staan enkele invallers klaar om ook nog wat speelminuten te krijgen.
En nu heeft het Syrische nationale voetbalelftal nog steeds een – kleine – kans om zich te plaatsen voor het WK voetbal van volgend jaar in Rusland. Assad zal deze buitenkans ongetwijfeld uitbuiten voor propagandistische doeleinden. Wat doe je dan als Syrische voetballer? Waar sta je in de burgeroorlog, voor of tegen Assad? En als je tegen hem bent, heb je dan het lef om dat te tonen door je niet beschikbaar te stellen voor het nationale elftal? Of zwijg je? Omwille van je eigen carrière, van je familie? Sterspeler Firas al-Khatib heeft het allemaal gedaan. Wel, niet. Spreken, zwijgen. Vijf jaar lang heeft hij het nationale elftal geboycot. Nu is hij terug omdat hij Syrië – al is het maar even – ‘uit zijn hel wil verlossen’.
Sport zou niets met politiek te maken moeten hebben. En vice versa.
Het Syrische voetbalelftal plaatste zich onlangs voor de play-offs voor het WK 2018. Een geweldige prestatie, maar ook één met een wrange bijsmaak, schrijft sportjournalist Steve Fainaru: ‘De harde waarheid is dat het voetbal door president Assad is ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur.’ Sterspeler Firas al-Khatib worstelt met de vraag: stel ik me wel of niet beschikbaar?
Op een koele middag in februari zit een van de beste voetballers van Syrië in een winkelcentrum in Koeweit te dubben over een beslissing die hem, zo vreest hij, het leven kan kosten. Vijf jaar lang heeft Firas al-Khatib het nationale elftal geboycot uit protest tegen Assad, die zijn stad heeft uitgehongerd en gebombardeerd. Maar nu lijkt hij ineens van gedachten te zijn veranderd. Hij overweegt zich toch weer beschikbaar te stellen voor de beslissende slotfase van de WK-kwalificatie. Zijn motieven zijn complex en hij praat er niet graag over.
‘Ik ben bang, bang,’ zegt hij in ietwat plechtstatig Engels. ‘Zodra je in Syrië nu je mond opendoet, is er iemand die je vermoordt – om wat je zegt, om wat je denkt. Niet om wat je dóét. Ze doden je om wat je denkt.’
Khatib is een man met een tenger postuur, een baardje, bruine krullen en zachte ogen. Bij zijn profclub in Koeweit verdient hij miljoenen. Het chique winkelcentrum waar wij hem spreken, met uitzicht op een jachthaven waar mannen op terrassen aan een waterpijp lurken, geeft een indruk van zijn luxe leventje hier. Maar hij worstelt zichtbaar met zijn grote dilemma. ‘Elke dag lig ik hier een paar uur over te malen voordat ik in slaap kom.’
Hij pakt zijn telefoon en laat zijn Facebookpagina zien, waarop dagelijks honderden berichten binnenkomen. Zelfs sommige van zijn beste vrienden dreigen nu met hem te breken. Nihad Saadeddine, een speler met wie hij is opgegroeid, zegt dat Khatib ‘samen met iedereen die de misdadige Assad heeft gesteund op de schroothoop van de geschiedenis’ zal belanden, als hij toch weer voor Syrië speelt. En dat hij hem dan nooit meer wil spreken.
Keuze tussen twee kwaden
Over 36 dagen speelt Syrië zijn volgende kwalificatieduel. Voor die tijd moet Khatib een keuze maken tussen twee kwaden. Als hij meespeelt, wordt hij de aanvoerder en spil van het team dat zijn land voor het eerst naar een WK kan brengen. Maar dan speelt hij wel voor een bloedig regime dat niet alleen zenuwgas, marteling, uithongering en bombardementen als wapens hanteert, maar ook voetbal als propagandamiddel inzet. Blijft hij het nationale elftal boycotten, dan kiest hij partij voor een met vreedzame demonstraties begonnen oppositie die inmiddels uiteen is gevallen in een baaierd van splintergroeperingen, waaronder IS en Al-Qaida. En voetbal is voor IS al vaker een doelwit van bloedige aanslagen geweest, zoals die bij het Stade de France in 2016, en de zelfmoordaanslag op een jeugdwedstrijd in Irak die aan 29 kinderen het leven kostte.
‘Er zijn nu zo veel moordenaars in Syrië, het zijn er niet meer een of twee,’ zegt Khatib. ‘En ik heb aan allemaal een hekel.’ Hij weet zich geen raad. ‘Wat ik ook doe,’ zegt hij, ‘twaalf miljoen Syriërs zullen me toejuichen en de andere twaalf miljoen zullen mijn bloed willen drinken.’
Het is alsof de Syriërs in het hart van hun echte burgeroorlog nog een miniatuuroorlog uitvechten: een felle en soms ook bloedige strijd om de ziel van hun nationale sport. Nu het land tegen alle verwachtingen in kans maakt op een WK-plaats, komen ook sommige spelers (en coaches) tegenover elkaar te staan. De Syrische regering roemt het voetbalveld als een plek waar Syriërs van alle gezindten nog vreedzaam kunnen samenkomen. Voetbal is ‘een droom die mensen samenbrengt,’ zegt Bashar Mohammad, woordvoerder van het nationale elftal. ‘Het tovert een lach op hun gezicht en helpt ze de geur van dood en verwoesting even te vergeten.’ Maar de harde realiteit is dat het voetbal door Assad is ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur – en dat de FIFA het toelaat.
Minstens 38 spelers uit de hoogste twee competities en nog eens tientallen uit lagere divisies zijn al door de Syrische regering doodgeschoten, omgekomen bij bombardementen of doodgemarteld. Dat soort cijfers worden verzameld door Anas Ammo, een voormalig sportjournalist uit Aleppo die nu onderzoek doet naar mensenrechtenschendingen tegen Syrische sporters. Minstens dertien voetballers worden vermist. Op kleinere schaal hebben ook de oppositiestrijdkrachten sporters gedood: Ammo telt vier slachtoffers van IS. Maar volgens het Syrische Netwerk voor Mensenrechten is het vooral de regering die ‘sporters en sportfaciliteiten inzet voor haar gewelddadige bewind’. Voetbalstadions zijn gebruikt als uitvalsbasis voor aanvallen op burgers, en vanaf het begin van de oorlog werden teams gedwongen voor het regime te demonstreren met spandoeken of shirts met afbeeldingen van Assad. ‘Assad was erop gebrand dat sporters en kunstenaars hem zouden steunen, want zij hebben invloed op de mensen,’ zegt Ammo. ‘Als speler moest je aan die demonstraties meedoen.’
In 2015 ontving de FIFA een dossier vol bewijzen dat Syrië het verbod op politieke inmenging in het voetbal overtreedt. De afgelopen tien jaar heeft de FIFA op basis van dat verbod al twintig keer een land uitgesloten van internationaal voetbal. Maar op het rapport ‘Oorlogsmisdaden tegen Syrische voetballers’ reageerde de FIFA alleen met de mededeling dat ‘de tragische omstandigheden ver buiten het bereik van de sport vallen’.
Spelen voor het nationale elftal ervoer hij als “een schandvlek”. “Ik kon het gewoon niet meer. Het voelde als verraad aan iedereen die door de dictatuur was vermoord”
Mark Afeeva, een in sportzaken gespecialiseerde advocaat in Londen, vindt Syrië ‘een duidelijk geval van systematische staatsinmenging in de sport’ en zegt: ‘De wereldvoetbalbond heeft simpelweg de ballen niet om op te treden tegen wat overduidelijk een zeer kwalijke zaak is.’
Fadi Dabbas, vicevoorzitter van de Syrische voetbalbond en teamchef van het nationale elftal, wijst alle beschuldigingen van de hand. Volgens hem zijn ze afkomstig van spelers in ballingschap die tegen het regime zijn: ‘De regering beschermt het Syrische volk, en hun probleem is dat zij Syrië verlaten hebben en alleen voor zichzelf spreken.’
De mogelijke WK-deelname van Syrië stelt niet alleen de FIFA, maar ook spelers en supporters voor een moreel dilemma. Honderden Syrische spelers zijn het land ontvlucht. Daaronder ook voormalige leden van de nationale selectie, zoals verdediger Firas al-Ali. Kort nadat zijn nichtje van dertien bij een regeringsaanval was omgekomen, is hij Syrië halsoverkop ontvlucht. Nu zit hij in een tentenkamp bij Karkamis, aan de Turkse grens. Spelen voor het nationale elftal ervoer hij als ‘een schandvlek’, zegt hij. ‘Ik kon het gewoon niet meer. Het voelde als verraad aan iedereen die door de dictatuur was vermoord. Die spelers voeren de vlag des doods.’
Seremban, Maleisië. Een klamme middag in september 2016. In de lobby van The Royale Bintang Resort & Spa zitten de spelers van het Syrische nationale elftal te wachten op de bus die hen naar het trainingsveld moet brengen. Hun thuiswedstrijd in de derde kwalificatieronde spelen ze hier in Maleisië, want het Syrische team is als een weeskind dat van pleeggezin naar pleeggezin zwerft. Normaal werkt het zijn thuiswedstrijden af in het stadion van Damascus of Aleppo, maar dat mag niet meer van de FIFA, omdat de veiligheid van spelers en supporters daar niet gegarandeerd is. In de tweede speelronde kon Syrië zijn thuiswedstrijden nog afwerken in Oman, maar ditmaal kon het team nergens in het Midden-Oosten terecht. Enkele dagen voor de eerste wedstrijd deed Macau een aanbod, dat al snel weer werd ingetrokken. In arren moede heeft de Syrische bond nu zijn toevlucht genomen tot Seremban, een industriestad aan de andere kant van de Indische Oceaan, meer dan 7500 kilometer van Syrië vandaan.
De spelers hebben een afmattende reis achter de rug. ‘Eerst hoorden we dat we zouden spelen in Qatar, toen in Libanon of Macau,’ zegt aanvoerder Abdulrazak al-Hussein. ‘Ik weet niet hoe het precies gegaan is. Je zou toch niet steeds overal geweigerd moeten worden.’ Drie dagen eerder hebben ze uit met 1-0 verloren van Oezbekistan. Na de lange reis hierheen moeten ze over twee dagen aantreden tegen Zuid-Korea. Tien jaar geleden speelden ze al eens in eigen land tegen dat team, voor 35.000 man publiek. Terwijl ze zitten te wachten, vragen de spelers zich af hoeveel supporters er ditmaal zullen opdagen. ‘Hopelijk toch wel drie,’ zegt er een lachend.
Met al deze problemen is het helemaal een wonder dat het team nog niet is uitgeschakeld. Naast de logistieke problemen en het ontbreken van belangrijke spelers zit de nationale ploeg ook op zwart zaad. Sancties van de EU en de VS hebben de FIFA gedwongen om de ontwikkelingsgelden voor het Syrische voetbal te bevriezen. Hier in Seremban trainen ze op een armetierig veldje om geen 3500 dollar veldhuur aan het stadion te hoeven betalen, zegt Kouteiba al-Refai, de gekweld kijkende secretaris-generaal van de bond, die zelf ook geen salaris ontvangt.
Na de tweede speelronde staat Syrië tweede in de groep, achter Japan. Het land is in 31 jaar niet zo dicht bij kwalificatie voor een WK geweest. Door de FIFA is het zwakke team op het schild geheven als de ultieme underdog. Op de website fifa.com staan verhalen over hoe het kleine land tegen de klippen op een WK-ticket in de wacht lijkt te slepen. ‘De prestatie van Syrië lijkt welhaast een wonder’, stond er in februari nog te lezen. Maar in al die verhalen blijft één detail steeds onvermeld: dat het elftal een regime vertegenwoordigt dat wordt beschuldigd van oorlogsmisdaden tegen de eigen bevolking. Impliciet onderschrijft de FIFA zo het standpunt van het regime dat het nationale elftal politiek neutraal is. Volgens Dabbas, de zakenman die optreedt als teamchef, willen ze ‘alle Syriërs verenigen’ en ‘de wereld laten zien dat Syrië nog leeft’. Tegelijkertijd laat hij er geen twijfel over bestaan dat ze ‘voor onze president’ spelen: ‘Elke Syriër in Syrië vertegenwoordigt president Assad, en zijne excellentie president Bashar al-Assad vertegenwoordigt ons. Wij zijn trots op onze president. We zijn trots op wat hij heeft bereikt. Wij willen hem bedanken voor wat hij voor ons land heeft gedaan, we staan achter hem en volgen zijn leiding.’ Volgens Dabbas volgt Assad de verrichtingen van het team op de voet.
Er zijn genoeg tekenen dat de nationale ploeg niet het hele Syrische volk vertegenwoordigt, maar vooral een wrede dictatuur die hiermee zijn menselijke gezicht wil tonen. In november 2015 verscheen toenmalig bondscoach Fajer Ebrahim op een persconferentie in een T-shirt met een foto van Assad. Het is Syrische vluchtelingen niet ontgaan dat hij het podium van het WK toen aangreep om Assad te prijzen als ‘de beste man ter wereld’. Ook toen hij in Kuala Lumpur door ESPN werd geïnterviewd, begon hij spontaan Assad te prijzen. ‘Zonder onze president zou Syrië worden vernietigd,’ zei hij. Op de vraag of een voetbalcompetitie de geëigende plek was voor politieke uitspraken, was zijn antwoord: ‘Alles heeft nu met alles te maken.’
