Tag: universiteit

  • ChatGPT introduceert een speciale modus voor studenten 

    ChatGPT introduceert een speciale modus voor studenten 

    Universiteiten zagen afgelopen jaren een sterke toename in AI-misbruik

    ChatGPT introduceert een nieuwe modus om verantwoord academisch gebruik van de chatbot te stimuleren. Dat meldt The Guardian. Het aantal gevallen van misbruik van AI-tools op universiteiten is de afgelopen jaren sterk toegenomen. In het Verenigd Koninkrijk werden in het academisch jaar 2023-’24 al bijna zevenduizend bewezen gevallen van fraude met AI geregistreerd.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De nieuwe functie begeleidt gebruikers stap voor stap door complexe onderwerpen. De modus geeft geen kant-en-klare antwoorden of essays, maar stelt in plaats daarvan gerichte vragen en genereert een op maat gemaakte uitleg. ‘De tool begeleidt je als het ware naar het juiste antwoord, in plaats van het antwoord meteen te geven,’ legt Jayna Devani, hoofd internationale onderwijsontwikkeling bij OpenAI, uit.

    Devani zegt niet willen dat de chatbot door studenten wordt misbruikt en dat de nieuwe modus een ‘eerste stap in de richting’ is van het stimuleren van constructief academisch gebruik van ChatGPT. 

  • Einde aan bezetting universiteit Dublin na breken banden met Israël

    Einde aan bezetting universiteit Dublin na breken banden met Israël

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Nationalistisch rechts wint ruim bij verkiezingen Noord-Macedonië

    » Iran veroordeelt bekende regisseur tot acht jaar gevangenisstraf

    Vijf dagen lang bezetten studenten de campus van de universiteit

    Studenten aan het Trinity College in Dublin hebben een einde gemaakt aan een vijfdaagse campagne nadat de universiteit had beloofd de banden met Israëlische bedrijven te verbreken. Dat schrijft Al Arabiya. De studenten, die in navolging van studenten elders ter wereld een groot deel van de universiteit bezet hielden, spraken van een overwinning.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Het bestuur sloot een akkoord met de demonstranten, zei de universiteit in een verklaring. ‘Trinity zal zich stoppen met investeringen in Israëlische bedrijven die activiteiten hebben in de bezette Palestijnse gebieden en op de zwarte lijst van de VN staan.’ Slechts één Israëlisch bedrijf blijft om contractuele redenen tot maart 2025 op de lijst staan.

    Het kampement begon op 3 mei toen pro-Palestijnse demonstranten tientallen tenten opzetten op het Fellows’ Square, terwijl vergelijkbare acties plaatsvonden in de VS, Europese steden, Australië en India uit protest tegen de oorlog van Israël tegen Hamas in Gaza. In tegenstelling tot confrontaties in de VS, waar de politie demonstranten op verschillende universiteiten met geweld uit hun tenten zette, werd hier geen poging gedaan om het protest te stoppen. Eoin O’Sullivan, een decaan die de gesprekken met de studenten leidde, bedankte hen voor hun ‘engagement’.

  • Amerikaanse universiteiten in crisis vanwege oorlog in Israël

    Amerikaanse universiteiten in crisis vanwege oorlog in Israël

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Israëlisch leger zegt medeschuldig te zijn aan aanval Hamas

    » Megaloterij in VS gewonnen: winnaar krijgt 1,7 miljard dollar

    Studentenverenigingen zouden zich te pro-Palestijns hebben geuit

    Op veel Amerikaanse universiteiten heeft de oorlog tussen Israël en Hamas geleid tot verdeeldheid, schrijft NBC. De afgelopen dagen lieten meerdere studentenbewegingen verklaringen uitgaan waarin Israël werd aangesproken op het geweld in Gaza. Verklaringen die slecht vielen bij de pro-Israëlische lobby in de VS, die tot diep in de Amerikaanse politiek actief is.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Onder meer op Harvard, Stanford en Georgetown moesten rectoren publiekelijk reageren op de storm van kritiek die extra werd aangezwengeld in conservatieve media. Het grootste debat vindt plaats op Harvard, waar ruim dertig studentenbewegingen een brief ondertekenden waarin ze ‘het Israëlische regime volledig verantwoordelijk houden voor al het geweld dat zich afspeelt’.

    Een van de conservatieve politici die zich uitsprak tegen de verklaring was senator Ted Cruz, oud-student aan Harvard. Op meerdere universiteiten zijn voor de komende dagen pro-Palestijnse demonstraties gepland: media in het land worden geweerd om te zorgen dat problemen niet verder groeien.

    Lees ook:

  • Duizenden botresten uit nazitijdperk begraven in Berlijn

    Duizenden botresten uit nazitijdperk begraven in Berlijn

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Israëlisch parlement neemt controversiële wet aan

    » EC-rapport: 46 procent van alle honing die Europa importeert is namaak

    Er zouden experimenten met de slachtoffers zijn gedaan

    Tijdens een ceremonie in Berlijn zijn duizenden botresten begraven op een begraafplaats. De botresten waren enkele jaren eerder aangetroffen tijdens werkzaamheden aan de campus van de Vrije Universiteit in Berlijn. Deskundigen vermoeden dat het gaat om botten van slachtoffers van experimenten van nazi’s, meldt Tagesspiegel.

    Wie de slachtoffers zijn en waar ze aan zijn overleden, wordt niet uitgezocht

    Op de plek waar tegenwoordig de Vrije Universiteit staat, was vroeger namelijk een onderzoeksinstituut van de Kaiser-Wilhelm-Gesellschaft gevestigd. Wetenschappers aan dit instituut deden onderzoek naar rassenleer en rassenverbetering. Ze werkten onder meer samen met de kamparts van Auschwitz-Birkenau, Josef Mengele. Na de vondst is echter besloten niet uit te zoeken wie de slachtoffers zijn en waar ze aan zijn overleden.

    Belangenorganisaties van slachtoffers van de Holocaust hebben gezamenlijk ingestemd met een afsluitende ceremonie op een nabijgelegen begraafplaats waarbij de zestienduizend botresten in vijf kisten worden begraven. Vertegenwoordigers van deze groepen, autoriteiten van de universiteit en van de gemeente Berlijn waren donderdag aanwezig bij de ceremonie.

    Lees ook:

  • Afghaanse vrouwen proberen digitaal te studeren

    Afghaanse vrouwen proberen digitaal te studeren

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Mexicanen wantrouwen hervorming kieswet

    » Chinese buitenlandminister waarschuwt voor conflict met VS

    Vrouwenrechten sterk ingeperkt onder talibanregime

    Sinds de taliban in augustus 2021 de macht grepen, mogen vrouwen er niet reizen zonder mannelijk gezelschap en hebben ze weinig mogelijkheden om te werken. De meeste meisjes mogen sinds de machtsovername niet meer naar de middelbare school. Volgens een recent onderzoek van Gallup voelt minder dan 12 procent van de Afghaanse vrouwen zich met respect en waardigheid behandeld, meldt NPR.

    Vrouwen die hun mening uiten tegen de taliban worden geconfronteerd met gewelddadige onderdrukking van hun protesten, detentie, intimidatie en zelfs marteling. Velen zagen zich gedwongen het land te ontvluchten.

    Naar schatting zijn negentigduizend vrouwen getroffen door het verbod op universitair onderwijs

    Naar schatting zijn negentigduizend vrouwen getroffen door het verbod op universitair onderwijs. Velen van hen proberen het daarom digitaal – bijvoorbeeld via University of the People, een particuliere online-universiteit in het Amerikaanse Pasadena. Dat is allesbehalve ideaal vanwege slechte internetverbindingen. Bovendien is er geen vooruitzicht op werk, want banen voor vrouwen zijn er amper.

    Ook onderwijsinstellingen als FutureLearn, Herat School en Education Bridge for Afghanistan springen in op de gestegen vraag naar digitaal onderwijs door cursussen te ontwerpen en beurzen beschikbaar te stellen voor Afghaanse studenten. ‘Hun toekomstperspectieven zijn inderdaad somber, maar dat betekent niet dat ze hun onderwijs zouden moeten staken,’ aldus Shai Reshef, voorzitter van University of the People. Hij zegt dat zijn universiteit meer dan zesduizend aanvragen kreeg sinds de aankondiging van het verbod in december. Het gehele jaar ervoor waren dat er tienduizend.

    Lees ook:

  • Lea Ypi: ‘Hoop is een morele plicht’

    Lea Ypi: ‘Hoop is een morele plicht’

    De bekende Albanese auteur en academica Lea Ypi over wat ze het meest aan haar vaderland mist en hoe een van leugens vergeven communistische jeugd haar interesse in filosofie wekte.

    Lea Ypi groeide op in het laatste stalinistische bastion in Europa: Albanië. Ze had er geen idee van dat Xhafer Ypi, voormalig premier van Albanië, een man die ze verplicht moest verachten, haar overgrootvader was, noch dat haar ouders allesbehalve enthousiast waren over het communistische regime. In haar bekroonde memoires (Vrij) vertelt ze dat in 1991, toen het Albanese communistische bewind ten val kwam, haar ouders haar de waarheid  vertelden, namelijk dat het land bijna een halve eeuw een openluchtgevangenis was geweest. Ze schrijft ook over haar vreselijke ervaringen met de burgeroorlog in 1997. Ypi is hoogleraar politieke theorie aan de London School of Economics.

    U legt uit dat ‘biografie’ een beladen begrip was in het communistische Albanië. Had u dat ironische gegeven in gedachten toen u aan uw memoires begon?

    ‘Ik was niet van plan memoires te schrijven; ik wilde een filosofisch boek schrijven, maar toen was daar ineens corona. Ik zat in Berlijn en probeerde mijn kinderen te ontvluchten. Die zaten me voortdurend in huis achterna. Ze vonden dat niemand thuis mocht werken, in hun ogen was er alleen ruimte voor spel, was het altijd zondag. Dus verstopte ik me in een kast en werd het boek steeds persoonlijker: omdat het ging over fysieke beperking, omgeven door grote onzekerheid over wat vrijheid betekende in een liberale samenleving. Ik had in 1997 in Albanië al een lockdown meegemaakt, en hoewel die heel anders en veel angstaanjagender was omdat er buiten een oorlog woedde, was er een gevoel van herkenning.’

    Uw jeugd werd getekend door onwetendheid. U werd voor de gek gehouden: is uw vermogen tot vertrouwen daardoor aangetast?

    ‘De overgang van niet-weten naar weten is problematisch: is de nieuwe waarheid niet gewoon weer een ander verhaal? Die scepsis over de waarheid die tevoorschijn kwam na een grote leugen heeft me nooit echt verlaten. Dat is wat me aantrekt in de filosofie. Ik verdiep me in Kants Kritiek van de zuivere rede. Zijn filosofie bestaat er onder meer uit te pogen de rede los te maken van dogmatisme en scepticisme. Voor mij betekent kritisch zijn dat je geen dogma’s accepteert. Maar dan krijg je weer te maken met het gevaar van de scepsis: als je voorgeschotelde waar-heden verwerpt, houd je misschien heel weinig over. Als je niets meer vertrouwt, kan dat heel verlammend werken. Ik probeer dat te vermijden, en vastigheid te vinden in abstracte moraliteit.’

    GettyImages 1240447905 1
    Lea Ypi tijdens de uitreiking van de Ondaatje-prijs voor haar memoires, Free. Londen, 2022. – © David M. Benett/Dave Benett/Getty Images

    Wat was Albanië, afgezien van de politiek, voor een land, en mist u het?

    ‘Ik mis het heel erg – de stomend hete zomers en de droge, stormachtige winters. Als je het hele jaar door aan de kust woont, krijg je een andere verhouding met de zee. Die is grillig van aard. Onze middelbare school lag dicht aan zee en we gingen er soms naartoe wanneer we pauze hadden. Toen ik klein was, wist ik al dat er een wereld bestond buiten Albanië, aan de overkant van de zee, dus die borg ook deze suggestie in zich.’

    Waar woont u nu?

    ‘Als mensen vragen: ‘‘Waar is je thuis?’’ antwoord ik altijd: Heathrow, Terminal 5 [lacht]. Ik weet niet waar ik thuishoor … niet meer in Albanië, want daar heb ik een immigrantenrelatie mee gekregen. Ik reis veel en voel me met veel landen verbonden. Laten we zeggen dat mijn officiële staatsburgerschap Brits is en mijn woonplaats Londen.’

    Uw grootmoeder zei: ‘Hoop is iets waarvoor je moet vechten. Maar er komt een moment dat ze een illusie wordt.’ Wat hoopte u als kind? Wat hoopt u nu? En is hoop voor onze planeet een illusie?

    ‘Het was mijn hoop om een goede burger te zijn. Ik ben opgegroeid met een besef van politieke verantwoordelijkheid. Ik voelde me een pionier en identificeerde me met de staat en de partij. Wat ik nu hoop, is eigenlijk niet zo heel anders: ik wil een deugdzaam, verantwoordelijk lid van de samenleving zijn en de vrijheid dienen. Op het laatste deel van uw vraag heb ik een filosofisch antwoord. Hoop is een morele plicht – we moeten doen alsof er een kans is dat de dingen een gunstige wending zullen nemen voor wat wij willen bereiken. Met een nihilistische levenshouding is dat plichtsbesef niet vol te houden.’

    Vrijheid is iets wat u voortdurend bezighoudt. Hoe definieert u vrijheid?

    ‘Vrijheid omvat ook plichtsbesef, de idee dat je je plicht kunt doen, hoe moeilijk die ook is. De innerlijke morele dimensie biedt mij een grondslag om de samenleving te bekritiseren. We leven in een wereld met asymmetrische machtsverhoudingen op alle niveaus. Macht wordt uitgeoefend door de machtigen en de zwakkeren en kwetsbaren zijn de passieve ontvangers van die macht. Die dynamiek van machtsverhoudingen staat altijd haaks op vrijheid.’

    U groeide op in een moslimgezin dat verplicht werd het geloof af te zweren. Hebt u nu een religieuze overtuiging?

    ‘Albanië was een constitutioneel atheïstische entiteit; God was een berg leugens. Toen elke waarheid waarin ik geloofde een leugen bleek te zijn, vroeg ik me af of de leugen inzake God waar kon zijn. In de jaren negentig ging ik shoppen op de vrije markt van de religie. Ik was een paar maanden katholiek, ging vervolgens naar de moskee en praktiseerde de ramadan. Ik verkende het boeddhisme, maar ging uiteindelijk filosofie studeren omdat ik geen antwoorden wist. Ik ben nu agnostisch.’

    Je moeder komt prachtig naar voren als een onbevreesd iemand die zich niet liet muilkorven, een krachtpatser… lijkt u in zekere mate op haar?

    ‘Ik putte altijd inspiratie uit de onverschrokkenheid van mijn moeder. Ik probeer die na te volgen, maar ik weet niet of ik erin slaag. Toen ik kind was, liepen we samen door nachtelijk Durrës, mijn geboorteplaats. Het was erg donker, er waren veel dronkaards en ik was heel bang, maar ik zag bij haar geen greintje angst. Ik zei: “Die figuur is niet goed bij zijn hoofd, hij is dronken, hij gaat ons aanvallen.” En dan zei zij: ‘‘Nee, wij gaan hem aanvallen!’’

    U schrijft tactvol over de ontsnapping van uw moeder naar het buitenland, met uw broer, tijdens de burgeroorlog. Het lijkt er wel op dat ze het gezin in tweeën splitste. Was dat niet heel schokkend?

    ‘Zeker. Pas later begreep ik dat ze zich in een situatie bevond waarin ze meende dat ze een kind redde, waarop mijn grootmoeder dan steeds weer het volgende zei: “Je liet een ander kind achter.” Ik heb er nu vrede mee, maar het was toen wel moeilijk.’

    Heb u ooit nog iets vernomen van uw jeugdvriendin Elona, van wie u het aangrijpende verhaal vertelt en die op dertienjarige leeftijd het land ontvluchtte en prostituee werd?

    ‘Ze stierf een week nadat mijn boek was uitgekomen. Iemand die haar herkend had, schreef het me. Na dit nieuws heb ik dagenlang gehuild.’

    Hoe bent u professor aan de London School of Economics geworden?

