Het Cubaanse ministerie van Binnenlandse Zaken verklaarde woensdag dat vier opvarenden van een in Florida geregistreerde boot om het leven waren gekomen en zes anderen gewond raakten in Cubaanse territoriale wateren tijdens een vuurwisseling met kustwachten. Later verduidelijkte het ministerie dat de ‘uitgeschakelde speedboot (…) tien gewapende personen vervoerde die van plan waren een infiltratie met terroristische bedoelingen uit te voeren’.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Volgens het ministerie werden ‘aanvalsgeweren, pistolen, zelfgemaakte explosieven (molotovcocktails), kogelwerende vesten, richtkijkers en camouflage-uniformen in beslag genomen’. ‘Dit incident dreigt een nieuwe escalatie tussen Washington en Havana uit te lokken,’ aldus Axios, aangezien de regering-Trump er geen geheim van maakt dat ze een regimewissel in Cuba wil zien.
De explosieven waren vermoedelijk bestemd voor aanslagen in Colombia
De Ecuadoraanse politie heeft zondag ‘een grote lading explosieven’ in beslag genomen in de Ecuadoraanse stad Tulcán, vlak bij de Colombiaanse grens, meldt La Hora. De autoriteiten ‘vermoeden dat deze explosieven bestemd waren voor Colombia, om daar door Colombiaanse gewapende groeperingen te worden gebruikt voor terroristische aanslagen’, aldus de krant. De lading bestond onder meer uit 3750 dozen explosieven en 25.000 meter ontstekingsdraad.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De vrachtwagen met het explosief kwam uit de zuidelijke provincie El Oro, die grenst aan Peru, en doorkruiste heel Ecuador voordat hij werd aangehouden in Tulcán, niet ver van de Colombiaanse grens. De twee personen aan boord, van Ecuadoraanse nationaliteit, zijn gearresteerd. Sinds het begin van het jaar kent Colombia een toename van gewelddadige aanvallen door gewapende groeperingen, terwijl het land zich opmaakt voor de presidentsverkiezingen van 2026.
Avishai Adrai laat zien hoe een simpele tweet even verwoestend kan zijn als een bom, omdat ‘elk beeld, elke zin, elke letter de voorbode kan zijn van een dood die we ervaren terwijl we nog leven’.
Wanneer Avishai Adrai ’s nachts een bericht stuurt, bevat dit niet alleen foto’s van doelwitten die het Israëlische leger wil bombarderen, maar zet hij er ook teksten bij die afkomstig lijken uit een roman over zinloos doden of uit het vervolg van een horrorserie. Hij voegt muziek toe en noemt de namen van de slachtoffers, alsof het een scène betreft uit Gabriel García Márquez’ roman Kroniek van een aangekondigde dood, waarin iedereen weet wanneer de dood nadert, behalve wijzelf. We dragen als het ware ons eigen overlijdensbericht op onze rug, leven voortdurend in spanning, en vragen ons bitter af: waarom is, te midden van al het nepnieuws dat dagelijks de wereld rondgaat, die ene tweet die onze dood voorspelt de enige waar we niet aan twijfelen? Waarom lijkt de aankondiging van onze dood in elke tweet definitief te zijn?
Het begon met eenvoudige pieperberichten in Libanon en groeide uit tot moorden die tot in de kleinste details werden gepland. Deze operaties waren niet alleen bedoeld om stemmen te smoren, maar doen denken aan een repetitie voor ‘De Grote Exodus’. 23 september kondigde een tijdperk aan van terreur. Een dag vol angst, waarop onze paniek steeds andere vormen en maten aanneemt maar de bittere nasmaak blijft en de impact enorm is. Vormen deze operaties onderdeel van een groot plan, of simpelweg een hoofdstuk in ons dagelijks leven? Houdt die klootzak van een Avishai ons voor de gek?
Valstrikken
Als hij schrijft: ‘Voor uw veiligheid, houdt u 500 meter afstand van deze gebouwen’, vragen wij ons af: wat voor ‘veiligheid’ bedoelt hij? Willen ze daadwerkelijk de gebouwen ontruimen voordat deze op hun bewoners neerstorten? Maakt deze vorm van openlijke spionage ons niet belachelijk? Wanneer je vijand je dwingt je huis te ontvluchten, zaait hij niet alleen angst, maar plant hij ook het idee dat je nu een doelwit bent geworden. Je loopt rond met een denkbeeldig doel op je rug, je ervan bewust dat je elk moment kunt sterven.
Elke avond schetsen ze een nieuwe kaart, niet alleen van huizen en gebouwen, maar ook van herinneringen. Bekende plekken worden valstrikken, elke hoek waar je ooit elkaar groette of gedag kuste is vanaf nu verdacht. Tussen de zorgvuldig gekozen woorden en beelden ligt iets krachtigers verborgen dan bommen. Avishai betreedt de berichtendienst als een sluipschutter, die de steegjes kent en weet waar hij kan toeslaan en ontsnappen. Zijn tweets sluipen binnen zoals de dood zich in onze gedachten nestelt: langzaam en stilletjes. Ze zijn geen simpele dreigingen van vernietiging, maar pogingen om onze ziel te vernietigen voordat de fysieke vernietiging plaatsvindt. Deze berichten doden ons keer op keer, nog voordat de raketten gelanceerd worden. Elke keer dat we zo’n tweet lezen, beginnen we het beeld te analyseren: is dit datzelfde gebouw dat ik elke ochtend passeer? Is dit de straat waar ik loop? Hoe kan één foto zo veel dood en verderf bevatten?
Hoe kan een vluchtige post op het internet uitgroeien tot een nachtmerrie voor duizenden gezinnen?
Deze foto’s, die enkel militaire mededelingen zouden moeten zijn, worden iets veel angstaanjagenders. Elk gebouw dat wordt getoond verwordt tot symbool van mogelijk verlies. Achter al die muren wachten mensen, gezinnen, hele levens die hopen te bloeien. Hoe kan één tweet zo veel angst veroorzaken? Hoe kan een vluchtige post op het internet uitgroeien tot een nachtmerrie voor duizenden gezinnen die hun huizen ontvluchten?
Elk herkenningspunt, elke muur wordt een onbekende ruimte vol vragen waarvan we nooit hadden gedacht dat we ze zouden moeten stellen: ‘Is dit mijn huis? Ben ik de volgende naam op de lijst van slachtoffers?’ Deze duistere tweets zijn een vast onderdeel van ons dagelijks leven geworden. Deze tweets, die ferme betonnen gebouwen herleiden tot fragiele objecten, veranderen ons gevoel van veiligheid in iets tijdelijks, alsof we een wapenstilstand sluiten met de dood: ‘Geef me alsjeblieft nog één dag.’
Hoop
Zodra Avishai weer van zich laat horen, komen de vragen opnieuw op: wordt deze plek de volgende? Hebben we echt tijd om te vluchten? Er is geen tijd om te denken, geen tijd om te treuren. We worden overspoeld door vragen: wat zal er morgen gebeuren? Zal iemand die we liefhebben het niet overleven? Zal de volgende tweet het einde aankondigen? We zijn voortdurend in afwachting van onze dood, als de protagonisten van een tragedie waarvan we het einde al kennen, maar niet kunnen veranderen. Zoals in Kroniek van een aangekondigde dood leven we met de wetenschap dat de dood komt, zonder te weten hoe of wanneer. Toch blijven we naar de foto’s kijken, op zoek naar een sprankje hoop: ‘Misschien is het deze keer toch vals alarm?’
In een wereld vol leugens zouden we willen dat het nieuws over onze dood ook vals was, slechts een gerucht, een misplaatste grap. Maar de enige waarheid die ons vandaag rest, is dat we onder constante dreiging leven: elk beeld, elke zin, elke letter kan de voorbode zijn van een dood die we ervaren terwijl we nog leven. Meer dan ooit is tot ons doorgedrongen dat voor angst geen bommen nodig zijn. Soms zijn 280 tekens genoeg.
Bij een reeks zelfmoordaanslagen op zaterdag in Gwoza, in het noordoosten van Nigeria, zijn volgens de autoriteiten ten minste achttien mensen gedood en dertig gewond geraakt. ‘Een van de vermoedelijke explosies doodde zes mensen en verwondde anderen tijdens een bruiloftsfeest’, meldt de BBC. De aanslagen zouden zijn uitgevoerd door vrouwelijke zelfmoordterroristen.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Onder de doden bij de meervoudige aanvallen waren ‘kinderen, volwassenen en zwangere vrouwen’, aldus de autoriteiten. Gwoza ligt in de staat Borno, ‘het epicentrum van een vijftien jaar durende opstand onder leiding van islamitische militanten Boko Haram, die meer dan twee miljoen Nigerianen op de vlucht heeft gejaagd’ en ‘meer dan veertigduizend mensen heeft gedood’, merkt de Britse omroep op.
De aanval volgt twee dagen na een andere massale steekpartij in Sydney
In de Australische stad Sydney zijn maandag meerdere mensen gewond geraakt bij een steekpartij in een kerk door een 16-jarige jongen. Karen Webb, politiecommissaris van New South Wales, zei dinsdag op een persconferentie dat de tiener die maandag de bisschop van de Assyrische gemeenschap Mar Mari Emmanuel en verschillende kerkgangers verwondde, handelde uit religieus extremisme. Dat schrijft The Sydney Morning Herald.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Na bestudering van al het bewijsmateriaal heb ik verklaard dat dit een terroristische daad was’, zei ze, eraan toevoegend dat de verdachte ‘bekend was bij de politie’. Volgens The Sydney Morning Herald stond hij echter niet onder speciaal toezicht wegens terrorisme.
Deze nieuwe aanslag volgt twee dagen na een andere steekpartij waarbij zaterdag zes mensen om het leven kwamen, waaronder vijf vrouwen, in een winkelcentrum in Sydney. Een terroristisch motief voor deze moord, gepleegd door een man met een psychische aandoening die door de politie werd doodgeschoten, werd uitgesloten.
Later dit jaar horen de zes verdachten hun straffen
In Brussel zijn zes van de tien verdachten van de terreuraanslagen in 2016 schuldig bevonden aan terroristische moord. Dat meldt La Libre Belgique. Onder hen is Salah Abdeslam. De zaak werd vanwege de duur van het proces beschouwd als de grootste rechtszaak deze eeuw in België.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Op 22 maart 2016 werden meerdere zelfmoordaanslagen gepleegd in het hart van Brussel. Er vonden explosies plaats bij luchthaven Zaventem en metrostation Maalbeek en zeker vijfendertig mensen kwamen om het leven, net als drie daders, die gelieerd waren aan terreurbeweging IS. Dezelfde terreurcel, onder leiding van Abdeslam, was verantwoordelijk voor de zeer dodelijke aanslagen in Parijs. Hij werd vlak voor de aanslagen in Brussel opgepakt, maar was wel betrokken, zo oordeelde de jury.
Een ander prominent lid van de terreurcel werd bij verstek veroordeeld: hij overleed in Syrië of Irak, de plaats vanwaar hij de aanslagen aanstuurde. De jury bestond uit burgers die dagenlang geen toegang hadden tot televisie of internet om zich niet te laten beïnvloeden. In totaal hadden zij achttien dagen nodig om tot hun oordeel te komen.
Wie er achter de moorden zit en waarom is nog onduidelijk
De Britse stad Nottingham is dinsdag opgeschrikt door een geweldsgolf die aan zeker drie mensen het leven heeft gekost, schrijft de BBC. Daarnaast raakten drie mensen gewond. Er is een verdachte aangehouden. Wat het motief is van deze mogelijke dader is nog onbekend.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De eerste twee slachtoffers waren studenten van negentien jaar oud die in de vroege ochtend doodgestoken werden gevonden op een weg vlak bij het centrum van de Britse stad. Vlak bij deze straat werd later een vijftigjarige man gevonden die eveneens was doodgestoken.
Even later werden meerdere mensen aangereden door een wit busje. De eenendertigjarige bestuurder van dit busje werd aangehouden door de politie op verdenking van moord. Een getuige zegt tegen de BBC dat hij een man, in het zwart gekleed, zag insteken op een jongen en een vrouw. ‘Ze schreeuwde help!’ zegt de getuige. ‘Ik zag hem eerst de jongen neersteken en toen de vrouw. Het was herhaaldelijk steken – vier of vijf keer.’
Uitgerekend aan de vooravond van de vijfenveertigste herdenking van de ontvoering van de Dwaze Moeders heeft militair Alfredo Astiz in een brief aan de rechtbank zijn rol in de Argentijnse junta proberen te rechtvaardigen. ‘Ik ben geen crimineel en al helemaal geen genocidepleger.’
Alfredo Astiz’ verdorvenheid kent geen grenzen. Aan de vooravond van de vijfenveertigste herdenking van de ontvoeringen van de Dwaze Moeders van de Plaza de Mayo en twee Franse nonnen in de Iglesia de la Santa Cruz – ontvoeringen die door zijn infiltratie mogelijk werden gemaakt – heeft Astiz een brief gestuurd naar de federale rechtbank (die kort daarvoor het verzoek van zijn advocaten tot voorwaardelijke invrijheidstelling had afgewezen) om daarin zijn rol in de militaire dictatuur te rechtvaardigen. ‘Ik ben geen crimineel, en al helemaal geen genocidepleger’, stond er in zijn handgeschreven brief, verstuurd vanuit de Ezeiza-gevangenis, waar hij zijn straf uitzit.
Precies vijfenveertig jaar geleden wandelde Astiz de Iglesia de la Santa Cruz binnen. Daar had zich een groep Dwaze Moeders en familieleden verzameld die geld bij elkaar legden en handtekeningen hadden verzameld om een oproep te plaatsen in de landelijke krant La Nación. Ze wilden de verdwijningen van hun geliefden openlijk veroordelen en eisten antwoorden van Jorge Rafael Videla’s militaire dictatuur.
Niemand kon toen vermoeden dat de jonge, blonde, atletische jongeman rapporteerde aan een in de ESMA [de Technische School van de Argentijnse Marine, het grootste foltercentrum tijdens de militaire dictatuur in Argentinië, 1976-1983] opererende eenheid. Voor de Dwaze Moeders was hij Gustavo Niño, een jongeman die op zoek was naar zijn verdwenen broer. Soms kwam Gustavo Niño naar de bijeenkomsten met een eveneens blond meisje van wie hij beweerde dat ze zijn zusje was. In werkelijkheid was ze een van de door de marine ontvoerde Argentijnen en moest ze met hem mee om vertrouwen te wekken.
Alfredo Astiz
Voor de door hem gepleegde misdaden bij de ESMA heeft Astiz twee keer levenslang gekregen. Justitie acht bewezen dat hij medeverantwoordelijk was voor de ontvoering van de twaalf activisten die samenkwamen in de Iglesia de la Santa Cruz en tussen 8 en 10 december 1977 werden gegijzeld. Onder hen bevonden zich de Dwaze Moeders van de Plaza de Mayo Azucena Villaflor (oprichtster van deze burgerbeweging), María Eugenia Ponce de Bianco en Esther Ballestrino de Careaga, alsmede de twee Franse nonnen Alice Domon en Léonie Duquet. De twaalf werden overgebracht naar de ESMA en op 14 december 1977 in zee gegooid tijdens een van de zogeheten ‘dodenvluchten’.
Verzoek afgewezen
Onlangs vroegen de advocaten van Astiz tijdens de rechtszaak om zijn voorwaardelijke vrijlating. De drie leden van de federale rechtbank – Adriana Palliotti, Fernando Canero en Daniel Obligado – wezen zijn verzoek af, de tweeënzeventig jaar oude ex-marineman zal zijn gevangenisstraf moeten uitzitten. Het vonnis van de rechters wekte de woede van Astiz. Vanuit de Ezeiza-gevangenis schreef hij een brief aan de rechtbank waarin hij zei dat hij had deelgenomen aan de strijd tegen het terrorisme, maar zich niet herkende in de kwalificatie ‘genocidepleger’.
‘Ik wil benadrukken dat ik nooit eerder een verzoek om voorwaardelijke invrijheidstelling heb ingediend. En dat terwijl ik twintig jaar geleden onwettelijk van mijn vrijheid ben beroofd, ik eis slechts invrijheidstelling, niets anders,’ aldus Astiz in zijn brief, alsof hij was ontvoerd en niet een gevangenisstraf uitzat voor de misdaden die hij had gepleegd.
‘Ik zit liever in de gevangenis vanwege mijn strijd tegen het terrorisme dan als een ordinaire boef’
De ex-marineman richtte zijn pijlen vooral op een van de rechters, Obligado, die uitweidde over de aard van de door Astiz gepleegde misdaden. ‘Ik laat me niet door Obligado op zo’n vernederende manier bejegenen, want ik ben geen crimineel en al helemaal geen genocidepleger’, aldus Astiz, die hiermee blijk gaf van een grenzeloos cynisme.
‘Ik zit liever in de gevangenis vanwege mijn strijd tegen het terrorisme dan als een ordinaire boef’, schreef Astiz ter afsluiting. De brief werd op dezelfde dag geschreven dat de federale rechtbank Cristina Fernández de Kirchner veroordeelde tot zes jaar gevangenisstraf. Het was haar regering die de rechtszaken tegen de genocideplegers initieerde.
Lange lijst
Astiz heeft een lange lijst van provocaties op zijn naam staan. In 1998 gaf hij in een interview met Gabriela Cerruti van het tijdschrift Tres Puntos toe dat hij was geïnfiltreerd in de groep Dwaze Moeders van de Plaza de Mayo, al ontkende hij dat hij op de dag van de ontvoeringen in de Iglesia de la Santa Cruz was. In hetzelfde interview zei Astiz: ‘De marine heeft me geleerd hoe ik moet elimineren. Ik kan mijnen en bommen plaatsen, ik weet hoe ik moet infiltreren en een burgerbeweging moet ontmantelen. Ik weet hoe ik moet doden.’ Astiz sloot in 2017 tijdens de rechtszaak die bekendstaat als ESMA Unificada zijn verklaring af met de woorden: ‘Nooit zal ik excuses aanbieden omdat ik mijn land heb verdedigd.’
‘Of je gradaties hebt in volkerenmoord weet ik niet, maar Astiz is er het schoolvoorbeeld van,’ zegt Mabel Careaga, dochter van Esther Ballestrino de Careaga, een van de moeders die op 8 december 1977 ontvoerd werden in de Iglesia de la Santa Cruz. ‘Je had het staatsterrorisme en iemand als Astiz, die infiltreerde, het vertrouwen won van de vrouwen die hun zonen en dochters zochten, en hij wist drommels goed wat er ging gebeuren als ze werden ontvoerd. De daaropvolgende jaren heeft hij niet één keer berouw getoond. Integendeel: hij is altijd gaan staan voor wat hij op zijn kerfstok heeft,’ aldus Careaga.
‘Ik weet hoe ik moet infiltreren en een burgerbeweging moet ontmantelen. Ik weet hoe ik moet doden’
‘In wezen rechtvaardigt hij voor de zoveelste keer zijn daden. In een tijd waarin ontkenning aan de orde van de dag is brengt hij dit weer te berde. En dat nog wel op deze voor ons zo gevoelige dag, die ons eraan herinnert dat we deze rechtse groeperingen en deze genocideplegers nooit meer mogen laten terugkeren in de samenleving. Het is pervers en provocatief,’ zo zegt Careaga.
‘Wie deel uitmaakte van een systeem van uitroeiing, dood en terreur – inclusief de dodenvluchten – kan alleen maar worden beschouwd als een genocidepleger,’ aldus Ana Bianco, dochter van ‘Mary’ Ponce, een van de andere moeders die vijfenveertig jaar geleden werden ontvoerd. ‘Astiz is een onvervalste genocidepleger, hij hield de Dwaze Moeders in de kerk in de gaten om vast te kunnen stellen welke kopstukken moesten verdwijnen om een ontluikende mensenrechtenbeweging in de kiem te kunnen smoren,’ vult ze aan. ‘De enige plek waar een genocidepleger thuishoort is in de gevangenis, met levenslang.’
Sinds het aantreden van de meest rechtse regering in de geschiedenis van Israël, is het geweld tussen Israëliërs en Palestijnen opgelaaid. Opmerkelijk gebruiken beide partijen hetzelfde argument om hun gewelddadigheden te rechtvaardigen: zelfverdediging.
Volgens Richard Silverstein, zelf joods maar zeer kritisch op het Israëlische beleid, moet het aanhoudende geweld door Israël als terreur worden gezien en moet het land dan ook de status ‘terroristisch’ krijgen. ‘Als terrorisme staat voor het gebruik van geweld bij het nastreven van politieke doelen, dan moet het beleid van Israël ook gezien worden als staatsterrorisme’, schrijft hij.
Volgens Orly Goldschmidt, woordvoerder van de Israëlische ambassade in het Verenigd Koninkrijk, moet Israël zich wel verdedigen tegen de Palestijnse terreur. Zonder het antiterrorisme-apparaat van Israël ‘zou het totaal van vijfduizend [terreurslachtoffers] naar ik vrees nog heel wat meer nullen bevatten’, schrijft hij.
Lees hieronder hun betogen:
Waarom Israël als terroristische staat aangemerkt moet worden
Sinds de Nakba [de gedwongen emigratie van Arabische Palestijnen uit het Israëlisch grondgebied in 1947-1949, de tijd waarin de staat Israël ontstond] heeft Israël de Palestijnen onderdrukt met staatsterreur die goedgepraat werd als ‘zelfverdediging’, terwijl Palestijnen die zich verzetten weggezet worden als terroristen. Het geweld dat Israël gepleegd heeft op de Al-Aqsamoskee laat echter de waarheid zien, schrijft Richard Silverstein.
In mei 2021 leidde de onderdrukking van de islamitische eredienst in de Al-Aqsamoskee door Israël tot woede en verzet bij de Palestijnen. Vorig jaar april lokte de Likoed-regering tijdens de ramadan rellen uit in Oost-Jeruzalem door gelovigen de toegang tot de Damascuspoort te weigeren, waar zij na het gebed altijd bijeenkwamen voor de sociale contacten. De Israëlische grenspolitie, berucht om haar wreedheid, reageerde met een uitbarsting van geweld.
De woede van de Palestijnen sloeg al snel over naar alle Palestijnse gemeenschappen in Israël. Zo’n nationaal verzet was nog niet eerder voorgekomen in de geschiedenis van dit conflict dat, op een paar zeldzame momenten na, beperkt is gebleven tot de bezette gebieden.
Ze vielen Palestijnse buurten binnen en terroriseerden en mishandelden de bevolking
De Israëlische joden werden gealarmeerd. De ultrarechtse bendes van de Kahanisten begonnen sociale media in te zetten om groeperingen te organiseren die voor eigen rechter speelden. Ze vielen Palestijnse buurten binnen en terroriseerden en mishandelden de bevolking.
Hamas reageerde, in zijn rol als beschermer van de heilige islamitische plaatsen in Jeruzalem, door raketten op Israël af te vuren. Daarop lanceerde Israël een grootscheepse luchtaanval die elf dagen duurde en 250 slachtoffers maakte, van wie de meesten vrouwen en kinderen waren.
Dit jaar is de ramadan hard op weg om op net zo’n vechtpartij uit te lopen. Na vier Palestijnse terreuraanslagen binnen twee weken, waarbij elf Israëliërs omkwamen, zijn duizenden Israëlische troepen de Palestijnse dorpen binnengedrongen. Daarbij werden honderden gearresteerd en zijn bijna twintig mensen om het leven gekomen.
Hoewel de Palestijnse vechtlust sterker is geworden doordat er een religieuze dimensie aan het politieke conflict is toegevoegd, is er ook een gevaar
De reactie van de Israëlische grenspolitie, die op een dag in april 2022 vroeg in de morgen vijfhonderd kolonisten overbracht naar de binnenplaats recht tegenover de Al-Aqsamoskee, was nog schadelijker voor de stabiliteit van het land. De kolonisten stonden onder leiding van Itamar Ben Gvir, de meest gehate extremist van de Knesset [het Israëlisch parlement]. De aanval stond gepland voor de vroege morgen, het moment waarop gelovigen samenkwamen voor het dagelijks gebed. De politie viel het heiligdom binnen en gebruikte flitsgranaten, traangas en knuppels om de moskee onder controle te krijgen en iedere vorm van verzet de kop in te drukken. Bijna vierhonderd mensen werden gearresteerd en honderdvijftig raakten gewond.
Hoewel de Palestijnse vechtlust sterker is geworden doordat er een religieuze dimensie aan het politieke conflict is toegevoegd, is er ook een gevaar. Uit de geschiedenis blijkt dat de ijver van twee groepen gelovigen die tegen elkaar strijden snel kan escaleren.
De traditionele internationale reactie op gewapend Palestijns verzet was onvoorwaardelijke veroordeling ervan, terwijl men sympathie had voor de daden van Israël, dat handelde uit ‘zelfverdediging’. Maar de wereld begint de opruiing door de Israëliërs steeds meer te zien als een primaire aanstichter van het geweld.
Nu de kritiek op de Israëlische agressie toeneemt, is het tijd voor herbezinning op het conventionele begrip en de definitie van terrorisme.
Als terrorisme staat voor het gebruik van geweld bij het nastreven van politieke doelen, dan moet het beleid van Israël ook gezien worden als staatsterrorisme. Het Palestijnse geweld is dus niet langer het werk van ‘terroristen’, zoals Israël hen heeft bestempeld, maar een legitieme politieke reactie op de Israëlische apartheid en het massale geweld, waaronder de moord op tienduizenden Palestijnen sinds de oprichting van de staat in 1948.
Het is tijd voor herbezinning op het conventionele begrip en de definitie van terrorisme
Ter ondersteuning van dit standpunt heeft Israël sinds zijn oprichting terreur gebruikt om de Palestijnen te controleren, te overheersen en te onderdrukken. Zelfs vóór de oprichting van de staat riep David Ben Goerion al vaak ertoe op de ‘Arabieren’ uit Palestina te verdrijven om te zorgen voor een natie waar een Joodse meerderheid het voor het zeggen zou hebben.
De Joodse terreurmilities waren rivalen van het zionistische Yishuv-bestuur. Zij toonden hun minachting door terreuraanslagen te plegen om zo duidelijk te maken dat de Joden de overmacht hadden. Bij een van hun gezamenlijke militie-operaties in april 1948, die geleid werd door de toekomstige premier Menahem Begin en Yitzhak Shamir, werd het dorp Deir Yassin verwoest, waarbij honderd doden vielen, waaronder vrouwen en kinderen.
Joodse schutters onder leiding van Shamir vermoordden graaf Folke von Bernadotte, een VN-vredesonderhandelaar, omdat hij een territoriaal compromis voorstelde dat nadelig was voor de Joodse belangen. Tenslotte bombardeerden de troepen van Begin, als de meest gruwelijke terreurdaad van allemaal, het King David Hotel, het hoofdkwartier van het Britse Mandaatbestuur, waarbij meer dan negentig slachtoffers vielen.
Hoewel de Joodse ondergrondse terroristische beweging het meeste geweld gebruikte, deed de Yishuv dat nog systematischer: Plan Dalet verdreef een miljoen Palestijnen uit hun huizen in Gaza en voerde ze weg naar Syrië in ballingschap door ze als vluchtelingen in kampen op te sluiten. De Nakba was misschien wel Israëls eerste systematische daad van staatsterreur.
De Nakba was misschien wel Israëls eerste systematische daad van staatsterreur
In het licht van deze geschiedenis moet het huidige Israëlische beleid opnieuw onder de loep worden genomen: de herhaalde aanvallen op Gaza (2009, 2014, 2021) die de dood van duizenden en de vernietiging van tienduizenden huizen tot gevolg hadden, moeten ook worden gezien als terreurdaden. In 2018 stonden Israëlische sluipschutters oog in oog met tienduizenden vreedzame demonstranten tijdens de Grote Mars van de Terugkeer. Ze maaiden hen zonder pardon neer, alsof het niets was. Honderden ongewapende demonstranten werden vermoord en duizenden werden voor het leven verminkt.
Het inpikken van Palestijns land, de ontworteling van hele gemeenschappen, de onderdrukking van religieuze erediensten, de eindeloze cycli van gewelddadige invallen in huizen in het holst van de nacht, de arrestatie van duizenden mensen, waaronder kinderen: al die gebeurtenissen moeten worden gezien als nog meer gewelddadigheden van de staat.
Het verschil tussen het Palestijnse verzet en de Israëlische staatsterreur is dat de Palestijnen individuele gewelddaden plegen. Hoe gruwelijk het aantal doden ook is, het gaat om eenmansaanvallen of gewelddaden met een beperkte impact.
Het terrorisme van Israël daarentegen is een alomvattend beleid waarbij alle macht van het veiligheidsapparaat wordt ingezet ten behoeve van het staatsbelang. Het houdt veel meer in dan een schutter die door een straat in Tel Aviv rent. Het omvat een complete nationale politiemacht die wordt ingezet tegen aanhangers van een enkele religie. Het omvat honderden grenspolitieagenten die een heilige plaats bezoedelen door er een slagveld van te maken; en dat alles ten behoeve van messiaanse joden die de heilige plaatsen van de moslims willen vernietigen om de joodse tempel te herbouwen.
Het verschil tussen het Palestijnse verzet en de Israëlische staatsterreur is dat de Palestijnen individuele gewelddaden plegen
Het Internationaal Strafhof deelt veel van deze zorgen en heeft een onderzoek ingesteld naar mogelijke Israëlische oorlogsmisdaden. Dit garandeert niet dat het Israël schuldig zal bevinden. Maar voor een juiste beoordeling is het van cruciaal belang dat ons begrip van het Israëlische beleid wordt veranderd. Dit beleid is niet alleen onrechtvaardig. Zelfs de term apartheid, hoe juist die definitie ook is, doet geen recht aan de zeventig jaar waarin Israël systematisch Palestijnse rechten onderdrukt. Het is eenvoudigweg een alomvattend beleid van staatsterreur.
Tegenwoordig ziet de wereld een verband tussen de Russische invasie in Oekraïne, de doelbewuste aanvallen op burgerdoelen, de uitroeiing van de hele stad Marioepol en de executie van vastgebonden burgers enerzijds en de wreedheden van de nazi-Wehrmacht en de SS tijdens de Tweede Wereldoorlog anderzijds. De wereld schreeuwt nu om verantwoording, eist dat Poetin en zijn generaals worden berecht voor oorlogsmisdaden.
Het terrorisme van Israël heeft veel langer geduurd en meer slachtoffers gemaakt dan dat van Rusland. Als we moreel consequent willen zijn, dan moeten de misdaden van de Israëlische staat hetzelfde worden behandeld als de misdaden van Rusland. De wereld kan niet langer aanvaarden dat Israël zich als slachtoffer of zelfverdediger beroept op zijn misdadig gedrag.
Terrorisme in de Israëlische context moet opnieuw worden gedefinieerd. De eeuwigdurende oorlogszuchtige verhouding van Israël tot zijn buren aan de frontlinie (Syrië, Libanon, Iran, enz.) en de Palestijnen destabiliseert de regio en schendt het internationaal recht. De wereld mag Israël niet langer het voordeel van de twijfel geven. Zij moet al die argumenten waarmee ze massaal geweld goedpraat verwerpen. We moeten Israël noemen zoals het is: een terreurstaat.
De staat Israël moet zichzelf verdedigen tegen Palestijnse terreur
Ik ben bang dat het totale dodental nog heel wat meer nullen zou tellen als Israël niet over een anti-terrorismeapparaat zou beschikken.
Het artikel van Jalal Abukhater van 7 februari, dat gepubliceerd werd enkele dagen nadat een Palestijnse terrorist op de herdenkingsdag van de Holocaust zeven onschuldige mensen vermoordde in een synagoge in Jeruzalem, onderwaardeert het leven van Israëliërs.
Zowel Palestijnen als Israëliërs lijden, en dat doet me pijn. Dat is precies de reden waarom dit artikel ingaat op een probleem dat in de bredere discussie over dit onderwerp speelt: de ontkenning en de weigering om te erkennen dat Israëliërs lijden.
Zowel Palestijnen als Israëliërs lijden, en dat doet me pijn
In 2022 werden Israëliërs getroffen door ruim vijfduizend Palestijnse terreuraanslagen; onschuldige mannen, vrouwen en kinderen werden op de straten van Israël doodgereden, doodgestoken of doodgeschoten, of ze kwamen door bombardementen om het leven. Zo is het leven op de grond.
Op 10 februari reed een Palestijn bijvoorbeeld met zijn auto in op een overvolle bushalte, met drie doden tot gevolg, waaronder twee broers van zes en acht jaar oud. Stel je eens voor dat jij of je dierbaren het slachtoffer worden van zo’n weerzinwekkende terreuraanslag terwijl je op weg bent naar je werk. Dit is precies de reden waarom Israël beschikt over een anti-terrorismeapparaat: als het land dat niet had, zou het totaal van vijfduizend naar ik vrees nog heel wat meer nullen bevatten.
Israël heeft door de jaren heen laten zien dat het vrede wil sluiten met de Palestijnen
Israël heeft door de jaren heen laten zien dat het vrede wil sluiten met de Palestijnen. Zo heeft het land in 1993, 2000, 2008 en 2014 geprobeerd om vredesakkoorden te sluiten en streven we nog altijd de vrede na. Geweld is echter aan de orde van de dag. Deze maand nog pleegden drie Palestijnse tieners drie terreuraanslagen op Israëlische burgers.
Deze aanslag staat niet op zichzelf. Helaas krijgen mensen in de Palestijnse samenleving de afkeer van Israël met de paplepel ingegoten. Schoolboeken, sociale media en het beleid van de Palestijnse Autoriteit zijn allemaal toegespitst op geweld tegen onschuldige Israëliërs. Ik hoop dat er vrede zal komen. Om dat te bereiken, zullen de Palestijnse leiders moeten erkennen dat er een eind moet komen aan het opruien van de bevolking en het geweld.
Het Duitse consulaat-generaal in het centrum van de Turkse metropool Istanboel is deze week van woensdag tot en met vrijdag gesloten wegens een verhoogd risico op aanslagen, zo meldde Der Spiegel gisteravond. In een mededeling van het ministerie van Buitenlandse Zaken aan Duitse onderdanen in Turkije staat dat na incidenten zoals de verbranding van een koran in Stockholm het risico van terroristische aanslagen is toegenomen – vooral in de wijk Beyoğlu in de binnenstad en rond het centrale plein Taksim.
Het ministerie van Buitenlandse Zaken raadde aan bijzonder waakzaam te zijn en mensenmassa’s en de genoemde gebieden te vermijden. ‘Als u daar verblijft, beperk uw verblijf buitenshuis dan tot het hoogst noodzakelijke’, aldus het bericht. Ook het reis- en veiligheidsadvies op de website van het ministerie van Buitenlandse Zaken is dienovereenkomstig aangepast.
Ook Nederland en het Verenigd Koninkrijk hebben hun consulaat-generaal in Istanboel gesloten voor bezoekers. Zwitserland en Zweden sloten zowel hun ambassade in Ankara als hun consulaat-generaal in Istanboel. Er zouden concrete aanwijzingen bestaan voor een dreigende terreuraanslag. De VS waarschuwt zijn burgers al enkele weken voor een aanslag, en in Turkije zijn de veiligheidsmaatregelen aangescherpt.
Bilal al-Sudani was een van de financiële kopstukken van IS
Een van de leiders van Islamitische Staat (IS) is donderdag om het leven gekomen bij een speciale operatie door Amerikaanse elitetroepen. Dat schrijft The New York Times. Het gaat om Bilal al-Sudani, die in een bergachtig gebied in het noorden van Somalië leefde. Al-Sudani was een van de kopstukken van IS in Afrika en een van de financiële leiders.
Het Amerikaanse leger, dat vaker antiterreuroperaties in Afrika uitvoert, wilde Al-Sudani levend hebben. Bij de poging hem gevangen te nemen ontstond echter een zwaar vuurgevecht waarbij de IS-leider en tien andere terroristen om het leven kwamen. Eén Amerikaanse militair raakte gewond bij de operatie.
Al-Sudani werd al langer gezocht door de Verenigde Staten, ook vanwege zijn belangrijke rol voor de Somalische terreurorganisatie Al-Shabaab, die in sommige gebieden samenwerkt met IS. Volgens de Amerikanen was Al-Sudani ‘een sleutelfiguur voor het internationale netwerk van IS’ en een van de belangrijke figuren achter de groeiende aanwezigheid van de organisatie in Afrika.
Zelfmoordaanslag werd door onbekende dader gepleegd
Bij een aanslag in de Turkse hoofdstad Istanbul zijn zeker zes mensen om het leven gekomen. Ook raakten zeker eenentachtig mensen gewond, meldt Al Jazeera. De aanslag vond plaats in het centrum van de stad, vlak bij het Taksimplein, tegen het einde van de middag toen er veel mensen op straat waren.
Over het motief of over de daders is nog veel onduidelijk. Op basis van beelden van beveiligingscamera’s weet men dat de zelfmoordaanslag waarschijnlijk is gepleegd door een vrouw. Na de aanslag rukten hulpdiensten massaal uit en ging een groot deel van het centrum op slot. Winkels sloten hun deuren en grote plaatselijke voetbalclubs bliezen hun wedstrijden af.
Het is niet voor het eerst dat Istanbul, en met name het centrum rondom het Taksimplein, wordt getroffen door aanslagen. In het verleden werden deze aanslagen gepleegd door Koerdische militanten of IS-strijders. Zo kwamen in 2016 vier mensen om het leven bij een zelfmoordaanslag.
Terreurgroep valt militaire basis van Afrikaanse Unie aan
De terreurgroep Al-Shabaab, die banden heeft met Al-Qaida, heeft in Somalië een militaire basis aangevallen die door de Afrikaanse Unie was gestuurd om de vrede te bewaren, meldt CNN. De basis, die 160 kilometer ten noorden van de hoofdstad Mogadishu ligt, wordt bezet door Burundese troepen. Een zelfmoordterrorist drong afgelopen dinsdag bij zonsopgang de basis binnen en maakte de weg vrij voor andere strijders. Al-Shabaab beweert 59 soldaten gedood te hebben en de controle over de plaats overgenomen te hebben. De beweringen zijn niet bevestigd door de autoriteiten.
Het is de tweede keer dit jaar dat de terreurgroep de basis heeft aangevallen, aldus CNN. De aanval vond plaats op 14 april, de dag waarop Somalië een nieuw parlement beëdigd heeft. Later dit jaar zullen naar verwachting presidentsverkiezingen gehouden worden, na meer dan een jaar uitstel als gevolg van de politieke crisis.
Al-Shabaab is een Somalische groepering die door de Verenigde Staten in maart 2008 als buitenlandse terroristische organisatie is aangemerkt. De terreurgroep strijdt al jaren voor de omverwerping van de centrale regering en voor invoering van een bewind gebaseerd op de strikte interpretatie van de sharia, de islamitische wetgeving.
Om ervoor te zorgen dat een misdaad terreur wordt, hebben de daders zo veel mogelijk publieke belangstelling nodig. Daar komen wij journalisten in beeld, wij boodschappers van de terreur laten ons ge- en misbruiken voor propaganda van terroristen.
Moeten we dan zwijgen? Nee, zegt Bastian Berbner van Die Zeit, we moeten afstompen. De belangstelling voor de aanslagen moet afnemen.
Bewogenheid is eindig. Na de aanslag op het Franse satirische tijdschrift Charlie Hebdo kwamen voor een protestwake bij de Brandenburger Tor bijna twintigduizend mensen bijeen, die als solidariteitsbetuiging met de slachtoffers de Marseillaise zongen en T-shirts droegen met de tekst ‘Je suis Charlie’.
Tien maanden later, toen terroristen opnieuw toesloegen in Parijs, kwamen er niet eens meer tweeduizend mensen naar de Brandenburger Tor. Wel keken er bijna tien miljoen mensen naar Brennpunkt [een soort extra journaal met achtergrondinformatie over bijzondere gebeurtenissen] op Das Erste.
Enkele maanden later voerden terroristen aanslagen uit in Brussel en vervolgens in Londen, maar naar Brennpunkt keken in beide gevallen nog maar zes miljoen mensen en naar de Brandenburger Tor kwam vrijwel niemand meer.
Nu, na Barcelona, trok Brennpunkt nog maar iets meer dan vier miljoen kijkers. Protestwaken werden niet meer gehouden.
Er zijn ook zo veel aanslagen geweest de afgelopen twee jaar. Hannover, Essen, Würzburg, Ansbach, Berlijn, Hamburg, Kopenhagen, Londen, Nice, Brussel, Sint-Petersburg, Stockholm, Manchester, Londen, verscheidene keren Parijs, verscheidene keren Istanboel en dat zijn ze nog niet eens allemaal.
Ergens onderweg is ons medelijden bekoeld
We zien de beelden van de Ramblas in Barcelona, maar we kijken er inmiddels naar als naar een ongeluk op de snelweg. Een korte blik, een moment van ontzetting en daarna keren we terug naar onze emotionele comfortzone.
Vreselijk hoe we afstompen, hè?
Nee, niet vreselijk. Integendeel. Ik denk dat dat het beste is wat ons kan gebeuren.
Als het gaat om de vraag hoe de aanslagen te voorkomen zijn, dan wordt meestal gesproken over strengere wetgeving, extra politieagenten en nieuwe apparatuur voor gezichtsherkenning. Hoewel iedereen weet dat niet alle aanslagplegers zich daardoor laten tegenhouden.
Er is echter een veel effectiever middel voor terreurbestrijding. Een middel dat het terrorisme als geheel attaqueert en niet de individuele terroristen, het hart van de hydra en niet de vele koppen ervan.
Je kunt het afstomping noemen. Ik zou het positiever formuleren: gerichte desinteresse.
Dat klinkt in eerste instantie misschien cynisch, vooral voor de slachtoffers van terreuraanslagen en hun naaste verwanten. Maar je moet je realiseren hoe terrorisme functioneert – en afgelopen december in herinnering roepen.
Anis Amri reed toen met een vrachtwagen in op de kerstmarkt op de Breitscheidplatz in Berlijn. Hij verpletterde kraampjes, reed mensen omver en wist aan politie en veiligheidsdienst te ontkomen. Evengoed wisten ze precies naar wie ze moesten zoeken. Op zijn vlucht bracht Amri een groet voor een bewakingscamera. En hij was zo vriendelijk om zijn paspoort in de vrachtwagen achter te laten.
De aanslagpleger in Nice, die 86 mensen overreed, liet op zijn beurt zijn rijbewijs in de vrachtwagen liggen en in de vluchtauto van de aanslagplegers bij Charlie Hebdo vond de politie eveneens een paspoort.
Terroristen die op de vlucht zijn en in plaats van hun identificatie te bemoeilijken hun paspoort laten zien?
Natuurlijk is dat geen onachtzaamheid, geen fout die ze telkens weer begaan. De terroristen doen dat voor mensen zoals ik, voor ons journalisten. Net zoals ze videoboodschappen online zetten of beelden van de daad op Facebook plaatsen. Ze willen dat wij artikelen over hen schrijven, dat wij hun naam in zo groot mogelijke letters op de voorpagina afdrukken en een foto van hen erbij zetten. Ze willen dat het hele land over hen hoort, het liefst de hele wereld.
Symbolisch en willekeurig
Een misdaad wordt namelijk pas een terroristische daad door de publieke belangstelling. Een gewone moord en een die terreur moet zaaien lijken in wezen heel sterk op elkaar: de ene mens vermoordt een ander. Het verschil is het motief. Moorden, bijvoorbeeld uit begeerte of jaloezie, zijn gericht op heel specifieke personen, want anders hebben ze geen zin. De dader hoopt dat zijn daad zo min mogelijk mensen ter ore komt, het liefst niemand. Hoe geheimer, hoe beter.
Bij een moord die een terreuraanslag moet worden, is het precies andersom. De slachtoffers zijn symbolisch en vaak willekeurig gekozen. Het kan iedereen overkomen, feestgangers, voetbalsupporters, tieners bij een popconcert. En de daad en de dader moeten bij zo veel mogelijk mensen bekend worden. Hoe openlijker, hoe beter.
Een paar jaar terug was er een aanslag die bijna ten onder ging in het tumult rond de grote aanslagen in Brussel, Parijs en Berlijn, maar waarin zich de essentie van het terrorisme weerspiegelde. Een paar weken geleden ben ik naar de plaats van die aanslag gereden, naar Saint-Étienne-du-Rouvray, een dorp in de buurt van de Noord-Franse stad Rouen.
Ik liep het uit forse steenblokken opgetrokken kerkje in, waar over een paar minuten de mis zou beginnen. Links voorin zat een man met gebogen rug, grijs haar en een grijze jas. Ik kende hem van televisie, had op internet foto’s van hem gezien en in Franse kranten over hem gelezen.
Guy Coponet is 88 jaar oud. Na de dienst sprak ik hem aan en hij vertelde me wat er op deze plek was gebeurd.
Die dag, 26 juli 2016, was er vrijwel niemand naar de dienst gekomen: alleen Coponet, zijn vrouw en drie nonnen. Maar Coponet verheugde zich erop, want zijn beste vriend, priester Jacques Hamel, stond voorin bij het altaar. Met zijn 85 jaar was Hamel allang met pensioen, maar soms viel hij nog in.
Vlak voor het eind van de dienst vliegt de deur van de sacristie open en stormen twee in het zwart geklede mannen naar binnen. Ze hebben een mes in hun hand en schreeuwen ‘Allahoe akbar’. Een van de twee stort zich op de priester, die voordat de messteken hem treffen nog roept: ‘Ga weg, Satan!’ Vervolgens zakt Hamel ineen op het altaar en sterft.
De aanslagplegers hebben een mens om het leven gebracht, maar tot nog toe zijn daarvan slechts vijf mensen getuige geweest: het echtpaar Coponet en de drie nonnen. Om ervoor te zorgen dat een misdaad terreur wordt, moet de daad zich onderscheiden van de dertien andere moorden die er gemiddeld per dag in Europa worden gepleegd, maar waarover je nauwelijks iets hoort.
Vijf mensen moeten er miljoenen worden. Een eerste stap hebben de twee mannen in het zwart al gezet, want ze hebben de moord voorzien van symboliek: een priester, een kerk. Maar dat is niet voldoende.
De man die Hamel heeft gedood, kijkt op van het lichaam, loopt naar Guy Coponet en drukt hem een smartphone in de hand; de camerafunctie is al gestart. Hij zegt: ‘Jij gaat filmen, opa!’ Guy Coponet richt de lens op het altaar en legt vast hoe de man boven het lichaam poseert.
Een jihadist met een bebloed mes boven een dode priester op het altaar van een christelijke kerk in Europa – de islamisten kennen de kracht van deze beelden. Dat geldt ook voor Coponet. ‘Dit gaan ze op internet zetten, dacht ik, maar ik heb toch gefilmd. Wat had ik moeten doen?’
Na een paar seconden komt de aanslagpleger terug en bekijkt de kwaliteit van de beelden. Hij zegt: ‘Bijna zonder trillen, opa!’ Dan steekt hij toe. Drie keer. In de arm, in de rug, in de nek. Coponet zakt bloedend op de vloer. Hij houdt zich dood en bidt.
Dan richten de aanslagplegers zich op de vrouwen, die in shock tussen de kerkbanken staan. ‘Nu zijn wij aan de beurt, dachten we,’ herinnert zuster Huguette zich, een tengere vrouw van tachtig jaar. Maar de aanslagplegers beginnen te praten. Huguette zegt: ‘Een van hen droeg ons op: “Als jullie later op televisie komen, dan moeten jullie zeggen dat elke aanslag in Syrië wordt gevolgd door een aanslag in Frankrijk.” Toen wisten we dat we het er levend af zouden brengen.’
Terrorisme is communicatie. Aanslagplegers willen een boodschap overbrengen. Niet zozeer aan hun directe slachtoffers, de drie nonnen of Guy Coponet en zijn vrouw, niet zozeer aan de mensen op de Breitscheidplatz en de concertbezoekers in de Bataclan, als wel aan alle anderen.
In de nuchtere taal van de terrorismeonderzoekers worden de mensen voor wie deze boodschap is bedoeld de ‘geïnteresseerde derden’ genoemd. Bij veruit de meesten van ons, laten we zeggen 99 procent, neemt die interesse de vorm aan van angst, schrik en soms ook wraaklust. Als we de huilende zuster Huguette op televisie zien, als we horen hoe ze vertelt over het martelaarschap van de priester schudden we vol afgrijzen ons hoofd, houden we misschien wel geschokt een hand voor onze mond en betrappen we ons mogelijk op de gedachte: Dat moeten we die monsters betaald zetten!
Dat is het moment waarop een misdaad terreur wordt.
Misschien zullen we ons de volgende ochtend in de metro afvragen: Is die man met die baard iets van plan? Misschien gaan we een tijdje niet meer naar de kerk, omdat we bang zijn dat ons hetzelfde overkomt als Guy Coponet. Barcelona moet mooi zijn, maar is een andere reisbestemming niet veiliger? Moet je echt elk jaar naar een kerstmarkt?
De gedachte volstaat. We waren niet aanwezig bij de aanslagen, we hebben niet gezien hoe Jacques Hamel in elkaar zakte, we hebben niet gehoord hoe het hout van de kerstkraampjes op de Breitscheidplatz versplinterde. Toch heeft de angst ons bekropen. We zijn geterroriseerd.
En het is mijn schuld.
Niet alleen die van mij natuurlijk, maar van ons journalisten, van mij en al mijn collega’s die over terrorisme berichten.
De meeste mensen vernemen het nieuws van een aanslag via een pushbericht op hun smartphone, via de Tagesschau, van een stem uit de autoradio of door een blik in de krant. Maar ook wanneer politici zich erover uitlaten, wanneer bijvoorbeeld Angela Merkel een aanslag ‘ten scherpste veroordeelt’ of de minister van Buitenlandse Zaken zijn medeleven betuigt, zijn het journalisten die deze stemmen met hun camera’s en microfoons de huiskamer in brengen.
Boodschappers van de terreur
Het is pijnlijk om toe te geven, maar wij journalisten zijn de boodschappers van de terreur, via ons worden vijf bang gemaakte mensen miljoenen bang gemaakte, woedende, om wraak schreeuwende mensen, verspreid over de hele wereld. De Tagesschau berichtte over Hamel, net als CNN. Natuurlijk kan ik nu het beroemde zinnetje ‘Don’t shoot the messenger’ aanhalen, wat zo veel betekent als: de boodschapper heeft geen schuld aan de boodschap die hij overbrengt. Alleen in dit geval klopt dat niet.
De hele handelwijze van de terroristen is gericht op verspreiding via de media. Ze willen ons journalisten ertoe bewegen zo veel, zo lang en zo sensationeel mogelijk te berichten. Daarom kiezen ze symbolische doelwitten. Daarom dwingen ze Guy Coponet om te filmen. Daarom laten ze de vrouwen leven. Wat is er schokkender dan huilende nonnen op televisie? De aanslagplegers van Rouen is één dode meer waard dan zes doden.
Al in de jaren vijftig dacht een Algerijnse revolutionair er hardop over na wat beter zou zijn: tien vijanden doden in een afgelegen oord waarvan niemand getuige is, of één in Algiers, zodat mensen in verre landen en belangrijke politici er de volgende dag van horen. Hiermee formuleerde hij het leidmotief van het huidige terrorisme.
De terroristen maken gebruik van ons journalisten. En wij laten ons gebruiken, steeds opnieuw.
Terroristisch geweld is er altijd geweest, maar pas in de moderne tijd werd het een machtig fenomeen. Volgens historica Carola Dietze uit Braunschweig verspreidde het zich in de loop van de negentiende eeuw in eerste instantie ‘waar de transport- en de communicatietechnologie bijzonder vergevorderd waren en het politiek geïnteresseerde publiek zich zeer sterk had gemanifesteerd’.
Dus: vooral in Europa.
In 1858 gooide de revolutionair Felice Orsini in Parijs een bom naar de auto van de Franse keizer Napoleon III, in de hoop daarmee een volksopstand te ontketenen.
In 1881 vermoordden anarchisten de Russische tsaar Alexander II toen hij in zijn koets door Sint-Petersburg reed.
In 1914 schoot een Servische nationalist in Sarajevo de Oostenrijkse troonopvolger aartshertog Franz Ferdinand dood en gaf daarmee indirect de aanzet tot de Eerste Wereldoorlog.
Alle drie de daden waren politieke moorden zoals die al millennialang werden gepleegd, maar met één verschil. De aanslagen vonden niet in het geniep plaats, maar in het openbaar, midden in Europese metropolen. Er waren honderden getuigen en via de kranten en telegrafen verspreidde het vreselijke nieuws zich binnen een paar dagen over het hele continent.
Opeens hadden kleine terreurgroepen, zelfs individuen, een middel gevonden om met een geringe inspanning het wereldgebeuren te beïnvloeden. De publiciteit: het was een wapen geworden. Benut, naargelang de historische context, door fascistische, antikoloniale, nationalistische of communistische strijders.
Een grote menigte verzamelde zich voor de Franse ambassade in Berlijn n.a.v. de schietpartij op de hoofdredactie van Charlie Hebdo op 7 januari 2015.
Terroristen werden propagandisten van de daad, maar ook van het woord. Ulrike Meinhof, een van de leiders van de RAF, was journaliste. In juni 1970, nog voor de eerste terreuraanslagen van de groep, publiceerde Der Spiegel ongeredigeerde stukken uit een RAF-pamflet dat Meinhof had geschreven. Jaren later, in september 1977, zagen Duitsers die de televisie aanzetten een uitgeputte werkgeversvoorzitter Hanns-Martin Schleyer, die in doodsangst voorlas uit de Stuttgarter Zeitung. De RAF had hem ontvoerd. De groep maakte het Duitse publiek tot getuige van deze schandelijke vertoning en zette daarmee de Bondsregering onder druk.
De geschiedenis van de media en die van de terreur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Op elke mediatechnische doorbraak volgt een nieuwe vorm van terrorisme.
Toen er voor het eerst live verslag van de Olympische Zomerspelen werd gedaan op televisie, in 1972 in München, vielen Palestijnen het Israëlische team aan. De beelden gingen de hele wereld over, niemand praatte meer over sport, iedereen had het over het Midden-Oosten.
Toen halverwege de jaren negentig televisiezender Al-Jazeera was opgericht, stuurde Osama bin Laden zijn koeriers met boodschappen naar de redactie van het station. En zoals Der Spiegel Meinhofs woorden had afgedrukt, zo verspreidde Al-Jazeera het gedachtegoed van Bin Laden.
Maar op een gegeven moment verminderde de belangstelling van de zender voor de lange teksten, waarop Bin Laden van strategie veranderde. Hij liet zijn strijders spectaculaire aanslagen uitvoeren, bomaanslagen op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania, een aanval op een Amerikaans oorlogsschip en uiteindelijk, in september 2001, de succesvolste terreuraanslag uit de geschiedenis, die zo perfect was geënsceneerd dat geen redactie ter wereld een keus had. Nog vrijwel dagelijks worden de beelden wel ergens op televisie vertoond en met elke keer dat iemand de vliegtuigen de torens in ziet vliegen, doen de islamisten hun voordeel.
De vorm van terrorisme die de islamisten bedrijven is de tot nog toe totalitairste. De RAF viel vertegenwoordigers van de politieke en economische elite aan, Bin Laden richtte zijn pijlen op iedereen die zich niet kon vinden in zijn radicale interpretatie van de islam. Niemand mocht zich veilig voelen, iedereen moest bang zijn.
De propagandisten van IS maken opnames vanuit verschillende standpunten, monteren de beelden op een Hollywood-achtige manier, voorzien ze van dramatische muziek en zetten ze online
Dan vindt er een beslissende ontwikkeling plaats. Meer dan honderd jaar lang hadden de terroristen de journalistieke filters moeten trotseren om het publiek te bereiken. Ze waren aangewezen op de berichtgeving in kranten en op de radio. Met de uitbreiding van internet komt daar verandering in.
De eerste terreurgroep die dat systematisch benut, is de Iraakse tak van Al-Qaida. Wanneer hun leider, Abu Musab al-Zarqawi, in mei 2004 de Amerikaanse zakenman Nicholas Berg onthoofdt, wordt de video daarvan binnen 24 uur een half miljoen keer gedownload. De terroristen hebben een rechtstreekse manier gevonden om de schokkendste beelden in de hoofden van mensen over de hele wereld te prenten.
Niet veel later komen er camera’s op de markt die niet groter zijn dan een luciferdoosje.
Aanvankelijk filmen beoefenaars van extreme sporten daarmee hun spectaculaire skiafdalingen of skateboardsprongen, maar dan bevestigt de kruimelcrimineel Mohammed Merah in maart 2012 zo’n camera op zijn borst in de Zuid-Franse stad Toulouse. Hij filmt hoe hij in een joodse school een rabbi en drie kinderen doodschiet. Wanneer een speciale eenheid twee dagen later zijn woning omsingelt, is hij nog op zijn laptop bezig om de beelden te monteren.
Even na middernacht weet Merah op een op andere manier het politiekordon te doorbreken. Hij zou kunnen vluchten, maar in plaats daarvan loopt hij naar de brievenbus om de USB-stick met de 24 minuten durende film naar het Parijse kantoor van Al-Jazeera te sturen. Daarna gaat hij terug naar zijn woning. Korte tijd later wordt hij doodgeschoten.
Tegenwoordig stelt de zogenaamde Islamitische Staat zich niet meer tevreden met het simpelweg filmen van zijn opmars, aanvallen en executies. De propagandisten van IS maken opnames vanuit verschillende standpunten, monteren de beelden op een Hollywood-achtige manier, voorzien ze van dramatische muziek en zetten ze online.
En wij journalisten verspreiden ze verder. De collega’s van de televisieredacties kunnen immers niet even voor een reportage naar het kalifaat rijden. Ze gebruiken dus de films die IS zelf maakt, weliswaar met klein in een hoekje geschreven ‘propagandavideo’, maar dat verandert niets aan het feit dat we beelden zien die IS van zichzelf schetst. Beelden van onthoofdingen, weliswaar geblurd, maar de fantasie vult de gaten op. Video’s van strijders die glimlachend in de camera kijken en vertellen hoe fijn ze het vinden om ongelovigen met botte sabels de keel door te snijden.
Zo is IS in ons hoofd de belichaming van het kwaad geworden. Na de aanslag in Barcelona kopte The Times ‘Evil strikes again’. Het kwaad slaat weer toe. Niet een paar gesjeesde figuren, nee, het kwaad als zodanig, niet minder dan dat! Vreugdekreten bij de terroristen. Doel bereikt. Iedereen is bang.
De effecten van dit soort berichtgeving zijn uitstekend gedocumenteerd. In een Israëlisch onderzoek ontdekten wetenschappers dat mensen die gruwelijke details van aanslagen op televisie zien symptomen van een posttraumatische stressstoornis ontwikkelen.
Bij een ander wetenschappelijk onderzoek, eveneens uitgevoerd in Israël, deelde een psychologe meer dan tweehonderd mensen in twee groepen in. De ene groep liet ze nieuwsreportages over terrorisme zien, de andere overig politiek nieuws. De leden van de eerste groep vertoonden veel meer tekenen van angst.
Uit enquêtes blijkt dat de Amerikanen tegenwoordig banger zijn voor terreur dan voor hittegolven en auto-ongelukken, hoewel die twee laatste verantwoordelijk zijn voor een veelvoud van sterfgevallen.
Maar wat heeft IS eraan dat mensen in Europa of Amerika bang zijn?
Bang gemaakte maatschappijen gedragen zich als een in een hoek gedreven hond, die panisch om zich heen bijt. Dat geldt treurig genoeg in het bijzonder voor democratieën, want daar slaat de angst van de mensen algauw om in eisen aan de politiek. Om niet zwak over te komen moet die iets doen, en vaak is dat te veel.
Het beste voorbeeld is 11 september. In de eerste oktoberdagen van 2001 eiste volgens een enquête 92 procent van de Amerikanen een militaire reactie op de terreuraanslag. Wat volgde waren de oorlogen in Afghanistan en Irak. Een paar terroristen hadden de VS geprovoceerd, en als reactie werden complete landen aangevallen waarbij honderdduizenden mensen de dood vonden, grotendeels onschuldige slachtoffers van wie de families Amerika voortaan als vijand beschouwden. Hierna volgden Guantanamo, Abu Ghraib, het verraad aan de mensenrechten.
Veel gemakkelijker hadden de VS het de ronselaars van de terreur niet kunnen maken, want die kregen een hele reeks valide argumenten aangereikt.
Terroristen laven zich aan de escalatie. Ze provoceren, steken toe, vallen aan, tot ze een reactie krijgen. De RAF wilde met haar aanslagen de Duitse staat dwingen zijn vermeende nazigezicht te tonen. De islamisten willen de hele westerse wereld tot een grote slag bewegen. Ook de terroristen die nog nooit in Syrië of in Irak zijn geweest en in de kinderkamer of een achterafmoskee zijn geradicaliseerd, zien zichzelf als dappere soldaten in een heroïsche oorlog.
Die oorlog bestaat niet. De strijd tegen het terrorisme is in werkelijkheid een confrontatie met enkele radicale misdadigers. Als we het militaire vocabulaire overnemen, zoals de toenmalige Franse president François Hollande die het na de aanslagen in Parijs over een ‘oorlogsdaad’ had, of zoals de Frankfurter Allgemeine Zeitung die na Barcelona opnieuw repte van een ‘oorlog tegen het westen’, dan doen we hun een groot plezier. We verheffen hen tot iets wat ze niet zijn.
De vijf stappen van het terrorisme zijn dus: één, er wordt een aanslag gepleegd, twee, er wordt veel over bericht, drie, de berichtgeving leidt tot angst die op zijn beurt, vier, tot een overdreven reactie leidt en uiteindelijk, vijf, tot nieuw terrorisme.
Als journalist zou je kunnen tegenwerpen dat op stap twee, berichtgeving, niet per se stap drie, angst, hoeft te volgen. Dat het erop aankomt hoe we berichten. Ook ik heb dit argument vaak gebruikt in discussies, maar als ik eerlijk ben beschouw ik het inmiddels als een goed klinkende uitvlucht. Het stelt ons geweten gerust, maar in werkelijkheid klopt het niet. Hoe moet ik over terreuraanslagen berichten zonder angst te zaaien?
Schrijf ik over de dader – zoals de redactie van Bild die dezer dagen foto en naam van de vermoedelijke aanslagpleger in Barcelona publiceerde –, dan plaats ik hem op een voetstuk en maak ik de 99 procent bang (‘Stel dat er nog meer zijn zoals hij’).
Bericht ik over de slachtoffers – zoals dezer dagen RTL-verslaggevers die het verhaal vertelden van de zevenjarige Julian uit Australië die in Barcelona omkwam –, dan voed ik eveneens de angst (‘Stel dat het mijn kind zou zijn’) en bovendien het verlangen naar wraak.
Zelfs met een artikel als dit speel ik terroristen uiteindelijk in de kaart, want alleen al de woorden “Amri”, “Breitscheidplatz” en “kerstmarkt” roepen bepaalde beelden op
Zelfs met een artikel als dit speel ik terroristen uiteindelijk in de kaart, want alleen al de woorden ‘Amri’, ‘Breitscheidplatz’ en ‘kerstmarkt’ roepen bepaalde beelden op.
Er is daarom maar één oplossing: we zouden moeten voorkomen dat dit mechanisme überhaupt op gang komt. We zouden moeten stoppen met het berichten over terreuraanslagen.
Laten we het ons heel even proberen voor te stellen: geen pushberichten meer op onze smartphone, geen bericht in de Tagesschau, geen Brennpunkt daarna, geen politici die arm in arm voor fotografen poseren en statements van medeleven afgeven, en mochten ze dat wel willen dan ontbreekt een microfoon. De Brandenburger Tor zou niet meer in de kleuren van het getroffen land worden verlicht, de aanslagplegers zouden geen reden meer hebben om zich helden te voelen; ze zouden verschrompeld zijn tot wat ze eigenlijk zijn – criminelen. En wij zouden allemaal gewoon verder leven alsof er niets was gebeurd. We zouden zonder angst de metro in blijven stappen, naar Barcelona blijven vliegen en naar de kerstmarkt blijven gaan.
Een aanslag zou dan alleen rechtstreekse gevolgen hebben voor de familie van de slachtoffers, de ooggetuigen, het medisch personeel en enkele therapeuten – net als bij een auto-ongeluk. Dat kan altijd nog om honderden mensen gaan, maar in elk geval geen miljoenen meer. Na een kettingbotsing op de A8 zet niemand de Brandenburger Tor in de schijnwerpers. De angst zou zijn beteugeld. Onze maatschappij zou gezonder zijn.
Het Werther-effect
Dit gedachtespel is aangenaam en een kwelling tegelijk, vooral voor mij als journalist, want natuurlijk druist het in tegen hoe ik mijn beroep zie. Het is mijn taak om verslag te doen. Systematisch zwijgen zou een vorm van zelfopgelegde censuur zijn, die intern meteen aanleiding zou geven tot discussies over de persvrijheid.
Wat vaak wordt vergeten is dat er een situatie is waarin wij journalisten dit soort zelfcensuur allang bedrijven – het alleen anders noemen.
In 1974 kwam een Amerikaanse socioloog tot de ontdekking dat zich in de VS altijd buitengewoon veel mensen van het leven beroofden als vlak daarvoor een artikel over zelfmoord in The New York Times was verschenen. Hij noemde het fenomeen ‘het Werther-effect’, naar de gebeurtenissen rond de beroemde achttiende-eeuwse roman van Goethe, de waarschijnlijk gevaarlijkste bestseller uit de literatuurgeschiedenis. Destijds hadden veel lezers het voorbeeld van de vertwijfelde hoofdpersoon Werther gevolgd en zich een kogel door het hoofd gejaagd.
Deze bevindingen werden in ontelbare onderzoeken bevestigd: hoe meer er over een zelfmoord wordt geschreven, hoe groter het aantal navolgers. Daarom hebben journalisten in veel landen afgesproken om maar heel beperkt over zelfmoorden te berichten.
Toen bijvoorbeeld het aantal zelfmoorden in Wenen halverwege de jaren tachtig steeg, gaf een Oostenrijks voorlichtingsbureau een brochure uit waarin stond dat journalisten zich moesten onthouden van ‘sensationele’ berichtgeving, in geen geval details van de daad of een foto moesten publiceren en bovendien het artikel van een telefoonnummer moesten voorzien waar mensen hulp konden krijgen. De Oostenrijkse journalisten hielden zich eraan, het aantal zelfmoorden daalde met een derde en bleef vervolgens laag.
Geen berichtgeving redt levens – bij het thema suïcide is dat voor ons journalisten voldoende reden om te zwijgen.
Vier weken geleden stond er een interessant artikel in het gerenommeerde Journal of Public Economics over een onderzoek van Michael Jetter, een Duitse econoom aan de University of Western Australia. Jetter heeft 61.132 aanslagen uit de periode 1970-2012 tegen het licht gehouden aan de hand van de vraag of de terroristen door berichtgeving in de media tot hun daden waren aangezet. De conclusie: steeds wanneer er in de media bijzonder veel aandacht was besteed aan een aanslag, kwam het in de daaropvolgende zeven dagen tot nieuwe aanslagen, waarbij gemiddeld drie mensen de dood vonden.
Jetter heeft daarmee het bewijs geleverd dat er ook bij terreuraanslagen een soort Werther-effect optreedt. Mediaberichtgeving brengt nieuw terrorisme voort. Anders gezegd: omdat wij verslag doen, sterven mensen. 99 procent van de geïnteresseerde derden mogen dan met angst en schrik reageren als ze op het avondjournaal de huilende non Huguette zien, maar er zijn ook mensen die in dezelfde situatie het tegenovergestelde voelen – enthousiasme. Als die mensen horen hoe de terroristen de priester doodstaken, hoe de aanslagplegers van Parijs bomvesten aandeden en zich bij het voetbalstadion opbliezen, dan zien ze dat als instructie. Die mensen zetten de televisie uit en gaan erop uit om te moorden.
Er zouden minder aanslagen en minder doden zijn als wij journalisten zwijgzamer waren.
De ochtend na de aanslag in Barcelona klikte ik door de nieuwssites op internet. Spiegel Online had de eerste zes artikelen aan de terreur gewijd, de online-edities van de Süddeutsche Zeitung en de Franfurter Allgemeine Zeitung eveneens, bij Die Zeit waren het de eerste vier, bij Bild ook, maar op de site van die laatste stonden ook nog een video en een galerij ‘De foto’s van de terreur’. Ik moest een heel stuk naar beneden scrollen alvorens iets te vinden over belastingen, de verkiezingsstrijd of de Bundesliga die die avond van start zou gaan.
Een paar uur later stak een man op het marktplein van de Finse stad Turku in op negen voorbijgangers, van wie twee overleden. Of hij werd geïnspireerd door de aanslag in Barcelona is nog onduidelijk, maar er zijn zeker tekenen die daarop wijzen.
Als terroristen mede worden aangespoord door onze reportages, waarom houden we er dan niet mee op? Waarom behandelen we zelfmoordterroristen als aanslagplegers en niet als zelfmoordenaars?
Nu zou je daar tegen in kunnen brengen dat een zelfmoordenaar alleen zichzelf doodt en een zelfmoordterrorist ook vele anderen. De aanslagpleger slaat toe in de openbare ruimte; hij valt onze maatschappij aan en de mensen hebben het recht om dat te weten. Kortom, terrorisme is te belangrijk om het te verzwijgen.
Ik heb dit altijd een valide argument gevonden, tot afgelopen zomer. Toen was ik een van de honderden journalisten die naar München reisden nadat een jongeman kort daarvoor negen mensen had doodgeschoten in het Olympia-Einkaufszentrum. Iedereen, ook ik, dacht: Daar is hij dan, de eerste grote terreuraanslag in Duitsland. De stad was in paniek, voor ons journalisten was het duidelijk dat dit onderwerp ons dagen en waarschijnlijk weken zou gaan bezighouden. Veel redacties stuurden de dag daarna nog versterking.
Maar toen gebeurde er iets bijzonders. Het bleek dat de moorden geen terreuraanslag waren, maar een ‘klassiek’ geweldsincident – en meteen was alles anders: de mensen haalden opgelucht adem. Voor ons journalisten was het onderwerp opeens kleiner, de redacties reserveerden minder ruimte en veel collega’s vertrokken.
En dat terwijl het aantal slachtoffers niet naar beneden was bijgesteld en het verdriet van de nabestaanden er niet minder op was geworden. Nog altijd was onduidelijk of er medeplichtigen of ingewijden waren, veel vragen waren nog onbeantwoord. Maar op een of andere manier was de druk van de ketel.
We vinden terroristen veel gevaarlijker dan eenlingen die in het wilde weg om zich heen schieten, maar het risico om bij zo’n laatste geweldsincident om te komen is veel groter.
In onze waarneming hebben we van iets relatief ongevaarlijks iets gevaarlijks gemaakt. Dat is een enorm succes voor de terroristen. Met hun propaganda hebben ze deze verkeerde voorstelling stevig in ons verankerd. Maar als het belang dat we toedichten aan een aanslagpleger geconstrueerd is, dan moeten we het ook kunnen deconstrueren, zodat we met dezelfde gemoedstoestand op de volgende terreuraanslag reageren als na het opgelucht ademhalen in München.
Als we dat afgelopen juli al hadden gedaan, dan hadden we misschien moorden kunnen voorkomen. Het onderzoek van Michael Jetter naar het terroristische Werther-effect was destijds nog niet gepubliceerd. Maar toen ik het later las, moest ik terugdenken aan de zomer van afgelopen jaar, want de schietpartij in München was immers niet de eerste gewelddaad.
Eerst viel een islamist mensen met een bijl aan in een regionale trein in Würzburg. Een golf van publiciteit.
Vier dagen later München. Elk medium berichtte erover.
Twee dagen later blies een aanslagpleger in Ansbach zich op.
Het lijkt alsof het Werther-effect moeiteloos over ideologische kloven heen springt. Wie tot geweld neigt, imiteert een recent voorbeeld: een schutter dat van een islamist en een islamist dat van een schutter.
Als we na de volgende aanslag van de terreurbeelden naar voetbal zappen, dan moeten we dat niet met een slecht geweten doen. Maar met een goed gevoel
Natuurlijk maak ik me geen illusies. Een mediablackout voor terreur zal ons niet lukken. Het zou ook niet voldoende zijn als bijvoorbeeld Die Zeit de berichtgeving zou staken. Ook Der Spiegel,Der Stern, de Süddeutsche Zeitung,Bild, kortom alle Duitse media zouden moeten meedoen. En zelfs dat zou niet volstaan, want veel Duitsers stellen zich op de hoogte via de BBC, The New York Times of de Neue Zürcher Zeitung.
En dan zijn er natuurlijk nog de sociale media, die aan de andere kant van het journalistieke filter opereren. Je kunt immers niet voorkomen dat iemand ‘Je suis Charlie’ twittert en dat iedereen dat kopieert. Of dat een ooggetuige een wiebelige video van dode mensen post, zoals na Barcelona.
Je zou bloed zien of een aanslagpleger ‘Allahoe akbar’ horen roepen – ik moet er niet aan denken welk feest de leugenachtige media zouden vieren als er dan geen artikel over in de krant stond. De media zouden worden uitgemaakt voor een kartel dat informatie achterhoudt, en nog terecht ook.
De terroristen weten dat wij niet anders kunnen – en daar maken ze gebruik van.
Er is daarom maar één manier om de berichtgeving te reduceren, om eerst de journalisten en vervolgens de terroristen tot zwijgen te brengen: de belangstelling voor de aanslagen moet afnemen. We moeten afstompen.
Daarom is elke aanval die ons koud laat, elke aanslag die we snel weer vergeten, elke dag waarop de Brandenburger Tor niet uit solidariteit in een vlag van licht is gehuld een stap in de goede richting. Als we na de volgende aanslag van de terreurbeelden naar voetbal zappen, dan moeten we dat niet met een slecht geweten doen. Maar met een goed gevoel.
Bastian Berbner won in 2015 de Duitse Reporter Award voor zijn buitengewoon goede interviews. Hij studeerde Arabisch en schrijft als freelancer voor onder meer Die Zeit. Ook maakt hij films.
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.
De Spaanse journalist Xavier Aldekoa reisde naar het Tsjaadmeer, de schuilplaats van Boko Haram. Het geweld van de islamitische terreurbeweging brengt miljoenen burgers in een uitzichtloze situatie.
De naam die Djafana Ali haar vijfde kind gaf was een kleine daad van verzet, bijna een genoegdoening, geboren uit trots. De man die Djafana uit de groep vrouwen pikte om te verkrachten was minder subtiel. Luttele weken na haar ontvoering in april 2015 door de Nigeriaanse fundamentalistische terreurorganisatie Boko Haram duwde een van de jihadisten de poort van het erf open waar Djafana samen met honderden andere vrouwen en meisjes (het waren er zo’n zevenhonderd, schat ze, opgedeeld in verscheidene groepen) opgesloten zat. De man pakte haar arm vast en nam haar mee naar een bos, waar hij haar misbruikte. De Boko Haram-strijder wees haar aan als zijn vrouw en niet lang daarna raakte ze zwanger van hem.
Een paar dagen voor haar ontvoering had Djafana haar man en kinderen achtergelaten in haar geboortedorp Melea, op het vasteland van Tsjaad, omdat haar zieke moeder, die alleen in Buduma woonde (een eiland midden in het meer van Tsjaad), haar zorg nodig had. Djafana wist maar al te goed hoe riskant de tocht was. Het labyrint van vaarwegen en de talrijke eilanden in het Tsjaadmeer, dat een natuurlijk grensgebied vormt tussen Nigeria, Kameroen, Niger en Tsjaad, is sinds een paar jaar de schuilplaats van islamitische extremisten. Maar haar moeder was ziek en daarom ging Djafana toch naar haar toe.
Een paar uur na het weerzien met haar moeder vielen Boko Haram-strijders het eiland binnen en ontvoerden ze alle jonge vrouwen en kinderen. Over de precieze toedracht geeft Djafana geen details prijs. Ze vertelt alleen hoe ze een deur opentrokken, een vrouw pakten en die aan een van de strijders gaven. Wanneer een vrouw weigerde, dan was ze een hoer en werd ze of ter plekke vermoord, of mocht iedereen zich aan haar vergrijpen.
Nooit hebben Djafana en haar Boko Haram-echtgenoot ook maar een woord met elkaar gewisseld. Nooit was hij aardig tegen haar. Altijd liet hij haar honger lijden
Er zaten meisjes van tien tot twaalf jaar tussen. Ook zij stonden op het keuzemenu. De drieëntertigjarige Djafana was getrouwd – in haar streek trouwen meisjes jong – maar niemand vroeg ernaar en het leek niemand iets te kunnen schelen. De moslimextremist sloot haar op in een hutje en kwam af en toe langs om zijn lusten bot te vieren. Achttien maanden lang hield de radicale terreurbeweging, die in 2015 trouw zwoer aan Islamitische Staat, haar gegijzeld. Nooit hebben Djafana en haar Boko Haram-echtgenoot ook maar een woord met elkaar gewisseld. Nooit was hij aardig tegen haar. Altijd liet hij haar honger lijden.
Nu, vier maanden na haar ontsnapping, is ze terug in haar dorp, waar het veilig is. Op het Tsjadische vasteland is het afgelopen jaar de jihaddreiging afgenomen, op de eilanden niet.
Djafana weigert zijn naam te noemen. Soms is het besluit van de vrouwen om de rebellen dood te zwijgen hun manier om wraak te nemen. Het is misschien wel de enige wraak die ze kúnnen nemen. Daarom heeft Djafana het bij haar verwekte kind dat nu, een jaar oud, hongerig naar haar borst hapt, Hissein genoemd, naar haar eerdere man.
Djafana slaagde erin om samen met honderden andere vrouwen te ontsnappen toen Nigeriaanse legerhelikopters eind 2016 het eiland aanvielen dat in handen was van Boko Haram. Tijdens het zwaarste militair offensief sinds de zomer van 2015 werden de rebellen grotendeels verjaagd uit de gebieden die ze in het noorden van Nigeria in handen hadden en moesten ze zich terugtrekken in het ondoordringbare Sambisa-reservaat, dat op de grens tussen Nigeria en Kameroen ligt, en in het labyrint van eilanden en vaarwegen in het Tsjaadmeer. Daar hadden ze alleen te vrezen van aanvallen uit de lucht. Zoals op de dag dat Djafana wist te vluchten. Die ochtend stierven tientallen strijders en gegijzelde burgers door kogels en bommen, maar lukte het rond de vijfhonderd ontvoerde meisjes en vrouwen om in de chaos te ontkomen.
Omdat er niemand was om hen op te vangen, deden de vrouwen er dagen over om de Tsjadische kust bereiken. Van eiland naar eiland liepen ze door het water, de langsten tilden de baby’s boven hun hoofd zodat ze niet zouden verdrinken. Slechts honderd vrouwen bereikten hun eindbestemming, al denkt (hoopt?) Djafana dat veel vrouwen het mogelijk wel hebben gered maar via andere routes zijn gegaan. Toen ze aankwam in haar dorp kreeg ze te horen dat haar man Hissein tijdens haar ontvoering ziek was geworden en was gestorven. Als haar jongste zoon volwassen is, zal ze niet zeggen wie zijn vader is. ‘Dat komt niet eens in mijn hoofd op, al zou het kunnen dat iemand anders dat wél doet.’
Sinds haar vrijlating woont Djafana weer in Melea, een gehuchtje van strohutjes in the middle of nowhere op een kale vlakte. Overal waar je kijkt is zand of droog struikgewas en krabt de wind je huid open. Rond het middaguur komt het leven traag tot stilstand, de mannen, die in de schaduw bij elkaar zitten, mompelen af en toe iets, waarna ze weer terugvallen in hun lethargisch stilzwijgen. Alleen een handvol kinderen, spelend met lemen speelgoed – een koe, een pan, een radio met een draadje dat een koptelefoon moet voorstellen – zorgt voor wat leven in de brouwerij. De vrouwen zijn aan het werk: twee vermalen ritmisch het kleine beetje graan in een houten kom. Djafana woont daar vlakbij. De inrichting van haar huis is sober. Op de aangestampte zandgrond heeft ze een donkere mat gelegd, in een hoek liggen een deken met tijgerprint, twee verkreukelde stukken stof en een blauwe plastic emmer, aan de andere kant staat een zilverkleurige kom. Djafana woont daar met haar baby Hissein en haar vier andere kinderen, die tussen vier en veertien jaar oud zijn. Ze klaagt dat niemand zich om hen bekommert.
Omdat ze niet in een vluchtelingenkamp wonen, krijgen ze geen voedsel en lijden haar kinderen honger. Ze kijkt moe uit haar ogen. Monotoon vertelt ze over het afschuwelijke dat haar is aangedaan. Ondanks haar verhalen over massale verkrachtingen en meedogenloze executies blijft Fatima, een van haar dochtertjes, dicht tegen haar aan zitten met de onschuldige en geconcentreerde blik van een kind dat naar een verhaaltje of een liedje luistert. Djafana draagt een zwart gewaad bedrukt met rode, oranje en gele figuurtjes, waarmee ze ook haar hoofd bedekt; haar gouden neusring, bij de Buduma-stam een teken dat ze getrouwd is, heeft ze afgedaan. Haar gezicht is versierd met scarificaties, in haar huid gekerfd toen ze zes was en waaraan men kan zien bij welke stam ze hoort. Het zijn niet haar enige littekens. De verse op haar armen zijn het gevolg van de luchtaanval op het eiland waarbij de jihadstrijder omkwam die een kind bij haar verwekte. Ook de kleine Hissein heeft littekens op zijn hoofd.
De hele regio vormt een wond die maar niet sluiten wil. Het grensgebied rondom het Tsjaadmeer dat Nigeria, Tsjaad, Kameroen en Niger met elkaar delen gaat sinds acht jaar gebukt onder een enorme geweldsgolf. De opkomst van Boko Haram in het noorden van Nigeria en hun invasie van de buurlanden heeft vijftigduizend levens gekost, duizenden mensen zijn gegijzeld en op de vlucht geslagen. Volgens de Verenigde Naties zijn bijna tweeëneenhalf miljoen burgers dakloos. Het overgrote deel is weggetrokken van het platteland, waar Boko Haram meestal huishoudt, en zoekt bescherming in vluchtelingenkampen, in de steden of bij familieleden of kennissen.
Dat Boko Haram onder druk van een multinationale strijdmacht, aangevoerd door Nigeria en Tsjaad, een groot deel van hun gebied moest inleveren – de rebellen riepen in 2014 in Noord-Nigeria het kalifaat uit – heeft niet tot een afname van succesvolle dodelijke aanslagen geleid. Naast snelle, guerrilla-achtige aanvallen waar weinig materieel voor nodig is, zet Boko Haram nu ‘zelfmoordenaars’ in om de samenleving te ontwrichten. Boko Haram heeft de afgelopen drie jaar meer dan honderd zelfmoordaanslagen gepleegd, zo blijkt uit gegevens van UNICEF en The Long War Journal, een organisatie die de geweldsdelicten van de terreurbeweging bijhoudt. Alleen al in het eerste trimester van 2017 hebben zevenentwintig meisjes zichzelf onder dwang opgeblazen.
Op 1 januari heeft een meisje van nog geen tien jaar oud, aldus ooggetuigen, haar bomgordel laten afgaan op een markt in Maiduguri. Dat het in tachtig procent van de gevallen meisjes zijn die zelfmoordaanslagen plegen is niet toevallig. Boko Haram gebruikt de ruimvallende gewaden van meisjes en vrouwen om bomgordels te verstoppen en stuurt ze vaak gedrogeerd naar een markt of moskee om zichzelf tot ontploffing te brengen.
Volgens de Nigeriaanse analist en veiligheidsdeskundige Fullan Nasrullah is het een effectieve militaire tactiek. ‘De strategie van de opstandelingen is onder meer om het moreel van de samenleving en de strijdmacht te breken, én om de landen te dwingen hun schaarse middelen aan te wenden ter bescherming van makkelijke doelwitten en niet te gebruiken voor de strijd.’
Jaren van angst en de geur van kruitdampen hebben tot miljoenen lege buiken geleid. En niet alleen wie gevlucht is voor het geweld, ook de mensen die hun land niet durven te bewerken of die de gevolgen van een ingestorte economie dragen, lijden honger. Door de oorlog is handel niet meer mogelijk en zijn levensmiddelen peperduur geworden, veel mensen kunnen geen voedsel meer kopen. De omvang van deze ramp zal nieuwe slachtoffers maken: de Verenigde Naties waarschuwen dat meer dan zeven miljoen burgers urgent medische hulp nodig hebben en in de gebieden waar Boko Haram het felst tekeer gaat is al sprake van een hongersnood.
Daarom hebben de baby’s uit het gebied rond het Tsjaadmeer koude handjes. Aan het eind van de woestijnstrook die Niger scheidt van zijn buurland Tsjaad – een stuk niemandsland waar de nabijheid van jihadstrijders een militaire escorte noodzakelijk maakt – woont Ache Gomborom, en zijn handjes zijn ijskoud. Hij heeft ook andere symptomen van ondervoeding: je kunt zijn ribben tellen, hij heeft spillebeentjes en een starende blik. Als hij in een weegschaal wordt getild, trekt er een kleine frons over zijn gezichtje. Het gezicht van de Tsjadische arts die hem behandelt spreekt boekdelen: voor zijn zeventien maanden is zijn gewicht alarmerend laag. Wanneer zijn moeder, Bakouli Maloum, hem overneemt wikkelt ze hem in een rode sjaal en kijkt naar de grond. Na een poosje is hij in slaap gevallen. Zijn moeder protesteert: ‘Op ons eiland was alles normaal, we werkten op land en visten in het meer. Nu is alles anders. Als Boko Haram je te pakken krijgt, snijden ze je keel door. Hoe kun je daar blijven?’ Bakouli, geboren op Kindjira, een klein eiland in het Tsjaadmeer, draagt twee zwarte armbanden om haar rechterpols en groene oorbellen in haar oren. Al haar andere bezittingen zijn afgepakt door de jihadstrijders.
Ofschoon Noord-Nigeria en de streek rondom het Tsjaadmeer hoofdzakelijk islamitisch zijn, zijn er maar een paar stammen, zoals de Buduma, die hun geloof in Allah belijden met traditionele rituelen. Het handjevol christenen is de streek al jaren geleden ontvlucht. Maar de fundamentalisten maken geen enkel onderscheid: wie hun radicale geloofsopvatting niet deelt, is een ongelovige die gestraft en gedood moet worden. Bakouli kent die fatale minachting maar al te goed: ‘Ze zeggen dat we christenen zijn, zo noemen ze iedereen die in hun ogen geen goede moslim is. Daarom vermoorden ze ons. Daarom snijden ze onze keel door. Ze vinden ons minderwaardig, net als dieren.’
Voor de deuren van de winkel die dienstdoet als mobiele kliniek wacht een grote groep vrouwen en uitgeteerde kinderen op hun beurt onder de schaduw van een boom. Het zijn er zo veel dat niet iedereen een plaatsje in de schaduw kan bemachtigen, een enkeling staat in de volle zon. Vliegen zoemen om de ogen, neuzen en monden van de kinderen. Niemand probeert ze te verjagen. In de omgeving staan zo’n vijftienhonderd geïmproviseerde hutjes van takken, stro en plastic. Hier is de voorbode van de honderden kampen in de regio waar niemand naar omkijkt. Zo’n negenduizend vroegere eilandbewoners wonen nu op een lap woestijngrond, Magui gedoopt, en wachten op hulp. Er is zo onnoemelijk veel zand dat je alleen traag kunt voortbewegen, de zon prikt op je voorhoofd en de wind dwingt je met dichtgeknepen ogen te lopen.
De Tsjadische UNICEF-voedingsdeskundige Ngandolo Kouyo strijkt de kreukels uit zijn witte doktersjas alvorens op een witte plastic stoel plaats te nemen. Of we het kort kunnen houden, is zijn verzoek. ‘Het is druk vandaag,’ zegt hij verontschuldigend, waarna hij de toekomst van zijn patiënten analyseert. Door de haast, of misschien wel de dagelijkse confrontatie met deze catastrofe, zijn zijn woorden weinig diplomatiek. ‘Deze mensen zijn afhankelijk van humanitaire hulp. Als die niet komt, sterven ze bij bosjes. Allemaal. Geen twijfel mogelijk. Er is geen voedsel, er is geen water, geen toegang tot medische zorg. En als die zorg er wel is, hebben ze de middelen niet om de hulpposten te bereiken. Ergo: er gaan veel doden vallen.’ Eigenlijk verwoordt Kouyo in telegramstijl met onderkoelde onmacht de alarmkreet die negentien mensenrechtenorganisaties eind 2016 lieten horen over de crisissituatie rond het Tsjaadmeer, de grootste, door iedereen vergeten humanitaire crisis van 2016. Cijfers van de hulp die in 2017 is geboden stemmen niet vrolijk: van de 1500 miljoen dollar die de Verenigde Naties nodig denken te hebben om de voedselcrisis rond het Tsjaadmeer het hoofd te bieden, is in het eerste kwartaal van 2017 slechts 169 miljoen binnengekomen, 11 procent van het geld dat nodig is.
Eilanden ontvlucht
Tientallen kilometers zuidwaarts verraden de kapotte en halflege visnetten van Barkay Idriss dat je niet zo makkelijk uit deze val ontsnapt. In Tagal, een dorpje aan de oevers van het Tsjaadmeer, is het al bijna avond, maar op de bodem van zijn kano glibberen slechts een dozijn vissen. De lucht is hier fris, het groene landschap legt een zachte waas over de horizon en vanaf de oever komt de geur van tientallen vissen die op houten spijlen in de zon liggen te drogen. Gehurkt op een van de uiteinden van zijn boot bekijkt de zeventienjarige Barkay de dagvangst en schudt boos en beschaamd zijn hoofd. ‘Het visnet is oud, zodra de vissen zich een beetje uitrekken zijn ze weg.’
Zijn vader leerde hem vissen toen hij twaalf was, hij kent alle fijne kneepjes. Je moet bijvoorbeeld ’s ochtends vroeg je visnetten uitzetten, voordat de nijlpaarden zich laten zien, want je kunt beter uit de buurt blijven van de snijtanden van deze lichtgeraakte beesten. Ook weet hij dat je in diepe, stille wateren de beste vis vangt, maar dat kan nu niet. ‘Boko Haram houd zich schuil op de eilanden, en omdat we bang zijn, vissen we allemaal dicht bij de oever. We zijn met te veel, daarom zijn er te weinig vissen.’
De afgelopen jaren zijn duizenden burgers de eilanden ontvlucht, op zoek naar de relatieve veiligheid – vaak zit de terreurbeweging maar op een paar kilometer afstand – op het vasteland, waar meer militairen zijn en humanitaire hulporganisaties hulp kunnen bieden. De vluchtelingengolf heeft voor een demografische explosie gezorgd: de bevolking in de regio is verdriedubbeld.
Barkay draagt een lichtblauw overhemd en een gele broek, kleding die betere tijden heeft gekend en verraadt dat het vroeger beter was. Toen hij op een van de eilanden woonde, verdiende hij met gemak veertig dollar per week, had hij een prima kano en meer dan genoeg visnetten. Nu haalt hij niet eens dertig dollar per maand en deelt hij zijn boot met twee andere vissers. Hij vertelt het met gepaste verbitterdheid, beseffend dat hij van geluk mag spreken.
Gekrijs redde het leven van Barkay. Om drie uur ’s nachts vielen Boko Haram-strijders zijn dorp Bulari aan, op een van de Tsjadische eilanden, en namen als eerste de medicijnman van het dorp te grazen, want ‘zo gaan ze altijd te werk’. Voor de jihadisten is het geloof van de medicijnmannen in magische krachten en geesten een zonde. Ze onthoofden hem voor zijn deur. Met één simpel gebaar regen ze een van de dorpshoofden aan hun mes. ‘Ik werd wakker van zijn gegil en kon wegvluchten.’ Barkay en veel van zijn dorpsgenoten lieten noodgedwongen hun dieren en bezittingen achter, die de jihadisten meenamen als oorlogsbuit.
Door het geweldsconflict zijn de handelsroutes met buurlanden afgesloten, wat funest is voor de economie. Naast het verbod van lokale overheden om met auto’s de grens over te steken zodat de jihadisten-strijders zich niet vrij kunnen verplaatsen, bleek een ander verbod de genadeslag voor de lokale handel. Omdat de rebellen hun activiteiten onder meer financierden met de verkoop van gestolen vee – duizenden stuks vee, die goed waren voor honderdduizenden dollars – besloot men een van de diepst gewortelde handelsactiviteiten in de streek, de handel in dieren, stil te leggen. De wereldwijde daling van de olieprijs, een van de steunpilaren van de Nigeriaanse en Tsjadische economie, en de hogere investeringen in defensie ten koste van de sociale voorzieningen heeft de wond nog verder opengereten.
Hoe dan ook, Barkay peinst er niet over om naar huis terug te keren. ‘Wat ik daar heb gezien wil ik nooit meer zien, ik blijf hier de rest van mijn leven.’ Maar hij ziet als een berg op tegen zijn toekomst. Het liefst zou hij trouwen en een gezin stichten, maar hij heeft geld nodig voor de bruidsschat, een met de schoonfamilie afgesproken aantal koeien of geiten. Meestal, aldus Barkay, betaal je een bedrag van zo’n achthonderd dollar, al kan de prijs oplopen als het meisje gestudeerd heeft of uit een rijk gezin komt. Op dit moment en in deze situatie is dat een onmogelijk te vergaren fortuin. Evenwel, als Barkay er niet in slaagt zo veel geld bij elkaar te krijgen, is zijn eer aangetast. ‘In onze cultuur moet een man trouwen. Slaag je daar niet in, dan is dat een sociale schande.’
‘Als je in het dorp bleef, dan werd je sowieso vermoord, je kon niet anders. En een Boko Haram-strijder mag stelen. Hij krijgt eten, mag plunderen, en er zijn vrouwen om mee te trouwen’
Boko Haram heeft munt weten te slaan uit deze traditie waarin de jonge mannen klemzitten. De oprichting van de Nigeriaanse terreurgroep, de groei en de uitbreiding naar de buurlanden hangen nauw samen met de armoede en de sociale ongelijkheid in Nigeria: het rijke, ontwikkelde zuiden van Nigeria met zijn moderne steden (al is daar ook een kloof tussen arm en rijk) vormt een schril contrast met de arme, veronachtzaamde noordelijke regio’s, waar nauwelijks infrastructuur en geasfalteerde wegen zijn.
De UNESCO schat het aantal alfabeten in het noorden van Nigeria, de bakermat van Boko Haram, in 2002 op een krappe 14,5 procent. In Lagos, Zuid-Nigeria, ligt dat percentage op 92. De opstandelingen wisten wat hen te doen stond: in 2014 begonnen ze aan een nog altijd voortdurende reeks ontvoeringen van meisjes – de bekende gijzeling van de 219 schoolmeisjes in Chibok, in het noordoosten van Nigeria, maakte deel uit van deze strategie –, waar de jonge mannen die zich bij hen aansloten voor niks mee konden trouwen. Het bleek een uiterst effectieve zet. De nieuwelingen kwamen bij bosjes. Honderden jonge mannen zagen dat ze een vrouw en kinderen konden krijgen en geen sociale vernedering hoefden door te maken omdat ze geen bruidsschat kunnen betalen.
De zeventienjarige visser Djibirine Mbodou, die meer dan een jaar lang gevangen werd gehouden en in januari 2017 wist te ontsnappen, bevestigt deze lezing. Veilig aan de oever van het Tsjaadmeer herinnert hij zich glashelder hoe Boko Haram-strijders op een nacht zijn eiland Galoa in Tsjadische wateren aanvielen en het voltallige dorp, zo’n zevenduizend bewoners, meenamen. Meteen werden er strikte regels opgelegd: bij diefstal werd je hand afgehakt en op voetballen stond de doodstraf. Dagelijks werden ze in groepen opgedeeld om te bidden. ‘Ze schreeuwden naar ons dat we vroeger verkeerd baden.’ Nog steeds heeft hij nachtmerries, want hij zag hoe ze een veertienjarige meisje martelden omdat ze weigerde seks te hebben met een strijder en hoe mensen die probeerden te ontsnappen werden gekeeld. Een aantal van zijn vrienden en buren besloten zich vrijwillig aan te sluiten. ‘Als je in het dorp bleef, dan werd je sowieso vermoord, je kon niet anders. En een Boko Haram-strijder mag stelen. Hij krijgt eten, mag plunderen, en er zijn vrouwen om mee te trouwen.’
Jihadist zijn stelt je bovendien in staat om in no time oude ruzies te beslechten. Eenmaal ingelijfd bij Boko Haram maak je met een kalasjnikov in je handen fluitend een eind aan een conflict met die snel gepikeerde buurman over een stuk land, vereffen je een rekening met die jongen die er ooit met je vriendinnetje vandoor ging of krijgt die rijke, gierige kennis op wie je zo jaloers was eindelijk zijn vet. De fundamentalistische terreurbeweging heeft zich aan de tijd moeten aanpassen. Initieel heette ze niet eens Boko Haram. Begin deze eeuw predikte de radicale geestelijke Mohammad Yusuf in de straten van de Nigeriaanse stad Maiduguri voor een strikt islamitische samenleving die een einde zou maken aan sociale ongelijkheid. Zijn vijand was de inefficiënte en corrupte Nigeriaanse overheid, die hij ervan beschuldigde decennialang niet naar het noorden te hebben omgekeken. In zijn preken, die steeds grotere menigten trokken, gebruikte hij in het Hausa het mantra Bokoisharam! Bokohisharam! Hij bedoelde dat het gebruik van boeken – symbool van westerse educatie dat haaks staat op het gebruik van houten plankjes op de koranscholen – een zonde was en de oorzaak van een falend systeem. Eigenlijk gebruikten ze dus niet de naam Boko Haram maar hun officiële naam: Zij die de leer van de Profeet en de jihad zullen verkondigen.
Zijn radicale discours viel in vruchtbare aarde bij een generatie wanhopige werkloze jongeren en ontaardde in gewelddadige protestacties waarbij Nigeriaanse veiligheidsagenten en politici werden vermoord. Yusuf wilde een nationale koers varen: zijn doel was om de regering af te zetten en de sharia in te voeren. De beweging kon rekenen op machtige peetvaders. Ofschoon ze hun inkomsten later uit bankroven, afpersingen en plunderingen haalden, werden ze aanvankelijk financieel gesteund door hoge politici en geestelijken uit het noorden van Nigeria. Met de moord op Yusuf tijdens zijn gevangenschap in 2009 en de standrechtelijke executies van honderden van zijn aanhangers brak de hel los. Enkele maanden later nam Abubakar Shekau de leiding over en sloeg de terreurgroep een nog bloederiger koers in met aanslagen en moordpartijen op grote schaal en gebruikten ze het zaaien van paniek als pressiemiddel. Vanaf dat moment danken ze hun machtspositie aan het aura van geweld dat hen omringt. Alleen de naam Boko Haram al doet iedereen verstijven van schrik.
Gevraagd naar Boko Haram laat de jonge Mbodou, die langer dan een jaar door de rebellen werd gegijzeld, zien hoezeer zijn angst is geïnternaliseerd. Hij zit op zijn knieën onder een bladerdek dat hem tegen de zon beschermt en er is er geen spoor van rancune te horen in zijn antwoord. ‘Wie de rebellen zijn? Het zijn de mannen die ’s nachts op pad gaan. Als je ze tegenkomt, snijden ze je strot door. Daar krijgen ze een kick van.’
De verhalen die je hoort in het gebied rond het Tsjaadmeer worden gevoed door de angst voor nachtelijke verrassingsaanvallen en de ongekende wreedheid. In Baga Sola, de belangrijkste stad in het Tsjadische grensgebied, doet een afschuwelijk verhaal de ronde. Op een nacht bereikten twee Boko Haram-strijders een gehuchtje, even buiten de stad. Ze namen hun intrek in de lemen hut van een doodsbange oude man die, niet in staat om te vluchten, zijn enige overlevingskans zag in het zo gastvrij mogelijk behandelen van de twee mannen. Hij stond vroeg op om bij de put water voor de thee te halen. Hij ververste het stro in hun matrassen en bereidde zelfs een geit voor hen. Hij probeerde niet te ontsnappen. De dag voor hun vertrek zeiden ze tegen hem: ‘Je gastvrijheid en opofferingsgezindheid hebben diepe indruk op ons gemaakt. Je bent een goed man, je verdient een plek in het paradijs. Maar stervelingen zijn zwak en je loopt het risico verleid te worden en de weg kwijt te raken. Daarom, opdat Allah je toelaat tot het paradijs, gaan we je vermoorden.’ En ze sneden zijn keel door.
Dit verhaal, bij de ene verteller met een wat langere monoloog of met iets meer nadruk op de goedheid van de oude man dan bij de ander (omdat er geen getuigen zijn is de precieze inhoud niet te verifiëren), laat zien hoe de angst zelfs is doorgedrongen tot de horrorverhalen in de streek. Voor velen is Boko Haram de duivel.
Naast religieus-extremisme en armoede zijn er twee andere factoren die verklaren waarom een handjevol fanatiekelingen – tussen de vier -en zesduizend goed getrainde strijders, volgens de CIA – Nigeria, de belangrijkste economie van Afrika, en de buurlanden helemaal klem heeft gezet: dat ze vergeten worden en zich gekwetst voelen.
In Dar es Salaam, het grootste vluchtelingenkamp aan de Tsjadische zijde van het meer, tekent Nasiru Saidu beide factoren met zijn vingers in het zand. Met zijn handpalm egaliseert hij de zandgrond en trekt met drie vingers een golvende baan. Aan één kant schrijft hij Doro, de naam van zijn Nigeriaanse dorp, aan de andere Tsjaadmeer. Zittend tegenover een voetbalveld waar ngo’s potjes voetbal organiseren om de kinderen hun trauma’s te laten verwerken, roept Saidu herinneringen op aan begin januari 2015, toen zijn leven als vis- en uienhandelaar voorgoed een andere wending nam. Terwijl Parijs beefde onder de fundamentalistische terreuraanslag op het satirische tijdschrift Charlie Hebdo en de westerse wereld bedolven werd onder spandoeken met de tekst ‘Je suis Charlie’, pleegde Boko Haram aan de Noord-Nigeriaanse kust van het Tsjaadmeer de heftigste aanval uit hun geschiedenis. Na de verovering van een legerbasis belegerden jihadstrijders vijf dagen lang de stad Baga en zestien dorpjes zonder ook maar enige vorm van tegenstand te ondervinden. Duizenden burgers – enkele bronnen spreken van tweeduizend, maar niemand bleef achter om ze te tellen – werden vermoord, duizenden anderen staken in paniek het meer over in de richting van Tsjaad. Saidu was een van hen. ‘Toen we zagen hoe een Nigeriaanse soldaat met een schotwond op een bromfiets werd vervoerd, wisten we dat dit geen gewone aanval van Boko Haram was.’
Een paar weken daarvoor had Saidu eindelijk na twee jaar al zijn moed verzameld om zijn dorp te bezoeken. Omdat het Tsjaadmeer nu militair grondgebied is, moest hij een omweg nemen. Hij was vier dagen onderweg en reisde mee met zes verschillende vrachtwagens. As was alles wat hij vond. ‘Alles is verlaten. Hier en daar zie je nog botten liggen.’
Saidu is 36 jaar en heeft niets meer, behalve zijn trots. Hij spreekt rustig maar vastberaden. ‘Eerlijk gezegd hebben we banen nodig. Wachten tot er hulp komt schiet niet op. Van niks doen krijg je honger, en een hongerige man is een boze man. Wij willen niet afhankelijk zijn van humanitaire hulp.’
Saidu is dun, maar lang en grofgebouwd. Hij draagt een lang wit hemd, zijn kortgeschoren hoofd en zwarte puntbaardje met grijze plukken accentueren zijn scherpe gelaatstrekken. Hij glimlacht aan één stuk door en boezemt vertrouwen in. Hij knoopt meteen een gesprek aan met de vrouwen die water komen halen bij een nabijgelegen put.
Zo op het eerste gezicht lijkt Saidu uit leidershout gesneden, wellicht omdat hij helder en genuanceerd spreekt. Hij beschouwt Boko Haram-strijders niet als de duivel en hij heeft recht van spreken: hij kent er een aantal. Hij weet dat mensen zich aansloten omdat ze honger leden, omdat Boko Haram naar hun dorp kwam en een salaris en voedsel beloofde. Hij heeft vrienden die niet diepreligieus waren en nog nooit iets misdaan hadden, maar uit wraakzucht toetraden tot Boko Haram. De corruptie en het misbruik van het Nigeriaanse leger zijn evengoed debet aan de huidige situatie als de moslimextremisten. Hij vertelt hoe het leger zich ineens in hun dorp liet zien en een dozijn jongeren meenam. Niemand heeft ze ooit nog teruggezien. En niet te vergeten de zo gevreesde regel één om vijftig: ‘Het was in Baga Sola, in een wijk die Flatari heette,’ herinnert hij zich. ‘Boko Haram had een soldaat vermoord en even later kwam het Nigeriaanse leger en brandde de hele wijk plat. Zieken, ouderen, blinden, allemaal onschuldige mensen kwamen om. En de reden: iemand had een militair gedood, maar niemand wist wie de moordenaar was.’
Geef ons je geld en maak dat je wegkomt
Lokale organisaties klagen al jaren over de gruweldaden die het Nigeriaanse leger pleegt onder het mom van de strijd tegen het terrorisme. Ook de internationale gemeenschap is hiervan op de hoogte. Amnesty International heeft een rapport gepubliceerd met beeldmateriaal en ander bewijs van martelingen en executies van honderden burgers. Human Rights Watch beschuldigt de mensen die de voor Boko Haram gevluchte vrouwen horen te beschermen van misbruik: militairen, politieagenten en opvangkampmedewerkers verkrachten meisjes of vragen seksuele gunsten in ruil voor bescherming of voedsel.
Djim en Abdoulhassan, Tsjadische hulpverleners van een internationale organisatie, willen alleen anoniem spreken. Djim werkte in Nigeria en wil niet terug. ‘Het leger begint meteen te schieten.’ Hun angst voor Boko Haram maakt dat zodra de situatie een beetje gespannen is hun vinger wel heel snel richting de trekker gaat. Dan zijn er nog de systematische overvallen. Djim heeft zijn lesje wel geleerd toen het op een dag iets later werd op kantoor en hij ’s avonds door de straten van Maiduguri in Noord-Nigeria liep. Hij werd tegengehouden bij een militaire controlepost. Het deed er niet toe dat hij uitlegde waar hij werkte en dat hij hulpverlener was. De militairen namen al zijn bezittingen af. ‘Het enige wat ze zeiden was: geef ons je geld en maak dat je wegkomt.’
Op het hoogtepunt van de radicale terreurbeweging maakte de paranoia van het slecht getrainde en nog slechter betaalde Nigeriaanse leger van elke routinematige controle op gevaarlijk terrein een vorm van Russische roulette. Een kleine blauwe plek kon voldoende zijn voor een veroordeling: had de verdachte op zijn schouder iets wat leek op een geweerafdruk, dan was dat het bewijs dat hij een Boko Haram-strijder was. Er waren nog andere methodes: de teennagels bestuderen, bijvoorbeeld. Had de persoon ingegroeide teennagels dan was dat voor sommige militairen een teken dat hij urenlang met militaire kisten aan had gelopen. Het onmiddellijke vonnis: Boko Haram-strijder, de gevangenis in, als de verdachte geluk had. Soms werd er snelrecht toegepast en kreeg de verdachte ter plekke een nekschot.
Toen eind 2015 de noodtoestand in Tsjaad werd uitgeroepen kwam het leger met een voor het volk niet mis te verstane mededeling: iedereen die zou achterblijven op de eilanden, was een Boko Haram-strijder, inclusief de dieren. De eilanden waar burgers eeuwenlang hadden geleefd werden een nog gevaarlijker plek.
Ongetrainde, ongedisciplineerde mannen, gewapend met huisgemaakte wapens, pijl en boog of machetes, bemannen de controleposten bij de dorpsgrenzen om Boko Haram-rebellen tegen te houden. Ze vertegenwoordigen de wet in een wetteloos land
Desondanks ontkent de hoogste lokale autoriteit van de regio Baga Sola, Dimonya Sonapébé, keihard dat er in zijn jurisdictie burgers zijn omgebracht. Gestoken in zijn mooiste kleren ontvangt hij me in het zitje van zijn kantoor en pareert elke kritische vraag. ‘In het leger noemen we dat collateral damage. Dit gebeurt overal. Welke militair schiet nu vrijwillig op zijn eigen bevolking. Onmogelijk! Soms worden er fouten gemaakt als je een hele groep wilt redden. Dan kan het voorkomen dat je per ongeluk iemand doodt, dat is betreurenswaardig.’ Als hij geconfronteerd wordt met getuigenverklaringen van bombardementen op Tsjadische dorpen vol ontvoerde vrouwen en kinderen en illegale executies op Nigeriaans grondgebied, kapt hij het gesprek af. ‘Wij hebben nergens spijt van. Wij verwijten onze veiligheidsmacht niets. Wij zeggen alleen: Bravo! Bravo! Jullie hebben de strijd gewonnen!’
De opkomst van burgerwachten in Nigeria, Tsjaad, Niger en Kameroen is evenmin bevorderlijk voor een strikte naleving van de wet. Ongetrainde, ongedisciplineerde mannen, gewapend met huisgemaakte wapens, pijl en boog of machetes, bemannen de controleposten bij de dorpsgrenzen om Boko Haram-rebellen tegen te houden. Ze vertegenwoordigen de wet in een wetteloos land. Af en toe vonden er rechtstreekse confrontaties plaats met de terreurgroep, die de mannen vanwege hun overduidelijke inferioriteit met hun leven moesten bekopen. Het zijn vrijwilligers die hun mensen en familie proberen te beschermen in een uitzichtloze situatie.
Abakar Salha en Souleymane Obusmaneissa voldoen op het eerste gezicht aan dit profiel. De een draagt een lilakleurige tulband, de ander een witte. Gewapend met een metaaldetector fouilleren ze elke bezoeker die de markt van Baga Sola wil betreden, inclusief de kamelen. Als ze niks verdachts vinden halen ze het over de hele breedte van de straat gespannen touw weg en mag de gefouilleerde persoon doorlopen. Vinden ze iets verdachts, dan wordt hij of zij meegenomen naar de autoriteiten. De burgerwacht en controlepost bestaan sinds oktober 2015, toen er verschillende zelfmoordacties plaatsvonden op de markt en in de buitenwijken, die aan veertig mensen het leven kostten. Ofschoon je op je vingers kunt natellen dat bij een volgende aanslag hun leven gevaar loopt, is er geen enkele aarzeling bij Salha te bespeuren.
‘Vreest u niet tegenover een zelfmoordenaar te komen staan?’
‘Nee, daarom zijn we hier, om dat te voorkomen.’
‘Maar als u iemand fouilleert die een bomgordel draagt, dan kunt u hem activeren.’
‘Wij willen alleen maar onze mensen beschermen. Als wij het niet doen, wie dan wel?’
De Spaanse journalist Xavier Aldekoa is sinds 2009 Afrika-correspondent voor de krant La Vanguardia. In 2014 publiceerde hij zijn eerste boek: Ocean Africa.
Gatopardo wordt verspreid in Latijns-Amerika en in Miami. Journalisten uit verschillende landen leveren bijdragen aan dit maandblad, dat ook het werk van schrijvers als Carlos Fuentes, Ernesto Sábato of Alma Guillermoprieto publiceert.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.