Omdat het regime al duizenden critici heeft gemarteld en vermoord, is het soms moeilijk in te schatten hoe oprecht de uitlatingen van spelers en leden van de technische staf zijn. Volgens Anas Ammo zijn familieleden van sommige spelers opgepakt of gedood. ‘Ze moeten in feite wel spelen om hun familieleden in leven te houden,’ zegt Ammo, die ons verzoekt geen namen te noemen, om spelers en hun familie niet in gevaar te brengen. Andere spelers zijn oprecht trouw aan Assad. Maar Ammo zegt ook van twee spelers te weten dat ze bang zijn dat de overheid hun paspoort intrekt, zodat ze niet meer in het buitenland kunnen spelen. Volgens hem zou een groot deel van het team ervandoor gaan als hun paspoort niet kon worden ingetrokken.
‘Wat ik ook doe, twaalf miljoen Syriërs zullen me toejuichen en de andere twaalf miljoen zullen mijn bloed willen drinken’
Nauwelijks bekomen van de lange vliegreis treden de Syriërs op een benauwde avond in september aan in het Tuanku Abdul Rahman-stadion in Seremban. Dat heeft een capaciteit van 45.000 man, maar ondanks de gratis toegang zitten er nog geen vijfduizend toeschouwers. Ter hoogte van de middenlijn zit een honderdtal Syriërs hun team aan te moedigen, vooral studenten die zijn overgekomen uit Kuala Lumpur. Het altijd sterke Zuid-Korea speelt dreigend maar komt niet tot scoren, en al snel is Syrië alleen nog bezig om er een 0-0 uit te slepen, en daarmee zijn eerste wedstrijdpunt in deze speelronde. Om de zoveel minuten gaat er weer een Syriër naar de grond om tijd te rekken. De supporters rollen een spandoek uit: een enorme foto van Assad. ‘Syrië, Syrië,’ scanderen ze. Beveiligers snellen toe en laten het spandoek weghalen. Dan klinkt het eindsignaal: 0-0. Iemand van de technische staf maakt een radslag en de reservespelers stormen het veld op. ‘Dit is geen prestatie, dit is een wonder,’ zegt aanvoerder Hussein na afloop. ‘Vandaag hebben we bewezen dat we niet gewoon spelers zijn, maar helden.’
Dan Berlijn. Een ijskoude, regenachtige middag in februari. Een andere werkelijkheid. Twee dozijn Syrische vluchtelingen dicht opeengepakt in de kleedkamer van de SV Buchholz, een amateurclub die uitkomt op het achtste niveau. Een grijze keet met een sportveldje, midden in een woonwijk. Een voor een trekken de Syriërs een groen voetbalshirt uit een papieren zak. Voor het raam hebben ze de vlag van de Syrische revolutie gehangen – groen-wit-zwart met drie rode sterren. Ten minste twee teams, een in Turkije en een in Duitsland, voetballen namens het Vrije Syrië. Alle spelers hier in Berlijn maken deel uit van de Syrische vluchtelingenpopulatie, inmiddels al bijna zes miljoen mensen groot. Er zitten veteranen bij uit de Syrische competitie; volgens hun coach Nihad Saadeddine vertegenwoordigen ze ‘de mensen die zijn onderdrukt door het regime’ en ‘de sporters die hun leven hebben gegeven voor hun land’.
Dan druppelen ook de spelers van SV Buchholz binnen. Opgewekt en zorgeloos, blond en kerngezond, als modellen uit een Duitse reisbrochure. De Syriërs vormen zelfs in hun nieuwe tenues nog een verfomfaaid groepje, een verzameling mannen die met de moed der wanhoop strijden voor de goede zaak. ‘Veel van onze spelers hier hebben gevangengezeten of zijn gewond geraakt,’ zegt Saadeddine. Hij is 35 maar ziet er tien jaar ouder uit, met dun haar en holle ogen. Hij was middenvelder, maar zegt tijdens het beleg van Homs in zijn knie te zijn geraakt door een sluipschutter; daarna raakte hij praktisch bedolven onder een muur waarachter een mortiergranaat insloeg toen hij vrouwen en kinderen uit een woning probeerde te halen. Eenmaal in Oostenrijk, waar hij nu woont, stelden artsen drie wervelbreuken bij hem vast. Hij geeft zijn spelers een peptalk: ‘Wij vechten ergens voor, jongens: wij willen de misdadigheid van dit regime aan de kaak stellen en laten zien wat ze met sporters en andere gevangenen doen. In het team van het Vrije Syrië vertegenwoordig je miljoenen mensen.’
Een van de spelers is Jaber al-Kurdi. Hij werd in 2013 door het regime opgepakt in Hama, waar hij bij de club Taliya speelde. Kurdi zegt dat hij achter de oppositie stond maar nooit een wapen heeft opgenomen. ‘Hoe zouden deze handen een geweer moeten vasthouden?’ zegt hij. ‘Meisjeshanden zijn nog groter.’ Het enige wat hij gedaan heeft, zegt hij, was in demonstraties meelopen en vluchtelingen helpen met kleding en onderdak. ‘Ik kan niet tegen bloed. Maar toen ik mensen in mijn stad zag die in parken en op straat sliepen, kon ik niet werkloos toezien.’
De gevangenissen van Assad worden door Human Rights Watch ‘een martelarchipel’ genoemd. Kurdi werd zonder vorm van proces vastgehouden in verschillende detentiecentra in Hama, Homs en Damascus. Op de ‘Palestijnse’ afdeling van de militaire inlichtingendienst in Damascus werden zijn voetzolen met een rubberslang bewerkt en kreeg hij elektrische schokken op zijn hoofd. Hij werd een week lang opgesloten in een klein hok waarin hij zich nauwelijks kon verroeren en niet eens ruimte had om te gaan zitten. ‘Het was daar koud, en af en toe kwamen ze even langs om me nat te gooien met water en gingen dan weer weg,’ zegt Kurdi. Na negen maanden werd hij voorgeleid bij een militaire rechter, die zijn vrijlating gelastte. De bewaker van wie hij zijn bezittingen terugkreeg – een lege portemonnee – maakte met een mes ook nog snel een jaap in zijn wijsvinger. ‘Als aandenken,’ zei hij erbij. Kurdi laat het kleine litteken zien.
Hier in Duitsland is hij in therapie voor zijn terugkerende nachtmerries, waarin Syrische veiligheidsagenten hem achterna zitten in de platgebombardeerde straten van Hama. ‘Ik ben hier niet gelukkig,’ zegt hij, als hij tijdens een gesprek in tranen uitbarst. ‘Duitsland heeft ons opgenomen en biedt ons veiligheid, daar zijn we dankbaar voor. Maar geestelijk zijn we niet gelukkig. Ons volk wordt afgeslacht.’
Er is één naam die in bijna elk gesprek met de voetballers valt: die van Jihad Qassab, een veertiger die vroeger de ster was van Karama in Homs. Het is niet duidelijk waarom deze oud-middenvelder op 19 augustus 2014 is opgepakt. Hij is nooit berecht. Zijn familie en vrienden denken dat hij in de militaire gevangenis in Saydnaya is beland, het duistere hart van Assads martelarchipel. Volgens Amnesty International, dat zich baseert op getuigenverklaringen, worden de sterkere gevangenen daar door bewakers gedwongen om de zwakkere te verkrachten. Er worden continu mensen afgetuigd. In een ondergrondse executieruimte kunnen tientallen gevangenen tegelijkertijd worden opgehangen. Amnesty noemt Saydnaya ‘een slachthuis’ en schat dat er in vier jaar tijd bijna 13.000 gevangenen zijn geëxecuteerd.
Vorig jaar september, twee jaar na zijn verdwijning, werd bekendgemaakt dat Qassab is overleden. Dat nieuws kwam naar buiten via moskeeën in Homs en werd opgepikt door sociale media, het Syrisch Netwerk voor Mensenrechten en reguliere media. Nadere details zijn niet bekendgemaakt. ‘In elk ander land zou Jihad zijn geëerd om zijn verdiensten voor de sport,’ zegt Mohamed Hameed, oud-speler van Karama en een goede vriend van Qassab. ‘In Syrië, onder Assad, wordt hij opgepakt en gemarteld.’
Qassabs stoffelijke resten zijn volgens zijn vrienden nooit vrijgegeven, en sommigen zijn ervan overtuigd dat hij nog leeft. Rashad Shamma, die hem goed kende, zegt dat hij bij zijn snoepwinkeltje in Saoedi-Arabië een kleine herdenkingsdienst voor Qassab heeft gehouden. Het is tekenend voor de onwerkelijke sfeer van geweld in Syrië dat een ster als Qassab zomaar kan verdwijnen, dood worden verklaard en worden herdacht in een ceremonie, en dat Shamma vervolgens rustig kan zeggen: ‘Misschien leeft hij nog. Wie zal het zeggen?’
Fadi Dabbas van de Syrische voetbalbond zegt desgevraagd dat hij nog nooit van de man heeft gehoord. Als hij erop wordt gewezen dat Qassab meer dan tien jaar in de Syrische competitie heeft gespeeld, zegt hij: ‘Ik weet niet wat er met hem is gebeurd nadat hij bij zijn club is gestopt. Ik heb daar geen informatie over.’
In Berlijn mogen de gevluchte Syriërs dan een symbolische strijd voor hun land voeren, voor het handjevol Duitse toeschouwers dat op die kille zondagmiddag in de gestage regen staat te kijken verliezen ze met 5-2 van SV Buchholz. De wedstrijd heeft iets heroïsch en tegelijkertijd iets ongemakkelijks. De Syriërs maken het eerste doelpunt, uit een prachtige voorzet van de zijkant, maar in de tweede helft worden ze weggespeeld door de Duitsers. Die zijn veel beter in conditie en kunnen regelmatig trainen: de Syriërs zijn de vorige dag pas voor het eerst bij elkaar gekomen. Een Syrische verdediger krijgt bij een van de vele Duitse schoten op doel de bal keihard in zijn gezicht. Hij blijft minutenlang uitgeteld op de grond liggen voordat hij weer opstaat en wankel wegloopt.
‘Ik kan hier niet meer over praten. Sorry, het spijt me enorm. Het is beter voor mij, beter voor mijn land, beter voor mijn familie, beter voor iedereen als ik daar niet meer over spreek’
De Vrije Syriërs willen een alternatief vormen voor het nationale elftal van Assad. Maar dat blijkt deze middag een ijle droom. Syrië heeft maar één echt nationaal elftal, en de spelers die goed genoeg zijn om daarvoor geselecteerd te worden, moeten zelf beslissen wat dat team volgens hen vertegenwoordigt.
Toen Firas al-Khatib in juli 2012 besloot het nationale elftal de rug toe te keren, stond zijn stad Homs in brand. Khatib is een van de bekendste inwoners van Homs en een van de beroemdste Syrische sporters – al sinds zijn tienerjaren is hij een ster. Begin deze eeuw verliet hij zijn land voor een voetbalcarrière die hem van België via China uiteindelijk naar Koeweit voerde, waar hij nu al meer dan tien jaar in de competitie speelt en topscorer aller tijden is. Met de miljoenen die hij verdient, heeft hij meebetaald aan een straat in zijn stad Homs, de Al Khatib-straat, met een voetbalveld en een moskee die ook zijn familienaam draagt. Maar al verdiende hij zijn geld in het buitenland, hij kwam altijd terug naar Syrië om voor zijn land uit te komen. ‘In het nationale elftal heb je 24 miljoen mensen achter je, 24 miljoen Syriërs die hopen dat je wint,’ zegt hij.
Toen hij bij een demonstratie in Koeweit aankondigde geen interlands meer te willen spelen, was dat een tegenslag voor Assad. Gehuld in een sjerp in de kleuren van de revolutie zei Khatib tegen de uitzinnige menigte: ‘Ik wil hier in het bijzijn van de media zeggen dat ik niet meer voor het Syrische elftal zal spelen zolang er in Syrië bommen vallen.’ Khatib werd op de schouders gehesen en toegejuicht.
Als we hem in februari spreken, kost het hem moeite om uit te leggen waarom hij nu misschien toch weer voor zijn land wil uitkomen. Aan de misdaden tegen de burgerbevolking is immers nog geen eind gekomen. ‘Het is heel ingewikkeld wat er allemaal is gebeurd,’ zegt hij. ‘Ik kan hier niet meer over praten. Sorry, het spijt me enorm. Het is beter voor mij, beter voor mijn land, beter voor mijn familie, beter voor iedereen als ik daar niet meer over spreek.’
Maar er valt wel iets af te leiden uit de dingen hij zegt. Bijvoorbeeld dat hij al zes jaar niet meer in de Al Khatib-straat is geweest. En zijn vader niet meer ziet, die vanwege zijn gezondheid niet kan reizen. ‘Dit is de moeilijkste tijd in mijn leven,’ zegt hij. ‘Ik wil niet terugkeren om voor het nationale elftal te spelen of voor of tegen de regering te kiezen. Ik wil naar Syrië als burger die terugkeert naar zijn land. Ik wil mijn ouders eindelijk weer zien, en mijn broers.’ Khatib zegt dat hij nog steeds droomt van een carrière in Homs als voorzitter van de lokale club Karama.
Toen Khatib zijn boycot aankondigde, heerste alom het idee dat het regime van Assad op omvallen stond. ‘Dat was een goede revolutie,’ zegt hij. ‘Mensen wilden vooruitgang, een sterker land, een beter leven.’ Nu zit Assad weer vast in het zadel. Zijn regering heeft niet alleen Homs, maar sinds december ook Aleppo weer in handen, ooit de dichtstbevolkte stad van het land. De Syrische profcompetitie, lange tijd beperkt tot de steden Damascus en Latakia, kan nu ook weer in andere delen van het land worden gehouden. Eind januari speelden Ittihad en Hurriya, de twee aartsrivalen uit Aleppo, hun eerste stadsderby sinds 2012. De regering buitte het meteen uit als een symbool van de teruggekeerde rust.
