Tag: voeding

  • Junkfood is toe aan een nieuwe definitie

    Junkfood is toe aan een nieuwe definitie

    Ons dieet bestaat voor een steeds groter gedeelte uit ultrabewerkte producten. Dat is niet bepaald goed voor de gezondheid. Maar voor veel mensen is ‘echt eten’ onbetaalbaar. Volgens de Britse arts infectie­ziekten Chris van Tulleken ligt hier een taak voor de overheid.

    Het lijkt misschien raar, maar toch is het echt zo: wereldwijd is niet langer tabak, maar voedsel de belangrijkste oorzaak van een vroegtijdige dood. Jaarlijks sterven in de Verenigde Staten meer mensen aan ziekten die zijn veroorzaakt door slechte voeding dan er soldaten zijn gesneuveld in alle Amerikaanse oorlogen bij elkaar. In het Verenigd Koninkrijk is de situatie al net zo ernstig.

    Volgens officiële bronnen zijn de gezondheidseffecten van voedsel direct gerelateerd aan de voedingswaarde ervan, dus de hoeveelheid vet, zout, suiker en vezels die het bevat. In het huidige systeem is het aan de consument om de uitgebreide informatie op de verpakking te lezen en op basis van de aanbevolen hoeveelheden te beslissen wat een geschikte portie is. Als je kinderen hebt, moet je die hoeveelheden ook voor hen kunnen inschatten. Voor de meeste mensen is dat vrijwel onmogelijk – maar zelfs als je precies zou kunnen berekenen hoeveel vet, zout en suiker je per hap binnenkrijgt, zou je nog steeds voorbijgaan aan een cruciale factor: in hoeverre het voedsel bewerkt is.

    Bewerkt voedsel

    Misschien klinkt dit je allemaal bekend in de oren, want mensen maken zich al lange tijd zorgen over ‘bewerkt voedsel’. Toch is dat niet altijd een duidelijk begrip geweest: we bewerken immers al honderdduizenden jaren voedsel. Het menselijk dieet is uitgevonden door huishoudelijk deskundigen, voornamelijk vrouwen, die planten en dieren bewerkten door ze te malen, schudden en stampen; of die ze transformeerden door ze te fermenteren en te verwarmen, waarna ze ze pekelden, rookten en droogden om ze te conserveren. Voedselbewerking heeft bijna elk onderdeel van het menselijk lichaam beïnvloed: van alle dieren met onze omvang hebben wij de kortste darmen, omdat we de darmfunctie deels hebben uitbesteed aan onze keuken. We zijn de enige diersoort die zijn voedsel moet bewerken om te overleven. Voedselbewerking is dus prima.

    Maar iets meer dan tien jaar geleden stuitte een groep wetenschappers op een paradox in de gegevens van Braziliaanse voedingsonderzoeken. Obesitas was uitgegroeid van een zeldzame kwaal tot het grootste volksgezondheidsprobleem van het land, terwijl mensen minder olie en suiker kochten dan voorheen. Wel aten ze meer industrieel bewerkt voedsel: koekjes, geëmulgeerd brood, snoepgoed enzovoort. Het team ontwikkelde een definitie die onderscheid maakt tussen enerzijds traditionele levensmiddelen, al dan niet bewerkt, en anderzijds industrieel bewerkte producten, die ze ultra processed foods [ultrabewerkt voedsel] noemden, kortweg UPF’s.

    De volledige definitie is pagina’s lang, omdat er zo veel verschillende producten onder vallen. Maar als je wilt weten of iets een UPF is, is een goede vuistregel dat het veelal in plastic is verpakt en een ingrediënt bevat dat je niet in een doorsneekeuken aantreft. Dankzij de uitgewerkte definitie kon de hypothese van het Braziliaanse team – dat UPF’s de oorzaak zijn van gezondheidsproblemen – worden getest. Er zijn inmiddels honderden wetenschappelijke onderzoeken die UPF’s op overtuigende wijze in verband brengen met gewichtstoename, beroertes, hartaanvallen, kanker, diabetes type 2, een hoge bloeddruk, leververvetting, chronische darmontsteking, depressie, dementie en een vroegtijdige dood.

    Volproppen met UPF’s

    UPF’s zijn in het Verenigd Koninkrijk goed voor zo’n 60 procent van de calorieën die we binnenkrijgen, en dat cijfer ligt voor jongeren nog hoger. Onze Britse eetcultuur draait inmiddels zodanig om UPF’s dat we onze kinderen ermee volproppen. Veel UPF’s staan al bekend als ‘junkfood’, maar het traditionele beeld dat daarbij hoort – patat, chips, frisdrank – moet worden bijgesteld. Supermarktbrood, ontbijtgranen, verpakte snacks, bewerkte vleesproducten en diepvriesmaaltijden vallen er eigenlijk ook allemaal onder. En pas op: veel UPF’s worden op de markt gebracht als producten die gezond en voedzaam zijn, of die je zelfs kunnen helpen afvallen.

    Additieven en textuur

    Onderzoek toont nu aan dat UPF’s niet alleen schadelijk zijn omdat ze zout, vet, suikerrijk en vezelarm zijn; het simpele feit dat ze bewerkt zijn, is de boosdoener. Als je goed naar de ingrediënten kijkt, zul je zien dat de meeste UPF’s zijn gemaakt van basisgewassen zoals maïs of soja, die zijn gereduceerd tot hun meest elementaire moleculen (eiwitisolaten, geraffineerde oliën en gemodificeerde koolhydraten). Deze worden vervolgens opnieuw samengevoegd en voorzien van additieven, om het voedsel in elke gewenste vorm of textuur te kunnen produceren.

    De manipulatie van de textuur van het voedsel is een belangrijk deel van het probleem. UPF’s zijn vaak erg zacht en droog. Met behulp van gommen en oliën wordt vochtigheid nagebootst, maar het watergehalte is laag zodat de producten lang houdbaar blijven. Dat zorgt ervoor dat ze een zeer hoge energiedichtheid hebben, wat er, in combinatie met de zachte textuur, voor zorgt dat je (te) snel eet. De systemen die ons lichaam in de loop van miljoenen jaren heeft ontwikkeld om een vol gevoel te signaleren, kunnen dat niet bijhouden. Er zijn veel mogelijke verklaringen voor de schade die UPF’s veroorzaken.

    Stofwisseling

    Fruit en groenten zijn bijvoorbeeld complex: ze bevatten tienduizenden fytochemicaliën, moleculen die essentieel zijn voor gezonde voeding. In UPF’s is het aantal fytochemicaliën drastisch verminderd. En veel van de gebruikte additieven (zoals emulgatoren, smaakversterkers en zoetstoffen) hebben directe ongewenste effecten op onze stofwisseling en ons microbioom.
    Vanuit wetenschappelijk oogpunt is dit allemaal fascinerend. Achterhalen wat UPF’s precies zo schadelijk maakt is belangrijk. Maar voor de volksgezondheid is het nuttiger om je af te vragen waarom ze überhaupt in de schappen liggen. Culinair deskundigen in de prehistorie vonden voedselproducten uit om hun gezin en hun omgeving te voeden.

    Een economisch voedselsysteem waarin het draait om winst

    Ultrabewerkt voedsel daarentegen is onderdeel van een economisch voedselsysteem waarin het draait om winst. Hierdoor persen we werkelijk elk verhandelbaar ingrediënt uit dingen die niet eens voor menselijke consumptie worden verbouwd: soja-eiwitisolaat, maïssiroop en gemodificeerd zetmeel zijn allemaal afkomstig van gewassen die op grote schaal worden verbouwd om dieren te voeden. Ons voedsel ondergaat decennialange cycli van productontwikkeling en -marketing; om de producten onweerstaanbaar te maken laten producenten ze steeds meer bewerkingsprocessen doorlopen en voegen ze steeds meer ingrediënten toe. Onderzoek wijst uit dat sommige UPF’s voor veel mensen, waaronder ikzelf, even verslavend zijn als sigaretten en andere drugs.

    Multinationals

    Voedsel dat is ontwikkeld door multinationals die uit zijn op winst doet iets anders met ons lichaam dan een maaltijd die is bereid door iemand die van ons houdt. Dat is misschien niet verrassend, maar het heeft lang geduurd voordat we het met zekerheid konden aantonen. Inmiddels raken onafhankelijke wetenschappers van toonaangevende instellingen zoals University College London, waar ik werk, er steeds meer van overtuigd dat ultra-processing een belangrijke motor is van de gezondheidsproblemen waaraan zo veel mensen lijden.

    Echt voedsel

    Dus wat moeten we doen? Nationale voedingsadviezen moeten niet alleen waarschuwen tegen zout, vet en suiker, maar ook tegen UPF’s. Dat lijkt een kleine stap, maar die is van cruciaal belang. Vervolgens moeten we voorzichtig te werk gaan. Voor veel mensen zijn UPF’s het enige betaalbare voedsel dat beschikbaar is. Beleidsveranderingen moeten voorkomen dat de kansarme groepen die het kwetsbaarst zijn voor de gevolgen ervan verder worden gestigmatiseerd. Het zou enorm helpen om de marketing van deze producten, vooral aan kinderen, te beperken. En we moeten ervoor zorgen dat alles wat in instellingen zoals scholen, ziekenhuizen en gevangenissen wordt geserveerd echt voedsel is. Uiteindelijk zullen we, net als bij tabaksproducten, moeten inzien dat een waarschuwing op de verpakking noodzakelijk is. En er zijn bredere inzichten die we in acht moeten nemen. We weten dat mensen die het kunnen betalen ook daadwerkelijk gezonder eten. Als we de gevolgen van UPF’s – gewichtstoename, diabetes en hartaanvallen – willen beperken, moeten we de oorzaken aanpakken waardoor ze voor veel mensen de enige optie zijn: armoede en ongelijkheid.

  • De strijd van een Britse voedseljournalist tegen onjuiste inflatiecijfers

    De strijd van een Britse voedseljournalist tegen onjuiste inflatiecijfers

    Jack Monroe, bekend van recepten en voedingsblogs voor mensen met een klein budget, heeft de strijd aangebonden tegen inflatie. Althans, tegen de onjuiste berichtgeving daarover. Want arme huishoudens worden veel harder getroffen dan algemeen wordt aangenomen, aldus de journalist.

    Het is de afgelopen dertig jaar nog niet eerder voorgekomen en het einde lijkt nog niet in zicht: afgelopen december bedroeg de inflatie in het Verenigd Koninkrijk 5,4 procent. De prijsstijgingen treffen veel essentiële sectoren in het hele land: onder meer energie, vastgoed en voeding. ‘De grens van 5 procent, die door de Bank of England pas voor april werd verwacht, werd zes maanden ervoor al overschreden’, schrijft The New Statesman, ‘en ook in de VS bedraagt de consumentenprijsinflatie al meer dan 7 procent, het hoogste niveau in meer dan veertig jaar’.

    Deze hoge percentages zijn schrikwekkend, maar ze geven volgens voedseljournalist Jack Monroe geen volledig beeld van het effect van de stijgende prijzen. De drieëndertigjarige journalist, die in Groot-Brittannië bekend werd met haar recepten voor de kleine portemonnee, werd begin januari wakker in haar woonplaats Southend, luisterend naar Radio Four. Het programma Today meldde dat de inflatie vorig jaar met 5,4 proecnt was gestegen. Voor Monroe klopte er iets niet. ‘Dat cijfer van 5,4 procent begon me echt te irriteren omdat het niet representatief is voor mijn ervaring en voor de ervaringen van miljoenen andere mensen’, zei Monroe tegen The Sunday Times, die met haar sprak nadat ze er een tweet over had gepost die vervolgens leidde tot duizenden views en tot nog veel meer.

    344 procent

    Volgens haar berekeningen tast de inflatie de portemonnee van kansarme gezinnen veel sterker aan dan van meer gefortuneerden, zeker aan de kassa van de supermarkt. ‘Door de kosten voor haar recepten te vergelijken en met bewaarde kassabonnen ter ondersteuning, had Jack Monroe een overzicht van de laagste prijzen en van producten met een goede prijs-kwaliteitverhouding van alle grote supermarkten sinds 2012’, aldus het Londense weekblad. ‘Een jaar geleden kostte 500 gram pasta in haar plaatselijke supermarkt 29 pence, vergeleken met 70 pence vandaag; een stijging van 141 procent. De laagste prijs voor boontjes steeg met 45 procent, de prijs voor rijst steeg 344 procent. In haar stad Southend (ten oosten van Londen) kostte de inhoud van een winkelmandje in 2012 10 pond (12 euro). Tien jaar later moest voor diezelfde inhoud 17,11 pond (20,54 euro) worden neergeteld. ‘En dat terwijl de lonen en uitkeringen niet voldoende zijn gestegen om dit te compenseren’, aldus de blogger.

    Jack Monroe was destijds werkloos en woonde alleen met haar tweejarige zoon. ‘Ze moest het voor elkaar boksen om met een kleine beurs te koken’, schrijft The Sunday Times, en zo kreeg het idee van ‘bezuinigingsrecepten’ vorm, evenals haar strijd tegen voedselonzekerheid waarmee veel mensen in Groot-Brittannië moeten leven.

    ‘De reden dat de rijken zo rijk zijn, is dat ze er in feite in slagen om minder uit te geven’

    ‘Jack Monroe heeft geen ongelijk’, erkent The Financial Times. Volgens de krant maken de uitgaven van de rijkste huishoudens een onevenredig groot deel uit van de totale uitgaven in het VK. ‘Daarom berust het inflatiecijfer sterk op hun koopgedrag.’ Tegelijkertijd, aldus de krant, ‘is het logisch dat de armste huishoudens, die een groter deel van hun inkomen besteden aan noodzakelijke zaken als voedsel of energie, het moeilijker hebben om de stijging van de voedselprijzen te kunnen behappen.’ De voor april geplande stijging van de gasprijzen zal die neerwaartse spiraal alleen nog maar aanwakkeren, verwacht de krant.

    Monroe verwoorde het in The Observer zelf als volgt: ‘Een verzameling van zevenhonderd vooraf gespecificeerde goederen, waaronder lamsbout, slaapkamermeubels, een televisie en champagne, lijkt een bot en duister komisch instrument om de impact van gestegen supermarktprijzen in kaart te brengen, in een land waar twee en een half miljoen burgers in wanhopige omstandigheden zich in het afgelopen jaar gedwongen zagen om zich tot voedselbanken te wenden.’

