Tag: toekomst

  • De toekomst zal doodgewoon zijn

    De toekomst zal doodgewoon zijn

    Als mensen het hebben over de toekomst van AI of klimaatverandering, gaat het bijna altijd over uitersten. Maar ‘als ze eenmaal is aangebroken zal de toekomst heel gewoon aanvoelen. Alleen zal ons idee van gewoon een beetje verschuiven’, schrijft Nick Foster.

    Volgens Google Trends is de interesse in ‘hoe de toekomst eruit zal zien’ sinds 2020 wereldwijd bijna verdubbeld. In heel korte tijd is ons leven overspoeld geraakt met talloze verhalen over wat ons te wachten staat.

    Waar we ook kijken, steeds wordt ons een nieuwe adembenemende toekomst voorgespiegeld. Sommige mensen zijn optimistisch gestemd, of in elk geval bereid ons hun toekomstvisie te verkopen, waar ze vermoedelijk zelf beter van worden. Bedrijfsstrategen in hun schipperstruien van fleece schotelen hun onvoorstelbare voorspellingen met zoveel bombastisch zelfvertrouwen voor dat je je niet hoeft te schamen als je de stippellijnen op hun grafieken voor echte lijnen aanziet. Onze tv-schermen voeden ons leven met honderden uren toekomstcontent, van heroïsche films uit de Gouden Eeuw en hedendaagse dystopische tv-series tot de talloze nieuwsberichten en documentaires die de toekomst als iets volstrekt angstaanjagends afschilderen. En op de achtergrond blijven onze religieuze verhalenvertellers onverdroten hun eigen betrouwbare versies van verlossing en vergetelheid spuien.

    De toekomst wordt helaas altijd voorgesteld als iets extreems

    Wij presenteren onze ideeën over de toekomst graag als speculaties, voorspellingen of projecties, maar in werkelijkheid zijn het alleen maar verhalen, of liever nog veronderstellingen, flardjes leven die we elkaar voorschotelen in de hoop op instemmende of goedkeurende knikjes. Maar of voor deze verhalen nu woorden, cijfers of beelden worden gebruikt, de toekomst wordt helaas altijd voorgesteld als iets extreems.

    Ieder van ons vindt deze extreme voorstelling van zaken misschien rampzalig of juist wenselijk, maar we hebben allemaal de neiging ons op de wildste scenario’s te concentreren, de scherpste pieken en dunste uiteinden van de klokcurve. Deze neiging doet ons echter geen goed en leidt ons af van de realiteit. Als ze eenmaal is aangebroken zal de toekomst niet extreem aanvoelen, maar gewoon. Alleen zal ons idee van gewoon een beetje verschuiven.

    Kijk om je heen. Het heden levert ons al het bewijs dat we nodig hebben.

    Toen ik een kind was in de jaren tachtig van de vorige eeuw zag je op een horloge hoe laat het was en, als je geluk had, de datum, maar tegenwoordig houdt mijn horloge mijn hartslag in de gaten terwijl ik slaap en kan het 112 bellen als ik buiten westen raak. De eerste helium-neonlaser werd gebouwd door Bell Labs voor een bedrag van twee miljoen dollar, maar nu kan ik voor een paar dollar een laserpen kopen om mijn kat te pesten. Mijn vriend Andy heeft een robotstofzuiger in huis, de paus zit op Instagram, het homohuwelijk is in bijna veertig landen legaal en in mijn hart zijn kleine stukjes Gore-Tex genaaid.

    De normaalste zaak van de wereld

    Of je de wereld nu vanuit een technologisch, politiek, wetenschappelijk of maatschappelijk perspectief bekijkt, ons huidige leven is in veel opzichten volstrekt anders dan dat van onze grootouders. Maar zo voelt het niet echt, toch? In onze ogen zijn al die veranderingen de normaalste zaak van de wereld. We hebben ze opgenomen in ons leven en ze voelen als vaste onderdelen van 2025. Kortom, ze voelen doodgewoon.

    Wij hebben de gewoonte om alles wat doodgewoon is te negeren, maar hoe graag we het ook anders zouden zien, zo is de overgrote meerderheid van ons leven. Ik ben opgegroeid in een vochtige, postindustriële stad in Midden-Engeland en mijn kijk op de wereld is gevormd door de verhalen die ik om me heen hoorde.

    Verhalen over het hele jaar sparen voor een weekje zon. Verhalen over biertjes op vrijdag, katers op zaterdag en een uitgebreid ontbijt op zondag. Verhalen over vechtscheidingen, tweedehands jassen, ondergelopen kelders, schrootzwendel, haarknippen in de keuken, busreisjes, mislukte dates, kruimeldiefstallen en dubieuze pillen.

    Jouw eigen leven zag er misschien een beetje anders uit, maar deze verhalen klinken je vast wel bekend in de oren. Maar als we ons de toekomst voorstellen, hoe zien die verhalen er dan uit? Wat gebeurt er met al die personages en met het leven dat ze leiden? Waarom zitten er in onze toekomstverhalen geen taco’s, tissues, potloden en lekke banden en wat zou er gebeuren als dat wel zo was? Ik denk onwillekeurig dat we ons de toekomst dan een beetje anders zouden voorstellen.

    Er staan ons grote veranderingen te wachten, maar die zullen niet gepaard gaan met vuurwerk of filmmuziek

    Er staan ons in de toekomst ongetwijfeld grote veranderingen te wachten, maar die zullen niet gepaard gaan met vuurwerk of dramatische filmmuziek. Ze zullen eerder ongemerkt ons leven in sluipen en zich voegen bij alles wat dat leven momenteel beheerst. Ze zullen in de kleine lettertjes op onze tandpastaverpakking verschijnen, onder aan ons belastingaangiftebiljet, in onze autoverzekeringspolis en in de schappen van de supermarkt.

    Of het nu gaat om kunstmatige intelligentie, klimaatverandering, robotica of schermtijd voor tieners, het is ongelooflijk makkelijk – en ongelooflijk lui – om de toekomst in extremen af te schilderen. Het is veel moeilijker – maar ook veel nuttiger – om je voor te stellen hoe deze dingen van invloed kunnen zijn op zoiets gewoons als de hond uitlaten.

    Mensen zijn ongelooflijk flexibel. We hebben bewezen dat we ons gedrag heel goed kunnen aanpassen en alles wat op ons pad komt kunnen verweven met de dagelijkse realiteit. In de loop van mijn carrière heb ik gemerkt dat nadenken over de toekomst als een gewone doorleefde ervaring – en niet als een utopische fantasie of dystopische gruwel – mensen altijd helpt om die toekomst te aanvaarden, te begrijpen en er in gesprekken gedetailleerder op in te gaan.

    Abstract

    Als we nadenken over de toekomst moeten we altijd ruimte laten voor grootse, ambitieuze plannen en mensen waarschuwen voor mogelijke fiasco’s of rampen, maar daar blijft het niet bij. Hoewel we opgewonden of van afschuw vervuld kunnen raken door verhalen over radicale verandering, kunnen die ook heel erg abstract overkomen. Als we de toekomst niet gaan beschouwen als een verlengstuk van het heden en als we ons niet vastberaden gaan richten op de gevolgen van verandering voor de doodgewone ritmes van alledag, dan blijft de toekomst altijd ver weg, ongrijpbaar en op de een of andere manier ‘anders’ lijken, wat funest kan zijn voor onze generatie.

    Of we nu zakenlieden zijn die een fusie voorbereiden of doodgewone mensen die kletsen in een café, de verhalen die we elkaar over de toekomst vertellen zijn echt van belang en het wordt tijd dat we er allemaal een rol in gaan spelen.

    Nick Foster is ontwerper en heeft zijn carrière gewijd aan het bestuderen en ontwerpen van de toekomst voor bedrijven als Apple, Google, Nokia en Sony.

  • Kwantumchip dwingt ons op nieuwe manieren na te denken

    Kwantumchip dwingt ons op nieuwe manieren na te denken

    Hebben wetenschappers de sciencefiction ingehaald? De nieuwe kwantumchip van Google is zo snel dat de uitvinders er maar één verklaring voor hebben: hij rekent in meerdere universums tegelijk.

    Vlak voor de jaarwisseling publiceerde Google een opzienbarende aankondiging met immense betekenis. Het ging over een computerchip met de filmische naam Willow, die kwantumcomputing gebruikt om in vijf minuten een rekentaak op te lossen waar een hedendaagse supercomputer tien quadriljoen jaar over zou hebben gedaan.

    Dit werd bekendgemaakt door Hartmut Neven, de Duitse computerwetenschapper die namens Google het Quantum Artificial Intelligence Lab in Californië leidt. Daar worden computers ontwikkeld die ons leven in de nabije toekomst fundamenteel zouden kunnen veranderen. De nieuwe snelheid is niet alleen een record, het is de tweede van de zes mijlpalen die moeten leiden tot het dagelijks gebruik van kwantumcomputers. Het record is ook een bewijs voor het bestaan van parallelle universums, schrijft Hartmut Neven in de blog van het bedrijf.

    Sciencefiction in het heden

    Op welk moment heeft het heden de toekomst ingehaald? Vroeger duurde het zo’n tien tot twintig jaar voordat de gebeurtenissen in sciencefictionfilms werkelijkheid werden. In 2002 kwam bijvoorbeeld Steven Spielbergs Minority Report uit, waarin Tom Cruise voor een eenheid werkt die misdaden kan voorspellen, zodat ze die kunnen voorkomen.Toen eerst de Amerikaanse politie en vervolgens in 2016 de autoriteiten in München en Neurenberg deze methode met behulp van kunstmatige intelligentie introduceerden als de nieuwe standaard, was de metafoor onmiddellijk voorhanden. 

    The Matrix werd in 1999 uitgebracht en anticipeerde op het verlies van de realiteit door de invloed van digitale en vooral sociale media. Rond 2015 begon het publiek zich te realiseren dat deze inderdaad een probleem vormden.

    En dan is er nog het baanbrekende sciencefictionwerk 2001: A Space Odyssey van Stanley Kubrick. In de sleutelscène weigert boordcomputer Hal de buitendeur te openen, waardoor astronaut David Bowman niet kan terugkeren na een ruimtereis. Hal heeft ontdekt dat Bowman de machine wil uitschakelen. Maar omdat het uitvoeren van demissie belangrijker voor haar is dan een mensenleven, doodt ze bijna de volledige bemanning. Alleen Bowman overleeft. De film draaide in 1968 in de bioscoop.

    De wereld hoefde niet zo lang te wachten tot het visioen werkelijkheid werd. Een jaar later landde Apollo 11 op de maan en bewees welke rol computerwetenschap kon spelen in de ruimtevaart. De draag- en landmodules werden immers vooral door codes aangestuurd, terwijl de astronauten enkel de manoeuvres initieerden of beëindigden. Geen mens zou in staat zijn geweest om de ruimteschepen te besturen met alleen de stuwkracht van de motoren en de zwaartekracht van de planeet en de maan. Kubrick en de auteur van de oorspronkelijke roman, Arthur C. Clarke, hadden die gedachtesprong naar de superieure besturing van de programma’s al gemaakt, waardoor hun acties zonder enig bewustzijn of enige wilskracht of moraliteit werden uitgevoerd.

    Grensverleggend

    Net als de maanlanding heeft het wiskundeprobleem dat Willow nu in vijf minuten heeft opgelost, geen praktische waarde. Het ging er in de eerste plaats om dat iets mogelijk was zoals zo vaak het geval is in technologie en wetenschap. De conclusie dat dit record alleen kon worden behaald doordat Willow ook rekenkracht uit een parallel universum aanboorde, wordt door Hartmut Neven slechts tussen neus en lippen gemeld in de blog van het bedrijf.

    Tot een paar jaar geleden gold nog de Wet van Moore, die stelt dat computerchips elke achttien maanden hun snelheid verdubbelen en hun prijs halveren. Sinds componenten de grootte van individuele atomen hebben bereikt, kan dit niet langer worden volgehouden. Sinds 2019 geldt daarom de Wet van Neven, die stelt dat de prestaties van kwantumcomputers zich twee keer zo exponentieel ontwikkelen. En dat gaat het menselijke voorstellingsvermogen te boven.

    Een quadriljoen is een getal met 24 nullen en is daarom moeilijk te bevatten. Er worden altijd pogingen gedaan om grote getallen te verpakken in vergelijkingen die mensen kunnen begrijpen. Maar dat is bij miljarden al moeilijk. De meest recente poging: als je in 1751 was begonnen met het verdienen van tienduizend dollar per dag, zou je ergens dit jaar je eerste miljard hebben verdiend. Maar om 400 miljard dollar, het bedrag dat Elon Musk onlangs aantikte, te verdienen met hetzelfde dagelijkse bedrag, zouden we bijna 110.000 jaar geleden hebben moeten beginnen met sparen, aan het begin van de laatste IJstijd. 

    Maar tien quadriljoen is een heel ander getal. Google volstond met de formulering dat dit ‘een getal is dat de leeftijd van het universum ver overschrijdt’. Wat niet echt helpt, want het universum zou 13,8 miljard jaar oud zijn, en dat zou een waarde zijn met negen nullen achter de komma als je deze zou uitdrukken in procenten. Waarom zouden mensen buiten de wetenschappelijke bubbels van Californië daarin geïnteresseerd zijn?

    Is dit de eerste keer dat we rondneuzen in een wereld die niet langer de onze is?

    Ten eerste omdat dit het begin is van een tijd waarin we lijken te leven in een sciencefictionwereld. In dit geval is het kwantumrecord bovendien een goede metafoor voor de rest van het heden. Kwantumfysica volgt niet de regels waaraan we op deze planeet gewend zijn en dwingt ons om op nieuwe manieren na te denken. Er zijn deeltjes die zich dwars door het universum en zwarte gaten heen met elkaar verstrengelen om rekenkrachten te ontketenen die ver afstaan van de wonderbaarlijk logische rekenstappen van de algebra. De kunstmatige intelligentie van vandaag, die ons zo vaak overweldigt, functioneert nog steeds volgens die algebraïsche logica. Uiteindelijk automatiseert en versterkt ze het menselijk denken. Dus alles beweegt nog steeds in onze kosmos.

    Maar hoe zit het met de parallelle universums? Is dit de eerste keer dat we rondneuzen in een wereld die niet langer de onze is?

    Krachten uit een parallel universum

    Het idee van Hartmut Neven is gebaseerd op de theorieën van natuurkundige David Deutsch, die de grondlegger was van de wetenschap van het multiversum. Volgens Deutsch zijn zulke parallelle werelden lang niet alleen theoretische grootheden voor natuurkundige berekeningen, maar bestaan ze echt. Als bijvangst ontwikkelde Deutsch een theorie over verklaringsmethoden. ‘Goede verklaringen’, schreef hij, ‘zijn moeilijk te variëren omdat al hun componenten nauw met elkaar verbonden zijn. Als je één onderdeel verandert, verandert de voorspelling en ook het verklarend vermogen van een theorie. Goede verklaringen gaan verder dan alleen voorspellingen, omdat het belangrijkste doel van wetenschappelijke theorieën is om de werkelijkheid te verklaren, niet alleen om voorspellingen te doen. Omdat ze vaak betrekking hebben op niet-waarneembare processen zoals kwantumcomputers, kunnen ze mensen helpen om de diepere structuur van de werkelijkheid te begrijpen.’

    Zoals bij veel wetenschappelijke en technologische onderwerpen gaat het er dus niet zozeer om je er als leek in te verdiepen. Als je echter de basis ervan begrijpt, kun je ook beter omgaan met de nieuwe realiteiten die ze met zich meebrengen.

    Kwantumcomputers, bijvoorbeeld, kunnen worden begrepen als een overschrijding van de grenzen van het lineaire denken. In een tijdperk dat gekenmerkt wordt door steeds complexere onderlinge relaties zijn ze echter geen slecht hulpmiddel om verwarrende verschijnselen te begrijpen. Donald Trump en Elon Musk zijn de perfecte voorbeelden van onze tijd, juist omdat ze niet functioneren volgens de lineaire denkpatronen en levenswijzen uit het tijdperk van de Verlichting. Logica, rede en moraliteit zijn slechts in beperkte mate de bepalende factoren van ons heden.

    Het is nog niet zo lang geleden dat deze benadering, en de bijbehorende cognitieve overbelasting, in een verhaal werden verwerkt. Bijna drie jaar geleden won Everything Everywhere All At Once zeven Oscars voor zijn krachttoer door parallelle universums met hun bizarre causale ketens. Deze film is een heel goede beschrijving van het heden. En ook een heel goede uitleg van de kwantumwereld.

  • Nu Assad weg is, is een wrede dictatuur ten einde. Maar de onzekerheid is groot

    Nu Assad weg is, is een wrede dictatuur ten einde. Maar de onzekerheid is groot

    De val van het Assad-regime in Syrië heeft de machtsdynamiek in het Midden-Oosten op zijn kop gezet. De internationale gemeenschap wacht gespannen op de volgende stappen van de rebellen en de reacties van Iran en Rusland.

    De Amerikaanse strategie in het Midden-Oosten werd jarenlang gedomineerd door Iran, dat het hart vormde van een ‘sjiitische sikkel’. Syrië speelde de rol van doorgang voor Iraanse wapens die door terroristische groepen werden gebruikt om Israël aan te vallen, en was ook de basis voor de Russische marine- en luchtmacht in de regio.

    Maar toen de Syrische regering na meer dan een halve eeuw regeren afgelopen weekend met verbazingwekkende snelheid ten val kwam, waardoor nog een cruciaal element van de sikkel werd verbrijzeld, waren Amerikaanse inlichtingendiensten verrast. Vrijdagavond nog dachten hoge Amerikaanse functionarissen dat president Bashar al-Assad ongeveer 50 procent kans had om stand te houden – ook al zou dat betekenen dat hij naar de chemische wapens moest grijpen die hij tegen zijn eigen volk had gebruikt.

    Washington ontwaakte zondagochtend in een nieuwe realiteit. Het is misschien wel de meest gedenkwaardige omwenteling tot nu toe in de veertien maanden sinds de aanval van Hamas op Israël op 7 oktober 2023 een golf van gewelddadige vergelding ontketende en de machtsdynamiek in de regio veranderde.

    Nu Assad is verdreven, slechts zes weken voor de inauguratie van de voor zijn tweede termijn verkozen president Trump, doen twee dringende en verwante vragen de ronde in Washington, die onder andere betekenen dat Trumps termijn er dramatisch anders uitziet dan toen hij bijna vier jaar geleden zijn ambt neerlegde.

    Nieuw tijdperk van kwetsbaarheid

    Ten eerste: zullen de rebellen de Iraniërs en de Russen van Syrisch grondgebied verdrijven, zoals sommige van hun leiders hebben aangekondigd? Of zullen ze een soort schikking treffen met de twee machten die hen in een lange burgeroorlog te gronde hebben gericht?

    Ten tweede: zullen de Iraniërs – verzwakt door het verlies van Hamas en Hezbollah, en nu van Assad – concluderen dat hun beste strategie is om nieuwe onderhandelingen met Trump aan te gaan, slechts enkele maanden nadat ze huurmoordenaars hadden gestuurd om hem te vermoorden? Of zullen ze daarentegen de ontwikkeling van een kernbom versnellen, die door sommige Iraniërs wordt gezien als hun laatste verdedigingslinie in een nieuw tijdperk van kwetsbaarheid?

    Het kan nog maanden duren voordat het antwoord op een van deze vragen duidelijk wordt. Maar wat er nu komen gaat, zal aantonen of zondag puur een bevrijdingsdag was en het begin markeerde van een wederopbouw, dan wel de opmaat blijkt te zijn naar nog meer militaire actie.

    Voor de val van Damascus zei de leider van Hayat Tahrir al-Sham, de rebellengroepering die voorheen gelinkt was aan Al-Qaida en die de bliksemaanvallen op de regering van Assad leidde, tegen een interviewer van CNN dat ‘de revolutie is overgegaan van chaotisch naar meer gestructureerd’.

    Maar militieleider Mohammad al-Jolani, die door de Verenigde Staten nog steeds gezocht wordt als terrorist, gaf geen informatie over hoe de groep denkt te zullen regeren. ‘Het belangrijkst is om instituties op te bouwen,’ zei hij, waarmee hij suggereerde dat hij een samenleving wil opbouwen waarheen ontheemde Syriërs kunnen terugkeren en die ze kunnen helpen opbouwen. ‘Het is niet langer de bedoeling dat één enkele heerser willekeurige beslissingen neemt.’

    President Biden verklaarde dat dit ‘moment van kansen’ voor de wereld ‘ook een moment van risico’s en onzekerheid is’

    Zoals Dan Shapiro, een voormalige Amerikaanse ambassadeur in Israël en nu een hoge Pentagonfunctionaris met verantwoordelijkheid voor het Midden-Oosten, het verwoordde: ‘Niemand zou een traan moeten laten om het Assad-regime.’ Minstens 580.000 mensen stierven in het eerste decennium van de burgeroorlog die in 2011 begon, schatte de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties drie jaar geleden, en miljoenen raakten gewond of ontheemd.

    Maar het is één ding om de afzetting van Assad te vieren, die volgens de Russische staatstelevisie zondag in Moskou is aangekomen. Het is iets anders om het machtsvacuüm dat daaruit voortvloeit in goede banen te leiden – en om ervoor te zorgen dat Syrië geen terroristische staat van een ander soort wordt en ook niet een ‘mislukte’ staat, zoals Libië dat werd nadat Moammar al-Qadhafi dertien jaar geleden werd afgezet en vermoord.

    President Biden erkende dit nadat hij zondagmiddag vanuit de Roosevelt Room van het Witte Huis verklaarde dat dit ‘moment van kansen’ voor de wereld ‘ook een moment van risico’s en onzekerheid is’ zodat ‘de vraag wat hierna komt ons allemaal bezighoudt’.

    ‘Vergis je niet, sommige rebellengroepen die Assad ten val hebben gebracht, hebben hun eigen grimmige staat van dienst op het gebied van terrorisme en mensenrechtenschendingen,’ zei hij. Hij merkte op dat leiders als Jolani ‘nu weliswaar de juiste dingen zeggen, maar naarmate ze meer verantwoordelijkheid op zich nemen, zullen we niet alleen hun woorden, maar ook hun daden beoordelen’.

    Kroonjuweel

    Die beoordeling zal echter grotendeels aan de regering van Trump overgelaten worden. Deze zal ook een test zijn voor de betekenis van zijn berichten op social media, waarin hij beweert dat de beste strategie voor de Verenigde Staten is om zich erbuiten te houden.

    Het is onwaarschijnlijk dat Trump zich die luxe kan veroorloven. De Verenigde Staten hebben al een militaire troepenmacht van negenhonderd man in het oosten van Syrië, die IS-troepen opjaagt en aanvalt. En hoewel Trump tijdens zijn eerste termijn aanvankelijk de neiging had om zich terug te trekken, wisten zijn militaire adviseurs hem ervan te overtuigen dat een Amerikaanse terugtrekking uit de Syrische bases de strijd tegen de IS-strijdkrachten zou kunnen ondermijnen en belemmeren.

    Op zondag, terwijl Assad op de vlucht was geslagen, namen de Verenigde Staten samenscholingen van IS-strijders onder vuur. Ze lieten bommen en raketten vallen in een poging tot terrorismebestrijding die volgens functionarissen geen verband hield met de val van Damascus. Een hoge regeringsfunctionaris noemde dit een ‘belangrijke aanval’.

    En of Trump het nu erkent of niet, de Verenigde Staten hebben er groot belang bij dat Rusland wordt verdreven van zijn marinebasis in Tartus, de enige haven aan de Middellandse Zee waar Russische oorlogsschepen worden gerepareerd en ondersteund. ‘Voor Rusland is Syrië het belangrijkste strategische punt om een grote macht in de regio te worden, een gebied dat traditioneel onder invloed staat van de Verenigde Staten,’ zegt Natasha Hall, Syrië-expert bij het Center for Strategic and International Studies in Washington.

    Het is duidelijk dat de Iraniërs dit weekend net zo verbijsterd waren als iedereen

    Rusland heeft ook een Syrische luchtmachtbasis gebruikt om duizenden Syriërs te doden die zich verzetten tegen Assad. In een tijdperk van nieuwe koude oorlogen, waarin Rusland zijn invloed probeert uit te breiden, is de mogelijkheid dat Moskou permanent de toegang tot Syrië verliest een enorm strategisch voordeel voor de Verenigde Staten. Het zal ook een interessante eerste test zijn van hoe Trump omgaat met president Poetin, juist nu de onderhandelingen over de toekomst van Oekraïne op het punt staan te beginnen.

    Maar de belangrijkere vraag is hoe de nieuwe president Iran zal aanpakken. In de afgelopen weken heeft hij belangstelling getoond voor nieuwe onderhandelingen met Teheran, zes jaar nadat hij de nucleaire overeenkomst met het land uit 2015 had opgezegd. De Iraniërs hebben ook enige interesse getoond in een dialoog – hoewel het niet duidelijk is of ze bereid zijn het nucleaire programma op te geven waarin ze de afgelopen jaren zoveel hebben geïnvesteerd.

    Het risico is dat de Iraanse leiders besluiten dat het land zo verzwakt is – zijn bondgenoten zijn lamgelegd, de weg om wapens te verschepen via Syrië is in gevaar, zijn luchtafweer is weggevaagd door recente Israëlische aanvallen – dat het meer dan ooit een kernwapen nodig heeft.

    Het is duidelijk dat de Iraniërs dit weekend net zo verbijsterd waren als iedereen. De Iraanse minister van Buitenlandse Zaken, Abbas Araghchi, zei op de staatstelevisie dat Teheran overrompeld was door de snelheid van de gebeurtenissen. ‘Niemand kon dit geloven,’ aldus Araghchi.

    Iran is al dichter bij een kernwapen dan op enig ander moment in de twintig jaar dat Iran zich inspande om zijn nucleaire capaciteiten op te bouwen. Op vrijdag zei Rafael M. Grossi, de directeur-generaal van het Internationaal Atoomenergieagentschap, de nucleaire waakhond van de Verenigde Naties, dat Iran de productie van uranium dat bijna geschikt is voor bommen in een ‘dramatische stroomversnelling’ heeft gebracht. Het land heeft al een voorraad die voldoende is om vier bommen te maken, hoewel het een jaar tot achttien maanden kan duren om er een kernkop van te maken. De verklaring van Grossi suggereerde dat het land nu in zo’n hoog tempo bezig is dat het er nog veel meer kan produceren.

    Dat kan gewoon een onderhandelstrategie zijn. Maar het is duidelijk dat het Iraanse leiderschap onder druk staat en de val van een oude bondgenoot en volgeling als Assad zal bij sommige Iraanse leiders waarschijnlijk de angst oproepen dat hun hetzelfde lot te wachten staat. Of die nieuwe onzekerheid hen ertoe zal aanzetten om zich via onderhandelingen uit de nesten te werken dan wel om naar het ultieme overlevingswapen te grijpen, is een van de vele raadsels van de toekomst.

  • Filosoof Kohei Saito is voorvechter van economische krimp

    Filosoof Kohei Saito is voorvechter van economische krimp

    De Japanse hoogleraar filosofie vindt dat we moeten ontgroeien en minder buitensporig moeten consumeren. ‘Wil iedereen op aarde een fatsoenlijk leven kunnen leiden, dan moet het mondiale Noorden opgeven wat niet noodzakelijk is.’

    Stel je een wereld voor waarin je maar drie of vier dagen per week hoeft te werken. In je vrije tijd kun je sporten, tijd aan je dierbaren besteden, tuinieren of actief zijn in de lokale politiek. Bezorging binnen 24 uur, reclame en privévliegtuigen zijn verleden tijd, maar gezondheidszorg, onderwijs en groene stroom zijn voor iedereen gratis. Dat is het radicale ideaal dat de marxistische hoogleraar filosofie Kohei Saito voorstaat. Hij houdt een pleidooi voor ‘degrowth’, ‘ontgroei’, een doelbewuste krimp van de economie om zo de rijkdom beter te verdelen en over te gaan op een trager economisch stelsel waarin het welzijn van mens en planeet centraal staat.

    In de VS en andere rijke landen woedt onder voorvechters van klimaatmaatregelen steeds meer discussie over de vraag of economische groei moet worden ontmoedigd om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Het stimuleren van duurzame energie en groene technologie zal tot nieuwe banen en meer economische activiteit leiden. En ontwikkelingslanden hebben groei nodig om hun levensstandaard te verhogen.

    Maar pleitbezorgers van krimp zoals Saito en economen zoals Jason Hickel en Tim Jackson zeggen dat het vervangen van fossiele brandstoffen door groene energie niet volstaat. Volgens hen moeten de rijke landen, die verantwoordelijk zijn voor het leeuwendeel van de uitstoot van broeikasgassen, ook gaan minderen in hun energieverbruik en hun gebruik van grondstoffen uit ontwikkelingslanden, en zich meer richten op het voor hun burgers gratis maken van elementaire levensbenodigdheden als voedsel, onderdak, schoon water en energie.

    Waarom denkt u dat er steeds meer interesse is in kritiek op het kapitalisme en in economische krimp in het algemeen?

    De afgelopen decennia zijn onze samenlevingen overal ter wereld ernstig ontwricht door neoliberale hervormingen. En er is veel debat over het oplossen van de klimaatcrisis en het tegengaan van economische ongelijkheid. Maar de maatregelen werken niet en de klimaatcrisis wordt alleen maar erger. De mensen hebben te lijden onder banen zonder zekerheid, lage lonen en veel concurrentie. Mensen worden er ongelukkig van.

    Krimp en een postkapitalistische samenleving zijn op dit moment in zekere zin natuurlijk nog een utopie

    Krimp en een postkapitalistische samenleving zijn op dit moment in zekere zin natuurlijk nog een utopie. Maar anderzijds: voor mensen die echt op zoek zijn naar een alternatief, die zich echt zorgen maken om de crisis, is er binnen het bestaande kader geen oplossing te vinden. Ik zeg niet dat mijn oplossing alleen zaligmakend is, maar hij raakt wel een snaar, in deze algehele sfeer van onvrede en onbehagen, zeker onder de jongere generatie.

    Ik wil wat dieper ingaan op de kritiek op het kapitalisme zoals u die uiteenzet in Slow Down. Kunt u uitleggen waarom het kapitalisme volgens u de aanjager is van de ongelijkheid in de wereld en van de klimaatverandering?

    Karl Marx heeft aangetoond dat het kapitalisme de tendens vertoont om de economische ongelijkheid te vergroten, omdat onder dat systeem arbeiders worden uitgebuit, zodat het kapitaal zich ophoopt bij een kleine minderheid. En Marx zei ook dat in zo’n systeem van uitbuiting niet alleen mensen, maar ook de natuur wordt uitgebuit. Van die tendens waren we ons jarenlang niet bewust omdat rijke landen zoals de VS, Japan en de EU veel kosten elders konden onderbrengen. We hadden ons rijke leventje veelal te danken aan goedkope producten en grondstoffen die werden verkregen door uitbuiting van mens en natuur in het mondiale Zuiden.

    Door de globalisering heeft het kapitalisme nu de hele wereld veroverd. Dat betekent dat we alle kosten elders hebben ondergebracht. En nu kunnen we er nergens meer mee terecht, want China groeit, Brazilië groeit, India groeit: iedereen wil nu een kapitalist zijn en dan loopt het spaak. We hebben te maken met de wereldwijde ecologische crisis, de pandemie, de klimaatcrisis, de wedijver om grondstoffen, en dat is allemaal nauw verbonden met het kapitalisme en de neiging tot constante groei.

    Veel klimaatbeleid van tegenwoordig, zoals plannen voor een Green New Deal, zijn sterk gericht op meer hernieuwbare energie en groene technologie, met daarbij aanhoudende groei van de werkgelegenheid en de economie. Waarom is dat volgens u niet genoeg om iets tegen de klimaatcrisis te doen?

    Om te beginnen ben ik niet tegen technologie. We hebben hernieuwbare energie nodig. Elektrische auto’s en zo, die hebben we nodig. Ik ben voor het ontwikkelen van nieuwe technologieën en het investeren in goedkopere groene energie. Ik ben geen pleitbezorger van ‘terug naar de natuur’.

    Het probleem is dat we in het streven naar groei steeds meer en steeds grotere producten gaan verkopen. Het duidelijkste voorbeeld daarvan is de SUV. Ook al stappen we over op elektrisch rijden, als we steeds grotere auto’s blijven maken, zullen we nog steeds veel energie en grondstoffen verbruiken die vooral uit het mondiale Zuiden komen. Dan komt er dus geen eind aan de roof van land en grondstoffen, de uitbuiting van mijnwerkers en de vernietiging van inheemse gemeenschappen, de ontbossing enzovoort.

    Misschien moeten we privévliegtuigen verbieden. Misschien moeten we korte binnenlandse vluchten verbieden, omdat je evengoed de trein kunt nemen

    Wat volgens mij nodig is: investeer vooral in die groene technologieën. Maar we moeten ook eens gaan praten over bijvoorbeeld het terugdringen van het aantal auto’s, of van de vleesconsumptie, of van het vliegverkeer. Misschien moeten we privévliegtuigen verbieden. Misschien moeten we korte binnenlandse vluchten verbieden, omdat je evengoed de trein kunt nemen. Dat moet ook prioriteit krijgen.

    Het probleem met het mainstream debat over groen kapitalisme is dat het nooit gaat over het terugdringen van onze buitensporige consumptie en productie, want dat is iets wat het kapitalisme niet kan accepteren. Wil iedereen op aarde een fatsoenlijk leven kunnen leiden, dan moet het mondiale Noorden opgeven wat niet noodzakelijk is. Daar is het kapitalisme niet toe in staat.

    Daarom komt u met uw alternatieve economische visie van degrowth-communisme. Waarom zou het daarmee beter lukken om de mondiale klimaatdoelen te halen?

    Degrowth houdt in dat het bbp niet meer je enige toetssteen voor vooruitgang is. En dat je stopt met dingen die niet echt nodig zijn.

    Je kunt het bbp verhogen door dingen te produceren die niet echt nodig zijn, zoals privévliegtuigen. En ik zeg: misschien hebben we geen behoefte aan die dingen, want ze zijn alleen voor rijkelui en je maakt er de planeet mee kapot. Dus waarom steken we onze energie en ons geld niet in dingen die duurzamer zijn en die iedereen nodig heeft? Zoals gratis internet, gratis openbaar vervoer, gratis onderwijs, gratis zorg. Al die dingen die meestal aan commerciële partijen worden overgelaten, zeker in de VS, moeten uit handen van de commercie worden gehaald.

    Ons huidige model is dat de economie steeds groeit, zodat de taart groter wordt en iedereen een steeds groter stuk krijgt. Maar als we de economie zo laten groeien, produceren we enorm veel overbodige zaken. Als we overgaan op een economie zonder groei, wordt de taart niet meer groter. Dan moeten we de bestaande rijkdom met elkaar delen.

    Je levert er misschien iets voor in, maar je wint aan maatschappelijke rust, gemeenschapszin en betere producten

    Er zijn natuurlijk dingen die we niet kunnen delen, zoals privé-eigendom. Maar wat we wel kunnen delen is bijvoorbeeld kennis en onderwijs, openbaar vervoer, cultuur, gemeenschappelijke landbouw, elektriciteit enzovoort. Dan kunnen we gelukkiger zijn, over meer essentiële goederen en diensten beschikken en een stabieler leven leiden.

    Dan hebben we niet meer om de twee jaar een nieuwe iPhone. Hebben we geen wegwerpmode meer. Geen industriële vleesproductie. Misschien ook geen McDonald’s meer, maar wel gezonder eten. Dan hebben we duurzamere kleding, die je jarenlang kunt dragen. Je levert er misschien iets voor in, maar je wint aan maatschappelijke rust, gemeenschapszin en betere producten.

    Sommigen wijzen erop dat het vertragen van de economische groei schadelijk kan zijn voor de landen die nog in ontwikkeling zijn. Wat zou krimp betekenen voor het mondiale Zuiden?

    Ik zeg niet dat het mondiale Zuiden de beginselen van krimp meteen moet omarmen. We moeten daar nog meer wegen aanleggen en huizen, scholen en ziekenhuizen bouwen. We moeten daar ook meer energiecentrales bouwen en zonnepanelen aanleggen.

    Maar ik vind dat ook die landen in hun groei meer prioriteit moeten geven aan het voorzien in basisbehoeften dan aan het stimuleren van winstgevendheid en concurrentie, de manier waarop ontwikkeling nu door de Wereldbank met structurele aanpassingsprogramma’s wordt afgedwongen. We hebben voor het mondiale Zuiden andere ontwikkelingsmodellen nodig.

    Het verbruik van grondstoffen en energie zal in het Zuiden natuurlijk eerst stijgen, want hun verbruik ligt nu te laag

    Het verbruik van grondstoffen en energie zal in het Zuiden natuurlijk eerst stijgen, want hun verbruik ligt nu te laag. Hun ontwikkeling zal onvermijdelijk meer verbruik van energie en grondstoffen met zich meebrengen. Dat legt druk op de planetaire grenzen. Dat betekent dus dat het mondiale Noorden bewust naar krimp moet streven, omdat het zich te ver ontwikkeld heeft en overmatig produceert en consumeert.

    U schrijft in uw boek dat de transitie naar krimp niet van het ene op het andere moment hoeft plaats te vinden, en dat die overgang zelfs nu al gaande is. Kunt u een paar voorbeelden geven van stappen in de richting van degrowth?

    Frankrijk heeft een verbod ingesteld op korte binnenlandse vluchten, dat is een belangrijke stap. Sommige Europese landen experimenteren nu met minder arbeidstijd, zoals een werkweek van vier dagen. Gratis onderwijs en gratis zorg zijn andere voorbeelden. Gratis internet hoort daar ook bij, iets wat Jeremy Corbyn een paar jaar geleden in zijn verkiezingsprogramma had opgenomen.

    Verder de invoering van een maximum op jaarinkomens, en van werknemerscoöperaties, en de nationalisering van sommige bedrijven, zoals nutsbedrijven. Dat zijn een paar elementaire tegenmaatregelen die we binnen het kapitalisme kunnen nemen.

    Volgens sommigen is krimp een te grote politieke opgave en maak je jezelf niet populair als je de bevolking in het mondiale Noorden vraagt om bijvoorbeeld te gaan consuminderen. Wat is ervoor nodig om te zorgen dat de politieke prioriteiten zo breed worden verlegd? Is het wel realistisch om naar krimp te streven?

    In zekere zin is het een utopie, denk ik. Maar de gedachte dat het kapitalisme de komende decennia tot grote bloei zal leiden is ook utopisch, want we krijgen meer natuurrampen, inflatie en oorlogen, en met de klimaatcrisis wordt dat alleen maar erger. Dus het is naïef om te denken dat we op de een of andere manier ons leventje wel kunnen voortzetten. 

    Maar ons wereldbeeld is nu radicaal aan het veranderen en mensen als Greta Thunberg hebben het debat echt naar een hoger plan getild

    Ik denk dat er nu meer mensen zijn, zeker onder de jonge generatie, die radicalere verandering eisen. Ik vermoed dat bewegingen als de Sunrise Movement, Fridays for Future, Extinction Rebellion en Just Stop Oil vijftien jaar geleden nog niet op veel steun onder de bevolking konden rekenen en niet genoeg media-aandacht kregen. Maar ons wereldbeeld is nu radicaal aan het veranderen en mensen als Greta Thunberg hebben het debat echt naar een hoger plan getild. De herwaardering van waarden kan eigenlijk best snel gaan. 

    Capital in the Anthropocene (2020), is in november bij Arbeiderspers uitgegeven als Systeembreuk. Een nieuwe visie op kapitaal, natuur en maatschappij als antwoord op de klimaatcrisis. Het dit jaar in het Engels verschenen Slow Down: The Degrowth Manifesto is nog niet in het Nederlands vertaald.

  • Wereldbeeld: Marsaardappelen als voedsel van de toekomst

    Wereldbeeld: Marsaardappelen als voedsel van de toekomst

    In 2050 moeten er bijna 10 miljard mensen gevoed worden, en dat vraagt om creatieve oplossingen. Misschien liggen er tegen die tijd wel aardappelen in de supermarkt afkomstig van Mars.

    Over hoe in 2050 bijna 10 miljard mensen gevoed moeten worden bestaan steeds meer (wilde) ideeën. Op de tentoonstelling Spacefarming: de toekomst van voedsel in het Evoluon in Eindhoven produceert een roestvrijstalen koe melkproducten met micro-organismen, dus zonder dat er iets dierlijks aan te pas komt. Of het er ooit van komt is zeer de vraag, maar in het iconische Evoluon doet ruimtebioloog Wieger Wamelink als ‘scientist in residence’ een poging om aardappelen te verbouwen op een nagemaakte Marsbodem. 

    Wereldbeeld
      — © ANP
  • Pleidooi voor een mondiale CO2-bank 

    Pleidooi voor een mondiale CO2-bank 

    Welvarende landen zouden lagelonenlanden substantiële financiering moeten aanbieden om af te stappen van fossiele brandstoffen. De Keniaanse president William Ruto stelde een nieuwe ‘groene wereldbank’ voor, een doordacht plan dat vraagt om zorgvuldige bestudering.

    In een interview met Financial Times tijdens de Top voor een Nieuw Mondiaal Financieringspact, afgelopen juni in Parijs, deed de Keniaanse president William Ruto een oproep om een ‘groene wereldbank’ op te richten die ontwikkelingslanden zou helpen de gevolgen van de klimaatverandering te verzachten, zonder de toch al onhoudbare schuldenlast nog verder te verzwaren. Als rijke landen serieus van plan zijn klimaatverandering aan te pakken en vrede en welvaart te bevorderen in Afrika en de rest van de ontwikkelingswereld, moeten ze dit doordachte en belangrijke voorstel in overweging nemen. 

    Tot voor kort waren de overvloedige natuurlijke hulpbronnen en goedkope arbeidskrachten van ontwikkelingslanden hun enige onderhandelingstroeven. Maar de klimaatverandering heeft lagelonenlanden een betere onderhandelingspositie gegeven en de dynamiek van de relaties tussen Noord en Zuid veranderd. Ontwikkelingslanden laten zich niet langer dwingen enorme schulden aan te gaan voor de financiering van hun vergroening, vooral niet wanneer er goedkopere alternatieven voorhanden zijn.

    Hypocrisie

    De voortdurende pogingen van welvarende landen om lagelonenlanden ertoe over te halen een hogere waarde toe te kennen aan duurzame energiebronnen dan zijzelf hebben gedaan, zijn tot mislukken gedoemd. Hoewel de aansporingen in enkele gevallen succes hebben gehad, mede dankzij de dalende kosten van zonne- en windenergie, vinden ontwikkelingslanden het vaak veel rendabeler om in de voetsporen van geavanceerdere landen te treden en in te zetten op fossielebrandstoftechnologieën.

    De oorlog in Oekraïne heeft de hypocrisie van de rijke landen blootgelegd

    De oorlog in Oekraïne heeft de hypocrisie van de rijke landen blootgelegd. Jarenlang hebben zij ontwikkelingslanden het gebruik van fossiele brandstoffen ontraden en leningen voor de ontwikkeling van gas- en olieprojecten onthouden, vooral als die bestemd waren voor binnenlands gebruik. Maar sinds de Russische invasie zetten Europese leiders Afrikaanse landen onder druk om de productie van gas te verhogen, zodat het in de vorm van vloeibaar aardgas naar Europa kan worden verscheept. Duitsland heeft zelfs zijn kolencentrales heropend. Bovendien hebben Europese huishoudens en bedrijven precies hetzelfde soort enorme energiesubsidies gekregen waarvoor Afrikaanse landen in onder meer het jaarrapport over 2022 van het Internationaal Energieagentschap op de vingers werden getikt.

    Aanklacht tegen oliebedrijven

    Californië is niet alleen een belangrijke producent van olie en gas, maar wordt ook geteisterd door de gevolgen van klimaatverandering, met bosbranden, overstromingen, verzengende hitte en tropische stormen. Volgens The New York Times vindt de staat het nu welletjes. In navolging van zeven andere staten heeft de openbaar aanklager op 15 september een rechtszaak aangespannen tegen vijf van ’s werelds grootste oliemaatschappijen: Exxon Mobil, Shell, BP, ConocoPhillips en Chevron.

    Zij worden verantwoordelijk gehouden voor tientallen miljarden dollars aan schade, en misleiding van het publiek door de risico’s van fossiele brandstoffen te bagatelliseren. Het OM van Californië wil dat de beklaagden een fonds oprichten waaruit toekomstige schade door klimaatgerelateerde rampen kan worden betaald.

    Terwijl Europese regeringen deze initiatieven beschouwen als een gerechtvaardigde reactie op buitengewone omstandigheden, zijn ze voor ontwikkelingslanden, waar elektriciteitsrantsoenering zelfs in vredestijd de regel is, moeilijk te verteren. De Verenigde Staten brengen het er niet veel beter van af. Toen de benzineprijzen de pan uit rezen als gevolg van de oorlog in Oekraïne, verzekerde de Amerikaanse president Joe Biden dat hij alles in het werk zou stellen om de prijzen te laten dalen. Biden deed zelfs een beroep op Saoedi-Arabië om meer olie op te pompen, ondanks de eerdere bedenkingen van zijn regering tegen dat land en de leider ervan, kroonprins Mohammed bin Salman.

    Naast Ruto’s voorstel voor een groene bank zijn er ook andere manieren geopperd om ontwikkelingslanden te voorzien van de financiële middelen die nodig zijn om de overstap op schone energie te kunnen voltooien. Een voorbeeld daarvan is het voorstel van diverse gezaghebbende figuren om buitenlandse investeerders minder kwetsbaar te maken voor wisselkoersrisico’s in ontwikkelingslanden. Dit voorstel is echter ondoordacht. 

    Prioriteit

    Gezien het feit dat een groot deel van het wisselkoersrisico een soeverein kredietrisico behelst, kan het niet alleen met financiële instrumenten worden weggenomen. De belangrijkste dreiging voor wisselkoersen is tenslotte de sterke prikkel voor regeringen die krap bij kas zitten om de schuld door inflatie te laten wegsmelten. Het subsidiëren van een enorme schuldenstijging in ontwikkelingslanden is geen oplossing voor de opwarming van de aarde, maar een recept voor een nieuwe schuldencrisis. Bij klimaatfinanciering voor lagelonenlanden moeten schenkingen de prioriteit krijgen, en niet leningen.

    Hoewel instellingen die volgens het systeem van Bretton Woods werken een belangrijk doel dienen, zijn hun financiële en bestuurlijke structuur, evenals hun bestaande middelen, ontoereikend. Het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank verschaffen voornamelijk leningen en niet de onvoorwaardelijke schenkingen die ontwikkelingslanden nodig hebben. Bovendien zijn de bestuursmechanismen van deze instellingen ingesteld op het bevoordelen van rijke landen die leningen verstrekken. Om ontwikkelingslanden over te halen de strijd tegen klimaatverandering aan te gaan, moeten ze een grotere rol krijgen in het formuleren van een mondiaal beleid. Ook moet de voorgestelde financiering omvangrijk zijn.

    Wereldbank

    Een andere oplossing die ik de afgelopen jaren heb bepleit, is de oprichting van een wereldbank voor CO2-beprijzing die technologische transitie kan ondersteunen, onbevooroordeelde rapporten kan publiceren over de opwarming per land (bijvoorbeeld door het monitoren van CO2-compensatieprogramma’s) en grootschalige hulp kan financieren. In een recent artikel heb ik voorgesteld deze nieuwe instelling te financieren door het onherroepelijk doneren van tienjarige obligaties. Maar vlieg- en transportbelastingen, zoals voorgesteld door Ruto, zijn een alternatief dat zeker kan worden onderzocht .

    Om effectief te zijn zou een mondiale CO2-bank zich uitsluitend op vergroening moeten richten

    Om effectief te zijn zou een mondiale CO2-bank zich uitsluitend op vergroening moeten richten. Idealiter wordt hij zodanig gestructureerd dat hij in belangrijke mate onafhankelijk kan opereren, een van de redenen waarom het schenken van obligaties door rijke landen een aantrekkelijke financieringsoptie zou zijn.

    Hoewel organisaties als de U.S. International Development Finance Corporation enkele klimaatprojecten hebben gelanceerd, zijn die te gering van omvang om de opwarming effectief aan te pakken. Over het algemeen hebben rijke landen hun bestaande klimaatfinancieringstoezeggingen bij lange na niet gehaald, en ze lijken niet erg warm te lopen voor het faciliteren van nog meer technologische transitie. Bovendien nemen de zorgen over de haalbaarheid van een goede oplossing toe vanwege de kans dat voormalig president Trump, een berucht klimaatontkenner, in 2024 opnieuw in het Witte Huis belandt. (Aan de andere kant mogen we niet vergeten dat vóór 1972 maar weinigen hadden voorzien dat de fervente anticommunist Richard Nixon een bezoek aan China zou brengen.)

    Veel te lang hebben rijke landen ontwikkelingslanden de les gelezen over klimaatverandering, terwijl ze hun advies zelf in de wind sloegen. Hopelijk leiden innovatieve voorstellen als Ruto’s groene wereldbank tot een constructiever, rechtvaardiger debat. 

  • Afscheid van steenkool gaat onaangenaam lang duren

    Afscheid van steenkool gaat onaangenaam lang duren

    Het bonte gezelschap van financiers dat ‘de tandwielen’ van de steenkoolindustrie smeert, zal er waarschijnlijk voor zorgen dat deze lucratieve handel standhoudt, ook al is dat ten nadele van de planeet.

    Opgestapeld onder de azuurblauwe lucht in de haven van het Australische Newcastle liggen bergen steenkool waar gigantische shovels hapjes uit nemen. Ze scheppen het spul op transportbanden, die naar vrachtschepen leiden van soms wel drie voetbalvelden lang. Jaarlijks verwerken deze terminals 200 miljoen ton van de brandstof, wat Newcastle de grootste kolenhaven ter wereld maakt. De doorvoer beleeft een indrukwekkende comeback, nadat overstromingen vorig jaar de toelevering een zware slag hadden toegebracht. 

    Aaron Johansen, die toezicht houdt op de nieuwste, volledig geautomatiseerde terminal, verwacht voor de komende zeven jaar in ieder geval geen kleinere cijfers. Rijke Aziatische landen, zoals Japan en Zuid-Korea, snakken naar de hoogwaardige steenkool die de terminal passeert. En dat geldt ook steeds meer voor opkomende landen als Maleisië en Vietnam.

    Dossier2
     Kolen worden gelost uit een vrachtschip in de kolenterminal van de haven van Lianyungang, in de provincie Jiangsu, om te worden vervoerd.– © Getty Images

    Aan de andere kant van de wereld is de stemming wel anders. De afgelopen weken verstoorden activisten meermaals de jaarlijkse algemene vergadering van Europese banken en energiebedrijven, waarbij zij grote schrijvers citeerden, onder wie Shakespeare (Don’t shuffle off this mortal coil) en de Spice Girls (Stop right now), in hun oproep een einde te maken aan de steenkoolwinning. Ze geven een stem aan de breed gevoelde angst voor wat steenkool voor het klimaat kan aanrichten als grootste bron van broeikasgassen. De brandstof was goed voor ruim 40 procent van energiegerelateerde koolstofemissies in 2022. De Verenigde Naties zeggen dat de productie met 11 procent per jaar moet dalen om de opwarming van de aarde ten opzichte van pre-industriële tijden onder de 1,5 graad Celsius te houden. Het Internationaal Energieagentschap (IEA), een officiële voorspellende instantie, wil niet dat er nieuwe mijnen worden geopend, noch dat er bestaande worden uitgebreid. Klimaatexperts denken dat 80 procent van de reserves ongebruikt moet blijven.

    Toch lijkt koning Steenkool steviger op zijn troon te zitten dan ooit

    Dit moet dan voornamelijk gebeuren door de financiële toeleveringsketen af te knijpen. Ruim tweehonderd van ’s werelds grootste financiers, waaronder 87 banken, hebben aangekondigd dat ze investeringen in kolenmijnbouw of kolencentrales aan banden zullen leggen. Kredietverstrekkers die goed zijn voor 41 procent van de wereldwijde bankactiva hebben zich aangesloten bij de Net-Zero Banking Alliance en toegezegd hun portefeuilles tegen 2050 af te stemmen op CO2-neutrale emissies. Op de COP26-top in 2021 voorspelden de VN dat de steenkoolproductie door deze campagne verleden tijd zou worden. In 2020 meende het IEA nog dat de consumptie tien jaar geleden al een hoogtepunt had bereikt.

    Toch lijkt koning Steenkool steviger op zijn troon te zitten dan ooit. In 2022 bedroeg de vraag ernaar voor het eerst meer dan 8 miljard ton. In dit artikel beschrijven we wie de tandwielen van deze ooit tot ondergang gedoemd lijkende handelsmachine smeert. Onze bevinding is dat de markt levendig, goed gefinancierd en winstgevend is. Nog opvallender is dat het bonte gezelschap van financiers er waarschijnlijk voor zal zorgen dat de handel tot ver in de jaren dertig van deze eeuw standhoudt, en dat die handel nog een aantal zakken flink zal vullen, ten nadele van de planeet.

    Uitzonderlijk jaar

    Het is verleidelijk om 2022 als een uitzonderlijk jaar te beschouwen. Rusland sneed de gasleidingen naar Europa af en Europa verbood de invoer van steenkool uit Rusland. Het continent verliet zich op vloeibaar aardgas (lng) dat bestemd was voor Azië en thermische steenkool uit Colombia, Zuid-Afrika en het verre Australië. Ook Aziatische landen die afhankelijk zijn van hoogwaardige Russische steenkool gingen diversifiëren. De prijzen voor topkwaliteit stegen. De armere buren van Europa werden uit de gasmarkt geprijsd en stortten zich op brandstof van mindere kwaliteit.

    Nu is de storm gaan liggen. Na een zachte winter hebben Europese nutsbedrijven weer behoorlijke voorraden aan gas en kolen. Maar naarmate de vraag naar stroom voor verkoelingsapparatuur in steeds warmere zomers toeneemt, zal de invoer van steenkool versnellen. De Chinese economie is het tijdperk van zerocovidbeleid te boven gekomen, India gaat als een speer. Handelaren verwachten dat het wereldwijde verbruik dit jaar met nog eens 3 tot 4 procent zal groeien.

    China wil de komende twee jaar 270 gigawatt aan nieuwe kolencentrales bouwen

    Steenkool blijft waarschijnlijk ook na 2023 in trek. Het klopt dat de vraag in Europa zal afnemen naarmate het aanbod van hernieuwbare energiebronnen stijgt. In de VS, met hun goedkopere schaliegas, ís de vraag al laag. Maar de crisis van vorig jaar heeft de importafhankelijke Aziatische landen eraan herinnerd dat wanneer energie schaars is, steenkool uitkomst biedt. Kolen zijn goedkoper en ruimer voorradig dan andere brandstoffen, en – eenmaal op eenvoudige schepen geladen – overal naartoe te vervoeren. Dit in tegenstelling tot lng, waarvoor je speciale schepen en terminals voor hervergassing moet bouwen, wat jaren duurt. China wil de komende twee jaar 270 gigawatt aan nieuwe kolencentrales bouwen, meer dan welk land dan ook ter wereld vandaag de dag aan capaciteit heeft. India en een groot deel van Zuidoost-Azië volgen hetzelfde pad.

    Zelfs als het Westen steenkool snel afzweert, zal de vraag naar thermische steenkool tussen nu en 2030 met slechts 10 tot 18 procent dalen, verwacht de Boston Consulting Group. Een groot deel van de vraag komt voor rekening van de binnenlandse productie in China en India, de grootste verbruikers ter wereld. Import blijft echter cruciaal. Investeringsbanken verwachten niet dat de verhandelde volumes dit decennium snel onder de 900 miljoen ton komen, ten opzichte van 1 miljard ton vorig jaar. Eén investeringsbank, Liberum Capital, verwacht de komende vijf jaar een stijgende invoer.

    Hardnekkige vraag

    Blijft de wereldwijde kolenmarkt aan die hardnekkige vraag voldoen? Ons onderzoek lijkt te zeggen van wel. Er is genoeg geld voor drie vitale schakels in de toeleveringsketen: handel en scheepvaart, meer graven in bestaande mijnen, en nieuwe projecten.

    Handelsfinanciering is nog het eenvoudigst. Consultant Oliver Wyman berekende voor The Economist dat hoge prijzen, samen met de langere reizen als gevolg van omgeleide export, de behoefte aan werkkapitaal van kolenhandelaren in 2022 opdreven tot 20 miljard dollar, vier keer het historische gemiddelde. Ervan uitgaande dat de gemiddelde kolenprijs boven de 100 dollar per ton blijft, wat veel analisten verwachten, blijft die behoefte tot ten minste 2030 boven de 7 miljard dollar.

    Afrika als wingewest

    Investeringen in nieuwe projecten voor fossiele brandstoffen zouden moeten worden stopgezet om te helpen de opwarming van de aarde onder de 1,5°C te houden, maar westerse oliebedrijven richten zich doodleuk met volle kracht op Afrika.

    Dat bleek vorig jaar november in het Egyptische Sharm-el-Sheikh tijdens COP27, de VN-conferentie over klimaatverandering. Daar werd het rapport Who Is Financing Fossil Fuel Expansion in Africa? van de Duitse ngo Urgewald en een dertigtal Afrikaanse organisaties gepresenteerd. En wat blijkt? In 48 van de 54 Afrikaanse landen vinden exploratie- en exploitatieprojecten van recent ontdekte reserves plaats.

    ‘Twee derde van deze projecten wordt uitgevoerd door multinationals met hoofdkantoren buiten Afrika en de meerderheid is gericht op export om te kunnen voldoen aan westerse behoeften,’ aldus Heffa Schücking, de directeur van Urgewald. De verwachting is dat er tegen 2030 ongeveer 16 miljard extra vaten olie zullen worden geproduceerd, wat overeenkomt met twee jaar uitstoot in de Europese Unie. Het Franse TotalEnergies is met activiteiten in vijftien landen de grootste speler, en zal 14 procent van de toekomstige productie voor zijn rekening nemen, schrijft Le Monde.

    Ondertussen leiden deze miljardenprojecten Afrikaanse landen af van een transitie naar duurzame energie, aldus Amos Wemanya van de denktank Power Shift Africa. ‘En dat is slecht voor het klimaat en slecht voor de ontwikkeling van Afrika.’

    Handelaren in grondstoffen blijven liquide genoeg om de aankoop van kolen te financieren. Een van hun geldbronnen bestaat uit bedrijfsleningen via meerjarige bankleningen of obligaties, waardoor bedrijven een vastgesteld bedrag naar eigen goeddunken kunnen gebruiken. Handelaren kunnen ook gebruikmaken van doorlopend krediet op korte termijn, verstrekt door groepen banken. Veel van dit soort financieringen zijn sinds begin 2022 uitgebreid – en belopen vaak enkele miljarden dollars – om handelaren te helpen sterke prijsschommelingen op te vangen. Banken die restricties opleggen en bepalen dat het geld niet mag worden gebruikt om steenkool te kopen, lopen het grote risico dat handelaren hun toevlucht zoeken tot concurrenten die wat minder strikt in de leer zijn. Dat zijn dus maar weinig banken.

    Financieel directeuren bij handelsfirma’s zeggen dat banken in landen waar handel de voornaamste bron van inkomsten is, waaronder DBS in Singapore en UBS in Zwitserland, nog steeds steenkoolaankopen financieren. Zwitserse regionale geldschieters helpen graag. Hetzelfde geldt voor banken in consumerende landen, zoals China en Japan, evenals voor de Britse bankengroep Standard Chartered, die zich richt op Aziatische bedrijven (DBS en Standard Chartered melden allebei dat ze hun belang in thermische steenkool aan het verminderen zijn.) Alleen Europese kredietverstrekkers, vooral Franse, hebben zich teruggetrokken. De opengevallen plaatsen zijn ingenomen door banken uit producerende landen, zoals Australië, Indonesië en Zuid-Afrika. 

    Kleinere, uitsluitend op kolenhandel gerichte bedrijven (de zogeheten ‘pure players’) voelen wel een grotere druk

    Kleinere, uitsluitend op kolenhandel gerichte bedrijven (de zogeheten ‘pure players’) voelen wel een grotere druk. Banken die toch al nooit veel geld aan hen hebben verdiend, kunnen nauwelijks volhouden dat ze niet weten hoe het geleende geld wordt gebruikt. Vorig jaar werden sommige handelaren gedwongen geld te lenen van private fondsen, vaak gedekt door vermogende individuen, tegen jaarlijkse tarieven van bijna 25 procent – ongeveer vijf keer de standaardkosten. Maar na maanden van bloeiende handel hebben velen geen externe financiering meer nodig. Eén bankier zegt dat sommige van zijn in kolen handelende klanten de winst in 2022 hebben zien vertienvoudigen. Een van hen, gevestigd in Londen, zag zijn totale vermogen stijgen van 50 miljoen pond in 2021 naar 700 miljoen in 2023.

    Kredietbrieven 

    Om het product vervolgens naar kopers te verschepen, hebben handelaren vaak een door een gerenommeerde bank afgegeven garantie nodig dat ze op tijd worden betaald. Steeds minder leners willen dergelijke ‘kredietbrieven’ verstrekken, maar er zijn ook manieren om dit te omzeilen. Sommige handelaren brengen hun klanten meer in rekening om het tegenpartijrisico te dekken. Het helpt dat de investering beperkt is. Met de huidige prijzen kan een vracht steenkool niet meer dan 4 tot 5 miljoen dollar waard zijn. Een olietanker daarentegen kan voor 200 miljoen dollar aan ruwe olie vervoeren. Anderen maken gebruik van vertrouwde tussenpersonen, of vragen grotere garanties op andere goederen die de klant koopt. Sommige overheden in ontvangende landen geven de garantie zelf af of betalen zelfs vooruit.

    Buiten Zuid-Afrika, waar spoorwegstakingen het transport hebben lamgelegd, biedt het vasteland voldoende infrastructuur om steenkool te vervoeren. Die infrastructuur zal zich alleen maar uitbreiden. Global Energy Monitor, een Amerikaanse ngo, verwacht dat India van plan is zijn kolenterminals meer dan te verdubbelen tot 1400 (momenteel zijn er wereldwijd 6300). De logistiek over zee is beperkter: onder druk van groene aandeelhouders mijden sommige verladers steenkool inmiddels. Maar kleinere transporteurs, vaak Chinezen of Grieken, hebben het stokje overgenomen. Handelaren melden geen problemen bij het verzekeren van de vracht. Zelfs het door sancties getroffen Rusland exporteert het grootste deel van zijn steenkool en gebruikt dezelfde mix van obscure handelaren en scheepvaartmaatschappijen, uit Hongkong of de Golf, die het gebruikt om zijn olie naar Azië te verschepen.

    Vorig jaar steeg de steenkoolproductie tot een record van 8 miljard ton

    Financiering van meer graafwerkzaamheden in bestaande mijnen – de tweede schakel in de toeleveringsketen – is ook geen probleem. Vorig jaar steeg de steenkoolproductie tot een record van 8 miljard ton. Maar helemaal business as usual is het niet. Sinds 2018 hebben veel ‘majors’ in de mijnbouw (gediversifieerde conglomeraten die op openbare markten opereren) hun steenkoolactiva geheel of gedeeltelijk verkocht. Maar in plaats van te worden ontmanteld, zijn afgestoten activa opgepikt door particuliere mijnbouwers, concurrenten in opkomende markten en investeringsfirma’s. Nieuwe eigenaren hebben er geen moeite mee om mijnen volledig te benutten. In 2021 verzelfstandigde Anglo American, een in Londen gevestigde major, zijn Zuid-Afrikaanse mijnen in een nieuw bedrijf dat onmiddellijk beloofde de productie op te voeren.

    Net als handelaren zitten de mijnbouwondernemingen op dit moment goed in de slappe was. De drie grootste ‘pure-play’-steenkoolproducenten van Australië gingen van een nettoschuld van 1 miljard dollar in 2021 naar 6 miljard dollar aan nettocontanten vorig jaar. Ze hebben het grootste deel van hun langlopende leningen afgelost, dus op dat gebied zijn er geen belangrijke deadlines. ‘Tegenwoordig gaat het niet meer om de vraag “Hoe herfinancier ik mijn schuld?” maar om “Wat doe ik met mijn extra geld?”,’ zegt een financieel directeur van een van hen.

    Dossier3
    In de rij om kolen te vervoeren van de China Energy Investment Corporation. – © Getty Images

    Steenkoolmijnbouwondernemingen kunnen nog steeds geld lenen wanneer dat nodig is. Uit gegevens die de ngo Urgewald verzamelde, blijkt dat ze in de periode 2019-2021 in totaal 62 miljard dollar aan bankleningen hebben verkregen. Japanse bedrijven (SMBC, Sumitomo, Mitsubishi) waren de grootste geldschieters, gevolgd door Bank of China, en JP Morgan Chase en Citigroup uit de Verenigde Staten. Europese banken stonden ook in de top-15. In deze periode slaagden mijnbouwbedrijven, voornamelijk uit China, er ook in om voor 150 miljard dollar aan obligaties en aandelen te verkopen, waarvoor Chinese banken vaak borg stonden. En de liquiditeit houdt aan. Urgewald heeft berekend dat in 2022 zestig grote banken in totaal 13 miljard dollar naar de dertig grootste steenkoolproducenten ter wereld hebben gesluisd.

    Verre van consequent

    Dit is mogelijk doordat het beleid van financiële ondernemingen dat steenkool uitsluit verre van consequent is. Vaak treedt dat beleid pas in 2025 in werking. In sommige gevallen geldt het alleen voor nieuwe klanten. In andere is financiering van projecten wel verboden, maar geldt dat niet voor algemene bedrijfsleningen die mijnbouwers kunnen gebruiken om naar steenkool te graven. Beleid dat dergelijke leningen beperkt, geldt vaak alleen voor mijnbouwers die veel van hun inkomsten uit steenkool halen, meestal 25 of 50 procent. Veel grote bedrijven, waaronder Glencore, een Zwitserse grondstoffengigant die 110 miljoen ton per jaar produceert, zitten onder deze percentages.

    Sommige beleidsregels zijn bewust vaag geformuleerd om vrijstellingen mogelijk te maken. Hoewel Goldman Sachs heeft beloofd ‘binnen een redelijk tijdsbestek’ te zullen stoppen met het financieren van thermische steenkoolmijnbouwbedrijven zonder diversificatiestrategie, schijnt de bank leningen te blijven verstrekken aan Peabody, een gigantisch Australisch mijnbouwbedrijf dat vorig jaar 78 procent van zijn inkomsten betrok uit de verkoop van steenkool (wellicht hielp het dat het bedrijf onlangs een bescheiden dochteronderneming op het gebied van zonne-energie heeft opgericht). Van de 426 grote banken, investeerders en verzekeraars die werden beoordeeld door Reclaim Finance, een andere ngo, kan van slechts 26 worden vastgesteld dat ze een beleid voeren dat overeenstemt met een nettonulscenario in 2050. Nog minder van die bedrijven hebben gezegd steenkool volledig te zullen afzweren. De meeste Chinese en Indiase staatsbanken hullen zich op dat gebied in stilzwijgen.

    Kortom, weinig banken zijn bereid om hun omzet of de voorraden van hun land te schaden

    Kortom, weinig banken zijn bereid om hun omzet of de voorraden van hun land te schaden. Volgens analisten helpt dit de bestaande mijnen om tot begin 2030 aan de vraag te voldoen. Pas dan kan er sprake zijn van een crisis in de steenkoolsector. Westerse banken, die hun beleid vaak om de zoveel tijd evalueren, zullen de duimschroeven langzaam maar zeker aandraaien. Het huidige gebrek aan nieuwe projecten – de derde schakel in de keten – betekent dat er mogelijk niet genoeg nieuwe voorraad is wanneer oude mijnen stoppen met produceren.

    Hoewel het steeds moeilijker is om nieuwe projecten gefinancierd te krijgen, is er nog altijd geld beschikbaar. Westerse banken trekken zich terug, maar andere spelers dringen zich op de voorgrond. Westerse mijnbouwers zijn al jaren zuinig met kapitaalinvesteringen. Nadat ze in het eerste decennium van deze eeuw een hoop hadden uitgegeven, leden velen onder de prijsdalingen halverwege de jaren tien. En al boeken ze nu weer flinke winsten, dan nog kopen de grote jongens liever concurrenten op, heropenen ze oude mijnen of geven ze kapitaal terug aan aandeelhouders dan dat ze nieuwe ondernemingen in het leven roepen. Het investeringsklimaat is het schraalst in de steenkoolsector. Een mijn vanaf de grond opbouwen kan meer dan tien jaar duren. En ook het verkrijgen van vergunningen, die in het Westen steeds vaker worden geweigerd, is een uiterst tijdrovende zaak.

    Energiedichtheid

    Maak alles elektrisch en je bent van het probleem van fossiele brandstoffen af. Klinkt eenvoudig, maar de werkelijkheid is weerbarstiger, volgens denktank Brookings. Al was het alleen maar omdat lang niet alles zich zomaar laat elektrificeren. Neem elektrische voertuigen: die worden aangeprezen als vervanging van voertuigen op diesel en benzine, maar zijn lang niet geschikt voor alle toepassingen; bijvoorbeeld omdat bepaalde kwaliteiten van fossiele brandstoffen – zoals hun energiedichtheid– moeilijk zijn na te bootsen.

    Omdat elk voertuig zijn eigen brandstof moet vervoeren, spelen het gewicht en het volume ervan een belangrijke rol. Vooral in de transportsector is dat cruciaal. Ga maar na: per 450 gram bevatten fossiele brandstoffen ongeveer veertig keer zo veel energie als een geavanceerde batterij. De nadelen van het gewicht van batterijen worden enigszins gecompenseerd doordat elektromotoren veel efficiënter zijn dan verbrandingsmotoren en doordat ze mechanisch eenvoudiger zijn, omdat ze veel minder bewegende onderdelen bevatten. Maar een elektrisch voertuig is altijd nog zwaarder dan een vergelijkbaar voertuig op fossiele brandstof.

    Voor voertuigen die lichte ladingen vervoeren en vaak kunnen tanken, zoals personenauto’s, is dat niet problematisch. Maar voor de luchtvaart, de zeevaart of voor vrachtwagens die zware ladingen moet vervoeren over lange afstanden zonder te kunnen bijtanken, is het verschil in energiedichtheid tussen fossiele brandstoffen en batterijen – in elk geval voorlopig – nog een onoverkomelijk probleem.

    Het financieren van nieuwe projecten in rijke landen stuit op nogal wat obstakels. Vorig jaar moest Adani Group, een Indiaas bedrijf dat het beheer voert over Carmichael, een enorme kolenmijn in aanbouw in Queensland, uit eigen zak 500 miljoen dollar aan obligaties herfinancieren die het voor het project had uitgegeven. Sommige opportunistische fondsen zullen blijven mikken op sappige winsten, vooral in geval van prijsstijgingen. De eerste diepe steenkoolmijn die in decennia in Groot-Brittannië is gegraven, is uiteindelijk eigendom van EMR Capital, een investeringsfirma die is opgericht op de Kaaimaneilanden. Peter Ryan van Goba Capital, een soortgelijk bedrijf in Miami, verwacht dat de kolenactiva van zijn bedrijf tegen 2030 verachtvoudigd zullen zijn.

    In Azië is de situatie anders. Banken blijven behulpzaam. Beleggers zijn begonnen nieuwe mijnen in eigen land te steunen. Familiefondsen, die zijn opgericht om het fortuin van de rijken te beleggen, zijn geïnteresseerd. Elke zakelijke dynastie in Indonesië, waar mijnbouw de ruggegraat van de economie vormt, moet steenkool bezitten, zegt een handelaar. In India doen obscure vastgoedfirma’s biedingen op land waar steenkool valt te winnen. Uiteindelijk zouden bedrijven uit deze landen mijnen kunnen aanleggen in het buitenland, gevolgd door banken, maar Chinese uitstapjes in het Westen zullen zeldzaam blijven; Indiase en Indonesische bedrijven, die al een samenstel van steenkoolactiva in Australië bezitten, zullen hun voetafdruk echter ongetwijfeld vergroten.

    Minder export, hogere prijzen

    En dus zal de steenkolenmarkt er in de jaren dertig heel anders uitzien. ‘Van eigendom en exploitatie tot financiering en consumptie: steenkool wordt een grondstof voor opkomende markten,’ zegt een mijnbouwondernemer. De prijzen blijven hoog door aanvoerbeperkingen, maar de groep exporteurs die hieraan goud geld verdient, zal krimpen. Colombia en Zuid-Afrika, die Europa bedienen, verliezen hun afzetmarkt. Rusland zal het moeilijker krijgen om naar China te verschepen. Alle drie zullen ze minder steenkool exporteren voor minder geld. Australië zal critici sussen door zich te concentreren op de efficiëntste steenkool; dan kan het land minder exporteren maar hogere prijzen berekenen. Indonesië zou de toonaangevende exporteur kunnen worden, zoals Saoedi-Arabië dat nu is voor olie. Het zal meer van zijn basissteenkool verkopen, vaak voor meer geld.

    Hoewel steenkool zich in een neerwaartse spiraal bevindt, zal het afscheid onaangenaam lang duren. Rond de jaren veertig kan de vraag voorgoed uitdoven, ten gunste van hernieuwbare energiebronnen. Maar zelfs dan houden sommige landen hun opties open. Stel dat er nog eens een energiecrisis komt. ‘Dan zal steenkool, die grondstof die niemand wil, de grondstof zijn die we wel weer moeten gebruiken,’ zegt een grote handelaar die Azië bedient. ‘Dat zou weleens een eeuwigdurend kenmerk van steenkool kunnen zijn.’  

  • Wat is een ‘goede baan’ nog waard?

    Wat is een ‘goede baan’ nog waard?

    Het mantra ‘als je maar hard werkt, krijg je vanzelf een goede baan’ gaat gezien de onzekerheid op de arbeidsmarkt niet meer op. Volgens deze Britse schrijver moeten we ons daarom minder focussen op werk. ‘Misschien kunnen we onze kinderen helpen hun eigen weg naar “succes” te zoeken.’

    Toen ik een kind was in de relatief zorgeloze jaren negentig van de vorige eeuw, kreeg ik het nodige voor mijn kiezen: vriendschapsproblemen, huiswerk, ruzietjes met broers en zussen en wanstaltige mode . Maar één ding stond als een paal boven water: hoe je het beste uit je leven kon halen.

    Dat werd je in die predigitale dagen bijgebracht door een paar betrouwbare volwassenen: docenten, familieleden en ouders. En die zeiden maar zelden iets anders dan: ‘Volg een goede opleiding, kies een goede baan en beklim de ladder.’ Over het algemeen gold de regel dat als je tussen je kinderjaren en de volwassenheid door de vereiste hoepels sprong, succes en geluk je deel zouden worden.

    Vandaag de dag is het allemaal minder overzichtelijk. De weg naar beoogd succes is bezaaid met valkuilen, en hoe je financiële stabiliteit en potentieel geluk bereikt is minder duidelijk dan voorheen. Huizenprijzen rijzen de pan uit en voor starters is het moeilijker dan ooit om de onroerendgoedmarkt te betreden. De huidige financiële crisis heeft de baanonzekerheid verhoogd en gezien de stijgende pensioenleeftijd is een comfortabel pensioen allerminst gegarandeerd.

    Dus wat staat ons te doen, als ouders? Het lijkt verkeerd om te doen alsof de wereld niet is veranderd, of om onze kinderen aan te moedigen iets na te streven wat in de praktijk misschien onhaalbaar is. Maar als de doelen en dromen die het vuur van hun ambitie moeten aanjagen ontbreken, waar halen ze dan de motivatie vandaan die nodig is om vooruit te komen?

    Roze bril

    Kortgeleden begon mijn dertienjarige dochter zich af te vragen waarom ze naar school moet om vakken te leren die haar toch niet interesseren. Hoe kan ik haar uitleggen dat ze elke dag naar school moet terwijl ze twee jaar geleden nog thuis moest blijven voor haar eigen veiligheid? Hoe kan ik haar duidelijk maken dat ze zonder opleiding misschien geen ‘goede’ baan krijgt, terwijl ik er na mijn eigen ervaringen niet langer zeker van ben hoe een ‘goede baan’ eruit zou moeten zien? Is dat een baan die een hoger inkomen oplevert? Of persoonlijke voldoening? Zullen, met AI aan de horizon, banen waarin ze mogelijk geïnteresseerd is over vijf jaar überhaupt nog wel bestaan? En bovendien, hoe kan ze zelfs maar naar de toekomst kijken als we in allerijl op een klimaatramp afstevenen en er vlak bij huis een oorlog woedt?

    In mijn eigen kinderjaren was mijn enige echte nieuwskennis afkomstig van het brave Britse jeugdjournaal. Het was zó beperkt, dat toen een klasgenootje me vertelde dat haar vader tijdens de Golfoorlog als piloot naar Bagdad was vertrokken, ik er gewoon van uitging dat vaders daar nu eenmaal soms naartoe gingen. Hoewel mijn kinderen over het algemeen geen nieuws lezen of zien, sijpelt er toch op de een of andere manier iets door. (‘Ik haat die bullebak!’ merkte mijn zoon kortgeleden op terwijl hij naar een scherm in een afhaalrestaurant keek. Ik wilde hem net de les lezen, totdat ik me omdraaide en zag dat hij het over Kim Jong-un had.)

    Maar misschien moet ik die roze bril waardoor ik naar mijn eigen kinderjaren kijk eens afzetten. Ja, er werd me een gevoel van stabiliteit gegeven, maar aan het advies dat voor iedereen zou gelden, had ik steeds minder naarmate ik ouder werd. Na acht jaar lesgeven kreeg ik een totale burn-out en begon een nieuw leven in Frankrijk. Dit hielp me mijn idee van ‘succes ’opnieuw te definiëren.

    Ik leerde dat een baan nooit boven je geestelijke gezondheid gaat; dat geld, hoe aantrekkelijk ook, niet alle problemen oplost. Naar Frankrijk verhuizen, waar de onroerendgoedprijzen lager zijn, gaf me financiële ademruimte, en ik was in staat een carrière als freelancer op te bouwen. Dat heeft verbluffend goed uitgepakt: ik doe nu wat ik leuk vind, bepaal mijn eigen werktijden en lijd nooit meer aan de ‘zondagavondstress’ die de laatste uren van mijn weekend placht te vergallen.

    Een goede opleiding is nog altijd van het allergrootste belang, maar dat geldt ook voor relaties, vrije tijd, sport en begrip voor de wereld om je heen

    Mijn vijf kinderen zijn allemaal hier geboren, ze hebben nooit meegemaakt dat hun ouders bij het krieken van de dag verdwenen en tot diep in de nacht proefwerken nakeken. In plaats daarvan zien ze hun vader maar zelden zonder penseel en hun moeder er lustig op los typen op de computer in haar werkkamer thuis (wat ze niet als ‘werk’ beschouwen omdat ik voor een scherm zit). Ik laat liever zien wat een evenwichtig en gelukkig leven is dan dat ik mijn kinderen van stabiele, onwrikbare toekomstadviezen voorzie die waarschijnlijk toch niet langer opgaan.

    Daar komt nog bij dat niet alle veranderingen per definitie slecht zijn: banen worden flexibeler en jongere generaties zetten vraagtekens bij het idee dat werk voor alles gaat. Belangrijk is ook dat hoewel er misschien meer beren op de weg naar rijkdom zijn, het niet langer taboe is om over geestelijk welzijn te praten en dat voorrang te geven. (Toen ik op mijn vierentwintigste in de ziektewet ging met een depressie, bood mijn arts aan iets anders op het formulier te zetten zodat ik niet gestigmatiseerd zou raken.)

    Misschien ben ik nu in staat een beter toekomstbeeld voor te spiegelen dan het smalle weggetje naar een ‘goed leven’ dat me in mijn eigen kinderjaren werd voorgespiegeld. Misschien kan ik mijn kinderen leren dat ze niet vanuit een teruggetrokken bestaan naar financieel succes moeten streven, maar moeten bedenken wat het betekent om voldaan en tevreden te zijn en volledig je draai te vinden. Een goede opleiding is nog altijd van het allergrootste belang, maar dat geldt ook voor relaties, vrije tijd, sport en begrip voor de wereld om je heen.

    Welke weg je precies moet volgen is niet langer duidelijk, maar wellicht zijn de valkuilen minder diep dan gedacht. Misschien leiden er meer wegen naar Rome, die bij een ander soort leven passen, met andere doelen en andere maatstaven. En misschien kunnen we onze kinderen helpen hun eigen weg naar ‘succes’ te zoeken, een weg die niet alleen naar een mooie carrière leidt maar ook naar voldoening, veiligheid, geestelijk welzijn en een prettig leven.

  • De temperatuurstijging valt mee. Is er reden voor voorzichtig optimisme?

    De temperatuurstijging valt mee. Is er reden voor voorzichtig optimisme?

    De Amerikaanse journalist David Wallace-Wells boezemde in 2017 angst in met zijn boek De onbewoonbare aarde. Nu schrijft hij met iets meer optimisme. De voorspellingen over de opwarming van de aarde van een aantal jaar geleden vallen minder apocalyptisch uit dan gedacht. Wat betekent dat voor onze toekomst?

    Je kunt nooit echt in de toekomst kijken, je kunt er alleen over fantaseren en vervolgens proberen de nieuwe wereld te begrijpen zodra die zich aandient. Een paar jaar geleden klonken de klimaatvoorspellingen voor deze eeuw nog vrij apocalyptisch. De meeste wetenschappers waarschuwden voor een opwarming van de aarde met vier of vijf graden als de wereld op de oude voet doorging. Dat zou zo ingrijpend zijn dat er niet alleen voedselcrises, toenemende hittestress en economische en andere conflicten tussen staten werden voorspeld, maar dat we volgens sommigen afstevenden op de totale ondergang van de beschaving, einde oefening voor de mensheid. (Misschien hebt u hier zelf al eens nachtmerries over gehad of er voortekenen van ontwaard in uw nieuwsfeed.)

    Nu de aarde inmiddels al 1,2 graden is opgewarmd, schatten wetenschappers dat de opwarming deze eeuw waarschijnlijk op ergens tussen de twee en drie graden zal uitkomen. (Een schatting die wordt bevestigd in een VN-rapport dat eind oktober werd uitgebracht in de aanloop naar de klimaattop COP27 in het Egyptische Sharm-el-Sheikh.) Met wat meer gezamenlijke daadkracht kan het nog iets lager uitvallen, en met wat pech en minder daadkracht ook iets hoger. Die getallen klinken misschien abstract, maar waar het op neerkomt is dit: dankzij de verbluffende daling van de prijzen voor groene energie, een waarlijk wereldwijde politieke mobilisatie, een scherpere blik op de toekomst van onze energie en serieuze aandacht voor dit thema bij wereld-leiders zijn we er in amper vijf jaar tijd in geslaagd de te verwachten opwarming van de aarde bijna te halveren.

    In amper vijf jaar tijd zijn we erin geslaagd de te verwachten opwarming van de aarde bijna te halveren

    Decennialang werd het denken over de toekomst van het klimaat gedomineerd door enerzijds een kinderlijk naïef geloof dat we heus wel op de oude voet zouden kunnen doorleven, en anderzijds het doemdenken over een ecologische eindtijd waarin het leven of het bestaan van misschien wel miljarden mensen gevaar zou lopen. De afgelopen jaren zagen we deze twee uitersten ook terug in de klimaat-modellen. Als we de meest ambitieuze doelen van het akkoord van Parijs maar zouden halen en de opwarming onder de anderhalve graad konden houden, zo was de algemene gedachte, zou ons leven min of meer bij het oude kunnen blijven. Maar als we niet snel iets aan de uitstoot van broeikasgassen deden en de opwarming lieten stijgen tot boven de drie of zelfs vier graden, zouden we onze ondergang tegemoet gaan.

    Tragisch uitstelgedrag

    Geen van beide scenario’s lijkt nu nog erg waarschijnlijk. De meest angstaanjagende voorspellingen zijn onwaarschijnlijk geworden door de vergroening die nu al plaatsvindt, en de meest hoopvolle zijn inmiddels nauwelijks nog haalbaar door tragisch uitstelgedrag. Het aantal haalbare toekomst-scenario’s wordt snel kleiner, en dat geeft ons een duidelijker beeld van wat ons te wachten staat: een nieuwe, ernstig verstoorde wereld, met een bevolking van miljarden mensen en een klimaat dat ver afstaat van het oude normaal, maar dat gelukkig nog lang niet tot een echte apocalyps hoeft te leiden.

    De afgelopen maanden heb ik tientallen gesprekken gevoerd – met klimaatwetenschappers, economen en beleidsmakers, met opiniemakers en activisten, en met schrijvers en filosofen – over die nieuwe wereld en hoe we ons die moeten voorstellen. De meest stimulerende en ruimdenkende kijk op het vraagstuk kwam misschien wel van Kate Marvel van de NASA, een van hoofdauteurs van de vijfde National Climate Assessment [het periodieke milieurapport voor de Amerikaanse overheid]. ‘De wereld wordt wat wij ervan maken,’ zegt Marvel. Zelf kom ik steeds weer terug bij drie aanknopingspunten om de mogelijke toekomstroutes enigszins mee in kaart te brengen.

    De doemscenario’s voor de temperatuurstijging die tot voor kort heel reëel leken, lijken dat inmiddels een stuk minder te zijn

    Ten eerste: de doemscenario’s voor de temperatuurstijging die tot voor kort heel reëel leken, lijken dat inmiddels een stuk minder te zijn. Dat is ontegenzeggelijk goed nieuws en, in een tijd van wanhoop en klimaatpaniek, een ondergewaardeerd teken van de vooruitgang die al geboekt is en die van mondiaal belang is.

    Ten tweede, en dit is minstens zo belangrijk: de meest waarschijnlijke toekomstscenario’s behelzen nog steeds een mate van opwarming die lange tijd rampzalig werd geacht – een bewijs van het mondiale onvermogen om de opwarming binnen ‘veilige’ grenzen te houden. Door decennialang bijna geen maatregelen te nemen hebben we die kans verspeeld. En wat misschien nog zorgwekkender is: hoe meer we te weten komen over de mogelijke gevolgen van zelfs een relatief beperkte opwarming, des te akeliger en problematischer die lijken te zijn. In het persbericht bij het recente VN-rapport werd voorspeld dat een opwarming van meer dan twee graden zal resulteren in ‘onafzienbaar leed’.

    Ten derde heeft de mensheid nog steeds heel veel zelf in de hand: hoe warm het zal worden en hoeveel inspanningen we ons getroosten om elkaar tegen die dreigingen en verstoringen te beschermen. Als we erkennen dat een werkelijk apocalyptische opwarming van de aarde nu een stuk minder waarschijnlijk lijkt dan nog maar enkele jaren geleden, halen we de toekomst uit het domein van de mythevorming en brengen haar terug in de arena van de geschiedenis: iets waarin en waarover we strijd kunnen leveren, een verhaal van zowel welvaart als leed – al zullen die niet gelijkelijk over iedereen worden verdeeld.

    Klimaatpolitiek

    Het is niet zo gemakkelijk om dit beeld helemaal helder te krijgen. Deels omdat klimaatactie nog een open vraag blijft, deels omdat het moeilijk is de schaal van de klimaatverandering af te wegen tegen mogelijke reacties van de mens, en deels omdat we niet meer zomaar kunnen teruggrijpen op dat handige narratieve stramien van apocalyps versus het oude normaal. Maar door het hele palet aan mogelijke klimaatscenario’s te beperken, verruilen we de ene verzameling onzekerheden (over de mate van opwarming) voor een andere: die van politieke keuzes en menselijke reacties daarop. We weten nu veel beter welke mate van opwarming we ongeveer kunnen verwachten, en dat stelt ons beter in staat er oplossingen voor te bedenken. Dat begint nog steeds met het terugdringen van de broeikasgassen, maar het is niet langer redelijk om te denken dat het daarbij kan blijven. De politiek van vergroening zal zich ontwikkelen tot een politiek die ook kijkt naar wat er daarna moet gebeuren, op het vlak van klimaatadaptatie, financiering en rechtvaardige verdeling (om maar enkele kwesties te noemen). Lange tijd leek de toekomst van de wereld af te hangen van het welslagen van de vergroening, maar een duidelijk pad naar een toekomst met twee of drie graden opwarming betekent dat die toekomst nu ook afhangt van wat we gaan doen als het zover is. Met andere woorden: onze toekomst hangt af van een nieuwe en breder georiënteerde klimaatpolitiek.

    We weten nu veel beter welke mate van opwarming we ongeveer kunnen verwachten, en dat stelt ons beter in staat er oplossingen voor te bedenken

    ‘We leven in een verschrikkelijke wereld, en we leven in een prachtige wereld,’ zegt Marvel. ‘Het is een verschrikkelijke wereld die nu al meer dan één graad is opgewarmd. Maar ook een prachtige wereld waarin we beschikken over heel veel manieren om stroom op te wekken die goedkoper, rendabeler en makkelijker toepasbaar zijn dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Er verschijnen uiterst geloofwaardige artikelen in wetenschappelijke tijdschriften die betogen dat een snelle overstap naar hernieuwbare energie per saldo geen kostenpost zal zijn, maar een winstmaker,’ zegt ze, en ze schudt haar hoofd alsof ze het zelf bijna niet kan geloven. ‘Als je me dat vijf jaar geleden had verteld, had ik gedacht: wauw, dat is een wonder.’

    GettyImages 1388204699
    Bouw van de ITER-reactor in het Franse onderzoekscentrum Cadarache, waar de fusiereactie zal plaatsvinden. – © Jean-Marie Hosatte / Gamma-Rapho via Getty

    Hoe is dat zo gekomen? Om te beginnen heeft de wereld er werk van gemaakt om af te stappen van steenkool.

    Steenkoolgebruik

    In 2014 werkte klimaatwetenschapper en podcastmaker Justin Ritchie nog aan zijn proefschrift. Daarin vroeg hij zich af waarom zo veel klimaatmodellen rekenden op een grote piek in het steenkoolgebruik in de eenentwintigste eeuw. Iedereen wist wel dat de decennialange economische groei van China op steenkool dreef, maar wetenschappers die zich met de energietoekomst bezighielden, betwijfelden toen al of datzelfde model ook voor alle andere opkomende landen van kracht zou zijn, en al helemaal of de rijke landen ooit weer structureel op steenkool zouden terugvallen. 

    Alleen was dat inzicht nergens terug te vinden in de mix van economische, demografische en materiële veronderstellingen over toekomstige ontwikkelingen die als basis diende voor de talrijke modellen waarmee klimaat-wetenschappers prognoses maakten over de klimaatgevolgen, onder meer voor het VN-klimaatpanel IPCC. Het opvallendste voorbeeld was een emissievoorspelling getiteld RCP8.5, die uitging van een op z’n minst vijfvoudige groei van het steenkoolverbruik in de loop van deze eeuw. Dit was het somberste scenario, waarin de mens geen enkele maatregel nam – in de wetenschappelijke literatuur en door journalisten wel betiteld als het ‘business as usual’-scenario. Toen Ritchie en zijn promotiebegeleider in 2017 hun onderzoek publiceerden in het tijdschrift Energy Economics, gaven ze het de suggestieve ondertitel: ‘Zijn gevallen van een enorme toename in steenkoolverbruik nog aannemelijk?’ Gezien de huidige ontwikkelingen is het antwoord daarop nu simpelweg: nee. 

    Het aanpassen van de vooronderstellingen die als basis voor modellen dienen, is misschien niet de meest aansprekende vorm van klimaatactie

    Al jaren leefden er vragen over de toekomst van steenkool, vooral bij de mensen die meenden dat in prognoses over duurzame energie de groei van wind- en zonne-energie belachelijk laag werd ingeschat. Maar de inmiddels brede scepsis over de somberste doemscenario’s voor de uitstoot van broeikasgassen is toch vooral terug te voeren op het kleine groepje mensen dat het werk van Ritchie las en daarmee Twitter op ging. Onder hen Roger Pielke Jr., een hoogleraar milieukunde die door de Republikeinen vaak als deskundige wordt opgeroepen bij hoorzittingen in het Congres over het klimaat. En ook de uitgesproken Britse investeerder Michael Liebreich, oprichter van een door Michael Bloomberg opgekocht bedrijf voor groen beleggingsadvies, die in 2019 op sociale media steeds luidkeels riep dat RCP8.5 ‘gelul’ is. En tot slot de wat ingetogener klimaatwetenschappers Zeke Hausfather en Glen Peters, die in 2020 een opiniestuk in Nature publiceerden waarin ze stelden dat ‘het “business as usual”-verhaal misleidend is’. (Ik had het jaar daarvoor een artikel gepubliceerd waarin ik hetzelfde spoor volgde.)

    Het aanpassen van de vooronderstellingen die als basis voor modellen dienen, is misschien niet de meest aansprekende vorm van klimaatactie. Maar Hausfather schat dat het naar beneden bijstellen van die aannames verantwoordelijk is voor ongeveer de helft van de vastgestelde vooruitgang die we hebben geboekt, en dat alleen de andere helft te danken is aan oplossingen afkomstig van technologie, overheidsbeleid en de markt.

    Neem om te beginnen de technologie. Energienerds hoef je het niet meer te vertellen, maar buiten dat wereldje beseft bijna niemand hoe snel en drastisch de kosten van technieken voor groene energie zijn gedaald. Dat is net zo’n verbluffend en misschien ook wel net zo’n belangrijk verhaal als dat van de nieuwe mRNA-vaccins, die binnen enkele maanden werden ontwikkeld en verspreid om de wereldwijde pandemie te bestrijden.

    Zonne-energie 

    De kosten van zonne-energie en van de technologie van lithiumbatterijen zijn sinds 2010 met ruim 85 procent gedaald, en die van windenergie met ruim 55 procent. Het Internationaal Energieagentschap heeft onlangs voorspeld dat zonne-energie ‘de goedkoopste bron van elektriciteit in de geschiedenis’ zal worden. En volgens een rapport van [de onafhankelijke financiële denktank] Carbon Tracker woont 90 procent van de wereldbevolking op plaatsen waar nieuwe groene energie goedkoper zou zijn dan nieuwe vuile energie. Ter vergelijking: als de benzineprijs net zo sterk was gedaald, zou de [Amerikaanse] prijs aan de pomp, die in 2010 bijna 3 dollar per gallon bedroeg, nu gezakt zijn tot onder de 50 cent.

    De markten hebben dit ook door. Het volume aan investeringen in groene energie is dat van de investeringen in fossiele brandstoffen dit jaar voorbij-gestreefd, ondanks de stormloop op gas en het ‘terugvallen op steenkool’ als gevolg van de Russische inval in Oekraïne. Na decennia van dalingen zijn de kosten van duurzame productie nu weer een klein beetje gestegen door problemen in de toeleveringsketen, maar de algehele trend is toch met het blote oog zichtbaar: er worden wereldwijd genoeg fabrieken voor zonnepanelen gebouwd om daarmee de zonne-energie te produceren die nodig is om de opwarming onder de twee graden te houden. En het aantal zonneparken dat de VS in de planning hebben, is groter dan de totale mondiale capaciteit van dit moment. Liebreich heeft het al over een kantelpunt, waarna het toekomstplaatje van energie er volledig anders uit zal zien.

    Al bijna net zo ingrijpend zijn de veranderingen in de wereld van politiek en overheidsbeleid

    Al bijna net zo ingrijpend zijn de veranderingen in de wereld van politiek en overheidsbeleid. Vijf jaar geleden had nog bijna niemand gehoord van Greta Thunberg en de schoolstakingen van Fridays for Future, van Extinction Rebellion en de Sunrise Movement. Toen was er geen serieuze discussie over de Amerikaanse Green New Deal en de Europese Green Deal, er werd nog niet eens gefluisterd over het ‘Fit for 55’-programma [waarmee de EU de uitstoot van broeikasgassen wil terugdringen], de Inflation Reduction Act van de VS [die in feite neerkomt op een klimaatwet] of de belofte van China dat zijn uitstoot vanaf 2030 zal afnemen. Een paar prominente wereldleiders waren klimaatsceptici. Er was bijna geen land ter wereld dat serieus sprak over het elimineren van alle broeikasgassen, het gesprek ging alleen over verlaging van de emissie en veel landen hadden het daar niet eens serieus over. Inmiddels is meer dan 90 procent van het mondiale bbp en ruim 80 procent van de mondiale uitstoot van broeikasgassen gebonden aan diverse toezeggingen te streven naar nettonuluitstoot, die elk een historisch ongekend tempo van vergroening beloven.

    Nu zijn dat grotendeels nog papieren toezeggingen, die op de korte termijn veel te vrijblijvend zijn om te kunnen doorgaan voor echte maatregelen en meer weg hebben van een minzame uitsteltactiek. Maar je kunt toch spreken van een nieuw tijdperk voor klimaatactie als de overgrote meerderheid van de wereldleiders zich genoodzaakt ziet om zulke beloften te doen – onder druk van demonstranten, van de angst bij het brede publiek en de wensen van kiezers, en ook steeds meer onder druk van de krachtige logica van nationaal eigenbelang. Wat vroeger vooral een moreel moetje leek, wordt nu steeds meer gezien als een economische kans, zozeer dat er zelfs al sprake is van geopolitieke rivaliteit. Toen Boris Johnson nog premier van het Verenigd Koninkrijk was, zei hij dat hij zijn land het ‘Saoedi-Arabië van de windenergie’ wilde maken. En de Inflation Reduction Act is vooral gericht op versterking van de Amerikaanse concurrentiepositie op het vlak van groene energie. China, dat al bijna evenveel capaciteit voor de productie van duurzame energie aan het opbouwen is als de rest van de wereld bij elkaar, maakt ook 85 procent van alle zonne-panelen ter wereld (en verkoopt bijna de helft van alle elektrische voertuigen die wereldwijd worden gekocht). Volgens een recent artikel over de energietransitie in het wetenschappelijk tijdschrift Joule kan snellere vergroening de wereld in 2050 al biljoenen dollars opleveren.

    Andere kant op

    Met voorspellingen koop je nog niets. Maar ze sturen ons wel een andere kant op. Marshall Burke, een klimaatwetenschapper aan de Stanford-universiteit die verontrustende voorspellingen heeft gedaan over de kosten van het broeikaseffect (bijvoorbeeld dat het mondiale bbp door klimaatverandering een kwart lager kan uitvallen), zegt dat hij de grafieken die hij in zijn colleges gebruikt heeft moeten aanpassen en dat hij zijn prognoses van enkele jaren terug nu al moet herzien. ‘Het klimaatprobleem is een gevolg van keuzes van de mens, en de winst die we nu boeken is daar ook een gevolg van,’ zegt hij. ‘En die keuzes moeten we toejuichen. Het is nog niet genoeg. Maar het is wel verbazingwekkend.’

    Kernfusie in Frankrijk

    Gaat het misschien in Zuid-Frankrijk gebeuren, in de gemeente Saint-Paul-lès-Durance, 30 kilometer ten noordoosten van Aix-en-Provence?

    Daar bouwen ruim dertig landen sinds 2010 aan een installatie voor kernfusie, een proces dat van nature voorkomt in de zon en de sterren, maar dat bijzonder moeilijk is na te bootsen op aarde. Mocht het lukken, dan is de winst enorm. Kernfusie belooft een vrijwel onbeperkte vorm van energie die, anders dan fossiele brandstoffen, geen broeikasgassen uitstoot en, in tegenstelling tot de huidige kernsplijting, de wereld niet opzadelt met langdurig gevaarlijk kernafval. Slechts 1 gram brandstof levert het equivalent op van 8 ton olie aan fusie-energie. Ofwel: een rendement van 8 miljoen op 1, aldus CNN .

    Experts waren altijd terughoudend over de vraag wanneer fusie-energie op grote schaal beschikbaar zal zijn. Tot februari van dit jaar. Toen berichtten Britse wetenschappers een recordhoeveelheid van 59 megajoule fusie-energie te hebben opgewekt die gedurende vijf seconden in stand te werd gehouden in een reusachtige, donutvormige machine die een ‘tokamak’ wordt genoemd. Het was slechts genoeg om één huis een dag lang van energie te voorzien, en er ging meer energie in het proces zitten dan eruit kwam. Maar het bewijs was geleverd dat kernfusie inderdaad mogelijk is op aarde. Alle ballen op Zuid-Frankrijk dus.

    Ook Matthew Huber van de Purdue-universiteit, een van de klimaatwetenschappers achter het idee dat hitte en vochtigheid een drempelwaarde kunnen bereiken die fataal is voor het menselijk voortbestaan, zegt dat hij zich tegenwoordig een stuk minder zorgen maakt dan vroeger. Al denkt hij op basis van de lange geschiedenis van onze planeet nog wel dat de aarde eerder drie dan twee graden zal opwarmen. ‘Sommige collega’s hebben bij die drie graden iets van: O nee, dat is verschrikkelijk, we doen het helemaal verkeerd!’ zegt hij. ‘En dan zegt iemand als ik: Nou ja, vroeger dachten we dat we afstevenden op vijf graden. Dan is drie graden dus al winst.’

    Wel een schrijnend soort winst. ‘Het goede nieuws is dat we beleid hebben gemaakt waarmee de voorspelde gemiddelde mondiale temperatuur significant naar beneden kan worden bijgesteld,’ zegt de Canadese klimaatwetenschapper Katharine Hayhoe, een van de hoofdauteurs van meerdere National Climate Assessments in de VS, en een evangelisch christen met een zekere faam als een soort klimaatfluisteraar van centrumrechts. Het slechte nieuws, zegt ze, is dat we ‘de snelheid en de hoogte van de extremen systematisch hebben onderschat’. Zelfs als de temperatuurstijging beperkt blijft tot twee graden, zouden de extremen volgens haar ‘overeen kunnen komen met wat je zou hebben voorspeld bij een opwarming van vier tot vijf graden’.

    Sneller en extremer

    ‘De dingen gebeuren sneller en extremer,’ beaamt de Britse econoom Nicholas Stern, die in 2006 leiding gaf aan een belangrijk onderzoek naar klimaatrisico’s. Met groene technologie ‘hebben we het groeiverhaal van de eenentwintigste eeuw in handen,’ zegt hij. Maar hij maakt zich zorgen over de toekomst van het Amazonegebied, het smelten van de CO2-rijke permafrost in het Noordpoolgebied en de instabiliteit van de ijskappen: stuk voor stuk potentiële kantelpunten ‘die ons boven het hoofd kunnen groeien’. ‘Met elk IPCC-rapport is het weer erger dan je dacht, ook als je al dacht dat het heel erg was,’ zegt hij. ‘Een opwarming van twee graden betekent niet per se het einde van de mensheid, maar er gaan dan wel veel doden vallen, je krijgt veel migratiestromen, veel conflicten om ruimte en water.’

    bc35e149 7607 4cbf a827 581596e58be2‘We zitten nu nog niet eens op anderhalve graad, en een derde van Pakistan staat al onder water’

    ‘Ik bedoel, we zitten nu nog niet eens op anderhalve graad, en een derde van Pakistan staat toch al onder water?’ zegt de Nigeriaans-Amerikaanse filosoof Olufemi O. Taiwo, die de afgelopen jaren veel heeft geschreven over klimaatrechtvaardigheid in de context van herstelbetalingen voor slavernij en kolonialisme. ‘Als je kijkt naar wat we nu al zien bij nog geen twee graden opwarming: dat geeft geen enkele aanleiding tot optimisme.’

    Wat allemaal weer een heel andere kijk op de nabije toekomst oplevert, ook dat is waar. De wereld zal steeds warmer worden en het resultaat daarvan steeds schadelijker, zelfs al wordt de vergroening zodanig versneld dat we de meest ambitieuze doelstellingen halen: een halvering van de uitstoot in 2030 en twintig jaar later netto nul. ‘Die jaartallen, 2030, 2050, die zeggen helemaal niets,’ aldus Gail Bradbrook, een van de Britse oprichters van Extinction Rebellion. ‘Waar het om gaat is de totale hoeveelheid CO2 in de lucht, en die is al veel te hoog. Die jaartallen kunnen worden gebruikt als excuus om het probleem op de lange baan te schuiven. Maar het belangrijkste is dat we op dit moment schade aanrichten, en dat we absoluut zo snel mogelijk een eind moeten maken aan alle activiteiten die de situatie verergeren.’

    Het is allemaal dus maar net hoe je ernaar kijkt. In de toekomst zal het klimaat er slechter aan toe zijn dan nu, maar beter dan veel mensen tot voor kort hadden gedacht. De wereld is harder op weg om te vergroenen dan we ooit voor mogelijk hielden, maar nog lang niet snel genoeg om ernstige problemen te voorkomen. Zelfs als we met gemak onder de twee graden blijven, gaan we nog een roerige toekomst tegemoet, met zodanige verstoringen van het natuurlijk evenwicht dat die een gevaar kunnen vormen voor veel maatschappelijke en politieke zeker-heden die we al generaties lang vanzelfsprekend vinden.

    Extreem weer

    Delhi telde het afgelopen voorjaar 78 dagen met temperaturen van boven de 100 graden Fahrenheit (37,8 graden Celsius), en de kans op zo’n maandenlange hittegolf is door de klimaat-verandering dertig keer zo groot geworden. Op het noordelijk halfrond is de kans op droogte twintig keer zo groot geworden. Resultaat: droge rivierbeddingen van de Yangtze en de Donau tot de Colorado. Ineens kwamen er gedumpte lijken bloot te liggen in Lake Mead, en voetafdrukken van dinosaurussen in Texas, explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in Duitsland en een ‘Spaans Stonehenge’ in Guadalperal. In landbouwgebieden op meerdere continenten stonden gewassen zo te stoven in de zon dat oogsten geheel of gedeeltelijk mislukten. Alleen al in de stad Phoenix stierven honderden mensen van de hitte; in Engeland, Portugal en Spanje waren het er meer dan duizend.

    Wekenlang stond een derde van Pakistan blank door overstromingen na de moessonregens, wat tientallen miljoenen mensen op de vlucht dreef en de katoen- en rijstoogst verwoestte. Allemaal factoren die meer dan bevorderlijk zijn voor het aanwakkeren van migratie, conflicten en besmettelijke ziekten in een land dat het toch al moeilijk heeft – een land dat in zijn hele industriële bestaan ongeveer evenveel CO2 heeft uitgestoten als de Verenigde Staten alleen al in dit jaar. In het Caribisch gebied en de Stille Oceaan groeiden tropische stormen in nog geen 36 uur uit tot hevige orkanen.

    Hoe zal de wereld er dan uitzien bij een opwarming van twee graden?

    China zuchtte maandenlang onder zo’n intense hitte dat, zoals een meteoroloog het mooi verwoordde, ‘er in de hele wereldgeschiedenis van het klimaat niets ook maar in de verte mee vergelijkbaar is’. Net als met de pandemie probeerde China de verstoringen van het dagelijks leven zo veel mogelijk te verbloemen. Maar doordat fabrieken werden stilgelegd, voelde de rest van de wereld toch de gevolgen in de toe-leveringsketens voor halfgeleiders, geneesmiddelen, zonnecellen, iPhones en Tesla’s. Allemaal productieketens die dus al in de problemen kwamen bij een opwarming van slechts 1,2 graden.

    ANP 435769929
    Fusiereactor bij het Max-Planck-Instituut voor Plasmafysica in het Duitse Garching bei München.© Christian Lunig / Science Photo Library via ANP

    Hoe zal de wereld er dan uitzien bij een opwarming van twee graden? Extreem weer, nog heviger en veel vaker dan nu. Verstoringen en ontwrichting op bijna alle niveaus, van bacteriologisch tot geopolitiek. Honderden miljoenen mensen die ten prooi vallen aan leed en onrecht, omdat de baten van industriële activiteit zich ophopen in die delen van de wereld die juist niet onder de ergste gevolgen lijden. Innovatie ook, waaronder nieuwe oplossingen die we ons nu nog niet kunnen voorstellen, en een beetje nieuwe welvaart, zij het minder dan als de aarde niet zou opwarmen. Gewenning aan rampen die steeds groter zullen zijn en meer schade aanrichten, en daardoor wellicht een zekere moeheid als het gaat om medeleven met de in het mondiale Zuiden aangerichte ravage, uitmondend in het soort antisociale afstandelijkheid die dit soort salondiscussies mogelijk maakt. 

    Apocalyptisch denken

    Apocalyptisch denken kan verleidelijk zijn, maar het zal toch een wereld worden waarin wij nog steeds leven – en dan met klimaatverstoringen die steeds groter en schadelijker worden, die we het hoofd zullen bieden met een nog onbekende combinatie van mislukking en succes, verdriet en nieuwe kansen.

    ‘Wat het Westen altijd parten speelt is het eindtijddenken – de zondeval, het christendom en zo,’ zegt Tim Sahay, een in Mumbai geboren klimaatexpert en medeoprichter van het nieuwe tijdschrift The Polycrisis. ‘Dat is onuitroeibaar, wij zien alleen de mogelijkheden voor doemdenken.’ De uitdagingen zijn groot en reëel, en komen voor een onevenredig deel op het bordje van de ontwikkelingslanden, zegt hij, maar de uitkomst staat niet bij voorbaat vast, althans niet per se. ‘We denderen de donkere berg af,’ zegt hij. ‘Ergens is dat natuurlijk eng, maar het kan op zoveel verschillende manieren aflopen. Ik vind het allemaal heel spannend. Wat voor steden zal Brazilië bouwen? Wat voor land wordt Indonesië?’

    Apocalyptisch denken kan verleidelijk zijn, maar het zal toch een wereld worden waarin wij nog steeds leven

    Er zijn plaatsen waar de klimaatretoriek zachter begint te klinken – of misschien moet je het juist harder noemen, omdat existentiële abstracties plaatsmaken voor keihard realisme. In 2009 zei Mohamed Nasheed als president van de Malediven op de klimaattop in Kopenhagen nog: ‘Hoe kunt u mijn land vragen om uit te sterven?’ Tegenwoordig klinkt hij pragmatischer. Hij wijst op de noodzaak van klimaat-financiering – geldelijke steun van ontwikkelingsbanken en noordelijke instituties om de groene transitie en de weerbaarheid van de lokale bevolking te stimuleren – en filosofeert over de noodzaak van lastenverlichting voor arme landen door schulden kwijt te schelden. Ook stimuleert hij wetenschappelijk onderzoek naar genetisch gemodificeerd koraal dat beter bestand is tegen het opwarmende water.

    Mia Mottley, de premier van Barbados, neemt het op tegen het IMF en de Wereldbank en spoort andere kwetsbare landen aan om het ook harder te spelen. Greta Thunberg, het onverzettelijke gezicht van het klimaat-activisme, heeft onlangs haar steun bevestigd voor het in gebruik houden van bestaande kerncentrales. En Rupert Read, ooit woordvoerder van Extinction Rebellion, roept inmiddels op tot de vorming van een ‘gematigde vleugel’ in de klimaatbeweging. De klimaatwet die de Verenigde Staten uiteindelijk kreeg, behelsde geen Green New Deal, geen zware CO2-heffing of strenge regelgeving voor vermindering van de uitstoot, maar een breed vertakt, op positieve prikkels gebaseerd vergroeningspakket dat ook steun omvat voor kernenergie en zelfs voor CO2-opslag, wat voor ‘klimaatlinks’ lange tijd taboe was.

    Problematische puinhoop

    Dit klinkt misschien alsof er nu sprake is van een groeiende consensus, en tot op zekere hoogte is dat ook zo. Maar de wereld waar dit over gaat is nog steeds een problematische puinhoop. Economisch historicus Adam Tooze heeft het afgelopen jaar het woord ‘polycrisis’ populair gemaakt als aanduiding voor de lawine aan grote uitdagingen die de fundamentele stabiliteit en continuïteit van de wereldorde bedreigen. De Franse president Macron, de belichaming van soepel neoliberaal optimisme, heeft de huidige roerige tijd al getypeerd als ‘het einde van de overvloed’. De voormalig voorzitter van het Europees Parlement Josep Borrell gebruikte ‘radicale onzekerheid’ als omschrijving voor ons tijdsgewricht, en vergeleek Europa later ook nog met een ‘tuin’ in de ‘jungle’ van de wereld, waarbij hij waarschuwde dat ‘de jungle de tuin kan binnendringen’.

    India: Industrieel eigenbelang

    Het laatste land waarvan je een energierevolutie verwacht, is wellicht India.

    Het haalt immers bijna driekwart van zijn elektriciteit uit steenkool en heeft 39 nieuwe kolencentrales in aanbouw. India veroorzaakt de op twee na grootste uitstoot van broeikasgassen ter wereld en verbrandt meer steenkool dan enig ander land behalve China. Op de klimaatconferentie vorig jaar in Glasgow blokkeerde India voorstellen om het gebruik van steenkool af te bouwen. Maar toch deed de Indiase premier Narendra Modi op diezelfde conferentie een belofte die, als hij wordt nagekomen, van zijn land één groene energiecentrale zal maken. Volgens Modi heeft India tegen 2070 een ‘nettonuluitstoot’. Grootspraak? Niet als het aan India’s grootste industriëlen ligt, de multimiljardairs Gautam Adani en Mukesh Ambani, schrijft The Economist.

    Adani beweert dat zijn bedrijven tegen 2030 zo’n 70 miljard dollar zullen besteden aan groene energie in India. Met bijna 5 gigawatt (GW) aan zonne-energiecapaciteit sinds medio 2021 staat zijn divisie Adani Green Energy nu al op gelijke hoogte met het Italiaanse Enel Green Power, als ’s werelds grootste ontwikkelaars van zonne-energie. Ambani laat zich ook niet onbetuigd en is van plan 80 miljard dollar te besteden aan schone energie in India. Hij wil in 2025 20 GW aan zonne-energiecapaciteit hebben gebouwd, die volledig door zijn eigen bedrijven zal worden gebruikt.

    De Amerikaanse klimaatgezant John Kerry heeft, wellicht per ongeluk, erkend dat de kosten van klimaatschade in het mondiale Zuiden al in de ‘biljoenen’ lopen. Hij noemde dat bedrag niet om aan te geven hoeveel steun die regio nodig heeft, maar om te illustreren waarom de noordelijke landen die schade niet zullen vergoeden. (Hij voegde eraan toe dat hij weigert zich daar schuldig over te voelen.) Schrijver en activist Bill McKibben is bang dat de transitie, ook al wordt die nu opgevoerd tot een snelheid die voorheen ondenkbaar was, toch niet snel genoeg zal komen: ‘Het gevaar bestaat dat je straks een wereld hebt die draait op zon en wind, maar in wezen nog steeds een defecte planeet is.’ De prangendste vraag is nu of dit defect gerepareerd kan worden – of we de komende verstoringen in de hand weten te houden en de talloze miljoenen mensen die erdoor worden bedreigd weten te beschermen. Ons technisch vernuft heeft de wereldwijde ecologische ontwrichting veroorzaakt; kan dat vernuft ons nu ook behoeden voor de gevolgen ervan?

    Ons technisch vernuft heeft de wereldwijde ecologische ontwrichting veroorzaakt; kan dat vernuft ons nu ook behoeden voor de gevolgen ervan?

    Middelen daarvoor zijn er genoeg – een schier eindeloos aantal. Aangezien het grootste deel van de infrastructuur in de wereld berekend is op klimaatomstandigheden die nu al achter ons liggen, vergt het een mondiaal bouwproject om ons tegen klimaatverstoringen te beschermen. Met de aanleg van waterwerken tegen overstromingen bijvoorbeeld, zowel op natuurlijke wijze met mangrovebossen en wetlands als op kunstmatige wijze met dijken en dammen, zeeweringen en zeesluizen. Strengere bouwvoorschriften voor woningen, robuustere bouwmaterialen en stedenbouwkundige ontwerpen die meer rekening houden met het weer. Spoorlijnen, asfaltwegen en alle andere soorten infrastructuur die hittebestendig worden gemaakt. Betere systemen om het weer te voorspellen en voor extremen te waarschuwen. Zuiniger waterbeheer, ook in uitgestrekte landbouwgebieden zoals in het westen van de Verenigde Staten. Koelcentra, droogtebestendige gewassen en effectievere investeringen in noodhulp voor wat Juliette Kayyem, een voormalige ambtenaar van het Amerikaanse departement voor Binnenlandse Veiligheid, ons nieuwe ‘tijdperk van rampen’ noemt.

    Stormen richten steeds meer schade aan, mede doordat we maar blijven uitbreiden en bouwen in de richting van wat wel het uitdijende middelpunt van de storm wordt genoemd. Dat onrustbarende patroon zie je zowel bij opkomende stadjes langs de kust van Florida als in de delta van Bangladesh: steeds meer mensen die zich ophopen op plaatsen waar ze gevaar lopen, soms tegen beter weten in.

    Optimistischere klimaatwaarnemers wijzen er vaak op dat we ons dan misschien wel steeds meer blootstellen aan extreem weer, maar dat het aantal doden als gevolg van natuurrampen niet toeneemt. Sterker nog: dat is zelfs spectaculair gedaald, van gemiddeld zo’n vijfhonderdduizend doden per jaar een eeuw geleden tot ongeveer vijftigduizend nu – terwijl het aantal klimaatgerelateerde natuurrampen volgens de Wereld Meteorologische Organisatie vervijfvoudigd is.

    Trend

    Maar of deze trend zich in een wereld met twee graden opwarming zal voortzetten is niet duidelijk. Met de orkaan Ian kreeg een welvarend en goed voorbereid stukje van het mondiale Noorden dit jaar bijvoorbeeld te maken met zijn dodelijkste orkaan sinds 1935. De drastische daling in het aantal dodelijke slachtoffers van natuurgeweld vond vooral plaats tussen de jaren twintig en de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen het zakte tot net onder de honderdduizend. In de afgelopen vijftig jaar, toen de destabilisering van ons weer als gevolg van de opwarming van de aarde begon, is het veel minder scherp gedaald. En de daling was nog lager – of misschien zelfs nul, afhankelijk van de cijfers waarnaar je kijkt en hoe je die interpreteert – in de laatste drie decennia, toen de temperatuurstijging sterker werd en de wereld opgewarmd raakte tot boven de leefbare bandbreedte waarbinnen de temperatuur op aarde zich gedurende heel de geschiedenis van de mensheid had bevonden.

    Bij veel initiatieven wordt prioriteit gegeven aan kortetermijnbeperking van het klimaatrisico

    Misschien betekent dit dat de wereld het laaghangend fruit van de adaptatie al grotendeels heeft geoogst. Betere meteorologische voorspellingen en waarschuwingssystemen hebben we immers al: daardoor werd het aantal doden als gevolg van recente moessons in Bangladesh en orkanen in Florida drastisch beperkt. De mondiale kosten van de klimaatschade lopen al in de biljoenen, en in ontwikkelingslanden kan de rekening voor adaptatie in 2030 al 300 miljard dollar per jaar bedragen. In Texas is men in Galveston begonnen met de aanleg van de ‘Ike Dike’ om de haven te beschermen, à raison van 31 miljard dollar. New York denkt aan een stelsel van stormvloedkeringen. Kosten: 52 miljard. Met andere woorden, de opwarming maakt adaptatie nu al moeilijker en duurder, en het zou weleens heel moeilijk of zelfs onmogelijk kunnen blijken om de in de vorige eeuw geboekte vooruitgang voort te zetten tot in de volgende.

    Het laatste IPCC-rapport, van afgelopen februari, stelt dat er ‘vooruitgang bij de planning en invoering van adaptatiemaatregelen’ is geboekt, maar waarschuwt ook dat ‘bij veel initiatieven prioriteit wordt gegeven aan onmiddellijke kortetermijnbeperking van het klimaatrisico, wat de kans op transformationele adaptatie verkleint’ – oftewel: middelen die worden besteed aan reparatie en aanpassing van bestaande structuren zijn niet meer beschikbaar voor nieuwe infrastructuur en herhuisvesting. ‘In sommige ecosystemen zijn de harde grenzen van de adaptatie al bereikt,’ stelt het IPCC: ‘met de toenemende opwarming van de aarde zullen de verliezen en de schade toenemen en zullen ook andere natuurlijke en menselijke systemen tegen de grenzen van hun adaptatievermogen aanlopen’.

    Menselijke aanpassing 

    ‘Wat we bij het huidige niveau van opwarming zien, geeft volgens mij al een indruk van waar de grenzen van de menselijke aanpassing liggen,’ zegt Fahad Saeed van Climate Analytics. Deze Pakistaanse wetenschapper uit Islamabad zag zijn land het afgelopen halfjaar ten prooi vallen aan maandenlange extreme hitte, misoogsten en overstromingen als gevolg van moessonregens waardoor een derde van het land blank stond, een miljoen huizen werd verwoest en 30 miljoen mensen ontheemd raakten. De totale schade is geraamd op minstens 40 miljard dollar: 11 procent van Pakistan bbp in 2021. ‘Je kunt je niet voorstellen wat er gaat gebeuren als de opwarming anderhalve graad bereikt,’ zegt hij. ‘Nog extremere situaties? Dan krijg je nog meer verwoesting.’

    ‘Twee graden is een stuk beter dan vier graden,’ zegt Michael Oppenheimer, een van de klimaatwetenschappers die in 1988 de inmiddels legendarische waarschuwing voor het broeikaseffect aanboden aan de Amerikaanse Senaat. ‘En anderhalve graad is nog beter dan twee graden. Maar in beide gevallen betekent dat niet dat er niets meer te doen valt.’

    Oppenheimer heeft zich de laatste jaren steeds meer beziggehouden met de vraag wat we moeten doen en waaraan we kunnen afmeten hoe het ervoor staat met onze adaptatie. ‘Hoe goed kunnen we tegenwoordig omgaan met een situatie waarin overstromingen niet eens in de honderd jaar maar vaker plaatsvinden?’ vraagt hij zich af. ‘Niet zo goed.’ Hij vindt dat we hogere eisen aan onszelf moeten stellen, dat we het niet normaal mogen gaan vinden dat een orkaan in Florida honderd levens kost. Extreme natuurrampen ontwikkelen zich nu veel sneller, en dat betekent dat ‘succes niet langer een kwestie is van hoe goed je op zo’n gebeurtenis bent voorbereid en hoe goed je die te boven komt, maar ook hoe snel’. Hij verwijst naar het IPCC-rapport uit 2019 over de oceanen, waarin stond dat overstromingen die ooit tot de categorie ‘eens in de honderd jaar’ werden gerekend, rond 2050 in veel delen van de wereld jaarlijks zouden plaatsvinden. ‘Dus je moet alles weer op orde krijgen voordat de volgende toeslaat, in een situatie waarin die volgende overstroming datzelfde jaar nog kan plaatsvinden – en in het ergste geval dezelfde maand nog. Op sommige plaatsen overstroomt het op den duur al bij hoogtij.’

    Woorden voor klimaatverdriet

    Het begon met ‘solastalgia’, een samentrekking van het Engelse solace [troost] en nostalgia [nostalgie].

    Die term werd door de Australische filosoof Glenn Albrecht bedacht voor de pijn die mensen voelen door veranderingen in hun nabije leefomgeving, zoals het verlies van een lievelingsplek. Kunstenaars Alicia Escott en Heidi Quante gingen een stap verder: met hun Bureau of Linguistical Reality bedachten ze, samen met mensen over de hele wereld, duizenden woorden om gevoelens van klimaatverdriet te beschrijven, schrijft Smithsonian Magazine.

    Hun project begon acht jaar geleden, toen ze geen woorden konden vinden om hun zorgen over de droogte in Californië te beschrijven. In 2015 reisden ze tijdens het klimaatakkoord naar Parijs, waar ze een mobiel kantoor inrichtten. Gekleed in bijpassende jumpsuits hingen ze spandoeken en borden op met de naam van hun project en begonnen ze gesprekken met iedereen die nieuwsgierig was naar hun activiteiten. Het leverde fraaie resultaten op: Yonderlonging – rouwen om een grote open ruimte waarvan je vreest dat die snel zal verdwijnen. Morbique – het morbide verlangen om naar plekken te reizen voordat ze veranderen door klimaatverandering. Shadowtime – het plotse bewustzijn van de mogelijkheid dat de nabije toekomst drastisch anders zal zijn dan het heden.

    Meer woorden vind je op hun website, waar je zelf ook bijdragen kunt leveren: bureauoflinguisticalreality.com

    ‘Dan wordt herstel iets heel anders dan waar we tegenwoordig aan denken,’ zegt Oppenheimer. ‘Dan krijg je een totaal andere leefsituatie en moet je accepteren dat sommige plekken bijna continu blank staan. Of je verwezenlijkt de droom die sommige mensen over adaptatie koesteren, dat we het leven totaal anders inrichten. De hele opzet van productie en infrastructuur, totaal anders.’

    Adaptie

    Als je maar lang genoeg over adaptatie praat, komt het gesprek vanzelf op kwesties die vrij technisch klinken. Kunnen er nieuwe dijken worden aangelegd, kunnen de kwetsbaarste gemeenschappen worden verplaatst? Kunnen landbouwgronden worden verplaatst, kunnen er nieuwe droogtebestendige zaden worden ontwikkeld? Kan een infrastructuur voor afkoeling soelaas bieden tegen de nieuwe hitterecords, en kunnen waarschuwings-systemen voorkomen dat er doden vallen door natuurrampen? Wat kunnen we verwachten van innovatie bij de aanpak van milieuproblemen die ongekend zijn in onze geschiedenis?

    Maar de fundamentelere vragen hebben misschien eerder betrekking op de verdeling van middelen. Wie krijgt die zaden? Wie kan die dijken bouwen, en wie loopt er gevaar als ze niet voldoen of niet gebouwd worden? En wat is het lot van de mensen die het zwaarst door de opwarming worden getroffen? Het politieke debat over dit soort vraagstukken wordt grofweg geschaard onder de noemer ‘klimaatrechtvaardigheid’: in hoeverre zal de klimaatverandering de nu al buitensporige ongelijkheid in de wereld versterken en verdiepen, en in hoeverre kunnen de landen in het mondiale Zuiden zich ontworstelen aan de nu al onrechtvaardige situatie die de klimaatwetenschapper Farhana Sultana ‘klimaatkolonialiteit’ noemt?

    ‘De grootste politieke ontwikkeling die zich zal voordoen is migratie’

    ‘De grootste politieke ontwikkeling die zich zal voordoen is migratie,’ zegt filosoof Taiwo. ‘In de prognoses die ik heb gezien voor ontheemding bij twee graden opwarming, zowel voor migratie binnen landen als voor migratie over grenzen heen, gaat het over tientallen zo niet honderden miljoenen. En ik denk niet dat we al een politiek discours hebben over de implicaties daarvan.’

    De schattingen hierover lopen enorm uiteen, en die verscheidenheid is een van de duidelijkste tekenen dat ondanks alle kennis die we over de toekomst van ons klimaat hebben opgebouwd, heel veel van de complexe en elkaar versterkende effecten van de opwarming nog steeds schuilgaan achter de onvermijdelijke onzekerheid die rond de reactie van de mens hangt. Op de korte termijn zal migratie volgens het IPCC waarschijnlijk vooral het gevolg zijn van sociaaleconomische omstandigheden en falend bestuur. ‘Er zal sprake zijn van een, laten we zeggen sociaal-ecologische druk op een schaal die een stuk groter is dan wat we nu zien,’ zegt Taiwo. ‘Of dat zich vertaalt in mensenstromen binnen landen en daarbuiten, of het zich vertaalt in grootschalige adaptatiestrategieën waarvoor we nog geen politiek kader hebben, of simpelweg in sterfte op een schaal waarvoor we dat ook niet hebben, of in een combinatie van al die zaken – wie het weet mag het zeggen. Misschien is er een andere mogelijke uitkomst van deze combinatie van spanningen bij twee graden opwarming. Zoals grotere weerbaarheid en duurzaamheid van lokale gemeenschappen, en innovatie op het gebied van energie en politiek, landbouw en cultuur.

    Uit kwetsbare landen hoor je al een generatie lang steeds variaties op één simpel thema: dat de rijke landen de schade moeten compenseren. ‘Het is niet alleen een kwestie van aanpassen,’ zegt de Keniaanse klimaatactivist Elizabeth Wathuti, ‘want je kunt niet van mensen vragen dat ze zich aanpassen aan het verlies van hun huis. Hun huizen worden weggespoeld, hun vee en hun kinderen worden meegesleurd. Ze gaan dood. Hoe moeten ze zich daaraan aanpassen? En misoogsten, hoe kun je je daaraan aanpassen? Hoe kun je je aanpassen aan honger? Als je twee dagen niet hebt gegeten, is dat geen kwestie van aanpassen.’

    Sahay, van het tijdschrift The Polycrisis, beschrijft een wereld met een door de klimaatverandering opgestookte machtsstrijd waarin allianties van minder ontwikkelde landen de rijkere mogendheden tegen elkaar uitspelen, een soort geestelijke erfgenaam van de door Indonesië aangevoerde beweging van niet-gebonden landen tijdens de Koude Oorlog. Hij noemt de opkomende alliantie van ongebonden landen rond Brazilië, Rusland, India en China (BRIC) ‘een nieuwe troefkaart’ en schetst de mogelijkheid van een nieuwe groep ‘elektrostaten’, als opvolger van de oliestaten van de vorige eeuw, die agressief zullen onderhandelen over de toegang tot hun eigen hulpbronnen. 

    ‘Westerlingen gaan er klakkeloos van uit dat mensen in het mondiale Zuiden zich wel tegen fossiele brandstoffen zullen keren als ze zwaar worden getroffen door een klimaatramp,’ zegt de Indiase romanschrijver Amitav Ghosh, die ook een aantal indringende essays over het onrecht van het broeikasprobleem op zijn naam heeft staan. ‘Maar dat is volkomen uit de lucht gegrepen. In het Zuiden beseft iedereen dat toegang tot energie het verschil bepaalt tussen armoede en geen armoede. Daar beschouwt niemand fossiele brandstoffen als het grote probleem. Daar wordt juist het veel te kwistige gebruik van fossiele brandstoffen door het Westen als het grote probleem gezien.’

    Onvoorstelbare toekomst

    ‘We leven in een onvoorstelbare toekomst,’ zegt essayist Rebecca Solnit, die zich in haar werk steeds meer richt op de politieke en sociale uitdagingen van klimaatverandering. ‘Zaken die tot voor kort nog onmogelijk, ondenkbaar of onwaarschijnlijk werden geacht, zijn inmiddels volkomen normaal.’ Tegenwoordig merkt ze dat ‘mijn hoop vooral neerkomt op radicale onzekerheid’, zegt ze. ‘Je ziet dat de wereld niet zo kan doorgaan, dat is waar. Maar dat betekent niet dat de wereld niet kan doorgaan. Het betekent dat de wereld wel zal doorgaan, niet zoals ze nu is, maar in een nu nog onvoorstelbaar veranderde gedaante.’

    Een conservatief perspectief

    Moet het Westen herstelbetalingen doen aan ontwikkelingslanden vanwege aangerichte klimaatschade?

    Niet als het aan de aartsconservatieve columnist Allison Pearson van de Britse Telegraph ligt. De recente klimaatconferentie in Sharm-el-Sheikh vindt ze ‘een gigantische oplichterstruc die door de mondiale elites wordt losgelaten op goedgelovige bevolkingsgroepen die de gedachte aan een groenere, schonere wereld mooi vinden (wie niet?), maar die nog steeds geen idee hebben van de enorme kosten en opofferingen die komen kijken bij het behalen van nul uitstoot’.

    Het Westen wordt volgens haar ’verantwoordelijk gehouden voor miljardenbetalingen aan landen waar het slecht weer is, omdat wij fabrieken hebben uitgevonden. En auto’s.’ Buigen voor dergelijke ‘emotionele chantage door ontwikkelingslanden terwijl je eigen landgenoten met enorme problemen kampen is niet alleen verkeerd, maar ook immoreel’. Vervolgens schrijft ze in een denkbeeldige brief aan de regering van Pakistan: ‘Als u volhardt in uw oneerlijke eisen voor “klimaatherstel”, stellen wij voor dat u ons royalty’s betaalt voor het volgende: de verbrandingsmotor, spinmachines, stoomkracht, asfalt, spoorwegen, auto’s, vliegtuigen, radio, televisie, computers, geneesmiddelen en het world wide web.’

    De conclusie: ‘Het is uiteraard absurd om compensatie te eisen voor alles wat het Verenigd Koninkrijk aan de wereld heeft bij- gedragen. Even absurd is het toezeggen van miljarden die we eenvoudigweg niet hebben om historische “schadeclaims” af te handelen.’

    Toen ik in 2017 terugkeek op meerdere decennia van politiek onvermogen, hield ik de politieke mobilisatie van de afgelopen vijf jaar nog niet voor mogelijk. Als je me toen had verteld over de radicale versnelling van groene technologie die ophanden was, had ik je misschien wel willen geloven, maar zou ik vooral verbaasd zijn geweest. Maar redenen voor optimisme mogen geen redenen zijn om achterover te leunen. Integendeel, want de bijgestelde verwachtingen zijn niet alleen een blijk van hoeveel er de afgelopen vijf jaar is veranderd, maar ook van hoeveel er de komende vijf, vijfentwintig en vijftig jaar nog meer kan veranderen.

    De meeste recente analyses voorspellen dat er met het huidige beleid nog ongeveer een halve graad bij komt

    Twee graden opwarming is niet onvermijdelijk. Het kan nog steeds zowel beter als slechter uitpakken. De meeste recente analyses voorspellen dat er met het huidige beleid nog ongeveer een halve graad bij komt. Er moet dus veel meer worden gedaan om dat doel te halen, en nog meer om de wereld onder de twee graden opwarming te houden, zoals in het akkoord van Parijs werd beloofd. (Doordat de benodigde maat-regelen uitbleven of te lang zijn uitgesteld, zal zelfs het IPCC-scenario dat was bedoeld om de opwarming tot anderhalve graad te beperken nu de prognose opleveren dat we die anderhalve graad al in het volgende decennium overschrijden.) En omdat de vergroening weer kan stokken en het klimaat gevoeliger kan blijken te zijn dan verwacht, is ook een uitkomst van drie graden opwarming nog steeds mogelijk, zij het iets minder waarschijnlijk dan tot voor kort werd gedacht.

    GettyImages 1388204636 1
    De bouw van de Internationale Thermonucleaire Experimentele Reactor (ITER) in het onderzoekscentrum Cadarache in Frankrijk. – © Jean-Marie Hosatte / Gamma-Rapho via Getty

    De totale uitstoot van broeikasgassen daalt nog steeds niet, en er is nog een hele weg te gaan om van de toekomstige piek tot nul te komen. Daardoor zijn al deze aanpassingen van de verwachtingen voorlopig nog vooral theorie – een nieuwe reeks lijnen die we naïef op een whiteboard tekenen terwijl we wachten tot ze werkelijkheid worden. Zowel dit jaar als volgend jaar zal de totale uitstoot waarschijnlijk een nieuwe recordhoogte bereiken. Dat betekent dat er op dit moment meer schade wordt toegebracht aan het toekomstige klimaat van onze planeet dan op enig ander moment in de geschiedenis. Het zal allemaal eerst erger worden voordat het zich stabiliseert.

    Maar we krijgen wel een steeds duidelijker beeld van de klimaatverandering, en hoe dreigend dat er ook uitziet, we zullen die nieuwe wereld begaanbaar moeten maken – door stappen te zetten om de schade te beperken en ons met adaptaties te beschermen tegen wat niet meer te voorkomen valt. Met vier graden opwarming lijken de gevolgen onoverkomelijk. Met twee graden opwarming ligt niet het hele voortbestaan van de mensheid in de waagschaal, maar verandert alleen het landschap waarin we onze nieuwe toekomst moeten bouwen.

    ‘We hebben al een lange weg afgelegd en we hebben nog een lange weg te gaan,’ zegt de Canadese klimaatwetenschapper Hayhoe. ‘We zijn al halverwege de helling, het was buffelen. Rust even uit, geef jezelf een schouderklopje, en kijk dan weer omhoog: daar moeten we naartoe. Dus voorwaarts, mars.’ 

     

  • De kinderen van nu hebben een toekomst zonder illusies

    De kinderen van nu hebben een toekomst zonder illusies

    Op welke aarde zullen de nakomelingen van generatie Y – geboren tussen 1986 en 2000 – wonen? Van de privileges die wij ouderen bezitten, kunnen zij alleen dromen.

    Een baby. Hij is pas geboren, maar lijkt wanhopig, zijn beentjes spartelend in de zomerzon, zijn mondje open. Naast de baby staan de ouders, met de gebruikelijke, belangrijke vragen. Zorgen we wel goed voor hem, waarom huilt hij, zou hij pijn hebben? En jij, als toeschouwer, vraagt je af wat hem wordt aangedaan door hem in deze wereld geboren te laten worden. Zal hij een draaglijk leven hebben, wat zouden we kunnen doen om hem te helpen?

    Het zijn de weken van de grote bosbranden en lege rivierbeddingen. Van verdorde oogsten, overal droogte en groter wordende woestijnen. Het is zomer. De zee bij Mallorca is zo warm als het water in een badkuip. De bossen smeulen en het aanrollende onweer klinkt onheilspellend. Je wilt geen doemdenker worden en niet over de oorlog in Europa of de pandemie beginnen. Maar sinds je eigen jeugd in de jaren negentig is het allemaal wel een puinhoop geworden. Wanneer heeft het ooit zo gevoeld? Je kunt maar beter geen kinderen meer op de wereld zetten, zeggen ze tegenwoordig. Zeiden ze dat vroeger ook?

    Grote verantwoordelijkheid

    Weer een generatie die openbaringen krijgt als ze kinderen krijgen, zult u misschien spottend denken. Maar dit is de generatie die pas een paar jaar geleden heeft begrepen wat een bluts in de welvaart betekent. Dat het hun kinderen zijn die hoogstwaarschijnlijk de schuld aan de planeet die zijzelf hebben opgebouwd, moeten afbetalen. De generatie die nog in de openlucht overnachtte, stage liep en in duizend toekomsten geloofde. Zeker, diep weggestopt in hun geheugen herinneren ze zich iets wat na 9/11 en vóór de grote beurskrach gebeurde: een Amerikaanse vicepresident die over de wereld rondreisde met zijn inconvenient truth, de mensen probeerde uit te leggen dat ze een grote verantwoordelijkheid droegen en hen waarschuwde dat er een ramp stond te gebeuren.

    Dat was in 2006. Terwijl de woorden van Al Gore door de klas gonsden, waren er momenten van consternatie en irritatie. Maar wat betekende dat concreet voor een stel middelbare scholieren?

    Al sinds de jaren zeventig stelt de internationale gemeenschap zich ten doel de klimaatverandering te bestrijden. Desondanks is dat doel geen stap dichterbij gekomen. Integendeel, juist in de laatste dertig jaar is de snelheid waarmee de aarde opwarmt aanzienlijk toegenomen.

    Wie nog geen dertig is zal de ‘radicale destabilisatie van het leven op aarde meemaken’

    In zijn essay What If We Stopped Pretending (2019) geeft de Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen het dubieuze advies dat we moeten erkennen dat het te laat is om de planeet te redden. Wie nog geen dertig is, schrijft Franzen, zal de ‘radicale destabilisatie van het leven op aarde meemaken: misoogsten, apocalyptische branden, imploderende economieën, epische overstromingen, honderden miljoenen vluchtelingen uit regio’s die door extreme hitte of droogte onbewoonbaar zijn geworden’. Je kunt er maar beter op voorbereid zijn. Franzen beschreef waar wetenschappers allang voor waarschuwden: zodra de opwarming van de aarde meer dan twee graden bedraagt, gaat de wereld veranderen. De mensheid zal wel blijven bestaan, maar onder veel en veel slechtere omstandigheden. Het point of no return kunnen we hoogstens uitstellen. ‘Er is geen hoop. Alleen voor ons.’

    Franzen ontwierp de strategie van het koele abstractievermogen, dat tegenover de aanstormende catastrofe veel verder gaat dan denken aan je eigen kinderen; een hyperidealistische bereidheid om ondanks de totale onmogelijkheid van idealisme en ondanks alle weerstand door te gaan. Wie nog op redding hoopt, zal alleen wanhopen en bij elke nieuwe brand verstijven van angst. Wie de ramp accepteert, kan beginnen na te denken over zijn eigen speelruimte, over ‘de absolute urgentie van vrijwel elke actie om de wereld te verbeteren’.

    Die gedachte is utopisch, omdat wij de idee van onze eigen sterfelijkheid al verontwaardigd van de hand wijzen. Om nog maar te zwijgen over de sterfelijkheid van de moderne beschaving. Maar wie zou niet graag eens het grote geheel van een afstand willen bekijken? De eerste foto’s van de aarde vanuit het heelal zijn symbolen geworden van deze kijk van buitenaf, van ons besef hoe fragiel we zijn. Naar dit moment verwijst het ‘planetaire denken’. Wie claimt planetair te denken, accepteert dat de mens niet langer het middelpunt van de wereld is. Alexander von Humboldt is een van de vaders van het planetaire denken, dat zijn oorsprong vindt in de kosmologie van inheemse volkeren. Klimaatactivisten hebben het altijd over de grenzen van de planeet. Het gaat, zoals Frederic Hanusch, Claus Leggewie en Erik Meyer het in Planetary Thinking schrijven, om een poging beter naar de stem van de bezielde en onbezielde natuur te luisteren. En dat bedoelen ze geenszins esoterisch. Onopvallend, stap voor stap en zonder paniek wil het planetaire denken ons voorbereiden op de catastrofe die Franzen zo plastisch beschrijft.

    De golf voor zijn

    Dus wat heeft de natuur ons eigenlijk te zeggen? Er zitten nog geen vertegenwoordigers van rivieren, bergen en velden in het parlement, en ze hebben ook geen wettelijke status zoals de Maori. Maar de auteurs maken melding van seismische mechanismen die de stem van de natuur hoorbaar maken, en van het seismische lawaai van de mens, dat tijdens de pandemie iets minder is geworden. Ook al drukt Frederic Hanusch zich voorzichtig uit, het komt neer op de volgende boodschappen van de natuur. Ten eerste: ‘Uw daden zijn al door mijn daden bepaald.’ Om ‘de golf voor te zijn’, zoals dat in de taal van de pandemie heet, moet zo’n beetje alles veranderen. Ten tweede: ‘Dit is waarschijnlijk een van de koudste zomers van de rest van je leven.’

    Hanusch, midden dertig, doet onderzoek naar democratie en planetaire verandering en is directeur van het Panel on Planetary Thinking. Hij heeft onderzocht hoe de kwaliteit van democratieën de kwaliteit van het klimaatbeleid beïnvloedt (goed). Maar om de versnelling van de opwarming van de aarde een halt toe te roepen, moet het politieke systeem veel sneller en radicaler veranderen. Met een grondwet die tot stand is gekomen toen het begrip ‘klimaatverandering’ nog niet was uitgevonden, komen we er in elk geval niet; en radicale politieke stappen zijn tot nu toe alleen gezet na middelgrote rampen. Droogte is niet genoeg, eerst moeten binnensteden afbranden.

    Er is toenemende steun voor politici die beloven terug te keren naar een verleden dat nooit bestaan heeft

    Zo drastisch drukt Hanusch zich niet uit, hij is tenslotte wetenschapper. In zijn vakgebied gaat het erom grote samenhangen interdisciplinair te onderzoeken, de scheiding tussen natuur- en geesteswetenschappen op te heffen, iets wat klimaatonderzoekster en kandidaat-astronaute Insa Thiele-Eich ook op scholen wil doen, met de nadruk op de maatschappelijke uitdagingen van de klimaatverandering. Misschien is de generatie van Hanusch’ studenten al beter voorbereid op wat komen gaat dan midden-dertigers, maar hij aarzelt: ‘Dat de komende generaties wat betreft duurzaamheid per se progressiever stemmen, kan niet worden aangetoond.’ Er is eerder sprake van toenemende steun voor politici die beloven terug te keren naar een verleden dat nooit bestaan heeft.

    Het ligt aan het begrip van tijd. De generatie die nu rond de dertig is, is opgegroeid met een lineair vooruitgangsidee in het hoofd, zegt Hanusch. Met de gedachte dat er wel een technologie zal worden uitgevonden die als het kritiek wordt, alles oplost. Of, nog erger, ze heeft het idee verinnerlijkt van ‘great again’, de cyclus van opkomst, hoogtepunt, chaos, verval en nieuwe opkomst. Een door de natuur bepaald alternatief scenario is moeilijk voorstelbaar. Maar de verhalen van vooruitgang en triomf worden steeds meer overstemd door wat de planeet zelf steeds luider verkondigt.

    Complexiteit van de globale verandering

    In hun boek grijpen Hanusch en zijn collega’s terug op een gedachte van Thomas Jefferson. In 1789, te midden van allerlei ingrijpende politieke veranderingen en op de drempel van een nieuwe tijd, schreef Jefferson, een van de grondleggers van de Verenigde Staten, aan zijn collega James Madison dat hij zich zorgen maakte over het feit dat generaties van elkaar afhankelijk zijn. Volgens Jefferson zou de aarde wat betreft het vruchtgebruik moeten toebehoren aan de levenden. Ze mocht niet worden ‘opgebruikt’, maar moest tenminste in gelijkwaardige staat en vrij van schulden aan de volgende generatie worden overgedragen. Dit begin in vrijheid moest democratisch worden vastgelegd: elke generatie mocht een nieuwe grondwet maken en afschaffen wat vroeger goed en nu schadelijk was. Anders zouden de doden heersen over de levenden.

    James Madison praatte Jefferson diens idee van een contingente toekomst uit het hoofd. Maar ervan afgezien dat het te laat is om voor elke nieuwe generatie om de wereld in gelijkwaardige toestand achter te laten, heeft Jeffersons idee voor Hanusch een voordeel: het zou niet langer noodzakelijk zijn de complexiteit van de globale verandering te begrijpen. Wat je aantrof, zou je aan de volgende generatie moeten doorgeven. Er zouden minder overgeërfde schulden zijn en er zou beter worden stilgestaan bij hoe we dingen zelf willen aanpakken.

    De uitbuiting van milieu en hulpbronnen zou een nieuwe context krijgen. Wie zonder consideratie te werk gaat, vergooit zijn onafhankelijkheid, nog afgezien van de vrees dat zijn eigen kleinkinderen in de natte kelders van overstroomde steden moeten wonen. De verantwoordelijkheid voor komende generaties zou deel zijn van het politieke proces dat theoretisch tot in het oneindige zou kunnen worden gebruikt. Theoretisch.

    Dertigjarigen van vandaag hebben ten koste van dat kind geleefd

    Terug naar de schuldvraag en het kind. Dertigjarigen van vandaag hebben ten koste van dat kind geleefd. Het verschijnsel van de shifting base lines beschrijft hoe mensen de toestand van het milieu dat ze in hun kinderjaren aantreffen als gezond beschouwen, hoe ver dat milieu ook van zijn natuurlijke oorsprong verwijderd is. Voor vissers wier vaders twee keer zo veel vis vingen als zijzelf, is hun eigen ervaring het referentiekader: die handvol vissen in hun net. Natuurlijk zijn er de herinneringen van hun ouders en grootouders. Maar er zijn geen data over hoe de planten- en dierenwereld er destijds uitzag, steeds minder mensen hebben in hun dagelijks leven nog iets met de natuur te maken. De kennis daarvan neemt af. Iemand die er heilig van overtuigd was dat het gras altijd groen en budgetmaatschappijen altijd goedkoop zouden blijven, heeft het de laatste tijd niet makkelijk gehad. Wat dertig jaar geleden normaal leek, de onuitputtelijkheid van hulpbronnen, vormde de basis van hun perceptie van vandaag.

    Hoe kunnen we daar ons voordeel mee doen? Met het oog op de over elkaar buitelende crises spreekt socioloog Heinz Bude van een ‘terugkeer van de toekomst’. Het denkbeeld van het steeds breder wordende heden van gelijktijdigheden, dat steeds weer nieuwe, problematische, even belangrijke verledens produceert, loopt op zijn eind. In plaats daarvan registreert Bude een ‘toegenomen gerichtheid op de toekomst’. Wat komen gaat, gebeurt niet meer in zekere zin vanzelf, ‘maar vraagt dat de mensen met een zekere vastberadenheid opkomen voor zichzelf en voor wat in de toekomst belangrijk zal zijn’.

    De omstandigheden waarin je als middertiger van nu geboren bent, waren onbeschrijflijk bevoorrecht. Dat erkennen is pas de eerste stap. In de toekomst zullen we met veel tegenstrijdigheden moeten leren leven. Aan sommige kunnen we wat doen. 

  • Lieveheersbeestjes en genoombewerking: de landbouw van de toekomst

    Lieveheersbeestjes en genoombewerking: de landbouw van de toekomst

    Hoe kunnen we de wereld voeden zonder de aarde te vernietigen? Onderzoekers werken aan superplanten en manieren om ongedierte te bestrijden zonder pesticiden.

    Op een milde novemberochtend laat Ludwig Hirschberg, 56 jaar, zich zakken op zijn veld. Hij knielt op zwarte aarde die schittert in de zon. De jonge wintertarwe is een paar centimeter hoog en glimt groen. Hirschberg steekt een plantje uit met zijn zakmes, houdt het tussen zijn vingers en zegt: ‘Ziet er goed uit.’ Sterke, gezonde wortels, veel scheuten. En, heel belangrijk, er groeit geen onkruid tussen de planten dat ze van licht en voedingsstoffen kan beroven. Hirschberg behandelde de grond vóór het zaaien met glyfosaat, een ‘totaal’ bestrijdingsmiddel dat elke vorm van onkruid doodt. Hij gebruikt ook fungiciden tegen schimmels als echte meeldauw, die de tarwe in de volgende groeistadia zouden kunnen aantasten.

    Hirschberg heeft het graag over de ‘gereedschapskist’ die boeren nodig hebben om goede oogsten te verkrijgen. Daar hoort veel kunstmest en gif bij; gemiddeld wordt in Duitsland bijna drie kilogram bestrijdingsmiddelen per hectare gebruikt [in Nederland was dat in 2020 gemiddeld 7,1 kilo per hectare].

    Dat heeft gezorgd voor een indrukwekkende toename van de oogsten in de afgelopen zestig jaar. Tegelijkertijd zijn de gevolgen van intensieve monocultuur verwoestend: veel bodems raken uitgeput. De biodiversiteit vermindert en daardoor neemt ook de veerkracht van ecosystemen af.

    Van boer tot bord

    Nu zijn politici begonnen de gereedschapskist van de boeren uit te mesten: in augustus heeft de Europese Commissie de zogenaamde ‘van boer tot bord’-strategie goedgekeurd. Tegen 2030 moeten landbouwers het gebruik van pesticiden met de helft en dat van meststoffen met minstens 20 procent verminderen. Inmiddels is er al een verbod ingesteld op sommige neonicotinoïden. Dat zijn zenuwstoffen die schadelijke insecten doden, maar die ook het richtingsgevoel van bestuivers zoals wilde bijen verminderen. In 2023 zal glyfosaat, na een lange en verhitte discussie, eindelijk worden afgeschaft, mede omdat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de werkzame stof als ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ beschouwt. Afgelopen zomer waren er luide protesten van boeren in heel Europa; in Nederland waren er zelfs gewelddadige rellen.

    Ludwig Hirschberg beheert het landgoed Perdoel, een van de oudste en grootste boerenbedrijven in Sleeswijk-Holstein, gelegen tussen bossen en meren. Hij is geen hardliner, voor hem is het vanzelfsprekend dat boeren meer moeten doen voor de biodiversiteit, bijvoorbeeld met bloeistroken, heggen en hagen, en gevarieerde vruchtwisseling. Hirschberg teelt al lange tijd tuinbonen, die stikstof in de bodem binden zodat er minder kunstmest nodig is. Maar, waarschuwt hij, ‘als de richtlijnen op zo’n ingrijpende manier veranderd worden, zullen we een groot deel van de opbrengsten verliezen en wordt voedsel nog duurder.’

    En dat dan uitgerekend vandaag de dag, nu mondiale crises zich toespitsen. In de oorlog tegen Oekraïne gebruikt Poetin genadeloos de graanvoorraden als wapen. En als gevolg van de klimaatverandering komen hittegolven en droogte steeds vaker voor. Door hittegolven in India dit voorjaar zijn de opbrengsten naar schatting met 10 tot 35 procent gedaald; in Duitsland is de graanoogst in het droogtejaar 2018 met 16 procent ingezakt.

    Maar hoe moet je de wereld voeden zonder de aarde te vernietigen?

    Wanneer conventionele gewassen eenmaal met ziekteverwekkers zijn geïnfecteerd, kunnen ze tot 50 procent van hun opbrengst verliezen

    Harold Verstegen is hoofd mondiale productontwikkeling bij zaadproducent KWS in Einbek, Nedersaksen. Het beursgenoteerde bedrijf heeft wereldwijd meer dan vijfduizend mensen in dienst, uiteenlopend van moleculaire biologen tot veldwerkers. Veredelaars zijn overal in de wereld op zoek naar de superplanten van de toekomst – planten die ondanks extreme weersomstandigheden een stabiele opbrengst geven en van nature resistent zijn tegen schadelijke organismen.

    ‘We screenen het genetisch materiaal van planten op wenselijke eigenschappen en veredelen ze vervolgens verder,’ legt Verstegen uit. Maar het duurt acht tot tien jaar voordat een nieuw ras op de markt kan worden gebracht. Verstegen wil dat proces gaan versnellen. Daartoe willen agro-ingenieurs zaadproducenten in staat stellen een in Duitsland omstreden methode toe te passen: groene genetische manipulatie.

    Simone Lange, onderzoeksmedewerker bij KWS, opent de deur van een van de vele kassen. Op de vloer staan honderden potten met tarweplanten van ongeveer een meter hoog, de aren verpakt in plasticfolie. Hier geldt veiligheidsniveau 2 voor ‘genetisch gemodificeerde organismen’ (GGO’s), die in de EU streng gereglementeerd zijn. ‘De tarwe mag niet openbloeien zodat ze geen andere planten kan bestuiven,’ zegt Lange.

    De zogenaamde Crispr-Cas-genschaar heeft de genetische samenstelling van de tarwe gewijzigd om het gewas resistenter te maken tegen schimmelziekten. Wanneer conventionele gewassen eenmaal met ziekteverwekkers zijn geïnfecteerd, kunnen ze tot 50 procent van hun opbrengst verliezen. Zodra de aren van de genetisch gemodificeerde tarwe rijp zijn, zal Simone Lange ze oogsten. ‘Elke aar bevat ongeveer vijftig tot zestig tarwekorrels,’ zegt ze. ‘De helft gaat naar resistentietests, de andere helft naar conserveringsveredeling.’

    Het betreft een project van Pilton, de Duitse vereniging van plantenkwekers, waarin schimmeltolerantie van tarwe wordt bestudeerd met behulp van nieuwe kweekmethoden. En het is ook een vertoning: kijk eens wat we kunnen, als je het ons maar toestaat.

    De mensen van KWS hadden iets meer dan twee jaar nodig om hun tarwe te ontwikkelen. Dat is aanzienlijk minder dan met conventionele kweekmethoden nodig is. Deze nieuwe tarwe zou kunnen betekenen dat boeren minder chemicaliën op de velden hoeven te gebruiken.

    Reële omstandigheden

    In 2023 wil de EU opnieuw beslissen of met Crispr-Cas gemodificeerde planten onder de GGO-regelgeving blijven vallen. Veel wetenschappers pleiten voor versoepeling. Hun belangrijkste argument is dat er met Crispr-Cas geen genoverdracht is van de ene plant naar de andere. Daarom zijn het geen ‘transgene organismen’. 

    De onderzoekers verzetten zich ook tegen het zwart-witdenken dat het debat domineert. Leopoldina, de Duitse Nationale Academie van Wetenschappen, en de Duitse Onderzoeksstichting vinden de algemene classificatie van genetisch gemodificeerde planten als GGO’s ‘ongegrond en onuitvoerbaar’. Ze pleiten voor een gedifferentieerde regelgeving die gericht is op de concrete veranderingen in de plant en niet alleen op de kweekmethode. En ze roepen op tot het vergemakkelijken van veldonderzoek. Alleen onder reële omstandigheden kan de genetische basis van eigenschappen als zout-, droogte- en hittetolerantie beter worden begrepen.

    Maar kan het nieuwe gereedschap daadwerkelijk aan de hoge verwachtingen voldoen? Voor schimmelresistentie in tarwe kregen de KWS-onderzoekers bijvoorbeeld een zogenaamde gen knock-out voor elkaar: een enkel deel van het genoom werd uitgeschakeld. Er zijn echter tientallen genen betrokken bij gewenste eigenschappen zoals droogteresistentie. Het is moeilijk om ze allemaal te veranderen. Vooral omdat het genoom van tarwe zeer complex is.

    Agro-ecoloog Angelika Hilbeck van de ETH Zürich vindt genoombewerking belangrijk, omdat het nieuwe wetenschappelijke inzichten zou kunnen opleveren. ‘Maar niemand heeft behoefte aan de huidige producten,’ zegt ze. Die verrijkten immers enkel de industrie. ‘We kijken vooralsnog altijd puur naar de plant, naar de genetica. Ik raad juist aan om naar buiten te kijken, naar het ecosysteem.’ Want planten zijn teamspelers.

    Het doel is vergroening van het conventionele landschap, niet de volledige omschakeling naar biologisch

    Wat dat betekent is te zien op een stoffig veld in Brandenburg. Op een warme dag iets eerder in het jaar sjokt Kathrin Grahmann in wandelschoenen door een zonnebloemveld en inspecteert ze de planten. Ze zijn gegroeid tot verschillende hoogtes, wat het oogsten bemoeilijkt. Maar ze dragen allemaal vruchten, volledig zonder pesticiden. ‘Het waren lieveheersbeestjes die hen redden van een bladluizenplaag,’ zegt Grahmann.

    De wetenschapper leidt een tienjarig project van het Leibniz Instituut voor Landbouwlandschapsonderzoek, onder de naam Patch Crop. Op 70 hectare bij Müncheberg in Brandenburg worden gerst, koolzaad, soja, tarwe, zonnebloemen, haver, lupinen, maïs en rogge verbouwd.

    Daartoe zijn 32 velden aangelegd van elk 76 bij 76 meter. Kleine percelen waarvan de onderzoekers hoge verwachtingen koesteren: ze willen uitzoeken hoe de interactie tussen planten, bodem, nuttige insecten en plagen het ecosysteem versterken. Bovendien werken de onderzoekers nauw samen met robotfabrikanten die kleine, autonome voertuigen ontwikkelen om onkruid te schoffelen en fruit te oogsten.

    ‘Voor ons is het bijzonder spannend om te zien wat er aan de grenzen van de velden gebeurt,’ zegt Grahmann. De lieveheersbeestjes, bijvoorbeeld, verzamelden zich aanvankelijk op het veld met de voorjaarshaver. Nadat dat gerijpt was, gingen ze naar de zonnebloemen en vonden daar hun volgende grote maaltijd, de bladluizen. Die brengen virussen over en veroorzaken bladverlamming, maar ze hadden geen schijn van kans.

    ‘Normaal wordt op een dergelijk gebied slechts één gewas geteeld,’ zegt Grahmann. Nuttige insecten zouden er niet lang blijven. Dat is anders bij dit experiment, waar de vruchtwisseling dicht bij elkaar plaatsvindt.

    Drones

    Maar diversiteit betekent veel werk. Om voordeel te halen uit het multiculturele veld, moet je het eerst begrijpen. En daarom wordt waarschijnlijk geen enkel ander landbouwgebied in Duitsland zo nauwkeurig gemeten als deze grond in Brandenburg. Hier liggen 180 sensoren begraven; zij sturen elk kwartier gegevens over temperatuur en bodemvochtigheid naar een radiomodule. Speciale apparaten – gaschromatografen – analyseren chemische verbindingen, zoals het stikstofgehalte in het sojaveld. Die plant behoort tot de peulvruchten en kan stikstof in de bodem vasthouden, waardoor op kunstmest wordt bespaard. Drones vliegen over de gebieden en observeren de groei en biomassa.

    ‘Ons doel is om landbouwers wetenschappelijk verantwoorde analyses te bieden die hen in staat stellen aan de EU-regelgeving te voldoen en toch stabiele opbrengsten te realiseren,’ zegt Grahmann. Ze zegt dat vergroening van het conventionele landschap het doel is, en niet de volledige omschakeling naar biologisch.

    Op sommige percelen worden kunstmest en pesticiden op de conventionele manier gebruikt. Bij andere wordt de hoeveelheid eerst met een derde, later met de helft verminderd; weer andere hebben extra bloeistroken. De onderzoekers tellen regelmatig hoeveel ongedierte zich op een plant heeft gevestigd. Ze willen drempelwaarden vaststellen. Landbouwers passen vaak uit voorzorg beschermingsmiddelen toe – de duurste vorm van ongediertebestrijding, voor zowel mens als natuur.

    De onderzoekers van het Leibniz-Instituut moeten gedurende twee jaar gegevens verzamelen voordat zij deze systematisch kunnen evalueren. Maar er zijn al bemoedigende aanwijzingen. ‘In wintertarwe gebruikten we 30 procent minder bestrijdingsmiddelen en behaalden we dezelfde hoge opbrengsten,’ vertelt Grahmann.

    Ludwig Hirschberg is sceptisch als hij zulke cijfers hoort. ‘In een droog jaar kan ik goed zonder pesticiden voor mijn tuinbonen, maar in een nat jaar lukt dat niet,’ zegt hij. Het is een vergissing te veronderstellen dat als iets één jaar werkt, het altijd zal werken, meent hij.

    In plaats van algemene verboden zou Hirschberg graag zien dat politici concrete doelen stellen voor de bescherming van soorten. ‘Hoeveel wouwen of brandganzen moeten hier in het district Plön waargenomen worden om te kunnen zeggen dat het niet langer bedreigde soorten zijn?’ Met dergelijke concrete doelstellingen zouden boeren veel meer betrokken en gemotiveerd zijn, meent hij. Daarvoor zouden ze pas echt hard werken.

  • Bestorm dit fort! Pleidooi voor data als publiek goed

    Bestorm dit fort! Pleidooi voor data als publiek goed

    Data zijn de grootste schat van de digitale samenleving. Ze worden opgeslagen in gigantische serverfarms. Wat particuliere ondernemingen ermee doen bedreigt niet alleen het milieu, maar ook de democratie.

    Wie inzicht wil krijgen in de problemen van de toekomst, de bedreiging van de democratie en het controleren van burgers, hoeft maar te kijken naar de toekomststad die architectenbureau Snøhetta momenteel in Noorwegen plant. Op het eerste gezicht lijkt het ontwerp geenszins problematisch, integendeel. Uit de nevel doemt een reusachtig gebouw op dat enigszins doet denken aan de beroemde Neue Nationalgalerie in Berlijn, alleen lijken de pilaren in dit ontwerp op berkenstammen. Door een moerassig landschap loopt iemand op het gebouw af. Alles is groen en idyllisch. Het gigantische gebouw zelf is een serverpark, een datacentrum. Snøhetta ontwierp het voor het Nokia-concern, vastgoedontwikkelaar Miris en twee Scandinavische bouwbedrijven. Het geheel heet The Spark, en voor het eerst moet een datacentrum het centrum van een kleine stad worden en een paar woonwijken voorzien van de enorme warmte die bij het koelen van de servers als afvalproduct vrijkomt. De serverfarm vormt ‘zowel het lichaam als de hersenen’ van de nieuwe stad, jubelen de architecten. Boven op de hersenen groeien groenten en waterlelies: op het openbare dakterras komen een contemplatieve zenvijver en bloemperken. Op deze manier moet ‘de menselijke factor in ons gedigitaliseerde, door smartphones beheerste leven, worden teruggebracht’, aldus de architecten.

    Dat in de serverracks in de eerste plaats de problemen worden gefabriceerd – dankzij manipulatie op basis van data die gebruikers van mobiele telefoons opzettelijk verslaafd maken – waarvan het omhulsel van The Spark hen daarboven met vijver en wortelen wil genezen, is slechts een van de vele paradoxen van deze nieuwe wereld. Is het een goed idee dat burgers hun data, de basis voor participatie en politiek in het digitale tijdperk, afstaan aan particuliere bedrijven in ruil voor gratis verwarming, een beetje zenpraat en een gratis ecowortel?

    Datacentra zijn de zetel van de macht

    Tot dusver toonde het publiek weinig belangstelling voor datacentra. Toch zijn deze voor het digitale tijdperk wat het kasteel was voor de middeleeuwen: de zetel van de macht. In de moderne consumptiemaatschappij draaide het om de kantoortorens van de grote concerns; de wolkenkrabbers van Woolworth en Chrysler waren al van veraf te zien, als uitroeptekens achter de verkondiging wie het in het kapitalisme voor het zeggen had. De huidige digitale revolutie verandert alles radicaler dan ooit, de invloed van digitale concerns op de economie en de politiek is overduidelijk, maar deze verschuivingen hebben zich nog niet afgetekend in de steden. Verscholen, op het platteland of aan stadsranden maakt de bouw van datacentra echter een bliksemsnelle groei door: in 2019 waren er alleen al in de Verenigde Staten ruim 3 miljoen datacentra en meer dan 500 hyperscalers; extreem grote datacentra.

    Dat de centra liever onzichtbaar bleven heeft vele redenen. Een daarvan is de milieuvervuiling die wordt veroorzaakt door het immateriële internet en zijn luchtige clouds. Datacentra verbruiken ondanks alle inspanningen om klimaatneutraal te worden namelijk nog steeds buitensporige hoeveelheden energie. Het internet brengt nu al meer schade toe aan het milieu dan alle luchtverkeer. Als het wereldwijde web een land was, zou het wat betreft elektriciteitsverbruik en de uitstoot van klimaatgassen meteen na de Verenigde Staten en China komen. Vooral servers en datacentra verbruiken enorme hoeveelheden: in Europa is hun energiebehoefte tussen 2010 en 2020 met 55 procent gestegen tot 87 terawattuur. 2 procent van alle broeikasgasemissies in de wereld is uitsluitend toe te schrijven aan serverfarms, 8 procent van de wereldwijd geproduceerde elektriciteit gaat naar het transport van data op eindapparaten.

    Volgens het klimaatrapport van Frankfurt zal de stad zijn energiedoelstellingen niet halen vanwege de elektriciteitsvraag van zijn servers. In 2020 hebben de serverfarms in Frankfurt 60 procent meer elektriciteit verbruikt dan alle 400.000 huishoudens in de stad, en die hoeveelheid loopt nog op. Hoe groter de hoeveelheid data die nodig zijn voor Big Data, cloudcomputing en kunstmatige intelligentie, hoe gigantischer de opslagbehoefte. Steeds meer kleine en middelgrote bedrijven slaan hun data elders op, grote bedrijven bouwen de hardware zelf. De grootste hyperscaler is Amazon Web Service (AWS). Dit cloudplatform levert een forse bijdrage aan Amazons bedrijfsresultaat, méér dan de pakketverzending: ongeveer twee derde van Amazons beurswaarde is te danken aan AWS. De op een na grootste hyperscaler is Azure (Microsoft), Google volgt op de derde plaats.

    Collectieve schat

    Digitale concerns verzamelen niet alleen de data van hun gebruikers, ze bouwen ook de raffinaderijen waar ze worden opgeslagen en geanalyseerd en behandelen deze data in de streng beveiligde faciliteiten als hun privé-eigendom. Dat is niet probleemloos, alleen al omdat op deze manier het digitale gedrag van burgers wordt voorspeld en gemanipuleerd. En aangezien deze ondernemingen bijna allemaal in de Verenigde Staten of in China zijn gevestigd, staat niet alleen de technologische, maar ook de economische en politieke soevereiniteit van Europa op het spel.

    Het feit dat data de brandstof en de grootste economische schat van het digitale informatietijdperk zijn, staat in schril contrast met de naïviteit waarmee gewone burgers uit gemakzucht op de ‘accepteer alles’-optie klikken en zo hun gegevens prijsgeven. Toch hebben veel onderzoekers indrukwekkend beschreven hoe mensen kunnen worden gemanipuleerd op basis van de analyse van gedragsgegevens, hoe algoritmes raciale vooroordelen en sociale ongelijkheid vergroten en helpen bij de verspreiding van nepnieuws. In haar studie Dirty Data, Bad Predictions beschrijft Rashida Richardson hoe in de Verenigde Staten zelfs politiebureaus die zich schuldig hebben gemaakt aan ‘vooringenomen racistische of anderszins illegale’ praktijken data blijven verstrekken voor de ontwikkeling van nieuwe geautomatiseerde systemen die agenten ondersteunen in hun werk. Datamisbruik kan fatale, zelfs dodelijke gevolgen hebben. Uit een onderzoek van Berkeley bleek dat algoritmes in de Verenigde Staten Latino’s en mensen uit zwarte gemeenschappen bij voorbaat afkeuren wanneer zij zich aanmelden voor een leegkomende woning. Naar verluidt zijn er onder hen namelijk meer wanbetalers. 

    Als data de grootste collectieve schat van een digitale samenleving zijn – goud, olie, de grondstof van de eenentwintigste eeuw, het basismateriaal voor bedrijfsleven en politiek – en het bezit ervan de waarborg is voor democratie en transparantie, moeten ze dan niet worden behandeld als gemeengoed, als deel van de openbare infrastructuur? Als we niet willen dat de gezondheidszorg van burgers in de toekomst wordt overgenomen door Google-werknemers en het vervoer door Uber – en dat de enorme winsten van beide bedrijven richting de Verenigde Staten stromen – hebben we regulering nodig van het tot nu toe wildwestachtige wegvloeien van data, en hebben we instellingen nodig die de digitale soevereiniteit van Europa (en, net zo belangrijk, van Afrika) kunnen garanderen ten opzichte van Amerikaanse en Chinese concerns: Europa’s eigen techbedrijven, meer kwantumcomputers, betere algoritmes én datacentra die deel uitmaken van de openbare infrastructuur.

    In zijn essay Big data for the people: it’s time to take it back from our tech overlords pleit Ben Tarnoff ervoor dat de maatschappij, en niet de industrie, bepaalt of en hoe haar hulpbronnen worden gebruikt – big data vormen daarop geen uitzondering. Het zou voldoende zijn om data publiek goed te noemen. Bedrijven kunnen doorgaan met het verfijnen ervan en worden betaald om ze te analyseren, maar op onze voorwaarden en ‘ten behoeve van ons welzijn’. Maar wie definieert dit ‘welzijn’? Wie bepaalt of de analyse van persoonsgegevens voor een gezondheidsapp in het belang is van het ‘welzijn’ van de gebruiker (zoals de providers zouden beweren) dan wel dient om hem bang te maken en ertoe aan te zetten meer producten en apps te kopen die de gezondheid helpen verbeteren en zo de kassa’s van diezelfde providers te vullen? De staat? De burger? Vooral inwoners van het mondiale zuiden moeten de soevereiniteit over hun data veiligstellen en deze ‘nationaliseren’, betoogt Ulises Ali Mejias, directeur van het Institute for Global Engagement aan de State University van New York. Niet alleen olie, kostbare aardmetalen en grondstoffen, maar ook data worden daar op grote schaal gewonnen door westerse en Chinese concerns: er is sprake van een nieuw datakolonialisme. 

    In tijden van datakapitalisme is een openbare serverfarm een symbool van burgerlijke vrijheid

    Alleen al daarom is er dringend behoefte aan een publieke plaats waar zichtbaar wordt hoe sterk gegevensopslag en macht met elkaar verweven zijn, hoe groot het gevaar is de controle te verliezen en hoe belangrijk het is om de data niet te verzamelen op de servers van grote particuliere ondernemingen, maar decentraal in handen van burgers te leggen. Alleen op die manier is een nieuwe rol voor burgers mogelijk, een nieuwe rijkdom voor iedereen. Maar hoe zou deze publieke plaats er dan uit kunnen zien?

    Het is de taak van de staat om iets nieuws te bouwen dat alle onbegrijpelijke technologieën die meer dan wat ook een stempel drukken op het leven, zichtbaar en begrijpelijk maakt: een hybride gebouw bestaande uit een datacentrum, bibliotheek en museum van de toekomst, een nieuwe onderwijsinstelling waar de gehele bevolking, scholieren en politici kunnen leren hoe gevaarlijk het heersende bedrijfsmodel van het digitale kapitalisme is voor democratie en zelfbeschikking. Deze openbare serverfarm zou programmeerscholen, tentoonstellingsruimten en onderzoeksfaciliteiten kunnen huisvesten en eveneens een centrum kunnen zijn voor digitale soevereiniteit. Ook in kleinere steden en dorpen zouden lokale gedecentraliseerde servers nieuwe openbare plaatsen kunnen worden, zoals gemeenschapshuizen, dorpsscholen en bibliotheken dat ooit waren.

    De enorme hitte die vrijkomt bij het koelen van de data zou ook hier de basis kunnen vormen voor een volledig nieuwe openbare – en niet, zoals bij The Spark, particulier geëxploiteerde – architectuur: bibliotheken, sporthallen, kassen, zwembaden, een collectieve dorpshuiskamer, overkoepelde tropische altijd groene woongebieden. In tijden van datakapitalisme zou zo’n openbare serverfarm een symbool van burgerlijke vrijheid zijn, zoals het stadhuis dat ooit was als tegenwicht voor het kasteel van de feodale heer; een schatkamer van het digitale tijdperk waarin data als collectief eigendom, als ‘publiek goed’ worden beschouwd.

    Deze tekst is een fragment uit het boek van Niklas Maak: Servermanifest Architectur der Aufklärung: Data Centra als Politik-maschinen. Met een voorwoord van Francesca Bria. Hatje Cantz Verlag, 112 blz. met vele afbeeldingen, € 17,99. Het boek is op 13 juni 2022 verschenen.

  • Nexus-conferentie 2022

    Nexus-conferentie 2022

    The War and the Future’ is dit jaar het onderwerp van de Nexus-conferentie op 19 november in de Amsterdamse stopera. De titel – naar een lezing van de humanisme bepleitende Thomas Mann – moet ons eraan herinneren dat een ‘toekomst zonder oorlog een blijvende opgave is’.

    Ook dit jaar ging 360 een samenwerking aan met Nexus, dat in liberale traditie onverstoord de rede hoog in het vaandel houdt, ondanks of misschien juist dankzij het steeds populairder wordende irrationalisme. En waarom wint de afkeer van een bepaalde intellectuele beschaving zo aan kracht? Die en andere vragen vormen de basis voor een rondetafelgesprek waarin de genodigden ‘met revolutionaire hoop, moed en creativiteit nieuwe werelden vorm proberen te geven’ te midden van al onze hedendaagse crises.

    Met oude vertrouwde sprekers als Achille Mbembe uit Kameroen, hoofdredacteur van tijdschrift Liberties Leon Wieseltier, en veel nieuwe gezichten, onder wie de Franse topdiplomaat Jean-Marie Guéhenno, schrijver en scenarist László Krasznahorkai uit Hongarije, spion voor de CIA Mary Beth Long, die als covert operations officer terrorisme, nucleaire proliferatie en drugshandel in haar portefeuille had en nu haar eigen advocatenkantoor runt.

    Kishore Mahbubani, schrijver van een reeks boeken over de groei van de Aziatische macht, is ook van de partij

    Ook van de partij is Kishore Mahbubani, schrijver van een reeks boeken over de groei van de Aziatische macht en de neergang van de westerse invloed wereldwijd, evenals voormalig politicus en geopolitiek denker Bruno Maçães, die EU-landen een naïeve houding verwijt ten aanzien van de contemporaine geopolitieke ontwikkelingen. Verder schuiven aan pacifist Donatella di Cesare, als hoogleraar theoretische filosofie verbonden aan de Universiteit Sapienza Rome en Oksana Forostyna opinieredacteur bij het vooraanstaande tijdschrift Oekrajina Moderna, dat een open debat over het Oekraïense heden en verleden in gang probeert te zetten, kritisch denken wil stimuleren en intellectuele vrijheid probeert te bewaren.

    Van Donatella di Cesare, ‘voorvechter van een geestelijk leven’ Zena Hitz en auteur en hoogleraar Lea Ypi publiceert 360 respectievelijk een bijdrage en een interview in dit nummer.

  • Zo zien onze huizen er in 2050 uit: meer data, meer hout en meer abonnementen

    Zo zien onze huizen er in 2050 uit: meer data, meer hout en meer abonnementen

    Wacht ons in de toekomst een duurzamer, efficiënter en gemakkelijker leven of zullen onze huizen worden overgenomen door veiligheidssystemen en controlerende apparatuur?

    Stel je, als je kunt, een kleine, blauwige kamer voor. Snoeren, schermen, sensoren. Een paar aandenkens aan de oude wereld. De bewoonster van de kamer, aan huis gekluisterd door een zoönotische pandemie, greenwasht vanuit haar bed een bedrijf voor datamining [gegevensdelving]. De overheid heeft haar verboden de deur uit te gaan.

    Aan het eind van de gang is een gemeenschappelijke keuken, die ze deelt met een paar onbekenden die ze online heeft ontmoet, maar meestal bestelt ze haar maaltijden via een interface en eet ze die hier op. Microfoons registreren haar interacties. Een bewegingssensor om haar pols herinnert haar eraan dat ze haar activiteit moet optimaliseren. Uit verlangen naar de stervende wereld buiten heeft ze een paar regenwoudplanten gekocht om de ruimte wat op te fleuren. Haar zaksurveillanceapparaat herinnert haar eraan dat ze die water moet geven. Ze vangt een nieuwsflits op: de rijkste man ter wereld heeft zojuist de atmosfeer van de aarde verlaten.

    Tot zover het huis van 2021. En het huis van 2050? Zou dat een hoopvoller visioen van huiselijkheid bieden dan de dystopische nachtmerrie die sommigen van ons de afgelopen jaren hebben beleefd? Stevenen we onverbiddelijk af op een wereld van surveillance, klimaatcrisis en woningcrisis, en verdrinken we in eenzaamheid terwijl onze Metaheadset de data uit onze ziel zuigt.

    ‘Onze woonsituatie wordt steeds geraffineerder aangepast aan onze eigen wensen en behoeften’

    Misschien allebei een beetje, zegt Sarah Douglas, directeur van de designadviesbureau The Liminal Space. Zij stond aan de basis van de expositie Tomorrow’s Home in het Museum of the Home in Londen, die liet zien hoe we over drie decennia misschien zullen wonen. ‘Het huis van de toekomst zou ons kunnen helpen onze woonsituatie steeds geraffineerder aan te passen aan onze eigen wensen en behoeften,’ zegt ze. ‘Maar het wordt een hele klus om te leren omgaan met de enorme voordelen en de ethische problemen die gepaard gaan met nieuwe, interactieve technologieën.’

    Natuurlijk zullen we niet elke toekomstige trend met open armen ontvangen. ‘Het kan zijn dat je een groep mensen krijgt die overal voor in is, een groep die erachteraan sukkelt en een groep die zich geheel en al afzijdig houdt,’ zegt Rachel Coldicutt, directeur van Careful Industries, dat onderzoek doet naar de interactie tussen technologie en mensen. Mensen die hun huis als een privéheiligdom blijven zien, zullen het niet gemakkelijk krijgen, waarschuwt ze. De machtigste techbedrijven ter wereld hebben hun focus al verlegd van telefoons naar huizen: Google heeft zijn scala aan Nest-producten op het gebied van intelligente veiligheidssystemen, Amazon heeft octrooi aangevraagd op apparatuur die onze ‘emotionele data’ kan lezen en Facebook lanceert zijn metaverse.

    Surveillance

    Deze technologieën weten de aanvankelijke bedenkingen die we er misschien tegen hebben op de een of andere manier weg te nemen. ‘Mensen kopen Alexa [de virtuele assistent van Amazon] niet omdat het een surveillanceapparaat is,’ zegt Coldicutt. ‘Ze kopen het omdat het fijn is om een handsfree tijdschakelaar in de keuken te hebben. Maar het blijft een surveillanceapparaat.’

    Sommigen van ons zullen zich erbij neer moeten leggen. Als er in de toekomst sociale huisvesting bestaat, zouden de betrokken bewoners zich dan enigerlei vorm van monitoring moeten laten welgevallen om te ‘bewijzen’ dat ze van die huisvesting gebruik mogen maken? Als je in de toekomst een bijstandsuitkering geniet en je ligt om half negen nog in bed, wordt dat dan een probleem? Coldicutt denkt van wel.

    ‘De huizen zullen harder hun best moeten doen’

    Maar vanbuiten zullen huizen er tenminste nog grotendeels hetzelfde uitzien. Er is geen reden om aan te nemen dat de Britse voorliefde voor victoriaanse rijtjeshuizen in 2050 verdwenen zal zijn. ‘De huizen zullen alleen harder hun best moeten doen,’ zegt architect Piers Taylor. ‘Er zullen werkruimtes en wellnessruimtes komen, evenals plekken om te eten en te slapen, en die zullen ook flexibeler moeten worden.’

    Ongeveer 80 procent van de CO2-uitstoot bij de bouw komt van beton en staal, dus zullen er in nieuwe huizen duurzamere materialen zoals hout worden gebruikt en zal er lager worden gebouwd. Taylor: ‘Alles minder dan twee verdiepingen is niet compact genoeg, alles meer dan vijf vergt te veel grondstoffen.’ We zullen modulaire interieurs nodig hebben die snel kunnen veranderen om berekend te zijn op bijvoorbeeld gezinsuitbreiding, of op de komst van een klimaatvluchteling. En zoals we nu op Netflix geabonneerd zijn, zullen we in de toekomst misschien abonnementen nemen bij bedrijven die meubilair, huishoudelijke apparatuur en voertuigen leveren.

    Het huis van de toekomst zou er als volgt uit kunnen zien.

    De woonkamer 

    Sensoren, microfoons, camera’s, beeldschermen: allemaal zullen ze tot 2050 waarschijnlijk hand over hand toenemen, maar wel in een veel discretere vorm; in een kandelaar of een vaas. Alexa zou kunnen inhaken op de trend om meer natuurlijke materialen te gebruiken (hout, hennep, stro et cetera) en ze zal niet alleen meer reageren op wat je zegt, maar ook op de toon en het volume van je stem, zodat ze weet wanneer je tegen je kinderen schreeuwt.

    Maar zolang we de baas blijven over onze eigen data hoeft dat allemaal niet zo erg te zijn. ‘We kunnen ons hier concentreren op de dystopische aspecten,’ zegt Yvonne Rogers, hoofd Computerwetenschap van University College London, ‘maar als we abstracter nadenken over hoe we de data kunnen gebruiken die deze apparaten verzamelen, kunnen we er allerlei interessante dingen mee doen.’ Zoals digitaal behang maken dat zijn kleur aanpast aan de emoties in huis. Het zou een liveopname kunnen tonen van een stuk regenwoud dat door jouw huishouden wordt gesponsord. Misschien zal het ook reageren op de aanwezigheid van een baby of een huisdier.

    Misschien kunnen we zelfs overleden dierbaren op onze bank projecteren

    Nu wij steeds meer thuiswerken (of werkloos thuiszitten als gevolg van de automatisering) en misschien minder kunnen reizen, zullen we naar nieuwe manieren zoeken om virtueel contact te leggen. Star Wars-achtige hologramprojecties van dierbaren in 3D zijn niet meer zo ver weg. ‘Nu kun je met behulp van augmented reality al Ikea-meubels in je eigen woonkamer uitproberen. Die technologie zal zich verder ontwikkelen. Er zal misschien nog steeds een augmentedrealitybril aan te pas komen, maar het aanbrengen van een digitale laag in een fysieke ruimte zal vermoedelijk steeds meer ingang vinden,’ zegt Rogers.

    Misschien zullen we zelfs overleden dierbaren op onze bank kunnen projecteren. Dit zou een manier kunnen zijn om de eenzaamheid van een vergrijzende bevolking te verlichten. ‘Je kunt je voorstellen dat je voor zoiets een abonnement kunt nemen bij een bigtechbedrijf,’ zegt Douglas. ‘En dat je daarbij kunt worden verleid tot een upgrade als je ook gesprekken wilt kunnen hebben over voetbaluitslagen, of over een filosofische theorie.’

    De keuken 

    Dit deel van het huis heeft in de afgelopen generaties ingrijpende veranderingen ondergaan: van een kombuisachtig vertrek, ontworpen voor een bediende, tot een grote, gemeenschappelijke ruimte die het middelpunt van het gezinsleven vormt en de eetkamer overbodig maakt. Niet dat we meer zijn gaan koken. Door dronebezorging, kweekvlees en voedingstechnisch geoptimaliseerde kant-en-klaarmaaltijden zal de bevolking het koken steeds meer verleren en wordt het een nog exclusievere hobby dan nu. En dieren eten? Dat wordt mogelijk net zoiets als roken eerder al werd: passé, ongezond en een beetje rebels.

    Of stel je voor dat je vuilnisbak zou kunnen berekenen hoeveel je weggooit en je beloont met korting op de afvalstoffenheffing (of je straft met een verhoging). Een andere tentoongestelde innovatie is de ‘slimme mok’, een drinkbeker die je vitale functies checkt en het verraadt als je verboden middelen hebt gebruikt.

    Maar een echt intelligent huis zou niet per se vol glanzende, nieuwe gadgets hoeven te staan. De nieuwe ‘recht op reparatie’-wetgeving toont aan dat gekozen leiders eindelijk bereid zijn onze spilzieke consumptiemodellen aan de kaak te stellen. ‘Dit zal waarschijnlijk leiden tot het gebruik van meer natuurlijke en herbruikbare materialen, en tot een grotere tweedehandscultuur,’ zegt Bishop, door items zodanig te ontwerpen dat ze gemakkelijker gerepareerd kunnen worden.

    De badkamer 

    De toekomst wordt gewoonlijk afgeschilderd als een glanzende, witte, steriele ruimte. Maar het zijn de ‘schone witte ruimten van het modernisme’ waartegen we moeten vechten, zegt Richard Beckett, die prijzen heeft gewonnen met wat hij ‘probiotische architectuur’ noemt. ‘Nu we zo’n 90 procent van onze tijd binnenshuis doorbrengen, missen we de blootstelling aan wat we de “diverse natuur” noemen, waarin we in de loop van honderdduizenden jaren zijn geëvolueerd,’ zegt hij. ‘We krijgen niet de bacteriologische diversiteit die ons lichaam nodig heeft, en dat leidt tot veel nieuwe chronische ziekten.’

    Om dit tegen te gaan ontwikkelt hij bouwmaterialen die de natuur binnenshuis brengen: denk aan badkamertegels die sporen met heilzame microben bevatten, het keramische equivalent van zuurkool. ‘Bouwmaterialen moeten misschien weefselachtiger, poreuzer worden,’ zegt hij. ‘En we zouden misschien anders moeten omgaan met onze muren of oppervlakken. Zoals we onze planten met water besproeien, zouden we onze muren met voedingsstoffen kunnen besproeien. Ondertussen zal je slimme wc natuurlijk zich ervan vergewissen dat je darmflora en hormonen in orde zijn. 

    ‘Maar wat verliezen mensen als ze ervoor kiezen die dingen niet te gebruiken? Als je je data niet doorgeeft aan het toiletbedrijf, loop je dan de verstrekking van magnesiumsupplementen mis?’

    De slaapkamer 

    Hoe je slaapt zal in de gaten worden gehouden door je deken of misschien je matras. ‘Als we momenteel aan draagbare technologie denken, denken we aan iPhone-achtige apparaten met een scherm,’ zegt Sarah Douglas. ‘Maar in werkelijkheid zullen we zien dat deze data-verzamelende items steeds menselijker worden.’

    Ook voorziet Douglas een grote toekomst voor abonnementen. In plaats van online snelle mode te kopen, zullen we volgens haar ‘gemeenschappelijke kleerkasten’ krijgen, virtuele kasten die ons in staat stellen gemakkelijk kleding te ruilen met vrienden en buren. ‘Het zou heel nuttig zijn om te kijken of we een punt kunnen bereiken waarop huishoudtechnologie echt huiselijke problemen oplost,’ zegt Coldicutt. ‘Een van de moeilijkste technische dingen ter wereld is lakens opvouwen. De was doen blijft een activiteit die fysieke inmenging vereist. Een robot die bij elkaar passende sokken sorteert, lijkt verre toekomstmuziek. Dus zullen we de dingen blijven doen die robots niet kunnen.’ 

    De speelkamer 

    Als computerwetenschapper is Yvonne Rogers geneigd tot optimisme. ‘Er is zo veel technologie die is ontworpen rond traceren en tellen,’ zegt ze. ‘Het zou goed zijn om na te denken over apparaten die echt iets toevoegen aan het spel en kinderen creatief laten zijn in hun kamer.’ Ze denkt dat speelgoed nog veel leuker zal worden dankzij de steeds vagere scheidslijnen tussen fysiek en digitaal. Stel je voor dat je een zee op je slaapkamervloer kunt projecteren, of een kleed als vliegend tapijt kunt gebruiken; of dat je interactieve knuffels kunt maken, wat een grote troost voor zieke kinderen zou zijn. ‘Het zou echt goed zijn om te bedenken hoe we thuisleren leuker kunnen maken en technologie kunnen ontwikkelen die kinderen stimuleert om nieuwsgieriger en creatiever te worden.’

    Ook de tomeloze energie van kinderen hoeft niet verloren te gaan. Kathryn Bishop van het Future Laboratory wijst op het werk van een laboratorium in Zürich, dat hout heeft ontwikkeld dat statische elektriciteit opslaat wanneer je eroverheen loopt. ‘Leg zoiets op de vloer van een kinderspeelkamer en je hebt energie voor een paar speeltjes,’ zegt ze.

    De tuin 

    Misschien zullen we ook meer voedsel zelf verbouwen. En we zouden zulke dingen vaker gemeenschappelijk kunnen doen. In de ruimten tussen huizen liggen volgens architect Taylor de meest veelbelovende oplossingen. ‘Ook al hebben we nog auto’s, zal het idee van eigenaarschap zal moeten veranderen,’ zegt hij. Zodra je ze weghaalt, worden steden er een stuk leefbaarder op.

    Tomorrow’s Home was te zien in het Museum of the Home in Londen, museumofthehome.org.uk 
    Meer weten? Luister naar futureoflivingpodcast.com

  • Kimaatsciencefiction: De wereld over 180 jaar

    Kimaatsciencefiction: De wereld over 180 jaar

    Fix, een in milieukwesties gespecialiseerd kanaal van de Amerikaanse site Grist, vroeg jonge journalisten van over de hele wereld zich het jaar 2200 voor te stellen. De duizend deelnemers uit 85 verschillende landen werd verzocht de toekomst te beschrijven alsof zij daar al zijn. In het winnende verhaal ‘Afterglow’ van Lindsey Brodeck is het huidige doemscenario zo verwerkt dat een betere wereld over 180 jaar voorstelbaar wordt.

    Het is vroeg in de zomer en al over een maand vertrekken de laatste pods naar de Keplerplaneten. Renem heeft twee plaatsen geregeld, natuurlijk wil ze dat ik met haar meega.

    Ik heb tijd nodig om te bedenken wat ik wil. Zij snapt niet waarom, want we laten eigenlijk niets achter. Op goede dagen slapen we in een kraakpand en op slechte op een bankje. En over familie hoeven we het ook niet te hebben. Renem heeft haar ouders nooit gekend en ik heb wat er van de mijne over was jaren geleden begraven. We zijn al meer dan de helft van mijn leven bij elkaar. Soms vraag ik me af of dat niet meer uit noodzaak is dan uit liefde.

    Al snel ben ik niets anders dan vrije energie die met de menigte vervloeit

    Ik ben in de Antimaterie en op de dansvloer is het zoals altijd stampvol. Het is niet wat je noemt een superglamoureuze tent, maar ik voel me er thuis, alsof ik hier uit mijn huid kan stappen en kan opgaan in iets groters. In een hoek deelt iemand Tangletabletten uit. Grijze markt, waarschijnlijk een staaltje reverse engineering. Ik scan er snel een: maar 0,1 procent kans op meth-mod. Een goed teken maar geen garantie; er kan nog steeds een andere verslavende stof in zitten. Ik betaal en stop er een in mijn mond. Het pilletje lost op en mijn malende gedachten ook. Alleen een zoetige pijn aan mijn tanden blijft over. Al snel ben ik niets anders dan vrije energie die met de menigte vervloeit.

    Meestal gaat iedereen hier zo op in zijn eigen synthetisch opgewekte gelukzaligheid dat maar heel zelden iemand zich met je bemoeit. Vanavond moet zo’n zeldzame gelegenheid zijn, want ik voel iemands ogen op me gericht. Ik hou op met dansen en probeer te zien wie het is, maar telkens als ik mijn best doe om de vormen om me heen duidelijk te krijgen, is het alsof ik met een caleidoscoop de verkeerde kant op kijk. Alles wordt wazig en onscherp, vaag en vloeiend. Maar toch mooi. Iemand komt naar me toe gerend, draait zich weer om, beschrijft grote lussen en spiralen. De bewegingen doen mijn hoofd tollen. Ik zie een flits van vleugels zo dun als spinnenwebben.

    De menigte beweegt koortsachtig en ik raak de wirwar van kleuren even snel uit het oog als ik hem had opgemerkt. Hield die regenboogstrobo maar even op. Ik zak ineen op de kleverige vloer en begraaf mijn gezicht in mijn handen. Ik wrijf mijn ogen open en ze prikken van het zweet. Maar ik zie iets veelbelovends, iets op de betonnen vloer. Het is felgeel, lichtgevend. Het lijkt een spoor.

    Onzichtbare lijn

    Het is geen kleinigheid om een bijna onzichtbare lijn over een volgepakte dansvloer te volgen, zeker als je alleen je handen, je blote knieën en een middelmatige partydrug hebt om je op voort te bewegen. Tegen de tijd dat ik buiten ben, heb ik meer drankjes over me heen gekregen dan een champagnemeisje op zo’n afschuwelijke herenorgie. Moet ophouden daaraan te denken voordat ik nog misselijker word. Mijn gezichtsvermogen laat het afweten en straks mijn geheugen ook. Maar pas nadat ik het gezien heb.

    Ik sta op het dak en de lijn is allesbehalve recht; het is meer een kluwen afgewikkeld draad. Uiteindelijk loopt hij naar een half ingestorte bakstenen muur en rond een grote muurschildering van zeker zeven meter breed. Ik weet niet wat ik had verwacht, maar niet dit.

    Langwerpige vleugels, fonkelende ogen, een lijf dat groen gloeit in het maanlicht. Het is het mooiste insect dat ik ooit heb gezien. Ik loop ernaartoe, strek mijn hand uit om contact te maken. Waar ik kan, laat ik mijn vingertoppen erlangs gaan en haal diep adem. Het is geen beeld van verf, het is bedwelmend: een vleugje verrotting, verschillende texturen, het leeft. Vlak voordat mijn gezichtsvermogen wegvalt, verschijnt er een stroom namen in mijn optische mod. Alleen de woorden staan nog in mijn oogleden geprent: Xanthoria parietine, Lichina Pygmaea, Hupnum cupressiforme.

    ‘Ik heb iets geweldigs gezien vanavond.’

    Op de een of andere manier ben ik terug bij Renem, in ons leegstaande gebouw met het half verdwenen dak. Ze houdt me in haar armen, streelt mijn haar. Maar ik weet dat ze boos is. Ik beef in haar armen.

    Klimaatfictiewedstrijd

    Grist is een onafhankelijke Amerikaanse non-profitmediaorganisatie die zich, naar eigen zeggen, ‘inzet voor het vertellen van verhalen over klimaatoplossingen en een rechtvaardige toekomst’. Die verhalen zijn doorgaans journalistiek, maar Fix, het ‘solutions lab’ van Grist dat mensen belicht en samenbrengt die met spraakmakende of baanbrekende ideeën en oplossingen de klimaatproblematiek proberen aan te pakken, kwam op het idee van een ‘klimaatfictiewedstrijd’: een verhalenwedstrijd over het leven in de toekomst. 

    Tory Stephens van Fix onderzocht of dergelijke verhalen al bestonden en stuitte vooral op dystopische toekomstnarigheid vanuit een voornamelijk wit perspectief. ‘De inspiratie die ik zocht,’ schrijft Stephens, ‘vond ik in de genres afrofuturisme en solarpunk. Afrofuturisme ziet een Zwarte toekomst voor zich, met precies die cultuur die ik niet vertegenwoordigd zag in veel van de klimaatfictie die ik had gelezen – en dat leidde me naar andere futurismen.’ 

    Dat blijken er nogal wat te zijn, uiteenlopend van Latinx-futurisme tot Aziatisch- en queer-futurisme. Solarpunk, een genre dat eind jaren 2000 ontstond, zo blijkt uit een overzicht op de site waarin alle futurism-stromingen worden omschreven, verbeeldt een groene toekomst op basis van hernieuwbare energie met een doe-het-zelfesthetiek die overeenstemt met de indie-punk achtergrond van de makers. Voor de verhalenwedstrijd Imagine 2200: klimaatfictie voor toekomstige voorouders ontving Fix ruim 1100 inzendingen uit meer dan 85 landen; 360 Magazine publiceert daarvan de winnaar en een korte samenvatting van twee andere verhalen.

    ‘Je bent tenminste altijd gemakkelijk te vinden.’

    Vijandigheid onder die zeven eenvoudige woorden. Ze denkt er niet aan dat ik soms niet gevonden wil worden. En daar zal ze ook nooit aan denken, zolang ze haar redderscomplex blijft botvieren.

    Ik probeer de dreigende ruzie af te wenden en bezweer haar dat het deze keer anders was. ‘Iemand stuurde me een boodschap,’ zeg ik.

    Ze wendt zich af. Haar donkere, krachtige gezicht wordt omlijst door maanlicht dat via de gaten naar binnen valt. 

    ‘Doe toch niet zo kinderachtig, Talli.’ Renem spuwt mijn naam uit als een vloek. ‘Wanneer word je eens volwassen?’ Dan laat ze me los en staat op, en met haar verdwijnt ook haar warmte.

    Mijn verzoeningspogingen verdampen samen met de warmte. ‘O, dus de volwassen keuze is slaaf worden op 452b?’ snauw ik terug. Ik huiver, mijn van zweet doortrokken jurk wordt koud. ‘Je weet dat we nooit van die schuld af komen. Daar zijn ze op berekend.’

    Ze schudt haar hoofd, alsof mijn argument er totaal niet toe doet. ‘Je hebt de foto’s gezien. Die planeten zijn onze enige hoop. Ik zou een leven voor ons kunnen opbouwen.’

    Ze komt weer naar me toe en wil onder de stapel dekens gaan liggen. Ik wend me af; de nacht is warm genoeg zonder haar.

    Ik zie overal bijen: advertenties in mijn feed – nutteloze dingen zoals kostuums en juwelen en producten die ik nooit kan betalen – en mensen op straat uitgedost met voelsprieten en glinsterende vleugels. Ik zie ook echte bijen op de spichtige, door het beton heen groeiende plantjes neerstrijken en zoemen rond de bloeiende wijnranken die zich als slangen rond de ruïnes van de stad kronkelen. Misschien waren ze er altijd al, maar het is de eerste keer dat ik ze opmerk. Ik hou mijn optische mod voortdurend aan, zodat ik elke nieuwe soort kan identificeren en opslaan. Mijn favorieten zijn de kleine, grotendeels zwarte insecten waarvan ik altijd dacht dat het vliegen waren. Nu blijken het bijen en ze hebben prachtige namen: Ceratina acantha, Hylaeus annulatus, Chelostoma philadelphi. Zelfs zonder de mod kan ik ze uit elkaar houden: gele bandjes bij de ogen zijn een kenmerk van Hylaeus, en het felrode achterlijf van de Sphecodes herken je meteen. Er is ook iets in mijn hoofd, een zacht, maar onafgebroken gezoem. Het doet me denken aan hoe een warme, lome zomer zou moeten klinken. Altijd als ik tegen Renem over zulke dingen begin, zegt ze dat ik onze tijd verspil.

    Het wordt makkelijker om echt en namaak uit elkaar te houden en de trendy insectenlichaam-mods te onderscheiden van de gedaante die ik drie weken geleden heb gezien. En ik ontdek iets verrassends in mezelf, een gevoel dat ik niet van mezelf had verwacht. Terwijl steeds meer rijken naar de ongerepte planeten vertrekken en de naglans van hun schepen groengele brandplekken op mijn netvlies achterlaat, voel ik geen bezorgdheid of wanhoop. Ik ben juist vol hoop.

    Ik ben in het centrum van Brexton-Maine wanneer ik er weer een zie. Zelfs met een nuchter hoofd vind ik het nog steeds moeilijk om hem te beschrijven. Misschien heeft de persoon een of andere krachtveldverstrooier waardoor hij lastiger te volgen is. Maar het is er een, dat weet ik; ik voel het en als ik omlaagkijk, is daar weer die dwalende, fluorescerende lijn.

    Ik raak de figuur snel kwijt maar blijf de lijn volgen. Die leidt me naar een pakhuis, zo’n tien straten van waar Renem en ik op dit moment wonen. Ik zou op zoek moeten zijn naar bruikbare spullen in de stortplaatsen aan de buitenrand van de stad en verkopen wat ik kon. Tenminste, dat zou Renem willen dat ik deed.

    Zij/haar, hen/hun

    Ik ben niet bang om naar binnen te gaan. Maar als ik die zware metalen deuren openduw, word ik verrast door wat ik hoor en zie: een voortdurend, onophoudelijk gezoem, duizenden zaailingen en één enkel persoon gekleed in het wit, een imkerpak, zoals bijenhouders dragen.

    ‘Ik neem aan dat je ons spoor hebt gevolgd?’

    Ik zeg iets als antwoord, maar de woorden komen er verward uit. Ik word volledig omhuld door het gekmakende, zoete geraas, en het helderwit van de fluorescerende lampen geeft het pakhuis een bovennatuurlijke gloed.

    ‘Steeds meer mensen weten ons te vinden.’ De kap met het net gaat af, donkere ogen en een bos bruine krullen komen tevoorschijn. ‘Ik ben Wyl. Hen/hun.’ Hun wangen zijn rood en glanzend. ‘Hoe heet jij?’

    ‘Talli,’ zeg ik. ‘Zij/haar.’

    ‘Welkom, Talli. De rest van degenen die ons vandaag hebben gevonden is boven.’

    Hun woorden bezorgen me een steekje van onverwachte teleurstelling. Mijn reactie moet zichtbaar geweest zijn, want Wyl glimlacht droogjes tegen me, alsof hen wil zeggen: ‘Hè? Dacht je soms dat jij de enige was?’ Op de een of andere manier had ik niet verwacht dat anderen deze plek ook gevonden hadden. De muurschildering bij Antimatter, de figuur op straat, het leek allemaal alsof het alleen voor mij bestemd was. Mijn eigen kaart ergens naartoe, een kaart die me zou kunnen redden. Ons, bedoel ik.

    Terwijl ik achter hen aan verder het pakhuis in loop, slingerend tussen rijen met ongelooflijk veel soorten kiemplantjes, ontdek ik de bron van het gezoem. Grote bijenkorven, wat niet verrassend is, maar ook bouwsels die ik niet goed kan benoemen: enorme stapels uitgeholde houten stammetjes en klompen aarde in bakken langs een groot deel van de muur.

    ‘Lang niet alle bijensoorten leven in korven, weet je,’ zegt Wyl.

    ‘De wereld is een veel betere plek dan zij ons willen laten geloven’

    We lopen de industriële trap op, tot we boven het niveau van de plafondlampen komen. Boven ons is een stalen trapdeur. Hen schuift de grendel opzij en duwt. En dan is er verblindend zonlicht, tientallen mensen en talloze rijen bloemen, groenten, bessenstruiken en fruitbomen vol gaaien en mezen.

    ‘De wereld is een veel betere plek dan zij ons willen laten geloven,’ zegt Wyl. ‘Ja, er is verwoesting, maar er is ook reden tot hoop. Zoveel hoop.’

    Wyl hoeft niet uit te leggen wie die ‘zij’ zijn waarover hen het heeft. Het is duidelijk dat hen StarSpace bedoelt.

    De groep is divers: een vloed kleuren en uitdrukkingen die met elkaar één enkel, samengesteld beeld vormen. Ik keer me naar Wyl, maar hen heeft zich al een weg naar het hart van de menigte gebaand.

    ‘Voor degenen van jullie die net aangekomen zijn: welkom.’ Wyl zwijgt even en lacht vriendelijk naar ons. ‘De missie van de “Houders” is simpel. Wij zijn een groep mensen die een manier van zijn hebben ontdekt die al duizenden jaren op aarde aanwezig is. Een manier van zijn die draait om gemeenschap en om het aangaan van relaties met alles wat leeft. Die manier is ook door andere volken, op andere planeten, erkend. Vertel me eens’– hen zwijgt even en gebaart naar een jonge man voor in de groep. ‘Welk voornaamwoord zou jij gebruiken om te beschrijven wat je hier ziet?’ Wyl wijst naar een bij die loom door de lucht zigzagt. Onwillekeurig kom ik dichterbij. Het insect gaat vlak naast me op een paarse zonnebloem zitten – Echinacea purpurea. Het is geen honingbij; dat maakt het metallisch groen van zijn kop en borst overduidelijk. Ik weet welke naam ik eraan moet geven: Agapostemon virescens.

    Planeet 452b

    De man lacht verlegen, alsof hij bang is dat dit een strikvraag is. Zijn blozende wangen zijn bijna even rood als zijn shirt. ‘Het zit op een bloem?’

    Wyl glimlacht, maar schudt hun hoofd. ‘Ik dacht al dat je dat zou zeggen, maar we zijn hier om je te laten zien hoe je op een andere manier naar de wereld kunt kijken en naar de bewoners met wie we de wereld delen. Onze missie is meer dan bijen houden, tuinieren en herwilderen. We vechten ook voor een semantische verschuiving. Wat weten jullie over 452b, de eerste planeet waar de pods al die jaren geleden zijn geland?’

    Ik ben normaal niet iemand die het woord neemt in een groep, maar iets dwingt me om te reageren.

    ‘De plantmensen die daar leven, maken nauwelijks onderscheid tussen de dingen,’ zeg ik. ‘Niet tussen elkaar, maar ook niet tussen andere levensvormen. Alles is met elkaar verbonden. Daarom is hun taal zo moeilijk te verstaan.’

    Wyl knikt en ik neem aan dat ik het goede antwoord heb gegeven.

    ‘Je komt in de buurt, maar dat is het toch niet helemaal.’

    Ik zeg niets meer. Ook mijn wangen zijn nu rood.

    ‘Op één punt heb je gelijk. De Heliogeentaal is inderdaad moeilijk in de onze te vertalen. Engelstaligen hebben hun taal van imperialisten geërfd, een taal die objectiveert en zich vrijwel alles waarmee ze in aanraking komt, toeëigent. De taal van de Heliogenen is heel anders. Hun taal benadrukt de verbindingen tussen ons, niet de willekeurige grenzen die ons van elkaar zouden moeten scheiden. Heliogenen hebben zelfs één voornaamwoord voor iedereen en alles. En dat voornaamwoord is “se”. Een Heliogeen zou nooit zeggen “het vliegt door de lucht”, want voor hen zijn de overeenkomsten die we met andere levensvormen hebben veel belangrijker dan onze verschillen. “Se” is de ultieme vorm van respect, het drukt de verbinding uit die wij, of ik moet zeggen “se”, met alle anderen delen. Deze bij, se bestuift onze bloemen; de bloemen, se geven ons voedsel en schoonheid. Onze woorden zijn even belangrijk als onze daden. Ze vormen onze geest, onze manier van kijken, onze betekenisgeving.’

    Mijn dagelijks leven bestaat uit gespannen gesprekken voeren, worstelen om te overleven

    Het is prachtig wat Wyl zegt, maar ook moeilijk te begrijpen. Terwijl ik nadenk over hoe de taal die ik spreek mijn begrip van de wereld beïnvloedt, voel ik mijn gedachten wazig worden.

    ‘We kunnen “se” zelfs gebruiken om onszelf te beschrijven, want het is onjuist om “jou” of “mij” te zien als alleen maar bestaand uit “mens-zijn”. In werkelijkheid werken we samen met biljoenen prokaryotische cellen. En dat maakt ons tot amalgamen, holobionten, chimaera’s, voortdurend in verandering en toch één.’

    Wyl zwijgt even om adem te halen. Ik besef dat ik de mijne inhield.

    ‘En tot slot is er nog een manier van kijken die we even belangrijk vinden, een manier van kijken die verandering en verbinding ziet als een constante. Denk aan het Passamaquoddy-volk, mijn volk, afkomstig van de grond waarop wij nu staan. Wij hebben een veelheid aan woorden voor “rivier”, “veld” en “wind”, voor nog veel meer; woorden die zowel zelfstandig naamwoord als werkwoord zijn voor iets wat leeft. Denk eens aan een rivier. Hoe vreemd het is dat het Engels maar één woord heeft om een kracht te beschrijven die constant in voortgaande beweging is. De Passamaquoddy hadden afzonderlijke woorden om te beschrijven waar de rivier breder wordt, kskopeke, waar ze weer vernauwt, ksepique, waar ze zich splitst of weer samenvloeit, niktuwicuwon, om er maar een paar te noemen. Het is moeilijk om de relatie die je met je taal hebt te veranderen, maar niet onmogelijk. Om te beginnen moet je je ervan bewust zijn.’

    Wyl geeft nog meer voorbeelden, bijvoorbeeld hoe het classificeren van een veld als een ding, als een ‘het’, het veel makkelijker maakt dat het land geëxploiteerd en respectloos behandeld wordt. Maar als we een veld zien als onderdeel van iets wat verbonden en belangrijk is, als een verschijningsvorm van het land op een bepaald moment in de tijd – pomskute, een veld strekt zich uit – zullen we het – se – des te beter verzorgen.

    Verandering

    ‘Alles verschuift als je eenmaal beseft dat het onze verantwoordelijkheid is om voor ons thuis te zorgen, wil er enige hoop zijn dat se op hun beurt voor ons zullen zorgen,’ zegt Wyl. ‘De natuur is veerkrachtig, verandert voortdurend, past zich aan. En onze rol als rentmeester, als veranderaar, is niets nieuws. Mensen veranderen al tienduizenden jaren de natuur. Gemeten naar de geologische tijd is het pas sinds kort dat deze verandering catastrofaal en destructief is geworden.’

    Van radicaal herwilderen tot stadstuinieren, Wyl legt uit dat de visie van de Houders een veelheid aan oplossingen inhoudt. Ik kijk om me heen: rijke aarde, grote bomen, een overvloed aan voedsel en bloemen. Het geheel ziet er totaal anders uit dan de steriele monoculturen die ik altijd in de propaganda van FarmCo zie. Se is halfwild en prachtig, verzorgd door mensen en gedijend op beton.

    Het voelt alsof er maar een paar minuten zijn verstreken sinds ik hier ben, maar de ondergaande zon zegt iets anders. Wyl is uitgepraat en ik zit nu naast hen en kijk toe hoe de lege wolken zich met kleur vullen. Ik vraag hun hoe lang hen al bij de Houders is.

    ‘Een paar jaar nu.’ Wyl glimlacht en schermt hun ogen af. ‘Ik kan me nauwelijks herinneren hoe mijn leven daarvóór was.’

    ‘Als wat jullie zeggen waar is, als er duizenden van jullie zijn…’

    ‘Waarom heb je ons dan nooit gezien?’

    Ik knik.

    ‘Je hebt ons wel gezien. Je wist het alleen niet.’ Hen zwijgt even en plukt een bloem van een bed vlakbij. Gaillardia aristata. ‘Dat is het probleem met hoe mensen over ons denken. Alsof we allemaal zelfgemaakte kleren zouden dragen en in communes of zoiets wonen. Natuurlijk zijn sommigen van ons wel zo.’ Hen lacht en draait de bloem tussen hun duim en wijsvinger rond. De bloemblaadjes zijn geel omrand en rood, als de strepen aan de verblekende hemel. ‘Maar het punt is, iedereen kan Houder worden, als ze willen.’

    Tidings

    Het verhaal ‘Tidings’ van Rich Larson begint in het jaar 2038. Tsayaba is teruggekeerd naar haar geboortedorp in Niger. Ze heeft biochemie en biotech gestudeerd in Nigeria en hoopt nu in haar vertrouwde dorp, waar ook haar jongere nichtje Ouma woont, een uitvinding te testen.

    ‘En nu is ze terug, hier in het stoffige Maradi, waar zij en Ouma samen zijn opgegroeid, om het kleine biologische apparaatje uit te testen waar ze al anderhalf jaar aan sleutelt. Of al een hele verdomde eeuw, afhankelijk van wanneer je het haar vraagt. Het naamloze ding heeft ongeveer de grootte van Ouma’s gebalde vuist en is gemodelleerd naar het spijsverteringskanaal van een wasworm, met een gladde huid en trilhaartjes waarmee het gemakkelijk door het zand zou moeten kunnen glijden op een manier waar Bostobots nog steeds mee worstelen. Maar het beweegt niet.’ Tsayaba pakt haar laptop, ‘waarvan Ouma weet dat ze die heeft gebouwd van oude onderdelen, om onethisch gewonnen goud en wolfraam te vermijden’, en na wat gepruts lukt het uiteindelijk: ‘het ding’ van Tsayaba eet plastic. 

    Het verhaal switcht dan naar Praag in 2044, waar een stel na een date in bed belandt en Kat op de buik van Jan een bewegende livestream-tattoo aantreft. De tattoo toont klimaatvluchtelingen; Jan hoopt door ze te tonen hun kans op asiel te kunnen vergroten. Zo springt het verhaal via verschillende plekken en innovaties – zoals een taal-app om met dieren te communiceren – via de jaren 2066 en 2099 naar het jaar 2132 in Thailand. Daar komen alle innovaties samen: Nam communiceert met Truth, een dolfijn, en trekt hem een nerve suit aan, waardoor Nam en iedereen die met haar verbonden is en door haar duikbril meekijkt, kan ervaren wat het is om een dolfijn te zijn.

    ‘Ik wil het,’ zeg ik bijna fluisterend. 

    Eerst zegt Wyl niets, maar de stilte is niet ongemakkelijk. Na een tijdje antwoordt hen.

    ‘Ik hoopte al dat je dat zou zeggen. Je lijkt bij ons te passen, Talli. En je bent al een aardige burgerwetenschapper.’

    Ik kijk hen onderzoekend aan. Hen moet lachen. ‘Wees maar niet bang, we tracken je niet. De logs die je post zijn openbaar, meer niet.’

    Ik lach en voel hoe mijn lichaam weer even ontspannen wordt als hiervoor. Op dit moment overtuig ik mezelf ervan dat alles goedkomt. Dat het goedkomt met Renem en mij en dat ik haar kan laten inzien hoeveel deze plek voor ons kan betekenen. Dat de Aarde niet ten dode opgeschreven is. Dat hier nog zo veel mogelijkheden zijn. 

    Het is te veel om over na te denken, en daarom probeer ik naar het hier en nu terug te keren. Ik vraag Wyl of hen ooit buiten Brexton-Maine is geweest. Hen lacht zachtjes voor zich uit.

    ‘Waar ben ik níét geweest?’ Hen zwijgt even. ‘Ik ben bij hen begonnen in New Texas, met al die Pleistoceen-herwildering die daar gaande was.’

    Ik voel dat mijn mond openvalt. ‘Daar heb ik over gehoord. Jullie dropten reuzenschildpadden en kamelen in de woestijn. En ook carnivoren. Leeuwen, luipaarden. De leiders daar waren woest.’

    ‘Inderdaad.’ Wyl grijnst. ‘Het werkte geweldig goed. We kochten duizenden hectaren ongebruikt, vergeten land. Sommige mensen werden natuurlijk kwaad omdat we geen hekken om dat land heen hebben gezet. Maar het was het waard. We begonnen met een paar honderd dieren, allemaal bedreigde soorten. Nu gaat het goed met se en geeft het land meer leven dan se in duizenden jaren heeft gedaan.’

    Wyl zwijgt nadenkend. Hun haar beweeg zacht in de wind, tegen het licht van het laatste restje zonsondergang.

    Vier Laatste Levenden

    ‘Het duurde niet lang voordat ik vermoedde dat er vier Levende Laatsten waren: ikzelf; de Groenlandse haai; een bateleur of Zimbabwaanse adelaar, die hoog zweeft boven een nu lege kloof waar ooit grote watervallen waren; en de laatste barasingahert, dat door het rotsachtige Nepalese terrein dwaalt op zoek naar nattere grond,’ schrijft Mike McClelland in het verhaal The Secrets of the Last Greenland Shark. De ik-persoon, de laatste mens, ontdekt dat de laatst overgebleven soorten elkaars gevoelens, gedachten en geschiedenis kunnen ervaren: ‘Ik bracht nog meer tijd door met de andere Laatsten, wisselde herinneringen uit en was samen met hen op deze manier, op deze wonderbaarlijke wijze, waarop we samen konden zijn.’ 

    Voor de laatst overgebleven mens is vooral de laatste Groenlandse haai interessant, omdat die al honderden jaren oud is. Maar het dier blijft een mysterie: ‘Bij andere Levende Laatsten kon ik wel een vaag beeld van hun gedachten en emoties krijgen, en uiteindelijk leerde ik raden wat de Laatsten, levend of dood, voelden op basis van wat ze zich herinnerden. Maar de Groenlandse haai bleef vooral een mysterie voor mij.’ 

    De Groenlandse haai is rusteloos en gaandeweg ontdekt de mens dat de haai op zoek is naar de plek waar hij vijfhonderd jaar eerder is geboren. Als de haai die plek eindelijk vindt, wordt het contact tussen de haai en de overige Levende Laatsten ogenschijnlijk verbroken, maar dan ontdekt het overgebleven drietal dat ze zich in de haai bevinden en alle drie herboren worden als Groenlandse haai: ‘Ik voelde mijn menselijke vorm verslappen, loslaten en voelde mijn nieuwe, koude lichaam als een pijl door het water bewegen. En ik hoorde een stem in mijn hoofd, in mijn hele lichaam eigenlijk, hoewel ik niet zeker wist of het de hare of de mijne was. Wat de stem zei was simpel. 

    Overleven, overleven, overleven.’

    ‘Weet je, we hebben hier in de buurt op kleinere schaal ook aan herwildering gedaan,’ zegt hen. ‘Wil je dat zien?’

    Ik kan geen woorden vinden die sterk genoeg zijn om uit te drukken hoe graag ik dat wil, dus ik knik alleen maar.

    Hen leidt me het gebouw uit, naar hun auto die op de straat daarachter staat geparkeerd. ‘Ik heb in geen eeuwen in zo’n ding gezeten,’ zeg ik.

    Wyl grijnst opnieuw. ‘Ze zijn een stuk goedkoper als je geen elektriciteit via de stad hoeft te betalen.’

    We rijden weg. Na een half uur zijn we in het moerassige deel van de stad, waar overstromingen aan de orde van de dag zijn en waar degenen die de pech hebben daar nog steeds te wonen, eraan gewend zijn dat hun huis een en al schimmel en verrotting is. Opeens stopt hen. Het enorme, verlaten terrein ziet er niet uit als een belangrijke plek. Het is drassig, overwoekerd en vergeven van de muggen. Maar Wyl stapt toch uit en ik ga achter hen aan, door modder en rietbosjes, tot we bij een middelgrote plas komen. Hen had wel gezegd dat deze herwildering kleinschaliger was, maar zo klein, zo onbeduidend had ik niet verwacht.

    ‘Is dit het?’ vraag ik, terwijl ik mijn best doe de teleurstelling niet in mijn stem te laten doorklinken.

    ‘Het is bijna donker. Even geduld nog.’ Hen hurkt neer en gebaart dat dat ik hun voorbeeld moet volgen.

    ‘Op honderden plekken als deze hebben we leven teruggebracht. Puspahkomike, draslanden’

    Wyl had gelijk, al snel is alle kleur uit de hemel verdwenen en de warmte van de dag vervlogen. Sommige muggen vliegen mee, dat is tenminste iets. Mijn rug doet pijn en ik krab aan de zwellende bulten op mijn benen en armen. Ik zin net op een of ander excuus, als ik iets hoor. Het klinkt vaag menselijk en krakerig, een keelachtig, muzikaal geluid.

    ‘Op honderden plekken als deze hebben we leven teruggebracht. Puspahkomike, draslanden. Heb je er al een gezien?’

    Ik schud mijn hoofd, ook al kan hen dat in het donker waarschijnlijk niet zien. Ik schaam me om het te vragen, maar doe het toch: ‘Wat is dat voor geluid?’

    Wyls stem is nauwelijks meer dan gefluister. ‘Kikkers, Talli. Honderden kikkers.’

    ‘Dat kan niet,’ fluister ik terug. ‘Die zijn toch al tientallen jaren uitgestorven?’ Ik weet dat ik gelijk heb; een paar jaar geleden heb ik gelezen over een schimmel die zich over het grootste deel van het noordoosten van het land had verspreid en die dodelijk was voor kikkers, salamanders en andere amfibieën.

    ‘Op een bepaald moment, ja. Maar enkele soorten waren niet vatbaar voor de chytride. En se hebben we hierheen gebracht.’

    Kikkers

    Ik hou mijn mond, maar vraag me af wat er zo geweldig aan is om een paar kikkers terug te brengen. De Pleistoceenherwildering, dat snap ik. Maar dit… het lijkt me een hoop moeite voor niets.

    ‘Kikkers zijn een hoeksteensoort, weet je,’ zegt Wyl alsof hen mijn gedachten kan lezen. ‘Net als de megafauna die we in het zuidwesten hebben geïntroduceerd. Sinds we se hierheen hebben gebracht, zijn ook andere dieren teruggekomen. Slangen, vogels, kleine zoogdieren. Dit plasje is een volledig functionerend ecosysteem.’

    Niet alleen mijn ogen passen zich aan. Ik kijk ingespannen naar een verzameling natte, glimmende stenen; natuurlijk, het zijn geen stenen, maar ronde, glanzende, prachtige kikkers.

    We zitten weer in de auto en ik wil voorgoed in dit moment blijven. Ik dwing de tijd langzamer te gaan, om alles om me heen te kunnen opnemen. De manier waarop Wyls neus een klein beetje wipt, de over hun gezicht gestrooide sproeten. Hun diepbruine ogen die precies op die van Renem lijken. Renem. Wyl draait treurige, zachte muziek die helpt de tijd te rekken. Geen tekst, het klinkt klassiek. Maar dat kan iemand als ik niet weten. Het is alsof Wyl langzamer rijdt dan zou moeten, misschien voelt hen de ernst van de situatie ook. Ik bevind me op het keerpunt van een slinger en weet niet of ik ooit nog terug zal zwaaien. Mijn dagelijks leven bestaat niet uit herwilderen en de wereld eren met nieuwe woorden; het bestaat uit gespannen gesprekken voeren, worstelen om te overleven en proberen Renem te overtuigen dat we de Aarde niet hoeven te verlaten.

    Wyl verbreekt de stilte. ‘Heb je nog een paar uur over?’ vraagt hen. ‘Ik moet je nog één ding laten zien.’

    We zijn al in mijn deel van de stad, slechts een paar minuten rijden van de verlaten slagerij die Renem en ik op dit moment thuis noemen. Het is uren geleden sinds ik voor het laatst contact met haar had.

    ‘Als je terug moet, begrijp ik dat wel.’ Wyl stopt en trommelt nerveus met hun vingers op het dashboard.

    ‘Ze bedoelden het goed, maar waarom was hun motto “Red de Aarde”? Waarom zeiden ze niet gewoon “Red ons”?’

    ‘Een paar uur kan geen kwaad,’ zeg ik.

    Wyl lacht en keert de auto. ‘Het is de moeite waard. Dat beloof ik.’

    Die paar uren vliegen voorbij. We, nou ja vooral Wyl, praten over van alles, van de gebrekkige retoriek van milieuactivisten uit de twintigste eeuw – ‘Ze bedoelden het goed, maar waarom was hun motto “Red de Aarde”? Waarom zeiden ze niet gewoon “Red ons”?’ – tot de terravormingprojecten van de Houders in Siberië, de Sahara en langs de Golf van Mexico. Dankzij hun gepraat springt de tijd terug in een natuurlijker tempo, maar hij gaat ook weer niet zo snel dat ik de aanzwellende pijn in mijn buik vergeet.

    Alsof ze hierop gewacht heeft, krijg ik een bericht van Renem. ‘Waar ben je?’

    Er is geen audio bij het neurobericht, maar ik weet dat haar toon scherp en verwijtend is. Ik weet ook dat ze zich waarschijnlijk zorgen maakt. Ik negeer het bijna een half uur lang, maar antwoord uiteindelijk: ‘Ik probeer iets voor ons te bedenken.’

    Haar antwoord is nauwelijks verrassend: ‘Je bent gek als je denkt dat die sekte je kan redden.’

    ‘Die kan ons wél redden,’ antwoord ik.

    ‘We vertrekken morgen.’

    De hemel barst open en wordt rood. Ik krimp ineen in de passagiersstoel en bedek mijn oren. Nog een zwerm scheepjes die door de atmosfeer heen breekt. De vuurrode streep gaat snel over in zwart. Ik was vergeten dat het morgen was. De pijn in mijn buik wordt nog erger.

    ‘We zijn er bijna,’ zegt Wyl. 

    We zijn buiten op het platteland, of wat platteland geworden is. De geraamtes van wat nu een nutteloos industriegebied is, steken uit de wuivende grassen en bloemen omhoog, een extra bizar schouwspel onder de volle maan. De weg maakt een scherpe bocht. Het is moeilijk om alles goed te zien, maar terwijl we om een grote heuvel heen rijden, tekenen tientallen huisjes, rijen halfwilde tuinen en glinsterende zonnepanelen zich steeds scherper af. 

    De natuur is nooit verdwenen uit onze stad. Ze heeft alleen zorg nodig, rentmeesterschap

    ‘Ik dacht dat je het wel leuk zou vinden om een van onze dorpen te zien.’ Wyl stapt de auto uit en gebaart dat ik hen moet volgen. We lopen naar een van de tuinen; de verstrengelde ranken van bonen- en pompoenplanten slingeren zich rond het latwerk en zien er onwerkelijk uit in het maanlicht.

    Wyl dompelt hun hand in een zak die rond het latwerk is gebonden en haalt er een glanzende handvol uit. ‘Zaden kunnen overal geplant worden. Ze hebben geen volmaakte omstandigheden nodig om te groeien.’ Hen laat er een paar in mijn uitgestrekte hand vallen en sluit mijn vingers om se heen. ‘De natuur is nooit verdwenen uit onze stad. Ik weet dat jij dat weet. Ze heeft alleen zorg nodig, rentmeesterschap. Wil jij een van onze Houders worden?’

    Als ik wil antwoorden, hoor ik weer de ping van een bericht. Tranen springen in mijn ogen, tranen van verdriet, maar evenzeer van opluchting. Natte, levende druppels die wegsijpelen in de grond onder me. Ik kijk op, weg van de zaden in mijn hand en in de ogen van Wyl. En ik knik.