Tag: voedsel

  • Onderzoek: vegetarisme verlaagt risico op bepaalde kankersoorten

    Onderzoek: vegetarisme verlaagt risico op bepaalde kankersoorten

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Bill Clinton houdt vol geen weet te hebben van de misdaden van Epstein

    » Trump geeft zijn regering opdracht geen gebruik meer te maken van Anthropic

    Bij andere kankersoorten lopen vegetariërs juist meer risico

    Vegetariërs hebben een aanzienlijk lager risico op vijf soorten kanker, zo blijkt uit een baanbrekend onderzoek naar de rol van voeding. Het onderzoek, gebaseerd op gegevens van meer dan 1,8 miljoen mensen die jarenlang werden gevolgd, toonde aan dat vegetariërs 21 procent minder risico lopen op alvleesklierkanker, 12 procent minder op prostaatkanker en 9 procent minder op borstkanker in vergelijking met vleeseters. Deze kankersoorten zijn samen verantwoordelijk voor ongeveer een vijfde van alle kankersterfgevallen in het Verenigd Koninkrijk, aldus The Guardian.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Vegetariërs hebben ook 28 procent minder risico op nierkanker en 31 procent minder risico op multipel myeloom, aldus de studie die is gepubliceerd in het British Journal of Cancer. Hoewel vegetarisme over het algemeen beschermend lijkt te zijn, ontdekten de wetenschappers ook dat mensen die een vegetarisch dieet volgen bijna twee keer zoveel risico lopen op de meest voorkomende vorm van slokdarmkanker, plaveiselcelcarcinoom, in vergelijking met vleeseters. Dit zou te wijten kunnen zijn aan een tekort aan essentiële voedingsstoffen zoals B-vitaminen bij vegetariërs, suggereerde het team.

    Veganisten hebben een 40 procent hoger risico op darmkanker vergeleken met vleeseters. Dit kan te wijten zijn aan de lage gemiddelde inname van calcium (590 mg per dag, vergeleken met de Britse aanbeveling van 700 mg per dag) en een lagere inname van andere voedingsstoffen. De onderzoekers gaven aan dat er meer onderzoek nodig is om vast te stellen of vleesconsumptie problematisch is of dat er iets specifieks in vegetarische diëten zit wat het kankerrisico verlaagt. Het antwoord zou kunnen verschillen afhankelijk van het type kanker, schrijft The Guardian.

  • Nieuwe piek in voedselprijzen treft lage-inkomenslanden

    Nieuwe piek in voedselprijzen treft lage-inkomenslanden

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Indiase bioscoopwereld grijpt terug op oude successen na reeks geflopte films

    » Russisch parlement neemt begroting aan met recordbedrag voor het leger

    Soedan, Zuid-Soedan, Palestina, Haïti en Mali zwaarst getroffen

    De voedselprijzen bereikten in oktober het hoogste niveau in anderhalf jaar volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO). ‘Een nieuwe klap voor landen met minder financiële middelen’, aldus El País. Gewapende conflicten en extreme weersomstandigheden zijn verantwoordelijk voor de stijging van de voedselprijzen.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Volgens de laatste cijfers van de FAO hebben ongeveer veertig landen in de wereld nu buitenlandse hulp nodig om hun bevolking te voeden. Drieëndertig daarvan zijn Afrikaans, negen Aziatisch, twee Latijns-Amerikaans (Venezuela en Haïti) en één Europees (Oekraïne). Deze situatie wordt verergerd door de financiële spanningen in het Mondiale Zuiden, dat al meer betaalt voor zijn schulden dan het ontvangt aan ontwikkelingshulp en waarvan de regeringen de handen gebonden zijn als het gaat om het reageren op voedseltekorten. In 22 landen – aangevoerd door Soedan, Zuid-Soedan, Palestina, Haïti en Mali – is de situatie bijzonder ernstig en zijn ‘dringende maatregelen’ nodig, aldus het VN-agentschap.

    De FAO-prijsindex steeg in oktober met 2 procent, een stijging van ongeveer 5,5 procent ten opzichte van een jaar geleden. Desondanks blijft deze indicator 20 procentpunten onder het recordniveau dat in maart 2022 werd geregistreerd, weken nadat de eerste troepen van Vladimir Poetin de grens met Oekraïne overstaken.

  • VK: veel hogere concentraties pesticide toegestaan op voedsel sinds Brexit

    VK: veel hogere concentraties pesticide toegestaan op voedsel sinds Brexit

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Onderzoek: aarde in het verre verleden warmer dan gedacht

    » Wetenschappers roepen op tot ‘wereldwijde actie’ tegen microplastics

    Regels voor pesticidegebruik zijn versoepeld

    De hoeveelheid residu van bestrijdingsmiddelen die is toegestaan op tal van soorten voedsel in Engeland, Wales en Schotland is sinds Brexit explosief gestegen, zo blijkt uit een analyse Pesticides Action Network UK (Pan UK). Veranderingen in de regelgeving in Groot-Brittannië betekenen dat meer dan 100 producten die in de winkel liggen nu meer pesticiden mogen bevatten – de levensmiddelen variëren van aardappelen tot uien, druiven tot avocado’s en koffie tot rijst, aldus The Guardian.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Voor thee werd de maximale residulimiet (MRL) verhoogd met een factor vierduizend voor zowel het insecticide chlorantraniliprole als het fungicide boscalid. Voor de controversiële onkruidverdelger glyfosaat, door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) geclassificeerd als ‘waarschijnlijk kankerverwekkend voor de mens’, werd de MRL voor bonen 7,5 keer verhoogd.

    De veranderingen vonden plaats tussen 2022 en 2024 onder de vorige conservatieve regering en vervingen strengere pesticidewetgeving van de EU. In tegenstelling tot Groot-Brittannië heeft de EU de MRL’s voor de bestrijdingsmiddelen niet afgezwakt en in sommige gevallen zelfs strenger gemaakt. Actievoerders riepen de Labourregering op om de veranderingen terug te draaien.

  • Zeldzame protesten op Cuba vanwege voedsel- en energieproblemen

    Zeldzame protesten op Cuba vanwege voedsel- en energieproblemen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Plunderingen en doden bij aanhoudende crisis in Haïti

    » Zeker 87 mensen ontvoerd in Nigeriaans dorp

    Honderden mensen demonstreerden tegen de tekorten

    Op Cuba hebben zondag en maandag zeldzame protesten plaatsgevonden van Cubanen die in Santiago, Cuba’s tweede grootste stad, protesteerden tegen stroomuitval en voedseltekorten. Dat schrijft CNN. De communistische regering onder leiding van Miguel Díaz-Canel wees gelijk naar de Verenigde Staten en beschuldigde hen van het uitlokken van de onrust.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De protesten in Santiago zouden vreedzaam zijn verlopen. Er waren wel veel veiligheidstroepen aanwezig. Het internet op het eiland lag het hele weekend eruit, mogelijk om organisatoren van protesten in het land het moeilijk te maken. Bij eerdere protesten in 2021, de grootste demonstraties in Cuba sinds de revolutie van Fidel Castro in 1959, werd hard opgetreden door de Cubaanse autoriteiten.

    Door een golf van black-outs op Cuba is er soms 18 uur geen stroom, een situatie die de economie van het land nog verder in de problemen brengt. Cuba worstelt met de ergste economische crisis in decennia, deels veroorzaakt door de pandemie, waardoor toerisme kwam stil te liggen. De Cubaanse economie wordt ook al lange tijd belemmerd door de handelsembargo’s van de VS en de recente sancties die zijn opgelegd tijdens het presidentschap van Donald Trump.

  • Het sprookje van wereldwijde graantekorten

    Het sprookje van wereldwijde graantekorten

    In tegenstelling tot wat vaak wordt gezegd, heeft de oorlog in Oekraïne niet geleid tot een wereldwijd graantekort. Wel is de honger in de wereld de afgelopen jaren toegenomen, maar de echte oorzaken van deze voedselcrisis zijn vooral financieel van aard, aldus hoogleraar economie Jayati Ghosh.

    Stijgende voedselprijzen en steeds meer en hevigere overstromingen, droogteperiodes en andere vormen van extreem weer hebben de afgelopen jaren geleid tot waarschuwingen over een dreigend graantekort. Dat kan een ramp zijn voor de armste en kwetsbaarste bevolkingsgroepen. Hoewel klimaatverandering op de middellange tot lange termijn de grootste bedreiging vormt voor mondiale voedselzekerheid, wordt de Russische invasie van Oekraïne vaak genoemd als directe oorzaak van de huidige voedselcrisis, maar dat is een wassen neus.

    Zeker, de oorlog heeft de tarwe-export uit zowel Rusland als Oekraïne – twee van ’s werelds grootste producenten – verstoord en daarmee ook cruciale handelsrelaties in het ongerede gebracht. Aangezien Oekraïne en Rusland eerder goed waren voor meer dan een kwart van mondiale tarwe-export, hebben beleidsmakers en commentatoren de prijsstijging begin 2022 grotendeels toegeschreven aan schaarste als gevolg van het conflict.

    Inderdaad steeg de wereldwijde tarweprijsindex in de maanden na de Russische invasie met ongeveer 23 procent, maar in juni 2022 daalde die alweer. In december was de index weer op vooroorlogs niveau. Deze ontwikkeling wordt dan weer toegeschreven aan het succes van het Black Sea Grain Initiative (BSGI), een door de Verenigde Naties gesteunde regeling die de Russische blokkade van de Oekraïense graanexport ophief. Andersom heeft het recente Russische besluit zich uit deze ‘graandeal’ terug te trekken geleid tot zorgen over gevolgen voor de wereldwijde graanhandel.

    De mondiale tarwevoorraad is stabiel gebleven sinds het uitbreken van de oorlog in Oekraïne

    Deze zorgen snijden geen hout. Ten eerste is de mondiale tarwevoorraad (de totale productie én de verhandelde hoeveelheid) stabiel gebleven sinds het uitbreken van de oorlog in Oekraïne. In het Agricultural Market Information System, waarover de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties het beheer voert, zijn gegevens van de International Grains Council verwerkt, waardoor er schattingen van aanbod, gebruik en handel te maken zijn. Tussen juli 2021 en juni 2022 – toen de tarweprijzen piekten – steeg de wereldproductie met 5 miljoen ton en de handelsvolumes met 3 miljoen ton. Tegelijkertijd stegen de voorraden enigszins (met 3 miljoen ton).

    Overschot

    Het meest opvallend was dat de totale tarwevoorraad (ofwel: productie plus beginvoorraden) het gebruik met maar liefst 275 miljoen ton overtrof. Dit overschot staat op gespannen voet met het heersende verhaal van een wereldwijd tekort. Daar komt bij dat het aanbod tussen juli 2022 en juni 2023 de vraag volgens schattingen heeft overtroffen, wat op een consistente ontwikkeling duidt.

    Ten tweede leggen regeringen en media doorgaans de nadruk op specifieke regionale tekorten. De toename van productie en handel in andere delen van de wereld wordt over het hoofd gezien. Tarwe wordt wereldwijd geproduceerd, wat betekent dat een verhoogde productie in een regio tekorten in een andere kan compenseren. 

    Vanwaar dan die stijging van de tarweprijzen? Volg het geldspoor. De graanmarkt werkt als een oligopolie, waarbij de vier grootste graanhandelaren – Archer-Daniels-Midland, Bunge (onlangs gefuseerd met Viterra), Cargill en Louis Dreyfus – ruim 70 procent van de markt in handen hebben en Glencore nog eens 10 procent.

    Tien hedgefondsen verdienden naar verluidt 1,9 miljard dollar door te profiteren van gestegen voedselprijzen vanwege de Russische aanval op Oekraïne

    Toen de oorlog in Oekraïne nog niet zo lang aan de gang was, boekten de vier grote graanhandelaren vooral tussen maart en juni 2022 recordwinsten en -inkomsten. De jaaromzet van Cargill steeg met 23 procent tot 165 miljard dollar, de winst van Louis Dreyfus met 80 procent. De prijsstijgingen die uit deze winsten voortvloeiden, hielden geen verband met de werkelijke ontwikkeling van vraag en aanbod.

    Bovendien waren de graantermijnmarkten tussen april en juni 2022 buitengewoon levendig. Beleggingsmaatschappijen, zoals pensioenfondsen, verhoogden hun aandeel in longposities op de Parijse tarwetermijnmarkt van 23 procent in mei 2018 tot 72 procent in april 2022. Tien door het momentum gedreven hedgefondsen verdienden naar verluidt 1,9 miljard dollar door te profiteren van gestegen voedselprijzen vanwege de Russische aanval op Oekraïne. Regelgevers in de Verenigde Staten en de Europese Unie stonden rustig toe dat deze financiële manoeuvres onverminderd doorgingen.

    Armste landen

    Opvallend genoeg bleven de armste landen grotendeels verstoken van Oekraïens graan. In plaats daarvan ging 81 procent van de onder het BSGI geëxporteerde 32,9 miljoen ton naar landen met hoge en bovengemiddelde inkomens: voornamelijk Europese landen zoals Spanje, Italië en Nederland, én China en Turkije. Landen met lage inkomens ontvingen 3 procent van het Oekraïense graan en 9 procent van zijn tarwe (Bangladesh was de voornaamste begunstigde). Aangezien voedselimporterende Afrikaanse landen slechts een fractie van deze export ontvingen, lijkt de vrees dat het mislukken van de graandeal tot massale hongersnood in Afrika zal leiden schromelijk overdreven.

    Het BSGI lijkt meer te gaan over facilitering van de Oekraïense export – op zich lofwaardig – dan over de bestrijding van hongersnood in de wereld. Naast de Russische blokkade van zeeroutes zijn de routes over land van Oekraïne aangetast door de impliciete invoerbeperkingen die Midden- en Oost-Europese landen als Polen, Bulgarije, Hongarije, Slowakije en Roemenië hebben opgelegd om noodlijdende lokale boeren te beschermen tegen scherp geprijsd Oekraïens graan. Waar het uiteindelijk op neerkomt is dat het BSGI vooral de belangen dient van de agribusinessreuzen die in Oekraïens graan handelen, en hun financiers.

    We kunnen de strijd tegen wereldwijde voedseltekorten alleen winnen als we de werkelijke oorzaken van die tekorten onderkennen

    Hoewel de mondiale voedselzekerheid de afgelopen jaren sterk is afgenomen, komt dat niet door een tekort aan graan. Waardoor dan wel? Door dalende export, slinkende deviezeninkomsten, kapitaalvlucht en hogere schuldenlasten. Als gevolg daarvan kunnen veel landen minder levensmiddelen importeren.

    Om deze problemen het hoofd te bieden, moeten we onze prioriteiten verleggen. In plaats van graan uit te delen als gebaar van liefdadigheid, moeten mondiale beleidsmakers de kwetsbaarheid van wisselkoersen in verarmde landen verminderen. En ze moeten een beleid voeren dat de binnenlandse en regionale productie van essentiële voedselproducten stimuleert. We kunnen de strijd tegen wereldwijde voedseltekorten nog steeds winnen, maar alleen als we de werkelijke oorzaken van die tekorten onderkennen.

    Lees ook:

  • Waarom je speeksel bepaalt wat je proeft

    Waarom je speeksel bepaalt wat je proeft

    De vloeistof die onze mond produceert, is niet alleen een glijmiddel. Speeksel speelt een actieve rol in hoe we smaak ervaren en heeft invloed op onze voedselkeuze, zo hebben onderzoekers ontdekt.

    Op het eerste gezicht lijkt speeksel nogal saai spul. Handig om ons voedsel mee te bevochtigen, meer niet. De realiteit is heel anders, beginnen wetenschappers nu te begrijpen. De vloeistof gaat een ingewikkelde interactie aan met alles wat in de mond komt, en hoewel speeksel voor 99 procent uit water bestaat, heeft het een grote invloed op de smaak van wat we eten en drinken, en het genot dat we daaruit putten.

    ‘Het is een vloeistof, maar niet zomaar een vloeistof,’ zegt oraal bioloog Guy Carpenter van King’s College London.

    Wetenschappers weten al een tijd dat speeksel voor van alles en nog wat dient: het beschermt het gebit, vergemakkelijkt het spreken en biedt binnenkomend voedsel een uitnodigende omgeving. Nu zijn onderzoekers erachter gekomen dat speeksel ook bemiddelend optreedt en als vertaler dienst doet, dat het invloed uitoefent op hoe voedsel door de mond beweegt en onze zintuigen prikkelt. En er zijn steeds meer aanwijzingen dat uitwisselingen tussen speeksel en voedsel voor een deel bepalen wat we graag eten.

    ‘Orale voedselverwerking’

    De substantie is niet erg zout, waardoor we het zout van een aardappelchip kunnen proeven, en niet erg zuur, waardoor een scheutje citroen zo kan prikkelen. Elke hap voedsel wordt met water- en speekseleiwitten ingevet, waarop enzymen zoals amylase en lipase het verteringsproces op gang brengen. Het speeksel levert smaakstoffen af bij de smaakpapillen, waar de twee met elkaar kunnen communiceren. Speeksel, zo zegt de Chinese voedingswetenschapper Jianshe Chen, zorgt ervoor dat we ‘de chemische informatie van voedsel – het aroma, de smaak – detecteren.’

    Chen bedacht de term ‘orale voedselverwerking’ in 2009 om het multidisciplinaire veld te beschrijven dat bestaat uit voedingswetenschap, de fysica van voedingsstoffen, de fysiologische en psychologische reacties van het lichaam op voedsel en meer. Hij schreef over het onderwerp in de Annual Review of Food Science and Technology 2022. Als mensen eten, legt hij uit, proeven ze eigenlijk niet het eten zelf, maar een mengsel van voedsel en speeksel. Zo kun je alleen een zoet- of zuursmakend molecuul in een hap eten proeven als dat molecuul de smaakpapillen kan bereiken – en daarvoor moet het door de laag speeksel heen die de tong bedekt.

    Anders proeven

    Dat is allemaal niet zo vanzelfsprekend, zegt de eerder aangehaalde oraal bioloog Guy Carpenter, die erop wijst dat frisdrank zoeter smaakt als er geen prik in zit. Lang werd aangenomen dat dit kwam doordat sprankelende bubbeltjes kooldioxide in verse frisdrank zorgden voor een zuur stootje dat de hersenen afleidde van de zoetheid. Niet dus. Carpenter en zijn collega’s bestudeerden het proces in een kunstmatige laboratoriummond en ontdekten dat het speeksel de frisdrankbubbels belette om hun weg te vinden tussen tong en verhemelte. Carpenter denkt dat deze ophoping van bubbels voorkomt dat de suikers de smaakreceptoren op de tong bereiken. Met frisdrank zonder koolzuur zijn er geen luchtbellen die de zoete smaak blokkeren.

    Speeksel heeft ook invloed op de aroma’s – aroma’s die voor het overgrote deel onze smaakperceptie bepalen en voortkomen uit voedsel in de mond. Door het kauwen lossen sommige smaakmoleculen op in het speeksel en andere niet. Die laatste moleculen kunnen in de neusholte terechtkomen en worden er opgemerkt door de talloze receptoren aldaar. Wat betekent dit? Dat mensen met verschillende speekseldebieten of speekselsamenstelling – met name van eiwitten in de vorm van slijmstoffen – iets heel anders kunnen proeven terwijl ze hetzelfde eten of drinken.

    De proefpersonen die meer speeksel produceerden ervoeren meestal intensere smaken

    Spaanse onderzoekers maten bijvoorbeeld de speekselvloed van tien wijnproevers. Aan de wijn waren fruitige esters toegevoegd. De vrijwilligers die meer speeksel produceerden ervoeren meestal intensere smaken – misschien omdat ze vaker slikten en daardoor meer aroma’s in hun neusholtes kregen. Met andere woorden: wijnliefhebbers die prat gaan op hun vermogen aromanuances te detecteren, hebben dit op zijn minst voor een deel aan hun spuug te danken.

    Speeksel speelt ook een prominente rol in onze perceptie van textuur. Neem wrangheid, dat droge gevoel in je mond als je rode wijn drinkt of onrijp fruit eet. Dat is niet de schuld van de wijn, nee, tanninemoleculen in de wijn zorgen ervoor dat eiwitten uit het speeksel neerslaan, waardoor dat speeksel niet meer zo goed smeert.

    Dankzij speeksel weten wij ook voedsel met een hoog en laag vetgehalte te onderscheiden. Ook als twee yoghurts er hetzelfde uitzien en net zo vloeibaar zijn, voelt een vetarme versie droger in de mond, aldus Anwesha Sarkar, voedingswetenschapper aan de universiteit van Leeds. ‘We proberen niet de eigenschappen van het voedsel te doorgronden, maar de wisselwerking ervan met de oppervlakte,’ zegt Sarkar. Een mengsel van melkvet en speeksel creëert een laag druppeltjes in de mond die de wrangheid kan verdoezelen en de yoghurt een rijkere smaak geeft.

    Mechanische tong

    Sarkar gebruikt voor haar onderzoek een mechanische tong, gedoopt in kunstmatig speeksel, die simuleert wat er gebeurt als voedsel door de mond beweegt en hoe dat de zintuiglijke ervaring van het eten beïnvloedt. Een smoothie met weinig vet, zegt Sarkar, lijkt op het eerste gezicht romig, maar mist de weelderige textuur die vet levert indien vermengd met speeksel.

    Een volledig inzicht in deze interacties tussen speeksel, voedsel en de mond – en de overdracht van de informatie naar de hersenen – kan leiden tot de productie van gezonder voedsel, aldus Sarkar. Ze denkt aan ‘getrapt voedsel’ dat genoeg suiker aan de buitenkant bevat om in speeksel te kunnen oplossen met een gevoel van zoetheid als gevolg, maar dat in zijn geheel lagere concentraties suiker en dus ook een lager calorieniveau kent. Een dergelijke opzet kan volgens haar leiden tot voedsel met minder vet.

    Maar het is niet makkelijk om deze interacties zo goed te begrijpen dat je zulke voedingsmiddelen kunt ontwikkelen. Speeksel en smaakperceptie variëren de hele dag door, en dan zijn er op dat gebied ook nog eens verschillen tussen individuen. Meestal is speeksel traag in de ochtend en het vloeiendst vroeg in de middag. En de componenten van het speeksel van ieder individu – hoeveelheden van bepaalde eiwitten bijvoorbeeld – fluctueren de hele dag, net als stimulerende aroma’s.

    Speekseleiwitten

    Oraal biochemicus Elsa Lamy van de Universiteit van Évora in Portugal heeft dit onderzocht door geblinddoekte vrijwilligers zo’n vier minuten lang aan een stuk brood te laten ruiken. Ondertussen hield ze in de gaten of er veranderingen in hun speeksel optraden. Twee soorten eiwit – zetmeel verterende amylases en cystatines – die met smaakgevoeligheid en smaakperceptie in verband worden gebracht, namen toe na de blootstelling aan het brood. Soortgelijke experimenten volgden met vanille en citroen, en in alle gevallen veranderden de niveaus van speekseleiwitten, hoewel die afhingen van het voorgezette voedsel. Lamy en haar team proberen er nu achter te komen wat voor functie die stijging in eiwitten kan hebben.

    De samenstelling van speeksel verschilt van persoon tot persoon – en hangt deels af van iemands vroegere voedselkeuzes, zegt Ann-Marie Torregrossa, een gedragsneurowetenschapper aan de Universiteit van Buffalo. Toen zij ratten onderwierp aan een dieet met additieven die bitter smaakten, registreerde zij scherpe toenamen van speekseleiwitten in tal van categorieën. Ondertussen leken de ratten dat bittere spul in hun eten steeds meer te accepteren. ‘De conclusie is dus dat broccoli best lekker is als je niets anders meer eet,’ zegt Torregrossa.

    In een ander experiment gebruikte ze katheters om speeksel van ratten die bitter voedsel gewend waren over te brengen naar andere rattenbekjes. Die diertjes gingen bitter voedsel prompt beter verdragen. Maar controledieren die de bitterheid verdragende speekseleiwitten werden onthouden, moesten niets van het bittere voedsel hebben.

    Torregrossa en haar medewerkers zijn er nog niet uit welke eiwitten precies verantwoordelijk zijn voor deze tolerantie. Er zijn wel een paar kandidaten, zoals prolinerijke eiwitten en proteaseremmers, maar er zijn misschien nog andere. Ze moeten weten om welke eiwitten het gaat voordat ze kunnen beoordelen hoe reacties op bittere smaken in de mond en in de hersenen worden beïnvloed.

    Ratten zijn natuurlijk geen mensen. Wel zijn er aanwijzingen gevonden dat hun speeksel soortgelijke dingen doet met smaakperceptie als bij mensen. Het beeld is echter ingewikkelder. ‘Het menselijk dieet en de menselijke ervaring worden beïnvloed door tal van andere factoren die knaagdieren gewoon vreemd zijn,’ zegt Lissa Davis, wetenschapper aan de Purdue University in Indiana, die smaak en gedrag bestudeert.

    Gezondere eetgewoonten

    Maar als deze patronen kunnen worden gedecodeerd en begrepen, dan belooft dat wat, zegt Lamy. Als je kinderen een additief zou kunnen geven dat veranderingen in hun speeksel stimuleert en hun ervaring met een bittere groente daardoor letterlijk en figuurlijk verteerbaarder maakt, zou dat gezondere eetgewoonten kunnen bevorderen. Als hun eerste ervaring met nieuw voedsel verschoond blijft van een hoge bitterheidsgraad, dan zullen ze goede smaakervaringen met die groente hebben.

    Meer in het algemeen zal een beter begrip van de invloed van speeksel op smaak – en die van voedsel op de samenstelling van speeksel – veel nieuwe manieren mogelijk kunnen maken om eetvoorkeuren om te buigen naar vaak weinig populair maar gezond voedsel. ‘Hoe,’ zegt Torregrossa, ‘kunnen we haters van dat voedsel veranderen in liefhebbers? Die vraag houdt me bezig.’

    Lees ook:

  • Het geheime ingrediënt dat nepvlees zou kunnen redden: varkensvet uit een laboratorium

    Het geheime ingrediënt dat nepvlees zou kunnen redden: varkensvet uit een laboratorium

    Om onze vleesconsumptie te verminderen is nepvlees nodig dat minstens net zo lekker is als vlees waarvoor een dier is geslacht. Deze Amerikaanse start-up heeft de oplossing: plantaardig vlees met toegevoegd varkensvet dat gekweekt is in een laboratorium.

    Vorige maand werd ik aan een eettafel in een zonnige hotelsuite in New York City volledig verrast door een reepje nepbacon. Ik was er voor de proeverij van een nieuw soort plantaardig vlees. Net als de meeste Amerikanen had ik dat al eens eerder geprobeerd, al had ik er nooit zo’n zin in als in echt vlees. Maar nog voor ik de bacon geproefd of zelfs maar gezien had, wist ik al dat dit anders was. De geur van zout, rook en sissend vet die uit de nabijgelegen keuken kwam leek onmiskenbaar echt. De knapperige baconreepjes zagen er ook echt uit: tijgerstrepen met goudkleurig vet, gepresenteerd op een miniatuur BLT-sandwich. De knapperigheid maakte plaats voor een bevredigende beet, gevolgd door een walnootachtige smaak en de onvergelijkbare sappigheid van dierlijk vet.

    Ik wist dat het geen echte bacon was, maar even tuimelde ik er bijna in. De bacon was inderdaad gemaakt van planten, net als de hamburgers die je kunt kopen van merken als Impossible Foods en Beyond Meat. Maar het was gemengd met echt varkensvet. Nou ja, soort van. Wat door het ‘vlees’ marmerde was niet afkomstig van een geslacht varken, maar van een levend varken waarvan vetcellen waren afgenomen die vervolgens waren opgekweekt in een vat.

    Dat in het lab gekweekte of ‘gecultiveerde’ vet wordt gemaakt door Mission Barns, een startup uit San Francisco die als doel heeft om mensen te overtuigen van de kwaliteit van plantaardig vlees. En het lijkt erop dat veel mensen overtuigd moeten worden. Producenten van plantaardig vlees, voor wie een paar jaar geleden succes verzekerd leek, hebben het nu moeilijk. Toen de nieuwigheid van het ‘bloeden’ van plantaardig eiwitten eenmaal voorbij was, werd het voor consumenten lastiger om de hoge prijs, de matige voedingswaarde en de ‘best-wel-oké’-smaak van plantaardig vlees voor lief te nemen, zeggen voedseldeskundigen. In 2021 en 2022 verloren veel fastfoodketens die ooit een grote rol speelden op dit gebied – Burger King, Dunkin’, McDonald’s – de interesse om het nog te verkopen. In de afgelopen vier maanden hebben de twee meest zichtbare bedrijven die plantaardig vlees maken, Beyond Meat en Impossible Foods, ontslagen aangekondigd.

    Ondertussen ligt de toekomst van andere alternatieven voor vlees – een laboratoriumvariant die moleculair gezien identiek is aan echt vlees – nog minstens enkele jaren in het verschiet, ergens tussen science fiction en werkelijkheid in. Maar we kunnen niet wachten met minder vlees eten. Het is een van de beste dingen die we als burgers kunnen doen voor het klimaat en het neemt ook nog eens de zorgen over dierenleed en gezondheid weg. Vet uit laboratoria zou de brug kunnen zijn. Het wordt op dezelfde manier gemaakt als vlees uit laboratoria, maar is veel eenvoudiger te produceren en kan worden gemengd met bestaande plantaardige voedingsmiddelen, vertelt Elysabeth Alfano, CEO van investeringsbedrijf VegTech Invest. Als zodanig zal het waarschijnlijk veel eerder commercieel beschikbaar worden – misschien zelfs al binnen een paar jaar. Mogelijk is alles wat nodig is om nepvlees te redden slechts een beetje dierlijk vet.

    Mondgevoel

    Dierlijk vet is culinaire magie. Het geeft een hamburger zijn sappigheid en laat een boterachtig laagje achter op de tong. Het ontbreken ervan is de reden dat kipfilet zo flets smaakt. Vet, schreef kok Samin Nosrat in Salt, Fat, Acid, Heat, is ‘de bron van een rijke smaak en van een specifiek gewenste textuur’. Het nepvlees dat nu op de markt is, schiet tekort op het gebied van smaak en textuur. De meeste producten benaderen vlezigheid met een mengsel van plantaardige oliën, smaakstoffen, bindmiddelen en zout, dat zeker vleziger is dan de vroegere burgers van bonen, maar nog verre van perfect. Voedselblog Serious Eats wees bijvoorbeeld op onaangename geuren, althans vóór het koken, zoals die van kattenvoer en kokos. Op moleculair niveau heeft plantaardig vet moeite om zijn dierlijke tegenhanger na te bootsen. Kokosolie, dat vaak wordt gebruikt in plantaardig vlees, is bij kamertemperatuur vast, maar smelt bij relatief lage hitte, zodat het tijdens het koken in de pan achterblijft. Daardoor is het mondgevoel van plantaardig vlees eerder vettig dan weelderig.

    Als we die plantaardige oliën vervangen door gekweekt dierlijk vet, dat bij verhitting zijn structuur behoudt, zouden de smaak en sappigheid behouden blijven die je van echt vlees verwacht, zegt Audrey Gyr. Ze is specialist startupinnovatie bij het Good Food Institute, een non-profit die zich inzet voor vleesalternatieven. In zekere zin is de techniek waarbij dierlijk vet wordt ingezet om planten op smaak te brengen niet nieuw. Kippenvet wordt al sinds lang gebruikt om een rijke nootachtige smaak aan aardappelkoekjes te geven; gesmolten guanciale [Italiaans wangspek] geeft een klassieke pasta amatriciana zijn sappigheid. Plantaardige bacon versterkt met varkensvet volgt dezelfde culinaire traditie, maar is zeer hightech. In enorme bioreactoren worden vetcellen van een levend dier opgekweekt en gevoed met van planten afkomstige suikers, eiwitten en andere groeicomponenten. Na verloop van tijd vermenigvuldigen ze zich tot een massa vetcellen: een zachte, bleke vaste stof met een robuuste smaak, die doet denken aan de witte substantie die om een varkenskarbonade zit of in een biefstuk marmert.

    Zo uit de bioreactor lijkt het vet ‘een beetje op margarine’, zegt Ed Steele, medeoprichter van het in Londen gevestigde bedrijf Hoxton Farms. Het is een ingewikkeld proces, maar wel veel makkelijker dan de ontwikkeling van kweekvlees, waarbij veel celtypen moeten worden omgezet in stijve spiervezels. Vet bestaat maar uit één type cel en is als vormloze klodder het meest bruikbaar. Net als in het menselijk lichaam zijn enkel tijd, ruimte en een gestaag infuus van suikers, oliën en andere vetten nodig, zegt Eitan Fischer, CEO van Mission Barns. De bacon van mijn proeverij was gemaakt door gekweekt vet te mengen met plantaardig eiwit, het mengsel te pekelen en te roken en het vervolgens in baconachtige reepjes te snijden. Door slechts 10 procent gekweekt vet te mengen met plantaardig eiwit kan een product al smaken en aanvoelen als echt vlees.

    Gekweekt vet kan met zijn realistische textuur en smaak het belangrijkste probleem van plantaardig vlees oplossen, namelijk dat het gewoon niet zo lekker is

    Gekweekte vetproducten zijn al in zicht. Mission Barns is van plan zijn gekweekte vet te verwerken in zijn eigen plantaardige producten; Hoxton Farms hoopt zijn vet rechtstreeks te verkopen aan bestaande fabrikanten van plantaardig vlees. Andere bedrijven, zoals de Belgische startup Peace of Meat, het in Berlijn gevestigde Cultimate Foods en het op vis gerichte ImpacFat uit Singapore, werken ook aan hun eigen versies van gekweekt vet. In theorie kan het vet worden gemengd met vrijwel elk soort plantaardig vlees, zoals vleesklompjes, worstjes of paté. In de VS ligt de weg naar de markt al open. Afgelopen november kreeg gekweekte kip van de Californische startup Upside Foods toestemming van de Food and Drug Administration (FDA); nu is het wachten op aanvullende toestemming van het ministerie van Landbouw. In afwachting van wettelijke goedkeuring zegt Mission Barns klaar te zijn om haar producten in een paar supermarkten en restaurants te lanceren. Daaronder ook een overtuigende, varkensvleesachtige gehaktbal op plantaardige basis die ik ook op de proeverij heb geprobeerd. In afwachting van de FDA-toestemming moest ik een aansprakelijkheidsverklaring ondertekenen voordat ik mocht proeven.

    Ik verliet de proeverij met dierlijk vet op mijn lippen en een nieuwe overtuiging in mijn hoofd: voor de juiste prijs zou ik deze bacon kopen in plaats van het gewone spul. Omdat gecultiveerd vet kan worden gemaakt zonder dieren te schaden – de vetcellen in de bacon die ik proefde waren afkomstig van een vrolijk scharrelvarken genaamd Dawn, aldus een pr-medewerker van Mission Barns – kan het aantrekkelijk zijn voor flexitariërs zoals ik, die gewoon minder vlees willen eten.

    Hoewel er geen garantie is dat het thuis net zo goed zou smaken als na de bereiding door de privékok van Mission Barns, kan gekweekt vet met zijn realistische textuur en smaak het belangrijkste probleem van plantaardig vlees oplossen, namelijk dat het gewoon niet zo lekker is. Volgens Jennifer Bartashus, analist verpakte levensmiddelen van Bloomberg Intelligence, is gekweekt vet ‘de volgende stap in het smakelijker maken van milieuvriendelijk voedsel voor de doorsneeconsument’.

    Pakkende naam

    Maar gekweekt vet heeft wel nog steeds te kampen met enkele van dezelfde problemen die ons van plantaardig vlees hebben afgehouden. De huidige producten op de markt zijn niet bijzonder gezond en gekweekt vet zou daar niets aan veranderen. Het opbouwen van consumentenvertrouwen en vertrouwdheid met de producten kan ook een probleem zijn. Sommige mensen zijn huiverig voor plantaardige producten omdat ze niet weten waar ze van gemaakt zijn. Het meer complexe begrip ‘gekweekt vet’ is op z’n best net zo onappetijtelijk. ‘We weten nog steeds niet precies hoe de consument zal denken over gekweekt vet,’ zegt Gyr. Een pakkende naam voor deze producten zou zeker helpen, maar het kost me moeite om een omschrijving te vinden die minder stroef klinkt dan ‘plantaardig vlees op smaak gebracht met gekweekt dierlijk vet’. Tenzij bedrijven met gecultiveerd vet hun marketing echt goed aanpakken, zouden ze wel eens dezelfde weg kunnen afleggen als ‘gemengd vlees’– mengsels van plantaardig eiwit en echt vlees die in 2019 werden geïntroduceerd door drie vleesbedrijven, wat ‘nogal een mislukking’ was, aldus Gyr.

    Het belangrijkst is echter de prijs ten opzichte van die van traditioneel vlees. De hogere kosten van plantaardig vlees zijn deels de oorzaak van de ineenstorting van de sector, en producten met gekweekt vet zullen in de nabije toekomst waarschijnlijk niet goedkoper worden. Fischer, van Mission Barns, zegt dat de huidige kleine productieschaal van zijn bedrijf de producten ‘vrij duur’ maakt in vergelijking met traditionele vleesproducten. Steele van Hoxton Farms zegt te hopen dat bedrijven die gekweekt vet in hun plantaardige vleesrecepten gebruiken niet meer hoeven uit te geven dan nu.

    Ondanks deze obstakels is geteeld vet veelbelovend voor de kwijnende plantaardige vleesindustrie, omdat het absoluut lekker is. Gekweekt vet zou ‘kunnen leiden tot een nieuwe ronde van innovatie die weer consumenten zal aantrekken’, aldus Bartashus. Plantaardig en echt vlees zullen immers rond 2026 op een gelijke prijs kunnen uitkomen, waardoor mogelijk meer bedrijven geïnteresseerd zullen raken in de vleesalternatieven. Gekweekt vet zou ons warm kunnen maken voor de toekomst van volledig gekweekt vlees. En na verloop van tijd kan een in het laboratorium gekweekte kipfilet net zo saai worden als gewone kipfilet.

    Tot nu toe kende ik alleen een wereld waarin dierlijk vet van geslachte dieren kwam. Dat is aan het veranderen

    Aan het enthousiasme over gekweekt vet, en nepvlees in het algemeen, hangt een uitgesproken techno-optimistisch tintje – alsof het gemakkelijk zal worden om alle vleeseters over te halen om in baconvet gehulde planten te omarmen. ‘Uiteindelijk is ons doel om de huidige conventionele vleesprijzen te overtreffen, of het nu gaat om gehaktballen of bacon,’ aldus Fischer. Maar zelfs nu de problemen rond het eten van vlees alleen maar duidelijker zijn geworden, blijft de consumptie ervan in de VS stijgen. Mondiaal gezien zal de vleesconsumptie in landen als India en China de komende jaren naar verwachting explosief stijgen. Gekweekt vet biedt de consument op zijn minst een andere optie. Biefstuk bij de ene maaltijd en plantaardig vlees bij de volgende kan al als winst worden gezien.

    Sinds de proeverij heb ik vaak nagedacht over de reden waarom de bacon me zo perplex deed staan. Knagend op de knapperige gouden rand van een van de reepjes wist ik dat ik echt baconvet at. Maar mijn hersenen worstelen nog steeds met het idee dat het niet rechtstreeks van een stuk varkensvlees afkomstig was. Tot nu toe kende ik alleen een wereld waarin dierlijk vet van geslachte dieren kwam. Dat is aan het veranderen. Als gekweekt vet de tijd kan overbruggen totdat vlees werkelijk in een laboratorium kan worden gekweekt, hebben deze nieuwe producten hun steentje al bijgedragen. En in de tussentijd vinden we ze misschien wel goed genoeg.

    Lees ook:

  • George Monbiot: ‘Bijna niets is schadelijker voor het milieu dan biologisch rundvlees’

    George Monbiot: ‘Bijna niets is schadelijker voor het milieu dan biologisch rundvlees’

    Als wij ons voedingssysteem niet radicaal veranderen kunnen we de strijd tegen klimaatverandering niet winnen, zegt de Britse milieuactivist George Monbiot. Ten eerste moeten we af van de veeteelt. Zijn boek Regenesis is een fundamentele kritiek op de landbouw.

    Voor een veganist vertoont George Monbiot een opmerkelijke verachting voor veel dieren. Kippen, vooral hun mest, houdt hij verantwoordelijk voor het veranderen van hele ecosystemen in weerzinwekkende riolen. Koeien ziet hij als ‘reusachtige machines die koolstof vrijmaken en veel land bezetten’. Zelfs honingbijen zijn voor hem productiedieren die grote schade aanrichten aan het milieu doordat ze wilde insectensoorten verdringen.

    Voor zijn documentairefilm Apocalyps Cow heeft hij zelfs een keer een ree geschoten en gegeten. Het stond hem weliswaar vreselijk tegen, schreef hij in The Guardian, hij had liever gehad dat een wolf dat voor hem had opgeknapt, maar ‘het voelde juist om dit dier te eten. Het doden ervan veroorzaakt geen ecologische schade, integendeel.’ Waar het leefde, in de Schotse hooglanden, was het aantal reeën geëxplodeerd en het aantal bomen waarvan ze de spruiten eten was daardoor extreem afgenomen. Dankzij de jacht op het wild heroverden de bomen het land nu weer ‘met een opmerkelijke snelheid’.

    Maar Monbiots grootste vijanden zijn schapen. Dat ligt vooral aan de enorme ruimte die ze nodig hebben. In Groot-Brittanië wordt vier miljoen hectare bergland benut als schapenweide, dat is twee keer zo veel oppervlakte als alle steden, fabrieken, opslagloodsen, tuinen, parken, straten en vliegvelden bij elkaar beslaan. Sinds er – ook door royale landbouwsubsidies – in de twintigste eeuw schapen werden losgelaten op het Britse hoogland, zijn ze effectieve verwoesters gebleken van ecologische niches. Omdat de dieren zich bij voorkeur voedden met ontkiemende bomen zouden ze die streken in de loop van de tijd hebben veranderd in ‘dode zones’, waarin behalve een enkele grassoort nauwelijks nog iets groeit.

    Lees ook dit artikel van George Monbiot:

    Maar het ernstigste probleem van deze vorm van landbouw is de schamele opbrengst ervan. Om met lamsvlees 100 gram proteïne te produceren is er 185 m2 land nodig, ongeveer 26 keer zoveel als voor kippen nodig is en 84 keer zoveel als voor soja. In calorieën omgerekend betekent dat dat 22 procent van de totale Britse landbouwgrond de Britten voorzien van 1 procent van hun proteïnebehoefte.

    Nerd

    George Monbiot is een echte nerd als het om zulke cijfers gaat. Als journalist en milieuactivist is hij in Groot-Brittannië allang een begrip; sinds 1996 behoren zijn columns tot de vaste inventaris van The Guardian. De stilistische scherpte waarmee hij zich onderscheidt, richt zich ook graag tegen zogenaamd gelijkgezinden. In zijn boek Regenesis keert hij zich nu tegen al die bioboeren die nog geloven in het project van een duurzame landbouw. Want voor Monbiot is de landbouw als zodanig ‘de meest verwoestende menselijke activiteit die de aarde ooit heeft meegemaakt’. De ruimte die zij inneemt, ziet hij als ‘de belangrijkste van alle milieuproblemen’. 

    Hoe zorgen we voor een voedselproductie die het klimaat ontziet?

    George Monbiot
    Regenesis. Feeding the World without Devouring the Planet van George Monbiot verscheen in 2022 bij uitgeverij Allen Lane.

    Dat dit onderwerp in het klimaatdebat tot op heden verregaand verwaarloosd werd in vergelijking met de energietransitie, ligt ook aan het feit dat deze verwoesting van de bodem, in tegenstelling tot het delven van fossiele grondstoffen, al duizenden jaren wordt geromantiseerd. Ook al heeft ze allang industriële proporties aangenomen, toch laat de agrarische cultuur ons nog altijd het beeld zien van een boerenidylle, bijna alsof de uitbuiting van de natuur zelf iets heel natuurlijks is. Bovendien is juist de biologische landbouw deel van het probleem: hoe voordelig ze ook is voor dieren en bodemkwaliteit, ze verergert het ruimtebeslag. Als middel om gras in proteïne te veranderen zijn schapen en runderen erbarmelijk inefficiënt; als ze in de wei gehouden worden, groeien de dieren nog langzamer en gebruiken ze veel meer ruimte. ‘Er is nauwelijks een landbouwproduct dat schadelijker is voor het milieu dan biologisch rundvlees van weidevee’, aldus Monbiot.

    Lees ook dit artikel van George Monbiot:

    Wat zijn boek zo interessant maakt, is behalve het concrete onderwerp ook het koelbloedige realisme waarmee hij het thema beziet. Vaak ligt Monbiots standpunt voorbij de ideologische bastions van waaruit het debat over klimaatverandering gevoerd wordt. Tegenover de illusie van een groene groei wordt ofwel onthouding geplaatst, of men speelt de milieubescherming uit tegen de existentiële behoeften van grote delen van de wereldbevolking. Monbiots inzichten zijn zonder meer radicaal. Het effectiefste middel om CO2 uit de atmosfeer te halen is volgens hem het reduceren van de oppervlakte aan landbouwgrond tot een minimum; het moet worden veranderd in natte gebieden en bossen. In een vorig boek, Feral. Searching for Enchantment on the frontiers of rewilding, beschreef hij zijn visioen van een verwildering op grote schaal van weiden en velden om de ineenstorting van het klimaat en de zogeheten zesde grote soortensterfte te voorkomen. Daarbij hoorde ook de terugkeer van olifanten naar Europa.

    Een fragment uit de documentaire Apocalypse Cow van George Monbiot over soleïne.

    Potentieel

    In Regenesis. Feeding the World without Devouring the Planet gaat het hem nu om de vraag die daar noodzakelijk uit volgt: hoe valt zijn utopie te verenigen met het voeden van een voortdurend groeiend aantal mensen? Hoe zorgen we voor een voedselproductie die het klimaat ontziet – en niet alleen voor degenen die zich duur biologisch voedsel kunnen veroorloven? Het is duidelijk, zo rekent Monbiot voor, dat we het landbouwoppervlak met 76 procent zouden kunnen reduceren als iedereen zou ophouden vlees en zuivelproducten te consumeren. Maar hoewel hij zelf allang vegetarisch eet en de trend van vermindering van de vleesconsumptie in rijke landen aanhoudt, denkt hij niet te kunnen rekenen op een snelle bewustzijnsverandering die de opwarming van de aarde tijdig zou kunnen stoppen.

    Dus wat te doen? Op zoek naar alternatieve manieren om de bodem te gebruiken presenteert Monbiot een paar geëngageerde boeren die het is gelukt hun land door creatieve verbouwingsmethoden niet alleen ecologisch gezonder, maar ook productiever te maken. Ook in deze portretten doorbreekt hij de gangbare clichés: zijn helden zijn op het eerste gezicht bioboeren uit het boekje, die hun velden met houtsnippers in plaats van fosfaat bemesten, of ze sparen ze met een directzaadmethode in plaats van ze te verwoesten door te ploegen. Maar ze zijn vooral pioniers van een experimentele landbouw in hun pogingen met veldonderzoek in de letterlijke zin van het woord en met wetenschappelijke nauwkeurigheid de complexiteit van de bodem te begrijpen en te benutten. 

    Slechts 10 procent van de duizenden diersoorten in de bodem zou geïdentificeerd zijn

    De succesvolle aanzetten van deze pioniers, dat weet Monbiot ook, bieden geen model voor de industriële productie van voedingsmiddelen die nodig is voor het voeden van de wereldbevolking. Maar ze geven een idee van het potentieel dat een transformatie van de agrarische cultuur in zich bergt. En ze laten zien hoezeer de kennis van de leefruimte onder onze voeten en van de betrekkingen tussen aarde, bacteriën, planten en micro-organismen, van de soortenrijkdom en de vruchtbaarheid van dit ecosysteem is verwaarloosd.

    Tot op heden zou slechts 10 procent van de duizenden diersoorten in de bodem geïdentificeerd zijn, schrijft Monbiot. Als er al middelen voor het onderzoek van de bodem beschikbaar gesteld worden, dan is het in hoofdzaak om ‘nieuwe manieren te vinden om ze te doden’; voor bestrijdingsmiddelen. Hij verlangt daarentegen ‘de integrale ontwikkeling van een nieuwe agronomie’, een soort ‘verkenningsprogramma van de aarde’, dat ‘in plaats van Mars in een tweede aarde te veranderen, de oppervlakte van onze eigen planeet onderzoekt’.

    Lees ook dit artikel van George Monbiot:

    Het is dus niet zo verrassend dat Monbiot de oplossing van het voedselprobleem verwacht van een technologie die elke bioboer moet toeschijnen als een sciencefictiondystopie: proteïne uit microbiële fermentatie. In Finland bezoekt hij een bedrijf met de naam Solar Foods, dat uit lucht, zon en een paar bacteriën een sterk geconcentreerd eiwitpoeder maakt. Om dat zogeheten soleïne te verkrijgen, worden bacteriën gevoed met waterstof en kooldioxide uit de lucht; door fermentatie ontstaat uiteindelijk het proteïnepoeder. Het procédé is niet eens erg nieuw, het werd al in de jaren zestig ontwikkeld door de NASA, maar pas nu wordt duidelijk hoe nuttig het kan zijn. 

    Problematisch is dat het maken van waterstof veel energie verbruikt – en veel ruimte, wanneer men daarvoor zonne-energie gebruikt. Niettemin, rekent Monbiot voor, zou voor de productie van proteïne door bacterieculturen 1700 maal minder land nodig zijn dan voor soja, de ruimtelijk gezien meest efficiënte plantaardige bron van proteïne.

    Met dalende prijzen voor zonne-energie zou ook de prijs voor de proteïne van Solar Foods en concurrenten dalen tot het niveau van soja en een goed alternatief voor plantaardige of dierlijke voeding worden. Soleïne zou juist in armere, warme landen voordelig en ‘regionaal’ geproduceerd kunnen worden. En als het ooit ook cultureel geaccepteerd wordt, dan zouden op culinair gebied heel nieuwe mogelijkheden ontstaan: ‘Hapjes die smaken als biefstuk, maar de textuur hebben van Jacobsschelpen,’ stelt Monbiot zich voor; of ‘een mousse die op de tong smelt als pannacotta, maar smaakt naar Iberische ham’.

    Farmfree

    Veel van zijn critici zien zijn visioen als naïef. Het maken van waterstof is gewoon te duur en bovenal zou zo’n soort voedsel uit het laboratorium een uitnodiging zijn aan de voedingsconcerns die het huidige voedselsysteem beheersen om de productie nog ongebreidelder te monopoliseren met patenten. Monbiot is zich van dit gevaar bewust, maar dat verandert voor hem niets aan de noodzaak en de mogelijkheden van de voedselvoorziening met zulke ‘farmfree’-producten. ‘Deze verandering zal zich waarschijnlijk linksom of rechtsom wel voltrekken, hoe heftig de verdedigers van de oude orde ook verzet bieden. Die volgt gewoon uit een onstuitbare economisch logica. Het is aan ons om dit proces snel en rechtvaardig vorm te geven’, schrijft hij.