    ‘Ik heb filosofie gestudeerd in Rome – daarna heb ik een rechttoe rechtaan academische carrière gekend. Ik promoveerde in Florence, ging naar Oxford voor een postdoc en kon vervolgens terecht bij de London School of Economics.’

    Wat voor lezer was u als kind?

    Ik hield van Griekse mythologie. Ik was geobsedeerd door de goden, dat ze zo machtig en tegelijkertijd zo machteloos waren. In Albanië was er een zeer beperkte keuze aan boeken. Ik las alle boeken in de boekwinkel en de kinderbibliotheek en ging vervolgens naar de bibliotheek voor volwassenen, waar ik de Ilias en de Odyssee las. En Russische sprookjes.

    Welk boek zou u een jongere geven?

    ‘Griekse mythen! Mijn kinderen zijn elf, zes en vier. Ik heb ze trouwens aan de twee oudsten gegeven toen ze vijf waren.’

    Wat bent u nog van plan om te lezen?

    ‘The Memoirs of Ismail Kemal Bey, de memoires van de Albanese politieke leider Ismail Qemali, de grond-legger van het Albanese nationalisme. Mijn volgende boek gaat over de val van het Ottomaanse rijk, vandaar. En Stalingrad van Vasily Grossman en een paar geschiedenisboeken. En ik ben van plan om Radetzkymars van Joseph Roth te lezen.’

    Bestaat luchtige leeskost voor u? Wat leest u het liefst ter ontspanning?

    ‘Ik geloof het niet [lacht]. Of het moeten negentiende-eeuwse romans zijn. Mijn favoriete boek is Dostojevski’s Demonen, een verbazingwekkende verkenning van de geschiedenis van ideeën en van de menselijke ziel.’ 

    Lea Ypi Vrij 1
    Vrij: Opgroeien aan het einde van de geschiedenis, in vertaling van Luud Luud Dorresteyn, verscheen bij De Bezige Bij.
  • VS: golf van bommeldingen op ‘historisch zwarte’ universiteiten

    VS: golf van bommeldingen op ‘historisch zwarte’ universiteiten

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » TikTok Japan betaalde influencers voor sluikreclame

    » Myanmarese junta dreigt met doodstraf voor stakers

    Ten minste zes bommeldingen op universiteiten

    Ten minste zes universiteiten in vijf staten (Georgia, Maryland, Florida, Louisiana, Delaware) en Washington D.C. waren maandag gedwongen hun campussen tijdelijk te sluiten nadat ze bommeldingen hadden ontvangen. Volgens The Washington Post is dit de tweede keer in één maand dat zwarte universiteiten het doelwit zijn van dergelijke bedreigingen.

    In januari jongstleden waren reeds acht instellingen bedreigd. Er werden toen geen explosieven ontdekt. Zogeheten ‘historisch zwarte’ universiteiten zijn campussen die zijn ontstaan na de Burgeroorlog toen Afro-Amerikaanse studenten werden geweerd van witte onderwijsinstellingen.

    Lees ook:

  • Antiwoke-universiteit of noodzakelijke onderwijsvernieuwing?

    Antiwoke-universiteit of noodzakelijke onderwijsvernieuwing?

    De nieuwste universiteit van de VS was nog geen tien dagen oud of ze moest al in de verdediging. De instelling zou een uiterst rechts bastion zijn in plaats van een neutrale leerplek. Spraakmakende adviseurs van het eerste uur Steven Pinker en Robert Zimmer verlieten de raad van adviseurs, waar ze intellectuele steun gaven aan het idee van een op ‘vrij onderzoek’ gerichte plek.

    ‘We kunnen niet wachten tot universiteiten zichzelf herstellen. Dus beginnen we een nieuwe. Ik heb mijn positie als president van St. John’s College in Annapolis opgegeven om een universiteit in Austin te starten die is gewijd aan het onbevreesd nastreven van de waarheid.’ Zo kondigde Pano Kanelos op 8 november van dit jaar de oprichting aan van een splinternieuwe universiteit in Amerika, de ‘UATX’, University of Austin, Texas.

    Over de noodzaak voor deze nieuwe universiteit schreef hij: ‘Kunnen we echt beweren dat het nastreven van de waarheid – ooit het centrale doel van de universiteit – nog steeds de hoogste deugd is? Geloven we oprecht dat de cruciale middelen daarvoor, vrijheid van onderzoek en een open discours, nog de overhand hebben terwijl illiberalisme een alomtegenwoordig kenmerk van het universitair klimaat is geworden?’

    ‘Onze democratie hapert voor een belangrijk deel, omdat ons onderwijssysteem illiberaal is geworden’

    ‘De realiteit is dat veel universiteiten niet langer worden aangespoord een omgeving te creëren waarin intellectuele afwijkende meningen worden beschermd en modieuze meningen scherp worden bevraagd. Onze meest prestigieuze scholen dienen vooral als eindopleiding voor de aankomende nationale en mondiale elite. Te midden van baksteen en klimop houden deze studenten zich met steeds ontoegankelijkere theorieën bezig.’

    En dat is een groot probleem, aldus Kanelos. ‘Niet alleen worden studenten als individuen hiermee benadeeld; we laten de natie in de steek. Onze democratie hapert voor een belangrijk deel, omdat ons onderwijssysteem illiberaal is geworden.‘

    ‘Universiteiten zijn plekken waar de samenleving denkt, waar de gewoonten en zeden van onze burgers worden gevormd. Als deze instellingen niet open en pluralistisch zijn, als ze uitspraken beperken en degenen met onpopulaire standpunten verbannen, als ze wetenschappers ertoe brengen complete onderwerpen te mijden uit angst, als ze voorrang geven aan emotionele troost boven het vaak ongemakkelijke streven naar de waarheid, wie is er dan nog over om het discours vorm te geven dat nodig is om vrijheid in een zelfsturende samenleving in stand te houden?’

    Ayaan Hirsi Ali

    Kanelos introduceerde een lijst met namen van docenten, betrokkenen en adviseurs. De rechtse tot uiterst rechtse signatuur die hieruit naar voren kwam, leidde in de Amerikaanse universitaire en journalistieke wereld tot opgetrokken wenkbrauwen.

    ‘Ons project begon met een kleine bijeenkomst van degenen die zich zorgen maakten over de staat van het hoger onderwijs’, schreef Kanelos. ‘Niall Ferguson, Bari Weiss, Heather Heying, Joe Lonsdale, Arthur Brooks en ik, en sindsdien hebben ook vele anderen zich aangesloten, zoals de dappere professoren Kathleen Stock, Dorian Abt en Peter Boghossian. Maar ook universiteitsvoorzitters: Robert Zimmer, Larry Summers, John Nunes en Gordon Gee, en vooraanstaande academici, zoals Steven Pinker, Deirdre McCloskey, Leon Kass, Jonathan Haidt, Glenn Loury, Joshua Katz, Vickie Sullivan, Geoffrey Stone, Bill McClay en Tyler Cowen.

    We worden ook vergezeld door journalisten, kunstenaars, filantropen, onderzoekers en publieke intellectuelen, waaronder Lex Fridman, Andrew Sullivan, Rob Henderson, Caitlin Flanagan, David Mamet, Ayaan Hirsi Ali, Sohrab Ahmari, Stacy Hock, Jonathan Rauch en Nadine Strossen.

    Aan die politieke diversiteit van de nieuwe universiteit wordt ernstig getwijfeld

    Wij zijn een toegewijd team dat met de dag groeit. Onze achtergronden en ervaringen zijn divers; onze politieke opvattingen verschillen.’

    En precies over dat laatste ontstond een polemiek in de pers en de universitaire wereld, want aan die politieke diversiteit wordt ernstig getwijfeld.

    Zo schreef columnist Will Bunch in The Philadelphia Inquirer: ‘De echte reden voor het creëren van hun nieuwe bastion van hoger onderwijs is “wokeness”, waarvan zij beweren dat die het intellectuele debat verstikt. Volgens een van de bondgenoten, de conservatieve Ayaan Hirsi Ali: “Ons onderwijssysteem faalt: in plaats van een plek om te leren, zijn universiteiten getransformeerd in plekken van angst”, waarbij ze verwijst naar wat ze beschrijft als obsessies met “micro-agressies” rond huidskleur, geslacht of seksualiteit, de zogenaamde “cancelcultuur”, of het gebruik van de juiste voornaamwoorden.’

    ‘Zeker’, schrijft Bunch, ‘er zijn serieuze problemen rond vrijheid van meningsuiting op de campussen, maar dat ligt veel genuanceerder en gecompliceerder dan ze doen voorkomen. Ze zouden eens een paar dagen op een echte universiteit moeten doorbrengen, in plaats van alleen maar te lezen over de selectieve Breitbart/Fox News-“campus snowflake”-verontwaardiging van de dag.‘

    Onafhankelijkheid

    Voor Politico ging Derek Robertson verder op de zaak in met het artikel ‘Het is de university of Austin tegen iedereen – inclusief zichzelf’. Hij plaatst vraagtekens bij de neutraliteit en onafhankelijkheid die de nieuwe universiteit zegt na te streven.

    ‘Toen UATX begin november werd gelanceerd‘, aldus Robertson, ‘zei oprichter Pano Kanelos, dat “de betekenis van oldskool motto’s terug zouden keren. Licht. Waarheid. De wind van vrijheid” tegenover “universiteiten die er buitengewoon goed in zijn om studenten alles te bieden wat ze nodig hebben… behalve intellectuele durf”. Het was zowel een uitleg van zijn missie als een impliciete kritiek: de University of Austin zal “fel onafhankelijk” zijn, in tegenstelling tot het academische establishment dat hopeloos gevangen wordt gehouden door progressieve, censurerende ideologen.

    De oprichtingsaankondiging ging gepaard met klinkende namen om het project intellectuele glans te geven, zoals historicus Niall Ferguson van de Hoover Institution in Stanford – een van de oprichters van UATX – en voorts voormalig minister van Financiën en voormalig Harvard-voorzitter Larry Summers en econoom Tyler Cowen.

    Steven Pinker van Harvard zwijgt over waarom hij zijn deelname aan UATX heeft beëindigd, maar Robert Zimmer van de Universiteit van Chicago was er duidelijk over: hij is absoluut voor vrije meningsuiting, maar staat niet achter de directe aanval op het bestaande hoger onderwijs. In een verklaring zegt hij dat “de nieuwe universiteit een aantal uitspraken deed over het hoger onderwijs in het algemeen, het merendeel behoorlijk kritisch, die heel sterk afwijken van mijn eigen opvattingen”.

    ‘Het bijna onmogelijk om het project als iets anders te zien dan als politiek’

    Gordon Gee, president van de West Virginia University, een andere adviseur, blijft wel betrokken, maar was nog directer: “Ik ben het er niet mee eens dat andere universiteiten niet langer de waarheid zouden zoeken en ik heb ook niet het gevoel dat het hoger onderwijs onherstelbaar beschadigd is.”

    Al deze onenigheid weerspiegelt de ongemakkelijke tegenstelling in het hart van het ambitieuze project: ondanks de claim van onafhankelijkheid van de University of Austin in het politieke mijnenveld dat hoger onderwijs in 2021 is, is het bijna onmogelijk om het project als iets anders te zien dan als politiek op zich.

    Kanelos, de voormalige president van het St. John’s College, kondigde de lancering aan via de Substack-nieuwsbrief van Bari Weiss, een medeoprichter die geen academicus is, maar een journalist gespecialiseerd in het prikken in de liberale consensus. Medeoprichter en trustee Joe Lonsdale, tevens met Peter Thiel medeoprichter van het data-analysebedrijf Palantir, verdedigde het project in de conservatieve New York Post, en Ferguson schreef zuur bij Bloomberg dat ‘academische vrijheid sterft in wokeness’.

    De expliciet uitgesproken ideologische toewijding van de University of Austin is gericht op een pluralistische, klassiek liberale vrijheid van meningsuiting. Maar, zoals Zimmer en anderen hebben opgemerkt, berust het project van de universiteit in haar huidige vorm op een inherent politieke kritiek op bestaande instellingen. Voor een intellectueel vehikel dat zo toegewijd is aan diversiteit van denken dat het niet eens zou kunnen bestaan ​​in het huidige academische landschap, vormen de erbij aangesloten denkers zelf bijna een monocultuur: het zijn bijna allemaal iconen van hetzelfde confronterende, niet-vooruitstrevende liberale rationalisme.’

    Morele superioriteit

    ‘Het claimen van een open blik en van meritocratische, rationele vrijheid van ideologische dogma’s, is in de Amerikaanse politiek hetzelfde als morele superioriteit claimen’, vervolgt Robertson zijn artikel. ‘Door precies dat te doen, heeft UATX ongewild de kritiek bevestigd van de meeste linkse cultuurcritici die luidkeels opperen dat waarheid of objectiviteit niet bestaat. Op basis van haar huidige intellectuele kliek lijkt de zelfverklaarde “onafhankelijkheid” van UATX veel op een poging de dominantie van de eigen waarden van haar betrokkenen opnieuw te onderstrepen.

    Je hoeft je niet volledig over te geven aan relativisme om te erkennen dat morele superioriteit meer een doel of aspiratie is dan een toestand die je ooit echt kunt bereiken. Wanneer conservatieve figuren zoals senatoren Ted Cruz of Josh Hawley roepen dat Amerikaanse instellingen ideologisch gevangen zijn genomen en moeten terugkeren naar een of ander Eden-achtig, pre-woke ideaal, of wanneer progressieve opiniemakers zoals Nikole Hannah-Jones een objectieve feitelijke basis denken te kunnen claimen voor een project dat fundamenteel ideologisch is, dan verdraaien ze idealen voor hun eigen politieke doeleinden. Dat alles maakt deel uit van de slingerbeweging van het Amerikaanse intellectuele leven. Maar door te beweren daar buiten te staan, leggen UATX en zijn pleitbezorgers de lat onmogelijk hoog voor hun project.

    ‘Wat het project het meest kwetsbaar maakt voor kritiek in dit vroege stadium, is wie er niet bij betrokken zijn’

    Dat wil niet zeggen dat de structurele of ideologische kritiek op de academische wereld inherent verkeerd is; het zal moeilijk zijn om iemand te vinden (die geen goedbetaalde universiteitsbestuurder is) die zal beweren dat het huidige systeem perfect werkt. Maar de lancering van UATX, en de luidruchtige reacties die daarop volgden, kunnen worden gezien als een waarschuwing over de notie van objectiviteit in het moderne Amerikaanse intellectuele leven; over hoe verleidelijk het is aanspraak te maken op neutraliteit, en hoe een krachtig maar gevaarlijk gereedschap dat is geworden in de gereedschapskist van de cultuuroorlog.

    Ook al zijn de oprichtingsadviseurs van de universiteit uniform in hun oppositie tegen een bepaald soort progressieve retoriek, het is wel een beetje een lastig te plaatsen club. Tegenover alle gal die Ferguson verzamelde in zijn Bloomberg-opiniestuk, is er de omzichtigheid van iemand als Cowen; tegenover de zwaarwichtigheid van eikenhouten lambriseringen die een figuur als Gordon Gee omgeeft, is er het blotevuistengepolemiseer van Andrew Sullivan. Dan heb je nog een toneelschrijver, Trump-aanhanger David Mamet, en een geofysicus; Dorian Abbot, die meeschreef aan een opiniestuk waarin positieve discriminatie wordt bekritiseerd en wiens uitnodiging voor een prestigieuze MIT-lezing vervolgens werd afgezegd.

    Wat het project echter het meest kwetsbaar maakt voor kritiek in dit vroege stadium, is wie er niet bij betrokken zijn, namelijk iedereen van progressief links waarvan ze geloven dat die vrijheid van meningsuiting in de academische wereld zouden bedreigen. In een e-mail zei woordvoerder Hillel Ofek dat UATX ”geen enkele politieke of ideologische toegangstest zal doen. Wij zijn van mening dat het een fundamenteel onderdeel is van liberaal onderwijs om rigoureus om te gaan met radicaal alternatieve opvattingen en ideeën, inclusief die welke de vrijheid van meningsuiting in twijfel trekken. We zouden zeker iemand verwelkomen die een criticus is van de vrijheid van meningsuiting van links of rechts, zolang ze zich aan onze universitaire principes van open onderzoek en open en eerlijk debat houden.”’

    Vehikel tegen ‘wokeness’

    ‘Maar wat verklaart dan de rechtse signatuur van al die adviseurs van het eerste uur?’ vraagt Robertson zich af. ‘De meest barmhartige opmerking van critici zou kunnen zijn dat de oprichters van de universiteit progressieve censuur vrezen als een te grote bedreiging of belemmering (zie: Karl Poppers “paradox van tolerantie”). Maar, om Ockhams scheermes te gebruiken: het is veel gemakkelijker voor te stellen dat niemand ter linkerzijde, zeker niet in de moordende wereld van het hoger onderwijs waar reputatie goud waard is, bereid is om zich aan te melden voor een project dat door vakgenoten onvermijdelijk zal worden afgedaan als reactionair.

    “Ik betwijfel of iemand die, bij gebrek aan een betere terminologie, ‘progressief’ is, de kans zou verwelkomen om deel uit te maken van de raad van adviseurs”, denkt ook Nadine Strossen, professor aan de New York Law School en voormalig president van burgerrechtenorganisatie ACLU, die gelooft dat robuuste bescherming van de vrijheid van meningsuiting van het grootste belang is, niet alleen voor de bloei van het liberalisme, maar ook voor raciale rechtvaardigheid op zich.

    Strossen, een UATX-adviseur, zegt lange gesprekken te hebben gevoerd met universiteitsvoorzitter Pano Kanelos. “Ik twijfel er absoluut niet aan dat hij advies zou verwelkomen van iemand die zich uitspreekt en kritisch zou zijn over alles, inclusief de fundamentele missie.”

    En er is inderdaad iemand die de fundamentele missie van vrij onderzoek wil bekritiseren. Maar dat is geen criticus van links; het is Sohrab Ahmari, de aartsconservatieve katholiek die zichzelf omschreef als “postliberaal”. In een essay voor The American Conservative schreef Ahmari dat UATX het vooruitzicht verwelkomde van een traditionalistische interne dissident aan de tafel. “Ik denk dat het gewoon tijd wordt dat wij orthodoxe gelovigen de honneurs moeten gunnen aan liberale instellingen en onze aanwezigheid moeten gebruiken als een test van hun liberalisme, op grond van hun eigen principes.”

    Goedkeuring van iemand als Ahmari – bewonderaar van Viktor Orbans “illiberale democratie”, die ooit schreef dat conservatieve christenen “moeten proberen de waarden van beleefdheid en fatsoen te gebruiken om onze orde en orthodoxie af te dwingen, en nooit moeten doen alsof ze ooit neutraal kunnen zijn”  – is een vrij grimmig bewijs van de bewering van de school dat geen enkel idee te gevaarlijk is om niet ontgonnen te worden in de klas. Maar bij gebrek aan theoretische tegenhangers ter linkerzijde, maakt het van de universiteit ook een gemakkelijke schietschijf als niets meer dan een vehikel voor grieven tegen “wokeness”.’

    Neutraliteit

    ‘In 2018 schreef historicus David Greenberg voor Politico over “het einde van neutraliteit”, met het argument dat “als we niet kunnen vertrouwen op de regering en andere neutrale instanties om betrouwbare informatie te verstrekken en eerlijk te oordelen over verschillende standpunten, we het risico lopen een van de grootste deugden van onze democratie te verliezen, namelijk het vermogen om onze debatten vrij en controversieel te voeren, wetende dat de meesten van ons de uitkomsten uiteindelijk als legitiem zullen accepteren”’, schrijft Robertson tot slot.

    ‘Sommige grondleggers van de University of Austin proberen het type instelling te reconstrueren dat Greenberg beschrijft, maar dan wel naar hun eigen beeld, met alle inherente vooroordelen die dat met zich meebrengt, en met het uitgesproken streven om ze te bestrijden. En dat is uiteindelijk de reden waarom het project zoveel woede opwekt: in een wereld waar iedereen rationele en morele superioriteit claimt in dienst van hun ideologische verplichtingen, is het aannemen van een scheidsrechtersrol meer dan alleen overdreven hybris. Het is bedreigend.

    Daarom is het ook enigszins begrijpelijk dat links het project zoveel meer als een belediging ziet dan rechts. Iedereen houdt van vrijheid van meningsuiting totdat een eigen persoonlijke grens wordt overschreden, en bij afwezigheid van links in Austin heeft de beschuldiging van een intrarechtscentristisch feestje in ieder geval de schijn van waarheid.

    Maar voorlopig bestaat de University of Austin voornamelijk als een idee. Op een gegeven moment zal toewijding aan de kernmissie worden getest, zoals dat ook voor elke andere universiteit geldt, en het is onmogelijk te voorspellen of de verantwoordelijken dat zullen doen met de eerlijkheid en intellectuele gelijkmoedigheid die de oprichters zeggen na te streven.

    Als ze slagen, en daarmee bewijzen dat critici ongelijk hebben, zullen ze iets authentieks en nieuws hebben neergezet in het Amerikaanse intellectuele leven en met terugwerkende kracht het lawaai en de woede rond de aankondiging van de oprichting hebben gerechtvaardigd.’

  • Polen treedt op tegen ‘abortustoerisme’ | Griekse horeca voorzichtig open

    Polen treedt op tegen ‘abortustoerisme’ | Griekse horeca voorzichtig open

    Polen wil dat Tsjechië optreedt tegen ‘abortustoerisme‘

    De Poolse ambassade in Praag blijkt de Tsjechische regering te hebben verzocht om in te grijpen in plannen voor wetgeving die het voor vrouwen uit Polen gemakkelijker maakt om abortus in Tsjechië te laten uitvoeren, bericht Notes from Poland. De voorgestelde wetgeving heeft betrekking op de voorwaarden waaronder buitenlandse vrouwen abortussen zouden kunnen ondergaan in Tsjechië. Het voorstel zou met name betrekking hebben op vrouwen uit Polen, dat enkele van de strengste abortuswetten van Europa heeft.

    Legale abortus is nu vrijwel onmogelijk in Polen

    Door een uitspraak van het Poolse Constitutionele Hof in oktober is legale abortus in Polen nu vrijwel onmogelijk, ook al vonden er nog slechts zo’n duizend ingrepen per jaar plaats. Volgens schattingen van vrouwenrechtengroepen worden er daadwerkelijk tussen de tachtig- en honderdvijftigduizend abortussen per jaar uitgevoerd, hetzij illegaal in Polen, hetzij doordat vrouwen naar het buitenland reizen. 

    In een brief van twee pagina’s aan het Tsjechische ministerie van Volksgezondheid, waarschuwt de Poolse zaakgelastigde Antoni Wręga dat de plannen voor de nieuwe wet ‘de Tsjechisch-Poolse betrekkingen zou kunnen schaden’.


    Colombiaanse minister stapt op

    De Colombiaanse minister van Financiën Alberto Carrasquilla is deze week opgestapt nadat een voorstel voor belastinghervorming leidde tot meerdere dagen van protesten waarbij zeker vierentwintig doden vielen, bericht Deutsche Welle. Carrasquilla vertrok een dag nadat president Iván Duque het controversiële voorstel had ingetrokken.

    Het wetsvoorstel was half april ingediend in de hoop de overheidsuitgaven te kunnen financieren en de economie te vernieuwen. Volgens de regering zijn belastingverhogingen nodig omdat de pandemie grote gaten heeft geslagen in de Colombiaanse overheidsfinanciën. Colombia maakt de ergste recessie in een halve eeuw mee, met een daling van het bbp van 6,8 procent in 2020 ten opzichte van het jaar ervoor. Maar demonstranten vrezen dat de belastingwijzigingen, inclusief een verhoging van de inkomstenbelasting, hen nog armer zullen maken tijdens de pandemie.

    Ondanks de intrekking van het wetsvoorstel heeft het ‘Nationaal Stakingscomité’ opgeroepen tot een nieuwe massabijeenkomst, omdat de demonstranten ‘veel meer eisen dan alleen het schrappen van de belastinghervorming’.


    Onrust bij Renault Zuid-Korea

    Renault Samsung, de Zuid-Koreaanse vestiging van de Franse autofabrikant, heeft deze week zijn fabriek in de stad Busan tijdelijk gesloten na een staking die al drie dagen duurde. De staking is georganiseerd door vakbonden die onder meer loonsverhoging eisen.

    Het is al maanden onrustig bij de autofabrikant door vastgelopen loononderhandelingen, teruglopende verkopen en afnemende productie die is te wijten aan een tekort aan chipvoorraden en het ontbreken van nieuwe, aansprekende modellen, schrijft The Korea Herald.

    Van januari tot april dit jaar daalde de verkoop tot 31.412 voertuigen, een daling van 24 procent ten opzichte van vorig jaar. In een waarschuwingssignaal aan de vakbonden maakte CEO Dominique Signora zijn positie duidelijk. ‘We moeten dringend kosten besparen tijdens deze crisis, aangezien onze verkopen het laagst zijn in zestien jaar’.  Hij waarschuwde ook dat de autofabrikant nog enkele maanden last zal blijven hebben van het aanhoudende wereldwijde chiptekort. Signora suggereerde herstructurering van het bedrijf niet uit te sluiten.


    Omstreden Chinese universiteit in Boedapest

    Een controversieel Chinees universiteitsproject wekt bezorgdheid over de groeiende invloed van Beijing in Hongarije en over de nauwe banden van premier Viktor Orbán met China, aldus Radio Free Europe/RL. Eind april ondertekende Hongarije een overeenkomst met de Fudan-universiteit uit Shanghai voor bouw van een vestiging in Boedapest in 2024. Daarmee wordt dit de eerste Chinese universiteit in de EU en de eerste buitenlandse vestiging van deze prestigieuze universiteit. Goed voor het hoger onderwijs in Hongarije, vindt Orbán.

    Er zijn zorgen over gebrek aan transparantie naar aanleiding van een ondoorzichtige Chinese lening

    Maar er zijn zorgen over gebrek aan transparantie, na onthullingen dat de Hongaarse regering van plan is een enorme, ondoorzichtige Chinese lening aan te gaan om de campus te bouwen. Gergely Karácsony, burgemeester van Boedapest is een van de meest uitgesproken critici: ‘Totdat de regering alle details van het project volledig openbaar heeft gemaakt, hebben we niets om over te onderhandelen, hetgeen betekent dat we geen toestemming zullen geven voor de bouw van de Chinese universiteit.’


    Griekse horeca voorzichtig open

    Sinds maandag zijn terrassen van horecagelegenheden in Griekenland voor het eerst sinds november weer geopend, met tafels op afstand van elkaar. Staande klanten, muziek en activiteiten binnen zijn verboden. Maximaal zijn zes klanten per tafel toegestaan en de avondklok is verlaat van 21.00 tot 23.00 uur, meldt Ekathimerini.

    Overigens werd die avondklok de afgelopen weken al grotendeels genegeerd. Bars en cafés schonken alleen om af te halen, maar buiten vormden zich grote groepen op trottoirs en bij de ingangen van nabijgelegen appartementen.

    De versoepelingen zijn de eerste stappen op weg naar verdere opening met het oog op de komst van toeristen deze zomer. 


    Twitterban voor Indiase actrice

    Bollywoodactrice Kangana Ranaut, die bekend staat om haar vurige steun aan de Indiase premier Narendra Modi, is permanent van Twitter verbannen wegens haatzaaien en belediging. Ranaut plaatste maandag een tweet waarin ze Modi aanspoort gangstertactieken toe te passen om de West-Bengaalse Mamata Banerjee te ‘temmen’, bericht Al Jazeera.

    Ranaut noemde Banerjee op Twitter onder meer een ‘vrijgelaten monster’

    De regionale partij van Banerjee, zittend leider van de deelstaat, versloeg bij verkiezingen dit weekend de hindoenationalisten van Modi. Daardoor behield ze de leiding over West-Bengalen. Na de verkiezingen werd de partij van Banerjee beschuldigd van gewelddadige aanvallen op haar tegenstanders.

    Ranaut noemde Banerjee op Twitter onder meer een ‘vrijgelaten monster’.

  • Politiek en lobbyisme: de draaideur van Brussel

    Politiek en lobbyisme: de draaideur van Brussel

    De afstand tussen EU-ambtenaren en 35.000 lobbyisten in Brussel is schrikbarend klein. Sterker nog, na een functie voor de EU te hebben vervuld, stapt een fors aantal ambtenaren over naar de lucratieve lobbywereld. De EU prijst zichzelf vanwege ‘transparante’ regelgeving op dit gebied, maar ophef rond voormalig EU-commissaris Günther Oettinger roept de vraag op of die tevredenheid terecht is. 

    ‘De EU heeft een autoriteit voor ethiek nodig!’, is de kop boven een artikel dat financieel redacteur Harald Schumann eind januari voor de Duitse krant Der Tagesspiegel schreef.

    Volgens Schumann zijn EU-politici te zelfgenoegzaam over het feit dat de activiteiten van lobbyisten in Brussel geregistreerd dienen te worden en daardoor dus redelijk controleerbaar zouden moeten zijn. Hij verwijst in dit verband naar een uitspraak van Katharina Barley, vicevoorzitter van het EU-parlement: ‘Wat transparantie omtrent lobbyen betreft, gaat de EU resoluut voorwaarts.’

    In eerste instantie begrijpt Schumann die uitspraak. ‘Commissarissen en hoge parlementariërs volgen inderdaad een mooi principe. Iedereen die met hen over een project wil praten, moet met naam en budget worden vermeld in het officiële lobbyregister. Zonder inschrijving kan er geen afspraak volgen, althans niet officieel. Bovendien moeten vergaderingen in toegankelijke databases worden ingevoerd. Wie zich te eenzijdig informeert, kan onder druk komen te staan‘, aldus Schumann. De procedure klinkt prima, maar, zegt Schumann, er is sprake van schone schijn.

    35.000 lobbyisten

    ‘Deze zogenaamd schone omgang met het leger van ongeveer 35.000 lobbyisten heeft een vuile keerzijde’, schrijft de Duitse journalist. ‘Voor honderden EU-functionarissen, commissarissen en parlementariërs is de afstand die ze tot lobbyisten houden slechts show. In werkelijkheid staan ze zo dicht bij elkaar dat ze na het vertrek uit hun ambt maar al te graag overstappen om hun kennis te gelde te maken.’ 

    Volgens Schumann zijn na 2014 maar liefst 185 EU-parlementsleden overgestapt van het parlement naar een baan bij lobbykantoren. Van de 27 commissarissen die in 2014 aftraden, zijn er 13 ingehuurd door lobbyagentschappen en bedrijven.

    Veel verontwaardiging was er over de nieuwe functie van voormalig Commissievoorzitter José Manuel Barroso. Na zijn vertrek trad hij aan als directeur bij de Amerikaanse zakenbank Goldman Sachs. Al tijdens zijn voorzitterschap bleek hij ‘buitengewoon vruchtbare ontmoetingen’ met Goldmans topmanager Blankfein te hebben gehad, zonder die te melden.

    ‘Wat echt verwerpelijk is, is de schade aan de democratie’

    De Europese Commissie eist een wachttijd van twee jaar, zodat topfunctionarissen kunnen ‘afkoelen’ om belangenconflicten te vermijden. Maar ook die maatregel is niet serieus te nemen, volgens Schumann, zoals blijkt uit de activiteiten van voormalig EU-commissaris Günther Oettinger. 

    Oettinger, een Duitse CDU-politicus, was van 2010 tot 2019 EU-commissaris en tekende na zijn vertrek arbeidscontracten met niet minder dan dertien bedrijven en verenigingen. Daarvoor ontving hij speciale toestemming van de zittende Commissie onder leiding van partijvriendin Ursula von der Leyen, op voorwaarde dat hij niet zou lobbyen.

    Maar de groene Europarlementariër Daniel Freund vindt de gang van zaken ongeloofwaardig. Volgens hem staan slechts ‘zeven van de nieuwe werkgevers van Oettinger vermeld in het lobbyregister’.

    Schumann concludeert dat het probleem van de nauwe band tussen de hoogste ambtenaren met de ‘geldmachtigen’ niet alleen de mogelijke manipulatie van wetgeving betreft. ‘Wat echt verwerpelijk is, is de schade aan de democratie.’ Want de overstap van politiek naar lobbyisme wekt volgens hem de verkeerde indruk dat politiek kan worden gekocht, ‘en daardoor worden kiezers naar de antidemocraten van rechts gedreven’.

    Oettinger

    Drie weken na het artikel van Schumann bevestigt de Oostenrijkse krant Die Presse hoe schimmig de lobbywegen van oud-Commissaris Günther Oettinger zijn. Afgelopen weekend publiceerde de krant een artikel met als kop ‘Kritik an Oettinger-Job für Tabaklobby’ (‘Kritiek op Oettingers baan voor de tabakslobby’). Kern van de zaak is dat Oettinger sinds begin van dit jaar voor een lobbybureau werkt waarvan de grootste klant het tabaksbedrijf Philip Morris is.

    ‘De wisselwerking tussen tabaksregulering en lobbywerk levert opnieuw problemen op voor de Europese Commissie’, zo schrijft Die Presse. ‘Emily O’Reilly, de EU-ombudsman, roept Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, op om zorgvuldig te controleren of Günther Oettinger, de Duitse EU-commissaris tot 2019, zich aan de afspraken houdt en niet lobbyt voor het tabaksbedrijf Philip Morris.’

    Volgens de krant zullen binnenkort drie belangrijke EU-wetten die de tabaksmarkt reguleren door de Commissie worden herzien. De eerste richtlijn betreft de grensoverschrijdende verkoop van tabaksproducten aan particulieren. De tweede is gericht op de minimumaccijnzen op sigaretten. Naar verwachting zal de derde richtlijn de productie, presentatie en verkoop van tabaksproducten betreffen, te denken valt aan afschrikwekkende afbeeldingen op verpakkingen en het verbod op gearomatiseerde sigaretten. De herzieningen zullen volgens O’Reilly met argusogen worden gevolgd door de tabakslobby.

    Problematisch

    Precies daarom zijn de dertien recent goedgekeurde banen van Oettinger volgens de Ombudsman zo problematisch. De voormalige minister-president van de deelstaat Baden-Württemberg, die in 2010 EU-commissaris voor energiebeleid werd, daarna voor de digitale economie en als laatste voor begroting en personeel, kreeg op 11 november vorig jaar toestemming van de Commissie om aan de slag te gaan bij communicatie- en lobbybureau Kekst CNC als ‘global consultant’. 

    Hij aanvaardde deze functie op 1 januari van dit jaar. O’Reilly waarschuwt Von der Leyen in een brief: ‘Aangezien Philip Morris International de grootste klant is van dit adviesbureau, dat is opgenomen in het EU-transparantieregister, kunt u begrijpen dat het publiek er zeker van moet kunnen zijn dat de Commissie alle noodzakelijke maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de verplichtingen worden nagekomen om toe te zien op de naleving van de voorwaarden die de voormalige commissaris zijn opgelegd.’

    Oettinger maakte bekend dat de nieuwe functie hem ‘de kans zal geven om ervaring en kennis door te geven aan adviseurs en klanten’

    In de praktijk is dit echter onmogelijk, volgens Die Presse, zeker als Oettinger ervoor zorgt dat hij geen schriftelijke sporen nalaat die op een schending van zijn niet-lobbyplicht zouden kunnen wijzen. Het is volgens de krant overigens duidelijk dat Kekst CNC hem vooral heeft ingehuurd vanwege zijn specifieke ervaring. Oettinger windt daar ook geen doekjes om, want hij maakte zelf op de website van het bureau bekend dat de nieuwe functie hem ‘de kans zal geven om ervaring en kennis door te geven aan adviseurs en klanten’.

    Als antwoord op vragen van Die Presse verwees een woordvoerder van de EU-commissie naar de restricties waaronder Oettinger de baan heeft mogen aannemen. ‘De Commissie zal de Ombudsman antwoorden, net als in alle andere gevallen’, voegde de woordvoerder eraan toe.

    Geen roker

    Ook de politieke website Politico besteedde dit weekeinde aandacht aan het geval-Oettinger, en voegt nog meer informatie toe aan het verhaal. Volgens Politico vermeldde het EU Transparantie Register dat Kekst CNC in 2019 tussen de € 200.000 en € 299.999 aan inkomsten ontving van tabaksgigant Philip Morris.

    De site wijst op informatie die Oettinger aan de Commissie heeft verstrekt om deel te mogen uitmaken van de adviesraad van Kekst CNC. Volgens Oettinger helpt de adviesraad ‘de wereldwijde reputatie en zichtbaarheid van Kekst CNC te verbreden en te verbeteren bij opinieleiders en besluitvormers’. Daarnaast ondersteunt de raad ‘activiteiten voor bedrijfsontwikkeling’, volgens Oettinger.

    ‘In haar brief van 11 februari aan de voorzitter van de Commissie Ursula von der Leyen’, zo schrijft Politico, ‘herinnert Ombudsman Emily O’Reilly eraan dat de EU als deelnemer aan het Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging van de Wereldgezondheidsorganisatie “zich heeft verbonden het volksgezondheidsbeleid te beschermen tegen de tabaksindustrie”.’ 

    Oettinger vertelde Politico desgevraagd dat zijn werkzaamheden ‘niets met tabak te maken zullen hebben’. ‘Ik ben geen roker’, zo liet de Duitse politicus weten, eraan toevoegend dat hij geen contact heeft gehad met Philip Morris en ook ‘geen ambitie’ heeft om in de toekomst in contact met het bedrijf te treden. ‘Ik ben perfect op de hoogte van mijn beperkingen en mijn verplichtingen.’

    Thomas Empt, algemeen directeur van Kekst CNC, valt hem daarin bij: ‘We willen geen commentaar geven op de brief van de Ombudsman, maar we willen wel benadrukken dat het voor ons bedrijf van het grootste belang is om de Gedragscoderegels voor voormalige leden van de Europese Commissie strikt te volgen.’

    Hongarije

    Hoe zuiver op de graat Oettinger zal blijken, valt nog te bezien, maar enige waakzaamheid lijkt op z’n plaats, gezien zijn eerdere activiteiten. Volgens Politico liet het Staatsblad van Hongarije een jaar geleden weten dat de Hongaarse premier Viktor Orbán Oettinger heeft aangewezen als covoorzitter van een nieuw op te richten Nationale Raad voor Wetenschapsbeleid, die de Hongaarse regering adviseert over innovatie en onderzoek. Deze controversiële wetenschapsraad is opgericht door de premier zelf.

    Als covoorzitter zou Oettinger samenwerken met de Hongaarse minister van Innovatie en Technologie László Palkovics, die de instelling leidt. Oettinger zou het enige niet-Hongaarse lid in de raad zijn.

    Volgens critici is de raad onderdeel van de inspanningen van de Hongaarse regering om strengere controle uit te oefenen op de academische sector, bijvoorbeeld door financiering in te houden voor onderzoekers die tegen het beleid van Orbán zijn.

    ‘Het is vreselijk dat een voormalig EU-commissaris geloofwaardigheid verleent aan een regime dat de onafhankelijkheid van de wetenschap aanvalt’

    Met name linkse en groene leden van het Europees Parlement beschuldigen Oettinger ervan de ambities van Orbán te legitimeren om wetenschap onder controle van de regering te krijgen. De Hongaarse regering weerspreekt dat en stelt dat het doel is de wetenschapssector van het land innovatiever te maken.

    Dat Hongaarse verweer is niet bijster geloofwaardig. De beschuldigingen van gebrek aan academische vrijheid in Hongarije zijn de afgelopen jaren toegenomen, vooral sinds de gerenommeerde Centraal-Europese Universiteit, gefinancierd door de Hongaars-Amerikaanse miljardair George Soros, naar Wenen moest verhuizen vanwege beperkingen die werden opgelegd door de Hongaarse autoriteiten.

    Oettinger is zich ondertussen van geen kwaad bewust. Aan Politico liet hij weten dat hem niet was verteld hij een vergoeding zou krijgen voor de baan en dat hij ‘de agenda van bijeenkomsten wil vormgeven en bijdragen aan discussies’, om de wetenschap in Hongarije een impuls te geven.

    ‘Wetenschap, innovatie en onderzoek moeten een zorg zijn voor heel Europa en moeten daarom ook beter worden gepromoot in de afzonderlijke landen’, aldus Oettinger. ‘De afgelopen jaren heb ik Europa altijd bekritiseerd omdat het niet genoeg aan onderzoek doet. We moeten 3 procent van ons bruto nationaal product in onderzoek steken, in plaats daarvan zitten we constant op 2 procent.’

    ‘Erg vergezocht’

    De groene Europarlementariër Daniel Freund kijkt er anders tegenaan. ‘Het is vreselijk dat een voormalig EU-commissaris geloofwaardigheid verleent aan een regime dat de onafhankelijkheid van de wetenschap aanvalt’, zei Freund vorig jaar. ‘En dat in een situatie waarin ngo’s en journalisten zwaar onder druk staan, er schaamteloze corruptie is in het land, er een artikel 7-procedure tegen Hongarije loopt en Orbáns regeringspartij Fidesz is geschorst uit zijn partijfamilie, de Europese Volkspartij’ – nota bene de Europese partij waar Oettingers CDU deel van uitmaakt.

    Oettinger wijst die kritiek af. ‘De naam zegt het al: de Nationale Raad voor Wetenschapsbeleid heeft een adviserende rol, maar neemt geen beslissingen’, was zijn commentaar. ‘Vrijheid van wetenschap en onderwijs is altijd erg belangrijk voor me geweest. Daarom accepteer ik deze kritiek niet. Het is erg vergezocht.’

    Volgens Kontext: Wochenzeitung was de EU er twee maanden geleden nog niet uit of Oettinger de klus in Hongarije mag aannemen: ‘De Europese Commissie is nog steeds aan het piekeren of ex-commissaris Günther Oettinger de controversiële premier van Hongarije, Viktor Orbán, kan bijstaan als hoofd van zijn nieuwe Innovatieraad.’

    Wellicht speelt bij het geaarzel mee dat Oettinger eerder ook al onder vuur is komen te liggen vanwege zijn nauwe banden met Orbán. In 2016, toen hij commissaris voor digitale economie was, gebruikte hij de privéjet van een pro-Russische Duitse zakenman die voor de Hongaarse regering werkte om naar een diner met Orbán te vliegen. Volgens Oettinger gebeurde dat omdat er op dat moment geen commerciële vlucht was om hem op tijd naar het diner in Boedapest te brengen. De Europese Commissie accepteerde zijn uitleg destijds.

    Of de Commissie in Oettingers onschuld blijft geloven bij de beslissing over zijn Hongaarse baan, valt nog te bezien. Margarida Silva van Corporate Europe Observatory, een nonprofitorganisatie die de connectie tussen EU-beleid en lobbyisten in de gaten houdt, zei vorig jaar: ‘Er zijn zorgen dat deze nieuwe baan op de een of andere manier het resultaat zou kunnen zijn van de betrokkenheid van Oettinger, als Europees commissaris, bij beslissingen die van invloed waren op de Hongaarse regering. Mocht dit het geval blijken te zijn, dan zou dit een onderzoek vereisen door OLAF’, het fraudebestrijdingsbureau van de EU.

  • Iraanse wetenschap wil de wereld in

    Iraanse wetenschap wil de wereld in

    Iran heeft een ambitieuze jonge elite die hongert naar welvaart en vooruitgang. Wetenschap en techniek zijn voor hen het tegengif tegen de isolatie van het land.

    Kon je het raam maar open gooien. De lucht is benauwd in de Iraanse hoofdstad, de straten zitten verstopt met oude rammelkasten. Hier en daar een hybride Lexus of een SUV van Duitse makelij die verbazend schadevrij door de drukte heen slalommen en toch de indruk wekken van een onbeholpen protest van de seculiere vooruitgang tegen de muffe lucht in het land van de religieuze deugdpolitie.

    In dit ronkende tumult, dat overdag veertien miljoen mensen omvat en ’s avonds, wanneer de forenzen weg zijn, inkrimpt tot acht miljoen, is alles voortdurend in beweging. Olie en gas, dat hoor en ruik je op elk straathoek, vormen de brandstof voor deze moloch. Zonder de fossiele energie was het organisme Iran allang uitgedroogd, daarin onderscheidt het zich niet van de buurlanden in het Midden-Oosten. 68 soorten mineralen en waardevolle metalen, koper, zink, ijzer, maar vooral de grootste gasreserves van de wereld en de op drie na grootste oliereserves, de grootste markt voor voertuigen in Voor-Azië, maar geopolitiek gezien toch ook een doodzieke patiënt.

    In isolement verliest het tegengif algauw zijn werking. Wat nodig is, is echt vers bloed

    Iran was en is een land in isolement. Het conflict over atoomenergie en de jarenlange sancties tegen het land in de regeringsperiode van de Iraanse populist Mahmoud Ahmadinedjad hebben, tot het nucleaire verdrag met de ‘5+1 staten’ van twee jaar geleden, een politieke puinhoop achtergelaten die tot enige tijd geleden in elk geval op het gebied van de wetenschappen misschien alleen vergelijkbaar is met wat overtuigde pessimisten voorspellen voor de aartsvijand, de Verenigde Staten: isolationisme tot aan internationale marginalisering toe.

    Maar uitgerekend Iran, deze streng geïsoleerde chronische patiënt met zijn autoritair-religieuze bovenbouw, lijkt na de eerste aarzelende opening nu een supermagneet te worden voor een westers wetenschappelijk establishment. Er wordt wederzijds contact gezocht en afgetast. Zoals de Robert Bosch-Stiftung, die we bij hun aftastpogingen aan enkele van de grootste universiteiten van Teheran vergezelden. De Iraanse ‘onderzoekskracht’ waarvan de secretaris van de stichting, Joachim Rogall, vooral onder de indruk was, was tot dusver hoofdzakelijk opgevallen door de zeer getalenteerde studenten en ambitieuze doctorandi die hun heil vonden in Noord-Amerika.

    Maar ook Europa is al jaren een bestemming: alleen al de Max-Planck-Gesellschaft biedt momenteel werk aan ongeveer tweehonderd overwegend jonge Iraniërs. Het academisch milieu wordt in het algemeen gekenmerkt door de vele jongeren en vrouwen. Al onder het regime van Ahmadinedjad verdubbelde het aantal studenten binnen zeven jaar tot bijna vierenhalf miljoen, het aandeel van de vrouwen is net iets minder dan de helft. De explosieve groei van de wetenschap aan honderden openbare, private en religieuze universiteiten is het resultaat van de drang tot zelfbehoud in een rijk, maar politiek geïsoleerd land. Deze heeft een ambitieuze jonge elite voortgebracht die onmogelijk in haar geheel naar het buitenland kon emigreren – een elite die hongert naar welvaart en vooruitgang. Wetenschap en techniek zijn voor hen het tegengif tegen de isolatie en de opening is de kans op vers bloed voor het zieke organisme.

    ‘Het venster gaat open’: met ongeveer deze woorden begroette Mahdi Jahangiri, een van de leidende figuren in de Iraanse Kamer van Koophandel en daar verantwoordelijk voor de hightechstrategie, de delegatie van de stichting. De Iraanse Kamer van Koophandel is het scharnier- en middelpunt geworden van een culturele en academische beweging die de weg naar buiten zoekt. De voortrekker daarvan is geen man, maar een vrouw: Ferial Mostofi. Een bekwame, doortastende zakenvrouw, een netwerkster die het wetenschappelijke potentieel wil benutten voor een economische ‘upgrade’ van het land: ‘Wij hebben het potentieel van een grote handelsnatie,’ zegt ze, en in de ‘strijd van de kennisgemeenschappen’ om de knapste koppen ziet ze haar land een vooraanstaande positie innemen. Als ze spreekt, klinkt dat oppervlakkig naar zelfpromotie, en ze springt even makkelijk om met statistieken en slogans over ‘investment service centers’, technologietransfers en ‘science & technology-parken’ als iedere westerse wetenschapsmanager. Maar ze weet ook: in isolement verliest het tegengif algauw zijn werking. Wat nodig is, is echt vers bloed: ‘Wij hebben buitenlandse investeringen en samenwerkingsverbanden nodig.’

    De Robert Bosch Stiftung is echter niet naar Teheran gereisd om geld te brengen. ‘Wij dragen de naam van de firma Bosch, maar als onafhankelijke stichting kunnen we hooguit wegbereiders zijn, die dingen mogelijk maken,’ maakte Rogall duidelijk, nadat de ene jonge Iraanse ondernemer na de andere na afloop van zijn korte toespraak in de Kamer van Koophandel geïnformeerd had naar mogelijke directe investeringen uit Stuttgart. In drie jaar tijd is het aantal start-ups en spin-offs dat uit de kennispool van de Iraanse academies is voortgekomen gestegen van enkele tientallen tot meer dan drieduizend, en het aantal ‘science & technology-parken’ gegroeid tot bijna veertig. Overdracht van technologie geldt als de koninklijke weg naar welvaart, de universiteiten pronken met ondernemersstrategieën, maar men is vooral bang dat de technologische vooruitgang in het isolement op enig moment zal stagneren.

    Een robot op de 11e international Robo-Cup-competitie in Teheran, Iran. – © Fatemeh Bahrami / HH
    Een robot op de 11e international Robo-Cup-competitie in Teheran, Iran. – © Fatemeh Bahrami / HH

    Het wetenschapspark van de Universiteit van Teheran bijvoorbeeld, met meer dan 55.000 studenten de grootste van het land, beslaat al meer dan een half miljoen vierkante meter ten noorden van de hoofdstad. Maar voor Mahmoud Nili Ahmadabadi, de eerste democratisch gekozen president van een Iraanse universiteit, is het eigenlijke doel niet de vergroting van het universiteitsterrein, maar een uitbreiding naar het buitenland: ‘Samenwerkingsverbanden met het buitenland bestaan tot dusver helaas alleen op papier.’ Dat geldt niet alleen voor projecten, maar ook voor de uitwisseling van academici: van de buitenlandse studenten aan de Teheran Universiteit komen de meesten uit de buurlanden, uit Afghanistan en Pakistan bijvoorbeeld. Slechts enkelen uit Europa of Noord-Amerika. Volgens de voorzitter van het ingenieurscollege, Nasser Soltain, kan men aan zijn universiteit de gevolgen zien van het jarenlange isolationisme: ‘Wij moeten eerst weer gewend raken aan echte samenwerking,’ zegt hij, en hij rekent daarbij op Europa. De studenten zouden in contacten met Amerikaanse of Canadese professoren tot dusver veel sneller antwoorden en toezeggingen gekregen hebben. ‘Maar onze eerste keus was eigenlijk Europa.’

    De reden is eenvoudig: de meeste hoogbegaafde studenten en doctorandi die voor hun afstudeerprojecten naar Noord-Amerika zijn gegaan, zijn daar ook gebleven. De kans dat de begaafde jongeren weer terugkeren naar het land en meewerken aan de opbouw van Iran als wetenschapsnatie is duidelijk hoger na leerjaren in Europa.

    Ambitie

    Thomas Andersson, een Zweedse wetenschapper die onlangs een rapport heeft geschreven voor de Conferentie over Wereldhandel en Ontwikkeling van de Verenigde Naties, en die de weg naar Iran geëffend heeft voor de Bosch-Stiftung, is er zeker van: ‘Dit is de ideale tijd voor samenwerkingsverbanden met Europa.’ Het gaat beter, dat is duidelijk, maar zo ideaal is het toch ook weer niet, als je luistert naar jonge wetenschappers als de elektro-ingenieur Mahdi Pourfath, die vertelt over de moeilijkheid om middelen te verwerven voor Iraanse projecten: ‘Zolang we geen publicaties in Nature of Science kunnen overleggen, zijn wij oninteressant voor Europese geldschieters. En hier bijt de slang zich in de staart, want zonder die gelden kunnen we ook geen onderzoek afleveren dat voor zulke tijdschriften interessant is.’

    Bij elke ontmoeting bespeur je de ambitie om daar absoluut iets aan te veranderen. Het is voor de Iraanse elites niet meer voldoende nummer 1 in het Midden-Oosten te zijn wat betreft citaties in wetenschappelijke publicaties. Ze presenteren voortdurend internationale rankings die allemaal de academische opkomst aantonen – een bewijs van het eigen potentieel, maar ook van de worteling in het internationale wetenschapsbedrijf. Dat blijkt het duidelijkst bij het bezoek aan de Sharif-universiteit. Een universiteit die Andersson karakteriseert als de ‘talentsmederij van Voor-Azië’. Nummer 38 op de internationale ranglijst van citaties, een plaatsje onder de zon. Daar staan ze niet voor niets. Elk jaar zijn er meer dan honderd jonge geslaagden van de middelbare school die een zeer selectieve test doen om toegelaten te worden tot de Sharif-universiteit. 97 procent valt uiteindelijk af, een derde van de besten zijn jonge vrouwen, ook al ligt het zwaartepunt op het terrein van de technische disciplines – ingenieurstechniek, wiskunde, tot en met nanotechnologie (of juist daarom). Bijna alle leidinggevende professoren hebben aan een Amerikaanse of Europese elite-universiteit gewerkt. Velen brachten enige tijd door in Max Planck-instituten, bijna allemaal hebben ze nog contacten. Dat komt de citatieranking ten goede, en daarmee ook het aanzien, dat stijgt.

    Maar het is de president van de universiteit, Mahmoud Fotouhi, nog lang niet genoeg: ‘Wij willen studenten opleiden die bij ons carrière kunnen maken,’ zegt hij. De massieve toename van Iraanse doctoraal- en Ph.D.-diploma’s van minder dan 20.000 tot meer dan 73.000 in nog geen tien jaar is grotendeels terug te voeren op het stimuleren van elitevorming, zoals die aan de Sharif-universiteit al in de restrictieve periode van het Ahmadinedjad-regime werd bespoedigd.

    ‘Wij lossen onze economische problemen nu op met kennis’

    Toch zijn de leidende figuren in de wetenschap niet langer tevreden met academische successen alleen. Ze willen hogerop. Daarbij worden ze ook aangedreven door een geïmporteerde promotiedwang die niet alleen de geleerde zou kunnen vleien, maar ook de machtige conservatieven in het land – vaak genoeg de spelbrekers op het gebied van cultuur. Graag wordt het bericht geciteerd van het McKinsey Global Institute van juni vorig jaar, waarin sprake is van de ‘eenmiljarddollar-kans’ voor Iran. Bedoeld worden de groeiprognoses van het land tot het jaar 2035 – bij een jaarlijkse economische groei van zes procent.

    Westerse bezoekers zijn minder verrast door dat getal dan door de conclusies die de Iraniërs eruit trekken. Die komen neer op een paradigmawisseling in de wetenschapspolitiek, als we de president van Sharif Fotouhi mogen geloven. Industriepartnerschappen tegen de klippen op. Met industriegelden, graag ook met zulke buitenlandse investeerders en intussen ook met Iraans durfkapitaal moet de weg worden vrijgemaakt voor het hightechland Iran. Men is van vijftig industrieprojecten aan de universiteit in 2010 in vijf jaar opgeklommen tot meer dan driehonderd. Aan de Sharif-universiteit heeft men daarvoor niet alleen een bijzondere plaats ingeruimd voor de klassieke technologieoverdracht, met alle marketing- en consultancybombarie die erbij hoort, ook een groep studenten, in meerderheid vrouwelijk, heeft zich blijkbaar een hoog aanzien verworven. Hun ‘Sharif-versneller’ moet partnerschappen en samenwerkingsverbanden bespoedigen, maar vooral goede ideeën stimuleren.

    Nanotechnici

    Elke start-up krijgt 20.000 dollar startkapitaal. Hoewel ze pas in 2014 begonnen zijn, hebben een paar van deze kleine ondernemingen het op de Iraanse markt gemaakt. Maar ze zijn niet allemaal zo succesvol als de afgestudeerden die de computeringenieur Hamid Rabiee presenteert: 500 publicaties en 20 technologiepatenten in vijf jaar, en daarbij 45 start-ups uit de ‘incubator’ met big data en cloudexperts, een eigen sociaal netwerk, een gezondheidscloud en spin-offbedrijven, waarvan de een of de ander jaarlijks tot 75 miljoen dollar omzet moet maken.

    Die bekwaamheid in zaken brengt ook de Raad van Wachters in het geweer. Toen de Iraanse regering een paar jaar geleden het ‘nanocouncil’ oprichtte, een nationaal stimuleringsprogramma, dat onlangs gevolgd werd door een programma voor hersenonderzoek ter waarde van 10 miljoen dollar en al snel uitgebreid kon worden met een biotechprogramma, telde men in het land 10 nano-onderzoekers met acht publicaties per jaar. Nu, tien jaar later, heeft Iran naar men zegt 20.000 nanotechnici, verdient het geld met 400 nanobedrijven, exporteert het naar zeventig landen en is het in de internationale ranking van het nano-onderzoek gestegen naar de zesde plaats.

    In het ministerie van Wetenschap heet het daarom officieel: ‘Wij lossen onze economische problemen nu op met kennis.’ Zulke signalen komen aan. Helga Novotny, medeoprichtster en voormalige presidente van de Europese Onderzoeksraad, een van de vurigste pleitbezorgers van een vrije uitwisseling van wetenschappelijk onderzoek, die met de delegatie van de Bosch Stiftung is meegereisd naar Iran, ziet daarin ondanks al het Amerikaanse isolationisme en ondanks de Brexit een teken voor de toekomst: ‘De tijd is rijp om de internationale samenwerkingsverbanden opnieuw vorm te geven.’ Een opening zonder mitsen en maren? Een commentaar daarop van de religieuze hardliners in het centrum van Teheran was niet te krijgen.

    Auteur: Joachim Müller-Jung
    Vertaler: Piet Meeuse

    Frankfurter Allgemeine Zeitung
    Duitsland | dagblad | oplage 382.000

    Een van de belangrijkste kranten van Duitsland. Hoewel politiek onafhankelijk, wordt de FAZ over het algemeen een gematigd conservatief profiel toegedicht.

  • De professor die rebellenleider werd

    De professor die rebellenleider werd

    Berhanu Nega was een geliefde hoogleraar aan Bucknell University in Pennsylvania. Tot hij op een dag in 2015 zijn koffers pakte, en de leider werd van een Ethiopische rebellengroep in Eritrea.

    Tot een paar jaar geleden was Berhanu Nega een van de meest geliefde hoogleraren op de Bucknell-universiteit. Als Ethiopische banneling met een doctoraat van de New School for Social Research in Manhattan doceerde hij Afrikaanse economische ontwikkeling, een populair vak aan de economische faculteit. Wanneer hij geen werkgroepen leidde of aan het werk was in zijn comfortabele huis in een groene wijk vijf minuten van de Bucknell-campus in landelijk Lewisburg, Pennsylvania, nam Nega deel aan academische conferenties in het buitenland of gaf hij lezingen over mensenrechten bij het Europese Parlement in Brussel.

    ‘De relatie tussen democratie en ontwikkeling hield hem sterk bezig,’ zegt John Rickard, hoogleraar Engels en een van Nega’s beste vrienden. ‘Hij betoogde altijd dat economische ontwikkeling niet levensvatbaar is zonder democratisering, en vice versa.’ Hij was actief in het sociale leven op de campus, supporter van de Philadelphia Eagles, voerde in 2008 campagne voor Barack Obama en stond bekend als een van de beste squashspelers op de faculteit van Bucknell. Hij en zijn vrouw, die ook uit Ethiopië komt en optometrist is, hebben twee zoons, die ze naar de beste scholen stuurden en die nu op de University of Pennsylvania en Carnegie Mellon studeren. In weekenden nodigde hij geregeld andere hoogleraren van Bucknell en hun gezinnen uit voor het eten en dan onderhield hij hen met verhalen over de Abessijnse cultuur en geschiedenis, onder het genot van Ethiopische gerechten die hij zelf bereidde; de kruiden haalde hij uit Addis Abeba en kneedde hij met de hand tot injera, een zacht zuurdesembrood van teffmeel.

    Over zijn verleden bleef Nega vaag. Maar als studenten nieuwsgierig genoeg waren om hem te Googelen, ontdekten ze dat de man die in de collegezaal het ontwikkelingsbeleid in Afrika beneden de Sahara stond uit te leggen, zelf nauw betrokken was bij de oude vete tussen Ethiopië en buurland Eritrea, een conflict dat zich al een halve eeuw voortsleept. Dat conflict vlamde aan het begin van dit millennium weer op, in een grensoorlog om een onbetekenend stukje land van amper 650 vierkante kilometer, die uitliep op een heftige confrontatie waarbij beide landen duizenden troepen van zowel hun officiële strijdkrachten als niet-officiële milities langs de grens verzamelden.

    Eén groep die aan Eritrese kant meevocht, noemde zich Ginbot 7 en bestond uit gedeserteerde Ethiopiërs. Nega had aan de wieg van deze groep gestaan: hij was in 2008 in Washington een van de oprichters geweest, samen met een andere Ethiopische banneling, Andargachew Tsege. De Ethiopische regering, die Nega twee jaar in Addis Abeba als politieke gevangene had opgesloten, veroordeelde hem nu bij verstek ter dood. Studenten van Bucknell waren onder de indruk van het verleden van hun docent. ‘Het maakte zijn colleges spannend,’ zegt Rickard.

    Tsege fungeerde vanuit zijn basis in Eritrea als politiek leider van Ginbot 7, terwijl Nega de intellectuele leider was en fondsen wierf door geld in te zamelen bij de Ethiopische diaspora in Europa en de Verenigde Staten.

    ‘Extra lange sabbatical’

    Maar op een dag in juni 2014 verandert dat allemaal, als Tsege, die door iedereen Andy wordt genoemd, onderweg naar de Eritrese hoofdstad Asmara een tussenstop maakt in Sanaa, de hoofdstad van Jemen. Terwijl hij in de transithal van het vliegveld op zijn vlucht zit te wachten, wordt hij gearresteerd door de Jemenitische veiligheidsdienst, die kennelijk samenwerkt met de Ethiopische inlichtingendienst. Hij wordt op een vliegtuig naar Addis Abeba gezet, waar hij triomfantelijk op de staatstelevisie wordt geshowd. Inmiddels is hij ter dood veroordeeld.

    Daags na Tseges arrestatie werpt Nega zich op als diens vervanger in Eritrea. ‘Ik moest kiezen,’ zal hij later tegen mij zeggen. ‘Wilde ik academicus blijven, en commentaar blijven leveren vanuit een ivoren toren? Of kwam ik in actie, als betrokken burger?’ Nega zet zijn huis te koop en neemt onbepaald verlof van de universiteit. ‘Een extra lange sabbatical,’ zegt hij tegen zijn collega’s. Slechts een handjevol intieme vrienden, zijn vrouw en zijn twee zoons weten wat hij werkelijk gaat doen.

    Op een julimiddag in 2015 pakt Nega zijn koffer, zegt zijn vrouw gedag en wordt door kameraden naar John F. Kennedy International Airport gereden. Hij heeft een laissez-passer van de Eritrese overheid, waarmee hij eenmalig het land binnen kan komen. Nega is op weg naar een nieuw leven in een straatarme dictatuur die wel het Noord-Korea van Afrika wordt genoemd; het regime is berucht om zijn steun aan de Somalische islamistische terreurbeweging Al-Shabaab, en om zijn militaire dienstplicht waardoor veel burgers van boven de achttien voor de rest van hun leven in het leger moeten dienen. Nega denkt op dat moment dat ook hij de aandacht van de regering-Obama heeft getrokken en is bang dat hij op het vliegveld zal worden tegengehouden en gerekruteerd door Homeland Security. Pas als het landingsgestel van het Egypt Air-toestel is ingetrokken en hij hoog boven de Atlantische Oceaan achteroverleunt in zijn stoel, op weg naar een van de meest geïsoleerde en repressieve landen van de wereld, kan hij zich ontspannen.

    Dr. Berhanu Nega voor zijn woning in Lewisburg, in 2009. Het contrast tussen zijn nieuwe en oude leven kon nauwelijks groter zijn. – © AP Photo / John Zeedick
    Dr. Berhanu Nega voor zijn woning in Lewisburg, in 2009. Het contrast tussen zijn nieuwe en oude leven kon nauwelijks groter zijn. – © AP Photo / John Zeedick

    Op een kille avond in juli gaan de lampen boven Nega’s hoofd uit en zit de rebellenleider in het donker in een bungalow in de op 2300 meter hoogte gelegen stad Asmara. Nega heeft net een kaart uitgespreid op een salontafel en om mij de route te laten zien voor de geheime missie die hij de volgende ochtend wil ondernemen. Bij zonsopkomst zullen hij en een kameraad 450 kilometer naar het zuiden rijden naar de gemilitariseerde, met landmijnen bezaaide grensstreek tussen Eritrea en Ethiopië, om in een basiskamp van de rebellen iemand te ontmoeten die inlichtingen komt brengen. Zijn contact heeft ‘zeer gevoelige informatie’ de grens over gesmokkeld, over de posities van Ethiopische troepen en de kracht van verzetscellen in Ethiopië, die Nega hoopt te verbinden met zijn eigen strijders aan de Eritrese kant van de grens.

    ‘Ze willen de documenten die ze bij zich hebben, alleen aan mij persoonlijk overhandigen,’ vertelt Nega. ‘Zo gaat het meestal: ze willen dat ik gevoelig materiaal als eerste zie en de informatie vervolgens verspreid naar de rest van de organisatie.’

    Nega, een zwaargebouwde, kalende achtenvijftigjarige met een haveloos voorkomen en een aangenaam bescheiden houding, wrijft over zijn voorhoofd terwijl de lampen even flikkeren en dan weer aanfloepen. Ginbot 7 is de afgelopen jaren gegroeid en tegenwoordig wordt de organisatie geleid door een raad van tachtig vertegenwoordigers over de hele wereld. Als commandant staat Nega aan het hoofd van verscheidene honderden rebellen in Eritrea en van een onbekend aantal gewapende strijders binnen Ethiopië die af en toe aanvallen uitvoeren uit naam van de beweging. Tijdens zijn vele bezoeken aan de frontlinies heeft hij ontmoetingen met medecommandanten, bekijkt hij de trainingen en geeft hij – hij blijft toch de professor – les over geschiedenis en democratie, met behulp van een schoolbord en krijtjes in een ‘lokaal’ in de bush.

    Nega wendt zich weer naar de kaart en trekt een rechte lijn naar de Tezeké-rivier, het meest westelijke deel van de grens tussen Ethiopië en Eritrea. Veel deserteurs uit het Ethiopische leger steken daar over om zich bij de rebellen te voegen, maar de afgelopen weken is die ontsnappingsroute door het oprukken van de Ethiopische troepen in gevaar gekomen. ‘Ze brengen een grote troepenmacht naar dit gebied, want wij zijn nu het belangrijkste doelwit,’ zegt Nega. Met ‘wij’ bedoelt hij Ginbot 7, dat nu bekend staat als Patriotic Ginbot 7. ‘Ze sturen een groot deel van hun leger, artillerie en tanks dit gebied in. Tot nu toe hebben ze ons nog niet beschoten.’

    Ooit waren deze twee gezworen vijanden één land. Eritrea was van 1890 tot 1941 een Italiaanse kolonie, maar werd na de Tweede Wereldoorlog geannexeerd door Ethiopië. Na een oorlog die drie decennia duurde, wisten de Eritreeërs zich in 1991 te bevrijden. Daarna onderhielden de twee buren een vreedzame relatie, tot 1998, toen een sluimerend conflict over de Yirga-driehoek, een rotsachtig stukje land langs de grens dat in koloniale kaarten nooit duidelijk was aangegeven, escaleerde en uitmondde in een twee jaar durende tank- en loopgravenoorlog, waarbij 100.000 mensen omkwamen. Ondanks bemiddeling onder auspiciën van de Verenigde Naties die het omstreden gebied aan Eritrea toekenden, houdt Ethiopië nog steeds het grensdorpje Badame bezet. Tienduizenden troepen staan tegenover elkaar, met tussen hen in een landschap van mijnen, bunkers, sluipschuttersnesten en andere stellingen.

    Gewelddadige confrontaties aan de grens komen niet vaak voor, maar als het gebeurt zijn ze onverwacht en heftig. Half juni vorig jaar lanceerde Ethiopië volgens de Eritrese regering een grootschalige aanval aan de grens bij Tsorona, de eerste grote schending van het verdrag sinds 2012, mogelijk als vergelding voor aanvallen op de Ethiopische troepen door Ginbot 7. Eritrea beweerde dat het tweehonderd vijandelijke soldaten had gedood en driehonderd verwond, al waren de verliezen volgens Ethiopië kleiner. ‘Ze ontkennen het bijna altijd,’ zegt Nega tegen mij. ‘Als je de Ethiopische regering moet geloven, sneuvelt er nooit iemand.’

    Nu Nega steeds sterker betrokken raakt bij een opstand tegen een Amerikaanse bondgenoot, kan dit wel eens de laatste keer zijn dat hij naar de Verenigde Staten heeft kunnen komen

    Ethiopië mag dan een bondgenoot van de VS zijn en naar Afrikaanse maatstaven een economische toppositie innemen, het land is ook berucht om zijn repressie. Het regime van de Tigraya-minderheid heeft honderden bloggers, journalisten en oppositiefiguren gevangengezet, en blijft aan de macht door politieke tegenstander te intimideren, verkiezingen te beïnvloeden en protesten met geweld neer te slaan. Volgens mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch hebben staatsveiligheidstroepen sinds november 2015 in de regio Oromia rond Addis Abeba meer dan vierhonderd demonstranten gedood. De protesten hebben zich verder uitgebreid naar de Amhara-regio; afgelopen augustus hebben veiligheidstroepen zo’n honderd demonstranten doodgeschoten en nog eens honderden verwond. Duizenden Oromos, een minderheidsgroep die ongeveer een derde van de bevolking uitmaakt, zijn zonder vorm van proces gevangengezet op verdenking van steun aan het Oromo Bevrijdingsfront, een afscheidingsbeweging. De Ethiopische marathonloper Feyisa Lilesa, die vorig jaar zilver won op de Olympische Spelen, vestigde de aandacht van de wereld op de wreedheden van het regime toen hij op de finish zijn gekruiste armen omhooghield uit, solidariteit met zijn mede-Oromos; hij zegt nu dat hij niet meer naar huis durft en heeft politiek asiel aangevraagd.

    Aan de andere kant van de kamer in Nega’s bungalow zitten vier mederebellenleiders, allemaal leden van de Ethiopische diaspora, te eten. De mannen scheuren stukken injera af, dopen het brood in de shiro, een dikke saus, en spoelen alles weg met flesjes van het lokale Asmarabier. Op de televisie in de hoek van de kamer zijn beelden te zien van Esat, een satellietzender van de Ethiopische oppositie die uitzendt vanuit Europa en de VS. De mannen maken deel uit van een wisselend contingent van commandanten die van tijd tot tijd terugkomen naar Asmara om hun e-mail te checken en even te ontsnappen aan de primitieve omstandigheden in de bush. ‘We zijn nu met zijn vijven,’ zegt Nega, en hij stelt me voor aan zijn kameraden uit Dallas, Arlington, Calgary en Luxemburg. ‘Er is er ook nog een uit Engeland, die komt morgenochtend hierheen. Dan zijn we met zijn zessen. Vorige week waren we met zijn achten – we zijn zelfs ooit met elf man geweest.’

    Het huis doet ook dienst als ziekenboeg voor rebellen die ziek zijn of in de strijd gewond geraakt, en biedt een tijdelijk toevluchtsoord voor deserteurs uit het Ethiopische leger die door de frontlinies heen weten te komen. Zo verscheen hier onlangs een voormalige piloot van de Ethiopische luchtmacht, een Oromo die na een reis van 42 uur per bus en te voet de Tekezé-rivier over was gezwommen naar Eritrea. Hij nam het besluit om te deserteren nadat hij in de gevangenis van Addis Abeba was beland, ‘valselijk beschuldigd,’ zo zegt hij tegen mij, ‘van het lidmaatschap van de Oromo-afscheidingsbeweging’.

    ’Zoals hij hebben we er veel,’ zegt Nega.

    Nega trekt zijn jas aan om op zoek te gaan naar dieselolie voor de ochtendrit naar de grens. Met nog een andere rebel, ook uit Virginia, rijden we door de verlaten, onverlichte straten van Asmara, op zoek naar een benzinestation dat open is, maar het enige station dat we vinden heeft geen diesel meer; Nega zal de volgende ochtend moeten terugkomen, wat betekent dat hij later dan gepland naar de frontlinies kan vertrekken. Als we bij zijn huis terugkomen, wijst Nega op een stapel medische artikelen in de gang – verband, spalken, antibiotica, antimalariamiddelen – die hij naar zijn strijders wil gaan brengen, samen met drie kartonnen dozen vol zonnecellen die voor wat primitieve elektriciteit kunnen zorgen in de bush. In de kampen was Nega afhankelijk geweest van zijn mobiele telefoon voor contact met de buitenwereld, maar zelfs daar kan hij nu niet meer op rekenen. ‘Ze hebben de dekking voor telefoons afgesloten sinds de inval van de Ethiopiërs in Tsorona, vertelt hij, ‘Ik zal dagenlang onbereikbaar zijn.’

    Opgegroeid met geweld

    De eerste keer dat ik Nega ontmoet, eind mei 2016, is dat onder heel wat comfortabeler omstandigheden. Na tien maanden in Asmara was Nega teruggevlogen naar de Verenigde Staten voor een aantal besprekingen en om naar de diplomauitreiking van zijn jongste zoon Iyassu te gaan, die deze dagen afstudeert aan de University of Pennsylvania. Nu Nega steeds sterker betrokken raakt bij een opstand tegen een Amerikaanse bondgenoot, kan dit wel eens de laatste keer zijn dat hij naar de Verenigde Staten heeft kunnen komen. Drie jaar geleden is het ‘reisdocument’ dat Nega, die geen Amerikaans staatsburger is, van het ministerie van Buitenlandse Zaken had gekregen, zelfs opgeschort en zijn aanvraag voor het staatsburgerschap van de Verenigde Staten is voor onbepaalde tijd stopgezet. Hij reist nu op een Eritrees paspoort dat in combinatie met zijn green card voldoende is om hem toegang te geven tot dit land – deze keer.

    Het ministerie van Buitenlandse Zaken weigert iets te zeggen over Nega of over Ginbot 7, maar Nega vermoedt dat de Amerikaanse regering niet positief staat tegenover zijn activiteiten. Maar, benadrukt hij, ‘niemand zegt ook dat ik ermee op moet houden. Ik denk dat ze weten dat dit niet tegen de VS gericht is. Wij vechten voor de basisprincipes waarop de Verenigde Staten zijn gegrondvest.’

    We spreken elkaar in het weekend van Memorial Day op het terras van het chique Café Dupont aan Dupont Circle in Washington. Ook zijn zus Hiwot, die een techstart-up leidt in New York, zit aan tafel, net als zijn zoon Iyassu, een eenentwintigjarige die in zijn schooljaren een verdienstelijk hardloper was en binnenkort aan de slag gaat bij een investeringsbank in New York. Onder het genot van witte wijn en kipsalade hebben we het over de toespraak van Lin-Manuel Miranda bij de diploma-uitreiking, en Nega vertelt enthousiast dat hij na die uitreiking Donald Trump en vicepresident Joe Biden is tegengekomen (Trumps dochter en Bidens kleindochter studeerden tegelijk met Iyassu af). Ik vraag Iyassu of hij zich heeft verzoend met zijn vaders nieuwe leven in de frontlinie en hij knikt. ‘Uiteindelijk moet hij blijven streven naar waar hij in gelooft.’ Maar hij toont weinig animo om bij zijn vader op bezoek te gaan in diens Eritrese rebellenkamp, of om dieper in te gaan in de drijfveren van de Ginbot 7-beweging. ‘Ik ben net afgestudeerd – mijn leven heeft een eigen richting. Ik kan er niet zomaar tussenuit gaan. (…) Ik ben ook van een andere generatie dan hij.’

    De oudere Nega hoort bij een generatie van Ethiopiërs die zijn opgeroeid te midden van opstand en geweld. Bij de lunch vertelt hij hoe het was om middelbare scholier te zijn, terwijl een marxistische junta, de door de Sovjets gesteunde Derg, keizer Haile Selassie omverwierp en een keiharde dictatuur vestigde. Nega was beschut opgegroeid, als zoon van een rijke ondernemer en moest nu toezien hoe het regime zich meester maakte van de uitgestrekte mais- en sojabonenboerderijen van zijn vader en hoe de veiligheidstroepen duizenden dissidenten, onder wie veel studenten, oppakten, gevangenzetten en executeerden. Hij en zijn twee oudere zussen werden lid van een verzetsbeweging, de Ethiopian People’s Revolutionary Army (E.P.R.P). Ze gingen ondergronds, sliepen in safe houses, probeerden uit handen van de politie te blijven. Zijn oudste zus is in die tijd opgepakt en in Dergs gevangenis verdwenen. Zijn familie heeft overal naar haar gezocht.

    ‘Er kwamen vaak mensen naar ons huis die tegen mijn ouders zeiden: “Ik heb haar daar en daar gezien.” Mijn moeder ging dan altijd weer naar haar op zoek,’ herinnert Nega zich. Later hoorde hij van haar vroegere celgenoten dat ze in de gevangenis was gestorven, waarschijnlijk door zelfmoord te plegen met de cyanidecapsule die ze om haar hals droeg. ‘Veel mensen hadden cyanide bij zich, want als je werd opgepakt, zou je gemarteld en uiteindelijk geëxecuteerd worden, en dan kon het zijn dat je door de martelingen werd gedwongen anderen te verraden,’ vertelt Nega. Toen de onderdrukking in Addis Abeba steeds harder werd, stuurde de E.P.R.P. Nega naar het noorden naar de provincie Tigray, het hart van een groeiende guerrillabeweging tegen de Derg; daar voerde hij aanvallen uit op regeringsstrijdkrachten. In 1978 barstte binnen de E.P.R.P. een strijd om de macht los, en Nega werd in de gevangenis gegooid. Een dag voordat de bewakers hun geweren op de resterende gevangenen richtten en er vijftien doodschoten, werd hij vrijgelaten. Nega vluchtte naar Soedan, woonde bijna twee jaar als vluchteling in Khartoem en kreeg in 1980 politiek asiel in de Verenigde Staten.

    Zalambessa, Ethiopië, aan de grens met Eritrea, werd tijdens de laatste oorlog bijna geheel verwoest. De meeste mensen wonen nog altijd in tenten van het Rode Kruis of in de ruïnes van hun voormalige huizen. – © AP Photo / Boris Heger
    Zalambessa, Ethiopië, aan de grens met Eritrea, werd tijdens de laatste oorlog bijna geheel verwoest. De meeste mensen wonen nog altijd in tenten van het Rode Kruis of in de ruïnes van hun voormalige huizen. – © AP Photo / Boris Heger

    Hij haalde zijn bachelor aan de State University of New York op New Palz, waar hij ook in het voetbalteam speelde. Tijdens zijn doctoraalstudie aan de New School for Social Research woonde hij in Brooklyn en schreef zijn proefschrift over de mislukking van de Ethiopische landbouw onder het communistisch regime. Ondertussen werd de toestand in Ethiopië steeds rampzaliger. Toen de guerrillabewegingen halverwege de jaren tachtig in Tigray steeds meer aanvallen uitvoerden, blokkeerde de Derg-dictator Mengistu Haile Mariam de aanvoer van voedsel naar deze regio, en creëerde zo een verwoestende hongersnood waarin een miljoen mensen omkwamen.

    Foto’s van uitgehongerde kinderen, verspreid door de nieuwsmedia, gaven de aanzet tot een internationale hulpactie, Live Aid, en vormden de inspiratie voor de pophit ‘We Are The World’, waarmee Ethiopië wereldwijd een synoniem werd voor honger. Toen Nega in 1990 een aanstelling als assistent-hoogleraar op Bucknell kreeg, was de hongersnood voorbij en bereikte de strijd van de opstandelingen zijn hoogtepunt. ‘Hij praatte nooit veel over zijn achtergrond of over het feit dat hij guerrillastrijder was geweest,’ zegt Dean Baker, een vroegere collega op Bucknell die nu aan het hoofd staat van het Center for Economic and Policy Research in Washington.

    De drie opstandige groeperingen – het Volksbevrijdingsfront van de Tigraya, het Oromo Bevrijdingsfront en het Eritrese Volksbevrijdingsfront – versloegen in 1991, na tien jaar strijd, de Derg en marcheerden Addis Abeba binnen. De nieuwe regering, geleid door de Tigraya-rebellenleider Meles Zenawi, begon met de wederopbouw van het door de oorlog verwoeste land. Eindelijk had Nega reden tot optimisme. Hij kende Meles goed – de premier had tegelijk met zijn dode zuster gestudeerd en nadat de Tigraya aan de macht waren gekomen nam Nega verlof bij Bucknell en vloog met zijn vrouw en twee zoons, die allebei nog peuters waren, terug naar Addis om bij de wederopbouw te helpen. Nega geloofde in Meles’ ‘goede bedoelingen’.

    Maar Nega’s enthousiasme voor de nieuwe regering taande al snel. Op de universiteit van Addis, waar hij parttime doceerde (hij had ook een aantal van zijn vaders bedrijven overgenomen), werden geen afwijkende meningen getolereerd; de studentenraad en de universiteitskrant werden verboden. Toen Nega zijn studenten aanmoedigde om academische vrijheid te eisen, viel de politie hen en andere demonstranten aan. Later, terwijl de onrust zich over de stad verspreidde, schoten ze 41 mensen dood. Nega zat een maand in de gevangenis wegens opruiing. ‘’s Nachts hoorde ik hoe gevangenen werden gemarteld, geslagen,’ vertelt hij.

    In mei 2005, terwijl de economie snel groeide en de populariteit van de regering groot leek, hield Ethiopië verkiezingen – de eerste keer in de geschiedenis van het land dat de mensen werkelijk tussen verschillende partijen konden kiezen – en nodigde het internationale waarnemers uit om daarbij aanwezig te zijn. Maar de uitslag beviel Meles niet. Nega’s Coalition for Unity and Democracy won 137 van de 138 zetels in de gemeenteraad van Addis Abeba. Nega stond in de startblokken om burgemeester te worden, maar de regering weigerde de overwinning van zijn partij te erkennen en zette hem gevangen, samen met andere CUD-leiders. Amerikaanse collega’s voerden actie voor de bevrijding van Nega. ‘De Bucknell-faculteit keurde een motie goed om hem te steunen en aandacht te vragen voor zijn situatie,’ vertelt Rickard. ‘We spraken met journalisten, ambassadeurs, om te zorgen dat hij in de aandacht bleef.’ Mede dankzij internationale druk werd Nega na 21 maanden vrijgelaten en hij keerde terug naar de Verenigde Staten. De ervaring had hem ‘harder gemaakt’, zegt Samuel Adamassu, een lid van de Ethiopische diaspora die Nega en zijn gezin al sinds de jaren tachtig kent. ‘Hij realiseerde zich nu dat deze mensen alleen met geweld tot veranderingen gebracht kunnen worden.’

    ‘Hij heeft gezien hoe verkiezingen van tafel werden geveegd, honderden mensen op straat werden vermoord’

    Na onze lunch in Washington ben ik op een bijeenkomst in het Georgetown Marriotthotel, waar geld wordt ingezameld voor Ginbot 7 en waar zo’n vijfduizend leden van de Ethiopische diaspora aanwezig zijn. Nega staat op het podium voor een decor van Ethiopische en Amerikaanse vlaggen. Het zal een strijd op leven en dood worden, verzekert hij zijn enthousiaste publiek. ‘Je kunt niet onderhandelen met iemand die je komt verkrachten,’ gaat hij verder in het Amhaars, de belangrijkste taal van Ethiopië. ‘We moeten ze stoppen.’ Het verschil tussen de zachtaardige academicus die ik op het terras van Café Dupont heb gesproken en deze vurige rebel is enorm. Nega kondigt aan dat hij nieuws uit de frontlinie heeft: guerillero’s die zich loyaal aan zijn beweging hebben verklaard, hebben hun belangrijkste aanval tot nu toe uitgevoerd, bij de stad Arba Minch in Zuid-Ethiopië, op de plek van een voormalige Amerikaanse dronebasis. ‘We hebben twintig soldaten gedood en er vijftig verwond,’ zegt hij, en hij noemt dit ‘een nieuwe fase in de strijd’. (De Ethiopische regering beweerde later dat regeringstroepen de aanval hadden afgeslagen en dat slechts een paar militairen waren omgekomen.)

    Bij de oprichting van Ginbot 7 in 2008, het jaar waarin hij weer op Bucknell ging doceren, had Nega nog verklaard dat de beweging ‘burgerlijke ongehoorzaamheid zou organiseren, de bestaande gewapende groepen binnen en buiten Ethiopië zou steunen en druk zou uitoefenen op de regering en de internationale gemeenschap om te onderhandelen’. Toch riep het Ginbot 7-platform later op om de regering te destabiliseren ‘met alle noodzakelijke middelen’, waaronder aanvallen op militairen en politie.

    Het was een tegenstrijdige boodschap vanuit een Amerikaanse liberale universiteit die ooit in 1846 zijn eerste college had gegeven in de kelder van de First Baptist Church of Lewisburg. ‘Er is een grens overschreden,’ zegt Rickard, de hoogleraar Engels die Nega’s pleidooi voor geweld ‘verontrustend maar begrijpelijk’ vindt. ‘Hij is nooit een pacifist geweest, heeft de gewapende strijd nooit afgewezen. Hij heeft gezien hoe verkiezingen van tafel werden geveegd, honderden mensen op straat werden vermoord. Zijn zuster is omgekomen en zijn beste vriend zit in de gevangenis, en verkeert in levensgevaar. Hij ziet geweld als acceptabel en nodig. Het is een beetje choquerend in zeker opzicht.’

    Economische groei

    Terwijl Ginbot 7 het vuur van het verzet aanblies, was Ethiopië bezig zichzelf opnieuw op de kaart te zetten als economisch succesverhaal. In navolging van het Zuid-Koreaanse en Chinese model van staatsgeleide ontwikkeling, leende Meles geld van staatsbanken en gebruikte hij westerse fondsen om zwaar te investeren in dammen, luchtvaartmaatschappijen, landbouw, onderwijs en gezondheidszorg. De Ethiopische economie nam een hoge vlucht en kende de afgelopen tien jaar een gemiddelde jaarlijkse groei van 11 procent, een van de hoogste groeipercentages van Afrika. Addis Abeba werd het pronkstuk van die transformatie, met een lightrailnet, talloze wolkenkrabbers, luxe hotels, chique restaurants en wijnbars afgeladen met kersverse miljonairs. Tegelijkertijd fungeerde het land als bolwerk tegen de verspreiding van de radicale islam in de hoorn van Afrika. Op dit moment levert Ethiopië 4400 manschappen voor een vredesmacht van de Afrikaanse Unie in Somalië en helpt het de vrede te bewaren langs de gespannen grens tussen Noord- en Zuid-Soedan. In juli 2015 bracht president Obama, op rondreis door Afrika, als eerste zittende Amerikaanse president in de geschiedenis een bezoek aan Ethiopië.

    Toch beweerde Nega zowel in de collegezaal als in het buitenland, dat de gedaanteverwisseling van Ethiopië een luchtspiegeling was, geschapen om westerse waarnemers die zich zorgen maakten over het gebrek aan democratie in het land, te sussen. ‘In 2005 werd duidelijk dat ze via het politieke proces geen legitimiteit zouden krijgen, dus kwamen ze met dit nieuwe verhaal – ontwikkeling,’ zegt hij tegen mij. Nega houdt vol dat Ethiopië ‘de boeken heeft vervalst’ en dat het groeipercentage van het land grotendeels toe te schrijven is aan enorme infrastructurele projecten en westerse ontwikkelingshulp, terwijl de particuliere sector er nauwelijks aan bijdraagt. ‘De Wereldbank pompt maar geld in Ethiopië, alsof het niet op kan,’ zegt hij tegen mij. Het werkelijke groeipercentage komt volgens hem dichter bij de 5 tot 6 procent – het inkomen per hoofd van de bevolking is nog steeds het laagste in de wereld – en de zwakheid van de overheidsinstellingen zal uiteindelijk betekenen dat zelfs dat percentage niet vol te houden is.

    Twee maanden voor het bezoek van Obama hield de regering verkiezingen, die in brede kring werd gezien als doorgestoken kaart, en waarin de regeringspartij alle 547 zetels in het parlement won. Maar Obama maakte duidelijk dat de veiligheid belangrijker was dan de andere problemen in de Hoorn van Afrika: staande naast Meles opvolger, premier Haile Mariam Desalegne, noemde hij de regering ‘democratisch gekozen’.

    ‘Ik was er ondersteboven van,’ zegt Nega tegen mij. ‘Ik begrijp de realiteit van de macht en snap wel waarom hij de Ethiopische regering steunt, maar om nou te zeggen dat die “democratisch gekozen” is? Ik walgde ervan.’

    Nega in gevangenschap nadat hij tot burgemeester van Addis Ababa was gekozen. – © Petterik Wiggers / HH
    Nega in gevangenschap nadat hij tot burgemeester van Addis Ababa was gekozen. – © Petterik Wiggers / HH

    Drie dagen na mijn eerste ontmoeting met Nega in Asmara, en kort nadat hij is teruggekeerd van zijn afspraak aan de grens, rijden we aan het eind van de dag in zijn witte Hilux pick-uptruck door het landschap van zijn nieuwe leven. We passeren het armoedig uitziende en vrijwel verlaten Asmara Palace Hotel, dat vroeger een Intercontinental Hotel was, en een grote katholieke kerk waarvan Nega de naam niet weet. ‘Ik ben een beroerde toeristengids,’ zegt hij verontschuldigend. Als hij in Asmara is, brengt hij het grootste deel van zijn tijd door achter de computer, ofwel in zijn huis of in een geleend kantoor in het stadscentrum – een van de weinige plekken in de stad met een snelle internetverbinding. Eritrea heeft de slechtste internetdekking ter wereld, slechts 1 procent van de bevolking heeft toegang, en dankzij deze zeldzame breedbandverbinding kan hij via Skype bijpraten met zoons en zijn vrouw. ‘Ik geloof niet dat zij erg blij is dat ik hier zit,’ geeft hij toe, terwijl hij ongemakkelijk heen en weer schuift op zijn stoel. ‘We hebben het er maar niet meer over.’

    Meteen na de onafhankelijkheid begin jaren negentig, onder Isaias Afewerki, de rebellenleider die president was geworden, werd Eritrea even als een voorbeeld gezien, een van de landen die de hoop van Afrika vormen. Toen ik in 1996 een bezoek aan het land bracht, vijf jaar nadat het zich van Ethiopië had losgemaakt, begonnen de voormalige rebellen de verwoeste economie nieuw leven in te blazen – ze herstelden wegen, bruggen en spoorlijnen naar de kust en deden een beroep op de Eritrese diaspora om in het land te investeren. Maar na de grensoorlog die van 1998 tot 2000 duurde, raakten de Eritrese leiders naar binnen gericht, en werden ze steeds wantrouwiger tegenover de buitenwereld. Afewerki onderdrukte dissidente geluiden, stuurde westerse journalisten en ngo’s het land uit, weigerde buitenlandse hulp, nationaliseerde bedrijven en ontmoedigde buitenlandse investeringen; volgens de Wereldbank is het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking nu 1400 dollar per jaar.

    In 2009 legde de VN-Veiligheidsraad sancties aan Eritrea op, waaronder een wapenembargo en een reisverbod en het bevriezen van de aandelen van Eritrese topfunctionarissen, omdat het land wapens had geleverd aan Al-Shabaab, de radicaalislamitische organisatie die honderden terroristische aanslagen heeft gepleegd in Somalië en buurland Kenia. (Eritrea noemde de beschuldiging ‘bewuste leugens’.) In een VN-rapport uit juni 2016 wordt de Eritrese regering beschuldigd van ‘misdaden tegen de menselijkheid’, waaronder marteling, het gevangenzetten van andersdenkenden en een militaire dienstplicht zonder einde, die volgens de regering noodzakelijk is als voorbereiding op een nieuwe Ethiopische invasie.

    ‘Ze zijn niet corrupt. Overheidsfunctionarissen hier hebben een auto uit de jaren tachtig, totaal versleten. Ik heb hun leven gezien, hun huizen’

    Nu er vrijwel geen investeringsgeld het land meer binnenkomt, is Asmara een stad die bevroren is in de tijd. Twee ezels sjokken over Harnet Avenue, de hoofdboulevard van de stad en staan af en toe stil om aan het gras rond een palmboom te knabbelen. We zien hoe grote groepen mensen over de keurige avenue lopen, langs een indrukwekkende roodbakstenen kathedraal, een art-decobioscoop uit de jaren dertig en scheefgezakte Italiaanse bakkerijen en cappuccinobars, en Nega verdedigt tegenover mij zijn besluit om zich tot de dictatuur te wenden om steun.

    ‘Moeten we het werkelijk hebben over het soort dictaturen waarmee de VS in bed liggen?’ vraagt hij me. ‘Dit is een land dat bereid was ons een toevluchtsoord te bieden, een land dat ooit deel van Ethiopië is geweest. Ik kijk naar al deze mensen, ik praat met ze en ze zijn net als ik, ze zijn even Ethiopisch als ik. Waarom zou ik geen hulp van ze krijgen?’

    Nega houdt vol dat hij ook positieve kanten aan de dictatuur ziet. ‘Hoe arm het ook is, dit is het enige land dat zegt: “Wij gaan onze eigen koers varen – of je het leuk vindt of niet.” Ze zijn niet corrupt. Overheidsfunctionarissen hier hebben een auto uit de jaren tachtig, totaal versleten. Ik heb hun leven gezien, hun huizen. Dit is als een strijd tussen David en Goliath.’

    Volgens hem is het rapport van de Verenigde Naties over de misdaden tegen de menselijkheid ‘overdreven’. (Een westerse diplomaat in Asmara, die me vroeg om zijn naam niet bekend te maken vanwege zijn politiek gevoelige positie, was het met Nega’s oordeel over het rapport eens; volgens hem was het gebaseerd op de getuigenissen van vluchtelingen in Europa, die er ‘belang bij hadden hun land zo kwaad mogelijk af te schilderen, om hun vluchtelingenstatus te rechtvaardigen’.)

    Het is duidelijk dat Nega weinig geneigd is om kwaad te spreken over het land dat zijn beweging onderdak biedt – en dat elk moment weer kan intrekken. ‘Ik wil me niet in hun aangelegenheden mengen,’ zegt hij omzichtig. ‘Ze zijn tegenover ons altijd vriendelijk geweest.’ Privé kan de rebellenleider echter kritischer zijn. ‘Hij maakt zich geen illusies over Eritrea,’ vertelt zijn vriend en vroegere collega op Bucknell Dean Baker.

    Ik vraag Nega of hij er vertrouwen in heeft dat de druk van de rebellengroepen de Ethiopische regering ten val kan brengen. Nega zegt te geloven dat hij op dit moment de beste kaarten heeft. ‘Dit verzet tegen de staat komt nu van alle kanten, uit alle delen van het land.’ Hij geeft zichzelf ‘vier of vijf jaar’ voor hij en zijn rebellenleger Ethiopië binnen zullen gaan als onderdeel van een nieuwe democratische orde. ‘Het duurt zeker geen tien jaar,’ zegt hij.

    Tot het zover is zal Nega doorgaan met plannen maken en voorbereidingen treffen vanuit een onzeker en eenzaam schemergebied. Terug in de bungalow gaat hij me voor door de gang en laat me zien waar hij slaapt: een spartaanse kamer met alleen een eenpersoonsbed, een ladenkast en een nachtkastje met potjes vitaminepillen en medicijnen tegen hoge bloeddruk. (Hij heeft geen eigen ziektekostenverzekering meer sinds zijn vertrek bij Bucknell, maar valt nog wel onder de dekking van de Amerikaanse verzekering via zijn vrouw en heeft in mei in de VS voor drie maanden medicijnen gehaald.) Hij haalt een fles Absolut uit de vriezer en schenkt twee glazen in. We gaan op de betonnen binnenplaats zitten, naast een waslijn waaraan Nega’s was te drogen hangt. Weer valt de stroom uit en zitten we in de duisternis, tot het licht na een paar seconden weer aangaat. Het contrast met zijn vroegere leven in de VS – juichen voor de Lewisburg Green Dragons, het middelbare schoolhardloopteam van zijn zoon; vakanties aan de stranden van Maryland en North Carolina met zijn uitgebreide gezin – kon nauwelijks groter zijn.

    ‘Als gesteld bent op comfort en dat is je drijfveer, zul je dit nooit doen,’ zegt hij tegen me, terwijl hij een slokje van zijn ijskoude wodka neemt. ‘Maar soms sta je echt verbaasd. Ben je eenmaal een verbintenis aangegaan, dan worden al die dingen waarvan je dacht dat ze bij het dagelijks leven hoorden, ineens overbodige luxe.’

    Auteur: David M. Herszenhorn
    Vertaler: Annemie de Vries

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • ‘Breek de studie economie open’

    ‘Breek de studie economie open’

    Sinds de financiële crisis van 2008 strijden steeds meer studenten economie voor een hervorming van de lesprogramma’s, en meer aandacht voor alternatieve benaderingen. Maar het verzet van de gevestigde neoklassieke orde is hevig. Wie heeft er gelijk?

    Voor een groep die heeft bijgedragen aan een verandering in het lesprogramma van de studie economie aan universiteiten overal in Engeland, had de Post-Crash Economics Society een allesbehalve gedenkwaardige start.

    In november 2012 kwamen zeven studenten bijeen in een benauwd kamertje op de bovenste verdieping van de studentenvereniging van de Universiteit van Manchester. Ze zaten in een halve cirkel en luisterden naar de twee oprichters, die een korte powerpointpresentatie hielden waarin ze uitlegden wat er volgens hen mis was met de studie economie. Daarna werd er beleefd gediscussieerd tot iedereen de deur uit slenterde om aan de kerstvakantie te beginnen. Het was niet echt Parijs 1968.

    De studenten hadden gereageerd op een e-mail met in de onderwerpregel: ‘Oproep aan alle econosceptici.’ ‘Midden in de grootste mondiale recessie in tachtig jaar,’ aldus de mail, ‘zetten overal ter wereld studenten vraagtekens bij de fundamenten van onze discipline.’

    Verder vroegen de opstellers zich af of de economie zoals ze die gedoceerd kregen – vol wiskundige formules en abstracte modellen – wel toepasbaar was op de echte wereld. ‘In hoeverre kan economie een echte wetenschap worden genoemd?’ luidde een prikkelende vraag, verwijzend naar de neiging van academische economen om hun vergelijkingen en wiskundige identiteiten als ijzeren wetten te presenteren in plaats van als onvolmaakte pogingen om een model te maken van onvoorspelbare menselijke interacties. Lijkt economie eigenlijk niet meer op politicologie dan op natuurkunde, vroegen ze zich af.

    Onder druk

    De Post-Crash Economics Society stond niet alleen in deze opvatting. Ha-Joon Chang, een ontwikkelingseconoom die doceert aan de universiteit van Cambridge, herinnert zich dat studenten op zijn deur bonsden en riepen: ‘We zitten midden in de grootste financiële crisis sinds 1929 en onze hoogleraren geven college alsof er niets is gebeurd.’

    In 2011 richtten studenten aan de universiteit de Cambridge Society for Economic Pluralism op, nadat ze aanwezig waren geweest op een feestje van de Marshall Society, de officiële economievereniging van Cambridge. Het feestje had als thema ‘casino’, was zwaar gesponsord door het bedrijfsleven, en de gasten nipten er champagne en spraken over een baan in de City. Volgens een medeoprichter van de Society for Economic Pluralism, doctoraalstudent Rafe Martyn, is het initiatief gericht op degenen ‘die economie studeren om de wereld te verbeteren in plaats van alleen maar hun inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te vergroten’. Vergelijkbare verenigingen als de Post-Crash Economics werden ook op andere campussen opgericht.

    Het is nauwelijks verrassend dat na de ernstigste economische crisis sinds de beurskrach in 1929 en een zelfs nog langduriger gevoelde malaise, die overal in Europa en de VS tot politieke beroering heeft geleid, het beroep van econoom zwaar onder druk is komen te staan.

    De economische ‘deskundigen’ die ons hadden verteld dat we voor eens en altijd de problemen met onze conjunctuurschommelingen hadden opgelost en die de toenemende ongelijkheid in de meeste ontwikkelde landen negeerden of zelfs roemden, bleken tekort te schieten in hun voorspellende en oplossende macht. Nog opvallender is de vastberadenheid van velen binnen de economische elite om hun positie te verdedigen.

    Leden van de Post-Crash Economics Society aan Manchester University.
    Leden van de Post-Crash Economics Society aan Manchester University.

    Toch hebben de studentenprotesten tegen de verwachting in effect gehad en de aanzet tot veranderingen gegeven. Sinds dit jaar bieden verscheidene universiteiten in Engeland programma’s aan die economie benaderen vanuit een breder perspectief. Tweedejaarsstudenten in Cambridge kunnen bijvoorbeeld een lesprogramma van dertig colleges volgen over de Geschiedenis en Filosofie van de Economie. Volgens cursuscoördinator Chang is dit het eerste programma met een dergelijke inhoud aan een Engelstalige universiteit in twintig jaar. In Londen bieden het Goldsmiths College en de University of Greenwich lesprogramma’s aan met een pluralistische inslag. Het University College London neemt deel aan het opensource- en interactieve programma Core (Curriculum Open-access Resources in Economics), waarin wordt geprobeerd de studie economie beter toepasbaar te maken op de echte wereld. Ook in Manchester worden breder georiënteerde modules geïntroduceerd, te laat en nog te beperkt voor de studenten die in 2012 aandrongen op veranderingen, maar desalniettemin wel een doorbraak. Post-Crash Economics heeft zich ontwikkeld tot Rethinking Economics, een officieel netwerk dat meer dan veertig studentengroepen verbindt die op campussen van Italië tot Canada en van China tot Brazilië aandringen op veranderingen in het lesprogramma.

    ‘Er is van alles gaande,’ vertelt Diane Coyle, hoogleraar Economie aan de Universiteit van Manchester. ‘Bijna iedereen die economie doceert, accepteert dat na de crash het lesprogramma aan hervormingen toe was, hoewel ik begrijp dat het voor de studenten nog veel te langzaam gaat.’

    De opstand tegen het lesprogramma heeft implicaties die verder reiken dan de academische wereld. De studenten van tegenwoordig zijn tenslotte de opgeleide economen van morgen, die onze economie runnen vanachter hun bureau bij de overheid, banken, multilaterale instellingen en denktanks. Wat studenten leren over hoe de economie werkt en hoe overheden het resultaat kunnen beïnvloeden zal een grote impact hebben op het toekomstige beleid over zoveel zaken, van belastingen en staatsuitgaven tot rentetarieven, minimumlonen, uitstoot van broeikasgassen en de handel.

    Toch klagen de studenten op dit moment dat ze nog steeds worden geïndoctrineerd in de methodologie van een pseudowetenschap die gestoeld is op zogenaamde neoklassieke beginselen. The Econocracy [Manchester University Press] een boek dat in november uitkomt en waar onder anderen Joe Earle aan heeft meegewerkt, een van de oprichters van Post-Crash Economics, schetst een beeld van de reguliere economen als ware gelovigen in een grotendeels in diskrediet geraakte reeks aannames, die een parallel universum hebben uitgevonden met ‘goed gedefinieerde mechanische relaties tussen verschillende bewegende delen, verbonden door metaforische buizen, remmen en hefbomen: rentetarieven omhoog, meer bankleningen; belastingen omlaag, investeringen omhoog.’

    De financiële crisis van 2008 werd volgens en student in 2011 tijdens zijn eerste jaar aan de Universiteit van Manchester niet één keer genoemd

    De economen hebben volgens de studenten het ernstigst gefaald bij het verklaren, laat staan voorzien, van de financiële crisis van 2008. Die crisis, aldus Earle, werd in 2011 tijdens zijn eerste jaar aan de Universiteit van Manchester niet één keer genoemd. Zijn docenten bleken liever te geloven in een rationeel economisch systeem dat grotendeels zichzelf corrigeerde, een systeem dat automatisch zou terugkeren naar een staat van evenwicht.

    Earle is zelfverzekerd, maar uiterst beleefd. Ik had met hem afgesproken in een café in Kentish Town, vlak bij waar hij is opgegroeid, en na afloop stuurde hij me een e-mail waarin hij zich ervoor verontschuldigde dat hij was vergeten om mij te bedanken voor de koffie met gebak. Hij lijkt me niet echt het type van de luis in de pels van het establishment. Tegen de tijd dat hij begon aan zijn studie filosofie, politicologie en economie, had hij er twee jaar opzitten bij The Big Issue [de Britse daklozenkrant], een baan waar hij in contact was gekomen met daklozen in heel Engeland. Hij begon op twintigjarige leeftijd met een veel breder perspectief aan de Universiteit van Manchester. De economie die hij daar leerde kennen leek niet echt bezig met de problemen van de echte wereld, zoals ongelijkheid en financiële stabiliteit. Die werd gedomineerd door elegante modellen waarin een rationele en representatieve beleidsvormer probeerde zijn nutsfunctie te maximaliseren binnen bepaalde restricties.

    In The Econocracy staat een typische tentamenvraag voor de studie economie: ‘Laat je gedachten gaan over een twee-periode economie waarin een representatieve consument zijn/haar levensduur-nutsfunctie maximaliseert U (C1, C2) = u(C1) + ßu(C2), gegeven de levensduur-budgetrestrictie (1 + t)C1 + C2/R = W, waar 0 < ß < 1, W is de contante waarde van het levensinkomen na belasting, t is het btw-tarief en R = 1 + r, waar r de rentevoet is.’

    Earles bezwaar tegen het herhaalde gebruik van zulke formulaire modellen is dat het een ‘gesloten systeem’ oplevert, immuun voor iedere kritische benadering. ‘Je krijgt een vernauwde manier van denken over economie gedoceerd als een bepaald stelsel van regels en wetten dat niet ter discussie gesteld en niet onderuit gehaald mag worden,’ zegt hij. Hij zou graag willen dat ‘politicologie en filosofie en ook ethiek’ weer werden ingevoerd in de studie economie door het te onderwijzen als een ‘beproefd’ multidisciplinair vak waarin verschillende benaderingen worden getest op scenario’s uit de echte wereld. Vroegere auteurs op het gebied van de economie, zoals Jeremy Bentham en John Stuart Mill, stelden ethiek centraal in de discussie.

    Spontaan gedrag

    Naast de neoklassieke school zou een pluralistisch curriculum ook denkrichtingen kunnen bevatten die het accent leggen op klassenverhoudingen of de psychologie van de mens. In plaats van het extrapoleren van één rationeel, optimaliserend instrument, zoals neoklassieke economen doen, zouden complexere modellen ‘spontaan gedrag’ kunnen onderzoeken, gebruikmakend van methoden uit de chaostheorie en de meteorologie.

    In de praktijk voelen veel economen zich bedreigd door het binnendringen van hybride benaderingen in de omsloten schoonheid van hun wiskundig perfecte tuin. Pontus Rendahl doceert macro-economische theorie in Cambridge. Hij vindt het prima dat studenten worden geconfronteerd met economische geschiedenis en met ideeën die het neoklassieke denken in twijfel trekken. (Hij geeft de voorkeur aan de omschrijving ‘regulier’, omdat neoklassiek, net als neoliberaal, bijna een scheldwoord is geworden.) Hij waarschuwt echter voor de overstap naar een pluralistisch curriculum waarin verschillende denkrichtingen evenveel gewicht krijgen.

    ‘Pluralisme is een mooi gevonden woord,’ zegt hij. ‘Maar dezelfde redenering gebruiken de creationisten in de VS die zeggen dat natuurlijke selectie maar een theorie is.’ Omdat de reguliere economie ‘onwrikbare wetten’ heeft, zo betoogt hij, zou het verkeerd zijn om heterodoxe theorieën te onderwijzen alsof ze gelijk gewicht hebben. ‘Om dezelfde redenen vind ik ook dat er geen heterodoxe techniek of alternatieve geneeskunde zou moeten worden gedoceerd.’

    Volgens Rendahl is de reguliere economie flexibeler dan de critici willen doen geloven. ‘Net zoals de economie in staat is geweest om de ideeën van John Maynard Keynes op te nemen, die het opvoeren van de overheidsuitgaven propageerde om de chronische onbalans tussen vraag en aanbod te corrigeren, zo kan de economie ook andere ideeën opnemen, zoals de gedragseconomie die zegt dat slecht beleid suboptimale nutsfunctie met zich meebrengt.

    De macro-economie is “kapot”. Maar de micro-economie is nog solide en vaak verifieerbaar met behulp van data uit de echte wereld

    Ook andere academische economen vinden dat studenten de problemen overdrijven. Angus Deaton, een winnaar van de Nobelprijs voor Economie die doceert aan de Universiteit van Princeton, vindt dat economie een vrijzinnige kerk is, maar wel een die kort gehouden moet worden. Hij geeft als voorbeeld Daron Acemoglu, een jonge superstar aan het Massachusetts Institute of Technology, die onder meer onderzoekt hoe instituties groei stimuleren of afremmen. ‘Hij is een heel goed voorbeeld van hoe dingen zouden moeten gaan: je houdt je bezig met geschiedenis, maar je weet genoeg van wiskunde om er ook een model van te maken. Het verbannen van de wiskunde is niet de oplossing,’ zegt hij. ‘Een model is de kruiscontrole of je eigenlijk wel weet waar je het over hebt.’

    In Manchester verdedigt ook Diane Coyle de basismethodologie van de economie. Volgens haar halen de critici micro-economie, de studie van het gedrag van mensen en bedrijven, en macro-economie, de studie van economie als geheel, door elkaar. De macro-economie, zo geeft ze toe, is ‘kapot’. Maar de micro-economie is nog solide en vaak verifieerbaar met behulp van data uit de echte wereld.

    Soms ontaardt de botsing der ideeën. Een wetenschapper die ik ontmoette op University College London sprak alleen op fluistertoon met me voor het geval dat collega’s haar kritiek op het curriculum zouden horen, ondanks de recente openstelling voor pluralistische ideeën. In Cambridge zegt Chang, die nooit een volledig professoraat heeft gekregen, vaak voor de grap dat zijn collega’s juist respect voor hem zouden moeten hebben als econoom omdat de markt hem gelijk heeft gegeven: zijn boeken verkopen veel beter dan die van hen. Ze reageren arrogant. Rendahl citeert een concurrent: ‘Wie zegt dat Chang over economie schrijft? Volgens die rekenmethode moet J.K. Rowling [de auteur van de Harry Potter -boeken] als de beste econoom ter wereld worden beschouwd.’

    De cursus die Chang geeft over de geschiedenis en de filosofie van de economie laat studenten kennismaken met non-neoklassieke denkers en stimuleert ze om de methodologie van reguliere economen kritisch te benaderen vanuit het perspectief van andere academische disciplines. Het is een begin, maar volgens Chang is het lesprogramma nog niet genoeg veranderd. ‘Er zitten nog veel intellectuele fossielen, die zeggen dat er niets mis is,’ zegt hij.

    De ideeën van de studenten slaan ook steeds meer aan in de buitenwereld. Robert Skidelsky, de biograaf van Keynes, is een aanhanger. Net als Andrew Haldane, de belangrijkste econoom bij de Bank of England. Ook hij denkt dat dingen langzaam aan het veranderen zijn. ‘Naar mijn gevoel varen we nu een iets andere koers. En in de loop van de tijd zal dat, heel geleidelijk, tot verbeteringen leiden.’

    Earle van de Post-Crash Society zegt dat de studentenbeweging aan invloed wint, ook al is die verandering bescheidener dan hij zou willen. Het overkoepelende doel is volgens hem om de economie af te laten stappen van het idee dat die ‘de enige ware weg’ heeft gevonden. Ware neoklassieke gelovigen, die kritische heterodoxe economen handig wegzetten als charlatans, gedragen zich als ‘astronomen voor de tijd van Galileo’. Uiteindelijk moet de studie economie ‘pluralistischer, kritischer, liberaler’ worden, vindt hij, meer een verkenning van ideeën en minder een opleiding in het economische priesterschap.

    Auteur: David Pilling

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000

    Gezaghebbende krant voor de Londense City en de rest van de zakenwereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld. Het in 1888 opgerichte dagblad wordt inmiddels in 23 landen gedrukt en heeft naast de Britse ook drie Europese, een Amerikaanse en een Aziatische editie.