‘Ik heb gezegd dat ik niet wilde spelen zolang er geen eind kwam aan dat moorden, al die doden,’ zegt Khatib. ‘Nu vraag je waarom ik van standpunt ben veranderd. Het is een voetbalbeslissing, geen politieke beslissing. We willen gelukkig zijn, we willen iets waar we blij van worden. In Syrië zijn nu alleen dingen die ons verdrietig maken.’
Hij heeft op dat moment nog vijf weken de tijd om te beslissen of hij meespeelt met de volgende wedstrijd. Na de 0-0 tegen Zuid-Korea heeft Syrië gewonnen van China en gelijkgespeeld tegen Iran, de nummer één van de groep. Syriës WK-debuut is binnen bereik.
Maar hoe kan Khatib meespelen in de ploeg van een regering die burgers blijft bombarderen en zich schuldig maakt aan moord en marteling op ‘mensen van wie je houdt, op ploeggenoten’? ‘Een heel, heel, heel moeilijke vraag,’ zegt Khatib met een klaaglijke glimlach. ‘Ik kan er niet over praten, echt. Ik wil wel. Maar het gaat niet.’
Paradijs op aarde
Andere spelers piekeren er niet over om ooit nog voor Assad te spelen. Firas al-Ali bijvoorbeeld. ‘Voor mij was Syrië een paradijs op aarde,’ zegt de voormalige verdediger van het nationale elftal. Maar hij zit niet meer in Syrië en al helemaal niet in een paradijs. Het vluchtelingenkamp bij het Turkse Karkamis heeft meer weg van een open gevangenis. De bijna zevenduizend bewoners van dit tentenkamp (waaronder bijna tweeduizend kinderen) zijn vrij om te gaan – maar ze kunnen nergens heen.
Vroeger had Ali drie huizen. Nu passen al zijn bezittingen in een van de honderden strak in het gelid opgestelde tenten op de zongeblakerde droge grond. Zijn tent is precies even groot als alle andere, binnen is alles keurig netjes ingericht. Witte glasgordijnen langs de wand, een oosters tapijt op de houten vloer. Een U-vormige zithoek van fleurige kussens. Op een kookplaatje staat een klein zilveren theepotje te pruttelen en er staan zelfs een kleine tv en een koelkastje. Hier woont Ali (31) nu al drie jaar met zijn vrouw en drie kinderen. Zijn jongste dochter Aysha is hier geboren. Voor Syrische voetballiefhebbers moet het onvoorstelbaar zijn: hun ster in zulke primitieve omstandigheden. Bij Shorta, een van de Syrische topclubs, verdiende hij meer dan een ton per jaar, een fortuin in Syrië. En hij zat in de nationale selectie. ‘Uit de 23 miljoen inwoners werd ik gekozen als een van de beste twintig van mijn land,’ zegt hij. ‘Ik was beroemd en werd overal herkend. Financieel had ik niets te klagen. Het kwam nooit in me op om naar het buitenland te gaan.’
Nu is Ali een vluchteling. En hij zegt liever hier te blijven dan ooit nog voor Syrië uit te komen. In 2011 werd zijn geboortestad Hama aangevallen door regeringstroepen. Zijn negentienjarige neef Adbullah, een student aardrijkskunde, werd doodgeschoten bij protesten. Later kwam een nicht van hem om toen haar huis werd geraakt door een van de vatenbommen die de regeringstroepen over woonwijken uitstrooien. Ali was kort na de inslag ter plekke. ‘Het is een nachtmerrie als iemand zo aan stukken gereten wordt,’ zegt hij. ‘Ze was vrij fors, maar we hebben niets meer van haar teruggevonden.’ Ali begon mee te lopen in demonstraties, met gezichtsbedekking omdat hij zo herkenbaar was. Hij had het gevoel dat hij een dubbelleven leidde: tegen Assad protesteren op straat en voor hem spelen op het voetbalveld.
Op een ochtend kwam hij in het Abbasiyyin-stadion in Damascus voor de training en zag dat er een legerbasis van was gemaakt. ‘Wij hadden de helft van het stadion om te trainen, de andere helft was voor de Vierde Divisie. Ik zag het met mijn eigen ogen! Artillerie op een sportveld. Vanuit het stadion waar ik aan het trainen was, rukten zij uit om demonstraties neer te slaan. Soms hoorde ik geweervuur buiten het stadion. En de demonstranten hadden toen nog geen wapens. De enige wapens waren in handen van de regeringstroepen.’
Fajer Ebrahim, de man met een foto van Assad op zijn T-shirt, was toen nog bondscoach. Hij zei openlijk dat de regering de opstand moest neerslaan. Door wedstrijden te winnen, hield hij zijn spelers voor, zouden ze de wereld laten zien dat de protesten weinig uithaalden. De meningen van de spelers waren verdeeld. Ali raakte gedemotiveerd, zijn prestaties gingen achteruit: ‘Ik was er niet bij met mijn hoofd. Al die vrienden en familieleden die stierven.’
Op trainingskamp voor een toernooi in India kreeg Ali bericht dat Alaa, zijn nichtje van dertien, was omgekomen bij een regeringsaanval op een dorp buiten Hama. Een halfuur later schoof hij met het nationale elftal aan voor het avondeten. Toen een van zijn ploeggenoten de demonstranten bespotte, gooide Ali een lepel naar zijn hoofd. De andere spelers moesten hen uit elkaar houden. Ali ging naar zijn kamer en belde zijn familie.
‘Ik stop ermee,’ zei hij tegen zijn zus.
‘Hoe bedoel je?’ vroeg ze.
’Ik wil nooit meer voor ze spelen,’ antwoordde hij.
Hij liet zich de volgende ochtend om half zes ophalen door twee van zijn broers, met wie hij in één ruk doorreed naar gebied dat in handen was van rebellen. Als bekend voetballer kon hij bij controleposten meteen doorrijden, de militairen wisten nog niet dat hij op de vlucht was. Zo belandde hij met zijn jonge gezin uiteindelijk in Turkije. Vrij, maar niet vrij van problemen. ‘Mijn banktegoeden werden door het regime in beslag genomen,’ zegt hij. ‘Ik had drie huizen, die zijn vernietigd. Een stukje grond, dat ben ik ook kwijt. Ik heb niets meer.’
We spreken hem bij het ‘winkelcentrum’ van het tentenkamp: een verzameling stalletjes waar van alles te koop is, van voedsel in blik tot kookgerei en stroomaggregaten. Een van de verkopers brengt Ali een schotel gegrild vlees, waarmee hij snel een stalletje induikt om te ontkomen aan de vele vliegen. Hij slijt zijn dagen vooral met het geven van voetballes aan de kinderen, voor wie hij hier een beroemdheid is. ‘Het is zwaar, maar ik heb nergens spijt van,’ zegt hij. ‘Hoe moet je je voelen als je speelt voor de vlag en het portret van de man die als enige verantwoordelijk is voor de dood en verdrijving van meer dan zeven miljoen Syriërs?’
Is Syriës nationale elftal niet meer dan een propagandawapen voor Assad, een middel om te doen alsof er niets aan de hand is? Anas Ammo’s antwoord op die vraag was het aanleggen van een mensenrechtendossier tegen de Syrische regering. Zo wil hij zijn steentje bijdragen aan de oppositie. Vroeger werkte hij als sportjournalist voor de Syrische krant Al-Watan en was hij onbezoldigd woordvoerder voor Ittihad, de grootste club van Aleppo. Nu houdt hij kantoor in Mersin, een kuststadje in Turkije. Vijf jaar geleden kwam hij tot het inzicht dat veel voetballers slachtoffer werden van Assads wrede onderdrukking en dat het regime zijn geliefde sport als propagandamiddel misbruikte. Tientallen spelers zijn gedood en duizenden op de vlucht gejaagd; volgens Ammo ‘is een complete generatie voetballers weggevaagd’. In de loop van de oorlog heeft het regeringsleger stadions in alle grote steden gebruikt als uitvalsbases of detentiecentra. Zo blijkt uit filmopnamen van activisten dat vanuit het Abbasiyyin-stadion in Damascus raketten werden afgevuurd. Maar volgens Fadi Dabbas van de voetbalbond zijn er nooit stadions voor militaire doeleinden gebruikt. Hij verwijt de westerse media partijdigheid.
Volgens de statuten van de FIFA moeten de aangesloten voetbalbonden ‘onafhankelijk en zonder inmenging van derden’ kunnen opereren. Op die clausule is de afgelopen tien jaar al 24 keer een beroep gedaan bij aanklachten tegen nationale bonden, resulterend in twintig schorsingen als gevolg van duidelijke overheidsbemoeienis. Zo werd Irak in 2009 geschorst omdat de regering het bestuur van de voetbalbond naar huis had gestuurd en vervangen door mensen van de veiligheidsdienst. In 2014 werd Nigeria geschorst omdat de regering het bondsbestuur had ontslagen na de teleurstellende resultaten op het WK in Brazilië. Volgens Ammo vormen ook het gebruik van het Syrische nationaal elftal als propagandamiddel en het gebruik van stadions voor militaire doeleinden een inbreuk op de FIFA-statuten. Door daar niet tegen op te treden maakt de FIFA zich volgens hem ‘medeplichtig aan alle tegen voetballers gepleegde misdaden en alle schade die is toegebracht aan stadions en sportfaciliteiten’.
Ammo mailde zijn informatie door aan Ayman Kasheet, een voormalige profvoetballer die asiel heeft gekregen in Zweden. In augustus 2014 reisde Kasheet naar Zürich om de FIFA hierop aan te spreken, maar hij kwam niet voorbij de receptie. Om iets te bereiken, begreep hij, moest hij een gedegen rapport opstellen. Hij volgde een cursus van Amnesty International over het documenteren van mensenrechtenschendingen. Dat resulteerde in een twintig pagina’s tellende ‘aanklacht’ namens ‘meer dan tweeduizend sporters die zijn afgesneden van de Syrische voetbalbond’. Het rapport bevat een lijst van tien spelers (waarvan negen met foto) die vermoedelijk gevangen worden gehouden door het regime, plus elf minderjarige en twintig meerderjarige spelers die door de regeringstroepen zouden zijn gedood. Ook bevat het rapport foto’s en filmpjes van stadions die door de strijdkrachten zijn bezet.
Als Kasheet de informatie eerst naar de FIFA mailt en het rapport vervolgens ook persoonlijk komt afgeven bij de receptie op het hoofdkantoor, hoort hij niets terug. Dan gaat hij in augustus 2015 weer naar het hoofdkantoor in Zürich, nu samen met een tolk die alles filmt. Na veel gesoebat krijgt hij Alexander Koch te spreken, het hoofd Communicatie. ‘Hij zegt dat het fijn zou zijn als de FIFA iets met dit rapport zou doen, want de enige manier om druk uit te oefenen is via de FIFA, omdat de voetbalbond daaronder valt,’ zegt de tolk tegen Koch. Koch lijkt wat van zijn stuk gebracht. ‘Het probleem is dat dit allemaal niet over het voetbal gaat,’ zegt hij. Volgens Koch moet Kasheet zijn klacht indienen bij de Syrische bond, zodat die weer een klacht kan indienen bij de FIFA. Kasheet probeert duidelijk te maken dat zijn aanklacht juist gericht is tégen de Syrische bond, die aan de leiband van Assad loopt.
Een maand later bevestigt de FIFA bij monde van vicesecretaris-generaal Markus Kattner dat deze zaak buiten de competentie van de bond ligt. ‘De FIFA steunt alle pogingen om te zorgen dat iedereen kan voetballen in omstandigheden die vrij zijn van geweld, en we danken u voor initiatief’, mailt Kattner, die korte tijd later ontslagen zal worden wegens financiële onregelmatigheden. Hij voegt er nog aan toe dat de in het rapport beschreven zaken de sport ‘overstijgen’.
‘Ik zal niet zeggen dat het nationale elftal de volle breedte van het Syrische volk vertegenwoordigt, maar het vertegenwoordigt wel een mooi verleden. Sport moet gescheiden blijven van het conflict’
‘De FIFA moest zich schamen,’ zegt een aangeslagen Kasheet als hij erop terugkijkt. Hij was er kapot van. ‘Ik vroeg de FIFA niet om meteen een beslissing te nemen, ik vroeg ze alleen om een onderzoek in te stellen. Als de informatie niet blijkt te kloppen, kunnen ze het altijd nog terzijde leggen.’
Op vragen van ons wil de FIFA niet ingaan. De woordvoerder stuurt alleen een algemene verklaring: ‘De FIFA heeft de afgelopen jaren van verschillende kanten – vaak tegenstrijdige – signalen gekregen over geweld met betrekking tot het voetbal in dat land. We begrijpen de tragische omstandigheden waarin dit plaatsvindt, maar als sportfederatie moeten wij ook beseffen dat deze zaken het domein van de sport ontstijgen, in een land dat verwikkeld is in een burgeroorlog.’ Volgens de woordvoerder kan de FIFA niets doen omdat er grenzen zijn ‘aan onze competentie en ons vermogen om de waarheid van de beschuldigingen in die complexe situatie te beoordelen’. Volgens advocaat Mark Afeeva wil de FIFA zich gewoon niet branden aan een politieke crisis waarin grote mogendheden een rol spelen, met name de VS en Rusland, gastland van het komende WK.