    Daartoe moet nog slechts één tegenstander overwonnen worden – de langdurige cultuur van verheerlijking van akkerbouw en veeteelt. ‘Een van de grootste bedreigingen voor al het leven op aarde is de lyriek,’ beweert Monbiot, en hij zet uiteen hoe sinds de bucolische gedichten van Theocritus in de Griekse oudheid de mythe ontstond van een harmonieus herdersleven, met schaapherders ‘die hun trage uren doorbrengen met zingen, fluitspelen en vooral met onderdoorgaan aan onbeantwoorde liefdes’. Tegenwoordig zijn de motieven van de pastorale lyriek zo diep geworteld dat ze in de vorm van kinderboeken en westerns, kinderboerderijen en boerderijspeelgoed nog altijd geweldig floreren. Het zijn verhalen die zelfs een overtuigde stadsbevolking zichzelf ‘zonder een zweem van onbehagen vertelt’.

    Dat zijn futuristische voorstelling van een voedingsmiddelenproductie de complete cultuur van de mensheid ter discussie zou stellen, is eveneens een bezwaar dat Monbiot vaak te horen krijgt. Ja, zou hij daar wellicht op antwoorden. Precies!

    Lees ook:

  • Wordt 2023 het jaar van de honger?

    Wordt 2023 het jaar van de honger?

    Ondanks dat de prijzen van voedingsmiddelen dalen, zeggen experts dat de wereldwijde productie in 2023 nog verder kan zakken, waardoor de honger toeneemt. ‘De huidige betaalbaarheidscrisis ontaardt volgend jaar in een beschikbaarheidscrisis.’

    Zijn de voedselprijzen over hun hoogtepunt heen? Al voor het door de VN onderhandelde akkoord tussen Kyiv en Moskou over de graanexport, dat onlangs het vervoer van graan vanuit de Oekraïense havens aan de Zwarte Zee mogelijk maakte, waren ze alweer flink aan het dalen. Een Russische recordoogst, de vrees voor een recessie en de hoop dat de mondiale graanhandel weer op gang komt, drukken de prijzen. Maar met die prijsdaling is de voedselcrisis nog niet voorbij. Volgens analisten is er nog niets veranderd aan de onderliggende factoren die de prijzen hadden opgestuwd. De oorlog in Oekraïne is slechts een van de vele problemen die nog jarenlang tot meer honger kunnen leiden.

    Het conflict in Oekraïne brak uit op een moment waarop de voedselprijzen al steeds verder werden opgedreven door een hele reeks factoren, waaronder vooral de droogte in belangrijke oogst-producerende landen, en aanvoerketens die nog kampen met de nasleep van de pandemie. In armere landen, waar de economie al in duigen lag door de coronalockdowns, betekende de oorlog alleen maar een verdere verslechtering van een toch al sombere situatie. ‘Deze mondiale voedselcrisis verschilt van eerdere vergelijkbare situaties in de zin dat hier meerdere belangrijke oorzaken meespelen,’ zegt Cary Fowler, speciaal gezant van de VS voor voedselzekerheid. De ware impact van die combinatie van factoren zal zich volgens deskundigen pas volgend jaar aftekenen. ‘Ik maak me meer zorgen over 2023 dan over 2022,’ zegt een analist.

    Blokkade

    De oorlog heeft zonder twijfel een remmende werking gehad op de wereldwijde voedselproductie. Door de blokkade van de Oekraïense havens en de beperkte capaciteit van alternatieve routes lagen de exportvolumes aanzienlijk lager dan normaal. In juni heeft het land krap een miljoen ton tarwe, maïs en gerst geëxporteerd – volgens het Oekraïense ministerie van Landbouw 40 procent minder dan in dezelfde maand in 2021. Deze maand is in Oekraïne de oogst begonnen en zijn de boeren hard op zoek naar opslagruimte. Maar als ze hun graan niet kunnen verkopen, heeft dat ook gevolgen voor 2023: dan hebben ze niet genoeg geld om zaaigoed en kunstmest in te kopen voor het volgende seizoen. Straks valt er misschien niets meer te oogsten, waarschuwt een internationale beleidsambtenaar. 

    De hoge grondstofprijzen van eind dit voorjaar waren elders wellicht een stimulans om de productie te verhogen. Maar daar tegenover staan de kostenstijgingen waar veel boeren ook mee te maken krijgen, met name door de stijgende prijzen van kunstmest en van de voor hun landbouwapparatuur en voor het transport benodigde diesel. Beleidsambtenaren waarschuwen dat de nu al torenhoge energieprijzen, die in de winter naar verwachting nog verder zullen stijgen, ook hun weerslag hebben op de productie van de voor boeren onmisbare stikstofmest. ‘Als we geen oplossing vinden voor het probleem van de landbouwproductiemiddelen, met name kunstmest, ontaardt de huidige betaalbaarheidscrisis volgend jaar in een beschikbaarheidscrisis,’ waarschuwt Arif Husain, hoofdeconoom bij het Wereldvoedselprogramma van de VN.

    In 2007-2008 zijn de rijstprijzen meer dan verdubbeld als gevolg van exportbeperkingen in India en Vietnam

    Tot dusver bestond er vooral zorg over de graanvoorraden, met name over tarwe en de plantaardige olie waarvan Oekraïne een grote exporteur is. Maar sommige analisten maken zich ook zorgen over de prijs van rijst, het basisvoedsel van heel Azië. Op dit moment beschikken belangrijke rijstproducerende landen zoals India, Thailand en Vietnam nog over ruime voorraden. Maar men vreest voor exportbeperkingen als meer consumenten er door de hoge tarweprijs toe worden gedreven op rijst over te stappen. Slechts 10 procent van de wereldwijde productie van rijst wordt geëxporteerd, dus een exportbeperking van één land kan al een buitensporig effect hebben op de mondiale prijzen. 

    In 2007-2008 zijn de rijstprijzen ook meer dan verdubbeld als gevolg van exportbeperkingen in India en Vietnam in combinatie met hamstergedrag van grote rijstimporterende landen zoals de Filipijnen. ‘We houden de rijstprijzen nauwlettend in de gaten,’ zeggen analisten van de Japanse investeringsbank Nomura. ‘Als mensen onder druk van stijgende tarweprijzen overstappen op rijst, heeft dat mogelijk gevolgen voor het voorraadpeil en kan het belangrijke producerende landen aanzetten tot exportbeperkingen, wat uiteindelijk tot hogere prijzen zal leiden.’ En de autoriteiten houden ook de beschikbaarheid van kunstmest voor de rijstproductie in Azië in het oog.

    Al lang voor de Russische inval in Oekraïne had de voedselonzekerheid in de wereld recordhoogtes bereikt. Als gevolg van de pandemie, de droogtes en andere regionale conflicten leden bijna 770 miljoen mensen in 2021 honger, wat volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) het hoogste aantal is sinds 2006. De FAO voorspelt dat als gevolg van de oorlog in Oekraïne het aantal ondervoede mensen dit jaar met 13 en volgend jaar met nog eens 17 miljoen mensen zal stijgen. De Wereldbank becijfert dat met elke procentpunt stijging van de voedselprijzen 10 miljoen mensen tot extreme armoede vervallen.

    Bovenop de stijgende voedselprijzen kampen veel opkomende economieën ook met een valutadaling

    Grote delen van Afrika, het Midden-Oosten en Centraal-Azië consumeren meer basisvoedingsmiddelen dan ze produceren. Deze regio’s lijden het meest onder wereldwijde prijsstijgingen, aldus de organisatie Gro Intelligence, die landbouwstatistieken verzamelt. Bovenop de stijgende voedselprijzen kampen veel opkomende economieën ook met een valutadaling. Landen in het Midden-Oosten en Afrika die afhankelijk zijn van de graaninvoer uit Oekraïne en Rusland, hebben zwaar onder de prijsstijgingen te lijden. Egypte heeft al aangeklopt bij het IMF, in Turkije is de inflatie opgelopen tot bijna 80 procent en de crisis in Libanon is door de Wereldbank een van de ernstigste van de afgelopen honderd jaar genoemd.

    Ook landen die geen afnemer zijn van Rusland of Oekraïne, maar wel grote netto-importeurs van landbouwgrondstoffen, kampen nu met hogere invoerkosten. De prijzen van basisvoedingsmiddelen zoals brood, pasta en plantaardige olie zijn het snelst gestegen. In Bulgarije kostte een brood in juni bijna 50 procent meer dan een jaar eerder. Plantaardige olie is in Spanje nu al bijna twee keer zo duur als een jaar geleden en in Polen zijn de suikerprijzen met 40 procent gestegen.

    Voedselinflatie

    In landen met lagere inkomens, waar een groot deel van de consumentenuitgaven opgaat aan voedsel, is het voor mensen veel moeilijker om de stijgende kosten van levensonderhoud het hoofd te bieden door hun uitgaven te beperken. In Egypte, waar meer dan een derde van de huishouduitgaven opgaat aan voedsel en niet-alcoholische dranken, kampen de mensen met stijgingen van de voedselprijzen van 24 procent. In Ethiopië, waar een nog groter deel van het huishoudboekje aan voedsel opgaat, bedraagt de voedselinflatie zelfs 38 procent. ‘In een land waar je zelfs op de beste dagen nog altijd meer dan 50 tot 60 procent van je besteedbaar inkomen aan voedsel uitgeeft, is er weinig ruimte om zo’n schok op te vangen,’ zegt Husain.

    Vooral in Afrika ‘bestaat volgend jaar gevaar op hongersnood’, aldus Gilbert Houngbo, voorzitter van het Internationaal Fonds voor Agrarische Ontwikkeling van de VN. En dat kan weer leiden ‘tot maatschappelijke onrust en massale economische migratie’, voegt hij eraan toe. In 2007-2008 en 2010-2011 hebben grote prijsstijgingen van voedsel ook wereldwijd tot rellen geleid, en de huidige torenhoge voedselprijzen waren een belangrijke factor in de recente onlusten in Sri Lanka. In andere zwaar getroffen landen hebben regeringen de onrust nog kunnen beteugelen door voedsel te subsidiëren. ‘Dat bood wat verlichting,’ zegt Michael Pond, analist bij Barclays, ‘maar op een gegeven moment kan de druk zo hoog worden dat overheden het daarmee niet meer redden. En dan kan het uit de hand lopen.’

    Oekraïense boeren zijn misschien niet in staat of bereid om hun akkers weer te gaan bebouwen

    Niet iedereen denkt dat de crisis zich nog verder zal verdiepen. Eerder deze maand kwam Morgan Stanley met een optimistisch rapport over de toekomst van de voedselprijzen. De bank voorspelt dat de prijsstijgingen in 2023 lager zullen zijn dan verwacht. De graanproductie van boeren zal stijgen, onder meer door een afname van de spanningen in Oekraïne, en dat zal volgens het rapport een matigende werking hebben op de voedselinflatie.

    Maar al hebben sommige internationale handelaren goede hoop dat de heropening van de Zwarte Zee-route de opmaat is naar een ‘de facto wapenstilstand’, het is nog steeds onzeker wat de bedoelingen van Rusland precies zijn. Het blijft aanvallen uitvoeren op gebieden rond de Oekraïense havens. En zelfs al was de oorlog morgen ineens voorbij, dan moet Oekraïne eerst nog zijn landbouw- en haveninfrastructuur herbouwen en de kustwateren mijnenvrij maken. Oekraïense boeren zijn misschien niet in staat of bereid om hun akkers weer te gaan bebouwen.

    Veel analisten en beleidsmedewerkers verwachten dat de huidige voedselcrisis nog jaren zal duren, met de gevolgen van de recente oorlog bovenop die van de klimaatverandering, de pandemie en andere conflicten in de wereld. ‘Al die factoren die de voedselinflatie aandrijven kunnen een rol blijven spelen,’ zegt Pond. Landen die voor hun graan en plantaardige olie afhankelijk waren van Oekraïne spreken nu ook andere invoerbronnen aan, waardoor de prijzen langer hoog zullen blijven, en datzelfde geldt voor de energieprijzen, zegt Laura Wellesley, een onderzoeker van de denktank Chatham House. ‘Het algemene beeld is er toch een van dalend aanbod en hoge prijzen, en weinig vooruitzichten dat daar op korte termijn verbetering in komt.’

    Capital Economics voorziet aanhoudende ‘historisch hoge prijzen’

    Economen waarschuwen dat consumenten zich wellicht op permanent hogere voedselprijzen zullen moeten instellen. Capital Economics voorziet aanhoudende ‘historisch hoge prijzen’ als gevolg van de toenemende wisselvalligheid van het weer. De afgelopen jaren ‘zien we ontegenzeggelijk lagere opbrengsten en kleinere oogsten’ als gevolg van de toenemende invloed van de klimaatverandering, zegt hun hoofdeconoom op het vlak van grondstoffen, Caroline Bain. Sommige analisten speculeren dat de oorlog de aanzet heeft gegeven tot de ontmanteling van een handelsstelsel dat vooral is ingericht op het aan de hele wereld leveren van goedkope goederen (waaronder levensmiddelen). Het wereldwijde handelsstelsel waarin landen alle soorten voedsel konden krijgen, wordt volgens Wellesley niet snel weer de oude. ‘En dat betekent waarschijnlijk aanhoudend hoge prijzen voor voedsel en kunstmest en verschuivingen in de afhankelijkheden van landen, met misschien meer aandacht voor regionale toeleveringsketens.’

    Lees ook:

  • Waarom ‘vergeten’ gewassen de oplossing tot de voedselcrisis zijn

    Waarom ‘vergeten’ gewassen de oplossing tot de voedselcrisis zijn

    De wereldwijde agrovoedingsindustrie is verspillend en schadelijk, maar er zijn manieren om die aan te pakken, aldus landbouwprofessor Sayed Azam-Ali. ‘We moeten lokaal, voedzaam en divers voedsel herontdekken.’

    Verstoringen in de toeleveringsketen, een pandemie, extreem weer en oorlog in Oekraïne hebben barsten in het wereldwijde voedselsysteem aan het licht gebracht die we niet mogen veronachtzamen. Eigenlijk is een volledige transformatie van de agrovoedingsindustrie bittere noodzaak. Dit houdt in dat we de gewassen die we verbouwen, de manier waarop we die verbouwen en de wijze waarop we ze vervoeren moeten diversifiëren.

    Klimaatverandering is funest voor onze voedselvoorziening. Meer dan 40 procent van de tarwe op de Great Plains (het uitgestrekte gebied van prairies, steppen en grasland in het midden van de Verenigde Staten) is aan het uitdrogen. Vanwege overstromingen is in China de tarweoogst dit jaar een van de slechtste ooit. In mei steeg het kwik in India naar een recordhoogte van 49 graden Celsius. En op dit moment zucht een groot deel van Europa onder een dodelijke hittegolf.

    In elke fase, van ploeg tot bord, spelen fossiele brandstoffen een rol

    Daarnaast verstoort de oorlog in Oekraïne de kwetsbare mondiale voedselvoorziening. Rusland en Oekraïne leveren samen 28 procent van de wereldwijd verhandelde tarwe, 29 procent van de gerst, 15 procent van de maïs, en 75 procent van de zonnebloempitten die goed zijn voor 11,5 procent van de markt voor plantaardige olie. Rusland is daarnaast de grootste exporteur van stikstofhoudende kunstmest, de op een na grootste exporteur van kalium en de op twee na grootste exporteur van fosfor – energiebronnen die van groot belang zijn voor de landbouwsector, waar ook ter wereld.

    Waar het op neerkomt is dat we een ‘fossiel voedselsysteem’ hebben: basisgewassen, geteeld in een klein aantal exporterende landen, worden over grote afstanden naar de consument vervoerd. En in elke fase, van ploeg tot bord, spelen fossiele brandstoffen een rol. 

    Zevenduizend plantensoorten

    Wat te doen? Tot op heden is ons antwoord ‘business-as-usual’ geweest. Importerende landen proberen in allerijl alternatieve aanbieders van basisgewassen, zoals tarwe uit Oekraïne en Rusland, te vinden. Streep door de rekening is dat drieëntwintig landen, waaronder India, de uitvoer van tarwe en andere voedingsmiddelen hebben beperkt. Meer landen zullen volgen.

    Nog meer investeren in reguliere basisgoederen loont steeds minder – als we al problemen hebben om een wereldbevolking van 7,8 miljard mensen te voeden, hoe kunnen we dan de voorspelde 10 miljard in 2050 voeden op een warmere planeet?

    Het komt erop neer dat we van een fossiel voedselsysteem moeten overstappen op een toekomstgericht voedselsysteem, met klimaatbestendige en voedzame ‘vergeten’ gewassen, naast allerlei landbouwmethodes die zijn verdrongen door de industriële monocultuur van energie- en kunstmestverslindende producten.

    De mens heeft ongeveer zevenduizend plantensoorten gekweekt. Slechts drie daarvan (tarwe, rijst en maïs) bepalen heden ten dage grotendeels het menselijke voedingspatroon. We gebruiken 10 procent van deze gewassen en 18 procent plantaardige oliën voor biobrandstoffen – wat overeenkomt met de voedselbehoefte van bijna 2 miljard mensen. In 2021 importeerde China 28 miljoen ton maïs om aan varkens te voeren. Van de in de EU en in de VS verbouwde tarwe werd respectievelijk 40 procent en 33 procent aan koeien gevoerd. We moeten stoppen om dieren en machines voedselgewassen te voeren. 

    We moeten een einde maken aan onze verslaving aan een eentonig dieet van uniforme, extreem bewerkte producten

    Ook is het noodzakelijk om landbouwmethoden te diversifiëren en om landschappen, stedelijke ruimtes, gemeenschappelijke grond en zelfs tuinen als voedselbronnen te gaan zien. Veel landbouwvormen kunnen beter tegen extreem weer dan reguliere monoculturen en zijn een potentiële bron van levensonderhoud voor een nieuwe generatie boeren.

    Tot slot behoren we voedsel culturele waarde toe te kennen en zouden we er ook vreugde uit moeten putten – het gaat niet alleen om een economisch goed, een middel om geld te verdienen. Het Global Manifesto on Forgotten Foods, gelanceerd in 2021, roept op tot een actieplan waarin vergeten voedselbronnen, van klimaatbestendige en lokale gewassen zoals fonio en bambara-aardnoot, deze transformatie kunnen bewerkstelligen. We moeten lokaal, voedzaam en divers voedsel herontdekken en een einde maken aan onze verslaving aan een eentonig dieet van uniforme, extreem bewerkte producten die de hele wereld worden overgesleept.

    Dit vereist visie, investeringen, wetenschappelijke kennis en boeren die innoveren in plaats van slaafs nieuwe technologieën afnemen. Als het om het telen van vergeten gewassen in een veranderend klimaat gaat zijn zij de experts, niet wij. Producenten en consumenten, niet bedrijven, moeten het voortouw nemen bij de heroverweging van het voedselsysteem die zo broodnodig is voor het welzijn van de mensheid en de aarde.

    Lees ook:

  • Anonieme helden in Shanghai, een van ’s werelds meest gesurveilleerde metropolen

    Anonieme helden in Shanghai, een van ’s werelds meest gesurveilleerde metropolen

    Twee maanden lang voldeed een netwerk van vrijwilligers tijdens de strenge lockdown in Shanghai zo onopvallend mogelijk aan honderden onlineverzoeken, voornamelijk om voedsel en medicijnen. Het aantal mensen dat bereid was te helpen groeide gestaag, ook al werden zij tegengewerkt door de overheid.

    Jeff Lau, een IT’er van midden dertig, woont alleen in een groot wooncomplex in de buitenwijken van Shanghai. Eind maart, toen het westen van de stad zich in het kader van het Chinese zerocovidbeleid opmaakte voor een vierdaagse lockdown, begon hij voedsel in te slaan. Een dozijn eieren, zesendertig pakken instantnoedels en enkele zakken appels zouden meer dan genoeg zijn om hem door de quarantaine heen te helpen, dacht hij. Maar plotseling werden winkels dichtgetimmerd. De poorten van woonkazernes gingen op slot. Sommige werden zelfs dichtgelast. En ze werden niet heropend nadat de aangekondigde quarantaineperiode was verstreken.

    Net als veel van de andere 25 miljoen inwoners van de stad voelde Lau zich erg ongemakkelijk. Enkele weken eerder was het productiecentrum Shenzhen in het zuiden een week lang gesloten geweest in een poging om af te komen van omikron, de zeer besmettelijke coronavariant. En daarvoor was, zonder enige waarschuwing of voorbereiding vooraf, een wekenlang durend cordon sanitaire ingesteld voor de gehele stad Xi’an in het westen van China. De gezondheidsautoriteiten meldden in Shanghai duizenden gevallen per dag, veel meer dan bij eerdere uitbraken. Het afsluiten van een stad ter grootte van Shanghai was ongekend.

    Binnen enkele dagen werd duidelijk dat de lokale overheid geen idee had hoe ze de mensen van eten moest voorzien

    Binnen enkele dagen werd duidelijk dat de lokale overheid geen idee had hoe ze de mensen van eten moest voorzien. Volgeladen met proviand kwamen vrachtwagens vast te zitten in files aan de rand van de stad. Video’s van rottende groenten die door de overheid aan bewoners werden aangeboden circuleerden online. Op sociale media stonden prikborden vol met verzoeken om levensreddende medicijnen. Rijken en mensen met goede connecties verging het over het algemeen wat beter, maar ook niet altijd. Zelfs sommige geldschieters hadden problemen met het vinden van voedsel.

    De regels waren streng. De meeste bewoners mochten hun flat niet uit en de regering gaf geen enkele aanwijzing over wanneer de maatregelen opgeheven zouden worden. De afsluiting van Shanghai zou grofweg twee maanden duren.

    Vrijwilligerscorps

    Vóór de lockdown had Lau een oudere vrouw die alleen woonde in een naburig gebouw, in vuilnisbakken zien zoeken naar flessen. Hij vreesde dat ze zou verhongeren. Toen hij contact opnam met de autoriteiten die verantwoordelijk waren voor zijn buurt, kreeg hij te horen dat hij weinig kon doen tenzij hij zich aansloot bij een vrijwilligerscorps van de staat om te helpen met voedsel distribueren. 

    Hij meldde zich onmiddellijk aan en kreeg een aantal boekhoudkundige taken. Het was hem niet duidelijk hoe dat werk de mensen om hem heen zou helpen. Hij probeerde de bejaarde vrouw thuis te bereiken om te zien hoe het met haar ging, maar door een besmettingsgeval was haar gebouw afgegrendeld. Als hij wilde meehelpen om mensen door de lockdown heen te loodsen, moest hij dat buiten de overheidsbureaucratie om doen, realiseerde hij zich.

    Een van Lau’s collega’s zette in anderhalve dag een simpele website op. Mensen die dringend hulp nodig hadden, konden verzoeken op de site plaatsen. Mensen die konden helpen, namen dan rechtstreeks contact op met de persoon in kwestie. Helpers vonden soms een krat groenten of herkenden bezorgers in het bezit van het zeer zeldzame pasje waarmee ze de weg op mochten. Vrijwilligers hielpen zieke mensen om dokters te vinden die hen konden behandelen. Het oorspronkelijke team dat de site oprichtte, fungeerde als beheerder en controleerde om de paar uur of aan de verzoeken werd voldaan.

    Gegevens over gebruikers werden tot een minimum beperkt, want het streven was onopvallend te blijven. Er stond alleen basale contactinformatie op de site en die werd verwijderd zodra er weer een probleem was opgelost. Directe interactie tussen partijen vond offline plaats. Met deze werkwijze konden zo veel mogelijk activiteiten buiten het zicht van de staat worden gehouden.

    Lau werkte twaalfurige werkdagen om de stroom bij te kunnen houden

    Om problemen met ambtenaren te voorkomen gebruikt Lau in dit artikel een Engelse voornaam in plaats van zijn echte naam. Tijdens zijn verhaal pauzeert hij vaak halverwege de zin om te bedenken hoe hij het verloop van de crisis moet beschrijven zonder al te negatief over te komen. Wanneer we doorvragen, laat hij soms weten dat hij niet méér kan zeggen omdat hij anders ‘de grens zou overschrijden’. Het is in China steeds riskanter geworden om kleinerend over ambtenaren te spreken, zeker met buitenlandse media.

    Een kleine groep collega’s verspreidde het nieuws onder vrienden. Lau nam contact op met universiteitsstudenten en leden van een plaatselijke hiphopdansgroep. De reacties waren enthousiast. Binnen tien dagen na het begin van de lockdown ontving de website honderden verzoeken, voornamelijk om voedsel, en het aantal mensen dat bereid was te helpen groeide gestaag. Lau werkte twaalfurige werkdagen om de stroom bij te kunnen houden.

    Zorgvuldigheid

    Een van de sterke punten van het netwerk was volgens Lau de zorgvuldigheid waarmee mensen andere vrijwilligers rekruteerden. Lau kende het oorspronkelijke groepje. Maar het werd een gewoonte om secundaire contacten niet bekend te maken. Terwijl de keten van connecties zich verspreidde door Shanghai, behielden de vrijwilligers strikte anonimiteit behalve ten opzichte van hun directe collega’s. Ook hun onlinecontacten werden tot een minimum beperkt, zodat het netwerk enigszins veilig kon blijven in een van ’s werelds meest gesurveilleerde metropolen. Daardoor waren mensen met invloed – artsen, professoren en hoge ambtenaren – bereid zich aan te melden en te helpen.

    Terwijl het team tevergeefs zocht naar basisvoedsel als kool en arachideolie werd duidelijk dat de middelen zeer ongelijk verdeeld waren. Uiteindelijk vond Lau een winkel in zijn district die toegang had tot meer verse groenten en vlees dan andere. ‘Ze hadden een soort achterdeurtje,’ zegt hij. Het was een veelvoorkomend verschijnsel tijdens de lockdown: terwijl veel woongemeenschappen verstoken waren van voedsel, leken andere het in overvloed te hebben.

    Half april verhevigde de crisis en moest het netwerk beslissingen nemen over leven of dood

    Half april verhevigde de crisis en moest het netwerk beslissingen nemen over leven of dood. Er werd een verzoek om voedsel geplaatst door een groep van zestien arbeiders die in een kleine flat woonde (dergelijke krappe woonomstandigheden in Shanghai zijn gebruikelijk voor migranten of tijdelijke arbeidskrachten die de hoge huren niet kunnen betalen). Velen van hen leden al dagenlang honger. De lokale autoriteiten verstrekten per flat doorgaans één pakket voedsel ongeveer ter grootte van een standaardkoffer, ongeacht het aantal mensen dat er woonde. Het netwerk van Lau was in staat om de arbeiders van meer levensmiddelen te voorzien.

    Al snel werd de schaarste aan medicijnen nog nijpender dan die aan voedsel. Er was vooral veel vraag naar psychiatrische medicijnen en medicijnen tegen kanker en andere levensbedreigende ziekten. Shanghai heeft enkele van de beste ziekenhuizen in China, maar tijdens de ergste dagen van de lockdown mochten veel chronisch zieken hun huizen niet verlaten. Zelfs wanneer mensen erin slaagden buiten te komen, weigerden ziekenhuizen routinematig de toegang aan iedereen die geen recente negatieve coronatest kon laten zien. Sommigen stierven naast de wachtruimte voor spoedeisende hulp.

    Medische hulp

    Overal in de stad werd om voedsel en medische hulp gevraagd, zowel op de site van Lau als in bredere kring via sociale media. Een man in het district Minhang van Shanghai schreef op een openbaar prikbord dat zijn vader, die een vergevorderd stadium van sinuskanker had, een afspraak had gemaakt in een kliniek om een gespecialiseerde behandeling te krijgen. ‘Hij heeft gerichte therapie nodig, maar het woningcomité zegt dat het niet geregeld kan worden.’ De oude man mocht zijn wooncomplex niet verlaten, omdat hij niet op tijd aan de uitslag van een coronatest kon komen. Hij smeekte om een oplossing. ‘De kanker ontwikkelt zich snel… Help alstublieft!!!’

    De langdurige sluiting van een stad, met miljoenen mensen afgezonderd in hun huizen, verbreekt de banden tussen mensen. Ervaringen zijn niet langer collectief. Alleen de autoriteiten zijn in staat om een overkoepelend verhaal te formuleren. Het verhaal dat de Communistische Partij van China presenteerde, gaat over bekwame ambtenaren, ordelijke diensten en de vrijgevigheid van de staat. Slechts weinigen buiten het systeem waren persoonlijk getuige van de onrust die ontstond. Terwijl Lau en zijn team hulpvragen beantwoordden, vingen zij een glimp op van de dingen die misgingen en die de regering verborgen probeerde te houden.

    Er waren herhaaldelijk voorbeelden van de hardvochtigheid van bedrijven. Op een bepaald moment kwam er een verzoek binnen van een dozijn bouwvakkers, migranten die waren achtergelaten op een bouwterrein dat niet meer was dan een kaal stuk grond. Net toen ze voor zichzelf een klein tijdelijk onderkomen met een plastic dak aan het bouwen waren, werd de lockdown opgelegd. De groep zat gevangen op de bouwplaats, ze mochten niet weg, zelfs niet om op zoek te gaan naar voedsel. Hun werkgever stopte met het verstrekken van instantnoedels, maar de koeriers van Lau wisten hen op de been te houden.

    Ze vertelden Lau dat ze bereid waren om het dak op te gaan en hun dood tegemoet te springen als ze de pillen niet konden krijgen

    De lockdown duurde voort tot in mei en op sociale media begonnen video’s van suïcidale bewoners te circuleren. Op een aantal ervan, gemaakt met mobiele telefoons, waren mensen te zien die zich vastklampten aan hun balkon, klaar om te springen, terwijl ze onverstaanbare dingen schreeuwden naar de onverschillige wereld. Veel van deze scènes eindigden met een sprong en een hoorbare plof, gevolgd door kreten die tussen de torenflats galmden.

    Een echtpaar van in de tachtig, allebei lijdend aan kanker, plaatste op het netwerk van Lau een verzoek om pijnstillers. Een van hen had nog medicijnen voor vier dagen, de ander voor zes. Zonder die medicijnen zouden ze ondraaglijk lijden. Ze vertelden Lau dat ze bereid waren om het dak op te gaan en hun dood tegemoet te springen als ze de pillen niet konden krijgen. Met enige moeite vond het netwerk de benodigde medicijnen voor hen. Maar toen de pillen bezorgd zouden worden, zeiden de autoriteiten dat vrijwilligers zich er niet mee moesten bemoeien. Wat Lau weet over het lot van dit echtpaar, wil hij niet zeggen. 

    DDoS-aanvallen

    Hijzelf trok ook de aandacht van de machthebbers. Hij kreeg telefoontjes van de politie en andere overheidsinstanties die zeiden dat zijn website illegaal was en dat hij hem moest sluiten. De site werd regelmatig het doelwit van DDoS-aanvallen, waarbij hackers hem bestookten met massaal internetverkeer uit allerlei bronnen. Lau wil niet speculeren over wie er achter de aanvallen zat. Ze waren niet bijzonder schadelijk, maar hij begon toch meer geld uit te geven aan cyberbeveiliging. Hij vermoedt dat mensen met financiële en politieke middelen, diep verborgen in het netwerk, hebben geholpen te voorkomen dat de site door de autoriteiten werd gesloten. ‘Ze zijn er, maar je zult hun gezichten nooit zien,’ zegt hij.

    Toen de lockdown begin juni werd versoepeld, keerde het verkeer terug in de straten van Shanghai. Langzaam gingen winkels en restaurants weer open. Het netwerk van Lau was niet langer nodig en werd snel ontbonden. Digitale bestanden werden gewist. Op de website staat nu alleen nog een dankbetuiging aan alle deelnemers.

    Lau vertelt vrolijk en energiek over het werk dat hij deed. Het netwerk groeide uit tot meer dan duizend vrijwilligers en heeft tijdens de vijfenvijftig dagen dat het actief was meer dan zesduizend pakjes bezorgd. Het heeft meer dan zestienhonderd oudere en zieke mensen geholpen. De in vuilnisbakken graaiende vrouw die hij aanvankelijk wilde helpen, heeft hij niet meer gezien, maar hij heeft gehoord dat ze de crisis heeft overleefd.

    Zijn houding tegenover zijn stad is wel veranderd. ‘We hebben hier zo veel geleden,’ zegt hij over Shanghai. ‘En we weten niet wat ons te wachten staat.’ Hij is bezig met plannen om China te ontvluchten. Xi Jinping, de president van China, heeft gezegd dat het ‘dynamische zerocovidbeleid’ van de Communistische Partij van kracht zal blijven tot de ‘eindoverwinning’ is behaald. Maar de volgende keer dat Shanghai op slot gaat, is een van de anonieme helden van de stad er waarschijnlijk niet meer om te helpen.

  • Waarom stadstuinen een oplossing zijn voor corruptie en honger in Zuid-Afrika

    Waarom stadstuinen een oplossing zijn voor corruptie en honger in Zuid-Afrika

    Het verbouwen van voedsel in de stad kan een middel zijn om honger tegen te gaan, de voedselaanvoerketen te verkorten en tot dan toe verdeelde gemeenschappen dichter bij elkaar te brengen. ‘Als we voedsel met elkaar delen, zullen de Van Tonders gaan praten met de Ngobeni’s.’

    Door middel van stedelijke landbouw kunnen mensen hun intense teleurstelling in de regering opvangen en meer zelfvoorzienend worden, zeggen stadstuinders en wetenschappers. En nu de kosten voor levensonderhoud in Zuid-Afrika de pan uit rijzen en ook de werkloosheidscijfers tot grote hoogte stijgen, moeten de stadsbewoners zo snel mogelijk aan de slag om de dichtstbijzijnde stoep in een moestuin te veranderen.

    Als het voedsel eenmaal is geoogst, is de volgende stap om het uit te delen, en dan zullen als vanzelf de apartheid en de op klassenverschillen gebaseerde ruimtelijke segregatie verdwijnen, zegt Djo BaNkuna, een stoeptuinder uit Pretoria. In zijn achtertuin en op de stoep voor zijn huis verbouwt hij bananen, kruiden, avocado’s, spinazie, biet, zoete aardappel en uien. Hij en zijn vrouw, een maatschappelijk werkster, delen alles vervolgens uit in Soshanguve en omstreken, aan gezinnen met een kind aan het hoofd of gezinnen waarvan de ouders geen werk hebben.

    ‘Velen van ons hebben geen idee van de honger die er heerst. De tranen springen in mijn ogen als ik een kind van vijf zie dat al twee dagen niet heeft gegeten, hier in Soshanguve, niet ver van het winkelcentrum. Er zijn gezinnen met een meisje van dertien aan het hoofd, en dat meisje heeft dan de zorg voor vijf andere kinderen, die overdag naar het winkelcentrum gaan om te kijken of er nog wat restjes eten bij elkaar geschraapt kunnen worden. Ons land staat er heel slecht voor,’ zegt BaNkuna.

    BaNkuna kwam in november in de publiciteit toen de politie hem beval de groente uit te trekken die hij op de stoep voor zijn huis had geplant, en in plaats daarvan bloemen of gras te planten. Daarnaast moest hij een boete betalen van vijfhonderd rand [zo’n dertig euro]. Toen BaNkuna beide weigerde, moest hij voor de rechter verschijnen. De rechter trok de zaak tegen hem in.

    ‘Ik ben groot voorstander van tuintjes, maar onze overheid is niet bepaald vooruitstrevend op dat gebied. Het evangelie van de grote winkelketens zit er zo in geramd dat mensen niet langer op zichzelf en de natuur durven te vertrouwen, terwijl we geschikte grond hebben die ons in voedsel kan voorzien,’ zegt hij.

    Ui, kool en aardappel

    ‘Als je eenmaal een ui en kool hebt, heb je verder alleen nog maar gekookt maismeel nodig. En vervolgens kom je tot de ontdekking dat je geen maismeel nodig hebt, maar een aardappel die je ook zelf hebt geplant. Die drie dingen samen vormen een maaltijd. In Soshanguve word ik vaak vreemd aangekeken als ik zeg dat ik de kool heb verbouwd in mijn eigen stoeptuin. Voor velen van ons komt voedsel uit het winkelcentrum.

    Melissa Britz is een van de oprichters van Oppieyaart (In de tuin), een achtertuin vol medicinale kruiden, met de nadruk op inheemse planten. Samen met haar partner Lucelle Campbell heeft ze alles aangeplant in hun achtertuin in Elsies River, op de Kaapse Vlakte.

    ANP 427929419
    – Oogsten op een stadsboerderij in Banda Atjeh, Indonesië. Meer mensen in Indonesië hebben hun toevlucht genomen tot stadslandbouw omdat de aanhoudende Covid-19-pandemie hen dwong thuis te blijven. © Sepa / Hotli Simanjuntak

    Het project heeft zich nog niet uitgebreid naar de stoep, maar ze maken en distribueren wel compost om andere stadstuinders te helpen en om de vruchtbaarheid van de zanderige grond te verhogen in dit gebied, dat zich van nature niet echt leent voor het verbouwen van groente. In de achtertuin liggen enorme hopen compost, bestaande uit bladeren, gebruikte zakjes rooibosthee, gemaaid gras en groenteafval van de buren. Alles wat het Oppiyaart-team niet composteert, wordt gebruikt om mulch te maken. Zowel compost als mulch wordt gratis uitgedeeld.

    ‘Een van de belangrijkste dingen voor mensen die net beginnen, is de aarde beschermen tegen de zon, want er zit leven in de aarde: organismen, wormen, bacteriën en schimmels, die allemaal gevoelig zijn voor licht en de warmte van de zon. Het makkelijkste is om mulch te maken van wat er ook maar voorhanden is in het gebied waar je woont,’ zegt Britz.

    Zanderige grond houdt geen water vast en door de klimaatverandering en het veranderde patroon van regenval, moeten stadstuinders zorgen dat de grond meer water kan vasthouden, zegt ze.

    ‘Ze hebben geen dure irrigatiesystemen nodig met watertanks en leidingen’

    Britz heeft net gember geoogst die acht maanden heeft gegroeid. Ze pakt een handvol van de donkerbruine, vochtige aarde waar de gember in heeft gestaan – het resultaat van haar inspanningen om de aarde te verrijken, van zanderig naar meer leemachtig. Ze voedt de aarde ook met wormenmest. ‘Een wormenfarm hoeft niet duur te zijn. We hebben een oude badkuip vol wormen, en zo komen er weer voedingsstoffen in de aarde.’

    Voor beide projecten wordt regenwater opgevangen in bakken, lege vaten en emmers die ze op de hoeken van het huis zetten, waar het water uit de goten loopt. Ze hebben geen dure irrigatiesystemen nodig met watertanks en leidingen, zeggen ze.

    Robert Wolfe, die ook in het Oppieyaart-team zit, giet het regenwater vervolgens in lege frisdrankflessen, die hij opslaat om de tuinen in de droge maanden van water te kunnen voorzien. ‘We hadden bijna een hele kamer vol tweeliterflessen,’ zegt Britz.

    BaNkuna’s huis heeft geen dakgoten, maar als het hard regent verzamelt hij zo’n duizend liter water per nacht door domweg emmers bij de hoeken van zijn huis te zetten.

    Vers en organisch

    Het is van groot belang dat zo veel mogelijk mensen een tuintje bij hun huis aanleggen, aldus Munyaradzi Chitakira, een expert op het gebied van klimaatbestendige middelen van bestaan in rurale en stedelijke omgevingen, en verbonden aan Unisa (Universiteit van Suid-Afrika). ‘De voedselprijzen blijven maar stijgen en er is steeds meer werkloosheid. Het is heel belangrijk dat mensen nadenken over manieren om hun gezin van voedsel te voorzien. Vers en organisch voedsel is van groot belang, ook omdat je er zelf controle over kunt uitoefenen.’

    annie spratt GaLzDCnA5EI unsplash
    – Eten verbouwen op de stoep of in de achtertuin is voor velen een manier om zelfvoorzienend te worden. © Unsplash

    ‘Als je geen land hebt, gebruik dan emmers en blikken of iets anders waarin je iets kunt verbouwen, zodat je niet alles hoeft te kopen,’ zegt Chitakira. Hij voegt eraan toe dat gemeentebesturen zouden moeten zorgen voor stukjes grond en voor bewakers, zodat er buurttuinen kunnen worden aangelegd.

    Lokale buurttuintjes zijn van cruciaal belang om te komen tot kortere distributieketens

    Veel kleine moestuintjes vormen een integraal deel van klimaatbestendige stedelijke landbouw. Ze vormen een buffer tegen klimaatschokken omdat ze voedselzekerheid bieden aan gezinnen die lijden onder de gevolgen van de klimaatverandering. De gewassen zelf zorgen voor een vermindering van broeikasgassen, een effect dat nog eens wordt versterkt doordat er minder groente van commerciële boeren in vrachtwagens door het land vervoerd hoeft te worden.

    Ook Juanee Cilliers, een specialist stedelijke landbouw, denkt dat lokale buurttuintjes van cruciaal belang zijn om te komen tot kortere distributieketens en duurzamere vormen van landbouw.

    Uit onderzoek is al gebleken dat bestaande moestuintjes een waardevolle rol spelen in de economische en sociale ontwikkeling van bepaalde gemeenschappen. ‘Het potentieel van deze innovatieve markten is nog niet onderzocht, maar ze zouden een katalysator kunnen blijken voor stedelijke gemeenschappen in Zuid-Afrika, en ze zouden kansen kunnen bieden op het gebied van voedselzekerheid, werkgelegenheid, empowerment en ondernemingszin,’ aldus Cilliers.

    Gezamenlijke inspanning

    BaNkuna heeft onderzocht hoe de stijgende werkloosheidscijfers hebben geleid tot hongersnood, zelfs in dorpen in de buurt van Tzaneen in Limpopo – een vruchtbare streek met veel regen – waar de inwoners van oudsher hun eigen gewassen verbouwen en zelfredzaam zijn. ‘Ik kwam tot de ontdekking dat zelfs daar dorpskeukens moeten worden geïnstalleerd, omdat er honger heerst. Als je maismeel met zout moet eten, is dat niet fijn. Sterker nog, het is erg pijnlijk,’ zegt hij.

    Hoewel een groot deel van de bevolking kampt met extreme honger, collectief geschokt is door de ongekende corruptie die welig tiert binnen de overheid, en de gevolgen ondervindt van de klimaatverandering en de noodlottige modderstromen, zegt BaNkuna dat ze nooit de hoop mogen opgeven dat ze het land weer gezond kunnen maken door gezamenlijke inspanning – om te beginnen moet er een einde worden gemaakt aan het achterhouden van voedsel.

    ‘We moeten zorgen dat mensen weer teruggaan naar de natuur, naar zelfredzaamheid’

    ‘Het is nergens voor nodig om voedsel achter te houden. Het is een eerste levensbehoefte, net als zuurstof. Als we voedsel met elkaar delen, zullen de Van Tonders gaan praten met de Ngobeni’s en de Ngobeni’s zullen weer gaan praten met de Mahmoods. Zo zullen we de kloof overbruggen die is geslagen door ruimtelijke segregatie,’ zegt hij.

    Momenteel interviewt BaNkuna andere stoeptuinders voor een boek. Onlangs heeft hij een vrouw ontmoet die honderd meter stoep heeft bebouwd. De oogst zal genoeg zijn voor honderd gezinnen.

    ‘We moeten echt zorgen dat mensen weer teruggaan naar de natuur, naar zelfredzaamheid. Ja, natuurlijk kun je zeep kopen in de supermarkt. Dat is normaal. Maar er is geen enkele reden om een ui of een zoete aardappel te kopen,’ besluit hij.

  • Hoe volkstuiniers de natuur kunnen redden (en ons nader tot elkaar kunnen brengen)

    Hoe volkstuiniers de natuur kunnen redden (en ons nader tot elkaar kunnen brengen)

    Er is al heel lang een beweging gaande die veel verder reikt dan de volkstuin alleen. Tuiniers zetten in op een nieuwe ‘Internationale’ met lokale wortels. Het aanplanten van groente en fruit is niet alleen duurzaam, het kan ook de gemeenschapszin bevorderen.

    In het uiterste noorden van Duitsland leidt midden in het stadscentrum van Kappeln an der Schlei een klein straatje naar een eerder grijze dan groene idylle. Een kille stilte hangt over verlepte hortensiastruiken en kale fruitbomen, over afgeoogste tuinbedden en leeggehaalde kassen. Alles wacht hier op het voorjaar, als het eindelijk weer kiemt, geurt en zoemt. Alles wacht op het moment dat hier weer gewerkt kan worden aan een betere toekomst.

    Een betere toekomst? Het idee dat tuinders een avant-garde zouden kunnen zijn en hun voorjaarsplannen relevant voor het landelijk beleid, lijkt op zo’n braaf volkstuincomplex op het eerste oog nogal vergezocht. Maar over volkstuintjes kan ook groot worden gedacht. Zo kan het samen bezig zijn sociale verdeeldheid tegengaan. Je leert er niet alleen met anderen tot democratische besluitvorming komen maar je leert ook de natuur kennen en de gevaren die haar bedreigen. Insecten en vogels vinden er hun leefgebied, bomen gaan met hun microklimatologische koeling de dreigende opwarming van de aarde tegen. En je kunt zelfs nog groter denken: de beheerders van kleine en ook grotere tuinen kunnen met zaaigoed en nieuwe inzichten bijdragen aan een duurzame landbouw. Zelfs bij de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) spreken experts al van een nieuwe, door tuinders geïnspireerde landbouwrevolutie.

    Spitten voor utopia: al heel lang is er een beweging gaande die veel verder reikt dan de volkstuin alleen. Iedereen die weleens in hobby-, school- en kasteeltuinen komt, die met landbouwwetenschappers, historici, beheerders van stadsparken, directeuren van milieuorganisaties, boeren, pedagogen en ontwikkelingsexperts praat, weet het. Zij zetten in op een nieuwe ‘Internationale’ met lokale wortels: tuinders aller landen, verenigt u!

    De omheinde tuinkabouterparadijzen werden decennialang door de rest van de samenleving enigszins meewarig bekeken

    Op het complex in Kappeln weten ze al heel lang dat het aanplanten van groente en fruit de gemeenschapszin kan bevorderen. Het volkstuincomplex was 207 jaar geleden wat we tegenwoordig een sociale innovatie zouden noemen. De dominee van het stadje stelde toen aan enkele verpauperde gezinnen een stuk grond ter beschikking op het terrein van de kerk, vertelt verenigingsvoorzitter Frank Unterspann. Omdat dat stuk collectief beheerd en de pacht gezamenlijk opgebracht diende te worden, sommeerde de dominee de toekomstige gebruikers om woordvoerders te kiezen en stelde hij een overeenkomstig contract op. Duitslands oudste moestuinvereniging was een feit, en daarmee een waarborg tegen al te grote nood.

    Inmiddels kent Duitsland 13.500 van zulke verenigingen, met in totaal bijna 900.000 leden. Tegenwoordig streven die niet meer naar voedselzekerheid, maar ‘zoekt iedereen er zijn eigen kleine beetje rust’, zoals Frank Unterspann dat noemt. Dansen in de meimaand, grillen en barbecueën: vanwege zulk soort rituelen werden de omheinde tuinkabouterparadijzen decennialang door de rest van de samenleving enigszins meewarig bekeken.

    Verandering

    Maar dat er iets aan het veranderen is valt ook te lezen in de welig tierende, rijk geïllustreerde tuinliteratuur. Steeds vaker houden de schrijvers daarvan zich bezig met een ‘humusrevolutie’ of met ‘klimaatbeschermingsbedden’ die ‘toekomstbestendig’ moeten zijn. Naast strakke coniferen moeten er volop permaculturen, compost en terra preta te vinden zijn. In verenigingskantines wordt fel gediscussieerd over de vraag of chemische bestrijdingsmiddelen zijn toegestaan en geven de mensen elkaar tips over hoe het in de praktijk ook zonder kan. Ook in Kappeln hebben leden van het eerste uur geen Nackensteak en Rostbratwurst meer op hun grill liggen maar paprika en halloumi, en leveren ze met zakjes zaad, schoffel en gieter een bijdrage aan de oplossing van grote wereldproblemen.

    Dat die wereldwijde problemen ook gevolgen hebben voor de tuinen, horen we van Sven Hannemann. Hij is parkbeheerder bij slot Sanssouci in Potsdam. In de hete zomers die ons te wachten staan moeten we onze bloemperken misschien wel laten verpieteren, zegt hij, anders zal er niet voldoende water zijn om alle bomen naar behoefte te beregenen. Daarvoor werden ook oude tappunten weer uitgegraven.

    Honderden bomen hebben in de voorbije drie droge jaren schade opgelopen. Sven Hannemann houdt stil bij een eik die wortel schoot ten tijde van de Dertigjarige Oorlog. Hij schrikt bij de aanblik van de diepe groeven die een schadelijk insect in de schors heeft gemaakt: ‘Als het niet zo droog was geweest, zou de boom zich hebben kunnen verdedigen,’ zegt de parkbeheerder bezorgd. ‘Nu zal hij waarschijnlijk niet lang meer te leven hebben.’

    Hoelang kunnen zij in historische parken die zeldzame oude bomen behouden?

    Wandelend door de lanen en velden van zijn slotpark wijst Hannemann nu eens links op rode beuken met te lichte kronen, dan weer rechts op sparren met bruine takken, en vóór zich op boomgroepen waarin bepaalde exemplaren gekortwiekt moeten worden. Zulke decimeringen slaan harde wonden in de door tuinarchitecten als Peter Joseph Lenné zo weloverwogen vormgegeven landschappen en zichtassen.

    Daarom maken de tuinarchitecten van het Fürstlich Greizer-park en het Slotpark Nymphenburg zich al net zoveel zorgen als hun collega’s in Potsdam. Hoelang kunnen zij hun taak om de monumentale tuinarchitectuur voor het nageslacht te bewaren nog waarmaken; parken die de uiteenlopende machtsconcepten en natuurfilosofieën van afgelopen eeuwen vertegenwoordigen? Hoelang kunnen zij in historische parken die zeldzame oude bomen behouden, waaronder in februari de winterakonieten en in het voorjaar de lelietjes-van-dalen ontspruiten; de loofrijke velden, sloten, kunstmatige meren en met riet begroeide oeverzones, waar duizenden uit kaalgeslagen landbouwgrond verdreven organismen beschutting vinden?

    Ook om die reden zijn de historische tuinen uitgegroeid tot een proeftuin voor klimaataanpassing en soortenbescherming. Zo trekt in het EU-onderzoeksproject I-React (Bescherming cultuurgoederen tegen extreme weersomstandigheden en vergroting van hun weerbaarheid) de Stichting Pruisische Paleizen en Tuinen Berlin-Brandenburg samen op met verschillende Fraunhofer-Instituten en het Climate Service Center in Geesthacht. Geodata en weersimulaties moeten uitwijzen welk risico op schade bomen de komende jaren lopen als gevolg van dreigende stortregens en stormen.

    ‘Wie als kind in aanraking komt met de natuur is eerder geneigd die als volwassene te beschermen’

    De Potsdammers zetten nu boomkwekerijen op waar klimaatbestendiger inheemse soorten worden getest. Of ze gaan doelbewuster om met groenafval. Sven Hannemann houdt stil bij een groep jonge bomen die dreigde te verdrogen en daarom verplant werd naar een natter stuk in het park. Ze staan nu in een dikke laag compost: ‘Zo stimuleren we plant-schimmelsymbiosen en bouwen we bewuster nieuwe humus op.’

