Tag: werk

  • Het tijdperk van extreem goedkope spullen uit Azië is voorbij

    Het tijdperk van extreem goedkope spullen uit Azië is voorbij

    Fabrieken in heel Azië hebben moeite om jonge werknemers aan te trekken. Het geglobaliseerde productiemodel dat de verkoop van goedkope goederen over de hele wereld mogelijk maakte, is daardoor niet meer in stand te houden.

    De werkplek heeft ramen van de vloer tot het plafond, een café waar matcha wordt geserveerd en er zijn gratis yoga- en danslessen. Werknemers komen bij elkaar tijdens maandelijkse teambuildingsessies en om bier te drinken, te karten of te bowlen. Dit is niet Google. Dit is een kledingfabriek in Vietnam. 

    Azië, de werkplaats van de wereld en de bron van veel van de spullen die Amerikanen kopen, loopt tegen een groot probleem aan: de meeste jonge mensen willen niet in een fabriek werken. Daarom probeert deze kledingfabriek de werkvloer aantrekkelijker te maken. Ondertussen gaan er alarmbellen rinkelen bij westerse bedrijven die erop vertrouwen dat de goedkope arbeidskrachten uit deze regio betaalbare consumptiegoederen produceren. 

    ‘Iedereen wil instagrammer, fotograaf of stylist zijn, of in een café werken’

    De nadagen van de ultragoedkope Aziatische fabrieksarbeid zijn begonnen. Het is de nieuwste uitdaging voor het geglobaliseerde productiemodel, dat de afgelopen drie decennia een breed scala aan goedkoop gefabriceerde goederen voor consumenten over de hele wereld mogelijk maakte. Amerikanen die gewend zijn aan goedkope mode en flatscreens zullen binnenkort wellicht te maken krijgen met hogere prijzen.

    ‘Nergens ter wereld kun je wat dat betreft nog krijgen wat je wil,’ zegt Paul Norriss, de Britse medeoprichter van de Vietnamese kledingfabriek UnAvailable in Ho Chi Minhstad. ‘Mensen zullen hun consumentengedrag moeten aanpassen, en dat geldt ook voor merken.’

    Trainingsprogramma

    Werknemers van in de twintig, traditioneel gezien de arbeidskrachten in de kledingindustrie, stoppen vaak voortijdig met het trainingsprogramma van zijn bedrijf, zegt Norriss. En degenen die blijven, werken er vaak maar een paar jaar. Norriss hoopt dat het aantrekkelijker maken van de werkplek het verschil zal gaan maken. ‘Iedereen wil instagrammer, fotograaf of stylist zijn, of in een café werken,’ zegt hij.

    Als gevolg van de crisis hebben Aziatische fabrieken de lonen moeten verhogen en soms dure strategieën moeten toepassen om hun werknemers te behouden: van het verbeteren van het aanbod in kantines tot het realiseren van crèches voor de kinderen van werknemers. 

    Ook Nike gaf in juni aan dat de productiekosten zijn gestegen door de hogere arbeidskosten

    Speelgoedfabrikant Hasbro zei eerder dit jaar al dat het tekort aan arbeidskrachten in Vietnam en China de kosten heeft opgedreven. Barbiefabrikant Mattel, die een grote productiebasis heeft in Azië, worstelt ook met stijgende loonkosten. Beide bedrijven hebben de prijzen van hun producten verhoogd. Ook Nike, dat de meeste van zijn schoenen in Azië maakt, gaf in juni aan dat de productiekosten zijn gestegen door de hogere arbeidskosten. 

    ‘Amerikaanse consumenten die altijd gewend zijn geweest aan min of meer vaste prijzen voor bepaalde producten zullen zich moeten instellen op een nieuwe situatie,’ zegt de Londense econoom Manoj Pradhan, coauteur van The Great Demographic Reversal.

    Generatieprobleem

    Vanaf de jaren negentig werden China en andere Aziatische productiecentra onderdeel van de wereldeconomie, waardoor landen met arme boeren veranderden in grootmachten op productiegebied. Duurzame goederen zoals koelkasten en sofa’s werden goedkoper. Maar nu stuiten deze productielanden op een generatieprobleem. Jongere werknemers, die beter opgeleid zijn dan hun ouders en ervaring hebben met Instagram, TikTok en andere sociale media, vinden dat hun werk zich niet binnen fabrieksmuren zou moeten afspelen.

    Demografische verschuivingen spelen daarbij een rol. Jonge mensen in Azië krijgen minder en op latere leeftijd kinderen dan hun ouders, wat betekent dat ze, wanneer ze in de twintig zijn, minder onder druk staan om een vast inkomen te verdienen. Dankzij een bloeiende dienstensector kunnen ze kiezen voor minder slopend werk, als medewerker in een winkelcentrum of als receptionist in een hotel.

    In China is het probleem acuut. De jeugdwerkloosheid in de steden bedroeg daar in juni 21 procent, ook al hebben fabrieken een tekort aan arbeidskrachten. Multinationals hebben hun productie verplaatst van China naar landen als Maleisië, Indonesië, Vietnam en India, maar ook daar zeggen fabriekseigenaren moeite te hebben om jongeren aan te trekken.

    ‘Ik kreeg vaak vervelende opmerkingen van mijn leidinggevenden, waardoor ik gestrest raakte’

    Volgens gegevens van de Internationale Arbeidsorganisatie van de Verenigde Naties zijn de fabriekslonen in Vietnam sinds 2011 meer dan verdubbeld, tot 320 dollar per maand – een drie keer zo hoge stijging als in de VS. In China stegen de fabriekssalarissen van 2012 tot 2021 (de laatste periode waarover gegevens van de VN beschikbaar zijn) met 122 procent. 

    Nguyen Anh Tuan, een 25-jarige Vietnamees, stopte eerder dit jaar als monteur in een fabriek voor auto-onderdelen in een voorstad van Hanoi, om te gaan werken als motorrijder voor Grab, het lokale equivalent van Uber. Hij vervoert passagiers voor een lager uurloon dan hij in de fabriek verdiende, maar zegt dat de verandering de moeite waard is, want nu is hij zijn eigen baas. ‘Ik kreeg vaak vervelende opmerkingen van mijn leidinggevenden, waardoor ik gestrest raakte,’ zegt Tuan over de drie jaar die hij in de fabriek werkte. Hij zou alleen nog verleid kunnen worden tot fabriekswerk als ze zijn vroegere maandsalaris van 400 dollar zouden verdubbelen, zegt hij.

    In het verleden konden fabrikanten hun productie simpelweg naar minder dure bestemmingen verplaatsen, maar tegenwoordig is dat niet meer zo eenvoudig. Veel landen in Afrika en Zuid-Azië met grote hoeveelheden arbeidskrachten zijn politiek instabiel of hebben geen goede infrastructuur of voldoende geschoolde arbeidskrachten. Kledingmerken kregen het zwaar te verduren toen ze hun activiteiten uitbreidden naar Myanmar en Ethiopië, en daar werden geconfronteerd met onlusten en burgeroorlog. Bangladesh is een betrouwbare basis voor de productie van kleding, maar een restrictief handelsbeleid en te grote drukte in de havens verhinderen een verdere ontwikkeling.

    Liever boer

    India heeft een enorme bevolking en bedrijven die op zoek zijn naar alternatieven voor China gaan vaak die kant op. Maar ook in India beginnen fabrieksmanagers te klagen hoe moeilijk het is om jonge werknemers vast te houden. Veel jongeren worden liever boer, gesteund door socialewelzijnsprogramma’s, of verkiezen tijdelijke baantjes in de stad boven het leven in een industrieel centrum met fabrieksslaapzalen. Gediplomeerde ingenieurs verlaten fabrieken voor IT-banen.

    Aziatische fabriekseigenaren proberen de banen aantrekkelijker te maken door onder meer het subsidiëren van crèches en het financieren van technische trainingsprogramma’s. Sommigen verplaatsen hun fabrieken naar landelijke gebieden waar mensen eerder bereid zijn om met hun handen te werken. Dat brengt ze echter wel verder weg van havens en leveranciers, en dwingt ze om zich aan te passen aan het leven op het platteland, waar werknemers vaak tijdens de oogsttijd afwezig zijn. 

    Haar arbeiders zijn grotendeels tussen de veertig en zestig jaar oud en sommigen kunnen niet goed lezen

    Christina Chen, de Taiwanese eigenaar van een meubelbedrijf dat zijn producten verkoopt aan Amerikaanse winkelketens, besloot vier jaar geleden om haar fabriek weg te halen uit het zuiden van China, in de hoop dat het elders makkelijker zou zijn om personeel te werven. Eerst overwoog ze de industriegebieden rond Ho Chi Minhstad, maar ze hoorde vreselijke verhalen over een hoog personeelsverloop en torenhoge lonen.

    In plaats daarvan vestigde ze zich op het platteland van Noord-Vietnam. Haar arbeiders zijn grotendeels tussen de veertig en zestig jaar oud en sommigen kunnen niet goed lezen, zegt ze, waardoor het werk mondeling moet worden uitgelegd, of met visuele demonstraties. Maar het personeel is wel stabieler, zegt ze.

    Ze is blij met de jongere werknemers die wel kunnen lezen. Ze betrekt hen bij de besluitvorming, nodigt ze uit om haar Amerikaanse inkopers te ontmoeten die langskomen en laat hen foto’s zien van hun tafels en stoelen in Amerikaanse winkels. Haar bedrijf, Acacia Woodcraft Vietnam, is gedeeltelijk geautomatiseerd, zegt ze, maar voor veel taken is nog steeds menselijk vakmanschap nodig. 

    Tegenwoordig is de gemiddelde werknemer van Nike in China 40 jaar en in Vietnam 31

    Het arbeidslandschap zag er twintig jaar geleden heel anders uit, toen je om werknemers te vinden alleen maar de fabriekspoorten hoefde te openen en de arbeiders op de fiets binnenstroomden. In 2001 meldde Nike dat ruim 80 procent van zijn fabrieksarbeiders in Azië werkte en dat de gemiddelde arbeider 22 jaar oud was, alleenstaand en opgegroeid op het platteland. Tegenwoordig is de gemiddelde werknemer van Nike in China 40 jaar en in Vietnam 31, mede doordat de Aziatische landen snel vergrijzen.

    Extra trainingen

    Maxport Limited Vietnam, een toeleverancier van Nike die in 1995 werd opgericht, heeft de strijd om werknemers zien toenemen. Bij de fabrieken van dit bedrijf schijnt nu zonlicht door de ramen en Maxport heeft duizenden planten en bomen geplant. Het bedrijf geeft jonge werknemers extra trainingen, zodat ze kunnen doorgroeien tot supervisor. Toch heeft het moeite om jonge mensen aan te trekken. Het is gestopt met een trainingsprogramma voor jongeren die net van de middelbare school komen, deels omdat maar weinigen van hen daarna een baan accepteerden, zegt senior complianceofficer Do Thi Thuy Huong. Ongeveer 90 procent van de werknemers van Maxport is dertig jaar of ouder.

    Lovesac, een meubelfabrikant in Connecticut, zegt dat zijn personeelsbestand in China aan het vergrijzen is en dat het moeilijker is geworden om jongere werknemers te vinden om vacatures in te vullen. Directeur Shawn Nelson zegt dat jongeren uit landen als China en Vietnam, die tegenwoordig smartphones hebben en in contact staan met de rest van de wereld, minder interesse hebben in fabriekswerk. ‘Als ze eenmaal de Kardashians kunnen zien, willen ze dat werk niet meer doen,’ zegt hij. ‘Dan werken ze liever in een winkel.’ 

    ‘Als ze eenmaal de Kardashians kunnen zien, willen ze dat werk niet meer doen’

    Het bedrijf is van plan om een aantal activiteiten naar de VS te verplaatsen. Later dit jaar wil het beginnen met de productie van stoelen in een geautomatiseerde fabriek in North Carolina.

    Aziatische fabrieken die automatiseren hebben veel moeite om werknemers te vinden die de geavanceerde machines kunnen bedienen. Managers zeggen dat er niet genoeg jongeren zijn die geïnteresseerd zijn in werktuigbouwkunde, en dat degenen die dat wel zijn voor andere beroepen kiezen.

    Abhyuday Jindal, directeur van Jindal Stainless, een Indiase fabrikant van roestvrij staal, zegt dat werknemers uit generatie Z zich aangetrokken voelen tot de IT-sector en dat de meesten van hen ‘op zoek gaan naar een kantoorbaan, ook als ze worden aangenomen voor een technische functie’.

    Fabrieken ‘moeten ofwel meer betalen voor de vaardigheden die ze zoeken, ofwel concessies doen aan de capaciteiten die ze nodig hebben,’ zegt Richard Jackson, directeur van het in Thailand gevestigde wervingsbureau JacksonGrant.

    Uniform

    In Maleisië, een hub voor halfgeleiders en elektronica, laten fabrieken het dragen van een uniform achterwege – daar hebben jonge werknemers een hekel aan – en laten ze hun faciliteiten opnieuw ontwerpen. ‘We proberen onze fabrieken wat sexyer te maken, tussenwanden te openen, meer glas te gebruiken, meer licht binnen te laten, leuke muziek te draaien en een Apple-achtige omgeving te creëren,’ zegt Syed Hussain Syed Husman, voorzitter van de Maleisische werkgeversfederatie, die de fabrikanten vertegenwoordigt.

    Jonge mensen uit ontwikkelingslanden die anders fabriekswerk zouden doen, gaan nu aan de slag in de zorg voor het groeiende aantal ouderen in ontwikkelde landen; ze vullen de gaten op in de vergrijzende beroepsbevolking van die landen. Susi Susanti, een 29-jarige Indonesische, zegt dat ze na haar middelbare school een baan in een fabriek probeerde. Maar de druk die haar managers haar oplegden om sneller te werken, eerst in een elektronicafabriek en daarna in een baan waarbij ze schoenen maakte, beviel haar allerminst. Ze zei tegen haar moeder dat ze iets anders wilde gaan doen.

    Tijdens een zes maanden durende cursus leerde ze de basis van het Mandarijn, en vervolgens ging ze aan de slag als verzorgster van een ouder echtpaar in Taiwan. Haar loon is drie keer zo hoog als wat ze in haar thuisland in de fabrieken verdiende, zegt Susanti, en het is minder vermoeiend. ‘Als het goed gaat met de persoon voor wie ik zorg, kan ik me ontspannen.’ 

    Lees ook:

  • Wat is een ‘goede baan’ nog waard?

    Wat is een ‘goede baan’ nog waard?

    Het mantra ‘als je maar hard werkt, krijg je vanzelf een goede baan’ gaat gezien de onzekerheid op de arbeidsmarkt niet meer op. Volgens deze Britse schrijver moeten we ons daarom minder focussen op werk. ‘Misschien kunnen we onze kinderen helpen hun eigen weg naar “succes” te zoeken.’

    Toen ik een kind was in de relatief zorgeloze jaren negentig van de vorige eeuw, kreeg ik het nodige voor mijn kiezen: vriendschapsproblemen, huiswerk, ruzietjes met broers en zussen en wanstaltige mode . Maar één ding stond als een paal boven water: hoe je het beste uit je leven kon halen.

    Dat werd je in die predigitale dagen bijgebracht door een paar betrouwbare volwassenen: docenten, familieleden en ouders. En die zeiden maar zelden iets anders dan: ‘Volg een goede opleiding, kies een goede baan en beklim de ladder.’ Over het algemeen gold de regel dat als je tussen je kinderjaren en de volwassenheid door de vereiste hoepels sprong, succes en geluk je deel zouden worden.

    Vandaag de dag is het allemaal minder overzichtelijk. De weg naar beoogd succes is bezaaid met valkuilen, en hoe je financiële stabiliteit en potentieel geluk bereikt is minder duidelijk dan voorheen. Huizenprijzen rijzen de pan uit en voor starters is het moeilijker dan ooit om de onroerendgoedmarkt te betreden. De huidige financiële crisis heeft de baanonzekerheid verhoogd en gezien de stijgende pensioenleeftijd is een comfortabel pensioen allerminst gegarandeerd.

    Dus wat staat ons te doen, als ouders? Het lijkt verkeerd om te doen alsof de wereld niet is veranderd, of om onze kinderen aan te moedigen iets na te streven wat in de praktijk misschien onhaalbaar is. Maar als de doelen en dromen die het vuur van hun ambitie moeten aanjagen ontbreken, waar halen ze dan de motivatie vandaan die nodig is om vooruit te komen?

    Roze bril

    Kortgeleden begon mijn dertienjarige dochter zich af te vragen waarom ze naar school moet om vakken te leren die haar toch niet interesseren. Hoe kan ik haar uitleggen dat ze elke dag naar school moet terwijl ze twee jaar geleden nog thuis moest blijven voor haar eigen veiligheid? Hoe kan ik haar duidelijk maken dat ze zonder opleiding misschien geen ‘goede’ baan krijgt, terwijl ik er na mijn eigen ervaringen niet langer zeker van ben hoe een ‘goede baan’ eruit zou moeten zien? Is dat een baan die een hoger inkomen oplevert? Of persoonlijke voldoening? Zullen, met AI aan de horizon, banen waarin ze mogelijk geïnteresseerd is over vijf jaar überhaupt nog wel bestaan? En bovendien, hoe kan ze zelfs maar naar de toekomst kijken als we in allerijl op een klimaatramp afstevenen en er vlak bij huis een oorlog woedt?

    In mijn eigen kinderjaren was mijn enige echte nieuwskennis afkomstig van het brave Britse jeugdjournaal. Het was zó beperkt, dat toen een klasgenootje me vertelde dat haar vader tijdens de Golfoorlog als piloot naar Bagdad was vertrokken, ik er gewoon van uitging dat vaders daar nu eenmaal soms naartoe gingen. Hoewel mijn kinderen over het algemeen geen nieuws lezen of zien, sijpelt er toch op de een of andere manier iets door. (‘Ik haat die bullebak!’ merkte mijn zoon kortgeleden op terwijl hij naar een scherm in een afhaalrestaurant keek. Ik wilde hem net de les lezen, totdat ik me omdraaide en zag dat hij het over Kim Jong-un had.)

    Maar misschien moet ik die roze bril waardoor ik naar mijn eigen kinderjaren kijk eens afzetten. Ja, er werd me een gevoel van stabiliteit gegeven, maar aan het advies dat voor iedereen zou gelden, had ik steeds minder naarmate ik ouder werd. Na acht jaar lesgeven kreeg ik een totale burn-out en begon een nieuw leven in Frankrijk. Dit hielp me mijn idee van ‘succes ’opnieuw te definiëren.

    Ik leerde dat een baan nooit boven je geestelijke gezondheid gaat; dat geld, hoe aantrekkelijk ook, niet alle problemen oplost. Naar Frankrijk verhuizen, waar de onroerendgoedprijzen lager zijn, gaf me financiële ademruimte, en ik was in staat een carrière als freelancer op te bouwen. Dat heeft verbluffend goed uitgepakt: ik doe nu wat ik leuk vind, bepaal mijn eigen werktijden en lijd nooit meer aan de ‘zondagavondstress’ die de laatste uren van mijn weekend placht te vergallen.

    Een goede opleiding is nog altijd van het allergrootste belang, maar dat geldt ook voor relaties, vrije tijd, sport en begrip voor de wereld om je heen

    Mijn vijf kinderen zijn allemaal hier geboren, ze hebben nooit meegemaakt dat hun ouders bij het krieken van de dag verdwenen en tot diep in de nacht proefwerken nakeken. In plaats daarvan zien ze hun vader maar zelden zonder penseel en hun moeder er lustig op los typen op de computer in haar werkkamer thuis (wat ze niet als ‘werk’ beschouwen omdat ik voor een scherm zit). Ik laat liever zien wat een evenwichtig en gelukkig leven is dan dat ik mijn kinderen van stabiele, onwrikbare toekomstadviezen voorzie die waarschijnlijk toch niet langer opgaan.

    Daar komt nog bij dat niet alle veranderingen per definitie slecht zijn: banen worden flexibeler en jongere generaties zetten vraagtekens bij het idee dat werk voor alles gaat. Belangrijk is ook dat hoewel er misschien meer beren op de weg naar rijkdom zijn, het niet langer taboe is om over geestelijk welzijn te praten en dat voorrang te geven. (Toen ik op mijn vierentwintigste in de ziektewet ging met een depressie, bood mijn arts aan iets anders op het formulier te zetten zodat ik niet gestigmatiseerd zou raken.)

    Misschien ben ik nu in staat een beter toekomstbeeld voor te spiegelen dan het smalle weggetje naar een ‘goed leven’ dat me in mijn eigen kinderjaren werd voorgespiegeld. Misschien kan ik mijn kinderen leren dat ze niet vanuit een teruggetrokken bestaan naar financieel succes moeten streven, maar moeten bedenken wat het betekent om voldaan en tevreden te zijn en volledig je draai te vinden. Een goede opleiding is nog altijd van het allergrootste belang, maar dat geldt ook voor relaties, vrije tijd, sport en begrip voor de wereld om je heen.

    Welke weg je precies moet volgen is niet langer duidelijk, maar wellicht zijn de valkuilen minder diep dan gedacht. Misschien leiden er meer wegen naar Rome, die bij een ander soort leven passen, met andere doelen en andere maatstaven. En misschien kunnen we onze kinderen helpen hun eigen weg naar ‘succes’ te zoeken, een weg die niet alleen naar een mooie carrière leidt maar ook naar voldoening, veiligheid, geestelijk welzijn en een prettig leven.

  • Te weinig kansen, te veel lockdowns – waarom Chinese jongeren het land massaal verlaten

    Te weinig kansen, te veel lockdowns – waarom Chinese jongeren het land massaal verlaten

    Veel jonge en goed opgeleide mensen zien voor zichzelf in China geen toekomst meer, maar de regering van het land wil een exodus hoe dan ook voorkomen. ‘De laatste tijd krijgt bijna niemand meer een paspoort.’

    Luister dit artikel:

    Ya Dong* ging drie jaar geleden voor het eerst naar Chiang Mai, in het noorden van Thailand. Hij wilde zich laten informeren over de scholen daar. ‘Toen zaten er in de meeste klassen één of twee Chinese kinderen,’ vertelt Ya in een videogesprek, ‘nu zijn dat er gemiddeld acht tot tien per klas.’ Thailand is momenteel bij Chinese gezinnen erg in trek.

    Ya Dong, geboren en getogen in Nanjing, in het oosten van China, is in maart met zijn vrouw en hun twee dochters naar Chiang Mai verhuisd. De meisjes zijn vijf en tien jaar en gaan daar naar de internationale school. Ze krijgen les in het Engels en kunnen zich daar inmiddels goed in redden. De voornaamste reden voor het besluit van het gezin om China de rug toe te keren, was het onderwijssysteem. ‘Te veel examens, te veel huiswerk en te veel druk,’ zegt Ya. In Thailand is het schoolleven veel minder stressvol, maar de kinderen leren er niet minder om.

    Wegrennen als filosofie

    Meer en meer Chinezen doen hetzelfde als Ya Dong en zijn gezin. Omdat ze ontevreden zijn over de situatie in China zoeken ze naar manieren om hun vaderland te verlaten en in het buitenland een nieuw bestaan op te bouwen. De redenen variëren van snel stijgende kosten van levensonderhoud, slechtere werk- en carrièremogelijkheden en de druk in het onderwijssysteem tot de steeds beperktere ontplooiingsmogelijkheden sinds staats- en partijleider Xi Jinping in China aan het roer staat. Toen eind vorig jaar ook nog de omikronvariant van het coronavirus in China arriveerde en de autoriteiten steeds vaker grootschalige lockdowns oplegden, kreeg de trend een extra impuls.

    Op 3 april benadrukte de centrale regering in Beijing nogmaals dat zij onder alle omstandigheden zal vasthouden aan haar zerocovidbeleid. Die dag steeg het aantal zoekopdrachten met de term ‘emigratie’ op het Chinese internet met 440 procent. Het technologiebedrijf Tencent meldde dat het aantal zoekopdrachten met ‘voorwaarden om naar Canada te verhuizen’ in de week van 28 maart tot 3 april met 2846 procent toenam. Canada is voor Chinezen een populaire emigratiebestemming. Inmiddels heeft internetportaal Baidu de functie uitgeschakeld waarmee je het aantal zoekopdrachten over het onderwerp ‘emigratie’ kunt inzien.

    ‘We maakten ons grote zorgen over onze vrienden in Shanghai, omdat we zagen dat de voedselvoorziening niet functioneerde’

    Vrijwel tegelijk met de enorme toename van het aantal zoekopdrachten hadden de plaatselijke autoriteiten van Shanghai een lockdown afgekondigd voor de 26 miljoen inwoners van de stad. Ya Dong en zijn gezin hebben de ontwikkelingen vanuit Chiang Mai gevolgd. ‘We maakten ons grote zorgen over onze vrienden in Shanghai,’ zegt hij, ‘omdat we zagen dat de voedselvoorziening niet functioneerde.’ Ze zijn blij dat ze niet meer in China wonen. ‘Hier hebben we iedere dag zo’n duizend nieuwe besmettingen, maar we leven met het virus.’ Nog maar weinig Thai dragen een mondkapje.

    Veel jonge, internationaal georiënteerde Chinezen denken er net zo over als Ya Dong. Sommigen zeggen dat ze aanhangers zijn van de ‘Run-filosofie’. Die term is gebaseerd op het Engelse run in de zin van ‘wegrennen’. In het Chinees wordt dat geschreven met het karakter dat precies hetzelfde klinkt als ‘vochtig’ of ‘glibberig’. Daarmee proberen de aanhangers van de Run-filosofie aan de strenge censuur te ontkomen. Ze hebben ook een map aangemaakt op het Amerikaanse ontwikkelaarsplatform GitHub; die site is eigenlijk bedoeld om programmeurs samen aan opensourceprojecten te laten werken. Run-aanhangers gebruiken GitHub echter als forum; de site heeft 17.800 gebruikers. Onderwerpen die worden besproken zijn: waarom wegrennen? Waarheen? En hoe kan wegrennen tot ‘basisovertuiging van de nieuwe Chinezen’ worden gemaakt?

    De Run-map werd half april geopend, toen de kritiek op de lockdown in Shanghai haar hoogtepunt bereikte. In de rijkste stad van China werd honger geleden, tienduizenden mensen werden naar mensonwaardige quarantainekampen gestuurd en sommigen overleden nadat ziekenhuizen hen niet wilden opnemen omdat ze geen groene QR-code hadden. Kritiek daarop werd in China snel van de sociale media verwijderd, maar op het Run-forum ging de discussie gewoon door. Op andere pagina’s delen aanhangers de meest recente informatie over emigratie. Hoe kom je aan een verblijfsvergunning in Luxemburg? Wat zijn de goedkoopste universiteiten daar? En hoe hoog zijn de kosten van levensonderhoud in Zwitserland?

    Het zijn vragen die ook Jasmine*, een vrouw van midden dertig, bezighouden. Al voor de pandemie had zij het moeilijk met haar land. Bijvoorbeeld, net als Ya Dong, met het onderwijssysteem, dat maar één doel kent: kinderen naar goede universiteiten krijgen. ‘Dingen waarvoor ze een passie hebben, krijgen de kinderen niet te leren. Ze leren alles alleen maar uit het hoofd. Waarden als respect, menselijkheid en moraal spelen geen rol. In plaats daarvan: een goed geheugen, rijke ouders, probleem opgelost,’ zegt ze. De Zuid-Chinese stad Shenzhen, waar Jasmine woont, is anders, geloofde ze. Door een zeker liberalisme werd de metropool vlak bij Hongkong de succesvolste ‘speciale economische zone’ van het land. Dat trok ook buitenlanders aan: Amerikanen, Serviërs, Brazilianen en Russen. ‘Ik heb zonder op reis te hoeven gaan veel mensen uit de hele wereld ontmoet,’ zegt Jasmine, die zelf voor een buitenlands techbedrijf werkt. ‘Ik genoot erg van mijn leven in Shenzhen – vroeger.’

    In het derde jaar van de pandemie is ook in Shenzhen het een en ander veranderd. Naar schatting de helft van de buitenlanders heeft China voorgoed verlaten of krijgt geen nieuw inreisvisum om terug te kunnen keren. Veel pubs en westerse restaurants hebben hun deuren moeten sluiten. En de inwoners van Shenzhen zijn blijkbaar minder liberaal dan Jasmine altijd dacht. Dat begon ze tijdens de twee lockdowns dit voorjaar in te zien. Eerst werd haar wijk afgesloten vanwege een handvol coronagevallen. De lockdown zou vier dagen duren, maar werd op het laatste moment met vier dagen verlengd. ‘Nieuwe gevallen waren er niet, en toch moesten we binnenblijven.’

    GettyImages 527190812
    – Chinese propagandaposter: ‘Vaderland, laat me naar de blauwe lucht gaan.’
    © Corbis via Getty Images

    Crises in de geestelijke gezondheid

    Na de lockdown wilden buren van Jasmine, die zich buiten Shenzhen bevonden, terug naar huis. Het buurtbestuur weigerde dat, hoewel de buren zoals voorgeschreven vier dagen achter elkaar negatief waren getest en een groene QR-code in de verplichte covid-app hadden. De buren beschreven hun situatie in de chatgroep van hun flatgebouw en hoopten op hulp, zegt Jasmine. Maar veel bewoners reageerden alleen met: ‘Kom maar niet meer terug.’ Ze waren bang dat de terugkomers op weg naar de stad besmet konden raken. In die tijd werden in deze metropool met 20 miljoen mensen amper meer dan tien nieuwe besmettingen per dag gemeld.

    Toen kort daarop de hele stad in lockdown ging, werd het Jasmine definitief te veel. ‘De meerderheid van de mensen volgt gewoon blindelings de regels zonder zich af te vragen of er misschien een betere oplossing is.’ Het ergert Jasmine bijvoorbeeld dat er veel meer geld wordt uitgegeven aan verplichte tests voor de hele bevolking van de stad dan aan covidvaccinaties. Ze kreeg een paar keer een zenuwinzinking. Uiteindelijk, zegt ze, heeft ze zichzelf heel basale vragen gesteld over hoe haar leven in Shenzhen en China eruit zou zien als zij en haar partner ooit kinderen zouden hebben. Bijvoorbeeld: wat gebeurt er als in de toekomst iedereen blindelings de regels volgt, maar zij en haar gezin het daar niet mee eens zijn? Hoe kun je in zo’n omgeving je kinderen opvoeden tot nieuwsgierige mensen?

    Het aantal aanvragen is de laatste maanden volledig geëxplodeerd

    Daarom hebben Jasmine en haar buitenlandse partner besloten China binnen een jaar te verlaten. Ze ziet drie mogelijke bestemmingen: Singapore, mits ze daar werk vindt, Cyprus, waar ook een paar techbedrijven zitten en waar ze volgens een vriend vrij gemakkelijk naartoe zou kunnen emigreren, of eerst naar Hongkong voor een postdoctorale opleiding om daarna een Hongkongs paspoort te krijgen. Als inwoner van Hongkong zou Jasmine zonder visum naar bijna net zo veel landen kunnen reizen als wanneer ze Zwitserse of Duitse was.

    Een firma die profiteert van Chinezen die willen emigreren is het Ying Zhong Law Office in Beijing. Het is gespecialiseerd in advies over alle aspecten van emigratie. Het aantal aanvragen is de laatste maanden volledig geëxplodeerd, zegt een van de adviseurs aan de telefoon. Ook al is het nu veel moeilijker om te emigreren dan een paar jaar geleden, mogelijkheden zijn er nog steeds.

    De Amerikaanse droom

    Veel Chinezen voelen zich nog altijd aangetrokken tot de Verenigde Staten. De beste vooruitzichten hebben degenen die het eerst met een studentenvisum proberen en daarna een baan in de VS zoeken. Als dat lukt, kan het visum aansluitend worden omgezet in een verblijfsvergunning met werkvergunning, meldt de adviseur. Ook iemand die door de Amerikaanse autoriteiten als ‘buitenlands expert’ wordt aangemerkt, maakt kans op een visum.

    Maar om een visum aan te vragen, heb je een paspoort nodig en dat krijgt de laatste tijd bijna niemand meer. Alleen in uitzonderlijke gevallen verstrekken de Chinese autoriteiten nieuwe reisdocumenten; verlopen paspoorten worden nog maar zelden vernieuwd. In mei heeft de regering bovendien nieuwe voorschriften uitgevaardigd, die bepalen dat buitenlandse reizen alleen nog in belangrijke gevallen zijn toegestaan, bijvoorbeeld als een familielid in het buitenland ernstig ziek is. De regering presenteert de maatregelen als bescherming tegen het mogelijk importeren van coronabesmettingen. In werkelijkheid maken de nieuwe richtlijnen deel uit van een algemene tendens waarbij China zich steeds verder isoleert van de rest van de wereld, en waarmee de regering steeds meer probeert te voorkomen dat het volk in contact komt met buitenlanders. Chinezen kunnen beter naar binnen kijken, naar hun eigen geschiedenis en cultuur, zegt partijleider Xi Jinping regelmatig.

    De laatste weken is het geregeld voorgekomen dat het paspoort van een Chinees die terugkwam ongeldig werd gemaakt

    Soms gaan de autoriteiten nog verder. De laatste weken is het geregeld voorgekomen dat het paspoort van een Chinees die terugkwam ongeldig werd gemaakt. Voor een Chinese zakenvrouw die al enkele jaren in Zwitserland woont en met een Zwitser is getrouwd, heeft dat ernstige gevolgen. De vrouw heeft in China een middelgroot bedrijf. Gewoonlijk vliegt ze vier keer per jaar voor zaken een paar weken naar Shanghai of Beijing. Dat is nu verleden tijd, want ze is bang dat ze China niet meer kan verlaten. Sindsdien staat ze vrijwel elke nacht op om via een videoverbinding haar zaak te leiden.

    Ook Ya Dong en zijn gezin zullen voorlopig niet naar China terugkeren. Vluchten zijn zeldzaam en duur, en bovendien moet je minstens twee weken in quarantaine als je het land wilt binnenkomen. Dan blijft het gezin liever in Chiang Mai, waar de kosten van levensonderhoud volgens Ya half zo hoog zijn als in Shanghai of Beijing. ‘Als je het raam openzet, schijnt de zon naar binnen en waait er een frisse wind door het huis. Maar er komen ook vliegen binnen,’ hield Deng Xiaoping in de eerste jaren van zijn beleid van hervorming en openheid zijn tegenstanders voor, die bang waren voor ‘geestelijke’ vervuiling door buitenlands gedachtengoed.

    Xi, zo lijkt het, heeft nu besloten dat raam te sluiten. Er zullen dan vermoedelijk minder vliegen binnenkomen, maar ook minder frisse wind en zonneschijn.

    * Namen zijn door de redactie van NZZ veranderd.

  • Welkom terug op kantoor

    Welkom terug op kantoor

    Na twee jaar van videovergaderingen en Slack-chats, willen veel bedrijven hun werknemers weer op kantoor zien. Maar niet iedereen staat te popelen om terug te keren naar de ochtendspits en de gemeenschappelijke toiletten.

    Toen Googlewerknemers deze maand terugkeerden naar hun grotendeels lege kantoren, kregen ze te horen dat ze rustig aan moesten doen. Kantoortijd ‘moet niet alleen over productie gaan, maar ook leuk zijn’. Neem de tijd om op verkenning te gaan. Plan niet aan een stuk door afspraken. En vergeet ook niet om het privéoptreden van Lizzo bij te wonen, een van de populairste popsterren van het land. En alsof dat nog niet genoeg was, kondigde het bedrijf ook nog eens ‘pop-upevenementen’ aan, met eten en cadeautjes – ‘de favoriete combinatie van elke Googler’.

    Googlewerknemers in Boulder, Colorado, werden op de muismat die het bedrijf hun cadeau deed wel nog herinnerd aan wat ze achterlieten. Onder een afbeelding van een droevig kijkende kat stond de smeekbede: ‘Je gaat toch niet RTO?’ RTO is een afkorting voor return to office [terug naar kantoor], die tijdens de pandemie is ontstaan omdat kantoren van veel bedrijven leeg kwamen te staan. Tijdens de pandemie bleek dat aanwezigheid op kantoor geen hogere productiviteit in de hand werkte, en veel bedrijven deden het prima zonder dat het personeel ooit fysiek bij elkaar kwam.

    Gewone kleren

    Nu, na twee jaar van videovergaderingen en Slack-chats, staan veel bedrijven te popelen om hun werknemers weer achter hun bureaus te zien. Maar werknemers staan vaak minder te popelen om terug te keren naar de ochtendspits en de gemeenschappelijke toiletten en om hun joggingpak in te wisselen voor gewone kleren. Techbedrijven die goed in de slappe was zitten en lege kantoren hebben staan, halen daarom alles uit de kast om hun personeel terug naar kantoor te halen, zelfs al hebben ze inmiddels aangegeven dat dat in veel gevallen – voor ten minste een paar dagen per week – verplicht is.

    Lizzo speelt deze maand voor werknemers van Google in een amfitheater in de buurt van het hoofdkantoor in Mountain View, Californië. Toen Microsoft eind februari zijn kantoren heropende in Redmond, Washington, werden de werknemers getrakteerd op optredens van lokale bands, bier- en wijnproeverijen en zelfs op lessen om een terrarium aan te leggen. Chipfabrikant Qualcomm organiseerde een happy hour met topman Cristiano Amon om de eerste officiële week terug op kantoor in te luiden. In kantoren in San Diego werden enkele duizenden werknemers vergast op gratis eten, drinken en T-shirts. Ook heeft het bedrijf wekelijkse evenementen ingevoerd, zoals pop-upeetstands op ‘Take a Break Tuesday’ en fitnesslessen op ‘Wellness Wednesday’.

    ‘Deze feestjes en extraatjes maken duidelijk dat bedrijven heel goed weten dat werknemers niet naar kantoor willen komen’

    ‘Deze feestjes en extraatjes maken duidelijk dat bedrijven heel goed weten dat werknemers niet naar kantoor willen komen, in ieder geval niet zo vaak als vroeger,’ zegt Adam Galinsky, professor aan de businessschool van Columbia University. Volgens hem verkiezen bedrijven vooralsnog ‘de wortel boven de stok’: werknemers worden beloond omdat ze naar kantoor komen in plaats van gestraft wanneer ze thuisblijven.

    Voordat corona toesloeg, investeerden de grootste technologiebedrijven miljarden dollars in de bouw van kantoren – architectonische hoogstandjes die de rijkdom van het bedrijf weerspiegelen. Deze glanzende kantoorpanden, vol foefjes en extraatjes, getuigen van de lang gekoesterde overtuiging dat persoonlijke samenwerking bevorderlijk is voor creativiteit en innovatie en het nastreven van een gemeenschappelijk doel. Maar voor veel werknemers die het prettig vonden om op afstand te werken, vertegenwoordigt de terugkeer naar kantoor – hoe mooi dat ook mag zijn – het einde van de zomer, of de weerzin om weer naar school te gaan. Slechts weinigen, zo lijkt het, staan te springen om weer vijf dagen per week naar kantoor te gaan.

    Een derde van de werknemers wil liever op afstand werken

    Op Memegen, een interne bedrijfssite van Google waarop medewerkers memes delen, was een van de populairste posts een foto van een bedrijfskantine met als onderschrift: ‘RTO is elkaar tegen het lijf lopen en zeggen “We moeten echt weer eens samen lunchen”, totdat een van de twee ontslag neemt bij Google.’ Nick Bloom, die als professor economie aan Stanford University elke maand vijfduizend werknemers ondervraagt, zegt dat de meeste mensen twee of drie keer per week terug willen naar kantoor. Een derde van de werknemers wil nooit meer terug en blijft liever op afstand werken.

    Collega’s ontmoeten

    Alleen al met de reis van en naar kantoor, aldus Bloom, bespaart de gemiddelde werknemer één uur per dag. ‘Vandaar dat werknemers niet met gratis bagels of een pingpongtafel kunnen worden verleid.’ De belangrijkste reden voor werknemers om naar kantoor te gaan is om hun collega’s te ontmoeten, zo blijkt uit zijn enquêtes.

    Apple verplicht zijn werknemers zich één keer per week op kantoor te melden

    Na een paar keer uitstellen heeft Google op 4 april een hybride werkschema geïntroduceerd, waarbij de meeste werknemers enkele dagen per week op kantoor dienen te verschijnen. Apple verplicht sinds vorige week zijn werknemers zich één keer per week op kantoor te melden. Op 31 maart stuurde David Radcliffe, adjunct onroerend goed en werkplekken bij Google, een e-mail aan werknemers in de Bay Area van San Francisco waarin hij aankondigde de terugkeer ‘heel bijzonder‘ te willen maken.

    Al jaren voorziet Google in luxe bussen met wifi om het woon-werkverkeer productiever en comfortabeler te maken, maar nu gaat het bedrijf nog een stap verder. Zo biedt het onder meer een vergoeding van 49 dollar per maand voor de huur van een elektrische scooter. Daarnaast is Google van plan met de inrichting te gaan experimenteren om in te spelen op veranderende manieren van werken.

    Microsoftwerknemers die in februari enkele dagen per week terugkeerden naar hun kantoren, werden verwelkomd met ‘dankevents’ en buitenspelletjes zoals cornhole en levensgroot schaken. Ze konden schilderlessen volgen of manden leren maken. Het café op de campus werd omgetoverd in een bier-, wijn- en mocktail-garten. En natuurlijk was er gratis eten en drinken: pizza’s, broodjes en allerlei soorten koffie. Microsoft huurde foodtrucks in die onder andere gefrituurde kip, taco’s, gyros, Koreaans eten en gebraden vlees serveerden.

    Gratis eten

    In tegenstelling tot bij veel andere technologiebedrijven moeten werknemers van Microsoft zelf betalen voor hun eten op kantoor. Een werknemer deelde op Twitter haar verbazing over de enorme aantrekkingskracht die gratis eten bleek te hebben. Bedrijven moeten volgens Nick Bloom een balans zien te vinden tussen flexibiliteit, waarbij werknemers hun eigen schema mogen bepalen, en een vorm waarbij werknemers worden verplicht op specifieke dagen te verschijnen en hun kantoortijd optimaal te benutten. Bedrijven kunnen hun energie beter stoppen in het vinden van dat evenwicht, dan aan het overstelpen van werknemers met extra’s als privéconcerten, aldus Bloom.

    ‘Door al die franje gaan werknemers echt niet weer regelmatig verschijnen’

    ‘Door al die franje gaan werknemers echt niet weer regelmatig verschijnen,’ zegt Bloom. ‘Wat wordt de volgende stap? Eerst Justin Bieber en daarna Katy Perry?’ Medewerkers van het meer ingetogen Apple zeggen geen feestelijkheden te verwachten wanneer ze terugkeren naar kantoor. Daar zou ook nooit sprake van zijn geweest. In eerste instantie vraagt Apple werknemers om één keer per week te komen opdagen. Vanaf eind mei wordt dat maandag, dinsdag en donderdag.

    Toen Apple vorig jaar een terug-naar-kantoorplan aankondigde, dat door een nieuwe coronagolf moest worden uitgesteld, ondertekenden meer dan duizend werknemers een brief waarin ze bij het management aandrongen op flexibele werkregelingen. Dit was een bijzondere stap voor het personeel, dat zich in het verleden zeldzaam openlijk kritisch uitliet over beslissingen van bovenaf.

    Maar hoewel techbedrijven tegemoet proberen te komen aan de wensen van hun werknemers, zijn ze tegelijkertijd op kleine attenties aan het bezuinigen. Meta, voorheen bekend als Facebook, liet werknemers vorige maand weten dat het gratis diensten zoals een wasserij en stomerij gaat inperken of afschaffen. Net als enkele andere bedrijven heeft Google duizenden werknemers toestemming gegeven om op afstand te werken of naar een ander kantoor over te stappen. Maar als dat een goedkopere locatie betreft, dan verlaagt Google het salaris; hierbij zou de plek waar iemand is aangenomen een rol spelen.

    Clio, een bedrijf in juridische software in Burnaby, Brits-Columbia, dwingt zijn werknemers niet om naar kantoor terug te keren, maar organiseerde onlangs wel een groot feest. Er was vrolijke muziek. Er was een asymmetrische ballonsculptuur in de kenmerkende Clio-kleuren lichtblauw, donkerblauw, koraalrood en wit: perfect voor een selfie. Een van Clio’s bekendste werknemers droeg een safarikostuum en gaf daarin rondleidingen door het bedrijf. Om twee uur ’s middags werd er een cupcakeparty gehouden.

    Thuisgevoel vergroten

    Het bedrijf verplaatste de bureaus naar de ramen, zodat de Clions – zoals het bedrijf zijn werknemers noemt – tussen alle e-mails door naar de kersenbloesems buiten het kantorencomplex kunnen kijken. Zo moest het thuisgevoel worden vergroot. Een tafelvoetbaltafel is veranderd in een werkstation, met stoelen aan beide kanten, ‘zodat je kunt vergaderen terwijl je tafelvoetbalt, met je laptop erbovenop’, aldus Natalie Archibald, Clio’s adjunct van de HR-afdeling.

    Het kantoor van Clio in Burnaby, waar 350 mensen werken, is maar voor de helft open. De ruime werkplekken moeten worden gereserveerd, en werknemers dragen rode, gele en groene koordjes die aangeven of hun handen al dan niet mogen worden geschud. Op het feest kwamen slechts zo’n zestig mensen opdagen. ‘Zodat ze een echte lach te zien krijgen in plaats van een emoji,’ aldus Archibald. ‘Want daar worden mensen nou eenmaal blij van.’

  • De toekomst van werk in een veranderende arbeidsmarkt

    De toekomst van werk in een veranderende arbeidsmarkt

    Niet alleen de pandemie heeft de manier waarop mensen denken over hun baan verandert. Ook andere ontwikkelingen, zoals voortschrijdende digitalisering en het groeiende aantal burn-outs, maken dat werk en de arbeidsmarkt aan een grondige herziening toe zijn.

    Heeft het kantoor nog de toekomst?

    In de afgelopen decennia veranderde het uiterlijk van veel kantoren drastisch.

    Aparte ruimtes en hokjes verdwenen en toepassingen uit de technologie werden geïntegreerd in open kantoorruimtes die geschikt waren voor werk in teamverband. Tegelijkertijd maakte digitalisering met e-mail, Google Docs, videoconferenties en Slack de aanwezigheid van werknemers in die kantoren minder essentieel. De pandemie maakte duidelijk dat veel werk ook elders verricht kan worden en wierp de vraag op waar het kantoor eigenlijk voor is: een plek voor nieuwelingen om te leren van ervaren collega’s? Een vorm om luiwammesen in de gaten te houden? Een ruimte voor samenwerking en sociaal contact?

    Een groot deel van Amerikaanse werknemers wil verhuizen uit de grote stad of heeft dat al gedaan

    Volgens Upwork, een platform voor freelancers, werkt 27 procent van de Amerikaanse beroepsbevolking dit jaar op afstand en willen zo’n twintig miljoen werknemers verhuizen, of hebben dat al gedaan, velen van hen uit de grote steden. Leegstand in kantoren blijft stijgen. CBRE, ’s werelds grootste vastgoedadviesbureau, schat de leegstand van kantoren in San Francisco op ruim 16 procent, hoger dan ooit. Grote vastgoedbedrijven die voorheen recessiebestendig waren vanwege langlopende commerciële huurcontracten, hebben het afgelopen jaar ruim een derde van hun beurswaarde verloren. Kortom, er zal een nieuw evenwicht moeten worden gevonden.


    De ‘digitalenvaardighedenkloof’

    Digitalisering dwingt bedrijven om voortdurend hun bedrijfsmodellen en -processen aan te passen.

    Ondertussen merken werknemers dat ze, om mee te kunnen blijven gaan met die veranderingen, bereid moeten zijn om levenslang te leren. Maar uit onderzoek van Initiative21, een Duitse ngo die onderzoek doet naar de maatschappelijke uitdagingen van het digitale tijdperk, blijkt dat de ‘digitalevaardighedenkloof’ in Duitsland nog groot is. Zo is 59 procent van de internetgebruikers anderhalf jaar na het uitbreken van de pandemie nog steeds niet in staat een videoconferentie op te zetten. Slechts 20 procent van de mensen met een kantoorbaan beheerst een programmeertaal. Die hebben ze momenteel waarschijnlijk nog niet nodig, maar dat kan snel veranderen. De samenleving heeft behoefte aan ‘een beter begrip van onderlinge verbanden in tijden van digitalisering’, aldus Hannes Schwaderer, voorzitter van het D21-initiatief. ‘Een leven lang leren moet routine worden.’

    Sommige bedrijven in Duitsland hebben eigen opleidingen, maar dat is nog een zeldzaamheid. Experts verwachten dat dat in de toekomst gaat veranderen, omdat het opleiden van werknemers in alle sectoren steeds belangrijker wordt. Want hoe verder de digitalisering vordert, des te specialistischer de banen worden. Daardoor zal het voor bedrijven zonder eigen opleiding steeds moeilijker worden om geschikte medewerkers te vinden. (Focus, München)


    Meer dan alleen werk

    In aanloop naar zijn boek The End of Burnout: Why Work Drains Us and How to Build Better Lives, dat in januari verschijnt, publiceerde Jonathan Malesic onlangs een opinieartikel in The New York Times.

    Na bijna twee jaar massale werkloosheid en thuiswerken keren miljoenen mensen nu terug naar het ritme van de veertigurige werkweek en de droom van opwaartse mobiliteit, schrijft Malesic, ook al leidden die vóór de pandemie tot wijdverbreide ontevredenheid en burn-outs. Veel mensen zien werk niet alleen als een manier om de kost te verdienen, maar als cruciaal voor zelfontplooiing.

    De algemene gedachte is dat werk betekenis, zingeving en waardigheid verschaft en recht geeft op deelname aan de samenleving. Maar, aldus Malesic, je baan, of het ontbreken ervan, is niet bepalend voor je menselijke waarde. ‘We zouden moeten beginnen met het idee dat ieder van ons waardigheid heeft, of we nu werken of niet.’ De pandemie bewees dat: miljoenen verloren plotseling hun baan, maar niet hun waardigheid. Volgens Malesic is dit hét moment om te bedenken hoe we werk kunnen inpassen in ons leven: ‘De pandemie heeft ons eraan herinnerd dat we bestaan om meer te doen dan alleen maar werken.’ Zijn advies: zoek naar zingeving in dingen buiten je baan en pas je werk daarop aan, in plaats van andersom.

  • Japanners schuwen werkborrels vanwege corona

    Japanners schuwen werkborrels vanwege corona

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Regering Burkina Faso treedt af vanwege jihadistisch geweld

    » Hongkong: Mediamagnaat Jimmy Lai veroordeelt voor prodemocratisch protest

    Japanners: liever geen werkborrel

    Ruim 60 procent van de respondenten van een enquête in Japan ziet werkgerelateerde borrels niet zitten vanwege corona. Mensen die de zogenaamde nominication mijden, een samentrekking van de Japanse woorden voor ‘borrel’ en communication, die doorgaans wordt gebruikt voor werkgerelateerde borrels, haalden voor het eerst de voorstanders in, sinds Nippon Life Insurance Co startte met een jaarlijks onderzoek in 2017, bericht The Japan Times. In de enquête zegt 36,9 procent van de respondenten dat ze drankjes na het werk als ‘onnodig’ beschouwen, terwijl nog eens 25 procent vindt dat dergelijke evenementen ‘enigszins onnodig’ zijn. Dat totaal van 61,9 procent is een stijging van 16,2 procent ten opzichte van vorig jaar.

    ‘Het aantal mensen dat twijfelt aan de noodzaak om elkaar onder het genot van een drankje te leren kennen, is gestegen, omdat nu vanwege covid-19 geen feestjes kunnen worden gehouden’, aldus een onderzoeker van het NLI Research Institute. De steun voor nominication zal weer groeien zodra de pandemie is verdwenen, verwacht hij.

    Lees ook:

  • Novembernummer | Uitgewerkt

    Novembernummer | Uitgewerkt

    »  Lees dit nummer online

    Met onder andere:

    » Thomas Piketty over de Pandora Papers: ‘Het hoog tijd om in actie te komen’

    » De macht aan de werknemer

    » Wederopstanding van de nachttrein onderweg

    » Amerika exporteert behalve culturele, ook politieke thema’s

    Machtsverschuivingen

    Redactioneel

    Toen Marek Goebel (33) onlangs tijdens een sollicitatie in een ziekenhuis de vraag kreeg waarom hij daar wilde werken, dacht hij: Die snappen het niet. Zij zouden mij moeten uitleggen waarom ik bij hen in dienst zou willen. Vervolgens kreeg hij ook nog een laag salarisaanbod, en hield hij het voor gezien.

    Hoewel momenteel een van de zwaarste naoorlogse economische crises – die meer dan 1 miljoen mensen hun baan heeft gekost – op haar einde loopt, worden banen massaal opgezegd, met als gevolg een groot tekort aan personeel, schrijft Die Zeit (p. 14). Hebben werknemers, zoals The Atlantic suggereert (p. 18), geprofiteerd van de gunstige regelingen tijdens de crisis en ingezien dat ze te weinig verdienen? Zouden we na een tijdperk waarin gebrek aan carrière je eigen schuld was, personeel voortdurend beschikbaar moest zijn en jongeren zich al op hun twintigste uitgeblust voelden, nu daadwerkelijk naar een baan kunnen gaan shoppen, zonder concurrentiestrijd met collega’s, eeuwig toezicht van de werkgever en mét ruimte tot salarisonderhandeling? Zijn de rollen eindelijk omgedraaid? Het maandblad schetst een nabije toekomst waarin robots productieve taken overnemen, zonder dat het ons banen kost.

    In die nabije toekomst reizen we als het aan de Duitse Groenen ligt in Europa nog uitsluitend per trein (p. 20); de EuroNight Sprinter moet ervoor zorgen dat we in 2030 in willekeurig welke Europese stad ’s avonds de slaaptrein kunnen pakken om ergens anders te ontwaken. Is je bestemming Oxford, dan kan je een bezoek brengen aan de vierhonderd jaar oude botanische tuin, die inmiddels zal zijn begroeid met vijgen- en olijfbomen (p. 24).

    En de macht van China zal volgens een andere verrassende voorspelling inmiddels zijn afgenomen – met nog onvoorziene geopolitieke gevolgen (p. 28). Als een van de oorzaken noemt The Economist de Great Firewall, die niet alleen helpt de rest van de wereld buiten te houden, maar ook verhindert dat Chinese ideeën doordringen in het buitenland, waar die uit Amerika vaak klakkeloos worden overgenomen (p. 26).

    De mysterieuze geniale Russische miljardair Pavel Doerov wilde de ongebreidelde macht van sociale media tegengaan met de oprichting van Telegram, dat geen gebruikersgegevens aan derden ter beschikking stelt – en dus een walhalla vormt voor criminelen en extremistische organisaties (p. 36). Maar dat die de reguliere kanalen even goed weten te benutten, blijkt uit een interview met taliban-influencer Mullah Muhamad Rasol, die op Facebook en Twitter ongestoord propaganda verspreidt (p. 32). ‘We richten de wapens van onze vijand graag op de vijand zelf,’ verkondigt hij met een grijns.

    Laura Weeda

    weeda@360international.nl

    INT 21201 1 LR 2
  • Ook genieën hebben 24 uur per etmaal. Hoe besteden ze die?

    Ook genieën hebben 24 uur per etmaal. Hoe besteden ze die?

    ‘We hebben allemaal dezelfde 24 uur als Beyoncé’ was een tweet die viral ging. Sommige mensen lijken niet alleen alles te hebben, maar slagen er op een of andere manier ook nog eens in alles te doen. Hoe dan?

    Dit artikel verscheen eerder in 360 Magazine # 57, mei 2014.

    Franz Kafka, ontevreden met zijn behuizing en het feit dat hij met overdag moest werken, schreef in 1912 in een brief aan Felice Bauer: ‘… mijn tijd is begrensd, mijn krachten zijn beperkt, het kantoor is een van verschrikking, mijn appartement is lawaaiig, en als een aangenaam, eenvoudig leven niet mogelijk is, dan moet je een manier vinden om je er subtiel tussendoor te manoeuvreren’.

    Kafka is een van de 161 geïnspireerde en inspirerende schrijvers, dichters, toneelschrijvers, schilders en filosofen, wetenschappers en wiskundigen met van wie de dagelijkse routine in het boek van Mason Currey wordt beschreven. Net als Kafka hadden ook de anderen te maken met talloze (soms zelf veroorzaakte) obstakels, wat resulteerde in een fascinerende verzameling ‘subtiele manoeuvres’ om hun werk iedere dag gedaan te krijgen; vroeg opstaan of juist laat gaan slapen, enorme hoeveelheden ’s koffie, lange wandelingen maken en ingeplande dutjes doen. Thomas Wolfe schreef als hij in de keuken stond en gebruikte de bovenkant van zijn ijskast als bureau. Jean-Paul Sartre kauwde altijd op Corydrane-tabletten (een mix van amfetamine en aspirine), waarvan hij tien keer de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid overschreed. Descartes bleef graag liggen luieren in bed, terwijl zijn gedachten in zijn slaap afdwaalden ‘naar bossen, tuinen en toverpaleizen’ waar hij ‘elk denkbaar plezier’ beleefde.

    George Balanchine, was gek op de was doen en verzette het meeste ‘werk’ als hij aan het strijken was

    En dan zijn er nog Anthony Trollope, die zichzelf elke ochtend verplichtte om voordat hij naar zijn werk op het postkantoor ging drieduizend woorden te schrijven (250 per kwartier, drie uur lang). Dat hield hij 33 jaar lang vol, waarin hij zo’n 25 boeken schreef; George Balanchine, was gek op de was doen en verzette het meeste ‘werk’ als hij aan het strijken was, George Gershwin zat twaalf uur per dag, van laat in de ochtend tot midden in de nacht, achter de piano te componeren in pyjama, badjas en slippers. James Joyce kon schrijven terwijl zijn gezin om hem heen dwarrelde, de naasten van Mark Twain bliezen op een posthoorn als ze hem écht nodig hadden – om maar niet op zijn deur te hoeven kloppen.

    Ook de routines van Jane Austen, Karl Marx, Charles Darwin, Pablo Picasso, Leo Tolstoj, Andy Warhol, John Updike, Twyla Tharp en Igor Stravinsky (die nooit een noot op papier kon zetten tenzij hij er zeker van was dat niemand hem kon horen en die, als hij zich geblokkeerd voelde, op zijn hoofd ging staan om ‘zijn hersenen ruimte te geven’) werden door Currey aan de hand van vooral (auto)biografieën, dagboeken en brieven uitgeplozen.

    Screen Shot 2021 04 09 at 6.37.36 PM
    Screen Shot 2021 04 09 at 6.37.55 PM

    ‘Als een vaste routine op de juiste manier wordt toegepast, kan een nauwkeurig afgesteld mechanisme ontstaan waarbij beperkte middelen optimaal kunnen worden benut…. Op die manier kan iemand zijn mentale energie in goede banen leiden…’ – Mason Currey, auteur Daily Rituals

    Screen Shot 2021 04 09 at 6.41.12 PM 1
    Screen Shot 2021 04 09 at 6.41.01 PM 1
    Screen Shot 2021 04 09 at 6.40.51 PM 1
    Screen Shot 2021 04 09 at 6.40.40 PM 1
    Screen Shot 2021 04 09 at 6.40.20 PM 1
    Screen Shot 2021 04 09 at 6.40.09 PM 1
    Screen Shot 2021 04 09 at 6.39.57 PM 1
    Screen Shot 2021 04 09 at 6.39.48 PM 1
    Screen Shot 2021 04 09 at 6.39.37 PM 1
    Screen Shot 2021 04 09 at 6.39.24 PM 1
    Screen Shot 2021 04 09 at 6.39.15 PM 1
    Screen Shot 2021 04 09 at 6.39.00 PM 1
    Screen Shot 2021 04 09 at 6.38.47 PM 1 1
    Screen Shot 2021 04 09 at 6.38.19 PM 1
    Screen Shot 2021 04 09 at 6.38.06 PM 1
    Screen Shot 2021 04 09 at 6.38.33 PM

    Mason Currey, Daily Routines, Knopf Doubleday Publishing Group, 2013.

    R.J. Andrews stelde aan de hand van de routines uit het boek op zijn site Info We Trust bovenstaande infographic samen.

  • Waar zullen we in de toekomst ons geld mee verdienen?

    Waar zullen we in de toekomst ons geld mee verdienen?

    Over tien jaar zullen miljoenen banen zijn verdwenen, en miljoenen andere zijn ontstaan. De kunst voor bedrijven en werknemers is om in te spelen op toekomstige behoeftes. Speciale afdelingen proberen deze glazen bol fulltime te ontcijferen.

    Een bouwopzichter bij de Duitse Spoorwegen zal in de toekomst met drones moeten werken. De opzichter moet weten hoe je de kleine vliegende robots moet bedienen en de data van de cameraopnames moet gebruiken. Hij of zij zal over meer vaardigheden moeten beschikken dan nu. Om precies te zijn: zes.

    Hoe het concern dat zo precies weet? Sinds ongeveer een jaar is een nieuw team, lab 1, uitsluitend bezig met de vraag welke beroepen er in de toekomst zullen bestaan. Sommigen van hen doen dat fulltime, anderen besteden een derde van hun uren eraan. ‘Wij willen niet overvallen worden door wat er straks gaat gebeuren, maar het nu al weten,’ zegt Kerstin Wagner, hoofd personeelwerving bij de Spoorwegen. ‘Wij willen de kristallen bol voorspelbaar maken.’

    Toekomstige sollicitatiegesprekken

    De vijftien werknemers uit heel verschillende afdelingen hebben daarvoor een eigen methode bedacht. Eerst analyseren ze bij een functieomschrijving hoe die er nu uitziet en ondervragen ze de werknemer: wat doe je elke dag? Welke vaardigheden zijn daarvoor nodig? Bij de bouwopzichter is het bijvoorbeeld niet meer zo dat hij perrons opmeet en de gegevens met de hand op papier noteert. Hij gebruikt een digitaal bouwdagboek.

    Daarna spreekt het team met deskundigen uit de eigen onderneming en van buitenaf die goed thuis zijn op het gebied van technologie, politiek en maatschappij, demografische veranderingen, milieu en duurzaamheid. Zij moeten vertellen welke trends er in hun vakgebieden zijn en hypothesen opstellen over de effecten die dat op hun speciale vakgebied zal hebben – en wanneer.

    Na deze vijf analyses overlegt de personeelsafdeling van de Spoorwegen welke bijscholingen belangrijk zijn voor de werknemers en wat voor banen er gecreëerd moeten worden. Bij de bouwopzichter zou het in toekomstige sollicitatiegesprekken aankomen op digitale vaardigheden, de omgang met data en de visualisering daarvan. Bij presentaties zouden er in elk geval geen plattegronden meer aan de wand hangen. ‘Maar we hebben het hier niet over een radicale verandering in de komende een of twee jaar, maar over een ontwikkeling in tien jaar,’ zegt Kerstin Wagner.

    Van de vijfhonderd beroepsprofielen bij de Duitse Spoorwegen heeft het lab er vijf uitgezocht waarbij de methode eerst getest wordt: treinmachinist, bouwopzichter, data-analist, signaalmonteur en elektricien. Daarna moeten alle overige beroepsbezigheden doorgenomen worden. Een nieuw beroep dat pas sinds kort bij de Spoorwegen is ontstaan, is geomaticus. Zijn taak: geodata verzamelen en geschikt maken voor multimediale producten. 

    ‘Kleine ondernemingen kijken twee jaar vooruit en denken niet na over wat in 2030 belangrijk zal zijn’

    Het Bondsministerie voor Arbeid en Sociale Zaken houdt er rekening mee dat in de komende zes jaar 1,3 miljoen arbeidsplaatsen zullen verdwijnen en 2,1 miljoen nieuwe arbeidsplaatsen zullen ontstaan. Voor het jaar 2035 rekent het ministerie op een toename van 3,3 miljoen en een afname van 4 miljoen arbeidsplaatsen. Niet alleen bij de Duitse Spoorwegen stelt men zich de vraag welke banen heel concreet schuilgaan achter deze cijfers.

    Bij het autoconcern BMW heet het, heel in het algemeen, dat de personeelsafdeling analyseert welke competenties belangrijker worden en welke onbelangrijk, en dat men prognoses maakt hoe groot de behoefte aan werknemers in de toekomst zal zijn.

    ‘Maar alleen grote bedrijven kunnen zich bezighouden met langetermijn perspectieven,’ zegt Oliver Stettes, arbeidsmarktdeskundige bij het Institut der Deutsche Wirtschaft (IW) in Keulen, dat dicht bij de werkgevers staat. ‘Kleine ondernemingen kijken twee jaar vooruit en denken niet na over wat in 2030 belangrijk zal zijn.’

    Soms wacht men met een verandering tot die wordt afgedwongen. Juist nu moeten bedrijven hun arbeidsorganisatie veranderen omdat werknemers vanwege de pandemie thuis moeten werken. Het businessmodel kan plotseling veranderen omdat klanten andere wensen hebben. Zo werd al voor covid-19 steeds vaker online gekocht in plaats van in winkels. Waaruit het beroep van e-commercehandelaar voortkwam.

    Met sociale media werd ook de socialemediamanager geboren. Iedereen heeft het plotseling over duurzaamheid: ondernemingen maken daar speciale afdelingen voor. In de fabriek zullen machines steeds meer met elkaar in contact staan. Wat daar nu al ontbreekt, zal daarom nog belangrijker worden: informatici die kunstmatige intelligentie programmeren en grote hoeveelheden data kunnen analyseren. De gezondheidszorg zal verder groeien, en nog veel meer personeel nodig hebben, alleen al omdat de mensen steeds ouder worden.

    Jobreport 2020

    Een onderneming die precies weet welke banen gevraagd worden, is LinkedIn. Dat sociale netwerk voor professionals heeft wereldwijd 700 miljoen leden, van wie meer dan 15 miljoen in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. ‘Wij zien in real time welke nieuwe vaardigheden onze leden opgeven, wat voor arbeidsplaatsen worden aangeboden en naar welke banen de mensen overstappen,’ zegt Kristin Keveloh. Zij geeft leiding aan alle projecten rondom economische diagrammen voor de Duitstalige wereld.

    In het Jobreport 2020 heeft Linkedin uiteengezet welke beroepen tussen 2015 en 2019 steeds belangrijker werden – en nog zullen worden. ‘Wij kunnen niet in de toekomst kijken, maar wij zien aan de hand van onze verzamelde data veranderingen en trends die de arbeidsmarkt in de komende jaren zullen beïnvloeden,’ zegt Kristin Keveloh.

    Volgens het rapport zijn mensen die verstand hebben van kunstmatige intelligentie en data-analyse de meest gevraagden. Gevolgd door een ‘site reliability engineer’, die de ontwikkeling van sites en apps coördineert. Aangezien nieuwe technologieën het dagelijks leven ook in de toekomst sterk zullen bepalen, moet er volgens LinkedIn van uitgegaan worden dat dit beroep voortaan van elementair belang zal zijn. 

    Binnen tien jaar zouden er cybercityanalisten kunnen bestaan

    Hoe de wereld van het werk verandert, willen ook economen als Oliver Stettes weten. Daarom analyseert hij de cijfers van de Bundesagentur für Arbeit, van de microcensus, of bekijkt hij gedetailleerde enquêtes van werknemers en bedrijven. ‘Sommige anderen zijn stoutmoedig en stellen berekende scenario’s op,’ zegt hij. ‘Maar dat is voor mij een blik in een glazen bol.’

    Enzo Weber ziet dat anders. Weber leidt het onderzoek naar prognosen een economische analyses bij het Institut für Arbeitsmarkt und Berufsforschung (IAB). Naast enquêtes benut hij ook modelberekeningen. Hij kijkt daarbij naar parameters als de demografie en de consumptie – en ontwikkelt op basis daarvan scenario’s. Een resultaat kan bijvoorbeeld het aantal bakkers zijn dat in 2035 zal bestaan. ‘Natuurlijk kan er in de toekomst iets gebeuren dat niet te voorzien is,’ zegt hij. ‘Dat is altijd de onzekere factor bij prognoses.’

    Sinds meer dan tien jaar werkt Weber mee aan het Qube-project, waarin het IAB met het Bundesinstitut für Berufsbildung toekomstprojecties voor verschillende kwalificaties en beroepen opstelt. Volgens dit onderzoek zal er ongeveer evenveel vraag zijn naar opvoeders, artsen, ouderenverzorgers en loodgieters. Wie werkt in de verkoop, in de gastronomie of de metaalbewerking zal in het jaar 2035 met fellere concurrentie te maken krijgen. Treinmachinisten hoeven zich ondanks de digitalisering geen zorgen te maken. Enerzijds gaan binnenkort heel veel machinisten met pensioen, anderzijds zullen treinen wel autonomer rijden, maar ze moeten toch gecontroleerd worden.

    Binnen tien jaar zouden er cybercityanalisten kunnen bestaan die zich bezighouden met de in een gedigitaliseerde stad beschikbaar komende big data. Personal data brokers zouden de persoonlijke data van hun klanten kunnen beheren en te gelde maken.

    Op deze ideeën kwam het IT-adviesbureau Cognizant. In de studie ‘21 toekomstige jobs’ speculeert het welke beroepen er zouden kunnen bestaan, waar nu nog niemand een idee van heeft. Bekeken werden de belangrijkste macro-economische, demografische, zakelijke en technologische ontwikkelingen van deze tijd. Behalve met digitalisering zouden mensen binnenkort geld kunnen verdienen met het gezelschap houden van ouderen.

  • Thuiswerken in een ver en zonnig buitenland

    Thuiswerken in een ver en zonnig buitenland

    Vanwege de coronapandemie hoeven steeds minder mensen naar kantoor. Waarom zou je dan niet ergens heel anders gaan werken, waar het mooier en warmer is?

    DOSSIER OP REIS

    De pandemie heeft het toerisme hard getroffen. De voorheen bloeiende sector was in 2019 nog goed voor 11 procent van het wereldwijde bbp. Het lijkt erop dat nu de vaccinatieprogramma’s op gang komen, vakantiereizen deze zomer weer mogelijk zijn. Maar was er niet jarenlang kritiek op het massatoerisme? Moet dat wel in ere worden hersteld?

    Dit artikel verscheen eerder in november 2020.

    Zijn collega’s denken dat Greg elke dag, als ze inschakelen voor hun videoconferentie, aan zijn bureau thuis in Londen zit. Waar moet hij anders zijn tijdens corona, als je niet op kantoor en ook niet ergens anders kunt zijn? Wat zijn collega’s en vooral zijn chef niet vermoeden: hun sales- en marketingmedewerker zit in werkelijkheid een maand in Barcelona en logt van daaruit in voor zijn conference calls. Via www.philonarooms.com heeft hij een chic appartement in de oude stad gehuurd voor minder dan de helft van de normale prijs. Op zijn werk merkt geen mens dat hij stiekem ergens anders is. Een achtergrond kun je tenslotte wegwerken of vervangen door een willekeurige skyline. De perfecte vermomming. 

    Greg is niet zijn echte naam. De reden voor zijn onaangekondigde ‘dienstreis’ vindt hij nogal voor de hand liggen: ‘Mooier weer,’ antwoordt de twintiger zonder omhaal. Zo kan hij in ieder geval het onvermijdelijke met het aangename verenigen en bovendien genieten van het strand en een beetje sightseeing. ‘Sinds ik hier ben, merk ik dat het niets uitmaakt of ik vanuit huis of ergens anders vandaan werk,’ zegt Greg. Dat hij na thuiskomst tien dagen in quarantaine moet, neemt hij op de koop toe. Door de avondklok en de contactbeperkingen zit tenslotte bijna iedereen in quarantaine. 

    Visa voor nomaden

    Inmiddels denken veel mensen hetzelfde als Greg, en ook de randvoorwaarden voor zulke tijdelijke ‘filialen’ worden steeds beter en talrijker. Want terwijl de meeste vakantieoorden de concurrentie om de gewone toerist maar hebben gestaakt en klagen over een bezettingsgraad die recordlaagte heeft bereikt, ontdekken sommige landen en steden een nieuwe doelgroep: de werkende toerist. Zelfstandigen en werknemers die opeens zijn losgelaten, kunnen nu in theorie overal vandaan werken, zolang ze maar snel internet en een bureau ter beschikking hebben. 

    Landen als Barbados en Costa Rica zorgden deze zomer al voor ophef door luidkeels aangekondigde nomad visas. En sinds kort lonken ook landen als Estland, Kroatië en Georgië met flexibele verblijfsvergunningen naar de moderne gastarbeider. Vooropgesteld dat hij kan bewijzen dat zijn inkomen hoog genoeg is. Estland verlangt bijvoorbeeld als garantie een inkomen van €3504 per maand.

    Landen als Barbados en Costa Rica zorgden deze zomer al voor ophef door luidkeels aangekondigde nomad visa

    In toeristische hotspots in Europa zijn vooral de eigenaren van vakantieappartementen anders gaan denken. In plaats van kortdurende Airbnb-oplossingen, waar op dit moment bijna geen vraag naar is, verhuren ze hun woning liever voor een langere periode en minder geld dan helemaal niet. ‘Afgelopen jaar hadden we zo’n 1000 onderkomens in Portugal in de aanbieding, nu zijn het er al 1700’, zegt Dave Williams, medeoprichter van NomadX, een portaal voor tijdelijke woningen en co-living. Ze verhuren niet op dag-, maar op maandbasis. Williams en zijn vrouw kwamen in 2017 op dit idee, omdat de twee Amerikaanse internetondernemers toen zelf een tijdje door Europa rondtrokken en het moeilijk vonden om betaalbare, goed uitgeruste woningen te vinden die je flexibel en zonder vreselijke papierwinkel en borgsommen kon huren.

    05 Coconat1 568x0 c default 1 1
    © Coconat

    Door corona is hun model in één klap actueel geworden. ‘Sinds mei hebben we meer dan een miljoen boekingsverzoeken gehad,’ zegt Williams. Door de tweede golf werd die ontwikkeling een beetje afgeremd, maar de mensen beginnen nu echt te experimenteren, vertelt hij. Twee weken geleden is NomadX samengegaan met concurrent Flatio, die woningen in zestig Europese steden aanbiedt, van Boedapest tot Rome en Athene. Samen willen ze de toenemende vraag beter bedienen.

    ‘We staan aan het begin van een ontwikkeling,’ gelooft Williams. ‘Nu in Amerika steeds meer ondernemingen als Apple en Facebook volkomen remote gaan, zullen veel van hun medewerkers eens een keertje een paar maanden naar Europa willen. Alleen al omdat ze door te reizen in het beste geval zelfs geld besparen.’ Geoarbitrage wordt het financiële voordeel genoemd dat je hebt als je je salaris verdient in een land met hoge prijzen, terwijl je verblijft in een land met lagere kosten van levensonderhoud. 

    Nieuwe gastarbeiders

    Mensen die reizen om in die tijd ook te werken, zijn er natuurlijk al veel langer. Digital nomads worden ze meestal genoemd. Je zag ze bij Starbucks achter hun laptop zitten, terwijl de profi’s, naar men zegt, allang in Thailand of Tenerife rondhingen, waar het weer altijd beter is en na gedane arbeid de golven wachten. Meestal ging het om programmeurs, aandelenhandelaren, software-ondernemers of bloggers, die al ver voor corona in groten getale als nomaden konden werken.

    De nieuwe gastarbeiders zijn in die zin anders, dat zij door hun baan niet voortdurend onderweg kunnen zijn en dat ook helemaal niet willen. Wat ze meer aantrekt, is een beetje snoepen van de nieuwe flexibiliteit, eens ergens anders zijn en twee vliegen in één klap te slaan: je werk doen en ook een beetje toerist zijn. Een droom voor multitaskers en lifestyle-optimizers. Maar meer een model voor alleenstaanden, stellen zonder kinderen en gezinnen waar de kinderen nog niet naar school hoeven. Van de laatste groep komt, als dat al het geval is, waarschijnlijk maar een van de ouders aan werken toe.

    Marcel Gasser (37) behoort eigenlijk tot de oude garde. Hij heeft thuis, in midden Zwitserland, allang geen vaste woonplaats meer. Als coach en business angel moest hij voor zijn projecten toch al naar allerlei plaatsen toe, en uiteindelijk is hij bewust nomade geworden. Ook nu, in de coronapandemie, is hij de hele tijd onderweg. ‘Tijdens de lockdowns ben ik twee keer naar Zweden gevlogen, daarna naar Italië en Griekenland. Reizen was goedkoper en mooier dan ooit,’ vertelt hij. Want de steden zijn nu natuurlijk leger dan anders. ‘Sprookjesachtig,’ zegt Gasser.

    Een droom voor multitaskers en lifestyle-optimizers

    Meestal werkt hij vijf uur, daarna gaat hij de omgeving verkennen. Je hebt een paar dagen nodig om ergens te landen, maar daarna geeft de nieuwe omgeving je extra veel energie en inspiratie. Een maand is ongeveer de ideale periode, schat Gasser. En je hoeft tegenwoordig ook niet bang te zijn dat je vereenzaamt: via Facebook en platforms als Meetup is het veel makkelijker dan vroeger om in een vreemde plaats mensen te leren kennen, samen te sporten, uit eten te gaan of op zakelijk vlak gedachtes uit te wisselen. 

    Juist de uitwisseling met gelijkgestemden vindt Gasser gezien zijn levensstijl erg waardevol. Hij heeft er een nieuw businessmodel voor aankomende halfnomaden door ontwikkeld. Bij Akasha gaat het niet per se om klassieke co-living of co-working ruimtes, maar om community spaces, die een flexibele leefruimte voor soms wel 20 tot 100 mensen bieden. Het eerste huis komt begin 2021 in Ticino (Zwitserland), er zijn plannen voor al met al twintig Akasha-communities wereldwijd.

    ‘Het idee is dat iedere geïnteresseerde nu eens hier, dan weer daar twee of drie maanden intrekt, van daaruit werkt en tegelijkertijd van de anderen in de community iets kan leren,’ legt Gasser uit. Een soort ‘open universiteit voor persoonlijke groei’ is wat hij voor ogen heeft. De meeste locaties zullen bovendien ergens buiten, midden in de natuur zijn, zodat de moderne mens niet alleen met internet, maar ook weer eens met de natuur connect. Ook deze ontwikkeling is door corona versneld, gelooft Marcel Gasser: het verlangen om naar het platteland te vluchten.

    Naar het groen pendelen

    Greendesking heet dan ook een andere nieuwe trend in de postcorona-werkwereld. Een bureau in het groen om digitaal werken te combineren met beleving van de natuur. Dat kan bijvoorbeeld een paar weken in zogenaamde working retreats. Zo biedt Sende je in een Noord-Spaans bergdorp co-working in het groen. Na gedane arbeid kun je samen gaan wandelen, of zwemmen in een afgelegen bergmeertje. Het eten wordt bereid met ingrediënten uit de omgeving. De drijvende krachten achter Sende hebben al een tweede locatie in Portugal in de planning. Niet alleen gestresste grotestadsbewoners zijn met dit soort concepten gediend, ontvolkte dorpen kunnen er ook een nieuw perspectief door krijgen.

    Een andere oplossing is om dagelijks naar het groen te pendelen. Want als je niet de hele tijd meer in de stad hoeft te zijn, kun je theoretisch voor je werk ook naar het platteland rijden. Steeds meer inwoners van Berlijn maken bijvoorbeeld gebruik van Coconat: een groot landgoed, een uurtje rijden buiten de Duitse hoofdstad, in Bad Belzig, Brandenburg, met yogastudio, massageruimte, een eigen bijenvolk en een kruidentuin op het terrein. ‘Birch’, buiten Londen, is een pas gerenoveerd achttiende-eeuws herenhuis dat zowel hotel als club is en zijn leden poepchique werkplekken met uitzicht op de natuur biedt. 

    Ook op dit soort werkplekken kun je tijdens een Zoomvergadering je achtergrond maar beter wegwerken. Niet om geheim te houden waar je bent, maar om je collega’s in hun gewone kantoor aan huis niet al te jaloers te maken.

  • Googles zoektocht naar het perfecte team

    Googles zoektocht naar het perfecte team

    Waarom zijn sommige teams succesvol en falen andere hopeloos? Internetgigant Google zocht het uit en komt met verrassende conclusies.

    Julia Rozovsky was vijfentwintig jaar en onzeker over wat ze nou met haar leven aan moest toen ze besloot dat het tijd was voor verandering. Ze had een bachelor wiskunde en economie aan Tufts University in Massachusetts en had bij een bedrijf voor consultancy gewerkt, wat ze nogal onbevredigend vond. Daarna had ze gewerkt als onderzoeker voor twee professoren aan Harvard, wat leuk was maar 
ze kon er geen carrière opbouwen.

    Misschien paste een groot bedrijf beter bij haar, dacht ze. Of misschien was een academische carrière iets, of misschien moest ze gaan werken bij een start-up. Het was allemaal nogal verwarrend. Dus koos ze 
iets waarvoor ze geen beslissing hoefde te nemen: 
ze schreef zich in bij een paar businessopleidingen, en werd in 2010 aangenomen bij de Yale School of Management.

    Aardig zijn voor elkaar, daar draait het om – ook bij Google. – © PENSON / HH
    Aardig zijn voor elkaar, daar draait het om – ook bij Google. – © PENSON / HH

    Klaar om haar klasgenoten te leren kennen, kwam ze aan in New Haven en werd net als de andere nieuwe studenten op de eerste dag in een studiegroep ingedeeld. Studiegroepen vormen een gebruikelijk onderdeel bij de meeste mba’s, ze vormen voor de studenten een oefening in het samenwerken in teamverband. Studiegroepen zijn zorgvuldig samengesteld om studenten met verschillende achtergronden, zowel professioneel als cultureel, bij elkaar te brengen. Eigenlijk verschilden de studenten in haar groep 
niet zo heel erg van elkaar. Twee groepsleden waren managementconsultant geweest, net zoals Julia. 
Een ander had bij een start-up gewerkt. Ze waren allemaal slim, nieuwsgierig en sociaal. Hun overeenkomsten zouden het makkelijk maken om een band met elkaar te krijgen, hoopte ze. ‘Er zijn legio mensen die zeggen dat ze sommigen van hun beste businessschoolvrienden hebben leren kennen in hun studiegroep,’ zei Julia. ‘Maar zo ging het bij mij niet.’

    Groepsstress

    Bijna onmiddellijk voelde de studiegroep als een dagelijkse dosis stress. ‘Ik voelde me nooit helemaal ontspannen,’ vertelde ze. ‘Ik had altijd het gevoel dat ik mezelf moest bewijzen.’ Al snel ontstond er een dynamiek die haar zwaar irriteerde. Iedereen wilde zijn leiderschapskwaliteiten laten zien, dus wanneer de studiegroep een opdracht kreeg, was er een subtiele strijd over wie de baas was. ‘Mensen probeerden autoriteit uit te stralen door harder te praten, of door de ander heen te praten,’ zei Julia. ‘Misschien kwam het door mijn eigen onzekerheid, maar ik had het gevoel dat ik altijd uit moest kijken dat ik in hun buurt geen fouten maakte.’

    Dus begon Julia uit te kijken naar andere groepen om zich bij aan te sluiten. Iemand vertelde haar dat er studenten waren die een team aan het samenstellen waren om mee te doen aan ‘case-wedstrijden’ waarin studenten van de businessschool innovatieve oplossingen bedachten voor businessproblemen uit de ‘echte’ wereld. Teams kregen dan een case voor hun neus, waren een paar weken bezig met een businessplan en legden dat vervolgens voor aan belangrijke mensen uit de top van een bedrijf en professoren 
die dan bepaalden wie de winnaar was. Julia schreef zich in.

    Teams zijn succesvol als iedereen zich kan uitspreken en men rekening houdt met elkaars gevoelens

    Aan Yale waren er zo’n twaalf verschillende teams voor de case-wedstrijden. Julia sloot zich aan bij de groep waar een voormalig militair in zat, een onderzoeker van een denktank, de directeur van een non-profitorganisatie op het gebied van gezondheidseducatie en een medewerker van een vluchtelingenorganisatie. In tegenstelling tot haar studiegroep had iedereen hier een andere achtergrond.

    Maar ze werkten vanaf het begin prima samen. ‘Een van onze beste cases ging over Yale zelf,’ zei Julia. ‘Er was altijd een winkeltje met snacks geweest dat door studenten werd gerund, maar de universiteit ging de verkoop van eten overnemen en daarom sponsorde de businessschool een wedstrijd voor het omvormen van de studentenwinkel tot iets anders. We verzonnen allerlei gekke plannen. Niemand brandde een suggestie af, we vonden elkaars domme ideeën altijd geweldig.’ Uiteindelijk kwam Julia’s caseteam uit op het idee om de studentenwinkel om te bouwen tot een mini-gym, uitgerust met fitnessapparaten. Ze werden de winnaar en de mini-gym is er gekomen.


    Julia vond het altijd vreemd dat de twee teams zo anders vóélden. Beide groepen bestonden uit grofweg dezelfde soort mensen. Allemaal pientere lui 
en iedereen kon buiten de groep goed met elkaar opschieten.

    Er was geen reden te verzinnen waarom de dynamiek in Julia’s studiegroep zo competitief was terwijl de sfeer in het caseteam zo ontspannen was. ‘Ik kon niet bedenken waarom ze zo verschillend waren,’ vertelde Julia me. ‘Zo had het helemaal niet hoeven gaan.’

    Leiderschap

    Na het behalen van haar diploma ging Julia aan het werk bij Google, bij de afdeling Personeelsanalyse, die zo ongeveer alle aspecten van de tijdsbesteding van Googlemedewerkers bestudeerde. Het was haar taak de data te gebruiken om te doorgronden waarom mensen zich op een bepaalde manier gedragen.

    Zes jaar lang werd Google door het blad Fortune gerekend tot een van de beste bedrijven om voor te werken. De reden daarvoor was volgens de top van het bedrijf dat Google enorm veel geld besteedde om te onderzoeken hoe gelukkig en productief werknemers waren, zelfs nu er 53.000 mensen werkten. De afdeling Personeelsanalyse, onderdeel van Personeelszaken, hielp vast te stellen of werknemers tevreden waren met hun leidinggevenden en collega’s, of ze zich overwerkt voelden, intellectueel geprikkeld en eerlijk betaald, of de balans werk-privé wel goed zat en ze onderzochten nog honderden andere dingen.

    Individuele slimheid of sterk leiderschap bleek niet doorslaggevend

    De afdeling vervulde ook een rol bij besluiten over het aannemen en ontslaan van mensen en de analisten verschaften inzicht in wie promotie moest krijgen en wie wellicht te snel opgeklommen was. In de periode voordat Julia bij de afdeling kwam werken, had Personeelsanalyse bepaald dat Google een sollicitant maar vier keer hoefde te interviewen om te voorspellen, met een betrouwbaarheidspercentage van 86 procent, of hij of zij een aanwinst zou zijn voor het bedrijf.

    De afdeling had er met succes op aangedrongen betaald zwangerschapsverlof te verlengen van 12 tot 18 weken omdat computermodellen aantoonden dat een langer verlof het percentage nieuwe moeders dat stopte met werken met 50 procent zou verminderen. Het basisidee van de afdeling was om het leven bij Google een beetje beter en veel productiever te maken. Met genoeg data, zo dacht de afdeling Personeelsanalyse, zou ongeveer elk gedragsraadsel opgelost kunnen worden.

    Het grootste project van de afdeling Personeelsanalyse in de voorgaande jaren was een onderzoek – met de codenaam Project Zuurstof – dat bestudeerde waarom sommige managers effectiever werkten dan andere. De onderzoekers hadden uiteindelijk acht doorslaggevende managementvaardigheden ontdekt.

    
‘Zuurstof was een enorm succes voor ons,’ zei Abeer Dubey, manager bij Personeelsanalyse. ‘Het hielp om duidelijk te krijgen waardoor een goede manager zich onderscheidde van anderen en hoe we konden ondersteunen dat mensen zich verbeterden.’

    Een open kringgesprek op zijn tijd doet wonderen. – © PENSON / HH
    Een open kringgesprek op zijn tijd doet wonderen. – © PENSON / HH

    Project Zuurstof

    Uit Project Zuurstof bleek dat een goede manager:
    1. een goede coach is;
    2. kracht geeft en niet managet op microniveau;
    3. interesse en aandacht toont voor het succes en welzijn van zijn ondergeschikten; 
4. resultaatgericht is;
    5. luistert en informatie deelt;
    6. behulpzaam is bij loopbaanontwikkeling;
    7. een heldere visie en strategie voor ogen heeft;
    8. cruciale technische vaardigheden heeft.

    Het project was zelfs zo nuttig, dat ongeveer op het moment dat Julia werd ingehuurd Google met een andere reuzeonderneming begon, dit keer onder de codenaam Project Aristoteles.

    Dubey en zijn collega’s hadden opgemerkt dat veel Googlewerknemers het er in bedrijfsonderzoeken altijd maar weer over hadden hoe belangrijk hun team was. ‘Googlers zeiden dingen als: “Ik heb een fantastische leidinggevende, maar in mijn team liep het nooit zo lekker”, of: “Mijn leidinggevende is niet geweldig maar het team is zo goed dat het niet uitmaakt”,’ zei Dubey. ‘En dat was een soort eyeopener, omdat Project Zuurstof naar leiderschap had gekeken, maar niet had onderzocht hoe teams functioneren, of dat er misschien wel een perfecte verdeling bestaat voor allemaal verschillende mensen met een andere achtergrond.’ Dubey en zijn collega’s wilden uitzoeken hoe ze een perfect team konden samenstellen. Julia werd een van de onderzoekers van dit project.

    Het project begon met een breed overzicht van de wetenschappelijke literatuur. Sommige wetenschappers hadden ontdekt dat teams het beste functioneerden als ze vooral bestonden uit mensen die allemaal even introvert en extravert waren, terwijl andere hadden ontdekt dat een evenwichtige 
verdeling van persoonlijkheden de sleutel was. Er bestonden onderzoeken over het belang van teamleden met allemaal dezelfde smaak en hobby’s, 
en andere verheerlijkten juist diversiteit in groepen. Er was onderzoek dat beweerde dat teams moesten bestaan uit mensen die graag samenwerkten; maar ander onderzoek meldde dat groepen succesvoller waren als er een gezonde rivaliteit was tussen de leden. Kortom, het ging alle kanten op in de literatuur.

    Een middelmatig team dat goed samenwerkt, doet dingen die een superster nooit voor elkaar krijgt

    Maar hoe ze de data ook rangschikten, het was bijna onmogelijk om een patroon te ontdekken – of enig verband tussen succes en de samenstelling van een team. ‘We bekeken 180 teams uit het hele bedrijf,’ zei Dubey. ‘We hadden legio data, maar niets duidde erop dat een mix van specifieke karakters 
of vaardigheden of achtergronden enig verschil 
uitmaakte. Het “wie”-deel van de vergelijking leek 
er niet toe te doen.’

    Sommige productieve teams bij Google bestonden bijvoorbeeld uit vrienden die buiten het werk met elkaar sportten. Andere bestonden uit mensen die buiten de vergaderkamer praktisch vreemden voor elkaar waren. Sommige groepen prefereerden sterke leidinggevenden. Andere wilden een plattere structuur. Het meest verwarrend was wel dat sommige teams met bijna gelijke samenstelling en een overlap in teamleden een totaal verschillend niveau van effectiviteit hadden. ‘Bij Google zijn we goed in het vinden van patronen, maar hier waren geen duidelijke patronen,’ zei Dubey.

    Groepsnormen

    Dus Project Aristoteles ging over op een andere aanpak. Er kwam een tweede ronde wetenschappelijk onderzoek die zich concentreerde op zogenoemde ‘groepsnormen’. ‘Bij elke groep ontstaan op een gegeven moment collectieve normen over gepast gedrag’, had een team psychologen in Sociology of Sport Journal geschreven. Normen zijn de tradities, gedragsstandaarden en ongeschreven regels die uitmaken wat we doen. Als een team zwijgend overeenkomt dat het waardevoller is om verschil van mening te vermijden dan te discussiëren, is dat een norm die zichzelf bevestigt. Als een team een cultuur ontwikkelt die het uiten van een andere mening aanmoedigt en groepsdenken afwijst, zwaait een andere norm de scepter. Het individuele gedrag van teamleden – misschien gaan ze tekeer tegen autoriteiten of werken ze liever op zichzelf – wordt binnen een groep vaak overruled door de groepsnormen die 
respect voor het team aanmoedigen.

    De onderzoekers van Project Aristoteles stortten 
zich weer op hun data, analyseerden ze opnieuw, deze keer op zoek naar normen. Ze zagen dat het in sommige teams altijd geoorloofd was dat mensen elkaar onderbraken, bij andere moest er om beurten gesproken worden. Sommige teams vierden verjaardagen en begonnen elke bijeenkomst met informele gesprekjes. Andere kwamen meteen ter zake. Er waren teams met extraverte leden die zich tijdens bijeenkomsten voegden naar de bezadigde groepsnormen, en in weer andere kwamen introverte teamleden uit hun schulp zodra de bijeenkomsten begonnen.

    En sommige normen, zo lieten de data zien, correleerden consequent met een hoge effectiviteit van een team. Er was bijvoorbeeld een technisch ingenieur die de onderzoekers vertelde dat zijn teamleider ‘direct en recht door zee is, wat een veilige plek 
creëert om risico’s te durven nemen. […] Ze neemt ook de tijd om te vragen hoe het met ons gaat, te kijken hoe ze je kan helpen en ondersteunen.’ Dit was een van de effectiefste groepen binnen Google.

    Anderzijds vertelde een andere ingenieur de onderzoekers dat zijn ‘teamleider een slechte beheersing over zijn emoties heeft. Hij raakt in paniek over kleine dingen en probeert telkens de controle te grijpen. Ik zou niet graag autorijden met hem naast me, want hij zou het stuur proberen te pakken en de auto in de prak rijden.’ Dit team presteerde slecht. Maar de werknemers hadden het vooral over hoe de verschillende teams vóélden. ‘En dat vond ik begrijpelijk, misschien door mijn ervaringen aan Yale,’ zei Julia. ‘Ik had in een paar teams gezeten die me totaal uitputten, terwijl ik van andere groepen juist energie kreeg.’

    Het lijkt erop dat groepsnormen een doorslaggevende rol spelen voor de manier waarop deelname aan een groep ervaren wordt. Onderzoek door psychologen van Yale, Harvard, Berkeley, de University of Oregon en andere universiteiten geeft aan dat normen 
bepalen of we ons veilig of bedreigd voelen, krachteloos of opgewonden, gemotiveerd of ontmoedigd door de andere teamleden. Julia’s studiegroep aan Yale bijvoorbeeld, putte haar uit omdat ze altijd op haar hoede was vanwege de heersende normen – het gedoe over leiderschap, de druk om voortdurend te laten zien wat je kon, de neiging om steeds kritiek te leveren. Daartegenover kon in het caseteam iedereen vriendelijk en ongedwongen zijn door de daar gehanteerde normen, enthousiasme voor elkaars ideeën, door niet altijd kritiek te leveren, positief 
te zijn – of iemand nou leiderschap wilde uitoefenen of meer op de achtergrond wilde blijven. Samenwerken was hier makkelijk.

    Maar het was wel de vraag welke normen er het meest toe deden. Het onderzoek van Google had tientallen normen gevonden die belangrijk leken – maar soms spraken de normen van de verschillende effectieve teams die even succesvol waren elkaar tegen. Was het maar beter om iedereen naar believen te laten praten of zou een strenge leider 
de discussie moeten inperken? Was het effectiever 
als mensen openlijk met elkaar van mening verschilden of moesten conflicten worden afgezwakt? 
Wat waren de cruciaalste normen?

    Googlemedewerkers in het Europese hoofdkantoor van het bedrijf in Londen. © PENSON / HH
    Googlemedewerkers in het Europese hoofdkantoor van het bedrijf in Londen. © PENSON / HH

    Collectieve intelligentie

    Stel je voor dat je gevraagd bent om je bij een van twee teams aan te sluiten: A of B.

    Team A bestaat uit acht mannen en twee vrouwen, allemaal uitzonderlijk slim en succesvol. Als je een opname ziet waarin ze samenwerken, zou je welbespraakte professionals zien die elkaar niet in de rede vallen en zich beleefd en hoffelijk gedragen. 
Als er op een bepaald moment een vraag opkomt, is één persoon – duidelijk een expert op dat terrein – geruime tijd aan het woord terwijl alle anderen luisteren. Niemand onderbreekt hem. Als iemand anders van het onderwerp afdwaalt herinnert een collega hem aan de agenda, en stuurt het gesprek weer in de goede richting. Het team is efficiënt. De vergadering is precies op het afgesproken tijdstip afgelopen.

    Bij team B gaat het anders. Er zijn daar evenveel mannen als vrouwen, van wie sommigen succesvol in de top zitten, terwijl anderen middenmoters zijn die professioneel weinig gepresteerd hebben. In een video-opname zie je de leden van het team lukraak hun zegje doen in de discussie. Sommigen praten maar door, anderen houden het kort. Het gesprek 
is lastig te volgen omdat ze elkaar zo vaak in de rede vallen. Als iemand uit het team abrupt het onderwerp verandert of afdwaalt, sjeest de rest van de groep met hem dat zijpad op. De bijeenkomst wordt niet echt beëindigd: iedereen blijft gewoon zitten roddelen.

    Bij welke groep zou je je liever aansluiten?

    In 2008 vroeg een groep psychologen van Carnegie Mellon University en het MIT zich af of ze zouden kunnen ontdekken welke van de teams duidelijk beter was. ‘Omdat onderzoek, leidinggeven en veel andere taken steeds meer in groepen worden uitgevoerd – zowel in levenden lijve als “virtueel” – wordt het steeds belangrijker om te begrijpen wat bepalend is voor de groepsprestatie’, schreven de onderzoekers in 2010 in Science. ‘In de twintigste eeuw hebben 
psychologen belangrijke voortgang geboekt bij het definiëren en systematisch meten van individuele intelligentie. Wij hebben de statistische benadering die zij ontwikkelden voor het meten van individuele intelligentie, gebruikt om systematisch groepsintelligentie te meten.’

    Anders gezegd: de onderzoekers wilden weten of er een collectieve intelligentie bestaat die binnen een team ontstaat en die anders is dan de slimheid van welk individueel lid dan ook.

    Even geen teamwerk in Tech City, een andere Googlevestiging in Londen. – © Getty Images
    Even geen teamwerk in Tech City, een andere Googlevestiging in Londen. – © Getty Images

    Iedereen op zijn plek

    Om dit voor elkaar te krijgen ronselden de onderzoekers 699 mensen, verdeelden die in 152 teams 
en gaven elke groep een reeks opdrachten die verschillende vormen van samenwerking vereisten. 
De meeste teams begonnen met een brainstorm van tien minuten over de mogelijke gebruikswijze van een baksteen en kregen een punt voor elk uniek idee. Daarna kregen ze de opdracht een boodschappenritje te plannen alsof ze huisgenoten waren met slechts één auto. Ieder teamlid kreeg een andere boodschappenlijst en een plattegrond waarop de prijzen van verschillende winkels stonden. De enige manier waarop een team de hoogste score kon krijgen, was dat iedere persoon één felbegeerd artikel van zijn lijstje opofferde in ruil voor iets wat bij de hele groep in de smaak viel. Daarna werd de teams opgedragen tot een uitspraak te komen in een zaak waarbij een student-basketballer kennelijk zijn docent had omgekocht. Sommige teamleden vertegenwoordigden de belangen van de faculteit; andere spraken vanuit de sportsectie. De uitspraak die maximaal tegemoetkwam aan het belang van beide groepen werd met punten beloond.

    Al deze opdrachten vereisten de medewerking van het hele team, en elke opdracht vroeg om een andere manier van samenwerken. Tijdens de observatie van de groepen zagen de onderzoekers overal een andere dynamiek ontstaan. Een paar teams verzonnen tientallen slimme gebruikswijzen voor de baksteen, kwamen tot een uitspraak die iedereen tevreden stemde en hadden het boodschappenritje in een oogwenk gepiept. Andere bleven dezelfde functie voor de baksteen in steeds andere woorden beschrijven, kwamen tot uitspraken die sommige deelnemers links lieten liggen en het lukte hen niet om meer dan ijs en fruitmuesli te kopen omdat niemand concessies wilde doen. Interessant was dat wanneer teams één taak goed vervulden, ze de andere taken er ook goed van afbrachten. Omgekeerd leken de teams die één taak niet goed deden, alles niet goed te doen.

    De sterke teams bevatten ook meer vrouwen

    Je zou kunnen denken dat de ‘sterke teams’ succesvol waren omdat de leden ervan slimmer waren – dat groepsintelligentie misschien niets meer was dan 
de bij elkaar opgetelde individuele intelligentie van de afzonderlijke teamleden. Maar de onderzoekers hadden vooraf het iq van de deelnemers getest en ontdekt dat de individuele intelligentie niet correleerde met het groepsresultaat. Tien slimme mensen bij elkaar in een kamer zetten, betekende niet dat ze vraagstukken op een intelligentere manier oplosten – nee, die slimme mensen werden vaak overtroefd door groepen die bestonden uit mensen die lager scoorden op intelligentie, maar die als groep toch slimmer leken.

    Of je zou kunnen beweren dat de sterke teams vastberadener leiders hadden. Maar het onderzoek liet zien dat ook dat niet klopte. Uiteindelijk kwamen de onderzoekers tot de conclusie dat de sterke teams 
het niet alleen goed hadden gedaan door de aangeboren kwaliteiten van de teamleden, maar ook door de manier waarop ze met elkaar omgingen. 
Anders gezegd, de succesvolste teams hanteerden normen waardoor iedereen zich op zijn plek voelde.

    ‘Alles leidt naar bewijs voor een overkoepelend collectief intelligentie-element dat voor een breed scala aan taken de groepsprestatie verklaart’, schreven de onderzoekers in hun artikel in Science. ‘Een dergelijke collectieve intelligentie is een eigenschap van de groep zelf, niet van de afzonderlijke individuen.’ Het waren de normen, niet de mensen, die het team slim maakten. De juiste normen konden de collectieve intelligentie van een groep middelmatige breinen omhoogtrekken. De verkeerde normen konden als struikelblok fungeren voor een groep die bestond uit mensen die ieder afzonderlijk bijzonder slim waren.

    Maar toen de onderzoekers de opnames bekeken van de interacties van de sterke teams, zagen ze dat niet alle normen er hetzelfde uitzagen. ‘Het was opvallend dat een aantal zich heel anders gedroeg,’ zei Anita Woolley, hoofdauteur van het onderzoek. ‘In sommige teams zaten een paar slimmeriken die uitpuzzelden hoe ze het werk gelijk konden verdelen. Andere groepen hadden gemiddeld intelligente teamleden maar verzonnen een manier om zo goed mogelijk te profiteren van ieders relatieve kracht. Sommige groepen hadden een sterke leider. Bij andere groepen was het wat meer in beweging en nam iedereen een leiderschapsrol op zich.’

    Twee soorten gedrag

    Maar er waren twee soorten gedrag die bij alle sterke teams voorkwamen.

    Ten eerste: de leden van sterke teams waren zo ongeveer allemaal even lang aan het woord, een fenomeen dat de onderzoekers betitelden als ‘een evenredige distributie van gespreksbijdragen’. In sommige teams deed bijvoorbeeld tijdens de opdrachten iedereen zijn zegje. In andere groepen was het aandeel in de conversatie bij elke opdracht anders, maar uiteindelijk was iedereen wel ongeveer even lang aan het woord geweest. ‘Zolang iedereen de kans kreeg om iets te zeggen, presteerde het team goed,’ zei Woolley. 
‘Maar als er maar één iemand of een kleine groep 
de hele tijd het woord voerde, zakte de collectieve intelligentie.

    Niet bij elk gesprek hoefde er een gelijke inbreng te zijn, maar in totaal moest het wel in evenwicht zijn.’

    Ten tweede: de sterke teams hadden een ‘hoge gemiddelde sociale sensitiviteit’ – een hoogdravende manier om te zeggen dat de groepen intuïtief begrepen hoe teamleden zich voelden, gebaseerd op de manier van praten, hoe mensen zich voordeden en de uitdrukking op hun gezicht.


    Een van de makkelijkste manieren om sociale gevoeligheid te meten is om iemand foto’s te laten zien van de ogen van mensen en hun te vragen om te beschrijven wat die persoon denkt of voelt. Dit is 
een ‘test om te meten hoe goed iemand zich kan verplaatsen in iemand anders’ hoofd, en kan “afstemmen” op hun mentale staat’, schreef de bedenker van de ‘gedachten in ogen lezen’-test, Simon Baron-Cohen van de University of Cambridge. Mannen raden gemiddeld slechts 52 procent van de emoties van de persoon op de foto correct, vrouwen meestal 61 procent.

    Mensen in de sterke teams in Woolleys experiment scoorden bovengemiddeld bij de ‘gedachten in ogen lezen’-test. Ze leken te zien wanneer iemand van de kaart was of zich buitengesloten voelde. Ze vroegen elkaar waar de ander aan dacht. De sterke teams bevatten ook meer vrouwen.

    Maar terugkomend op de vraag bij welk team je je liever zou aansluiten ingeval je de keus kreeg tussen de serieuze club, het professionele team A, of het vrijere, meer informele team B: je zou het beste kunnen opteren voor team B. Team A is slim en zit vol effectieve collega’s. Individueel zullen de leden stuk voor stuk succesvol zijn. Maar als team neigen ze ernaar om hun individuele gedrag voort te zetten. Er is weinig aanleiding om te denken dat ze als groep een collectieve intelligentie zullen ontwikkelen, omdat uit niets blijkt dat iedereen een gelijke stem heeft in het geheel en dat de leden gevoelig zijn voor de gevoelens en behoeften van teamgenoten.

    Team B is in tegenstelling daarmee rommeliger. Mensen praten door elkaar heen, ze springen van de hak op de tak, ze zijn gezellig aan het doen in plaats van zich aan de agenda te houden. Maar iedereen praat zoveel als voor hem of haar nodig is. Ze voelen zich allemaal even gehoord en snappen elkaars non-verbale communicatie en manier van uitdrukken. Ze proberen te anticiperen op elkaars reactie. Team B mag dan minder individuele uitblinkers hebben, de som van de groep is veel groter dan de afzonderlijke delen.

    Psychologische vrijheid

    Tegen de zomer van 2015 hadden de onderzoekers van het Google Project Aristoteles twee jaar lang onderzoeken verzameld, vraaggesprekken gehouden, informatie vergeleken met data uit het verleden en statistieken geanalyseerd. Ze hadden tienduizenden afzonderlijke data nauwkeurig onderzocht en tientallen softwareprogramma’s ontworpen om de ontwikkeling te analyseren. Uiteindelijk waren ze zover om hun conclusies te openbaren aan de medewerkers van het bedrijf.

    Ze belegden een bijeenkomst in het hoofdkantoor in Mountain View. Duizenden medewerkers kwamen opdagen en nog veel meer keken via een videostream. Laszlo Bock, hoofd van de afdeling Personeelszaken bij Google, liep het podium op en bedankte iedereen voor zijn aanwezigheid. ‘Het belangrijkste wat jullie van dit onderzoek zouden moeten meenemen is dat het er in veel opzichten meer toe doet hóé een team werkt, dan wíé erin zit,’ zei hij.

    Voor hij het podium op ging, had hij nog wat tegen me gezegd: ‘We dragen allemaal een mythe mee in ons hoofd. We denken dat we supersterren nodig hebben. Maar dat kwam niet uit ons onderzoek. 
Als je een team middelmatige krachten neemt en 
je leert ze op de goede manier met elkaar werken, dan zullen ze dingen doen die een superster nooit voor elkaar zou krijgen. En er zijn nog andere mythen, zoals dat salesteams anders geleid moeten worden dan technische teams, of dat de beste teams het over alles wat ze doen eens moeten zijn, of dat goed presterende teams heel veel werk nodig hebben om zich betrokken te blijven voelen, of dat teamleden in elkaars nabijheid moeten werken.

    ‘We richten ons nooit op het debuggen van menselijke interactie. We zetten goeie mensen bij elkaar en hopen dan dat het gaat lukken, en soms is dat zo en soms niet, en meestal weten we niet waarom’

    Maar we kunnen nu wel zeggen dat dat niet klopt. De data laten zien dat er een universele waarheid is voor het slagen van sterke teams. Het is belangrijk dat alle leden van het team zich gehoord voelen, maar het lijkt niet veel uit te maken of ze echt ergens een stem in hebben of beslissingen nemen. De hoeveelheid werk of de nabijheid van teamleden maakt ook niet uit. Wat ertoe doet is dat ze gehoord worden en sociaal fijngevoelig zijn.’

    Bock liet op het podium een reeks afbeeldingen zien. ‘Er zijn vijf sleutelnormen die ertoe doen,’ vertelde hij het publiek.
    1. Teams moeten geloven dat hun werk belangrijk is.
    2. Teams moeten het gevoel hebben dat hun werk voor hen persoonlijk betekenisvol is.
    3. Teams hebben duidelijke doelen en afgebakende rollen nodig.
    4. Teamleden moeten weten dat ze op elkaar kunnen rekenen.
    5. Maar het belangrijkste: teams hebben psychologische veiligheid nodig.

    Om psychologische veiligheid te creëren, moesten teamleiders het juiste gedrag voordoen, zei Bock. Daarvoor konden ze checklists gebruiken die ontworpen waren door Google: teamleiders zouden de leden van hun team tijdens een gesprek niet moeten onderbreken, want daardoor ontstaat een interruptienorm; ze zouden moeten laten zien dat ze luisterden door het gezegde, nadat het teamlid uitgesproken was, samen te vatten; ze zouden eerlijk moeten zijn over wat ze niet wisten; ze zouden een bijeenkomst pas moeten afsluiten wanneer alle leden van een team ten minste één keer hun zegje hadden gedaan; ze zouden mensen die ontdaan zijn, moeten aanmoedigen hun frustraties te uiten, en leden van het team aanmoedigen om onbevooroordeeld te reageren; ze zouden conflicten tussen groepen niet moeten verdoezelen en ze door open discussie moeten oplossen.

    Op de checklist stonden tientallen tactieken. Maar ze draaiden allemaal om twee algemene principes: teams zijn succesvol wanneer iedereen het gevoel heeft zich te kunnen uitspreken en wanneer de leden laten zien dat ze rekening houden met elkaars gevoelens.

    ‘Er zijn veel kleine dingen die een leider kan doen,’ zei Abeer Dubey. ‘Kapt de leider mensen tijdens een vergadering af met de opmerking “Ik wil hier graag een vraag over stellen”, of wacht ze af tot iemand klaar is met zijn verhaal? Hoe reageert de leider op een ontdaan iemand? Dat zijn zulke subtiele dingen, maar ze kunnen een enorme impact hebben. Ieder team is anders, en het is niet ongebruikelijk in een bedrijf als Google dat technici of verkoopmedewerkers opgeleid zijn om de strijd aan te gaan voor datgene waar ze in geloven. Maar je moet wel de juiste normen hebben om verschil van mening productief in plaats van destructief te laten zijn. Anders wordt een team nooit beter.’

    Bewuster

    Drie maanden lang reisde Project Aristoteles van het ene naar het andere district, lichtte hun bevindingen toe en begeleidde teamleiders. De mensen aan de top van Google verschaften instrumenten die teams konden gebruiken om te evalueren of de leden zich psychologisch veilig voelden en werkoverzichten om teamleden en -leiders hun scores te helpen verbeteren.

    ‘Ik heb een achtergrond in kwantitatief onderzoek. Als ik iets moet gaan geloven, dan moet je me data geven om het te staven,’ zei Sagnik Nandy, die als hoofd van Googles afdeling Technische Analyse een van de grootste teams van het bedrijf leidt. ‘Dus het zien van al deze data heeft een ommekeer voor me betekend. Technici halen heel graag fouten uit software omdat we weten dat we met slechts een paar tweaks de effectiviteit met 10 procent verhogen. Maar we richten ons nooit op het debuggen van menselijke interactie. We zetten goeie mensen bij elkaar en hopen dan dat het gaat lukken, en soms is dat zo en soms niet, en meestal weten we niet waarom. Door Aristoteles debuggen we onze mensen nu. Het heeft de manier waarop ik vergaderingen leid totaal veranderd. Ik denk nu zoveel bewuster na over hoe ik laat zien dat ik luister, of ik interrumpeer, of hoe ik iedereen aanmoedig zijn zegje te doen.’

    Het project heeft ook effect op het team Aristoteles. ‘Een paar maanden geleden zaten we in een vergadering en maakte ik een fout,’ vertelde Julia Rozovsky me. ‘Geen grote fout, maar het was wel beschamend, en achteraf stuurde ik een berichtje rond waarin ik uitlegde wat er was misgegaan, waarom het was gebeurd en hoe we het zouden oplossen. Meteen daarna kreeg ik een e-mail van een teamlid met alleen maar “Au” daarin.

    Het was alsof ik een stomp in mijn maag kreeg. 
Ik was al ontdaan dat ik een fout had gemaakt, en deze mail appelleerde precies aan mijn onzekerheden. Maar omdat we al lang samenwerkten, mailde ik hem terug en zei: “Er gaat niets boven een flinke ‘au’ om het gevoel van ochtendlijke psychologische vrijheid te vernietigen!” En hij reageerde met: “Ik probeer gewoon even je veerkracht uit.” Dat zou bij iemand anders verkeerd gevallen kunnen zijn, maar hij wist dat dit precies was wat ik nodig had. Met een interactie van dertig seconden losten we de spanning op. Het is grappig om je in teamverband bezig te houden met een project over teameffectiviteit, want je kunt alles wat je leert al doende uitproberen. Ik realiseerde me dat zolang iedereen maar het idee heeft dat ze ook wat mogen zeggen en we echt laten zien dat we naar elkaar willen luisteren, je het gevoel hebt dat iedereen je steunt.’

    Auteur: Charles Duhigg

    Dit is een voorpublicatie uit Slimmer, sneller, beter – Het geheim van productiviteit thuis en op het werk, dat binnenkort verschijnt bij Ambo|Anthos. Vertaling: René van Veen, Louise Koopman

  • Japanse moeders eisen kinderopvang

    Japanse moeders eisen kinderopvang

    Veel Japanse vrouwen stoppen met werken omdat er te weinig crèches zijn. Een van hen schreef een woedende blog.

    ‘Mijn zoon is op geen enkele crèche geaccepteerd. Dood aan Japan!!!’ Onder deze titel verscheen onlangs een bericht op een anonieme blog. De tekst, een aanklacht tegen het tekort aan plaatsen op crèches en het gebrek aan bereidwilligheid bij de autoriteiten om hier iets aan te doen, is sindsdien het gesprek van de dag. De moeder die het bericht schreef, laat haar woede de vrije loop: ‘Leven we soms niet in een samenleving waarin “elke burger mee mag doen” [een verwijzing naar een verkiezingsleuze van de conservatieve premier Shinzo Abe]? Ik heb geen andere keus dan mijn baan op te zeggen.’

    Toen onlangs een vrouwelijk lid van de oppositie Abe in het parlement vragen stelde over deze kwestie, antwoordde de premier dat hij niet kon nagaan of het verhaal waar was, omdat de schrijfster van de blog ervoor had gekozen anoniem te blijven. De parlementariër werd uitgejouwd door haar collega’s van de regeringspartijen, en een van hen daagde haar uit met de woorden: ‘Wie is die schrijfster dan? Laat ze haar gezicht maar eens zien!’

    Deze woordenwisseling ontlokte heftige reacties bij ouders [vooral moeders] die met dezelfde problemen rondom de kinderopvang te kampen hebben. Voor het parlementsgebouw werd gedemonstreerd en er werd een petitie aangeboden met 28.000 handtekeningen, waarin geëist werd dat de kinderopvang in het land structureel wordt verbeterd. De liberaal-democratische regering en de coalitiepartijen, door dit alles overvallen, lijken nu eindelijk te zijn begonnen na te denken over nieuwe maatregelen om de wachtlijsten van kinderdagverblijven te verkorten.

    Crèchekinderen lopen door de tulpenvelden in Toyooka, Japan. – © Getty
    Crèchekinderen lopen door de tulpenvelden in Toyooka, Japan. – © Getty

    Toch is hun antwoord volstrekt onvoldoende. Een woordvoerder van de liberaal-democratische partij gaf toe dat de ‘aanvankelijke reactie (van de fractieleden) ongepast was’, maar er is meer aan de hand. De affaire toont aan hoe weinig benul de autoriteiten hebben van de omvang van het probleem. De ellenlange wachtlijsten voor een plekje op de crèche brengen veel huishoudens ernstig in de problemen. Moeders die graag willen blijven werken, en gezinnen die om de eindjes aan elkaar te knopen afhankelijk zijn van twee inkomens, kunnen geen kant op. De storm aan bijval die de blog opwekte en het massale protest dat erop volgde, duiden erop dat er over de laksheid van de regering op dit punt een diepe onvrede bestaat. Het valt te hopen dat de regering dit ter harte neemt.

    De inkomensongelijkheid tussen de seksen wordt nog steeds alsmaar groter. Dit ligt deels aan het feit dat veel vrouwen geen vast contract hebben

    Premier Abe is dol op leuzen als ‘vrouwen kunnen actief deelnemen’ of ‘we leven in een maatschappij waarin alle vrouwen zich kunnen ontplooien’. Maar hebben zij in het huidige systeem die mogelijkheid echt? Het gebrek aan kinderopvangplaatsen is niet de enige factor die vrouwen belet om ‘actief deel te nemen’ aan het arbeidsproces.

    Eerder deze maand deed het comité van de VN voor de Bestrijding van Vrouwendiscriminatie de Japanse regering een aanbeveling. Het stuk stelt dat ‘de vorige aanbevelingen (uit 2009) onvoldoende zijn toegepast’. Opnieuw maant het comité Tokio om juridische maatregelen te nemen om vrouwendiscriminatie op de werkvloer te verbieden en te voorkomen. Een andere aanbeveling is om het aantal vrouwen in leidinggevende posities, zoals in het parlement of in de directie van bedrijven, te vergroten.


    Japan heeft in 1985 het verdrag over de uitbanning van alle vormen van vrouwendiscriminatie geratificeerd (het verdrag werd al in 1980 opgesteld). 
In 1999 werd een wet aangenomen die stelt dat onze samenleving gebaseerd is op gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Weliswaar is het aantal werkende vrouwen sindsdien sterk toegenomen, maar de inkomensongelijkheid tussen de seksen wordt nog steeds alsmaar groter [een verschil van 28 procent, oftewel het op twee na hoogste van alle OESO-landen]. Dit ligt deels aan het feit dat veel vrouwen geen vast contract hebben.

    Ook doen mannen onvoldoende mee bij de opvoeding van de kinderen en bij de zorg voor ouderen die niet meer voor zichzelf kunnen zorgen. Het idee dat mannen en vrouwen andere taken te vervullen hebben, blijft de norm in onze samenleving. In het laatste rapport van het World Economic Forum over sekseongelijkheid bungelt Japan nog altijd onder aan de lijst, op de 101e plaats. Als politici leuzen debiteren zoals dat ‘vrouwen actief mee kunnen doen’, moeten ze om te beginnen de realiteit onder ogen gaan zien.

    CONTEXT: De bevolking krimpt snel

    Japan heeft te maken met een sterke demografische terugloop. Dat komt door de toenemende vergrijzing van de bevolking, in combinatie met een erg laag geboortecijfer (gemiddeld 1,42 kinderen per vrouw). Als deze tendens zich voortzet, ‘is de Japanse bevolking aan het eind van deze eeuw nog maar half zo groot’, schrijft de Nihon Keiz ai Shimbun. Het lage geboortecijfer is een van de meest urgente sociale kwesties van het land. In 2007 is er een ministerie opgezet dat zich speciaal met dit probleem moest gaan bezighouden. Doel is om het geboortecijfer op te krikken tot minstens 1,8, en ervoor te zorgen dat de bevolking zich over vijftig jaar stabiliseert rond de 100 miljoen mensen (momenteel zijn het er 127 miljoen). De laatste 
regeringen hebben echter nauwelijks vergaande maatregelen genomen.

    In 2013 was de regering-Abe van plan om aan alle Japanse vrouwen in de vruchtbare leeftijd een ‘levensloopplan’ uit te delen, om ze bewust te maken van hun afnemende vruchtbaarheid in de loop van hun leven. Dit idee kreeg zo veel kritiek dat er snel weer van af werd gezien. Sinds het parlementaire debat over de blog ‘Dood aan Japan!!!’ (zie artikel hierboven) heeft de regering snel een aanbevelingscommissie in het leven geroepen die binnen enkele weken met een rapport over het gezin moet komen. De ambitie is om het aantal kinderen dat geen plek op een crèche kan vinden terug te brengen tot nul: een enorme uitdaging, aangezien het naar schatting om 850.000 kinderen gaat.

    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Asahi Shimbun
    Japan | dagblad | oplage 11.720.000

    De ‘Krant van de Rijzende Zon’, pleitbezorger van het Japanse pacifisme na de Tweede Wereldoorlog. 3000 journalisten, verdeeld over 300 nationale kantoren en 30 in het buitenland.

  • 2. Britse deeleconomie groeit als kool

    2. Britse deeleconomie groeit als kool

    Vijf miljoen Britten halen inmiddels hun inkomen uit werk dat zij verdienen via onlineplatforms, een oprukkend economisch verschijnsel. Is die zogeheten deeleconomie een zegen of een vloek?

    Het wordt wel de ‘deeleconomie’ genoemd en het is een steeds verfijnder en kennelijk zeer welkome toepassing van nieuwe technologieën op de arbeidsmarkt – om niet te zeggen op de economische groei. In een tijd waarin vaste salarissen nog altijd onder druk staan, weet de digitale technologie overal bezuinigingen te verwezenlijken, van autoverzekeringen tot taxiritjes. Door apps als Tinder zijn de kosten van de zoektocht naar een partner enorm afgenomen (in financieel opzicht, maar wellicht ook in emotioneel opzicht).

    De deeleconomie is groter dan sommigen denken: rond de vijf miljoen Britten verdienen inmiddels op deze manier hun geld. Door op een Uber-taxi te rijden, of door via TaskRabbit huishoudelijke klussen te doen voor anderen, om maar twee voorbeelden te geven. Alleen al via Uber zijn meer dan dertigduizend chauffeurs aan het werk, die worden aangemerkt als zelfstandig ondernemend deelnemer – door het hele Verenigd Koninkrijk, in vijftien steden, met alleen al in Londen meer dan anderhalf miljoen geregistreerde klanten. Vorig jaar zomer werd de waarde van Uber geschat op zo’n 50 miljard dollar, waarmee het de meest waardevolle tech-start-up ter wereld is.

    Uit een nieuw onderzoek, verricht door Ipsos Mori, is gebleken dat inmiddels meer dan vijf miljoen mensen betaald krijgen voor werk via onlineplatforms. Ook gaf meer dan 42 procent van de ondervraagden – hetgeen statistisch overeenkomt met meer dan 18,5 miljoen mensen – aan gebruik te maken van apps en internet om taxichauffeurs, aannemers, ontwerpers en accountants te benaderen. De mensen achter deze diensten, waarvan PricewaterhouseCoopers vorig jaar heeft gezegd dat ze in 2015 wel eens een economische waarde van 9 miljard pond zouden kunnen vertegenwoordigen, geven het begrip werk een geheel nieuwe invulling.

    Een Londense taxichauffeur zwaait met een vlag uit protest tegen Uber. – © Reuters
    Een Londense taxichauffeur zwaait met een vlag uit protest tegen Uber. – © Reuters

    Het internet, dat al voor vele omwentelingen heeft gezorgd op sociaal en economisch vlak, kan nog veel meer veranderingen teweegbrengen op het gebied van betaalde arbeid. De Britse arbeidsmarkt, die nu al tot een van de meest flexibele in West-Europa behoort, lijkt de komende jaren een digitale revolutie te gaan doormaken. Dat is goeddeels een positieve ontwikkeling. Een van de kleine wonderen van de recente recessie was de veerkracht die de Britse arbeidsmarkt toonde. Terwijl de productie afnam, banken bezweken en de aandelenmarkten in een vrije val belandden, wisten meer mensen te ontsnappen aan de werkloosheid dan tijdens welke eerdere baisse ook.

    Ook nu zien we dat de arbeidsmarkt wonderwel overeind blijft – hoewel er niets in de plaats is gekomen voor investeringen op lange termijn, zeker in de infrastructuur, teneinde deze gunstige toestand te consolideren en het productieniveau op te krikken, en daarmee ook de lonen en de levensstandaard.

    Hoewel “deeleconomie” zeer gemoedelijk klinkt, is er in feite weinig verschil met de traditionele “grijze economie”. En we weten allemaal wat dat inhoudt

    Maar hoewel ‘deeleconomie’ zeer gemoedelijk klinkt, is er in feite weinig verschil met de traditionele ‘grijze economie’. En we weten allemaal wat dat inhoudt. Meer informele betrekkingen in arbeidsrelaties betekent dat de schatkist broodnodige belastinginkomsten misloopt, de heffingsgrondslag wordt verkleind en de druk toeneemt op de belastingbetalers in het midden, die het toch al zo zwaar hebben. Wanneer de rijken eenvoudig het land kunnen verlaten of hun geld naar belastingparadijzen kunnen overhevelen, en de armen om te beginnen al te weinig geld hebben om belasting te betalen, dan komt de last van het vullen van de staatskas volledig neer op de middenklasse, die zich niet kan schuilhouden voor de belastingdienst.

    Er kleven ook nog andere gevaren aan het vergroten van de informele sector. Het is lastiger om het arbeidsrecht te handhaven, en maatregelen zoals een minimumloon zijn moeilijker overeind te houden. De arbeidskrachten dragen zowel de nadelen als de voordelen van de flexibiliteit: geen inkomensbescherming als hun gezondheid het laat afweten, en geen enkel vangnet wanneer ze plotseling zonder werk komen te zitten.

    Het betekent ook dat het voor vakbonden moeilijker, zo niet onmogelijk wordt om voet aan de grond te krijgen binnen deze nieuwe bedrijfstakken. Een van de meest ingrijpende aspecten die de veranderingen binnen de private sector de afgelopen decennia teweeg hebben gebracht, is dan ook de ondermijning van de positie van de vakbonden, wier kracht nu meer dan ooit is gebundeld in de publieke sector. Dat zou helemaal niet zo erg zijn volgens sommige mensen, die de mening zijn toegedaan dat vakbonden een negatieve uitwerking hebben op de werkgelegenheid, omdat ze hun leden uit de markt prijzen.

    Retour

    Feit blijft dat traditionele arbeidsverhoudingen, met werknemers en management, op hun retour zijn. De opkomst van de zelfstandigen, de mensen die parttime werken of op incidentele basis, versterkt deze trend.

    Het is inmiddels vijftig jaar geleden dat de Britse productie- en werkgelegenheidscijfers een piek vertoonden. Heden ten dage zijn we een diensteneconomie, waarin het land per verdiende 10 pond niet meer dan 1 pond haalt uit zijn rol als werkplaats van de wereld, de rol die het in de victoriaanse tijd had. Er zijn minder grote werkplaatsen en minder banen voor het leven, en de groei van de service-economie lijkt onverminderd door te gaan, ondanks overheidsinspanningen om het belang van ‘de makers’ te benadrukken. Of we het nu leuk vinden of niet, door de digitalisering verandert onze manier van werken.

    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    The Independent
    Verenigd Koninkrijk, dagblad, oplage 75.600

    Opgericht 1986 in het Thatcher-tijdperk, politiek neutraal. De kleinste kwaliteitskrant van Engeland is sinds 2002 in handen van de Rus Alexander Lebdedev (eveneens eigenaar van The London Evening Standard) maar nog altijd onafhankelijk en en pro-Europees.

  • Roemeen zijn is een baan

    Roemeen zijn is een baan

    Al tien jaar rijdt de Roemeen Viktor Talic met een bestelbusje door Europa om mensen en goederen af te leveren. Zijn vijftig uur lange, vrijwel slapeloze reizen bieden een verontrustend maar ook inspirerend kijkje in de ziel van het continent.

    De held van dit verhaal lijkt ouder dan zijn 34 jaar. Hij heeft indrukwekkende bovenarmen en een vriendelijk voorkomen, en hij weet wat veel mensen denken als ze ‘Roemenië’ horen. Er zijn Europese landen met een slechte reputatie, er zijn landen met een bijzonder slechte reputatie en dan heb je nog Roemenië. Het is een land waar hoofden van het Nationale Anticorruptie Directoraat moesten aftreden op beschuldiging van corruptie en waar de premier wordt verdacht van witwaspraktijken. Onze man weet daar alles van, omdat hij heel Europa bereist. In politieke termen zou je kunnen zeggen dat hij voortdurend op weg is door een steeds verder integrerende Europese Unie.

    In 1992 had Roemenië nog 23 miljoen inwoners. Nu zijn dat er vier miljoen minder. Degenen die emigreerden profiteren van het feit dat Europa een onuitgesproken arbeidsverdeling kent die ongeveer als volgt werkt: overal waar ongeschoolde arbeiders nodig zijn, kijken werkgevers naar Roemenen.

    Zelfs de Duitsers. Als er geen Roemenen waren, zouden eigenaars van abattoirs tot aan hun borst tussen de varkenskarkassen staan. Als zij er niet waren, zouden projectontwikkelaars de glorieuze Duitse bouwhausse kunnen vergeten. Hetzelfde geldt voor asperge- en aardappeloogsten. In de ogen van de Roemeense emigranten is alles beter dan thuisblijven. Als gevolg daarvan is huis en haard verlaten het meest Roemeense wat een mens kan doen – en dat is helemaal niet moeilijk. Je hoeft alleen maar in een minibusje te klimmen en naar het Westen te hobbelen. Elke Roemeense stad kent honderden van deze busjes. Een enkele reis Duitsland kost 70 euro; Nederland en België 80 euro; Frankrijk, Italië en Portugal 120 euro. Een gigantische armada van Roemeense busjes koerst al jaren door Europa.

    Hier komt onze held om de hoek kijken, een held van de vrijheid, een held van de markteconomie – en op de een of andere manier, op zijn eigen manier, ook een held van Europa. Hij laat zich Viktor Talic noemen. Het zou onverstandig zijn, beweert hij, om zijn echte naam te gebruiken. Talic is op weg naar Portugal. Hij is meer dan alleen maar chauffeur van een busje, hij is ook expediteur, geldtransporteur en koerier – allemaal tegelijk. Met zijn Mercedes Sprinter vervoert hij acht landgenoten en een voorraad goederen van Punt A (Roemenië) naar Punt B (Portugal), een route die al veel Roemenen hebben gevolgd. Een deel van zijn klanten gaat zijn geluk voor het eerst buiten het vaderland beproeven, anderen vertrekken voor korte tijd om asperges te plukken of in de bouw of de diepvries-industrie te werken, of in wat voor sector dan ook. Weer anderen waren alleen maar even terug in Roemenië om formaliteiten af te handelen in Boekarest. Wanneer ze op weg gaan naar Portugal, vertrekken ze niet van huis, ze gaan naar huis. Talics kofferbak is altijd gevuld met pakketten.

    Viktor Talic on the road, achter het stuur van zijn Mercedes Sprinter. – © Thomas Grabka / Der Spiegel
    Viktor Talic on the road, achter het stuur van zijn Mercedes Sprinter. – © Thomas Grabka / Der Spiegel

    De meeste zijn cadeautjes voor familieleden in het buitenland, zelf geslacht, zelf gebreid en vooral zelf gedistilleerd. Alles wat hij vervoert, of het nu pakketten of personen zijn, wordt van deur tot deur bezorgd, ongeacht de eind-bestemming in Portugal.

    Dromen over het Westen

    Het is half mei en Talic staat met zijn bus in het centrum van zijn woonplaats Satu Mare, in het noordwesten van Roemenië. Zijn klanten zijn allemaal stipt op tijd, gedoucht, een beetje weemoedig, en allemaal hebben ze meer bij zich dan de afgesproken ene koffer. Het zijn er zeven, ieder met zijn eigen dromen over het Westen. Er is een jong echtpaar bij en een ouder echtpaar, een gezette vrouw die de hele vijftig uur lange rit geen woord zal zeggen en een afgetobde, magere man van het soort dat door Hollywood vaak als terroristische ‘mol’ wordt gecast.

    Er is ook een mooi meisje bij in een glanzend witte, met lovertjes afgezette outfit, eigenlijk een joggingpak. Van alle chauffeurs in Satu Mare biedt Talic de zwaarste reis. Zijn route van hier naar Portugal is ongeveer 4000 kilometer lang. Hij mijdt Italië, hoewel dat korter zou zijn. De carabinieri hebben in het verleden vanwege de geringste overtredingen Roemeense auto’s geconfisqueerd. Dan rijdt Talic liever 500 kilometer om. De laatste halte is altijd Portimão, op het zuidwestelijke puntje van Europa, waar Talics moeder inmiddels naartoe is verhuisd. Verder westelijk kun je in Europa bijna niet gaan. De rit duurt vijftig uur en het eerste Roemeense woord dat je onderweg leert is cinci, oftewel vijf. Dat is precies het aantal minuten pauze dat Talic neemt na het tanken.

    Het tweede woord is cincisprezece, oftewel vijftien, wat de lengte is van de eetpauzes. Wat slaappauzes betreft, daarvoor is maar drie uur ingeruimd, overmorgen in het noorden van Spanje. De rest van de tijd blijft Talic wakker.

    ‘Krankzinnig, vind je niet?’ zegt Talic.

    Een vrouw in de Roemeense plaats Brasov steekt de weg over. – ©  Dennis Jarvis / Flickr
    Een vrouw in de Roemeense plaats Brasov steekt de weg over. – © Dennis Jarvis / Flickr

    Talic is een held van de vrijheid, een held van de markteconomie en een held van Europa

    Kostwinner

    Vijftig uur om 4000 kilometer door Europa te reizen in een oude groene Mercedes Sprinter met 1,2 miljoen kilometer op de teller. De stoelen zijn keihard en versleten, de tweeassige aanhanger is tot de rand gevuld. En dan is er nog de Roemeense discopop die op volle sterkte aan staat en eindeloos wordt herhaald, zodat Talic niet in slaap valt voordat hij Noord-Spanje bereikt.

    In Frankrijk mijdt hij de snelwegen – die zijn te duur – wat betekent dat het land met de grootste oppervlakte van Europa via landwegen wordt doorkruist. Tien uur pauze in Portugal is alles wat Talic zichzelf gunt voordat hij omdraait en weer op huis aan gaat. Dat komt neer op 8000 kilometer rijden, honderd uur achter het stuur, in iets meer dan vijf dagen. Is dit krankzinnig, suïcidaal of een gewone gang van zaken?

    Talic is een aardige man die zich niet klein laat krijgen door de miljoen kilometer die hij achter het stuur heeft gezeten. Hij begrijpt dat mensen kritiek hebben op zijn manier van leven en legt uit dat hij niet altijd chauffeur is geweest. Hij zegt dat hij een goede leerling was met een wiskundeknobbel. Maar op een dag, toen zijn vader een boom aan het omzagen was, viel er een tak van een eik op diens achterhoofd zodat zijn beide ogen uit hun kassen werden gedrukt. Hij viel voorover op zijn nog draaiende kettingzaag, een rode Drujba van Sovjetmakelij die zijn hart aan flarden reet.

    Talic was destijds veertien jaar. Een week nadat zijn vader omkwam in het bos ging hij van school; vier jaar lang voorzag hij met de zware Drujba in het levensonderhoud van zijn familie. Daarna ging hij naar Portugal en werkte in de bouw. Talic vertelt het verhaal op liefdevolle toon. Hij is niet iemand die overdrijft; vijftig uur later, op het zuidwestelijke puntje van Europa, bevestigt zijn moeder het hele verhaal met tranen in haar ogen. Voor iemand die als kind zijn familie onderhield met een kettingzaag lijken 4000 kilometer lange reizen door Europa zo krankzinnig nog niet. Eigenlijk is het best een prettig baantje. Talic start de bus. De overladen Mercedes kraakt en schokt, maar hij rijdt. Algauw bereiken we Hongarije.

    Een Roemeense seizoenarbeider oogst komkommers bij een bedrijf in het Duitse Vetscha. - © Patrick Pleul
    Een Roemeense seizoenarbeider oogst komkommers bij een bedrijf in het Duitse Vetscha. – © Patrick Pleul

    Acht mobieltjes

    Bij de grens verroert niets of niemand zich. Het is een warme dag en de Hongaarse douaniers zweten in hun blauwe uniform en laten zien hoe langzaam iemand in een paspoort kan bladeren. Talics baas, de eigenaar van het Mercedes-busje, staat voor ons in de rij, in een VW Passat. Hij rijdt altijd mee tot de grens, omdat hij de mensen van de douane het beste kent. Wanneer Talic niet verder komt bij de Hongaarse tolpoort, stapt voor ons zijn baas uit zijn auto en begroet een van de douane-beambten. Ze omhelzen elkaar. Ze kennen elkaar. Een korte babbel, een snelle blik in het paspoort.

    Er zit iets tussen de bladzijden, dat de douanier met geoefende vingers pakt. Twee minuten later kan Talic de rij verlaten en terwijl hij passeert, wenst de Hongaar in zijn uniform de Roemenen in de Mercedes vrolijk een goede reis. Talic leunt voorover en zet de muziek harder. Hij heeft een usb-stick met honderden uren Roemeense folkpop in de radio gestoken. Voor westerse oren is het honderden uren lang hetzelfde liedje. Talic lijkt het mooi te vinden, de anderen staren tevreden naar de eentonige Hongaarse Pannonische steppe.

    En dan rijden we Oostenrijk binnen.

    Talics mobieltjes liggen op het dashboard, acht in getal: twee Roemeense, een Duitse, een Franse, een Spaanse en drie Portugese. Als een klant een pakket in Portugal wil laten bezorgen, belt hij of zij Talic. Dat kan ook als Talic al onderweg is. Dan maakt hij een kleine omweg. Voor veel Roemenen is Talic een van de weinige banden die ze nog met thuis hebben. Natuurlijk zijn er Facebook, WhatsApp en vaste buitenlandtarieven voor mobiele telefoons, maar die nemen de heimwee niet weg. Tot Talics klanten behoren gastarbeiders die zeven dagen per week vijftien uur per dag in een veld in het Portugese Alentejo werken. Soms geven ze hem alleen maar pakketten ter bezorging om even Roemeens met hem te kunnen praten en een band met hun vaderland te voelen.

    Voor Talic is de EU geen monster dat in Brussel woont, het is een zee van mogelijkheden

    Hun land, hun regels

    Na Oostenrijk komt Duitsland. ‘Waarom gaat iedereen eigenlijk altijd vrijdags op weg?’ vraagt het mooie meisje zich hardop af. Ze heeft al in Duitsland gewerkt, in het zuiden, in een conservenfabriek. Daar verdiende ze 8,50 euro per uur aan de lopende band en was ze niet officieel in dienst. Maar ze was 400 euro van haar loon kwijt aan een piepklein kamertje in een stacaravan naast de fabriek. Dat kamertje van tien vierkante meter moest ze delen met een andere Roemeense. Ze merkte dat een minimumloon van 8,50 euro niet betekent dat je ook 8,50 euro verdient. Het betekent alleen dat sommige bedrijven moeilijker doen, en je maar 6 euro betalen.

    De armada van Roemeense busjes maakt zich op voor Duitsland, of meer in het bijzonder voor de politieagenten daar. Anders dan de Hongaren laten de Duitsers zich niet omkopen. Natuurlijk zijn er boetes, 50 euro, zelden meer. Het probleem zijn de eerlijke agenten. Alleen in Duitsland neemt een politieman de moeite om een bestelbusje vol Roemenen aan te houden op de Autobahn om te zien of de auto of de aanhanger te zwaar beladen is. Talic vindt de Duitsers niet bijzonder gemeen. Of lastig. Ze zijn gewoon correct, zegt hij. Een eenvoudige rekensom verklaart het vertrek op vrijdag: een chauffeur heeft ongeveer tien uur nodig om de 900 kilometer van de Hongaarse grens naar Passau af te leggen. Als je aan het begin van de middag uit Roemenië vertrekt, ben je vlak na zonsondergang in Duitsland. Een Roemeens nummerbord is ’s nachts moeilijker te herkennen en een deel van de Duitse agenten is in het weekend vrij, de mooie Duitse Autobahn is leeg, de kans dat je niet wordt aangehouden is groot.

    En voordat zaterdagochtend de zon opgaat, zijn de Roemenen alweer weg. Talic vindt het goed wat de Duitsers doen. Hun land, hun regels, zegt hij, niets mis mee. Hij ziet zijn werk als sport. Hij wil zijn dochter in Roemenië het beste van het beste geven, zodat ze later naar de universiteit kan en in een mooi huis kan wonen. Als hij zich aan de Duitse regels zou houden, zou dat onmogelijk zijn. Dus doet hij wat hij moet doen. Zoals Duitsland ook doet wat het moet doen, en Europa. Het is eigenlijk doodeenvoudig.


    Je komt bij wijze van spreken weinig mensen tegen die zo hartstochtelijk Europeaan zijn als Viktor Talic. Voor hem is de Europese Unie geen monster dat in Brussel woont, het is een zee van mogelijkheden. Veel mensen die met hem zijn meegereden keren een paar jaar later misschien in een grote auto terug naar Roemenië en trekken in een groot huis dat ze zich nooit zouden hebben kunnen veroorloven als ze het land niet hadden verlaten. Dus wie zegt dat de Europese droom niet werkt?

    Een graanveld in Roemenië. -  © Florin Gorgan / Flickr
    Een graanveld in Roemenië. – © Florin Gorgan / Flickr

    Varkens

    Terwijl het busje Frankrijk binnenrijdt gaat de radio aan. Talic tankt goedkope benzine in de buurt van Montluçon in de Auvergne. In plaats van te douchen gaat hij naar de drogisterijafdeling van een supermarkt en spuit parfum op zijn bovenarmen. Helaas doen de andere passagiers hetzelfde. Nu ruikt het buisje naar een parfumoutlet op het hoogtepunt van de zomer.

    In Frankrijk heeft Talic nooit problemen. Als hij voor de politie aannemelijk kan maken dat hij alleen maar op doorreis is en over een paar uur in Spanje zal zijn, laten ze hem passeren. Hij heeft maar één keer gedoe gehad. ‘Dat was met de varkens.’

    Algauw was bekend geworden dat je Talic alles kon meegeven. Twee euro per kilo, dat was de enige regel. Vorig jaar rond deze tijd kreeg hij een telefoontje van een Roemeen die in een slachthuis in de buurt van Lissabon werkte. De baas daar weigerde de lonen van de Roemeense werknemers te betalen en zei dat ze hem maar voor de rechter moesten slepen. De Roemenen hadden een ander idee: ze besloten zijn varkens te stelen. Ze timmerden een enorme houten kist, stopten er veertien levende varkens in en gaven alles aan Talic, die de gestolen waar vastsjorde op zijn aanhanger.

    Omdat alle betrokkenen besloten dat de reis van 4000 kilometer van Portugal naar Roemenië nogal lang was voor de varkens, besloten ze de varkens naar een kennis in Parijs te sturen. Talic en de varkens werden betrapt tijdens een politiecontrole. Een gendarme hield hen aan en vroeg om de verklaring van een dierenarts. Talic, die hem begrepen had, toonde hem de autopapieren en legde uit dat de zending voor Parijs was bestemd. De politieman schudde zijn hoofd en liet Talic doorrijden met zijn varkens.

    ‘Ze hebben het allemaal overleefd,’ zegt Talic. ‘De reis althans.’
    En zo rijden we Spanje binnen.

    De waanzin begint

    Na het vijfendertigste uur verstrijkt de tijd in dikke klonten. Bilbao, Valladolid, Salamanca, de steden trekken voorbij. Nu rijdt de bus in elk geval weer over de snelweg. Niemand let op de tijd, niemand lijkt zich erom te bekommeren of de rit ooit voorbij zal zijn. Spanje is het ergste deel van de reis. De passagiers hangen als verdoofd op hun stoel. De gespreksonderwerpen zijn al sinds Bazel uitgeput. Dit is het moment waarop de mensen zich afvragen waarom ze zich hiervoor 120 euro voor hebben betaald. Een vlucht zou twee keer zoveel hebben gekost. Nooit heeft het fijner gevoeld om in Portugal aan te komen. De waanzin begint. Van nu af aan blijft geen van Talics acht mobieltjes stil. Iedereen weet dat hij op zondagmiddag in Portugal arriveert. Iedereen wil weten wanneer zijn pakket, zijn familielid, zijn vriendje komt. Soms belt Talic met drie mensen tegelijk.

    Nadat hij het oudere echtpaar en de magere man in een dorp in de buurt van Lissabon heeft afgezet, rijdt Talic de Portugese hoofdstad in. Daar wachten verscheidene klanten hem op met hun auto om hun pakketten in ontvangst te nemen. Dertig, veertig Roemenen belegeren zijn Mercedes. Hij deelt het ene na het andere pakket uit en neemt een paar nieuwe in ontvangst.


    Zondagavond vroeg eindigt de rit in Portimão, een toeristenoord in de buurt van de Algarve waar de Portugese bouwhausse heeft geresulteerd in een paar oerlelijke torenflats. In een daarvan woont Talics moeder. Zijn zus en stiefbroer wonen onder haar.


    Talics moeder werkt voor 5 euro per uur als schoonmaakster in een hotel. De nieuwbouw waarin ze woont is nog niet klaar, maar ze wil onder geen beding terug naar Roemenië, ze is hier gelukkig. Talic zit naast haar aan de keukentafel en is te moe om te praten. Morgenochtend om acht uur gaat hij terug naar Roemenië. Hij zegt dat hem net iets te binnen is geschoten. Over de vraag hoe het is om Roemeen in Europa te zijn. Hij weet het antwoord. Roemeen in Europa zijn heeft niets met nationaliteit te maken. Roemeen zijn is een baan.

    Juan Moreno

  • Gezocht: werknemers (m/v) om eieren te breken

    Gezocht: werknemers (m/v) om eieren te breken

    Nu de economie in de Verenigde Staten aantrekt, ontstaan er werkgelegenheidsinitiatieven. Zoals Fort Recovery in Ohio, een eierbrekerij waarvoor Bernie Coyle niets liever wil dan veertig mensen de hand schudden, ter bezegeling van een deal. Maar sollicitanten blijken onbenullig, onervaren of ongemotiveerd – als ze al komen opdagen.

    Bernie Coyle wil mensen aannemen. In deze hoopvolle tijd van economisch herstel in Amerika wil hij veertig nieuwe werknemers een ziektekosten- en tandartsverzekering, een goed salaris en een pensioenplan bieden, en wel in Fort Recovery in Ohio, waar op 1 juni een nieuwe fabriek van start moet gaan.

    De veertig werknemers moeten apparatuur bedienen om eieren te breken, zodat ze aan bakkerijen in het hele land eiwit kunnen leveren. 144.000 eieren per uur, 1,3 miljoen eieren per dag.

    Dus klapt Bernie woensdagochtend in de ontbijtzaal van de Holiday Inn Express zijn laptop open. Hij strijkt even met zijn handen over zijn bedrijfsoverhemd van Perham Egg Ohio en maakt dan een spreadsheet aan. ‘Sollicitatietabel’ noemt hij het bestand.

    ‘Oké’, zegt hij. ‘Aan de slag.’

    Het eerste cv is van ene David. Hij woont in Chicago, vier uur rijden hiervandaan, en wil graag chef onderhoud worden. ‘Resultaatgericht’, zo omschrijft David zichzelf, in dat typische sollicitatiejargon: ‘teamspeler’, ‘aanpakker’.

    ‘David, David’, mompelt Bernie. ‘Hij heeft van ’82 tot ’85 in het leger gezeten, dus hij zal nu pakweg vijftig zijn. David.’

    Aan Davids laatste betrekking kwam een eind in november 2008: ‘Inkrimping’.

    Bernie opent nog een mail, en weer één – het verhaal van Amerika’s geplaagde maar hoopvolle beroepsbevolking, samengevat in bullet points. De sleutelwoorden weerspiegelen de opkomst en ondergang van hele industrieën, het eb en vloed van de werkloosheidscijfers: ‘ruime ervaring’, ‘manager afvalverwerking’, ‘manager autofabriek’.

    ‘Sorry, man’, zegt Bernie, omdat hij denkt dat een voormalig opziener van Chrysler niet over de juiste vaardigheden beschikt.

    ‘Sorry, Kyle. Ik wil onze veteranen graag een handje helpen, maar dit is een waardeloos cv.’

    ‘Steve.’ Nee. ‘Gary.’ Nee. ‘Robert.’ Nee.

    Bernie Coyle heef de grootste moeite om in de buurt van de nieuwe eierbrekerij werknemers te vinden - © Michael S. Williamson/The Washington Post
    Bernie Coyle heef de grootste moeite om in de buurt van de nieuwe eierbrekerij werknemers te vinden – © Michael S. Williamson/The Washington Post

    CV van Papa

    Zo gaat economisch herstel in zijn werk. Soms opent Wal-Mart een nieuwe vestiging en stromen er 23.000 sollicitatiebrieven binnen. En soms, als werkzoekenden meer hoop krijgen – vorige maand zijn er immers weer 192.000 banen bij gekomen – krijg je zoiets als Bernies tabel: een ingewikkelde puzzel van vraag- en aanbodgegevens die slecht bij elkaar passen, gekwalificeerde werkzoekenden die geen baan vinden en banen waarvoor geen gekwalificeerd personeel te vinden is.

    Bernie klikt op een sollicitatie die hij al eerder heeft bekeken en die hij niet uit zijn hoofd kan zetten. Het gaat om een man op leeftijd die al acht maanden te weinig werk heeft, nadat hij bij een fabriek is wegbezuinigd, en die moet rondkomen van tijdelijke klussen. Het meegestuurde document heet ‘CV van Papa’.

    ‘CV van Papa’, mompelt Bernie hoofdschuddend. Hij heeft wel zo’n idee wat voor man dat is: eind vijftig, begin zestig. Ervaren. Heeft misschien een beetje pech gehad. Uit de bestandsnaam leidt Bernie af dat hij misschien niet zo goed met computers overweg kan en zijn zoon moest vragen om zijn e-mail met cv te versturen.

    CV van Papa is volgens Bernie typerend voor de werkloze van 2014, deze tijd van bijscholing en specialisatie. Goed mogelijk dat er geen vraag meer is naar Papa’s vaardigheden. Dat zijn leven op zijn kop is gezet. Maar de economie krabbelt langzaam overeind. Hij wil zijn geluk weer beproeven.

    Bernie wil voor alle managementfuncties vier tot vijf kandidaten op gesprek vragen. Hij maakt een lijstje. Ook CV van Papa zet hij erbij. Die man is misschien niet handig met computers, maar hij wil hem toch een kans geven.

    ‘Ik heb veertien mensen die ik wel op gesprek wil vragen’, mailt hij naar het hoofd HR van zijn bedrijf. ‘Maak maar afspraken met hen.’

    Het enige wat Bernie wil, is mensen aannemen.

    Dit is wat Bernie te bieden heeft, zoals omschreven in de vacature die overal op websites staat:

    binnenkort opening van een nieuwe fabriek in fort recovery, ohio!!!

    Zoals iedereen weet die wel eens buiten de deur ontbijt, staan er steeds vaker eiwitproducten op het menu. Wie veel onderweg is, weet dat de meeste hotels een warm ontbijtbuffet aanbieden met verschillende kant-en-klare eierproducten of roerei. Voor al die producten moeten grote machines eerst de eierschalen breken.

    Wat Bernie verder te bieden heeft, is Fort Recovery.

    1430 inwoners. Een piepkleine gemeente vlak bij de grens met Indiana, omringd door maïs- en sojavelden en lange, lage kippenschuren. Een dorp met één hoofdstraat, een lunchmenu van $ 4,99 en een houten standbeeld van de lokale heldin Red-Haired Nance: in de strijd waar de naam van het dorp (‘Fort Herstel’) naar verwijst, is zij de indianen te lijf gegaan met in één hand een koekenpan en op haar andere arm een baby.

    Tot vorig jaar had Bernie nog nooit van het dorp gehoord. Hij runde een onderdelenfabriek in het noorden, in Green Bay, Wisconsin, toen hij werd gebeld door de baas van de holding, North Central Equity. ‘Bernie’, zei die, ‘ik kan de hand leggen op een miljoen kippen.’ Een eiersorteerbedrijf moest pluimvee kwijt, en dat bood een ideale kans om een eierbrekerij op te starten.

    Dus Bernie keek op Google Earth waar Fort Recovery lag: 700 kilometer verderop in Mercer County, de county met zo ongeveer het hoogste aantal eieren én de laagste werkloosheid van heel Ohio (4,3 procent, volgens de laatste gegevens). De vacature ging online, en toen Bernie van heinde en ver sollicitatiebrieven kreeg – van Columbus (werkloosheid 5,9 procent) tot Atlanta (7,9 procent) en Rancho Cucamonga in Californië (9,4 procent) – leek Fort Recovery wel een metafoor voor het economisch herstel van het hele land.

    Bernie Coyle legt Gloria Burns uit hoe het dateren van eieren werkt - © Michael S. Williamson/The Washington Post
    Bernie Coyle legt Gloria Burns uit hoe het dateren van eieren werkt – © Michael S. Williamson/The Washington Post

    Stevig herstel

    Dertien dagen na het doorspitten van de cv’s zit Bernie in de vergaderkamer van het stadhuis met drie stapeltjes papieren: het officiële sollicitatieformulier, een overzicht van de secundaire arbeidsvoorwaarden bij Perham Egg en de cv’s van de sollicitanten die vandaag op gesprek komen. Wie door zijn eerste selectie komt, wil hij eind van de week rondleiden in de fabriekshal.

    ‘Ik vraag altijd wat hen bijzonder maakt’, zegt hij. ‘Wat hen drijft.’

    Bernie is 62 en heeft inmiddels genoeg ervaring met het opstarten en runnen van bedrijven om te weten hoe je een cv moet lezen. Hij wil niet alleen weten wat mensen kunnen, hij wil ook zien hoe ze informatie verwerken. Hij gelooft in de managementfilosofie van lean thinking en in genchi genbutsu (Japans voor ‘gaan kijken’), een managementstijl die berust op nauwkeurige observatie. Hij schept niet graag op, maar vindt dat hij behoorlijk goed is in wat hij doet. ‘Met mijn slaggemiddelde haal je de Hall of Fame wel’, zegt hij dan.

    Hij woont met zijn vrouw in een voorstad van Philadelphia, aan de oostkust, maar sinds vorig jaar juli bivakkeert hij in het Holiday Inn. Hij eet elke avond dezelfde salade bij Wings & Rings. Van Bernie mag de nieuwe fabriek nu wel opengaan.

    ‘Het is vier over tien.’ Fronsend kijkt hij naar de klok aan de wand. De eerste sollicitant zou hier om tien uur zijn. ‘Geen goed begin. Hoe heette het op de universiteit ook weer?’ Hij maakt er een grapje van. ‘Academisch kwartiertje?’

    Om tien over tien is de sollicitant er nog steeds niet. Hij komt gewoon niet opdagen, voor een baan van 50.000 dollar per jaar. ‘Dit heb ik nog nooit meegemaakt’, zegt Bernie.

    Een paar uur later gebeurt het nog een keer.

    ‘Twee sollicitanten hebben verstek laten gaan’, zegt Bernie tegen Roberta Staugler, de financieel beheerder van de gemeente, die aan haar bureau in de foyer zit.

    ‘Dat meen je niet’, zegt ze.

    ‘En dit zijn goeie managementbanen.’

    ‘Niet te geloven.’

    Bernie telt het eens na: van de veertien sollicitanten die voor een gesprek zijn uitgenodigd, kwamen er twee niet opdagen, heeft er één vorige week afgezegd en hebben er twee helemaal niet op e-mails gereageerd. Er waren sollicitaties gekomen van mensen die zelfs vanuit Rancho Cucamonga wilden verkassen voor een goede baan, maar inmiddels heeft Bernie nog maar negen kandidaten voor vier vacatures.

    De twee mensen die vandaag wel op gesprek komen, zijn goede mensen die echter niet de kwalificaties hebben voor een leidinggevende functie.

    ‘Vertel me eens wie Barry is. Vertel eens wat jou bijzonder maakt’, zegt hij bemoedigend tegen een 37-jarige man met een vlezig gezicht, een vader van twee dochters.

    ‘Ik wil gewoon iets van mijn leven maken’, zegt Barry verlegen.

    ‘Wat maakt jou bijzonder?’ vraagt hij Ruth, die toegeeft dat ze waarschijnlijk niet geknipt is voor deze functie, maar dat ze op haar vierenvijftigste een baan met zekerheid wil.

    Aan het eind van de dag stapt Bernie in zijn Toyota, waar de rommel op de achterbank getuigt van het maandenlange pendelen tussen hier en thuis, en rijdt naar de fabriekshal. Daar hangt een geur van cement en klinkt geratel van drilboren. De verwarming is nog maar net gerepareerd en de internetverbinding is gammel. In een koelcel achterin staan metershoge stapels eieren, honderdduizenden eieren die wachten tot ze gebroken en verkocht kunnen worden.

    ‘Twee sollicitanten zijn niet komen opdagen’, zegt hij tegen Robyn Laird, de office manager van Perham Egg Ohio. Hij moet schreeuwen om boven het lawaai uit te komen.

    ‘Belachelijk’, brult ze terug.

    Dit is Robyns tweede werkdag. Bernie heeft haar vorige maand aangenomen. Robyn, die een jaar als serveerster heeft gewerkt nadat ze een eind had gemaakt aan een lastige situatie als werkneemster van haar ex; die Bernie, na zijn vraag wat haar bijzonder maakt, had verteld over haar vrijwilligerswerk met jongeren; die dankbaar was voor de baan als office manager. Die Robyn kan zich niet voorstellen dat iemand niet komt opdagen bij een sollicitatiegesprek. Op haar eerste werkdag stuurden haar ouders haar een bosje bloemen, blij dat hun dochter weer werk had, vertelt ze: ‘Gefeliciteerd met je nieuwe baan. Liefs, papa en mama.’

    ‘Ik zal het maar afkloppen, maar het herstel zet hier stevig door’, zegt Jared Ebbing, en hij klopt ook daadwerkelijk op zijn houten bureau in het gerechtsgebouw van Mercer County. Ebbing is districtshoofd economische ontwikkeling. ‘We hebben hier veel te bieden. We moeten alleen mensen vinden die op het platteland hun kans willen wagen.’

    Daarom heeft hij Hometown Opportunity opgezet, een website die mensen moet stimuleren werk te zoeken in Fort Recovery en omgeving. ‘Dit is geen achterlijke streek. Mensen denken dat je hier midden in de rimboe zit, maar we zitten juist supercentraal. Anderhalf uur rijden van Columbus, Dayton, Cincinnati, Indianapolis’, zegt hij, al is het in sommige gevallen eerder twee uur rijden.

    ‘We hebben meer dan 1400 vacatures op Hometown Opportunity gezet’, zegt Ebbing. ‘Ken je Ferguson? Dat is een soort Amazon voor loodgietersbenodigdheden.’ Ferguson heeft hier net een vestiging geopend en zoekt magazijnmedewerkers, inpakkers, monteurs, orderverzamelaars.

    Na haar tweede gesprek bieden Bernie Coyle (midden) en Tim Zueger (rechts) Gloria Burns een baan aan - © Michael S. Williamson/The Washington Post
    Na haar tweede gesprek bieden Bernie Coyle (midden) en Tim Zueger (rechts) Gloria Burns een baan aan – © Michael S. Williamson/The Washington Post

    Voorzichtig optimistisch

    Op de bowlingbaan van Fort Recovery praten mensen met elkaar over hun werk bij Ferguson, in een graankarfabriek van J&M, in een pluimveeslachterij of in een eiersorteerbedrijf. Natuurlijk, de streek heeft het zwaar te verduren gehad, in 2010 stond het werkloosheidscijfer hier op 9 procent, maar de landbouw bood houvast en iedereen is het erover eens: wie wil, kan nu weer werk vinden. Zo ziet herstel eruit, en dat is mooi om te zien. Behalve als je een eierbreekbedrijf wilt opzetten.

    Bernie praat met een slotenhandelaar over de beste sloten om het bedrijfspand te beveiligen.

    Bernie praat met de mannen van de riolering om te horen of die nu helemaal in orde is.

    Bernie heeft zeven kinderen, onder wie een zoon met spina bifida, die door bezuinigingen net zijn baan is kwijtgeraakt en iedere dag op zoek is naar nieuw werk.

    Bernie krijgt weer een afzegging van een veelbelovende sollicitant. Zo houdt hij nog acht gegadigden over.

    ‘Lieve hemel’, zegt Bernie. ‘Dit is krankzinnig.’

    Bernies ideaal is de handdruk. ‘Om de zaak te beklinken’, zegt hij. ‘Hand erop.’ Hij houdt van het ritueel, het directe contact. Als iemand op het tweede gesprek nog een goede indruk maakt, doet hij graag een salarisvoorstel, vraagt: ‘Hebben we een deal?’ en bezegelt het met een stevige handdruk.

    Na de teleurstellende eerste dag heeft hij alternatieven uitgebroed. Ruth en Barry zijn misschien niet geschikt voor managementwerk, denkt hij, maar het zijn wel harde werkers. Hij kan ze nog eens op gesprek vragen voor lagere functies. Dan heeft hij toch twee vacatures vervuld. Kan hij twee mensen de hand drukken.

    Het is weer woensdagochtend. Hij draagt een schoon Perham Egg-overhemd, keurig gestreken, en gaat naar het stadhuis voor de sollicitatiegesprekken van vandaag. Het eerste staat gepland voor tien uur, maar als hij om kwart voor tien aankomt, zit ze al te wachten: een kleine vrouw met rood haar, gekleed in een keurig broekpak en een map vol diploma’s en getuigschriften onder haar arm.

    ‘Bernie?’ Ze lacht en staat op. ‘Ik ben Gloria.’

    Gloria Burns wil hier werken. Ze wil bij Perham Egg Ohio toezien op de naleving van de Safe Quality Food-norm (SFQ). Ze heeft in het weekend informatie over het bedrijf opgezocht. Ze heeft kopieën bij zich van haar cv, dat ze onlangs heeft verbeterd met behulp van tips uit een door haar kerk georganiseerde workshop. Ze houdt in de gaten dat ze Bernie in de ogen kijkt als ze hem een hand geeft.

    ‘Vertel eens wat jou bijzonder maakt’, zegt Bernie. ‘Vertel eens waarom je deze baan zo ziet zitten.’

    ‘Ik ga hier helemaal voor, omdat ik al vijfentwintig jaar in de kwaliteitscontrole zit’, zegt Gloria. ‘Voedselveiligheid is een van de belangrijkste dingen die je je klanten moet geven.’

    Bernie wordt filosofischer dan in de andere sollicitatiegesprekken: ‘Denk je dat controles een product kwaliteit kunnen geven?’

    ‘Goeie vraag’, knikt ze. ‘Met controle kun je geen kwaliteit toevoegen. Die moet er al in zitten.’

    Bernie maakt een aantekening op haar sollicitatieformulier en vraagt waarom de SQF-functie haar interesseert.

    ‘Ik ben op zoek naar een nieuwe baan. Omdat mijn vorige dienstverband werd beëindigd. Ik treur daar verder niet om of zo.’

    ‘Werd het beëindigd omdat het bedrijf stopte?’

    ‘Nee, ze stopten alleen met mij. Ik moest weg.’

    Het kwam door een verandering in het management, legt ze uit, maar vóór haar ontslag had ze met haar kwaliteitscontrole wel een score van 98 procent gehaald. Dat is vier maanden geleden. Sindsdien is ze druk bezig nieuw werk te vinden, en deze baan, met een salaris vanaf 45.000 dollar (wat lager dan de bijna 55.000 die ze gewend was), trekt haar wel.

    Na het gesprek rijdt Gloria terug naar de boerderij waar ze woont, in het naburige Darke County (werkloosheid 6,1 procent), naar haar man die in de fabriek van Kitchen-Aid werkt, naar haar leven dat ze sinds het ontslag met zo veel mogelijk activiteiten heeft gevuld om iets om handen te hebben. Ze geeft les op de zondagsschool. Ze is vrijwilligster op de school van haar kleinzoon. Ze studeert online voor haar hbo-diploma, ze doet een paar klussen als schoonmaakster en ze verzorgt haar kippen, waarvan ze de eieren niet breekt maar met een bord aan de kant van de weg te koop aanbiedt.

    Ze is voorzichtig optimistisch.

    De omgeving van Fort Recovery - © Michael S. Williamson/The Washington Post
    De omgeving van Fort Recovery – © Michael S. Williamson/The Washington Post

    Vacature vervuld

    Na dit gesprek zit Bernie nog een tijdje te wachten op de zoveelste sollicitant die niet komt opdagen, zodat hij nog maar zeven gegadigden overhoudt.

    Dan volgt de lunch, en tot slot om drie uur ’s middags een laatste afspraak. Op de wandklok kruipen de wijzers vooruit. Vijf over drie. Tien over. Kwart over. Net als hij er een punt achter wil zetten, gaat de deur open: een oudere man, met een geruit overhemd en een snor. Daar is CV van Papa.

    ‘Had je moeite om hier te komen?’ vraagt Bernie, met een veelbetekenende blik op de klok.

    ‘Nee, leuk tochtje.’

    CV van Papa verontschuldigt zich niet dat hij te laat is. Hij zegt dat hij zichzelf beschouwt als een ‘productiviteits- en verbeteringsspecialist’, een zelfbedacht specialisme. Hij zegt dat hij een kwakkelende hotdogfabriek ooit uit het slop haalde door op kantoor een hele wand groen te verven en er met grote blokletters the a-team op te schilderen. Het idee daarachter, legt hij uit, was dat het zijn medewerkers zou aansporen het A-team van de hotdogwereld te worden. CV van Papa zegt dat hij ‘een harde werker en een gezelligheidsmens’ is. Het salaris dat hij voorstelt ligt 15.000 tot 25.000 dollar hoger dan het salaris dat in de vacature stond vermeld.

    Bernies ogen knipperen even achter zijn brillenglazen. ‘Is dat wat je wil?’

    ‘Deanna, Bernie hier. Ik weet dat ik te laat ben voor onze conference call.’

    De dag na het laatste sollicitatiegesprek belt Bernie met HR om de stand van zaken door te geven.

    ‘In omgekeerde volgorde: de laatste kwam een kwartier te laat, vond zichzelf geweldig en wil een astronomisch salaris. Die hoeft niet terug te komen.’

    Francella kwam niet opdagen, somt Bernie op. James kwam niet opdagen. Hij wil Gloria nog eens uitnodigen voor de functie van SFQ-controleur, maar hij heeft nog niemand voor de functie van productiemanager. Dat is de hoogste functie die hij te vergeven heeft, met een salaris van 60.000 tot 70.000 dollar voor iemand met de juiste kwalificaties.

    Bernie ziet zichzelf graag als een coach die een honkbalteam moet samenstellen. Het aantal functies ligt vast, met de kandidaten kan hij wel een beetje schuiven. Kan de man die voor het eerste honk solliciteerde misschien ook als veldspeler worden opgesteld? En de werper?

    Hij kijkt naar de kalender aan de wand van het stoffige kantoortje in het lawaaiige bedrijfspand. ‘1 juni’, zegt hij tegen Deanna. ‘1 juni.’

    Gloria is twintig minuten te vroeg voor haar tweede gesprek.

    Ze hebben afgesproken bij de fabriekshal. Bernie heeft net geluncht bij de bowlingbaan en vanochtend voor de zoveelste keer ontbeten in het hotel. Hij eet meestal havermout. Zijn dokter heeft hem gewaarschuwd voor cholesterol. Bernie eet eigenlijk geen eieren.

    Hij heeft zijn collega Tim Zueger gevraagd mee te lopen op zijn rondleiding. Een extra paar ogen om te kijken hoe Gloria reageert.

    Tim, die al heel zijn leven in de eieren werkt, loopt achter de andere twee aan. Bernie en Gloria praten over het belang van hygiëne.

    ‘Werk je in drie shifts?’ vraagt Gloria.

    ‘Twee.’

    ‘En de derde is louter schoonmaken?’

    ‘Van onder tot boven’, bevestigt hij.

    ‘Mooi. Dat zie ik graag.’

    Bernie neemt haar mee naar een halfvoltooide aanbouw aan de zijkant van het gebouw. ‘Hier heb ik het werk laten stilleggen. Waarom denk je?’

    ‘Schimmel’, zegt ze, en ze wijst naar een vale grijze rand langs de vloer.

    ‘Precies.’

    Na de rondleiding laat Bernie haar even achter bij een stuk muur waar ze uitzicht heeft op een zee van beton en afzettingslint, en de enorme ruimte waar over twee maanden miljoenen en miljoenen eieren gebroken moeten worden. Twintig meter verderop overlegt hij met Tim. Vijf minuten later komt hij terug met een voorstel.

    ‘Zou je het ook zien zitten’, vraagt hij, ‘om de boel te runnen?’

    Hij wil haar niet de baan geven waarop ze gesolliciteerd heeft. Hij wil haar een betere baan geven, hij wil haar de baas maken.

    ‘Dat… dat is geweldig.’ Als dit niets was geworden, was ze weer aan de slag gegaan als serveerster of had ze wel iets anders gevonden, dacht ze bij zichzelf. Ze vond wel dat het gesprek goed ging, maar zo’n aanbod, zo snel, had ze niet verwacht.

    Bernie zegt dat hij haar naar een andere vestiging in Minnesota wil sturen om haar in te werken, liefst volgende week al. ‘Hebben we een deal?’ vraagt hij.

    Gloria zegt dat ze alle papieren nog wil doornemen, en ze moet de reis nog boeken, en…

    ‘Hebben we een deal?’ vraagt hij weer, en steekt zijn hand uit.

    Dan lacht ze en knikt.

    Weer een vacature vervuld. Er staan er nog genoeg open. Maar dit is weer een stap in het herstel van de economie.

    ‘Hand erop?’ zegt Bernie. ‘Hand? Hand.’

    Auteur: Monica Hesse
    Vertaler: Frank Lekens

    The Washington Post
    Verenigde Staten, dagblad, oplage 700.000
    Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.