Op een koude avond in maart treden de teams van Zuid-Korea en Syrië aan in het World Cup Stadium in Seoul. De opzienbarendste verandering is dat Firas al-Khatib er sinds de wedstrijd tegen Oezbekistan van vorige week weer bij is. Khatib en de Syrische bond doen allebei alsof het niets bijzonders is. ‘De vorige keer was ik niet eens geselecteerd,’ zegt Khatib. Volgens de teamchef ‘was Khatib altijd welkom in het team’, maar was hij de vorige keer ‘door zijn situatie verhinderd’.
Khatib interviewen lukt nu pas na veel gesteggel met de persvoorlichter, die eerst nog eist dat we geen vragen stellen over politiek. Die garantie krijgt hij niet, maar Khatib wekt de indruk dat hij er zelf ook niet over wil praten. ‘We laten de politiek erbuiten en gaan het alleen over voetbal hebben,’ zegt hij. Het nationale elftal speelt volgens hem ‘voor het hele volk, voor heel Syrië’, niet alleen voor de regering. Niets doen is geen optie meer. ‘We kunnen niet zitten afwachten en doodgaan. We moeten iets doen voor onze familie, ons land, onze vrienden, onszelf.’
Dat pikt niet iedereen. Op sociale media zijn de reacties gemengd. Volgens Khatib staat 80 tot 90 procent van de voetballiefhebbers achter zijn terugkeer, maar uit de berichten op zijn Facebookpagina blijkt dat velen het als verraad beschouwen:
‘Het minste wat je over jou kunt zeggen, is dat je een verrader bent.’
‘Mensen als jij zijn nog geen ouwe schoen waard. Ik spuug op jullie eer, stelletje honden.’
‘Schaam je, Firas. Je woord is net zo weinig waard als dat van een kind. Ik spuug op je, vuile leugenaar.’
Anderen zijn milder. Mohammed al-Homsi, een media-activist in de door de regeringstroepen belegerde wijk Al Waer in Homs, zegt dat hij de verrichtingen van het nationale elftal nog wel volgt, omdat ‘sport het enige is wat ons met vroeger verbindt. Ik zal niet zeggen dat het nationale elftal de volle breedte van het Syrische volk vertegenwoordigt, maar het vertegenwoordigt wel een mooi verleden. Sport moet gescheiden blijven van het conflict.’
Khatib, die nog moet wennen in het team waarvan hij al vijf jaar geen captain meer is, begint op de bank. Zuid-Korea maakt al na vier minuten de 1-0. De rest van de avond hollen de Syriërs achter de feiten aan. Als Khatib er in de tweede helft in komt, wordt hun spel wel meteen aanvallender. Het stadion, ongeveer voor de helft gevuld met Koreanen, valt stil als de Syriërs herhaaldelijk dreigend voor de goal komen. Ineens staat Khatib links voor het doel, oog in oog met doelman Sun-Tae Kwoun. Zijn schot gaat vanaf een meter of drie recht op het hoofd van de keeper af. Die weet de bal weg te boksen en behoedt zo zijn hoofd en zijn doel voor verder leed.
In blessuretijd krijgt Khatib nog één kans die het publiek luid gegil ontlokt. Weer alleen voor de keeper lanceert hij vanaf bijna dezelfde plek opnieuw zo’n pegel, nu iets hoger. De bal knalt zo hard op de lat dat het tot op de tribune te horen is. Weer geen doelpunt. Khatib zegt teruggekeerd te zijn omdat hij Syrië – al is het maar even – uit zijn hel wil verlossen. ‘Hier doe ik goed aan,’ zegt hij. ‘Ik hoop dat ik het Syrische volk wat blijheid kan schenken.’ Vanavond nog niet. Na de 1-0 nederlaag komt Syrië met slechts drie wedstrijden te gaan nog vier punten te kort voor de derde plek en lijkt de kans op een WK-ticket verkeken.
Een week later is er weer nieuws uit Syrië. Khatib had gezegd dat hij geen interlands meer zou spelen zolang Assad nog burgers doodt. Nu heeft het regeringsleger een aanval met sarin gepleegd op een rebellendorp bij Khan Shaykhun. De beelden zijn gruwelijk: stuiptrekkende en schuimbekkende slachtoffers met pupillen zo klein als speldenknopjes. Halfblote kinderen die in een plas water naar adem liggen te happen.
Steve Fainaru is senior writer voor sportplatform ESPN. Hij won in 2008 een Pulitzerprijs voor internationale verslaggeving en is co-auteur van het boek League of Denial, over hersenletsel in het American Football.
ESPN
Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 1.536.346
In 1998 opgericht als aanvulling op het gelijknamige televisienetwerk dat 24 uur per dag sportgerelateerde programma’s uitzendt. Het blad is eigendom van de Disney-groep en wist een plek op de markt te veroveren naast Sports Illustrated, waarvan wekelijks 3 miljoen exemplaren over de toonbank gaan. De luchtige lay-out en rijk geïllustreerde verhalen wonnen veel prijzen.
CONTEXT
24 miljoen mensen telde de bevolking van Syrië in 2011
11,4 miljoen mensen bleven waar ze waren
6,6 miljoen mensen zijn op de vlucht in Syrië
470.000 Syriërs kwamen om het leven
5 miljoen Syriërs zijn gevlucht naar het Midden-Oosten en Afrika
900.000 Syriërs zijn gevlucht naar Europa
38 voetballers uit de eerste en tweede divisie zijn door het regime van Assad om het leven gebracht.
Dankzij een gelijkspel in de uitwedstrijd tegen Iran, op 5 september jl. in Teheran, heeft Syrië zijn kansen behouden om zich voor de eerste keer in de geschiedenis te plaatsen voor het eindtoernooi van een WK voetbal. De gelijkmaker viel diep in blessuretijd. Iran is een van de twee landen die de Syrische president Bashar al-Assad met hun steun in staat hebben gesteld zich staande te houden in de burgeroorlog die nu al zes jaar woedt. Het Syrische elftal moet nu in oktober twee play-offwedstrijden spelen tegen Australië voor een plek in de allerlaatste kwalificatieronde, in november, tegen de nummer vier van Noord- en Midden-Amerika. Het team speelt zijn ‘thuiswedstrijden’ in Maleisië. Deze beslissing van de wereldvoetbalbond FIFA was een tegenslag voor Assad, die de indruk probeert te wekken dat het leven in de gebieden in Syrië die onder controle van het regeringsleger staan, weer normaal verloopt. Het WK voetbal 2018 wordt gespeeld in Rusland, naast Iran eveneens een bondgenoot van Assad in de burgeroorlog.
De voetbalwedstrijd Iran-Syrië op 5 september jl. in Teheran heeft beroering gewekt, omdat Syrische vrouwen wel en Iraanse vrouwen niet werden toegelaten tot het Azadistadion. Iraanse vrouwen waren echter wel, voor het eerst in de geschiedenis, in staat gesteld in de voorverkoop kaartjes te kopen. Maar toen enkele vrouwen op de dag van de wedstrijd naar binnen wilden, werden zij tegengehouden. Syrische vrouwen daarentegen mochten doorlopen naar de tribunes.
De controle bij de ingang was streng. Iraanse vrouwen die zich voordeden als vrouwen uit Syrië en als ‘bewijs’ daarvan een Syrische vlag meevoerden, kwamen ook niet door de controle.
De populaire voetbalcommentator Peyman Yousefi beklaagde zich er een paar minuten voor aanvang van de wedstrijd openlijk op de televisie over dat er geen Iraanse vrouwen op de tribunes aanwezig mochten zijn. Een groepje vrouwelijke Iraanse parlementariërs had het ministerie van Jeugd- en Sportzaken toestemming gevraagd de wedstrijd te bezoeken, en de drie vrouwelijke afgevaardigden die zich bij het stadion meldden, werden inderdaad toegelaten. Maar de vrouwelijke afgevaardigde Parvane Salahshouri weigerde van dit voorrecht gebruikt te maken. ‘Ik protesteer tegen het feit dat maar een handjevol vrouwelijke parlementariërs wordt toegelaten, en niet willekeurig welke Iraanse vrouw.’
Shahindokht Mowlaverdi, de (vrouwelijke) woordvoerder van de gematigde Iraanse president Hassan Rohani, liet weten: ‘Volgens onze Wet op de Burgerrechten hebben alle burgers, en vrouwen in het bijzonder, het recht om alle nationale en internationale sportwedstrijden bij te wonen, zolang zij de Iraanse en islamitische cultuur daarbij in acht nemen.’
Hervormingsgezinde kranten leverden eveneens commentaar. Vaghaye Etefaghie publiceerde op de voorpagina een foto van een Syrische vrouw in het stadion met als bijschrift ‘De enige winnaar van de wedstrijd’, terwijl de krant Bahar tegen het niet toelaten van Iraanse vrouwen protesteerde onder de kop ‘De Iraanse Paradox’.
Op het wereldkampioenschap scrabble in het Grand Palais in Lille strijden Engelsen, Nigerianen en Israëliërs om de titel. Stuk voor stuk briljante rekenaars, gezegend met een reusachtig vocabulaire. Toch draait het eigenlijk maar om één man: Nigel Richards, de god van het spel.
Keuze uit het archief
Terwijl wereldwijd de ogen gericht zijn op de schaatsers, snowboarders, ijshockeyers en kunstschaatsers in Beijing, wordt door een stel taalvirtuozen een heel ander soort topsport beoefend, haast als een religie, met een eigen god. Het scrabbelen werd nooit echt als professionele sport erkend, ondanks miljoeneninvesteringen en bovendien een maatschappelijk belang: door de verkommering van onze cognitieve vaardigheden, zouden steeds meer mensen naar ‘de simpelste verklaringen van de nationalisten’ luisteren.
Zal scrabble de verdiende erkenning ooit krijgen?
‘We hadden online goede bezoekersaantallen. Dat geeft me hoop. Misschien ziet de wereld langzaam in hoe geweldig de scrabblesport is.’
De plek waar vele duizenden woorden bedacht worden – sterker nog: waar alleen woorden tellen – is tegelijkertijd misschien wel de zwijgzaamste van de stad. Door de hallen van het Grand Palais in Lille klinkt alleen het rammelen van de letters, die de spelers met een plechtig gezicht uit de groene zakjes pulken. Daarom klinkt het wereldkampioenschap scrabble niet als een evenement dat meer dan vierhonderd mensen uit dertig landen in een congrescentrum bijeengebracht heeft. Eerder als een bos vol tjirpende plastic krekels. Diep geconcentreerd zitten de tegenstanders aan lange rijen tafels tegenover elkaar. Verdiept in duels waarin ze maar al te snel een anagram over het hoofd zien, bonuspunten laten liggen, of de letters van de tegenstander verkeerd inschatten. De jarenlange dagelijkse trainingen, de uit het hoofd geleerde woordenboeken en niet in de laatste plaats de sociale ontberingen zouden vergeefs zijn geweest als U, Q, A, L, T, I, E niet snel genoeg ‘TEQUILA’ oplevert. En ook het prijzengeld van 7000 euro zou verspeeld zijn. Omdat de meeste deelnemers welgestelde academici zijn, zou dit nog de overkomelijkste narigheid zijn. Maar de roem en erkenning in deze kleine maar tegelijkertijd wereldwijde, op het maniakale af hartstochtelijke gemeenschap, zouden onherroepelijk buiten bereik blijven.
Wie gezien heeft hoe toegewijd al deze hyperintelligente mensen zitten te staren naar klompjes letters, een week lang, volkomen ongevoelig voor de uit alle macht lokkende Franse septemberzon, die vraagt zich niet af wat scrabble is, maar: wat is scrabble voor wie? Welnu, voor het grootste deel van de ongeveer honderd miljoen huishoudens die het bordspel intussen bezitten, is het een aardig puzzelspel voor af en toe. Een familiespel waarbij het erom gaat uit zeven willekeurig getrokken letters zo lang mogelijke woorden te maken en deze horizontaal of verticaal aan elkaar te leggen.
Sport
Voor de Amerikaanse architect Alfred Mosher Butts, die in 1931 de oervorm van scrabble (toen nog Lexiko geheten) op de markt bracht, was zijn uitvinding decennialang allesbehalve een commercieel succes. Butts, geïnspireerd door kruiswoordraadsels, wilde een spel maken dat alleen gewonnen kon worden door iemand die er niet alleen goed in is, maar ook geluk heeft.
De ondernemer in geluk en vaardigheid raakte ál zijn tweehonderd zelfgemaakte spellen kwijt. En in 1948 ook de rechten op zijn idee, die de Britse advocaat James Brunot voor een heel schappelijke prijs van hem kocht. Butts behield een aandeel van 2,5 cent per verkocht exemplaar. Of Brunot nu commercieel bedrevener was of gewoon meer geluk had: algauw was Lexiko, dat hij omdoopte tot Scrabble, zijn ticket naar rijkdom. In slechts drie jaar verkocht Brunot in totaal 90.000 exemplaren. Niet veel later volgden contracten voor de massaproductie in Noord-Amerika, Canada en Europa.
Voor de spelers in Lille is scrabble heel duidelijk een sport. Al sinds 1991 nemen de coryfeeën elk jaar in hun eigen landstaal deel aan het wereldkampioenschap scrabble. Onbetwist het belangrijkste is het Engelstalige toernooi, waaraan slechts de eerste 72 spelers op de wereldranglijst mogen deelnemen. Voor hen is scrabble een hartstochtelijk bedreven sport waar je veel voor moet laten, en waarin het niet om fonetische schöngeisterei gaat, maar om mathematische berekening. Want een woord is maar zo goed als de positie waarin het ligt. In wezen opent elke zet nieuwe aanlegmogelijkheden voor de tegenspeler, ook dat moet berekend worden. Waarbij je tegelijkertijd moet taxeren welke waarden de komende letters van de tegenstander zullen hebben.