    De laarstheorie

    Met haar tweets en de artikelen die in de pers aan haar analyse werden gewijd, trok Monroe de aandacht van het Office for National Statistics (ONS), de instantie die verantwoordelijk is voor de publicatie van de inflatiecijfers. ‘Ze werd uitgenodigd voor een gesprek’, aldus The Financial Times, ‘en vervolgens heeft de ONS besloten om zijn methode voor het berekenen van de prijsontwikkeling van verschillende voedingsmiddelen te herzien, door te kijken naar veel meer factoren.’ Tegelijkertijd besloot Monroe een eigen index te lanceren, genaamd Vimes Boots Index, met als doel om ‘de verraderlijke prijsstijging van de meest elementaire basisbehoeften in de supermarkt’, zo goed mogelijk vast te leggen, schreef ze in The Observer.

    De naam Vimes Boots Index, die ze aan haar index gaf, is rechtstreeks geïnspireerd op de geschriften van de Brit Terry Pratchett, een van haar favoriete auteurs. In zijn boek Men at Arms, lanceert de hoofdpersoon, Sam Vimes, een analyse van sociaal-economische ongelijkheid aan de hand van het voorbeeld van laarzen. Die analyse gaat ervan uit ‘dat de rijken het zich kunnen veroorloven om dure, duurzame laarzen te kopen, en daardoor op de lange termijn geld besparen in vergelijking met goedkope laarzen die snel verslijten’ en die daarom dus regelmatig moeten worden vervangen. ‘De reden dat de rijken zo rijk zijn, volgens Vimes, is dat ze er in feite in slagen om minder uit te geven.’

    Die theorie is tot op zekere hoogte van toepassing op kant-en-klaarmaaltijden die in verschillende Britse supermarkten worden aangeboden. De prijzen daarvoor, onbetaalbaar voor de armste huishoudens, ‘zijn min of meer stabiel gebleven’, aldus Jack Monroe. ‘Als zo’n maaltijd van 10 pond in hetzelfde tempo was gestegen als de goedkoopste rijst, zou die nu 44 pond kosten’, rekende ze voor in The Sunday Times. ‘En ik denk dat we dan in dit land een revolutie zouden zien, of iets wat daarbij dicht in de buurt zou komen.’

    Lees ook:

  • Kan de aarde 10.000.000.000 mensen voeden?

    Kan de aarde 10.000.000.000 mensen voeden?

    In 2050 zullen er naar verwachting tien miljard mensen op aarde wonen. Over hoe we die allemaal te eten moeten geven, werd een eeuw geleden ook al nagedacht. Twee groepen stonden tegenover elkaar: de profeten, en de tovenaars. Oftewel: de doemdenkers en de techoptimisten.

    Dit artikel verscheen eerder in #136

    Alle ouders herinneren zich nog het moment dat ze voor het eerst hun baby in hun armen hielden – dat verkreukelde gezichtje, het gloednieuwe mensje dat je vanonder de ziekenhuisdeken aankijkt. Ik strekte mijn handen uit en drukte mijn dochter tegen me aan. Ik was zo overweldigd dat ik nauwelijks meer tot denken in staat was.

    Later liep ik naar buiten, om moeder en kind te laten slapen. Het was drie uur in de ochtend, eind februari in New England. Het trottoir was glad en er viel een ijzige motregen. Net toen ik wilde oversteken kwam er een gedachte in me op: wanneer mijn dochter zo oud is als ik nu, lopen er op aarde zo’n tien miljard mensen rond. Abrupt hield ik stil. Ik dacht: ‘Hoe moet dat?’

    In 1970, toen ik op de middelbare school zat, leed ongeveer een op de vier mensen honger – of was ‘ondervoed’, om de term van de Verenigde Naties te gebruiken. Nu is dat cijfer gedaald naar ongeveer een op de tien mensen. In die vierenhalve decennia is de gemiddelde levensduur van mensen wereldwijd met meer dan elf jaar toegenomen; een verbijsterende stijging, die zich voornamelijk voltrok in arme gebieden. Honderden miljoenen inwoners van Azië, Latijns-Amerika en Afrika zijn de armoede ontstegen en behoren nu tot een middenklasse. Die welvaartsgroei is niet gelijkelijk of rechtvaardig verdeeld: miljoenen en miljoenen mensen zijn nog steeds níét welvarend. Toch is zo’n toename van rijkdom nooit eerder voorgekomen. Niemand weet of deze groei kan doorgaan en of onze huidige welvaart houdbaar is.

    Vervangingsniveau

    Op dit moment heeft de wereld 7,6 miljard inwoners. De meeste demografen verwachten dat het er rond 2050 zo’n tien miljard zullen zijn. Daarna gaat de bevolkingsaanwas waarschijnlijk afvlakken. Als soort zijn we dan op ‘vervangingsniveau’: gemiddeld krijgt elk stel dan precies genoeg kinderen om zichzelf te vervangen. Ondertussen, zeggen economen, moet de ontwikkeling van de wereld doorgaan, hoe ongelijk verdeeld ook. Dat betekent dat wanneer mijn dochter zo oud is als ik nu, een aanzienlijk percentage van de tien miljard mensen op de wereld tot de middenklasse behoort.

    Net als alle ouders wil ik graag dat mijn kinderen een prettig leven hebben als ze volwassen zijn. Maar op de parkeerplaats van het ziekenhuis leek die kans me opeens heel klein. Tien miljard monden, dacht ik. Nog eens drie miljard middenklassers erbij met trek. Hoe kan die trek ooit gestild worden? En dat is nog maar een deel van de vraag. De hele vraag is: hoe kunnen we iedereen geven wat hij nodig heeft zonder de planeet onleefbaar te maken?

    William Vogt en Norman Borlaug schreven de blauwdruk voor onze huidige milieudiscussies

    Terwijl mijn kinderen opgroeiden, boden mijn journalistieke opdrachten me de gelegenheid om van tijd tot tijd met deskundigen uit Europa, Azië en de Amerika’s over deze vragen te praten. In de loop van deze gesprekken begon ik in te zien dat de antwoorden onder te verdelen zijn in twee brede categorieën. Deze categorieën zijn (althans, naar mijn idee) terug te voeren op twee mensen, allebei Amerikanen, uit de twintigste eeuw. Deze twee hebben elkaar nauwelijks gekend en hadden geen hoge pet op van elkaars werk. Maar ze zijn voor een groot deel verantwoordelijk voor het ontstaan van de intellectuele blauwdrukken die instellingen over de hele wereld vandaag de dag als uitgangspunt nemen voor hun zoektocht naar oplossingen voor onze dilemma’s op het gebied van milieu. Helaas geven hun blauwdrukken volkomen verschillende antwoorden op de vraag hoe we moeten overleven. Die twee mensen waren William Vogt en Norman Borlaug.

    Vogt, geboren in 1902, legde de basis voor de ideeën van de moderne milieubeweging. In het bijzonder stichtte hij het ‘apocalyptisch milieuactivisme’ zoals hoogleraar Bevolkingswetenschap Betsy Hartmann van Hampshire College het heeft genoemd – de overtuiging dat de mensheid de mondiale ecosystemen zal vernietigen, als ze niet drastisch haar consumptie terugdringt en de bevolkingsaanwas tegengaat. In zijn veel verkochte boeken en hartstochtelijke toespraken betoogde Vogt dat de welvaart niet onze grootste verdienste is, maar ons grootste probleem. Als we meer van de aarde blijven nemen dan dat ze kan geven, zei hij, is het onvermijdelijke resultaat grootschalige, wereldwijde vernietiging. ‘Minderen! Minderen!’ was zijn mantra.

    Borlaug, die twaalf jaar na Vogt werd geboren, werd het symbool van het ‘techno-optimisme’ – de opvatting dat wetenschap en technologie, als ze op de juiste manier worden toegepast, zullen zorgen voor een uitweg uit onze problemen. Hij was de bekendste figuur in het onderzoeksgebied waaruit in de jaren zestig de Groene Revolutie voortkwam, die combinatie van hoogrenderende gewassen en nieuwe landbouwtechnieken die ervoor zorgde dat de graanoogsten over de hele wereld sterk toenamen en zo tientallen miljoenen mensen behoedde voor de hongerdood. Welvaart was voor Borlaug niet het probleem maar de oplossing. Alleen door rijker te worden en meer kennis te vergaren kan de mensheid de wetenschap scheppen die onze milieuproblemen kan oplossen. ‘Innoveren! Innoveren!’ was zijn oproep.

    magazijn 1
    Rijen groenten in AeroFarms’ indoor vertical farming facility in Newark, Verenigde Staten. – Bryan Anselm / HH

    Beide mannen vonden dat ze nieuwe wetenschappelijke kennis aanwendden in de strijd tegen de mondiale crisis. Maar daarmee houdt de gelijkenis op. Voor Borlaug was de menselijke vindingrijkheid de oplossing voor onze problemen. Eén voorbeeld: als boeren de geavanceerde methoden van de Groene Revolutie gebruikten om hun opbrengsten per hectare te vergroten, zouden ze volgens hem niet meer zo veel hectaren hoeven te bebouwen. Dit idee heet in wetenschappelijke kringen nu de ‘Borlaug-hypothese’.

    De opvattingen van Vogt stonden hier lijnrecht tegenover. Hij zag de oplossing in het gebruiken van ecologische kennis voor schaalverkleining. In plaats van meer graan verbouwen om meer vlees te produceren, moet de mensheid ‘lager aan de voedselketen eten’, zoals Vogts navolgers het uitdrukken, om zo de druk op de ecosystemen van de aarde te verlichten. Op dit punt verschilde Vogt van mening met zijn voorganger, Robert Malthus, en diens bekende voorspelling dat samenlevingen onvermijdelijk door hun voedselvoorraad heen raken omdat ze altijd te veel kinderen zullen krijgen. Vogt gaf een andere wending aan de discussie en zei dat we straks misschien wel genoeg voedsel kunnen telen, maar dat de prijs daarvoor de vernietiging van de mondiale ecosystemen zal zijn.

    Tovenaars en profeten

    Ik noem de aanhangers van deze twee opvattingen voor mezelf de ‘Tovenaars’ en de ‘Profeten’. De Tovenaars, die het model van Borlaug aanhouden, ontdekken nieuwe technologische oplossingen; de Profeten, die naar Vogt kijken, wijzen op de gevolgen van onze roekeloosheid.

    Borlaug en Vogt bevonden zich tientallen jaren lang in dezelfde kringen, maar spraken zelden over elkaar. Hun eerste en enige ontmoeting, halverwege de jaren veertig, leidde tot een meningsverschil, en onmiddellijk daarna deed Vogt pogingen om het werk van Borlaug stop te laten zetten. Voor zover ik weet hebben ze daarna nooit meer een woord gewisseld. Allebei verwezen ze in openbare speeches naar de ideeën van de ander, maar ze noemden nooit elkaars naam. Vogt hekelde de anonieme wetenschappers die de problemen van de wereld alleen maar verergerden en die volgens hem ‘deluded’ (misleid) waren. Borlaug noemde zijn tegenstanders ‘Luddites’.

    Beide mannen zijn inmiddels overleden, maar de strijd tussen de twee stromingen is alleen maar feller geworden. In de ogen van de Tovenaars is de nadruk die de Profeten op minder consumeren leggen oneerlijk, onverschillig tegenover de armen, zelfs racistisch (omdat de meeste mensen die honger lijden niet-blank zijn). De lijn van Vogt, zeggen zij, is een weg naar achteruitgang, beperking, armoede en honger – naar een wereld waarin miljarden mensen in ellende leven ondanks de wetenschappelijke kennis die hen zou kunnen bevrijden. Profeten zeggen misprijzend dat het geloof van de Tovenaars in de vindingrijkheid van de mens onnadenkend en dom is, en zelfs ingegeven wordt door hebzucht (omdat de weigering om over de ecologische grenzen heen te gaan slecht zou zijn voor de winsten van grote bedrijven). Hoog-intensieve industriële landbouw à la Borlaug kan op de korte termijn misschien succesvol zijn, maar uiteindelijk zal de ecologische afrekening des te harder aankomen, zeggen de Profeten. De uitputting van bodem en watervoorraden door roekeloos overmatig gebruik leidt tot de ecologische ineenstorting, die op zijn beurt wereldwijde maatschappelijke aardschokken zal veroorzaken.

    Tovenaars stellen daar tegenover: Dat is precies de wereldwijde humanitaire crisis die wij voorkomen! Beide partijen slingeren elkaar steeds heftiger beschuldigingen naar het hoofd en de dialoog over het milieu is verworden tot een serie woedende monologen, waarbij geen van beide partijen bereid is de ander iets toe te geven. Dat zou nog tot daaraan toe zijn, ware het niet dat het over het lot van onze kinderen ging.

    We-gaan-er-allemaal-aanboek

    Vogt manifesteerde zich voor het eerst in 1948, met de publicatie van Road to Survival, het eerste moderne we-gaan-er-allemaal-aanboek. Daarin introduceerde hij het begrip ‘draagkracht’, dat de basis vormt van de huidige milieubeweging. Draagkracht, vaak ook ‘ecologische beperkingen’ of ‘de grenzen van de planeet’ genoemd, houdt in dat elk ecosysteem een grens heeft aan wat het kan produceren. Overschrijd die grens te lang en het ecosysteem wordt verwoest. Naarmate het aantal mensen toeneemt, zo schrijft Vogt in Road to Survival, zal onze behoefte aan voedsel de draagkracht van de aarde te buiten gaan. De gevolgen zullen rampzalig zijn: erosie, verwoestijning, uitputting van de grond, het uitsterven van soorten en besmetting van water, en dat alles zal vroeg of laat tot enorme hongersnoden leiden. Schrijvers als Rachel Carson (auteur van Silent Spring en een vriendin van Vogt) en Paul Ehrlich (auteur van The Population Bomb) schaarden zich achter hem, en zo werd Vogts betoog over het overschrijden van de grenzen de bron waaruit de huidige wereldwijde milieubeweging voortkwam – de enige ideologie die is overgebleven uit de vorige eeuw.

    Toen Road to Survival verscheen, was Borlaug als jonge plantkundige betrokken bij een tot dan toe nogal kwijnend project ter verbetering van de Mexicaanse landbouw. Met financiële steun van de Rockefeller Foundation probeerde het project de arme maïsboeren van het land te helpen. Borlaug was in Mexico voor een afgeleide van dat project, dat te maken had met tarwe – of liever met zwarte roest, een schimmel die de oudste en gevaarlijkste bedreiging is voor tarwe (de Romeinen brachten al offers om de god van de zwarte roest gunstig te stemmen). In de Verenigde Staten werd zwarte roest meestal door de kou onschadelijk gemaakt, maar in het warmere Mexico was de schimmel een voortdurende plaag die elk voorjaar door wind de grens over werd geblazen en dan Amerikaanse tarwevelden besmette.

    Als enige onderzoeker in het Rockefeller-project die zich met tarwe bezighield, kreeg Borlaug zo weinig geld dat hij maandenlang in schuren en op akkers moest bivakkeren. Maar halverwege de jaren vijftig lukte het hem om een tarweras te kweken dat resistent was tegen veel soorten roest. En bovendien ontwikkelde hij een ras met veel kortere stengels dan gebruikelijk. Voor die tijd groeide het zwaar bemeste tarwe zo snel dat de stengels dun en slap werden en gemakkelijk omwaaiden. De omgevallen planten konden zich niet meer oprichten, rotten weg en gingen dood. Het kortere, stevigere tarwe van Borlaug kon grote hoeveelheden mest opnemen en die extra groei ging niet in de stengels of wortels zitten, maar in de aren en korrels. In de eerste testen haalden boeren soms letterlijk tien keer zoveel tarwe van hun akkers. De oogsten namen zo hard toe dat een functionaris van USAID deze stijging in 1968 de ‘Groene Revolutie’ noemde, waarmee hij een naam gaf aan het fenomeen dat zo bepalend zou worden voor de twintigste eeuw.

    Het meest ingrijpende effect had de Groene Revolutie in Azië, waar de Rockefeller Foundation en de Ford Foundation op de Filipijnen het International Rice Research Institute (IRRI) oprichtten. In die tijd leed minstens de helft van de Aziatische bevolking honger en gebrek; op veel plekken namen de oogsten van de boeren niet toe of liepen ze zelfs terug. Regimes die nog maar kort geleden het koloniale juk hadden afgeworpen, kampten met communistische opstanden, met name in Vietnam. Amerikaanse leiders dachten dat de aantrekkingskracht van het communisme lag in de belofte van een betere toekomst. Washington wilde laten zien dat het kapitalisme de beste voedingsbodem was voor ontwikkeling. Het IRRI was bedoeld om met de allerbeste onderzoeksteams een moderne rijstteelt te ontwikkelen die snel ingevoerd kon worden en voor hervormingen in Azië zou zorgen – ‘een Manhattan Project voor voedsel’, zoals historicus Nick Cullather het uitdrukte.

    We-gaan-er-allemaal-aanboek

    In navolging van Borlaug ontwikkelden onderzoekers van het IRRI nieuwe rijstvariëteiten met een hoge opbrengst. Deze verspreidden zich in de jaren zeventig en tachtig snel door Azië, en de rijstoogsten verdriedubbelden bijna. Meer dan 80 procent van alle rijst die nu in Azië wordt verbouwd is oorspronkelijk door het IRRI ontwikkeld. De bevolking van het continent is enorm toegenomen, en dan nog consumeren Aziatische mannen, vrouwen en kinderen nu gemiddeld 30 procent meer calorieën dan bij de oprichting van het IRRI. Seoul en Shanghai, Jaipur en Jakarta: glanzende wolkenkrabbers, dure hotels, straten vol verkeer en fel neonlicht – alles gebouwd op een fundament van in het laboratorium gekweekte rijst.

    Hadden de Profeten ongelijk gehad? Was het begrip draagkracht een angstige hersenschim? Nee. Zoals Vogt had voorspeld, leidde de grote sprong voorwaarts in productiviteit tot enorme milieuschade: verdroging van waterhoudende lagen, een overdaad aan meststoffen, aquatische dode zones en verarmde en drassige grond. Erger nog, vanuit menselijk standpunt, was dat landbouwgrond door de snelle productiviteitsstijging meer waard werd. Opeens was die grond de moeite van het inpikken waard – en dat was precies wat elites in plattelandsgebieden vaak deden, door arme boeren van hun land te verdrijven. De Profeten betoogden dat de Groene Revolutie de hongercrisis alleen maar uitstelde; dit was een eenmalig succesje en geen permanente oplossing. En, zo zeggen de Profeten, onze groeiende aantallen en de toegenomen hwelvaart betekenen dat onze oogsten nu opnieuw een sprong moeten maken – ja, een tweede Groene Revolutie, voegen de Tovenaars daar opgewekt aan toe.

    De wereldbevolking zal in 2050 slechts 25 procent groter zijn dan nu, maar volgens veel voorspellingen moeten de boeren de voedselproductie met 50 tot 100 procent verhogen. Dat komt voornamelijk doordat met de grotere welvaart de vraag naar dierlijke producten zoals kaas, zuivel, vis en vooral vlees is verveelvoudigd – en het telen van voer voor dierhouderij vraagt veel meer land, water en energie dan het simpelweg verbouwen van planten voor menselijke consumptie. Het is niet te voorspellen hoeveel meer vlees de miljarden mensen van morgen willen consumeren, maar als ze ook maar enigszins zo carnivoor zijn als de westerlingen van nu, zal de opgave enorm zijn. Even enorm, zo waarschuwen de Profeten, als de natuurrampen op de planeet die het gevolg zijn van de pogingen om de honger van de wereld naar hamburgers en bacon te stillen: verwoeste landschappen, conflicten om water en landroof, waardoor boeren in arme landen zonder middelen van bestaan komen te zitten.

    Wat te doen? Sommige strategieën die beschikbaar waren tijdens de eerste Groene Revolutie zijn dat nu niet meer. Boeren kunnen niet meer zoveel méér land bebouwen, want vrijwel elke bereikbare hectare geschikt boerenland is al in gebruik. Ook kan de toepassing van kunstmest niet nog verder worden opgevoerd; die bemesting wordt overal, behalve in sommige delen van Afrika, al te veel gebruikt en veroorzaakt vervuiling van rivieren, meren en oceanen. Ook de bevloeiing van akkers kan nauwelijks worden uitgebreid – waar land geïrrigeerd kan worden, gebeurt dat meestal al. Voor de Tovenaars is de inzet van genetische modificering om productievere gewassen te ontwikkelen de beste koers. De Profeten zien dat als een zekere weg naar een nog grotere overbelasting van de draagkracht van de planeet. We moeten juist de andere kant op, zeggen zij: minder land gebruiken, minder water verspillen, ophouden die twee vol te pompen met chemische middelen.

    Het is alsof de mensheid opeengepakt zit in een bus die met hoge snelheid door dichte mist rijdt. Ergens verderop is een afgrond: een rampzalige ommekeer in het lot van de mensheid. Niemand kan precies zien waar de afgrond gaapt, maar iedereen weet dat de bus ergens zal moeten omkeren. Het probleem is alleen dat de Tovenaars en Profeten het er niet over eens zijn welke kant het stuurwiel op gerukt moet worden. Allebei weten ze zeker dat de ideeën van de ander de bus over de rand zullen jagen. En terwijl zij zitten te kibbelen, komen er steeds meer passagiers bij.

    Bijna iedereen eet elke dag, maar te weinig mensen denken er ooit over na hoe dat kan. Als landbouwgeschiedenis op school een verplicht vak was, zouden meer mensen de naam kennen van Justus von Liebig, die halverwege de negentiende eeuw vaststelde dat de hoeveelheid stikstof in de grond de groei van een plant bepaalt. Wetenschapshistorici hebben Von Liebig ervan beschuldigd dat hij zijn data vervalste en de ideeën van anderen pikte – en dat klopt ook wel, voor zover ik weet. Maar hij was ook een visionair, die de relatie tussen de menselijke soort en de natuur wezenlijk heeft veranderd. Nogal dweperig, maar met een vooruitziende blik stelde Von Liebig zich een nieuw soort landbouw voor: landbouw als tak van natuur- en scheikunde. Grond was gewoon een basis met de natuurkundige eigenschappen die nodig zijn om wortels vast te houden. Doe daar stikstofhoudende stoffen bij – fabrieksmatig geproduceerde kunstmest – en je krijgt automatisch reusachtige oogsten. In termen van vandaag zette Von Liebig de eerste schreden in de richting van chemisch gereguleerde industriële landbouw – een vroege versie van Tovenaarsdenken.

    Tovenaars zetten Howard weg als charlatan en warhoofd

    Maar er bestond geen duidelijke methode om de stikstofhoudende stoffen te produceren die de planten moesten voeden. Die technologie kwam voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog van twee Duitse scheikundigen: Fritz Haber en Carl Bosch. Allebei zouden ze later nog een Nobelprijs voor Scheikunde winnen, en die hadden ze ook ruimschoots verdiend: het Haber-Boschproces, zoals het wordt genoemd, was absoluut de belangrijkste technologische innovatie van de twintigste eeuw. Vandaag de dag is het Haber-Boschproces verantwoordelijk voor bijna alle kunstmest in de wereld. Iets meer dan 1 procent van de mondiale industrie is daaraan gewijd. ‘Die 1 procent,’ heeft futuroloog Ramez Naam wel eens gezegd, ‘verdubbelt zo’n beetje de hoeveelheid voedsel die de wereld kan telen.’

    Volgens een schatting van milieuwetenschapper Vaclav Smil zijn de stikstofhoudende meststoffen van het Haber-Boschproces verantwoordelijk voor ‘het overgrote deel van het voedsel van bijna 45 procent van de wereldbevolking.’ Meer dan drie miljard mannen, vrouwen en kinderen – een onvoorstelbaar grote wolk van hoop en angst, herinneringen en dromen – danken hun bestaan aan twee Duitse scheikundigen van wie de meeste mensen nooit hebben gehoord.

    Het succes werd op de voet gevolgd door de narigheid. Zo’n 40 procent van de mest die in de afgelopen zestig jaar is uitgestrooid, is niet door planten opgenomen. Het spoelde in rivieren of kwam in de vorm van stikstofoxiden in de atmosfeer terecht. Meststof die in water belandt, blijft zijn werk doen: de mest stimuleert de groei van algen, onkruid en andere organismen in het water van rivieren, meren of oceanen. Wanneer die afsterven, zakken ze naar de bodem, waar microben hun resten consumeren. Op dit manna van dode algen en planten maken deze microben zo’n sterke groei door, dat hun ademhaling zuurstof onttrekt aan de lagere diepten, waardoor het andere leven daar grotendeels sterft. Stikstof van boerderijen in de Amerikaanse Midwest stroomt elke zomer met de Mississippi mee naar de Golf van Mexico, waar het een zuurstofwoestijn veroorzaakt die in 2016 bijna 18.000 vierkante kilometer besloeg. Het jaar daarna werd in de Golf van Bengalen, voor de oostkust van India, een nog grotere dode zone ontdekt – bijna 60.000 vierkante kilometer.

    Stikstofoxide uit kunstmest die opstijgt in de lucht is een belangrijke bron van vervuiling. Hoog in de stratosfeer gaat het een verbinding aan met ozon en neutraliseert zo de ozonlaag die het leven op het aardoppervlak beschermt door kankerverwekkende ultraviolette stralen tegen te houden. Zonder de klimaatverandering, meent wetenschappelijk publicist Oliver Morton, zou die territoriumuitbreiding van stikstof waarschijnlijk ons grootste milieuprobleem zijn.

    Boerenzoon Howard

    Tegen dat stikstofterritorium was al fel verzet gerezen voordat Haber en Bosch respectievelijk in 1918 en 1931 hun Nobelprijs kregen. De leider van dat verzet was de Engelse boerenzoon Albert Howard (1873-1947), die het grootste deel van zijn carrière de officiële botanicus van Brits-Indië was. Howard en zijn vrouw Gabrielle, een aan Cambridge opgeleide plantenfysioloog, hielden zich in India bezig met het kweken van nieuwe variëteiten tarwe en tabak, de ontwikkeling van nieuwe typen ploegen en het ontwikkelen en uittesten van een supergezond dieet voor ossen. Tegen het eind van de Eerste Wereldoorlog waren zij ervan overtuigd dat aarde niet alleen maar een basis was voor chemische toevoegingen. Het was een vernuftig, levend systeem dat een zeer complexe mengeling van voedingsstoffen uit plantaardig en dierlijk afval vroeg: restanten van de oogst, mest. De Howards legden hun ideeën vast in de Law of Return, zoals zij het noemden: ‘de getrouwe terugkeer van al het beschikbare plantaardige, dierlijke en menselijke afval naar de aarde’. Wij zijn afhankelijk van planten, planten zijn afhankelijk van aarde, en aarde is afhankelijk van ons. Het Agricultural Testament van de Howards uit 1943 werd het fundament van de biologische beweging.

    Met hun angst dat de industriële landbouw de grond zou uitputten, hadden de Profeten een vooruitziende blik

    Tovenaars zetten Howard weg als charlatan en warhoofd, net als Jerome I. Rodale – een niet al te succesvolle ondernemer uit New York die ook uitgever en toneelschrijver was, theorieën over tuinieren ontwikkelde, met voeding experimenteerde en Howards ideeën publiceerde in boeken en tijdschriften. Het is waar dat hun bevlogenheid ingegeven was door een bijna religieus geloof in een natuurlijke, aan grenzen gebonden orde. Maar als hij het levende karakter van aarde bezong, doelde Howard op het geheel dat aardeorganismen vormen, de dynamische relaties tussen plantenwortels en de aarde daaromheen, en de fysieke structuur van humus, die ervoor zorgt dat aardedeeltjes in luchtige klonters aan elkaar kleven, waardoor water wordt vastgehouden en er niet doorheen loopt. Dat was allemaal heel concreet en het was allemaal onbekend toen Liebig de basisdeeën achter de chemische landbouw vormde. De stelling die Howard in zijn vele boeken en toespraken poneerde, dat door industriële landbouw het platteland ontvolkt raakte en een oudere manier van leven werd verstoord, klopte ook, al waren zijn tegenstanders het niet met hem eens over de vraag of dit verkeerd was. Tegenwoordig lijkt het erop dat de Profeten met hun angst dat de industriële landbouw de grond zou uitputten, een vooruitziende blik hadden: uit een belangrijk onderzoek van de Food and Agriculture Organisation (FAO) van de VN bleek dat eenderde van alle landbouwgrond in de wereld minder vruchtbaar is geworden.

    Aanvankelijk was een verzoening tussen de twee verschillende zienswijzen misschien mogelijk geweest. Het is voorstelbaar dat Borlaugiaanse Tovenaars zouden overwegen om dierenmest en andere natuurlijke stoffen aan de grond toe te voegen, en dat Vogtiaanse Profeten bereid zouden zijn om chemicaliën te gebruiken als supplement bij een verantwoorde omgang met grond. Maar dat gebeurde niet. De twee partijen scholden elkaar de huid vol en raakten steeds verder van elkaar verwijderd. Ze zetten een conflict in gang dat ook in de eenentwintigste eeuw voortduurt – en steeds feller is geworden, nu er overal genetisch gemodificeerde gewassen worden toegepast. Het betreft niet alleen een conflict tussen twee filosofieën, twee benaderingswijzen van technologie, twee manieren van denken over de vraag wat de beste manier is om meer voedsel te produceren voor een groeiende bevolking. Het gaat over de vraag of de instrumenten die we kiezen het overleven van de planeet verzekeren, of juist de ondergang ervan versnellen.

    Terwijl de Tovenaars pal stonden voor kunstmatige bemesting en de Profeten die juist van de hand wezen, deelden zij dezelfde onwetendheid: niemand wist waaróm planten zo afhankelijk zijn van stikstof. Pas na de Tweede Wereldoorlog ontdekten wetenschappers dat planten voornamelijk stikstof nodig hebben om het eiwit rubisco te maken, een prima ballerina in het ballet van interacties dat de fotosynthese is.

    Als kind leer je op school dat planten bij fotosynthese energie van de zon gebruiken om CO2 en water te scheiden en uit de afzonderlijke componenten daarvan de bestanddelen te vormen die nodig zijn voor de productie van wortels, stengels, bladeren en zaden. Het enzym rubisco speelt een sleutelrol in dit proces. Enzymen zijn biologische katalysatoren. Als lukraak overstekende voetgangers die een auto-ongeluk veroorzaken maar zelf ongedeerd blijven, veroorzaken enzymen biochemische reacties zonder daarbij zelf te veranderen. Rubisco haalt CO2 uit de lucht, stopt die in de fotosynthesedraaikolk, en gaat dan nog meer CO2 halen. Omdat deze activiteit bepalend is voor het proces, voltrekt de fotosynthese zich in het tempo van rubisco.

    Enzymen en luilak rubisco

    Helaas is rubisco naar biologische maatstaven een luilak, een slome duikelaar, een bankhanger. Terwijl enzymmoleculen normaal gesproken duizenden reacties per seconde katalyseren, nemen rubisco-moleculen hooguit twee of drie keer per seconde de moeite om zich met een reactie te bemoeien. Erger nog, rubisco is een kluns. Zeker twee van de vijf keer pakt rubisco per ongeluk zuurstof op in plaats van CO2, waardoor de reactieketen van de fotosynthese wordt verbroken en opnieuw moet beginnen – een verspilling van energie en water. Jaren geleden sprak ik voor een artikel in een tijdschrift met biologen over fotosynthese. Niemand had een goed woord over voor rubisco. ‘Zo’n beetje het meest incompetente enzym van de wereld,’ zei een onderzoeker. ‘Niet bepaald het paradepaardje van de evolutie,’ zei een andere. Om die luiheid en onhandigheid van rubisco het hoofd te bieden, maken planten er een heleboel van, en daarvoor hebben ze veel stikstof nodig. Rubisco vormt de helft van het gewicht van het eiwit in veel plantenbladeren – men zegt vaak dat dit het meest voorkomende eiwit ter wereld is. Naar schatting bevatten alle planten en micro-organismen samen meer dan 5 kilo rubisco voor elke persoon op aarde.

    Je zou verwachten dat de evolutie rubisco wel verbeterd zou hebben. Niets daarvan. Maar ze heeft wel een omleiding gecreëerd: C4-fotosynthese (C4 verwijst naar de koolstof-4-molecule die hierin een rol speelt). C4 is tegelijkertijd een biochemisch knutselwerkje en een slim mechanisme om plantengroei te stimuleren, en betekent een totale reorganisatie van de bladanatomie. Wanneer CO2 een C4-blad binnenkomt, wordt het aanvankelijk niet door rubisco gegrepen, maar door een ander enzym dat het gebruikt om een stof te vormen die vervolgens in speciale, met rubisco gevulde cellen diep in het blad wordt gepompt. Deze cellen bevatte vrijwel geen zuurstof, dus kan rubisco hier niet miskleunen en de verkeerde molecule grijpen. Zo worden precies dezelfde suikers, zetmeel en cellulose geproduceerd als bij gewone fotosynthese, maar dan veel sneller. C4-planten hebben minder water en meststoffen nodig, omdat ze geen water verspillen aan de vergissingen van rubisco. In het soort evolutionaire convergentie waar biologen alert op zijn, is C4-fotosynthese onafhankelijk ontstaan in meer dan zestig soorten. Maïs, amarant, bloedgierst, suikerriet en Bermudagras – al die verschillende planten hebben C4-fotosynthese ontwikkeld.

    Kunstmest op basis van stikstof was de belangrijkste innovatie van de vorige eeuw

    Dit is het botanische equivalent van de eerste maanraket: wetenschappers over de hele wereld doen nu pogingen om van rijst een C4-plant te maken – een die sneller groeit, minder water en bemesting nodig heeft en meer korrels produceert. De reikwijdte en de het belang van dit project kunnen niet onderschat worden. Rijst is het belangrijkste voedingsmiddel van de wereld, het hoofdgewas voor meer dan de helft van de wereldbevolking, een voedingsmiddel dat zo diep in de Aziatische cultuur verankerd is dat de woorden ‘rijst’ en ‘maaltijd’ zowel in het Chinees als in het Japans varianten van elkaar zijn. Niemand kan met zekerheid voorspellen hoeveel extra rijst de boeren in 2050 moeten verbouwen, maar er wordt rekening gehouden met een stijging van 40 procent, op basis van de groeiende bevolkingsaantallen en de toenemende welvaart, waardoor mensen die vroeger arm waren de mogelijkheid krijgen om basisvoedingsmiddelen die minder in aanzien staan, zoals gierst en zoete aardappelen, te verruilen voor rijst. Ondertussen neemt de hoeveelheid grond waarop rijst kan worden geteeld af, doordat steden steeds meer platteland in beslag nemen, dorstige mensen rivieren draineren, boeren overgaan op gewassen die meer geld opleveren en steeds meer landbouwgrond door de klimaatverandering woestijn wordt. Een tekort aan rijst zou een humanitaire catastrofe betekenen waarvan de gevolgen in de hele wereld voelbaar zijn.

    Het C4 Rice Consortium is een poging om dat te voorkomen. Dit consortium, grotendeels gefinancierd door de Bill & Melinda Gates Foundation, is het meest ambitieuze project op het gebied van genetische manipulatie. Maar de term ‘genetische manipulatie’ dekt niet de hele lading van het project. De genetische manipulatie die meestal in het nieuws komt, heeft te maken met grote bedrijven die individuele pakketjes genetisch materiaal, meestal van een uitheemse soort, in een gewas stoppen. Het bekende voorbeeld is de Roundup Ready-sojaboon van Monsanto, die een snippertje DNA bevat van een bacterie die was aangetroffen in een afvalwaterbassin in Louisiana. Door dat snippertje vormt de plant in zijn bladeren en stelen een chemische stof die het effect van Roundup, het veelgebruikte onkruidverdelgingsmiddel van Monsanto, tegengaat. Dankzij dat uitheemse gen kunnen boeren Roundup over hun soja-akkers sproeien en zo onkruid verdelgen, terwijl het gewas niet wordt aangetast. Afgezien van dat ene smaakloze, geurloze niet-giftige eiwit dat ze produceren, zijn Roundup Ready-sojabonen identiek aan gewone sojabonen.

    Wat het C4 Rice Consortium probeert te doen met rijst verhoudt zich tot de bekende genetisch gemodificeerde gewassen als een Boeing 787 tot een papieren vliegtuigje. Hierbij knutselen wetenschappers niet met individuele genen om zaden te verrijken, maar proberen ze een nieuwe draai te geven aan de fotosynthese, een van de meest fundamentele levensprocessen. Omdat C4 zich in zo veel verschillende soorten heeft ontwikkeld, denken wetenschappers dat de meeste planten voorlopers van C4-genen moeten hebben. De hoop is dat dit ook geldt voor rijst, en dat het Consortium de slapende C4-genen daarin weet te identificeren en wakker te schudden – door een pad te volgen dat de evolutie al vele malen eerder heeft gekozen.

    Ideaal gezien zouden onderzoekers dan de al aanwezige, slapende stukjes genetisch materiaal in rijst (of sterk daarop lijkende genen van soorten die nauw verwant zijn maar gemakkelijker om mee te werken) activeren om nieuwe en productievere soorten te creëren. Gewone rijst, Oryza sativa, wordt dan iets anders, zeg Oryza nova. Geen bedrijf zal van het resultaat profiteren; het International Rice Research Institute, waar een groot deel van het onderzoek plaatsvindt, zal zaden voor de gemodificeerde rijstsoort gratis weggeven, zoals het indertijd ook heeft gedaan met de rijst van de Groene Revolutie

    Zelfbemestende maïs

    Tijdens mijn bezoek aan IRRI, zo’n 50 kilometer ten zuidoosten van Manilla, waren veel mensen bezig met datgene waar de wetenschap zo goed in is: een probleem in individuele stukjes hakken en om vervolgens die stukjes zelf te lijf gaan. Sommige medewerkers lieten rijst ontkiemen in petrischaaltjes. Anderen probeerden toevallige variaties in bestaande rijstrassen te vinden die nuttig zouden kunnen zijn. Weer anderen bestudeerden een modelorganisme, een C4-soort gras, Setaria viridis.

    Setaria groeit snel en heeft geen speciale rijstvelden nodig, maar kan in gewone aarde worden gekweekt. Het is in het laboratorium gemakkelijker om mee te werken dan rijst. Er waren experimenten om verschillen te meten in fotosynthetische chemicaliën, in de mate van groei van verschillende variëteiten, in het overbrengen van biochemische markers. Een stuk of vijf mensen in witte jassen stonden zaden te sorteren op een grote tafel, korreltje voor korreltje. Anderen waren buiten op akkers, waar ze experimentele rijstvelden verzorgden. Alle parafernalia van de hedendaagse biologie waren aanwezig: flatscreens, zoemende koelkasten en vriezers, tafels vol bakjes met slijmerig DNA-materiaal, strips van Dilbert en XKCD op de whiteboards geplakt, een Verenigde Naties aan roddelende studenten in de kantine, een rij blazende airco’s voor de ramen.

    Aan het hoofd van het C4 Rice Consortium staat Jane Langdale, moleculair genetica aan de faculteit voor Plant Sciences in Oxford. Volgens haar wijzen de eerste bevindingen erop dat een stuk of twaalf genen een belangrijke rol spelen in bladstructuur, en misschien nog tien genen eenzelfde rol hebben in de biochemie. Allemaal moeten ze worden geactiveerd op een manier die de bestaande, gewenste eigenschappen van de plant niet aantast, maar die de genen hun activiteiten laat coördineren. De volgende, even moeilijke stap is dan om rijstvariëteiten te kweken waarbij de extra groei door de C4-fotosynthese leidt tot meer korrels, en niet tot meer wortels of langere stengels. Ondertussen moeten de variëteiten ook resistent zijn tegen ziekten, gemakkelijk te kweken zijn en smakelijk gevonden worden door de doelgroepen in Azië, Afrika en Latijns-Amerika.

    ‘Ik denk wel dat het allemaal kan gebeuren, maar misschien ook niet,’ zei Langdale. Ze wees er meteen op dat ook als C4 tegen onoverkomelijke hindernissen oploopt, dit niet de enige biologische maanraket is. Zelfbemestende maïs, graan dat in zout water kan groeien, verbeterde microbiële bodemecosystemen – het wordt allemaal onderzocht. De kans dat een van deze projecten succes heeft is misschien klein, zo is de gedachte, maar de kans dat ze allemaal mislukken is even klein. Het Tovenaarsproces dat Borlaug in gang heeft gezet, is wat Langdale betreft nog steeds in volle gang.

    De maanraket van de Profeten

    Al zolang Tovenaars en Profeten ruziën over het voeden van de wereld, komen de Tovenaars met het argument dat landbouw op de Profeet-manier eenvoudigweg niet voldoende voedsel kan produceren voor morgen. De afgelopen twintig jaar hebben tientallen onderzoeksteams de opbrengsten van industriële en biologische landbouw tegen elkaar afgezet. Deze onderzoeken zijn op hun beurt gecombineerd en beoordeeld – een lastige procedure: onderzoekers gebruiken verschillende definities voor ‘biologisch’, vergelijken verschillende soorten boerderijen en nemen verschillende kosten in hun analyses op. Niettemin blijkt uit elke combinatie en vergelijking van data die ik heb gezien, dat boerderijen in Profeet-stijl minder calorieën per hectare opbrengen dan boerderijen in Tovenaar-stijl. Soms is het verschil klein, soms behoorlijk groot. Het is duidelijk wat dat betekent, vinden de Tovenaars. Als boeren twee keer zoveel voedsel moeten telen om de tien miljard monden te voeden, zouden ze te zeer bepekt worden wanneer ze zich moeten houden aan de regels van Sir Albert Howard ter bescherming van het ecosysteem.

    Profeten fronsen hun voorhoofd over deze logica. In hun ogen is het dwaasheid om landbouwsystemen uitsluitend te beoordelen op basis van hoeveelheid calorieën per hectare. Die maatstaf houdt geen rekening met het soort kosten dat Vogt heeft benoemd: uitspoeling van kunstmest, achteruitgang van watervoorraden, inklinken en eroderen van de bodem en overmatig gebruik van pesticiden en antibiotica. Hij houdt geen rekening met de verwoesting van plattelandsgemeenschappen. Hij laat de vraag of het voedsel smakelijk en voedzaam is buiten beschouwing.
    Tovenaars antwoorden daarop dat C4-rijst per geproduceerde calorie minder kunstmest en water nodig heeft – en beter voor het milieu is dan conventionele gewassen. Dat is alsof je de brand probeert te blussen die je zelf hebt aangestoken, door er minder benzine overheen te gooien! zeggen de Profeten. Eet gewoon minder vlees! Tovenaars vinden het idee om boerderijen te diversifiëren en zo natuurlijke ecosystemen na te bootsen, totale onzin: alleen door hyperintensieve, industriële grootschalige landbouw met superproductieve, genetisch gemodificeerde gewassen kunnen we de wereld van morgen voeden.

    Productiviteit? zeggen de Profeten. Wij komen met onze eigen maanraket! En inderdaad, dat doen ze.

    Tarwe, rijst, haver, rogge en de andere algemeen bekende granen zijn eenjarigen, die elk jaar opnieuw gezaaid moeten worden. De wilde grassen daarentegen, die vroeger de prairie bedekten, zijn meerjarig: ze komen elke zomer terug, wel tien jaar lang. Omdat meerjarige grassen een wortelsysteem vormen dat tot diep in de grond reikt, houden ze de aarde beter vast en zijn ze minder afhankelijk van regenwater en voedingsstoffen aan de oppervlakte – oftewel irrigatie en kunstmest – dan eenjarige grassen. Veel van deze soorten zijn ook beter bestand tegen ziekten. Omdat ze niet elke lente nieuwe wortels hoeven te vormen, komen meerjarige grassoorten eerder en sneller boven de grond dan eenjarige. En omdat ze in de winter niet afsterven, gaat hun fotosynthetische activiteit door in de herfst, als die van eenjarigen ophoudt. Ze kennen dus een langer groeiseizoen. Ze zouden even productief kunnen zijn als graan van het Groene Revolutie-type, volgens de Profeten, maar dan zonder het land te verwoesten, het schaarse water op te zuigen of grote doses vervuilende, energie-intensieve meststoffen nodig te hebben.

    Het antwoord van de Profeten op genetisch gemodificeerde rijst heet tarwegras

    Net als destijds Borlaugs programma in Mexico verzamelde het Rodale Institute, de oudste Amerikaanse organisatie die onderzoek doet naar biologische landbouw, eind jaren tachtig 250 monsters van tarwe kweekgras (Thinopyrum intermedium). Dit meerjarige neefje van broodtarwe werd in de jaren dertig als veevoer vanuit Azië op het westelijk halfrond geïntroduceerd. Peggy Wagoner, pionier op het gebied van plantenteelt en landbouwkundig onderzoek die samenwerkte met onderzoekers van het Amerikaanse ministerie van Landbouw, plantte monsters, hield de opbrengst daarvan bij en kruiste de best presterende planten met elkaar, in een poging een commercieel toepasbare meerjarige te maken. Wagoner en het Rodale Institute gaven het stokje in 2002 door aan het Land Institute in Salina, Kansas, een landbouwkundig non-profitonderzoekscentrum dat zich tot doel heeft gesteld om conventionele landbouw te vervangen door methoden die verwant zijn aan wat er in natuurlijke ecosystemen gebeurt. Het Land Institute heeft zich sindsdien, in samenwerking met andere onderzoekers, beziggehouden met de ontwikkeling van tarwegras. Het heeft zijn nieuwe variëteit tarwe kweekgras zelfs een naam gegeven: Kernza.

    Net als C4-rijst zal ook tarwegras misschien niet aan de verwachtingen van zijn scheppers voldoen. Tarwegraskorrels zijn qua formaat een kwart van tarwekorrels, soms nog minder en hebben een dikkere zemellaag. Anders dan tarwe groeit tarwegras in een donkere massa dicht gebladerte dat de akker bedekt; die dikke laag vegetatie beschermt de aarde en houdt onkruid weg, maar gaat ook ten koste van de hoeveelheid tarwe die de plant produceert. Om tarwegras bruikbaar te maken voor boeren, zullen kwekers het formaat van de korrel moeten vergroten, de bouw van de plant moeten veranderen en de eigenschappen die goed zijn voor het maken van brood moeten verbeteren. Er is slechts langzaam vooruitgang geboekt. Omdat tarwegras meerjarig is, is er niet in één seizoen een oordeel over te vormen – daar gaan jaren overheen. Het Land Institute hoopt in de jaren twintig van deze eeuw zaaiklaar, broodwaardig tarwegras klaar te hebben, met korrels die twee keer zo groot zijn als nu (wat nog steeds maar half zo groot is als gewone tarwekorrels), maar niemand weet zeker of dat gaat lukken.

    Het domesticeren van tarwegras is een kwestie van lange adem. Andere plantveredelaars hebben geprobeerd een kortere weg te vinden: een hybride van broodtarwe en tarwegras, waarin ze de grotere, overvloedige korrel van de eerste en de resistentie tegen ziekten en de meerjarige levenscyclus van de tweede met elkaar hoopten te verenigen. De twee soorten produceerden samen net vaak genoeg levensvatbare nakomelingen om biologen in Noord-Amerika, Duitsland en de Sovjet-Unie halverwege de vorige eeuw decennia lang te laten proberen nuttige hybriden te kweken, zonder succes. Aangemoedigd door nieuwe ontwikkelingen in de biologie begon het Land Institute rond de eeuwwisseling opnieuw, samen met onderzoekers in landen rond de noordelijke Stille Oceaan en Australië. Ik was op bezoek bij Stephen S. Jones van de Washington State University, kort nadat hij en zijn collega’s een wetenschappelijke naam hadden gegeven aan een onlangs ontwikkelde en geteste hybride: Tritipyrum aaseae (de soortnaam verwijst naar de baanbrekende graangenetica Hannah Aase). Er valt nog veel werk te doen; Jones verwachtte dat op zijn vroegst de kinderen van mijn dochter het brood van T. aaseae zouden kunnen eten.

    Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse onderzoekers krabben zich achter de oren als ze over deze projecten horen. Met kun pogingen om meerjarige granen te kweken die de oogsten moeten vergroten kiezen de Profeten de moeilijke weg, zegt Edwige Botoni, onderzoeker aan het Permanent Interstate Committee for Drought Control in the Sahel (CICDCS) in Burkina Faso. Tijdens haar reizen langs de randen van de Sahara heeft Botoni veel nagedacht over de vraag hoe je mensen het beste kunt voeden met de opbrengst van kwalitatief slechte grond. Een deel van het antwoord is volgens haar om het voorbeeld te volgen van de succesvolle boerderijen in tropische gebieden als Nigeria en Brazilië. Terwijl boeren in de gematigde zone zich concentreren op granen, richten tropische telers zich op knollen en bomen, die over het algemeen productiever zijn dan granen.

    Denk aan cassave, een grote knol, ook bekend als maniok, mogo of yuca. Qua productiviteit staat cassave op de elfde plaats van belangrijkste gewassen in de wereld, en de plant wordt in grote delen van Afrika, Azië en Latijns-Amerika verbouwd. Het eetbare deel groeit onder de grond; hoe groot de knol ook is, de plant zal nooit omvallen. Gemeten per hectare overtreffen cassaveoogsten ruimschoots die van tarwe en andere granen.

    Die vergelijking is niet eerlijk, omdat cassaveknollen meer water bevatten dan tarwekorrels. Maar zelfs als je dat in aanmerking neemt, produceert cassave veel meer calorieën per hectare dan tarwe. (De aardappel is een noordelijk equivalent. In 2016 was de gemiddelde calorieopbrengst per hectare van de aardappeloogst in Amerika meer dan tien keer zo groot als die van tarwe.) ‘Ik weet niet waarom niet aan dit alternatief wordt gedacht,’ zegt Botoni. Cassave is in veel culturen niet vertrouwd, maar de introductie ervan is ‘gemakkelijker dan het kweken van geheel nieuwe soorten’.

    Hetzelfde geldt in veel opzichten voor boomgewassen. Een volgroeide McIntosh-appelboom kan wel 350 tot 550 pond appels per jaar leveren. Fruittelers planten in het algemeen vier- tot vijfhonderd bomen per hectare. In goede jaren kan dit 70 tot 130 ton fruit per hectare opleveren. Tarwe levert maar 3 ton per hectare. Net als cassave en aardappelen bevatten appels meer water dan tarwe, maar de calorie-opbrengst per hectare is nog steeds groter. Zelfs papaja’s en bananen zijn productiever dan tarwe. Net als bepaalde noten, zoals kastanjes. Van appels, kastanjes en papaja’s kun je geen knapperige baguettes maken of brosse tortilla’s, of luchtige cake, maar het grootste deel van het graan dat tegenwoordig wordt verbouwd, is bestemd voor sterk bewerkte producten als diervoeder, ontbijtgranen, zoete stroop en ethanol – en daarvoor zijn oogsten van vruchten en knollen ook prima te gebruiken.Wil ik ervoor pleiten dat boeren over de hele wereld hun veldjes tarwe, rijst en maïs verruilen voor akkers met cassave, aardappels en zoete aardappels en boomgaarden vol bananen-, appel- en kastanjebomen? Nee. Wat ik wil zeggen is dat Profeten over veel methoden beschikken om aan de behoeften van morgen te voldoen. Deze alternatieve wegen zijn ingewikkeld, maar dat geldt ook voor de weg van de Tovenaars die moet uitkomen bij C4-rijst. Het grootste obstakel voor de Profeten is iets anders: arbeidskracht.

    De juiste manier van leven

    Sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog was het beleid van de meeste nationale overheden gericht op het verminderen van arbeidskracht in de landbouw (communistisch China was daarop lang een uitzondering). Het doel was boerderijen in stand te houden en te mechaniseren, waardoor de oogsten zouden toenemen en de kosten omlaag zouden gaan, vooral de kosten voor arbeidsloon. Boerenarbeiders die niet langer nodig waren, zouden naar de steden verhuizen, waar ze beter betaalde banen konden vinden in fabrieken. Volgens het Borlaugiaanse ideaal zouden zowel de overblijvende boeren als de fabrieksarbeiders zo meer gaan verdienen, de eersten door het telen van meer en betere gewassen, de tweede groep dankzij het beter betaalde werk in fabrieken. De natie als geheel zou er wel bij varen: een grotere export van industrie- en landbouwproducten, goedkoper voedsel in de steden, een overvloedig aanbod van arbeidskrachten.Er bleken ook nadelen: bij steden in ontwikkelingslanden ontstonden sloppenwijken vol ontheemde gezinnen. En in veel regio’s, ook in het grootste deel van de ontwikkelde wereld, liep het platteland leeg, precies zoals de Borlaugianen hadden bedoeld – zij wilden immers de landarbeiders bevrijden zodat die hun eigen dromen konden najagen. In de Verenigde Staten daalde het aandeel van de beroepsbevolking in de landbouw van 21,5 procent in 1930 naar 1,9 procent in 2000; het aantal boerderijen nam met bijna tweederde af. De gemiddelde omvang van de overgebleven boerderijen nam toe ter compensatie van dat kleinere aantal. Ondertussen weefden staten overal ter wereld een heel web van belastingvoordelen, leningen, trainingsprogramma’s en directe subsidies aan grote boeren voor de aanschaf van grootschalige landbouwmachines, het opslaan van voorraden chemicaliën en het telen van bepaalde door de overheid bevoordeelde gewassen voor de export. Deze structuren blijven in stand, en dus roeien Vogtiaanse boeren tegen de stroom op.

    Volgens de visie van Vogtianen zorgt goede landbouw in de allereerste plaats goed voor de grond. Dat vraagt om kleinere stukken land met verschillende gewassen en is dus moeilijk te realiseren als je je richt op de massaproductie van een enkel gewas. Voor een werkelijke uitbreiding van deze vorm van landbouw zou op zijn minst een deel van de mensen wier ouders en grootouders het platteland verlieten, moeten terugkeren. Deze arbeidskrachten moeten een fatsoenlijk loon verdienen, en dat zou de kosten opdrijven. Enige arbeidsbesparende mechanisatie is mogelijk, maar geen enkele kleine boer die ik heb gesproken denkt dat het mogelijk is om het met zo weinig arbeidskrachten te doen als in de grote industriële landbouwbedrijven. Het hele systeem kan alleen groeien als de wet- en regelgeving verandert en gebruik van arbeid gaat aanmoedigen. Dat soort grote, maatschappelijke veranderingen is niet makkelijk te realiseren.

    De kern van het debat tussen de Tovenaars en de Profeten ligt in de aard van de landbouw

    En daar ligt de kern van het al tientallen jaren durende debat tussen de Tovenaars en de Profeten. Weliswaar wordt er voortdurend gepraat in termen van calorieën per hectare en behoud van ecosystemen, maar het meningsverschil dat daaraan ten grondslag ligt gaat over de aard van de landbouw – en daarmee over de vraag welke vorm de samen-leving moet krijgen. Voor Borlaugianen is landbouw een soort nuttig gezwoeg dat zo veel mogelijk vergemakkelijkt en verminderd moet worden om een maximale vrijheid te realiseren. Voor Vogtianen is landbouw bedoeld voor het in stand houden van de verschillende ecologische en menselijke leefgemeenschappen die altijd, sinds de eerste landbouwrevolutie meer dan tienduizend jaar geleden, de bakermat van het leven zijn geweest. Het mag zwaar werk zijn, het is werk dat de band van de mens met de aarde versterkt. Deze twee standpunten zijn als lijnen die elkaar kruisen maar niet in hetzelfde vlak liggen.

    Mijn dochter is nu negentien jaar en tweedejaars student. In 2050 is ze van middelbare leeftijd. Het is aan haar generatie om de instituties, de wetten en gebruiken te bepalen die de basisbehoeften van de mensheid in de wereld van tien miljard kunnen vervullen. Elke generatie beslist over de toekomst, maar de keuzes die de generatie van mijn kinderen maakt, zullen zo lang doorklinken als demografen kunnen voorzien. Tovenaar of Profeet? Voor deze generatie zal het niet zozeer gaan over wat haalbaar is, maar over wat ze het juiste vindt.

    Charles C. Mann

    Dit artikel is een bewerking van Charles C. Manns The Wizard and the Prophet.

  • Ja, van bewerkt vlees krijg je kanker

    Ja, van bewerkt vlees krijg je kanker

    Studie na studie toont aan dat bacon, ham, salami en andere soorten bewerkt vlees kanker kunnen veroorzaken. Hoe kan het dan, vraagt de Britse historica en voedseldeskundige Bee Wilson zich af, dat de vleeswarenindustrie alsmaar volhoudt dat hun producten veilig zijn?

    Vroeger ging ik naar een cafeetje waar ze de beste broodjes bacon hadden. Dat was een heerlijk luchtig wit bolletje, en de bacon, een dikke plak van een plaatselijke slager, zat ergens tussen knapperig en stevig in. Er werden kleine potjes ketchup en HP Sauce bij geserveerd, zodat je zelf kon bepalen hoeveel je erop deed. Dat was alles: brood, bacon en saus. Het eten van zo’n broodje – ik deed dat om de paar weken – met een kop sterke koffie erbij, was voor mij ongecompliceerd genieten.

    Maar plotseling was dat broodje bacon helemaal niet meer zo’n onverdeeld genoegen. In oktober 2015 had de helft van mijn kennissenkring het wekenlang over het nieuws dat bacon kankerverwekkend was. Je kon er niet omheen: het stond breed uitgemeten in alle kranten en overal op internet. Zoals een journalist van Wired schreef: ‘Waarschijnlijk zijn er geen woordcombinaties te vinden die het internet zo in vuur en vlam kunnen zetten als BACON en KANKER.’ De website van de BBC meldde zakelijk dat ‘bewerkt vlees kanker veroorzaakt’, terwijl The Sun uitpakte met ‘Worst in de ban’ en ‘Moordenaar in de keuken’.

    De bron van het verhaal was het bericht van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) dat ‘bewerkt vlees’ nu werd geclassificeerd in ‘groep 1 
carcinogeen’, wat betekent dat wetenschappers ervan overtuigd zijn dat er voldoende bewijs is voor de conclusie dat bewerkt vlees kanker veroorzaakt, met name darmkanker. De waarschuwing gold niet alleen voor Britse bacon maar ook voor Italiaanse salami, Spaanse chorizo, Duitse braadworst 
en eindeloos veel andere etenswaren.

    Alarmerende berichten over de gezondheid kun je vaak met een korrel zout nemen, maar deze onheilstijding viel toch moeilijk te negeren. Het bericht van de WHO berustte op het advies van 22 kankerspecialisten uit tien landen, die nauwkeurig hadden gekeken naar meer dan vierhonderd onderzoeken naar bewerkt vlees, waarin de epidemiologische data van honderdduizenden mensen waren opgenomen. ‘Eet minder bewerkt vlees’ was nu net als ‘eet meer groente’ een van de weinige onweerlegbare, wetenschappelijk bewezen adviezen – niet gewoon de zoveelste voedingshype. Zoals in elk nieuwsbericht werd benadrukt, behoorde bewerkt vlees nu tot een groep van 120 carcinogenen, naast alcohol, asbest en tabak – wat leidde tot schreeuwende krantenkoppen waarin werd verkondigd dat het eten van bacon even dodelijk was als roken. De WHO waarschuwde dat het eten van 50 gram bewerkt vlees per dag – evenveel als een paar plakjes bacon of één hotdog – de kans op het krijgen van darmkanker met 18 procent verhoogt. (Het eten van grotere hoeveelheden vergroot die kans.) Als je hoort dat je eigen risico op kanker van 5 procent stijgt naar ongeveer 6 procent, is dat misschien niet alarmerend genoeg om je de broodjes bacon te laten afzweren. Maar als je hoort dat het eten van bewerkt vlees wereldwijd per jaar 34.000 doden extra veroorzaakt, schrik je wel iets meer. 
Volgens Cancer Research UK zouden er, als in Groot-Brittannië niemand bewerkt of rood vlees at, 8800 kankergevallen minder zijn. (Dat is vier keer zoveel als het landelijke aantal dodelijke verkeersslachtoffers.)

    Typisch Brits voedsel

    Het nieuws werd vooral als schokkend ervaren omdat ham en bacon typisch Brits voedsel zijn. Bijna een kwart van de volwassenen in Groot-Brittannië eet dagelijks een broodje ham tussen de middag, volgens gegevens uit 2012 die zijn verzameld door 
de onderzoekers Luke Yates en Alan Warde. Voor veel consumenten is bacon niet zomaar een voedingsmiddel; het is de bron van veel jeugdherinneringen, een aandenken aan thuis. Onderzoek toont aan dat de lucht van het uitbakken van bacon een van de lievelingsgeuren is in het Verenigd Koninkrijk, naast gemaaid gras en vers brood. Om dan te horen dat bacon bij miljoenen mensen kanker heeft veroorzaakt, is net zoiets als horen dat je oma altijd 
stiekem arsenicum op je ontbijtboterham strooide.

    Vegetariërs wijzen er wellicht op dat het broodje bacon nooit als een onverdeeld genoegen gezien 
mag worden, zeker niet voor de varkens, waarvan 
de meeste in smerige, benauwde omstandigheden 
worden gehouden. Maar voor de rest van ons was 
het een alarmerend bericht dat ons lievelingseten bijdraagt aan de onnodige dood van duizenden 
mensen. In de weken die volgden op de bekendmaking van het WHO-rapport zakte de verkoop van bacon en worst in. De Britse supermarkten meldden een daling van 3 miljoen pond in veertien dagen tijd. (‘Het was een grote klap,’ vertelde Kirsty Adams, de productontwikkelaar voor vlees bij Marks & Spencer.)

    Maar net toen het ernaar uitzag dat dit #Bacongeddon zou worden (een van de vele wanhopige, bacongerelateerde hashtags die in oktober 2015 trending waren), kwam er een tweede informatiegolf. De boodschap daarvan: paniek voorbij. In ieder geval was de analogie tussen het eten van bacon en roken misleidend. Het roken van tabak en het eten van bewerkt vlees is allebei gevaarlijk, maar niet in dezelfde mate. Om het in een bredere context te plaatsen: ongeveer 86 procent van de gevallen van longkanker houdt verband met roken, terwijl slechts 21 procent van de gevallen van darmkanker kan worden toegeschreven aan het eten van bewerkt of rood vlees. Enkele weken na het verschijnen van het rapport kwam de WHO met een verklaring waarin werd benadrukt dat er niet in het rapport stond dat consumenten geen bewerkt vlees meer mochten eten.

    Intussen liet de vleesindustrie weten dat het een storm in een glas water was. Het North American Meat Institute, een lobbygroep van de vleesindustrie, noemde het rapport ‘zwaar overdreven’. In een hele rits artikelen werd op redelijke toon benadrukt dat het prematuur en dwaas zou zijn om geen bewerkt vlees meer te eten vanwege een heel kleine kans op kanker.

    Bijna drie jaar later is ten aanzien van bewerkt vlees alles weer normaal. Velen van ons zijn over de eerste schok heen. De verkoop van bacon in het 
Verenigd Koninkrijk is in de twee jaar tot medio 2016 met 5 procent gestegen. Toen ik vorig jaar een productontwikkelaar bij supermarkt Sainsbury’s interviewde, vertelde ze dat een van 
de snelste manieren om Britse consumenten een nieuw product te laten proberen was door er chorizo aan toe 
te voegen.

    Omdat we eten met onze ogen, beoordelen we de kwaliteit van bewerkt vlees vooral op hoe roze het is. Toch is het juist die kleur waarvoor we op onze hoede moeten zijn

    En toch is het bewijs dat er een verband is tussen bacon en kanker sterker dan ooit. In januari van dit jaar bleek uit een grootschalige studie waarbij de gegevens van 262.195 Britse vrouwen werden gebruikt, dat alleen al bij het eten van 9 gram bacon per dag – minder dan één plakje – de kans op het ontwikkelen van borstkanker later in het leven aanzienlijk toeneemt. De hoofdauteur van de studie, Jill Pell van het Institute of Health and Wellbeing van de Universiteit van Glasgow, vertelde dat hoewel het contraproductief kan zijn om aan te dringen op totale onthouding, er wetenschappelijk bewijs is voor de stelling dat het 
‘misleidend zou zijn als gezondheidsinstanties een andere veilige norm vaststellen dan nul’.

    Het werkelijke schandaal is echter dat bacon helemaal niet zo schadelijk voor onze gezondheid hoeft te zijn. Het deel van het verhaal dat ons niet wordt verteld – ook niet door de WHO – is dat er andere manieren zijn om die producten te vervaardigen, waardoor ze significant minder carcinogeen zouden zijn. Het feit dat er zo weinig bekend is, is 
te wijten aan de macht van de vleesindustrie, die de afgelopen veertig jaar een campagne van verdoezelen en misleiding heeft gevoerd die kan wedijveren met de smerige trucs van de tabaksindustrie.

    Hoe kies je in een winkel een pakje bacon uit, aangenomen dat je een vleeseter bent? Ten eerste kies je tussen knapperige doorregen spek, of het magere rugspek. Dan besluit je of je gerookt of ongerookt 
wilt – elk soort heeft zijn eigen fervente fans (ik ben van de ongerookt-fanclub). Misschien zoek je een pakje uit met scharrel- of biologisch vlees, of misschien ben je krap bij kas en zoek je gewoon naar een aanbieding. Hoe dan ook, voordat je het in je mandje legt, kijk je nog een keer om te zien of het vlees roze genoeg is.

    Omdat we eten met onze ogen, beoordelen we de kwaliteit van bewerkt vlees vooral op hoe roze het is. Toch is het juist die kleur waarvoor we op onze hoede moeten zijn, zoals de Franse journalist Guillaume Coudray uitlegt in een boek dat vorig jaar in Frankrijk uitkwam met als titel Cochonneries, een woord dat zo wel ‘zwijnenstal’, ‘smeerboel’ als ‘ongezond eten’ betekent. De ondertitel luidt: ‘Hoe vleeswaren giftig werden’. Cochonneries leest als een misdaadroman, waarin de bewerktvleesindustrie de dader is en de gewone consument het slachtoffer.

    Het roze van de bacon – of van gekookte ham of salami – is een teken dat het is behandeld met chemicaliën, in het bijzonder met nitraat en nitriet. De algemene opvatting is dat bewerkt vlees door het gebruik van deze chemicaliën kankerverwekkender is dan onbewerkt vlees. Coudray betoogt dat we niet moeten spreken van ‘bewerkt vlees’ maar van ‘nitrovlees’.

    ‘Pure, idiote, krankzinnige waanzin’, zo omschrijft Coudray in een e-mail aan mij het voortdurende gebruik van nitraat en nitriet in bewerkt vlees. De waanzin schuilt naar zijn mening in het feit dat het mogelijk is bacon en ham te maken op een manier die minder kankerverwekkend is. De simpelste manier om vlees te conserveren is met droog zout 
of natte pekel. Coudray merkt op dat fabrikanten van ham en bacon beweren dat deze ouderwetse manier van conserveren niet veilig is. Maar de werkelijke reden waarom ze ertegen zijn is een financiële: het duurt op deze manier veel langer voor bewerkt vlees op smaak is, en dat drukt de winst.

    gettyimages 80439641

    Er bestaat veel verwarring over wat ‘bewerkt vlees’ nu precies inhoudt, 
een verwarring die in de hand wordt gewerkt door de vleesindustrie, die 
er baat bij heeft dat wij denken dat 
er geen verschil bestaat tussen vers gekruid lamsgehakt en een pizza overladen met nitraatpepperoni. Formeel gezien betekent ‘bewerkt vlees’ varkensvlees of rundvlees dat is gezouten en geconserveerd, gerookt of niet gerookt. Een pond vers rundergehakt is niet bewerkt. Een harde salami wel.

    Het gezondheidsrisico van bacon heeft voornamelijk te maken met twee additieven: kaliumnitraat (oftewel salpeter) en natriumnitriet. Deze stoffen geven salami, bacon en gekookte ham hun aantrekkelijke roze kleur. Salpeter werd al in vroeger tijden gebruikt voor het zouten van vlees. Zoals Jane Grigson uitlegt in Charcuterie and French Pork Cookery, werd salpeter traditioneel gebruikt bij het pekelen van ham ‘om het er aantrekkelijk roze te laten uitzien, omdat het anders een onfrisse, grijsachtig bruine kleur zou hebben’.

    In vroegere eeuwen wisten baconmakers die salpeter gebruikten niet dat het bij het conserveren van het vlees verandert in nitriet. En nitriet zorgt ervoor dat de bacterie die verantwoordelijk is voor de smaak zich sneller ontwikkelt, namelijk door de ontwikkeling van andere bacteriën te remmen. Maar in het begin van de twintigste eeuw ontdekte de vleesindustrie dat de productie van bewerkt vlees gestroomlijnd kon worden door in pure vorm natriumnitriet toe te voegen aan het varkensvlees. In de jaren zestig spraken de firma’s die nitrietpoeder verkochten aan hamfabrikanten er 
in vakbladen openlijk over dat het belangrijkste voordeel was dat door 
de versnelling van het productieproces 
de winstmarges werden vergroot. Een Frans merk natriumnitriet uit de jaren zestig was Vitorose, oftewel ‘snel roze’.

    Nitrochemicaliën zijn niet zo’n zegen voor de consument. Van zichzelf zijn deze chemicaliën niet kankerverwekkend; nitraat zit tenslotte van nature in veel groene groenten, zoals bleekselderie en spinazie, iets waar baconfabrikanten vaak triomfantelijk op wijzen. Zoals een Britse baconfabrikant tegen me zei: ‘Er zit nitraat in sla, en niemand zegt dat je dat niet mag eten!’ Maar er gebeurt iets anders als nitraat wordt gebruikt bij het bewerken van vlees. Als nitraat reageert met bepaalde componenten in rood vlees (heemijzer, aminen en amiden), ontstaan N-nitrosoverbindingen, die kankerverwekkend zijn. De bekendste van deze verbindingen is nitrosamine. Hiervan is bekend, zoals Guillaume Coudray me in een e-mail uitlegde, dat het ‘zelfs in een heel lage dosering kankerverwekkend is’. Telkens als iemand bacon, ham of ander bewerkt vlees eet, komt er in de darmen een dosis nitrosaminen die de cellen in de darmwand beschadigt, en dat kan leiden tot kanker.

    Je kunt het niet afleiden uit de manier waarop bacon wordt verkocht, maar wetenschappers weten al heel lang dat nitrosaminen kankerverwekkend zijn. Meer dan zestig jaar geleden, in 1956, ontdekten de Britse onderzoekers Peter Magee en John Barnes dat als ratten dimethylnitrosamine kregen toegediend, 
ze kwaadaardige levertumoren ontwikkelden. In 
de jaren zeventig toonden studies bij dieren aan dat kleine, herhaaldelijk toegediende doses nitrosaminen en nitrosamiden – precies het soort reguliere dosis die iemand dagelijks binnenkrijgt als hij bacon bij zijn ontbijt eet – tumoren in allerlei organen veroorzaakten, waaronder in de lever, de maag, de slokdarm, de darmen, de blaas, de hersenen, de longen en de nieren.

    Hersenkanker

    Dat iets kankerverwekkend is bij ratten en andere zoogdieren, betekent nog niet dat het ook kanker veroorzaakt bij mensen, maar al in 1976 betoogde kankerspecialist William Lijinsky dat ‘het aannemelijk is’ dat de N-nitrosoverbindingen die in vleeswaren zoals bacon zitten, ook ‘carcinogeen voor 
de mens’ zijn. In de daaropvolgende jaren hebben onderzoekers een enorme hoeveelheid bewijs verzameld die die aanname ondersteunt. In 1994, om maar een van de honderden studies over nitrosaminen en kanker eruit te halen, ontdekten twee Amerikaanse epidemiologen dat er een verband was tussen het een of meerdere keren per week eten van een hotdog en een verhoogd risico op hersenkanker bij kinderen, vooral bij kinderen die bovendien weinig vitaminen binnenkregen.

    In 1993 namen parmahamfabrikanten in Italië 
collectief het besluit om nitraat uit hun product te weren en terug te keren naar het gebruik van alleen zout, net zoals vroeger. De afgelopen 25 jaar is er 
in geen enkele Prosciutto di Parma nitraat of nitriet gebruikt. Zelfs zonder nitraat of nitriet blijft de ham roze van kleur. We weten nu dat de kleur in parmaham volstrekt onschadelijk is: deze is het gevolg van enzymreacties tijdens het anderhalf jaar durende rijpingsproces van de ham.

    Langzaam geconserveerde, nitraatvrije ambachtelijke ham is één ding, maar hoe zit het met de vleeswaren voor de massamarkt? Anderhalf jaar is wel 
een erg lange wachttijd voor hotdogs, aldus voedselwetenschapper Harold McGee. Maar er zijn altijd nitraatvrije baconsoorten geweest, waarvoor alleen zout en kruiden zijn gebruikt. John Gower van Quiet Waters Farm, een producent van varkensvlees die veel fabrikanten van bewerkt vlees adviseert, bevestigt dat nitraat geen noodzakelijk ingrediënt is van bacon: ‘Het is algemeen erkend dat aan puur spiervlees, in tegenstelling tot bewerkt vlees zoals salami, geen nitraat hoeft te worden toegevoegd voor de voedselveiligheid.’

    Bacon is het bewijs, als dat nog nodig is, dat we vasthouden aan oude gewoonten, lang nadat bewezen is dat ze schadelijk zijn. Dat vasthouden aan nitraat in bacon is vooral ‘cultureel’, zegt Gower. Bacon die is geconserveerd op de traditionele manier, zonder nitraat en nitriet, mist wat Gower ‘dat moeilijk te definiëren aroma, die heerlijke, bijna metaalachtige smaak’ noemt, waardoor bacon voor de Britse consument naar bacon smaakt. Bacon zonder nitraat, 
zegt Gower, is niets anders dan ‘zout varkensvlees’.

    Gezien het feit dat al zo lang bekend is dat ‘nitrovlees’ schadelijk is, rijst de vraag waarom er niets 
is gedaan om ons ertegen te beschermen. Corinna Hawkes, hoogleraar Voedselbeleid aan de City-universiteit in Londen, voorspelt al jaren dat bewerkt vlees ‘het nieuwe suiker’ is – een voedingsmiddel dat zo schadelijk is dat de overheid moet ingrijpen om ons te beschermen. Het zal niet lang meer duren, aldus Hawkes, voordat eindelijk het verband tussen kanker en bewerkt vlees tot de mensen doordringt en ze zeggen: ‘Waarom heeft niemand ons dat verteld?’

    Het verbijsterendste van de baconpaniek in 2015 was dat het zo lang duurde voordat officiële volksgezondheidsinstanties waarschuwden tegen het consumeren van bewerkt vlees. Dat hadden ze veertig jaar eerder kunnen doen. De enige keer dat de bewerktvleesindustrie serieus in het nauw dreigde te komen, was in de jaren zeventig, een decennium waarin in de VS de zogenaamde ‘oorlog tegen de nitraten’ werd gevoerd. In het tijdperk van het consumentenactivisme van Ralph Nader kwam er steeds meer steun voor het idee om de consument te beschermen tegen bacon – een prominente wetenschapper op het gebied van de volksgezondheid noemde bacon ‘het gevaarlijkste voedsel in de supermarkt’. In 1973 bevestigde Leo Freedman, de belangrijkste toxicoloog van de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA), tegenover The New York Times dat ‘nitrosaminen kankerverwekkend zijn voor de mens’, hoewel 
hij eraan toevoegde dat hij net als ieder ander gek was op bacon.
    De Amerikaanse vleesindustrie besefte dat ze snel moest handelen om bacon te beschermen tegen de kankerbeschuldigingen. Eerst probeerde men 
de wetenschappers eenvoudigweg belachelijk te maken door te stellen dat ze enorm overdreven. In 1975 betoogde Farmers Weekly in een artikel getiteld ‘Feiten met betrekking tot de angst voor bacon’ dat een man van gemiddeld gewicht elke dag meer dan 11 ton bacon zou moeten eten om ook maar de geringste kans op kanker te krijgen. Dat was een schandelijk verzinsel.

    Maar algauw kwam de vleeslobby met een slimmere afleidingstruc. Het American Meat Institute (AMI) poneerde de stelling dat het nitraat er alleen aan was toegevoegd voor de veiligheid van de consument, ter bescherming tegen botulisme – een potentieel dodelijke vergiftiging door toxinen die soms worden gevormd in slecht geconserveerde etenswaren. De wetenschappelijk directeur van het AMI betoogde dat met een enkel kopje botuline alle mensen op onze planeet gedood konden worden. Dus in tegenstelling tot levensbedreigend was bacon eigenlijk levensreddend.

    gettyimages 80439641

    In 1977 gaven de FDA en het Amerikaanse ministerie van Landbouw de vleesindustrie drie maanden de tijd om te bewijzen dat nitraat en nitriet in bacon niet gevaarlijk waren. ‘Als ze geen bevredigend 
antwoord kregen, zouden die additieven binnen 
drie jaar vervangen moeten worden door niet-kankerverwekkende methoden’, schrijft Coudray. De vleesindustrie kon niet bewijzen dat nitrosaminen niet kankerverwekkend waren – omdat al lang bekend was dat ze dat wel waren. In plaats daarvan werd als argument aangevoerd dat nitraat en nitriet uiterst essentieel zijn voor de productie van bacon, omdat er anders duizenden mensen zouden overlijden aan botulisme. In 1978 betoogde Richard Lyng, directeur van het AMI, in een reactie op het ultimatum van de FDA dat nitriet voor bewerkt vlees hetzelfde is als gist voor brood.

    De tactiek van de vleesindustrie bij de verdediging van bacon komt ‘rechtstreeks uit de koker van de tabaksindustrie’, aldus Marion Nestle, hoogleraar Voeding en Voedsel aan de New York-universiteit. 
De eerste zet is: val de wetenschap aan. In de jaren tachtig financierde het AMI een groep wetenschappers aan de Universiteit van Wisconsin. Die vleesonderzoekers publiceerden een reeks artikelen die twijfel zaaiden over het schadelijke effect van nitraat en die het risico op botulisme bij nitraatloze ham overdreven.

    Leidt de productie van ham zonder nitriet tot botulisme? Als dat zo is, is het wel een beetje vreemd dat in de 25 jaar dat parmaham zonder nitriet wordt gemaakt, er geen enkel geval van botulisme mee 
in verband is gebracht. Bijna alle gevallen van 
botulisme veroorzaakt door geconserveerd voedsel – uiterst zeldzaam overigens – zijn het gevolg geweest van slecht geconserveerde groenten, zoals ingeblikte bonen, erwten en paddenstoelen. Het botulisme-argument was een rookgordijn. Hoe meer de consument het gevoel had dat je kon debatteren over het schadelijke effect van nitraat en nitriet in bacon en ham, des te makkelijker ze zich gerust 
lieten stellen en gewoon bacon bleven kopen.

    Het schijnargument van botulisme was zeer effectief. Het lukte het AMI om de FDA zover te krijgen dat het ultimatum met betrekking tot nitriet werd verlengd tot in 1980 een nieuw hoofd werd aangesteld bij de FDA, iemand die meer van hotdogs hield. Het verbod op nitriet werd in de ijskast gezet. De enige concessie die de industrie had gedaan, was het percentage nitriet dat werd toegevoegd aan bewerkt vlees te beperken en vitamine C toe te voegen, waardoor de vorming van nitrosaminen werd geremd, hoewel vitamine C niet de vorming van een ander bekend carcinogeen voorkomt: nitrosyl-haem.

    In de loop der jaren zijn de berichten die de gevaren van bacon bagatelliseren steeds bizarder geworden. Een verklarend artikel door het Meat Science and Muscle Biology-lab van de Universiteit van Wisconsin betoogt dat natriumnitriet in wezen ‘essentieel is voor de gezondheid van de mens, doordat het de bloeddruk regelt, geheugenverlies voorkomt en de wondgenezing 
versnelt’. Een website van de Franse vleesindustrie, info-nitrites.fr, stelt dat het gebruik van ‘de juiste dosis’ nitriet in ham ‘gezonde en veilige’ producten garandeert, en benadrukt dat ham uitstekend voedsel voor kinderen is.

    De baconlobby heeft verrassend genoeg bondgenoten gevonden bij de voorvechters van natuurlijk voedsel. Typ ‘nitraat kanker bacon’ in op Google en je stuit op een aantal artikelen over gezond eten, waarvan enkele zijn geschreven door pleitbezorgers van 
het ‘paleodieet’. Zij betogen dat bacon eigenlijk gezondheidsvoedsel is, waarover ten onrechte kwaad wordt gesproken. De schrijvers melden vaak dat groenten de primaire bron van nitraat zijn en dat het menselijk speeksel veel nitriet bevat. Een veel gedeeld artikel beweert dat stoppen met het eten van bacon net zo absurd zou zijn als proberen te stoppen met ademhalen. Bij deze talloze onlinepleidooien voor de gezondheid van bacon is het moeilijk vast te stellen welke auteurs overtuigd zijn door de vleeslobby, en wie gewoon domme ‘voedingsdeskundigen’ zijn die niet beter weten. Hoe dan ook, deze desinformatie heeft de potentie om duizenden mensen ziek te maken. Het raadselachtige van het geheel is waarom iedereen die misleiding zo gretig accepteert.

    We zijn sentimenteel over bacon zoals we dat bij sigaretten nooit zijn geweest, en dat weerhoudt ons ervan redelijk na te denken

    Onze steeds verder reikende kennis van de gevaren van bacon heeft weinig schade toegebracht aan de genoeglijke culturele associaties van bacon. Tijdens de research voor dit artikel voelde ik steeds meer walging opkomen ten aanzien van de voortdurende onoprechtheid van de bewerktvleesindustrie. Ik dacht aan ziekenhuiszalen en de verschrikkelijke pijn en ellende van darmkanker. Maar dan herinnerde ik me 
de zondagochtenden dat ik als kind samen met mijn vader in de keuken was en hem bacon zag bakken. Als de bacon klaar was, bakte hij wat stukjes brood in het resterende spekvet tot die 
al het lekkers in zich hadden opgezogen.

    In theorie zou onze gewoonte om gezouten en geconserveerd vlees te eten moeten zijn verdwenen toen halverwege de twintigste eeuw de koelkast zijn intrede deed in de huishoudens. Maar de smaak van eten is zelden rationeel en miljoenen van ons zijn nog steeds gek op het zoutige, rokerige umami-aroma van sissende bacon. We zijn sentimenteel over bacon zoals we dat bij sigaretten nooit zijn geweest, en dat weerhoudt ons ervan redelijk na te denken. De wijdverbreide bereidheid om de roze nitrobacon het veroorzaken van kanker te vergeven, illustreert hoe verscheurd we ons voelen als iets geliefds in onze cultuur schadelijk voor onze gezondheid blijkt te zijn. Onze hersenen kunnen het vreselijke gevoel niet aan dat bacon niet is wat we dachten dat het was, en dus richten we onze woede op de gezondheidsgoeroes die ons waarschuwen voor de gevaren ervan. De reactie van veel consumenten
 op het WHO-rapport van 2015 was: blijf van mijn bacon af!

    In 2010 overwoog de EU het gebruik van nitraat in biologisch vlees te verbieden. Verrassend misschien, maar de Britse industrie van biologische bacon was een fel tegenstander van dat voorgenomen nitraatverbod. Richard Jacobs, de voormalige directeur van Organic Farmers & Growers, een industriële organisatie, zegt dat het verbieden van nitraat en nitriet de ineenstorting van de groeimarkt van biologische bacon zou hebben betekend.

    Biologische bacon waaraan nitraat is toegevoegd klinkt als een contradictio in terminis, aangezien de meeste consumenten van biologisch eten het kopen vanwege hun bezorgdheid over de voedselveiligheid. Als je eerst zo veel moeite hebt gedaan om scharrelvarkens te fokken en ze alleen biologisch voedsel te geven, waarom zou je het vlees dan zodanig bewerken dat het kankerverwekkend wordt? In Denemarken is alle biologische bacon nitraatvrij. Maar de Britse biologische industrie houdt vol dat Britten geen bacon accepteren die er grijsachtig uitziet.

    Het feit dat de consument zijn vertrouwen in roze bacon zo langzaam opgeeft, is echter deels een reactie op de verwarrende manier waarop de gezondheidsboodschap wordt gebracht. Wat betreft bewerkt vlees zijn we niet alleen misleid door de bizarre overdrijvingen van de voedselindustrie, maar ook door de behoedzaamheid van de wetenschap. Op de website van de WHO wordt het schadelijke aspect van met nitriet behandeld vlees zo onduidelijk uitgelegd dat het je helemaal kan ontgaan. Halverwege een stuk over de oorzaken ‘waardoor rood vlees en bewerkt vlees de kans op kanker vergroten’, staat: ‘Tot de kankerverwekkende chemicaliën die ontstaan tijdens het bewerken van vlees, behoren onder andere N-nitrosoverbindingen.’ In normale taal betekent dit dat nitriet bacon kankerverwekkender maakt. Maar in plaats van dat zo direct te formuleren, wijkt de WHO snel uit naar de vraag hoe zowel rood als bewerkt vlees kanker kan veroorzaken, en voegt eraan toe ‘dat het nog niet helemaal duidelijk is hoe het komt dat de kans op kanker toeneemt’.

    Het worstje

    Deze behoedzaamheid heeft ons als consument onnodig in het ongewisse gelaten. Jarenlang heb ik geloofd dat het ongezondste van het typisch Engelse ontbijt het worstje was, en niet de bacon. Voor ik aan de research voor dit artikel begon, had ik durven zweren dat worstjes tot de categorie ‘bewerkt vlees’ behoorden. Op de website van de National Health Service staan ze daar ook foutief onder gerangschikt. Maar het Britse worstje bestaat, in tegenstelling tot een harde worst zoals de Franse saucisson, alleen uit vers vlees, broodkruim, kruiden, zout en E223, een conserveringsmiddel dat niet kankerverwekkend is. Na veel vragen bevestigden twee woordvoerders van het Amerikaanse National Cancer Institute dat je verse worst ‘zou kunnen beschouwen als rood vlees’ en niet als bewerkt vlees, en daarom alleen als ‘mogelijk’ kankerverwekkend. (Ik werd heel blij van het feit dat de meeste worstjes geen bewerkt vlees zijn; denkend aan [het typisch Engelse gerecht] toad in the hole deed ik een vrolijk rondedansje door de keuken.)

    Als je kankerspecialisten vraagt onderscheid te maken tussen de risico’s van het eten van verschillende soorten vlees, worden ze natuurlijk behoedzaam. De twee deskundigen bij het National Cancer Institute vertelden dat vleessoorten die nitriet en nitraat bevatten, in onderzoeken bij de mens ‘consistent in verband worden gebracht met een verhoogd risico op darmkanker’. Maar ze voegden eraan toe 
dat ‘het moeilijk is om nitrosaminen te scheiden van andere mogelijke carcinogenen die aanwezig kunnen zijn in bewerkt vlees zoals bacon.’ Tot die andere verdachte stoffen behoren onder andere heemijzer – een stof die overvloedig aanwezig is in al het rode vlees, bewerkt of niet – en heterocyclische aminen: chemicaliën die in vlees ontstaan bij het bakken. 
Een stuk knapperige, doorgebakken bacon zal veel carcinogenen bevatten, en dat komt niet alleen door het nitraat.

    Naar mijn mening is het probleem met deze redenering dat daarmee de vraag waarom bewerkt vlees zo veel nauwer gelinkt wordt aan kanker dan gebakken rood vlees, niet is beantwoord. Daarvoor is nog geen plausibele verklaring, behalve dan nitraat en nitriet. Maar het is lastig om daar een duidelijke bevestiging voor te zoeken in de data, omdat mensen niet onder klinische observatie in laboratoria eten.

    Het meeste van wat we weten over bewerkt vlees en kanker bij de mens, komt uit de epidemiologie – de studie naar ziekten in hele bevolkingsgroepen. Maar epidemiologen stellen niet het soort gedetailleerde vragen over voedsel waarop de mensen die dat voedsel eten graag een antwoord zouden hebben. Epidemiologische data – gebaseerd op onderzoek naar wat mensen eten – tonen overduidelijk aan dat eetpatronen met veel bewerkt vlees leiden tot een toename van het aantal kankergevallen. Maar er blijkt niet uit waarom, of welk vlees het best of het slechtst is. Zoals Corinna Hawkes van de City-universiteit opmerkt: ‘De onderzoekers vragen niet of je ambachtelijke vleeswaren van de plaatselijke Italiaanse delicatessenzaak eet of de goedkoopste hotdogs die je maar kunt krijgen.’

    Ik zou graag data zien waarbij het risico op kanker 
bij het eten van parmaham wordt vergeleken met het dat bij eten van traditionele bacon, maar geen epidemioloog heeft nog zo’n studie uitgevoerd. Het dichtstbij komt een Franse studie uit 2015, waarin werd aangetoond dat het consumeren van genitrosyleerd heemijzer – zoals aangetroffen in bewerkt vlees – een directer verband had met darmkanker dan het heemijzer dat in vers rood vlees zit. Misschien hebben epidemiologen geen gedetailleerdere vragen gesteld over wat voor soort bewerkt vlees ze eten, omdat ze aannemen dat er geen algemeen alternatief is voor bacon dat zonder nitraat of nitriet wordt gemaakt.

    gettyimages 958962510

    De technologie is aanwezig om op een minder schadelijke manier het roze vlees te maken waar we zo van houden, wat de vraag doet rijzen waarom het oude soort nog steeds zo veel wordt verkocht. Sinds ‘de oorlog tegen de nitraten’ in de jaren zeventig zijn de consumenten in de VS kritischer op nitraat dan die in Europa, en er is veel ‘nitraatvrije bacon’ op de markt. Volgens Jill Pell is het probleem dat de meeste bacon die in de VS als nitraatvrij verkocht wordt, in werkelijkheid niet nitraatvrij is. Het wordt gemaakt met nitraat dat afkomstig is uit een selderijconcentraat, dat weliswaar natuurlijk is, maar in vlees precies dezelfde N-nitrosoverbindingen vormt. Volgens de EU-regels zou bij die bacon niet ‘nitraatvrij’ op het etiket mogen staan. ‘Dit is het smerigste geval van oplichting dat ik in mijn hele leven ben tegengekomen,’ zegt Denis Lynn, directeur van Finnebrogue Artisan, een Noord-Iers bedrijf dat worstjes maakt voor veel Britse supermarkten, zoals Marks & Spencer (M&S). Jarenlang had Lynn gehoopt dat hij zijn assortiment kon uitbreiden met bacon en ham, vertelt hij, ‘maar dat zou ik pas doen als we een manier hadden gevonden om dat zonder nitraat te doen’.

    Toen Lynn hoorde van een nieuw procedé, ontwikkeld in Spanje, om prachtige roze, nitraatvrije bacon te maken, ging hij ervan uit dat het de zoveelste dode mus was. In 2009 ontdekte Juan de Dios Hernandez Canovas, voedingswetenschapper en directeur van voedseltechnologisch bedrijf Prosur, dat als hij bepaalde vruchtenextracten toevoegde aan vers 
varkensvlees, het een verrassend lange tijd roze bleef.

    In januari 2018 gebruikte Finnebrogue deze technologie om daadwerkelijk nitraatvrije bacon en ham in het Verenigd Koninkrijk te introduceren. Deze worden bij [supermarktketens] Sainsbury’s en Waitrose verkocht onder de naam ‘Naked Bacon’ en ‘Naked Ham’, en bij M&S als ‘gemaakt zonder nitriet’. Kirsty Adams, die de leiding had bij de lancering bij M&S, legt uit dat dit vlees ‘niet echt geconserveerd is’. Het is meer vers gezouten varkensvlees dat is geïnjecteerd met een extract van fruit en groenten, en het bederft ook eerder dan een plak ouderwetse bacon – maar dat geeft niet, want het wordt toch bewaard in de koelkast. Omdat het snel geproduceerd kan worden, is het economisch aantrekkelijker om te maken dan de andere nitraatvrije opties, zoals de langzaam gerijpte parmaham. Bij Waitrose kost 
een pakje bacon tegenwoordig 3 pond, wat niet het goedkoopst is, maar ook weer niet onbetaalbaar.

    Ik probeerde de Finnebrogue-bacon van M&S. Het magere rugspek smaakte lekker zacht, een vleugje fruitig. Het had niet de aantrekkelijke textuur of de rokerige diepte van een plakje droog gezouten bacon van de slager, maar ik zou het zo weer kopen als alternatief voor nitrovlees. Niemand van mijn gezin proefde het verschil in de spaghetti amatriciana.

    Nitrietvrije bacon klinkt nog steeds een beetje chic en apart, maar er is niets aparts aan het verlangen om voedsel te eten dat het risico op kanker niet vergroot. Lynn vertelt dat hij, toen hij Prosur voor het eerst sprak over het vruchtenextract, vroeg hoeveel ze hadden verkocht aan de andere grote Britse baconfabrikanten die ze hadden benaderd. Het 
antwoord was ‘niets’. ‘Geen van de grote bedrijven wilde het hebben,’ beweert Lynn. ‘Ze zeiden: “Dat maakt al ons andere bewerkte vlees verdacht.”’
    Maar het valt nog af te wachten hoeveel vraag er bij de consument zal zijn naar nitriet- of nitraatvrije bacon. Ondanks alle ophef rondom bacon en kanker is het niet makkelijk om voor jezelf precies vast te stellen wat voor gevaar je loopt als je een broodje bacon eet. Oké, jaarlijks sterven 34.000 mensen omdat ze bewerkt vlees hebben gegeten, maar de kans is groot dat jij daar niet bij hoort. Ik vroeg een aantal kankerwetenschappers of ze zelf bewerkt vlees aten, en ze gaven allemaal een ander antwoord. Jill Pell zei dat ze meestal vegetarisch at en zelden bewerkt vlees at. Maar toen ik Fabrice Pierre, een Franse deskundige op het gebied van darmkanker en vlees, vroeg of hij ham at, zei hij: ‘Ja, natuurlijk. Maar dan wel met groente erbij.’ (Pierres onderzoek bij het Toxalim-laboratorium heeft aangetoond dat sommige kankerverwekkende effecten kunnen worden geneutraliseerd door het eten van groente.)

    Onze eeuwige twijfel en verwarring over wat we moeten eten is een geschenk voor de baconindustrie. Het verdoezelen van de schadelijke effecten van 
met nitraat en nitriet geconserveerd vlees kreeg een steuntje in de rug door de scepsis die velen van ons hebben ten opzichte van elk dieetadvies. Op het hoogtepunt van de grote baconpaniek van 2015 
zeiden veel intelligente mensen dat het geen kwaad kon de nieuwe classificering van bewerkt vlees als kankerverwekkend te negeren, omdat je nooit moet vertrouwen wat voedingsdeskundigen zeggen. Intussen blijven miljoenen consumenten van ham en bacon, onder wie kinderen, onbeschermd achter. Het bijzonderste van deze hele controverse is hoe weinig publieke verontwaardiging ze heeft veroorzaakt. Ondanks alles zien de meesten van ons bacon nog steeds als een dierbare goede vriend.

    In een ideale wereld zouden we allemaal minder vlees eten, bewerkt of niet bewerkt, zowel vanwege de duurzaamheid en het dierenwelzijn als vanwege onze eigen gezondheid. Maar in de wereld waarin 
we nu leven is bewerkt vlees nog steeds een normale eiwitbron voor miljoenen mensen die het zich niet kunnen veroorloven een heel pakje bakbacon in te wisselen voor een paar plakjes Prosciutto di Parma. Volgens onderzoeker John Kearney is ongeveer de helft van al het vlees dat in ontwikkelde landen wordt gegeten bewerkt, waardoor het een veel universelere gewoonte is dan roken.

    Arme consumenten

    De werkelijke slachtoffers van dit alles zijn niet 
mensen zoals ik, die af en toe een zuurdesembroodje bacon eten in een hipstercafé. De mensen die het zwaarst worden getroffen zijn diegenen – velen met een laag inkomen – voor wie het risico op kanker door het eten van bacon nog wordt vergroot door andere risicofactoren, zoals het eten van vezelarm voedsel met weinig groenten en weinig volkorenproducten. In zijn boek wijst Coudray erop dat miljoenen arme consumenten in de komende jaren zullen 
worden getroffen door darmkanker, als het westerse bewerkte vlees de ontwikkelingslanden verovert.

    Eerder dit jaar startte Michèle Rivasi, een Frans lid van het Europees Parlement, een campagne – in samenwerking met Coudray – voor een verbod op nitriet in alle landen van Europa. Gezien de felheid waarmee de baconindustrie voor haar zaak heeft gevochten, lijkt een algeheel verbod op nitriet niet erg waarschijnlijk.

    Maar behalve een absoluut veto zijn er nog andere dingen die gedaan kunnen worden aan het gevaar van nitriet en nitraat in bacon. Betere informatie zou al een begin zijn. Zoals Corinna Hawkes betoogt, is het ‘verrassend’ dat er vanuit de overheid niet meer moeite wordt gedaan om de mensen te informeren over de risico’s van het eten van ham en bacon, bijvoorbeeld door een waarschuwing op het etiket van bewerkt vlees. Maar waar is de Britse politicus die dapper genoeg is om de kwaliteit van bacon in twijfel te trekken?

    Auteur: Bee Wilson
    Vertaler: Paul Bruijn

  • Homo Sapiens

    Homo Sapiens

    In 2050 wonen naar verwachting bijna 10 miljard mensen op aarde. Een abstract en duizelingwekkend aantal met tien nullen waarvan de consequenties niet te overzien zijn.

    Hoe kan die groeiende wereldbevolking gevoed worden en gaat dat de draagkracht van de aarde niet te boven? Met deze vragen houden wetenschappers zich al jaren bezig. Wordt 
het een nieuwe agrarische revolutie of krijgen de volgende generaties straks wat moderne laboratoria hun voorzet? Profeten en tovenaars voorspellen dat meer mensen het zullen moeten stellen met minder vruchtbare grond. Het is dus maar goed ook dat straks niet de boer en het seizoen bepalen wat er op ons bord komt, maar de industrie. Er worden nu al talloze pogingen gedaan om van rijst – het hoofdgewas voor meer dan de helft van de wereldbevolking! – een plant te maken die sneller groeit, minder water en bemesting nodig heeft en meer korrels produceert. Op die manier is de mens minder afhankelijk van erosie, verwoestijning, uitputting van de grond, het uitsterven van soorten en besmetting van water, wat allemaal vroeg of laat tot enorme hongersnoden leidt.

    Wij atoomsplitsers, celkwekers en ruimtevaarders zouden wellicht beter naar de planten moeten luisteren

    Sinds de bestseller Homo Sapiens van Yuval Noah Harari begrijpen wij dat de Agrarische Revolutie, over het algemeen beschouwd als een sprong voorwaarts, evolutionair gezien weliswaar een succes was – de gigantische toename van voedselproductie veroorzaakte een bevolkingsexplosie – maar dat slechts de happy few er uiteindelijk van profiteerde omdat de rest zaaiend en oogstend alle ontberingen opving. Betekent dit dat we ook nieuwe land- en tuinbouwrevoluties op wereldschaal met een korrel zout moeten nemen? De agrarische revolutie was ook bedoeld om het leven en de voedselvoorziening van de volgende generaties te vergemakkelijken. Niemand weet het, omdat niemand de consequenties op de lange termijn kan overzien. Wij atoomsplitsers, celkwekers en ruimtevaarders zouden wellicht beter naar de planten moeten luisteren. Hun communicatie moeten imiteren. Een tomatenplant bijvoorbeeld die belaagd wordt door een vijandige aardrups, laat een cocktail van vluchtige stoffen ontsnappen die door planten in de buurt wordt opgepikt. Buurt- en soortgenoten die deze waarschuwing ‘horen’, produceren glycoside, dat er weer voor zorgt dat er een gifstof vrijkomt die de vijandige rupsen afschrikt. Niks RoundUp, Monsanto of genetische manipulatie. Een sojaplant die last heeft van bladluis laat een ‘inbraakalarm’ klinken, dat troepen bladluisetende lieveheersbeestjes aantrekt. En dat geldt niet alleen voor de welgestelde planten.

    Auteur: Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl