Om het einde van de Ramadan te vieren worden er heteluchtballonnen opgelaten. De traditie markeert niet alleen het einde van de vastenmaand, maar symboliseert ook het loslaten van zorgen en angsten.
Om het einde te vieren van de Ramadan worden sinds 1950 jaarlijks heteluchtballonnen opgelaten in Wonosobo, op Midden-Java. De viering staat voor het loslaten van zorgen en angsten en het omarmen van een nieuw begin.
Bij de World Eskimo-Indian Olympics in Fairbanks strijden atleten tegen elkaar op onderdelen als de blanket toss, knuckle hop en ear pull. Alle onderdelen zijn gebaseerd op overlevingstechnieken van hun voorouders.
Elke zomer vindt in Fairbanks in Alaska een van de belangrijkste culturele evenementen voor de inheemse bevolking van Alaska plaats: de World Eskimo-Indian Olympics (WEIO). Sinds 1961 komen inheemse atleten op het vierdaagse evenement af, niet alleen vanuit de verste uithoeken van de staat, maar van over de hele wereld. Ze kunnen er deelnemen aan een groot aantal verschillende onderdelen, die allemaal gebaseerd zijn op overlevingstechnieken en culturele praktijken die al generaties lang van groot belang zijn in hun gemeenschappen.
De geschiedenis van WEIO is relatief kort vergeleken met de geschiedenis van de vele inheemse volkeren in Alaska. Juist die grote verscheidenheid aan culturele gemeenschappen, waartoe onder andere de Inuit, Iñupiaq, Yupik en Athabasken behoren, is de reden dat de WEIO ooit zijn opgericht.
In 1961 kwamen Bill English en Tom Richards sr., allebei piloot bij de nu opgeheven luchtvaartmaatschappij Wien Air Alaska, voor hun werk bij een aantal afgelegen gemeenschappen in de staat. Tijdens deze bezoeken aan inheemse volken woonden ze verschillende evenementen bij. Denk hierbij aan dansen, maar ook aan andere fysieke activiteiten, zoals de blanket toss, waarbij je als deelnemer op een strak gespannen deken van huiden staat die soms door wel meer dan dertig mensen wordt vastgehouden, waarna je de lucht in wordt gegooid en moet proberen in evenwicht te blijven en op je voeten te landen. (De traditie is ontstaan bij de Iñupiaq, een inheemse groep uit Noord-Alaska, die de techniek gebruikten om tijdens de jacht voorbij de horizon te kunnen kijken.)
Belang van tradities
Volgens Gina Kalloch, voorzitter van het WEIO-bestuur en een Athabaskische Koyukon, ‘hadden English en Richards oprechte waardering voor wat ze aantroffen. Ze beseften dat het belangrijk was deze activiteiten toegankelijk te maken voor mensen elders in de staat, zodat er meer begrip werd gekweekt voor het belang van de tradities die buiten de grote Alaskaanse steden plaatsvinden.’
Die zomer werden in Fairbanks, met steun van de lokale Kamer van Koophandel en Wien Air Alaska, de eerste WEIO georganiseerd, die toen nog de World Eskimo Olympics werden genoemd. A.E. ‘Bud’ Hagberg en Frank Whaley, beiden werkzaam bij de luchtvaartmaatschappij, worden gezien als de oprichters van WEIO. Wien Air bood aan om vluchten te betalen zodat atleten uit verschillende dorpen konden deelnemen aan een reeks evenementen die grotendeels de nog levende tradities van inheemse culturen weerspiegelen. Er deden uiteindelijk vier Eskimo-dansgroepen en twee Indiaanse dansgroepen mee, plus deelnemers aan de high kick, blanket toss en seal skinning. Bij de opening werd bovendien gestreden om de titel Miss Eskimo Olympics Queen.
‘De ear pull is speciaal ontworpen om het verdragen van pijn op de proef te stellen’
Vandaag de dag trekt het evenement duizenden toeschouwers en honderden atleten. Er vinden ruim twintig atletiekonderdelen plaats, allemaal traditionele spelen die al lang vóór de WEIO bestonden. Bij de zogenaamde knuckle hop staat uithoudingsvermogen centraal: deelnemers huppen vanuit een push-up naar voren en mogen daarbij alleen met hun knokkels en tenen de grond aanraken. De four man carry stelt kracht op de proef, en het vermogen om langere tijd een zware last te dragen, zoals bij het vervoer van vlees na de jacht. De Indian stick pull toetst de vaardigheden die nodig zijn om een vis uit het water te grijpen: twee deelnemers moeten een ingevet stuk hout van een meter lang uit elkaars hand zien te wrikken. Volgens de website van de WEIO draait de beruchte ear pull om ‘stamina’, uithoudingsvermogen. De deelnemers binden ieder hetzelfde stuk pees achter hun oor en trekken er zo hard mogelijk aan. Het doel is om de pees van het oor van de tegenstander af te rukken.
‘De ear pull is speciaal ontworpen om het verdragen van pijn op de proef te stellen,’ zegt Kalloch. ‘Dit onderdeel simuleert de pijn die je voelt bij bevriezing en leert mensen ermee om te gaan. Ik heb het één keer gedaan en doe het nooit meer, maar mijn dochter heeft er een gouden medaille mee gewonnen.’
Kalloch heeft zelf een gouden medaille behaald bij de Alaskan high kick. Hierbij balanceer je als deelnemer op één hand terwijl je met gestrekt been tegen een in de lucht hangend voorwerp, een bal bijvoorbeeld, aan schopt. Ze heeft ook meegedaan aan een aantal krachtonderdelen, zoals de Eskimo stick pull: twee deelnemers trekken zittend aan dezelfde stok, met als doel hun tegenstander omver te trekken. Dat eerste spel is onder de Iñupiaq een populair tijdverdrijf tijdens koude winterdagen. Het tweede onderdeel is gebaseerd op de techniek waarmee men bij de winterjacht een zeehond uit een wak trekt.
Signalen
Volgens Kalloch zijn twee van de populairste onderdelen bij de Spelen de eenvoetige en tweevoetige high kick, waarbij atleten moeten springen en tegen een hangend voorwerp moeten schoppen om vervolgens weer op hun voeten te landen. De oorsprong van deze twee onderdelen, niet te verwarren met de Alaskan high kick, ligt in een communicatievorm die vóór de tijd van walkietalkies en mobiele telefoons door vissersgemeenschappen aan de kust werd gebruikt.
‘De noordelijke gebieden van Alaska zijn heel vlak, je kunt er kilometers ver kijken,’ zegt ze. ‘Tijdens de jacht konden jagers via verschillende soorten schoppen signalen naar het dorp sturen. Zo konden ze laten weten dat er iemand gewond was, of dat de jacht geslaagd was en er meer mensen nodig waren om de vangst te helpen dragen. Ze konden alles zeggen wat je nu via de telefoon of telegraaf kan overdragen.’
‘We kijken uit naar de WEIO, omdat we er met familieleden zijn die we niet vaak zien. Het is net een grote familiereünie’
Amber Applebee, die ook een Athabaskische achtergrond heeft, doet bij de WEIO al jaren mee aan krachtonderdelen als de Eskimo stick pull, de arm pull (waarbij twee zittende deelnemers hun ellebogen om elkaar slaan en hun tegenstander omhoog proberen te trekken) en de greased pole walk (een evenwichtsspel waarbij tegenstanders met blote voeten over een ingevette boomstam lopen). Daarnaast is ze al ruim twintig jaar coach, en ze neemt het vaak op tegen atleten die ze zelf heeft getraind. Omdat de evenementen niet naar leeftijd worden ingedeeld, is het niet ongewoon dat tieners en adolescenten in een nek-aan-nekrace (of oor-aan-oorrace) zijn verwikkeld met iemand van hogere leeftijd. De WEIO maken alleen indelingen op basis van geslacht en deelnemers moeten minstens twaalf jaar oud zijn.
‘Lesgeven is onder inheemse Alaskanen een traditie,’ zegt Applebee. ‘Veel kinderen groeien op met dit evenement en zien hun ouders en grootouders eraan meedoen. We kijken uit naar de WEIO, omdat we er met familieleden zijn die we niet vaak zien. Het is net een grote familiereünie.’
Applebee, wier drie kinderen stuk voor stuk medaillewinnaars zijn, noemt kameraadschap een belangrijk onderdeel van de wedstrijden. Volgens haar is het niet ongewoon dat deelnemers hun rivalen aanmoedigen. ‘Toen mijn dochter dertien was en voor het eerst meedeed, stonden we toevallig tegenover elkaar bij de Indian stick pull,’ zegt Applebee. ‘Ze heeft me er flink van langs gegeven: zij haalde goud en ik zilver.’ Nu, meer dan tien jaar later, is haar dochter jurylid.
‘Het is heel belangrijk voor mij om deze tradities aan nieuwe generaties door te geven,’ zegt ze. ‘Ik wil dat mijn kinderen weten wie we zijn en wat ons volk allemaal deed, en de WEIO zijn de beste manier om ze dat te leren.’
Veranderingen
De WEIO is een van de grootste organisaties in Alaska die deze inheemse tradities voor toekomstige generaties in leven houdt, maar ze is niet de enige. Zo biedt NYO Games Alaska een eigen spelprogramma dat speciaal op jonge atleten is gericht om ze al vroeg bij culturele tradities te betrekken. Beide organisaties bieden inheemse Alaskanen bovendien de mogelijkheid om de tradities van hun voorouders te blijven beoefenen. Dat is vooral belangrijk voor degenen die in stedelijke gebieden wonen, waar ze minder vaak met hun cultureel erfgoed in contact komen.
‘De WEIO worden elk jaar belangrijker, omdat zovelen van ons de band met ons land en onze talen zijn kwijtgeraakt’
‘De WEIO worden elk jaar belangrijker, omdat zovelen van ons de band met ons land en onze talen zijn kwijtgeraakt,’ zegt Kalloch. ‘Door veranderingen in de manier van leven verhuizen mensen naar de stad om werk te zoeken. Op een bepaalde manier is dat vooruitgang, maar voor inheemse mensen gaat met zulke veranderingen ook altijd verlies gepaard. De Spelen geven mensen de kans zich te verbinden met vroegere generaties en te doen wat hun voor-ouders deden. We voelen de noodzaak om zo veel mogelijk te behouden, want het maakt ons tot wie we zijn.’
Hoewel Nigeria het rijkste land van Afrika is, gemeten naar het bruto binnenlands product, staat het op nummer vier van de lijst met het hoogste aantal vrouwen dat overlijdt bij de bevalling. Dat heeft te maken met Boko Haram, maar ook met een gebrekkige gezondheidszorg en traditionele kraamgewoontes. Stella Aneto wil daar iets aan wil doen.
In de kleine medische kliniek met witgeverfde muren in Banki, een van de grootste kampen voor intern ontheemden in het noordoosten van Nigeria, veroorlooft vroedvrouw Stella Aneto zich zo heel nu en dan tussen de bevallingen door een korte pauze om even op adem te komen. Voordat ze het enige kraambed van de kliniek schoonmaakt met desinfecterend middel, werpt ze een blik in het logboek van de kliniek. Er zijn twee vrouwen die zojuist een kind op de wereld hebben gezet en er zijn minstens drie vrouwen bij wie de bevalling net op gang is gekomen. Ze geeft een assistent opdracht extra spullen voor een spoedingreep klaar te zetten. Bij bevallingen kan er van alles en nog wat misgaan, al helemaal in een gebied waar veelvuldig sprake is van kindhuwelijken, ondervoeding en malaria, en waar het voor een vroedvrouw niet ongebruikelijk is een achttienjarige bij te staan bij de geboorte van haar vierde kind.
In een spartaanse kliniek zonder elektriciteit of stromend water, dik honderd kilometer van het dichtstbijzijnde ziekenhuis, is er een grote kans om in het kraambed te overlijden. Maar sinds Aneto een jaar geleden in de kliniek is begonnen, heeft ze nog niet één patiënt verloren. ‘Ik ben altijd bang voor complicaties,’ zegt ze. ‘Als er iets fout gaat, beschikken we niet over de juiste middelen om hulp te bieden.’ Aneto’s voornaamste doel is dan ook zorgen dat er niets fout gaat. En de enige manier om dat voor elkaar te krijgen, zegt ze, is door een goede voorbereiding. ‘Preventie komt hier neer op voorbereiding.’
1549 vs. 3
Nigeria is een riskante plek om te bevallen.
In Nigeria sterven jaarlijks zo’n 58 duizend moeders in het kraambed en 240 duizend baby’s overlijden binnen 28 dagen na de geboorte. Hoewel Nigeria het rijkste land van Afrika is, gemeten naar het bruto binnenlands product, staat het op nummer vier van de lijst met het hoogste aantal vrouwen dat overlijdt bij de bevalling. De situatie is het ergst in het noordoostelijke deel van het land. Hier, in de staat Borna, het epicentrum van het gebied dat al decennia wordt geteisterd door de islamitische opstand onder leiding van Boko Haram, sterven jaarlijks meer dan 6500 baby’s aan aandoeningen die voorkomen hadden kunnen worden – twee keer zoveel als in de rest van het land, volgens cijfers van de Nigeriaanse overheid. Jaarlijks overlijden er tussen de 3500 en 4500 vrouwen aan oorzaken die verband houden met de bevalling.
Nog voor de strijd oplaaide had deze chronisch ondervoede regio al te kampen met een hogere sterfte onder moeders en pasgeboren kinderen dan in de rest van het land, goeddeels als gevolg van een traditionele aanpak en een geschiedenis van politieke verwaarlozing. Toen Boko Haram zo rond 2012 terrein begon te winnen, ontvluchtte de helft van alle artsen de regio. Gezondheidscentra werden overvallen en geplunderd, waardoor met name zwangere tieners en vrouwen extra kwetsbaar waren. Met 1549 sterfgevallen op 100.000 levend geboren kinderen was de moedersterfte in het noordoosten bijna twee keer zo hoog als het landelijk gemiddelde van 814, volgens een onderzoek van de WHO. In Finland is het gemiddelde 3.
UNICEF schat dat er nog maar een handvol verloskundig-gynaecologen is achtergebleven in het gebied rondom Maiduguri, de hoofdstad van de staat Borno en tevens de grootste stad van het noordoosten. Maar volgens Pernille Ironside, de UNICEF-vertegenwoordiger in Nigeria, bevallen er jaarlijks 250.000 vrouwen in de regio. Afgaande op globale statistieken verwacht zij dat er zonder hulp bij zo’n 50.000 van die vrouwen tijdens de bevalling levensbedreigende complicaties kunnen optreden. ‘In de meerderheid van deze gevallen is het overlijden absoluut te voorkomen,’ zegt Ironside. ‘Geen enkele moeder, waar ook ter wereld, zou hoeven meemaken dat zij tijdens de bevalling haar kind verliest of zelf het leven laat.’
Deze getallen wijzen niet alleen op tragische tegenslag; het zijn ook sterke indicatoren van een gebrekkig nationaal gezondheidsstelsel. De kwestie speelde een belangrijke rol bij de presidentsverkiezingen, die uiteindelijk hebben plaatsgevonden op 23 februari. Voor Aisha Buhari, de vrouw van president Muhammadu die zich opnieuw verkiesbaar heeft gesteld, is het terugdringen van het aantal sterfgevallen bij de geboorte een prioriteit. ‘Als een land niet in staat is haar meest kwetsbare inwoners te beschermen tegen een dood die te voorkomen zou zijn geweest, zegt dat iets over de kracht van het systeem in bredere zin,’ aldus Sanjana Bhardwai, die zich namens UNICEF bezighoudt met de gezondheidssituatie in Nigeria. Nigeria probeert de situatie in het noordoosten te veranderen, met hulp van UNICEF.
Aneto
Aneto, een energieke dertigjarige met een bril met hoekige glazen en een stijlvol zwierige paardenstaart, is een van de vijftig vroedvrouwen die sinds september 2017 in dienst zijn genomen om in Borno aan de slag te gaan in de klinieken van de kampen voor intern ontheemden. De vroedvrouwen, meestal jonge vrouwen afkomstig uit heel Nigeria, werken in roulerende diensten: vier weken werken en dan een week vrij om naar huis te gaan. Aneto, die duizend kilometer verderop woont, in de staat Anambra, zegt dat ze meer tijd kwijt is met op en neer reizen dan ze thuis kan doorbrengen, maar dat ze het toch de moeite waard vindt omdat ze op deze manier de kans krijgt echt iets aan de situatie te veranderen.
Ook het salaris is aantrekkelijk. Dankzij steun van UNICEF verdienen de vroedvrouwen die aan dit programma meedoen bijna twee keer zoveel als vroedvrouwen in een staatsziekenhuis. En terecht ook. Veel van de kampen bevinden zich in actieve oorlogsgebieden en zijn alleen toegankelijk via de lucht. Aneto, die vóór dit interview nog nooit in een vliegtuig had gezeten, was als de dood toen ze vertelde dat ze zich per helikopter zou moeten verplaatsen. Inmiddels is het voor haar net zoiets als een busritje. Waar ze moeilijker aan kon wennen is het geweervuur dat haar geregeld uit haar slaap houdt.
Volgens de Verenigde Naties neemt Nigeria wereldwijd 19 procent van alle sterfgevallen in het kraambed voor zijn rekening, en bijna een tiende van de mondiale kindersterfte. Aneto vindt het pijnlijk om daarbij stil te staan, al die levens die verloren gaan, al helemaal omdat zij zich ervan bewust is dat met een beetje scholing en de juiste apparatuur, die percentages dichter in de buurt zouden kunnen komen van het Europese gemiddelde, dat met 16 sterfgevallen op 100.000 geboorten zo’n twee procent bedraagt van het Nigeriaanse percentage.
Het kan enkele dagen kosten om een militair konvooi naar een ziekenhuis in Maiduguri te regelen, zeker wanneer er zwaar wordt gevochten
Het leven in Banki zou makkelijker zijn als ze 3G op haar mobieltje zou hebben, zegt ze lachend, maar over het geheel genomen is er niet eens zulke heel geavanceerde technologie voor nodig om levens te redden. ‘We moeten gewoon zorgen dat vrouwen naar de kliniek komen, met enige regelmaat.’ Voor haar begint preventie met geregeld monitoren, zodat mogelijke problemen zich al in een vroeg stadium openbaren en kunnen worden opgelost voordat de vrouw in kwestie op de kraamtafel ligt. De aanbeveling van het Nigeriaanse ministerie van Gezondheid is om gedurende de zwangerschap vier keer een arts of verpleegkundige te bezoeken. In 2016 veranderde de WHO die aanbeveling van vier naar acht bezoekjes. Aneto wil haar patiënten minstens eens per maand zien en ze vindt het geen enkel punt als ze vaker komen. Zo kan ze zich ervan vergewissen dat ze hun malariapillen nemen en onder een klamboe slapen. Malaria is een van de belangrijkste oorzaken van vroeggeboorten, uterusrupturen en overmatig bloedverlies.
In een afgelegen gebied als Banki, of de tientallen andere kampen voor intern ontheemden waar UNICEF medische klinieken heeft opgezet, is het nog belangrijker om mogelijke problemen zo snel mogelijk op het spoor te komen, aldus dokter Saidu Hassan, een verloskundig-gynaecoloog verbonden aan het Maternal and Newborn Health program van UNICEF. Medische evacuaties zijn weliswaar mogelijk, maar het kan enkele dagen kosten om een militair konvooi naar een ziekenhuis in Maiduguri te regelen, zeker wanneer er zwaar wordt gevochten. Als duidelijk is dat een zwangere vrouw specialistische zorg nodig heeft, kunnen vroedvrouwen haar ruim voordat ze is uitgerekend doorsturen naar de hoofdstad om complicaties te voorkomen, zegt Hassan. Maar ‘als een vrouw een inwendige bloeding krijgt in Banki en een bloedtransfusie nodig heeft, tja, dan is de kans groot dat ze het niet haalt.’ Een geoefende vroedvrouw kan niet alleen de bevalling zo begeleiden dat er minder kans is op inwendige bloedingen, maar ook tijdens de bevalling mogelijke problemen voorzien en in een vroeg stadium ingrijpen.
Aneto is het bed nog aan het schoonmaken als Halima Musa, een vrouw van dertig, de verloskamer binnen komt strompelen, ondersteund door een paar medewerkers van de kliniek. Binnen enkele momenten klinkt het boze gehuil van een pasgeboren meisje – Musa’s zevende kind. Aneto is nog niet eens klaar met het wassen van het kind als Musa snel van de tafel moet om ruimte te maken voor Fanna Balama, een meisje van vijftien. Balama’s baby – haar eerste – komt al met haar hoofdje naar buiten en een andere vroedvrouw neemt het over. Aneto wist het zweet van haar voorhoofd en lacht. ‘Soms komen er zoveel vrouwen binnen dat het hier net de markt lijkt.’
De aansporing om niet thuis te bevallen maar naar de kliniek te komen, begint zijn vruchten af te werpen in het noordoosten. De Banki-kliniek heeft in 2018 maar liefst 1271 baby’s ter wereld geholpen zonder dat er ook maar een vrouw in het kraambed is gestorven. Maar in het kamp zijn wel vrouwen overleden die het kind thuis hebben gebaard. ‘Thuisbevallingen zijn hier een serieus probleem,’ zegt Kellu Dauda, een achtentwintigjarige vroedvrouw in een kliniek in Ngala, dat ook aan de grens met Kameroen ligt. ‘Als je in een kliniek bevalt, kunnen wij iets doen als er problemen zijn. Als een vrouw inscheurt, kunnen wij haar hechten. Als er een bloeding is, kunnen wij daar iets aan doen. Als je thuis bevalt kan er van alles misgaan.’
Zo’n tachtig procent van de vrouwen in het noordoosten van Nigeria bevalt nog altijd gewoon thuis, waar geen toegang is tot de voorzieningen die levensreddend kunnen zijn. Velen zijn afhankelijk van de hulp van traditionele bakers die het ongetwijfeld goed bedoelen maar die complicaties tijdens de geboorte soms alleen nog maar verergeren.
Insmeren met koeienmest
Vaak trekken ze de placenta naar buiten, waardoor de baarmoeder kan scheuren, in plaats van te wachten tot de placenta vanzelf naar buiten komt. Soms maken ongeschoolde bakers gebruik van vieze instrumenten om de navelstreng door te knippen waardoor de baby onbedoeld bloedvergiftiging krijgt of tetanus oploopt. De traditie om de navelstreng van het kindje in te smeren met koeienmest is ook niet erg bevorderlijk. Maar de traditionele bakers maken niet altijd traditionele fouten. Onlangs merkte Hassan dat sommige bakers hun klanten injecteren met oxycotine om de weeën op te wekken. Als dat middel verkeerd wordt toegediend kunnen de gevolgen fataal zijn.
UNICEF heeft besloten niet de strijd aan te binden met de traditionele bakers, maar ze naar de klinieken in de kampen te halen, waar ze werk kunnen krijgen als assistent of schoonmaker en ondertussen worden opgeleid. Ze krijgen een beloning als ze zwangere vrouwen overhalen om naar de kliniek te komen, en als die vrouwen dan terugkeren met een gezonde baby, behoudt de baker haar status van vertrouwde figuur binnen de gemeenschap.
De vroedvrouwen hebben alle hulp nodig die ze maar kunnen krijgen. Dauda houdt van haar werk, maar de omstandigheden zijn zwaar. In de kliniek in Ngala krijgt Dauda soms wel vijftig zwangere vrouw per dag binnen en ze kan elk moment worden opgeroepen voor een bevalling. Niets is zo mooi als helpen een kind op de wereld te zetten, zegt ze, maar aan de andere kant is niets zo erg als ’s nachts een vrouw moeten hechten met het licht van een mobieltje omdat er geen elektriciteit in de kliniek is.
Het Nigeriaanse ministerie van Gezondheid zegt er alles aan te doen om de situatie voor zwangere vrouwen te verbeteren, niet alleen in het noordoosten maar in heel Nigeria. Maar de nood is groot en de middelen zijn zeer beperkt in een land waar de verhouding tussen medisch hulpverleners en aantal inwoners tot de slechtsten ter wereld behoort. Nigeria heeft maar twintig artsen, verpleegkundigen en vroedvrouwen op tienduizend inwoners, minder dan de 23 die volgens de WHO noodzakelijk is om ‘een beduidend aantal zwangere vrouwen adequate hulp te bieden bij de geboorte.’ UNICEF is van plan om verspreid over het land vijfduizend vroedvrouwen op te leiden, maar voor Ironside ‘voelt dat soms als een druppel op een gloeiende plaat. Er gaapt zo’n enorme kloof als je kijkt naar de beschikbaarheid van medische dienstverlening in het algemeen; waar het feitelijk op neerkomt is dat de overheid veel meer moet investeren in gezondheidszorg en opleiding in het noordoosten, zodra de situatie weer veilig is.’
Ze zaten in dezelfde Whatsapp-groep, maar Dauda kende geen van beide geëxecuteerde vroedvrouwen persoonlijk
Los van dit alles is er de voortdurende dreiging van Boko Haram in het gebied. Op 1 maart 2018 zijn bij een aanval van opstandelingen in de nabijgelegen stad Rann elf mensen vermoord, onder wie twee hulpverleners en een UNICEF-arts. Er werden een verpleegster en twee vroedvrouwen van het Rode Kruis in gijzeling genomen. Toen er geen losgeld werd betaald hebben ze op 17 september een van de vroedvrouwen geëxecuteerd, en de ander een maand later. Op 6 december sloeg Boko Haram weer toe en legde de UNICEF-kliniek in Rann in de as. UNICEF heeft de aanvallen veroordeeld en opgeroepen om alle hulpverleners te beschermen.
Ze zaten in dezelfde Whatsapp-groep, maar Dauda kende geen van beide geëxecuteerde vroedvrouwen persoonlijk. Hoewel ze bang is en haar familie erop aandringt dat ze weer naar huis komt, is ze niet van plan om te vertrekken. ‘Als wij er niet meer zijn, hoe moet het dan met al die zwangerschappen? Hoe moet het dan met al die baby’s? Zonder onze hulp zijn ze nog slechter af dan met Boko Haram.’
Time (gestileerd als TIME, ook wel Time Magazine) werd in 1923 opgericht als een publicatie met ‘lichtere en spannender geschreven’ stukken. Inmiddels worden er ook edities in Europa, Azië en Canada gemaakt en is er een speciale uitgave voor kinderen.
De meeste katholieke baby’s worden door de doop verlost van de erfzonde. Maar op het El Colacho-festival in het Spaanse Castrillo de Murcia pakken ze het anders aan.
Hier worden pasgeboren op straat gelegd, waarna mannen verkleed als de duivel over ze heen springen. Dit ritueel dateert al uit begin zeventiende eeuw, en wordt jaarlijks herhaald op de tweede donderdag na Pinksteren. Paus Benedictus is er niet blij mee. Alleen een traditionele doop is volgens hem geldig.
Aalsmeer is het epicentrum van de wereldwijde bloemenhandel. In een gigantisch gebouw worden dagelijks 27 miljoen bloemen verhandeld. El País kreeg een rondleiding door een labyrint van rozengeur en maneschijn.
Het is elf uur ’s ochtends als een koelwagen achteruitrijdt en zich vasthaakt aan laad- en losdock nummer 17. De chauffeurs stappen uit, openen de containers en er komen 48.250 rozen tevoorschijn. De rozen komen uit Soria [Spanje], waar ze twee dagen eerder zijn geplukt, waarna ze via Frankrijk en België in twintig uur tijd naar Aalsmeer zijn vervoerd. Hier, in dit gigantische gebouw van 1,3 miljoen vierkante meter met 443 identieke laad- en losdocks waar dagelijks 27 miljoen bloemen de ruimte binnengaan en weer verlaten, wordt de lading gelost. Binnen vindt de transactie tussen verkopers en kopers plaats. Op de grootste bloemenveiling ter wereld gaan de bloemen van de teler naar de groothandel, worden vraag en aanbod samengebracht en de prijs bepaald. De bloemen en planten worden verwerkt volgens een uitgekiend logistiek proces in het gebouw. Dit proces begint met de komst van een vrachtwagen met volle stapelwagens die door loodsmedewerkers worden uitgeladen.
De rozen uit Soria komen in bossen van tien. In elke rechthoekige emmer is plaats voor tachtig rozen, in elke stapelwagen passen er 1500. De rozen worden naar een koelcel gebracht met een temperatuur van vier graden boven nul, waar een laatste inspectie plaatsvindt. De beste rozen, van het type A1, met stelen van bijna een meter lang en dikke, openspringende knoppen, worden verfraaid met een kartonnen verpakking, waardoor de biedprijs wellicht hoger uitvalt.
‘Deze komen uit Ecuador, en die daar, dat zijn Afrikaanse rozen.’ Henk Lammers zit al 35 jaar in het vak en herkent de bloemen van de concurrent van veraf. Jaren geleden werkte hij als veilingkoper; daarna, in de jaren tachtig, opende hij in Madrid een groothandel en nu is hij in Nederland verantwoordelijk voor de transacties van Aleia Roses, een Spaans bedrijf dat in 2016 in de bloemenhandel is gestapt. Aleia Roses heeft in Soria een enorme kas waar de Red Naomi wordt geteeld, een van de meest gewilde rozen. Elke dag worden er honderdduizend rozen geoogst die bijna allemaal naar veilinghuis Aalsmeer worden getransporteerd, waar het bedrijf een eigen kantoor en koelcel heeft.
Lammers is onze gids in dit gebouw. We volgen zijn kindjes in deze enorme machinerie in Aalsmeer. Vele kilometers leggen we af in een labyrint van gangen en ijskoude ruimtes, waar het altijd ruikt naar een tuin in de vroege ochtend.
Jaaromzet 4,7 miljard
Royal Flora Holland, de coöperatie die eigenaar is van de Aalsmeerse bloemenveiling, draait een jaaromzet van 4,7 miljard euro (dat is twee keer de omzet van de Spaanse boekenbranche). De geschiedenis van het veilinghuis gaat terug tot het einde van de negentiende eeuw en is onderwerp van het proefschrift ‘The Making of Dutch Flower Culture’ (later bewerkt tot het boek Holland Flowering) waar de Amerikaanse antropoloog Andrew Gebhardt in 2014 op promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Van de zes veilinghuizen (nu zijn dat er nog vier) die eigendom zijn van Flora Holland werken tienduizend personen per dag via Aalsmeer,’ schrijft Gebhardt in zijn onderzoek. ‘Dit is de grootste van allemaal. Het veilinghuis bedient de lokale, de regionale en de wereldmarkt. Zowel in Nederland als daarbuiten is Aalsmeer het gezicht van de bloemenindustrie, en in Aalsmeer vond de allereerste veiling van tuinbouw- producten plaats.’
Gebhardt vertelt dat de plaatselijke passie voor bloemen is geboren in de zeventiende eeuw, de Nederlandse Gouden Eeuw. Toen richtten de Nederlanders de blik naar buiten, hielden ze zich bezig met wetenschappelijk onderzoek en deden allerhande uitvindingen, koloniseerden ze gebieden én vochten ze tegen de Spanjaarden. De nouveaux riches importeerden exotische goederen en raakten geïnteresseerd in nieuwe vormen van vrijetijdsbesteding, zoals tuindecoratie. Er ontstond zelfs een run op tulpen uit Turkije, de zogeheten tulpenmanie, die aan de wieg stond van een van de eerste financiële zeepbellen. De prijzen van tulpenbollen schoten omhoog en er werd druk geïnvesteerd en gespeculeerd. Je kunt het vergelijken met de bitcoineuforie van nu. Maar in 1637 spatte de bloembollenzeepbel uit elkaar en zagen veel middenklassers hun spaargeld verdampen.
Het was de opkomst van het protestantisme, van het kapitalisme en de markteconomie. Twee eeuwen later, toen de Aalsmeerse bloementelers hun eerste kassen bouwden (de eerste kas voor rozenteelt dateert uit 1896), besloten ze zich te verenigen in een coöperatie. Door hun oogst dagelijks op een veiling te verkopen konden ze tegenwicht bieden aan de machtspositie van de koper. Het veilinghuis Aalsmeer is in 1911 opgericht. Gebhardt: ‘Zonder veiling en zonder coöperatie zou de markt gedomineerd worden door de kopers.’ De in een coöperatie verenigde telers konden rekenen op een minimumprijs voor hun product, ze deelden het belang om een goed product te verkopen voor een redelijke prijs én ze waren immuun voor financiële zeepbellen: de snijbloem is een beperkt houdbaar product. Naarmate er minder oorlog werd gevoerd in Europa, de koopkracht steeg en de consumptiemaatschappij en globalisering zich consolideerden, groeide dit lokale initiatief.
Momenteel is Nederland de op vier na grootste bloemenproducent ter wereld (na de Verenigde Staten, China, Japan en India), maar omgerekend per hoofd van de bevolking is de sector kolossaal.
De bloemenindustrie bedraagt maar liefst 5 procent van het bbp. Nederland heeft 43 procent van de wereldwijde bloemenexport in handen en is daarmee met gemak marktleider. De omzetcijfers van 2016 van Flora Holland, de coöperatie die bijna alle veilingen in Nederland heeft opgeslokt, waren verpletterend. In dat jaar verkochten de vier veilingen samen 3,3 miljard rozen, 2 miljard tulpen, 1,2 miljard chrysanten en 1 miljard Afrikaanse margrieten. Een fors deel van die bloemen werd verhandeld via Aalsmeer. Nogal wat bloemen komen uit Kenia, Ecuador, Ethiopië en Colombia, na Nederland de grote exportlanden. Van daaruit vertrekken ze naar grootverbruikers als Duitsland, Groot-Brittannië en Frankrijk, waar snijbloemen een alledaags product zijn dat je in de supermarkt kunt kopen, legt Lammers uit, terwijl we nog steeds in de koelcel staan, die nu is volgeladen met zo’n zeventigduizend bloemen.
Voordat hij begint, loopt hij graag nog even de koelruimte in, om “te kijken en te voelen”: “Emoties sturen deze handel aan”
Snijbloemen blijven een week of drie goed. Daarom moet de veilinglogistiek snel en nauwkeurig verlopen en mag het koelen niet onderbroken worden. Onmiddellijk na het lossen verschijnt er een elektrisch wagentje, zo eentje waar gemakzuchtige golfers in rijden, dat zich vasthaakt aan de 31 stapelwagens met de rozen uit Soria, en zo vormen ze, vastgekoppeld aan elkaar, een tientallen meters lange bloementrein die langzaam het gebouw in rijdt. Tijdens de rit kruist het treintje andere bloementreinen die allemaal een frisse, zoete geur verspreiden. Daarnaast zijn er fietsen waarmee je gemakkelijk de afstanden in de veiling kunt overbruggen.
De rozen uit Soria worden naar een nieuwe koelcel gebracht, het voorportaal van de veiling – een ruimte die zo groot is dat je er een potje zou kunnen voetballen als er geen stellages met bloemen zouden staan en als de automatische deuren niet zomaar zouden openspringen om de zigzaggend door elkaar heen rijdende stapelwagens door te laten. In deze koelruimte staan alleen maar rozen, de rest van de snijbloemen gaan naar soortgelijke ruimtes. Hier blijven de rozen staan tot morgenochtend zes uur, wanneer de veiling begint. Om vijf uur ’s ochtends, een uur voor aanvang van de veiling, loopt een man langs de rijen rozen uit verschillende continenten. Hij staat stil, pakt een bos, betast de rozenblaadjes, zet de rozen terug in hun emmer en loopt door. Aan het eind van de rij slaat hij de hoek om en begint opnieuw. Een andere man zegt in zijn mobiele telefoon in het Frans ‘30 centimeter’, daarbij doelend op de stengel (hoe langer de stengel, hoe duurder de roos, want dan blijft de roos langer goed). Het zijn de kopers. Voordat de veiling begint inspecteren ze de bloemen. Een aantal jaren geleden, toen iedereen fysiek aanwezig was bij de veilingen, was het in deze ruimte net een mierenhoop. Nu wordt het merendeel van de bloemen via internet verhandeld. Maar veilingmeester Erik Wassenaar komt bijna altijd kijken. Hij draagt een jack en een spijkerbroek. Vandaag moet hij 1200 stapelwagens (vier miljoen rozen, vlak voor Valentijnsdag loopt dat aantal met 50 procent op) verkopen. Voordat hij begint, loopt hij graag nog even de koelruimte in, om ‘te kijken en te voelen’: ‘Emoties sturen deze handel aan.’
Red Naomi, Mystic Blue
Even voor zessen loopt Wassenaar naar de koffieruimte, waar hij een paar geintjes maakt met zijn collega’s. Daarna loopt hij in zijn eentje zijn onpersoonlijke kantoor binnen en verruilt zijn nette schoenen voor een paar sneakers met platte zool. Zo kan hij het pedaal waarmee hij de veilingcontroles ijkt goed voelen. Op zijn tafel staan een toetsenbord met vreemde tekens en twee beeldschermen. Op het ene scherm staat een grote cirkel met een schaalverdeling van 1 tot 100, een voor elke eurocent. Dit is de veilingklok. Verkopen via de veilingklok is een Nederlandse uitvinding. De veilingmeester noemt een startprijs, laten we zeggen één euro. Daarna, als een digitale secondewijzer, telt de klok razendsnel cent voor cent af. In plaats van de prijs op te drijven, drukken de kopers aan de andere kant van het web op een knop als ze de juiste prijs te pakken hebben. Een angstaanjagend spel: je moet wachten tot de prijs zover is gezakt dat je zo min mogelijk hoeft af te rekenen, maar wacht je te lang, dan is een andere koper je voor. Dit vak vereist zelfbeheersing en stalen zenuwen.
‘Laten we het zo stellen: het is niet handig om de avond ervoor een paar biertjes gedronken te hebben,’ glimlacht onze gids. Dan klinkt er ineens een Japanse gong. De veilingmeester zet zijn koptelefoon op zijn hoofd en zegt: ‘Ladies and gentlemen! Pure Roses…’ Wat volgt gaat in het Nederlands, in korte zinnen: ‘minimale afname…, steel 50 centimeter…’ Onderwijl tikt Wassenaar op zijn toetsenbord en draait het bolletje rond en volgt de ene na de andere transactie. Tot zijn kantoortje dringen vaag de stemmen van de andere veilingmeesters door die in identieke veilingzalen zitten. Zo nu en dan neemt hij een slok koffie en prijst hij een partij aan op een speciale toon: ‘Red Naomi, Mystic Blue,’ zegt hij geheimzinnig in de microfoon. Na achttien minuten is Aleia Roses uit Soria aan de beurt. Hij pauzeert even om de spanning op te voeren, en daar gaan de partijen. In 3 minuten en 16 seconden worden er 41.320 eenheden verkocht, dat is 210 rozen per seconde. Die van de hoogste kwaliteit gaan voor 81,3 cent de deur uit, 15 procent duurder dan de vorige keer.
Intussen treedt er buiten zijn kantoor een machinerie in werking. In de koelcel worden de geveilde bloemenkarren op een rail getrokken en als onbemande spookhuiswagentjes door de ruimte geleid, richting de distributiehal. Dit is het kloppende hart van de markt: een hoge ruimte waar geen einde aan komt en waar zenuwslopende muzak klinkt, terwijl een wirwar van behendig bestuurde elektrische wagentjes de stapelwagens naar een volgende plek rijden, waar de bloemenpartij op een nieuwe stapelwagen wordt geladen en door andere elektrische wagentjes naar buiten worden gereden. In vijf uur tijd worden er vijftigduizend transacties gesloten; dat zijn 166 bewegingen per minuut. Aan boord van een van de elektrische wagentjes leidt de baas van het distributiecentrum, David Otten, ons de drukke werkvloer op waar men vlak langs elkaar rijdt en je getrakteerd wordt op een concert van gepiep, gezoem en gekletter. Otten zegt dat er 270 elektrische wagentjes rijden en dat het bij 284 link wordt. Elke bestuurder draagt een koptelefoon met een voice-systeem dat de instructies in zijn oor lispelt. Het is een vrouwenstem tegen wie de bestuurders terugpraten. ‘Vaak,’ zegt hun baas, ‘fantaseren ze dat ze met een bloedmooie vrouw spreken.’ Een bijenkorfbrein dat een leger elektrische wagentjes aanstuurt. Otten wijst naar een poster met daarop de slogan ‘Samen vullen wij de wereld met bloemen’. Hij wil dat de werknemers trots zijn op wat ze doen. ‘Wij zorgen ervoor dat honderdduizenden cadeaus hun bestemming bereiken; wij vullen de wereld met emoties.’ Aangestuurd door kunstmatige intelligentie wordt er een regenboog vol dromen, beloftes, dood en teleurstellingen, liefkozingen, geboortes, relaties, leugens, hoop en prestaties de wereld in gestuurd.
Het complete spectrum wordt bestreken, van rozen voor één euro tot die van de chique bloemist.
Evenals in andere branches hebben digitalisering en globalisering bepaalde taken overbodig gemaakt; het personeel is in vijf jaar tijd met driehonderd man (zo’n 10 procent) gekrompen. Ook kalft de positie van Nederland als zenuwcentrum af: in 2005 was het land goed voor 50 procent van de wereldwijde export, dat is 7 procent meer dan tegenwoordig. Maar het totale volume is toegenomen: er worden meer bloemen gekocht dan tien jaar geleden. En Aalsmeer is cruciaal. ‘De prijs in Aalsmeer is bepalend voor de rest van de wereld,’ legt Lambert van Horen uit, bloementeeltanalist bij de Rabobank. ‘Iedereen kijkt naar Aalsmeer, want het is de grootste veiling ter wereld. Net zoals een graankoper de markt in Chicago in de gaten houdt. Aalsmeer helpt de teler bij het nemen van zijn beslissingen: hier wordt bepaald welke kleuren en bloemen het goed gaan doen. Maar één ding is zeker: in de toekomst is deze fysieke ruimte overbodig.’ Van Horen legt uit dat veel bloemen niet meer naar Aalsmeer zullen komen. Een scherpe foto met de specificaties die de kopers online kunnen bekijken volstaat. Nog maar een van de veertien veilingen in Aalsmeer wordt fysiek bezocht. De volledig in bedrijf zijnde veiling houdt het midden tussen een saaie collegezaal en de controlekamer van een ruimtevaartagentschap. De kopers, zonder uitzondering mannen, zitten zwijgend op een tribune achter hun beeldscherm. Het is een steriel proces geworden. Vroeger konden ze de bloemen zien, ruiken en voelen.
De koningin
Ruud Haak (53) koopt al drie decennia lang bloemen, de laatste twintig jaar heeft hij zich toegelegd op de roos, ook wel de koningin van de bloemen-industrie genoemd (omzet in Nederland: 1,2 miljard euro). Je zou hem de rozenbroker van distributeur Hilverda De Boer kunnen noemen. Hij werkt vanuit de vestiging van het meer dan honderd jaar oude bedrijf aan de overkant van de weg. Elke ochtend van zes tot tien neemt Haak plaats in een donkere zaal vol beeldschermen en ergonomische stoelen, samen met een dozijn andere kopers, als ruimteverkeersleiders opgesteld in een halve cirkel. Hij heeft die ochtend voor aanvang van de veiling een kijkje genomen in de koelcel. Het aanbod viel tegen. Dan is het zaak de prijs niet te ver te laten zakken: snel reageren, anders blijf je met lege handen achter. Hij weet nog dat hij op Valentijnsdag zijn duurste rozen ooit heeft gekocht, ze liepen tegen de vier euro. ‘Voor dit soort soort werk bestaat geen opleiding – je hebt het of je hebt het niet,’ zegt Haak terwijl zijn vingers razendsnel over het toetsenbord vliegen om op de prijs te bieden die op het scherm wordt afgeteld.
Na afloop toont hij de distributie-|afdeling waar alle bestellingen van die ochtend worden afgehandeld. In een doos ligt een bos rozen uit Soria, klaar voor transport naar bloemist Le Jardin des Fleurs in Rennes (Frankrijk). Een aantal andere emmers gaat naar de winkel van Ernst van Woerkom, vlak in de buurt. Al zijn bloemen komen uit Aalsmeer. Terwijl hij de doorns van de stelen afhaalt en de rozen op een houten tafel zet vertelt hij wat bloemen doen: ‘Bloemen maken emoties los. Ze kunnen je in een andere stemming brengen, ze spreken zonder iets te zeggen, ze kunnen een intens verdrietige gebeurtenis een beetje opfleuren.’ Stukje bij beetje vertelt deze bloemendecorateur, niet bloemist’ wat bloemen voor hem betekenen, een band die teruggaat tot zijn kindertijd, en over het door hem gemaakte bloemstuk dat elk jaar in Amsterdam aan Sinterklaas wordt aangeboden en, niet te vergeten, over de bloemendecoratie voor de koninklijke bruiloft van Letizia en Felipe in de Kathedraal van Madrid. Op de toonbank vouwt hij het bewijs open: knipsels uit het tijdschrift Hola. En daarnaast iets wat de aandacht trekt: twee rozen in de knop met zorg in een vaas geschikt. Te koop voor achtenhalve euro.
Een groep IJslandse parlementariërs heeft een wetsvoorstel ingediend om het besnijden van jongens te verbieden. Moeten andere Europese landen dit voorbeeld volgen?
NEE
Onder de morele scherpslijpers van Europa is het de laatste jaren een cause célèbre geworden om de besnijdenis van jongetjes uit te bannen en religieuze vrijheden te demoniseren. Onlangs diende een groep IJslandse parlementariërs, met steun van 422 dokters, een wetsvoorstel in om joodse en islamitische ouders te verbieden hun pasgeboren zoontjes te besnijden.
Voor joodse mensen is de besnijdenis altijd een integraal onderdeel geweest van hun religie en identiteit, en dat is het nog steeds. De huidige kruistocht tegen besnijdenis komt elke jood met een minimum aan historisch besef dan ook voor als een afgezwakte variant van de aloude pogingen hun hun identiteit te ontnemen en te dwingen net als andere mensen te worden.
Leidster van de IJslandse antibesnijdeniscampagne is het parlementslid van de Progressieve Partij Silja Dögg Gunnarsdóttir. Haar recente uitlatingen laten zien dat ze absoluut niet beseft welke consequenties haar plannen hebben voor de vrijheid van joden en moslims om hun godsdienst vrijelijk uit te oefenen. Zij vond het ‘niet nodig’ om joodse en islamitische groepen over dit gevoelige thema te raadplegen. Want, zei ze; ‘ik zie het niet als een religieuze kwestie.’
Soms beschuldigen antireligieuze activisten ouders die kinderen opvoeden met een religie zelfs van kindermishandeling
Het feit dat zij het uitbannen van zo’n fundamenteel religieus ritueel niet als ‘religieuze kwestie’ beschouwt, getuigt van diepgaande culturele en historische naïviteit. De simpele waarheid is namelijk dat een eventueel verbod het joden onmogelijk zou maken om hun godsdienst nog langer in IJsland uit te oefenen.
Het voornaamste argument van de IJslandse antibesnijdeniskruisvaarders is dat ouders niet het recht hebben hun zoons te besnijden zolang die daar zelf niet expliciet mee akkoord gaan. Zij zeggen op te komen voor de rechten van deze kinderen en hen te beschermen tegen hun ouders. Maar zo’n verbod zou vaders en moeders de autoriteit ontnemen die hun toekomt.
Het gaat de IJslandse activisten om besnijdenis, maar hun bewering dat ze kinderen tegen hun ouders willen beschermen heeft implicaties voor alle moeders en vaders. Ouders krijgen steeds vaker het verwijt van zogenaamde kinderrechtenactivisten dat ze hun kinderen religieuze waarden zouden ‘opleggen’. Kinderen gaan er in deze optiek niet mee ‘akkoord’ katholiek te worden, of zich aan te sluiten bij een evangelisch kerkgenootschap. Soms beschuldigen antireligieuze activisten ouders die kinderen opvoeden met een religie zelfs van kindermishandeling.
Maar er bestaat niet zoiets als kinderrechten. Als je mensen rechten toekent, veronderstelt dat dat zij in staat zijn om die uit te oefenen. Kinderen zijn daar echter te jong voor, dus moeten welwillende buitenstaanders die rechten dan maar opeisen uit hun naam. Uiteraard kregen mensen als Gunnarsdóttir nooit toestemming van deze kinderen om uit hun naam te spreken, dus is de obsessie die de antibesnijdenisactievoerders hebben met toestemming, ongegrond.
Frank Furedi is emeritus hoogleraar Sociologie aan de Universiteit van Kent. Hij werd internationaal bekend met zijn studie Culture of Fear (1997) en schrijft geregeld voor Spiked en The Guardian.
1. Frank Furedi; 2. Ian Dunt.
JA
Toen bekend werd dat IJsland overwoog de besnijdenis van jongetjes te verbieden, werden zoals verwacht meteen de loopgraven betrokken. Voor islamofoben biedt zo’n verbod welkome munitie. Het stelt ze in staat om religieuze scheidslijnen te benadrukken en de islam als barbaars voor te stellen. Aan de andere kant zijn joodse en islamitische groepen oprecht woedend over het idee dat deze traditie ooit verboden zou kunnen worden.
Omdat besneden mannen zelden klagen, hebben progressieve politici het onderwerp jarenlang kunnen vermijden. Maar de waarheid is dat besnijdenis van jongetjes minder onschuldig is dan het lijkt.
Er is weinig onderzoek naar het onderwerp gedaan, maar een studie uit 1999 bekritiseerde het gebrek aan aandacht in de bestaande medische literatuur voor het ‘genot en de dynamiek van beweging, gevoel en lubricatie’ die de voorhuid ‘tijdens masturbatie, voorspel en geslachtsgemeenschap’ oplevert. Het artikel vervolgde: ‘Er is geen wetenschappelijke grond voor de aanname dat mannen die als kind besneden zijn daar tevreden mee zijn of er geen nadelige effecten van ondervinden.’ Ofwel: die aanname klopt niet, maar we praten er niet over.
Als het geen vrije keuze is, heeft de overheid de plicht om kinderen te beschermen, zelfs tegen hun eigen familie
Besneden mannen vermijden het onderwerp meestal liever. ‘Voor een man is het erg moeilijk om erover te klagen,’ vertelt antibesnijdenisactivist Richard Duncker. ‘Ten eerste gaat het over zijn geslachtsdeel. Dan moet hij ook nog eens vraagtekens plaatsen bij de keuze van zijn ouders. Verder trekt hij zijn cultuur en de waarden van zijn religieuze gemeenschap in twijfel. En tot slot wordt hij vaak belachelijk gemaakt als hij erover begint.’
Een Deens onderzoek concludeerde dat besneden mannen niet zelden moeite hebben om een orgasme te bereiken. Bij andere enquêtes klaagden mannen over zichtbare littekens, een te korte penishuid om een prettige erectie te beleven, en pijn.
Een kind geeft voor deze ingreep geen toestemming. Het joodse geloof vereist immers dat de besnijdenis op de achtste dag na de geboorte wordt uitgevoerd; bij moslims moet het op de zevende dag gebeuren. Wanneer je je ermee bemoeit, wordt dat gezien als een onacceptabele aantasting van de religieuze vrijheid. Maar hoe zit het met de religieuze vrijheid van een kind om zelf zijn spirituele identiteit te bepalen?
Zodra iemand er uit vrije wil mee akkoord gaat, heeft de overheid er niets mee te maken. Maar als het geen vrije keuze is, heeft de overheid de plicht om kinderen te beschermen, zelfs tegen hun eigen familie. Wanneer iemand zonder goede medische noodzaak om het even welke andere chirurgische ingreep op een baby zou uitvoeren, zouden we geschokt zijn. Maar alleen omdat deze ingreep als religieuze traditie vermomd is, vinden we het acceptabel. Dat is het geenszins. Het zou dus mooi zijn als IJsland het voortouw neemt en als eerste Europese land de besnijdenis van jongetjes verbiedt.
Ian Dunt is hoofdredacteur van Politics.co.uk en auteur van het boek Brexit: What The Hell Happens Now? Hij schrijft voor verschillende kranten en weekbladen.
In de Australische hoofdstad Canberra is een unieke expositie te zien over songlines: gezongen routekaarten die een van de pijlers vormen van de Aboriginalcultuur.
De twee jonge Aboriginal mannen achter in de 4WD waarmee een onderzoeksgroep over het zanderige woestijnspoor reed, begonnen te neuriën. Het was een geneurie dat telkens ophield en dan weer verder ging, zoals je doet wanneer je alleen op de tekst van het lied kunt komen door het te zingen.
De mannen wezen elkaar op kenmerken in het landschap en hun geneurie ging op en neer, tot een van hen opeens riep dat de auto stil moest houden.
‘Daar is water,’ zei hij stellig, ‘vlak over die heuvel.’
De hoofdcurator inheemse kunst van het National Museum of Australia, Margo Neale, zat ook in de auto en zij vond het bijzonder dat hij zo zeker van zijn zaak was daar op die droge woestijnweg. Nergens was water te zien en niets wees op de aanwezigheid van water. Ze vroeg de man of hij hier eerder was geweest.
‘Nee,’ zei hij. ‘Ik ben hier nog nooit geweest.’
Hoe kon hij dan weten dat er water was?
‘O, dat heeft mijn tante me geleerd in het lied.’
Dat lied was een soort muzikale kaart, een van die verhalen uit de Aboriginalcultuur, waarin geschiedenis, topografie, spiritualiteit, wetenschap, overlevingskunst, navigatieaanwijzingen en familie-wetten met elkaar verweven zijn tot de zogenaamde songlines (zangpaden), die de inheemse hoeders van het verhaal door het land en door het leven leiden.
De songlines zijn in de loop van millennia samengesteld en vormen routes van kennis die heel Australië doorkruisen. Het zijn paden door het land en door de hemel, die het landschap beschrijven en de kosmos in kaart brengen en die via gezongen allegorische verhalen de reis van elke nieuwe generatie begeleiden en de cultuur levend houden. Die dag op die woestijnweg volgden de reizigers de instructies uit het lied en reden de heuvel over. En ja: de zangers leidden hun reisgenoten naar een waterbron – die precies lag waar ze hadden voorspeld, net uit het zicht, zoals het oude lied had gezegd.
Deze reis maakte deel uit van een breder onderzoek dat zou leiden tot Songline – Tracking the Seven Sisters, een unieke, vernieuwende tentoonstelling in het National Museum of Australia in Canberra die nog tot 28 februari te zien is. Het begon allemaal zeven jaar geleden, toen een groep oudere leden van het Anangu-volk bij het museum en de Australian National University aanklopte voor hulp bij het verzamelen en conserveren van deze oude verhaalliederen, zodat ze die ook met de rest van Australië konden delen.
Er kwam subsidie voor uitgebreid onderzoek en zo ontstond de magische multimediale expositie, ingericht door het ‘curatorium’ waarin Neale samenwerkte met de ouderen. De bejaarde hoeders van de Seven Sisters-songlines wilden deze levend houden voor het moment dat de jongeren van hun gemeenschap oud genoeg waren om over hun geschiedenis en cultuur te leren, ook als de ouderen er dan zelf niet meer zouden zijn. En, zo dachten ze, de enige manier om te voorkomen dat de songlines verdwijnen is dat het hele land zich mede-eigenaar voelt van die gezongen routekaarten. Dat betekende dat ze de westerse en de inheemse methode van geschiedschrijving en kennisoverdracht moesten combineren.
De westerse manier houdt in dat er onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende disciplines en alles wordt opgeschreven. In de traditionele inheemse cultuur komt alles samen in één levend verhaal, een droomspoor of songline. Kunst zorgt voor de fysieke afbeelding daarvan, als een kaart. De Songlinestentoonstelling omvat al die dimensies, en gebruikt beide communicatievormen.
De ouderen zeiden: “Oké, we moeten dit verhaal bevriezen tot die jongeren verstandig worden – en dat worden ze heus wel, alleen zijn wij er dan niet meer”
‘Het Aboriginalarchief is een organisch, dynamisch geheel en de geschiedenis staat geschreven in het land,’ legt Margo Neale uit. ‘Elke vorm, elk silhouet, elke uitstulping, elke kleur maakt deel uit van het verhaal en al die dingen lees je. Het is een geheugensteun.’
Het westerse systeem om kennis te archiveren is erop gericht die kennis ‘te bevriezen in de tijd’. ‘Ze wordt altijd ondergebracht in een gebouw op een plek die niets te maken heeft met de verhalen die het bevat,’ zegt Neale over westerse kennis. ‘Zo is er geen relatie met de omgeving. Het inheemse kennissysteem – de songlines – is een fysiek systeem. Dus wat deden deze slimme, vooruitziende ouderen? Ze zeiden: “Oké, we moeten dit verhaal bevriezen tot die jongeren verstandig worden – en dat worden ze heus wel, alleen zijn wij er dan niet meer.”’
Vijf jaar is er gewerkt aan de tentoonstelling, die niet bedoeld is om de cultuur en geschiedenis van de Aboriginals af te zonderen van de rest, maar die juist voorstelt als integraal onderdeel van alles. De hoeders van de songlines willen de rest van de Australiërs laten begrijpen dat dit ook hún verhaal is.
‘De kwaliteit en het karakter van een tentoonstelling worden bepaald door de kwaliteit en het karakter van de reis die eraan voorafgaat,’ zegt Neale.
Voor de fysieke reis legden Neale en anderen, samen met de Anagu-ouderen, zo’n 7000 kilometer af door het hele land; ze reisden delen van de songlines na, van Roebourne aan de West-Australische kust naar de zuidelijke kust van Queensland, met aftakkingen noord- en zuidwestelijk van het midden.
Het verhaal in deze tentoonstelling overspant drie woestijnen in het centrale westelijke deel van het land en doorkruist het land van het Martu-, het Anangu-, het Pitjantjara-, het Yankunytjatjara- en het Ngaanyatjarra-volk. Het volgt de mythische reis van de zeven zusters en een mannelijke figuur, de ‘voortdurende achtervolger’, die hen over het land en door de hemel najaagt.
Ten diepste seksueel
‘Het is een archetypische overlevering over een “vormveranderaar” die de zeven zusters achtervolgt om hen te bezitten en zichzelf daarbij voortdurend transformeert in een hele reeks vermommingen, zoals verleidelijk eten, water, een schaduwboom waaronder hij hen probeert te lokken om hen in bezit te krijgen,’ legt Neale uit. ‘Het is een en al metafoor, zoals elk groot epos van elke beschaving.’
Sommige aspecten van die overlevering zijn ten diepste seksueel. De curatoren hebben ervoor gekozen om die seksuele lading meer als onderstroom aanwezig te laten zijn dan als openlijke afbeeldingen, want die zouden anders misschien het volledige verhaal overschaduwen en vooral ‘giechelde tieners’ aantrekken, zoals Neale het zegt.
‘Eet het voedsel, ga het lichaam binnen’, zo vat zij de jacht samen. Maar het verhaal over de jacht is meer dan dat, eigenlijk moet het gelezen worden als een schatkaart: ‘Zo ken je het verhaal, je weet waar het water is, je weet waar de schaduw is, je weet waar het voedsel is.’ Dat verhaal omvat ook een verklaring van de sterrenbeelden, met een alternatieve versie van de westerse mythe die meestal wordt gebruikt om Orion en zijn ‘riem’ te beschrijven.
De songlines zijn oeroud en levend tegelijk. Op een bepaald punt in de audiotour van de tentoonstelling heeft de verteller het over de zusters die worden achtervolgd in een Toyota. Dat deel van hun verhaal wordt verteld alsof het vandaag gebeurt.
Omdat de kunst op de tentoonstelling zelf een vehikel is voor een groter verhaal, werkte Neale met de ouderen samen om hun kennis en haar vaardigheden als curator te combineren. Om cultuur ‘cool’ te maken, er het performance-element in op te nemen dat van levensbelang is om de songlines over te brengen en om het gevoel op te roepen dat de hoeders van de songlines fysiek aanwezig zijn, plaatste ze levensgrote videoschermen waarop telkens een van de ouderen uitleg geeft over de tentoonstelling. Zo wordt de bezoeker uitgenodigd om zich in te leven in hun manier van de wereld begrijpen.
In het hart van de tentoonstelling staat het ‘domelab’, een 360 graden-videobeleving waarin de bezoekers op een gepolsterde plank liggen en omhoogkijken langs de gebogen wanden. Er zijn twee cycli van elk een kwartier en ze zijn bijna meditatief.
Zo zijn er verschillende manieren om deze tentoonstelling op je in te laten werken. Je kunt er puur naartoe gaan om de kunstwerken te zien, die deels speciaal hiervoor zijn gemaakt en deels uit bestaande collecties komen, of je kunt de kunst ervaren als onderdeel van alle andere lagen.
‘Wil je alleen maar rondlopen en naar mooie dingen kijken, dan kan dat,’ zegt Neale. ‘Wil je hightech ervaren en daarvan genieten, dan kan dat. Wil je dieper graven en iets leren over het belang van familiebanden, verbondenheid met het land, de manier waarop de Aboriginals omgingen met ecologie of de rol van performance in het doorgeven van kennis, dan kan dat. Hier gebeurt het allemaal, dankzij de hoeders van de songlines.’
Heb je het gevoel dat je nooit helemaal hebt begrepen wat de songlines – ook wel droompaden genoemd – inhouden en welke rol ze spelen in de Aboriginalcultuur, dan kan deze tentoonstelling heel verhelderend zijn.
Overal ter wereld verruilen mensen hun vertrouwde granen voor hippere of gezondere varianten. Iedereen probeert te eten wat meer welgestelde mensen eten. Behalve de heel rijken, die juist een voorkeur hebben voor het graan van de armen.
Als je eten alleen maar beschouwt als iets om in leven te blijven, of als een bron van plezier, zal een uitstapje naar de boerenmarkt in Pacific Palisades je de ogen openen. Voor het in sportief lycra geklede winkelpubliek in deze dure wijk van Los Angeles is eten een uiterst gecompliceerde bezigheid. Julie, een vrouw met een vilthoed, zegt dat ze wit meel probeert te vermijden, omdat ze daar een opgeblazen gevoel van krijgt – al maakt ze een uitzondering voor tortilla’s. Een moeder van een vierjarige eet vijf keer per week rijst, maar is daar niet ‘trots op’. Een derde vrouw, Suzanne Tatoy, heeft zich in eten verdiept en geeft de voorkeur aan bruine rijst, quinoa, amarant en gierst.
Advertenties voor eten zijn even vreemd als invloedrijk. Van de jaren zeventig tot de jaren negentig aten Amerikanen steeds meer tarwe, deels omdat ze cholesterol probeerden te vermijden. Toen kwam er een reeks populaire koolhydraatarme diëten, van Dr. Atkins tot Paleo. Door een toename van coeliakie en zelfgediagnosticeerde glutenintolerantie is tarwe in een kwaad daglicht komen te staan. Tussen 1997 en 2015 is de meelconsumptie in Amerika gedaald van 67 tot 60 kilo per hoofd van de bevolking.
Toch laten de voedseladepten in Pacific Palisades zich niet alleen beïnvloeden door wetenschap – of pseudowetenschap. Ze laten zich ook leiden door mode, die heeft bepaald dat sommige granen uit zijn en andere in. In die zin zijn ze volgers van een enorme wereldwijde trend. In veel landen laten mensen vertrouwde granen staan voor nieuwe, om redenen die te maken hebben met landbouwtechnologie, werk, gezondheid en maatschappelijke ambities. Deze verandering is min of meer circulair. Iedereen probeert meer granen te eten die meer welgestelde mensen eten, behalve de heel rijken, die een voorkeur hebben voor het eten van armen. Het verhaal begint in de velden van West-Afrika.
Rijst in Afrika
Aboud Kobena verbouwt sinds 1991 rijst in Tiassalé in Ivoorkust. Hij heeft veel klachten. De pomp die water uit een nabijgelegen rivier haalt om zijn 35 hectare grond te bevloeien is weer eens kapot. De machines die hij heeft aangeschaft om sneller te kunnen oogsten zijn een slechte reclame voor de Chinese techniek gebleken. Arbeid is duur, zegt hij, en ‘de mensen zijn lui geworden’. Het ergste is dat de prijs die zijn gewas opbrengt veel lager is dan tien jaar geleden. Het probleem is, zegt Kobena, dat iedereen nu rijst verbouwt.
Tussen 2000 en 2014 is de rijstproductie in West-Afrika gestegen van 7,1 miljoen tot 16,8 miljoen ton. In Ivoorkust, dat vooral bekendstaat als cacaoproducent, is de rijstoogst in die tijd verdrievoudigd. Nieuwe hybride zaadsoorten die speciaal voor Afrika zijn ontwikkeld, zoals Nerica en Wita, hebben de productie opgestuwd en boeren in staat gesteld rijst te verbouwen op droge gronden waar vroeger voornamelijk de graansoort sorghum groeide.
Rijst is al lange tijd populair in sommige West-Afrikaanse landen, zoals Senegal. Het wordt in een groot deel van de regio het hoofdvoedsel. Thomas Reardon, voedseldeskundige aan de Michigan State University, zegt dat de urbanisatie de vraag doet toenemen. Werknemers in steden leerden rijst lekker vinden in cafés en koken het nu ook thuis. Bovendien is rijst makkelijker te bereiden dan gierst of sorghum – een uitkomst voor de vermoeide stedelijke werknemers.
De Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN schat dat de rijstconsumptie per hoofd van de bevolking in sub-Saharaans Afrika sneller stijgt dan in enige andere regio. Dat zal vermoedelijk zo blijven, omdat het inwonertal van Afrikaanse steden in hoog tempo toeneemt, met gemiddeld 3 procent per jaar. Volop kansen dus voor Afrikaanse boeren. En de Afrikaanse vraag is ook een zegen voor rijstproducerende landen in Azië. Die kunnen wel wat nieuwe klanten gebruiken, want de vraag thuis is niet meer wat hij geweest is.
Rijst is zo belangrijk voor het leven in Azië dat veel mensen in plaats van ‘Hoe gaat het?’ vragen: ‘Heb je al rijst gegeten?’ Zo’n 90 procent van de mondiale rijstproductie wordt in Azië geconsumeerd, waarvan alleen al 60 procent in China, India en Indonesië. In elk groot land behalve Pakistan eten Aziaten meer rijst dan het wereldwijde gemiddelde.
Van begin jaren zestig tot begin jaren negentig nam de rijstconsumptie per hoofd van de bevolking geleidelijk toe, van gemiddeld 85 tot 103 kilo per jaar. Naarmate Azië zich verder aan de armoede ontworstelde begonnen mensen meer te eten, en rijst was beschikbaar en betaalbaar. In de armste Aziatische landen, zoals Bangladesh en Cambodja, blijft een volle rijstkom een teken van overvloed (in Bangladesh komt 70 procent van de calorieën van rijst) en de mensen blijven er steeds meer van eten. Maar in Azië als geheel stagneert de rijstconsumptie nu min of meer. In welvarender landen raakt rijst uit de mode. Cijfers van het Amerikaanse ministerie van Landbouw duiden erop dat de rijstconsumptie in China, Indonesië en Zuid-Korea sinds 2000 is afgenomen en in Singapore geheel is ingestort. Rijkere Aziaten halen hun calorieën steeds meer uit groente, fruit, vlees, vis en zuivelproducten. En net als in Amerika stappen veel mensen over op een andere graansoort.
Het is onwaarschijnlijk dat mensen in Azië elkaar zullen gaan begroeten met de vraag of ze al bagels hebben gegeten
Waar de stalletjes in de straten van Zuidoost-Azië nog steeds rijst serveren, worden de chique winkelcentra steeds meer gedomineerd door tarwe. Tal van bakkerijen verkopen traditioneel Europees gebak en brood, naast typisch Aziatische specialiteiten. BreadTalk, een snel groeiende keten in Singapore, verdient kapitalen met floss buns, zoete witte kadetjes die besmeerd zijn met boter en ei, en door gedroogd en geplukt varkensvlees zijn gerold.
Joseph Lee, de eigenaar van The Bread Table, een andere bakkerij in Singapore, schrijft de toenemende vraag toe aan toerisme en migratie. ‘Hoe meer mensen begonnen te reizen, des te vaker ze Europees brood wilden eten als ze weer thuiskwamen,’ zegt hij. ‘Nu vragen sommige mensen om zuurdesem.’ In 2013 opende Lee de eerste van een keten op Europese leest geschoeide bakkerijen.
De tarweconsumptie stijgt snel in landen als Thailand en Vietnam. Zuidoost-Aziatische landen zullen in de periode 2016-2017 23,4 miljoen ton tarwe consumeren, schat het Amerikaanse ministerie van Landbouw, tegen 16,5 miljoen in 2012-2013. Dat zal bijna allemaal geïmporteerd worden. Naar verwachting zal in Zuid-Azië de consumptie in diezelfde periode groeien van 121 miljoen naar 139 miljoen ton. India, dat tot voor kort een grote netto-exporteur van tarwe was, is een netto-importeur geworden. Een deel van de tarwe is voor diervoeder, maar het meeste is gewoon om door mensen te worden gegeten.
Deze trend zal nog lang doorzetten, verwacht de Rabobank. Zuidoost-Aziaten eten nog steeds maar 26 kilo tarwe per jaar, veel minder dan het mondiale gemiddelde van 78 kilo. Ze lijken zich niets aan te trekken van prijsverhogingen: toen het graan tussen 2009 en 2013 duurder werd bleef de tarweconsumptie onverminderd groeien, al nam het gebruik voor diervoeder af. Toch zal rijst voor veel Aziatische culturen het belangrijkst blijven. Het is onwaarschijnlijk dat mensen elkaar zullen gaan begroeten met de vraag of ze al bagels hebben gegeten.
Oergranen
Terwijl West-Afrikanen hun bord met rijst vullen en Zuidoost-Aziaten aan ciabatta’s knabbelen, onthouden Amerikanen zich steeds meer van beide. ‘Op een gegeven moment is het welletjes,’ zegt Craydon Chong, analist bij de Rabobank. En tarwe heeft nieuwe concurrenten, vooral in de rijkste wijken van Amerika. Of preciezer gezegd: nieuwe oeroude concurrenten.
Café Gratitude is een vegetarisch fijnproeversrestaurant in Venice Beach, een wijk in Los Angeles die zelfs naar de maatstaven van die metropool bijzonder gezondheidsbewust is. Elk item op de menukaart is daar een bevestiging van, dus word je geacht een gerecht dat ‘Glorious’ heet te bestellen door te verklaren: ‘Ik ben glorieus.’ Er zijn ook pizza’s beschikbaar, maar dan gemaakt van eenkoren en kamut. Tot de bijgerechten behoren bruine rijst en quinoa.
Eenkoren en kamut zijn allebei tarwesoorten. Volgens de voorstanders hebben ze een lange stamboom en zijn ze ontsnapt aan het geknoei van moderne plantenkwekers. Quinoa is iets anders: het zaad van een plant die voornamelijk in Midden- en Zuid-Amerika groeit. Zulke graansoorten worden, naast diverse andere, op de markt gebracht als ‘oergranen’. Ze heten gezonder en authentieker te zijn dan gewone rijst en tarwe. Ze zijn in elk geval duurder.
Een paar kilometer ten noorden van Venice Beach, op de boerenmarkt van Santa Monica, verkoopt Larry Kandarian biologische zwarte gerst voor 9 dollar per pond en Ethiopische blauwe farro (een andere tarwesoort) voor 7 dollar. De hang naar ‘deugdzame’ granen beperkt zich niet tot Californische voedseladepten. In 2015 introduceerde General Mills, een grote Amerikaanse voedselproducent, een ontbijtgraanproduct dat Cheerios + ancient grains heet en kamut, havervlokken, quinoa en spelt bevat. Pastamerk Ronzoni heeft een pasta met amarant, gierst, sorghum en teff ontwikkeld. Datassential, een marktonderzoeksbureau dat restaurantmenu’s afspeurt, meldt dat 9 procent van de gewone restaurants en 16 procent van de duurdere in 2016 quinoa aanbood. Sorghum, dat Amerikanen lange tijd aan hun vee hebben gevoerd, sluipt ook de menukaart binnen, evenals gierst, dat gewoonlijk als vogelzaad wordt gebruikt.
Het is nog te vroeg om te zeggen of oergranen meer dan een bevlieging zijn. Hoewel de mondiale quinoaproductie is gestegen van 58 duizend ton in 2008 tot 193 duizend in 2014, stelt het nog steeds niet veel voor vergeleken bij rijst, tarwe of maïs. De belangrijkste graansoorten profiteren van hechte netwerken van landbouwonderzoeksinstituten die zich inspannen om de opbrengst te vergroten en ziektes te onderdrukken. Ze worden vaak gesubsidieerd.
Toch zijn het de consumenten en niet de overheden die uiteindelijk achter veranderingen in eetgewoonten zitten. En bijna overal lijken consumenten een voorkeur voor nieuwigheden te hebben ontwikkeld. Zelfs in arme Afrikaanse en Aziatische landen wint verpakt voedsel aan populariteit, zegt Thomas Reardon. Hij is met name verrast door de opkomst van tarwenoedels in Afrika. Indomie, een Indonesisch bedrijf, begon halverwege de jaren negentig noedels te produceren in Nigeria. Het heeft inmiddels diverse concurrenten in dat land, en elders in West-Afrika neemt de vraag toe. De heerschappij van de rijst zou weleens van korte duur kunnen blijken.
The Economist
Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 1.337.180
Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief.
In Italië, maar ook in andere landen, worden buitenlandse restaurants geweerd omdat ze een bedreiging zouden zijn voor de lokale keuken. Verderfelijk nationalisme, vinden ze bij Eater.com.
Veel succes als je een kebabtent in de historische wijk van Florence zoekt, een bord gebakken rijst in Verona of een hamburger in de chique Italiaanse badplaats Forte dei Marmi. Sinds 2009 hebben gemeentebesturen in heel Italië het openen van ‘buitenlandse’ of ‘etnische’ eethuizen verboden, met diverse verklaringen.
Vorig jaar was het gemeentebestuur van Florence bang dat de Italiaanse cultuur zou verwateren door het om zich heen grijpen van buitenlands voedsel. ‘Onze traditionele trattoria’s en historische eethuisjes worden verdreven door massaal geproduceerd voedsel,’ zei burgemeester Dario Nardella van Florence tegen een Italiaanse krant. In Noord-Italië zei de burgemeester van Verona tegen The Telegraph dat het beperken van het meeste ‘buitenlandse’ of diepgevroren voedsel ertoe zou leiden dat er ‘geen zaken meer worden geopend die eten verkopen dat is bereid op een manier die een inbreuk zou kunnen zijn op het decorum van onze stad’. Naar verluidt overweegt ook Venetië een van deze zogeheten UNESCO-wetten, die historische steden beschermen tegen invloeden van buitenaf.
Je kunt deze wetten moeilijk als iets anders beschouwen dan een nieuwe vorm van nationalisme. Italië is niet het enige land dat voedsel met een buitenlands vleugje weert. In 2011 verbood Frankrijk ketchup tijdens de schoollunch (behalve bij de friet, die maar eenmaal per week mocht worden geserveerd). Toen sommige mensen er lucht van kregen dat Denemarken halalgehaktballen serveerde in ziekenhuizen en op scholen, waren ze laaiend: de Deense Volkspartij, die immigratie wil beperken en gedwongen assimilatie van immigranten voorstaat, was van mening dat zulke praktijken ‘discriminerend waren voor de Deense cultuur’.
‘Geen xenofobie’
Italiaanse politici proberen hun bedoelingen op een andere manier te rechtvaardigen. ‘Deze maatregel heeft niets met xenofobie te maken – hij is alleen bedoeld om onze cultuur te beschermen en op waarde te schatten,’ zei Umberto Buratti, burgemeester van Forte dei Marmi, in 2011 over zijn verbod op ‘buitenlands’ voedsel. ‘We zouden ook nee zeggen tegen Amerikaanse hamburgerketens.’
Maar als je iets hebt gelezen over Brexit, of over het inreisverbod voor moslims of een van de vele andere overheidsmaatregelen, moet het verhaal je bekend voorkomen. Globalisering is eng! Industrialisering vernietigt al onze banen! Immigranten – met name moslims – overspoelen ons als een tsunami en zullen onze cultuur voor eens en voor altijd verdrinken!
Hoewel sommige landen (hallo VS!) immigratie in haar geheel willen beperken, vinden wetgevers elders het politiek aanvaardbaarder om verklaringen te verzinnen als ‘we willen niet dat onze nationale cultuur wordt ondermijnd of “gedisneyficeerd”’. Natuurlijk zijn er mensen die zich echt zorgen maken dat hun culturele erfenis wordt weggespoeld. Volgens Fabio Parasecoli, directeur Voedselstudie-initiatieven aan de New School in New York en auteur van talrijke boeken over de Italiaanse eetcultuur, hebben sommige Italianen het idee dat ‘toeristen niet naar Italië komen om Chinese restaurants of McDonald’s te zien’ en vinden ze het belangrijk ‘de sfeer te behouden die belangrijk is voor het toerisme, dat een van de belangrijkste bronnen van inkomsten is voor steden en dorpen’.
Maar zoals gezegd, je kunt deze wetten en de vaak tegen immigratie gekante politieke partijen die erachter zitten moeilijk als iets anders beschouwen dan een nieuwe vorm van nationalisme.
Snelle hap maakt furore in Zuid-Afrika. (Zie tekst beneden)
In 2007 wees een onderzoek van het Pew Research Center uit dat 94 procent van de Italianen ‘immigratie als een groot probleem’ beschouwde en dat 73 procent vond dat immigranten een negatieve invloed op het land hadden. Om nog even wat zout in de wonden te wrijven: Italië werd uitzonderlijk zwaar getroffen door de recessie en het IMF heeft onlangs voorspeld dat de Italiaanse economie zich niet vóór 2020 zal herstellen tot het niveau van 2007.
In veel gevallen hebben de verboden zeer wezenlijke gevolgen voor een deel van de middenstand in Italië. ‘De meerderheid van de eethuisjes en buurtwinkeltjes is inderdaad in handen van niet-etnische Italianen,’ zegt Gregoria Manzin, hoogleraar Italianistiek aan de Australische La Trobe-universiteit.
Italië hecht volgens Manzin zeer aan zijn eetcultuur omdat ‘Italianen Italianen zijn door wat ze eten en hoe ze het eten’. Toch heeft de consumptie van niet-lokaal voedsel ook economische gevolgen. De landbouw-, voedings- en horecasector in het land is goed voor 8,7 procent van het bnp. De economie hapert, het geboortecijfer daalt en de immigranten – en hun niet-Italiaanse eten – stromen in steeds groteren getale binnen.
Parasecoli kan wel enig begrip opbrengen voor dit standpunt en zegt dat er ‘een sterk gevoel heerst overspoeld te worden’ door immigranten die vaak naar Italië komen voordat ze doorreizen naar andere Europese landen, al zijn er ‘tegelijkertijd hele sectoren die functioneren dankzij immigranten’. Hij zegt dat Italië bezig is ‘een land van oude mensen te worden’ en dat veel scholen alleen maar genoeg leerlingen hebben om open te kunnen blijven dankzij immigranten.
Het is een explosieve combinatie: een land met sterke tradities dat bang is voor verandering en een bevolking die huiverig is om mensen van buiten te halen om hun land draaiende te houden.
Eten is niet alleen een manier om mensen samen te brengen, het is ook een manier om ze uit elkaar te houden
Slow Food International, dat het licht zag tijdens het protest tegen de vestiging van een McDonald’s in de buurt van de Spaanse Trappen in Rome, ziet een groot verschil tussen het beschermen van het traditionele voedsel en het beperken van buitenlandse invloeden. ‘Wij zetten ons in voor korte aanvoerketens en niet voor een ideologische ban op andere culturen,’ aldus secretaris-generaal Paolo Di Croce in een e-mail. Als voorbeeld noemt hij de eigenaar van een Chinees restaurant in Turijn die een moestuin heeft waar hij Chinese groenten verbouwt om traditionele recepten met verse ingrediënten te kunnen bereiden. ‘Die kok behoort absoluut tot het Slow Food-netwerk, en wij steunen hem,’ zegt hij.
Het is belangrijk op te merken dat het verbannen van ‘buitenlands’ voedsel veel moeilijker zou zijn in een immigratieland als de Verenigde Staten of zelfs Engeland, waar immigranten van oudsher een duidelijk (en volgens sommigen weldadig) stempel drukken op de nationale keuken. ‘Zo’n ban is alleen mogelijk wanneer men zich sterk bewust is van de waarde van een nationale of regionale keuken,’ zegt Heather Benbow, hoogleraar aan de Universiteit van Melbourne, die onderzoek heeft gedaan naar voedsel, diversiteit en xenofobie in Australië en Europa.
‘Niet-Europese en immigratielanden als de Verenigde Staten, Canada en Australië hebben de keukens van de immigranten verwelkomd als een wenselijk en zelfs wezenlijk onderdeel van het stedelijk leven,’ zegt ze. Toch kunnen zelfs landen waar buitenlands voedsel wordt geaccepteerd en gewaardeerd hun eigen onderstromen van culinaire xenofobie hebben: zoals de angst voor Chinees voedsel dat barstensvol [smaakversterker] ve-tsin zit, of als je gewoon wéét dat je een voedselvergiftiging hebt opgelopen in dat Thaise restaurant waar je gegeten hebt, zonder ook maar een moment de salade in dat tentje met eigen moestuin te verdenken.
Eten is niet alleen een manier om mensen samen te brengen, het is ook een manier om ze uit elkaar te houden. ‘Eten kan al bestaande interculturele spanningen versterken en er een uitlaatklep voor bieden,’ zegt Benbow. We beoordelen mensen vaak op wat ze eten en niets is makkelijker dan iemand aanvallen op zijn eetcultuur – of hij nou een McDonald’s-liefhebber is of een veganist. Voeg daar nog bij dat restaurants toegankelijker zijn voor het publiek dan andere door immigranten gedreven bedrijven in etnische enclaves, en je hebt een gemakkelijk doelwit voor vandalisme, haat en xenofobie – zelfs in een immigratieland als de Verenigde Staten.
Vorig jaar werd een kiprestaurant in New Jersey overspoeld door recensies op de culinaire site Yelp, waarin de eigenaars (onder andere) voor ‘terroristen’ werden uitgemaakt nadat hun zoon ervan werd verdacht betrokken te zijn bij bomaanslagen in Manhattan en New Jersey. De bestuursvoorzitter van yoghurtfabrikant Chobani kreeg doodsbedreigingen nadat hij maatregelen had getroffen om meer vluchtelingen in dienst te nemen. Bloeiende restaurants en kruidenierswinkels van immigranten worden publieke symbolen van het succes dat voor iedereen bereikbaar is, maar vaak ook het doelwit van geweld. Alleen al het afgelopen jaar is een Midden-Oosters restaurant in Oakland met uitwerpselen besmeurd, werd een Indiaas restaurant in Denver beklad met de woorden ‘Heil Trump’ en werd een restaurant in Galveston dat eigendom is van een moslimimmigrant uit Pakistan tweemaal binnen een week met spek bekogeld zodat het moest sluiten.
Mensen doen er graag hoogdravend over hoe eten tot onderlinge acceptatie kan leiden. Maar voor het oplossen van immigratieproblemen en het beëindigen van xenofobie komt wel wat meer kijken dan een gemengde eettafel en een gezonde eetlust. Zoals Benbow zegt: ‘Sommige etnische keukens kunnen echt populair zijn zonder dat de meerderheid van de bevolking meer cultureel begrip kan opbrengen voor migranten.’
Disneyficatie
Menig politicus die voedsel in de ban wil doen omdat het een ‘slechte invloed’ op de plaatselijke cultuur zou hebben, heeft de opkomst van kebabzaken vergeleken met ‘Disneyficatie’. Maar hun definitie van dit woord doet me geloven dat ze nog nooit in een Disneypark zijn geweest. Door het wegnemen van de invloed van immigranten op de cultuur van je eigen land wordt dat land heus niet authentieker; daarmee omzeil je alleen alles wat ingewikkeld is, zodat een bezoek aan die geweldige plekken van de UNESCO-erfgoedlijst weinig verschilt van het dwalen door een door Disney ingericht Italiaans themapark. Het is niet veel anders dan zeggen dat het enige échte Italiaanse eten pizza is en dat de enige échte Italianen degenen zijn die ofwel bij de maffia zitten ofwel praten als Mario. De enige verklaring voor een voedselverbod is dat je er niet op kunt vertrouwen dat toeristen om de Italiaanse cultuur geven zonder hun toevlucht te nemen tot stereotypen.
Spaghetti met tomatensaus is net zo goed een culinaire bastaard als de kebab die door een tentje in Verona wordt geserveerd. In 1844 werd het gerecht voor het eerst in een kookboek opgenomen. De tomaat komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika en bereikte pas in de zestiende eeuw Italië. Spaghetti arriveerde in de middeleeuwen op Sicilië dankzij moslims. Zulke dingen hoor je nooit wanneer mensen het over voedselverboden hebben.
De burgemeester van Forte dei Marmi gelooft dat de Italiaanse cultuur alleen ‘beschermd en op waarde geschat kan worden’ door een ban op buitenlands voedsel. Maar wie het Italiaanse eten tot de vorm van 2017 wil bevriezen heeft geen respect voor de keuken. Geen enkele cultuur heeft maar één geschiedenis of maar één soort voedsel, en pogingen om Italië, Frankrijk, Denemarken of welk land dan ook in een glazen vitrine te stoppen zullen niet kunnen voorkomen dat die landen zich ontwikkelen. Je ontkent er alleen maar de invloeden mee waardoor die landen groot geworden zijn.
Auteur: Tove Danovich
SNELLE HAP MAAKT FURORE IN AFRIKA
Is dit het een nieuw signaal van de toenemende welvaart in Zuid-Afrika? ‘Vergeet de Duitse auto’s en de dure horloges maar: de toenemende consumptie van fastfood zou wel eens de meest betrouwbare aanwijzing kunnen zijn voor de toenemende welvaart van de middenklasse in Zuid-Afrika,’ schrijft het Zuid-Afrikaanse weekblad Mail & Guardian. De Burger Kings, vestigingen van Domino’s Pizza en Starbucks nemen de laatste jaren hand over hand toe. De consumptie stijgt, door toedoen van de zwarte middenklasse die in tien jaar tijd in omvang is verdubbeld. Andere factoren die het succes van de snelle hap stimuleren: de onverzadigbare trek van Zuid-Afrikanen in vlees, hun voorkeur voor eten buiten de deur en ten slotte het stijgende aantal vrouwen met een baan.
‘Dat laatste betekent twee inkomens per gezin dat dus meer te besteden heeft. Maar het betekent ook dat degene die traditionaal zorgt voor de maaltijden daar nu minder tijd voor heeft’, aldus het blad.
‘Iedereen koopt tegenwoordig zo veel mogelijk kant-en-klaarmaaltijden, vooral van de bekende merken. En dat betekent dat zelfs mensen die minder te besteden hebben hun weinige geld nog aan fastfood uitgeven.’
BIJ OPENINGSBEELD:
De verwachting dat in de komende dertig jaar de wereldbevolking met tweeënhalf miljard zielen zal toenemen ‘zal voorstellingsvermogen en compromissen op het bord vereisen om dagelijks tien miljard mensen te kunnen voeden’, schrijft New Scientist. Het zal ‘een groene revolutie 2.0’ vergen volgens het Britse wetenschappelijke tijdschrift, dat een aantal extreme oplossingen opsomt voor de gastronomie van overmorgen. Er bestaan wat dat betreft verschillende stromingen, die elk onze eetlust op de proef zullen stellen. De synthetische productie van eieren en koemelk zonder dat er een dier aan te pas komt, bijvoorbeeld. Of termieten en rupsen, die immers rijk zijn aan eiwitten. Of groenten en kruiden die dankzij genetische manipulatie worden opgekweekt uit de darmbacterie E. coli…
Waar Nederland pas sinds kort massaal de voordelen van yoga heeft ontdekt, is het in India al een vijfduizend jaar oude traditie.
Deze schoolkinderen zijn een week lang op yogakamp in Ahmedabad, een stad met ruim 5,5 miljoen inwoners (2011) in de staat Gujarat. Hoewel yoga een hindoeïstische filosofie is, wordt het ook beoefend door Indiase moslims, die in Ahmedabad zo’n 11 procent van de bevolking vormen.
‘We weten dat yoga goed voor je is, in het bijzonder tijdens de vastentijd,’ vertelde studente Nameera van de islamitische school Anjuman-e-Islam in 2015 aan The Indian Express. ‘Het is niet gerelateerd aan een religie, en het helpt je om op een gezonde manier de dag door te komen.’
Om het aloude schimmenspel nieuw leven in te blazen, maken Maleisische poppenspelers gebruik van personages uit Star Wars en andere Hollywoodfilms.
Luke Skywalker mag dan misschien naar een melkwegstelsel ver van ons vandaan zijn gereisd, en Superman kwam misschien van Krypton, maar de merkwaardigste reis die deze moderne superhelden hebben ondernomen is wel die naar Kampong Morak, een boerendorpje in Kelantan, de noordelijkste en tevens meest afgelegen en conservatieve deelstaat van Maleisië.
Muhammad Dain bin Othman heeft naast zijn huis met golfplaten dak een werkplaats waar een klein team van poppenmakers patronen in stukken waterbuffelhuid staat te stansen. Pak Dain – ofwel Oom Dain – is een van Maleisiës laatste nog levende dalang (poppenspelers) die de kunst van wayang kulit (wajang of schimmenspel) beheersen. Behalve angstaanjagende poppen van Rama, Sita en andere personages uit het klassieke epos Ramayana, maakt het team van Pak Dain gestileerde versies van de hedendaagse Star Wars-helden, Superman, Batman, Wonder Woman, en zelfs Bruce Lee en de Kerstman. Deze zogenaamde ‘fusion wayang kulit’ – het geesteskind van Tintoy Chuo, een bedenker van personages voor multimediagames – heeft tot doel Maleisiës oudste vorm van verhalen vertellen voor een nieuw publiek te doen herleven. ‘Er kwamen hier geleerden bezwaar maken tegen het feit dat het schimmenspel aan Hollywood werd aangepast,’ zegt Dain. ‘Maar ik heb alle sceptici gevraagd of ze een betere manier wisten om een verpieterende kunstvorm nieuw leven in te blazen.’
Wajangpersonages geïnspireerd op Star Wars, onder wie (vlnr) Si-P Long (C-3PO), Ah Tuh (R2D2) en Puteri Lwia (Prinses Leia).
Hoewel Dain de belichaming is van de Kelantanese traditie die naar verluidt dertien generaties lang is overgeleverd, komt hij moeilijk aan werk. Ooit was het spel een essentieel onderdeel van oogstfeesten en trouwerijen, en werd het geacht geluk te brengen. Tegenwoordig is het al moeilijk om twaalf musici te verzamelen die capabel genoeg zijn om de vereiste trommels en gongs te bespelen voor een voorstelling.
Een ander probleem is het verbod op schimmenspelen dat in de jaren negentig van kracht werd, toen de Pan-Maleisische Islamitische Partij in Kelantan aan de macht kwam. Het poppenspel gaat over hindoestaanse goden en kent Indiase en animistische invloeden uit de tijd voordat de Arabische handelaren de Maleisiërs tot de islam bekeerden. Daarom is de traditie, samen met vele andere, gebrandmerkt als onislamitisch en bedreigend. Dain vertelt: ‘Er zijn ook rituelen aan het begin en eind waarbij geprobeerd wordt met onzichtbare geesten te communiceren, niet zozeer om ze te vereren, maar meer om ze te vragen de voorstelling niet te verstoren. Misschien is wayang kulit niet goed voor moslims, maar op zich is er niet zoveel verkeerd aan.’
Vorig jaar werd er een festival georganiseerd, met poppenspelers uit Indonesië en Thailand, waar de shows vaak “actueler en satirischer” zijn
Tintoy Chuo is een wat zonderlinge 43-jarige stedeling, die zijn voornaam van Yuan Ping in Tintoy veranderde als hommage aan de retro-opwindfiguurtjes waar hij als kind zo weg van was. In het kader van een kunsttentoonstelling werd hem gevraagd om nieuwe culturele iconen voor Maleisië te bedenken. Hoewel hij meer gewend was aan het tekenen van mascottes voor klanten zoals KFC, Astro TV en een lokaal pretpark, wilde hij helpen de cultuur van het land te behouden. ‘Chinese leeuwendansen en batik waren niet helemaal mijn ding,’ vertelt hij. ‘En ineens viel het kwartje, en besloot ik schimmenspel te combineren met Star Wars. Iedereen kent Star Wars, zelfs mijn moeder.’
Zijn bewerking van Star Wars (Peperangan Bintang in het Maleisisch) kostte hem uiteindelijk meer dan een jaar en 10.000 dollar van zijn eigen geld. In plaats van op een filmscherm werden de personages geprojecteerd op een wit laken. Toch wist Chuo – net als de meeste inwoners van Kuala Lumpur, de moderne Maleisische hoofdstad met al zijn wolkenkrabbers – maar weinig van wayan kulit en hoezeer deze vorm van volkstheater in zijn bestaan werd bedreigd. ‘Hoe meer ik te weten kwam, des te meer ik de verantwoordelijkheid voelde om iets te doen waardoor het schimmenspel populairder zou worden bij de jongere generatie,’ zegt Chuo.
Randverhaal
Dain kwam Chuo op het spoor door een post op diens Facebookpagina. ‘Het feit dat deze Chinese jongen op een nieuwe manier wilde helpen wayang kulit te behouden, intrigeerde me,’ zo herinnert Dain, een kleine man met een potloodsnorretje, zich. ‘Maar ik moest er wel achter zien te komen of hij de dingen wel op de juiste manier wilde doen.’ De poppenspeler had nog nooit van Star Wars gehoord, maar Chuo gaf hem een dvd zodat hij de kaskraker kon bekijken. Dain concludeerde dat de strijd tussen mythische kosmische imperia wel geschikt was als ‘randverhaal’ dat niets te maken had met het kernverhaal over de hindoegod Rama. ‘Bovendien,’ zegt Chuo, ‘zei ik tegen hem dat ik de schuld wel op me zou nemen als we zouden worden aangevallen.’ Het personage van Darth Vader werd geënt op dat van de gemene Ravana [de aartsvijand van Rama], tot en met de klauwachtige lange nagels en de gerimpelde zomen van zijn uniform, hoewel zijn lichtzwaard langer is dan het traditionele zwaard. De naam Luke Skywalker werd vertaald als Perantau Langit. De gestileerde poppen werden net zo lang opnieuw getekend tot ze voldeden aan de standaard van Pak Dain. De voordrachten van Pak Dain werden met een stemvervormer bewerkt, zodat ze zwaarder en schraperiger klonken.
De productie is nu zo’n twintig keer opgevoerd, vaak voor verklede Star Wars-fanaten. Voor Chuo was de lof die ze kregen van de vertegenwoordigers van Lucasfilm, de makers van Star Wars, het allermooiste. Toch moeten we nog maar afwachten of de Star Wars-productie nieuwe dalang kan inspireren. ‘Ik vond het altijd geweldig om naar schimmenspel te kijken, maar ik stond in eerste instantie niet te springen om op te treden,’ herinnert Pak Dain zich. Rond 1980 begon deze ambtenaar, die zijn hele leven al voor het ministerie van Onderwijs werkte, pas serieus zijn artistieke interesse na te jagen. Nadat hij bij de drie grootste schimmenspelspelers een plek als leerjongen had geregeld, werd hij in 1982 erkend als volleerd tok dalang (meester-poppenspeler). ‘Het brengt ongeluk om te spelen zonder erkend te zijn,’ vertelt hij. ‘Voor ieder personage is er een speciaal lied en een speciale manier om je vinger, polsen en ellebogen te bewegen.’ Hoewel hij af en toe wel een leerling heeft gehad, zegt hij dat hij zich daar niet volledig aan kan wijden zolang er zo weinig geld valt te verdienen: ‘Ik ben er een paar kwijtgeraakt die er geen brood in zagen en naar de universiteit zijn gegaan.’
Nu het bestuur van Kelantan doorheeft dat deze kunstvorm wel eens toeristen zou kunnen trekken, wordt er iets soepeler met het verbod omgegaan en worden er regelmatig voorstellingen gehouden in het belangrijkste toeristische centrum van Kota Bharu, de hoofdstad van de deelstaat. Vorig jaar werd er ook een internationaal schimmenspelfestival georganiseerd, met poppenspelers uit Indonesië en Thailand, waar de shows volgens Dain vaak ‘actueler en satirischer’ zijn. En het lokale ministerie van Cultuur leidt buitenlandse bezoekers zelfs naar Dains huis en werkplaats om het ambacht van poppenmaken te kunnen bekijken en tevens bij een dorpeling thuis te logeren.
Steun van overheid
De huiden die voor de poppen worden gebruikt kwamen vroeger van de slager, maar Dain betrekt ze nu van boeren. Voor kleinere poppen werkt hij met geitenhuid of doorschijnend plastic. De meeste poppen worden uiteindelijk ingekleurd met magic ink-stiften. Nadat hij in 2008 met pensioen ging, heeft Dain zich meer dan ooit toegelegd op zijn kunst. ‘Ik weet niet wat het is, maar het is iets binnen in mij: als ik niet minstens één keer per maand optreed, voel ik me niet lekker. Dan heb ik geen uitlaatklep.’ Volgens zijn schatting zijn er maar zo’n acht andere schimmenspelgezelschappen die af en toe optreden. ‘De overheid zegt dat het er veertien zijn, maar sommige staan dubbel geregistreerd,’ zegt hij schimpend.
Maar er is nog steeds geen officiële steun van de overheid. Toen Pusaka, een onafhankelijke organisatie die zich toelegt op het behouden van traditionele Maleisische kunsten, grote hoeveelheden toeschouwers binnenhaalde voor een ander schimmenspelgezelschap, reageerden de lokale bestuurders van Kuala Lumpur volgens de organisatoren verbaasd dat er überhaupt belangstelling voor was. En hoewel Dain zegt dat toekomstige samenwerkingsprojecten met Chuo hem de moed geven door te gaan, denkt hij nog steeds dat het Maleisische schimmenspel over tien jaar wellicht verdwenen zal zijn.
Chuo, ook al gehinderd door te weinig geld, houdt zich voornamelijk bezig met het organiseren van tentoonstellingen in het luxe winkelcentrum Bangsar Village. Daar exposeert hij nieuwe poppen die zijn afgeleid van de bekende Amerikaanse uitgever DC Comics, die hem eveneens toestemming heeft gegeven superhelden te gebruiken om het schimmenspel te redden. Binnenkort kunnen we wellicht zien hoe ook de Hulk een plekje opeist in de typisch Zuidoost-Aziatische iconografie.
Japanse zakenwebsite. Heeft naar eigen zeggen meer medewerkers in Azië dan welk ander businessplatform dan ook. Tot de medewerkers behoren vooraanstaande politici, academici en captains of industry.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.