Behalve talent voor tellen en rekenen moet je ook een schier onmenselijke woordenkennis bezitten. Een normale sterveling heeft een vocabulaire van omstreeks vierduizend woorden. Een professionele scrabblespeler ongeveer het tienvoudige. (Er zijn 140.000 door het scrabblewoordenboek SOWPODS erkende [Engelse] woorden.)
In een professionele scrabblewedstrijd beschikken de spelers elk over in totaal 25 minuten speeltijd. Wie klaar is met zijn beurt, drukt op de klok. Zijn tijd staat stil en die van de tegenstander begint te tikken – net als bij schaken. Tijdoverschrijding wordt bestraft met puntenaftrek. Een scheidsrechter is er niet. Beide spelers zijn verplicht de eigen zetten en die van de tegenspeler op formulieren in te vullen. Bestaat er onenigheid over een woord, dan kan men het aanvechten. Dan lopen de partijen naar een computer, tikken het problematische woord in en laten de scrabblesoftware het oordeel vellen.
Na 24 voorronden gaan de acht best geplaatste spelers door naar de play-offs, waar ze met elkaar uitmaken wie er kampioen wordt. Voor deze acht uitverkorenen is scrabble geen speelveld voor woordacrobaten of slimme rekenaars. Voor hen is het het slagveld van de grote strategen: het leven zelf.
Wellington Jighere uit Nigeria is een van de uitverkorenen die de scrabble-Olympus tot dusver beklommen hebben. (Waarom in al die jaren uitsluitend mannen op deze eenzame top gestaan hebben, daar komen we nog op terug.) En hoe! Bij het wereldkampioenschap van 2015 in het Australische Perth triomfeerde de sociale wetenschapper in de finale tegen Lewis Mackay. Geen Afrikaanse speler was het ooit gelukt om de eindzege te behalen. Dat Jighere van een Brit won, en dus van een vertegenwoordiger van de oude koloniale macht, ja, dat hij hem overklaste – in zijn eigen taal – dat kun je politiek interpreteren. Maar Jighere doet dat niet: ‘Veel mensen vatten mijn overwinning inderdaad politiek op. We leven nu eenmaal in een politieke wereld. Maar dat is niet hoe ik de dingen zie.’ Hoe hij het wel ziet, wil hij echter ook niet zeggen. En het wordt nog onduidelijker als hij eraan toevoegt: ‘Het is de taal van de Engelsen. Maar wij hebben die onder de knie gekregen.’
In de politieke wereld belde de Nigeriaanse president hem in elk geval op, enkele minuten na afloop van de partij, om hem persoonlijk te feliciteren en te bedanken voor de dienst die hij het vaderland had bewezen. Op de luchthaven van Abuja kreeg Nigeria’s scrabbledelegatie vervolgens een heldenontvangst. ‘Delegatie’ is geen overdrijving, het is de officiële benaming van de ploeg, want scrabble wordt in Afrika’s dichtstbevolkte land door de staat gesubsidieerd. Op scholen is het een verplicht vak, en er bestaat een bruisend verenigingsleven. In het door bloedige conflicten tussen christenen en moslims geplaagde Nigeria heeft scrabble een neutraliserend, welhaast verbroederend effect. Om het zevenkoppige, multireligieuze team samen te stellen vonden maandenlange trainingskampen plaats, waarvoor de minister van Sport de vijftien beste spelers van het land had uitgenodigd. En toch stond tot kort voor de start van het toernooi niet vast of de Nigerianen wel mee konden doen, want de Franse ambassade weigerde visa te verstrekken. In een of ander ambassadekantoor in Parijs geloofden de ambtenaren niet dat zeven Nigerianen een week lang scrabble wilden spelen in Lille – en dan weer zouden verdwijnen.
Toen de visa toch nog kwamen, was dat voor een paar woordatleten al te laat, zodat nu slechts vier delegatieleden, vermoeid door een reis van twintig uur, aan de wedstrijd beginnen. Die vermoeidheid is Wellington Jighere, Karo Eta, Dennis Ikekeregor en Jack Mpakaboari aan te zien: vooral de wat katachtige oogleden in het gladde, ondoorgrondelijke gezicht van Jighere vallen steeds weer dicht. Toch is de 37-jarige kampioen er zeer op gebrand zich zijn rang waardig te tonen. Aan zijn hand fonkelt een zilveren polshorloge. Aan zijn voeten prijkt gepoetst krokodillenleer. Hij draagt een kostbaar blauw colbert om zijn schouders, die onder druk van de verwachtingen niet mogen gaan afhangen. Meneer de president heeft Jigheres telefoonnummer nog opgeslagen. ‘Een echte kampioen moet met druk om kunnen gaan, anders is hij geen kampioen. Ik had een heel goed toernooi en geluk in Australië. Maar HIJ is nog steeds de grootste,’ zegt Jighere eerbiedig. ‘HIJ’. Jighere spreekt het woord uit alsof hij over een god spreekt.
De man die allen in deze gemeenschap vereren en vrezen, die ze onophoudelijk vragen om een selfie met hen te maken, wekt de indruk van iemand die misschien niet eens zelfstandig een raam open kan doen
God in de scrabblewereld heet Nigel Richards en komt uit Nieuw-Zeeland, waar hij geboren werd in de plaats met de beloftevolle naam Christchurch. Als God aankomt in het Grand Palais, scharen zijn bewonderaars zich onmiddellijk om hem heen, en hij schenkt menigeen een vriendelijk woord terwijl hij door hun rijen schrijdt. Al drie keer werd hij uitgeroepen tot de Engelstalige wereldkampioen. Vijf keer triomfeerde hij in Noord-Amerika. Zulke wonderen vermocht geen mens voor hem te verrichten. Onsterfelijk werd zijn geprezen naam echter pas toen hij in 2015 ook nog het Franstalige kampioenschap won. In een voorbereidingstijd van negen weken had hij zonder enige voorkennis een Frans woordenboek uit zijn hoofd geleerd!
Hoe fascinerend zou het niet zijn om van hem te horen wat de sleutel is tot de scrabblehemel, wat hem tot God heeft gemaakt, wat hem drijft, waarom God naar Kuala Lumpur is verhuisd, en of het klopt dat hij ieder woord identificeert met een getal voordat hij het in zijn onfeilbaar fotografisch geheugen opslaat. Maar God beantwoordt geen vragen. Principieel niet. ‘Zou u dan ten minste willen onthullen waarom u niet met de pers spreekt, mister Richards?’ God houdt heel even de pas in, laat een welwillend glimlachje doorschemeren, en verkondigt met een hoge, bijna overslaande stem: ‘Omdat u mij vragen zult stellen.’
Zo rest ons alleen de vrome aanschouwing van de hemelse verschijning uit de verte. Zijn golvende volle baard heeft Richards onlangs afgeschoren. Hij ziet er een beetje uit als Russell Crowe die zich uitstekend heeft voorbereid op zijn rol als meganerd. De man die allen in deze gemeenschap vereren en vrezen, die ze onophoudelijk vragen om een selfie met hen te maken, wekt de indruk van iemand die misschien niet eens zelfstandig een raam open kan doen. Sommigen beweren dat God zijn brood alleen met scrabbelen verdient. En dat hij in de voorbije twaalf jaar 200.000 dollar aan prijzengeld heeft opgehaald. Anderen berichten dat de Enige Echte vastgoed heeft geërfd, en dat zeer winstgevend verkocht heeft. Dat hij op werkdagen als ingenieur de bewakingssystemen van een Maleisisch beveiligingsbedrijf perfectioneert.
Het toernooi van de anderen
Omri Rosenkranz en Evan Cohen zijn niet vanuit Israël hierheen gepelgrimeerd om met God te concurreren. Rosenkranz, van nature uit de kluiten gewassen en stevig gebouwd, maar uit vrije wil mollig en feminien, zeker niet. De 38-jarige professor in de sociologie speelt in de B-divisie, de tweede rang om zo te zeggen, waarvoor iedereen zich kan kwalificeren door betaling van 100 euro. Waarschijnlijk is deze spelklasse daardoor demografisch duidelijk diverser: vijftienjarige Pakistani’s duelleren er met Finse senioren, vrouwen en mannen zijn bijna evenredig vertegenwoordigd. Het feit dat er in de A-divisie slechts twee vrouwelijke spelers meedoen, verklaart Rosenkranz als volgt: ‘Vrouwen zijn gewoon niet zo stom om zo veel voor dit spel op te offeren. Wil je in de wereldranglijst bovenaan staan, dan mag je eigenlijk noch een privéleven noch een gezin hebben.’ Een inschatting die Karen Richards en Natalie Zolty, de twee atypische vrouwen, voorzichtig bevestigen. Als enige speler van de Nigeriaanse delegatie neemt Jack Mpakaboari deel aan dit B-wereldkampioenschap, dat weinig gewaardeerd wordt door de rest van de Afrikaanse afgevaardigden, die in de A-divisie spelen. En zelfs die zuinige waardering verdwijnt als Mpakaboari zijn eerste vier partijen verliest.
Evan Cohen, de levensgezel van Omri Rosenkranz, jaagt in de A-divisie, ‘het haaienbassin’, zoals hij het zelf noemt. Helemaal in het strakgesneden zwart, het haar kortgeschoren. Cohen is linguïst en heeft al een paar gerenommeerde toernooien gewonnen. Met een lepe glimlach verklaart hij alleen maar bij de laatste tien te willen eindigen. Omdat een van de verhinderde Nigerianen niet meedoet, rukt Rosenkranz plotseling voor het eerst op tot in de A-divisie. Hij slaat zich er op de eerste speeldag dapper doorheen, wint drie van de acht partijen – een statistiek waarmee ook Cohen de dag besluit, duidelijk minder tevreden. Vooral de verpletterende nederlaag (bijna 300 punten) tegen de Brit Brett Smitheram zit hem dwars.
De slaperige kampioen Jighere wint vijf van zijn acht openingspartijen en is op plaats zestien ver verwijderd van presidentiële telefoontjes. Zichtbaar chagrijnig verlaat hij het gebouw, op zoek naar niets anders dan verkwikkende slaap. En hoe is het met God? Die kent een voor hemelse begrippen onderaardse start: hij verliest eveneens drie partijen. ‘Bij Nigel betekent dat niets. Ik zou al mijn geld toch op hem zetten, gewoon omdat hij is wie hij is,’ zegt Ganesh Asirvatham. Deze leraar Engels uit Maleisië is verantwoordelijk voor het verloop en de organisatie van het wereldkampioenschap. Hij hangt tabellen en lijsten op, en kondigt per microfoon de lunchpauze aan. Maar achter deze taken, die hij zo ijverig vervult, gaat een zwaar scrabblenoodlot schuil. Als Asirvatham zegt dat God nu eenmaal God blijft, dan spreekt hij uit bittere ervaring. Toen hij nog in menselijke macht geloofde, speelde hij zelf scrabble, en zelfs op een buitengewoon begenadigde manier. In 2007 bereikte hij de finale van het wereldkampioenschap. Daar wachtte vanzelfsprekend Richards, en die maakte Asirvatham in drie partijen in. Desondanks bleef Asirvatham belangrijke kampioenschappen winnen in India, Maleisië en Singapore. Zelfs het Guinness Book of Records vermeldt zijn naam als de speler die het simultaan tegen de meeste spelers wist op te nemen. Van de 25 tegen hem scrabbelende tegenstanders versloeg hij er 21. Maar dat alles was niet genoeg. Nog altijd troonde HIJ boven iedereen uit. Dus trok Asirvatham zich voor een jaar terug om woordenboeken te bestuderen en beter te worden dan God. Na een scrabblesabbatical van twaalf maanden keerde hij verbaal gestaald terug – en ging opnieuw onderuit tegen Richards! Steeds weer! Daar ging Asirvatham aan kapot. Nu tikt hij koortsachtig vreemde speluitslagen in zijn rekenmachine, goed afgeschermd achter de informatiestand van de toernooileiding.
De wereld buiten de scrabblewereld begint onopvallend bij de uitgang van het Grand Palais. De vele vlaggenmasten voor het congrescentrum zijn leeg, hoewel het wereldkampioenschap toch reden genoeg zou moeten zijn om het gebouw op te sieren. Dat kan natuurlijk zijn omdat het WK scrabble eerder een nichegebeuren is. Of vanwege de angst voor terreur. Want in Frankrijk is in deze milde herfst van 2016 officieel de noodtoestand van kracht. Voor de vierde maal binnen een jaar, na evenzoveel aanslagen. De vijfde moet verhinderd worden door een samenscholingsverbod en idioot veel controles. Groepen soldaten patrouilleren door de stad, de handen demonstratief aan de trekker van hun geweer. Vooral op het hoofdstation Lille Europe is de militaire aanwezigheid merkbaar.
In deze geschokte Franse vrijheid zijn dus scrabbelaars uit de hele wereld aangekomen. ’s Avonds zwerven ze door de streng bewaakte steegjes van het uitgaansgebied. Zelf worden ze overdag bewaakt door een klein, mager securitymannetje, dat met chocoladevlekken op zijn blauwe securityoverhemd en een metaaldetector in de hand voor de ingang zit. ‘Hoe voelt het om verantwoordelijk te zijn voor de veiligheid van de scrabble-elite van de wereld?’ Het mannetje kijkt de ruimte in en haalt vrolijk zijn schouders op. Het is toch ondenkbaar dat IS het op het WK scrabble voorzien zou hebben?
Jighere wil vandaag per se dichter bij de kopgroep komen. De omslagdoek heeft hij afgelegd, nu draagt hij een niet minder representatief Nigeria-trainingspak. Bovendien een diep over zijn gezicht getrokken Nigeria-pet, waaronder zijn linkeroog steeds heftiger samentrekt, waarschijnlijk omdat het halve toernooi al gespeeld is en hij met een score van 7-5 nog altijd op plaats zeventien vastzit. Hoe zijn partijen tot dusver verlopen zijn, is moeilijk te zien. Behalve de spelers mag niemand zich bij de speeltafels ophouden. De concentratie van de atleten zou daaronder kunnen lijden. Na meerdere overtredingen worden verslaggevers gemaand om afstand te houden, op straffe van verwijdering uit de zaal.
Ondertussen staat God er maar één plek beter voor dan Jighere. Ook hij heeft al vijf keer verloren. Maar niemand waagt te betwijfelen dat hij het nog tot bij de beste acht en dus de play-offs zal brengen. ‘Omdat Nigel nu eenmaal Nigel is. Andere spelers worden nerveus in de beslissende partijen. Hij niet,’ zegt Cohen vol eerbied, als hij na afloop van de speeldag met Rosenkranz naar de Vieille Bourse, de Oude Beurs, wandelt. Cohen zelf heeft met zeven verloren partijen nauwelijks nog uitzicht op een goed resultaat. Zijn partner Rosenkranz vertoont dankzij een respectabele score van 6-6 twee blozende wangen. De ranglijst wordt aangevoerd door de Britten Allan Simmons, David Webb en Mark Nyman, met elk tien gewonnen partijen. ‘Op dit niveau kan eigenlijk iedereen van de eerste twintig het halen,’ zegt Cohen een beetje afwezig. Hij lijkt afgeleid door de schietklare groep soldaten die langs de patisserie marcheert waar hij zijn chocolade-eclair wilde kopen.
‘Onze cognitieve vaardigheden verkommeren. Daarom luisteren zo veel mensen naar de simpelste verklaringen van de nationalisten’
Op de derde dag van de voorronden zal het noodlot toeslaan: Jighere en Richards moeten tegen elkaar spelen! De omstandigheden zouden nauwelijks zenuwslopender kunnen zijn: God heeft elf zeges en zeven nederlagen achter zich. De regerend kampioen staat op 10-8 en moet minstens vijf van de resterende zes partijen winnen als hij Simmons, die achtste staat (11-6), nog wil inhalen. Al is het idee dat hij nooit faalt, God staat bekend om zijn aan onverschilligheid grenzende gelijkmoedigheid, die hij ook stoïsch blijft praktiseren als hij duidelijk slechtere letters trekt dan Jighere. Ineengedoken zit hij op de zwarte plastic stoel in een vergeeld shirt van het WK 2010 in Dallas. Het lettergeluk blijft aan Jigheres kant. Hij trekt beide blanco stenen, de jokers die als elke letter inzetbaar zijn, en gaat al vroeg met 90 punten aan de leiding.
Als er spelers zijn tegen wie je niet op achterstand wilt komen, dan zijn het wel Nigerianen. De delegatie gebruikt sinds decennia een uiterst defensieve speelwijze. Ook al hebben ze lucratieve letters, dan nog leggen ze korte woorden, zo destructief mogelijk op de sappigste bonusvelden; wat de aanvalsmogelijkheden voor de tegenstander sterk beperkt. Vanwege deze speelstijl én hun overtuiging dat ze de meest fantastische scrabblenatie ter wereld zijn, zijn Nigeriaanse spelers niet erg geliefd. Wat Jighere er geenszins van weerhoudt de ontmoeting met 424 tegen 337 uit te spelen. Maar het is vergeefs zoeken naar een teken van vreugde. ‘I won,’ mompelt hij toonloos, en begeeft zich naar de volgende tafel, waaraan hij het onderspit delft tegen een man die Winter Winter heet. Als Jighere nog slechts theoretische kansen resteren om verder te komen, wacht hem in de volgende partij ook nog Mark Nyman. Die geen god is, maar toch wel een scrabblelegende, die de ranglijst aanvoert met zestien gewonnen partijen en die ook al eens wereldkampioen was. Hij herinnert zijn tegenstanders van die fatale vrijdag daar ook graag aan door zijn lichtblauwe kampioenstrui van Maleisië 1993 te dragen. Hoewel Jighere duidelijk beter in zijn tijd zit en beide blanco stenen trekt, neemt Nyman toch de leiding van hem over. En legt bij zijn laatste beurt, in de minusminuut 26, een sterk ‘instead’. Over deze tijdoverschrijding ontstaan vervolgens grote meningsverschillen. Jighere haalt coördinator Asirvatham erbij. Nyman krijgt tien punten aftrek, maar behoudt nog altijd duidelijk de leiding met 471 tegen 388. En zo wordt het een feit: Wellington Jighere, de eerste Afrikaanse wereldkampioen scrabble in de geschiedenis van de mensheid, zal zijn titel niet prolongeren! De kampioen is dood. De Nigeriaanse president zal hem niet opnieuw bellen. De onttroonde verheft zich wankelend op zijn benen en dwaalt doelloos door de hal, terwijl hij apathisch over zijn gladgeschoren kin wrijft. Zo komt hij aan de tafel te staan waaraan ook God vecht om te overleven.
De speler die in Lille het meest te verliezen heeft, speelt helemaal niet mee. Hij heet Dave Brannan en heeft meer dan 1 miljoen euro in het professionele scrabble geïnvesteerd. Om misverstanden te voorkomen: eigen geld. ‘Zo’n beetje alles wat ik had,’ zegt de eind-veertiger met een mix van Britse kalmte en zwaarmoedigheid in zijn stem. In zijn slechtzittende pak ziet hij er niettemin uit als een man van formaat, hij straalt een ongedwongen autoriteit uit. Vier jaar geleden verwierf Brannan de rechten op de scrabbletoernooien van spelfabrikanten Mattel en Collins, en stichtte de Mind Sports Academy als een soort plaatsvervangende bond voor het spel, waarvan hij een winstgevende, mediagenieke sport wil maken. Brannans cv wekt de indruk dat hij precies de juiste man voor deze missie zou kunnen zijn. In 1989 nam hij een klein marketingbedrijf over en zes jaar later verkocht hij het voor iets meer dan 10 miljoen pond. Hij richtte vervolgens weer een reclamefirma op en deed ook die met winst van de hand. Bovendien was Brannan lange tijd een succesvolle professionele pokerspeler, hij heeft dus verstand van toernooiorganisatie en van de spelersziel. Op grond van zijn levensloop zou je verwachten een ondoorgrondelijk pokerface te ontmoeten, die inhoudsloze managersfrasen debiteert. Maar Brannan praat verrassend openhartig. Dat hij veel te veel voor die scrabblerechten heeft betaald, verleid door de statistiek dat een op de drie Europese huishoudens een scrabblespel bezit. Zonder te bedenken dat er tussen zelf een keer scrabbelen en interesse voor het professionele sportgebeuren een diepe kloof gaapt, die slechts met dure promotie te overbruggen is. ‘Ik heb in het begin veel fout gedaan en grote bedragen verprutst. Ook omdat ik het werk van mijn voorgangers overschatte.’
Zijn voorgangers zijn de Engelse en de Amerikaanse spelersverenigingen (WESPA en WASPA). Die organiseren de wedstrijden sinds 1991 – als doel op zich, niet met commerciële bedoelingen zoals Brannan die heeft. Nu ligt hij met ze in de clinch, omdat de verenigingen vrezen verdrongen te worden uit wat ze zelf hebben opgebouwd. Vooral met de WESPA is het moeilijk praten. ‘Ik zeg ze ook waarom. Omdat wij Engelsen nog altijd geloven dat de wereld van ons is. Ik houd van mijn land, maar het loopt zo verschrikkelijk achter. Aan de andere kant: kijk om u heen, heel Europa en Amerika vallen ten prooi aan het populisme.’ En juist daarom gelooft Brannan dat de wereld scrabble dringend nodig heeft. ‘De mensen kunnen zich niet meer concentreren. Ik zie het al bij mijn smartphone-verslaafde kinderen. Onze cognitieve vaardigheden verkommeren. Daarom luisteren zo veel mensen naar de simpelste verklaringen van de nationalisten. Scrabble leert de kinderen weer geduld te hebben en gestructureerd te denken.’
Zijn motieven zijn niet alleen zakelijk maar ook filantropisch van aard, wat uit zijn mond verbazend geloofwaardig klinkt. Om zijn kapitaal en de mensheid te redden predikt Brannan een revolutie in het profscrabble en maakt hij het zichtbaar en begrijpelijk in de media. Sinds kort worden de belangrijke WK-wedstrijden in een geluiddichte glazen container beslist, waar ze opgenomen worden en live op de website van Mind Sports worden gestreamd. Deze partijen worden gespeeld op een bord van 20.000 pond dat eruitziet als een ruimteschip en dat bestaat uit negen printplaten met radiofrequenties. Zo kan ieder scrabblevierkant gelezen en direct uitgezonden worden: naar een satelliet, maar ook naar een tweede, eraan gekoppelde container, waarin commentatoren zitten die de wedstrijd met behulp van eveneens nieuw ontwikkelde scrabblesoftware tot in alle details bespreken.
Het grootste structurele probleem bij dit Masterplan is wederom de mens. Zoals misschien al uit dit verhaal bleek, zijn scrabblespelers geen geboren entertainers. Ze worden geenszins gedreven door de wens stadions vol te krijgen, in de schijnwerpers te staan en geaaid te worden. Wat Brannan intussen weinig kan schelen. ‘Ik ken de menselijke natuur. Ze zijn als een primitief volkje dat bang is voor al wat nieuw is. Dit evenement, dat me overigens 100.000 euro kost, verloopt nu voor de laatste keer op hun manier. Ik heb het lang op een vriendelijke manier geprobeerd, maar vanaf nu kom ik met de stoomwals.’
Het zou unfair zijn om Brannan af te schilderen als de geldbeluste stoomwalsbaas, die geen gevoel heeft voor zijn personeel. De scrabblemecenas geniet van de partijen, blijft bij de borden staan (op gepaste afstand), bewondert het immense talent van de spelers, noemt ze bij de voornaam en gaat hartelijk met ze om.
Zo hartstochtelijk als deze doorsnede van de mensheid scrabbelt, zo bespreekt ze ook het steeds waarschijnlijker wordende falen van God. Richards staat met 14-10 op de elfde plaats. De piepkleine kans Joel Wapnick (15-9) nog van de achtste plaats te verdringen bestaat alleen omdat Gods puntensaldo met +1014 drie keer zo hoog is. Zijn tegenstander is Brett Smitheram, die Cohen al op indrukwekkende wijze kansloos liet. Hij heeft zich al gekwalificeerd voor de eindronde. Maar zijn ambitie om tot godendoder op te klimmen staat de naar succes hongerende Smitheram op het voorhoofd geschreven. Helemaal als hij met Richards de glazen container van de wereldpubliciteit betreedt en naar het laserblauw stralende ruimteschipbord loopt. De spanning waarmee de andere spelers om de container van de waarheid heen staan is aanstekelijk. Misschien is Brannans visioen werkelijk uitvoerbaar. Maar als je de tactische finesses niet begrijpt, vervliegt die hoop bij de aanblik van de twee oude mannen die daar vijftig minuten lang zitten te piekeren. Juist die finesses wil Brannan door experts laten uitleggen. Hoe dan ook, goddelijk bloed is niet moeilijk te begrijpen. En het vloeit. Het wordt 406 tegen 379 voor Smitheram. God is dood!
Zwijgende God
Onderdeel van de live-uitzendingen is dat de deelnemers meteen na afloop van het spel een kort interview geven voor de Mind Sports-website. Maar een dode God is daar niet toe te bewegen. Dus spreekt Smitheram voor twee. Eerst over een waanzinnige, hard bevochten partij en over zijn reusachtige respect voor Richards. Daarna leest hij een zin voor die de mokkend zwijgende God heeft opgeschreven: ‘Ik ga nu mijn haar wassen.’ Als God de container verlaat, zwermen troostende discipelen rond zijn nog onbeschuimde hoofd. Maar alle geloofsbelijdenissen ten spijt – er is iets veranderd.
De beide joodse deelnemers kan in elk geval niemand als godendoders bestempelen. Rosenkranz is na een gemene serie nederlagen van negen partijen afgezakt tot plaats 67. Maar hij is tevreden. Cohen moet verzuurd genoegen nemen met plaats 54. De eerste plaats in de voorronden is voor Mark Nyman, die jarenlang van de aardbodem verdwenen leek. Jighere is als drieëntwintigste geëindigd, en dus niet eens de succesvolste Nigeriaanse afgevaardigde, want dat is Dennis Ikekeregor, op plaats elf. Goed, Jack Mpakaboari is er ook nog, die in de B-divisie tot de play-offs is doorgedrongen. Maar de rest van de ploeg feliciteert hem nogal halfhartig met dit B-succes.