    Over hun problemen hebben de parkbeheerders niet alleen contact met wetenschappers maar ook met veel volkstuinders die nog oude soorten kweken en met bodembiologie experimenteren. Of profiteren zij van de ecosysteemkennis bij herders. Hun kuddes zien we nu vaker met zachte, groeibevorderende tred over de ooit vorstelijke weiden trekken. Vrijwilligers bij het onderbemande parkbeheer verzamelen takken die na een storm overal op de gazons liggen. Zij maken net zo goed deel uit van de nieuwe tuinbeweging – en sinds kort zelfs schoolkinderen.

    Vlak naast de Koninklijke Hofkwekerij van Sanssouci ligt een groot gezamenlijk moestuinbed. De groep die het heeft aangelegd noemt zich simpelweg Acker (akker). Het idee komt van landbouwwetenschapper Christoph Schmitz. Hij zag in hoe belangrijk en hoe miskend de tuin is als plek om te leren. In GemüseAckerdemien (groente-‘akkerdemieën’) zoals hier in Potsdam of in Indoor-Gemüseklassen (indoorgroentelessen), waarbij de gewassen in de school zelf ontspruiten, brengen zogeheten AckerCoaches onderwijzers en leerlingen bij hoe ze snijbiet en spinazie, Chinese kool en koolrabi, citroenmelisse en salie kunnen kweken. Landelijk adviseren ze bijna vijfhonderd scholen en kinderdagverblijven. Dankzij deze impuls zijn er veel nieuwe schooltuinen aangelegd. Ze bieden hoop op een generatie voor wie duurzaamheid een vanzelfsprekendheid is. ‘Wie als kind in aanraking komt met de natuur is eerder geneigd die als volwassene te beschermen,’ zegt Christoph Schmitz vol overtuiging.

    ‘Guerrilla gardeners’

    Want als stadskinderen kennismaken met tuinieren, groeien naast nieuwsgierigheid, doorzettingsvermogen en zelfbewustzijn ook andere deugden voor een tijd van schaarse hulpbronnen: kennis van planten- en diersoorten, van bodemleven en gezonde voeding. Plezier in experimenteren. Waardering voor voedsel. Respect voor de onomstotelijke wetten en grenzen van de natuur, voor dood en ontkiemend leven, voor kringlopen. En voor langetermijndenken: ‘Ik kan het u allemaal aanraden: word tuinder,’ schreef de Amerikaanse zaadgoedkweker en minister van Landbouw Henry A. Wallace in de jaren dertig. ‘Dan zult u nooit sterven want u moet wel blijven leven om te zien wat er komend jaar gebeurt.’

    Zeker sinds de ontsteltenis over het verdwijnen van de bij leggen ook steeds meer volwassen stedelingen een tuinbed aan; en dat niet alleen op hun balkon of in hun voortuin. Ze gebruiken groenstroken of een braakliggend terrein in de stad. Een van de allereersten waren de revolutionaire guerrilla gardeners. Zij dropten zaadbommen, waaruit tussen het grijs van de stad kleurige bloeimengsels ontsproten. Zonder daarvoor toestemming te hebben plantten ze gewoon groenten, bloemen en struiken aan op elke plek langs de straat waar het asfalt ook maar verwijderd kon worden. Hoeveel gezamenlijke, huur-, wijk- en andere tuinen zijn er sindsdien als moderne volkstuinvarianten in stadswijken ontstaan? ‘Tot nu toe is dat niet precies vastgelegd,’ zegt Verena Exner van de Duitse Federale Milieustichting (DBU). ‘Maar we zien een duidelijk groeiende belangstelling.’

    De DBU zal het weten, ze heeft de tuinbeweging die volgens Exner ‘tal van facetten’ heeft, de wind in de rug gegeven. Naast een project met historische tuinen promoot zij overal in het land ook andere modellen zoals initiatieven voor het beplanten van daken en gevels, experimenten met ‘microlandbouw’ in een stedelijke omgeving of hulp aan kleine ondernemers om de biodiversiteit van hun groen te vergroten.

    Tuinieren biedt ook de mogelijkheid om mensen ‘dwars door alle culturen, leeftijdsgroepen en lagen heen’ met elkaar in gesprek te brengen

    Stadstuinders willen vooral buiten bezig zijn en gezond eten. Maar van het Tempelhofer Feld in Berlijn tot aan de Osnabrücker ‘vredestuinen’, van de Keulse Veedelsgarten tot aan het Münchense o’pflanzt is! biedt tuinieren ook de mogelijkheid om mensen ‘dwars door alle culturen, leeftijdsgroepen en lagen heen’ met elkaar in gesprek te brengen, zegt Exner. Daarbij gaat het er niet altijd zonder spanningen aan toe, maar in ieder geval ontstaat er over de notoire bubbels heen een publieke ruimte.

    ‘Crises maken de sociale verbeelding los,’ schrijft publicist Mathias Greffrath in een essay over utopieën. Tuinprojecten onder de paraplu van ‘voedseltafels’ zijn zodoende ook in contact gekomen met andere groepen. Zo’n vijfenveertig van zulke initiatieven willen al een ‘eetbare stad’ creëren of een ‘klimaatvriendelijk en sociaal rechtvaardig voedselsysteem’ opzetten.

    Iets soortgelijks gebeurt ook elders in de wereld. In New York of Lagos moet urban gardening ervoor zorgen dat arme mensen gezond te eten krijgen, net als twee eeuwen terug in Kappeln. In het Indiase Kerala willen politici daktuinen omdat veel burgers bang zijn voor giftige pesticiden uit de grootschalige groenteteelt. Hier komen we op een terrein waar de tuinbeweging misschien wel haar grootste effect sorteert: de landbouw. Op veel plaatsen baant een paradigmawisseling zich al een weg.

    Verzilte, uitdrogende, eroderende grond en overbemest oppervlaktewater, het verdwijnen van soorten en variëteiten, een gigantisch energieverbruik, hoge CO2– en methaanemissies: wereldwijd zijn de verwoestende langetermijngevolgen van de inzet van landbouwchemicaliën in monoculturen en de verergering van die problemen als gevolg van klimaatverandering duidelijk zichtbaar. In de strijd tegen deze bedreiging van ons bestaan kan het diversiteitsprincipe van de tuin belangrijke impulsen geven ‘om de planeet voor mensen bewoonbaar te houden’, schrijft Jürgen Renn.

    In het nieuwe mensentijdperk zouden tuinen zich ontwikkelen tot ‘plekken van compensatie voor de uitbuiting van de natuur’

    Deze wetenschapshistoricus zet momenteel een Max Planck Instituut voor Geo-Antropologie op poten om het antropoceen te bestuderen; het tijdperk waarin de mens als dominant levend wezen macht uitoefent over elke vierkante millimeter grond. In het fossiele tijdperk waren tuinen nog ‘hulpbron, toevlucht en plek van een tegencultuur’ tegenover het gejaagde bestaan van alledag, zegt Renn. Overdag verrichtten mensen vervreemd hun arbeid, ’s avonds spitten zij om tot rust te komen. In het nieuwe mensentijdperk zouden tuinen zich ontwikkelen tot ‘plekken van compensatie voor de uitbuiting van de natuur’. Plekken dus die kunnen bijdragen aan herstel van bodem, water en lucht – en dat niet alleen in de volkstuin, maar ook op landbouwgrond. De wetenschapper hoopt op een omwenteling, zoals de neolithische revolutie die voor de landbouw heeft gebracht.

    Een herculestaak! Maar veel bedrijven experimenteren hier al mee. Ze verbouwen minder graan- en marktgewassen en vervangen deze door allerlei soorten peulvruchten en groenten, fruit- en notenbomen, bessen of andere struiken. Hoe geraffineerder de samenstelling van zo’n agro-ecologisch gemengd fruit- en boslandbouwsysteem, hoe beter ter plekke specifieke planten elkaar van schaduw en water kunnen voorzien, elkaar op natuurlijke wijze bemesten en beschermen tegen schadelijke insecten. De diversiteit in akkerbouw zorgt vervolgens ook nog voor diversiteit aan organismen op en in de grond.

    Zulk afzien van landbouwchemicaliën is arbeidsintensiever dan de conventionele landbouw, de technologieën ervoor moeten eerst nog worden ontwikkeld en tot nog toe betaalt alle moeite zich nauwelijks uit. Europese boeren die grote oppervlakten intensief bewerken, zouden een begin kunnen maken door in plaats van drie afwisselend zes of acht verschillende producten te telen. Ook kunnen zij bomenrijen op hun akkers planten. In de rendabeler groente- en fruitteelt kunnen tomaten en basilicum al op hetzelfde veld groeien, wijnranken kunnen zich rond appelbomen slingeren en bonen om maïsstengels, die het goed doen naast aardappelen.

    Voor armere landen, waar de meeste boeren van één of twee hectare voornamelijk hun eigen gezin voeden en slechts een deel van hun producten lokaal op de markt brengen, zijn complexere diversiteitssystemen daarentegen nu al kansrijk.

    Andhra Pradesh

    Zo wil Andhra Pradesh, een van de grootste deelstaten van India, stap voor stap voor alle boeren soortenrijke akkers met verschillende niveaus invoeren. In het beste geval groeien daar dan palmbomen met daaronder mango’s en papaja’s, en een niveau lager mais, kalebassen, yams, kurkuma, sperziebonen en andere groenten. Moringabomen en linzen zorgen voor de stikstof die planten nodig hebben om te groeien. Chili en ui verdrijven schadelijke insecten. Een eigen brouwsel van rundveemest, mineralen en planten zorgt voor vruchtbare grond.

    Een ander voorbeeld is Tsjaad. De Sahel wordt steeds droger, veel velden leveren nauwelijks nog iets op en arme boeren zijn afhankelijk van duur importvoedsel uit Libië. Om ze daar minder afhankelijk van te maken blaast men nu een oeroude vergeten teelt nieuw leven in. Dadelpalmen moeten zowel voor vruchten zorgen als voor bouwmateriaal in de vorm van hout en vezels. In de schaduw van deze bomen worden granaatappels en sinaasappels geplant, tomaten en bladgroenten, geneeskruiden en specerijgewassen. In dit project werken tuinders uit Noord-Afrikaanse oaseculturen samen met landbouwwetenschappers uit Bayreuth. De bijdrage van deze wetenschappers bestaat uit de levering van druppelsystemen voor irrigatie die gevoed worden door pompen op zonne-energie.

    Dit soort projecten kunnen vaak relatief snel de opbrengsten vergroten. Als een natuurramp een deel van de oogst ruïneert, zijn er altijd nog andere planten over om zelf te eten of te verkopen. Met de kwaliteit van het voedsel verbetert tevens de ‘planetaire gezondheid’, zoals dat in het jargon van de Verenigde Naties heet.

    Zal de wereld dan binnenkort echt opbloeien? Of is dit gewoon een door stedelingen gedroomde utopie? In feite fungeerde de tuin vaak genoeg als projectiescherm voor dromen. Dat begon niet pas met het verlangen van escapistische romantici die in ‘tuinen die over rotsen heen / in schemerende priëlen verwilderen’ (Eichendorff) het vuil van de vroeg-industriële samenleving ontvluchtten. Nazi’s projecteerden op de moestuin hun sociaal-darwinistische uitsluitingsslogans. Marxisten streefden naar een wetenschappelijk onderbouwde controle over de natuur met behulp van technologie. In dat opzicht verschilde het socialistische blok in elk geval niet heel veel van de kapitalistische klassenvijand. Die verdreef pas echt elk kruidje uit het veld. Bij een blik erwten voor 19 cent heeft elke peul uit eigen teelt het nakijken.

    Tuinen én wildernis

    Maar met de ecologische crises faalt nu ook de kapitalistische utopie van de grenzeloze groei die de agrarische concerns en investeerders een tijdlang op kosten van de natuur in de schoot geworpen kregen. Daarom groeit het verlangen naar een nieuwe visie met inbegrip van concrete verwachtingen en praktische stappen om de ecologische crises te overwinnen – die dan niet meer zo volkomen verlammend lijken. Naar een nieuwe, toch al redelijk concrete paradijsutopie van diversiteit op kleine schaal. Bedenkingen daartegen komen van natuurbeschermers: het Paradijs in de Bijbelse metafoor is nu juist niet door de mens ontworpen. In plaats van meer tuinen zou er vooral meer wildernis moeten zijn. Meer onbebouwde grond voor – al naar gelang – goddelijke of ‘ongerepte’ natuur.

    Max Planck-onderzoeker Jürgen Renn is zo’n man met bezwaren: door zich over de hele wereld te vestigen, door de aarde uit te putten en technologisch te transformeren heeft de mens allang een nieuwe aardatmosfeer gecreëerd die ‘haar natuurlijkheid verloren’ heeft en waarbij ‘de planeet zelf tot tuin gemaakt’ is.

    En dus moet de machtigste soort, de mens, allebei herscheppen: tuin én wildernis.

    Over één punt zijn alle betrokkenen bij de opkomende tuinbeweging het eens: ze moet steun krijgen vanuit de politiek. Daar zijn veel ideeën over. Zo kan een jaarlijks door de minister van Landbouw uit te brengen verslag met betrekking tot de staat van historische parken en stadsplantsoenen (vergelijkbaar met het Waldbericht van de Duitse regering), publiek de aandacht trekken, schade voorkomen en initiatieven aanmoedigen.

    In Hamburg hebben gemeente, wijkbesturen en ondernemingen zich ondanks de bevolkingsgroei en de bouwhausse contractueel verplicht tot behoud van het stedelijk groen. Düsseldorf heeft een soortenbeschermingsfunctionaris aangesteld, een speciaal contactpunt dat groepen die een stedelijk tuinproject willen opzetten helpt op hun weg door de stedelijke bureaucratie. En natuurlijk helpt geld ook. De federale overheid heeft haar subsidiepot vorig jaar al verdrievoudigd van 300 miljoen euro naar 900 miljoen euro. Het Bundesverband Garten-, Landschafts- und Sportplatzbau vraagt daarbovenop een ‘groen miljard’ voor meer stedelijk groen en klimaatbescherming via het herinrichten van parken.

    Geld helpt om meer deskundig parkpersoneel aan te stellen nu als gevolg van de opwarming van de aarde sterkere onderhoudsinspanningen vereist zijn. Er is ook geld nodig voor onderzoek naar agro-ecologische teeltwijzen – wereldwijd. En met geld zou de landbouwsteun van de EU welbewust de diversiteitslandbouw en de ontwikkeling van een markt hiervoor moeten bevorderen.

    Want eigenlijk is het heel simpel. Decennialang hebben we het landschap kaalgeslagen – nu moeten we het weer inrichten.

  • In 2008 stortte de financiële sector in – ons voedselsysteem wacht hetzelfde lot

    In 2008 stortte de financiële sector in – ons voedselsysteem wacht hetzelfde lot

    We produceren meer voedsel dan ooit, tóch lijden miljoenen mensen honger. Grootschalige voedselproducenten hebben te veel macht en toezichthouders begrijpen nauwelijks wat er aan de hand is. Guardian-columnist George Monbiot klinkt dit akelig bekend in de oren.

    Wetenschappers luiden al een paar jaar koortsachtig de noodklok terwijl regeringen weigeren te luisteren: het wereldwijde voedselsysteem begint te lijken op het wereldwijde financiële systeem in de aanloop naar 2008.

    Een financiële ineenstorting was al verwoestend voor het menselijk welzijn. De ineenstorting van het voedselsysteem zal nog veel verwoestender zijn. Toch nemen de aanwijzingen in rap tempo toe dat er iets heel erg fout gaat. De huidige stijging van de voedselprijzen lijkt het meest recente teken van systemische instabiliteit te zijn.

    Veel mensen gaan ervan uit dat de voedselcrisis wordt veroorzaakt door een combinatie van de pandemie en de invasie van Oekraïne. Dit zijn belangrijke factoren, maar ze zorgen eerder voor verergering van een onderliggend probleem. Jarenlang zag het ernaar uit dat honger zou verdwijnen. Het aantal ondervoede mensen daalde van 811 miljoen in 2005 tot 607 miljoen in 2014. Maar in 2015 begon die trend te keren. Sindsdien nam de honger toe: tot 650 miljoen in 2019, en weer tot 811 miljoen in 2020. Dit jaar zal het aantal waarschijnlijk nog veel hoger liggen.

    Overvloed

    Maar hier is het echt slechte nieuws: dit gebeurde allemaal in een periode van grote overvloed. De wereldvoedselproductie stijgt al meer dan een halve eeuw gestaag en heeft de bevolkingsgroei ruimschoots overtroffen. De tarweoogst was vorig jaar groter dan ooit. Verbazingwekkend genoeg nam het aantal ondervoede mensen toe, precies toen de wereldvoedselprijzen begonnen te dalen. In 2014, toen minder mensen honger leden dan ooit tevoren, stond de mondiale voedselprijsindex op 115 punten. In 2015 daalde deze tot 93 en hij bleef tot 2021 onder de 100.

    Maar de afgelopen twee jaar is de index weer gestegen. De stijging van de voedselprijzen is nu een belangrijke aanjager van de inflatie, die vorige maand in het Verenigd Koninkrijk 9 procent bereikte. Voedsel wordt onbetaalbaar, zelfs voor veel mensen in rijke landen. De gevolgen in armere landen zijn nog veel erger.

    Wat is er aan de hand? Welnu, mondiaal voedsel is, net als mondiale financiën, een complex systeem dat spontaan ontstaat uit miljarden interacties. Complexe systemen hebben contraintuïtieve eigenschappen. Ze zijn veerkrachtig onder bepaalde omstandigheden, omdat ze worden gestabiliseerd door hun zelforganiserende eigenschappen. Maar als de druk blijft toenemen, beginnen diezelfde eigenschappen het netwerk te verstoren. Boven een bepaald punt kan een kleine verstoring het hele systeem over een kritische drempel tillen, waardoor het plotseling en onvermijdelijk ineenstort.

    Volgens een schatting controleren slechts vier bedrijven 90 procent van de wereldgraanhandel

    We weten inmiddels genoeg over systemen om te voorspellen of ze veerkrachtig of kwetsbaar zijn. Wetenschappers stellen complexe systemen voor als een netwerk van knooppunten en verbindingen. De knooppunten zijn als de knopen in een ouderwets net; de verbindingen zijn de touwtjes ertussen. In het voedselsysteem behoren bedrijven die graan, zaaigoed en landbouwchemicaliën verhandelen tot de knooppunten, evenals de belangrijkste exporteurs en importeurs en de havens waarvandaan het voedsel wordt doorgevoerd. De verbindingen worden gevormd door commerciële en institutionele relaties.

    Als de knooppunten zich op uiteenlopende manieren gedragen en hun onderlinge verbindingen zwak zijn, is het systeem waarschijnlijk veerkrachtig. Maar als bepaalde knooppunten gaan domineren, zich op gelijke wijze gaan gedragen en sterk met elkaar verbonden zijn, dan is het systeem waarschijnlijk kwetsbaar. Bij de aanpak van de crisis in 2008 ontwikkelden de grote banken overeenkomstige strategieën en manieren om risico’s te beheren, omdat zij aasden op dezelfde winstbronnen. Ze raakten sterk met elkaar verbonden op manieren die regelgevers nauwelijks begrepen. Met als gevolg dat toen Lehman Brothers failliet ging, iedereen ten onder dreigde te gaan.

    Kwetsbaar

    Dat is dus waarom het angstzweet uitbreekt bij ieder het mondiale voedselsysteem bestudeert. Net als in de financiële wereld in de jaren 2000, zijn de belangrijkste knooppunten in het voedselsysteem de afgelopen jaren opgezwollen, hun onderlinge banden zijn sterker geworden, bedrijfsstrategieën zijn naar elkaar toegegroeid en gesynchroniseerd, en de kenmerken die een systeeminstorting zouden kunnen verhinderen (‘redundantie’, ‘modulariteit’, ‘stroomonderbrekers’ en ‘reservesystemen’) zijn verdwenen. Zo wordt het systeem blootgesteld aan verstoringen die wereldwijd doorwerken.

    Volgens een schatting controleren slechts vier bedrijven 90 procent van de wereldgraanhandel. Diezelfde bedrijven hebben zich ingekocht in zaaigoed, chemicaliën, verwerking, verpakking, distributie en detailhandel. In achttien jaar tijd is het aantal handelsverbindingen tussen exporteurs en importeurs van tarwe en rijst verdubbeld. Landen ontwikkelen zich nu verder tot superimporteurs en superexporteurs. Veel van de handel passeert kwetsbare knelpunten, zoals de Turkse Zeestraten (nu geblokkeerd door de Russische invasie in Oekraïne), het Suez- en het Panamakanaal en de Straat van Hormuz, van Bab el-Mandeb en van Malakka.

    Slechts vier gewassenzijn goed voor bijna 60 procent van de calorieën die door boeren worden verbouwd

    Een van de snelste culturele verschuivingen in de geschiedenis van de mensheid was die naar een ‘Global Standard Diet‘: ons voedsel is plaatselijk diverser geworden, maar wereldwijd is het juist minder divers. Slechts vier gewassen – tarwe, rijst, maïs en soja – zijn goed voor bijna 60 procent van de calorieën die door boeren worden verbouwd. De productie van deze gewassen is nu sterk geconcentreerd in een paar landen, waaronder Rusland en Oekraïne. Deze Global Standard Diet-producten worden verbouwd door Global Standard-boerderijen, die worden bevoorraad door dezelfde bedrijven met dezelfde pakketten zaden, chemicaliën en machines, en ze zijn onderhevig aan dezelfde milieuschokken.

    De voedingsindustrie raakt nauw verweven met de financiële sector, en dat leidt tot een toename van wat wetenschappers de ‘netwerkdichtheid’ van het systeem noemen, waardoor het vatbaarder wordt voor cascading failure, ofwel opeenvolgende verstoringen door een domino-effect. Overal ter wereld zijn handelsbarrières geslecht en wegen en havens gemoderniseerd, waardoor het mondiale netwerk is gestroomlijnd. Je zou denken dat dit soepele systeem de voedselzekerheid ten goede zou komen. Integendeel: het heeft bedrijven in staat gesteld de kosten van opslag te ontlopen door in plaats van voorraden aan te leggen, te vertrouwen op een constante stroom van producten. Meestal werkt deze lastminutestrategie. Maar als de leveringen worden onderbroken of de vraag plotseling toeneemt, kunnen de schappen plotseling leeg raken.

    Een artikel in Nature Sustainability meldt dat in het voedselsysteem ‘de hoeveelheid verstoringen in de loop der tijd op een wereldwijde schaal is toegenomen, zowel op land als op zee’. Tijdens onderzoek voor mijn boek Regenesis kwam ik tot de ontdekking dat deze escalerende reeks van ‘besmettelijke schokken’, die wordt verergerd door financiële speculatie, de wereldwijde honger heeft aangewakkerd.

    Ecologische crises

    Nu moet het wereldvoedselsysteem niet alleen zijn interne zwakheden zien te overleven, maar ook de ecologische en politieke crises die op elkaar in kunnen werken. Om een recent en actueel voorbeeld te geven: midden april suggereerde de regering van India dat zij het tekort in de wereldwijde voedselexport als gevolg van de Russische invasie in Oekraïne zou kunnen aanvullen. Maar amper een maand later werd de uitvoer van tarwe uit India verboden als gevolg van een verwoestende hittegolf waardoor de oogsten waren verschrompeld.

    We moeten de mondiale voedselproductie dringend diversifiëren, niet alleen geografisch maar ook wat betreft gewassen en landbouwtechnieken. We moeten de greep van grote bedrijven en financiële speculanten doorbreken. We moeten reservesystemen in het leven roepen en op een heel andere manier voedsel gaan produceren. We moeten reservecapaciteit introduceren in een systeem dat bedreigd wordt door zijn eigen efficiëntie.

    Als zovelen honger kunnen lijden in een tijd van ongekende overvloed, dan moeten we er niet aan denken wat grote mislukte oogsten als gevolg van klimaatverandering kunnen veroorzaken. Het systeem moet veranderen.

    Lees ook:

  • Gokken met graan: hoe westerse speculanten verdienen aan honger in Afrika

    Gokken met graan: hoe westerse speculanten verdienen aan honger in Afrika

    Amerikaanse en Europese handelaren proberen hoge winsten te behalen met tarwespeculatie. De wereldwijde voedselprijzen zijn dan ook nog nooit zo hoog geweest. Met als gevolg dat miljoenen mensen verhongeren.

    Egypte importeert het grootste deel van zijn tarwe. De explosie van de broodprijs in 2011 zorgde voor protesten die uiteindelijk de regering omver zouden werpen. In april van dit jaar kocht de Egyptische staat 350.000 ton tarwe voor 450 dollar per ton, 427 euro. In februari was dat nog 252 dollar voor tarwe van dezelfde kwaliteit.

    In die tussenliggende twee maanden viel Rusland Oekraïne binnen. Beide landen behoren tot ’s werelds belangrijkste graanproducenten. Sancties en oorlog betekenen minder graan. Maar andere landen zijn in het gat gesprongen en verbouwen nu meer graan. Dus er moeten andere factoren in het spel zijn die de prijs van graan en andere basisvoedingsmiddelen opdrijven.

    Onderzoek door de Europese non-profitorganisatie voor onderzoeksjournalistiek Lighthouse Reports, waar The Continent aan deelnam, wijst uit dat een van de belangrijkste oorzaken van de hoge voedselprijzen ongebreidelde speculatie is. Enkele investeerders hebben handig gebruik gemaakt van de mazen in de Europese en Amerikaanse wetgeving.

    Meer voedsel maar hogere prijzen

    Volgens de FAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, zijn de voedselprijzen gemiddeld een derde hoger dan vorig jaar. Ze liggen zelfs op het hoogste niveau sinds de organisatie in 1990 de gegevens begon bij te houden. Het Wereldvoedselprogramma verwacht dat hun voedselkosten dit jaar met 50 procent zullen stijgen. Alleen al in West-Afrika nemen die kosten dit jaar toe met 136 miljoen dollar.

    GettyImages 1395731677

    Een officier van het Oekraïense leger inspecteert een graanopslagplaats die door Russische troepen werd beschoten nabij de
    frontlinies van Cherson in Novovorontsovka, Oekraïne. – © John Moore/Getty Images

    Dit is de derde voedselprijzencrisis in vijftien jaar. Een stijging van de voedselprijzen met 1 procentpunt zorgt er volgens de Wereldbank voor dat het aantal mensen dat in extreme armoede leeft met zo’n 10 miljoen toeneemt. Opmerkelijk genoeg is de wereldvoedselproductie in diezelfde vijftien jaar juist toegenomen. Wereldwijd is er momenteel ongeveer een derde meer graan voorradig dan nodig is om iedereen te voeden. En dat ondanks politieke instabiliteit en klimaatverandering.

    Een aanwijzing voor wat er aan de hand is, komt van de Parijse markt voor maaltarwe, de grootste graanmarkt in Europa. In 2018 was ongeveer een kwart van de voedselcontracten op deze markt gericht op speculatie. Dat aantal is inmiddels verdrievoudigd tot driekwart.

    Een gezonde mate van speculatie stelt landbouwers en graankopers in staat om hun risico’s af te dekken

    Deze markten maken het mogelijk om de toekomstige voedselvoorraad nu al te verkopen. Gewoonlijk verwacht een boer aan het eind van het seizoen een bepaalde hoeveelheid tarwe te oogsten. Een molenaar gaat ermee akkoord om zijn graan tegen een bepaalde prijs te kopen. De boer krijgt geld en kan zo betalen voor kunstmest en alle andere zaken die hij nodig heeft voor het verbouwen van het graan. Uiteindelijk wordt de tarwe geleverd. Maar aan deze gang van zaken is een risico verbonden. Gewassen kunnen mislukken. Oorlogen kunnen uitbreken. Een recordoogst kan tot een prijsval leiden.
    Om dat risico te beheersen kan de molenaar zijn contract voor de hoeveelheid graan verkopen op de termijnmarkt, de markt voor zogenoemde futures. En daar kunnen speculanten opduiken: een investeerder die meteorologische patronen of vraagcycli bestudeert en die erop gokt dat de prijs zal stijgen tegen de tijd van de oogst, koopt dan het contract van de molenaar. Een gezonde mate van speculatie stelt landbouwers en graankopers in staat om hun risico’s af te dekken en hun inkomens minder wisselvallig te maken dan het weer.

    Als een zogenaamde hefboom tegen inflatie hebben institutionele beleggers sinds de millenniumwisseling steeds meer geïnvesteerd in de futuresmarkten voor grondstoffen
    Maar speculatie kan ook te ver gaan. Als er ‘buitensporig’ veel wordt gespeculeerd, kan de stijgende vraag van speculanten die proberen te profiteren van een voorspelde prijsstijging de prijzen van futures dermate doen stijgen dat deze niet meer worden bepaald door vraag en aanbod van het voedsel zelf. En omdat de prijzen van futures worden gebruikt als maatstaf voor de werkelijke tarweprijzen, heeft dit invloed op de prijs van levensmiddelen.

    Vraag en aanbod zijn dan niet langer de belangrijkste arbiters voor de prijs

    Dergelijke speculatie betekent dat een ander soort logica wordt losgelaten op de kosten van levensmiddelen. Als een zogenaamde hefboom tegen inflatie hebben institutionele beleggers zoals pensioenfondsen sinds de millenniumwisseling steeds meer geïnvesteerd in de futuresmarkten voor grondstoffen. Volgens deskundigen betekent dit dat de prijs van futures wordt gedicteerd door hun investeringsbeslissingen, die niets te maken hebben met fundamentele marktontwikkelingen.

    Normaal gesproken wordt voedsel gekocht in de verwachting dat het daarna met winst kan worden doorverkocht. Hoe meer voedsel er is, hoe goedkoper het wordt en des te minder winst er wordt gemaakt. Dat betekent dat voedselprijzen geleidelijk van jaar tot jaar veranderen doordat droogte en overstromingen wereldwijd worden afgewisseld met recordoogsten. Maar door te veel speculatie van beleggers die voedsel als handelswaar beschouwen, verandert dat. Vraag en aanbod zijn dan niet langer doorslaggevend voor de prijs. In de afgelopen vijftien jaar heeft dit ertoe geleid dat de voedselprijzen schommelden, terwijl het mondiale aanbod ondertussen stabiel bleef.

    ‘Gokken op honger’

    In gesprek met het consortium van nieuwsredacties zei Olivier De Schutter, de speciale VN-rapporteur voor extreme armoede en mensenrechten en medevoorzitter van het internationale panel van deskundigen inzake duurzame voedselsystemen, dat bepaalde fondsen ‘gokken op honger, waardoor de honger verergert’. Tussen januari en april werd ten minste 1,3 miljard dollar gestort in twee van die fondsen onder beheer van Teucrium en Invesco; 589 miljoen dollar daarvan kwam in de eerste week van maart binnen. Ter vergelijking: vorig jaar brachten ze 200 miljoen dollar op. De vraag naar aandelen in Teucrium explodeerde en The New York Times meldde dat er geen aandelen meer beschikbaar waren voor mensen die wilden meeprofiteren.

    Afgelopen oktober schreef de tarwefondsmanager van Teucrium op de website van het bedrijf: ‘Terwijl voedselinflatie de wereldeconomie negatief dreigt te beïnvloeden, kunnen goed geïnformeerde beleggers mogelijk profiteren van een trend van stijgende prijzen.’ In een rapport over voedselprijzen dat deze week werd gepubliceerd wijst het panel voor voedselsystemen van De Schutter erop dat de hoge prijzen worden opgedreven door ‘roofzuchtige financiers die weddenschappen afsluiten op voedsel’ en ‘gokken met voedselprijzen’.

    In reactie op de vragen van het consortium zei Teucrium slechts: ‘Investeringsstromen op het gebied van grondstoffen stimuleren de productie, de efficiëntie en de investeringen, wat uiteindelijk resulteert in een betrouwbaarder aanbod van basis(voedsel)producten en verminderde prijsschommelingen op termijn.’

    In Congo verkeren 21 miljoen mensen in een voedselcrisis en nog eens 7 miljoen in een noodsituatie

    Invesco wees extreem weer aan als aanjager van prijsschommelingen en zei: ‘Fundamentele economische factoren zoals marktvraag en aanbodvoorwaarden, bieden de meest consistente verklaring voor de recente prijsontwikkelingen van grondstoffen.’

    Deze week verscheen het zesde Global Report on Food Crises, een samenwerkingsverband van organisaties zoals het Wereldvoedselprogramma. Uit dit rapport blijkt dat van de 90 miljoen mensen in de Democratische Republiek Congo er bijna 21 miljoen zijn die kunnen worden geclassificeerd als ‘verkerend in een voedselcrisis’. Dat houdt in dat mensen maaltijden overslaan en al hun spaargeld moeten aanspreken om te kunnen eten. Nog eens 7 miljoen mensen verkeren in een noodsituatie, wat betekent dat mensen sterven van de honger. De verwachting is dat de stijgende voedselprijzen de honger dit jaar nog zullen verergeren, vooral in Noord-Nigeria, Burkina Faso, Niger, Kenia, Zuid-Soedan en Somalië.

    In de tussentijd profiteert een kleine minderheid en lijden nog veel meer mensen honger
    Het effect van voedselspeculatie op de stijging van de voedselprijzen is niet volledig duidelijk, want de voornamelijk westerse markten die gokken met de mogelijkheid van mensen om hun gezin te voeden, zijn niet verplicht hun gegevens in detail te overleggen.

    Toen zich in 2007 een soortgelijke crisis rond de voedselprijzen voordeed, kwamen regelgevers in Europa en de Verenigde Staten in actie. Maar de industrie reageerde door intensief te lobbyen en rechtszaken aan te spannen. De regelgeving die aanvankelijk al zwak was, werd in 2020 nog verder afgezwakt. Het gevolg daarvan is dat voedsel duurder wordt en er weinig mogelijkheden zijn om dat tegen te gaan. In de tussentijd profiteert een kleine minderheid en lijden nog veel meer mensen honger.

    Lees ook: