Tag: Thomas Piketty

  • Thomas Piketty: ‘Mogelijke toetreding van Oekraïne vraagt om herdefiniëring van de EU’

    Thomas Piketty: ‘Mogelijke toetreding van Oekraïne vraagt om herdefiniëring van de EU’

    De Franse econoom en hoogleraar Thomas Piketty ziet de mogelijke toetreding van Oekraïne tot de EU als een kans om de Unie te hervormen. In plaats van verdere liberalisering en marktwerking bepleit hij een hervorming in dienst van de rechtsstaat en het democratisch pluralisme.

    Dossier: Soeverein Europa

    ‘This is Europe’s moment to answer the call of history’, riep Ursula von der Leyen aan de vooravond van de verkiezingen. 360 maakte voor het juninummer (dat nu in de winkel ligt!) in aanloop van de Europese verkiezingen een rondje langs de lidstaten en koos in samenwerking met weekblad De Groene Amsterdammer de meest verheffende en inzichtelijke bijdragen van grote denkers als Varoufakis, Piketty, Mastrobuoni en Krastev, die hun deskundig licht laten schijnen over hoe de Europese integratie verdiept en verbeterd kan worden.

    Is de mogelijke toetreding van Oekraïne tot de Europese Unie (EU) een goed idee? Ja, als die tenminste gepaard gaat met een herformulering van het Europese project. Het zal aanleiding moeten zijn om de EU te herdefiniëren als een politieke gemeenschap in dienst van de rechtsstaat en het democratisch pluralisme en om afstand te nemen van de economische religie van vrijhandel en concurrentie als oplossing voor alle problemen, een religie die het Europese bouwwerk nu al decennia lang domineert.

    Als de verdediging van Oekraïne tegen Rusland van vitaal belang is, dan is dat allereerst om politieke en democratische redenen. In tegenstelling tot zijn Russische buurman respecteert Oekraïne de principes van parlementaire democratie, democratische bestuurswisseling, scheiding der machten en een vreedzame oplossing van conflicten.

    De toetreding van Oekraïne tot de EU moet aanleiding zijn voor het formuleren van strenge normen die garant staan voor alle vormen van pluralisme, zowel wat betreft de electorale organisatie (met eindelijk ambitieuze wetgeving inzake de financiering van campagnes en partijen) als wat betreft regels voor de media (met solide garanties voor redactionele onafhankelijkheid en een reële zeggenschapsverdeling tussen journalisten, burgers en publieke en particuliere aandeelhouders).

    Europa presenteert zich graag als een vrijwel perfecte democratische club, een lichtend voorbeeld voor de wereld. Maar hoewel de electorale democratie er in bepaalde opzichten verder ontwikkeld is dan in andere delen van de wereld, is de institutionele grondslag ervan niet minder broos en onvolledig.

    Er moet een harde kern worden gevormd van landen die bereid zijn strengere normen in te voeren op sociaal, fiscaal en milieugebied

    Het is niet genoeg om de transparantie in Kiev te verdedigen en opnieuw aan de kaak te stellen dat Oekraïense oligarchen de politieke dienst uitmaken tijdens verkiezingen en in de media; ook de macht van Franse, Duitse, Italiaanse, Poolse en Maltese oligarchen moet worden ingeperkt en in de hele EU moeten nieuwe, democratischere, pluralistischere en egalitairdere vormen van politieke participatie worden bevorderd waarin geld en privébelangen geen rol meer spelen.

    Het instellen van ambitieuzere democratische normen in Europa moet er ook toe leiden dat er afstand wordt genomen van de economische religie van vrijhandel en concurrentie die al sinds de Akte van 1986 en het Verdrag van Maastricht van 1992 moet doorgaan voor een Europese filosofie.

    Als we willen voorkomen dat de toetreding van Oekraïne tot de EU leidt tot nieuwe schade op sociaal en milieugebied, met name vanwege de toegenomen concurrentie in de sectoren landbouw en industrie, dan is het onvermijdelijk dat er tegelijkertijd op twee fronten actie wordt ondernomen. Allereerst moet in deze vergrote EU zo snel mogelijk een harde kern worden gevormd van landen die in meerderheid bereid zijn strengere normen in te voeren op sociaal, fiscaal en milieugebied. Dat kan bijvoorbeeld door een Europese assemblee op te richten van landen die voorstander zijn van een verdergaande integratie. Ook andere oplossingen zijn denkbaar, op voorwaarde dat daarbij maar een klein aantal positief ingestelde landen betrokken is en er geen blokkades kunnen worden opgeworpen door andere landen.

    Eigen voorwaarden

    Vervolgens is het onvermijdelijk dat, in afwachting van de vorming van zo’n harde kern en om de acties te bestendigen, elk land weer de middelen krijgt om eigen voorwaarden te stellen bij de handel met andere landen, ook met zijn Europese partners.

    Een buitengewoon duidelijk voorbeeld is fiscale dumping. Behalve dat de met de OESO en de EU uitonderhandelde vennootschapsbelasting van 15 procent op alle mogelijke manieren kan worden ontdoken, is die belachelijk laag. Omdat er alleen unaniem tot een aanpassing kan worden besloten, zal dat niet snel gebeuren.

    De eenvoudigste manier om deze situatie te doorbreken is door middel van eenzijdige actie. Als een land als Frankrijk bijvoorbeeld vindt dat een adequate winstbelasting (laten we zeggen) 30 procent bedraagt, dan kan het heel goed besluiten dat over goederen en diensten die worden geïmporteerd uit landen met een lager tarief, het verschil moet worden bijbetaald. Het EU Tax Observatory heeft berekend dat zo’n maatregel Frankrijk 39 miljard euro zou opleveren, een aardig bedrag om in gezondheidszorg, onderwijs of openbaar vervoer te steken.

    De voorstanders van veralgemeniseerde belastingdumping zullen roepen dat er sprake is van protectionisme, maar de werkelijkheid is volstrekt anders: het gaat er alleen maar om dat ondernemingen die goederen en diensten naar Frankrijk exporteren hetzelfde tarief betalen als ondernemingen die in Frankrijk zelf gevestigd zijn, wat al veel eerder als een minimale voorwaarde voor eerlijke handel had moeten worden aangemerkt.

    Alleen als er nieuwe sociale en economische manoeuvreerruimte wordt gecreëerd zal de publieke opinie instemmen met verdere EU-uitbreiding

    Dezelfde logica geldt voor normen op het gebied van volksgezondheid of CO2-uitstoot. Laten we in dit verband niet vergeten dat de beoogde opbrengst van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens, dat in 2022 door de EU is ingevoerd, tot 2027 amper 14 miljard euro zal zijn, oftewel minder dan 0,5 procent van de invoerrechten die worden geheven over alle goederen die van buiten Europa in de EU worden geïmporteerd (en nauwelijks meer dan 2 procent van de invoerrechten over de totale Chinese import). Laten we er geen doekjes om winden: om een significante impact te hebben op de handelsstromen tussen Europa en de rest van de wereld moeten deze bedragen met een factor tien of twintig worden vermenigvuldigd. Ook hier zullen alleen eenzijdige acties de huidige impasse kunnen doorbreken.

    Alleen als er nieuwe sociale en economische manoeuvreerruimte wordt gecreëerd zal de publieke opinie instemmen met verdere EU-uitbreiding, omdat die dan zal zijn gestoeld op gedeelde democratische waarden en niet op een liberale economische religie waarvan vooral de allerrijksten profiteren en die de lagere en middenklasse steeds meer vervreemdt van het Europese ideaal. 

    Thomas Piketty is hoogleraar aan de École des hautes études en sciences sociales (EHESS) en de École d’économie in Parijs.

  • Thomas Piketty: ‘Zonder duidelijk doel loopt de Europese Unie vast’

    Thomas Piketty: ‘Zonder duidelijk doel loopt de Europese Unie vast’

    Met de dood van Jacques Delors eind 2023 slaat Europa een bladzijde om in zijn geschiedenis. Tijd dat we een kritische balans opmaken en lessen trekken voor de EU-verkiezingen in juni, schrijft Thomas Piketty.

    De Europese Akte (1986) met vrij verkeer van goederen en diensten, de Europese richtlijn (1988) over de liberalisering van kapitaalstromen, het Verdrag van Maastricht (1992): het is een understatement om te zeggen dat het Europa dat we nu kennen in de tijd van Jacques Delors, toen voorzitter van de Europese Commissie, is gevormd. Vooral het Verdrag van Maastricht is fundamenteel. Het vormde de Europese Economische Gemeenschap om tot één Unie. En het introduceerde één gemeenschappelijke munt: de euro werd in 1999 van kracht in de financiële sector en in 2002 beschikbaar voor particulieren.

    De daaropvolgende Europese Grondwet (2005) werd per referendum verworpen in Nederland (61,54 procent tegen) en Frankrijk (54,67 procent tegen). Het werd vervolgens met parlementaire middelen alsnog ingevoerd in de vorm van het Verdrag van Lissabon (2007), maar het kende eigenlijk geen grote nieuwigheden – het verdrag consolideerde vooral enkele cruciale besluiten die al tussen 1986 en 1992 waren genomen. Het begrotingsverdrag van 2012 scherpte criteria aan inzake schulden en tekorten, wederom zonder centrale innovatie.

    Verwaarloosde kwestie

    Wie wil begrijpen wat er op het spel stond in de Europese onderhandelingen die tussen 1985 en 1995 zijn gevoerd, leest het naslagwerk dat Rawi Abdelal in 2007 publiceerde (Capital rules. The construction of global finance). Gebaseerd op tientallen diepgaande interviews met de belangrijkste politieke spelers en hoge Europese functionarissen uit die tijd, in het bijzonder Jacques Delors, analyseert Abdelal met finesse de toekomstvisies en de onderhandelingsmarges van alle betrokken partijen.

    Samenvattend kunnen we stellen dat de Franse socialisten destijds erop gokten dat de euro en de Europese Centrale Bank (ECB), een machtige federale instelling die haar beslissingen bij meerderheid van stemmen neemt, uiteindelijk de creatie van een Europese publieke macht mogelijk zou maken. Die zou in staat zijn om de economische krachten effectiever te reguleren dan de linkse regering die sinds 1981 in Frankrijk aan de macht was.

    Om dit resultaat te bereiken, gaven de Franse socialisten gehoor aan de centrale eis van de Duitse christendemocraten. Die pleitten voor een liberalisering van de kapitaalstromen zonder enige publieke regulering, én zonder enige gemeenschappelijke belastingheffing. Een cruciale kwestie, die grotendeels werd verwaarloosd door François Mitterrand en Jacques Delors tijdens de onderhandelingen. Daarmee was de basis voor een compromis gelegd.

    Meederheidsbesluiten

    Dertig jaar later zijn de resultaten van deze innovaties genuanceerd. Enerzijds speelde de ECB een centrale rol bij het voorkomen van een ineenstorting na de financiële crisis van 2008 en de coronapandemie. Na aanvankelijke fouten tijdens de Griekse crisis, stelden meerderheidsbesluiten de ECB in staat om nationale veto’s – met name Duitsland – terzijde te schuiven, om snel en effectief aanzienlijke bedragen te mobiliseren om de Europese economie te stabiliseren en de crisis terug te dringen.

    ‘De Europese regels voor vrij verkeer van kapitaal bleken zo extreem dat zelfs het IMF ervoor terugschrok’

    Niemand weet wat er zou zijn gebeurd zonder gemeenschappelijke munt. Het is duidelijk dat de euroloze Scandinavische landen het niet zo slecht hebben gedaan. Toch stelt geen enkele geloofwaardige politicus vandaag een terugkeer naar de Franse franc of Nederlandse gulden voor.

    Aan de andere kant begrijpt iedereen dat geldschepping niet alle problemen oplost. Centrale banken zijn vooral bereid om banken en bankiers te redden, in plaats van investeringen in onderwijs, gezondheidszorg of het klimaat toe te staan. Daarmee dragen ze bij aan het concentreren van de rijkdom, aangezien de rijksten profiteren van de groei van aandelenmarkten die mogelijk gemaakt is door aandelenterugkoop, terwijl de inflatie het spaargeld van de armsten wegvaagt.

    Parlementaire unie

    De Europese regels voor vrij kapitaalverkeer uit 1992 bleken zo extreem en destabiliserend dat zelfs het IMF na de Aziatische crisis van 1997 en de crisis van 2008 besloot bepaalde controles op kapitaal voor kortetermijnstromen opnieuw in te voeren. De Europese regels dragen daarnaast bij aan het verergeren van belastingdumping: eindeloze verlagingen van bedrijfsbelastingen, ontwikkeling van belastingparadijzen en structurele onderbelasting van miljardairs en multimiljonairs.

    Hoe moeten we nu omgaan met dit complexe, Europese erfgoed? Ten eerste moeten we tot doel stellen dat zich binnen de EU een harde kern van landen vormt, die bij meerderheid besluiten kan nemen over belastingtechnische, begrotings- en milieu-aangelegenheden. Zelfs als deze ‘Europese Parlementaire Unie’ niet onmiddellijk het levenslicht ziet, moet zij een centraal doel blijven om naar te streven.

    Landen zullen, in afwachting van het vinden van een compromis, substantiële unilaterale maatregelen moeten nemen om intra-Europese en buiten-Europese fiscale, sociale en ecologische dumping tegen te gaan. Dit zal complexe maar overkomelijke crises veroorzaken, maar dit is onvermijdelijk als we aan de huidige blokkades willen ontsnappen.

  • Piketty: ‘Om de klimaatcrisis te stoppen moeten de rijksten drastisch inleveren’

    Piketty: ‘Om de klimaatcrisis te stoppen moeten de rijksten drastisch inleveren’

    De opwarming van de aarde kan niet worden aangepakt zonder een ingrijpende herverdeling van de rijkdom. ‘Wie het tegendeel beweert, liegt tegen de planeet’, waarschuwt econoom Thomas Piketty.


    Laten we er maar geen doekjes om winden: de opwarming van de aarde kan niet serieus worden aangepakt zonder een ingrijpende herverdeling van de rijkdom, zowel binnen landen als op internationaal niveau. Wie het tegendeel beweert, liegt tegen de planeet. En mensen die beweren dat een herverdeling natuurlijk wenselijk, sympathiek et cetera is, maar helaas technisch of politiek onmogelijk, liegen even hard. Ze zouden beter datgene kunnen verdedigen waarin ze geloven (als ze nog ergens in geloven) dan dat ze conservatieve onzin verkondigen.

    De overwinning van Lula in Brazilië geeft sommigen weer een beetje hoop. Maar de recente verkiezingen in Zweden en Italië hebben laten zien dat zowel in het noorden als het zuiden tal van kiezers nog altijd sceptisch staan tegenover sociaal-ecologisch links en de voorkeur geven aan een nationalistisch rechts dat wars is van immigratie. De reden daarvoor is simpel: zonder een fundamentele transformatie van het economisch systeem en een herverdeling van de rijkdom dreigt het sociaal-ecologische programma zich tegen de middenklasse en de arbeidersklasse te keren. Het goede nieuws (als we het zo mogen noemen) is dat de rijkdom zich zozeer beperkt tot de maatschappelijke bovenlaag, dat als we ons maar blijven beijveren voor een ambitieuze herverdeling, we tegelijkertijd tegen klimaatverandering kunnen strijden en voor verbetering van de levensomstandigheden van de overgrote meerderheid van de bevolking.

    Het blijft mogelijk om de middenklasse en de arbeidersklasse voor klimaatmaatregelen te compenseren

    Met andere woorden, iedereen zal zijn manier van leven natuurlijk grondig moeten veranderen, maar het blijft mogelijk om de middenklasse en de arbeidersklasse voor deze verandering te compenseren, zowel financieel als door goederen en diensten toegankelijk te maken die minder energie-intensief zijn en beter verenigbaar met het voortbestaan van de aarde (onderwijs, gezondheid, huisvesting, transport et cetera). Dit zal gepaard moeten gaan met een drastische inperking van het vermogen en de inkomsten van de allerrijksten, wat overigens de enige manier is om politieke meerderheden te vinden voor het redden van de planeet.

    Lees ook dit artikel van Thomas Piketty:

    Vijf procent miljardairsbelasting

    Feiten en cijfers liegen er niet om. De stratosferische vermogenstoename waarin miljardairs zich sinds de crisis van 2008 wereldwijd mogen verheugen heeft tijdens de covid-19-pandemie een ongekend niveau bereikt. Volgens het World Inequity Report 2022 bezit de rijkste 0,1 procent van de wereld zo’n tachtigduizend miljard euro aan financiële middelen en vastgoed, oftewel meer dan 19 procent van het wereldwijde totaal en het equivalent van het mondiale bnp van een jaar. Het aandeel van de rijkste 10 procent bedraagt 77 procent van het totaal, en dat van de armste 50 procent slechts 2 procent. In Europa, dat door de economische elite graag als een oase van gelijkheid wordt afgeschilderd, bedraagt het aandeel van de rijkste 10 procent 61 procent van het totaal, en dat van de armste 50 procent slechts 4 procent.

    In Frankrijk stegen de allergrootste vermogens alleen al tussen 2010 en 2022 van tweehonderd miljard naar duizend miljard, dat wil zeggen van 10 procent van het bnp naar bijna 50 procent van het bnp (oftewel twee keer zoveel als het totale bezit van de armste 50 procent). Volgens de beschikbare gegevens bedraagt de totale inkomstenbelasting die in deze hele periode door de vijfhonderd rijkste Fransen is afgedragen nog geen 5 procent van deze vermogenstoename van achthonderd miljard. Dat komt overigens overeen met de belastingaangiften van Amerikaanse miljardairs die in 2021 door de non-profitorganisatie ProPublica zijn onthuld en een overeenkomstig belastingtarief laten zien. Door bij wijze van uitzondering 50 procent belasting over deze vermogenstoename te heffen, wat verre van excessief zou zijn in een tijd waarin kleine spaarders jaarlijks een inflatiebelasting van 10 procent over hun zuurverdiende centen betalen, zou de Franse regering vierhonderd miljard euro kunnen innen.

    Welvaart is absoluut niet gediend met stratosferische ongelijkheid

    Er zijn andere formules denkbaar, maar het blijft een feit dat het om duizelingwekkende bedragen gaat: wie beweert dat er bij deze groep niets substantieels te halen valt, kan gewoon niet rekenen. Voor de goede orde, de zittende Franse regering heeft afgelopen week een veto uitgesproken over een motie van het parlement voor het verhogen van de investeringen in het isoleren van gebouwen (twaalf miljard euro) en het spoorwegnet (drie miljard) omdat daarvoor de middelen zouden ontbreken. Vandaar de vraag of de regering kan rekenen of liever de belangen van een kleine groep laat prevaleren boven die van de planeet en de bevolking, die zo gebaat zouden zijn bij gerenoveerde woningen en op tijd rijdende treinen.

    Afgezien van deze uitzonderlijke belasting over de vijfhonderd grootste vermogens moet natuurlijk het hele Franse belastingstelsel op de schop worden genomen, net als in de rest van de wereld. In de loop van de twintigste eeuw heeft de progressieve inkomstenbelasting zich als een groot succes ontpopt. In de Verenigde Staten vielen de belastingtarieven voor de allerhoogste inkomens tijdens het bewind van Roosevelt en de halve eeuw daarna (gemiddeld 81 procent in de periode 1930-1980) samen met een periode van welvaart, innovatie en maximale groei. De reden was simpel: welvaart hangt in de eerste plaats samen met onderwijs (en op dat gebied hadden de Verenigde Staten in die periode een grote voorsprong op de rest van de wereld) en is absoluut niet gediend met stratosferische ongelijkheid.

    In de eenentwintigste eeuw zal deze erfenis moeten worden uitgebreid tot een progressieve vermogensbelasting, met tarieven van 80 tot 90 procent voor miljardairs, zodat ook de rijkste 10 procent haar steentje bijdraagt. Ook en vooral zal een substantieel deel van de belasting die de allerrijksten dan betalen rechtstreeks aan de allerarmste landen moeten worden uitgekeerd, al naargelang de omvang van hun bevolking en hun blootstelling aan klimaatverandering. De zuidelijke landen kunnen niet elk jaar wachten tot het noorden zich verwaardigt zijn verplichtingen na te komen. Het wordt tijd om na te denken over de volgende wereld, anders wordt die een nachtmerrie.

    Thomas Piketty is decaan aan de Ecole des hautes études en sciences sociales (EHESS) en hoogleraar aan de Ecole d’économie, beide in Parijs.

    Lees ook dit artikel van Thomas Piketty:

  • Thomas Piketty: ‘De sociale kwestie moet weer de kern vormen van het politieke debat’

    Thomas Piketty: ‘De sociale kwestie moet weer de kern vormen van het politieke debat’

    Naar aanleiding van de Franse verkiezingen afgelopen juni schreef de Franse stereconoom over de huidige situatie in zijn land, waar volgens hem te weinig aandacht is voor de sociale kwestie. Onder andere omdat de identiteitskwestie de overhand kreeg.

    Is het mogelijk, zowel in Frankrijk als op Europese en internationale schaal, de uit drie lagen bestaande democratie achter ons te laten en opnieuw een kloof tussen links en rechts te creëren waarbij herverdeling en sociale ongelijkheid centraal staan? Dat was de inzet van de jongste Franse parlementsverkiezingen.

    Laten we om te beginnen de contouren van de drielagendemocratie nog eens onder de loep nemen die zich tijdens de eerste ronde van de Franse presidentsverkiezingen hebben afgetekend. Tellen we de uitslagen van de verschillende linkse en groene partijen bij elkaar op, dan komt dit sociaal-ecologische blok uit op 32 procent van de stemmen. Kijken we naar de stemmen die zijn uitgebracht op Macron en Pécresse, dan zien we dat het liberale of centrumrechtse blok ook 32 procent van de stemmen heeft behaald. De drie kandidaten van het nationalistische of extreemrechtse blok (Le Pen, Zemmour, Dupont-Aignan) haalden precies dezelfde score van 32 procent. Als we de 3 procent die plattelandskandidaat Lasalle behaalde gelijkelijk over de drie blokken verdelen, komen we uit op drie vrijwel gelijke lagen.

    Deze driedeling is deels verklaarbaar vanwege de specifieke kenmerken van het Franse kiesstelsel en de politieke geschiedenis van het land, maar er liggen ook algemenere redenen aan ten grondslag. Laten we vooropstellen dat de drielagendemocratie geenszins het einde betekent voor de politieke kloof die is gebaseerd op uiteenlopende sociale klassen en economische belangen, integendeel zelfs. Het liberale blok behaalt veruit de beste resultaten bij de sociaal meest bevoorrechte kiezers, welk criterium ook wordt gehanteerd (inkomen, erfenis, opleiding), met name bij de oudsten onder hen. Als dit ‘bourgeoisblok’ een derde van de stemmen weet te vergaren, is dat ook voor een groot deel het gevolg van het feit dat de oudste en welvarendste Fransen de afgelopen decennia in groteren getale naar de stembus gaan dan de rest van de bevolking, iets wat eerder niet zo was.

    De facto heeft dit blok de synthese bewerkstelligd van de economische elite met oud of nieuw geld die van oudsher centrumrechts stemt en de gediplomeerde elite die sinds 1990 vrijwel overal de scepter heeft gezwaaid over centrumlinks. Als dit blok evenredig over alle sociaaldemografische groeperingen was verdeeld, zou het toch maar nauwelijks een kwart van de stemmen binnenhalen en nooit in zijn eentje kunnen regeren. Het linkse blok daarentegen zou ruimschoots aan kop gaan omdat dat het beste scoort bij het gewone volk, en vooral bij de jongsten onder hen. Ook het nationalistische blok zou vooruitgang boeken maar in mindere mate, omdat het gewone volk dat daarop stemt evenwichtiger over de leeftijdsgroepen zijn verdeeld.

    Links en het triomferende liberalisme

    In zekere zin zou je kunnen zeggen dat deze driedeling de drie grote ideologische families weerspiegelt die het Franse politieke leven al meer dan twee eeuwen bepalen: het liberalisme, het nationalisme en het socialisme. Sinds de industriële revolutie steunt het liberalisme op de markt en de sociale verschuivingen die de economie teweegbrengt en trekt het voornamelijk mensen aan die baat hebben bij het systeem. Het nationalisme is een antwoord op de sociale crisis die het gevolg is van de ontpersoonlijking van het land en de etno-nationale solidariteit, terwijl het socialisme niet zonder moeite universele emancipatie probeert te bevorderen door middel van onderwijs, kennis en het delen van de macht.

    Het nieuwe aan de huidige situatie is dat de sociale kwestie niet zo heftig meer speelt

    In meer algemene zin hebben we altijd al geweten dat het politieke conflict structureel instabiel en multidimensioneel is (de identitaire en religieuze kloof, de kloof tussen stad en platteland, de sociaaleconomische kloof et cetera) en niet kan worden teruggebracht tot een eendimensioneel links-rechtsconflict dat zich in de loop van de tijd opnieuw zal voordoen. Toch voerde in talrijke configuraties die we in het verleden hebben kunnen waarnemen, of in elk geval in die welke ons zijn bijgebleven, de sociale kwestie de boventoon en was die de belangrijkste spil in het sociale conflict door het tegenover elkaar zetten van een sociaal-internationalistisch links en een liberaal-conservatief rechts.

    Het nieuwe aan de huidige situatie is dat de sociale kwestie niet zo heftig meer speelt, deels omdat links toen het aan de macht kwam zijn hervormingsambities heeft gematigd en vaak het liberalisme heeft omarmd dat na de val van het communisme in zwang raakte, met als gevolg dat de identiteitskwestie de overhand heeft.

    Een riskante gok

    Wat kenmerkend is voor de drielagendemocratie is allereerst dat de werkende klasse sterk verdeeld is over migratie en de postkoloniale kwestie: stedelijke jongeren hebben minder moeite met integratie en stemmen over het algemeen links. Het minder jonge electoraat op het platteland daarentegen voelt zich in de steek gelaten en wendt zich tot het nationalistische blok. Het bourgeoisblok hoopt zich voor altijd te kunnen handhaven dankzij deze tweedeling, maar dat is een riskante gok, want de retoriek waarvan het nationalistische blok zich bedient, vaak aangemoedigd door het bourgeoisblok, is allesbehalve constructief en verergert het conflict alleen maar. In tegenstelling tot wat de andere blokken beweren is het linkse blok allerminst blind voor de veiligheidskwestie, maar wil het juist belastinggeld bestemmen voor de versterking van politie en justitie.

    De beschuldiging dat er bij links sprake zou zijn van communautarisme is volstrekt ongerijmd

    De beschuldiging dat er bij links sprake zou zijn van communautarisme, dat niet markt of staat centraal stelt maar de samenleving, is volstrekt ongerijmd. Dat jongeren met een migratieachtergrond massaal op het linkse blok stemmen is omdat dat hen als enige tegen het heersende racisme beschermt en het discriminatievraagstuk serieus neemt. Het wordt hoog tijd dat de sociale kwestie weer de kern vormt van het politieke debat in Frankrijk, niet omdat het volksblok per definitie gelijk heeft en het bourgeoisblok ongelijk (de noodzakelijke mate van herverdeling is nooit eenvoudig te bepalen), maar omdat sociale klassenconflicten meer stof tot nadenken bieden en de democratie in staat stellen te functioneren. Laten we hopen dat deze verkiezingen daarbij zullen helpen.

  • 2750 miljardairs bezitten 3,5 procent van ’s werelds rijkdom

    2750 miljardairs bezitten 3,5 procent van ’s werelds rijkdom

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Japan wil eerste niet-Amerikaan op de maan zetten

    » Willekeurige testen voor reizigers naar Italië

    Armste 50 procent bezit slechts 2 procent

    The World Inequality Lab, een onderzoeksinstituut naar ongelijkheid dat mede wordt voorgezeten door de Franse econoom Thomas Piketty, stelt in zijn rapport voor 2022 dat 3,5 procent van de mondiale rijkdom inmiddels in handen is van zo’n 2750 ultrarijken, terwijl de armste 50 procent slechts 2 procent van de rijkdom deelt, schrijft Bloomberg. Het rapport wordt sinds 2018 jaarlijks opgesteld door honderden internationale onderzoekers van onder andere de l’École d’Économie de Paris en de University of California in Berkeley.

    Door tekorten aan vaccins en financiën leden opkomende economieën meer onder de pandemie dan geavanceerde. Ondertussen stegen in de rijke wereld sinds vorig jaar de financiële en vastgoedmarkten, waardoor ook de binnenlandse kloof is vergroot.

    Miljardairs hebben tijdens de crisis 3,6 biljoen euro aan rijkdom verworven

    Volgens mededirecteur Lucas Chancel, hebben miljardairs tijdens de crisis 3,6 biljoen euro aan rijkdom verworven terwijl naar schatting zo’n 100 miljoen mensen in extreme armoede vervielen. Het effect van de pandemie op ongelijkheid is volgens Chancel het gevolg van ‘tientallen jaren van beleid dat vaak is ontworpen voor individuen die aan de top van de ladder staan en dat uitging van een ‘trickle down’-idee waarbij uiteindelijk iedereen zou profiteren. Deze polarisatie komt bovenop een wereld die voor de pandemie al erg ongelijk was.’

    Latijns-Amerika en het Midden-Oosten zijn volgens het rapport de ‘meest ongelijke regio’s ter wereld, met meer dan 75 procent van de rijkdom in handen van de rijkste 10 procent’; Rusland en Sub-Sahara Afrika volgen. De meest gelijke regio ter wereld is Europa, zowel in termen van inkomen als vermogen.

    Lees ook:

  • Januarinummer | Generatie Z

    Januarinummer | Generatie Z

    »  Lees dit nummer online

    Met onder andere:

    » De klimaatgeneratie in hun eigen woorden

    » Thomas Piketty: ‘Overweeg een herverdeling van het erfgoed’

    » Waarom de hel van Squid Game bij Koreaanse kijkers veel minder afgrijzen wekt

    » Inflatie is goed voor je

    2022

    Redactioneel

    De conferentie van het Nexus Instituut, met wie 360 ook dit jaar een (online)samenwerking had, ging in 2021 over hoop. Centraal stond de vraag waar wij die in de toekomst op moeten richten. Na ongeveer een uur waarin de Republikein aan tafel fouten van de VS erkende maar vond dat er ook veel goed was gegaan, de oprichter van Volt! hem eraan herinnerde dat de wereld groter was dan Amerika en de Pakistaanse Nadia Harhash opkwam voor vrouwen, nam Patti Smith, die tot dan toe zwijgend had geluisterd, het woord. Ze bedankte de sprekers voor hun mooie bijdragen maar had twee thema’s gemist: het klimaat, en de jeugd – ze zijn eigenlijk nauwelijks los van elkaar te zien. Waar iedereen zijn eigen waarheid had verkondigd, sprak zij dé waarheid: de jeugd is de toekomst, en dus onze hoop.

    ‘Ook al ben je arm of kom je uit een afgelegen plattelandsdorp, je hebt ook macht’

    Het openingsverhaal, waarin twintig leden van generatie Z – geboren na 1996 – aan het woord komen over wat zij doen voor een betere wereld, is in dit opzicht een bemoedigende boodschap. Van de rechtszaak van de Australische Anjali Sharma, waarin werd geoordeeld dat het de plicht van de minister is om kinderen voor milieuschade te be-hoeden, tot de Ierse Fionn Ferreira die uitvindingen doet om microplastics uit leidingwater te filteren. De Filippijnse Marinel Ubaldo verwoordt mooi de achterliggende gedachte: ‘Ook al ben je arm (…) of kom je uit een afgelegen plattelandsdorp, je hebt ook macht. Je kunt altijd protesteren tegen bedrijven en politici die bijdragen aan de klimaatverandering.’ The Economist beaamt dat individuele acties wel degelijk verschil maken – al is het alleen al vanwege een ‘geleidelijk opgebouwd momentum’; als mensen meegaan in het ene, zullen ze het andere ook sneller ondersteunen, normen verschuiven, en zo creëer je het voor verandering onmisbare draagvlak.

    Over hoe zeer onze normen van buitenaf worden bepaald, schrijft de Indiaas-Britse filosoof Amia Srinivasan met betrekking tot een heel ander thema: seks. Ze verkent in het titelessay van haar bundel Het recht op seks de gedachte dat wat wij aantrekkelijk vinden louter wordt bepaald door cultuur, beeldvorming en omgeving, waarbij ook ras en klasse onvermijdelijk meespelen. Ze beweert nadrukkelijk niet dat er zoiets bestaat als recht op seks, maar laat ons stilstaan bij de vraag in hoeverre we zelf verantwoordelijk zijn voor het in stand
    houden van bepaalde machtsverhoudingen.

    Aan het einde van de conferentie zong Smith haar ‘People Have the Power’ voor het publiek, dat uit volle borst meezong. Even hadden we allemaal hoop – en macht. We wensen u een mooi nieuw jaar toe.

    Laura Weeda

    weeda@360international.nl

    Cover203 LR 2 1
  • Thomas Piketty: ‘Voer een progressieve erfbelasting in’

    Thomas Piketty: ‘Voer een progressieve erfbelasting in’

    Bij de aanpak van klimaatverandering moet rekening worden gehouden met economische, sociale én genderongelijkheid, schrijft Thomas Piketty naar aanleiding van het Wereld Ongelijkheidsrapport 2022. Hij doet alvast een voorstel: ‘Op zijn minst zouden de fiscale cadeautjes aan de meest vermogenden moeten stoppen.’

    Wat leert ons het nieuwe Wereld Ongelijkheidsrapport 2022 van Oxfam Novib, dat deze week is gepubliceerd? Deze vrucht van de samenwerking van een honderdtal onderzoekers uit alle continenten die om de vier jaar verschijnt, geeft inzicht in de grote ongelijkheidsbreuklijnen op de wereld. Naast de inmiddels welbekende constatering dat de inkomensongelijkheid de afgelopen decennia is gestegen, zijn er drie belangrijke noviteiten aan te wijzen, die betrekking hebben op de ongelijkheid qua vermogensverdeling, gender en klimaat.

    Laten we beginnen met de vermogensverdeling. Dankzij het voorwerk van Luis Bauluz, Thomas Blanchet en Clara Martínez-Toledano hebben de onderzoekers systematische gegevens kunnen verzamelen die het mogelijk maken de vermogensverdeling in alle landen wereldwijd te vergelijken, van de laagste tot de hoogste inkomensklasse. De algehele conclusie is dat de hyperconcentratie van vermogen, die tijdens de pandemie nog eens is verergerd, voor alle regio’s van de wereld geldt. Wereldwijd bezat de armste 50 procent in 2020 amper 2 procent van het totale privé-eigendom (onroerend goed, beroepsactiva en financiële vaste activa, na aftrek van schulden) terwijl de rijkste 10 procent 76 procent van het totaal bezat.

    Latijns-Amerika en het Midden-Oosten spannen qua ongelijkheid de kroon, gevolgd door Rusland en Sub-Saharaans Afrika, waar de armste 50 procent amper 1 procent bezit van alles wat er te bezitten valt, terwijl de rijkste 10 procent tegen de 80 procent aan schurkt. In Europa is de situatie wat minder extreem, maar is er ook geen reden om de vlag uit te steken: de armste 50 procent bezit 4 procent van het totaal, tegen 58 procent voor de rijkste 10 procent.

    Rijkdom verdelen

    Tegen deze constatering kun je op verschillende manieren aankijken. Je kunt geduldig wachten tot groei en marktwerking de rijkdom verdelen. Maar aangezien meer dan twee eeuwen na de industriële revolutie het deel dat in bezit is van de armste 50 procent in Europa nauwelijks 4 procent bedraagt en in de Verenigde Staten 2 procent, moet je daarvoor waarschijnlijk wel erg geduldig zijn. Je kunt ook zeggen dat de huidige situatie de best mogelijke is en dat iedere poging om de rijkdom te verdelen economisch riskant zou zijn. Een weinig overtuigend argument. In Europa bedroeg het deel dat in bezit was van de rijkste 10 procent tot 1914 80 à 90 procent van het totale vermogen. Dat is in ruim een eeuw gedaald tot minder dan 60 procent, voornamelijk dankzij de 40 procent van de bevolking die tussen de rijkste 10 procent en de armste 50 procent in zit. Deze middenklasse is in staat geweest woningen te kopen en bedrijven te beginnen, wat een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de welvaart in de periode tussen het einde van de Tweede Wereldoorlog in 1945 en de oliecrisis in 1973.

    Lees ook:

    Wat kun je doen om deze langzame ontwikkeling in de richting van gelijkheid, die historisch gezien onlosmakelijk verbonden is met een evolutie naar een grotere welvaart, te laten voortduren? Idealiter zou je een herverdeling van het erfgoed moeten overwegen. Op zijn minst zouden de fiscale cadeautjes aan de meest vermogenden moeten stoppen en moet er werk worden gemaakt van een herziening van de grondbelasting, die erg zwaar en onrechtvaardig is voor mensen die hun eerste schreden op de weg naar bezit zetten. Deze belasting zou je moeten omvormen tot een progressieve belasting op het nettovermogen.

    Vrouwen hebben minder toegang tot dezelfde banen en arbeidsuren als mannen

    De tweede les van het Wereld Ongelijkheidsrapport 2022 heeft betrekking op de genderongelijkheid. Dankzij de door Theresa Neef en Anne-Sophie Robillard verzamelde gegevens kunnen we nu meten hoe het aandeel van vrouwen in het totale arbeidsinkomen zich wereldwijd heeft ontwikkeld. We kunnen eruit opmaken hoe groot de ongelijkheid tussen man en vrouw nog altijd is: wereldwijd toucheerden vrouwen in 2020 amper 35 procent van het totale arbeidsinkomen, en mannen dus 65 procent. In 1990 was het aandeel van vrouwen 31 procent en in 2000 33 procent. We zien dus enige vooruitgang, maar het gaat uiterst langzaam. In Europa bedroeg het aandeel van vrouwen in 2020 38 procent, dus bij lange na niet de helft.

    Deze indicator geeft een minder rooskleurig maar juister beeld van de werkelijkheid dan een vergelijking per functie. Hij legt genadeloos bloot dat vrouwen minder toegang hebben tot dezelfde banen en arbeidsuren als mannen, met name vanwege voortdurende vooroordelen en discriminatie en de geringe inspanningen die overheden zich getroosten om banen waarin vrouwen het sterkst vertegenwoordigd zijn (met name in de zorg, de detailhandel en de schoonmaakbranche) beter te structureren. De geringe vooruitgang die de afgelopen decennia wereldwijd is geboekt, weerspiegelt bovendien het groeiende aandeel zeer hoge salarissen – die voor het overgrote deel door mannen worden verdiend – in de totale loonsom. In bepaalde regio’s, zoals China, valt zelfs een verlaging te constateren van het aandeel van vrouwen in het totale arbeidsinkomen. Deze gegevens roepen om veel voortvarender maatregelen dan tot dusver zijn genomen.

    We kunnen constateren dat de armste 50 procent vrijwel overal verantwoordelijk is voor een relatief redelijk uitstootniveau

    De derde noviteit van het Rapport heeft betrekking op de ongelijkheid op klimaatgebied. Maar al te vaak beperkt het klimaatdebat zich tot een vergelijking van de gemiddelde CO2-uitstoot per land en de ontwikkeling daarvan in de loop der tijd. Dankzij het werk van Lucas Chancel beschikken we nu over gegevens over de verdeling van de uitstoot binnen individuele landen en de verschillende regio’s van de wereld. We kunnen constateren dat de armste 50 procent vrijwel overal verantwoordelijk is voor een relatief redelijk uitstootniveau, in Europa bijvoorbeeld van 5 ton per inwoner. Over eenzelfde periode gemeten bedraagt de gemiddelde uitstoot van de rijkste 10 procent 29 ton, en die van de allerrijkste 1 procent 89 ton. De conclusie spreekt voor zich: het klimaatprobleem wordt niet opgelost als we iedereen over één kam scheren. Om de sociale en klimatologische gevaren die haar ondermijnen het hoofd te bieden, zal de planeet meer dan ooit rekening moeten houden met de vele ongelijkheidsbreuklijnen die haar doorkruisen.

    Lees ook:

  • Thomas Piketty over de Pandora Papers: ‘Het is hoog tijd om in actie te komen’

    Thomas Piketty over de Pandora Papers: ‘Het is hoog tijd om in actie te komen’

    De Franse stereconoom Thomas Piketty roept naar aanleiding van de Pandora Papers op tot een openbaar financieel kadaster. Door het vrije verkeer van kapitaal zijn grote vermogens ongrijpbaar voor de fiscus, en dat moet volgens hem zo snel mogelijk veranderen.

    Na de LuxLeaks in 2014, de Panama Papers in 2016 en de Paradise Papers in 2017 tonen de onthullingen in de Pandora Papers, afkomstig van een nieuw lek van twaalf miljoen documenten over financiële offshoreconstructies, in welke mate de allerrijksten belasting blijven ontduiken. In tegenstelling tot wat soms wel wordt beweerd zijn er geen betrouwbare aanwijzingen dat de situatie de afgelopen tien jaar is verbeterd.

    Vóór de zomer had de site ProPublica al onthuld dat miljardairs in de Verenigde Staten praktisch geen belasting betalen in verhouding tot hun vermogen en tot wat de rest van de bevolking betaalt. Volgens Challenges is het vermogen van de vijfhonderd rijkste Fransen toegenomen van 210 miljard euro in 2010 tot ruim 730 miljard in 2020, en alles wijst erop dat de belasting die over deze enorme vermogens wordt betaald (in feite uiterst simpel te achterhalen informatie die de overheid echter nog altijd weigert te publiceren) buitengewoon gering is. Moeten we lijdzaam wachten op de volgende uitgelekte documenten, of wordt het tijd dat media en burgers met een actieplatform komen en regeringen onder druk zetten om deze kwestie op een systemische manier op te lossen?

    Ieder voor zich

    Het wezenlijke probleem is dat vermogens aan het begin van de eenentwintigste eeuw [in Frankrijk] nog altijd alleen worden belast op basis van onroerend goed, waarbij methodes en kadasters worden gebruikt die dateren uit het begin van de negentiende eeuw. Als we onszelf geen middelen verschaffen om deze stand van zaken te veranderen, zullen de schandalen zich blijven voordoen, met als risico een langzaam uiteenvallen van ons sociale en fiscale pact en een onontkoombare groei van het ieder-voor-zich.

    Belangrijk hierbij is dat het registreren en belasten van bezit historisch gezien altijd nauw met elkaar verbonden is geweest. Allereerst omdat het registreren van bezit de bezitter voordeel oplevert, namelijk bescherming door het rechtssysteem, en ten tweede omdat alleen een minimale belasting de registratie echt verplicht en systematisch kan maken. Daar komt bij dat bezit ook een indicator is voor de hoeveelheid belasting die mensen kunnen betalen, wat verklaart waarom inkomsten uit vermogen altijd een belangrijke rol hebben gespeeld in de moderne fiscale systemen, boven op de inkomstenbelasting (die soms flink kan worden gedrukt, vooral bij mensen met een zeer groot vermogen, zoals ProPublica heeft aangetoond).

    Door een gecentraliseerd kadaster in het leven te roepen voor alle onroerend goed, zowel met een woon- als bedrijfsbestemming (landbouwgrond, winkels, fabrieken et cetera), heeft de Franse Revolutie in één klap ook een belastingsysteem ingevoerd dat is gebaseerd op transacties (de nog altijd bestaande overdrachtsbelasting) en vooral op bezit (via de taxe foncière, de onroerendgoedbelasting).

    Het resultaat is een uitermate onrechtvaardig systeem dat grote ongelijkheid schept

    Zowel in Frankrijk als de Verenigde Staten en vrijwel alle andere rijke landen blijft de onroerendgoedbelasting, of de Angelsaksische variant daarvan, de property tax, de belangrijkste heffing op bezit (in Frankrijk rond de 2 procent van het bnp, oftewel zo’n 40 miljard euro per jaar). Het ontbreken van een dergelijk registratie- en belastingsysteem voor onroerend goed met een woon- of beroepsbestemming verklaart daarentegen de buitensporig grote omvang van de informele sector in veel zuidelijke landen en de daaruit voortvloeiende problemen bij het heffen van inkomstenbelasting.

    Het probleem is dat dit systeem van vermogensregistratie en -belasting de afgelopen twee eeuwen vrijwel ongewijzigd is gebleven, terwijl financiële activa tegenwoordig het grootste vermogensbestanddeel vormen. Het resultaat is een uitermate onrechtvaardig systeem dat grote ongelijkheid schept. Als u een woning of een bedrijfsruimte bezit met een waarde van 300.000 euro, en u hebt een schuld van 290.000 euro, dan betaalt u evenveel onroerendgoedbelasting als iemand die een pand met dezelfde waarde heeft geërfd en ook nog eens 3 miljoen euro aan financiële tegoeden bezit.

    Politieke keuze

    Geen enkel principe, geen enkel economisch argument kan een belastingsysteem rechtvaardigen dat zo genadeloos regressief is (de facto is de effectieve rente die mensen met weinig onroerend goed betalen structureel hoger dan die van mensen met veel onroerend goed), nog afgezien van het feit dat ervan wordt uitgegaan dat het onmogelijk zou zijn financieel bezit te registreren. Het gaat hier echter niet om een technische onmogelijkheid, maar om een politieke keuze: er is voor gekozen de registratie van effecten te privatiseren (via privaatrechtelijke dienstverleners als Clearstream of Eurostream) en vervolgens het vrije verkeer van kapitaal te introduceren dat gegarandeerd wordt door de staten, zonder enige voorafgaande fiscale coördinatie.

    De Pandora Papers herinneren ons er ook aan dat de allerrijksten erin slagen belasting over hun onroerend goed te ontduiken door het in belastingparadijzen als effecten te registreren, zoals in het geval van het echtpaar Blair en hun huis van 7 miljoen euro in Londen (waarmee 400.000 euro aan overdrachtsbelasting werd ontdoken) of dat van de villa’s aan de Côte d’Azur die via brievenbusfirma’s in het bezit zijn van de Tsjechische premier Babis (die ook wordt verdacht van verduistering van Europese gelden).

    Wat moet er gebeuren? De prioriteit moet de oprichting zijn van een openbaar financieel kadaster en het heffen van een minimale belasting op alle bezit, al was het maar om er objectieve informatie over te verkrijgen. Elk land kan daar onmiddellijk toe overgaan door van alle bedrijven die tegoeden op zijn grondgebied beheren of exploiteren te eisen dat ze de identiteit van de eigenaars onthullen, en die eigenaars vervolgens op volstrekt transparante wijze een belastingheffing op te leggen die overeenkomt met die voor gewone belastingbetalers, niet meer en niet minder. Als we iedere ambitie op het gebied van fiscale soevereiniteit en sociale rechtvaardigheid laten varen, moedigen we het separatisme van de allerrijksten en onze eigen in-onszelf-gekeerdheid alleen maar aan. Het is hoog tijd om in actie te komen.

    Thomas Piketty

    De Franse econoom en historicus Thomas Piketty verwierf in 2014 een rocksterstatus met de Engelse vertaling van Le capital au XXIe siècle door Harvard University Press. Hij is de wegbereider van Rethinking Economics, een herbezinning over de verdeling van kapitaal, concentratie van welvaart en economische groei; de grote vraagstukken van deze tijd.