Tag: Westen

  • ‘De samenwerking met het Westen is voorbij’

    ‘De samenwerking met het Westen is voorbij’

    De oorlog in Oekraïne zorgt voor een omwenteling in de wereld. Als er weer toenadering komt, zal die schoorvoetend tot stand komen, schat geopolitiek wetenschapper Fjodor Loekjanov, die zijn landgenoten vertelt dat hun manier van leven vanaf nu anders zal zijn.

    De Russische militaire operatie in Oekraïne markeert het einde van een tijdperk. Dat begon met de ineenstorting van het Sovjetblok en de val van de USSR, toen de relatief stabiele bipolaire wereldorde van die tijd werd vervangen door wat later de internationale liberale orde werd genoemd. Deze was gebaseerd op de politieke overheersing van de Verenigde Staten en hun bondgenoten, gerechtvaardigd door een universalistische gedachte.

    Het model raakte al een tijd geleden in crisis. Niet doordat de grote mogendheden, ontevreden over hun beperkte rol, in opstand kwamen; heel lang – maar liefst vijftien jaar – was er geen sprake van echt protest. Toch hadden niet-westerse landen, waaronder China en Rusland, moeite hun plaats in de nieuwe hiërarchie te vinden. China lijkt daarin inmiddels niet alleen te zijn geslaagd, maar de situatie zelfs te hebben benut om zichzelf te versterken. Rusland slaagde hier minder goed in, maar begon langzaamaan campagne te voeren voor een herziening van de wereldorde, met daarbinnen een eervolle plaats voor zichzelf.

    Een Chinese analyse

    Hu Xijin, voormalig hoofdredacteur van de nationalistische Chinese krant Huanqiu Shibao,
    analyseert op zijn blog de oorlog in Oekraïne. 

    In het geval van een Russische overwinning, schrijft Xijin, zal Poetin Oekraïne neutraliseren om te voor-komen dat het land zich aansluit bij het Westen. Het zou een succesvol verweer van Moskou betekenen tegen de toegenomen Amerikaanse druk sinds de ineenstorting van de Sovjet-Unie, met verzwakking van de Amerikaanse hegemonie als gevolg. Europa zal dan voor zijn veiligheid nog meer op de VS moeten vertrouwen. Maar Europa zal ook vijandiger tegenover Rusland komen te staan, wat het Russische succes beperkt. Xiijin acht het niet aannemelijk dat er een nieuw tijdperk van Russische expansie in Europa zal aanbreken en dat Poetin geleidelijk de voormalige lidstaten van de Sovjet-Unie en het Warschaupact zal veroveren. Daarvoor heeft Rusland simpelweg de macht niet.

    In het geval van een nederlaag van Rusland zal de Oekraïense bevolking, met materiële en morele steun uit het buitenland, een beweging van wijdverbreid volksverzet op gang brengen. Het op een na grootste land van Europa wordt dan een moeras voor Rusland, en voortzetting van de oorlog wordt uiterst twijfelachtig. Het zal vrijwel zeker leiden tot grote politieke onrust in Rusland. De nederlaag zal leiden tot consolidering van de Amerikaanse en westerse hegemonie.

    De huidige wereldorde pleit voor politieke uniformiteit

    Maar het huidige systeem bleek te rigide. Hierin wordt het idee van een krachtenevenwicht intrinsiek uitgesloten; een onmiskenbare zwakke plek. Maar bovenal staat het systeem onvoldoende culturele en politieke diversiteit toe, terwijl die essentieel zijn voor een stabiele wereld. Hoewel de wereld inherent heterogeen is, zijn er pogingen ondernomen om met alle middelen, ook militaire, uniformiteit op te leggen.

    De Russische operatie is een exacte weerspiegeling van wat de Verenigde Staten en hun bondgenoten de afgelopen decennia herhaaldelijk hebben gedaan in verschillende delen van de wereld. Volgens de legende bracht Peter de Grote na de Slag bij Poltava (1709) een toost uit op zijn ‘Zweedse meesters’. Vandaag zou het Russische commando op zijn beurt kunnen zeggen dat het veel heeft geleerd van het Westen. In de Russische acties, zowel militair als in de media, vallen gemakkelijk technieken te ontdekken die zijn geïnspireerd op de acties van de Verenigde Staten en de NAVO in Joegoslavië, Irak en Libië.

    Zoals vaak in de geschiedenis diende het geschil over gebieden van strategisch belang als voorwendsel

    De druk heeft zich lange tijd opgebouwd. Oekraïne is een beslissende frontlinie geworden. Dit is geen ideologische strijd zoals de Koude Oorlog van de tweede helft van de twintigste eeuw was; het is een poging een ​​monopolie te verplaatsen ten gunste van een meer verspreide macht. Vroeger spraken we van invloedssferen. Tegenwoordig is de wereld transparanter en meer onderling verbonden, waardoor de grenzen vager zijn geworden. Dat dachten we in ieder geval tot nu toe.

    Zoals vaker in de geschiedenis diende een geschil over een strategisch gebied als voorwendsel. Hier botsen twee verschillende aanpakken. Aan de ene kant directe brute macht, die zich laat kenmerken door eenvoudige, harde, maar volkomen duidelijke categorieën – met name bloed en grond. Anderzijds een uitgekiende methode om invloed uit te oefenen en belangen te dienen, die ideologische, mediale en economische instrumenten vereist. Het verschil tussen beide aanpakken wordt bestempeld als een verschil in waarden, maar van beide zijn de effecten even reëel.

    De laatste test

    Sinds de Koude Oorlog heeft de modernste vorm van oorlogsvoering, ‘hybride’ genaamd, altijd de overhand gehad. Maar over het algemeen ondervonden de machthebbers nooit echt verzet, en al helemaal geen militair verzet. Wat nu in Oekraïne gebeurt, is doorslaggevend voor welke van de genoemde benaderingen zal winnen. In die zin hebben degenen die beweren dat de gevolgen groter kunnen zijn dan verwacht, gelijk.

    De Russische uitvoerende macht was zich waarschijnlijk bewust van de gevolgen van deze extreme maatregelen; die maken deel uit van de opzet. De samenwerking met het Westen is teneinde. Dat betekent niet noodzakelijkerwijs dat daar volledige verwijdering voor in de plaats komt, het betekent wel dat een belangrijk pad wordt afgesloten. Deze koude oorlog zal lang duren. Op een gegeven moment zal de interactie in een nieuwe vorm worden hervat. Maar het opheffen van de sancties zal zelfs in een gunstig scenario vele jaren duren, de banden zullen slechts langzaamaan en stuk voor stuk opnieuw worden gesmeed.

    Veranderende economische prioriteiten zullen een ander ontwikkelingsmodel vergen, dat de economie in sommige opzichten zal stimuleren en in andere opzichten zal vertragen. De Russische samenleving, vooral de middenklasse, moet beseffen dat hun oude manier van leven niet langer toegankelijk is. Het ‘Russische fort’ besloot zijn eigen kracht te testen. Door de aanstichter te worden van een radicale omwenteling van de hele wereld.

  • Deze heilige man verdient miljoenen. De CEO van Patanjali Ayurved Ltd.

    Deze heilige man verdient miljoenen. De CEO van Patanjali Ayurved Ltd.

    Ramdev vergaart als yogagoeroe en succesvol entrepreneur meer macht dan welke zakenman in India dan ook, misschien zelfs wel meer dan de premier. Hij lijkt wel een Indiase versie van Donald Trump. Een zakenman met entertainmentkarakter en een hoogst flexibele relatie tot de waarheid. ‘Sommige bedrijven gaan aan controverses ten onder,’ zei hij ooit in een interview, ‘wij bloeien daardoor pas echt op.’

    De CEO neemt de houding aan die zijn handelsmerk is geworden. Hij trekt zijn naakte, behaarde buik zover in dat er een holte ontstaat, zijn borstpieren zwellen op. Hij ademt in, secondenlang gaat de lucht naar binnen en dan ademt hij, langzaam en diep, weer uit. De CEO zit met zijn benen gekruist op een podium, in het verblindend felle licht van spotlights, zijn lichaam en voorhoofd glimmen van het zweet. Hij heeft een oranjerode lap om zijn heupen, een zwartgrijze stoppelbaard en een paardenstaart. Zijn naam: Baba Ramdev.

    Het podium staat aan de korte kant van een lange, hoge hal. Het is er schemerig en koel, een graad of tien misschien, en het ruikt er naar allerlei soorten zweet. Op de vloer, in rijen van de ene kant van de hal naar de andere, zitten jonge mannen en vrouwen op dunne matjes, hun benen gekruist, handpalmen omhoog, ogen gesloten. De vrouwen hebben doeken en dekentjes om hun hoofd en lichaam en vaak dikke wollen sokken aan. De mannen zijn blootsvoets en hebben een oranje lap omgeslagen, hun bovenlichaam is naakt. ‘Oeeeem’ roept de CEO in zijn headset. ‘Oeeeem’ echoot de hal en ademt diep uit, secondenlang, en weer in, langzaam en diep.

    Op het buitensporig grote filmdoek achter het podium is nu eens een close-up van Ramdev, dan weer een van iemand uit de zaal te zien. Vier mannen staan, als in een televisiestudio, achter grote, verrijdbare camera’s te filmen. ‘Op deze manier bereiken we de allesomvattende verandering, de revolutie, de ultieme goddelijke transformatie van het zelf,’ roept Ramdev. Hij spreekt Hindi doorspekt met Engels: change, revolution, divine self, transformation, een paar keer boert hij, zijn woorden worden begeleid door een zachte melodie, naast het podium zit een jonge panfluitspeler.

    Zelfbenoemde heilige

    Ramdev is een van de meest vooraanstaande yogagoeroes van India met zijn 1,3 miljard inwoners. Zijn naam staat voor de eenheid van lichaam en geest, voor spirituele zuiverheid en verlichting, voor het moeizame streven naar moksha, de bevrijding uit de kringloop van de eeuwige reïncarnatie, het hoogste levensdoel van het hindoeïsme. Ramdev is een baba, een zelfbenoemde heilige man.

    En Ramdev is een prominent ondernemer, mede-eigenaar van Patanjali Ayurved Ltd., omzet meer dan een miljard dollar, ruim 30.000 werknemers, meer dan 2500 producten. Tandpasta, geneeskrachtige kruidenmoes, linzenmeel, geklaarde boter, haarolie, tabletten voor de spijsvertering – Patanjali fabriceert alles wat Indiase huishoudens voor hun dagelijks gebruik nodig hebben.

    Naast de internationale consumptieartikelgiganten Hindustan Unilever, Nestlé en Procter & Gamble, die de Indiase markt domineren, is Patanjali weliswaar een dwerg en zijn omzet een fractie van die van de grote jongens, maar de dwerg ontwikkelt zich bliksemsnel. Patanjali is een van de snelst groeiende fabrikanten van consumptieartikelen in het land, de Indiase industrie- en handelsvereniging beschouwt de onderneming van yogagoeroe Ramdev als ‘de meest disruptieve kracht in de markt’.

    Een heilige man die als ondernemer miljoenen verdient, dat klinkt tegenstrijdig

    Een heilige man die als ondernemer miljoenen verdient, dat klinkt tegenstrijdig. Goeroes leven als monniken, zien af van iedere vorm van bezit en ontzeggen zich alle aardse goederen, zo wil de religieuze traditie. Althans officieel. Ramdev is niet de eerste Indiase goeroe die spiritualiteit en kapitalisme weet te verenigen. Al in de jaren tachtig hielp Bhagwan Shree Rajneesh niet alleen miljoenen mensen op de hele wereld bij hun zoektocht naar zingeving, hij hielp vooral zichzelf aan een luxeleven met een verzameling Rolexen en Rolls-Royces. Zijn aanhangers maakten hun hele vermogen aan hem over en richtten overal ter wereld bedrijven voor hem op.

    Het gaat Ramdev om meer dan geld alleen. ‘Dit is nog maar het begin,’ galmt het door de zaal. ‘Eerst halen we Unilever in. Dan worden we de grootste producent van consumentenartikelen ter wereld. Meer dan tweehonderd jaar hebben vreemde machten onze Moeder India leeggeplunderd. Tegenwoordig buiten internationale concerns ons land uit door ons producten vol chemische stoffen te verkopen die schadelijk en gevaarlijk zijn. Wees voorzichtig en verzet je. Wees Indiërs. Eet en drink als een Indiër. Draag Indiase kleding! Spreek Indiase talen!’

    Patanjali Ayurved Ltd

    Het hoofdkantoor van Patanjali ligt in de staat Uttarakhand, in de buurt van Haridwar, wat ‘Poort naar God’ betekent, een van de zeven heiligste steden van de hindoes, ruim 200 kilometer ten noordoosten van New Delhi aan de voet van de Himalaya. Haridwar bestaat uit twee delen waar de Ganges tussendoor stroomt, het water is ijskoud en kristalhelder, in de avondschemering wassen gelovigen zich in de heilige rivier, ze zingen, zetten houten bordjes met bloesems, kaarsen en wierookstaafjes op het water, bij zonsopgang zitten er vissers langs de oever, die grote vissen uit het water halen.

    De tweebaansweg NH 334 loopt vanuit de stad richting Delhi. Langs met mos begroeide tempels, gigantische godenbeelden, oranje-rood schitterende bloemenstalletjes, langs reclameborden voor bioscoopfilms en telefoonaanbieders, benzinepompen, langs reclames voor melkpoeder, meel en mangosap. Op de verpakking van de levensmiddelen staat een foto van Ramdev met zijn linkerarm om de schouders van een wat kleinere man, gekleed in een witte lap, allebei lachen ze naar de camera.

    Gewetenloos

    Het klinkt als een slechte grap: in juni 2020 brengt Patanjali een nieuw product op de markt dat Coronil Kit heet.

    Volgens Acharya Balkrishna is het een 100 procent werkzame en streng wetenschappelijk geteste medicijnkit voor de behandeling van covid-19. Terwijl er op de hele wereld geen enkel werkzaam therapeutisch middel bestaat waarmee covid-19 kan worden genezen. Weliswaar mag Patanjali het product op bevel van de regering niet meer als medicijn tegen corona aanprijzen en verkopen, maar onder het label ‘immuunbooster’ is het in december 2020 nog steeds verkrijgbaar, gewoon via Amazon. Een kit kost omgerekend vier euro.

    Een halfuur met de auto, ruim twintig kilometer verder, neemt de taxichauffeur een afrit. De smalle weg loopt langs een hoge muur, de taxi stopt voor een brede toegangspoort met dubbele slagbomen, beveiligers met donkere zonnebrillen willen onze paspoorten zien, bewakingscamera’s zoomen in op de taxi. Het hoofdkantoor van Patanjali Ayurved Ltd. is gevestigd in een zachtroze geverfd gebouwencomplex, verspreid over een terrein zo groot als een kleine stad. In de uitgestrekte perken bloeien oranje en gele bloemen, fonteinen spuiten water omhoog, banners met ‘Sale’ erop maken reclame voor dameskleding, ‘Department of Yoga Science’ staat boven de toegangsdeur van het grootste gebouw, waarvoor ziekenauto’s geparkeerd staan.

    GettyImages 477236780
    Zelfbenoemde heilige Ramdev geeft leiding aan het yogatrainingskamp in Panchkula georganiseerd door zijn miljoenenbedrijf Patanjali. Op 21 juni wordt verwacht dat 45.000 mensen een record zullen vestigen als ze hun asana’s beoefenen op het gazon bij de triomfboog India Gate. –
    © Sonu Mehta / Hindustan Times / Getty

    In de hal waar we binnenkomen is het halfdonker, op een verhoging troont een standbeeld van Baba Ramdev in kleermakerszit, schijnwerpers dompelen het in een fel licht. Op de eerste verdieping een gang met kantoren. In het laatste kantoor links, achter een massief bureau vol stapels papier, voor kasten vol boeken, foto’s en godenbeelden zit de in een witte doek gehulde man van het aanplakbiljet: Acharya Balkrishna, 55, de directeur van de onderneming.

    ‘Omzet en winst zijn voor ons nooit belangrijk geweest,’ zegt Balkrishna. ‘En juist dat is het succes van Patanjali. Wij richten ons uitsluitend op de behoeften van de mensen. We ontwikkelen producten die hen helpen een beter leven te leiden.’ Balkrishna praat snel en glimlacht vaak, zijn gezicht is rond met een flinke overbeet, hij heeft een hoge stem. Een jongeman brengt een blad met pakjes en potjes. Balkrishna scheurt en schroeft open, biedt koekjes aan –  ‘zo lekker, die heeft geen enkele andere producent’ – en geeft ons een lepel met een donkerbruine, taaie, kleverige pasta – ‘ons allereerste product, chyawanprash, een geneeskrachtige kruidenmoes, heel erg gezond’. Uit een la van zijn bureau haalt hij een ketting van houten parels – ‘voor het dagelijkse gebed, een eeuwig aandenken aan Patanjali’.

    Yogaleraar

    Het verhaal begint in 1965. Ramdev wordt geboren als zoon van een boer in Saidalipur, een stoffig dorp in de noordelijke staat Haryana. Als kleine jongen is hij voortdurend ziek, zijn gezicht is vervormd door kinderverlamming, sindsdien loenst hij met zijn linkeroog.

    Al vroeg leert hij yoga uit een boek, hij woont jarenlang in de eenzaamheid van het Himalayagebergte, daarna bij een yogagoeroe. Daar leert hij Balkrishna kennen. Ze bestuderen de oude geschriften van het hindoeïsme, discussiëren over de zin van het leven, verzamelen geneeskrachtige kruiden waarvan ze traditionele Indiase ayurvedamedicijnen maken en exploiteren een combinatie van apotheek en miniziekenhuis, vier kamers in een golfplaten loods. Ramdev reist als yogaleraar door het land en verkoopt zijn zelfgemaakte middeltjes. In 2006 richten ze hun eigen bedrijf op, dat ze noemen naar de oervader van de yoga, de wijze Patanjali, die vermoedelijk heeft geleefd in de vierde of derde eeuw voor Christus en een combinatie van mens en slang moet zijn geweest.

    Bij volle bewustzijn

    ‘De seculaire wereld zit vol gaten,’ schreef de Brits-Zwitserse filosoof Alain de Botton. Wat hij daarmee bedoelde: als ze niet meer tot een vaste religie behoren, houden veel mensen toch een verlangen naar spiritualiteit.

    Zo gaf in een enquête van het Amerikaanse onderzoeksinstituut Pew Research Centre in 2018 11 procent van de West-Europeanen aan ‘spiritueel, maar niet religieus’ te zijn. Dat kan een van de redenen zijn dat yoga en ayurveda in de westerse wereld de laatste jaren steeds populairder zijn geworden. Veel mensen zien daarin een weg naar een gezonder leven, waarin waakzaamheid, beweging en bewuste voeding een plaats vinden. Het woord ‘ayurveda’ komt uit het Sanskriet en betekent ‘kennis van leven’.

    Twintig kilometer van het hoofdkantoor van Patanjali, Laksar Road, Padartha. Op een oppervlak ter grootte van 54 voetbalvelden staat een complex van fabrieks- en kantoorgebouwen, het Patanjali Food and Herbal Park. De onderneming heeft vijftig productielocaties in India, de fabriek bij Haridwar is tot nu toe de grootste, daar werken zestienduizend mensen, ’s morgens vroeg rijden Patanjalibussen door de dorpen in de regio om de arbeiders op te halen, ’s avonds brengen ze hen weer terug.

    Onder een zinken dak stoken arbeiders met hout de ovens gloeiend heet, ze vermalen glanzende stenen tot stof of roeren in ketels met een zilverachtige vloeistof. ‘Onze afdeling ayurvedamedicijnen,’ legt de fabrieksdirecteur uit. Binnen een doolhof van installaties, lopende banden, hoge kasten, computers. Machines vullen flessen, zakjes, tubes, mannen drukken op knoppen van machines, vrouwen pakken dozen vol met flessen, zakjes en tubes. ‘Op dit moment werken we aan meer dan vijftig nieuwe producten,’ vertelt het afdelingshoofd, een ex-Unileverman.

    Verkoophits

    Levensmiddelen, lichaamsverzorging, schoonmaak- en wasmiddelen, medicijnen: geen enkele andere Indiase fabrikant heeft zo’n breed scala aan producten als Patanjali; elke maand komt er in elke categorie iets nieuws bij. Het bekendste product is ghee, geklaarde boter, een must in de Indiase keuken. Verkoophit nummer twee is: Dant Kanti, een tandpasta, modderkleurig met kruidnagelsmaak, volgens Patanjali een echt ayurvedaproduct. Indiase gebruikers zijn dol op het merk en hebben er vertrouwen in, er zijn geen officiële standaarden maar alles rond de traditionele geneeskunde is booming. Met deze tandpasta veroverde Patanjali in no time een marktaandeel van vier procent ten koste van het marktaandeel van Colgate-Palmolive, waarop de analisten de rating van deze reus in de branche meteen verlaagden. Kort daarop kwam het megaconcern met een tandpasta met ayurvedakruiden, concurrent Unilever lanceerde ayurvedische shampoo en haarolie en ook Indiase producenten vergrootten hun aanbod van natuurlijke producten.

    Patanjali verklaarde de globale concurrentie de oorlog. ‘Ab tak Colgate ka toh gate khul gaya,’ verkondigde Baba Ramdev op een persconferentie met ogen die vuur schoten, zijn rechterhand tot een vuist gebald. ‘De poort van Colgate zal dichtvallen. Het Nestlévogeltje vliegt weg. Pantene doet het in zijn broek. De macht van Unilever wordt gebroken.’

    Ayurvedaproducten vormen bij Patanjali maar een fractie van het assortiment. Het grootste deel is cornflakes, muesli, jam, ketchup, pasta, koekjes, mineraalwater, wasmiddelen, haargel, frisdrank, luiers, kant-en-klaargerechten. Klassieke consumentenartikelen zoals ze over de hele wereld worden gekocht. Patanjali prijst alles aan als natuurproduct. Sinds kort doen ze ook in mode, een paar traditionele Indiase spullen, maar voor het grootste deel T-shirts, sportkleding, jeans, alles ruim gesneden, niets dat het figuur benadrukt. ‘Dat ik een heilige man ben, betekent niet dat ik modern leven en spiritualiteit als tegenstellingen beschouw,’ zo kondigde Ramdev de modelijn aan. ‘Jeans zijn een westers concept,’ vulde Balkrishna aan, ‘dus zijn er twee opties. De ene optie is boycotten. De betere optie: aanpassen aan de Indiase mentaliteit.’

    Verkoudheid, kanker, diabetes, hartkwalen, overgewicht, onvruchtbaarheid, grauwe staar: volgens Ramdev is er niets dat zijn yoga niet binnen een paar weken, voorgoed geneest

    Tegenover de marktmacht van de grote concerns zetten Ramdev en Balkrishna hun eigen strategie. Succesfactor nummer een: de prijs. Patanjali is zo’n veertig procent goedkoper dan zijn grote concurrenten. Nummer twee: hun presentie op de markt. Patanjali is aanwezig op de megamarkten van de metropolen, in piepkleine dorpswinkeltjes, bij de Indiase onlinewinkels Bigbasket en Flipkart, bij Amazon. En er zijn Patanjali chikitsalays, franchisewinkels met uitsluitend producten van Patanjali. Verspreid over het hele land zijn er meer dan vijfduizend chikitsalays; ze liggen midden in woonwijken, de eigenaars kennen hun klanten persoonlijk. Een Indiaas miniwinkelformat waarover geen enkele andere producent van consumentenartikelen beschikt.

    Succesfactor nummer drie: de baas, Baba Ramdev. Toen hij met zijn yogacursussen door het land toerde, werd zijn aandacht getrokken door een religieuze televisiezender, Sanskar TV. Ramdev kreeg een eigen show, iedere ochtend van 6.45 tot 7.05 uur liet hij de kijkers eenvoudige yoga-oefeningen zien, zoals de voorvaders van de yoga die al praktiseerden. Later werd zijn show overgenomen door een concurrerende zender; nu bezit Patanjali beide zenders. Lotuszit, arendhouding, vispositie, bewust ademhalen: in heel India doen de mensen mee aan de ochtendshow van Ramdev, rijk en arm, jong en oud, man en vrouw, een fitnessprogramma voor de massa, perfect voor de officieel grootste democratie ter wereld.

    ‘Oeeeem!’ Ramdev begroet zijn kijkers in kopstand, na twintig minuten live yoga doceert hij over de genezende kracht van zijn methode. ‘Geen ingewikkelde filosofie, geen ideologie, mijn yoga is simpel en werkt meteen.’ Verkoudheid, kanker, diabetes, hartkwalen, overgewicht, onvruchtbaarheid, grauwe staar: volgens Ramdev is er niets dat zijn yoga niet binnen een paar weken, en vaak al binnen een paar dagen, voorgoed geneest. ‘Het is allemaal niet alleen wetenschappelijk bewezen,’ doceert hij in zijn shows, ‘het is zelf allemaal wetenschap in haar zuiverste vorm.’

    Gecombineerd met de producten van Patanjali werkt zijn yoga volgens hem het best

    Gecombineerd met de producten van Patanjali werkt zijn yoga volgens hem het best. ‘Herbal Power Vita versterkt het lichaam en de hersenen en verbetert het gezichtsvermogen,’ zegt hij in een reclame voor een nieuw vitaminedrankje. ‘Laat je niet misleiden door reclame van de internationale concerns, maar koop wetenschappelijk erkende ayurvedaproducten.’

    Ramdev doceert zijn filosofie ook live in crashcourses, waar inmiddels ongeveer 70 miljoen mensen aan hebben deelgenomen. De trainingskampen vinden plaats in een hal bij het hoofdkantoor van de firma, er kunnen tienduizend mensen met hun yogamatjes in. Bovendien reist hij de wereld over om massa-yoga te geven in Nepal, Japan en de VS. Ramdev, het podiumbeest.

    De heilige man vult voetbalstadions, is een vrolijke en gevatte vaste gast in tv-talkshows en won in 2017 een wrestlingwedstrijd op tv tegen een Oekraïense Olympisch medaillewinnaar. Hij heeft miljoenen volgers op de sociale netwerken, zijn leven is verfilmd in een vijfentachtigdelig epos. Er zijn biografieën en populairwetenschappelijke boeken over hem verschenen: The Baba Ramdev Phenomenon, From godman to tycoon, Patanjalize your brand. Topmanagers van concurrerende concerns vinden Baba ‘een ongelooflijk sterk merk’.

    In de consumentenmarkt betekent een succesvol merk identiteit, imago, vertrouwen. Producenten moeten van consumenten gelovigen maken. Ramdev maakt gelovigen tot consumenten.  ‘Wat we ook doen, we volgen geen strategie, we hebben geen plan,’ zegt Ramdev. Hij trekt zijn omslagdoek recht en slaat zijn rechterbeen over het linker, aan zijn voet bungelt een houten sandaal met dikke zolen.

    In de verte ruist een kunstmatige waterval

    Ramdev zit op iets dat het midden houdt tussen een enorme sofa en een schommel, boven zijn hoofd hangt een ingelijst olieverfschilderij van hemzelf. De sofaschommel staat op het terras van zijn huis, dat ligt in een park met een knalgroen grasveld, weelderige bloembedden, vogels, bijen, bloemen. In de verte ruist een kunstmatige waterval, pauwhanen zetten hun veren op, op bankjes onder de bomen zitten jonge vrouwen te lezen.

    Het enorme huis is een kopie van het huis van waaruit Indiaas vrijheidsstrijder Mahatma Gandhi ruim honderd jaar geleden het geweldloze verzet tegen de Britse koloniale macht propageerde. ‘Shant Kutir’ heet Ramdevs huis, ‘Het rustige huisje’, het wordt vierentwintig uur per dag bewaakt door veiligheidsmensen.

    ‘Het geheim van het succes van Patanjali?’ Ramdev moet lachen. ‘Heel eenvoudig! De mensen vertrouwen ons. Meer dan een miljard mensen in dit land kennen me. Ach, wat zeg ik, de hele wereld kent me!’

    Khadi

    Uitsluitend producten kopen die afkomstig zijn uit je eigen land en het zo economisch onafhankelijk maken van andere landen is een gedachte die oorspronkelijk van Gandhi komt. Het produceren en dragen van een simpel katoentje, de khadi, moest de Indiërs werk geven en hen onafhankelijk maken van importen van de Britse koloniale heersers. Swadeshi, ‘Het eigen land’, heette de beweging, waarin de khadi symbool stond voor verzet en verandering. Maar economisch succes heeft het India niet gebracht.

    Ramdev en Balkrishna pakken het anders aan. ‘Nationalisme, ayurveda en yoga, dat zijn onze zuilen,’ verkondigen ze op de ondernemingswebsite. In onze moderne consumptiegoederen is het patriottisme geïntegreerd, beloven ze. Indiase economen denken dat deze slimme, nieuwe swadeshi-interpretatie Patanjali’s succesfactor nummer vier is.

    Make India great again

    Het is dezelfde koers die de rechts-conservatieve regering van premier Narendra Modi vaart. Nog maar een paar jaar geleden wilde Modi internationale ondernemingen overhalen zich in India te vestigen, maar dat plan is van tafel. Sindsdien is het doel dat India onafhankelijk moet worden van import, het moet net zo sterk en zelfstandig worden als in de eeuwen voordat de Britten het enorme land als kolonie exploiteerden. Make India great again.

    En Modi wil meer: ‘Made in India’-producten moeten de wereldmarkt veroveren, het land moet na China en de VS de op twee na grootste economie ter wereld worden. De weg is lang, de economische uitdagingen zijn groot, en dat geldt ook voor de droom om een supermacht te worden.

    Ramdev springt op van de sofa. ‘Laten we mijn huisje bekijken,’ roept hij terwijl hij in zijn handen klapt. Op een binnenplaats klatert een fontein, uit miniluidsprekers klinkt hemelse muziek. Ramdev laat ons zijn werkkamer zien. ‘Aan mijn bureau zit ik nooit, daar heb ik geen tijd voor.’ Zijn yogakamer. ‘Om halfvier sta ik op, ik begin mijn dag altijd met een glas bessensap voor het immuunsysteem.’ Zijn slaapkamer. ‘Ik slaap nooit op het bed, een yogi rust alleen goed uit op een matje.’

    Verdere vragen negeert hij, hij stelt tegenvragen, maakt grapjes. Over Ramdevs privéleven is niets bekend, blijkbaar woont zijn moeder bij hem. Homoseksualiteit heeft hij meermaals aangeduid als ‘immoreel en onnatuurlijk’, een ziekte die door zijn yoga genezen kan worden. Er gaat een telefoon, Ramdev vist een iPhone uit zijn gewaad. ‘Goedemorgen Balkrishna,’ zegt hij in het Hindi, dan gaat hij over op het Sanskriet, de oude taal van de geleerden, het Latijn van India. De tolk haalt haar schouders op en maakt een verontschuldigend gebaar.

    De dag daarna, een hoge, lichte hal in het Patanjali-hoofdkwartier. In een laboratorium staan mannen in witte jassen aan microscopen, overal staan schalen met bladeren, wortels en takjes. ‘We werken aan een nieuwe druk van mijn ayurvedaencyclopedie,’ zegt Balkrishna. Hij strijkt liefkozend over de rug van een boek en glimlacht. ‘Vanaf volgende maand houd ik hier kantoor.’

    Achter het gebouw ligt een tuin met kruiden, struiken, bomen. Balkrishna straalt. ‘Mijn plantenverzameling.’ Bij het park hoort ook een labyrint van kunstmatige grotten met levensgrote gouden diorama’s, ayurvedadokters uit voorouderlijke tijden die patiënten behandelen. Spotjes verlichten de donkere taferelen, een mix van openluchtmuseum en Disney.

    Balkrishna klimt op de bijrijdersstoel van een witte terreinwagen, we gaan het land op. Te midden van grasland en akkers bevindt zich een complex van stallen en weiden, Patanjali’s proefboerderij voor akkerbouw en veeteelt. Balkrishna loopt door de stal, aait kalfjes, voert koeien, hij heeft witte plastic sandalen aan met tennissokken, achter op zijn hoofd wipt zijn staartje, een religieus kenmerk van mannelijke hindoes. ‘Daar buiten staat onze biogasinstallatie, die produceert nu twaalf kilowatt en die gaan we vergroten.’

    Balkrishna loopt dwars door het veld, plukt hier en daar wat, trekt onkruid uit, snijdt een stukje suikerriet af waar hij vervolgens smakkend op loopt te kauwen, legt uit, gebaart, lacht. Achter de velden gaat de zon gloeiend oranjerood onder, het stinkt naar koeienstront. ‘Balkrishnaji en Swamiji zijn goden,’ zegt de manager van de boerderij zachtjes, hij gebruikt het in India gebruikelijke woord voor yogagoeroes, swami, en de eerbiedsvorm van Indische namen, het achtervoegsel -ji. ‘Alles wat zij doen, doen ze ten dienste van de hele wereld. Ze zijn niet alleen goden voor alle Indiërs, ze zijn goden voor alle mensen.’

    Balkrishna kwam in 1972 als zoon van een Nepalese boer ter wereld. Toen hij nog klein was emigreerde zijn familie naar India, later werd hij een ayurvedageleerde. Nu is hij eigenaar van 98,5 procent van de aandelen Patanjali en staat hij in de top honderd van rijkste Indiërs, met een geschat vermogen van 2,2 miljard dollar. Ramdev bezit officieel niets, in India zijn heilige mannen verplicht te leven als monniken, in kuisheid en ascese. Yogi Ramdev is de marketingmachine, het gezicht van de onderneming. Onderzoeker Balkrishna is het verstand, de getallenmens en strateeg. Moksha, de bevrijding van het wereldlijke, samen met het vrijemarktmechanisme resulteren in spiritueel kapitalisme. Twee tegengestelde karakters, een perfect power couple.

    ‘We leggen alles vast, iedere stap in het arbeidsproces. Als er iets niet klopt, als de regels niet worden gevolgd, heeft dat onmiddellijk consequenties,’ zegt de leider van het controleteam, een man van midden dertig in een oranje wikkeldoek. Hij zit voor een wand met tientallen monitors, de camera’s zenden live uit vanuit de fabrieken. ‘Elke avond stuur ik Acharyaji een uitgebreid rapport.’

    Het hoofd van de controle drukt op een knop, de camera zoomt in op een lopende band, op gezichten en handen. ‘Onze ondernemingscultuur is uniek,’ zegt hij. ‘Onze medewerkers krijgen workshops, yogales, les in de oude geschriften, goede voeding, natuurlijk zonder vlees of alcohol. We leren ze alles wat voor goede Indiërs belangrijk is.’ Ramdev en Balkrishna gelden als autocratische micromanagers. Het ontwerp van een shampoofles, een nieuwe advertentie, de grootte van een nieuwe koestal, ze bemoeien zich overal mee en beslissen alles zelf. De lonen bij Patanjali zijn laag, tot wel vijftig procent lager dan bij de concurrentie, wat de dertigduizend medewerkers presteren, geldt niet als werk. Ramdev noemt het sewa, een spirituele dienst.

    Dubieus web

    De twee directeuren geven ook leiding aan ziekenhuizen, yogacentra, scholen, een universiteit, een mediabedrijf met twee eigen tv-zenders, binnenkort gaan ze bovendien in onroerend goed; bij het hoofdkwartier ontstaat een luxe appartementencomplex met golfbaan, zwembad en een winkelcentrum. In Nepal, Engeland, Canada, op Mauritius en binnenkort ook in de VS en Schotland zijn Patanjali-instituten ‘die zich dag en nacht inzetten voor de verspreiding van de nobele en verheven aspecten van de Indiase cultuur’, zo staat het in ‘Patanjali, In the Service of Mankind’, een van de tig brochures van het bedrijf.

    Indiase journalisten berichtten over schijnfirma’s, mysterieuze sponsors, stromannen, illegale geldzaken. Balkrishna en een jongere broer van Ramdev kregen, zo wordt beweerd, door een firma miljoenen aan winstaandeel uitgekeerd, in een jaar tijd bijna zestig procent van de omzet. Al met al is het een hoogst dubieus web van ondernemingen, vinden Indiase deskundigen; Patanjali is ‘volkomen ondoorzichtig’. Omdat Ramdev en Balkrishna bewust niet naar de beurs gaan, hoeven ze geen inzicht te geven in de cijfers van hun onderneming.

    GettyImages 541219070

    Business bij Patanjali is een permanent schandaal. Soms gaat het om hun producten en verschijnen er krantenkoppen over het ontbreken van vergunningen van de warenautoriteiten, ingrediënten die de gezondheid in gevaar brengen, geknoei met ingrediënten, ongeoorloofde chemische conserveringsmiddelen. Een laboratorium ontdekte menselijk DNA in een medisch product. Steeds weer duikt het verwijt op dat ze alleen succesvol zijn omdat ze handig zijn in het kopiëren van de concurrentie.

    De koekjes die Balkrishna in zijn kantoor serveert, zien er net zo uit en smaken precies hetzelfde als de koekjes van een andere Indiase producent. In 2015 moest Nestlé zijn in India razend populaire instantnoedels uit de schappen halen omdat beweerd werd dat er lood in zat. Prompt kwam Ramdev met een eigen kant-en-klaarversie. Patanjali bracht ook een eigen chat-app voor mobiele telefoons op de markt, ‘India’s aanval op WhatsApp’, zoals Balkrishna aankondigde. Dezelfde dag nog werd de app door IT-experts ontmaskerd als een kopie van een Amerikaanse startup. ‘Dilettantistisch plagiaat!’ grinnikte het net.

    ‘Schijnfirma’s? Schandalen? Allemaal geruchten, het werk van westerse belangen!’

    ‘Schijnfirma’s?’ Ramdev moet lachen. ‘Schandalen?’ Hij schudt het hoofd, buigt naar voren en vormt met zijn vingertoppen een driehoek, trekt zijn borstelige wenkbrauwen samen. ‘Allemaal geruchten, het werk van westerse belangen!’ roept hij uit. ‘Een samenzwering die duidelijk als doel heeft ons te beschadigen. Patanjali staat synoniem voor de tradities en de cultuur van onze Moeder India. Wie ons aanvalt, valt onze natie aan.’

    Een teflonattitude en het in een kwaad daglicht stellen van zijn critici is Ramdevs typische verdedigingslijn. Negatieve berichten in de media doet hij op Twitter af als ‘allemaal fake nieuws’, een kritisch boek over zichzelf liet hij door de rechter verbieden en mocht in India niet verkocht worden, de schrijfster mocht niet in het openbaar over haar boek spreken. Ramdev maakt de indruk van een Indiase versie van Donald Trump. Een zakenman met entertainmentkarakter en een hoogst flexibele relatie tot de waarheid. ‘Sommige bedrijven gaan door controverses ten onder,’ zei Ramdev ooit in een interview, ‘wij bloeien daardoor pas echt op!’

    In de bar van een hotel in een grote stad in het noorden van India, in een hoekje ver weg van de andere gasten, zit een voormalig Patanjali-manager aan het ontbijt met croissants en cappuccino. ‘Wat ze ook produceren, nooit is er iemand die zegt: “Wat een shit!” Iedereen kijkt alsof die producten door de hemel zijn gezonden.’

    Hij roert in zijn koffie, tikt op het schermpje van zijn telefoon en scrolt door nieuwsberichten van analisten. Patanjali’s omzet krimpt. ‘Het bedrijf is een dubbeltje op zijn kant,’ zegt de manager. ‘Hun voornaamste probleem is dat ze veel te veel producten in veel te veel categorieën hebben. Groei is voor Ramdev en Balkrishna het enige wat telt.’ Hij roert nog meer suiker door zijn cappuccino en neemt een slokje. ‘Vanuit ondernemingsoogpunt hebben hun keuzes vaak weinig zin. Maar ze passen bij hun politieke agenda.’

    Chhatrasal Stadium, New Delhi, maart 2014. Waar zich anders wrestling-sterren uit de hele wereld in het zweet werken, zitten twee oudere mannen glimlachend in kleermakerszit naast elkaar. Baba Ramdev en Narendra Modi. Modi fluistert Ramdev iets in het oor, die pakt een microfoon. ‘Zullen jullie ook andere mensen overtuigen?’ roept hij. ‘Ja!’ roepen de duizenden mensen in het stadion. ‘Blijven jullie niet thuis zitten?’ vraagt Ramdev. ‘Nee!’ antwoordt de massa. Twee maanden later wint de Bharatiya-Janata-partij de verkiezingen en wordt Modi premier, het regeringstijdperk van de sociaalliberale Congrespartij is ten einde. ‘Ik heb de eerste steen gelegd voor de grote politieke veranderingen in dit land,’ zegt Ramdev na Modi’s overwinning.

    Natie van hindoes

    Modi heeft de kiezer ingrijpende economische hervormingen en het uitroeien van de alomtegenwoordige corruptie beloofd. Tegelijk heeft hij zijn visie op het nieuwe India verkondigd. Niet seculair meer, maar religieus, en in plaats van eenheid in verscheidenheid een natie van hindoes. Ramdev zit op dezelfde fundamentalistische lijn. Hij treedt niet op als religieus prediker, wat hem van andere goeroes onderscheidt. Hij propageert de cultuur en de waarden van het hindoeïsme. Yoga, ayurveda, de oeroude geschriften, een traditioneel opleidingssysteem, dat is voor hem het wezen van India. Ramdevs ideologie is niet altijd even subtiel. Als een moslimpoliticus weigert om een nationalistische slogan te roepen, reageert de baas van Patanjali met de uitspraak dat alleen zijn eerbied voor de wet hem ervan weerhoudt om ‘honderdduizenden van dat soort te laten onthoofden.’

    Sinds Modi aan de macht is, heeft Patanjali bouwgrond kunnen kopen voor afbraakprijzen, legt de staat de toegangswegen naar hun nieuwe fabrieken aan, bewaakt een antiterreureenheid van de politie de vestigingen van het bedrijf en wordt in de kantines van het Indiase leger gekookt met Patanjali-producten. Het ministerie van Financiën heeft yoga de status van liefdadigheidsdienst toegekend, yogacentra hoeven nu minder belasting te betalen. Modi heeft een ministerie voor Ayurveda en Yoga opgericht, het legt de basis voor het gebruik van deze traditionele methoden in het gezondheidssysteem van de overheid en beslist over het toelaten van nieuwe ayurvedaproducten. Patanjali creëert de dringend benodigde banen, bouwt scholen en gezondheidscentra en ondersteunt lokale overheden met voedsel en medicijnen. Modi en zijn partijvrienden strijken kritiek op Patanjali en Ramdev glad, Ramdev prijst de regeringspolitiek.

    ‘Geld is de motor van elke missie,’ zegt Ramdev. Hij zit in een enorme leren fauteuil in een kamertje naast zijn yogahal, over twee minuten moet hij het toneel op voor de vroege-ochtendyogashow. Hij knipt met zijn vingers, er komt een jongeman binnen die zijn oranje gewaad vastmaakt, Ramdev schopt zijn sandalen in een hoek. ‘Onze financiële basis is belangrijk om het soort revolutie voor te bereiden waar ik het over heb.’

    Als Ramdev op het podium zit, komt een van zijn leerlingen naast hem staan. ‘Ooit was er een tijd dat ons land in duisternis lag,’ roept ze naar de zaal. ‘Er was veel corruptie, met de jeugd ging het de verkeerde kant op. Toen kwam er iemand die het licht bracht. Iemand die ons leert van ons land te houden. Swamiji inspireert ons, hij is onze hoop. Hij wil voor iedereen in onze maatschappij het goede doen, zo leidt hij ons op de goede weg.’

    Ramdev gaat staan, glimlacht en klapt, het meisje knielt voor hem neer en raakt met haar voorhoofd en vingertoppen zijn voeten aan. ‘Bharat mata ki jai! Bharat mata ki jai!’ roept Ramdev terwijl hij zijn rechterhand tot een vuist balt en zijn arm omhoogsteekt. ‘Bharat mata ki jai! Bharat mata ki jai!’ echoot de zaal, rechtervuist in de lucht. ‘Leve Moeder India. Leve Moeder India.’ 

    Daniela Schröder

    Daniela Schröder was freelance correspondent voor de Associated Press (AP) voor Noord-Beieren en werd opgeleid tot verslaggever en nieuwsredacteur bij een regionaal dagblad in Bremen.

    Schröder heeft weinig op met ayurveda en yoga. ‘Ik ben geen spiritueel iemand,’ zegt ze van zichzelf, ‘ik heb wel eens een proefcursus yoga gedaan, maar voor mij werkte dat niet.’ In het kader van de research voor dit artikel heeft ze een paar Patanjali-producten geprobeerd, twee soorten zeep en een tandpasta, maar een fan is ze niet geworden. ‘De zeep rook erg chemisch en de tandpasta smaakte mij te weinig naar mint.’

    Wat haar fascineert aan het verhaal over Patanjali zijn de twee drijvende krachten achter het bedrijf. Aan de ene kant de goeroe, aan de andere kant de ayurvedaexpert. ‘Ze staan allebei met hun huidige identiteit voor wat ze propageren en verkopen,’ zegt Daniela Schröder, ‘maar het gaat hun niet in de eerste plaats om geld en macht. Ze gebruiken beide om hun politieke missie verder te brengen.’

  • Diversiteit als rancuneleer

    Diversiteit als rancuneleer

    In de westerse samenlevingen is een nieuw totalitarisme in opkomst, aldus de conservatieve essayist Theodore Dalrymple. Wie de doelen van bepaalde sociale bewegingen zoals Black Lives Matters niet steunt, wordt bestempeld als vijand en ziet zijn carrière gevaar lopen.

    In 1977 publiceerde de Franse essayist Jean-François Revel een traktaat met de titel De totalitaire verleiding. Daarin hekelde hij de faiblesse – het zwak – van de westerse intelligentsia voor stalinistisch getinte dictaturen, dat hij als oneerlijk, aanmatigend, stompzinnig en kwaadaardig bestempelde.

    Je had kunnen denken – ík in elk geval wel – dat met de ondergang van de Sovjet-Unie de totalitaire verleiding voor eens en voor altijd was bezworen. Dat was natuurlijk een bijzonder oppervlakkige zienswijze. In plaats van te verdwijnen, balkaniseerde de verleiding, bij wijze van spreken, en werd ze ook gerepatrieerd. Het totalitarisme was vrij overtuigend aan de kaak gesteld als iets wat inherent absurd was, intellectueel van generlei waarde en met een catastrofale uitwerking. Maar dat was niet voldoende om het minder verleidelijk te maken, althans niet voor wie een volledige oplossing wil voor alle kleine problemen des levens, zoals hoe en waarvoor wij moeten leven. Wat theoretisch een oplossing lijkt, kan in de echte wereld een duizendtal rampen veroorzaken.

    Natuurlijk vergt het een zeker opleidingsniveau om zich door het totalitarisme te laten verleiden: het spreekt bijvoorbeeld geen ongeletterden aan, maar alleen intelligentsia. Die laatsten zijn door de uitbreiding van het hoger onderwijs, of in elk geval door het volgen daarvan, bijna exponentieel in aantal toegenomen. Achteraf gezien is het niet verwonderlijk dat het totalitarisme zijn sirenenzang voortzet in voorheen liberale samenlevingen, vooral wanneer de jongeren, altijd in voor radicale ideeën, zich geconfronteerd zien met reële maar hardnekkige problemen die schijnbaar erger zijn dan die van de vorige generatie.

    jon tyson ekJvnSMahh0 unsplash 1
    Dit jaar overleed Ruth Bader Ginsburg, rechter van het Amerikaanse Hooggerechtshof. Haar handelsmerk was een kanten kraagje; ze droeg een speciale kraag als ze het niet eens was met een uitspraak. – © Jon Tyson / Unsplash

    Intellectuele conformiteit

    We moeten natuurlijk ook weer niet overdrijven. We leven nog niet in een Sovjet-achtige tirannie waarin men in elke universitaire verhandeling, hoe zweverig het onderwerp ook was, verplicht was Lenin te citeren. Het is nog altijd mogelijk, zij het verre van eenvoudig, om als geleerde in de wereld buiten de universiteitsmuren te leven. Maar er is geen tirannie van de volledige politiestaat voor nodig om een hoge mate van intellectuele conformiteit te bereiken, zoals we nu alom kunnen zien. Ik hoor van jonge academici in diverse landen dat ze niet meer vrijuit durven te spreken, niet omdat ze voor hun leven vrezen, maar voor hun promotie. Dat is niet hetzelfde, of even verschrikkelijk, als vrezen voor je leven, maar het ligt wel mijlenver af van John Stuart Mills ideaal van vrijheid van meningsuiting.

    Ik hoor van jonge academici dat ze niet meer vrijuit durven te spreken

    Maar het is nog veel erger. Ze zijn niet alleen genoodzaakt hun mond te houden en niet te zeggen wat ze denken, wat op zichzelf al erg genoeg is voor mensen die voor het leven van de geest hebben gekozen; ze moeten ook dingen onderschrijven die naar hun mening slecht of onwaar zijn. En dat is een kenmerk van totalitarisme. Ze moeten doctrines onderschrijven die ze als absurd beschouwen, bijvoorbeeld door bij een sollicitatie uit de doeken te doen hoe ze de zogeheten diversiteit denken te gaan bevorderen. Door van het verkondigen van onwaarheden een voorwaarde voor het krijgen van een aanstelling te maken, wordt iedere vorm van integriteit bij voorbaat de kop ingedrukt. Wie niet integer is, is gemakkelijker in de hand te houden.

    Steeds vaker dulden sociale bewegingen geen enkele neutraliteit meer ten aanzien van de doelen die ze nastreven. Wie die doelen niet steunt is een regelrechte vijand, wie ertegen zondigt is slecht: als je geen deel bent van de oplossing, ben je deel van het probleem. Als je bijvoorbeeld aanvoert dat je belangstelling elders ligt, zoals bij de taxonomie van sprinkhanen, de biochemie van eikels of de bibliografie van Alexander Pope, dan is er nog altijd één onderwerp dat belangrijker is dan alle andere, en is daarover maar één mening toegestaan. Je moet een loyaliteitstest afleggen.

    Black Lives Matter

    De nieuwste beweging op dit gebied is natuurlijk Black Lives Matter, en de manier waarop de boegbeelden daarvan zo’n groot deel van de intelligentsia hebben weten te intimideren is in zekere zin bewonderenswaardig, en een voorbeeld voor toekomstige politieke organisaties, al moeten we dan het ergste vrezen. Door te beweren dat zwijgen gewelddadig is, hebben ze het handenwringen (om te voorkomen dat er een banvloek over wordt uitgesproken) bijna tot het toonbeeld van deugdzaamheid verheven. Ze zijn erin geslaagd de doelstelling van Martin Luther King zodanig om te draaien dat iemands huidskleur weer belangrijker is dan zijn karakter, en ze hebben het meest stalinistisch-maoïstische van alle ideeën weer in ere hersteld, namelijk dat mensen beloond moeten worden op grond van hun sociale (in dit geval raciale) herkomst. En iedereen die het daar niet mee eens is, is een Vijand van het Volk, waarbij het woord ‘Volk’ in streng technische zin wordt gebruikt, namelijk als de scheidsrechter die beloningen toekent.

    De flagrante onverenigbaarheid van dit alles mag ons niet blind maken voor de populariteit van de beweging bij het inmiddels zeer grote aantal mensen dat is opgeleid, of getraind, in de diverse takken van de rancunestudies. Totalitarisme biedt carrièreperspectieven aan hen die over apparatsjik-achtige neigingen en capaciteiten beschikken, terwijl het appelleert aan de rancune van in elk geval een deel van de bevolking, dat degenen die vroeger een fortuinlijker positie bekleedden dan zijzelf maar al te graag vernederd ziet worden.

    Het is al vele jaren gebruikelijk dat universiteiten in hun colleges politieke filosofie meer aandacht aan macht besteden dan aan vrijheid, omdat de laatste alleen maar als een sluier of rookgordijn wordt beschouwd voor de ongelijke verdeling van de eerste. De enige vraag die het stellen waard is, is Lenins ‘Wie wie?’, oftewel wie doet wie wat aan? De rest is persiflage: en daarmee is de weg vrij voor een sociaal conflict dat alleen kan worden beslecht door almachtige, filosoof-koningen.

  • 1. Allemaal naar Guantanamo Bay?

    1. Allemaal naar Guantanamo Bay?

    Om begrijpelijke redenen staan landen niet te springen om jihadisten te laten terugkeren. Maar wat zijn de alternatieven?

    In de turbulente eerste dagen nadat hun zogenaamde kalifaat was uitgeroepen, zwoeren buitenlanders die zich bij Islamitische Staat (IS) hadden aangesloten blijmoedig hun band met het Westen af. Jihadisten uit Frankrijk, Canada en andere landen filmden hoe ze hun paspoorten verbrandden. Maar nu IS bijna verslagen is, gedragen de ooit zo strijdlustige radicalen zich als toeristen die op een all-invakantie zijn gestrand. Een 
Canadees beklaagde zich erover dat zijn ambassade geen contact met hem opnam. Een Britse vrouw die het in Raqqa ‘naar haar zin’ had gehad, wilde hulp bij haar repatriëring naar Londen.

    Zulke IS-strijders vormen een groot probleem voor hun vaderland. Meer dan 41 duizend buitenlanders togen naar Syrië en Irak om zich bij de groepering aan te sluiten. Halverwege vorig jaar waren 7366 van hen naar huis teruggekeerd, aldus de Londense denktank International Centre for the Study of Radicalisation. Nog vele duizenden meer kwamen op het slagveld om. Er zijn nog zo’n 850 mannen en een paar duizend vrouwen over, die verspreid over Oost-Syrië gevangen zitten in 
primitieve kampen.

    Nagenoeg onmogelijk

    Tot voor kort wilde hun thuisland hen daar maar al te graag laten. Totdat 
president Donald Trump in december besloot de Amerikaanse troepen uit Syrië terug te trekken. De Koerdische troepen, heer en meester in Oost-Syrië, zijn er toch al niet op ingericht duizenden gevangenen vast te houden. Dat wordt nagenoeg onmogelijk wanneer de Amerikanen zich volledig uit het land zullen hebben teruggetrokken. President Trump wil dat buitenlandse regeringen hun burgers naar hun eigen land laten terugkeren. ‘Het 
alternatief is niet goed, want dan zien we ons genoodzaakt hen vrij te laten,’ twitterde hij. Dat alternatief is inderdaad slecht, maar dat geldt ook voor alle andere alternatieven.

    De eenvoudigste oplossing is een ander met het probleem op te zadelen. 
Volgens een wet die in 2015 in Australië werd aangenomen, verliest iemand die zich bij een terroristische groepering heeft aangesloten zijn burgerschap. Dat gebeurde voor het eerst in 2017 met Khaled Sharrouf, een Libanese Australiër die zijn zoontje fotografeerde met het afgehakte hoofd van een Syrische soldaat in zijn handen. De Australische wet geldt alleen voor Australiërs met een tweede nationaliteit, want volgens het internationaal recht mag je iemand niet stateloos maken.

    Wetenschappers zijn het er niet over eens hoe mensen radicaliseren en zelfs niet over wat radicaliseren precies inhoudt

    Groot-Brittannië zit daar niet mee. Het ontnam Shamima Begum, die zich als tiener bij IS aansloot, het Britse staatsburgerschap. Volgens de Britten is haar moeder afkomstig uit Bangladesh en komt ze daarom in aanmerking voor het staatsburgerschap van dat land. Op vergelijkbare wijze besloot president Trump dat een in Amerika geboren vrouw die propaganda maakte voor IS het land niet meer in mag.

    Rechtbanken zouden dergelijke besluiten terug kunnen draaien. Maar ook 
al doen ze dat niet, dan nog is het onwaarschijnlijk dat westerse landen zullen besluiten hun burgers elders 
te dumpen. Want ze zijn veel beter 
toegerust om die op te vangen dan 
bijvoorbeeld Libanon of Bangladesh.


    Rehabilitatiecentrum voor extremisten

    Saoedi-Arabië kiest voor een andere aanpak. In 2004, na een golf van terroristische aanslagen in het land, zette het een rehabilitatiecentrum voor extremisten op. De gevangenen worden vastgehouden in een aangenaam kamp met een zwembad en 
creatieve therapie. Partnerbezoek is toegestaan. Maar dergelijke oplossingen zijn kostbaar. Ze vragen om langdurige een-op-eenaandacht van docenten en geestelijken en kunnen in het Westen op weinig steun rekenen.

    Frankrijk opende drie jaar geleden ook een deradicaliseringscentrum in een chateau in het Loire-dal. De gedetineerden studeerden geschiedenis en filosofie en spraken met een imam 
over het geloof. Het was de bedoeling dat ze er tien maanden zouden blijven, maar het centrum werd opgedoekt nadat plaatselijke bewoners bezwaar hadden gemaakt tegen het verblijf van terroristen in hun midden.

    Het valt trouwens onmogelijk uit te maken of dergelijke oplossingen werken. Wetenschappers zijn het er niet over eens hoe mensen radicaliseren en zelfs niet over wat radicaliseren precies inhoudt. Saoedi-Arabië beweert dat nog geen twintig procent van de ruim drieduizend bewoners van het rehabilitatiecentrum de jihad alsnog trouw zijn gebleven, wat toch betekent dat het deradicaliseringstraject in 
honderden gevallen is mislukt. Een Somalisch-Amerikaanse man die onderweg was naar Syrië en op het vliegveld van Minnesota werd gearresteerd, werd in 2017 vrijgelaten na een blijkbaar succesvolle rehabilitatie van een jaar. Wat voor hem werkte, hoeft niet te werken voor geharde strijders die onschuldige mensen hebben 
afgeslacht en tot slaaf gemaakt. Het voelt onrechtvaardig als hun straf niet meer is dan een veredeld zomerkamp.

    Maar ze voor de rechter brengen is lastig. Amerika heeft een respectabele staat van dienst. Eén man werd tot twintig jaar gevangenisstraf veroordeeld, een tweede werd in juni aangeklaagd. Maar het land kon een derde verdachte niet veroordelen wegens gebrek aan bewijs. Hij werd na meer dan een jaar gevangenschap vrijgelaten. Heiko Maas, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, zegt dat zijn land een vergelijkbaar probleem heeft. Bewijs dat tijdens verhoren op het slagveld is verkregen, is niet rechtsgeldig. De herkomst van documenten die in handen van Koerdische strijders zijn gevallen, is niet zeker.

    Voormalige IS-strijders spelen volleybal in een Koerdische gevangenis in Noord-Syrië. – © AP Photo / Hussein Malla
    Voormalige IS-strijders spelen volleybal in een Koerdische gevangenis in Noord-Syrië. – © AP Photo / Hussein Malla

    Australië heeft een handig hulpmiddel: een wetsregel die erop neerkomt dat het betreden van bepaalde gebieden als een misdaad wordt beschouwd. Maar alleen Mosul en Raqqa zijn als zodanig aangemerkt. Om de wet te kunnen toepassen, moeten aanklagers bewijzen dat verdachten in die steden zijn geweest. Zelfs dat is vaak al heel moeilijk.

    Zijn de verdachten eenmaal veroordeeld, dan moeten landen besluiten waar ze zullen worden vastgehouden. Amerika zag nog geen driehonderd strijders vertrekken en er kwamen er nog minder terug. Het is voor dat land een koud kunstje om ze in de gevangenis te stoppen. In Europa ligt dat anders, want daar zijn de aantallen vaak veel groter. Sommige Europese landen merken nu al dat medegevangenen radicaliseren. Teruggekeerde strijders bij andere gedetineerden zetten zou weleens een nieuwe generatie extremisten kunnen opleveren.

    Rudimentaire rechtbanken

    Het is begrijpelijk dat politici die zich voor zulke problemen gesteld zien de handen wanhopig ten hemel heffen. Als inwoners van hun land in een ander land misdrijven hebben begaan, moeten ze daar dan niet worden berecht? Maar het door Koerden bestuurde Oost-Syrië is geen land. De rudimentaire rechtbanken daar bieden geen eerlijk proces en bestaan waarschijnlijk niet lang meer. En nu hun Amerikaanse beschermheren de benen nemen, kunnen de Koerden rekenen op aanvallen van zowel het regime van Assad als het Turkse leger. Waarschijnlijk zullen ze een deal met Assad 
sluiten. De geschiedenis wijst uit wat er gebeurt wanneer de mensen die 
ze hebben opgepakt in Syrische 
gevangenissen belanden. De kerkers van Assad hebben generaties radicalen voortgebracht, die alleen werden 
vrijgelaten wanneer dat politiek gezien goed uitkwam.

    Dan blijft er maar één mogelijkheid over. ‘Het Pentagon heeft ons laten weten dat er een grote kans bestaat 
dat ze naar Guantanamo Bay worden gestuurd,’ zegt een stafmedewerker van het Amerikaanse Congres. Sinds 2008 zijn daar geen gevangenen meer opgenomen. President Barack Obama heeft acht jaar lang geprobeerd de gevangenis te sluiten, en het aantal gedetineerden is geslonken van 242 in 2009 tot krap 40 nu. De Democraten zullen die koers waarschijnlijk niet willen veranderen.

    Voor een oplossing voor terugkerende IS-strijders is een combinatie nodig van rechtbankprocessen, volgsystemen en rehabilitatie. De politie moet de daarvoor benodigde middelen krijgen, het OM methoden om kwetsbaar bewijs in rechtszaken in te brengen. Sommige deradicaliseringsprogramma’s werken prima, vooral in gevangenissen en voor diegenen die tegen hun wil of als kind naar Syrië en Irak zijn gekomen.

    Geen westerse politicus wil verantwoordelijk worden gehouden voor de repatriëring van potentieel gevaarlijke radicalen. Maar ze in Syrië laten of in ontwikkelingslanden dumpen lost het probleem niet op. Daar gaat bovendien de boodschap van uit dat westerse regeringen niets geven om de levens van miljoenen Syriërs en Irakezen die door toedoen van hún landgenoten kapot zijn gemaakt.

    The Economist | Londen

  • Islamofobie, een godsgeschenk voor fundamentalisten

    Islamofobie, een godsgeschenk voor fundamentalisten

    De term, gemunt door liberale westerlingen, beantwoordt aan de aspiraties van de islamisten en smoort ieder debat, benadrukt een Jemenitische jurist.

    Keuze uit het archief

    Zoals de term antisemitisme niet zelden klinkt als er sprake is van kritiek op Israël, zo valt het begrip islamofobie vaak wanneer moslims bekritiseerd worden. De Jemenitische jurist Hussein Al-Wadeï laat in dit artikel uit 2019 zien dat aan dit begrip een foutieve en fundamentalistische kijk op de islam ten grondslag ligt. Bovendien wekt de term de indruk dat discriminatie van moslims erger is dan de ongelijke behandeling van andere bevolkingsgroepen.

    De term ‘islamofobie’ deed in 1997 zijn intrede in het medialandschap en wordt sindsdien voortdurend gebruikt. De moslimwereld, die meestal wantrouwig staat tegenover alle westerse terminologie, heeft hem algauw overgenomen. Het eerste wat daarbij opvalt, is de volstrekt overeenkomstige kijk die westers rechts en moslimfundamentalisten op de islam hebben. We kunnen zonder overdrijving stellen dat de extreem-rechtse westerse islamofoob en de extreem-rechtse islamist op dit punt eender zijn.

    Volgens de definitie van de Bond van Britse Moslims wordt islamofobie bepaald door de gedachte dat de islam een verzameling onveranderlijke ideeën is, wars van iedere evolutie, volstrekt anders dan andere culturen en waardesystemen en inferieur aan de westerse cultuur. De islam is volgens die gedachte barbaars, irrationeel, machistisch, gewelddadig en agressief, werkt terrorisme in de hand en is uit op een botsing van beschavingen. Ook denkt een islamofoob dat de islam eerder een politieke ideologie is dan een religie, en dat het een instrument voor politieke overheersing is en een drijfveer voor militaire interventies.

    Wonderlijk genoeg denkt de overgrote meerderheid van de moslimfundamentalisten er precies zo over. Zij zijn van mening dat de islam een geheel van onveranderlijke ideeën vormt omdat ze graag herhalen dat hij ‘geldig is in alle tijden en op elke plek’, en dat iedere culturele invloed van buitenaf moet worden verworpen. Ze zijn uiteraard van mening dat niet de islam inferieur, barbaars, decadent en irrationeel is, maar dat dat juist voor de andere beschavingen geldt. Daarentegen zijn ze het eens met de islamofoben over de rol van de jihad, over het feit dat de islam ernaar streeft de wereld te overheersen en over de stelling dat het in de eerste plaats een politieke ideologie is. Dit laatste vormt zelfs de basis van hun kijk op de islam, omdat ze stellen dat ‘religie politiek is, dat politiek een religieuze plicht is en dat iedere letter van de Koran van een politieke orde is’.

    Dat alles is behoorlijk precair en toont aan hoe ongeschikt de term islamofobie is om de discussie te verhelderen. Bovendien is de notie koren op de molen van fascistische islamisten.

    Islamofoben en islamisten geloven dat de islam de wereld wil overheersen. – © Unsplash
    Islamofoben en islamisten geloven dat de islam de wereld wil overheersen. – © Unsplash

    De islamisten schermen niet alleen met de beschuldiging van islamofobie, maar kunnen daar nog ‘vijand van de islam’ aan toevoegen. Voor hen is dat een heel makkelijke manier om iedere roep om hervorming en alle verlichte ideeën van linkse en liberale moslims een halt toe te roepen.

    Maar voor sommige westerlingen zijn dergelijke oproepen tot hervorming eveneens uit den boze, omdat ze islamofobie in de hand zouden werken. Zij gaan iedere kritiek, iedere discussie over de situatie van vrouwen uit de weg. Maar dan zouden veel grote hervormers uit de moslimwereld ook als islamofoob moeten worden bestempeld, van Sayed Jamalludin Afghani, Mohammed Abdoe en Mohammed al-Tahir ibn Ashour tot Ali Abderraziq, Khaled Mohamed Khaled, Taha Hussein en Nasr Abu Zayd. Deze moslimhervormers van islamofobie betichten is even absurd als iedere Jood die kritiek heeft op het zionisme of het religieuze Joodse dogma als antisemiet beschouwen. De Britse intellectueel Fred Halliday heeft voorgesteld het woord ‘moslimfobie’ te gebruiken in plaats van ‘islamofobie’, omdat de haat tegen moslims is gericht en niet tegen de islam. Maar ook omdat het oproepen van haat jegens personen bij wet verboden is, terwijl kritiek op religies onder de door de wet gegarandeerde vrijheid van meningsuiting valt – ook al beschouwen de islamisten elke kritische of humoristische uiting als ‘heiligschennis’.

    Het voorstel van Halliday moet serieus worden genomen, maar gaat het daarbij niet om een vorm van xenofobie ten opzichte van buitenlanders?

    Waarom zou er een speciale categorie voor moslims moeten bestaan, een definitie naast andere vormen van racisme die zorgen voor opschudding in de Europese samenlevingen? Bestaat er geen solide wetgeving om iedere vorm van racisme te bestrijden?

    Deze term is bovendien problematisch omdat hij de moslims alleen maar vanuit het oogpunt van een onveranderlijke religieuze identiteit beschouwt en ervan uitgaat dat een moslim, of hij nu de Franse of de Britse nationaliteit bezit, alleen maar een moslim kan zijn. Een dergelijke excessieve en permanente nadruk op de religieuze identiteit maakt integratie nog moeilijker. Daar komt nog bij dat moslimgemeenschappen geneigd zijn zichzelf als slachtoffers te beschouwen, terwijl ze zich juist dubbel zo hard zouden moeten inspannen om te integreren.

    Islamofobie is een giftig cadeau van het liberale en progressieve Westen aan het islamistische fascisme. Het is een aan twee kanten snijdend mes om de moslims op te sluiten in hun exclusieve religieuze identiteit.

    In de Oxford Dictionary staat een merkwaardige definitie van islamofobie. Het zou gaan om een ‘obsessieve angst voor de islam, vooral als politieke kracht’. Maar de groeperingen die de politieke islam uitdragen, maken ook miljoenen moslims bang met hun totalitaire en gewelddadige boodschap. Moeten deze moslims dan ook als islamofoob worden beschouwd? De beschuldiging van islamofobie kan op zichzelf al een bedreiging van de vrijheid van meningsuiting vormen. Men heeft het recht om iedere religie te bekritiseren, ook de islam, en des te meer als het gaat om religies die in het teken staan van autoritaire bedoelingen.

    Het discours over de islam neemt momenteel bijna dezelfde plaats in als vroeger het discours over het antisemitisme. Mensen die pro-Israël waren grepen toen dit discours aan om alle kritiek op het beleid van de Hebreeuwse staat ten opzichte van de Palestijnen te smoren. Op dezelfde manier probeert de politieke islam nu ieder kritisch discours te smoren over de islam versus de moderniteit. Maar als islamkritiek een blijk is van islamofobie, is kritiek op het christendom dan een blijk van ‘christianofobie’?

  • Kiezen voor een betere wereld. Het kan

    Kiezen voor een betere wereld. Het kan

    Hoe moet het verder met deze wereld? Ontwerper Bruce Mau ziet het zo: er zijn twee keuzes die zich opdringen. Of gebruikmaken van alle mogelijkheden die dit tijdperk ons biedt en een sprong in de ongewisse toekomst maken. Of ons blijven wentelen in veilige, vertrouwde patronen.

    2018 was de vijftigste verjaardag van wat ik als de laatste grote revolutie beschouw: de chaos van 1968, het jaar toen in de Vietnamoorlog het tij begon te keren, overal studentenprotesten uitbraken en de Praagse lente hardhandig de kop werd ingedrukt. Tegenwoordig wordt Noord-Amerika geconfronteerd met niet één, maar twee revoluties: een revolutie van kansen en een revolutie van afwijzing. Het voelt misschien niet als een revolutionaire tijd, maar wie goed om zich heen kijkt, ziet dat economische, sociale en politieke krachten ons momenteel in twee richtingen trekken. De ene richting zal ons verder vooruit stuwen, de andere zal ons terugduwen. Ons lot hangt af van welke revolutie wij omarmen.

    De revolutie van kansen wordt gedreven door onderwijs, wetenschap, innovatie en design. Ons dagelijks leven kan altijd slimmer, sneller, gemakkelijker, lichter, groener, rechtvaardiger, opener, toegankelijker en mooier. Van de energiebronnen die we gebruiken tot de producten die we kopen, van het voedsel dat we eten tot de manier waarop we omgaan met onze omgeving en met elkaar, alles wordt zo ontworpen dat het steeds beter aan onze behoeften voldoet.

    Tegenwoordig is Warren Buffett een van de rijkste mensen ter wereld, maar hoewel hij over mogelijkheden beschikt die ik niet heb, zien onze levens er niet zo heel verschillend uit

    Praktisch elke meetbare trend van belang is in de afgelopen tweehonderd jaar ten goede gekeerd. Grote problemen zijn opgelost, van de bestrijding van besmettelijke ziektes tot gratis openbaar onderwijs. We zijn op de maan geland. We hebben continu mensen aan het werk in een internationaal ruimtestation, we laten een wagentje over Mars karren en lanceren kneitergrote raketten die op eigen kracht kunnen landen. Vele naties bundelen hun krachten in de strijd tegen polio, malaria, aids, ebola, armoede, honger en klimaatverandering. We hebben een wereldwijde infrastructuur voor de productie en het vervoer van goederen, voor vliegverkeer en telecommunicatie. Meer dan vier miljard mensen hebben inmiddels toegang tot internet, en daarmee tot enorme hoeveelheden informatie en nieuwe kansen, en de landbouwproductie is ten opzichte van 1961 meer dan verdrievoudigd.

    Toch zijn veel commentatoren er op de een of andere manier van overtuigd dat we achterop raken. ‘In Amerika neemt het vertrouwen af,’ kopte The Atlantic in januari 2018 bij een artikel over het dalende vertrouwen in de overheid, de media en het bedrijfsleven. In een Ipsos-enquête zei meer dan de helft van de Canadese ondervraagden in 2017 dat de jongeren van nu slechter af zijn dan de generatie van hun ouders. We zijn ervan overtuigd dat we slecht presteren, dat onze instellingen falen, dat we niet in staat zijn de belangen van de wereldgemeenschap boven onze persoonlijke of nationalistische belangen te stellen, niet van onze fouten leren en niet bereid zijn ons gedrag te veranderen in het algemeen belang.

    In 1820 leefde naar schatting 94 procent van alle wereldburgers in extreme armoede. Het verschil tussen rijk en arm was gigantisch. Tegenwoordig is Warren Buffett een van de rijkste mensen ter wereld, maar hoewel hij over mogelijkheden beschikt die ik niet heb, zien onze levens er niet zo heel verschillend uit. We kunnen allebei onderwijs genieten, met het vliegtuig reizen en op vakantie gaan, we hebben mobiele telefoons, computers en internet, we drinken koffie van Starbucks en maken gebruik van Google. Dat al die mogelijkheden wereldwijd openliggen voor miljarden mensen is hét kenmerk van onze tijd.

    Nooit is er in de geschiedenis zoveel rijkdom gecreëerd als in de afgelopen vijftig jaar. Miljarden mensen zijn toegetreden tot de mondiale middenklasse. Die groep telt volgens één studie nu 3,8 miljard mensen en is daarmee voor het eerst in de geschiedenis groter dan de groep mensen die in armoede leeft. Door nieuwe vormen van betalingsverkeer en economische uitwisseling hebben ook de allerarmsten tegenwoordig toegang tot de rijkdom van de markt. De Keniaanse mobiele betaaldienst M-Pesa schijnt twee procent van de Keniaanse huishoudens uit de armoede te hebben getild, louter door deze mensen voor het eerst toegang te bieden tot een bankrekening. Dat is de revolutie van kansen: zorgen dat iedereen die kansen kan benutten.

    © Josh Barwick
    © Josh Barwick

    De revolutie van afwijzing staat voor wanhopig vasthouden aan verouderde technologieën, industrieën en energiesystemen, ongeacht de gevolgen voor mens, milieu en economie. G20-landen geven nog steeds 444 miljard dollar subsidie aan fossiele brandstoffen. (In 2016 gaf Canada 3,3 miljard dollar aan de fossiele-brandstofindustrie.) Ondanks de dalende vraag naar steenkool hamert president Trump erop dat de Amerikaanse steenkoolindustrie moet worden gered, en zijn regering heeft tientallen milieuvoorschriften geschrapt, waaronder veiligheidsvoorschriften voor het boren in zee.

    De revolutie van afwijzing leidt ook tot een steeds grotere concentratie van rijkdom in de handen van een steeds kleinere groep, zodat één procent van de mensheid nu meer dan veertig procent van alle rijkdom ter wereld bezit. De inkomensongelijkheid is in Noord-Amerika, Rusland, China en India sinds 1980 heel snel toegenomen en in Europa matig, zo blijkt uit het World Inequality Report van 2018. In regio’s waar de ongelijkheid niet is gestegen, was die al extreem hoog: ongeveer zestig procent van alle rijkdom in het Midden-Oosten blijft in handen van de rijkste tien procent van de bevolking. Zelfs in Canada, een land met een levensstandaard die voor velen een ideaal is, is het bezit van de rijkste 87 families gelijk aan dat van alle bewoners van de provincies Newfoundland en Labrador, Prince Edward Island en New Brunswick samen. Het gevaar dreigt dat de rijkste burgers een leven gaan leiden dat volledig is afgescheiden van het onze en zo hun binding met de maatschappij verliezen. De toekomst ligt niet in ommuurde villawijken en vip-lounges, maar in platforms die de voordelen van onze tijd binnen ieders bereik brengen.

    Gezondheid

    Onze levensduur is ontegenzeggelijk de beslissende graadmeter voor de mate waarin we beschikken over goede gezondheidsvoorlichting, goede zorg en een gezonde leefomgeving. De levensduur neemt wereldwijd al tweehonderd jaar toe. Op sommige plaatsen gaat dat sneller dan op andere en in tijden van crisis of conflict kan de levensduur ook weleens afnemen. Maar de algemene trend is onmiskenbaar. De technologische en wetenschappelijke vooruitgang heeft onze mogelijkheden voor medisch ingrijpen vergroot, resulterend in nieuwe vormen van gezondheidszorg, een lagere kindersterfte en een langere levensduur. Op het vlak van medische innovatie worden er voortdurend nieuwe technologieën voor ingrijpen in het menselijk lichaam bedacht en gerealiseerd.

    Armen, benen, handen, gewrichten, tanden, ogen, hart, nieren, huid, oren, alvleesklier, botten, kraakbeen, lever en longen: allemaal kunnen we die nu vervangen of herstellen. Hugh Herr, die aan het Massachusetts Institute of Technology prothesen ontwikkelt en bij het bergbeklimmen zelf zijn onderbenen heeft verloren, grapt weleens dat hij medelijden heeft met mensen die hun ledematen niet kunnen upgraden. Zijn eigen kunstbenen worden steeds beter – hij heeft nu al speciale benen om te hardlopen en om te klimmen – terwijl de rest van zijn lichaam gewoon veroudert, net als dat van andere mensen. Hij voorziet een toekomst waarin prothesen niet alleen worden gebruikt om ontbrekende ledematen te vervangen, maar om het menselijk lichaam te verbeteren, een toekomst waarin kunstmatige alternatieven te verkiezen zijn boven onze eigen botten en organen.

    Als wij mensen de handen ineen slaan, kunnen we ziekten compleet van de aardbodem vagen. De pokken was de eerste ziekte die officieel uitgeroeid werd verklaard. Het uitroeien van malaria zal niet lukken, maar de verspreiding ervan kan tegen die tijd wel sterk worden teruggedrongen. Sinds er in 1988 een begin werd gemaakt met het uitroeien van polio, is het aantal ziektegevallen al met minstens 99 procent gedaald.

    Ondertussen worden in de revolutie van afwijzing pseudowetenschap en complotdenken verkozen boven wetenschappelijke feiten. Sinds 2009 is in twaalf staten van de VS een stijging te zien van het aantal mensen dat vaccinaties weigert met een beroep op hun ‘wereldbeschouwing’. Ook in Europa grijpt de weerstand tegen vaccinatie eveneens om zich heen. Ongefundeerde geruchten over neveneffecten worden breed uitgemeten en nieuw leven ingeblazen op internet, vooral via sociale media. In dit geval geeft de nieuwe technologie een stem aan groepen die angst willen zaaien en zo de fundamenten van kennis en waarheid ondermijnen.


    De revolutie van kansen belooft politieke vrijheid en een ingrijpende machtsverschuiving naar echte democratie in maatschappelijke processen en marktmechanismen. Dat betekent vrij verkeer van mensen, vrijheid van meningsuiting en een vrije pers.

    Al sinds halverwege de jaren zeventig stijgt het aantal democratische regeringen ter wereld. In 2016 waren volgens het Pew Research Center bijna zes op de tien regeringen democratisch. Dat is een enorme prestatie, als je bedenkt dat er tweehonderd jaar geleden nog maar één officiële democratie bestond (de Verenigde Staten), waarin je toen alleen nog stemrecht had als je man, blank en grondbezitter was. De afgelopen zeventig jaar heeft een enorme afname van politiek geweld laten zien. In Canada is de maatschappelijke betrokkenheid gegroeid: meer Canadezen zijn lid van groepen en organisaties binnen hun gemeenschap, en volgens cijfers uit 2013 over politieke en culturele organisaties is meer dan de helft van de leden daarin actief via internet. Het internet en alle platforms die daarop mogelijk zijn, maken de weg vrij voor een ongekende participatiegraad in onze democratie.

    Soms voelt dat misschien niet zo, en met reden. Wereldwijd zit de vrijheid al tien jaar in het slop: Turkije, Polen, Venezuela en Hongarije glijden af naar een vorm van autocratie. Crowdfunding, sociale media en videoplatforms zijn gebruikt om mensen tegen elkaar op te zetten in plaats van verbinding te zoeken. In Myanmar heeft het leger gebruikgemaakt van Facebook om mensen tot geweld tegen de Rohingya aan te zetten op een manier die doet denken aan het gebruik van de radio tijdens de genocide in Rwanda. En extreemrechtse partijen in Europa zetten sociale media in om de angst voor migranten aan te wakkeren en aan te dringen op sluiting van de landsgrenzen.

    Ook de vrijheid van meningsuiting wordt bedreigd. Freedom House constateerde dat van juni 2016 tot mei 2017 dertig van de vijfenzestig regeringen die deze onafhankelijke Amerikaanse mensenrechtenorganisatie volgt, geprobeerd hebben het online debat de kop in te drukken. In Turkije zijn meer dan 180 mediakanalen en uitgeverijen opgedoekt. Staatshoofden als Donald Trump en de Filipijnse Rodrigo Duterte worden steeds feller in hun aanvallen op de media. De laatste heeft persvrijheid zelfs ‘een privilege’ genoemd en gezegd dat journalisten die zijn vermoord waarschijnlijk ‘wel iets gedaan’ zullen hebben om dat te verdienen. In die trends ontwaar ik de revolutie van afwijzing, waarbij leiders angst zaaien om in naam van nationalisme en nationale veiligheid burgerrechten te ontmantelen.

    Of we het nou willen of niet, we zijn allemaal afhankelijk van elkaar

    Waarom is dat van belang? Omdat we, of we het nou willen of niet, allemaal van elkaar afhankelijk zijn. Op de lange termijn is het succes van de burgers van één land volledig afhankelijk van het succes van alle andere landen. Ideeën, goederen en mensen gaan tegenwoordig met grote snelheid de hele wereld rond. Onze grootste problemen op het gebied van economie, gezondheidszorg, politiek en milieu lopen over landsgrenzen heen. Net als mensen: of je nu denkt aan vluchtelingen die willen ontkomen aan vervolging (of aan de gevolgen van de klimaatverandering) of aan immigranten op zoek naar werk. In 2036 kan één op de twee Canadezen een immigrant of een kind van een immigrant zijn. We moeten daar niet voor terugdeinzen en geen hindernissen opwerpen, maar blij zijn met een wereld waarin culturen, rassen en talen zich vermengen en nieuwe vormen van rijkdom en schoonheid opleveren.

    Klimaatverandering

    De tweesprong waar we voor staan wordt het scherpst geïllustreerd in de klimaatverandering. Volgens het laatste rapport van het VN-Klimaatpanel hebben we nog maar elf jaar om te voorkomen dat de mensheid te kampen krijgt met verwoestende overstromingen, droogtes en vluchtelingencrises. Als de temperatuur met twee graden stijgt, zal 99 procent van alle tropische koraalriffen sterven, zal een vijfde van de insecten meer dan de helft van hun leefgebied verliezen en zullen miljoenen mensen uit tropische gebieden geëvacueerd moeten worden om te ontkomen aan droogtes en overstromingen. Beperking van de temperatuurstijging tot 1,5 graad of minder – een doel dat het rapport schetst – zou vereisen dat de CO2-uitstoot in 2050 wereldwijd is teruggedrongen tot nul.

    Bij zulke sombere voorspellingen is het gemakkelijk om pessimistisch te worden. Maar hoewel we vaak slecht op problemen anticiperen, hebben we ook bewezen dat we kunnen doorpakken als er een crisis voor de deur staat. Er is goed nieuws: overal ter wereld komen mensen en overheden in actie. Een non-profitorganisatie in Michigan is bezig sequoia’s te klonen om met de aanplant daarvan de oude oerbossen te herstellen. Op een strand in Mumbai hebben meer dan duizend vrijwilligers onder leiding van een jonge advocaat 3,5 miljoen kilo afval opgeruimd. China heeft plannen voor een enorme markt in emissierechten en India heeft inmiddels wereldwijd de grootste markt voor het veilen van duurzame energieprojecten.

    De twee revoluties die ik heb geschetst, lijken misschien een simplistisch model voor een complexe, steeds veranderende wereld. Maar ze helpen ons te zien hoe we verder moeten. We hebben uiteindelijk allemaal het recht om onze revolutie zelf te kiezen, en zo zal elk land en elke regio zijn eigen keuze maken. Maar als we niet samen kiezen, als we niet samen de revolutie van kansen zien zullen we vanzelf vervallen in de revolutie van afwijzing. En dan lopen we onze kansen mis.

    Auteur: Bruce Mau
    Vertaler: Frank Lekens

    The Walrus
    Canada | verschijnt 10 x per jaar | oplage 60.000

    The Walrus publiceert longreads over Canadese en internationale actualiteiten evenals fictie en poëzie van Canadese auteurs.

  • Dossier: Weg met het wegwerpplastic

    Dossier: Weg met het wegwerpplastic

    Afvalcrisis
    China was tot voor kort het epicentrum van de recycling, een internationale miljardenindustrie waarin tonnen afval omgaan. 270 miljoen per jaar om precies te zijn, een gewicht dat gelijkstaat aan 740 keer het Empire State Building. Maar China houdt ermee op en dwingt het Westen de afvalcrisis zelf op te lossen.

    Robert Reed kijkt naar een berg afval van wel drie verdiepingen hoog en ziet ineens in zijn ooghoek een witte plastic tas. Die haalt hij eruit en houdt hem omhoog. ‘Dit is probleemplastic,’ zegt hij ernstig. ‘Dit blijft vastzitten in de machines, en er is geen markt voor.’ Hij wappert even met de tas en laat hem dan weer op de hoop fladderen. We bevinden ons in de grootste recyclingfabriek van 
San Francisco, waar huisvuil wordt ingezameld, gesorteerd en uiteindelijk tot keurige balen wordt samengeperst. Het knerpt onder onze schoenen terwijl Reed, die al twintig jaar meedraait in dit vak, 
vol trots uitlegt dat deze fabriek, die in handen is van het plaatselijke afvalverwerkingsbedrijf Recology, 
de meest geavanceerde is in haar soort aan de hele westkust. Met behulp van lasers, magneten en luchtblazers wordt er dagelijks 750 ton verwerkt. ‘Zie je al dat papier?’ zegt Reed. Hij gebaart naar de afvalberg en wijst op een doos van Amazon. ‘Daar krijgen we er steeds meer van door alle internetbestellingen.’ Een deel van het afvalmateriaal is van waarde, zoals aluminium blikjes, staal en karton. Maar veel is waardeloos, zoals deksels van koffiebekers of traytjes van zwart plastic.

    Als we aan het einde van het sorteercentrum komen, zien we de ene na de andere baal gesorteerd plastic tevoorschijn komen. Hiervandaan wordt het verkocht om verder verwerkt te worden, vaak ergens in Azië. China was afgelopen jaar met stip de belangrijkste klant. Volgens gegevens van de Wereldbank wordt mondiaal meer dan 270 miljoen ton afval per jaar gerecycled, een gewicht dat gelijkstaat aan 740 keer het Empire State Building.

    Sinds de introductie van plastic- en papierbakken 
in woonwijken, in de jaren tachtig, wordt recycling gepresenteerd als het milieuverantwoorde antwoord op de groeiende hoeveelheid afval die de mensheid produceert. Het is wereldwijd uitgegroeid tot een miljardenindustrie, ten bedrage van 220 miljard, 
volgens het Bureau of International Recycling. Bedrijven en makelaars verdringen zich om het afval op te kopen en er nieuwe producten van te maken: een soort goud uit stro spinnen, dat soms ongekend winstgevend kan zijn. Het hele systeem stoelt op een levendige handel in afvalmateriaal dat over de hele wereld wordt verscheept.

    Maar begin 2018 is hier verandering in gekomen. 
Op 31 december 2017 sloot China, dat altijd het middelpunt was van de wereldwijde recyclinghandel, van de ene op de andere dag de deuren voor de import van gerecycled materiaal, met als argument dat grote hoeveelheden afval ‘gevaarlijk’ of ‘vervuild’ waren en daarmee een bedreiging zouden vormen voor het milieu. De prijs van het plastic afval kelderde, net als de prijs van gerecycled papier. Van de ene op de andere dag verkeerde de lucratieve handel die wereldwijd was ontstaan rondom de verscheping van recyclebaar materiaal, in grote crisis.

    Veranderde wereld

    China’s nieuwe beleid, ‘Nationaal Zwaard’ geheten, was zo ingrijpend dat veel mensen in de industrie aanvankelijk niet konden geloven dat het echt zou worden doorgevoerd. China en Hongkong, die in de eerste helft van 2017 nog 60 procent hadden opgekocht van al het plasticafval dat door de G7-landen werd geproduceerd, namen een jaar later in dezelfde periode nog maar 10 procent af. ‘In zekere zin is 
de wereld hierdoor veranderd,’ zegt Reed. ‘China was wereldwijd de grootste afnemer van papier en plastic.’

    Aan de hand van de beschikbare handelsdata heeft de Financial Times de export van plastic- en papierafval uit de G7-landen 
in kaart gebracht. Sinds China de deuren heeft gesloten, blijkt er sprake te zijn van een ongekende toename van afvalstromen richting Zuidoost-Azië. Voor dit artikel zijn enkele tientallen mensen geïnterviewd: industriëlen, beleidsmakers, papierhandelaars en milieuactivisten, zowel uit de Verenigde Staten als uit Europa en Azië. Uit deze gesprekken is gebleken dat de bedrijfstak van de afvalrecycling volkomen op zijn kop is gezet, 
en dat er inmiddels grote vraagtekens worden geplaatst bij het hele fenomeen. De bedrijfstak is gegroeid en er zijn veel winsten gemaakt, zeker sinds de klanten zich meer en meer bewust zijn geworden van de milieueffecten van stortplaatsen, maar ook kleven er al langere tijd onfrisse kanten aan deze industrie. Die kampt al veel langer met beschuldigingen van smokkel, omkoping en vervuiling, maar is door het Nationaal Zwaard-beleid ineens volop in de schijnwerpers komen te staan. Nu China de deuren heeft gesloten voor het afval, wordt ineens pijnlijk duidelijk hoe ongunstig het kostenplaatje is van de recycling van huishoudelijk afval. Dit alles heeft geleid tot een grondige revaluatie van deze vorm van afvalverwerking, iets wat volgens velen al veel eerder had moeten gebeuren.

    Dit is het ‘moment van de waarheid’ voor de recyclingindustrie, zegt Don Slager, die aan het hoofd staat van Republic Services, de op een na grootste afvalverwerker van de Verenigde Staten. Hij schat dat alleen al zijn eigen bedrijf dit jaar zo’n 150 miljoen dollar aan inkomsten misloopt door 
China’s nieuwe beleid. Volgens Eric Kawabata van TerraCycle, een in de VS gevestigd recyclingbedrijf, heeft het door China uitgevaardigde invoerverbod geleid tot een ‘mondiale crisis in plasticafval’. Japan, waar hij is gestationeerd, exporteerde veel naar China, tot aan het invoerverbod. ‘Nu stapelt al het afval zich op in Japan en kunnen we er niets mee; de vuilverbrandingsovens draaien op volle toeren,’ zegt hij.

    Jonge Nepalezen maakten in het centrum van Kathmandu met 100 duizend plastic tasjes een installatie die de Dode Zee moet voorstellen, om aandacht te vragen voor de vervuiling van de oceanen. © HH
    Jonge Nepalezen maakten in het centrum van Kathmandu met 100 duizend plastic tasjes een installatie die de Dode Zee moet voorstellen, om aandacht te vragen voor de vervuiling van de oceanen. © HH

    In theorie is China nog altijd bereid bepaalde vormen van afval toe te laten, maar de lat voor de zuiverheid van het materiaal ligt zo hoog dat de meeste mensen binnen de bedrijfstak spreken van een onvervalst importverbod. In de Verenigde Staten zien veel bedrijven zich genoodzaakt recyclebaar afval naar stortplaatsen te brengen, omdat ze er nergens anders mee naartoe kunnen – een pijnlijke ommekeer na tientallen jaren van investeringen in programma’s voor recycling. In de eerste helft van 2018 exporteerden de Verenigde Staten 30 procent minder plasticafval dan in de eerste helft van het jaar ervoor, blijkt uit gegevens van de Financial Times. Veel van dat materiaal is uiteindelijk op de stortplaats beland. ‘Recycling is hier haast een religie,’ zegt Laura Leebrick van Rogue Disposal & Recycling in Oregon. ‘De mensen in Oregon vinden het belangrijk om te recyclen, het geeft ze het gevoel dat ze iets goeds doen voor onze planeet. Nu voelen ze zich in de steek gelaten.’ Na het Chinese invoerverbod is Rogue Disposal & Recycling beperkingen gaan opleggen aan het huishoudelijk afval dat ze innemen: geen plastic meer (op melkpakken na), geen glas meer en geen gemengd papier (zoals reclamefolders en cornflakesverpakkingen). Nu China niet meer actief is op deze markt, zijn de kosten van de recyclingprogramma’s verdriedubbeld, zegt Leebrick.

    Wereldwijd wordt ongeveer de helft van het plastic dat is bedoeld voor recycling overzees verhandeld, blijkt uit een recent onderzoek in wetenschappelijk tijdschrift Science Advances. Dat percentage is zelfs nog hoger aan de westkust van de Verenigde Staten: Californië exporteert tweederde van al het huishoudelijk afval dat in de recyclebakken belandt. Veel steden die in het verleden inkomsten genereerden uit hun recyclingprogramma’s, moeten nu vervoerders inhuren om van het materiaal af te komen. Waar een baal gemengd plastic van niet al te hoge kwaliteit begin 2017 in Californië nog 20 dollar per ton kon opleveren, kost het een jaar later 10 dollar om ervan af te komen. ‘Het Nationaal Zwaard-beleid dwingt ons onder ogen te zien dat recyclen geld kost,’ zegt Zoe Heller van CalRecycle, het overheidsrecyclingbedrijf van Californië. ‘Wat dit uiteindelijk betekent voor Californië, de Verenigde Staten en de rest van de wereld, is dat we een andere manier moeten vinden waarop we mondiaal tegen hergebruik aankijken.’

    Afvalverzamelaars zoeken plastic om te recyclen op Bantar Gebang, de grootste vuilnisbelt van Indonesië. – © Getty Images
    Afvalverzamelaars zoeken plastic om te recyclen op Bantar Gebang, de grootste vuilnisbelt van Indonesië. – © Getty Images

    Niemand is daar méér van doordrongen dan Steve Wong, ooit de plasticafvalkoning van China. Zijn imperium was goed voor zo’n 7 procent van de totale plasticafvalimport van China, met aandelen die volgens Wongs eigen schatting zo’n 900 miljoen dollar waard waren. Maar nu zit hij met schulden, na liquidatie van fabrieken en andere bezittingen. De wallen onder zijn ogen wijzen erop dat hij een zware tijd achter de rug heeft. De Engelsman, opgegroeid in Hongkong en werkzaam vanuit Los Angeles, is altijd onderweg. ‘Het leven is niet makkelijk,’ zegt hij. ‘Ik had wel gehoord van dat Chinese importverbod, maar ik had niet verwacht dat het zo hard zou aankomen, dat de recyclers het zo moeilijk zouden krijgen.’

    Wongs loopbaan ging hand in hand met de opkomst van China als recyclingcentrum van de wereld. Toen China eind vorige, begin deze eeuw uitgroeide tot een van de grootste producenten ter wereld, ontstond er een enorme vraag naar grondstoffen. Daarmee vormde het land een prima afzetmarkt voor al het materiaal dat werd vervaardigd in het recyclingprocedé: de plastic korrels die worden gemaakt van gerecycled materiaal, bijvoorbeeld, en waarvan schoenzolen kunnen worden gemaakt, en talloze andere alledaagse voorwerpen. De toenemende vraag viel samen met de toenemende recycling in de westerse wereld. Daarnaast was er nog een logistiek voordeel, dankzij de wereldwijde handel: de schepen die afgeladen met ‘Made in China’-goederen op weg gingen naar het Westen, keerden vaak terug met een vrijwel leeg ruim. Dit was een mooie gelegenheid om de containers te vullen met afval dat kon worden gerecycled. De eerste recyclingbedrijven in China maakten dikke winsten door in te spelen op deze mogelijkheid. De eerste vrouwelijke miljardair van China, Zhang Yin, wist haar imperium Nine Dragons op te bouwen door papier uit de Verenigde Staten te importeren en te verwerken in papierfabrieken in eigen land. De combinatie van een grote vraag, goedkope arbeidskrachten en soepele milieuwetgeving maakte van China de ideale plek om het afval van de wereld te recyclen. China en Hongkong samen importeerden tussen 1988 en 2016 81 miljard dollar aan plasticafval, volgens Science Advances.

    Kentering

    Enkele jaren geleden kwam er echter 
een kentering, toen China serieuze maatregelen begon te nemen tegen milieuverontreiniging. De recyclingindustrie raakte uit de gratie, wat deels was te wijten aan de corruptie en het feit dat men zich nauwelijks iets gelegen liet liggen aan het milieu, maar ook aan het feit dat Chinese politici niet langer wilden dat China werd gezien als de vuilnisbelt van de wereld. ‘De spullen die ze importeerden, noemden ze yang laji – “buitenlands afval” – maar hun eigen afval, ook als het van slechte kwaliteit was, noemden ze “grondstof”,’ zegt Wong. Ook wilde China meer grip krijgen op de eigen afvalverwerkingsindustrie. Op steeds meer plekken doken echter slecht geleide recyclingfabrieken op, 
die afvalwater loosden en de omgeving verontreinigden, ondanks herhaalde pogingen van de overheid om grote schoonmaak te houden binnen de sector. ‘Uiteindelijk drong het tot China door dat het land er al met al bij inschoot door 
al die troep binnen te laten,’ zegt Jim Puckett, die aan het hoofd staat van het Basel Action Network, een non-profitorganisatie die strijdt tegen de handel 
in gevaarlijk afval. ‘De verontreiniging van het grondwater en van de lucht 
brengen hoge kosten met zich mee.’

    In 2013 kwam China met een nieuw beleid, ‘Groen Hek’, dat de bestaande regelgeving op het gebied van recycling aanscherpte. Met Wongs bedrijf is het vanaf dat moment bergafwaarts gegaan, vertelt hij. Met de introductie van Nationaal Zwaard werd de situatie nog erger. ‘Ik ken mensen die failliet zijn gegaan,’ zegt hij. Sommige Chinese handelaren in afval zijn in de gevangenis beland als gevolg van de pogingen van de overheid om grote schoonmaak te houden binnen de bedrijfstak. ‘Er is mij te verstaan gegeven dat ik beter kan wegblijven.’ Wong heeft nog altijd een aandeel in de handel en zit meestal al voor zonsopgang aan de telefoon. Op de ochtend van onze afspraak heeft hij al twee containers gekocht met benzinetanks die uit oude auto’s zijn gehaald, en zestig containers met plastic afdekzeilen die in wijngaarden zijn gebruikt. ‘Ik sluit elke dag wel een paar dealtjes,’ zegt hij, al gaat het om veel kleinere bedragen dan hij in het verleden gewend was. Wel heeft hij een cynische kijk op de sector. ‘De handelaren die nog over zijn, zijn of arm, of het zijn sjacheraars,’ zegt hij.

    Verzet

    Nu China sinds begin dit jaar de deuren heeft gesloten, gaat veel van het plasticafval naar Zuidoost-Azië, dat nu dan ook met een nieuw soort milieucrisis kampt. Van de 1700 officiële importeurs in China heeft zeker eenderde zich inmiddels gevestigd in Zuidoost-Azië, schat Wong. De regio is overspoeld met plasticafval, in veel grotere hoeveelheden dan men aankan. In een periode van slechts een paar maanden is Maleisië uitgegroeid tot de grootste plasticafvalimporteur ter wereld, met hoeveelheden die inmiddels zeker twee keer zo groot zijn als wat China en Hongkong tot voor kort toelieten. Vietnam heeft de hoeveelheid geïmporteerd plasticafval vanaf begin 2017 in een jaar tijd zien verdubbelen, terwijl de scheepsladingen richting Indonesië met 56 procent zijn gestegen, zo blijkt uit gegevens die door de Financial Times zijn verzameld. Thailand is koploper: daar 
is de import gestegen met maar liefst 1370 procent.

    In de haven van Leam Chabang, aan de oostkust van Thailand, staat een verzengende zon boven een zesbaansweg en een spoor voor goederentreinen. Dit is de drukste haven van het koninkrijk en een belangrijke gateway voor vrije handel met de rest van de wereld – een pronkjuweel van de Thaise economie, die voor een belangrijk deel stoelt op export. Maar 
dit jaar heeft de haven zich ook op de kaart gezet bij Thaise milieugroeperingen: het is de voornaamste invoerhaven geworden voor ongekend grote hoeveelheden plastic, elektronisch afval en alle andere troep van de wereld. In mei 2018 heeft de politie een inval gedaan in terminal C3, waar zeven containers zijn doorzocht en waar elektronisch afval is aangetroffen – gevaarlijk materiaal, als het niet op de juiste wijze wordt verwerkt – dat bij de douane ten onrechte was aangemeld als plastic. Nu de invoer is toegenomen, groeit ook het verzet; de verschillende overheden in Zuidoost-Azië doen pogingen om de hoeveelheid binnenkomend afval in te perken. In Thailand probeert men de uitwassen onder meer tegen te gaan met dit soort invallen in afvalverwerkende industrieën, stortplaatsen en havens.

    De Thaise overheid heeft Financial Times laten weten dat er binnen twee jaar een verbod zal komen op de import van plastic. Het meeste plastic is in strijd met de door de overheid opgestelde regelgeving het land binnengekomen, aldus Banjong Sukreeta van het verantwoordelijke ministerie. ‘We zagen dat importeurs niet alleen plastic afval importeerden voor hun eigen fabriek, maar ook om het door te verkopen aan andere fabrieken die het vervolgens verwerken,’ zegt hij. ‘Dat is tegen de regels.’ Zoals ook bleek bij de politie-inval in Laem Chabang, doen sommige importeurs valse aangifte bij de douane en worden containers met plasticafval gebruikt als dekmantel 
om elektronisch afval het land in te smokkelen. ‘Bij onze inspecties van het plastic bleek dat in 95 procent van de gevallen de regels werden overtreden en er niet aan de gestelde eisen was voldaan,’ aldus Banjong.

    Illegale fabriekjes

    Ondertussen zijn in de buurt van de haven van Laem Chabang de plastic verwerkende fabriekjes als paddenstoelen uit de grond geschoten, wat leidt tot klachten van de plaatselijke bevolking over verontreiniging. Iemand die deze fabriekjes – die niet allemaal honderd procent legaal zijn – in de gaten houdt, is Penchom Saetang, de vrouw die aan het hoofd staat van non-profitorganisatie Ecological Alert and Recovery Thailand. In de 
acht provincies rondom de haven telt zij meer dan 1300 bedrijfjes die zich bezighouden met recycling, stortplaatsen of de verwerking van elektronisch afval. ‘Recycling is een goed uitgangspunt en een lovenswaardig streven,’ zegt ze. ‘Maar als recycling zo mooi is, waarom willen Amerika, Europa, Korea en Japan het afval dan per se exporteren naar het buitenland?’
    Het is een vraag die steeds meer mensen stellen en waar de overheden in de regio een antwoord op proberen te bedenken. Toen in het voorjaar van 2018 de balen plastic zich ophoopten 
in de havens van Vietnam, liet het land weten niet ‘de vuilnisbelt van de wereld’ te willen worden. Er werden geen vergunningen meer afgegeven voor de import van papier, plastic, metaal en ander afval. Ook Maleisië probeert iets te doen aan de talloze 
illegale recyclingfabriekjes die overal 
in het land opduiken om het plastic te verwerken waarin China geen trek meer heeft.

    Minister Yeo Bee Yin liet in de herfst van 2018 weten dat de overheid de import van plasticafval gaat stilleggen.

    Greenpeace Unearthed [Greenpeace’ platform voor onderzoeksjournalisme] trof Engels recyclemateriaal aan op Maleisische stortplaatsen, waaronder recyclingzakken uit Londense wijken als 
Hammersmith, Fulham, Kensington en Chelsea.

    Veel van de fabriekjes die uit de grond zijn gestampt, staan voor alles wat er mis is binnen de industrie. ‘We hebben het wel over de “cowboys” binnen de bedrijfstak,’ zegt Max Craipeau, een Franse handelaar in plastic die in Hongkong woont. ‘Hun manier van zakendoen is verwerpelijk. In Zuidoost-Azië zijn die lui nu vrijwel allemaal failliet, omdat de overheid hun handel heeft stilgelegd.’ Dit soort ‘cowboyondernemingen’ weet maar al te vaak onder milieuvoorschriften uit te komen, vertelt hij, zoals de verplichting om het afvalwater te zuiveren. Om plastic te recyclen moet het materiaal worden gewassen, waarbij afvalwater vol giftige stoffen vrijkomt. Ook moet het plastic worden verhit om er korrels van 
te maken, en daarbij kunnen chemische stoffen en giftige gassen vrijkomen. In Thailand hebben dit soort schimmige bedrijfjes zich inmiddels de woede van de bevolking op de hals gehaald. Begin vorig jaar werden de politie-invallen live op tv uitgezonden, waarna er een landelijk debat op gang kwam over het plastic en de enorme toename van elektronisch afval: oude computeronderdelen, keyboards en 
telefoons.

    Smerige rook

    Midden in de cassavevelden van Thathan, aan de oostkust van Thailand, liggen blauwe teerdoeken die de bergen elektronisch afval nauwelijks aan het oog weten te onttrekken. Volgens de plaatselijke bevolking kwamen er vlak na Nieuwjaar vrachtwagens vol e-afval – een stuk of tien, twintig per nacht. In april 2018 begon de Chinees-Taiwanese eigenaar 
van het bedrijf, He Jia Enterprise, met het verbranden van plastic e-afval, om er koper uit te winnen. 
Er hing een dikke deken van smerige rook over het dorp en sommige inwoners werden duizelig. ‘Het was echt zo’n lucht die in je neusgaten blijft hangen en waarvan je dan last krijgt,’ zegt Panpuch Srithat, een dorpsbewoner die een klein zaakje heeft. Terwijl zij met ons praat, rijdt er een lange vrachtwagen vol snoeren door het dorp. ‘Ze halen spullen die niemand wil hebben ons land in,’ vervolgt ze. ‘Zij strijken alleen maar winst op. En wie draagt de verliezen? Ons land draagt de verliezen.’

    Elektronisch afval is veel giftiger dan het doorsnee huishoudelijk afval, omdat er verschillende schadelijke stoffen in zitten, waaronder zware metalen zoals lood. Maar de factoren die het mogelijk hebben gemaakt dat het e-afval zijn weg kan vinden naar de landen die het slechtst toegerust zijn om het veilig te verwerken, zijn dezelfde die het mogelijk hebben gemaakt dat Zuidoost-Azië vorig jaar is overspoeld met ongewenst plastic. Mensen die zich inzetten voor het milieu, zoals Puckett van het Basel Action Network, zien daarin het bewijs dat het wereldwijde handelssysteem heeft gefaald. ‘Dit kan allemaal als gevolg van de vrije handel, een systeem dat het mogelijk maakt dat je spullen aan boord van een schip laadt en ze ergens naartoe brengt waar de 
controle veel minder streng is,’ zegt hij.

    Het management van He Jia heeft naar eigen zeggen niets verkeerd gedaan. De fabriek is in april 2018 in andere handen overgegaan, nadat er veel protest was gekomen. Winaaithorn Rakkbuathong, de algemeen directeur, vertelt ons dat de fabriek zich aan alle milieuvoorschriften en handelswetten houdt. Hij ontkent dat de fabriek afvalwater in de grond heeft laten lopen, zoals de dorpelingen beweren, en zegt dat alle medewerkers beschermende kledij dragen, zoals brillen, maskers en handschoenen. ‘Ooit van het Verdrag van Bazel gehoord?’ zegt hij, met een beleefde glimlach en een knikje. 
‘Volgens dat verdrag is het toegestaan 
om afval te importeren en te exporteren.’

    ‘Mensen hebben van alles en nog wat verscheept, naar overal en nergens, zonder zich af te vragen of men daar wel raad weet met al dat afval’

    Maar de tekst van het Verdrag van Bazel luidt anders dan wat Rakkbuathong hier beweert. Volgens het verdrag, dat in 1989 is opgesteld om de handel in gevaarlijk afval te reguleren, kan e-afval alleen naar ontwikkelingslanden worden verscheept na toestemming van de betreffende landen. Maar er staat niets in het verdrag over de handel in plastic, en zowel in Thailand als elders op de wereld wordt steeds meer gediscussieerd over de vraag of de huidige maatregelen afdoende zijn. ‘Mensen hebben van alles en nog wat verscheept, naar overal en nergens, zonder zich af te vragen of men daar wel raad weet met al dat afval,’ zegt Surendra Borad Patawari, die aan het hoofd staat van de Gemini Corporation, een Belgisch bedrijf dat handelt in plastic en staal. ‘We zouden verplicht moeten worden na te gaan of de importeurs wel over de nodige faciliteiten beschikken om te recyclen.’

    Nieuwe regelgeving zal vermoedelijk niet lang meer op zich laten wachten: begin 2018 diende Noorwegen een voorstel in om bepaalde soorten plastic toe te voegen aan de lijst van materialen die onder het Verdrag van Bazel vallen. Als dat voorstel wordt aangenomen, zal het verschepen van bepaalde soorten plastic afval alleen mogelijk worden als de ontvangende landen daar van tevoren mee instemmen. Ola Elvestuen, de Noorse minister van Milieu, vertelt ons dat het verdrag zou moeten worden aangewend om ‘de stroom van problematisch afval beter onder controle te krijgen’ – en dan wereldwijd. ‘Er worden immense hoeveelheden plasticafval verhandeld, en daarvan is veel gemengd. Het is verontreinigd, het is afval dat niet of nauwelijks in aanmerking komt voor hergebruik; die stroom moeten we beter onder controle zien te krijgen,’ zegt hij.

    Het voorstel van Noorwegen heeft al steun gekregen uit meer dan twintig landen, al is de EU tegen, net als veel 
handelaren in afval. Volgens Adina Adler, hoofd internationale betrekkingen aan het Institute of Scrap Recycling Industries in Washington D.C., zou dit beleid een verstikkende uitwerking hebben op de handel. ‘Afval is geen troep, het is geen rotzooi, het is iets waardevols,’ zegt zij. ‘Als het voorstel van Noorwegen wordt aangenomen, kan dat een precedentwerking hebben en tot meer beperkingen leiden. Een groot deel van de ontwikkelingslanden beschikt niet over de middelen om te recyclen. Dus zullen ze het afval voor zover mogelijk verzamelen en dan verschepen naar een ander land.’ Er zijn mensen die een afvaloorlog vrezen, nu meer en meer landen de deuren sluiten voor het afval. ‘We leven in een tijd van toenemend nationalisme, en deze importverboden horen daarbij,’ aldus Tom Szaky, ceo van TerraCycle, doelend op de stappen die in Zuidoost-Azië zijn genomen.

    In de Catharijnesingel voor TivoliVredenburg verschijnt binnenkort een enorme plastic walvis, gemaakt van vijf ton zwerfval uit de oceaan bij Hawaii.
    In de Catharijnesingel voor TivoliVredenburg verschijnt binnenkort een enorme plastic walvis, gemaakt van vijf ton zwerfval uit de oceaan bij Hawaii.

    De gevolgen van het besluit van China om de grenzen te sluiten voor westers afval, worden langzaam maar zeker duidelijk. Een van de gevolgen is een hausse aan investeringen in de recyclingfaciliteiten in het Westen. Nu China niet langer het afval van de hele wereld in ontvangst wil nemen, verschuift het zwaartepunt weer meer naar de VS, Europa en Japan. ‘Op de lange termijn 
zal dat positief uitpakken, omdat we 
ons sterker zullen moeten richten op onze eigen recyclingfaciliteiten,’ zegt Karmenu Vella, de Eurocommissaris die het milieu in zijn portefeuille heeft. Hij schat dat er in 2025 250 sorteerfaciliteiten extra nodig zullen zijn, en 300 recyclefabrieken. Bedrijven die de benodigde machines maken, zitten in de lift en krijgen meer opdrachten dan ze aankunnen.

    Dezelfde trend is zichtbaar in de Verenigde Staten, waar veel van de investeerders Chinezen zijn. Omdat ze in China zelf niet langer in staat zijn te voldoen aan de vraag naar papierpulp of plastic korrels, kopen de grootste recyclingbedrijven van China papiermolens of recyclingfabrieken in de VS. Nine Dragons, de grootste papier- en kartonproducent van China, heeft onlangs aangekondigd twee papiermolens in de Verenigde Staten te kopen, en is van plan daar 300 miljoen dollar in 
te investeren. Andere Chinese recyclingbedrijven hebben geïnvesteerd in recyclingfabrieken in 
Georgia, South Carolina, Alabama en Kentucky.

    De nieuwe Chinese bepalingen dwingen Amerikaanse afvalhandelaars en producenten ook om meer van het vuile werk zelf te doen, teneinde te 
voldoen aan de hoge eisen waartegen China nog wel bereid is afval toe te laten. George Adams, ceo van SA Recycling, een van de grootste Amerikaanse handelaren in metaalafval, zegt dat hij onlangs een nieuwe productielijn heeft opgezet om aluminiumafval te wassen voordat het naar China gaat. ‘Je kunt van mijn aluminium eten, zo schoon is het,’ zegt hij. Op andere plekken vinden soortgelijke veranderingen plaats: de Recology-faciliteit in San Francisco heeft onlangs 3 miljoen dollar geïnvesteerd in een optische sensor die het aantal onzuiverheden in de balen kan terugbrengen. En wat de handelaren betreft: velen zijn failliet gegaan of hebben afscheid genomen van de bedrijfstak, maar een enkeling heeft duidelijk garen gesponnen bij de verandering. Zoals Craipeau, de handelaar die opereert vanuit Hongkong. Hij heeft zijn focus verlegd naar de verkoop van plastic korrels – die niet onder de afvalban vallen – aan China. ‘Van de ene op de andere dag heeft China zichzelf getransformeerd van ’s werelds grootste verwerker van plasticafval tot ’s werelds grootse importeur van plastic korrels,’ licht hij toe. De vraag naar plastic korrels is groter dan ooit, omdat de fabrikanten er nog altijd behoefte aan hebben. Craipeau werkt momenteel samen met een recyclingfabriek in Indonesië en hij heeft plannen om binnenkort nieuwe fabrieken te openen in Polen en de VS.

    Ondertussen hebben veel recyclingprogramma’s voor huishoudelijk afval manieren gevonden om door te gaan, zij het soms in een licht gewijzigde vorm. ‘Ik krijg wel een beetje hoofdpijn van dat gedoe met China,’ zegt Slager, de ceo van Republic Services. ‘Maar aan de andere kant ben ik zonder meer opgetogen, omdat het ons wakker heeft geschud en ons ervan heeft doordrongen dat er iets moet veranderen binnen deze bedrijfstak.’ Een van de prioriteiten, aldus Slager, is om de toevoer schoner te krijgen, dus ervoor te zorgen dat mensen geen vervuild afval meer in de vuilnisbak gooien.

    Wake-upcall

    Sinds de jaren vijftig heeft de wereld meer dan 6,3 miljard ton aan plastic afval geproduceerd, waarmee plastic een van meest aanwezige door de mens gemaakte materialen op aarde is, naast staal en cement. De helft van die hoeveelheid is in de laatste zestien jaar geproduceerd, toen gebruiksvoorwerpen van wegwerpplastic een hoge vlucht namen, zo valt te lezen in de wetenschappelijke publicatie Production, Use and Fate of All Plastics Ever Made. 
Volgens auteur Roland Geyer is het Nationaal Zwaard-beleid een wake-upcall. ‘Ik heb de indruk dat het hergebruik van plastic voor het importverbod van China nooit echt succesvol was,’ zegt hij. Want zelfs vóór het verbod werd maar 10 procent van al het plastic in de Verenigde Staten hergebruikt. ‘Iets meer ons best doen met recyclen is niet voldoende.’ Beleidsmakers zijn al tientallen jaren bezig de inzameling van herbruikbaar afval te stimuleren en ervoor te zorgen dat een steeds hoger percentage van het huishoudelijk afval een andere bestemming kan krijgen dan de stortplaats 
of de vuilverbrandingsoven. Maar er klinken steeds meer geluiden dat we onze aandacht beter kunnen verleggen.

    ‘We zijn niet erg succesvol geweest op het gebied van recycling. Na veertig jaar hebben we het nog steeds niet helemaal voor elkaar,’ zegt zeilster Ellen MacArthur, die de Ellen MacArthur Foundation heeft opgezet, een organisatie die zich inzet voor een afname van de hoeveelheid plasticafval. ‘Er moet een fundamentele verandering plaatsvinden,’ zegt ze. Het probleem schuilt in het patroon van lineaire consumptie, waaraan de consument wereldwijd gewend is geraakt: grondstoffen uit de aarde halen, die gebruiken en weggooien. Volgens haar schuilt de oplossing in een ‘circulaire economie’, waarin grondstoffen niet zozeer worden geconsumeerd, maar worden hergebruikt. Haar ogen beginnen te stralen als ze beschrijft hoe dat er in de praktijk zou kunnen uitzien. De schappen in de supermarkt, die nu vol staan met plastic verpakkingen voor eenmalig gebruik, zouden een geheel andere aanblik bieden: eenvijfde van de verpakkingen zou herbruikbaar kunnen zijn, zoals een fles die opnieuw wordt gevuld. En de helft van de verpakkingen zou ontworpen kunnen worden met het oog op hergebruik.

    Een beter ontwerp van verpakkingsmateriaal zou een stap op de goede weg zijn, maar sommige mensen pleiten voor nog veel drastischere maatregelen. In de Recology-fabriek in San Francisco bekent Reed aan het einde van onze rondleiding dat hij na twintig jaar in deze branche een groot voorstander is geworden van ‘zero waste’. Hij gebaart naar een baal doorzichtige sandwichverpakkingen en zegt: ‘Ik koop al dat spul niet.’ In plaats daarvan slaat hij alles groot in en neemt hij zijn eigen flessen en zakken mee naar speciale winkels die voedsel en huishoudelijke producten per gewicht verkopen. Die manier van inkopen vindt al langere tijd navolging in Californië, en de laatste tijd ook in Europa. In Frankrijk en Italië is het aantal winkels dat niet-voorverpakte spullen verkoopt het afgelopen jaar enorm toegenomen. ‘Een van de belangrijkste lessen die we hebben geleerd van zero waste, is dat veel oplossingen zijn te vinden in het verleden,’ zegt Reed. ‘Vraag je eens af hoe het leven eruitzag in de tijd van je grootouders. Zij hadden geen wegwerpkoffiebekers, geen waterflesjes. En toch wisten ze in leven te blijven –uitstekend, zelfs.’

    Auteurs: Leslie Hook en John Reed

    CONTEXT: China treedt hard op tegen overtreders

    Per 1 januari 2018 verbood China de import van 24 soorten vaste afvalstoffen, waaronder karton, gemengd papier, sommige resten van de productie van ijzer en staal, bepaalde textielsoorten zoals wol en katoen, en acht soorten plastic, waaronder rollen verpakkingsplastic, polyethyleentereftalaat (pet) en polyvinylchloride (pvc). Per 31 december werden 32 soorten afval aan de lijst toegevoegd: auto- en scheepsonderdelen, houtafval, roestvrij staal, titanium en dergelijke. Vanaf 2020 mag geen enkele vaste afvalstof meer worden geïmporteerd, met uitzondering van afval dat onvervangbare stoffen bevat.

    De Chinese regering wil op die manier ‘tegemoet komen aan de bezorgdheid onder de bevolking en streven naar een groene ontwikkeling’, aldus het Chinese staatspersbureau Xinhua. Tegelijkertijd treedt de overheid streng op tegen overtreders, zegt het persbureau: in 2018 werden 718 verdachten gearresteerd 
die de bepalingen zouden hebben geschonden en werd 1,55 miljoen ton 
illegaal geïmporteerde vaste afvalstoffen in beslag genomen.

    Wereldbank
    Wereldbank

    Drijfscheiding

    Wat gebeurt als het afval uit de 
verschillende recyclingbakken van huishoudens is verzameld?

    De details verschillen per regio en per regering, maar meestal komt het grofweg hierop neer: als het afval uit de verschillende recyclingbakken van huishoudens is verzameld, wordt het gesorteerd in balen, die vervolgens worden verkocht, om te worden verwerkt tot iets anders. Een baal karton gaat naar een speciale papiermolen, waar het wordt gereinigd en vermalen tot papierpulp, dat wordt gebruikt om nieuw papier mee te maken. Het bedrijf dat het afval inzamelt, zal het op materiaal sorteren en sommige materialen – die van waarde zijn – verkopen aan handelaren, of aan fabrieken, waar een tweede ronde volgt van sorteren en reinigen. Vervolgens wordt het materiaal verkocht om verder te worden verwerkt, totdat het uiteindelijk bij de eindgebruiker komt: een producent die het materiaal gebruikt als basismateriaal voor een ander product.

    Plastic is een van de moeilijkste materialen om te recyclen. We maken in het dagelijkse leven gebruik van tientallen verschillende soorten plastic, en die moeten, voordat ze worden gerecycled, allemaal worden gescheiden. Nadat alles is gesorteerd, worden de balen naar een recyclingfabriek gestuurd, waar alles nogmaals wordt gewassen en gereinigd. En dan wordt het een stuk lastiger. Neem een plastic waterflesje, meestal gemaakt van pet, een van de waardevollere soorten plastic. Als de flessen in de fabriek komen, worden ze gewassen en in een chemisch bad gedompeld om de etiketten te verwijderen, waarna ze in stukken worden gehakt. Met behulp van drijfscheiding wordt het plastic van de doppen gescheiden van het plastic van de flessen. Aan het einde van het procedé heb je drie verschillende materialen over: dopscherven, flesscherven en etiketten. De laatste stap is om de scherven te ‘extruderen’, oftewel om te smelten tot korrels. Het kost energie om de scherven te verhitten, en ook kunnen er schadelijke stoffen bij vrijkomen, door de additieven in het plastic. Tot slot worden de korrels verkocht aan fabrikanten die ze als basismateriaal gebruiken. Het 
is mogelijk om dit allemaal op een milieuvriendelijke manier te doen: verantwoord omgaan met het afvalwater, de chemicaliën op verantwoorde wijze lozen 
en zorgen dat er geen giftige gassen vrijkomen. Als 
dat goed gebeurt, kost het minder energie en is het verbruik van natuurlijke bronnen lager dan bij het vervaardigen van nieuw materiaal. Maar als het niet zorgvuldig gebeurt, kunnen de gevolgen rampzalig zijn. (FT)

    Bas Emmen
    Bas Emmen

    Nederland

    Afvalscheiding cruciaal 
voor verwerking

    In Nederland ontstaat jaarlijks een hoeveelheid afval van 60 miljoen ton. Bijna 80 procent daarvan wordt bewerkt voor hergebruik, de rest wordt verbrand of gestort. Volgens de laatst beschikbare gegevens (over het jaar 2016) blijkt de totale hoeveelheid afval in Nederland nog jaarlijks toe te nemen.

    In 2016 steeg de hoeveelheid gestort afval met 20 procent, de hoeveelheid gestorte bouwstoffen met 29 procent, 
de hoeveelheid verbrand afval met 3 procent, de hoeveelheid vergist en gecomposteerd gft-afval met 6 procent, en de hoeveelheid verwerkte grond met 16 procent. Alleen de hoeveelheid verwerkte baggerspecie daalde: met 1 procent.

    Scheiding van soorten afval is in het verwerkingsproces van cruciaal belang. Die scheiding verloopt niet overal even soepel. Zo werd in het Land van Cuyk in 2015 al 89 procent van het afval gescheiden, terwijl dat in de grote steden beduidend minder was: in Amsterdam nauwelijks 28 procent, in Den Haag 27 procent en in Rotterdam 24 procent.

    Gemiddeld ligt in Nederland het scheidingspercentage op 58 procent. Het streven is deze hoeveelheid volgend jaar op te krikken naar ten minste 75 procent.

    (360 Magazine)

  • 3. Eerst komt het geld, 
dan de moraal?

    3. Eerst komt het geld, 
dan de moraal?

    Na de moord op Jamal Khashoggi is er in het Westen nerveuze onrust ontstaan over de samenwerking met Saoedi-Arabië. Bedrijven en lobbyisten staan voor een dilemma gesteld: gaan ze voor winst, of voor principes?

    De moord op Jamal Khashoggi zorgt voor veel opschudding. Van Wall Street en Silicon Valley tot K Street [een straat in Washington waar veel lobbyfirma’s 
zijn gevestigd] zien lobbyisten, investeerders, bestuurders en media zich voor een dilemma gesteld waar het 
de samenwerking met Saoedi-Arabië betreft, nu dat land zware kritiek 
te verduren krijgt vanwege zijn 
vermeende rol bij de moord op de 
journalist Kashoggi.

    De Harbour Group, een van de circa tien lobbybureaus die de Saoedische regering vertegenwoordigen, heeft de relatie met het land verbroken; volgens ingewijden overwegen andere bureaus dit voorbeeld te volgen. Volgens dezelfde bronnen beraden de lobbyfirma’s zich nu op de toekomst. Maar sommige hebben al besloten dat het vooruitzicht op geld uit Saoedi-Arabië – ooit een gekoesterde en winstgevende cliënt – niet opweegt tegen de eventuele reputatieschade.

    De Harbour Group, die 80.000 dollar per maand ontving om de Saoedische ambassade in Washington te vertegenwoordigen, zegde op 11 oktober per brief het 
contract op, aldus Richard Mintz, de directeur van de firma.

    Verscheidene nieuwsmedia, waaronder The New York Times, zagen af van deelname aan de door de Saoedische regering georganiseerde beleggersconferentie Future Investment Initiative, die eind oktober werd gehouden in Riyad en waarbij kroonprins Mohammed bin Salman een van de sprekers was. The Los Angeles Times en The Economist waren evenmin aanwezig.

    De Harbour Group, die 80.000 dollar per maand ontving om de Saoedische ambassade in Washington te vertegenwoordigen, zegde op 11 oktober per brief het 
contract op, aldus Richard Mintz, de directeur van de firma.

    Verscheidene nieuwsmedia, waaronder The New York Times, zagen af van deelname aan de door de Saoedische regering georganiseerde beleggersconferentie Future Investment Initiative, die eind oktober werd gehouden in Riyad en waarbij kroonprins Mohammed bin Salman een van de sprekers was. The Los Angeles Times en The Economist waren evenmin aanwezig.

    Miljardendeals

    Voor financiële en technologische bedrijven, waarvan een aantal miljardencontracten hebben met Saoedi-Arabië, ligt de rekensom wat gecompliceerder. Slechts een paar CEO’s hebben zich teruggetrokken uit de conferentie, die informeel bekendstaat als het ‘Davos in de woestijn’. Uber-directeur Dara Khosrowshahi was een van de weinigen die bekendmaakten zich terug te trekken. ‘Tenzij er wezenlijk andere feiten boven water komen, 
zal ik er niet aan deelnemen’, liet hij in een verklaring weten. De relatie van Uber met de Saoedi’s is gecompliceerd. Het Public Investment Fund, een groot Saoedisch staatsfonds, investeerde in juni 2016 3,5 miljard dollar om een 
aandeel van 5,6 procent in Uber te 
verkrijgen. Kroonprins Mohammed is de voorzitter van het fonds.

    De directeur van Blackstone, Stephen Schwarzman, [zag af van deelname aan] de conferentie, die werd gehouden in het Ritz-Carlton-hotel in Riyad, waar prins Mohammed vorig jaar 
honderden rijke Saoedi’s liet opsluiten in wat hij een anticorruptiecampagne noemde, maar wat volgens critici een poging was om afwijkende meningen de kop in te drukken. Jamie Dimon, directeur van JPMorgan Chase, was volgens ingewijden van plan om te gaan [maar trok zich op het laatste moment terug]. JPMorgan doet al sinds de jaren dertig zaken in Saoedi-Arabië.

    [Ook] andere CEO’s die banden hebben met de conferentie van de prins, sneden die door of hielden zich op afstand. Richard Branson, de steenrijke Britse ondernemer, liet weten dat 
hij zijn betrokkenheid bij twee toeristische projecten nabij de Rode Zee opschort en dat zijn ruimteonderneming de besprekingen over toekomstige investeringen door het Public Investment Fund stopzet. Als de beschuldigingen waar blijken te zijn, zei hij in een verklaring, ‘zou het voor iedereen van ons in het Westen niet langer gerechtvaardigd zijn zaken te doen met de Saoedische regering’. Andere bezorgde CEO’s vroegen Saoedi-Arabië-deskundigen politiek advies over de mogelijkheid hun vlucht naar Riyad te cancelen.

    The Times meldde op 10 oktober dat de krant een mediapartnerschap met de conferentie had opgezegd. Andrew Ross Sorkin, financieel columnist bij de krant en nieuwspresentator bij CNBC, liet ook weten dat hij zich heeft teruggetrokken. En ook Arianna Huffington, medeoprichter van HuffPost, verklaarde af te zien van deelname.

    Een medewerker van investeerdersconferentie Future Investment Initiative geeft informatie over de toeristische highlights in Riyad. – © HH
    Een medewerker van investeerdersconferentie Future Investment Initiative geeft informatie over de toeristische highlights in Riyad. – © HH

    Het is opvallend dat het ongemak 
over Saoedi-Arabië reikt tot in K Street, het centrum van lobbyisten. Zelfs 
cliënten met de slechtste reputaties zijn gewoonlijk verzekerd van vertegenwoordiging, zolang ze maar 
solvabel zijn. Saoedi-Arabië is een geliefde cliënt, omdat het land boven de marktprijs betaalt en een van de betrouwbaarste bondgenoten van 
de VS is in een onstabiele regio, een bondgenootschap dat nog sterker 
lijkt door de goede banden tussen kroonprins Mohammed en de regering-Trump.

    De discussies over het opzeggen van het contract met de Saoedi’s weer-spiegelen ook de nervositeit van de lobby-industrie. Die heeft al te maken met steeds kritischere federale onderzoekers, zoals de speciale aanklager Robert Mueller, die onderzoek doen naar de mate waarin het buitenland probeert de Amerikaanse politiek te beïnvloeden.

    De best betaalde firma’s die de Saoedi’s in Washington vertegenwoordigen, zijn Qorvis MSL Group, een advies-
bureau op het gebied van openbaar bestuur dat bijna 280.000 dollar per maand betaald krijgt, en Glover Park Group, dat werd opgericht door voormalige ambtenaren onder de regering-Clinton en 150.000 dollar per maand opstrijkt. Twee andere firma’s verdienen 125.000 dollar per maand. Deze bureaus zullen niet allemaal de Saoedi’s laten vallen. Enkele neigen ertoe hun contract te verlengen, deels omdat ze voorspellen dat de Saoedische regering zich, als men en masse het land zou laten vallen, weleens minder 
coöperatief zou kunnen opstellen.

    Auteurs: Mark Landler, Kenneth P. Vogel, 
Kate Kelly

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • 1. Make Arabia great again

    1. Make Arabia great again

    Zijn hervormingsplannen werden gezien als revolutionair en in het Westen werd de Saoedische kroonprins door politici met open armen ontvangen. Maar achter de schermen zwaait Mohammed bin Salman met een autoritaire scepter. Was het allemaal duur betaalde pr? Een analyse.

    De Saoedische kroonprins weet hoe hij 
anderen moet behagen. Begin maart was Mohammed bin Salman, ook wel bekend als MBS, op Buckingham Palace voor een lunch met de Britse koningin Elizabeth. Het was het eerste officiële bezoek van de 33-jarige kroonprins en de media waren laaiend enthousiast. ‘Een revolutionair!’ schreef The Daily Telegraph. Britse conservatieven waren helemaal weg van het voorstel van de kroonprins om Saudi Aramco, het staatsoliebedrijf, te 
privatiseren en naar de Londense beurs te brengen. Het zou een opsteker zijn voor de kwakkelende Britse economie en goed voor MBS’ reputatie van economisch hervormer. Later die maand werd de kroonprins in de Oval Office ontvangen door president Donald Trump, waarna hij Los Angeles, New York, Houston, Silicon Valley en Seattle aandeed voor 
ontmoetingen met de elite van Hollywood en de techindustrie, onder wie Oprah Winfrey, Elon Musk en Google-toplieden.

    Zijn grand tour was het internationale debuut van 
de kroonprins. Zijn 82-jarige vader, koning Salman, had al gedeeltelijk afstand gedaan van zijn macht en een lans gebroken voor Vision 2030, MBS’ plan voor maatschappelijke en economische liberalisering. De kroonprins steunt in elk geval naar buiten toe het idee dat Saoedi-Arabië niet langer kan leunen op economische diplomatie met het buitenland en staatssteun 
in eigen land. Zijn plan beoogt onder andere minder afhankelijkheid van de olie-export, investeringen in onderwijs, amusement en toerisme, en versterking van de economie, onder andere door meer vrouwen toe te laten tot de arbeidsmarkt. Het in juni van kracht geworden decreet van de kroonprins dat 
vrouwen voortaan mogen autorijden, bevestigde zijn internationale reputatie van hervormer.

    De arrestatie, vorig jaar november, van een tiental koninklijke familieleden en ministers die ervan werden beschuldigd te profiteren van overheidsdeals, werd internationaal gebracht als anti-corruptie-
operatie. Die zou naar schatting 100 miljoen dollar toevoegen aan de middelen waarover de kroonprins de beschikking heeft. (Alles bij elkaar is het Huis van Saoed goed voor meer dan 1 biljoen dollar.)

    Kruistocht in spijkerbroek

    De reizen en wapenfeiten die het uitgekiende ‘progressieve’ profiel van de kroonprins kracht moeten bijzetten, zijn een opzichtige poging om een van de belangrijkste problemen van het koninkrijk aan te pakken: de deuk in het imago van Saoedi-Arabië die na 11 september 2001 nooit helemaal is hersteld. 
De aanslagen werden vooral door Saoediërs gepleegd. In een rapport van het Amerikaanse Congres dat in 2016 openbaar werd gemaakt – en dat de Saoediërs met veel moeite onder de pet probeerden te houden – staat dat de terroristen mogelijk werden gesteund door figuren die nauwe banden met de Saoedische regering onderhielden.

    De kroonprins heeft er een strategisch belang bij om dat verhaal te doen vergeten door er een ander voor in de plaats te stellen: dat van een verwesterd, 
consumptiegericht land dat hongerig is naar Amerikaanse investeringen en wapens, die laatste om ze tegen gezamenlijke vijanden op te nemen. Hij speelde die rol met verve, onder meer door op het grootste deel van zijn Amerikaanse reis geen traditionele Saoedische koninklijke gewaden te dragen. Hij trok zelfs een spijkerbroek aan voor zijn ontmoeting met Facebook-topman Mark Zuckerberg.

    Op elke tussenstop in Amerika werd MBS door de media bewierookt. Fox News raakte maar niet 
uitgepraat over zijn ‘moderniseringsoffensief’.CNN noemde Saoedi-Arabië ‘de interessantste opkomende markt van dit moment’. En American Media Inc. (eigendom van David Pecker, een vriend van Trump) wijdde een heel tijdschrift aan de kroonprins.De journalisten vroegen niet naar de gearresteerde vrouwen in Saoedi-Arabië, onder wie Samar Badawi en Nassima al-Sadah, die campagne hadden gevoerd voor het recht om auto te rijden, of naar de arrestatie van tientallen andere burgerrechtenactivisten. Ze vroegen niet naar de humanitaire ramp die zich 
voltrekt in Jemen en ook niet hoe de kroonprins de honderden miljoenen dollars die hij aan persoonlijke bezittingen heeft besteed, kan rijmen met zijn verhaal over verantwoorde economische hervormingen.

    ‘De Saoediërs hebben alle middelen aangewend 
om elke democratische impuls in de Arabische wereld om zeep te helpen’, zegt hoogleraar Madawi al-Rashid, een Saoedische antropoloog. MBS mag dan gehypet worden als hervormer, hij staat aan het hoofd van een autoritair regime dat geen tegenspraak duldt. De atheïstische blogger Raif Badawi blijft gevangenzitten, evenals zijn raadsman, de prominente mensenrechtenactivist Waleed Abulkhair. Noha al-Balawi, een strijder voor vrouwenrechten die filmpjes postte waarin ze de normalisering van de betrekkingen tussen Saoedi-Arabië en Israël aan de kaak stelde, werd in februari gearresteerd. Saoedische aanklagers eisen letterlijk het hoofd van een andere vrouwelijke mensenrechtenactivist, Israa al-Ghomgham, omdat ze heeft deelgenomen aan vreedzame demonstraties; ze zit al sinds 2015 gevangen zonder enige vorm van contact met haar advocaat.

    Intussen behouden radicale geestelijken hun invloedrijke posities, terwijl 
ze een theologie uitdragen waarin het vermoorden van christenen, joden en sjiitische moslims wordt toegejuicht, en blijft de strenge wahabitische ideologie, aanjager van het extremisme in de islamitische wereld, een belangrijk Saoedisch exportproduct. En dan is er nog de lange lijst sjiitische slachtoffers in de olierijke Oostelijke Provincie, die zijn gemarteld, geëxecuteerd of simpelweg van de aardbodem verdwenen, ‘omdat hun ideeën een gevaar vormen voor MBS en kritiek niet wordt getolereerd’, aldus Rashid.

    Democratie staat niet op de agenda van de kroonprins. Sterker: hij belichaamt de contrarevolutie waarmee de democratische vlam werd gedoofd die tijdens de Arabische Lente kortstondig opflakkerde. Samen met andere sterke mannen in het Midden-Oosten werkt MBS onverbiddelijk aan een nieuwe autoritaire regionale orde. Met ander woorden: Make Arabia great again.

    Skyline van Riyad, met in het midden de Kingdom Tower, het op twee na hoogste gebouw ter wereld met een opening erin. – © Getty Images
    Skyline van Riyad, met in het midden de Kingdom Tower, het op twee na hoogste gebouw ter wereld met een opening erin. – © Getty Images

    Om te begrijpen hoe het kan dat MBS zijn pr zo goed in de tang heeft, moet je beginnen in Abu Dhabi, de hoofdstad van de Verenigde Arabische Emiraten. In de westerse verbeelding zijn de 
Emiraten synoniem met de wolkenkrabbers van glas en staal, de luxueuze winkelcentra en de indoorskipistes 
van Dubai. Minder bekend is hun kroonprins, Mohammed bin Zayed 
al-Nahyan, ook wel MBZ, en die wil 
dat vooral zo houden. De 57-jarige voormalige piloot heeft razendsnel de defensie-uitgaven en de bewapening van de Emiraten opgevoerd. Het land 
is inmiddels een van de zwaarst bewapende ter wereld. Maar dankzij MBZ’ agressieve manipulatie van de media overheerst het idee dat de Emiraten een open, multiculturele, progressieve macht zijn: een lesje beeldvorming 
dat zijn beschermeling MBS duidelijk ter harte heeft genomen.

    In 2015 kreeg MBZ dankzij de dood 
van de Saoedische koning Abdullah, grootvader van MBS, een uitgelezen kans om het oude model van de Golf-diplomatie – ingetogen, voorzichtig, er vooral op gericht als front naar buiten te treden – voorbij te steken.

    MBS trok als tiener al op met MBZ, die de jonge kroonprins begon klaar te stomen voor zijn taken. Ze hebben allebei geen geduld met de in hun ogen al te grote bescheidenheid van de generatie van hun ouders en streven naar een daadkrachtig antwoord op de problemen in de regio. Alleen voegde MBZ een finesse toe aan de oorlogszuchtige neigingen van MBS: het Westen paaien. Hij zette lobbyisten en pr-bedrijven aan het werk om een beeld van de Emiraten en Saoedi-Arabië te creëren als verlichte leiders van de Arabische wereld en 
gaf de Moslimbroederschap en Iran daarmee het nakijken.

    In 2016 maakte Saoedi-Arabië gebruik van 
tien lobbybedrijven die in totaal naar 
schatting 1,3 miljoen dollar per maand betaald kregen

    pr-offensief

    Aan jaren van slappe pr kwam met de opkomst van MBS een einde. In 2016 maakte Saoedi-Arabië gebruik van 
tien lobbybedrijven die in totaal naar 
schatting 1,3 miljoen dollar per maand betaald kregen, aldus de politieke 
website The Hill. Een ervan, King & Spalding, had tot taak een wet te ondermijnen die het gezinnen van slachtoffers van 9/11 mogelijk maakte de Saoedische regering voor het gerecht te slepen. Een opdracht ter waarde van 90.000 dollar werd door Capitol Media Group, een bedrijf dat zich bezighoudt met islamofobe mediacampagnes, uitbesteed aan een ander bedrijf, Qorvis; het bestond erin op Capitol Hill tientallen Amerikaanse legerveteranen 
op de been te brengen die zich tegen 
de wet keerden. De wet kwam er uiteindelijk toch, ondanks een veto van toenmalig president Barack Obama.

    Tijdens zijn bezoek aan Londen in maart probeerde MBS behalve met reclameborden en paginagrote krantenadvertenties ook stiekem invloed 
te kopen. The Bureau of Investigative Journalism, een onafhankelijke 
non-profitorganisatie voor onderzoeksjournalistiek, onthulde dat Consulum, een van de Londense bureaus die door het koninkrijk worden ingehuurd, een hoge Britse diplomaat voor de Saoediërs liet werken: lobbyen voor de dictator op kosten van de Britse belastingbetaler. Het moederbedrijf van het in ongenade gevallen Cambridge Analytica, de SCL Group, had het team rondom de kroonprins bovendien geholpen door groepen in de Saoedische samenleving in kaart te brengen die zich naar alle waarschijnlijkheid tegen hem zouden keren.

    Het pr-offensief wordt opgevoerd, 
nu Saoedi-Arabië steeds repressiever wordt. Tientallen dissidenten en campagnevoerders blijven in de gevangenis zitten. Daar werd afgelopen mei een zeer vooraanstaande activiste aan toegevoegd: Loujain al-Hathloul. Saoedische vrouwen mogen nog steeds niet zonder toestemming van een mannelijk familielid uitreizen, en vaders en broers kunnen hun dochter of zus dwingen van hun man te scheiden.

    Newsweek
    Verenigde Staten | weekblad | 
oplage 1.972.000

    Gefuseerd met The Daily Beast. Initiatiefnemer Tina Brown blies 
het legendarische weekblad 
nieuw leven in.

    Auteur: Rula Jebreal

    CONTEXT | Deal met Al-Qaida

    En dan is er nog Jemen. In 2015 werd MBS als minister van Defensie ‘het gezicht van de oorlog in Jemen’, zoals het Brookings Institution het noemde. Saoedi-Arabië stond aan het hoofd 
van een coalitie die een grootscheepse luchtaanval uitvoerde op de Houthi-rebellen in het land, die door Riyad worden beschouwd als zendelingen van Iran. Als gevolg van de oorlog in Jemen zijn duizenden burgers omgekomen en ruim 1 miljoen mensen met cholera besmet geraakt, terwijl voor 18 miljoen mensen hongersnood dreigt. En hoewel de Saoediërs hiermee verantwoordelijk zijn voor de grootste door menselijk toedoen veroorzaakte humanitaire ramp van dit moment, hebben ze op het slagveld hun wil nog altijd niet kunnen opleggen.

    Volgens een onderzoek van Associated Press hebben de Saoediërs en de Emiraten bovendien een geheime deal gesloten met de strijders van Al-Qaida in Jemen, die zich konden terugtrekken met medeneming van hun wapens, uitrusting en bijna 100 
miljoen dollar aan buitgemaakte contanten. Veel van deze strijders werden meteen geworven voor de Saoedische coalitietroepen, wat een flinke versterking betekent voor de gevaarlijkste 
tak van het extremistische netwerk 
dat de aanslagen van 9/11 pleegde. Amerikaanse functionarissen schatten het aantal Al-Qaida-strijders in Jemen op achtduizend, en dat aantal wordt alleen maar groter.

    Bondgenoten

    Zelfs de trouwste bondgenoten van Saoedi-Arabië verafschuwen intussen de rampzalige oorlog en de geruchten over schimmige wapendeals. Dankzij een gezamenlijke poging van Democraten en Republikeinen onder aanvoering van senator Bernie Sanders stemden 44 van de 100 Amerikaanse senatoren voor een wetsvoorstel om per direct een einde te maken aan de Amerikaanse steun aan het Saoedische oorlogsprogramma. Ze hebben beloofd het opnieuw te proberen.

  • Westen geeft 
Saoedi-Arabië vrij spel

    Westen geeft 
Saoedi-Arabië vrij spel

    Saoedi-Arabië is verantwoordelijk voor duizenden burgerdoden in Jemen. En wat doet het Westen? Dat kijkt toe en levert wapens.

    Op 9 augustus treft een bom een bus vol kinderen in de provincie Sa’dah, in het noorden van Jemen. Hulpverleners tellen 51 doden en 79 gewonden. De beelden van de bebloede kinderen veroorzaken een golf van internationale verontwaardiging.

    De woede is gericht tegen de militaire coalitie onder Saoedische leiding, die sinds maart 2015 in Jemen opereert 
ter ondersteuning van de voormalige president Al-Hadi, die in 2015 door de Houthi-rebellen werd verdreven. De bombardementen van deze coalitie hebben al duizenden burgerslachtoffers gemaakt. De VN, de VS en Frankrijk eisen een onderzoek. Spanje zegt wapenleveringen aan Riyad te heroverwegen. De gêne in Washington groeit wanneer CNN een week later onthult dat het bloedbad is veroorzaakt door een lasergestuurde bom van 
Amerikaanse makelij, door de VS aan hun bondgenoot geleverd.

    Mensenrechtenorganisaties eisen al jaren dat er een eind wordt gemaakt aan de wapenleveranties aan alle 
strijdende partijen in Jemen, en komen ook nu in het geweer. Zij hopen dat het bloedbad van Sa’dah de westerse landen kan overtuigen van de noodzaak hun Arabische bondgenoot te dwingen zijn militaire betrokkenheid te verminderen. Maar nadat de Spaanse regering begin september aankondigde het 
contract voor de levering van bommen te annuleren, is ze nu teruggekrabbeld onder druk van Saoedi-Arabië, dat dreigde een voor Spanje veel lucratievere deal over de levering van vijf oorlogsschepen te verscheuren.

    De Duitse regering kondigde begin dit jaar een moratorium af op de wapenexport naar landen die bij de oorlog in Jemen zijn betrokken, maar werd onlangs betrapt op het schenden ervan. ‘Niet verwonderlijk’, zegt een westerse 
fabrikant die in Riyad is gevestigd. 
‘De Duitse bedrijven zitten in de 
problemen in het koninkrijk. Als ze hierheen komen om zaken te doen, 
wil niemand hen ontvangen.’

    Agressieve diplomatie

    Begin augustus had Saoedi-Arabië al woedend gereageerd op een tweet van de Canadese minister van Buitenlandse Zaken, waarin zij kritiek uitte op 
de arrestatie van mensenrechtenactivisten in het koninkrijk. Er volgden strafmaatregelen, waaronder het wegsturen van de Canadese ambassadeur en het bevriezen van Saoedische investeringen in Canada. Dit soort boze reacties is tekenend voor het duo dat in Riyad aan de macht is, koning Salman bin Abdoel al-Saoed en zijn zoon Mohammed bin Salman. Zij gaven het bevel voor het militair ingrijpen in Jemen, uitgevoerd in samenwerking met de Verenigde Arabische Emiraten en alom opgevat als een nieuwe, agressievere vorm van diplomatie om de 
uitbreiding van de Iraanse invloed in het Midden-Oosten in te perken. De Houthi-strijders zijn zaiditisch – een tak van het sjiisme – en de Saoediërs beschouwen hen als Teherans paard van Troje. ‘Ze hebben besloten dat 
niemand hun in de weg zal staan, hoe dan ook’, verklaart een zakenman die de machtige kringen in Saoedi-Arabië goed kent. ‘Zolang de VS hen steunt, kunnen ze zich alles veroorloven.

    Rouwende toeschouwers kijken naar de begrafenisstoet voor de slachtoffers van de luchtaanval op een bus in Sa’dah, begin augustus, waarbij 51 doden vielen, onder wie 40 kinderen. – © Getty Images
    Rouwende toeschouwers kijken naar de begrafenisstoet voor de slachtoffers van de luchtaanval op een bus in Sa’dah, begin augustus, waarbij 51 doden vielen, onder wie 40 kinderen. – © Getty Images

    Met een olieprijs van 80 dollar per vat lopen ze ook weinig risico. En de Britten mopperen voorlopig ook niet, net zomin als de Fransen.’
    Begin september kwam Saoedi-Arabië zijn bondgenoten enigszins tegemoet. De coalitie die aanvankelijk had verklaard dat het bombardement op Sa’dah ‘binnen het internationale recht’ viel, erkende ‘zich te hebben 
vergist’. Het koninkrijk beloofde de 
verantwoordelijken te straffen en de familie van de slachtoffers een schadevergoeding aan te bieden. Maar de kans dat deze zeldzame schuldbekentenis verandering zal brengen in de beschietingen en het burgerleed zal verminderen, lijkt vooralsnog klein.
    In drieënhalf jaar strijd, waarin volgens de organisatie Jemen Data Project 18.000 luchtaanvallen zijn uitgevoerd,

    heeft Riyad altijd burgerdoelen getroffen: eerst vooral economische infrastructuur, later ook markten, woongebouwen en openbare bijeenkomsten. Bij een deel van die beschietingen is 
er duidelijk sprake van een vergissing, een gevolg van het notoire gebrek aan professionaliteit bij de Saoedische piloten. Maar de bombardementen maken ook deel uit van een strategie: het 
isoleren en uitputten van de Houthi’s, die het grootste deel van het dichtbevolkte noorden van het land beheersen. Het gevolg: van de in totaal 6600 burgerslachtoffers sinds maart 2015 zijn 
er 4300 omgekomen door bommen van de coalitie, volgens een schatting van het Hoge Commissariaat voor de 
Rechten van de Mens van de VN. En dat is nog een voorzichtige schatting. De onafhankelijke organisatie ACLED, die de gegevens van het conflict bijhoudt, spreekt over 50.000 doden tussen januari 2016 en juli 2018, en daarbij worden de slachtoffers van de ineenstorting van de staat en de economie niet meegeteld.

    In reactie op de verontwaardiging van mensenrechtenorganisaties zetten de vs, die de vliegtuigen van de coalitie in de lucht bevoorraden en het koninkrijk voorzien van inlichtingen, de Saoediërs nu onder druk om hun trefzekerheid te verbeteren.

    ‘Jemen is het Vietnam van de Saoedi’s geworden’

    Tot nu toe tevergeefs. De Saoediërs beweren geen andere keus te hebben dan doorgaan met de aanvallen in het gebied rond Hodeida, de grootste haven van het land, van waaruit de Houthi’s eenderde van hun inkomsten zouden betrekken. De bombardementen dienen als drukmiddel op de Houthi’s om te onderhandelen over een politieke oplossing voor het conflict.

    ‘Jemen is het Vietnam van de Saoedi’s geworden’, zegt een VN-functionaris. ‘Ze zijn er op kleine schaal aan begonnen en nu is er sprake van een vlucht naar voren, waarbij alle internationale verdragen met voeten worden getreden. Maar Trump heeft toch geen goed woord over voor het Internationaal Strafhof en de Europese leiders maken zich alleen druk om de werkgelegenheid en kunnen blijkbaar niet tot een gezamenlijk standpunt komen, dus wat kan hun gebeuren?’ Niet veel, 
moet een westerse functionaris tot zijn spijt toegeven. ‘Alle belangrijke bondgenoten van Riyad uiten hun twijfels, ze weten dat deze oorlog niet te winnen valt. En toch blijven ze prioriteit geven aan de verkoop van wapens.’

    Louis Imbert, Benjamin Barthe

    Auteurs: Louis Imbert, Benjamin Barthe

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van generaal Charles de Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 eigendom van drie private investeerders). Le Monde onderhoudt een groot netwerk van 
correspondenten over de hele wereld.

  • Rwanda heeft genoeg van afdankertjes

    Rwanda heeft genoeg van afdankertjes

    Afrikaanse landen, Rwanda voorop, willen af van de tweedehandskleding uit het Westen. Maar die blijkt moeilijk tegen te houden.

    Als er in de VS grote schoonmaak wordt gehouden, voelt het als een daad van onbaatzuchtigheid om geliefde kleren in een inzamelingsbak te gooien. Die sweaters met vlekken erop, T-shirts die je in het zomerkamp droeg en uit de mode geraakte shorts mogen wel naar iemand die ze harder nodig heeft, toch?

    Het ligt iets gecompliceerder. Het grootste deel van Amerika’s afgedankte kleren wordt door onder meer het Leger des Heils en Goodwill aan privébedrijven verkocht. Balen tweedehandskleren worden met containerladingen tegelijk verscheept, voornamelijk naar het Afrika ten zuiden van de Sahara – het is een industrie geworden waarin miljarden dollars omgaan.

    Maar Afrikaanse regeringen hebben daar langzamerhand meer dan genoeg van. Wat velen in het Westen beschouwen als een genereus gebaar, verhindert hen hun eigen kledingindustrieën op te bouwen, zeggen ze. In maart 2016 besloten vier Oost-Afrikaanse landen de importheffingen op tweedehandskleren te verhogen, in sommige gevallen zelfs met een factor twintig.

    De patstelling laat zien hoeveel moeilijkheden zelfs een lagelonenland als Rwanda kan ondervinden bij het ontwikkelen van een industrie in een sterk concurrerende wereldmarkt

    De Amerikaanse tweedehandskledinglobby trok aan de alarmbel en de regering-Trump startte vorig jaar een onderzoek naar de vraag of de vier landen misschien een achttien jaar oud handelsverdrag met de VS overtraden. De Oost-Afrikaanse regeringen werden onder druk gezet en verlaagden hun heffingen weer naar het oude niveau. Behalve Rwanda.

    Nu lijdt een Rwandese leider, die zichzelf als een trotse visionair ziet, onder de consequenties van zijn beslissing zich te verzetten tegen Washington. Binnenkort staat Rwanda volgens de African Growth and Opportunity Act de opschorting te wachten van enkele van zijn belastingvrije handelsprivileges op het gebied van kleding. De pogingen een binnenlandse kledingindustrie van de grond te krijgen, hebben intussen weinig resultaten opgeleverd. En Rwandezen die in de tweedehandskledingindustrie werken, klagen dat ze schade lijden.

    De patstelling tussen de economische reus van de wereld en een van Afrika’s snelst groeiende economieën kan niet echt een handelsoorlog worden genoemd – het is meer een schermutseling. De totale tweedehandskledingimport in Rwanda was in 2016 volgens regeringsstatistieken nog geen 7 procent van die van heel Oost-Afrika. En de kledingexport naar de VS bedroeg een minuscule 2 miljoen dollar. Maar het laat zien hoeveel moeilijkheden zelfs een lagelonenland als Rwanda kan ondervinden bij het ontwikkelen van een industrie in een sterk concurrerende wereldmarkt.

    ‘Made in Rwanda’

    President Paul Kagame is ervan overtuigd dat hij in Rwanda fabrieken kan opzetten en zijn land afstand kan laten doen van de tweedehandskleren die hij als onwaardig beschouwt. Hij maakt deel uit van een aantal Afrikaanse leiders die een dam willen opwerpen tegen de stroom gebruikte goederen – van kleren tot elektronica en medische apparatuur – die op het continent terechtkomen nadat iemand anders ze heeft weggegooid. ‘Wat mij betreft is het een simpele keus,’ zei Kagame vorig jaar tegen journalisten over het handelsgeschil. ‘Er zouden consequenties aan vast kunnen zitten.’ Maar, zei hij, Rwanda en andere landen in Afrika ‘moeten groeien en eigen industrieën opzetten’.

    Vroeger produceerde Rwanda, net als andere Oost-Afrikaanse landen, het grootste deel van zijn kleding zelf. Maar in de jaren tachtig werkten regionale leiders samen met de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds om hun economieën open te stellen en meer handel toe te laten. Dat resulteerde in een toevloed van goedkope import. De Rwandese genocide in 1994 bracht verdere schade toe aan de lokale industrie. De kleding die nu in Rwanda voor de lokale markt wordt geproduceerd, is voornamelijk erg duur en gericht op stedelingen met een goede baan.

    De regering van Kagame lanceerde onlangs ‘Made in Rwanda’, een campagne om lokale productie aan te moedigen en te subsidiëren. Tot nu toe heeft die echter nog weinig vooruitgang geboekt. Het luxemerk Kate Spade laat in Rwanda handtassen in elkaar zetten voor de export, en twee andere fabrieken hebben er hun deuren geopend – een met een Rwandese en een met een Chinese eigenaar.

    Rwanda heeft te kampen met talloze nadelen. Het is geheel door land omgeven en ligt ver van zeehavens, de binnenlandse markt is klein en arm, en er is een gebrek aan goed opgeleide arbeiders. Het zal niet snel het volgende Vietnam of Bangladesh worden.

    Rwandezen zoeken tweedehandskleding uit op een markt in de hoofdstad Kigali. – © Getty Images
    Rwandezen zoeken tweedehandskleding uit op een markt in de hoofdstad Kigali. – © Getty Images

    De Rwandese kledingindustrie is nauwelijks gegroeid en de markt voor tweedehandskleding – die chagua wordt genoemd, van het Swahilische woord voor ‘kiezen’ – is ingezakt vanwege de nieuwe invoerrechten, terwijl er meer dan 18.000 mensen werkzaam zijn. ‘Ik heb mijn prijzen moeten verdriedubbelen,’ zegt Zaetzev Sibomana (26), die tweedehandskleding verkoopt op de markt in de wijk Nyamirambo in Kigali, de hoofdstad van Rwanda. ‘Ze hebben de branche vernietigd en daarmee mijn spaarcentjes. Ik woon nog bij mijn ouders.’ De eigenaren van de winkel naast hem zijn de goedkope, Chinese kleding gaan verkopen die nu de Amerikaanse tweedehandskleren vervangt. Die Chinese kleren zijn nieuw, waardoor ze niet onderworpen zijn aan de hoge invoerrechten.

    Isai Mugabo, een van de winkeleigenaren, is niet blij met die verschuiving. Chagua was chiquer dan de Chinese kleren, mensen konden zich er modieus in voelen, zegt hij. ‘De meeste van mijn klanten gaan nu ontevreden de winkel uit. Vroeger vonden ze altijd wel iets unieks, maar nu gaat iedereen weg met hetzelfde overhemd. Ze lopen nu allemaal rond in een soort Chinees uniform.’

    ‘Banenverlies in VS’

    De belangrijkste Amerikaanse handelsvereniging voor tweedehandskleding, de Secondary Materials and Recycled Textiles Association, riep vorig jaar Amerikaanse handelsvertegenwoordigers op kritiek te leveren op de gestegen importheffingen van de Oost-Afrikaanse landen. Volgens hen hadden de maatregelen al een ‘dramatische, negatieve invloed’ op de Amerikaanse industrie. De industriegroep zei dat er 5000 banen in de private sector plus 19.000 posten bij non-profitorganisaties verloren waren gegaan, en dat uiteindelijk 40.000 Amerikaanse banen ‘negatieve invloeden’ konden ondervinden door de verhoogde heffingen. Een verzoek om een interview werd door de groep afgewezen.

    Drie onafhankelijke analisten zetten vraagtekens bij het berekende banenverlies in de industrie. ‘Die aantallen klinken absurd hoog,’ zegt Todd Moss, een voormalig Amerikaans plaatsvervangend staatssecretaris voor Afrikaanse Zaken, die nu staflid is van het Center for Global Development, een denktank. Hij en anderen hebben kritiek geleverd op de acties van de regering-Trump. ‘Het is buitengewoon schadelijk om te zien hoe de grootste economie ter wereld – om irrelevante, mercantilistische redenen – een Afrikaanse partner straft en intimideert,’ zegt Moss.

    Ambtenaren van de regering-Trump zeggen echter dat een strengere naleving van internationale overeenkomsten essentieel is om het handelsbeleid weer in evenwicht te brengen in het belang van Amerikaanse arbeiders. En Amerikaanse functionarissen merken op dat Oost-Afrikaanse landen zich moeten houden aan wat ze hebben afgesproken toen ze het akkoord, dat hun vele voordelen oplevert, sloten.

    Kagames woordvoerder wilde geen commentaar leveren op dit artikel, evenmin als Rwanda’s ministerie van Handel.

    ‘Wij in Rwanda willen duurzame dingen: kleren die lang meegaan, banen die blijven bestaan, een industrie die blijft bestaan’

    Op de korte termijn zou het handelsgeschil gunstig kunnen uitpakken voor China. In haar kritiek op de Oost-Afrikaanse verhoging van invoerrechten op tweedehandskleding voerde de Amerikaanse Handelsvertegenwoordiging aan dat Chinese import ‘een veel groter gevaar oplevert voor de Oost-Afrikaanse binnenlandse industrieën’ dan Amerikaanse tweedehandskleding. De Chinese kledingexport naar Oost-Afrika was in 2016 goed voor 1,2 miljard dollar, ‘een factor vier groter dan de waarde van tweedehandskleding’, schreef de instantie.

    Leveranciers van tweedehandskleding in Kigali zeggen dat zij en hun klanten zich in de steek gelaten voelen door de handelsverschuivingen. ‘Wij in Rwanda willen duurzame dingen: kleren die lang meegaan, banen die blijven bestaan, een industrie die blijft bestaan,’ zegt Nadine Ingabire, die al tien jaar chagua verkoopt. ‘Zover zijn we nog niet. We hebben chagua nodig tot we wel zover zijn. Die keus is noodzakelijk. Het is niet ideaal om alleen chagua te hebben, maar alleen goedkope Chinese kleding hebben is dat ook niet. En tegen mensen die zeggen ‘Koop in Rwanda gemaakte kleding’, zeg ik: niet iedereen kan zich een klerenkast vol zondagse kleren veroorloven.’

    Auteurs: Max Bearak en David J. Lynch
    Vertaler: Tineke Funhoff

  • Iran, niet Trump, hielp de nucleaire deal om zeep

    Iran, niet Trump, hielp de nucleaire deal om zeep

    Door te volharden in haar antiwesterse beleid liet de Islamitische Republiek de Amerikaanse president weinig keus, betoogt het conservatieve Britse dagblad The Daily Telegraph.

    Keuze uit het archief

    Een week geleden pleegde Israël een aanval op meerdere nucleaire faciliteiten in Iran en ontketende zo een nieuw conflict in het Midden-Oosten. Volgens Israël was Iran nu heel dicht bij de productie van een atoombom, wat een grote bedreiging zou zijn voor Israël en het hele Midden-Oosten. De geplande onderhandelingen over een nucleaire deal tussen de VS en Iran werden geannuleerd.
    Volgens dit artikel van The Daily Telegraph uit 2018 getuigt het van naïviteit om te denken dat Iran met onderhandelingen op andere gedachten kan worden gebracht. Het Iran van de ayatollahs heeft duidelijk genoeg laten zien waar het op uit is: islamitische heerschappij over het Midden-Oosten. Dat probeert het land te bereiken door militaire milities te steunen die het op Israël hebben gemunt.

    Ongetwijfeld de meest veelzeggende opmerking tijdens de crisis over de Iraanse nucleaire ambities kwam van de president van dat land, Hassan Rouhani. Hij beweerde dat Teheran constructieve betrekkingen wenste met de rest van de wereld. Was het maar waar.

    Toen de voormalige president van de VS, Barack Obama, drie jaar geleden zoveel persoonlijk politiek kapitaal investeerde in een nucleair akkoord, werd verondersteld dat Iran met de ondertekening hiervan inderdaad 
constructieve relaties voor ogen had.

    In plaats van te volharden in het agressieve, antiwesterse beleid dat het handelsmerk van de Islamitische Republiek is geweest sinds de revolutie van 1979, kon Teheran dankzij deze deal van koers veranderen, en zich positiever opstellen tegenover de buitenwereld. Obama geloofde daar beslist in, wat misschien verklaart waarom hij 
de Iraniërs zo’n mooie overeenkomst gunde, een die tientallen jaren van bedrog over de Iraanse nucleaire activiteiten wat al te gemakkelijk toedekte.

    Hij geloofde de Iraanse onderhandelaars onder leiding van minister van Buitenlandse Zaken Javad Zarif op hun woord toen die stelden dat het akkoord de basis kon leggen voor een nauwere betrokkenheid tussen beide landen, waardoor er een einde zou kunnen komen aan meer dan dertig jaar wederzijds vijandschap.

    Alleen al het idee van een Iraanse behoefte aan constructieve dialoog doet inmiddels lachwekkend aan

    Het tegendeel is gebeurd. De Iraniërs intensiveerden hun vijandschap jegens het Westen en zijn bondgenoten, en wel in zo hevige mate dat het idee alleen al van een Iraanse behoefte aan constructieve dialoog inmiddels lachwekkend aandoet.

    Als Rouhani werkelijk belang had gesteld in betere relaties, zou hij nooit hebben ingestemd met de vijandige bejegening door Iraanse oorlogsschepen van de 5de Vloot van de VS terwijl deze bezig was met normale patrouilletaken in de Golf. Hij zou zijn gestopt met het steunen van de Houthi-rebellen in Jemen, die medeschuldig zijn aan een humanitaire ramp omdat zij een democratisch gekozen regering omver wilden werpen.

    Bovendien zou Rouhani paal en perk hebben gesteld aan de massale wapenopbouw van de Revolutionaire Garde van Iran in Syrië en Libanon, waardoor er nu tienduizenden raketten staan die alle grote steden van Israël kunnen treffen.

    Iraans protest tegen de Amerikaanse ambassade in Jeruzalem.  – © Getty
    Iraans protest tegen de Amerikaanse ambassade in Jeruzalem. – © Getty

    Dit zijn geen acties van een land dat constructieve relaties met de buitenwereld beoogt. Ze tonen juist ondubbelzinnig aan dat Iran nog altijd een agressieve politiek nastreeft, een politiek die dienstig blijft aan het fundamentele streven van de ayatollahs om de onverzoenlijke beginselen van de Iraanse revolutie in de hele islamitische wereld te verspreiden.

    Het is deze agressieve houding van de Iraanse heersende elite die heeft geleid tot de recente diplomatieke confrontatie tussen Washington en Teheran, precies zoals Trump in zijn toespraak uiteenzette.

    Hoe kunnen Washington en de andere ondertekenaars van het Joint Comprehensive Plan of Action – zoals de overeenkomst officieel heet – enig vertrouwen hebben in de Iraniërs wanneer hun optreden doordesemd is van kwade bedoelingen? Een confrontatie tussen Washington en Iran zat er hoe dan ook aan te komen, of Trump de nucleaire overeenkomst nu wel of niet intact had gelaten.

    Met name de militaire opbouw van Iran in het zuiden van Libanon en Syrië heeft Teheran op ramkoers gebracht met Israël.

    Oorlogswolken

    Inlichtingenexperts schatten de kans op een rechtstreekse militaire confrontatie tussen de Joodse staat en de ayatollahs, deze zomer, op fiftyfifty.

    Naar verluidt wilde Obama vooral over het Iraanse nucleaire programma onderhandelen om de kans op oorlog tussen Iran en Israël te verkleinen. En toch tekenen de oorlogswolken zich drie jaar later onheilspellender af dan ooit: Israël maakt zich klaar om zijn grenzen te verdedigen, louter vanwege de provocerende acties die Iran heeft ondernomen sinds het nucleaire akkoord is gesloten.

    Gezien de hechte band tussen Trump en de Israëlische premier Netanyahu weet Israël zich bovendien verzekerd van de steun van Washington als het verwikkeld raakt in een directe militaire confrontatie met Iran. Ik betwijfel of Obama met dit scenario rekening had gehouden, maar zijn regering ontbeerde dan ook ieder inzicht in de hardnekkigheid van Teherans streven om zijn invloed tot ver voorbij de Iraanse landsgrenzen uit te breiden.

    De wens van Iran om een machtsbasis te vestigen in delen van de Arabische wereld werd onlangs weerspiegeld in de forse verkiezingswinst van Hezbollah, de door Iran gesteunde militie in 
Libanon. Teheran hoopte hetzelfde te bewerkstelligen in de Iraakse stembusstrijd, eerder deze maand. Het steunde Hadi al-Amiri, de sjiitische militieleider die jaren in ballingschap in Iran leefde. Het pakte anders uit: het blok van de geestelijke Moqtada al-Sadr, die zich verzet tegen zowel Amerikaanse als Iraanse inmenging, won de verkiezingen. Iran heeft voorafgaand aan de Iraakse verkiezingen echter publiekelijk laten weten in geen geval te zullen toestaan dat de alliantie van Al-Sadr gaat regeren.

    De bewering van Rouhani dat Iran een constructievere relatie met de buitenwereld wil, kan als hol worden afgedaan. Te oordelen naar het recente gedrag van Teheran in het Midden-Oosten is regionale overheersing de werkelijke intentie van de ayatollahs. Als dat echt zo is, dan heeft het geen enkele zin om hen met wat voor overeenkomst dan ook ter wille te zijn, of die nu over nucleaire zaken gaat of over iets anders.

  • Dossier: De spion is terug

    Dossier: De spion is terug

    Het schandaal rond de vergiftigde Russische ex-spion Sergej Skripal heeft de verhoudingen tussen Rusland en het Westen nog meer op scherp gezet.

    Over en weer werd een ongekend aantal diplomaten uitgezet. Daarmee herleeft een oude strijd tussen de Russische en Britse geheime diensten. Deze volgt op de Russische inmenging in de Amerikaanse verkiezingen. De spionnen zijn dus terug, maar ze zijn niet meer hetzelfde als in de tijd van John le Carré.

    1. De Britten zijn hun koelbloedigheid kwijt

    2. De spion als pr-instrument

    3. Wapens, cash en kompromat

    4. Hacker vervangt Rosa Klebb

  • Wat kunnen we 
leren over 
Aziatische waarden?

    Wat kunnen we 
leren over 
Aziatische waarden?

    Voorlopig is het economische succes van China en India voor andere landen het beste argument om beleid gebaseerd op niet-westerse ideeën te ontwikkelen. Verschillende perspectieven leiden meestal tot innovatie. Het wachten is op toetsbare modellen en theorieën.

    In 1998, toen de Chinese economie net aan zijn opmars was begonnen, stak Kishore Mahbubani de lont in het intellectuele kruitvat met zijn boek Can Asians Think? Twee decennia later, nu Azië het hart van de wereldeconomie vormt en China de Amerikaanse hegemonie in de Aziatisch-Pacifische regio en zelfs de hele wereld naar de kroon steekt, vindt Mahbubani’s vraag opnieuw weerklank, en misschien nog wel meer dan eerst.

    Het zal duidelijk zijn dat Mahbubani zich niet afvroeg of het de Aziaten ontbrak aan de cognitieve vaardigheden van andere wereldbewoners. Hij vroeg zich af of Azië – met zulke uiteenlopende landen als Japan en Singapore in de gelederen – over eigen intellectuele denkkaders beschikt, naast het dominante westerse paradigma. Beschikten Aziatische volken over specifieke waarden die konden verklaren waarom Azië zo razendsnel moderniseerde?

    Nieuwe impuls

    Sommige politieke beschouwers antwoordden op Mahbubani’s vraag dat Aziatische kernwaarden, zoals hard werken, pragmatisme en het gezin als hoeksteen, niet specifiek Aziatisch zijn. Anderen beweerden dat Aziatische waarden niet alleen uniek zijn, maar ook superieur aan die van het Westen. Ook Mahbubani vond dat Azië over eigen waarden en intellectuele tradities beschikt, die volgens hem minstens zo veel aandacht en waardering verdienen als de westerse, al was het maar vanwege het wisselvallige succes van die laatste. Op het moment waarop hij zijn boek publiceerde, had de Aziatische financiële crisis van 1997 nog maar net verschillende economieën in de regio de nek omgedraaid, volgens veel Aziaten als gevolg van overheersende westerse economische ideeën.

    Nu, twintig jaar na Mahbubani’s boek, krijgt de discussie over de intellectuele eigenheid van Azië opnieuw een impuls, deels door het zelfverzekerde politieke leiderschap van de Chinese president Xi Jinping en de Indiase premier Narendra Modi. Dat leidt tot de volgende drievoudige vraag: wat kunnen we leren van het debat over Aziatische waarden, wat schort eraan en hoe kan het op productieve wijze worden gestimuleerd?

    Toen Mahbubani’s boek verscheen, vormde het een schril contrast met Het einde van de geschiedenis en de laatste mens van Francis Fukuyama, dat vijf jaar daarvoor nóg enthousiaster was ontvangen. Fukuyama beweerde dat de liberale democratie en het vrijemarktkapitalisme na de val van het communisme als overwinnaars uit de strijd tevoorschijn waren gekomen. Geen ander politiek stelsel, aldus Fukuyama, kon zich met het democratisch kapitalisme meten als het ging om politieke vrijheid en economische welvaart.

    Een tijdlang bleek Fukuyama’s profetie juist. Voormalige communistische landen, zoals die in Midden- en Oost-Europa, werden democratischer en omarmden de markt. Dat zelfs Deng Xiaoping ervoor pleitte China te ‘hervormen en open te stellen’ leek de weg vrij te maken voor een toekomstige open houding van China ten opzichte van de democratie. Of er nu een ‘einde’ aan de geschiedenis was gekomen of niet, de democratische, kapitalistische wereld was the place to be.

    De Aziatische financiële crisis leek dat idee aanvankelijk te bevestigen, want maakte een einde aan enkele economische succesverhalen in de regio en bracht de Aziatische aanpak schijnbaar in diskrediet. Maar doordat landen als Maleisië, dat de door het IMF voorgestelde economische remedie afwees, zich veel sneller herstelden dan landen die de IMF-adviezen opvolgden, ontstond in heel Azië twijfel over de westerse wijsheid. Westerse ideeën waren misschien toch niet zo belangrijk geweest voor de overwinning van het democratisch kapitalisme.

    Zelfs de VS, het boegbeeld van het westerse democratische kapitalisme, kampt met problemen, belichaamd in president Donald Trump

    Tien jaar na de verschijning van Mahbubani’s boek leken de kansen nog verder te keren. De VS en Europa stortten zich in een zo ernstige zelf veroorzaakte crisis dat de rest van de wereldeconomie erin leek te worden meegesleurd, tot grote ergernis van Aziatische landen, die juist pijnlijke hervormingen hadden doorgevoerd om dat soort toestanden te voorkomen.

    Het zag ernaar uit dat halfbakken ideeën de crisis van 2008 hadden veroorzaakt. Om Friedrich von Hayek te citeren, toen hij in 1974 sprak bij de instelling van de Nobelprijs voor de economie, werden de ‘volmaakte’ economische modellen waarmee westerse regeringen en economen de toekomst voorspelden, ontmaskerd als ‘valse schijn’. Von Hayek schilderde het westerse economische denken af als een keizer die weliswaar nog niet al zijn nieuwe kleren aanhad, maar toch al in vergevorderde ontklede staat verkeerde.

    De gevolgen van deze schertsvertoning waren ernstig: behalve het ongedaan maken van tien jaar economische groei ook stagnatie, westerse overheden die zaten opgezadeld met enorme schulden en centrale banken die hun balans opkalefaterden met zoiets experimenteels als kwantitatieve versoepeling, een vorm van directe geldschepping. Tegelijkertijd namen de economische ongelijkheid, de kwetsbaarheid van de democratie en de politieke polarisatie toe, wat de Aziatische twijfel aan westerse ideeën alleen maar vergrootte, en ook die aan de westerse dominantie in de wereldeconomie.

    Sterker nog, het toenemende besef dat de panacee van de vrijemarktpolitiek, neergelegd in de zogeheten Washington-consensus, had gefaald, en ook de vooraanstaande politici die erin hadden geloofd, heeft bijgedragen aan de opkomst van schijndemocratieën en autocratieën in Hongarije, Polen, Turkije en andere landen. Zelfs de VS, het boegbeeld van het westerse democratische kapitalisme, kampt met dergelijke problemen, belichaamd in president Donald Trump, die het protectionisme heeft omhelsd en het systeem van ‘checks and balances’, de basis van de Amerikaanse democratie, met zo veel woorden op losse schroeven heeft gezet.

    Confucius (links) en Mencius.
    Confucius (links) en Mencius.

    Geen wonder dat de twijfel van Azië aan westerse ideeën er alleen maar groter op is geworden. In China wil de overheid dat scholen en universiteiten meer aandacht besteden aan het Chinese gedachtegoed (een hervorming die naadloos aansluit op de wens van de overheid om haar intellectuele en politieke legitimiteit te versterken). Ook andere Aziatische landen, zoals Zuid-Korea en India, proberen hun eigen intellectuele tradities op te poetsen, niet zozeer om ze rechtstreeks te laten concurreren met westerse ideeën, maar zodat ze op z’n minst kunnen dienen als gelijkwaardige tradities om de wereld te duiden.
    Eerlijk gezegd stonden Fukuyama en vergelijkbare beschouwers van de democratie niet kritiekloos te juichen over het Westen, zoals sommige experts ons hebben willen doen geloven. Integendeel, want Fukuyama gaf toe dat het dominante westerse liberaal-democratische stelsel feilbaar was en zelfs niet bruikbaar in elk land. In ‘Orde en verval’, het tweede deel van zijn boek De oorsprong van onze politiek uit 2014, ging hij zelfs een stap verder toen hij erkende dat de recente ervaringen van China laten zien dat ‘autoritaire overheden soms beter dan democratische in staat zijn om definitief met het verleden te breken’.

    Robert Skidelsky van de Universiteit van Warwick wijst erop dat de intellectuele schraalheid van de economische leer een zwakte van het westerse economische denken is. Uit de Grote Depressie van de jaren dertig kwam de keynesiaanse economie voort. De stagflatie van de jaren zeventig leidde tot het monetarisme van Milton Friedman, dat een revolutie in het overheidsbeleid teweegbracht. Maar tien jaar na de Grote Recessie bestaat er geen eensgezindheid over een nieuwe doorbraak in het westerse economische denken.

    ‘De rest’

    Terwijl het Westen met problemen blijft worstelen, gaat het Azië voor de wind. De economieën van China, India en Zuidoost-Azië zijn bij elkaar goed voor een groei van 63 procent van het wereldwijde bbp en meer dan de helft van de nieuwe consumptie in de afgelopen vijftien jaar. De landen die Fareed Zakaria ooit ‘de rest’ noemde, staan op het punt het Westen in te halen als het gaat om productie, consumptie en spaartegoeden.

    Dat doet vermoeden dat de recente groei van Azië niet zomaar kan worden afgedaan als een kwestie van een paar ontwikkelingslanden die de ontwikkelde landen hebben bijgehaald. In plaats daarvan lijken de Aziatische economieën, zoals Hamid Dabashi van Columbia-universiteit beweert, na eeuwenlange imperialistische overheersing eindelijk te draaien op eigen ideeën. In zijn boek Can Non-Europeans Think? uit 2015, een titel die zelfverzekerd naar die van Mahbubani verwijst, stelt Dabashi dat het probleem niet zozeer was dat ‘de rest’ niet over eigen theoretische kaders beschikte, maar dat die werden gebagatelliseerd en genegeerd.

    Dabashi wijst op het boek Oriëntalisten (1978) van wijlen Edward Said, ook van Columbia-universiteit, dat een overzicht biedt van neerbuigende westerse voorstellingen van ‘het Oosten’ als een regio met minder geavanceerde, minder rationele en uiteindelijk inferieure samenlevingen. Hun manier van denken en hun prestaties werden vaak als minderwaardig beschouwd: misschien waren ze ter plaatse toepasbaar, maar niet universeel, in tegenstelling blijkbaar tot eurocentrische kaders. Daardoor kostte het niet-westerse intellectuelen moeite om op voet van gelijkheid met hun westerse evenknieën te discussiëren.

    Maar hoe geïntimideerd niet-westerse denkers zich misschien ook hebben gevoeld, daar komt een einde aan nu de gebreken van westerse ideeën en modellen aan het licht treden. Dat Trump en de zijnen de feiten, de rede en de wetenschap onder vuur nemen verzwakt de positie van het Westen nog verder. De vraag is of niet-westerse denkers deze kans om de invloed van hun eigen intellectuele kaders uit te breiden zullen grijpen.

    Een belangrijke uitdaging voor Aziatische denkers is dat ze hardnekkige westerse vooroordelen moeten overwinnen. Engelstalige uitgevers hebben nog steeds de neiging om vanuit eurocentrisch perspectief bij te dragen aan de duiding van de wereldpolitiek. Er zijn bijvoorbeeld allerlei waardevolle wetenschappelijke publicaties over China, vooral van Chinese wetenschappers die in het Westen wonen en werken (onder wie Yasheng Huang en Minxin Pei). Die lijken echter vooral bedoeld om de Chinafobie aan te wakkeren of het risico van een crisis of een totale ineenstorting te benadrukken. Het werk van niet-westerse denkers blijft in Europese landen meestal onvertaald, hoewel de kennis en de waardering van kenners voor het werk van bijvoorbeeld Confucius, Mencius en Han Feizi [Chinese geleerden] niet-ingewijden ongetwijfeld zullen helpen hun politieke en zakelijke gesprekspartners in China beter te begrijpen.

    Het verschil tussen India en het Westen is alleen werkelijk te begrijpen als iemand de praktijk van _purva paksha_ (zoiets als “wederzijdse betrokkenheid”) begrijpt en erkent dat daar “harmonieuze maatschappelijke en spirituele groei” voor nodig is

    Doordat zulken boeken maar weinig in het Westen worden uitgegeven, stellen vooral in het Engels schrijvende Indiërs het westerse denken ter discussie. Zo laat historicus Pankaj Mishra in zijn Op de ruïnes van het imperialisme (2012) zien hoe vroeg-twintigste-eeuwse Aziatische intellectuelen als Gandhi, Kang Youwei en Mohammed Abdoe zich genoodzaakt zagen hun eigen tradities – respectievelijk het hindoeïsme, het confucianisme en de islam – opnieuw vanuit westers perspectief te bezien.

    Om hun ideeën verder te verbreiden moeten niet-westerse denkers met doorwrochte, overtuigende betogen laten zien dat die origineel, waardevol en universeel zijn. Ze zouden dat kunnen doen op Mishra’s manier, namelijk door zich te bedienen van eurocentrische middelen. Ze zouden die aanpak ook links kunnen laten liggen en helemaal buiten Europese modellen om kunnen denken. Of ze zouden de twee kunnen integreren in een consistent, universeel analytisch denkraam.

    Welke aanpak niet-westerse denkers ook kiezen, denkwijzen, opvattingen en concepten die hun waarde in eigen land allang hebben bewezen, zullen moeten worden aangepast om ze universeel geldig te maken. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

    De Indiase auteur Rajiv Malhotra laat met zijn boek Being Different: An Indian Challenge to Western Universalism zien hoe ingewikkeld dat is. Niemand zal betwisten dat India verschilt van het Westen. Malhotra beweert echter dat iemand dat verschil alleen werkelijk kan begrijpen als hij de praktijk van purva paksha (zoiets als ‘wederzijdse betrokkenheid’) begrijpt en erkent dat daar ‘harmonieuze maatschappelijke en spirituele groei’ voor nodig is. En dat kan alleen als hij ook het begrip ‘dharma’ uit Indiase religies begrijpt en aanvaardt.

    Een Chinese lezer zal dat niet zo heel veel moeite kosten, want dharma vertoont enige gelijkenis met het begrip ‘tao’ uit de traditionele Chinese filosofie. Maar een seculiere westerse wetenschapper zal zulke lastig te definiëren begrippen niet zomaar snappen. En zelfs al doet hij dat wel, dan zal hij misschien niet bereid zijn om dharma of tao te accepteren als grondslag voor een bruikbaar intellectueel kader, want geen van beide kan wetenschappelijk worden getoetst of empirisch worden geverifieerd.

    Een andere grote uitdaging voor niet-westerse denkers is dat ze hun ideeën – en vooral de intellectuele bouwstenen van het Chinese economische wonder – zodanig moeten verpakken dat die zich kunnen meten met de Washington-consensus. Ook al hebben miljoenen Chinezen een westerse opvoeding of opleiding genoten, er bestaat geen samenhangende of overtuigende Chinese analyse van de oorzaken van China’s economische succes. Doordat een dergelijke ‘Beijing-consensus’ ontbreekt, kunnen westerse waarnemers China’s ervaringen afdoen als idiosyncratisch, waarmee ze verhinderen dat de lering die eruit valt te trekken brede ingang vindt.

    Han Feizi.
    Han Feizi.

    Gegeven die combinatie van conceptuele belemmeringen en weerstand tegen onbekende denkkaders zal het niet eenvoudig zijn het Westen ervan te overtuigen dat ‘de rest’ iets te bieden heeft. Voorlopig is het concrete bewijs dat het Aziatische beleid succes heeft waarschijnlijk het beste argument om niet-westerse opvattingen over te nemen. Zo zou de invoering, in India, van een unieke digitale identiteitscode (‘Aadhaar’ genaamd) meer kunnen betekenen voor de totstandkoming van een inclusieve economie dan welke academische publicatie ook.

    Toch zullen niet-westerse denkers hun ideeën op de lange termijn moeten vertalen in toetsbare modellen en theorieën. Vanwege de complexiteit en de onderlinge verbondenheid van bestaande stelsels zal dat waarschijnlijk niet de verdienste van één individu zal zijn, een nieuwe John Maynard Keynes of Milton Friedman, maar eerder een collectieve onderneming op basis van gedeelde kennis. De Chinese traditie om voor elke dynastie een ‘encyclopedie’ te maken, schept in dat verband een nuttig precedent.

    In het bedrijfsleven leidt grotere diversiteit tot groter succes. De verschillende perspectieven die verschillende partijen inbrengen, en zelfs het ongemak dat uit die verschillen kan voortkomen, leiden meestal tot innovatie. Nu de wereld de problemen probeert aan te pakken die voortkomen uit de westerse visie op groei en ontwikkeling, zoals economische ongelijkheid en maatschappelijke onvrede, is juist dat soort uit diversiteit geboren doorbraken nodig. Het Westen heeft zijn zegje gedaan. Nu is de rest aan de beurt.

    Auteur: Andrew Sheng
    Vertaler: Nico Groen

    Andrew Sheng is momenteel professor aan de Tsinghua-universiteit in Beijing. Zijn laatste boek verscheen onder de titel From Asian to Global Financial Crisis in 2009 bij de Cambridge University Press.

    Project Syndicate
    Praag | project-syndicate.org

    Deze non-profitorganisatie, opgericht in 1994, produceert commentaren en journalistiek door bekende economen, politici, academici en andere maatschappelijk betrokken schrijvers voor een wereldwijd publiek. PS levert content aan 459 media in 155 landen.

    mahbubani

    Hoe Azië het Westen pijlsnel inhaalt

    Het Westen stond de afgelopen tweehonderd jaar aan kop in de wereldgeschiedenis, maar die tijd is voorbij. Volgens Kishore
    Mahbubani, een van de bekendste denkers van Azië, zijn onder andere China en India hard bezig om het Westen over te nemen, op zowel
    economisch als intellectueel vlak.

    De Balie nodigde Mahbubani uit in de serie De Balie Invites om uit te vinden wat de oorzaak is van deze verandering. Hoe moet het Westen reageren?

    Podium. Zaterdag 14 april om 14:00 uur.

  • De laatste hippies  van Hawaii

    De laatste hippies van Hawaii

    De paradijselijke Kalalau-vallei op Hawaii is al sinds de jaren zestig een toevluchtsoord voor hippies, new agers en backpackers. Maar na een halve eeuw wil de overheid van de illegale bewoners af.

    De eerste mens die ik ontmoet in de Kalalau-vallei is een Irakveteraan zonder schoenen maar met een door de zon gebleekte REI-rugzak, die als een trofee over zijn getatoeëerde schouders hangt. Barca – zoals hij zichzelf noemt – had gehoord dat een kajakker de rugzak in een grot aan het strand had achtergelaten. Hij ging als een speer naar de rotsen omdat hij die rugzak wilde hebben.

    Bezoekers laten hier van alles en nog wat achter. Ik zie een klapstoel met een kapotte armleuning. Ergens anders een halfvol brandstoftankje. En nu dan die rugzak – het is een heuse schat.

    ‘Weet je hoeveel zo’n ding kost?’ wil Barca van mij weten.

    In dollars, bedoel je? Hooguit tien.

    ‘Veel!’ antwoordt hij voordat ik ook maar iets kan zeggen.

    Barca is vierendertig en hij scharrelt zijn kostje bij elkaar diep in het Nāpali Coast State Park aan de westkust van Kauai. Het middelste gedeelte van het tweeënhalfduizend hectare grote natuurpark – de Kalalau-vallei – vormt een natuurlijk amfitheater dat aan de ene kant wordt begrensd door zee en niets dan zee. De steile, groene wanden van de vallei rijzen aan drie kanten op, als gordijnen die het afschermen van de rest van het eiland. Door alle kieren en spleten lopen glasachtige banen water, die naar beneden storten van een grotere hoogte dan bij de Yosemite Falls. Dit afgelegen paradijs, waar zich honderden jaren geleden Polynesische pioniers hebben gevestigd, is niet minder dan een wilde tuin, een hoorn des overvloeds die vrijwel alles biedt wat een vernuftig mens nodig heeft om in leven te blijven. ‘Als de mens ergens een paradijs heeft weten te creëren, dan is het hier,’ zegt Barca. ‘In het avocadoseizoen eten we avocado’s. En als het mangotijd is, eten we mango’s.’

    Een soort kraker

    Voor wie zich mocht afvragen of het is toegestaan om hier zo te leven: het antwoord is nee. In de ogen van de Hawaïaanse overheid is Barca een soort kraker. Hij doet het milieu geweld aan, hij overtreedt wetten en regels, hij moet verdwijnen. In Barca’s ogen is dit, niet verwonderlijk, laster. ‘Als je niet met je hele wezen van deze plek houdt, kun je hier niet leven,’ zegt hij. Hoewel hij er nog maar acht maanden woont, waarmee hij naar valleimaatstaven een betrekkelijke nieuwkomer is, is hij al hard op weg een expert te worden in wat hij ‘kalalaulogie’ noemt. Niet alleen is hij afvalrecylcer, hij is ook beschermer van het land, tuinier, botanist, cultureel tolk en anarcho-theoreticus. Hij heeft de gewoonte om tijdens het praten te grijnzen en met een hand over zijn sikje te strijken. Dat geeft hem een ondeugende uitstraling, die zijn anti-establishmentopvatting nog eens extra benadrukt. Hij heeft geen goed woord over voor het groepje toeristen dat op maagdelijke gore-tex-wandelschoenen een beekje oversteekt. ‘De meeste mensen die hier komen hebben geen idee hoe ze in het wild moeten overleven,’ zegt hij. ‘Ze begraven hun eigen poep niet eens!’

    Ik word nogal overvallen door alle kritiek die hij spuit terwijl ik nog maar net vijf minuten in de vallei ben – en ik kan niet al te veel hebben aangezien ik voor dag en dauw ben opgestaan om de kleine dertig kilometer hiernaartoe te lopen. Ik heb even helemaal geen behoefte aan een feestmaal van mango’s of een gesprek over toiletgang in het wild. Het enige wat ik wil is een plek om mijn rugzak neer te zetten, een rugzak waar ik tweehonderd dollar voor heb neergeteld en die ik heb volgestouwd met gevriesdroogd eten voor een week – erger kan haast niet. Maar waar moet ik slapen? Er worden geen kampeervergunningen verstrekt in het paradijs en ik had er geen kunnen bemachtigen voordat ik op stel en sprong aan deze reis begon, dus of ik het nou wil of niet, ook ik ga de regels overtreden. Ik vraag Barca of hij een onopvallende plek weet om mijn tent op te zetten. ‘Kom maar mee,’ zegt hij. Hij wikkelt een keffiyeh [Arabische sjaal] om zijn hoofd tegen de zon. Hij haalt een oud gasje van een andere kampeerplek en zegt dat hij de ideale schuilplek voor me weet. Voor ik er goed en wel erg in heb is hij al op weg, springend op zijn blote voeten van de ene kei op de andere. Ik kijk rechts van me naar beneden: de duizelingwekkende aanblik van de golven die dertig meter in de diepte stukslaan op geërodeerde stenen. Dan lopen we om een grote kei en Barca wijst op een tunnel in de struiken, die uitkomt op een kampeerplek die onzichtbaar is voor de rangers die vanuit een helikopter op wildkampeerders jagen.

    Nadat ik mijn spullen daar heb neergezet, ga ik met Barca naar het witte zandstrand, waar hij me zijn levensverhaal vertelt. Na tien jaar geleden in Irak te hebben gediend, kostte het hem grote moeite om in het reine te komen met het feit dat hij mensen had gedood, en dat hij ook bijna zelf het leven had gelaten. ‘Toen ik terugkwam uit Irak had ik behoorlijk wat issues,’ zegt hij.

    Hij werkte als archeoloog in Noord-Californië, maar het was hem al snel duidelijk dat hij niet echt paste in de moderne samenleving. Hij had het gevoel dat zijn hoofd, dat door de oorlogsjaren flink in de war was geraakt, rust nodig had. Het stond hem geweldig tegen om zich in een huis in een buitenwijk te verschansen, afgeschermd van zijn buren door dikke muren, om belasting te betalen en zo een systeem in stand te houden waarin hij niet langer geloofde. Zelfs de gedachte om elke ochtend een koffie te gaan halen – bij die multinational met het zeemeerminlogo – kon hij niet aan. ‘Het was zwaar om terug te keren naar het echte leven en alle onbenulligheden van alledag serieus te nemen,’ zegt hij. Hij werd boos. Hij dronk en ging op de vuist. Van een vriend hoorde hij over deze droomachtige vallei in Hawaï, waar je in het eeuwige heden kon leven. Kalalau. Hij ging erheen. Hij ging niet meer weg. ‘Ik geloof niet dat ik me ooit eerder ergens zo thuis heb gevoeld,’ zegt hij, waarna hij zijn camouflageshorts uittrekt en in de golven duikt.

    1. De afwezigheid van vrouwen leidt tot een overdaad aan testosteron; 2. Een zeldzaam luxe-item: een handgemaakt kastje. (Zie verder hieronder)
    1. De afwezigheid van vrouwen leidt tot een overdaad aan testosteron; 2. Een zeldzaam luxe-item: een handgemaakt kastje. (Zie verder hieronder)

    3. Barca, de eerste bewoner die de auteur ontmoet, met zijn schat: een rugzak; 4. Vrouwen wagen zich nauwelijks in de vallei, en meestal blijven ze niet lang; 5. De valleibewoners bouwen geïmproviseerde woningen, die ook tot vervuiling leiden; 6. Bewoner Stevie heeft er na 35 jaar genoeg van en vertrekt per kajak. – © Brendan Borrel

    Barca is niet de enige die zich zo sterk met deze plek verbonden voelt. Sinds de jaren zestig, zo niet eerder, oefent de Kalalau-vallei een grote aantrekkingskracht uit op langharige hippies, new agers die kristallen strelen, backpackers die geen deo gebruiken en talloze anderen die op zoek zijn naar een spirituele wedergeboorte – of op zijn minst een mooie plek om naakt te zwemmen. Tijdens de Vietnamoorlog woonden er een paar dienstweigeraars en gedesillusioneerde veteranen in de boomhutten aan het einde van de verharde weg in het noorden, en zij realiseerden zich dat dit de ideale plek was om in de zomer marihuana te verbouwen.

    Het waren de hoogtijdagen van de alternatieve beweging, maar met het verstrijken van de jaren liep het idealisme stuk op de wanordelijkheid van de gemeenschap. Het toevluchtsoord veranderde van een idyllische commune in een party zone voor millennials en zelfs een keer in een piratennest. Inmiddels begint het geduld een beetje op te raken. Nadat een jaar geleden een vrouw uit de buurt omkwam bij een auto-ongeluk met Coday Safagado, een voortvluchtige die dat voorjaar een tijdje in Kalalau doorbracht, besloot de overheid hard op te treden tegen de illegale bewoners. Vorig jaar zijn in totaal vierendertig mensen op de bon geslingerd en is in ieder geval één man geboeid afgevoerd. Barca is er zonder kleerscheuren van afgekomen. ‘Ik woon hier godverdomme, en ik weet waar ik naartoe moet vluchten,’ zegt hij. ‘Dit is mijn thuis en ik kan me sneller verplaatsen in mijn eigen huis dan jij.’

    Op Kauai is echter weinig sympathie voor de illegale bewoners. Tijdens de invallen zijn foto’s gemaakt waarop de lokale bevolking duidelijk kan zien hoe goed geoutilleerd de kampen in de vallei inmiddels zijn. In een van de kampen staan een stenen pizzaoven en een tweepersoonsbed op een bamboe onderstel. Ook was er, zoals de overheid het enigszins overtrokken formuleert, sprake van een ‘professionele marihuanaplantage’, compleet met zonnepanelen en daarop aangesloten lampen. De vallei doet ook dienst als geheime bioscoop en bibliotheek – een bedompte tent vol klassiekers zoals The Joy of Partner Yoga en een boek met songteksten van Cat Stevens. Al met al heeft de overheid zo’n tweeënhalve ton afval afgevoerd. ‘Er leefde het idee dat ze bepaalde rechten hebben,’ zegt Curt Cottrell, hoofd van de staatsparken van Hawaï. ‘Er werd gepoept op archeologische vindplaatsen, of ze groeven als katten een gat in het strand.’

    Het leven hier is alsof je elke ochtend een Prozac neemt, maar dan zonder de nare bijwerkingen. Een vruchtensmoothie voor de ziel

    Alle stampei riep wezenlijke vragen op over ras, soevereiniteit en de toekomst van de natuur in het moderne, kapitalistische Hawaï. Hoe heeft de gemeenschap het meeste baat bij een plek als Kalalau, met zijn gecompliceerde geschiedenis? Wordt het eiland uitgeleverd aan rijke toeristen die al zes maanden van tevoren een vergunning aanvragen of aan mensen die tweehonderd dollar per persoon neertellen voor een helikoptertour van een uur? Of behoort het nog altijd toe aan de oorspronkelijke Hawaïanen die er zelden komen, maar wier voorouders als eersten het landschap hebben vormgegeven? En wat te doen met de haole (blanke) overtreders, zoals Barca, die, op hun eigen rommelige wijze, het hippieproject van de jaren zestig voortzetten en nog enige structuur aanbrengen in de vallei waar de overheid slechts sporadisch aanwezig is?

    Voor mensen die vrijwel niets hebben is de vallei onmiskenbaar een van de meest begerenswaardige plekken op aarde om te ontsnappen aan de regels en de rituelen van het moderne bestaan, om een simpeler leven te leiden, om je eigen kostje bij elkaar te scharrelen. Barca noemt het een ‘Disney-woud’, een tropisch toevluchtsoord, maar dan zonder giftige slangen en hongerige tijgers, waar ook nog eens iedereen Engels praat en er min of meer hetzelfde uitziet. Het leven hier is alsof je elke ochtend een Prozac neemt, maar dan zonder de nare bijwerkingen. Een vruchtensmoothie voor de ziel, zoiets. Het enige wat ik weet is dat ik het een keer wil meemaken voor het te laat is.

    Reputatie van wetteloosheid

    Eind achttiende eeuw voer George Dixon, een Engelse bonthandelaar die ooit onder kapitein James Cook had gevaren, langs deze kust en stelde vast dat het gebied volkomen onontgonnen was. ‘De kust langs het water bestaat voor het grootste deel uit bergen en is moeilijk toegankelijk,’ schreef hij. ‘Ik zag nergens vlak terrein en ik zag ook niets waaruit bleek dat dit deel van het eiland bewoond was.’ Dixon had het natuurlijk mis. De rieten hutten gingen volkomen op in het groen. In Kalalau, dat zo’n tachtig hectare landbouwgrond heeft, woonden vermoedelijk enkele honderden mensen, afgaande op verschillende tellingen van missionarissen. De oudste menselijke nederzetting op Kauai dateert, voor zover we weten, uit de tiende eeuw, en was gelegen op Kēʻē Beach – het beginpunt van de Kalalau Trail.

    Hoewel de Nāpali-kust meestal wordt omschreven als een ‘wildernis’, heeft het meer weg van een verlaten supermarkt te midden van adembenemend natuurschoon. De plek wordt doorsneden door stenen muurtjes, overblijfselen van de terrassen, ofwel de lo‘i, die de Hawaïanen honderden jaren geleden hebben aangelegd om taro te verbouwen, de zo belangrijke kanoplant die de Polynesiërs naar de andere kant van de Stille Zuidzee hebben gebracht. De mensen die zich hier vestigden hebben het oorspronkelijke kreupelbos geleidelijk vervangen door kukuinoten en gember, en pili voor hun rieten daken.

    Latere bewoners en blanke boeren importeerden vee, zoals geiten, varkens en koeien. Ook plantten ze guave en jambolan, dat inmiddels een groot deel van de vegetatie uitmaakt. ‘Zoals voor veel laaggelegen gebieden in Hawaï geldt, hebben geïntroduceerde gewassen zich verspreid en overheersen grote delen van het park’, staat te lezen in een verslag van de Division of State Parks uit 1990. De Kalalau-vallei, de grootste vallei in het park, is een van de weinige plekken op Kauai waar je niet elke ochtend hanen hoort kraaien. In plaats daarvan wemelt het in de bossen van een andere immigrant, Erckels frankolijn – een fazantachtige uit Afrika.

    Terwijl uit dit allegaartje geleidelijk het ecosysteem van de vallei vorm kreeg, ontstond ook langzaam de reputatie van wetteloosheid. In 1893, nadat een groep Amerikaanse zakenlieden de koningin van de troon hadden gestoten van wat destijds het Koninkrijk Hawaï was, besloten ze de oorspronkelijke Hawaïanen op te pakken – met als argument dat ze in quarantaine moesten vanwege lepragevaar. Sheriff Louis Stoltz en twee van zijn mannen gingen naar Kalalau om een bende leprozen weg te halen. Daar schoot een cowboy, die luisterde naar de naam Kaluaikoolau, or Ko’olau, de sheriff dood met twee kogels uit zijn geweer. Zo werd Ko’olau de held van het plaatselijke verzet. Een klopjacht eiste nog meer slachtoffers en Ko’olau bleef in de vallei zitten. Hij werd verder met rust gelaten en stierf twee jaar later een natuurlijke dood. ‘Hij had geleefd als een vrij man, en hij stierf als een vrij man’, schrijft auteur Jack London in een kort verhaal over het leven van Ko’olau.

    Kameaoloha Hanohano-Smith, wiens overgrootvader deel uitmaakte van de laatste generatie die is opgegroeid in Kalalau, zegt dat het even duurde voordat het tot de Hawaïanen doordrong wat er met hun cultuur gebeurde. ‘De ene dag waren we nog een koninkrijk, de volgende dag maakten we deel uit van de Verenigde Staten,’ zegt hij.

    In december 1959 plaatste het tijdschrift Ebony een artikel over de enige permanente bewoner van Kalalau: Bernard Wheatley, een zwarte arts (‘een zonderling, een heilige, een schizofreen en een genie’) die daar tien jaar lang in een grot woonde totdat de plek werd overspoeld door hippies. ‘Het langharige volk zoekt een plekje in de zon op Kauai’, luidde een kop uit die tijd. In 1974 kocht de Hawaïaanse overheid het gebied op en verdreef de illegale bewoners voordat de vallei in 1979 tot ‘state park’ werd bestempeld. Maar ze kwamen terug. Ze komen keer op keer terug.

    ‘Wij houden van onze vrijheid en zijn op zoek naar een betere plek om te leven, waar we niet door de maatschappij aan banden worden gelegd,’ aldus Billy Guy, die voor het eerst in de Kalalau-vallei kwam nadat hij als hospik had gediend in de Vietnamoorlog. Hij komt telkens weer terug, voor langere periodes. ‘Het is de verwezenlijking van een droom. Halverwege de jaren negentig dartelden er zo’n vijftig tot zestig haole in het paradijs dat de kanaka – de autochtone Hawaïanen – hadden geschapen.’

    Op mijn tweede ochtend in Kalakau besluit ik op zoek te gaan naar de gemeenschappelijke moestuin. Vanaf het strand loopt er een officieel pad dat zo’n drie kilometer de vallei in voert om vervolgens door te lopen op de steile achterwand. Je kunt dat pad moeiteloos een paar keer op en neer lopen voordat je een klein spoor ziet, zonder bordje. Als je dat spoor een paar honderd meter volgt opent het bladerdak zich en hoor je water murmelen bij je voeten. Een tiental rechthoekige vijvers glinstert in de zon, metershoge taroplanten ontspruiten aan het water. Er lopen paadjes om de vijvers, met aan weerszijden papaja, bananen, broodvruchten, zuurzak en kastanje – voor wie maar wil. Ooit werd van alle illegale bewoners verwacht dat ze meehielpen als ze van de vruchten wilden plukken. Maar nu is alles anders. ‘Er gelden geen regels meer,’ zegt ene Mowgli, die aanbiedt om me rond te leiden.

    Mowgli is slank en gespierd, en zijn lange bruine haar zit in een paardenstaart. Hij heeft geholpen deze ondergelopen terrassen weer te ontginnen en hij werkt misschien wel het hardst van iedereen in Kalalau. Zijn vorige kamp, op een plateau hier niet ver vandaan, hangt vol met schedels van de geiten en varkens die hij heeft geslacht, en ademt de sfeer van Lord of the Flies. De politieacties hebben hem geknakt. ‘Het is lastig om je in te zetten voor iets wat keer op keer wordt kapotgemaakt,’ licht hij toe. ‘Dit is een van de grootste toeristische trekpleisters in de vallei,’ zegt hij over de moestuin.

    ‘De mensen komen hierheen om ons te zien en om Kalalau-pizza te eten,’ zegt Mowgli’s vrouwelijke metgezel, wier enige kledingstuk een honkbalpetje is. Ze noemt zichzelf Joules. ‘Naar de eenheid van energie,’ legt ze uit.

    Ik heb mezelf vijf dagen gegund om de vallei te onderzoeken en me onder te dompelen in de hippiesfeer. Het wordt me duidelijk dat vrouwen zoals Joules – een paar uitzonderingen daargelaten – zelden langer dan een paar weken in de vallei blijven, en dat het er om de een of andere reden een stuk minder zijn sinds de invallen. Gedurende de tijd dat ik er ben is er dan ook zo’n overdaad aan testosteron in de vallei dat het bepaald geen utopische kibboets lijkt, maar eerder een geheime boomhut in de achtertuin van je vriendje, waar niet echt sprake is van begrip of respect voor meisjes. Met als verschil dat deze mannen volwassen zijn.

    In een van de lompe liedjes die ik op een avond hoor zingen, hebben ze het over ‘groupies’ die alleen maar willen profiteren en niet eens lang genoeg blijven om de afwas te doen. Toch snakken de mannen naar vrouwelijk gezelschap. ‘Als een vrouw wel besluit te blijven, zitten er elke dag wel tien mannen achter haar aan,’ aldus Stevie, een 68-jarige vrijgezel die kan bogen op 35 jaar ervaring in de vallei.

    Kalalau – of het idee van Kalalau – mag dan nog zo veel betekenen voor de illegale bewoners, zij zijn niet de enige belanghebbenden bij de toekomst van de vallei.

    Sabra Kauka, docente Hawaïaanse cultuur en voormalig voorzitter van Nā Pali Coast Ohana, een non-profitorganisatie die samenwerkt met de overheid om het natuurlijke en culturele erfgoed van de vallei te beschermen, zegt dat mensen als Barca en Mowgli niet in Kalalau zouden mogen wonen. Het is tegen de wet en het is een klap in het gezicht van de Hawaïaanse bevolking. Eind jaren tachtig nam Kauka deel aan de eerste pogingen om de vallei op te ruimen. Samen met een groep vrijwilligers zeulde ze al het afval naar het strand, waar het in stukken zeil werd geladen, die vervolgens door helikopters werden afgevoerd. ‘Ik vond het verbijsterend dat mensen die zo graag in de natuur wilden leven, er zo slordig mee omsprongen,’ zegt ze. Op een gegeven moment heeft ze de moed opgegeven. ‘Je moet geen vrijwilligerswerk doen waar je steeds kwaad van wordt.’

    Alan Carpenter, een archeoloog die is verbonden aan de state parks, vertelt over Nualolo Kai, een veertiende-eeuwse nederzetting aan de kust – enkel toegankelijk per boot en omgeven door het grootste rif van de Nāpali-kust. De afgelopen vijfentwintig jaar heeft Nā Pali Coast Ohana vrijwel al haar activiteiten geconcentreerd op die plek. Er zijn hekken neergezet om de geiten buiten te houden en er is een kleine inheemse tuin aangelegd om iets van de biodiversiteit van de regio te behouden. Op grond van de Native American Graves Protection and Repatriation Act zijn zelfs de stoffelijk overschotten van voorouders teruggehaald, die tot dan toe werden bewaard in onder meer het Bishop Museum in Honolulu.

    Momenteel worden er, onder leiding van Randy Wichman, een geschiedkundige en de huidige voorzitter van de organisatie, eindelijk plannen gemaakt om ook weer aan de slag te gaan in Kalalau. Het valt nog te bezien of ze nu zullen slagen waar ze in het verleden hebben gefaald. Wichman moet tegen wil en dank toegeven dat hij wel bewondering heeft voor de inventiviteit van de bewoners, als je ziet wat ze hebben gedaan op het gebied van de sanitaire voorzieningen, maar hij zegt ook dat ze vaak meer kwaad dan goed hebben gedaan. ‘Hun bedoelingen zijn goed, maar je vaagt de geschiedenis uit als je niet precies weet wat je in handen hebt,’ zegt hij tegen me. ‘De vallei zou adembenemend zijn als hij goed zou functioneren.’

    De mensen die hier verzeild raken zijn vaak kwetsbaar, verward en beschadigd, en hier kunnen ze helen voordat ze terugkeren naar de maatschappij. Dat heeft iets heel moois

    Ik vraag me af welke rol de illegale bewoners zullen spelen in de geschiedenis van Kalalau als over honderd jaar hun doeken zijn weggerot en hun voetpaden overwoekerd. Hoewel ze door sommigen worden verguisd en er vraagtekens worden geplaatst bij hun idealistische opvattingen, heeft dit minirijkje de moderne wereld duidelijk gemaakt hoe krachtig de invloed van de omgeving kan zijn op de collectieve psyche. De mensen die hier verzeild raken zijn vaak kwetsbaar, verward en beschadigd, en hier kunnen ze helen voordat ze terugkeren naar de maatschappij. Dat heeft iets heel moois. ‘We zijn apen met gereedschap,’ zegt Barca de eerste keer dat ik hem spreek. Deel uitmaken van een zelfvoorzienende gemeenschap appelleert aan een diepgeworteld oerverlangen. ‘Een biologische noodzaak,’ zegt hij zelf. Voor de een noodzakelijker dan voor de ander.

    Curt Cottrell, die aan het hoofd staat van de state parks, vertelt me dat toen hij in 1983 als ‘bebaarde hippie’ naar Hawaï ging, de Kalalau Trail een van zijn twee voornaamste reisdoelen was. (Het andere doel was de top van de Mauna Loa halen.) Toen zijn vergunning was verlopen wist hij de rangers te ontlopen door een paar honderd meter te zwemmen naar Honopū, de dichtstbijzijnde baai. Ik vraag hem of er ooit een dag zal komen dat het park de hippiebewoners zal gedenken. Hij weegt zijn woorden met zorg. ‘Het is niet zo dat wij dit deel van de geschiedenis willen uitwissen,’ zegt hij. ‘Maar momenteel voelen we niet de behoefte aan enige vorm van viering. Eerst willen we orde op zaken stellen in de vallei.’

    Dat kon nog wel eens lastig worden. De organisatie heeft 117 medewerkers, verspreid over de vijftig state parks in Hawaï. Kalalau geniet prioriteit, maar er zijn zo veel plekken waar de illegale bewoners zich kunnen verschuilen dat het ondoenlijk is om ze allemaal op te pakken. De dienst heeft gevraagd om extra budget zodat er permanent twee medewerkers in de vallei kunnen worden gestationeerd. Het verzoek is afgewezen.

    Kalalau is nu al een heel andere plek dan een paar jaar geleden. Het is er zonder enige twijfel schoner dan in lange tijd. En los van de intieme bijeenkomsten waar ik in de vallei getuige van ben geweest, hangt er de sfeer van een spookstad. Ik dool van de ene plek naar de andere, via overwoekerde voetpaadjes, op zoek naar de overblijfselen van een kampvuur of andere sporen van menselijke bewoning. Zelfs de officiële kampeerplekken – waar meestal niet meer dan twintig tot dertig toeristen staan, terwijl de overheid een limiet heeft gesteld van zestig – zijn verlaten. Hoewel er ook Hawaïanen naar het park komen, bijvoorbeeld om te jagen, kom ik tijdens mijn bezoek alleen illegale bewoners tegen.

    Hanohano-Smith, die zijn stamboom kan herleiden tot de vallei, zegt dat hij graag zou willen dat gewone Hawaïanen een grotere rol spelen in de toekomst van Kalalau – dat die niet alleen wordt bepaald door de overheid. Hij vindt dat zijn familie vrij toegang moet krijgen tot het gebied zonder te hoeven vechten om de schaarse vergunningen, en dat de banen, bijvoorbeeld als voorlichter of gids, naar de Hawaïanen zelf moeten gaan. ‘Het gaat niet alleen om duurzaamheid,’ zegt hij. ‘Het is ook een kwestie van trots – de trots om zorg te dragen voor de natuurlijke bronnen die mijn familie al duizend jaar geleden in leven hielden.’

    Tijdens een van mijn laatste ochtenden in Kalalau zie ik twee mannen, Sticky Jesus en Stevie, op het strand bezig om hun spullen in een kajak te laden. Stevie, de oudste bewoner, is minder vaak is de vallei dan vroeger. Vijf jaar geleden kwam hij in aanmerking voor een goedkope huurwoning in Kehaka. Hij is dol op Kalalau maar hij realiseert zich dat hij op een bepaald moment te zwak zal zijn om de tocht naar de vallei te maken en om in zijn eigen onderhoud te voorzien.

    Voor Sticky ligt het allemaal iets ingewikkelder. Hij gaat in een busje samenwonen met zijn nieuwe vriendin en hij wil proberen wat geld te verdienen. Ik betwijfel of hij ooit terug zal komen, en dat zeg ik min of meer. ‘Ik heb hier ook nog een stek,’ antwoord Sticky. ‘Het meeste is een paar weken geleden weggehaald, maar ik heb er wel een goed gevoel over.’ Hij vindt het wel prettig om te onthechten van zijn bezittingen.

    ‘Je hebt het er minder moeilijk mee dan Mowgli?’ zeg ik.

    ‘Mowgli heeft het overal moeilijker mee dan ik,’ zegt hij.

    De twee mannen springen in de kajak en Carlton geeft hen een zetje in het kniediepe water. We blijven nog een paar minuten staan, zien ze verdwijnen om de rode rotsen in het zuiden. Dan loop ik terug over het paadje de vallei in. Ik ben er nog niet klaar voor te vertrekken. Ik ben er nog niet klaar voor om mijn portemonnee te pakken en te betalen voor voedingsmiddelen waar een prijsje op is geplakt terwijl hier het fruit gewoon uit de bomen valt en wegrot als er niemand is om het op te eten. Ik moet nog één dag in het wild leven, hier in de Kalalau-vallei. Of misschien twee.

    Auteur: Brendan Borrell
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Openingsbeeld: De vallei zou de mooiste wandelroutes ter wereld bieden. – © Getty

    Hakai Magazine
    Canada | hakaimagazine.com

    Hakai Magazine is een onlinemagazine dat verhalen publiceert over kustgebieden. De medewerkers komen van over de wereld, de redactie is gevestigd in Victoria, British Columbia. Het magazine wordt gefinancierd door de Tula Foundation.