Tag: Verenigde Staten

  • Hoe latinokinderen griezelen van Donald Trump

    Hoe latinokinderen griezelen van Donald Trump

    Sinds zijn hatelijke tirades tegen Mexicaanse immigranten, heeft el señor Trump voor de jeugd uit de latinogemeenschap het imago van een schurk uit een superheldenstrip.

    Latinokinderen hebben een hele hoop monsters en spoken om van te griezelen. Neem La Llorona, die haar dode kinderen beweent [er bestaan vele versies van het verhaal, maar het gaat altijd om een moeder die haar kinderen heeft vermoord, waarna ze ‘s nachts huilend naar hen op zoek gaat]. Of de iets jongere legende van de Chupacabra, die zich voedt met het bloed van geiten, maar desnoods ook met stoute, kleine kinderen. En nu kunnen we een nieuwe boeman toevoegen aan het Latijns-Amerikaanse arsenaal van enge verhalen voor het slapengaan. Die boeman heet ‘de Donald’.

    Sinds Donald Trump zijn campagne voor het Republikeinse kandidaatschap begon met een hatelijke tirade tegen Mexicaanse immigranten heeft hij in de latinogemeenschap een imago als van een schurk in superheldenstrips. De boeman met het fletse pompadoerkapsel die met dreigementen en beledigingen strooit is inmiddels in ieder latinogezin een begrip. Kinderen zien hem op tv of horen aan tafel hun ouders over hem praten.

    In Lynwood, een overwegend door latino’s bevolkte arbeiderswijk in Los Angeles, is het niet moeilijk om kinderen te vinden die van el señor Trump hebben gehoord. Hugo, zeven jaar en klein van stuk, is de zoon van Mexicaanse immigranten. Hij is nog te jong om te snappen wat Trump bedoelt als hij Mexicaanse immigranten voor ‘verkrachters’ uitmaakt, en vat diens boodschap kernachtig samen als ‘Mexicanen zijn lelijk’.

    ‘Zijn woorden raken ons latino’s in de ziel’

    Als Trump Mexicanen weer eens publieke-
lijk voor moordenaars uitmaakt, raken zijn woorden ons latino’s in de ziel. We zijn beledigd, we zijn gekwetst en we zijn boos. ‘Ik ben bang dat iemand hem iets zal aandoen,’ zei mijn dochter van tien laatst. En je kunt Trump nu al een symbolisch pak slaag geven: aan de andere kant van de grens, in Tijuana, gaan Trump-piñata’s als warme broodjes over de toonbank.

    Een piñata van Donald Trump in de Mexicaanse grensplaats Reynosa. – © Daniel Becerril / Reuters
    Een piñata van Donald Trump in de Mexicaanse grensplaats Reynosa. – © Daniel Becerril / Reuters

    Grootste angst

    Trumps campagne speelt in op de grootste angst van gezinnen zoals dat van Hugo: de kans dat Hugo van zijn ouders gescheiden wordt. Hugo is in 
de VS geboren [en daarmee automatisch Amerikaans staatsburger], maar zijn vader en moeder zijn tien jaar geleden uit Mexico gekomen.

    ‘We hebben hem verteld dat wij niet over dezelfde papieren beschikken als hij,’ zegt Hugo’s vader. ‘En we hebben hem moeten uitleggen dat er mensen zijn die ons hier niet willen, zoals Donald Trump en Arpaio.’ Hij doelt op sheriff Joe Arpaio van Maricopa County in Arizona. Die was in juli aanwezig op Trumps verkiezingsbijeenkomst in Arizona en staat bekend om zijn harde beleid tegen illegale immigranten. 
In gedachten noem ik hem altijd onze Cucuy (naar de boeman uit volks-
verhalen, ook wel El Cuco genoemd, 
die kinderen ontvoert). Presentator 
Bill O’Reilly van Fox News is voor mij 
El Cadejo (een boze geest met scherpe tanden) en de conservatieve commentator Ann Coulter een Llorona die ¡Adiós, América! krijst – de titel van haar laatste anti-immigratieboek, waarin ze Mexico een ‘derdewereld-hel’ noemt.

    Maar het is vooral ‘de Donald’ die tegenwoordig in de belangstelling staat. Met zijn ongegeneerde vreemdelingenhaat ligt hij in het versnipperde Republikeinse kamp ineens op kop. 
Net als sommige politici destijds in de Weimarrepubliek heeft hij een ideale zondebok gevonden in een groep die zich moeilijk kan verdedigen en waar een flinke minderheid van het electoraat graag op afgeeft.

    ‘Wij latino’s worden sterker en dat zint hem niet’

    En zijn schimpscheuten spoken ook de allerkleinsten door het hoofd. ‘Hij zei dat Mexicanen slecht zijn, dat ze drugs willen verkopen,’ zegt de negen jaar oude Alexandra Rubalcava. ‘Hij wil de Mexicanen het land uit schoppen en hier alleen met Amerikanen wonen. Dat vind ik niet netjes. Iedereen moet eerlijk zijn, we moeten allemaal netjes behandeld worden.’ Alexandra is met haar vader en haar twee zusjes in 
Plaza México, een winkelcentrum in Lynwood dat de Mexicaanse identiteit uitdraagt met replica’s van Olmeekse beelden, een standbeeld van Pancho Villa en de gevel van een koloniale kerk. Ik vraag waarom ze trots is op Mexicanen. ‘Omdat ze heel hard werken voor geen geld,’ zegt ze.

    Anderen zien in Trumps agressie een teken van zwakte. ‘Wij latino’s worden sterker en dat zint hem niet,’ zegt Irene Huerta, een studente van 24. ‘Hij kan ons wel uitschelden, maar steeds meer latino’s gaan studeren en willen daarin uitblinken. Ik in ieder geval wel.’ En Trump is dus alleen maar een extra aansporing. Dat krijg je als je een hele bevolkingsgroep aanvalt: je wordt een hoofdstuk in hun verhaal over de obstakels die ze hebben moeten overwinnen.

    Fabeltje

    ‘Mijn broer heeft me een filmpje laten zien,’ zegt Damaris, op de draaimolen in Plaza México. ‘Hij zegt heel verkeerde dingen over Mexicanen.’ Een meisje van tien zoals Damaris ziet ‘de Donald’ op de roltrap in zijn Trump Tower. Of ze ziet hem in Texas bij de grens, een wit petje op zijn hoofd met de tekst ‘Make America Great Again’. En ze begrijpt niet precies wat hij zegt, maar ze voelt dat haar ouders en haar grote broer boos en bezorgd zijn. En zo leert ze van ‘de Donald’ onbedoeld diezelfde waardevolle les die de essentie is van alle griezelverhalen: pas op, want er zijn mensen in de wereld die je kwaad kunnen doen.

    Maar wees niet bang, niños. Monsters zijn uiteindelijk maar een fabeltje. En je kunt er altijd een piñata van maken en daar net zo hard op slaan tot het papier scheurt en er snoep uit valt.

    Héctor Tobar


  • De voors en tegens van het populisme

    De voors en tegens van het populisme

    Populisten zoeken eenvoudige antwoorden op ingewikkelde problemen. Hun no-nonsens-retoriek appelleert aan diep ontgoochelde mensen 
die het idee hebben dat hun iets is afgepakt. 
Maar, schrijft George Packer, ze rekken ook de grenzen van het debat 
op en zorgen uiteindelijk voor belangrijke veranderingen.

    Thomas E. Watson, een populist uit Georgia met een lange, allengs demagogischer loopbaan in de Amerikaanse politiek, schreef in 1910: ‘Het schuim der schepping wordt bij ons gedumpt. Enkele van onze belangrijkste steden zijn eerder buiten-
lands dan Amerikaans. De gevaarlijkste, verderfelijkste hordes van het Avondland overspoelen ons. De zedeloosheid en de misdaad waarmee ze ons confronteren, zijn misselijkmakend en angstaanjagend. Wat brengt deze Goten en Vandalen naar onze kust? Vooral de industriëlen treft blaam. Zij wilden goedkope arbeid en het kon ze geen moer schelen dat hun harteloze beleid onze toekomst zou kunnen schaden.’

    Het voorwerp van Watsons gal waren de Italianen, de Polen, de Joden en andere Europese immigranten die 
destijds de Verenigde Staten binnenstroomden. Een eeuw later, in de populistische zomer van 2015, juichen sommige van hun achterkleinkinderen Donald Trump toe wanneer die de jongste generatie immigranten hekelt in bewoordingen die opvallend veel lijken op die van Watson.

    Bernie en Trump

    De geschiedenis van het Amerikaanse populisme is complex en Watson belichaamde de paradoxen ervan. Hij besloot zijn loopbaan als senator met het aanwakkeren van de haat van het blanke, protestantse volksdeel jegens zwarten, katholieken en Joden. Maar aanvankelijk drong hij er als leider 
van de People’s Party (‘Volkspartij’) bij zwart en blank op aan de handen ineen te slaan om een door ‘de macht van het geld’ gedomineerde economische orde omver te werpen. Watson eindigde als een soort Trump, maar begon als een soort Bernie Sanders, de huidige presidentskandidaat en zelfverklaarde ‘democratische socialist’. Dat Watson tekeerging tegen die ene procent van de bevolking die aan het einde van de negentiende eeuw bijna alles bezat, zou Sanders met trots hebben vervuld. Een paar van Watsons vroege ideeën – zoals gratis postbezorging op het platteland – werden uiteindelijk gerealiseerd.

    De wispelturige aard van het populisme kan de vonk tot hervormingen zijn, maar ook tot conservatisme, tot idealisme 
of de zoektocht naar een zondebok.

    Thomas E. Watson had een hekel aan Europese immigranten die destijds de Verenigde Staten binnenstroomden. Zou Donald Trump het van hem hebben? – © Getty Images
    Thomas E. Watson had een hekel aan Europese immigranten die destijds de Verenigde Staten binnenstroomden. Zou Donald Trump het van hem hebben? – © Getty Images
    Populisme is eerder een instelling 
en een bepaald soort retoriek dan een ideologie of een reeks standpunten

    Het komt tot bloei in tijden als die van Watson en die van onszelf, waarin talloze burgers die zichzelf als de ruggegraat van Amerika beschouwen (destijds de ‘handwerklieden’, tegenwoordig de ‘middenklasse’) het gevoel hebben dat ze aan de verliezende hand zijn. Het zijn bepaald niet de verschoppelingen der aarde: Sanders trekt hoogopgeleide stedelingen, Trump kleinsteedse zakenlui. Het zijn mensen die het idee hebben dat hun iets wordt afgepakt, die een visioen hebben van een Amerika van weleer dat onder vuur ligt en 
waarin alles beter was.

    Populisme is eerder een instelling 
en een bepaald soort retoriek dan een ideologie of een reeks standpunten. Het spreekt van een strijd tussen goed en kwaad en eist eenvoudige antwoorden op ingewikkelde problemen. (Trump: ‘De handel? Gaan we regelen. Gezondheidszorg? Gaan we ook regelen.’) Het wantrouwt het gebruikelijke handjeklap en gepolder dat bij democratisch bestuur komt kijken. (Tijdens politieke redevoeringen geeft Sanders zelden hoog op van de successen die 
hij boekt als voorzitter van de uit beide partijen samengestelde senaatscommissie voor veteranenaangelegenheden.) Populisme is zowel samenzweerderig als apocalyptisch van aard: het is het geloof dat het land, of althans een flinke meerderheid, door toedoen van een bepaalde groep boosdoeners (Mexicanen, miljardairs, Joden, politici) op de ondergang afstevent.

    Trump: ‘De handel? Gaan we regelen. Gezondheidszorg? Gaan we ook regelen’
    Donald Trump, vastgoedmagnaat en presidentskandidaat voor de Republikeinen. – © Getty Images
    Donald Trump, vastgoedmagnaat en presidentskandidaat voor de Republikeinen. – © Getty Images

    Authentieke stem

    Bovenal vertolkt én behaagt het populisme de authentieke stem van het volk. Zowel de aanhangers van Sanders als die van Trump prijzen hun kandidaat omdat ze, anders dan de politici, durven zeggen wat gewone mensen denken. ‘Ik ben het dan misschien niet met alles eens wat Bernie zegt, maar ik denk dat hij ergens voor staat, dat hij daaraan vasthoudt en ons niet zal voorliegen,’ zei zijn aanhanger Liam Dewey tegen ABC News. Dat Sanders net zo monotoon speecht als een spreker tijdens de Conferentie voor Socialistische Wetenschappers van rond 1986 – die overigens door 27.000 deelnemers werd bezocht – maakt zijn geloofwaardigheid er alleen maar groter op. Hij is de onwaarschijnlijke lieveling van een 
ten diepste ontgoocheld publiek. Wat Trump betreft: zijn retoriek is zo bot 
en impulsief dat zijn fans zich er voortdurend van verzekerd weten dat die authentiek is.

    De fenomenen Trump en Sanders reageren op hetzelfde politieke klimaat en lijken oppervlakkig gezien op elkaar. Allebei staan ze niet bekend om hun trouw aan de partij, wat hun imago als man van de straat juist ten goede komt: ze ontlenen hun autoriteit aan de rechtstreekse band met hun aanhangers, zonder tussenkomst van een of andere institutie. Ze gaan allebei tekeer tegen buitenlandse-handelsovereenkomsten, geven af op het officieuze werkloosheidscijfer en steken hun minachting voor politici en het foute geld dat ze ophalen om aan de macht te blijven niet onder stoelen of banken. Eind augustus had Trump zelfs geen goed woord over voor de maas in de wet die investeringsmanagers de kans biedt de belasting op hun winst 
te omzeilen (een favoriet mikpunt van links). ‘Al gaan ze over lijken, die hedge-
fondsgasten gaan vrijuit,’ zei hij tegen CBS News. ‘Ze schuiven alleen maar papier heen en weer en worden er beter van.’

    Senator en presidentskandidaat voor de Democraten, Bernie Sanders. – © Getty Images
    Senator en presidentskandidaat voor de Democraten, Bernie Sanders. – © Getty Images

    Begrijpelijke hervormingen

    Maar het verschil tussen Sanders en Trump is groot en fundamenteler dan het verschil tussen hun persoonlijke stijl en hun plaats in het politieke 
spectrum. Sanders, die het merendeel van zijn loopbaan een buitenstaander binnen het politieke systeem was, gelooft heilig in de politiek. Hij beschouwt die als een klassenstrijd (meer nog dan Elizabeth Warren lijkt hij de rijken 
écht te haten), maar gelooft dat dat conflict met verkiezingen en wetten kan worden opgelost. Wat Sanders een politieke revolutie noemt, zijn eerder ingrijpende maar begrijpelijke hervormingen. Hij stelt een belasting op financiële transacties en de opheffing van grote banken voor, maar vraagt niet om nationalisatie van de bankensector. Zijn opvattingen jagen Wall Street misschien op de kast, ze vallen binnen de grenzen van de rationele overtuiging.

    Wat Trumps overtuigingen verder ook mogen zijn, hij speelt het spel van de antipolitiek. Van George Wallace tot Ross Perot: antipolitiek is een constante factor in de recente Amerikaanse geschiedenis. Uiteenlopende presidents-
kandidaten als Jimmy Carter, Ronald Reagan en Barack Obama zijn president geworden doordat het leek alsof ze de verguisde politiek-bestuurlijke sector afwezen dan wel erboven stonden. Trump voert dat spel door tot in het demagogisch extreme. In het vocabu-
laire van zijn verkiezingstoespraken is geen vuiger woord denkbaar dan ‘politicus’. Hij voedt de verachting van zijn publiek voor alleen al het idée dat problemen met politieke middelen kunnen worden opgelost. China, IS, immigranten, werkloosheid, Wall Street: laat het maar aan Trump over, hij bouwt gewoon een muur, deporteert die elf miljoen 
illegalen, herschrijft de grondwetparagraaf over burgerrechten, schept banen, doodt terroristen. Elk voorstel draait louter om hemzelf, de leider die de ondergang van het land afwendt puur dankzij de kracht van zijn persoonlijkheid. Toen hij onlangs sprak in Mobile, in Alabama, vroeg hij zich zelfs af of er wel een evenredige volksvertegenwoordiging nodig was. Nadat hij op zijn voorsprong in de verschillende peilingen had gewezen, vroeg hij de dertigduizendkoppige menigte: ‘Waar hebben we verkiezingen voor nodig? Nergens voor.’ Wanneer Trump zijn ogen tot spleetjes knijpt en zijn onderlip naar voren duwt, is hij een showman die doet alsof hij een sterke man is.

    Er zijn in de Amerikaanse geschiedenis niet veel voorbeelden van populistische sterke mannen te 
vinden (selfmade man Huey Long, de in het interbellum actieve ‘dictator van Louisiana’, is een van hen). Daarvoor zijn we te zeer gehecht aan de democratie, zo niet aan haar instituties en belangrijke vertegenwoordigers. Er zijn meer voorbeelden van populisten die zonder de presidentsverkiezingen te winnen de grenzen van het debat hebben opgerekt en uiteindelijk voor belangrijke veranderingen hebben gezorgd (onder wie Robert M. La Follette Sr.). Hoewel populisten zelden tot president worden gekozen, kunnen ze – zoals de jonge én de oude Tom Watson – de politieke lucht klaren dan wel bezoedelen.

    George Packer

  • Het echte Hollister

    Het echte Hollister

    Hollister? Dat zijn toch die hoodies van Abercrombie&Fitch? In 587 winkels te koop, verspreid over de hele wereld, met een omzet van meer dan 2 miljard dollar? Klopt. Maar Hollister is in de eerste plaats een stadje in Californië – zonder ook maar één Hollisterwinkel. De zeer succesvolle branding is gebaseerd op een groot verzinsel. Bestsellerauteur Dave Eggers vertelt de werkelijke geschiedenis van Hollister, die van zijn betovergrootvader, T. S Hawkins.

    De naam wordt tegenwoordig overal ter wereld geassocieerd met goede smaak en een zekere status. In het jaar dat ik drieënveertig zou worden, werd ik op een goede ochtend wakker met de gedachte dat ik eens een bezoekje moest brengen aan Hollister. Ik zag overal van die hoodies en ik moest geregeld aan het plaatsje denken. In mijn garage diepte ik een oude atlas op, bestudeerde de kaart van Californië om er zeker van te zijn dat ik nog wist hoe ik er moest komen, en ging op pad. Niemand verwachtte me en ik had geen verwachtingen. Het was echt zo’n uitstapje voor een man van middelbare leeftijd, van wie de kinderen naar een partijtje zijn.

    Het is twee uur rijden vanuit de San Francisco Bay Area, in zuidelijke richting over de Interstate 280 naar de 85, vervolgens naar de 101 en tot slot naar de 25. Langs de Interstate 280 zie je tientallen hectaren dichtbegroeid heuvellandschap, met in het midden het Crystal Springs Reservoir. Het is een beschermd natuurgebied van onschatbare waarde. Uiteindelijk wordt het landschap wat vlakker en het klimaat droger. De groene hellingen kleuren langzaam goud, maar verliezen niets van hun schoonheid. Al snel duiken er aan beide kanten van de snelweg boerderijen op, pompoenkraampjes, stallen en stof. Dit alles roept de sfeer op van het Wilde Westen, terwijl je je op nog geen uur rijden van San Francisco bevindt.

    Een Hollister-hoodie. Carrie Black/Flickr Creative Commons
    Een Hollister-hoodie. Carrie Black/Flickr Creative Commons

    Haarnetjes

    Hollister doemt in alle rust op. Keurige rijen uien, kersenbomen en paprikaplanten maken plaats voor wat kleine fabriekjes – een groepje vrouwen met haarnetjes gaat net even pauzeren voor de Marich-banketbakkerij als ik voorbij rijd – en vervolgens zie je eettentjes en tankstations en uiteindelijk een stadscentrum dat iets tijdloos heeft zonder echt ouderwets aan te doen. Er staat een prachtige kerk van rode baksteen, de Hollister United Methodist-kerk, en op loopafstand daarvan staan vele goed onderhouden Victoriaanse huizen. Maar je ziet er ook winkels die zijn gesloten en verlaten kantoorpanden. Op de hoofdweg, San Benito Street, kom ik langs een pand met een bordje voor het raam:
    DIT GEBOUW STAAT NIET LEEG.
    HET ZIT VOL MOGELIJKHEDEN.

    Niet veel verderop staat een groepje vrouwen op een straathoek, met een bordje in de hand: ‘Bid om een einde te maken aan abortus.’ Achter hen is een lommerd, iets verderop in de straat een winkel in tweedehandsspullen en een motel dat luistert naar de naam Cinderella – niet te verwarren met de nabijgelegen quinceañera en de bruidsboetiek, met kleding voor zowel novias als princesas. Het stadje gaat aan beide kanten geleidelijk over in landbouwgebied en achter de boerderijen liggen de heuvels, nauwelijks ontsierd door bebouwing.

    Het is een merkwaardig compleet plaatsje, haast iets uit een kinderboek van Richard Scarry. Je hebt er fabrieken, boerderijen, scholen, wegen, paarden, schapen, geiten en schuren. Je hebt er mannen met cowboyhoed, die in een pick-up rijden. Er is een winkeltje waar ze honkbalplaatjes verkopen. Op een groot bord staat het eindfeest van de middelbare school aangekondigd: Disney-bal.

    Ik ben twee keer in Hollister geweest sinds ik drieëntwintig jaar geleden van de westkust naar Illinois ben verhuisd. Beide keren heb ik heel bewust een bezoek gebracht aan het Hazel Hawkins Memorial Hospital. Ook nu weer herinner ik me dat het niet ver uit het centrum ligt, en inderdaad, ik heb het al snel gevonden. Maar er lijkt iets veranderd. Op een bord voor de deur staat: ‘Bidden is de beste manier om in de hemel te komen – maar inbreken gaat sneller.’ Dan ineens zie ik, op de hoek van Hawkins en Monterey, een groot bord met ‘Te huur’. Dat is nieuw voor me – wat ooit een gezichtsbepalend gebouw in het centrum was, een schitterend pand in Spaans-koloniale stijl, met Italiaans aandoende versieringen, is nu kennelijk opgedeeld in kantoorunits. Ik zet mijn auto neer en ga een kijkje nemen.

    Gezien het feit dat dit oorspronkelijk een ziekenhuis is geweest, en dat het een van de oudste gebouwen van de stad is, ga ik ervan uit dat er non-profitorganisaties in zullen zitten – sportclubs, erfgoedinstellingen, vrouwenverenigingen. Dus loop ik over de witte trap die iets naar links helt. Het valt me op dat de stenen cherubijntjes bij de ingang tamelijk liefdeloos in de verf zijn gezet. Rechts van de voordeur zie ik een bordje in de erker: ‘Eerste maand huur gratis. Hoge kortingen.’ Achter het raam zie ik een bureau, met daarop een computer uit de jaren negentig die de eerste tekenen van verval vertoont. Het contrast tussen de rococo-buitenkant en de armoedige binnenkant is schokkend.

    Op een laag tafeltje in de hal liggen keurige stapeltjes folders en visitekaartjes van taxiondernemingen, kerken, gebedsgenezers en mensen die borg kunnen regelen. Links van me bevindt zich de New Light Embassy, die zichzelf afficheert als een ‘Holistisch centrum voor hersentraining & hypnotherapie… verrijkt, ontwikkelt en versterkt het menselijk potentieel.’ Het grootste deel van de rechtervleugel van het gebouw wordt in beslag genomen door het NewLife Worship Center.

    Binnen is echter geen mens te bekennen. Noch in de New Light Embassy, noch in het NewLife Worship Center. ‘Wist u dat Jezus een kerkganger was?’ staat te lezen op een groen foldertje. ‘Daar horen we niet vaak over, maar het is wel zo.’ En dan hoor ik, in de drukkende stilte van het uitgestorven pand, een geluid. Een ritmisch geluid. Ik loop het geluid achterna door de gang, tot ik voor een deur sta. Er ligt een mat voor de deur, met als tekst: ‘Eli’s Chop Shop’. Ernaast staat een driekleurige, gestreepte paal, zoals je die bij kapperszaken ziet. Ik hoor hiphop-muziek en vang ook wat stemmen op, en heel even ben ik zo blij dat ik niet de enige in dit gebouw ben dat ik met de gedachte speel naar binnen te gaan. Maar ik doe het niet en keer om.

    Downtown Hollister doet denken aan een boek van Richard Scarry. – © Getty
    Downtown Hollister doet denken aan een boek van Richard Scarry. – © Getty

    Hoody

    In de tuin voor het gebouw blijf ik staan onder een oude wilg en weet niet goed wat te doen. Aan de overkant van de straat zie ik een man het gras maaien. Ik ervaar diverse emoties en kom tot een aantal conclusies. Het bedrukt me dat het gebouw zo is vervallen. Van binnen ziet het er allemaal even deprimerend uit, en de huurders zijn slechts tijdelijk en ze lijken zich weinig aan te trekken van de vervallen staat van het gebouw. Maar waarom trek ik het me zo aan?

    Vijftien jaar terug zei het woord ‘Hollister’ vrijwel niemand iets. Tegenwoordig kom je in vrijwel elke stad, van Melbourne tot Montreal tot Mumbai, wel iemand tegen die het op zijn T-shirt of hoody heeft staan. Abercrombie&Fitch, dat Hollister in 2000 in de markt heeft gezet, heeft binnen korte tijd met dit merk de wereld weten te veroveren. In 2013 waren er 587 Hollister-winkels verspreid over de wereld, en het merk genereerde een omzet van meer dan 2 miljard dollar.

    Een rij consumenten voor een reclamebord van Abercrombie & Fitch.  © Simon Dawson / Getty
    Een rij consumenten voor een reclamebord van Abercrombie & Fitch. © Simon Dawson / Getty

    Vrijetijdskleding

    De kleren zelf zitten gewoonlijk in het segment van de sweaters en de joggingbroeken – ze vertonen griezelig veel overeenkomst met de vrijetijdskleding die je kunt kopen bij Target of Walmart. Maar een Hanes-hoody bij Target kost 13 dollar, terwijl een Hollister-hoody 44,95 dollar kost. Dat moet dus wel betekenen dat de term ‘Hollister’ ergens voor staat en een toegevoegde waarde heeft.

    Al vele jaren krijgt het personeel in de Hollister-winkels tijdens de inwerkperiode het Hollister-verhaal te horen, en dat gaat ongeveer zo: John M. Hollister is geboren aan het einde van de negentiende eeuw en als kind bracht hij zijn zomers door in Maine. John hield van avontuur en hij vond het heerlijk om te zwemmen in het heldere, koele water. In 1915 haalde hij zijn bul aan Yale. In een poging te ontsnappen aan het comfortabele leventje in Manhattan dat al voor hem was uitgestippeld, zette hij koers naar Nederlands-Indië en kocht daar in 1917 een rubberplantage. Hij werd verliefd op een vrouw, Meta, en hij kocht een schoener van vijftien meter. Samen met Meta zeilde hij over de Stille Zuidzee en ze verzamelden schatten van ‘de kunstenaars die daar leven’. Uiteindelijk gingen ze in 1919 in Los Angeles wonen. Ze kregen een kind, John junior, en openden een winkeltje in Laguna Beach, waar ze allerlei spullen uit de Zuid-Pacific verkochten – meubels, sieraden, stoffen en kunstvoorwerpen. Toen John junior op latere leeftijd de zaak overnam, voegde hij daar surfkleding en surfuitrusting aan toe. (Hij kon zelf geweldig goed surfen.) Zijn surfwinkel, die zijn naam droeg, kreeg steeds meer bekendheid en groeide uit tot een wereldwijd merk. Het Hollister-verhaal draait om ‘hartstocht, jeugd en een liefde voor het water’ en roept een beeld op van ‘de harmonie van romantiek, schoonheid en avontuur’.

    Het is volledig bezijden de waarheid. De meeste merken van Abercrombie&Fitch – waaronder het inmiddels uit de markt genomen Gilly Hicks en Ruehl No. 925 – steunen op verzonnen verhalen die zijn bedacht door Mike Jeffries, de voormalige CEO van het bedrijf. Abercrombie&Fitch heeft de Los Angeles Times verteld dat de naam Hollister is verzonnen en dat elke relatie tussen het merk en het stadje dan ook op toeval berust. Maar toch kunnen we de betrekkingen tussen het bedrijf en het stadje Hollister in Californië, met een inwonertal van zesendertigduizend, niet bepaald neutraal of ontspannen noemen.

    In 2006 zette een ondernemer uit Hollister de tekst ‘Rag City Blues: Hollister’ op een spijkerbroek en ze besloot zich in te schrijven in het internationale merkenregister. Vervolgens ontving ze dreigementen van juristen die waren ingeschakeld door Abercrombie&Fitch. Ze was verbijsterd. De juristen hadden min of meer gezegd dat ze haar voor het gerecht zouden slepen als ze de naam van haar woonplaats op haar kleding zou zetten – het handelsmerk dat aan het merk was verbonden, oversteeg de rechten van de stad. (Volgens het bedrijf gaat het hier zuiver om een merkenkwestie en doet het niet ter zake dat de onderneemster afkomstig is uit Hollister.) Volgens de L.A. Times vreesden de leerlingen van een plaatselijke middelbare school dat er ook juridische stappen genomen zouden worden tegen hun sporttenue. In een poging de gemoederen tot bedaren te brengen, stelde het stadsbestuur Abercrombie voor om een outlet te openen in Hollister. Het leek een logische stap – een Hollister-winkel in Hollister – maar het bedrijf gaf te verstaan dat de inwoners van Hollister niet het geschikte publiek vormden voor dit ambitieuze merk. (Het bedrijf laat weten zich niets van dit verzoek te herinneren.)

    Hollister heeft geen winkelcentrum, en maar weinig boetiekjes of cafeetjes. Het is geen toeristenbestemming, zoals het nabijgelegen Salinas, waar John Steinbeck woonde, of Gilroy, beter bekend als ‘de knoflookhoofdstad van de wereld’. Veel oudere inwoners zijn Kaukasiërs, maar de afgelopen vijftig jaar is de bevolkingssamenstelling ingrijpend gewijzigd, waardoor vandaag de dag 67 procent van de inwoners onder de noemer latino valt. De meesten van hen werken op de boerderijen in de buurt of in de paar nabijgelegen fabrieken. Hollister is een weinig opwindend plaatsje, maar inmiddels wordt de naam overal ter wereld geassocieerd met goede smaak en een zekere status. Wat merkwaardig is, omdat de plaats zelf op geen enkele manier garen spint bij dit succes.

    Ik heb met verwondering toegekeken hoe het merk Hollister aan de weg timmerde, aangezien mijn betovergrootvader T. S. Hawkins een grote rol heeft gespeeld bij het stichten van de stad. Als kind zag ik vrijwel dagelijks zijn gezicht, met de grijs-witte baard, op een oude foto die wij in Illinois in de woonkamer hadden hangen. Circa een meter daarnaast, aan de schouw, hing zijn geweer, dat hij van Missouri naar Californië had gedragen.

    Het oude Hazel Hawkins-ziekenhuis, genoemd naar de kleindochter die aan een blindedarmontsteking overleed.
    Het oude Hazel Hawkins-ziekenhuis, genoemd naar de kleindochter die aan een blindedarmontsteking overleed.

    Sterk en zelfstandig

    Het ware verhaal van Hollister begint in 1836 in Marion County, Missouri, zo’n dertig kilometer van Hannibal, de geboorteplaats van Mark Twain. Hier komt T. S. Hawkins ter wereld, de oudste van negen kinderen, op de boerderij van zijn ouders. De familie is vanuit Ierland, Engeland en Schotland naar Virginia getrokken, als een van de eerste kolonisten.

    De familie Hawkins woonde in twee aangrenzende blokhutten, met een gedeeld dak. De jongens sliepen op zolder, onder de dakspanen, waar ze ’s zomers de regen hoorden roffelen. ‘De planken vormen een goed dak om de regen buiten te houden,’ schreef Hawkins in zijn autobiografie Some Recollections of a Busy Life, dat hij zelf in 1913 heeft uitgegeven.

    ‘Maar in de winter joeg de wind de stuifsneeuw door de kieren van de dakplanken. Het was geweldig om daar te liggen, zo heel hoog, op de ouderwetse verenmatras, met de dekens opgetrokken tot aan je oren, terwijl de wind om het huis huilde, hagel en sneeuw het dak geselden en de elementen zich roerden, totdat je uiteindelijk in slaap viel. Als we ’s ochtends wakker werden, lag er een dikke sneeuwdeken over het beddengoed en de vloer.

    Van een afstand lijkt het een zwaar leven, maar ik kan me niet herinneren dat wij het zo voelden, en in ieder geval werd je er sterk en zelfstandig van’.

    De familie ving eekhoorns en kwartels en zo nu en dan een buidelrat, en ze aten hun eigen varkens, verwerkt tot spek en ham, drie keer per dag, maanden achter elkaar. Ze maakten wollen kleren voor bijzondere gelegenheden, maar voor hun alledaagse kleren gebruikten ze schors – de schors van ‘verschillende bomen’, schrijft Hawkins, al blijf ik het lastig vinden me een beeld te vormen van die kleren. Naar ik aanneem was het in elk geval ademende kleding.

    Hawkins ging een paar maanden per jaar naar het schooltje, dat uit één lokaal bestond, totdat hij zestien was. Dat was het moment waarop zijn jongere broers zijn taken op de boerderij konden overnemen en Hawkins vrij was om zijn opleiding te vervolgen. Hij ging op weg naar Kentucky, waar hij bij zijn grootvader zou gaan wonen – een reis van dik zevenhonderd kilometer, wat voor een ‘bedeesde, onhandige plattelandsjongen’ was alsof hij ‘de vertrouwde wereld achter zich liet’. Hij beproefde zijn geluk met lesgeven, vervolgens met geneeskunde, en uiteindelijk keerde hij huiswaarts met driehonderd dollar op zak.

    ‘Ik had er geen problemen mee om een poosje te luieren, lekker in mijn kano op de Meramec te dobberen of te rusten in de schaduw van de bomen. Maar dat kon niet eeuwig duren, en na niet al te lange tijd ging ik op zoek naar een activiteit. Het dichtstbijzijnde dorp was dertig kilometer van ons huis. Her en der waren wel kleine winkeltjes, maar ook die waren minstens tien kilometer ver. Zo kwam ik op het idee om zelf een winkeltje te beginnen…’

    ‘Ik nam een timmerman in de arm en eind juli stond er een gebouw van zes bij twaalf meter, compleet met planken en een toonbank. Ik was al naar St. Louis geweest om te praten met een bedrijf dat lokale winkeltjes bevoorraadde, en omdat ik geen flauw idee had wat ik nodig zou hebben, stelden zij een inventaris samen ter waarde van 2.000 dollar. Ik gebruikte mijn 300 dollar als aanbetaling’.

    Het is belangrijk om hier enkele zaken vast te stellen. Ten eerste was er een groothandelaar die T.S. Hawkins voor 2.000 dollar aan goederen ter beschikking stelde, wat omgerekend naar onze tijd zo’n 50.000 dollar zou zijn. Ten tweede was de groothandelaar bereid het risico te nemen, zonder onderpand, terwijl Hawkins geen enkele ervaring had als winkelier. Ten derde was Hawkins nog maar éénentwintig.

    De Hawkins-stoet

    De winkel werd een succes. Hawkins was ‘winkelbediende, conciërge en boekhouder in één’. Zodra het donker werd, ging hij naar huis om te eten, maar daarna ging hij weer terug naar de winkel, waar hij een ‘veldbed onder de toonbank vandaan haalde, mijn bed opmaakte en met een wapen onder mijn kussen sliep tot de volgende ochtend. Omdat er vrij veel ongure types naar de bergen trokken, was het geen goed idee om de zaak ’s nachts onbemand te laten, aangezien het dichtstbijzijnde huis bijna een kilometer verderop stond’.

    Het jaar daarop trouwde hij met Catherine Patton, een beschaafde vrouw afkomstig uit twee zuidelijke families. Binnen een jaar kreeg ze echter problemen met haar gezondheid, en de dokter adviseerde hun naar een gematigder, droger klimaat te verhuizen. Hawkins verkocht de winkel en maakte zich klaar voor de reis naar het westen. Tegen de tijd dat alles in gereedheid was, hadden Catherine en hij een kind, een zoon, T.W. geheten. Het reisgezelschap was uitgedijd tot twintig man, onder wie Hawkins’ vader en zijn zwager, compleet met zestig stuks vee, vier huifkarren, veertien paarden en zeventien ossen.

    Dit was niet de grote trek naar de goudvelden van tien jaar eerder. De groep van Hawkins zag slechts zo heel nu en dan een andere colonne huifkarren. Men had verwacht onderweg voldoende bizons te kunnen schieten, maar dat bleek niet het geval; tijdens de hele reis wisten ze slechts twee antilopen te schieten. In plaats daarvan waren ze aangewezen op handel met indianen, andere reizigers en kolonisten. In het zuiden van Utah had kort daarvoor een bloedbad plaatsgevonden, het zogeheten Mountain Meadows Massacre, waarbij honderdtwintig mannen, vrouwen en kinderen uit Arkansas waren omgebracht door mormoonse milities die zich voordeden als indianen. De Hawkins-stoet zocht aansluiting bij een andere huifkarrenstoet die vanuit Illinois naar het westen trok. Maar de mormonen die zij tegenkwamen toen ze Salt Lake naderden, waren hun goedgezind, schrijft Hawkins.

    ‘Omdat we al zo lang leefden van bacon en gezouten vlees, zonder groente, ging ik naar een groot huis dat de indruk wekte dat er welvarende mensen woonden. Ik klopte op de voordeur, maar toen er geen reactie kwam, liep ik naar de achterkant, waar ik een grote, stevige man onder een boom zag zitten, met op elke knie een baby, terwijl er nog allemaal andere kinderen, ergens tussen de twee en de acht jaar oud, in de tuin speelden. Twee vrouwen waren bezig kleren te wassen, in dezelfde tobbe, terwijl een derde vrouw ze ophing (de kleren, niet de vrouwen) zodat ze konden drogen. Het was mijn eerste kennismaking met polygamie. De man zag er goedgevuld en gelukkig uit, net als de andere mannen die ik later ontmoette, terwijl de vrouwen moe en afgetobd waren.’

    Pas nadat ze Bear River waren overgestoken, kregen ze te maken met de drama’s en ontberingen waar alle reizigers naar het westen rekening mee hielden.

    ‘In het gezelschap uit Illinois bevond zich een echte waaghals, een jonge man, en toen al het vee de rivier in was gelopen, ging hij er op zijn paard achteraan. Hij was ongeveer halverwege de rivier op zijn sierlijk zwemmende paard, toen zowel de man als het paard plotseling verdween. Na een poosje kwam het paard even verderop weer boven, maar de jonge man hebben we nimmer meer terug gezien. We hebben ons kamp opgeslagen aan de oever en hebben met zijn allen geprobeerd het lichaam te vinden. De veerman bezwoer ons dat het zinloos was, dat Bear River nooit zijn doden prijsgaf’.

    Twee uur rijden van San Francisco ‘kleuren de groene hellingen langzaam goud, maar verliezen niets van hun schoonheid.’ © Getty
    Twee uur rijden van San Francisco ‘kleuren de groene hellingen langzaam goud, maar verliezen niets van hun schoonheid.’ © Getty

    Kinderen en dwazen

    Ze trokken door de Sierra Nevadas. Ze wisten Angels Camp en French Camp te vinden en ze trokken in zuidwestelijke richting door de Livermore Valley, naar San Francisco Bay, in de buurt van Milpitas. Uiteindelijk kwam Hawkins in 1860 in Mountain View aan.

    ‘Zo eindigde onze reis over de vlakten,’ schrijft hij. ‘Ik heb ergens gelezen dat “De Heer zich ontfermt over kinderen en dwazen.” Achteraf gezien moet ik haast wel concluderen dat wij tot een van die groepen gerekend moeten worden’.

    Aanvankelijk leek Catherine Hawkins op te knappen, maar toch overleed ze nog geen twee jaar na de tocht. In de ogen van sommigen was dat een wreed spel van een boosaardige God. Toch besloot Hawkins in Californië te blijven.

    ‘Alleen zij die de metgezel uit hun vroege jaren zijn verloren, kennen de inktzwarte duisternis die zich dan aandient, en het gevoel dat de bodem is weggeslagen onder alle hoop en ambitie, dat het allemaal geen zin meer heeft, in ieder geval waar het je eigen leven betreft. Ik realiseerde me echter dat werken, heel erg hard werken, voor mij de enige remedie was’.

    Hawkins kocht zo’n achthonderd vierkante meter grond net ten noorden van Gilroy en hij trouwde met Emma Day, de dochter van een boer. In 1864 werd hun eerste kind geboren, Charles, en in 1867 was Hawkins een welvarende boer met vier kinderen. Hoewel hij zich het boeren vrijwel geheel zelf had aangeleerd, verscheepte hij dat jaar al een kleine 40 ton tarwe naar San Francisco.

    Hawkins hoorde al snel van ene kolonel W.W. Hollister, die zo’n tachtig vierkante kilometer landbouwgrond in de buurt in bezit had. Dat land was lange tijd in handen geweest van Spaanse adel, nadat de indiaanse inwoners voor het grootste deel waren verdreven of waren ingelijfd bij de Spaanse missies. Toen Mexico zich losmaakte van Spanje werd een groot deel van het land aan Mexicaanse soldaten en kolonisten gegeven. Na de Mexicaans-Amerikaanse oorlog kocht Hollister een stuk land van Francisco Pérez Pacheo. Hollister had een zuidelijke route naar Californië gevolgd, van Ohio door New Mexico en Arizona naar Santa Barbara, en daarna naar het noorden. Hij was begonnen met acht- of negenduizend schapen, met de bedoeling de grootste kudde ooit over het continent te verplaatsen. Uiteindelijk had hij er nog maar een paar duizend over, maar toen de burgeroorlog uitbrak, verdiende Hollister een vermogen met de verkoop van wol voor de uniformen van de unionisten.

    In 1868 was Hollister zover dat hij zijn land wilde verkopen, het maakte deel uit van een ranch die bekendstond als San Justo. Hawkins wist een groep plaatselijke boeren over te halen de grond te kopen voor 370.000 dollar. Ze deelden het land op in vijftig stukken en lieten in het midden zo’n vijfhonderd vierkante meter vrij voor een stadje. Ze waren van plan het plaatsje San Justo te noemen, maar daar had een van de mannen bezwaar tegen. Moet elke plaats in Californië naar een heilige worden vernoemd? zei hij. En zo kwamen de boeren, na veel gesoebat, uit op Hollister, als eerbetoon aan ‘een van de meest edelmoedige mensen die ik ooit heb gekend’, om de woorden van Hawkins te gebruiken.

    Hawkins kreeg nog een kind en uiteindelijk gaf hij het boerenleven eraan om de Bank van Hollister op te zetten. Uiteindelijk kregen zijn vijf kinderen weer elf kinderen, die het op één na allemaal voor de wind ging. Hazel Hawkins, geboren in 1892, overleed op negenjarige leeftijd aan een blindedarmontsteking, al wordt de ziekte niet vermeld in Some Recollections. In de honderdeenenzestig pagina’s van zijn memoires lijkt Hawkins stoïcijns, om niet te zeggen luchtig, te reageren op tegenslag en verlies, maar de dood van Hazel Hawkins brak zijn hart.

    Welterusten grootvader

    ‘Ze was haar hele leventje bij ons geweest. Ik had haar voortdurend om me heen en we hielden van elkaar met een toewijding die ik niet eerder had gekend. Elke dag opnieuw zette ze zich onbaatzuchtig in voor het geluk van anderen,’ schrijft Hawkins. ‘Op vijf maart stond ik aan haar bed. Ze deed haar ogen open, keek me aan en zei met die lieve stem van haar: “Welterusten, grootvader”. Vervolgens viel ze in slaap, om weer te ontwaken in Gods Paradijs.’
    Tot op zekere hoogte weet Hawkins de dood van zijn kleindochter aan de gebrekkige hygiëne in het landelijke Hollister. Hij stortte zich op het bedenken van een oplossing en het oprichten van een monument. Hazel Hawkins Memorial Hospital, noemde hij het.

    Ik sta op de witte, stenen trap en vraag me af wat er is gebeurd. Op zoek naar informatie over de status van het gebouw ga ik naar de kamer van koophandel van Hollister. Ik moet wachten. Debbie Taylor, die er de scepter zwaait, is in gesprek met een vrouw die van alles wil weten over de plaatselijke boy scouts. Ze is nieuw in Hollister en ze is lang van stof, ze heeft grootse plannen. Terwijl ik zit te wachten, blader ik wat in de folders die op een tafel liggen. ‘Gezocht!’ staat er op een flyer. De Hollister Hills Junior Off-Highway Rangers, een groep jonge terreinwagenliefhebbers, zijn op zoek naar leden die over de goudgele hellingen in de omgeving willen scheuren.

    Wanneer ik Taylor eenmaal te spreken krijg, begin ik over de goudgele hellingen en zeg hoe goed het is dat de stad deze heuvels beschermt. Taylor weet niet of ze het wel met me eens is. Het strookt misschien niet helemaal met het officiële beleid van de kamer van koophandel, maar Taylor laat doorschemeren dat men het niet zo erg zo vinden als de hellingen zouden worden bebouwd. Men zou geen bezwaren hebben tegen economische groei, op wat voor manier ook. De recessie heeft hard toegeslagen, zegt Taylor, en wat lichtpuntjes kunnen geen kwaad. Er zijn te veel tatoeageshops, zegt Taylor, en ze betreurt het dat de karatestudio onlangs om twijfelachtige redenen de deuren heeft moeten sluiten.

    Zonder al te veel moeite komen we op Abercrombie&Fitch. Taylor vertelt over de rechtszaken waarmee het bedrijf heeft gedreigd en over het interessante gegeven dat het bedrijf weigerde een Hollister-vestiging te openen in Hollister. Maar, zegt ze, binnenkort komt er een Walgreens-vestiging in de stad en daar is iedereen erg blij mee – Debbie Taylor zelf niet op de laatste plaats.

    Klanten van Abercrombie & Fitch in Londen.  Garry Knight/Flickr Creative Commons
    Klanten van Abercrombie & Fitch in Londen. Garry Knight/Flickr Creative Commons

    Kapper

    Ze vraagt wat mij naar Hollister voert en ik vertel haar van T. S. Hawkins en mijn relatie met hem. Ze bladert door mijn exemplaar van Some Recollections. Ik laat haar de foto zien van de jonge Hazel Hawkins en leg uit wat het verband is tussen dit meisje en het ziekenhuis dat haar naam draagt.

    ‘O!’ zegt Taylor. ‘Weet je dat er vanavond om half zes een lint wordt doorgeknipt?’ Dat wist ik niet. Ik heb geen idee waar ze het over heeft. Ze legt uit dat er net een nieuwe vleugel aan het verplaatste Hazel Hawkins-ziekenhuis is gebouwd. Het betreft een gezondheidscentrum voor vrouwen, dat over een paar uur wordt geopend. Ze geeft me het adres – het is een heel eind van de oorspronkelijke locatie van het ziekenhuis – en ik vertrek weer. We zijn beiden verbaasd over de wel zeer gelukkige timing van mijn bezoek.

    Dit lijkt me een uitgelezen moment om naar de kapper te gaan.

    Ik ga terug naar het oude Hazel Hawkins Memorial Hospital en doe de deur open van Eli’s Chop Shop. Achter een kappersstoel staat een grote man, vol tatoeages, die bezig is het haar te knippen van een andere man vol tatoeages. Op een tweede kappersstoel zit een derde grote man vol tatoeages – gewoon voor de gezelligheid, lijkt het. Ze zijn stomverbaasd als ik binnenkom.

    Dan zie ik een moeder en haar puberzoon op een bank hangen, wachtend op hun beurt. Ik zie er heel anders uit dan de overige klanten en ik ben veel ouder – zelfs de moeder lijkt een jaar of tien jonger dan ik. Mijn hand rust nog op de deurkruk, ik moet de knoop doorhakken. Ik kan me nog omdraaien en ze daar rustig laten zitten, maar in plaats daarvan zeg ik: ‘Kan ik gewoon wachten?’

    ‘Yep,’ zegt de kapper.

    Ik neem plaats op de lage, uitgezakte, leren bank en kijk naar ‘SportCenter’ op de flatsceen televisie die hoog aan de muur hangt. Harde hiphop galmt door de ruimte.

    Het is duidelijk dat de drie mannen zich afvragen wat ik kom doen, maar na een tijdje zetten ze hun gesprek voort. In een poging mezelf onzichtbaar te maken en ze niet op de zenuwen te werken, kijk ik zo ingespannen naar ‘SportCenter’ dat het haast lijkt alsof ik gecodeerde boodschappen uit de ruimte probeer op te vangen.

    Er wordt wat op schouders geslagen wanneer de man in de kappersstoel opstaat, waarna de jongen zijn plaats inneemt. Ondertussen heeft de kapper de televisie op een andere zender gezet: een realityshow met als titel ‘World’s Dumbest Criminals’.

    De moeder en ik lachen om het programma, dat bij vlagen zeer geestig is, en dan ineens kijkt ze me aan en zegt: ‘Jij bent aan de beurt’. De kapper heeft een ingewikkeld geometrisch patroon in de onderste helft van het haar van de jongen geschoren. Hij heeft het gedaan met vaste hand, en de jongen is er zeer mee ingenomen. Hij vertrekt, samen met zijn moeder, en ik ga zitten. De man die net is geknipt, leunt tegen de toonbank, met daarop allerlei gels en kammen en shampoos. De man op de andere stoel slaat zijn armen over elkaar, waarmee nieuwe tatoeages zichtbaar worden. ‘Family,’ staat er op zijn ene arm. ‘First,’ op de andere. Familie voor alles.

    ‘Hoe wil je het?’ zegt de kapper.

    Hij kijkt naar mijn achterhoofd, en zijn twee vrienden kijken ook naar mij. Ik zeg dat ik tweeëntwintig jaar geleden voor het laatst naar een echte kapper ben geweest.

    ‘Dat is te zien,’ zegt de kapper. ‘Hoe dat zo?’

    Ik leg uit wat de financiële voordelen zijn van zelf je haar knippen, en ze knikken allemaal.

    ‘Ik moet één keer per week naar de kapper,’ zegt Family First. Hij draait zijn hoofd en ik zie een ingewikkeld patroon dat duidelijk veelvuldig onderhoud behoeft. Het is het werk van een kunstenaar.

    Ik zeg tegen de kapper dat hij er maar overal een stukje af moeten halen, naar eigen inzicht, en hij gaat aan het werk. Er komt nog een man binnen, gespierd en gebronsd, met een hele verzameling tatoeages op zijn armen. Hij neemt plaats onder ‘World’s Dumbest Criminals’ en praat met de kapper over het Ultimate Fighting Championship en het gevecht dat binnenkort in Sacramento plaatsvindt.

    Dan kijkt de kapper mij aan. ‘Hoe kom je aan dit adres?’ Hij zegt het met een mengeling van argwaan en achteloosheid. Het is de vraag waar zijn twee vrienden op zaten te wachten. Zelfs de man op de bank draait zich om. Ik vertel ze het verhaal van T. S. Hawkins en hoe hij dit land in bezit heeft gekregen, dat hij het voormalige ziekenhuis heeft gebouwd op de plek waar we nu zitten, dat het een eerbetoon was aan zijn kleindochter die zo jong is gestorven. De vier mannen knikken respectvol.

    Dan gebeurt er ineens iets. De televisie staat heel hard, en de muziek ook, dus mij valt niets op, maar de twee vrienden maken zich ineens heel erg druk om een bepaald geluid.

    Undercover agent

    ‘Hoorde je dat?’ zegt de man die zich net een nieuw kapsel heeft laten aanmeten.
    ‘Hoorde je het?’ zegt Family First.
    Ik heb geen idee waar ze het over hebben. De mannen zeggen iets over een piep of een of ander elektronisch geluid dat ze hebben opgevangen.
    ‘Draagt iemand een microfoontje?’ vraagt Family First. Zijn vriend lacht en beklopt snel zijn lijf, laat zijn handen over zijn borst en zijn aanzienlijke buik glijden. Nu kijken ze weer naar mij, en eindelijk begint het me te dagen: ze denken dat ik van de narcoticabrigade ben.
    ‘Ach, wat,’ zegt de kapper, over de mogelijkheid dat ik een microfoontje draag. ‘Ik ben zo het raam uit.’
    De drie mannen hebben het erover wat ze zouden doen als er ineens agenten opduiken, of misschien al binnen zitten. Ineens herinner ik me het bordje voor de deur, dat inbrekers worden neergeschoten, naar de hemel gejaagd, et cetera. De sfeer is nog altijd grappend, maar de drie vrienden voelen zich toch niet meer helemaal op hun gemak. Het is gek: ze blijven beleefd, en mijn haar wordt met de grootst mogelijke zorg geknipt, maar ondertussen hebben ze het over een mogelijke undercover agent in de zaak alsof het over iemand anders ging – niet over mij.
    Ik probeer over iets anders te beginnen en vraag Family First en zijn vrienden waar ze vandaan komen. Pas op dat moment realiseer ik me dat dit een vraag is die een normaal iemand nooit zou stellen, maar die een undercoveragent briljant zou vinden. Een van de mannen zegt dat hij uit Visalia komt. De andere geeft geen antwoord. De kapper duwt mijn hoofd iets naar voren zodat hij goed bij mijn nek kan. Als ik weer opkijk, zijn de twee vrienden verdwenen.
    De stilte is om te snijden, en ik besluit hem te doorbreken.

    De afslag naar Hollister
    De afslag naar Hollister

    Knoflookfestival

    Ik vraag de kapper hoe lang hij al in Hollister woont.
    ‘Geen idee. Niet zo heel lang,’ zegt hij.
    ‘Bevalt het?’ vraag ik.
    ‘Mwah,’ zegt hij. ‘Het is niks.’
    Hij vertelt dat hij uit Gilroy komt, waar hij het veel meer naar zijn zin had. Gilroy, dat een kleine vijfentwintig kilometer verderop ligt, is bepaald geen bruisende wereldstad – hooguit heel even, tijdens het knoflookfestival – maar het is een grotere plaats dan Hollister, en daar gaat het hem om.
    Ik vraag waarom hij ervoor heeft gekozen zijn kapperszaak te vestigen in het voormalige Hazel Hawkins Memorial Hospital. Hij haalt zijn schouders op. De huur was lekker laag, zegt hij. Ik vraag hoe hij aan voldoende klanten komt terwijl er niet eens een uithangbordje hangt. Afgezien van de deurmat wijst niets op het bestaan van zijn zaak, nu ik er goed over nadenk. Hij zegt dat hij genoeg klanten heeft door mond-tot-mondreclame. Ik zeg nog iets over de achtergrond en de uitstraling van het gebouw, maar hij vindt het gebouw ook maar niets.
    ‘Weet je dat er een lijkschouwer in de kelder zat?’ zegt hij.

    Echo van het verleden

    Dat is voor hem nog een reden om te vertrekken. Hij heeft het gevoel dat het spookt in het gebouw. Vakkundig knipt hij het haar bij mijn oren en veegt met een borsteltje mijn nek schoon. Hij haalt de kapmantel weg. Het knippen kost 15 dollar. Ik betaal en ik bedank hem – hij heeft me perfect geknipt – maar we zijn allebei een beetje van slag door wat er zojuist is voorgevallen. ‘Tot over tien jaar maar weer,’ zegt hij. Ik sta al in de deuropening als hij opgewekt zegt: ‘Al zit ik hier dan niet meer, denk ik.’
    Als zoveel plaatsen van deze grootte en maatschappelijke verhoudingen wordt Hollister geteisterd door bendes en de daarmee gepaard gaande toename van het gebruik van meth en heroïne. De gemeenteraad heeft overwogen extra agenten in dienst te nemen om de drugshandel en de bendeactiviteiten tegen te gaan. Misschien denkt de kapper dat ik een van die nieuwe agenten ben – en denkt hij dat ik er bepaalde veronderstellingen over hem en zijn vrienden op na hield. Ik speel met de gedachte terug te gaan en mijn excuses aan te bieden, maar is dat niet precies wat iemand van de narcoticabrigade zou doen?
    Bendes, echt of ingebeeld, zijn een echo van het verleden, hier in Hollister. Aan het begin van de twintigste eeuw begon de American Motorcyclist Association met de zogeheten Gypsy Tours: motorrijders werden aangespoord om wedstrijden, rally’s, shows en picknicks te organiseren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam dit allemaal stil te liggen, maar naderhand werd het weer nieuw leven ingeblazen. De sfeer was toen echter heel anders. Veel van de jonge mannen die waren teruggekeerd uit Europa en het Stille Zuidzee-gebied waren een psychisch wrak, gedesillusioneerd. Mannen die anders gewoon thuis waren gebleven, op het platteland, of die ergens in de buurt in een fabriek zouden zijn gaan werken, hadden nu de wereld gezien, waren getuige geweest van onbeschrijflijke verschrikkingen, en konden niet meer aarden in het leven van alledag. Motorrijden werd ongekend populair. De rally’s werden steeds groter en het ging er steeds wilder aan toe.
    En zo streek de Gypsy Tour ook neer in Hollister, op 4 juli 1947. Naar verluidt zou het aantal mensen in het plaatsje met een inwoneraantal van 4500, van de ene op de andere dag zijn verdubbeld door de komst van allerlei clubs – de Boozefighters, de Market Street Commandos, de Galloping Goose, de Pissed Off Bastards of Bloomington. De leden van de motorclubs reden door het plaatsje, maakten herrie, dronken bier, gooiden flessen stuk. Kortom, ze zetten het plaatsje op zijn kop. De politie had grote moeite om de mensenmassa’s in bedwang te houden.
    Verhalen over wilde motorrijders groeiden uit tot verhalen over ongeregeldheden en rellen, en zes jaar later speelde Marlon Brando een verwarde en onbegrepen man in een leren jack, die betrokken raakt bij rellen in Hollister. ‘The Wild One’ was de schrik van de brave, gezagsgetrouwe burgers, maar voor de rebellen op hun motor leek het een blauwdruk van het echte leven. Het duurde niet lang of ook de Hells Angels kregen er lucht van en organiseerden jaarlijkse bijeenkomsten, hoewel de plaatselijke bevolking verdeeld was over de vraag of deze klandizie wel zo wenselijk was. Hoe dan ook, in 1997 werd besloten dat het een goed idee zou zijn om de ‘rellen’ van 1947 te gedenken met een groots feest.

    Moderne incarnatie

    De festiviteiten zijn een terugkerend fenomeen geworden, dat slechts eens in de zoveel jaar wordt afgelast wegens gebrek aan belangstelling of te weinig draagvlak onder de bevolking. Debbie Taylor vertelt dat de rally vorig jaar is afgelast, maar voegt er meteen aan toe dat men van plan is de traditie weer op te pakken. ‘Volgend jaar zeker,’ zegt ze. (Uiteindelijk zal dat Debbie Taylors laatste rally worden. Ze neemt ontslag bij de kamer van koophandel en vertrekt uit Hollister. Ook Eli’s Chop Shop sluit de deuren.)
    Als ik bij de kamer van koophandel vandaan kom, slenter ik wat door de stad. Ik kom langs Hazel Street, Hawkins Street en Steinbeck Street, langs de middelbare school waar de leerlingen, voor het merendeel latino, de schooldag er net op hebben zitten en naar huis gaan. Het is alweer wat later op de middag en ik besluit dat het tijd wordt om op zoek te gaan naar de moderne incarnatie van het ziekenhuis. Pas dan dringt het tot me door dat ik de hele dag nog niet één iemand in een Hollister-hoody heb zien lopen. Het is een opmerkelijke omkering: vrijwel overal ter wereld zie je tussen de honderden kinderen die uit een schoolgebouw komen altijd wel iemand met ‘Hollister’ op zijn borst of op zijn petje of op zijn korte broek. Maar hier, waar je zou verwachten dat het woord meer betekenis heeft dan waar ook, zie je het nergens.
    Als ik bij het ziekenhuis kom, gaat net de zon onder, en de klap komt hard aan. Het is een groot en modern gebouw. Overal grote borden met in grote letters de naam Hazel Hawkins. Het nieuwe vrouwengezondheidscentrum is een glimmende aanbouw, met een eigen rotonde en een atrium van twee verdiepingen.
    Er staan tientallen mensen, allemaal keurig gekleed, en ik loop daar in mijn korte broek en een merkloze hoody. Ik ga naar binnen, met Some Recollections onder mijn arm – een plakkertje bij de pagina’s over Hazel en T.S. En dan, terwijl ik tussen de mannen in pak en vrouwen in mantelpakje door loop, voel ik me ineens dat prototypische malle familielid: de slechtgeklede en ongeschoren man die uit het niets opduikt, met onder zijn arm een honderd jaar oud boek waarin hij bepaalde passages heeft gemarkeerd. Alleen dankzij mijn nieuwe kapsel, aangemeten door een man die dacht dat ik bij de narcoticabrigade zit, zie ik er nog enigszins toonbaar en normaal uit.
    Ik zie Debbie Taylor staan. Zij stelt me voor aan een aantal artsen en hoogwaardigheidsbekleders – steevast als een nazaat van Hazel Hawkins. De meesten zegt de naam niets, en ze zijn al helemaal verbaasd wanneer ze horen dat Hazel Hawkins een meisje was dat al heel jong het leven heeft gelaten. Ik vertel ingekorte versies van het verhaal, waarbij ik steeds naar het boek wijs en hoop dat ik niet zo warrig overkom als ik eruitzie.

    Culturele diversiteit

    Verder is het een efficiënte, leuke en vrolijke bijeenkomst. Gloria Torres, hoofd van de kinder- en kraamafdeling, zegt dat dit nieuwe centrum precies is waar de gemeenschap behoefte aan heeft en waar de gemeenschap recht op heeft – ze noemde de vorige kinderafdeling ‘beschamend’. Gordon Machato, voorzitter van het bestuur van het San Benito Health Care District, laat weten dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd door een lokale aannemer, en dat levert een stevig applaus op. Liam McCool, de manager van het project, wordt naar voren geroepen. Machado grapt dat McCool weliswaar een Ier is, maar dat hij toch elke dag op tijd op zijn werk was, zelfs de ochtend na St. Patrick’s Day. McCool zwaait even naar de aanwezigen – een mooie afspiegeling van de culturele diversiteit in het Californië van vandaag de dag. Ik zie wat oudere, blanke afgevaardigden, ik zie tweede en derde generatie latino’s, van wie de ouders gastarbeiders waren en de kinderen wellicht gaan studeren, ik zie verpleegsters en doktoren die vanuit India en China en wie weet waar naar Amerika zijn gekomen.
    Sommige mensen zijn van mening dat de Spaanssprekende bevolking de dienst zou moeten uitmaken in Californië. Andere mensen zijn van mening dat de Engelssprekenden de baas dienen te zijn, en weer anderen zeggen dat we vanuit een historisch besef, of domweg vanuit fatsoen, de oorspronkelijke inwoners van Californië de belangrijkste stem zouden moeten gunnen. Ook zijn er mensen die geen flauw benul hebben van de geschiedenis van de staat, en die het allemaal niets kan schelen.

    Maar Californië is altijd een doorgangsstaat geweest, een staat waar mensen op zoek gaan naar een tweede kans, al dan niet met goede bedoelingen. Al is het dan beneden de maat voor een Hollister-kledingvestiging, dit is het echte Hollister, een plaats met hardwerkende mensen die soms worstelen met het verleden en het heden, maar ondertussen heel doelgericht met de toekomst bezig zijn. Ze bouwen nieuwe ziekenhuizen waar nieuwe Californiërs ter wereld kunnen komen, nieuwe ziekenhuizen die zijn vernoemd naar een jong, blank kolonistenkind over wie velen in totale onwetendheid verkeren.

    Dave Eggers

    Dave Eggers © Paolo Vescia / The New York Times
    Dave Eggers © Paolo Vescia / The New York Times

    Empathie en betrokkenheid

    Dave Eggers is auteur van een hartverscheurend oeuvre van duizelingwekkende genialiteit. Hij is ook de drijvende kracht achter tijdschrift McSweeney’s en schrijversvereniging 826 Valencia. In al zijn werk snijdt Eggers op empathische wijze sociale problemen aan en toont hij betrokkenheid bij de mensen die hij ontmoet.

    360 Magazine publiceerde in editie 57 het verhaal De weg naar Riyad, over een benauwde taxirit door de woestijn van Saoedi-Arabië en de dwaasheid van het begrip nationaliteit.

  • Is New Orleans veilig?

    Is New Orleans veilig?

    Tien jaar na Katrina is de hamvraag of New Orleans bestand is tegen een nieuwe superstorm. De staat Louisiana heeft een masterplan bedacht om de stad te beschermen. Maar dat gaat vele miljarden dollars kosten.

    Deze stad heeft altijd een ander ritme gehad. Totaal anders dan dat van New York. Het schijnt dat iemand ooit een havenarbeider heeft horen zeggen: ‘Red je het niet in The Big Easy, dan red je het nergens’, en die kreet werd gemeengoed, eerst in de zwarte gemeenschap, vervolgens in Newsweek en van daaruit in de rest van het land. Tientallen jaren waren de jonge ambitieuze mannen en vrouwen hier verknocht aan hun stad, maar gingen ze er toch weg, terwijl nieuwkomers een plek voor zichzelf vonden in de bestaande huizen, zich er nestelden en de stad in hun hart sloten.

    De orkaan Katrina, deze maand tien jaar geleden, heeft veel veranderd. De essentie van de stad – zijn ritme en zijn geuren – heeft de storm overleefd, ook al lijkt het er nu meer op Disneyland dan ooit. Maar het is ook een dynamische plek geworden. Na de storm kwamen tienduizenden hierheen om de stad weer op te bouwen; duizenden, vaak jonge mensen, zijn gebleven. Zij kwamen niet om zich in bestaande ruimtes te nestelen: ze kwamen om ruimte voor zichzelf te maken, niet te vinden, om een nieuwe Amerikaanse stad te scheppen.

    Dankzij hun energie, plus 71 miljard dollar overheidsgeld voor Louisiana, waarvan het grootste deel voor de hoofdstad New Orleans, is veel veranderd. Tot verbazing van degenen die de stad kennen is die niet alleen springlevend, maar trekt hij ook jong talent aan. In 2014 had New Orleans volgens zakenblad Forbes het snelst groeiende aantal afgestudeerden van het land, en in 2013 was het de stad waar de meeste werkende Amerikanen naartoe verhuisden. Ook het ondernemersklimaat is hier volgens het blad het beste van het land, onder andere dankzij de jaarlijkse Entrepreneur Week, waar dit jaar tienduizend deelnemers op afkwamen.

    De armoede en criminaliteit zijn gebleven, maar in New Orleans heerst nu ook een klimaat van kansen en mogelijkheden dat tien jaar geleden ondenkbaar was. Er is één vraag over de toekomst die steeds maar blijft hangen: hoe veilig is deze stad?

    © The Historic New Orleans Collection / David G. Spielman
    © The Historic New Orleans Collection / David G. Spielman

    In Nederland zijn steden beschermd tegen een 10.000-jarige storm

    100-jarige storm

    Die vraag gaat niet over criminaliteit, een ernstig, maar oplosbaar probleem. De kwestie is: zal de oceaan de stad verslinden – kan de stad blijven bestaan? Het antwoord daarop is lastig en ook belangrijk voor andere steden, waaronder New York. New Orleans heeft een nieuw systeem dat overstromingen tegen moet gaan. Het systeem dat er vóór Katrina was, faalde als gevolg van fouten van de Army Corps of Engineers [die in de VS de rol speelt van een soort militaire Rijkswaterstaat], maar dit nieuwe systeem moet wél zijn werk doen. Het biedt bescherming tegen een zogenaamde 100-jarige storm, ofwel een storm die eens in de honderd jaar voorkomt – het soort bescherming dat ook New York wil, maar nog niet heeft.

    Maar er zijn drie problemen: die norm van ‘eens in de honderd jaar’ zelf, de geologie en zeespiegelstijging, en de politiek. De eerste twee kunnen opgelost worden, het derde zou wel eens ongeneeslijk kunnen zijn. Bescherming tegen een storm die eens in de honderd jaar voorkomt klinkt veilig, maar is het niet. Het betekent dat de stad beschermd is tegen een storm waarvan de kans dat hij in een bepaald jaar toeslaat 1 procent is; de kans dat de gemiddelde inwoner tijdens zijn leven minstens één storm zal meemaken die even krachtig is als de norm, of krachtiger, is echter meer dan 50 procent. De 100-jarige norm is in 1973 vastgelegd in het National Flood Insurance Program en diende oorspronkelijk alleen voor verzekeringsdoeleinden. Hij is nooit bedoeld geweest als veiligheidsnorm.

    Vóór 1973 legde het Army Corps of Engineers stormvloedkeringen aan die de stad moesten vrijwaren van de ergste overstroming die zou kunnen optreden. Dat was de norm in de jaren dertig, toen na een overstroming van de rivier de Mississippi in 1927 – die rampzaliger was dan Katrina – dijken en afvoerkanalen werden aangelegd langs de benedenloop van de rivier. Dat was maar goed ook, want in 1937, 1973 en 2011 kwam het water bij de benedenloop van de Mississippi ook hoger dan het 100-jarige record, maar richtte het weinig schade aan, dankzij de dijken en afvoerkanalen. Daarentegen zijn delen van het land met dijken van vóór de 100-jarige norm herhaaldelijk overstroomd. Voor New Orleans, dat altijd afhankelijk is geweest van de goede wil van vreemden, is het dom om zichzelf op de borst te kloppen over die 100-jarige bescherming; voor het rijke New York is het idioot om naar die 100-jarige norm te streven. Toen Katrina aan land kwam, werd het water opgestuwd tot de hoogte van een 400-jarige storm; Sandy had op sommige plekken de kracht van een 200- tot 500-jarige storm.

    In Nederland zijn steden beschermd tegen een 10.000-jarige storm; dat is financieel onhaalbaar aan de Golf van Mexico en aan de oostkust, die met veel zwaardere stormen te maken krijgen dan de Nederlanders. Maar de norm moet hoger zijn dan die honderd jaar; vijfhonderd jaar zou het minimum moeten zijn. Dat is zeker bereikbaar in New York, gezien de draagkracht van die stad. Is het ook haalbaar in New Orleans?

    Nieuw Atlantis

    Om die vraag te beantwoorden moeten we ons realiseren dat de hele kust van Louisiana gevormd is door sedimentafzettingen die zijn aangevoerd door de rivier de Mississippi. Het sediment sloeg neer op het moment dat de rivier de oceaan bereikte, vormde eerst zandbanken, en daarna, toen daar planten op gingen groeien, stevig land – 20.000 vierkante kilometer land dat zich uitstrekt tot aan Texas in het westen. Mensen hebben in dit natuurlijke proces ingegrepen en sinds 1932 is zo’n 5000 vierkante kilometer – een gebied zo groot als Delaware – van de kust van Louisiana verdwenen. Dat land vormde ooit een buffer tegen stormvloeden.

    Het landverlies gaat voort in zo’n tempo dat een gebied ter grootte van Manhattan in achttien maanden verdwenen kan zijn. Wordt er de komende vijftien jaar niets aan gedaan, dan verdwijnt nog eens 700 tot 1300 vierkante kilometer van Louisiana – en gaat het verlies verder tot New Orleans een Nieuw Atlantis wordt, met muren van dijken die de zee tegenhouden.

    Toch heeft New Orleans wel een kans om te overleven, om twee redenen. Om te beginnen heeft de stad het concept van ‘leven met water’ omarmd – al is er weinig gedaan om dat ook werkelijk door te voeren – bijvoorbeeld door huizen op palen te bouwen. Ten tweede, en dat is veel belangrijker, zouden dezelfde natuurkrachten die de kust hebben gevormd, ook dienst kunnen doen om de kust die er nog is te bewaren, zodat de kuststreken van Louisiana een kans krijgen op een duurzame toekomst. Wat verdwenen is kan niet meer worden hersteld, en er zal nog steeds land verdwijnen, maar zelfs met de komende zeespiegelstijging kan, als er genoeg sediment en zoet water wordt aangevoerd, op strategische plekken nieuw land worden gevormd om de bevolking te beschermen.

    De werkelijke kosten van het masterplan zullen meer dan 100 miljard dollar bedragen

    Het is nu zelfs zo dat het dijkensysteem van New Orleans de stad waarschijnlijk zal beschermen tegen een eens in de vijfhonderd jaar voorkomend ‘stil hoogwater’, ofwel een stijging van het water zonder golven. Golven verspreiden zich over land, dus het opnieuw opbouwen van een landbuffer kan de veiligheid van de stad aanzienlijk vergroten. De Mississippi geeft New Orleans en Louisiana dus een kans, en duidelijk een veel betere dan bijvoorbeeld Miami, Tampa of Houston hebben, die geen beroep op de Mississippi kunnen doen.

    Masterplan

    Zal dit gebeuren? De staat heeft er een ‘masterplan’ voor ontwikkeld. Het grootste technische probleem is het sediment, dat met 50 procent is afgenomen, waardoor de technici minder hebben om mee te werken dan vroeger. De staat hoopt het sediment te verspreiden via pijpleidingen of ‘omleidingen’: openingen in dijken om natuurlijke stromen na te bootsen. Maar hoe lastig de techniek ook is, de politiek is nog lastiger. De meeste deskundigen zien het omleiden van het water als de enige mogelijkheid om op de lange termijn land te laten aangroeien. Nu al zijn oesterkwekers daar echter een campagne tegen gestart, omdat oesterbedden er volgens hen door vernietigd worden terwijl er geen land zal worden opgebouwd, en maakt de scheepvaartsector zich zorgen om veranderingen in het vaargebied.

    En het gevecht om de omleidingen is nog maar het begin. De strijd zal pas echt losbarsten wanneer mensen buiten de beschermde gebieden beseffen dat hun gemeenschap zal verdwijnen, of als de staat het voorstel aanneemt – waarvan veel deskundigen voorstander zijn – om een nieuwe riviermonding te creëren, waardoor een deel van de staat wordt afgesneden. Nu al zijn er in een regio felle protestacties gaande, omdat het voorstel kan betekenen dat mensen moeten verhuizen uit gebieden met ‘zware, herhaaldelijke overstromingen’. Dan is er natuurlijk nog de kwestie van het geld.

    Officieel zal het masterplan voor de hele staat 50 miljard dollar kosten. Ongeveer een vijfde daarvan is bestemd voor de 500-jarige bescherming van New Orleans. Maar volgens een onderzoek van de Yulane University zullen de werkelijke kosten van het masterplan meer dan 100 miljard dollar bedragen. En zelfs die begrote 50 miljard kan de stad al bij lange na niet opbrengen.

    Oliemaatschappijen

    De politieke realiteit is dat de belastingbetalers van het land heus niet tientallen miljarden dollars naar Louisiana zullen sturen, zeker niet zolang de politici van Louisiana zelf geen maatregelen nemen tegen een andere belangrijke oorzaak van het verlies aan land.

    Olie-, gas- en pijpleidingmaatschappijen hebben naar schatting 15.000 kilometer aan kanalen door het kustgebied gegraven. Het zoute water dat daardoor het land in kon stromen, was dodelijk voor planten, en zonder de wortels daarvan kalfde het land af. Bovendien hebben bedrijven zo veel stoffen uit de grond gehaald dat het oppervlak is verzakt. Toch gaat niemand serieus de discussie aan over de rol van het bedrijfsleven in het landverlies. Zelfs een onderzoek dat werd gefinancierd door de Louisiana Mid-Continent Oil and Gas Association, de brancheorganisatie van grote oliemaatschappijen, kwam tot de conclusie dat activiteiten van het bedrijfsleven ‘de grootste oorzaak’ waren voor landverlies in gebieden waar dat verlies het ernstigst was. Volgens een onderzoek van de staat Louisiana komt 76 procent van het landverlies in diezelfde gebieden voor rekening van energiebedrijven. Een onderzoek onder leiding van de Amerikaanse geologische dienst, waaraan ook wetenschappers uit de bedrijfstak meededen, schreef 36 procent van het verlies over een groter stuk van de kust toe aan het bedrijfsleven.

    Een herdenkingsbijeenkomst voor de orkaan Katrina in New Orleans. - © Lee Celano / Reuters
    Een herdenkingsbijeenkomst voor de orkaan Katrina in New Orleans. – © Lee Celano / Reuters

    Dijkraad

    Voor de meeste activiteiten van het bedrijfsleven waren vergunningen afgegeven, en daarin stond steeds specifieker de vraag om de schade zo veel mogelijk te beperken. In 1980 eiste de staat expliciet dat aangetast gebied ‘in zijn oude staat hersteld’ zou worden. Bedrijven hebben daar maar heel zelden aan voldaan. Een voorbeeld: in 1982 kreeg een bedrijf een vergunning van de staat, met daarin de eis om een kanaal ‘binnen negentig dagen af te sluiten; achttien jaar later had het bedrijf er echter niets aan gedaan en betaalden de belastingbetalers 5 miljoen dollar voor de afsluiting.

    Sindsdien zijn nog tientallen miljoenen dollars aan belastinggeld uitgegeven aan het herstellen van dit soort schade waarbij het bedrijfsleven in gebreke is gebleven. Als olie-, gas- en pijpleidingmaatschappijen het geld zouden bijdragen dat nodig is om gebieden in hun oude staat te herstellen, zou daarmee een groot deel van het masterplan kunnen worden gefinancierd – misschien wel het hele plan.


    Maar olie heeft lang de boventoon gevoerd in de politiek van Louisiana. De staat en de federale overheid hebben geen eisen gesteld aan het bedrijfsleven. Dat deed de Southeast Louisiana Flood Protection Authority East twee jaar geleden wel. Deze dijkraad, die na Katrina door hervormers werd ingesteld, en die verantwoordelijk is voor het grootste deel van de regio New Orleans, daagde 97 bedrijven voor de rechter wegens het doen toenemen van stormvloeden.

    Een van de leden van deze raad is voorzitter van een panel van de National Academy of Science over het verkleinen van risico’s aan de kust, en was daarvoor voorzitter van de American Society of Civil Engineers, waarin waterbouwkundigen en overstromingsexperts samenwerken. (Ik heb zelf zes jaar in de raad gezeten.) De raad hoopte met deze rechtszaak te bewerkstelligen dat in de hele staat regelingen konden worden getroffen ter financiering van het masterplan, hetzij via aanvullende gerechtelijke uitspraken, hetzij via belasting op het bedrijfsleven.

    Twee buurgemeenten van New Orleans spanden inderdaad een proces aan, maar de burgemeester van de stad, Mitchell J. Landrieu, heeft dat niet gedaan, ook al heeft hij ooit gezegd dat de industrie ‘haar eigen rotzooi moest opruimen’ en zou hij met het winnen van zo’n zaak de ‘leven met water’-benadering kunnen financieren. Ondertussen reageerde het grootste deel van de gevestigde politici en ondernemers met verbijstering en woede. De Republikeinse gouverneur, Bobby Jindal, probeerde de raad de nek om te draaien, bijvoorbeeld door een nationaal erkend overstromings-expert, die hoofdingenieur was bij de aanleg van 2300 kilometer aan federale dijken in Californië, te vervangen door een lobbyist die de financiële man is van de stichting van Jindals vrouw.

    Het parlement van de staat stelde oliemaatschappijen zelfs boven de wet en nam wetgeving aan die de rechtszaak van de raad met terugwerkende kracht onmogelijk maakte (die wetgeving is door een gerechtshof ongrondwettelijk verklaard). De voorstemmers hadden maar een krappe meerderheid, dus zei Chris John, hoofd van de organisatie van oliemaatschappijen, waarvan het eigen onderzoek zijn leden schuldig had verklaard aan het landverlies, dat hij ‘deze keer meer geld dan ooit zou besteden’ aan de staatsparlementsverkiezingen in 2015.

    300-jarig bestaan

    Wat betekent dit allemaal voor New Orleans? Op dit moment is de situatie beter dan vóór Katrina, maar echt veilig is de stad nauwelijks, en het gevaar wordt met de dag groter. Toch kan de veiligheid wel verbeterd worden, zelfs nu we geconfronteerd worden met een stijgende zeespiegel. De staat heeft het geld om zelf een programma te starten, ook al heeft het bij lange na niet genoeg om het noodzakelijke werk voort te zetten, laat staan af te maken, als de BP-regeling [de schadevergoeding die BP moet betalen voor de olievervuiling na de ramp met de Deep Horizon in de Golf van Mexico, in 2010] eenmaal opgebruikt is. Er is een ongelukkig precedent. Na orkaan Betsy in 1965 begon de federale overheid met de aanleg van de orkaanbescherming van de stad. In 2005, toen Katrina toesloeg, waren die waterwerken nog niet voltooid.

    Op de tiende verjaardag van Katrina zullen er veel felicitaties zijn voor alles wat de stad heeft bereikt. Burgemeester Landrieu heeft verklaard dat de herbouw klaar is, en wil nu van New Orleans een internationaal pronkstuk gaan maken voor het 300-jarige bestaan van de stad in 2018. Als de stad en de staat zich concentreren op de enige echt ernstige bedreiging waarvoor ze staan, kan New Orleans een duurzame toekomst tegemoet gaan. Maar als ze hun aandacht verspreiden, als de politiek daadwerkelijke maatregelen tegenhoudt, is dat 300-jarige bestaan hoogstwaarschijnlijk het laatste eeuwfeest dat de stad zal vieren.

    Zoals T.S. Eliot schreef, wordt de kracht van water ‘vaak vergeten / door de bewoners van steden – maar hij is onverbiddelijk / kent zijn seizoenen en zijn woedes, vernietiger, die herinnert aan / wat de mens wil vergeten. Niet geëerd, niet verzoend /… maar hij wacht, kijkt toe en wacht.’

    John M. Barry

    John M. Barry (1947) is een Amerikaanse auteur en historicus. Hij schreef voor zo’n beetje alle grote Amerikaanse bladen en publiceerde verschillende boeken over natuurrampen uit de geschiedenis van de Verenigde Staten.

  • Weer bij stem

    Weer bij stem

    De muziekscene van New Orleans heeft zich de afgelopen jaren knap hersteld. Dankzij de terugkeer van uitgeweken muzikanten én de instroom van nieuw talent is ze volgens lokale legende Branford Marsalis zelfs dynamischer dan ooit.

    Het is een prachtige ochtend in New Orleans, en ik zit op een bankje in het hart van de Musicians’ Village. De straten zijn leeg, op een enkele auto na die langzaam rondjes rijdt door de buurt, als in een film. Als de auto voor de derde keer langskomt, stapt de chauffeur uit en loopt naar me toe. ‘Neemt u mij niet kwalijk,’ zegt hij. ‘Ik ben op zoek naar het eerste huis dat ze hier na Katrina hebben gebouwd.’

    De Musicians’ Village, in de Upper Ninth Ward van de stad – een van de gebieden die het ergst is getroffen door de orkaan Katrina – is een gemeenschap van 72 betaalbare huizen voor muzikanten die door de storm hun huis zijn kwijtgeraakt (of daarvóór in slechte huizen hebben gewoond) en na de storm ontheemd zijn gebleven. De wijk werd gebouwd door duizenden vrijwilligers, onder wie de man die voor mij staat. Ik kan hem niet helpen bij zijn speurtocht, maar hij is vastbesloten het huis te vinden.

    ‘Ik wil gewoon even kijken,’ zegt hij. Zijn stem trilt nu van emotie en trots. ‘Ik ben hier na Katrina als vrijwilliger gekomen en heb geholpen dat huis te bouwen. Ik was niet van plan te blijven, maar ben van de stad gaan houden en heb hier sindsdien gewoond.’

    Dit voelt pas echt als een film – een perfect geformuleerde zin waaruit niet alleen blijkt hoe de stad is herbouwd, maar waaruit ook de liefde naar voren komt die deze stad oproept, en de reden waarom – tien jaar na Katrina – tienduizenden mensen hierheen zijn verhuisd en trots zijn om New Orleans hun thuis te mogen noemen. De Musicians’ Village werd een week na Katrina bedacht door de in New Orleans opgegroeide musici Harry Connick Jr. en Branford Marsalis, toen ze vanuit de stad naar Houston reden voor een benefietconcert. ‘Het idee was om muzikanten te helpen die onze carrière mogelijk hebben gemaakt,’ zegt Marsalis. ‘Als zij er niet waren geweest, zouden wij niet zijn wie we zijn en zou de stad niet zijn wat hij is. Het was een manier om dank je wel te zeggen tegen de mensen die vertegenwoordigen wat New Orleans zo bijzonder maakt.’

    Saxofonist Branford Marsalis (m) met Brass Band bij een herdenkingsoptocht voor 
de orkaan Katrina. 
© Lee Celano / Reuters
    Saxofonist Branford Marsalis (m) met Brass Band bij een herdenkingsoptocht voor 
de orkaan Katrina. 
© Lee Celano / Reuters

    Als de muzikanten niet waren teruggekeerd, was dat een ramp geweest voor het toerisme

    Muzikaal erfgoed

    Muziek is zó belangrijk voor de cultuur van New Orleans, dat sommigen hebben gesteld dat het een ramp zou zijn geweest voor het toerisme als de muzikanten niet waren teruggekeerd – een reële angst, onmiddellijk na zo’n ramp – en de stad zijn muzikale erfgoed zou zijn kwijtgeraakt, omdat bezoekers zich de stad eenvoudigweg niet kunnen voorstellen zonder muziek. Marsalis is het hier tot op zekere hoogte mee eens, maar zegt: ‘Ik wist dat de muzikanten terug zouden komen, omdat ze nergens anders heen konden. Ik kan me niet voorstellen dat de Olympia Brass Band voorgoed in Phoenix zou zijn gebleven. Je zult in Phoenix nooit een school tegenkomen die zegt: “Ons basketbalteam is kampioen geworden! Laten we een fanfare uitnodigen en een straatoptocht organiseren!” Dat gebeurt in New Orleans, maar nergens anders. New Orleans is anders dan welke Amerikaanse stad ook.’

    In het hart van de Musicians’ Village staat het Ellis Marsalis Center for Music, vernoemd naar de vader van Branford (en zijn broer Wynton), de patriarch van de beroemdste muzikale familie van de stad. Het voornaamste doel is de tradities van deze unieke muzikale stad in leven te houden door middel van onderwijs en ontwikkeling in de lokale gemeenschap. Er is ook een opnamestudio die door plaatselijke musici kan worden gebruikt (om aan inkomsten te komen), en een indrukwekkende concertzaal waar kaartjes voor een doorsneeconcert op de dinsdagavond slechts 3 dollar kosten. Als ik het centrum verlaat, vraag ik aan een van de muziekdocenten of het project uit publieke middelen wordt gefinancierd.


    ‘Nee!’ roept ze. ‘En dat is de reden dat het werkt!’

    Jazz Market

    Ik denk niet dat ze een sneer wilde uitdelen aan mijn volgende tussenstop, de nieuwe New Orleans Jazz Market, maar als dat wel het geval is, was het een schot in de roos. Het gebouw is het nieuwe onderkomen van het New Orleans Jazz Orchestra, onder leiding van trompettist Irvin Mayfield, die ook de oprichter en uitvoerend directeur is. Het werd in april geopend, in de wijk Central City, maar een maand later was het al verwikkeld in een corruptieschandaal rond Mayfield – een veelvoudig winnaar van Grammy Awards en een van de poster boys van de stad – en zijn zakenpartner. Bedacht door Mayfield als ‘een monument voor de grootste prestatie die New Orleans ooit heeft geleverd: de schepping van de jazz’, is het een zeer ambitieus en indrukwekkend project.

    Er is een mooie open bar, vernoemd naar jazzpionier Buddy Bolden, aan de muren hangen 25 iconische, onmiddellijk herkenbare originele zwart-witfoto’s van de beroemde Herman Leonard, en er is een concertzaal met 440 stoelen, een van de weinige ter wereld die qua akoestiek zijn afgestemd op een jazzorkest en niet op een symfonieorkest – en er is zelfs een bar en een kleine dansvloer achter in de zaal. Toch zijn er op de donderdagavond dat ik de grote bar bezoek slechts vijf anderen die naar de pianist luisteren.

    Komt dat door het zich nog steeds voortslepende schandaal, of staat het gebouw alleen maar in het verkeerde deel van de stad? Alle slechte publiciteit heeft zeker niet geholpen, en het zou een tragedie zijn als dit toekomstgerichte project, dat bovendien de arme maar historisch belangrijke buurt weer op gang zou moeten helpen, een mislukt prestigeproject zou worden, met een zweem van ouderwetse zuidelijke corruptie – precies datgene waar de stad berucht om was, maar waar men na Katrina van af probeerde te komen. En zelfs al is de Jazz Market op dit moment the talk of the town, dat kan zo weer voorbij zijn in een stad waar de muziek vrijwel overal waar je rondloopt zo verdomd goed is, of, zoals Branford Marsalis het fraai uitdrukt: ‘een mate van opwinding teweegbrengt die je nergens anders zult voelen, en een hoeveelheid energie voortbrengt die een dj eenvoudigweg niet voor elkaar zal krijgen.’

    Het is allemaal zo droomachtig dat ik het gevoel heb dat ik in een film zit

    Frenchman Street

    De grootste concentratie muziekclubs bevindt zich in Frenchman Street, net buiten het French Quarter, een uitgaansstraat die door de stad is gepromoot en sinds Katrina in de lift zit. Als je zorgvuldig kiest, kun je er iedere avond naar blues, funk en jazz van wereldklasse luisteren in clubs als Cafe Negril, DBA, The Spotted Cat en de Blue Nile, en dat allemaal zonder te betalen. De clubeigenaren hebben Katrina aangegrepen om te versoberen en er is, net als in andere sectoren, sprake geweest van een instroom van nieuwelingen. Net als muziekliefhebbers zien jonge muzikanten New Orleans als een heilige graal, en velen zijn blij als ze hier voor een fooi mogen spelen – wat betekent dat de oudere lokale muzikanten, die altijd de fakkel hebben gedragen, minder betaald krijgen.

    Een van de favoriete clubs van Branford Marsalis is Snug Harbor, de oudste club in Frenchman Street en de eerste die na Katrina weer openging. Het is bovendien een van de twee clubs die nog steeds entree heffen. Het is een heerlijk intiem zaaltje met een uitmuntende geluidskwaliteit, waar mensen niet komen om feest te vieren maar om naar de beste jazzmusici van de stad te luisteren, waaronder de vader en broers van Branford. De grote angst is dat Frenchman Street zal verworden tot een tweede Bourbon Street, de met alcohol doordrenkte, Disneylandachtige Mardi Gras-straat van New Orleans.

    Als je zorgvuldig kiest, kun je er iedere avond naar blues, funk en jazz van wereldklasse luisteren

    De eigenaar van Snug Harbor, Jason Patterson, zegt: ‘Frenchman Street is ten dode opgeschreven als ze er een voetgangersgebied van maken, zoals met Bourbon Street, waar iedereen alleen maar op straat staat te drinken en niet meer de clubs binnen gaat om naar de muziek te luisteren.’ Maar al is de roem van Frenchman Street tanende, er is hier zo veel geweldige muziek dat die beslist elders haar toevlucht zal zoeken… zelfs als dat gewoon op straat is.

    De Musicians Village: betaalbare huizen voor muzikanten die door 
de storm hun huis waren kwijtgeraakt.  
© Mario Tama
    De Musicians Village: betaalbare huizen voor muzikanten die door 
de storm hun huis waren kwijtgeraakt. 
© Mario Tama

    Straatmuzikant

    Op mijn laatste avond, als ik in de kleine uurtjes door het French Quarter loop, sta ik plotseling stokstijf stil als ik het spookachtige, prachtige geluid hoor van een eenzame straatmuzikant die op zijn metalen Resonator-gitaar tokkelt. Het is onmogelijk om zijn muziek in een hokje te plaatsen, maar deze is zo rijk dat de zwoele lucht erdoor gevuld wordt alsof er een orkest aan het spelen is.

    Een stelletje is aan het dansen en zweeft over het plaveisel, een man ligt op straat te genieten van de muziek, terwijl een ander net als ik tot tranen toe geroerd is. Een mooie jonge zangeres vraagt of ze een paar bekende liedjes mee mag zingen. De naam van de gitarist is Chris Christy, een verlegen autodidact uit Los Angeles. Als je geluk hebt, tref je hem ’s avonds laat aan in Decatur Street. Het is allemaal zo droomachtig dat ik, niet voor het eerst deze week, het gevoel heb dat ik in een film zit – een film die alleen maar in New Orleans gemaakt zou kunnen worden. De stad is sinds Katrina in rap tempo veranderd – en in positieve zin, volgens vrijwel iedereen die ik ben tegengekomen. Maar tegen welke prijs?

    Welkome toevoeging

    Hoewel de meeste muzikanten zijn teruggekeerd, zijn vele duizenden van hun buren uit de oude zwarte gemeenschappen, waar de muziek zich ontwikkelde, in andere Amerikaanse steden achtergebleven. Velen zijn uitgeweken naar het conservatieve Texas, dat in cultureel opzicht het tegenovergestelde is van het losse en liberale New Orleans, maar betere scholen en hogere lonen biedt. Dat, in combinatie met de grote instroom van mensen van buiten, heeft geleid tot de angst dat het erfgoed van de stad zal verloren zal gaan.

    Noch Christy, noch Grace – de jonge zangeres die, enigszins onvermijdelijk, hiernaartoe is gekomen om een band te vormen en een plaat op te nemen – komt uit New Orleans. Maar zou de instroom van talent niet gewoon een welkome toevoeging aan de muzikale gumbo kunnen zijn?

    Branford Marsalis denkt van wel: ‘Er zijn hier allerlei soorten mensen, en dat is niet slecht. De jazzscene is nu veel dynamischer dan toen ik jong was. Ze nemen allemaal hun eigen ding mee en mengen dat met de traditionele muziek van New Orleans.’ Laten we hopen dat hij gelijk heeft. Want ik kan me niet voorstellen dat de magische taferelen uit deze stad ook maar ergens anders zouden kunnen plaatsvinden.

    Gavin McOwan

    Gavin McOwan schrijft voor _ The Guardian_ als o.a. reisredacteur.

  • Vermeer in Manhattan

    Vermeer in Manhattan

    Johannes Vermeer inspireerde de Amerikaanse dichter Michael White niet alleen tot poëzie en proza, maar bracht hem ook weer bij zinnen na een destructieve scheiding.

    Keuze uit het archief

    Afgelopen week maakte het Mauritshuis in Den Haag bekend dat het zich afvraagt of het nog schilderijen aan de Verenigde Staten wil uitlenen. Vanwege de bezuinigingen die de regering-Trump doorvoert in de kunstsector en Trumps kritiek op het narratief dat sommige kunstmusea verspreiden, is directeur Martine Gosselink bang dat ze de schilderijen die ze uitleent niet zo snel terug zal krijgen.
    Het zou erg jammer zijn als de Hollandse meesters niet meer in musea in de VS te zien zijn. De Amerikaanse dichter Michael White kan daarover meepraten. In dit artikel van The Paris Review uit 2015 vertelt hij wat de schilderijen van Johannes Vermeer voor hem betekenen.

    ‘Stel je voor dat je alles kwijtraakt wat voor jou werkelijk van belang is, en daarna heb je een droom, en in die droom kom je erachter dat je het niet echt bent kwijtgeraakt, omdat het je niet afgenomen kan worden. Dat gevoel geeft Vermeer me.’

    De dichter Michael White probeerde me uit te leggen hoe hij geobsedeerd was geraakt door Johannes Vermeer – met zijn psychologisch geladen interieurs en mysterieuze vrouwelijke figuren. Michaels fascinatie ontstond door een toevallige ontmoeting met het werk van de kunstenaar in Amsterdam, waar hij naartoe was gegaan om bij te komen van een scheiding die zo destructief was dat hij er totaal gedeprimeerd van was geraakt en die hem het gevoel had gegeven dat hij de rest van zijn leven alleen zou blijven.

    Hoewel ik met hem samenwerkte aan een universiteit in North Carolina, kende ik hem in die tijd niet goed genoeg om de emotionele ellende die hij doormaakte te begrijpen. Ik wist ook niet dat zijn ervaring in het Rijksmuseum met Vermeers onnadrukkelijk dubbelzinnige beelden hem ertoe had gebracht de hele wereld over te reizen om alle schilderijen van de meester te zien.

    Dat werd me allemaal pas duidelijk toen ik zijn nieuwe boek Travels in Vermeer: A Memoir las, dat deels een reisverslag is en deels bestaat uit overpeinzingen over de betekenis van kunst. Het lezen van Travels in Vermeer maakte Vermeers schilderijen in emotioneel opzicht voor mij zo levensecht, dat ik het gevoel had dat ik ze kende toen ik het boek uit had – alsof ze personages waren in een prachtige roman over verloren liefde, verlangen en genezing. Ik denk bijvoorbeeld aan de eerste keer dat Michael Het meisje met de parel ziet: ‘Ik voel een briesje, een rilling over mijn rug als ik binnenkom, en daarom draai ik me om… Ik kijk over mijn linker-schouder naar haar. Zij staart me rechtstreeks aan over haar eigen linker-schouder. Ze is, als een schilderij dat kan zijn, een adembenemende ontmoeting.

    Dat iemand, alleen met wat verf, iets kon maken dat zo lichtgevend en zo prachtig was

    Johannes Vermeer, Slapend meisje
    Johannes Vermeer, Slapend meisje

    Rondleiding

    ‘Liefde: hoe kan ik dat gevoel zijn vergeten? De ogenblikkelijke, gepassioneerde blik die me begrijpt en waarin beschuldiging noch vergiffenis ligt. De lieftallige genegenheid in haar lichtbruine iris, de verrukkelijke erotiek van haar lippen, haar mond.’


    Het probleem was dat ik nog nooit een Vermeer in het echt had gezien. Michael was bereid me rond te leiden langs de schilderijen die in New York hangen. Er zijn er acht: drie in de Frick Collection en vijf in het Metropolitan Museum of Art. We gingen ze allemaal bekijken. We begonnen in de Frick Gallery met De soldaat en het lachende meisje, waarop een militair in uniform en een jonge vrouw aan een kleine tafel in de hoek van een kamer bij een raam zitten. Michael legde uit dat dit waarschijnlijk bedoeld was als een tafereel in een bordeel, een genre dat populair was in de tijd van Vermeer. Hij wees op de uitgestrekte hand van de vrouw die op tafel rust, open alsof ze op betaling wacht. En toch past het schilderij niet echt in die context. De vrouw draagt een keurige, witte, linnen muts die haar haren bedekt, en haar gezicht gloeit duidelijk op in het flauwe, indirecte licht dat door het raam valt. Haar ogen zijn op de soldaat gericht en haar uitdrukking is kalm maar intens gelukkig.


    ‘Kijk haar toch,’ zei Michael. ‘Ze is verliefd.’ De soldaat is evenmin de vrolijke pierewaaier die je op een typisch schunnig schilderij zou verwachten. Hij neemt de voorgrond in beslag, zit met zijn rug naar de kijker toe en streelt met één hand over zijn kin – ingetogen en niet op zijn gemak. Hij lijkt het meisje in te schatten, of misschien schat hij zijn eigen plannen met haar in. ‘Het is bijna alsof hij een vervanger voor de kunstenaar is,’ zei Michael. ‘De kunstenaar die twijfelt aan zijn recht om de vrouw te schilderen.’ Een beeld van een bordeel dat weigert een beeld van een bordeel te zijn, emoties die niet voldoen aan de verwachtingen die we ervan hebben, die zich vermengen en ronddwarrelen – allemaal doortrokken van het meest verfijnde, donker opgloeiende licht: dit was de Vermeer die ik me herinnerde uit Michaels boek, maar dan met de vreemde kracht van een beeld dat voor je aan de muur hangt. Toen ik voor De soldaat en het lachende meisje stond, leek het me onmogelijk dat iemand, alleen met wat verf, iets kon maken dat zo lichtgevend en zo prachtig was.

    Het schilderij als een vraag gehuld in rust 
en stilte

    We liepen naar het volgende schilderij, Onderbreking van de muziek. De vrouwelijke figuur zit aan een tafel waarop een citer ligt, een luitachtig instrument. Er staat een man naast haar, met één hand op de rugleuning van haar stoel, zijn blik gericht op een brief in haar hand. Ze is met haar aandacht niet meer bij de muziek: ze kijkt de toeschouwer direct aan met een heel dubbelzinnige uitdrukking op haar gezicht waarin een of andere vorm van emotionele herkenning ligt. ‘Ze lijkt precies te begrijpen wie ik ben,’ zei Michael. ‘Maar wie is dat? Wat ben ik voor haar? Een vriend? Een minnaar? Een vertrouweling? Soms denk ik dat ik er bijna achter ben, maar nooit helemaal.’


    We verlieten de Frick en liepen over Fifth Avenue naar het Metropolitan Museum of Art, waar we alle vijf de Vermeers die er hangen bekeken. Het schilderij dat indruk op me maakte, was Slapend meisje, waarop een rijk gekleed meisje alleen aan een tafel zit met een glas wijn. Haar ogen zijn dicht, ze laat haar hoofd op haar hand rusten. Meteen achter haar leidt een halfopen deur naar een lege binnen-kamer die op een of andere manier iets raadselachtigs heeft, een gevoel dat wordt versterkt door de sleutel die in het slot steekt. ‘Er waren een man en een hond in de kamer,’ zei Michael. ‘Die heeft hij weggeschilderd.’ Die afwezigheid weergalmt en vult het schilderij, dat aanvoelt als een vraag gehuld in rust en stilte, een moment van het leven dat perfect is waargenomen, maar zich verzet tegen interpretatie. Is ze werkelijk dronken, zoals het tafereeltje suggereert? Slaapt ze wel echt? En zo ja, waarom liggen haar vingers dan zo perfect, actief gebogen op het tafelblad?


    ‘Ze zou wakker kunnen zijn,’ opperde ik. ‘Maar neerslachtig.’ ‘Of ze zou net kunnen doen of ze slaapt,’ zei Michael – misschien voor de man die niet meer bestond op het schilderij. Of voor de kijker. ‘Vermeers werk bevat allemaal fascinerende verhaallijnen, maar het blijven altijd slechts lijnen.’

    Johannes Vermeer, De soldaat en het lachende meisje
    Johannes Vermeer, De soldaat en het lachende meisje

    Cupido

    De manier waarop Vermeer een verhaal tegelijkertijd suggereerde en ondergroef, was een van de bronnen van psychische geladenheid in zijn werk. Voor Michael gingen die verhalen telkens over romantisch verlies en hernieuwde hoop. Terwijl ik zwijgend naast hem stond, herinnerde ik me een passage uit Travels in Vermeer over de eerste 
keer dat hij in Amsterdam voor een Vermeer stond: ‘Plotseling begrijp ik het: Vermeers verstomde helderheid richt zich tot mij, is voor mij terwijl ik hier sta.

    Wat ik heb doorgemaakt, waar ik in mijn scheiding mee te maken heb gekregen, is absoluut verlies. Ik dacht dat ik daar alles van afwist toen mijn eerste vrouw Jackie aan kanker was gestorven – maar deze keer had ik het vertrouwen verloren. Het is niet alleen dat ik niet geloof in liefde; ik weet niet eens zeker of ik wel ergens in geloof. Maar nu ik naar deze schitterende 
doeken kijk – onbereikbaar maar toch vertrouwd – komt het weer in me op… Het is alsof die voorstellingen er zijn om me bij zinnen te brengen door me teruggehaalde beelden uit een vroeger leven te laten zien.’

    We bleven nog een poosje staan en daarna wees Michael naar de linkerbovenhoek van het doek, waar achter de vrouw een schilderij hangt. Alleen de onderkant ervan is zichtbaar, en we zien slechts het blote voetje van een kind. ‘We weten dat het schilderij aan de muur Vermeers eigendom was. Het verschijnt op nog twee doeken van hem, één halverwege zijn carrière en één aan het einde. Het is een voorstelling van Cupido, hoewel we hier alleen zijn voet zien. Het zal nog vijftien jaar duren voor we eindelijk de hele Cupido te zien krijgen, op Staande virginaalspeelster. Mijn gevoel daarbij is: ja, hij is er altijd geweest, de hele tijd, zich voorbereidend op zijn verschijning. De kracht van de liefde is altijd aanwezig, hoewel het een heel leven kan kosten om die in zijn geheel te zien.’

    Robert Anthony Siegel schreef twee romans, All the Money in the World en All Will Be Revealed. Zijn korte verhalen en essays zijn verschenen in onder meer The New York Times, de Los Angeles Times, Tin House en de Oxford American.
    Robert Anthony Siegel schreef twee romans, All the Money in the World en All Will Be Revealed. Zijn korte verhalen en essays zijn verschenen in onder meer The New York Times, de Los Angeles Times, Tin House en de Oxford American.

  • Zwart New Orleans heeft niet zo veel te juichen

    Zwart New Orleans heeft niet zo veel te juichen

    Onder de zwarte bevolking van New Orleans leeft veel wrok over de reactie van de autoriteiten op Katrina en de veranderingen die de stad sindsdien heeft ondergaan. Kunstenaars vertolken deze gevoelens van onvrede, en proberen de lokale tradities in ere te houden.

    New Orleans is een stad die onuitwisbaar getekend is door blanke suprematie. Reusachtige monumenten gewijd aan ‘helden’ van de Geconfedereerden, zoals Robert E. Lee, Jefferson Davis en P.G.T. Beauregard, zijn zowel geestelijk als geografisch lelijke littekens in de stad. Maar New Orleans is ook een zwarte stad. Een plek waar een cultuur van verzet is ontstaan tegenover de blanke minderheidsklasse. De tradities van de stad vinden hun oorsprong in de diaspora van Afrikanen die elkaar ontmoetten op Congo Square en daar kunst en magie uitwisselden, en in de oorspronkelijke indiaanse bevolking die in Louisiana leefde voordat het een kolonie werd. Deze ontmoeting en uitwisseling van Afrikaanse en indiaanse volkeren vormt de kern van de cultuur van het New Orleans dat ik ken.


    In 1977 werd Ernest ‘Dutch’ Morial tot burgemeester van New Orleans gekozen en daarmee werd een tijdperk van zwarte burgemeesters ingeluid dat tot 2010 zou duren, toen Mitch Landrieu aan de macht kwam. Landrieu, de eerste blanke burgemeester in dertig jaar, werd in 2014 herkozen voor een tweede termijn. De bevolking van de stad was radicaal veranderd. De orkaan Katrina, die duizenden mensen het leven had gekost, had ook gezorgd voor de gedwongen verhuizing van zwarte inwoners. De zwaar getroffen ‘Ninth Ward’ zag in de eerste tien jaar na Katrina zijn zwarte bevolking met 50 procent afnemen, terwijl in dezelfde buurt de blanke bevolking met meer dan 20 procent toenam.

    Geesten

    Er waren nog wel steeds veel geesten rond. Van onze voorouders, die vanuit de westkust van Afrika en later Haïti arriveerden, tot de slachtoffers van grote en kleine opstanden, waaronder de grootste Amerikaanse slavenopstand in 1811. In de dagen na Katrina werd Henry Glover vermoord door de politie van New Orleans, werd zijn lijk weggehaald van de moordplek en later door weer andere agenten verbrand. Zijn schedel is nooit teruggevonden. En dan de ernstigste gebeurtenis van allemaal: de autoriteiten van New Orleans, een van de grote steden in Amerika, hadden besloten tot een verplichte evacuatie, maar de 25 procent van de mensen die geen vervoer had, werd achtergelaten. Er waren geen bussen, geen treinen die de stad uit reden. Het zou vijf dagen duren voor er extra vervoer werd geregeld en de federale overheid ingreep, en toen gebeurde dat meteen ook onder bedreiging van vuurwapens.

    Het verhaal van een ‘nieuw’ Orleans is een macaber verhaal geworden

    In New Orleans leven we nog steeds met het trauma van die vijf dagen en de vele dagen die erop volgden. Om in de stad te blijven wonen moest je snel herstellen, vergeten zonder te rouwen. De waarheid bleef onder tafel, en je kreeg geen schadevergoeding voor wat je was kwijtgeraakt, voor wat je was afgenomen. Nooit werd toegegeven wat we allemaal weten: dat de ergste gevolgen van de orkaan Katrina niet 
de schuld waren van Moeder Natuur.

    Twee leden van The Max Band, een van de vele schoolfanfares in New Orleans. © Jamie James Medina / HH
    Twee leden van The Max Band, een van de vele schoolfanfares in New Orleans. © Jamie James Medina / HH

    Zwarte middenklasse

    Nooit zijn er meer blanke mensen en non-profitorganisaties nodig geweest om het tekort aan leraren en naschoolse programma’s op te vullen. Tegenwoordig is het leerlingenbestand in New Orleans voor 90 procent zwart. In 2005 was bijna 75 procent van de leraren ook zwart. Maar in 2013 zou volgens gegevens van het Cowen Institute van de Tulane-universiteit ongeveer 54 procent van de leraren aan charter schools – openbare scholen, maar onder onafhankelijk bestuur, tegenwoordig voor de meeste ouders in New Orleans de enige keuze – uit de zogenaamde ‘minderheden’ afkomstig zijn. Dat heeft tot veel onenigheid geleid tussen docenten, ouders en leerlingen, en ook kwamen er studentendemonstraties tegen het tekort aan zwarte onderwijzers dat steeds verder oploopt in de stad.


    Het massaontslag van 7500 onderwijzers, vooral zwarten, in december 2005 maakte de weg vrij voor de ontmanteling van het traditionele systeem van openbare scholen en het begin van het eerste schooldistrict in het land met alleen maar charter schools. Die ontslagen onderwijzers vormden een groot deel van de zwarte middenklasse van New Orleans, en velen van hen hebben sindsdien geen vergelijkbaar werk kunnen vinden. Een ‘prachtig’ sociaal experiment heeft de onafhankelijke, artistieke en politiek bewuste zwarte mensen in het nauw gebracht, mensen die New Orleans wereldwijde bekendheid verschaffen. In de bijna tien jaar na Katrina is het verhaal van een ‘nieuw’ Orleans een vertrouwd maar macaber verhaal geworden.

    We overleven en houden vol, gewoon omdat dat de traditie is

    Schone lei

    Het Downtown Development District – het bureau dat plannen maakt voor de ontwikkeling van de binnenstad – hangt in het zakenkwartier van de stad spandoeken op met de tekst: ‘Welkom op een schone lei’. Een verhaal waarin het leed en de dood van zwarten een onvermijdelijk en niet te betreuren gevolg is van de ‘vooruitgang’ wordt voor zoete koek aangenomen. Dat verhaal vertelt dat het ‘nieuwe’ New Orleans een plaats is waar creatieven en innovatieven van elders massaal naartoe trekken, een plaats die ‘diverser’ is dan ooit.

    Het verhaal van het ‘nieuwe’ New Orleans vertelt de nieuwkomers niets over de zwarte en Vietnamese wijken waar ik ben opgegroeid. Of over de avonden waarop we enkel indianen op straat zagen, geen enkele blanke. De tijd dat we recht hadden op onze identiteit en we niets tegenover iemand van buiten hoefden te bewijzen. Toen we elke gelegenheid te baat namen om uitbundig feest te vieren, en onze waardigheid en identiteit wisten te behouden.

    Maar het vermogen om te creëren in de woelige nasleep van een gedwongen verhuizing is ouder dan het rampenkapitalisme en onlosmakelijk verbonden met de cultuur van New Orleans. De orkaan Katrina is niet de eerste ramp die onze cultuur heeft overleefd.

    Succesvol toneelschrijver, artiest en sjamaan Geryll ‘Dr. G Love’ Robinson is zo’n kunstenaar die onze cultuur niet verloren laat gaan. Robinson heeft, samen met een groep die Category 5 Arts heet, na de verwoestingen van Katrina helende mandala’s gemaakt voor de stad. Robinson is ook een voorbeeld van iemand die gebruikmaakt van de traditie van de collectiviteit die vanuit Afrika over de oceaan naar New Orleans was meegenomen en ook bij de indiaanse volkeren van Noord- en Zuid-Amerika leefde.

    Het is een traditie die nog steeds springlevend is. Die vind je terug in Spirit House, een toneelstuk geschreven door Robinson en kunstenares en activiste LaKeesha J. Harris, in samenwerking met de Greater New Orleans Housing Foundation en de Cripple Creek Theatre Company. Met behulp van spirituele elementen zoals de orisha’s – bovennatuurlijke wezens afkomstig uit verschillende Afrikaanse religies – behandelt het toneelstuk de discriminerende huisvestingspolitiek en de huurpraktijken waar de zwarte inwoners van New Orleans zo veel last van ondervinden.

    Zwarte kunstenaars in New Orleans maken nog steeds kunst, zoals ze altijd hebben gedaan, creëren een nieuwe connectie met de diaspora en houden de oude drie-eenheid in ere: het optreden, de ceremonie en de traditie, die al sinds lange tijd de basis vormen van de cultuur van het zwarte New Orleans.

    Spirit House brengt de gedwongen verhuizing van de zwarte inwoners van New Orleans in verband met het patroon van verjagen en landjepik dat zo onlosmakelijk met de uitbreiding van de Verenigde Staten is verbonden. Het huis waar Spirit House zich afspeelt is de woning van Mama Celeste en Joe, en een groep pensiongasten die er voor korte of lange tijd verblijven en lijden onder de woningnood in New Orleans. De eigentijdse spanning komt vooral voort uit het feit dat Celeste en Joe uit hun woning gezet dreigen te worden vanwege een niet betaalde onroerendgoedbelasting. Er hangt een bittere ironie over dit conflict. Tremé is de oudste zwarte wijk van het land, opgebouwd en bewoond door vrije gekleurde mensen en later door bevrijde zwarten. Katrina heeft de economie van die wijk volledig ontwricht. Joe is een Mardi Gras-indiaan, afstammend van de oorspronkelijke inwoners van Louisiana. Ondanks die geschiedenis, zijn band met het land en het repressieve verleden van ons land, kan hun belastingschuld niet worden kwijtgescholden.

    De orkaan Katrina is niet de eerste ramp die onze cultuur heeft overleefd

    Recht op leven

    In Spirit House worden alle verliezen gecompenseerd door de vreugde die wordt ontleend aan het behoud van het gemeenschapsritueel en de wetenschap dat als mensen worden verjaagd, ze nog niet dood zijn. Het valt niet mee om je weer op te richten en te gaan creëren na zo’n heftige verwoesting, maar het gebeurt in New Orleans. Het verzet, de ceremonie, de traditie en de schoonheid blijken niet onverenigbaar in het werk dat wordt geproduceerd, die bijten elkaar niet, en dat doen wij ook niet. We werken samen in een gemeenschap om ervoor te zorgen dat het New Orleans dat we kennen in ere wordt gehouden. Zwarte kunstenaars laten zien dat er een recht op leven bestaat, en op het ervaren van vreugde los van het lijden. Het verlangen naar vreugde en het putten uit het machtige potentieel ervan vormt een krachtig onderdeel van het werk dat door zwarte kunstenaars in deze stad wordt verricht. We herdenken de doden en leiden in hun schaduw een groots leven, en we komen voor onszelf op in een tijd waarin niet wordt gerouwd om de moord op onze mensen. Het is een drastische keuze van ons om door te zetten, maar we komen uit New Orleans, en daar overleven we en houden we vol, gewoon omdat dat de traditie is.

    Guernica

    Verenigde Staten, guernicamag.com
    Tweewekelijks tijdschrift dat in 2004 in New York werd opgericht door twee 
vrienden met een hartstochtelijke belangstelling voor literatuur en journalistiek. 
In de afgelopen tien jaar slaagden zij erin een stevige reputatie op te bouwen bij lezers in meer dan honderd landen.

  • Een weekend met Bernie

    Een weekend met Bernie

    De democraat Bernie Sanders, die Hillary Clinton in de peilingen begint te naderen, is na Donald Trump de meestbesproken Amerikaanse presidentskandidaat van dit moment. En de meest onwaarschijnlijke. De wat norsige senator uit Vermont is een openlijk socialist, die het hele politieke systeem op zijn kop wil zetten.

    De allereerste vraag op de allereerste campagne
bijeenkomst van Bernie Sanders in Iowa komt van een jonge knul met een baard en een superheldenshirt. Hij wil weten wat Sanders’ plannen zijn voor de regelgeving rond onlinepoker.

    ‘Om heel eerlijk te zijn: dat is niet iets waarover ik 
al veel heb nagedacht,’ zegt de 73-jarige senator van Vermont ronduit. Hij zwijgt even en mompelt dan: ‘Een van mijn kinderen pokert best veel, geloof ik. Als de vraag is: mogen bedrijven pokerspelers een poot uitdraaien, dan is het antwoord nee. Ziet u, mensen, dat is iets wat je als senator leert: iedereen snijdt wel een probleem aan.’ 


    Sanders heeft opvallend wit haar en zijn bruuske manier van praten en zijn zware Brooklyn-accent doen denken aan de komiek Larry David. Of om 
precies te zijn: aan Larry Davids imitatie van de 
barse honkbalclubvoorzitter Steinbrenner in Seinfeld. ‘Er is al meer geschreven over mijn haar dan over mijn plannen voor de infrastructuur of het hoger onderwijs, dat is zeker,’ klaagt Sanders later tegen me. Deze donderdagavond in mei houdt hij een 
toespraak op St. Ambrose University, een kleine katholieke universiteit in Davenport. De Republikein Rick Santorum is toevallig ook in de stad voor de lancering van zijn eigen campagne. Volgens de 
regionale krant The Des Moines Register werd Santorums bijeenkomst bijgewoond door tachtig mensen. Sanders trekt er circa zevenhonderd, meer dan alle andere kandidaten in Iowa dit seizoen.

    Socialist

    Het is bij de Democraten onderhand bijna een ritueel: de plotse opkomst in de eerste voorverkiezingen van een kandidaat die linkser is dan de grote favoriet. Bill Bradley in 2000, Howard Dean (net als Sanders uit Vermont) in 2004 en Barack Obama in 2008. Maar Sanders is nog linkser dan die vorige outsiders. Zijn tegenstander in de voorverkiezingen, Hillary Clinton, kan Amerika’s eerste vrouwelijke president worden. Sanders zou de eerste openlijk socialistische president zijn. Als je vraagt wat dat in de praktijk zou betekenen, wijst hij naar Europa, met name naar Scandinavië: ruimhartige sociale voorzieningen 
die iedereen een bestaansminimum garanderen, georganiseerd door een robuuste, activistische 
regering, die dat financiert met hogere belastingen voor rijken en bedrijven en bezuinigingen op zaken zoals de onnodige, 2 biljoen dollar verslindende oorlog in Irak.

    Sanders is ervan overtuigd dat er veel steun bestaat voor zulke ideeën, niet alleen in de linkse marge maar in de hele arbeidersklasse, zelfs in overwegend Republikeinse staten. Toch zijn progressieve bewegingen door het establishment de afgelopen jaren naar de marge gedrongen (Howard Dean, de Occupy-beweging) of, zoals met de steun voor Obama’s plannen, een loze belofte gebleken. Maar door te blijven hameren op economisch populisme denkt Sanders een kans te maken, al is het een kleine.

    ‘Als je de sociale vraagstukken zoals abortus, homorechten en wapenbezit links laat liggen en je concentreert op de economische kwesties,’ zegt hij, ‘dan is er veel meer consensus dan de commentatoren inzien.’ In Davenport weet Sanders de aandacht van zijn publiek inderdaad bijna twee uur vast te houden met een fel, onvermoeibaar en af en toe zeer gedetailleerd verhaal over zijn politieke agenda. Dat is een soort nieuwe New Deal à la Oslo of Helsinki: een federaal banenprogramma (in vijf jaar tijd 1 biljoen dollar investeren in infrastructuur om daarmee 13 miljoen banen te creëren en onze luchthavens, bruggen, wegen en spoorlijnen op te knappen); een federaal minimumloon van 15 dollar per uur; het opknippen van grote banken die too big to fail zijn geworden; een grondwetswijziging om paal en perk te stellen aan de sponsoring van verkiezingscampagnes door het bedrijfsleven; afschaffing van het collegegeld voor alle openbare universiteiten; rijken meer belasting laten betalen en mazen in de wet dichten waardoor bedrijven belasting ontwijken; een belasting op CO2-uitstoot om het gebruik van fossiele brandstoffen terug te dringen en gebruik van alternatieve energie-bronnen te stimuleren; gratis kinderopvang voor iedereen; een ziekenfonds voor iedereen; betaald ziekteverlof en minstens twee weken betaald verlof voor alle werkenden. Er is nog meer, maar dit zijn de hoofdpunten van zijn betoog.

    Sanders in gesprek met een journalist op zijn campagnehoofdkantoor in Iowa. – © Scott Olson / Getty Images
    Sanders in gesprek met een journalist op zijn campagnehoofdkantoor in Iowa. – © Scott Olson / Getty Images

    Als spreker is Sanders een stuk ongepolijster dan senator Elizabeth Warren, met wie hij het meest wordt vergeleken. Maar hij slaagt er heel goed in om van het begrip ‘inkomensongelijkheid’ (wat door al 
te frequent gebruik al net zo’n loze kreet dreigt te worden als ‘hoop en verandering’) niet alleen een heel schrijnend beeld te schetsen, maar er ook een prangende ethische kwestie van te maken. Hoe heeft het rijkste land in de geschiedenis het zover laten komen dat de rijkste 0,1 procent van de bevolking evenveel bezit als de armste 90 procent? Hoe bestaat het dat het inmiddels niet alleen mogelijk, maar zelfs volkomen vanzelfsprekend is dat één enkele familie (de gebroeders Koch, via een door hen aangestuurd politiek donornetwerk) meer geld aan de komende verkiezingen zal besteden dan de Democratische of de Republikeinse partij zelf? En nog 
fundamenteler: moet het kapitalisme echt alleen maar blijven streven naar groei ten koste van alles?

    Het klinkt allemaal niet als materiaal voor filmpjes die viral zullen gaan op internet, maar toch weet Sanders met zijn drammerige antistijl een publiek in zijn ban te houden. Soms maakt hij een gebaar alsof hij tussen duim en wijsvinger iets heel kleins en onzichtbaars te pakken heeft dat zijn pleidooi onderstreept. Als hij naar een vragensteller luistert, tuit hij zijn lippen en steekt zijn kin naar voren, zijn gezicht staat dan ernstig en loopt soms rood aan. Waar alle andere kandidaten Amerika om het hardst ophemelen, zegt Sanders ijskoud: ‘Op dit vlak zijn we in Amerika zo ontzettend dom bezig, het is onvoorstelbaar. Nou ja, we zijn op een helebóél vlakken dom bezig…’ In Davenport zegt hij later: ‘Weet je wat ik mijn Republikeinse collega’s zou willen zeggen?’ Dan zwijgt hij, en bij Sanders is zo’n stilte meteen geladen: heel even verwachten we dat hij nu schuttingtaal gaat uitslaan. Dat beseft hij maar al te goed, dus hij rekt die stilte nog even en buldert dan: ‘Ik ben het niet met u eens.’ Maar omdat die gedachte aan schuttingtaal nog in de lucht hangt, klinkt zijn gespeelde beleefdheid meer als: ‘Go fuck yourselves!’ Het publiek gaat uit zijn dak.

    Het is bij de Democraten onderhand een ritueel: de plotse opkomst van een kandidaat die linkser is dan de favoriet

    Als je Sanders lang genoeg hoort spreken, merk je dat een handjevol uitdrukkingen steeds terugkeren en de aandachtige luisteraar waarschuwen dat er weer een harde waarheid aankomt: ‘in mijn ogen’, ‘kun je je dat voorstellen?’, ‘laat ik daar heel eerlijk over zijn’, ‘geloof het of niet’, ‘laat ik heel duidelijk zijn’, ‘en hoe komt dat nou?’ Het is opzwepend, die gefundeerde minachting van Sanders en het feit dat hij die niet verbloemt. ‘Mijn vrouw zegt altijd dat ik iedereen de put in praat.’ Dat is een grapje, maar niet helemaal. Zijn norsheid maakt hem op een bepaalde manier authentiek.

    Er is al vaker opgemerkt dat hij verrassend populair is op de sociale media, en dat zijn grootvaderlijke gemopper op de stand van zaken lijkt aan te slaan bij twintigers, een moeilijk bereikbare groep kiezers. Juist omdat Sanders het tegendeel is van een BuzzFeed-kop, is hij misschien wel de ideale BuzzFeed-kop. Het is bijna onwerkelijk, die schurende, agressieve toon en openlijke minachting voor de conventies van het moderne campagne voeren. 
En het onderstreept nog eens hoe inhoudsloos en gekunsteld de optredens van de andere kandidaten zijn, hoe afgezaagd hun voorgekauwde teksten.

    Sanders waakt ervoor om een rooskleurig portret van zichzelf te schilderen als grote redder die de boel wel even zal veranderen. Hij praat überhaupt niet veel over zichzelf. Als je het soort kandidaat bent voor wie presidentiële politiek vooral theater is, wil je een verhaal ophangen waarin jij de hoofdpersoon bent. Een massapubliek bereik je met verhalen van strijd en overwinning en een held of heldin die enerzijds zo gewoon is als je eigen broer of zus en anderzijds zo uitzonderlijk als, nou ja… als Amerika zelf, landgenoten!

    Toespraak tijdens de Scott County Democrats Picnic in the Park in Eldridge, Iowa. – © Al Drago / Getty Images
    Toespraak tijdens de Scott County Democrats Picnic in the Park in Eldridge, Iowa. – © Al Drago / Getty Images

    Op de vijf verkiezingsbijeenkomsten in Iowa en New Hampshire die ik bijwoon, doet Sanders dat allemaal niet. In Davenport zegt hij: ‘Laat ik even wat over mezelf vertellen, vrienden.’ En dan volgen er welgeteld drie zinnen, waarin hij vertelt dat hij eerst burgemeester en lid van het Huis van Afgevaardigden is geweest voordat hij senator werd. Dat zijn vader een immigrant was die de kost verdiende met het verkopen van verf. En dat hij in zijn jeugd heeft ‘geleerd wat geld, of geldgebrek, voor een gezin kan betekenen, als je ruzie krijgt over elk dubbeltje dat wordt uitgegeven.’ (En om zelf thuis geen ruzie te krijgen wijst hij ook zijn vrouw Jane in de zaal aan en vertelt dat ze net 27 jaar getrouwd zijn.) 


    Halverwege twee interviews, als we het al hebben gehad over het banenverlies in de Amerikaanse industrie, de funeste invloed van internationale 
handelsovereenkomsten en de invloed van het bedrijfsleven op de Democratische partij, komen we te praten over zijn eerste politieke ambt, als burgemeester van Burlington. Ik vraag hoe hij, als geboren Brooklyner, in Vermont is beland. ‘Dus dit wordt weer zo’n verhaal dat vooral over mijn persoon gaat, in plaats van over wat ik wil bereiken?’ zegt hij geërgerd. 


    Toen Sanders in april officieel aankondigde dat hij het tegen Clinton wilde opnemen, werd hij meteen weggezet als een marginale figuur. De Columbia Journalism Review houdt dat precies bij: ABC Evening News besteedde achttien seconden aan zijn aankondiging (waarvan vijf voor een welkomsttweet van Clinton), CBS Evening News één zinnetje en The New York Times een stukje van zevenhonderd woorden op pagina 21.

    Vergelijk dat eens met de bekendmaking van de 
kandidatuur van senator Ted Cruz. Blijkbaar is die minder ‘marginaal’ dan Sanders, al heeft hij openlijk begrip getoond voor complotdenkers die zeker weten dat Obama legeroefeningen in Texas laat houden omdat hij er de noodtoestand wil afkondigen. Cruz’ kandidatuur haalde de voorpagina van The New York Times, met een prominent artikel dat tweemaal zo lang was als dat over Sanders. Maar toen Sanders in Iowa veel publiek bleek te trekken, steeg de aandacht exponentieel. Niet omdat de media ineens dachten dat hij een serieuze kans maakt tegen Clinton, maar omdat ze verslaafd zijn aan het wedstrijdelement waar Sanders juist zo’n hekel aan heeft.

    Winstkansen

    Toch zegt Sanders dat hij zich niet alleen kandidaat heeft gesteld om een daad te stellen of om als een soort Democratische Tea Party Clinton verder naar links te trekken. ‘Ik had geen zin in een campagne die alleen bedoeld is om aandacht voor onze standpunten te krijgen, weet je, en hij ook niet,’ zegt zijn vrouw Jane op een tuinfeest in West Branch, bij Iowa City. ‘Ik lag dwars, ik gaf steeds allerlei redenen waarom hij het vooral níét moest doen. Ik voerde 
elk argument aan dat ik kon bedenken, inclusief de vraag: Kunnen we winnen? Ja, we willen de inhoud van het debat beïnvloeden. Maar dat doe je omdat je mensen wilt mobiliseren. En als ze de echte feiten horen, zullen ze anders stemmen.’

    Ze wijst op Sanders’ tegenstander in de Senaatsverkiezingen van 2006: Richard Tarrant, een van de rijkste mensen in Vermont, die 7 miljoen dollar in zijn campagne stak en toch met een marge van 33 procentpunt verloor. ‘Als je alleen met veel geld een serieuze kandidaat kunt zijn,’ zegt ze, ‘dan had hij zelfs nooit burgemeester kunnen worden.’ 


    Als Sanders een week na Davenport de vergaderkamer van zijn kantoor in Washington binnenstormt, is hij gejaagder en feller dan anders. Hij moet het vliegtuig naar Burlington halen, maar eerst moet hij nog tegen een defensiebegroting stemmen. In hoog tempo lopend én pratend, als een personage in een politieke dramaserie, begeeft hij zich naar de ondergrondse monorail tussen de Senaatskantoren en het Capitool. ‘Succes, senator,’ roept een jonge liftbediende hem na. In het Capitool stapt hij uit het treintje, een soort minimetro, beent naar de Senaatskamer, laat daar zijn stem registreren en staat in een mum van tijd al weer buiten. ‘Dat is democratie,’ zegt hij droog, en hij loopt naar een deur waar alleen senatoren door mogen. ‘Ik heb assistenten bij me,’ wuift hij de beveiliger weg, die wat beduusd kijkt maar ons niet tegenhoudt.

    Buiten staat een auto te wachten. Sanders is bang om zijn vlucht te missen en kijkt onder het praten voortdurend op zijn horloge, onderbreekt het gesprek zelfs af en toe om de chauffeur aanwijzingen te geven. De vraag of hij kans maakt om president te worden is in veel opzichten totaal niet interessant. Hoeveel kans maakt hij nou tegen een buitengewoon slimme en gedreven tegenstander met 100 procent naamsbekendheid, met meer ervaring in het Witte Huis dan enige andere kandidaat in de geschiedenis en een obscene hoeveelheid geld (Clintons campagneteam belooft 2 miljard dollar bijeen te brengen) – plus natuurlijk de stimulans dat zij kiezers de kans biedt om wéér geschiedenis te schrijven, door de allereerste vrouwelijke president te kiezen? Vrij weinig kans, zou ik zeggen!

    Als je niet bang bent om naïef of simplistisch te klinken en net als Sanders wilt geloven dat je het hele systeem kunt veranderen door je achterban te mobiliseren – wie weet wat er dan mogelijk is

    Maar volgens Sanders gaat dat alleen op als de huidige electorale werkelijkheid niet verandert: een extreem lage opkomst, meer aandacht voor de persoon dan voor de inhoud, en de verderfelijke invloed van het grote geld. Dus de volgende vraag is veel interessanter: maakt Sanders kans om iets te veranderen aan de inmiddels breed geaccepteerde fundamenten van de moderne campagnevoering? Als je niet bang bent om naïef of simplistisch te klinken en net als Sanders wilt geloven dat je het hele systeem kunt veranderen door je achterban te mobiliseren – wie weet wat er dan mogelijk is.

    Zeven jaar geleden brak Barack Obama alle records wat betreft kleine particuliere campagnebijdragen en de kiezersopkomst van Afro-Amerikanen. Sanders neemt vooral een voorbeeld aan de werknemers in de fastfoodsector die ijveren voor een minimumloon van 15 dollar: een eis die door de elite eerst nauwelijks serieus werd genomen, maar die uiteindelijk wel van beslissende invloed is geweest op de nationale discussie over het bestaansminimum (en in grote steden als Los Angeles, San Francisco en Seattle nu zelfs wettelijk is vastgelegd). Daarom wil Sanders in het door ego’s gedomineerde verkiezingscircus zijn eigen ego zo veel mogelijk buiten beeld houden. Hij wil alle aandacht die hij krijgt gebruiken om kiezers te verleiden met de nooit eerder geboden mogelijkheid van echte radicale verandering.

    ‘De Amerikaanse politiek is uitgegroeid tot een miljardenindustrie die de kiezers wijsmaakt dat de regering niets voor je kan doen en dat je je hoop moet vestigen op Wall Street en het bedrijfsleven,’ zegt Sanders in een van onze gesprekken. ‘Ik zeg vaak: Bedenk nou eens waarom de gebroeders Koch een miljard dollar in deze campagne willen steken. Als zij politiek zo belangrijk achten, kun jij dat misschien beter ook doen.’

    Een aanhanger van Sanders pakt een verkiezingsplakkaat op een bijeenkomst in de Valley High School in West Des Moines, Iowa. – © Scott Olson / Getty Images
    Een aanhanger van Sanders pakt een verkiezingsplakkaat op een bijeenkomst in de Valley High School in West Des Moines, Iowa. – © Scott Olson / Getty Images

    Sanders is opgegroeid in Flatbush, een arbeidersbuurt in Brooklyn met een gemengde etnische samenstelling (Italianen, Ieren, Joden). Zijn vader Eli, een Poolse immigrant, en zijn moeder Dorothy, de in Amerika geboren dochter van Poolse Joden, woonden daar met hun twee zonen.

    Sanders wil niet veel kwijt over zijn jeugd, maar makkelijk kan die niet geweest zijn. Zijn vader had een groot deel van zijn familie in de Holocaust verloren en zijn moeder overleed toen Sanders nog maar negentien was. Hij zat samen met zangeres Carole King op de James Madison High School (waar hij aanvoerder van het atletiekteam werd). Met zijn eerste vrouw, die hij op de universiteit had leren 
kennen, kocht hij in 1964 een lap grond (35 hectare voor 2500 dollar) in Vermont, in Middlesex. Hij hield altijd al van het platteland, zegt hij, en in 1968 vestigde hij zich voorgoed in die staat.

    Het landelijke Vermont trok destijds zo veel ‘terug naar de natuur’-types aan dat gouverneur Deane Davis in 1971 zelfs een persverklaring over ‘de toestroom van zogenaamde hippies’ uitvaardigde: hij wilde bezorgde burgers verzekeren dat ‘de overgrote meerderheid van deze jonge passanten net als de meeste mensen rustig haar eigen gang gaat, volstrekt vreedzaam en zonder iemand lastig te vallen, ook al zijn hun uiterlijk en hun gewoonten misschien niet altijd naar onze smaak’.

    Sanders had lang haar en kon zich helemaal vinden in de politieke overtuigingen van de tegencultuur, maar volgens vrienden was hij geen hippie. Hij kluste hier en daar als timmerman en maakte een documentaire over de socialistische vakbondsleider (en vijfvoudig presidentskandidaat) Eugene V. Debs. (Sanders sprak ook een deel van de voice-over in. ‘Als jij zo’n gemiddelde Amerikaan bent die veertig uur per week tv kijkt,’ zegt hij met een voice-overstem, ‘dan heb je vast weleens gehoord van belangrijke figuren als Kojak en Wonder Woman. Maar gek genoeg heeft niemand je ooit verteld over Gene Debs, een van de belangrijkste Amerikanen van de twintigste eeuw.’) 


    Nadat zijn huwelijk eind jaren zestig op de klippen was gelopen, probeerde hij als socialistische kandidaat vergeefs gekozen te worden tot senator en gouverneur. Zijn goede vriend en huisgenoot Richard Sugarman haalde hem in 1981 over mee te doen aan de burgemeestersverkiezingen van Burlington. ‘Ronald Reagan was net gekozen en ik zei: Kijk Bernard, in een land waar Reagan president kan worden, moet jij toch zeker burgemeester van Burlington kunnen worden!’ aldus Sugarman, die inmiddels een leerstoel aan de universiteit van Vermont bekleedt als specialist in het werk van de joodse existentialistische filosoof Emmanuel Levinas. Als volslagen onbekende en onafhankelijke kandidaat moest Sanders het opnemen tegen een Democraat die al vijfmaal was herkozen. Hij maakte geen schijn van kans. Maar hij won toch, met tien stemmen verschil.

    Politieke aardverschuiving

    ‘Dat was een van de grootste politieke aardverschuivingen in de geschiedenis van Vermont, en onze staat is al meer dan tweehonderd jaar oud,’ vertelt Sanders me: voor het eerst klinkt hij bijna opschepperig. 
Sanders voldeed nooit aan de makkelijke karikatuur van de typische linkse politicus, daarvoor was zijn beleid veel te pragmatisch. In Burlington zorgde hij vooral dat de gemeente beter ging sneeuwruimen, hij ontwikkelde stadsparken en het havengebied, 
liet wegen opknappen en onderhandelde bij kabelaanbieders over een lager tarief voor consumenten (al bracht hij ook een bezoek aan de socialistische Nicaraguaanse president Daniel Ortega en riep daar een ‘zusterband’ uit tussen Burlington en Puerto Cabezas).

    In het Huis van Afgevaardigden wist hij meer amendementen aangenomen te krijgen dan enig ander lid tussen 1995 en 2005, en hij benutte zijn positie als onafhankelijk kandidaat om met beide partijen samen te werken. (Die politieke behendigheid heeft Sanders nog steeds: de ultraconservatieve senator en klimaatontkenner James Inhofe omschreef hem onlangs als zijn ‘beste vriend’ in de Senaat.)

    Wat betreft wapenbezit is Sanders’ stemgedrag zelfs veel rechtser dan dat van Hillary Clinton. Vermont is pro-wapenbezit, en in zijn boek Outsider in the House betreurde Sanders al in 1997 dat hij in het begin van zijn carrière veel stemmen van ‘arbeiders’ had verspeeld doordat ‘we dom zijn omgesprongen met de wapenkwestie’.

    Hij heeft zijn carrière als Congreslid zelfs gedeeltelijk aan de National Rifle Association te danken: in de verkiezingen van 1990 werd zijn tegenstander, de zittende Republikeinse Afgevaardigde, doelwit van een serie tv-spotjes van de NRA omdat hij het wapenbezit aan banden wilde leggen. In 2013 zei hij enkele maanden na de schietpartij op een school in Sandy Hook tegen het lokale weekblad Seven Days: ‘Al neem je morgen de strengst mogelijke wapenwet aan, ik denk niet dat dat veel zou uitrichten tegen de tragedies waarvan we getuige zijn geweest.’

    In 1988 werd Sanders de eerste onafhankelijke volksvertegenwoordiger die in 40 jaar verkozen was tot het Huis van Afgevaardigden.  – © Rob Swanson
    In 1988 werd Sanders de eerste onafhankelijke volksvertegenwoordiger die in 40 jaar verkozen was tot het Huis van Afgevaardigden. – © Rob Swanson

    ‘Ik weet dat hij al vrij lang met de gedachte speelde om zich verkiesbaar te stellen voor het presidentschap,’ zegt Sugarman. ‘Ik voorzag dat het hem zwaar zou vallen, en volgens mij merkt hij dat nu ook. Als presidentskandidaat moet je je vaak enorm inhouden. Maar hij raakte er steeds meer van overtuigd dat iemand het moest doen. Had hij het liever iemand anders zien doen? Dat denk ik wel. Ik denk dat hij in het begin hoopte dat Elizabeth Warren het zou doen. Maar hij heeft de handschoen opgepakt.’

    Sugarman geeft toe dat zijn vriend ook wel van zijn openbare optredens geniet. ‘Hij vindt het heerlijk om rond te rijden en de kleinste plaatsjes in Vermont af te gaan,’ zegt hij. ‘Ik zei een keer tegen hem: Bernard, waarom laat je de mensen niet even met rust? Toen zei hij: Nee, ze willen dat ik kom luisteren naar wat ze willen. Ik zei: Misschien willen ze alleen maar dat ze eens een dagje met rust gelaten worden.’

    Maar overschat hij de Amerikaanse behoefte aan revolutie niet? Al marcheren straks een miljoen van zijn aanhangers naar Washington, komen er dan niet evenveel Tea Party-aanhangers om het tegen hem op te nemen? ‘Goeie vraag,’ zegt Sanders. 
(Ook zo’n stopwoordje van hem.) ‘Het zal heel, heel moeilijk worden. En misschien is het wel onmogelijk. Niemand heeft mij ooit horen zeggen dat het makkelijk wordt.’

    Auteur: Mark Binelli

    Rolling Stone
    VS | tweewekelijks tijdschrift | oplage 1,5 miljoen

    Meest gelezen muziektijdschrift van de VS, gelanceerd in 1967. Oprichter Jann Wenner is nog altijd hoofdredacteur. Behandelt ook cultuur en politiek. Door The Guardian werd Rolling Stone omschreven als ‘De bijbel van de Sixties en de tegencultuur’.

  • Seksrobot

    Seksrobot

    Toen de Amerikaanse ‘seksdokter’ Alfred Kinsey in 1948 zijn rapport publiceerde over het seksleven van mannelijke Amerikanen, veroorzaakte hij een sensatie. Journalisten buitelden over elkaar heen om de uitkomsten te beschrijven van de enquêtes die Kinsey met een groepje getrouwen had gehouden onder duizenden Amerikanen van alle rangen en standen. Zoals het feit dat de helft van de mannen vreemdging, en homoseksualiteit veel wijder verbreid bleek dan gedacht.

    Vijf jaar later leidde zijn tweede studie over vrouwen tot nóg meer opwinding, omdat ook zij veel promiscuer waren dan werd aangenomen. Het hele verhaal is in geuren en kleuren terug te lezen in de uitstekende roman De ingewijden van T.C. Boyle, die begin september te gast is in Amsterdam. Intussen zijn we ruim een halve eeuw verder en is het seksuele speelveld een stuk groter geworden. Op Facebook kun je tegenwoordig op zestig manieren je geslacht beschrijven. Transseksuelen, transgenders en aseksuelen eisen en krijgen steeds meer erkenning, zo blijkt uit ons dossier. Althans, in delen van de wereld. Is de seksuele revolutie daarmee voltooid? Nee, stelt de Amerikaanse seksexpert Laura Berman. Want dankzij de technologie worden onze opties straks nog veel talrijker. Virtualrealityporno, seksrobots, het op afstand stimuleren van je partner met een muisklik: het ligt allemaal binnen handbereik. De film Her, waarin een door Joaquin Phoenix gespeeld personage een relatie krijgt met een computerbesturingssysteem, zal werkelijkheid worden. Berman vindt 
het allemaal prima, maar je kunt je natuurlijk afvragen: wie wil dit nu eigenlijk? Precies die kwestie snijdt de Israëlische historicus Yuval Harari aan in een flonkerend essay, 
dat aanhaakt bij de beroemde vraag van internetactivist Jaron Lanier: Who Owns the Future? [Wie gaat er over de toekomst?] Op dit moment, zegt Harari, is dat een piepklein clubje toekomstprofeten in Silicon Valley met een feilloos businessinstinct en een vreemde mix aan utopische ideeën. Hun intenties lijken doorgaans goed, maar er zitten ook 
mensen tussen die serieus denken onsterfelijk te worden. 
Of die een nieuwe beschaving willen stichten met louter hoogintelligente bewoners. Dat we klakkeloos achter deze figuren aanlopen, betoogt Harari, komt doordat het onze politici aan toekomstvisie ontbreekt. En wie politici zegt, zegt eigenlijk: wijzelf. Met andere woorden: het wordt hoog tijd dat ook u gaat nadenken wat we nu met al die fantastische nieuwe technologie willen. Het is dat, of u zit straks lieve woordjes te fluisteren tegen uw seksrobot.

    Han Ceelen
    ceelen@360international.nl

  • Worden Amerikaanse scholieren overbelast?

    Worden Amerikaanse scholieren overbelast?

    Onder druk van hun ouders moeten scholieren in de VS steeds harder werken, zo stellen onderzoekers. Dat leidt tot angsten, slaapgebrek en zelfs het gebruik van pepmiddelen. Gaan Amerikaanse ouders te ver?

    Frank Bruni: Ja

    Bij het lezen van het zojuist verschenen boek Overloaded and Underprepared kreeg ik soms medelijden met Amerikaanse middelbare scholieren. De meest ambitieuze onder hen doen er alles aan om maar beter te zijn dan de rest. Sommige gebruiken pepmiddelen als Aldenall. Anderen spieken. Maar het meest aangrijpende was wel wat ik las over slaap. Zolang je nog niet volwassen bent moet je goed slapen. Anders ga je er geestelijk aan onderdoor. Maar veel tieners zijn tegenwoordig zo opgefokt en gestrest dat ze bij lange na niet genoeg uitrusten. In het boek komt een middelbare school in Silicon Valley voor die slaapexperts van buitenaf inhuurde, een soort slaapcurriculum opstelde en leerlingen opleidde tot ‘slaapambassadeurs’. Allemaal om maar een oog dicht te kunnen doen. Slaapambassadeurs? Zelf ging ik in de tachtiger jaren naar de middelbare school, in een omgeving die destijds als veeleisend gold. Het enige slaapprobleem waar ik en mijn medeleerlingen mee kampten was dat we ons versliepen, waardoor we te laat op school kwamen. Nu is het andersom: het probleem is niet meer hoe je tieners hun bed uit krijgt, maar hoe je ze kunt laten pitten. Dat geeft aan hoe – onder een ambitieus en bevoorrecht deel van de Amerikanen tenminste – opgroeien is verworden tot een exact uitgestippelde, op status gefixeerde en soms ronduit geestdodende race. Het boek, geschreven door Denise Pope, Maureen Brown en Sarah Miles, kijkt naar de hoeveelheid huiswerk, de opbouw van een schooldag en nog veel meer. Het is het laatste in een reeks boeken die vraagtekens zetten bij de overdreven bemoeizucht van ouders, het teveel aan bijlessen, de al te intensieve voorbereiding op gestandaardiseerde tests en dergelijke uitwassen. Een overkoepelend thema van het genre is: ‘genoeg is genoeg’. Volgens Denise Pope, professor pedagogiek aan Stanford University, komt er een moment dat je moet zeggen: nee, dit wordt te gek. De waanzin beperkt zich niet tot een gebrek aan slaap, maar dit thema illustreert wel perfect de trend dat er bij het opgroeien steeds minder plek is voor spontaneïteit en speelsheid, omdat alles moet wijken voor ‘de druk van 
de perfectie’. Een recent artikel in The New York Times beschreef zes zelfmoorden in dertien maanden op de 
Universiteit van Pennsylvania, de angstigheid en depressies die heersen op college-campussen en het onvermogen van veel uitblinkers om ook maar de kleinste tegenslag te verwerken. Naar alle waarschijnlijkheid hebben deze studenten gewoon behoefte aan slaap. In een recent onderzoek van het Amerikaanse tijdschrift Pediatrics gaf 55 procent van de Amerikaanse tieners van tussen de 14 en 17 jaar aan minder dan zeven uur per nacht te slapen, terwijl de National Sleep Foundation hun wel acht tot tien uur aanraadt.

    Frank Bruni is opinieredacteur van The New York Times. Hiervoor werkte hij als restaurantcriticus voor dezelfde krant. Hij schreef boeken over de liefde van zijn familie voor eten en over George W. Bush.

    Robert Pondiscio: Nee

    Over het onderwijs wordt eindeloos gediscussieerd: over de hoeveelheid huiswerk, wiskundeonderwijs, straf op school en nog een aantal hete hangijzers. Zo nu en dan laaien deze discussies op en bedaren dan weer, zonder dat ze ooit afgesloten of beslist worden. Een van die eeuwige twistpunten is opeens terug van weggeweest: de mythe van het overbelaste kind. Opgetogen begroette _New York Times_–columnist Frank Bruni het verschijnen van een golf aan nieuwe boektitels over het onderwerp, met als overkoepelend thema: ‘genoeg is genoeg’. Hij beweert dat de Amerikaanse jeugd in een snelkookpan van overbelasting en stress moet opgroeien, 
al is daar in onderzoeksresultaten weinig van terug te zien. In 2006 bijvoorbeeld gingen psycholoog Joseph Mahoney en zijn collega’s na hoeveel tijd kinderen precies aan sportwedstrijden en -trainingen, religieuze activiteiten, vrijwilligerswerk, naschoolse activiteiten en andere verplichtingen besteden. Gemiddeld was het vijf uur per week. Zo’n veertig procent van de tieners deed doordeweeks helemaal niet mee aan georganiseerde activiteiten. Waar zijn die overbelaste uitblinkertjes eigenlijk? Niet meer dan zes procent van de Amerikaanse tieners neemt wekelijks twintig uur of meer deel aan buitenschoolse activiteiten, en zelfs deze overdrijvers blijken uiteindelijk beter af te zijn dan degenen die er helemaal niet aan doen. ‘De bewering dat buitenschoolse programma’s te zwaar zouden zijn, is overdreven,’ aldus professor Mahoney. ‘Relatief weinig jongeren hebben te veel naschoolse verplichtingen en zelfs zij doen het in alle stadia van hun jeugd op allerlei vlakken beter dan jongeren die helemaal nergens aan meedoen,’ benadrukt hij. Toen ze in 2012 opnieuw gingen kijken, bleek dat bij hen de gunstige effecten van extra–
curriculaire activiteiten ook als jongvolwassen nog merkbaar waren. ‘Ze hadden minder last van spanningen, hun studieresultaten waren beter en ze waren maatschappelijk meer betrokken.’ Er bestaat een wijde kloof tussen het 
beeld van de overbelaste Amerikaanse tiener in de media 
en de werkelijke situatie. Bruni geeft zelf al aan dat de overbelasting vooral een probleem vormt voor ‘een ambitieus 
en bevoorrecht deel van de Amerikanen’. Ik geloof graag dat in veel gezinnen kinderen inderdaad onder grote druk staan om te presteren en veel te bereiken. Maar veel zorgelijker zijn de vele Amerikaanse kinderen die veel te weinig worden uitgedaagd, niet over lesmateriaal van academisch niveau beschikken en nauwelijks kansen of mogelijkheden hebben om aan buitenschoolse activiteiten mee te doen. Het zou jammer zijn als de zorgen omtrent een kleine bevoorrechte groep – hoe gegrond ook – zonder meer worden betrokken op de rest. Onderzoeksresultaten spreken duidelijke taal: de meeste kinderen hebben behoefte aan meer verdieping en uitdaging, niet aan minder.

    Robert Pondiscio is voormalig journalist en onderwijsspecialist. Hij adviseert scholen in de New Yorkse wijk Harlem en schrijft regelmatig opiniestukken voor o.a. The Wall Street Journal en The Atlantic.

  • Gezocht: werknemers (m/v) om eieren te breken

    Gezocht: werknemers (m/v) om eieren te breken

    Nu de economie in de Verenigde Staten aantrekt, ontstaan er werkgelegenheidsinitiatieven. Zoals Fort Recovery in Ohio, een eierbrekerij waarvoor Bernie Coyle niets liever wil dan veertig mensen de hand schudden, ter bezegeling van een deal. Maar sollicitanten blijken onbenullig, onervaren of ongemotiveerd – als ze al komen opdagen.

    Bernie Coyle wil mensen aannemen. In deze hoopvolle tijd van economisch herstel in Amerika wil hij veertig nieuwe werknemers een ziektekosten- en tandartsverzekering, een goed salaris en een pensioenplan bieden, en wel in Fort Recovery in Ohio, waar op 1 juni een nieuwe fabriek van start moet gaan.

    De veertig werknemers moeten apparatuur bedienen om eieren te breken, zodat ze aan bakkerijen in het hele land eiwit kunnen leveren. 144.000 eieren per uur, 1,3 miljoen eieren per dag.

    Dus klapt Bernie woensdagochtend in de ontbijtzaal van de Holiday Inn Express zijn laptop open. Hij strijkt even met zijn handen over zijn bedrijfsoverhemd van Perham Egg Ohio en maakt dan een spreadsheet aan. ‘Sollicitatietabel’ noemt hij het bestand.

    ‘Oké’, zegt hij. ‘Aan de slag.’

    Het eerste cv is van ene David. Hij woont in Chicago, vier uur rijden hiervandaan, en wil graag chef onderhoud worden. ‘Resultaatgericht’, zo omschrijft David zichzelf, in dat typische sollicitatiejargon: ‘teamspeler’, ‘aanpakker’.

    ‘David, David’, mompelt Bernie. ‘Hij heeft van ’82 tot ’85 in het leger gezeten, dus hij zal nu pakweg vijftig zijn. David.’

    Aan Davids laatste betrekking kwam een eind in november 2008: ‘Inkrimping’.

    Bernie opent nog een mail, en weer één – het verhaal van Amerika’s geplaagde maar hoopvolle beroepsbevolking, samengevat in bullet points. De sleutelwoorden weerspiegelen de opkomst en ondergang van hele industrieën, het eb en vloed van de werkloosheidscijfers: ‘ruime ervaring’, ‘manager afvalverwerking’, ‘manager autofabriek’.

    ‘Sorry, man’, zegt Bernie, omdat hij denkt dat een voormalig opziener van Chrysler niet over de juiste vaardigheden beschikt.

    ‘Sorry, Kyle. Ik wil onze veteranen graag een handje helpen, maar dit is een waardeloos cv.’

    ‘Steve.’ Nee. ‘Gary.’ Nee. ‘Robert.’ Nee.

    Bernie Coyle heef de grootste moeite om in de buurt van de nieuwe eierbrekerij werknemers te vinden - © Michael S. Williamson/The Washington Post
    Bernie Coyle heef de grootste moeite om in de buurt van de nieuwe eierbrekerij werknemers te vinden – © Michael S. Williamson/The Washington Post

    CV van Papa

    Zo gaat economisch herstel in zijn werk. Soms opent Wal-Mart een nieuwe vestiging en stromen er 23.000 sollicitatiebrieven binnen. En soms, als werkzoekenden meer hoop krijgen – vorige maand zijn er immers weer 192.000 banen bij gekomen – krijg je zoiets als Bernies tabel: een ingewikkelde puzzel van vraag- en aanbodgegevens die slecht bij elkaar passen, gekwalificeerde werkzoekenden die geen baan vinden en banen waarvoor geen gekwalificeerd personeel te vinden is.

    Bernie klikt op een sollicitatie die hij al eerder heeft bekeken en die hij niet uit zijn hoofd kan zetten. Het gaat om een man op leeftijd die al acht maanden te weinig werk heeft, nadat hij bij een fabriek is wegbezuinigd, en die moet rondkomen van tijdelijke klussen. Het meegestuurde document heet ‘CV van Papa’.

    ‘CV van Papa’, mompelt Bernie hoofdschuddend. Hij heeft wel zo’n idee wat voor man dat is: eind vijftig, begin zestig. Ervaren. Heeft misschien een beetje pech gehad. Uit de bestandsnaam leidt Bernie af dat hij misschien niet zo goed met computers overweg kan en zijn zoon moest vragen om zijn e-mail met cv te versturen.

    CV van Papa is volgens Bernie typerend voor de werkloze van 2014, deze tijd van bijscholing en specialisatie. Goed mogelijk dat er geen vraag meer is naar Papa’s vaardigheden. Dat zijn leven op zijn kop is gezet. Maar de economie krabbelt langzaam overeind. Hij wil zijn geluk weer beproeven.

    Bernie wil voor alle managementfuncties vier tot vijf kandidaten op gesprek vragen. Hij maakt een lijstje. Ook CV van Papa zet hij erbij. Die man is misschien niet handig met computers, maar hij wil hem toch een kans geven.

    ‘Ik heb veertien mensen die ik wel op gesprek wil vragen’, mailt hij naar het hoofd HR van zijn bedrijf. ‘Maak maar afspraken met hen.’

    Het enige wat Bernie wil, is mensen aannemen.

    Dit is wat Bernie te bieden heeft, zoals omschreven in de vacature die overal op websites staat:

    binnenkort opening van een nieuwe fabriek in fort recovery, ohio!!!

    Zoals iedereen weet die wel eens buiten de deur ontbijt, staan er steeds vaker eiwitproducten op het menu. Wie veel onderweg is, weet dat de meeste hotels een warm ontbijtbuffet aanbieden met verschillende kant-en-klare eierproducten of roerei. Voor al die producten moeten grote machines eerst de eierschalen breken.

    Wat Bernie verder te bieden heeft, is Fort Recovery.

    1430 inwoners. Een piepkleine gemeente vlak bij de grens met Indiana, omringd door maïs- en sojavelden en lange, lage kippenschuren. Een dorp met één hoofdstraat, een lunchmenu van $ 4,99 en een houten standbeeld van de lokale heldin Red-Haired Nance: in de strijd waar de naam van het dorp (‘Fort Herstel’) naar verwijst, is zij de indianen te lijf gegaan met in één hand een koekenpan en op haar andere arm een baby.

    Tot vorig jaar had Bernie nog nooit van het dorp gehoord. Hij runde een onderdelenfabriek in het noorden, in Green Bay, Wisconsin, toen hij werd gebeld door de baas van de holding, North Central Equity. ‘Bernie’, zei die, ‘ik kan de hand leggen op een miljoen kippen.’ Een eiersorteerbedrijf moest pluimvee kwijt, en dat bood een ideale kans om een eierbrekerij op te starten.

    Dus Bernie keek op Google Earth waar Fort Recovery lag: 700 kilometer verderop in Mercer County, de county met zo ongeveer het hoogste aantal eieren én de laagste werkloosheid van heel Ohio (4,3 procent, volgens de laatste gegevens). De vacature ging online, en toen Bernie van heinde en ver sollicitatiebrieven kreeg – van Columbus (werkloosheid 5,9 procent) tot Atlanta (7,9 procent) en Rancho Cucamonga in Californië (9,4 procent) – leek Fort Recovery wel een metafoor voor het economisch herstel van het hele land.

    Bernie Coyle legt Gloria Burns uit hoe het dateren van eieren werkt - © Michael S. Williamson/The Washington Post
    Bernie Coyle legt Gloria Burns uit hoe het dateren van eieren werkt – © Michael S. Williamson/The Washington Post

    Stevig herstel

    Dertien dagen na het doorspitten van de cv’s zit Bernie in de vergaderkamer van het stadhuis met drie stapeltjes papieren: het officiële sollicitatieformulier, een overzicht van de secundaire arbeidsvoorwaarden bij Perham Egg en de cv’s van de sollicitanten die vandaag op gesprek komen. Wie door zijn eerste selectie komt, wil hij eind van de week rondleiden in de fabriekshal.

    ‘Ik vraag altijd wat hen bijzonder maakt’, zegt hij. ‘Wat hen drijft.’

    Bernie is 62 en heeft inmiddels genoeg ervaring met het opstarten en runnen van bedrijven om te weten hoe je een cv moet lezen. Hij wil niet alleen weten wat mensen kunnen, hij wil ook zien hoe ze informatie verwerken. Hij gelooft in de managementfilosofie van lean thinking en in genchi genbutsu (Japans voor ‘gaan kijken’), een managementstijl die berust op nauwkeurige observatie. Hij schept niet graag op, maar vindt dat hij behoorlijk goed is in wat hij doet. ‘Met mijn slaggemiddelde haal je de Hall of Fame wel’, zegt hij dan.

    Hij woont met zijn vrouw in een voorstad van Philadelphia, aan de oostkust, maar sinds vorig jaar juli bivakkeert hij in het Holiday Inn. Hij eet elke avond dezelfde salade bij Wings & Rings. Van Bernie mag de nieuwe fabriek nu wel opengaan.

    ‘Het is vier over tien.’ Fronsend kijkt hij naar de klok aan de wand. De eerste sollicitant zou hier om tien uur zijn. ‘Geen goed begin. Hoe heette het op de universiteit ook weer?’ Hij maakt er een grapje van. ‘Academisch kwartiertje?’

    Om tien over tien is de sollicitant er nog steeds niet. Hij komt gewoon niet opdagen, voor een baan van 50.000 dollar per jaar. ‘Dit heb ik nog nooit meegemaakt’, zegt Bernie.

    Een paar uur later gebeurt het nog een keer.

    ‘Twee sollicitanten hebben verstek laten gaan’, zegt Bernie tegen Roberta Staugler, de financieel beheerder van de gemeente, die aan haar bureau in de foyer zit.

    ‘Dat meen je niet’, zegt ze.

    ‘En dit zijn goeie managementbanen.’

    ‘Niet te geloven.’

    Bernie telt het eens na: van de veertien sollicitanten die voor een gesprek zijn uitgenodigd, kwamen er twee niet opdagen, heeft er één vorige week afgezegd en hebben er twee helemaal niet op e-mails gereageerd. Er waren sollicitaties gekomen van mensen die zelfs vanuit Rancho Cucamonga wilden verkassen voor een goede baan, maar inmiddels heeft Bernie nog maar negen kandidaten voor vier vacatures.

    De twee mensen die vandaag wel op gesprek komen, zijn goede mensen die echter niet de kwalificaties hebben voor een leidinggevende functie.

    ‘Vertel me eens wie Barry is. Vertel eens wat jou bijzonder maakt’, zegt hij bemoedigend tegen een 37-jarige man met een vlezig gezicht, een vader van twee dochters.

    ‘Ik wil gewoon iets van mijn leven maken’, zegt Barry verlegen.

    ‘Wat maakt jou bijzonder?’ vraagt hij Ruth, die toegeeft dat ze waarschijnlijk niet geknipt is voor deze functie, maar dat ze op haar vierenvijftigste een baan met zekerheid wil.

    Aan het eind van de dag stapt Bernie in zijn Toyota, waar de rommel op de achterbank getuigt van het maandenlange pendelen tussen hier en thuis, en rijdt naar de fabriekshal. Daar hangt een geur van cement en klinkt geratel van drilboren. De verwarming is nog maar net gerepareerd en de internetverbinding is gammel. In een koelcel achterin staan metershoge stapels eieren, honderdduizenden eieren die wachten tot ze gebroken en verkocht kunnen worden.

    ‘Twee sollicitanten zijn niet komen opdagen’, zegt hij tegen Robyn Laird, de office manager van Perham Egg Ohio. Hij moet schreeuwen om boven het lawaai uit te komen.

    ‘Belachelijk’, brult ze terug.

    Dit is Robyns tweede werkdag. Bernie heeft haar vorige maand aangenomen. Robyn, die een jaar als serveerster heeft gewerkt nadat ze een eind had gemaakt aan een lastige situatie als werkneemster van haar ex; die Bernie, na zijn vraag wat haar bijzonder maakt, had verteld over haar vrijwilligerswerk met jongeren; die dankbaar was voor de baan als office manager. Die Robyn kan zich niet voorstellen dat iemand niet komt opdagen bij een sollicitatiegesprek. Op haar eerste werkdag stuurden haar ouders haar een bosje bloemen, blij dat hun dochter weer werk had, vertelt ze: ‘Gefeliciteerd met je nieuwe baan. Liefs, papa en mama.’

    ‘Ik zal het maar afkloppen, maar het herstel zet hier stevig door’, zegt Jared Ebbing, en hij klopt ook daadwerkelijk op zijn houten bureau in het gerechtsgebouw van Mercer County. Ebbing is districtshoofd economische ontwikkeling. ‘We hebben hier veel te bieden. We moeten alleen mensen vinden die op het platteland hun kans willen wagen.’

    Daarom heeft hij Hometown Opportunity opgezet, een website die mensen moet stimuleren werk te zoeken in Fort Recovery en omgeving. ‘Dit is geen achterlijke streek. Mensen denken dat je hier midden in de rimboe zit, maar we zitten juist supercentraal. Anderhalf uur rijden van Columbus, Dayton, Cincinnati, Indianapolis’, zegt hij, al is het in sommige gevallen eerder twee uur rijden.

    ‘We hebben meer dan 1400 vacatures op Hometown Opportunity gezet’, zegt Ebbing. ‘Ken je Ferguson? Dat is een soort Amazon voor loodgietersbenodigdheden.’ Ferguson heeft hier net een vestiging geopend en zoekt magazijnmedewerkers, inpakkers, monteurs, orderverzamelaars.

    Na haar tweede gesprek bieden Bernie Coyle (midden) en Tim Zueger (rechts) Gloria Burns een baan aan - © Michael S. Williamson/The Washington Post
    Na haar tweede gesprek bieden Bernie Coyle (midden) en Tim Zueger (rechts) Gloria Burns een baan aan – © Michael S. Williamson/The Washington Post

    Voorzichtig optimistisch

    Op de bowlingbaan van Fort Recovery praten mensen met elkaar over hun werk bij Ferguson, in een graankarfabriek van J&M, in een pluimveeslachterij of in een eiersorteerbedrijf. Natuurlijk, de streek heeft het zwaar te verduren gehad, in 2010 stond het werkloosheidscijfer hier op 9 procent, maar de landbouw bood houvast en iedereen is het erover eens: wie wil, kan nu weer werk vinden. Zo ziet herstel eruit, en dat is mooi om te zien. Behalve als je een eierbreekbedrijf wilt opzetten.

    Bernie praat met een slotenhandelaar over de beste sloten om het bedrijfspand te beveiligen.

    Bernie praat met de mannen van de riolering om te horen of die nu helemaal in orde is.

    Bernie heeft zeven kinderen, onder wie een zoon met spina bifida, die door bezuinigingen net zijn baan is kwijtgeraakt en iedere dag op zoek is naar nieuw werk.

    Bernie krijgt weer een afzegging van een veelbelovende sollicitant. Zo houdt hij nog acht gegadigden over.

    ‘Lieve hemel’, zegt Bernie. ‘Dit is krankzinnig.’

    Bernies ideaal is de handdruk. ‘Om de zaak te beklinken’, zegt hij. ‘Hand erop.’ Hij houdt van het ritueel, het directe contact. Als iemand op het tweede gesprek nog een goede indruk maakt, doet hij graag een salarisvoorstel, vraagt: ‘Hebben we een deal?’ en bezegelt het met een stevige handdruk.

    Na de teleurstellende eerste dag heeft hij alternatieven uitgebroed. Ruth en Barry zijn misschien niet geschikt voor managementwerk, denkt hij, maar het zijn wel harde werkers. Hij kan ze nog eens op gesprek vragen voor lagere functies. Dan heeft hij toch twee vacatures vervuld. Kan hij twee mensen de hand drukken.

    Het is weer woensdagochtend. Hij draagt een schoon Perham Egg-overhemd, keurig gestreken, en gaat naar het stadhuis voor de sollicitatiegesprekken van vandaag. Het eerste staat gepland voor tien uur, maar als hij om kwart voor tien aankomt, zit ze al te wachten: een kleine vrouw met rood haar, gekleed in een keurig broekpak en een map vol diploma’s en getuigschriften onder haar arm.

    ‘Bernie?’ Ze lacht en staat op. ‘Ik ben Gloria.’

    Gloria Burns wil hier werken. Ze wil bij Perham Egg Ohio toezien op de naleving van de Safe Quality Food-norm (SFQ). Ze heeft in het weekend informatie over het bedrijf opgezocht. Ze heeft kopieën bij zich van haar cv, dat ze onlangs heeft verbeterd met behulp van tips uit een door haar kerk georganiseerde workshop. Ze houdt in de gaten dat ze Bernie in de ogen kijkt als ze hem een hand geeft.

    ‘Vertel eens wat jou bijzonder maakt’, zegt Bernie. ‘Vertel eens waarom je deze baan zo ziet zitten.’

    ‘Ik ga hier helemaal voor, omdat ik al vijfentwintig jaar in de kwaliteitscontrole zit’, zegt Gloria. ‘Voedselveiligheid is een van de belangrijkste dingen die je je klanten moet geven.’

    Bernie wordt filosofischer dan in de andere sollicitatiegesprekken: ‘Denk je dat controles een product kwaliteit kunnen geven?’

    ‘Goeie vraag’, knikt ze. ‘Met controle kun je geen kwaliteit toevoegen. Die moet er al in zitten.’

    Bernie maakt een aantekening op haar sollicitatieformulier en vraagt waarom de SQF-functie haar interesseert.

    ‘Ik ben op zoek naar een nieuwe baan. Omdat mijn vorige dienstverband werd beëindigd. Ik treur daar verder niet om of zo.’

    ‘Werd het beëindigd omdat het bedrijf stopte?’

    ‘Nee, ze stopten alleen met mij. Ik moest weg.’

    Het kwam door een verandering in het management, legt ze uit, maar vóór haar ontslag had ze met haar kwaliteitscontrole wel een score van 98 procent gehaald. Dat is vier maanden geleden. Sindsdien is ze druk bezig nieuw werk te vinden, en deze baan, met een salaris vanaf 45.000 dollar (wat lager dan de bijna 55.000 die ze gewend was), trekt haar wel.

    Na het gesprek rijdt Gloria terug naar de boerderij waar ze woont, in het naburige Darke County (werkloosheid 6,1 procent), naar haar man die in de fabriek van Kitchen-Aid werkt, naar haar leven dat ze sinds het ontslag met zo veel mogelijk activiteiten heeft gevuld om iets om handen te hebben. Ze geeft les op de zondagsschool. Ze is vrijwilligster op de school van haar kleinzoon. Ze studeert online voor haar hbo-diploma, ze doet een paar klussen als schoonmaakster en ze verzorgt haar kippen, waarvan ze de eieren niet breekt maar met een bord aan de kant van de weg te koop aanbiedt.

    Ze is voorzichtig optimistisch.

    De omgeving van Fort Recovery - © Michael S. Williamson/The Washington Post
    De omgeving van Fort Recovery – © Michael S. Williamson/The Washington Post

    Vacature vervuld

    Na dit gesprek zit Bernie nog een tijdje te wachten op de zoveelste sollicitant die niet komt opdagen, zodat hij nog maar zeven gegadigden overhoudt.

    Dan volgt de lunch, en tot slot om drie uur ’s middags een laatste afspraak. Op de wandklok kruipen de wijzers vooruit. Vijf over drie. Tien over. Kwart over. Net als hij er een punt achter wil zetten, gaat de deur open: een oudere man, met een geruit overhemd en een snor. Daar is CV van Papa.

    ‘Had je moeite om hier te komen?’ vraagt Bernie, met een veelbetekenende blik op de klok.

    ‘Nee, leuk tochtje.’

    CV van Papa verontschuldigt zich niet dat hij te laat is. Hij zegt dat hij zichzelf beschouwt als een ‘productiviteits- en verbeteringsspecialist’, een zelfbedacht specialisme. Hij zegt dat hij een kwakkelende hotdogfabriek ooit uit het slop haalde door op kantoor een hele wand groen te verven en er met grote blokletters the a-team op te schilderen. Het idee daarachter, legt hij uit, was dat het zijn medewerkers zou aansporen het A-team van de hotdogwereld te worden. CV van Papa zegt dat hij ‘een harde werker en een gezelligheidsmens’ is. Het salaris dat hij voorstelt ligt 15.000 tot 25.000 dollar hoger dan het salaris dat in de vacature stond vermeld.

    Bernies ogen knipperen even achter zijn brillenglazen. ‘Is dat wat je wil?’

    ‘Deanna, Bernie hier. Ik weet dat ik te laat ben voor onze conference call.’

    De dag na het laatste sollicitatiegesprek belt Bernie met HR om de stand van zaken door te geven.

    ‘In omgekeerde volgorde: de laatste kwam een kwartier te laat, vond zichzelf geweldig en wil een astronomisch salaris. Die hoeft niet terug te komen.’

    Francella kwam niet opdagen, somt Bernie op. James kwam niet opdagen. Hij wil Gloria nog eens uitnodigen voor de functie van SFQ-controleur, maar hij heeft nog niemand voor de functie van productiemanager. Dat is de hoogste functie die hij te vergeven heeft, met een salaris van 60.000 tot 70.000 dollar voor iemand met de juiste kwalificaties.

    Bernie ziet zichzelf graag als een coach die een honkbalteam moet samenstellen. Het aantal functies ligt vast, met de kandidaten kan hij wel een beetje schuiven. Kan de man die voor het eerste honk solliciteerde misschien ook als veldspeler worden opgesteld? En de werper?

    Hij kijkt naar de kalender aan de wand van het stoffige kantoortje in het lawaaiige bedrijfspand. ‘1 juni’, zegt hij tegen Deanna. ‘1 juni.’

    Gloria is twintig minuten te vroeg voor haar tweede gesprek.

    Ze hebben afgesproken bij de fabriekshal. Bernie heeft net geluncht bij de bowlingbaan en vanochtend voor de zoveelste keer ontbeten in het hotel. Hij eet meestal havermout. Zijn dokter heeft hem gewaarschuwd voor cholesterol. Bernie eet eigenlijk geen eieren.

    Hij heeft zijn collega Tim Zueger gevraagd mee te lopen op zijn rondleiding. Een extra paar ogen om te kijken hoe Gloria reageert.

    Tim, die al heel zijn leven in de eieren werkt, loopt achter de andere twee aan. Bernie en Gloria praten over het belang van hygiëne.

    ‘Werk je in drie shifts?’ vraagt Gloria.

    ‘Twee.’

    ‘En de derde is louter schoonmaken?’

    ‘Van onder tot boven’, bevestigt hij.

    ‘Mooi. Dat zie ik graag.’

    Bernie neemt haar mee naar een halfvoltooide aanbouw aan de zijkant van het gebouw. ‘Hier heb ik het werk laten stilleggen. Waarom denk je?’

    ‘Schimmel’, zegt ze, en ze wijst naar een vale grijze rand langs de vloer.

    ‘Precies.’

    Na de rondleiding laat Bernie haar even achter bij een stuk muur waar ze uitzicht heeft op een zee van beton en afzettingslint, en de enorme ruimte waar over twee maanden miljoenen en miljoenen eieren gebroken moeten worden. Twintig meter verderop overlegt hij met Tim. Vijf minuten later komt hij terug met een voorstel.

    ‘Zou je het ook zien zitten’, vraagt hij, ‘om de boel te runnen?’

    Hij wil haar niet de baan geven waarop ze gesolliciteerd heeft. Hij wil haar een betere baan geven, hij wil haar de baas maken.

    ‘Dat… dat is geweldig.’ Als dit niets was geworden, was ze weer aan de slag gegaan als serveerster of had ze wel iets anders gevonden, dacht ze bij zichzelf. Ze vond wel dat het gesprek goed ging, maar zo’n aanbod, zo snel, had ze niet verwacht.

    Bernie zegt dat hij haar naar een andere vestiging in Minnesota wil sturen om haar in te werken, liefst volgende week al. ‘Hebben we een deal?’ vraagt hij.

    Gloria zegt dat ze alle papieren nog wil doornemen, en ze moet de reis nog boeken, en…

    ‘Hebben we een deal?’ vraagt hij weer, en steekt zijn hand uit.

    Dan lacht ze en knikt.

    Weer een vacature vervuld. Er staan er nog genoeg open. Maar dit is weer een stap in het herstel van de economie.

    ‘Hand erop?’ zegt Bernie. ‘Hand? Hand.’

    Auteur: Monica Hesse
    Vertaler: Frank Lekens

    The Washington Post
    Verenigde Staten, dagblad, oplage 700.000
    Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.

  • Mijn geliefde vijand

    Mijn geliefde vijand

    Sinds de Amerikaanse invasie van Irak in 2003 wonen honderdduizend Irakezen in de Verenigde Staten. In de webdocumentaire My beloved enemy van Claire Jeantet en Fabrice Catérini vertellen de vluchtelingen vanuit Detroit, Boston en Las Vegas over hun gedwongen vertrek en hun nieuwe leven in de Verenigde Staten.

    (_My beloved enemy _is geoptimaliseerd voor de browser Google Chrome.)