In de kwartfinale treft de nieuwe favoriet Nyman Joel Wapnick. Zeggen dat die twee een gemeenschappelijke geschiedenis hebben, is een understatement. Ze zijn elkaars trauma. In 1993 verloor Wapnick, de gepensioneerde muziekdocent uit Canada, de finale van het wereldkampioenschap tegen Nyman. ‘Dat liet me vijf jaar lang niet met rust,’ zegt hij. In 1999 vond Wapnick eindelijk vrede toen hij Nyman met zegge en schrijve één punt verschil versloeg in de finale. Wat op zijn beurt Nyman in een zware depressie stortte, tot een zenuwinzinking aan toe. Hij verdween enkele jaren uit beeld, zijn huwelijk liep stuk. Naar verluidt nam Nyman in deze periode heel onvoordelige financiële beslissingen. Maar de Nyman die nu weer met Wapnick de ruimteschip-container instapt, is een goed geconserveerde, weldoorvoede man van begin vijftig.
In de play-offs gaat degene die als eerste drie zeges boekt door – een best-of-fiveserie. Na drie partijen staat het 2-1 voor trauma-Nyman. In de vierde partij vecht trauma-Wapnick voor zijn leven en haalt bijna een achterstand van 136 punten in. Bijna. ‘Dat waren heel typerende partijtjes voor ons,’ becommentarieert de verslagen maar beheerste Wapnick. Nyman is het met hem eens en benadrukt hoe beslissend mentale kracht is in het scrabble. Die heeft hij dringend nodig in de aansluitende halve finale tegen Adam Logan, die hij pas in het vijfde spel in zijn voordeel beslist. Godendoder Smitheram schakelt eerst de duidelijk favoriete David Webb uit. En in de halve finale de ervaren en ook sterker ingeschatte ex-finalist Lewis Mackay. Jack Mpakaboari bereikt de finale van de B-divisie, die uitgevochten wordt tegen de Amerikaanse (ja, hier duikt een vrouw op!) Sandy Nang. Zijn Nigeriaanse collega’s nemen er welwillend maar opvallend terloops kennis van.
‘We hadden online goede bezoekersaantallen. Dat geeft me hoop. Misschien ziet de wereld langzaam in hoe geweldig de scrabblesport is’
Op de zondag van de finale zijn twee mensen bijzonder opgewonden: de CEO van Mind Sports, David Brannan, en de door God gebroken noodlotscoördinator Asirvatham. Ze zijn, net als de nog niet afgereisde spelers, getuige van een zeer eenzijdig eerste eindspel in de A-divisie. Omdat Nyman voortdurend onvruchtbare letters trekt en geen kans heeft tegen de met geluk grabbelende en foutloos opererende Smitheram. In het tweede spel leidt Nyman met 170 punten, maar hij wordt onvoorzichtig en geeft het zeker geachte gelijkspel weg. Nu heeft de godendoder nog maar één gewonnen spel nodig tot aan de Olympus. Ondertussen is de kampioen van de B-divisie al bekend. Hij heet Jack Mpakaboari en heeft het rechtstreeks in drie partijen beslist. Onverhoeds straalt Nigeria’s scrabblester met een gouden gloed in Lille! De hele delegatie valt de lange en mollige Mpakaboari in de armen en jubelt alsof ze nooit op iets anders uit waren dan de titel in de B-divisie. Om de overwinning te vieren vertrekken ze in feeststemming naar de Kentucky Fried Chicken. De stemmen van de luidkeels zingende mannen schallen door de zondagsrust in binnenstad.
Nyman, met de rug naar de glaswand, begint de derde partij voorzichtig. Maar hij wordt door Smitheram vrij snel tot aanvallender spel gedwongen. Hij legt ‘dartled’ en gaat met 164 tegen 92 aan de leiding. Het zal de laatste keer zijn, want algauw volgt de gouden zet, die de godendoder Smitheram de eindzege oplevert: ‘Braconid’ – een parasitaire wespensoort in Zuid-Amerika. Perfect uitgespeeld met driemaal woordwaarde, maximaal vergoed met 178 punten. Van deze klap herstelt Nyman niet meer, en hij gaat vernederd ten onder met 351 tegen 628. Zijn smartelijke en toch milde glimlach in deze laatste, uitzichtloze minuten ontroert de toeschouwers. ‘Mark heeft er vrede mee,’ fluisteren de andere spelers.
Een beetje op de achtergrond hangt financier Brannan op een plastic stoeltje. Als een uitgetelde zwaargewichtbokser, afwezig voor zich uit starend. ‘Bent u tevreden over de manifestatie, mister Brannan?’ ‘Wel, we hadden online goede bezoekersaantallen. Dat geeft me hoop. Misschien ziet de wereld langzaam in hoe geweldig de scrabblesport is,’ krast hij hees. Hij is zichtbaar oververmoeid.
Daar komt Asirvatham aangeruist: ‘Dave, een journalist van The New York Times wil je spreken.’ De zojuist nog uitgetelde Brannan springt overeind en staat in een seconde stevig op twee benen. Nadat Smitheram zijn bokaal overhandigd heeft gekregen en met het winnende bord van de laatste partij is gefotografeerd, vraagt het publiek hem of hij nu officieel beter is dan God (die al afgereisd is). Smitherams ogen lichten giftig op en hij antwoordt: ‘Ik zie hem hier niet op mijn plaats. Dus zonder enige twijfel: ja! Maar hij is van harte uitgenodigd om het tegendeel te bewijzen.’
De scrabbleonderdanen weten zich geen raad van vreugde. Hun lang gekoesterde vrees slaat, onder vreugdekreten, om in heiligschennis.
In sportclub Box & Weed in het Chileense Curicó wordt gebokst onder het genot van een jointje en heavy metal. ‘Een jonko roken en gaan trainen is te gek. Je beeldt je in dat je de beste bent, je bent supergeconcentreerd.’
Het is vrijdagavond als het achterplaatsje van een sportschooltje in Curicó zich vult met mensen die komen voor een boksles. Een enkeling rekt zijn spieren en maakt een praatje terwijl ze met z’n allen in een kring gaan staan, een vast ritueel waar growshopeigenaar Edgardo (35) twee flinke, sterk ruikende joints voor heeft gedraaid. ‘Dit is Mazar, de cannabis indica, waar je een lichamelijke boost van krijgt, ideaal dus voor de training,’ zegt hij, een enorme rookwolk uitblazend. Met de bluestonen van Muddy Waters op de achtergrond geeft de trainer instructies voor de training van vandaag. Hij onderbreekt zichzelf slechts om een joint door te geven nadat hijzelf eerst een flinke haal heeft genomen. Als ook de peukjes zijn opgerookt en er flink wordt gelachen, kondigt hij luid aan: ‘Oké, genoeg. Iedereen warmlopen!’
Zo beginnen alle trainingen van sportclub Boxing & Weed, in het leven geroepen door een stel inwoners van Curicó, allemaal liefhebbers van vechtsport en marihuana. Oprichter is Felipe Goren (30), arts en sinds zijn negentiende amateurbokser. Tot nu toe heeft hij twintig mannen en vier vrouwen om zich heen verzameld die zijn methode nauwgezet volgen. De groep bestaat onder andere uit een advocate, ingenieurs, landbouwkundigen en studenten, en varieert in leeftijd van 18 tot 54 jaar. Ze komen vier keer per week bij elkaar.
‘Het is de mooist denkbare combinatie: een contactsport en een ontspannen houding die je nodig hebt om alert en soepel tegenover je tegenstander te staan. Blowen helpt niet alleen tegen de vermoeidheid van de twintig minuten durende warming-up, het maakt dat je de hele les gefocust bent. Zo krijg je de techniek goed onder de knie,’ zegt Goren, terwijl hij de stootbewegingen van zijn sporters in de gaten houdt. ‘Marihuana heeft dezelfde uitwerking als opioïden,’ legt hij uit. ‘Het is een spierverslapper die inwerkt op het parasympatische zenuwstelsel. Het lichaam ontspant zich, waardoor je je ademhaling, bloeddruk en hartslag beter onder controle hebt.’
‘Toen ik me aanmeldde had ik gemengde gevoelens over blowen, maar dat was gewoon een vooroordeel dat je als kind met de paplepel krijgt ingegoten’
In 2014 gaf Goren zijn zoektocht naar een sportschool waar hij zich thuis voelde op. Met een paar maten ging hij trainen en blowen op het binnenplaatsje van zijn huis onder begeleiding van harde heavy metal. Rondjes rennend merkten ze dat ze als ze stoned waren het kilometers achter elkaar volhielden. Ze besloten bij elke sessie een joint op te steken. ‘Marihuana vergroot je uithoudingsvermogen en je kunt door je pijngrens heen, waardoor je beter wordt,’ licht de arts zijn theorie toe, die inmiddels een groeiend aantal adepten heeft in de stad. Ze begonnen met z’n achten, nu staat de teller al op vierentwintig, en er blijven mensen bij komen.
Tijdens de les is heavy metal verplichte kost, dus dreunt Slayer door de kleine ruimte waarover de veertien leden die vandaag naar les zijn gekomen beschikken. Het eerste deel, de warming-up, is een afmattend trainingscircuit: korte looppasjes, hoge sprongen, tien keer opdrukken en snel weer opstaan en de serie herhalen. Zo op het eerste gezicht wekken de leerlingen niet de indruk dat ze high zijn, al verraden hun verwijde pupillen en rode ogen een staat van concentratie waarin ieder op zijn eigen ritme traint, zonder druk van buitenaf. Vooral oudere leden vinden dit fijn.
Hernan Neira (45), eigenaar van een metaalwerkplaats, had nog nooit van zijn leven gebokst. Nu komt hij drie keer per week. De keren dat hij marihuana had gerookt waren op de vingers van één hand te tellen. ‘Toen ik me aanmeldde had ik gemengde gevoelens over blowen, maar dat was gewoon een vooroordeel dat je als kind met de paplepel krijgt ingegoten.’ Neira biecht op dat hij jarenlang depressief was door zijn echtscheiding, op een gegeven moment woog hij wel 107 kilo. In de vier maanden dat hij in het boksklasje zit is hij veertien kilo afgevallen. ‘Sport in combinatie met wiet, het bleek een soort van therapie. En: ik luisterde weer naar heavy metal, waar ik vroeger zo van hield. Het is een onbeschrijflijke ervaring geweest,’ zegt Neira, terwijl hij zijn bokshandschoenen aantrekt.
De werktuigkundige vindt dat de overheid de drug moet legaliseren. ‘Het is een plant, een van de vele. Waarom zou hij geen deel kunnen uitmaken van ons dagelijks leven, zodat we er plezier van hebben? Aan leeftijdsgenoten en ouderen raad ik dit soort trainingen aan, je traint er je geest en je lichaam mee. Niet bang zijn, nergens voor nodig,’ zegt Neira voordat hij met zijn sparringpartner aan een setje combinatiestoten begint. Wel wil hij nog even kwijt dat hij zijn zoon mee zal vragen als hij achttien is, zo kunnen ze meer tijd met elkaar doorbrengen.
Het begon als een puur mannending, maar al vrij snel nodigden ze vrouwen uit om zich aan te melden. ‘Dat was toen de campagne tegen seksueel geweld “Ni una menos” (Dit was het laatste slachtoffer) volop in de belangstelling stond. Je kunt je als vrouw beter leren verdedigen dan achter een slogan aan lopen. Voor vrouwen is het een hele geruststelling om over straat te lopen zonder lastig te worden gevallen door een of andere kerel,’ zegt Goren.
De clubleden zijn het er allemaal over eens dat Dani Miranda (22) de meest constante is en het meeste talent heeft. Ze zal binnenkort de boksring wel instappen, voorspellen ze. Miranda werkt als serveerster in een café en had nog nooit gebokst, nu slaat ze het snelst van iedereen. ‘Ik heb altijd al willen leren hoe je iemand tegen de vlakte kunt meppen, maar heb nooit op een vechtsport gezeten. In het begin voelt het stom om met je vuisten in de lucht te slaan. Als de lessen niet zo ontspannen en prettig waren geweest was ik er nooit aan begonnen,’ zegt ze schaduwboksend. Door de marihuana focus je op je ademhaling, op hoe je beweegt en ontwijkt. Je geest is vrij, je bent niet onzeker, wat je aan het doen bent, telt, verder niets.
Miranda heeft geprobeerd haar vriendinnen over te halen, maar die lopen niet echt warm voor boksen. ‘De meeste vrouwen verstijven bij een aanval, maar met de juiste training reageert het lichaam automatisch. Je moet jezelf kunnen verdedigen, het is gevaarlijk voor vrouwen op straat. Het zou je leven kunnen redden,’ merkt Miranda op.
Trippen
Goren zet een nummer op van Suicidal Tendencies, draait een joint en moedigt zijn pupillen aan het laatste half uurtje alles te geven. ‘Kom op, doorgaan, doorgaan. Pijn hoort erbij, niet stoppen!’ schreeuwt hij terwijl hij iemand bij zich roept om aanwijzingen te geven. Hij zet de joint aan de lippen van de jongen die met zijn bokshandschoenen aan het ding niet kan beetpakken en laat hem een trekje nemen.
Bij de lessen krijgt de trainer assistentie van zwaargewicht profbokser Álex Álvarez (27). Hij doet sinds zijn dertiende mee aan wedstrijden en werd in 2005 tweede bij de Chileense kampioenschappen boksen in het middengewicht. Álvarez kampt met een blessure, maar hoopt over een paar maanden de boksring weer in te kunnen. Hij noemt zichzelf de grootste gebruiker van iedereen. ‘Het idee is dat boksen ons fysiek en wiet ons mentaal sterk maakt. Een jonko roken en gaan trainen is te gek, je begint echt te trippen. Je beeldt je in dat je de beste bent, je bent supergeconcentreerd. Als ik bang ben gebruik ik het om alert te zijn, met wiet kan ik ermee dealen,’ aldus Álvarez.
‘Hier stappen we uit de normale wereld en meten we onszelf een oorlogsmentaliteit aan. We trainen keihard, maar denken altijd positief. Want het is niet zo dat je een joint rookt en vervolgens doodleuk de ring in stapt. Blowen helpt om je geestelijk voor te bereiden. Je visualiseert waar je naartoe wilt werken en omdat je stoned bent kost dat geen enkele moeite,’ vertelt de bokser. Sinds drie jaar noemt Álvarez zichzelf geheelonthouder. Hij rookt liever een stevige joint dan dat hij een borrel drinkt, want van drank wordt hij agressief. ‘Een dronken vechtsporter is het slechtste wat je kunt hebben. Als je bij een knokpartij je handen niet thuishoudt kun je er een behoorlijke zooi van maken. Mensen mogen vinden dat ik een drugsgebruiker ben, ik weet dat het met mij beter gaat dan met boksers die niks gebruiken,’ zegt hij zelfverzekerd.
De laatste oefening van de dag wordt door Goren gegeven. Op de beats van de muziek van heavymetalband Pantera gaat iedereen gearmd in een kring staan. Ze beginnen te draaien, totdat Goren een bevel schreeuwt. Dan, als in de mosh pit bij een heavymetalconcert, duwt en trekt iedereen aan elkaar terwijl ze proberen overeind te blijven staan. ‘Het is een goede stabiliteitsoefening: op elkaar inbeuken, naar de tering gaan, terugkomen en opnieuw als een dolle aanvallen. Bovendien is het waanzinnig om te doen,’ vindt Juan Pablo (28), landbouwkundige en een van de oprichters. Gevraagd naar waar ze de marihuana vandaan halen zegt hij dat drugs verkopen illegaal in Chili is, iedereen moet dus een portie meenemen voor de training.
De leerlingen klappen aan het eind van de training en complimenteren elkaar met hun vorderingen. Het moment van de rituele afsluiting is aangebroken: opnieuw gaat iedereen in een kring staan, iemand haalt een waterpijp tevoorschijn, die van hand tot hand gaat, terwijl ideeën en meningen worden uitgewisseld. Goren legt uit dat dit laatste rondje, die bij menigeen een hoestbui veroorzaakt, werkt als een uiterst effectieve pijnstiller en ontstekingsremmer. Bovendien krijg je er serieuze honger van, dus kleedt iedereen zich aan en kijkt reikhalzend uit naar het derde deel van de avond. Vanavond is het friet, gebakken eieren, vlees en bier.
De vermoeidheid is op alle gezichten te lezen, maar dat belet hen niet om voor de deur van het restaurant de laatste joint van de avond te roken
‘We willen ons zo ontwikkelen dat we een club worden die kan deelnemen aan de officiële bokscompetitie. Dat is ons doel voor 2017: de boksring instappen,’ zegt de arts terwijl hij gulzig zijn friet eet. De vermoeidheid is op alle gezichten te lezen, maar dat belet hen niet om voor de deur van het restaurant de laatste joint van de avond te roken. ‘Dit is pas therapie. Je denkt aan alle shit van de dag, wat je beter niet had kunnen zeggen en hoe je het morgen beter kunt doen. Je goed voelen over jezelf en erkennen dat je bent wie je bent. En al je problemen door de plee trekken,’ weet Miranda alvorens ze aankondigt naar huis te gaan. ‘Het is een ideale methode voor neuroten, oftewel het overgrote deel van de Chileense bevolking. Er is niks mooiers dan als heren met elkaar sparren en daarna een fijne joint delen,’ verzekert Goren, terwijl hij een grijze rookwolk uitblaast.
The Clinic is een satirisch onderzoekstijdschrift dat zijn onderwerpen diepgravend en kritisch behandelt. De naam komt van The Londen Clinic, waar de Chileense dictator Pinochet in oktober 1988 werd gevangengenomen. Het groeide uit van 4 pagina’s in de begintijd tot 40 nu.
De Europese golfers leden afgelopen weekend een pijnlijke nederlaag tegen de Amerikanen bij de prestigieuze Ryder Cup. Maar voor de 24-jarige Belg Thomas Pieters werd het treffen een triomf.
De nummer vier van de Olympische Spelen werd als best scorende speler van Team Europa verkozen tot rookie van het toernooi. The New York Times vergeleek hem vanwege zijn geanimeerde spel met Sheriff Woody uit de film Toy Story, en noemde hem de meest getalenteerde jonge golfer sinds voormalig aanvoerder van de wereldranglijst Rory McIlroy.
Pieters bleef rustig onder alle lof. Gevraagd hoe hij zich voelde, zei hij: ‘Fine, thank you.’
De Bulgaars-Duitse auteur Ilija Trojanow leerde zichzelf tachtig olympische disciplines, en schreef er een boek over.
Zoals zoveel mensen zat hij vier jaar geleden voor de buis en liet vrijwel geen onderdeel van de Olympische Spelen aan zich voorbijgaan. Maar de ene sport vond hij te simpel, de ander te moeilijk. Hij kankerde, verbaasde zich, zat uitgezakt in zijn luie stoel; een sportman in zijn verbeelding, een slimme toeschouwer, vanbinnen een winnaar.
Op een gegeven moment besloot hij toen maar een echte winnaar te worden. De vijftigjarige schrijver Ilija Trojanow, in Bulgarije geboren, als kind met zijn familie via Joegoslavië en Italië naar Duitsland gevlucht en vervolgens in Kenia opgegroeid, trok in de zomer van 2012 zijn oude hardloopshirt aan – het zat wat strak, maar wat kon het schelen – en besloot olympisch kampioen te worden. Maar dan wel een echte, een maximale olympisch kampioen, eentje die alle sporten beheerst – of zo niet beheerst, dan toch op zijn minst op wedstrijdniveau beoefent. Alleen de teamsporten sloeg hij uit praktische overwegingen over. Zijn doel: in elke sport minstens half zo goed worden als de huidige olympisch kampioen.
Dat plan was exceptioneel, overdonderend, vrijwel onmogelijk. Niet alleen wilde hij de 23 sporten en 80 disciplines vóór de Olympische Spelen van dit jaar onder de knie hebben, maar ook wilde hij er een boek over hebben geschreven: Meine Olympiade. Het is hem gelukt.
Het is een boek over falen en zelfoverwinning. Een boek waarmee je als amateursporter heel concreet je voordeel kunt doen, omdat Trojanow de techniek van sommige sporten, zoals schoonspringen en kogelstoten maar ook de borstcrawl, nauwkeurig beschrijft, met grote verbazing over de geleerde details. Het is ook een ietwat pocherige wereldroman. Vanzelfsprekend leert hij judoën in Japan, gewichtheffen in Bulgarije, worstelen in Iran en boksen in Brooklyn. Voor zijn looptraining vliegt hij naar Kenia, en de borstcrawl leert hij op Sri Lanka en in Mumbai.
Sixpack
Trojanow neemt ons mee naar een parallelle wereld. En die begint al bij zijn research in een boekwinkel. Enigszins beschaamd wil de schrijver een fitnessboek kopen. Hij neemt uiteindelijk Sixpack in 66 dagen en niet Sixpack in 6 weken,De sixpackstrategie of Sixpack in 90 dagen. De verkoopster vertelt hem dat ze ‘zonder die sixpackboeken’ de zaak allang had moeten sluiten.
Bovendien past hij zijn voeding aan. Als ontbijt zuurkool, linzen, ei en hüttenkäse, Indiaas gekruid. Hij begint met zijn training en leest ook een heel ander boek: ‘Al na enkele weken realiseerde ik me dat mijn lichaam een boek was waarin ik tot nog toe nauwelijks had gelezen. Een verbazingwekkend, zichzelf aanvullend boek, dat steeds weer met nieuwe hoofdstukken kwam.’
En de lezer is er live bij, van het aarzelende begin en de vraag hoe die verdomde crawl nou echt in zijn werk gaat tot de momenten die Trojanow als ‘flow’ bestempelt. Wanneer het bijna vanzelf gaat en lichaam en geest zelfstandig aan een gemeenschappelijk project werken. Aan een nieuwe sport.
3 x de schrijver in training. – Thomas Dorn / laif / HH
De grondgedachte van het boek is het wegnemen van de tegenstelling tussen lichaam en geest. Vlotjes voegt Trojanow bij elke nieuwe sport een bescheiden stukje cultuurgeschiedenis toe, vertelt over de zwemkelder van Lord Byron, ‘waar monniken ooit lijken hebben gebalsemd’. Of over zijn zwemtocht over de Dardanellen: ‘Op die prestatie ging ik meer prat dan op welke faam ook, of het nu op politiek, poëtisch of retorisch gebied is.’ En de onverschrokken nachtzwemmer Jack London citeert hij met de woorden dat hij liever een zwemwedstrijd wint dan The Great American Novel schrijft.
Je hebt de indruk dat Trojanow het kan invoelen. Hij is ambitieus, soms ook megalomaan. Hij faalt doorlopend en lacht erom. Het boek begint met de beschrijving van een triatlon in Zuid-Afrika, waarbij hij als groentje zo ongeveer elke lachwekkende tegenslag te verduren krijgt die je maar kunt bedenken. Trots en onbeholpen heeft hij zich net op tijd voor de start in een nieuw neopreenpak geperst en zich al afgevraagd waarom het zo slecht zit. Maar ach, ze worden zo weggeschoten en hij wil meteen de aanval zoeken. Dus wurmt hij zich tussen de andere triatleten, onopvallend, alsof het nooit anders is geweest, tot er eentje vraagt: ‘Zeg, waarom heb je dat pak binnenstebuiten aan?’
Zoiets overkomt hem aan het eind van het boek niet meer. Hij leert doorlopend bij, pagina na pagina. Het is een klassieke ontwikkelingsroman. Een man leert zichzelf kennen. Uiteindelijk is hij bijvoorbeeld een tienkamper, ook al behaalt hij zijn doelstelling half zo goed te zijn als de olympisch kampioen natuurlijk niet. Hij komt niet verder dan een achtste van diens punten, maar hij voltooit een volledige tienkamp, inclusief polsstokhoogspringen en kogelstoten. Vooral bij deze discipline ervaart hij wat hij in alle individuele sporten niet heeft ervaren: het gemeenschappelijke, het sociale, dat toch ook een belangrijke zegen van sport is. De aanmoedigingen van de tienkampers onderling, de pluimen voor zelfs de zwakste prestaties, de oprechte steun aan elkaar, omdat iedereen weet hoe zwaar het is. Hoeveel moeite, zweet en zelfoverwinningen nodig waren om dit te bereiken. Omdat ze allemaal misschien ooit zijn opgestaan van de bank en zich in een te strak shirt hebben geperst. Omdat ze sportmensen zijn.
‘Mislukken is weliswaar een vruchtbaar literair thema, maar alleen als er een reële kans op succes bestaat’
Trojanow vertelt in dit boek ook heel terloops de geschiedenis van zijn familie, het verhaal van zijn afkomst. Hij vertelt over het falen van zijn vader, die op weg was om Bulgaars jeugdkampioen op de 110 meter horden te worden, maar over de laatste horde struikelde. Hoe dat fiasco een familiemythe werd – fotoalbums van vluchtelingen zijn dun – en hoe het de familie zou zijn vergaan als zijn vader die laatste horde wel had genomen. Natuurlijk vraagt hij zijn vader hem het hordelopen te leren. Zonder de last om die bewuste nederlaag goed te maken, maar toch met dat echec vlak voor de finish in zijn hoofd.
Het hoofdstuk over turnen begint zo: ‘Ik ben getraumatiseerd. Toen we in 1977 vanuit Kenia naar Duitsland verhuisden, sprak ik geen Duits en kon ik ook niet turnen. Mijn integratie kende pieken (taal) en dalen (turnen).’ Die vroege aversie overwinnen is een van de grootste uitdagingen die de auteur aangaat. Moedeloosheid is er niet bij. Zijn trainer ‘accepteert geen voorschot op falen’. Dan wordt het een bewezen, in de praktijk gebracht falen. Een debacle waarvan niet eens meer een komische uitwerking uitgaat: ‘Het is geen toeval dat de beschrijvingen van nu af aan korter worden. Mislukken is weliswaar een vruchtbaar literair thema, maar alleen als er een reële kans op succes bestaat. Onze belangstelling gaat uit naar iemand die ver omhoogvliegt tot hij te dicht bij de zon komt, en niet naar iemand die op een ligbedje aan het verbranden is.’
Ilija Trojanow is steeds weer ver omhooggevlogen, heeft alles geprobeerd, veel bereikt en steeds weer groots gefaald. Een beachvolleyballer in Rio zegt het als volgt: ‘We mogen geen bal laten lopen. Maar als dat dan toch gebeurt, dan maken we er in elk geval een mooie snoekduik achteraan.’
Auteur: Volker Weidermann
CONTEXT: Ilija Trojanow
Ilija Trojanow werd in 1965 geboren in Sofia. In 1971 vluchtte zijn familie naar Duitsland, waar ze politiek asiel kregen. Een jaar daarop verhuisden ze alweer door naar Kenia, waar Trojanow tot 1984 woonde. Later verbleef hij onder meer in Kaapstad, Mumbai en München, voor hij neerstreek in zijn huidige woonplaats Wenen.
Trojanow schreef verscheidene non-fictieboeken over Afrika en vertaalde Afrikaanse auteurs in het Duits. Zijn eerste roman, Die Welt ist groß und Rettung lauert überall, verscheen in 1996. In 2013 kwam hij in het nieuws toen hem vanwege zijn kritiek op inlichtingendienst NSA de toegang tot de VS werd ontzegd.
Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.