Het lagerhuis van het Zwitserse parlement heeft tegen het reddingsplan voor Credit Suisse gestemd. De regering biedt UBS, de bank die de noodlijdende financiële instelling heeft overgenomen, een garantie van 109 miljard Zwitserse franc (zo’n 110 miljard euro). Tijdens een buitengewone zitting in Bern op dinsdag stemden 102 van de 200 parlementsleden van de Nationale Raad tegen de maatregel. Eerder op de dag had de Kantonsraad nog voor het plan van de regering gestemd.
Dit is een ‘zware nederlaag’ voor Bondsraadslid en minister van Financiën Karin Keller-Sutter, schrijft Le Temps. ‘Maar de minister kan zich troosten met het feit dat deze beslissing van het lagerhuis slechts symbolisch is. Parlementariërs kunnen fondsen die al door de Bondsraad zijn toegezegd niet tegenhouden.
Thomas Matter, een parlementslid van de conservatieve SVP, vreest dat met de overname van Credit Suisse door UBS ‘de bank te internationaal is geworden’ en daarmee ‘too big to fail’. Zijn partij wil daarom dat de meerderheid van het bestuur uit Zwitsers bestaat.
Zwitserse gedetineerden hebben recht op hulp bij zelfdoding
Praten over (gedachten aan) zelfdoding of hulp op dit gebied? Bel 113 Zelfmoordpreventie: 0900-0113 of neem contact op via113.nl.
Op dinsdag 28 februari beleefde Zwitserland een primeur: voor het eerst in de geschiedenis van het land maakte een gevangene een einde aan zijn leven met de hulp van Exit, een organisatie voor hulp bij zelfdoding. Hij was ondergebracht in de penitentiaire inrichting Bostadel en is de eerste gedetineerde in Zwitserland die onder begeleiding zijn leven heeft beëindigd, schrijft Die Wochenzeitung.
De gedetineerde Peter Vogt stelde bijna vijf jaar geleden in een televisiereportage voor het eerst de vraag of hij zijn leven mocht beëindigen bij Exit. Op dat moment was het nog omstreden of gedetineerden dit recht hadden. Tegenstanders vonden dat zij hun straf zouden ontlopen door een einde te maken aan hun leven.
Alle gevangenen kunnen contact opnemen met een organisatie voor hulp bij zelfdoding
Voor veel gevangenen met een doodswens gaat dit argument echter niet op, omdat de meesten hun straf al lang hebben uitgezeten. Zij zitten nog steeds in de gevangenis omdat zij als gevaarlijk worden beschouwd en de bevolking tegen hen moet worden beschermd.
Inmiddels hebben gedetineerden in Zwitserland in beginsel het recht hebben om begeleiding bij zelfdoding te krijgen. Zo zijn er richtlijnen opgesteld over hulp bij zelfdoding in de gevangenis. Daarin staat dat alle gevangenen die wettelijk veroordeeld zijn, contact kunnen opnemen met een organisatie om begeleiding te krijgen om een einde aan hun leven te maken. Maar uiteindelijk moet de Zwitserse justitie nog steeds toestemming geven voor zelfmoord.
Peter Vogt hoopt nog steeds op een vrijlating uit de gevangenis, maar heeft al gesproken met vertegenwoordigers van Exit. De organisatie heeft naar eigen zeggen momenteel contact met twee andere gevangenen die overwegen gebruik te maken van de diensten van Exit.
De Belgische Ann Demeester, die in Nederland onder meer werkzaam was als directeur van het Haarlemse Frans Halsmuseum, staat sinds afgelopen zomer aan het hoofd van het gerenommeerde Kunsthaus Zürich. In januari had ze de onaangename taak te melden dat twee zeventiende-eeuwse schilderijen uit de collectie – Soldaten in het kamp van Robert van den Hoecke en Narcissen en andere bloemen van Dirck de Bray – ‘onvindbaar’ waren nadat ze waren schoongemaakt. Ze behoren tot de ongeveer zevenhonderd kunstwerken die Kunsthaus Zürich moest laten restaureren na een brand, afgelopen augustus, in het museum.
Intern onderzoek doet vermoeden dat de kunstwerken eerder zijn gestolen dan zoekgeraakt
Intern onderzoek doet vermoeden dat de kunstwerken eerder zijn gestolen dan zoekgeraakt, en daarom heeft het museum de politie ingeschakeld, meldt ArtNet News. De twee kleine werken, met een waarde van respectievelijk ‘vijf en zes cijfers’, zijn door verzamelaars in permanente bruikleen gegeven. Volgens Demeester is ‘bijna driekwart’ van het museumbezit afkomstig van langdurige bruiklenen of particuliere schenkingen. De twee vermiste schilderijen zijn aangemeld bij het Art Loss Register, een internationale database van verloren en gestolen kunst.
Democratie is niet gewoon een staatsvorm, maar een manier van leven. De school moet een plek worden om na te denken in plaats van na te praten, stellen deze Duitse filosoof en pedagoog.
In de recente geschiedenis van de mensheid was er zelden sprake van zo’n grote opeenstapeling van uitdagingen: klimaatcrisis, de coronapandemie, en nu de oorlog in Oekraïne. Zowel de mensheid als de politiek verkeert in een crisistoestand, die alle landen ter wereld treft en de politiek ernstig op de proef stelt. En die problemen treffen eveneens de verschillende staatsvormen. In dictaturen als China of Rusland wordt anders omgegaan met crises dan in democratieën als Zwitserland of Duitsland – en zo worden de gebeurtenissen van nu ook een vuurproef voor politieke systemen.
Hoeveel globale samenwerking tussen verschillende staatsvormen is er nodig om deze wereldwijde crises de baas te worden? Momenteel is men geneigd de voorkeur te geven aan deglobalisering, zodat de uitwisseling tussen dictaturen en autocratieën wordt stopgezet. Dat is een gevaarlijke trend die de wereld uiteindelijk misschien weer in twee blokken opdeelt, waarbij de grens in het oosten midden door Europa zal lopen en mogelijk een nieuwe Koude Oorlog ontstaat, die elk moment kan escaleren tot een hete nucleaire oorlog.
Vergissing
In een crisis moet een democratie onder moeilijke omstandigheden zien te functioneren, waarbij ze zelf in crisis kan raken. Dit kan aan de hand van de drie genoemde problemen verduidelijkt worden: maatregelen om de CO2-uitstoot te beperken brengen – in de vorm van prijsstijgingen en vermindering van welvaart en mobiliteit – het draagvlak onder de bevolking in gevaar. Tijdens de coronapandemie nam het aantal complotdenkers flink toe. Aanvankelijk ontstond de beweging uit scepsis en legitieme kritiek, maar het anti-overheids- en antidemocratische sentiment werd steeds groter.
Ook de Oekraïne-oorlog verdeelt de samenleving, bijvoorbeeld over de vragen welke mate van solidariteit Oekraïne kan opeisen en hoe de oorlog tot een einde kan worden gebracht.
Uit de verschillende kampen is regelmatig te horen dat het tegengestelde standpunt niets met democratie te maken heeft. Tegengestelde meningen worden derhalve beschouwd als ‘aanval op de democratie’. Dit fenomeen, het discrediteren van de tegenpartij, krijgt bijna dagelijks een podium in talkshows, zodat je je als toeschouwer de vraag stelt: is dat dan democratie?
Eén misverstand is inderdaad wijdverbreid: velen menen dat er al sprake is van democratie wanneer er om de zoveel jaar gestemd wordt, en de verkiezingen openbaar, discreet en vrij zijn. Dat is een gevaarlijke vergissing.
Voorwaarde van democratie is de principiële vrijheid en gelijkheid van alle burgers
Het begrip democratie is tot op heden vaag. Dat komt onder andere doordat het ondanks alle kritiek een positieve inhoud heeft, zodat er binnen een breed spectrum van politieke praktijken aanspraak op gemaakt. De communistische staten in de invloedssfeer van de Sovjet-Unie omschreven zichzelf na de Tweede Wereldoorlog als ‘volksdemocratieën’. Zelfs het project van de afbraak van democratische rechten in Hongarije wordt ‘illiberale democratie’ genoemd. Om deze willekeur in het gebruik van het begrip tegen te gaan, is in Angelsaksische discussies de niet-onproblematische uitdrukking ‘liberale democratie’ gangbaar geworden.
Kenmerkend voor een democratie in engere zin is de garantie van individuele rechten en de geïnstitutionaliseerde solidariteit in de vorm van sociale maatregelen in een verzorgingsstaat. In deze opvatting berust democratie op een enkel principe, namelijk de collectieve zelfbeschikking onder de antropologische premissen van vrijheid en gelijkheid. Dat betekent in essentie dat alle burgers met de heersende orde moeten kunnen instemmen. Alleen wanneer aan die voorwaarden voldaan is, ontwikkelt zich vanuit het principe van de collectieve zelfbeschikking een democratische orde. De garantie van individuele rechten en vrijheden is dus geen inperking van het democratiebegrip, maar een onvervangbaar, essentieel en wezenlijk deel van elke democratische orde.
Democratie is niet alleen een staatsvorm, het is een manier van leven
Democratie is derhalve een politieke orde waarmee allen in kunnen stemmen. Voorwaarde daarvoor is de principiële vrijheid en gelijkheid van alle burgers. Consensus is niet het doel van democratische besluitvorming; de democratische besluitvorming berust veeleer op regels en instituties die een normatieve orde tot uitdrukking brengen. Aangezien met betrekking tot deze regels en instituties verschil van mening mogelijk is, wordt de voor een democratie onontbeerlijke consensus in bijzondere gevallen naar een hoger niveau verplaatst. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij conflicten over de grondwet, die worden opgelost met een voor een grondwetswijziging vereiste meerderheid. Het is dus niet, zoals meestal wordt aangenomen, alleen de mening van de meerderheid die beslissend is voor de democratie, maar het is deze hogere consensus over de grondwet die een democratie draagt. Hierin komen de grondprincipes van vrijheid en gelijkheid tot uitdrukking.
Deze principes moeten een maatschappelijke sfeer van wederzijds respect en erkenning doen ontstaan, ongeacht verschillen in cultuur, religie, etniciteit of leefstijl. Een samenleving waarin mensen opstaan en de bus verlaten omdat een persoon met een andere huidskleur naast ze is gaan zitten, is niet democratiefähig. Democratie is niet alleen een staatsvorm, het is een manier van leven. Als de civiele grondslagen van de democratie wegslijten, is ze als institutioneel bouwwerk in gevaar.
De rol van het onderwijs
De in crisis verkerende democratie kan en moet dus ook lering trekken uit de huidige crises. Het belangrijkste daarbij is dat ze zorgdraagt voor de democratische vaardigheden van de mensen. Daartoe behoort bijvoorbeeld een discussiecultuur die in de genoemde tv-programma’s vaak ontbreekt. Maar het veronderstelt ook een kritisch-constructieve houding ten aanzien van de media in het algemeen, die alleen al door de keuze van thema’s, medewerkers, zendtijd enzovoort bevooroordeeld kunnen zijn. Het zou naïef zijn die keuze als toevallig of triviaal af te doen.
De afnemende interesse in professionele journalistiek is een probleem vanuit democratietheoretisch en onderwijskundig perspectief. Veel mensen halen hun informatie tegenwoordig niet meer uit de krant, maar liever van de sociale media, die vanwege big data bijzonder vatbaar zijn voor bubbelvorming en een gebrek aan nuance. Voor een debatcultuur is dit schadelijk, voor een democratie mogelijk catastrofaal.
Een school binnen een democratie moet een democratische school zijn
Onderwijs kan op dit gebied op drie manieren een belangrijke rol spelen. Ten eerste moet de schoolorganisatie zo zijn ingericht dat deze aansluit op een democratie. Een school binnen een democratie moet een democratische school zijn. Deze gedachte is door [de Amerikaanse filosoof, psycholoog en pedagoog] John Dewey indringend geformuleerd en ontwikkeld in het begrip ‘embryonic society’. De school moet de mogelijkheden en de grenzen van de democratie zichtbaar maken, een democratische leefruimte worden. Kinderen en jongeren moeten in die omgeving ervaren en leren wat democratie betekent, gehoord worden, zich kunnen uiten en meewerken aan de vormgeving van de school. Hierbij moeten we niet bezwijken voor een utopie: medezeggenschap is niet hetzelfde als zelfbeschikking. Hoe belangrijk en zinvol het ook is om iedereen van een school bij beslissingen te betrekken, vanuit het oogpunt van de democratische theorie moet medezeggenschap worden opgevat als collectieve zelfbeschikking, en als zodanig moeten hierbij de vrijheid en gelijkheid van allen worden gerespecteerd.
Vervolgens is het, wat het onderwijs betreft, een vereiste dat actuele thema’s worden behandeld. Het is bijvoorbeeld niet best dat kinderen en jongeren buiten de school nog altijd meer leren over duurzaamheid dan op school zelf. Maar hoe kan aan zulke problemen aandacht besteed worden als het lesprogramma op scholen al zo overvol is? Het is hoog tijd voor een curriculum waarin onderdelen worden geschrapt en aangepast aan een menselijker begrip van onderwijs. Alleen op die manier kan er tijd en ruimte worden gemaakt om actuele kwesties te behandelen.
Projectonderwijs is hiervoor het meest geschikt. Een week lang wordt er gewerkt aan een kernprobleem, waarbij vanuit de verschillende vakken en vanuit interdisciplinair perspectief een sleutelprobleem behandeld wordt. De opgedane inzichten worden vervolgens samen besproken en ter discussie gesteld. Bij een dergelijke aanpak leren kinderen om niet zomaar klakkeloos na te praten maar eerst en vooral zelf na te denken. En zo worden leerlingen opgevoed in de democratie.
Perspectiefwisseling als principe
Ten derde kan in de les gebruik worden gemaakt van dilemmadiscussies. Dat is een methode waarbij veel aan de kaak kan worden gesteld en die veel effect heeft. Het gaat daarbij niet alleen om het vertolken van de eigen positie, maar ook om het begrip van andermans mening, ja zelfs om het formuleren van tegenargumenten. Zo wordt verandering van perspectief een onderwijsprincipe, en dat is fundamenteel voor een democratie.
Zeker, met onderwijs alleen worden de grote uitdagingen van deze tijd niet opgelost, maar zonder onderwijs ook evenmin. Onderwijs is beslissend binnen een democratie. Een uitholling van de democratie, zoals we die vanwege de wereldwijde problemen momenteel om ons heen waarnemen, kan met de juiste educatieve inspanningen worden verholpen.
Een groeiende groep van rijke erfgenamen geeft uit schuldgevoel hun familiekapitaal weg aan goede doelen. Vaak omdat het is verdiend met slavernij of olie, of afkomstig van ouders die niet naar hen omkeken. ‘Dat geld is niet van mij, maar van de planeet.’
Het levensverhaal van Morgan Curtis is de Amerikaanse Droom in omgekeerde volgorde. Haar over-over-overgrootvader was bankier in New York aan het begin van de negentiende eeuw. Hij investeerde in spoorwegen, zijn broer investeerde in Centraal-Amerikaanse mijnen. Het familievermogen groeide in de loop der generaties, en Curtis’ vader deed er nog een schepje bovenop met zijn inkomen als managementconsultant voor ‘grote’ bedrijven. Natuurlijk had Curtis een gouden jeugd: opgeleid aan privéscholen in West-Londen, jaarlijks op skivakantie in Zwitserland, haar eigen pony. Maar vandaag woont ze, dertig jaar oud, op een boerderij in Californië met veertig anderen. Ze leeft van 25.000 dollar, zo’n 24.000 euro, per jaar.
Dat komt niet doordat Curtis haar geld op een onverstandige manier investeerde, of het familiekapitaal erdoorheen heeft gejaagd in Las Vegas. Ze heeft ervoor gekozen om afstand te doen van 100 procent van haar erfenis en 50 procent van het inkomen dat ze als coach verdient, door het te ‘herverdelen‘ over sociale volksbewegingen, zwarte bevrijdingsorganisaties, inheemse landprojecten en klimaatactivisten. Ze maakt zelfs een openbaar toegankelijke, kleur-gecodeerde spreadsheet van haar jaarlijkse donaties.
De bankiervoorouder van Curtis begon namelijk niet met niets – en ze beseft maar al te goed dat wat de Amerikaanse Droom is voor de een, een Amerikaanse nachtmerrie is voor de ander. De vader van haar bankierende voorvader bezat een katoenfabriek in New York die volgens haar ‘niet los kan worden gezien van plantagearbeid’, terwijl de grootvader van haar grootmoeder een 4450 hectare grote suikerplantage in Cuba bezat. ‘Mijn voorouders hebben schadelijke en immorele keuzes gemaakt door deel te nemen aan slavernij en kolonisatie’, zegt ze, ‘en daarom zie ik dit geld als niet van mij, maar als behorend tot die gemeenschappen waarvan het land en de arbeid zijn gestolen.’
‘De grote vermogensoverdracht’
We staan aan het begin van een fenomeen dat de bijnaam ‘De grote vermogensoverdracht’ heeft gekregen. Volgens financiële dienstverlener Sanlam zullen millennials in de komende tien jaar 327 miljard pond, ruim 380 miljard euro, van hun ouders erven. Het probleem is dat niet iedereen dit geld wil hebben. Een kleine, maar schijnbaar groeiende groep jongeren voelt zich schuldig en schaamt zich voor deze erfenissen. Als reactie gaan sommigen in therapie, sommigen zoeken het in drugs en weer anderen zetten zich in voor sociale verandering. Vorig jaar maakte een man de fout om het op Twitter te zoeken.
‘Een paar dagen geleden nam ik een halve dosis LSD’, begon hij een draadje op het sociale kanaal. Het bericht kreeg veel meer reactis dan likes of retweets, wat meestal een teken is dat er iets controversieels is gezegd. In zesendertig tweets onthulde de man dat hij het zijn moeder ‘kwalijk nam’ dat ze hem 100.000 dollar had geschonken. Dit was hoe het hoorde te gaan: ‘Je verricht arbeid, krijgt een eerlijk loon voor je arbeid en zo verdien je het recht om te bestaan en deel uit te maken van de samenleving.’ Dat dat nooit op hem van toepassing was geweest, besefte hij door de LSD en maakte dat hij zich ‘schuldig’ voelde.
Er volgden duizenden min of meer unanieme antwoorden: ten eerste kreeg de man te horen dat hij beter om zich heen moest kijken en moest beseffen tegen wie hij het had en ten tweede volgde er een stroom van variaties op de reactie ‘Als je je geld haat, geef het dan aan mij‘. Hoe dan ook bood de Twitter-draad een zeldzaam inzicht in de geest van een rijke met schuldgevoel.
‘Wat we zien bij sommige zeer, zeer rijke families is behoorlijke verwaarlozing’
‘Wat we zien bij sommige zeer, zeer rijke families is behoorlijke verwaarlozing,’ zegt Robert Batt, oprichter van het Recovery Centre, een kliniek in Londen voor geestelijke gezondheidszorg gericht op rijke cliënten. ‘En dan niet verwaarlozing in de zin van een kind dat geen eten krijgt.’ Batt vertelt over een tiener die zichzelf begon te verwonden na een moeilijke dag op school. ‘Ze gaat terug naar het grote huis in Belgravia en er is niemand thuis. Er is waarschijnlijk wel ergens een huishoudster, maar geen gezinslid… Het is misschien vreemd om dat verwaarlozing te noemen, maar ik denk dat het emotioneel toch echt als zodanig geldt.’ Sinds de jaren negentig stelde Suniya S. Luthar, expert in kinderontwikkeling, herhaaldelijk vast dat drank- en drugsgebruik, angst en depressie in verhoogde mate aanwezig zijn bij kinderen aan beide uiteinden van het sociaaleconomische spectrum.
Batt zelf werd op vijfjarige leeftijd, toen zijn vader stierf, lord van achttien dorpen in Norfolk. Op vijftienjarige leeftijd was hij een ‘lastpost’ die ‘eigenlijk niets met mijn leven deed behalve geld uitgeven en chaos veroorzaken’. Hij raakte verslaafd aan cocaïne, alcohol en winkelen. ‘Al die verantwoordelijkheid, die rijkdom en die geschiedenis, het leidde tot verval, wanhoop en ellende,’ zegt hij. Hij vindt het verontrustend wanneer gezinnen zich richten op ‘bescherming van de rijkdom en niet van het kind’.
Is het dan verwonderlijk dat sommige kinderen een afkeer van geld krijgen? ‘Ik heb net een sessie gehad met de kleindochter van een van de rijkste mensen ter wereld,’ zegt Batt, ‘en ze is gewoon niet geïnteresseerd in het geld. Ze zei: “Het hoort niet bij me, het heeft nooit bij me gehoord.” Ik hou daarvan, ik vind het geweldig – maar het is vrij zeldzaam.’
Rijken met schuldgevoel
Toch groeit het aantal rijken met schuldgevoel, althans, meer spreken zich uit. MacKenzie Scott, de ex-vrouw van ’s werelds op een na rijkste man, Jeff Bezos, heeft de afgelopen twee jaar 12 miljard dollar aan non-profitorganisaties geschonken. ‘Zoals velen heb ik de eerste helft van 2020 met een mengeling van hartzeer en afschuw gadegeslagen,’ schreef Scott in een blogpost in juli van dat jaar. Ze voegde eraan toe dat ze hoopte dat ‘mensen die door de recente gebeurtenissen in de problemen zijn gekomen, nieuwe verbanden zullen leggen tussen privileges die ze hebben genoten en de voordelen die ze altijd als vanzelfsprekend beschouwden’. Abigail Disney, wier familie geen introductie behoeft, verkondigde dat ze ervoor heeft gekozen om geen miljardair te zijn. En als het aan haar lag zou er een wereldwijd verbod op privéjets komen.
Resource Generation is een gemeenschap van de rijkste achttien- tot vijfendertig-jarigen in Amerika die zich ‘inzetten voor een rechtvaardige verdeling van rijkdom, land en macht’. Opgericht in de jaren negentig, heeft de organisatie recent een snelle groei doorgemaakt, resulterend in 65 procent meer leden in 2021 dan in 2019. Vorig jaar hebben meer dan 800 leden toegezegd om 100 miljoen dollar te geven aan bewegingen voor sociale rechtvaardigheid. De Britse tegenhanger van de organisatie, Resource Justice, werd in 2018 opgericht. Een van de oprichters ervan, de eenendertigjarige Leonie Taylor uit Londen, is dochter van een man die zijn miljoenen met olie verdiende.
‘Er is sprake van een oprecht schuldgevoel dat voortkomt uit het daadwerkelijk profiteren van een daadwerkelijk onrechtvaardig systeem,’ aldus Taylor. ‘Ik beschouw dat geld niet als mijn geld, maar als van de planeet.’ Resource Justice verzorgt het zes maanden durende programma Praxis. Daarin leren rijken over ongelijkheid en kunnen ze hun persoonlijke verhalen delen. ‘Het helpt mensen om in actie te komen in plaats van zich te verbergen en zich schuldig en beschaamd te voelen,’ zegt Taylor.
‘O ja, die zijn zeer winstgevend. Je grootvader heeft er zelfs in geïnvesteerd’
Natuurlijk staat niet iedereen te trappelen om zich in te schrijven. Taylor kreeg tegenwerking van mensen met een ‘meer rechtse blik’. Curtis, de millennial die 100 procent van haar erfenis doneert, verdient de kost met het coachen van mensen met geërfd vermogen, door hen te helpen research naar hun voorouders te doen en plannen over herverdeling te maken. Ze heeft twee broers; een van hen ziet ook af van zijn erfenis.
Curtis werd zich voor het eerst bewust van haar privilege toen ze acht jaar oud was, en haar familie een tweede huis kocht op het Isle of Wight. ‘Ik kreeg het gevoel dat we anders waren,’ zegt Curtis. In haar tienerjaren nam een goede vriendin een baantje om haar moeder te kunnen helpen met de huur. ‘Voor mij was dat “O, wow”. Ik hoefde er nooit aan te denken dat ik ons gezin zou moeten onderhouden.’
Rond dezelfde tijd werd Curtis klimaatbewust. Ze las in een tijdschrift over de Canadese teerzanden –olievelden groter dan Engeland –, was geschokt en sprak haar vader erover aan. Hij zei: ‘O ja, die zijn zeer winstgevend. Je grootvader heeft er zelfs in geïnvesteerd.’
Schaamte
Later, toen ze milieutechniek studeerde aan Dartmouth College, begon Curtis een campagne om de universiteit te bewegen aandelen in Chevron en Exxon af te stoten. Toen kreeg ze de schok van haar leven. Ze verkocht haar auto en haar vader zei dat ze het geld mocht houden als ze het in aandelen zou beleggen. In de hoop bedrijven in zonnepanelen te kunnen helpen, wilde ze een beleggingsrekening openen, om er vervolgens achter te komen dat ze er al een had. Er stond 350.000 dollar op haar naam, geïnvesteerd in ‘precies die bedrijven waartegen ik campagne voerde’.
‘Ik voelde schuld, schaamte, woede… en een vurig verlangen om dat te veranderen,’ zegt Curtis. Haar geld vermeerderde zich tot 600.000 dollar voordat ze in 2020 volledige zeggenschap kreeg en sindsdien heeft ze twee derde ervan herverdeeld. Ze schreef een gedicht getiteld ‘On Shame’. Daarin staat onder meer: ‘Misschien heb jij, net als ik, een voorouder / waar je je te erg voor schaamt om er zelfs maar over te spreken.’ En later: ‘Waar we ons het meest voor schamen / is niet voor wat zij deden / maar wat wij nog moeten doen.’
Voor Curtis en Taylor was het gevoel van schuld een nuttige emotie die hen bewoog tot actie. Maar zo werkt het niet altijd. Stephen is een millennial die 750.000 dollar erfde van een grootvader die in de farmaceutische industrie en onroerend goed werkte. Sinds zijn grootvader tien jaar geleden overleed is dat kapitaal aangegroeid tot 2 miljoen dollar.
‘Zwijgen over klasse is een van de redenen waarom er zoveel ongelijkheid is’
‘Mijn grootste schuldgevoel komt eruit voort dat ik andere mensen zie worstelen en dat ze fulltime moet werken,’ aldus Stephen – niet zijn echte naam. Vanwege de erfenis kostte het hem moeite werk te blijven doen waar hij voldoening uit kreeg, totdat hij in het buitenland werk vond als leraar Engels.
Toch zegt Stephen dat schuldgevoel hem ‘niet noodzakelijkerwijs aanzet tot actie, zoals een hoop geld doneren. In plaats daarvan motiveert het hem om wat meer uren te werken, omdat andere mensen dat ook doen. Hij zegt dat gesprekken met een therapeut zijn gevoel van eigenwaarde hebben vergroot, wat op zijn beurt zijn perspectief heeft veranderd. ‘Het heeft geholpen om de schuldgevoelens te verminderen,’ zegt hij. ‘Ze heeft me echt geholpen om in te zien dat ik kan leven zoals ik wil en niet per se hoef toe te geven aan de sociale druk dit geld te gebruiken voor het welzijn van iedereen. Ik kan het nu echt gebruiken om de dingen te bereiken die ik wil bereiken.’ Stephen zou in de toekomst graag liefdadigheidswerk willen doen en zegt daarover: ‘Voordat je anderen kunt helpen moet je eerst leren jezelf te helpen.’
Scepsis
Rachel Sherman is sociologe en auteur van Uneasy Street: The Anxieties of Affluence. Ze werkt momenteel aan een boek over rijke mensen die het systeem proberen te veranderen dat hen bevoordeelt. Sherman: ’De scepsis bestaat dat het hier alleen maar om woke gedrag zou gaan; dat de bewering te balen van je geld een andere vorm van statusgedrag is. Maar, voegt ze eraan toe: ‘Zwijgen over klasse is een van de redenen waarom er zoveel ongelijkheid is.’ Sherman is ervan overtuigd dat ‘deze gevoelens politiek cruciaal zijn’ en dat verandering mogelijk is als de rijken er openlijk over praten.
Curtis woont nu in een commune die zichzelf omschrijft als een ‘intergenerationeel, interraciaal, interreligieus’ collectief dat boerderijen runt en activistische workshops leidt. ‘Ik hou van mijn leven. Het is rijk aan betekenis en heeft een doel,’ zegt ze. ‘Ik koop niet veel en ik ga niet op luxe vakanties, maar ik heb niet het gevoel dat ik meer wil of meer nodig heb.’ Ik opper dat dit komt omdat ze het allemaal al heeft gehad.
‘Absoluut,’ zegt ze, ‘ik denk dat ikzelf en anderen die uit rijke gezinnen komen zien dat je wanneer je naar een vijfsterrenhotel kunt gaan nog niet automatisch een gelukkige gezinsvakantie hebt. Onze voldoening in het leven, en ons gevoel van geluk, komt meer voort uit onze relaties en de kwaliteit ervan, dan uit de kwaliteit van de spullen die ons omgeven.’
Op de jaarlijkse persconferentie van de Zwitserse Bankiersvereniging zei voorzitter Marcel Rohner afgelopen dinsdag dat Zwitserse banken tussen de 150 miljard en 200 miljard Zwitserse frank (160-214 miljard euro) aan activa van Russische klanten beheren, meldt Swissinfo.
Rohner weigerde echter het bedrag te noemen dat geblokkeerd is als gevolg van de economische sancties die Zwitserland tegen Rusland heeft ingesteld. Russische klanten die op de zwarte lijst staan, kunnen geen geld opnemen van hun Zwitserse rekeningen en ook geen bedrag hoger dan 100.000 Zwitserse frank storten. Het besluit van de Zwitserse regering om sancties in te voeren lokte een debat uit over de neutrale status van Zwitserland, schrijft de nieuwssite.
In totaal beheerden Zwitserse banken in 2020 een vermogen van 7879 miljard Zwitserse frank, oftewel 7628,95 miljard euro.
Dankzij implantaten die direct in het ruggenmerg worden geplaatst, een systeem dat is ontwikkeld door Zwitserse onderzoekers, kunnen drie mensen die verlamd raakten bij motorongelukken weer lopen, bericht El País. Alle drie verloren de motorische functies van hun romp en benen door volledig ruggenmergletsel. ‘Een dag nadat ik begon te oefenen zag ik dat mijn benen weer in beweging kwamen; een zeer emotionele ervaring’, aldus Michel Rocatti, een van de drie patiënten, op een persconferentie.
Neurowetenschapper Grégoire Courtine van het Zwitserse Federale Instituut voor Technologie (EPFL) in Lausanne, en de neurochirurg Jocelyne Bloch van het universitair ziekenhuis van Lausanne (CHUV) leidden het wetenschappelijke team dat het systeem ontwikkelde.
De Nigeriaans-Amerikaanse schrijver Teju Cole bezoekt hetzelfde Zwitserse bergdorp als James Baldwin in de jaren vijftig. In Baldwins tijd hadden de dorpelingen nog nooit een zwarte man gezien, en riepen kinderen ‘neger’ naar hem. Dat is nu gelukkig anders, constateert Cole. Maar is er in hun beider thuisland ook zo veel veranderd?
Dit artikel verscheen eerder op 9 september 2016 in 360 Magazine #105.
Toen reed de bus de wolken binnen, en tussen de ene wolk en de volgende vingen we glimpen op van de stad beneden. Het was etenstijd en de stad was een verzameling gele puntjes. We kwamen dertig minuten na ons vertrek uit die stad, die Leuk heette, aan. De trein naar Leuk was aangekomen uit Visp, de trein uit Visp was gearriveerd uit Bern, en de trein dáárvoor kwam uit Zürich, waar ik ’s middags was vertrokken. Drie treinen, een bus en een korte wandeling, allemaal door een prachtig landschap, en daarna bereikten we Leukerbad in de duisternis.
Leukerbad, niet ver in termen van absolute afstand, was dus niet zo makkelijk te bereiken. 2 augustus 2014: het was de verjaardag van James Baldwin. Als hij nog in leven zou zijn, zou hij negentig zijn geworden. Hij is een van die mensen die op het punt staan uit de hedendaagse tijd te verdwijnen naar de historische – John Coltrane zou dit jaar 88 zijn geworden, en Martin Luther King Jr. 85; mensen die nog steeds onder ons zouden kunnen zijn, maar die soms heel ver weg voelen, alsof ze eeuwen geleden hebben geleefd.
Grappig en treurig
James Baldwin verliet in 1951 voor het eerst Parijs om naar Leukerbad te gaan. De familie van zijn vriend Lucien Happersberger had een chalet in een dorp in de bergen. Dus Baldwin, die destijds gedeprimeerd en verstrooid was, ging erheen, en het dorp (dat Loeche-les-Bains heet) bleek een toevluchtsoord voor hem te zijn.
Zijn eerste reis was in de zomer en duurde twee weken. Toen keerde hij, ook tot zijn eigen verrassing, voor nog eens twee winters terug. Zijn eerste roman, Go Tell It on the Mountain, kreeg hier zijn definitieve vorm. Hij had acht jaar met dat boek geworsteld, en hij kon het eindelijk voltooien op deze onwaarschijnlijke plek. Hij schreef ook nog iets anders, een essay getiteld ‘Stranger in the Village’; het was dit essay, meer nog dan de roman, dat me naar Leukerbad bracht.
‘Stranger in the Village’ werd eerst gepubliceerd in Harper’s Magazine, in 1953, en vervolgens in de essaycollectie Notes of a Native Son, in 1955. Het gaat over de ervaringen van het zwart zijn in een volledig wit dorp. Het begint met het gevoel van een extreme reis, zoals die van Charles Darwin naar de Galápagos-eilanden of die van Tété-Michel Kpomassie naar Groenland.
Hij is boos en profetisch, schrijvend met een harde helderheid en voortgedragen door een duizelingwekkende eloquentie
Maar dan geeft het ruimte aan andere zorgen en aan een andere stem, om te kijken naar de Amerikaanse rassensituatie in de jaren vijftig. Het deel van het essay dat over het Zwitserse dorp gaat is zowel grappig als treurig. Baldwin is gevoelig voor de absurditeit van een schrijver uit New York die op een bepaalde manier inferieur wordt gevonden door de Zwitserse dorpelingen, waarvan velen nooit hebben gereisd. Maar verderop in het essay, als hij schrijft over ras in Amerika, is hij helemaal niet grappig meer. Hij is boos en profetisch, schrijvend met een harde helderheid en voortgedragen door een duizelingwekkende eloquentie.
Ik nam een kamer in Hotel Mercure Bristol, de nacht dat ik aankwam. Ik opende het raam en zag slechts duisternis, maar ik wist dat in de duisternis de Daubenhorn-berg school. Ik nam een heet bad en lag tot aan mijn nek in het water met mijn oude paperbackeditie van Notes of a Native Son. Het blikachtige geluid uit mijn laptop was Bessie Smith die I’m Wild about That Thing zong, een smerig bluesnummer en een meesterwerk van plausibele ontkenning: ‘Don’t hold it baby when I cry / Give me every bit of it, else I’d die / I’m wild about that thing’. Ze zou over een trombone kunnen zingen.
En het was daar in dat bad, met zijn woorden en haar stem, dat ik mijn ‘bodydoublemoment’ beleefde: hier was ik dan, in Leukerbad, met Bessie Smith zingend door de jaren heen vanuit 1929; ik ben zwart, net als hij; en ik ben slank; en ik heb een spleetje tussen mijn voortanden; en ik ben niet bijzonder lang (nee, eerder kort); en ik ben cool op schrift en geanimeerd in persoon, behalve als het andersom is; en ik was ooit een fervente tienerprediker (Baldwin: ‘Niets dat mij sindsdien is overkomen kan tippen aan de macht en de roem die ik soms heb gevoeld als ik, midden in een preek, wist dat ik op een bepaalde manier, door een of ander wonder, werkelijk “het Woord” – zoals ze dat noemen – droeg: dat de kerk en ik één waren’); en ook ik heb de kerk vaarwel gezegd; en ik noem New York ‘thuis’ terwijl ik daar niet eens woon; en ik voel mij overal, van New York City tot op het platteland van Zwitserland, de hoeder van een zwart lichaam, en moet de taal zien te vinden voor wat dat allemaal voor mij betekent, en voor de mensen die naar mij kijken. De voorouder had kortstondig bezit genomen van de afstammeling. Het was een moment van identificatie, en in de dagen die volgden was dat moment een gids.
Geen bezienswaardigheid
‘Al het beschikbare bewijsmateriaal wees erop dat geen enkele zwarte man ooit in dit kleine Zwitserse dorp was geweest voordat ik kwam’, schreef Baldwin. Maar het dorp is sinds zijn bezoeken, ruim zestig jaar geleden, aanzienlijk gegroeid. Nu hebben ze wél eerder een zwarte man gezien; ik was geen bezienswaardigheid.
Er werd wel wat gegluurd in het hotel toen ik incheckte, en in het goede restaurant verderop langs de weg, maar er wordt altijd wel gegluurd. Er wordt gegluurd in Zürich, waar ik de zomer doorbreng, en er wordt gegluurd in New York City, waar ik al veertien jaar woon. Er wordt in heel Europa en India gegluurd, en overal waar ik heen ga, behalve in Afrika. De proef op de som is hoe lang dat gegluur duurt, en of het gestaar wordt, met welke bedoeling het gebeurt, of er ook maar enige mate van vijandigheid of spot in schuilt, en in welke mate connecties, geld of kleding mij in deze situaties kunnen beschermen. Als je een vreemdeling bent wordt er naar je gekeken, maar als je zwart bent wordt er in het bijzonder naar je gekeken. (‘De kinderen roepen Neger! Neger! als ik over straat loop.’)
Leukerbad is veranderd, maar op welke manier? Er waren helemaal geen groepen kinderen meer op straat, er waren überhaupt weinig kinderen te bekennen. Vermoedelijk zaten de kinderen van Leukerbad binnen, net als kinderen in de hele wereld, gebogen over hun computerspelletjes, Facebook checkend of muziekvideo’s kijkend. Misschien waren sommige oudere mensen die ik op straat tegenkwam de vroegere kinderen die ooit zo verbaasd waren geweest bij het zien van Baldwin, en over wie, in het essay, hij moeite heeft redelijk te blijven: ‘In dit alles, ook al moet ik toegeven dat er sprake was van de charme van echte verbazing en er zeker geen element van doelbewuste onvriendelijkheid in school, klonk op geen enkele wijze de suggestie door dat ik menselijk was: ik was eenvoudigweg een levend wonder.’
‘Mensen zitten gevangen in de geschiedenis, en de geschiedenis zit gevangen in hen’, schreef Baldwin
Maar nu zijn de kinderen of kleinkinderen van deze vroegere kinderen op een of andere manier verbonden. Misschien maken xenofobie of racisme nog steeds deel uit van hun levens, maar dat geldt ook voor Beyoncé, Drake en Meek Mill, de muziek die ik iedere vrijdagnacht uit de Zwitserse clubs hoor komen. Baldwin moest in de jaren vijftig zijn eigen platen meebrengen, als een geheime voorraad geneesmiddelen, en hij moest zijn platenspeler omhoog zeulen naar Leukerbad, zodat het geluid van de Amerikaanse blues hem verbonden kon houden met een Harlem van de geest. Ik luisterde naar wat van dezelfde muziek terwijl ik daar was, als een manier om met hem samen te zijn: Bessie Smith die I Need a Little Sugar in My Bowl zingt (‘I need a little hot dog on my roll’), Fats Waller die Your Feet’s Too Big zingt. Ik luisterde ook naar mijn eigen playlist: Bettye Swann, Billie Holiday, Jean Wells, Coltrane Plays the Blues, The Physics, Childish Gambino. De muziek waarmee je reist helpt je je eigen innerlijk weer te scheppen. Maar de wereld doet ook mee: toen ik op een middag ging zitten lunchen bij het Römerhof-restaurant – die dag waren alle klanten en personeelsleden wit – was de muziek die ik op de achtergrond hoorde Whitney Houstons I Wanna Dance with Somebody. De geschiedenis is nu en zwart Amerika.
Tijdens het diner in een pizzeria werd er gegluurd. Een tafel met Britse toeristen staarde me aan. Maar de serveerster was deels zwart, en in het hotel was een van de personeelsleden van de fitnessruimte een oudere zwarte man. ‘Mensen zitten gevangen in de geschiedenis, en de geschiedenis zit gevangen in hen’, schreef Baldwin. Maar het is ook waar dat de kleine deeltjes geschiedenis zich met een enorme vaart rond bewegen en zich met een niet altijd even heldere logica vastzetten, en zelden voor langere tijd. En wellicht interessanter dan dat ik niet de enige zwarte in het dorp was is het feit dat veel van de andere mensen die ik zag ook buitenlanders waren. Dit was de grootste verandering van allemaal.
Terwijl het dorp destijds een vrome en bedaagde indruk maakte, en de sfeer van een klein Lourdes uitstraalde, is het nu veel drukker en volgepakt met bezoekers uit andere delen van Zwitserland, Duitsland, Frankrijk, Italië en de rest van Europa, en zelfs uit Azië en Noord- en Zuid-Amerika. Het is het populairste kuuroord in de Alpen geworden. De gemeentelijke heilbaden waren vol. Er zijn hotels in alle prijsklassen aan iedere straat, en er zijn restaurants en luxe winkels. Als je op veertienhonderd meter boven zeeniveau een oogverblindend duur horloge wil kopen, kan dat nu. De betere hotels hebben hun eigen warme baden. In Hotel Mercure Bristol nam ik de lift naar de fitnessruimte om in de droge sauna te gaan zitten. Een paar minuten later gleed ik in het zwembad en dreef ik naar buiten in het warme water. Er waren ook anderen, maar niet veel. Het regende licht. We werden omringd door bergen en omhuld door een onsterfelijk blauw.
Genetische verwantschap
In haar briljante Harlem Is Nowhere schrijft Sharifa Rhodes-Pitts: ‘In vrijwel ieder essay dat James Baldwin over Harlem heeft geschreven is er een moment dat hij een literair kunstje uithaalt dat zo bijzonder is dat – als hij een atleet zou zijn geweest – de sportzenders een aparte naam voor de manoeuvre zouden hebben bedacht. Ik denk er in cinematografische termen over, omdat het effect me doet denken aan een techniek waarbij cameramensen na te zijn begonnen met een close-up snel uitzoomen, terwijl de lens gericht blijft op een punt in de verte.’
Deze beweging, deze plotselinge verandering van perspectief, is zelfs aanwezig in zijn essays die niet over Harlem gaan. In ‘Stranger in the Village’ staat een passage van ongeveer zeven pagina’s waarin je het gevoel hebt dat de retoriek aanzwelt als Baldwin zich opmaakt om de kalme, verhalende atmosfeer van de openingssectie achter zich te laten. Over de dorpelingen schrijft hij: ‘Vanuit het gezichtspunt van de macht kunnen deze mensen nergens ter wereld vreemdelingen zijn; feitelijk hebben zij de moderne wereld gemaakt, ook al weten ze dat niet. De meest ongeletterde onder hen is op een manier waarop ik dat niet ben verbonden met Dante, Shakespeare, Michelangelo, Aeschylus, Da Vinci, Rembrandt en Racine; de kathedraal van Chartres zegt hun iets wat mij niets zegt, zoals ook het Empire State Building dat zou doen, als iemand van hier dat ooit zou zien.
Uit hun hymnen en dansen komen Beethoven en Bach te voorschijn. Als je een paar eeuwen teruggaat, zijn ze in hun volle glorie, terwijl ik in Afrika ben en de veroveraars zie aankomen.’
Waar gaat deze lijst over? Maakt het Baldwin werkelijk iets uit dat de mensen van Leukerbad, via een of andere vage bekendheid, verbonden zijn met Chartres? Dat een of andere verre genetische verwantschap ze in verband brengt met de vioolkwartetten van Beethoven? Want, zoals hij later in het essay betoogt, niemand kan de impact ontkennen die ‘de aanwezigheid van de Neger heeft gehad op het Amerikaanse karakter’. Hij doorziet de waarheid en de kunst in het werk van Bessie Smith. Hij slaat de blues niet lager aan dan Bach en kan dat – zo wil ik graag geloven – ook niet. Maar er school een zekere bekrompenheid in de geaccepteerde ideeën over de zwarte cultuur in de jaren vijftig.
Sterren
Sindsdien zijn er genoeg zwarte culturele prestaties geleverd om een volledig uit sterren bestaand team te kunnen samenstellen: Coltrane en Monk en Miles, Ella en Billie en Aretha; Toni Morrison, Wole Soyinka en Derek Walcott zijn langsgekomen, evenals Audre Lorde, Chinua Achebe en Bob Marley. En het lichaam werd niet verloochend ten gunste van de geest: ook Alvin Ailey, Arthur Ashe en Michael Jordan hebben van zich doen spreken. De bronnen van jazz en blues hebben de wereld ook hiphop, Afrobeat, dancehall en house gebracht. En ja, toen James Baldwin in 1987 overleed werd hij ook als een van de sterren erkend.
Verder denkend over de kathedraal van Chartres, over de grootsheid van die prestatie en over de manier waarop zwarten in zijn ogen in dat verhaal erover louter negatief, als duivels, voorkwamen, schrijft Baldwin dat ‘de Amerikaanse Neger zijn identiteit heeft gekregen dankzij de absoluutheid van zijn vervreemding van zijn verleden’. Maar dat verre Afrikaanse verleden is ook veel tastbaarder geworden dan het in 1953 was. Het zou niet in mij opkomen om me in te beelden dat ik eeuwen geleden ‘in Afrika de komst van de veroveraars zou gadeslaan’. Maar ik vermoed dat dit voor Baldwin, althans ten dele, een retorische zet is, een meedogenloze cadens om een paragraaf mee te eindigen.
In A Question of Identity (nog een essay dat is opgenomen in Notes of a Native Son) schrijft hij: ‘De waarheid over dat verleden is niet dat het te kort is, of te oppervlakkig, maar louter dat we, nadat we ons gezicht er zo resoluut van hebben afgewend, ons nooit hebben afgevraagd wat het ons kan geven.’
Leukerbad, Zwitserland.
De veertiende-eeuwse hofkunstenaars van Ife maakten bronzen beelden met behulp van een ingewikkelde gietmethode die in Europa al sinds de oudheid niet meer gangbaar was en daar pas in de Renaissance weer werd ontdekt. De beelden van Ife staan op gelijke hoogte met de werken van Ghiberti of Donatello. Uit de precisie waarmee zij zijn gemaakt en hun formele weelderigheid kunnen we de contouren van een grote monarchie afleiden, een netwerk van geavanceerde ateliers en een kosmopolitische wereld van handel en kennis.
En dat beperkte zich niet tot Ife. Heel West-Afrika verkeerde in een staat van culturele gisting. Van de egalitaire bestuurscultuur van de Igbo tot het goud van de Ashanti-hoven, de koperen beelden van Benin, de militaire prestaties van het Mandinkarijk en de muzikale virtuozen die deze oorlogshelden prezen, was dit een gebied van de wereld dat te diep geworteld was in de kunst en het leven om domweg te kunnen worden gereduceerd tot de karikatuur van het ‘gadeslaan van de aankomst van de veroveraars’.
We weten nu wel beter. We weten dat met de steun van de wetenschap, maar ook impliciet, zodat zelfs het opstellen van een lijst met verworvenheden enigszins vervelend aanvoelt en vooral behulpzaam is als tegenwicht tegen het eurocentrisme.
Kwestie van afstamming
Er is geen wereld waarin ik de intimiderende schoonheid van de Yoruba-poëzie zou willen inruilen voor bijvoorbeeld de sonnetten van Shakespeare, en ook geen wereld waarin ik de voorkeur zou geven aan de Brandenburgse Concerten boven de kora’s van Mali. Ik ben blij dat ik ze allemaal bezit. Dit zorgeloze vertrouwen is deels te danken aan de tijd. Het is het dividend van een strijd die mensen uit eerdere generaties hebben gevoerd.
Ik voel geen vervreemding in musea. Maar deze kwestie van afstamming was een enorme kwelling voor Baldwin. Hij was gevoelig voor wat belangrijk was in de wereldkunst, en had het gevoel dat hij er buiten stond. Hij maakte een soortgelijke lijst in het titelessay van Notes of a Native Son (je begint het gevoel te krijgen dat hij met dit soort lijsten werd bestookt tijdens discussies):
‘Op een subtiele, werkelijk diepzinnige manier heb ik altijd met een speciale houding naar Shakespeare, Bach, Rembrandt, de kathedraal van Chartres en het Empire State Building gekeken. Dat waren niet echt mijn creaties, zij omvatten niet echt mijn geschiedenis; ik zou er tevergeefs voorgoed op zoek kunnen gaan naar enige weerspiegeling van mijzelf. Ik was een indringer; dit was niet mijn erfenis.’
De regels druipen van de droefheid. Waar hij van houdt retourneert die liefde niet. Dit is het punt waarop Baldwin en ik van mening verschillen. Ik misken zijn specifieke droefheid niet, maar ben het niet eens met de zelfverloochening die eraan ten grondslag ligt. Bach, die zo door en door menselijk is, hoort ook bij míjn voorouders.
Fundamentele emoties
Ik voel me geen indringer als ik naar een portret van Rembrandt kijk. Ik houd er zelfs meer van dan sommige witten, net zoals sommige witten meer geven om bepaalde aspecten van de Afrikaanse kunst dan ik. Ik kan me verzetten tegen de witte superioriteit en nog steeds genieten van gotische architectuur.
Op dit punt ben ik het eens met Ralph Ellison: ‘De waarden van mijn eigen volk zijn noch “wit” noch “zwart”, ze zijn Amerikaans. Ook kan ik niet begrijpen hoe ze überhaupt iets anders zouden kunnen zijn, omdat wij mensen zijn die deel uitmaken van de textuur van de Amerikaanse ervaring.’
En toch blijf ik (ruim een halve eeuw ná Baldwin in de Verenigde Staten ter wereld gekomen) dat wel begrijpen, omdat ik zelf de ongekende woede heb gevoeld die hij voelde over het doordringende, beperkende racisme. In zijn geschriften is sprake van een honger naar het leven, naar het hele leven, en een sterke drang om voor vol te worden aangezien en niet louter als een neger, omdat hij wist dat hij zo veel in zich had. En dat gaat dan niet over zijn ego in verband met zijn schrijverschap of met zijn roem in New York of Parijs. Het gaat over de onbetwistbare fundamentele emoties van een mens: over plezier, verdriet, liefde, humor en rouw, en over de complexiteit van het innerlijke landschap dat deze gevoelens vormgeeft.
Baldwin was stomverbaasd dat mensen waar dan ook ter wereld deze fundamentele emoties ter discussie stelden, zodat hij werd opgezadeld met dat enorme tijdsverlies dat gepaard gaat met racisme, laat staan met de afkeer van zo veel mensen op zo veel uiteenlopende plekken. Dit onophoudelijke vermogen om geschokt te zijn stijgt als stoom op van zijn pagina’s. ‘De woede van de miskenden is op een persoonlijk niveau vruchteloos’, schrijft hij, ‘maar tegelijkertijd absoluut onvermijdelijk.’
Leukerbad reikte Baldwin een manier aan om vanuit de fundamenten over de witte superioriteit na te denken. Het was alsof hij die daar in zijn eenvoudigste vorm aantrof. De mannen die hem aanraadden om te gaan skiën, zodat ze om hem konden lachen, de dorpelingen die hem er achter zijn rug om van betichtten dat hij brandhout stal, degenen die zijn haar wilden aanraken en opperden het te laten groeien, zodat hij er een winterjas van kon maken, en de kinderen die ‘het uit echte angst uitschreeuwden’ als hij dichterbij kwam, omdat ‘ze hadden geleerd dat de duivel een zwarte man was’: Baldwin zag dit alles als het prototype (dat als een coelacant bewaard was gebleven) van de houding die zich tot de grondiger, ingewikkelder, bekendere en obscenere Amerikaanse vorm van witte superioriteit had ontwikkeld die hij al zo goed kende.
Amerikaans racisme
Het is een prachtig dorp. Ik hield van de berglucht. Maar toen ik van de warmwaterbaden was teruggekeerd in mijn kamer, of nadat ik met mijn fototoestel door de straten had gelopen, las ik het nieuws online. Daar trof ik een oneindige serie crises aan: in het Midden-Oosten, in Afrika, in Rusland, waar dan ook. Overal was pijn. Maar binnen in dat leed ontwaarde ik een reeks onderling verbonden verhalen, en het denken over (of met behulp van) ‘Stranger in the Village’ was als het injecteren van een contrastvloeistof in mijn confrontatie met het nieuws.
De Amerikaanse politie bleef maar schieten op ongewapende zwarte mannen, of ze op andere manieren vermoorden. De protesten die daarop volgden, in zwarte gemeenschappen, werden met geweld beantwoord door een politiemacht die veel weg heeft van een binnenvallend leger. De mensen begonnen een verband te zien tussen de verschillende gebeurtenissen: de schietpartijen, de fatale verstikkende houdgreep, de verhalen over wie geen levensreddende medicatie kreeg. En de zwarte gemeenschappen werden overspoeld door woede en verdriet. Te midden van dit alles viel mijn oog op een kleiner, minder belangrijk verhaal, dat niettemin iets te betekenen had.
De burgemeester van New York en zijn hoofdcommissaris van politie hebben een obsessie met schoon vegen, en hebben besloten dat het arresteren van de leden van dansgroepen die optreden in rijdende metro-treinen een van de manieren is om de stad ‘schoon te vegen’. Ik las de redenen waarom dit een prioriteit is geworden: sommige mensen zijn bang ernstig gewond te raken door een verdwaalde trap (dat is nog niet gebeurd, maar ze zijn er beslist bang voor), sommige mensen vinden het hinderlijk, sommige beleidsmakers denken dat achter kleine vergrijpen aangaan een manier is om grotere vergrijpen te voorkomen.
Om de dreiging van de dansers tegen te gaan greep de politie dus in. Ze begonnen de dansers te achtervolgen, lastig te vallen en in de boeien te slaan. Het ‘probleem’, de dansers, bestond voor het grootste deel uit zwarte jongeren. De kranten kozen voor dezelfde toon als de overheid: een hooghartige afwijzing van dit soort optredens. En toch zorgden deze jongeren voor een sprankje licht op een donkere dag, voor een moment van ongereguleerde schoonheid, met artiesten die onvoorstelbare talenten bezaten.
Prachtig dier
Welk soort denken ziet hun verwijdering als een verrijking van het stadsleven? Niemand vindt de kinderen die met Halloween de deuren langsgaan een bedreiging. Er is geen wet tegen mensen die je proberen te strikken voor een of ander goed doel, of tegen de activiteiten van Jehovah’s getuigen. Maar ten aanzien van zwarte lichamen bestaan nog steeds vooroordelen, en als gevolg daarvan worden ze nodeloos op de huid gezeten. Als je zwart bent loop je nog steeds de kans het slachtoffer te worden van selectief machtsmisbruik, zonder enige garantie van persoonlijke veiligheid. In de eerste plaats ben je een zwart lichaam, vóórdat je een joch bent dat gewoon op straat wandelt, of een Harvard-hoogleraar die zich in een slot vergist.
William Hazlitt heeft in een essay uit 1821, getiteld ‘The Indian Jugglers’, woorden geschreven waar ik aan moet denken als ik een grote atleet of danser zie: ‘Mens, jij bent een prachtig dier. Jij bent tot vreemde dingen in staat, maar geeft daar weinig ruchtbaarheid aan! Het denken aan deze buitengewone behendigheid leidt de verbeelding af en maakt de bewondering ademloos.’
Maar in aanwezigheid van het bewonderenswaardige zijn sommigen niet ademloos van bewondering, maar van woede. Zij verzetten zich net zo tegen de aanwezigheid van het zwarte lichaam (een ongewapende jongen in een straat, een man die speelgoed koopt, een danser in de metro, een omstander) als tegen de aanwezigheid van de zwarte geest. En tegelijk met deze uitwissing is er sprake van een oneindig profiteren van zwarte arbeid.
Door de hele cultuur heen zijn er voorbeelden van imitaties van de tred, houding en kledij van het zwarte lichaam, een vampierachtige vereenzelviging met het zwarte leven, zij het zonder de ‘lasten’. Leukerbad wordt omringd door bergen: de Daubenhorn, de Torrenthorn, de Rinderhorn. Een hoge bergpas, genaamd de Gemmi, nog eens 850 meter boven het dorp, vormt de verbinding tussen het kanton Wallis met het Berner Oberland. Door dit landschap – onherbergzaam, op sommige plekken kaal en op andere plekken groen, een schoolvoorbeeld van het ‘sublieme’ – beweeg je je als in een droom. De Gemmipas is terecht beroemd. Goethe was hier, evenals Byron, Twain en Picasso. De pas komt ook voor in een avontuur van Sherlock Holmes, als Holmes erlangs komt op weg naar zijn noodlottige ontmoeting met professor Moriarty bij de waterval van Reichenbach. Het was slecht weer op de dag dat ik erheen ging, regen en mist, maar dat was mijn geluk, want het betekende dat ik als enige over de paden liep.
Terwijl ik daar was, herinnerde ik me een verhaal dat Lucien Happersberger had verteld over Baldwin, die een wandeling in deze bergen ging maken. Tijdens de klim verloor Baldwin zijn evenwicht en de situatie was heel even precair. Maar de geoefende klimmer Happersberger reikte hem de hand, en Baldwin werd gered. Het was dankzij dit angstige, aansprekend bijbelse moment dat Baldwin de titel vond van het boek waarmee hij al die tijd had geworsteld: Go Tell It on the Mountain.
Als Leukerbad zijn kansel in de bergen was, waren de Verenigde Staten zijn gehoor
Als Leukerbad zijn kansel in de bergen was, waren de Verenigde Staten zijn gehoor. Het afgelegen dorp gaf hem een scherpere blik op de dingen thuis. Hij was een vreemdeling in Leukerbad, schreef Baldwin, maar zwarten konden geen vreemdelingen zijn in de Verenigde Staten en witten konden zich niet de fantasie veroorloven van een geheel wit Amerika, dat was ‘gezuiverd’ van zwarten. Deze fantasie over de mogelijkheid om van de zwarten af te komen is een constante factor in de Amerikaanse geschiedenis. Het duurt even voordat je doorhebt dat die factor nog steeds bestaat. Het kost witten een tijdje voordat ze dat doorhebben, het kost gekleurde, niet-zwarte mensen een tijdje voordat ze het doorhebben, en het kost sommige zwarten, of ze nu altijd in de VS hebben gewoond of laatkomers zijn zoals ikzelf, die elders met een andere strijd zijn grootgebracht, een tijdje voordat ze het doorhebben.
Het Amerikaanse racisme kent immers vele bewegende delen en heeft eeuwenlang de tijd gehad om zich op indrukwekkende wijze te camoufleren. Het kan zijn kwalijke aard lange tijd verborgen houden, pretenderend de andere kant op te kijken. Net als vrouwenhaat is het van atmosferische aard. Je ziet het eerst niet, maar na een tijdje heb je het door. ‘Mensen die hun ogen sluiten voor de werkelijkheid roepen hun eigen vernietiging over zich af, en iedereen die vasthoudt aan een staat van onwetendheid, lang nadat die onwetendheid dood is gegaan, maakt van zichzelf een monster.’ Het nieuws van de dag (oud nieuws, maar rauw als een vleeswond) is dat het leven van zwarte Amerikanen vanuit het oogpunt van de politie, de rechterlijke macht, het economisch beleid en talloze vreselijke vormen van onachtzaamheid nog steeds niets waard is. Er wordt een beroep gedaan op onwetendheid, maar er is feitelijk geen onwetendheid meer mogelijk. De morele wijzer staat nog steeds zo ver in het rood dat we ons niet eens kunnen buigen over de kwestie van schadevergoeding. Baldwin schreef ‘Stranger in the Village’ ruim zestig jaar geleden. Wat nu?
Dit was een voorpublicatie uit de essaybundel ‘Vertrouwde en vreemde dingen’ van Teju Cole, De Bezige Bij.
De Nigeriaans-Amerikaanse schrijver Teju Cole bezoekt het Zwitserse bergdorp waar James Baldwin in de jaren vijftig zijn essay ‘Stranger in de the Village’ schreef. In Baldwins tijd hadden de dorpelingen nog nooit een zwarte man gezien, en riepen kinderen ‘neger’ naar hem. Dat is nu gelukkig anders, constateert Cole. Maar is er in hun thuisland ook zo veel veranderd?
Toen reed de bus de wolken binnen, en tussen de ene wolk en de volgende vingen we glimpen op van de stad beneden. Het was etenstijd en de stad was een verzameling gele puntjes. We kwamen dertig minuten na ons vertrek uit die stad, die Leuk heette, aan. De trein naar Leuk was aangekomen uit Visp, de trein uit Visp was gearriveerd uit Bern, en de trein dáárvoor kwam uit Zürich, waar ik ’s middags was vertrokken. Drie treinen, een bus en een korte wandeling, allemaal door een prachtig landschap, en daarna bereikten we Leukerbad in de duisternis. Leukerbad, niet ver in termen van absolute afstand, was dus niet zo makkelijk te bereiken. 2 augustus 2014: het was de verjaardag van James Baldwin. Als hij nog in leven zou zijn, zou hij negentig zijn geworden. Hij is een van die mensen die op het punt staan uit de hedendaagse tijd te verdwijnen naar de historische – John Coltrane zou dit jaar 88 zijn geworden, en Martin Luther King Jr. 85; mensen die nog steeds onder ons zouden kunnen zijn, maar die soms heel ver weg voelen, alsof ze eeuwen geleden hebben geleefd.
James Baldwin had in 1951 voor het eerst Parijs verlaten om naar Leukerbad te gaan. De familie van zijn vriend Lucien Happersberger had een chalet in een dorp in de bergen. Dus Baldwin, die destijds gedeprimeerd en verstrooid was, ging erheen, en het dorp (dat Loeche-les-Bains heet) bleek een toevluchtsoord voor hem te zijn. Zijn eerste reis was in de zomer en duurde twee weken. Toen keerde hij, ook tot zijn eigen verrassing, voor nog eens twee winters terug. Zijn eerste roman, Go Tell It on the Mountain, kreeg hier zijn definitieve vorm. Hij had acht jaar met dat boek geworsteld, en hij kon het eindelijk voltooien op deze onwaarschijnlijke plek. Hij schreef ook nog iets anders, een essay getiteld ‘Stranger in the Village’; het was dit essay, meer nog dan de roman, dat me naar Leukerbad bracht. ‘Stranger in the Village’ werd eerst gepubliceerd in Harper’s Magazine, in 1953, en vervolgens in de essaycollectie Notes of a Native Son, in 1955. Het gaat over de ervaringen van het zwart zijn in een volledig blank dorp. Het begint met het gevoel van een extreme reis, zoals die van Charles Darwin naar de Galápagos-eilanden of die van Tété-Michel Kpomassie naar Groenland.
Maar dan geeft het ruimte aan andere zorgen en aan een andere stem, om te kijken naar de Amerikaanse rassensituatie in de jaren vijftig. Het deel van het essay dat over het Zwitserse dorp gaat is zowel grappig als treurig. Baldwin is gevoelig voor de absurditeit van een schrijver uit New York die op een bepaalde manier inferieur wordt gevonden door de Zwitserse dorpelingen, waarvan velen nooit hebben gereisd. Maar verderop in het essay, als hij schrijft over ras in Amerika, is hij helemaal niet grappig meer. Hij is boos en profetisch, schrijvend met een harde helderheid en voortgedragen door een duizelingwekkende eloquentie.
Ik nam een kamer in Hotel Mercure Bristol, de nacht dat ik aankwam. Ik opende het raam en zag slechts duisternis, maar ik wist dat in de duisternis de Daubenhorn-berg school. Ik nam een heet bad en lag tot aan mijn nek in het water met mijn oude paperbackeditie van Notes of a Native Son. Het blikachtige geluid uit mijn laptop was Bessie Smith die I’m Wild about That Thing zong, een smerig bluesnummer en een meesterwerk van plausibele ontkenning: ‘Don’t hold it baby when I cry / Give me every bit of it, else I’d die / I’m wild about that thing.’ Ze zou over een trombone kunnen zingen. En het was daar in dat bad, met zijn woorden en haar stem, dat ik mijn ‘bodydoublemoment’ beleefde: hier was ik dan, in Leukerbad, met Bessie Smith zingend door de jaren heen vanuit 1929; ik ben zwart, net als hij; en ik ben slank; en ik heb een spleetje tussen mijn voortanden; en ik ben niet bijzonder lang (nee, eerder kort); en ik ben cool op schrift en geanimeerd in persoon, behalve als het andersom is; en ik was ooit een fervente tienerprediker (Baldwin: ‘Niets dat mij sindsdien is overkomen kan tippen aan de macht en de roem die ik soms heb gevoeld als ik, midden in een preek, wist dat ik op een bepaalde manier, door een of ander wonder, werkelijk “het Woord” – zoals ze dat noemen – droeg: dat de kerk en ik één waren’); en ook ik heb de kerk vaarwel gezegd; en ik noem New York ‘thuis’ terwijl ik daar niet eens woon; en ik voel mij overal, van New York City tot op het platteland van Zwitserland, de hoeder van een zwart lichaam, en moet de taal zien te vinden voor wat dat allemaal voor mij betekent, en voor de mensen die naar mij kijken. De voorouder had kortstondig bezit genomen van de afstammeling. Het was een moment van identificatie, en in de dagen die volgden was dat moment een gids.
Er wordt in heel Europa en India gegluurd, en overal waar ik heen ga, behalve in Afrika
‘Al het beschikbare bewijsmateriaal wees erop dat geen enkele zwarte man ooit in dit kleine Zwitserse dorp was geweest voordat ik kwam’, schreef Baldwin. Maar het dorp is sinds zijn bezoeken, ruim zestig jaar geleden, aanzienlijk gegroeid. Nu hebben ze wél eerder een zwarte man gezien; ik was geen bezienswaardigheid.
Er werd wel wat gegluurd in het hotel toen ik incheckte, en in het goede restaurant verderop langs de weg, maar er wordt altijd wel gegluurd. Er wordt gegluurd in Zürich, waar ik de zomer doorbreng, en er wordt gegluurd in New York City, waar ik al veertien jaar woon. Er wordt in heel Europa en India gegluurd, en overal waar ik heen ga, behalve in Afrika. De proef op de som is hoe lang dat gegluur duurt, en of het gestaar wordt, met welke bedoeling het gebeurt, of er ook maar enige mate van vijandigheid of spot in schuilt, en in welke mate connecties, geld of kleding mij in deze situaties kunnen beschermen. Als je een vreemdeling bent wordt er naar je gekeken, maar als je zwart bent wordt er in het bijzonder naar je gekeken.
(‘De kinderen roepen Neger! Neger! als ik over straat loop.’) – Leukerbad is veranderd, maar op welke manier? Er waren helemaal geen groepen kinderen meer op straat, er waren überhaupt weinig kinderen te bekennen. Vermoedelijk zaten de kinderen van Leukerbad binnen, net als kinderen in de hele wereld, gebogen over hun computerspelletjes, Facebook checkend of muziekvideo’s kijkend. Misschien waren sommige oudere mensen die ik op straat tegenkwam de vroegere kinderen die ooit zo verbaasd waren geweest bij het zien van Baldwin, en over wie, in het essay, hij moeite heeft redelijk te blijven: ‘In dit alles, ook al moet ik toegeven dat er sprake was van de charme van echte verbazing en er zeker geen element van doelbewuste onvriendelijkheid in school, klonk op geen enkele wijze de suggestie door dat ik menselijk was: ik was eenvoudigweg een levend wonder.’
Maar nu zijn de kinderen of kleinkinderen van deze vroegere kinderen op een of andere manier verbonden. Misschien maken xenofobie of racisme nog steeds deel uit van hun levens, maar dat geldt ook voor Beyoncé, Drake en Meek Mill, de muziek die ik iedere vrijdagnacht uit de Zwitserse clubs hoor komen. Baldwin moest in de jaren vijftig zijn eigen platen meebrengen, als een geheime voorraad geneesmiddelen, en hij moest zijn platenspeler omhoog zeulen naar Leukerbad, zodat het geluid van de Amerikaanse blues hem verbonden kon houden met een Harlem van de geest. Ik luisterde naar wat van dezelfde muziek terwijl ik daar was, als een manier om met hem samen te zijn: Bessie Smith die I Need a Little Sugar in My Bowl zingt (‘I need a little hot dog on my roll’), Fats Waller die Your Feet’s Too Big zingt. Ik luisterde ook naar mijn eigen playlist: Bettye Swann, Billie Holiday, Jean Wells, Coltrane Plays the Blues, The Physics, Childish Gambino. De muziek waarmee je reist helpt je je eigen innerlijk weer te scheppen. Maar de wereld doet ook mee: toen ik op een middag ging zitten lunchen bij het Römerhof-restaurant – die dag waren alle klanten en personeelsleden blank – was de muziek die ik op de achtergrond hoorde Whitney Houstons I Wanna Dance with Somebody. De geschiedenis is nu en zwart Amerika.
Josephine Baker bezocht Volendam in 1928. Niet te zien is dat zij klompen aan heeft waarmee ze later de Charleston gedanst zou hebben.
Tijdens het diner in een pizzeria werd er gegluurd. Een tafel met Britse toeristen staarde me aan. Maar de serveerster was deels zwart, en in het hotel was een van de personeelsleden van de fitnessruimte een oudere zwarte man. ‘Mensen zitten gevangen in de geschiedenis, en de geschiedenis zit gevangen in hen’, schreef Baldwin. Maar het is ook waar dat de kleine deeltjes geschiedenis zich met een enorme vaart rond bewegen en zich met een niet altijd even heldere logica vastzetten, en zelden voor langere tijd. En wellicht interessanter dan dat ik niet de enige zwarte in het dorp was is het feit dat veel van de andere mensen die ik zag ook buitenlanders waren.
Dit was de grootste verandering van allemaal. Terwijl het dorp destijds een vrome en bedaagde indruk maakte, en de sfeer van een klein Lourdes uitstraalde, is het nu veel drukker en volgepakt met bezoekers uit andere delen van Zwitserland, Duitsland, Frankrijk, Italië en de rest van Europa, en zelfs uit Azië en Noord- en Zuid-Amerika. Het is het populairste kuuroord in de Alpen geworden. De gemeentelijke heilbaden waren vol. Er zijn hotels in alle prijsklassen aan iedere straat, en er zijn restaurants en luxe winkels. Als je op veertienhonderd meter boven zeeniveau een oogverblindend duur horloge wil kopen, kan dat nu. De betere hotels hebben hun eigen warme baden. In Hotel Mercure Bristol nam ik de lift naar de fitnessruimte om in de droge sauna te gaan zitten. Een paar minuten later gleed ik in het zwembad en dreef ik naar buiten in het warme water. Er waren ook anderen, maar niet veel. Het regende licht. We werden omringd door bergen en werden omhuld door een onsterfelijk blauw.
In haar briljante Harlem Is Nowhere schrijft Sharifa Rhodes-Pitts: ‘In vrijwel ieder essay dat James Baldwin over Harlem heeft geschreven is er een moment dat hij een literair kunstje uithaalt dat zo bijzonder is dat – als hij een atleet zou zijn geweest – de sportzenders een aparte naam voor de manoeuvre zouden hebben bedacht. Ik denk er in cinematografische termen over, omdat het effect me doet denken aan een techniek waarbij cameramensen na te zijn begonnen met een close-up snel uitzoomen, terwijl de lens gericht blijft op een punt in de verte.’ Deze beweging, deze plotselinge verandering van perspectief, is zelfs aanwezig in zijn essays die niet over Harlem gaan. In ‘Stranger in the Village’ staat een passage van ongeveer zeven pagina’s waarin je het gevoel hebt dat de retoriek aanzwelt als Baldwin zich opmaakt om de kalme, verhalende atmosfeer van de openingssectie achter zich te laten. Over de dorpelingen schrijft hij: ‘Vanuit het gezichtspunt van de macht kunnen deze mensen nergens ter wereld vreemdelingen zijn; feitelijk hebben zij de moderne wereld gemaakt, ook al weten ze dat niet. De meest ongeletterde onder hen is op een manier waarop ik dat niet ben verbonden met Dante, Shakespeare, Michelangelo, Aeschylus, Da Vinci, Rembrandt en Racine; de kathedraal van Chartres zegt hun iets wat mij niets zegt, zoals ook het Empire State Building dat zou doen, als iemand van hier dat ooit zou zien. Uit hun hymnen en dansen komen Beethoven en Bach tevoorschijn. Als je een paar eeuwen teruggaat, zijn ze in hun volle glorie, terwijl ik in Afrika ben en de veroveraars zie aankomen.’
Waar gaat deze lijst over? Maakt het Baldwin werkelijk iets uit dat de mensen van Leukerbad, via een of andere vage bekendheid, verbonden zijn met Chartres? Dat een of andere verre genetische verwantschap ze in verband brengt met de vioolkwartetten van Beethoven? Want, zoals hij later in het essay betoogt, niemand kan de impact ontkennen die ‘de aanwezigheid van de Neger heeft gehad op het Amerikaanse karakter’. Hij doorziet de waarheid en de kunst in het werk van Bessie Smith. Hij slaat de blues niet lager aan dan Bach en kan dat – zo wil ik graag geloven – ook niet. Maar er school een zekere bekrompenheid in de geaccepteerde ideeën over de zwarte cultuur in de jaren vijftig.
Sindsdien zijn er genoeg zwarte culturele prestaties geleverd om een volledig uit sterren bestaand team te kunnen samenstellen: Coltrane en Monk en Miles, Ella en Billie en Aretha; Toni Morrison, Wole Soyinka en Derek Walcott zijn langsgekomen, evenals Audre Lorde, Chinua Achebe en Bob Marley. En het lichaam werd niet verloochend ten gunste van de geest: ook Alvin Ailey, Arthur Ashe en Michael Jordan hebben van zich doen spreken. De bronnen van jazz en blues hebben de wereld ook hiphop, Afrobeat, dancehall en house gebracht. En ja, toen James Baldwin in 1987 overleed werd hij ook als een van de sterren erkend.
Verder denkend over de kathedraal van Chartres, over de grootsheid van die prestatie en over de manier waarop zwarten in zijn ogen in dat verhaal erover louter negatief, als duivels, voorkwamen, schrijft Baldwin dat ‘de Amerikaanse Neger zijn identiteit heeft gekregen dankzij de absoluutheid van zijn vervreemding van zijn verleden’. Maar dat verre Afrikaanse verleden is ook veel tastbaarder geworden dan het in 1953 was. Het zou niet in mij opkomen om me in te beelden dat ik eeuwen geleden ‘in Afrika de komst van de veroveraars zou gadeslaan’. Maar ik vermoed dat dit voor Baldwin, althans ten dele, een retorische zet is, een meedogenloze cadens om een paragraaf mee te eindigen. In ‘A Question of Identity’ (nog een essay dat is opgenomen in Notes of a Native Son) schrijft hij: ‘De waarheid over dat verleden is niet dat het te kort is, of te oppervlakkig, maar louter dat we, nadat we ons gezicht er zo resoluut van hebben afgewend, ons nooit hebben afgevraagd wat het ons kan geven.’
Les Demoiselles d’Avignon (1907) van Picasso, geïnspireerd door Afrikaanse maskers, en Een traditioneel Punu-masker uit Gabon.
De veertiende-eeuwse hofkunstenaars van Ife maakten bronzen beelden met behulp van een ingewikkelde gietmethode die in Europa al sinds de oudheid niet meer gangbaar was en daar pas in de Renaissance weer werd ontdekt. De beelden van Ife staan op gelijke hoogte met de werken van Ghiberti of Donatello. Uit de precisie waarmee zij zijn gemaakt en hun formele weelderigheid kunnen we de contouren van een grote monarchie afleiden, een netwerk van geavanceerde ateliers en een kosmopolitische wereld van handel en kennis. En dat beperkte zich niet tot Ife. Heel West-Afrika verkeerde in een staat van culturele gisting. Van de egalitaire bestuurscultuur van de Igbo tot het goud van de Ashanti-hoven, de koperen beelden van Benin, de militaire prestaties van het Mandinkarijk en de muzikale virtuozen die deze oorlogshelden prezen, was dit een gebied van de wereld dat te diep geworteld was in de kunst en het leven om domweg te kunnen worden gereduceerd tot de karikatuur van het ‘gadeslaan van de aankomst van de veroveraars’. We weten nu wel beter. We weten dat met de steun van de wetenschap, maar ook impliciet, zodat zelfs het opstellen van een lijst met verworvenheden enigszins vervelend aanvoelt en vooral behulpzaam is als tegenwicht tegen het eurocentrisme.
Er is geen wereld waarin ik de intimiderende schoonheid van de Yoruba-poëzie zou willen inruilen voor bijvoorbeeld de sonnetten van Shakespeare, en ook geen wereld waarin ik de voorkeur zou geven aan de Brandenburgse Concerten boven de kora’s van Mali. Ik ben blij dat ik ze allemaal bezit. Dit zorgeloze vertrouwen is deels te danken aan de tijd. Het is het dividend van een strijd die mensen uit eerdere generaties hebben gevoerd.
Ik voel geen vervreemding in musea. Maar deze kwestie van afstamming was een enorme kwelling voor Baldwin. Hij was gevoelig voor wat belangrijk was in de wereldkunst, en had het gevoel dat hij erbuiten stond. Hij maakte een soortgelijke lijst in het titelessay van Notes of a Native Son (je begint het gevoel te krijgen dat hij met dit soort lijsten werd bestookt tijdens discussies):
‘Op een subtiele, werkelijk diepzinnige manier heb ik altijd met een speciale houding naar Shakespeare, Bach, Rembrandt, de kathedraal van Chartres en het Empire State Building gekeken. Dat waren niet echt mijn creaties, zij omvatten niet echt mijn geschiedenis; ik zou er tevergeefs voorgoed op zoek kunnen gaan naar enige weerspiegeling van mijzelf. Ik was een indringer; dit was niet mijn erfenis.’
De regels druipen van de droefheid. Waar hij van houdt retourneert die liefde niet. Dit is het punt waarop Baldwin en ik van mening verschillen. Ik misken zijn specifieke droefheid niet, maar ben het niet eens met de zelfverloochening die eraan ten grondslag ligt. Bach, die zo door en door menselijk is, hoort ook bij míjn voorouders.
Ik voel me geen indringer als ik naar een portret van Rembrandt kijk. Ik houd er zelfs meer van dan sommige blanken, net zoals sommige blanken meer geven om bepaalde aspecten van de Afrikaanse kunst dan ik. Ik kan me verzetten tegen de blanke superioriteit en nog steeds genieten van gotische architectuur.
Op dit punt ben ik het eens met Ralph Ellison: ‘De waarden van mijn eigen volk zijn noch “blank” noch “zwart”, ze zijn Amerikaans. Ook kan ik niet begrijpen hoe ze überhaupt iets anders zouden kunnen zijn, omdat wij mensen zijn die deel uitmaken van de textuur van de Amerikaanse ervaring.’
Stoom van zijn pagina’s
En toch blijf ik (ruim een halve eeuw ná Baldwin in de Verenigde Staten ter wereld gekomen) dat wel begrijpen, omdat ik zelf de ongekende woede heb gevoeld die hij voelde over het doordringende, beperkende racisme. In zijn geschriften is sprake van een honger naar het leven, naar het hele leven, en een sterke drang om voor vol te worden aangezien en niet louter als een neger, omdat hij wist dat hij zo veel in zich had. En dat gaat dan niet over zijn ego in verband met zijn schrijverschap of met zijn roem in New York of Parijs. Het gaat over de onbetwistbare fundamentele emoties van een mens: over plezier, verdriet, liefde, humor en rouw, en over de complexiteit van het innerlijke landschap dat deze gevoelens vormgeeft. Baldwin was stomverbaasd dat mensen waar dan ook ter wereld deze fundamentele emoties ter discussie stelden, zodat hij werd opgezadeld met dat enorme tijdsverlies dat gepaard gaat met racisme, laat staan met de afkeer van zo veel mensen op zo veel uiteenlopende plekken. Dit onophoudelijke vermogen om geschokt te zijn stijgt als stoom op van zijn pagina’s. ‘De woede van de miskenden is op een persoonlijk niveau vruchteloos’, schrijft hij, ‘maar tegelijkertijd absoluut onvermijdelijk.’
Leukerbad reikte Baldwin een manier aan om vanuit de fundamenten over de blanke superioriteit na te denken. Het was alsof hij die daar in zijn eenvoudigste vorm aantrof. De mannen die hem aanraadden om te gaan skiën, zodat ze om hem konden lachen, de dorpelingen die hem er achter zijn rug om van betichtten dat hij brandhout stal, degenen die zijn haar wilden aanraken en opperden het te laten groeien, zodat hij er een winterjas van kon maken, en de kinderen die ‘het uit echte angst uitschreeuwden’ als hij dichterbij kwam, omdat ‘ze hadden geleerd dat de duivel een zwarte man was’: Baldwin zag dit alles als het prototype (dat als een coelacant bewaard was gebleven) van de houding die zich tot de grondiger, ingewikkelder, bekendere en obscenere Amerikaanse vorm van blanke superioriteit had ontwikkeld die hij al zo goed kende.
In de eerste plaats ben je een zwart lichaam, vóórdat je een joch bent dat gewoon op straat wandelt, of een Harvard-hoogleraar die zich in een slot vergist
Het is een prachtig dorp. Ik hield van de berglucht. Maar toen ik van de warmwaterbaden was teruggekeerd in mijn kamer, of nadat ik met mijn fototoestel door de straten had gelopen, las ik het nieuws online. Daar trof ik een oneindige serie crises aan: in het Midden-Oosten, in Afrika, in Rusland, waar dan ook. Overal was pijn. Maar binnen in dat leed ontwaarde ik een reeks onderling verbonden verhalen, en het denken over (of met behulp van) ‘Stranger in the Village’ was als het injecteren van een contrastvloeistof in mijn confrontatie met het nieuws. De Amerikaanse politie bleef maar schieten op ongewapende zwarte mannen, of ze op andere manieren vermoorden. De protesten die daarop volgden, in zwarte gemeenschappen, werden met geweld beantwoord door een politiemacht die veel weg heeft van een binnenvallend leger. De mensen begonnen een verband te zien tussen de verschillende gebeurtenissen: de schietpartijen, de fatale verstikkende houdgreep, de verhalen over wie geen levensreddende medicatie kreeg. En de zwarte gemeenschappen werden overspoeld door woede en verdriet. Te midden van dit alles viel mijn oog op een kleiner, minder belangrijk verhaal, dat niettemin iets te betekenen had. De burgemeester van New York en zijn hoofdcommissaris van politie hebben een obsessie met schoon vegen, en hebben besloten dat het arresteren van de leden van dansgroepen die optreden in rijdende metrotreinen een van de manieren is om de stad ‘schoon te vegen’. Ik las de redenen waarom dit een prioriteit is geworden: sommige mensen zijn bang ernstig gewond te raken door een verdwaalde trap (dat is nog niet gebeurd, maar ze zijn er beslist bang voor), sommige mensen vinden het hinderlijk, sommige beleidsmakers denken dat achter kleine vergrijpen aangaan een manier is om grotere vergrijpen te voorkomen. Om de dreiging van de dansers tegen te gaan greep de politie dus in. Ze begonnen de dansers te achtervolgen, lastig te vallen en in de boeien te slaan. Het ‘probleem’, de dansers, bestond voor het grootste deel uit zwarte jongeren. De kranten kozen voor dezelfde toon als de overheid: een hooghartige afwijzing van dit soort optredens. En toch zorgden deze jongeren voor een sprankje licht op een donkere dag, voor een moment van ongereguleerde schoonheid, met artiesten die onvoorstelbare talenten bezaten.
Welk soort denken ziet hun verwijdering als een verrijking van het stadsleven? Niemand vindt de kinderen die met Halloween de deuren langsgaan een bedreiging. Er is geen wet tegen mensen die je proberen te strikken voor een of ander goed doel, of tegen de activiteiten van Jehovah’s getuigen. Maar ten aanzien van zwarte lichamen bestaan nog steeds vooroordelen, en als gevolg daarvan worden ze nodeloos op de huid gezeten. Als je zwart bent loop je nog steeds de kans het slachtoffer te worden van selectief machtsmisbruik, zonder enige garantie van persoonlijke veiligheid. In de eerste plaats ben je een zwart lichaam, vóórdat je een joch bent dat gewoon op straat wandelt, of een Harvard-hoogleraar die zich in een slot vergist.
William Hazlitt heeft in een essay uit 1821, getiteld ‘The Indian Jugglers’, woorden geschreven waar ik aan moet denken als ik een grote atleet of danser zie: ‘Mens, jij bent een prachtig dier. Jij bent tot vreemde dingen in staat, maar geeft daar weinig ruchtbaarheid aan! Het denken aan deze buitengewone behendigheid leidt de verbeelding af en maakt de bewondering ademloos.’
‘… de kathedraal van Chartres zegt hun iets wat mij niets zegt, zoals ook het Empire State Building dat zou doen, als iemand van hier dat ooit zou zien.’ – Baldwin.
Maar in aanwezigheid van het bewonderenswaardige zijn sommigen niet ademloos van bewondering, maar van woede. Zij verzetten zich net zo tegen de aanwezigheid van het zwarte lichaam (een ongewapende jongen in een straat, een man die speelgoed koopt, een danser in de metro, een omstander) als tegen de aanwezigheid van de zwarte geest. En tegelijk met deze uitwissing is er sprake van een oneindig profiteren van zwarte arbeid. Door de hele cultuur heen zijn er voorbeelden van imitaties van de tred, houding en kledij van het zwarte lichaam, een vampierachtige vereenzelviging met het zwarte leven, zij het zonder de ‘lasten’. Leukerbad wordt omringd door bergen: de Daubenhorn, de Torrenthorn, de Rinderhorn. Een hoge bergpas, genaamd de Gemmi, nog eens 850 meter boven het dorp, vormt de verbinding tussen het kanton Wallis met het Berner Oberland. Door dit landschap – onherbergzaam, op sommige plekken kaal en op andere plekken groen, een schoolvoorbeeld van het ‘sublieme’ – beweeg je je als in een droom. De Gemmipas is terecht beroemd. Goethe was hier, evenals Byron, Twain en Picasso. De pas komt ook voor in een avontuur van Sherlock Holmes, als Holmes erlangs komt op weg naar zijn noodlottige ontmoeting met professor Moriarty bij de waterval van Reichenbach. Het was slecht weer op de dag dat ik erheen ging, regen en mist, maar dat was mijn geluk, want het betekende dat ik als enige over de paden liep. Terwijl ik daar was, herinnerde ik me een verhaal dat Lucien Happersberger had verteld over Baldwin, die een wandeling in deze bergen ging maken. Tijdens de klim verloor Baldwin zijn evenwicht en de situatie was heel even precair. Maar de geoefende klimmer Happersberger reikte hem de hand, en Baldwin werd gered. Het was dankzij dit angstige, aansprekend bijbelse moment dat Baldwin de titel vond van het boek waarmee hij al die tijd had geworsteld: Go Tell It on the Mountain.
Als Leukerbad zijn kansel in de bergen was, waren de Verenigde Staten zijn gehoor. Het afgelegen dorp gaf hem een scherpere blik op de dingen thuis. Hij was een vreemdeling in Leukerbad, schreef Baldwin, maar zwarten konden geen vreemdelingen zijn in de Verenigde Staten en blanken konden zich niet de fantasie veroorloven van een geheel blank Amerika, dat was ‘gezuiverd’ van zwarten. Deze fantasie over de mogelijkheid om van de zwarten af te komen is een constante factor in de Amerikaanse geschiedenis. Het duurt even voordat je doorhebt dat die factor nog steeds bestaat. Het kost blanken een tijdje voordat ze dat doorhebben, het kost gekleurde, niet-zwarte mensen een tijdje voordat ze het doorhebben, en het kost sommige zwarten, of ze nu altijd in de VS hebben gewoond of laatkomers zijn zoals ikzelf, die elders met een andere strijd zijn grootgebracht, een tijdje voordat ze het doorhebben. Het Amerikaanse racisme kent immers vele bewegende delen en heeft eeuwenlang de tijd gehad om zich op indrukwekkende wijze te camoufleren. Het kan zijn kwalijke aard lange tijd verborgen houden, pretenderend de andere kant op te kijken. Net als vrouwenhaat is het van atmosferische aard. Je ziet het eerst niet, maar na een tijdje heb je het door. ‘Mensen die hun ogen sluiten voor de werkelijkheid roepen hun eigen vernietiging over zich af, en iedereen die vasthoudt aan een staat van onwetendheid, lang nadat die onwetendheid dood is gegaan, maakt van zichzelf een monster.’ Het nieuws van de dag (oud nieuws, maar rauw als een vleeswond) is dat het leven van zwarte Amerikanen vanuit het oogpunt van de politie, de rechterlijke macht, het economisch beleid en talloze vreselijke vormen van onachtzaamheid nog steeds niets waard is. Er wordt een beroep gedaan op onwetendheid, maar er is feitelijk geen onwetendheid meer mogelijk. De morele wijzer staat nog steeds zo ver in het rood dat we ons niet eens kunnen buigen over de kwestie van schadevergoeding. Baldwin schreef ‘Stranger in the Village’ ruim zestig jaar geleden. Wat nu?
Dit is een voorpublicatie uit de nieuwe essaybundel Vertrouwde en vreemde dingen van Teju Cole (isbn 978 90 234 1487 2, € 24,99, Uitgeverij De Bezige Bij).
Op 23 september opent Teju Cole nieuwe seizoen van academisch-cultureel podium SPUI25 in Amsterdam met een lezing in de Aula van de Lutherse Kerk. Hij treedt daarmee in het voetspoor van onder anderen Stefan Hertmans, Philipp Blom, David van Reybrouck, A.S. Byatt en Karen Armstrong, die in voorgaande jaren het academisch-culturele seizoen van SPUI25 openden. Cole zal spreken over classificaties van ‘de ander’ in literatuur, politiek en samenleving. Na afloop wordt hij geïnterviewd door Stephan Sanders. De lezing is intussen uitverkocht, maar 360 Magazine mag tien kaarten weggeven voor de masterclass die Cole dezelfde middag van 14.00 tot 15.00 uur geeft. Hierin wordt, op basis van het bovenstaande essay, gesproken over het belang van het werk van Cole in Nederlandse context.
Teju Cole (1975) is schrijver, kunsthistoricus en fotograaf. Hij is ‘Distinguished Writer in Residence’ aan Bard College (New York) en fotografiecriticus voor The New York Times Magazine.
Teju Cole werd geboren in de VS in 1975 en groeide op in Nigeria, het land waar zijn ouders vandaan komen. Momenteel woont hij in Brooklyn, New York. Hij is auteur van drie boeken. Elke dag is voor de dief werd uitgeroepen tot boek van het jaar door The New York Times,The Globe and Mail,NPR en The Telegraph. Zijn tweede roman, Open stad, won de PEN/Hemingway Award, de New York City Book Award for Fiction, de Rosenthal Award of the American Academy of Arts and Letters en de Internationaler Literaturpreis. Zijn nieuwste boek Vertrouwde en vreemde dingen is een essaybundel over kunst, literatuur en politiek, met onderwerpen variërend van Virginia Woolf en W.G. Sebald tot Obama, Palestina en Boko Haram.
In haar boek Bienvenue au paradis (‘Welkom in het paradijs’) beschrijft de in Lausanne wonende Franse journaliste Marie Maurisse de ‘hel’ waarin expats in Zwitserland leven. Dat raakt bij de Zwitsers een gevoelige snaar.
JA
We hebben een probleem met hen.
Marie Maurisse is een jonge journaliste die passie voor haar beroep uitstraalt, de behoefte om te begrijpen en te vertellen in combinatie met de nodige dynamiek en nieuwsgierigheid. Omwille van de liefde heeft ze haar geboortestreek in het zuidwesten van Frankrijk voor Helvetische dreven verruild en zich er een plaats verworven, zowel in de Zwitserse pers als de Franse (eerst Le Figaro, daarna Le Monde).
Als jonge moeder heeft ze een bitterzoet boek gepubliceerd over haar integratie in Franstalig Zwitserland, waarbij ze persoonlijke ergernissen en feitenonderzoek vermengt om het idee te relativeren, soms op niet mis te verstane wijze, dat Zwitserland een eldorado voor expats zou zijn. Een onvolmaakt boek, want subjectief, maar ook een oprecht boek, dat vorige week in 24 Heures is besproken.
Het gevolg was een stortvloed van commentaren op de website, in het gunstigste geval denigrerend, in het ongunstigste hatelijk, waarbij haar in uiterst subtiele termen te verstaan werd gegeven dat ze ‘maar gauw weer terug moest gaan naar Toulouse’. Wat had ze misdaan? Ze had het gewaagd haar gastland te bekritiseren, woorden te wijden aan de kleine misverstanden en diepe malaise waaraan ze in de zeven jaar dat ze bij ons woont was blootgesteld. Na een hele dag ‘Marie bashen’ hebben we, ontsteld, besloten de commentaren, die steeds verder ontspoorden, te blokkeren. Geconcludeerd moet worden dat al die tierende internetgebruikers van Frans-Zwitserse bodem onze collega gelijk gaven.
De Fransen die hier wonen en werken hebben ongetwijfeld bepaalde reflexen waardoor ze zich onderscheiden, referenties die ons vaak ongemerkt een provinciale status verlenen die ons razend maakt
Integreren in een ander land is nooit makkelijk, zelfs niet als men er dezelfde taal spreekt. Er zijn altijd momenten van onbegrip, het gevoel aan de kant te worden geschoven, er niet bij te horen, ook al doe je nog zo je best. De Fransen die hier wonen en werken hebben ongetwijfeld bepaalde reflexen waardoor ze zich onderscheiden, referenties die ons vaak ongemerkt een provinciale status verlenen die ons razend maakt. Het is een bekend fenomeen.
Wat ook waar is, is dat we in de periode waarover Marie Maurisse spreekt, zijn overspoeld door een golf van volstrekt irrationele en verderfelijke anti-Franse sentimenten. Denk maar eens aan het afkeurende gejoel van het ‘coole’ publiek van het muziekfestival Paléo in Nyon toen Stromae het over grensarbeiders had. Dat was om je rot te schamen.
Natuurlijk mogen we alle Zwitsers niet over één kam scheren. Maar dat neemt niet weg dat we weleens mogen stilstaan bij wat een goed geïnformeerd iemand ons onder de neus wrijft. Want in dit geval zijn wij het die een probleem met de Fransen hebben, en niet andersom.
Het is een overdreven en ongenuanceerd verhaal. Er zijn tekenen die niet bedriegen, oprispingen die symptomatisch zijn. De reacties op het onlangs verschenen boek van Marie Maurisse zijn daar een voorbeeld van. De jonge Franse journaliste schildert in 200 bladzijden een gitzwart beeld van de hel waarin Fransen in Zwitserland zouden leven. En waarin ons Zwitsers geen cliché bespaard blijft, variërend van drie zoenen geven en Rivella drinken tot het toenemende racisme, het aantal zelfmoorden onder autochtonen, de belastingvluchtelingen, de steden die na tien uur ’s avonds uitgestorven zijn en de kille houding van de bewoners.
Op de Facebookpagina van Le Temps liep en loopt het nog steeds storm. Iedereen – Zwitsers, Fransen, expats, grensarbeiders – wil zijn ei kwijt, uiting geven aan zijn wanhoop of de eentonige treurzang van Marie Maurisse overstemmen. De internetgebruikers hebben Bienvenue au paradis dus niet gespaard. Neem Fabienne Bogádi, schrijfster en communicatiemedewerkster: ‘Dit onderzoek heeft maar één doel, conflicten uitlokken daar waar ze niet zijn. Dat is onfatsoenlijk, respectloos tegenover de mensen in dit land en onnodig kwetsend. Vooral als je bedenkt dat meer dan de helft van de Zwitsers inmiddels minstens één ouder van buitenlandse origine heeft. Als je in een land komt, er werk vindt en er wordt opgenomen, dan begin je met dankjewel te zeggen.’
Of Selva Del Monte: ‘De enige klacht die ik heb gehoord, is dat mensen soms wat afstandelijk zijn, maar meestal niet alleen tegenover Fransen dus… Ik zou zeggen: “Hou op met die clichés en veralgemeniseringen.”’
‘Ik ben een Fransman van Algerijnse oorsprong en het enige racisme waarmee ik in Zwitserland ben geconfronteerd kwam van… volbloed Fransen’
Symptomatischer zijn de commentaren van grensarbeiders en Fransen die de journaliste verwijten dat haar verhaal vooringenomen is: ‘Ik ben een Fransman uit Bresse en ik woon in Zwitserland. (…) Dit boek staat niet voor heel Zwitserland. Het zijn vaak de Fransen die niet uit de grensstreek komen die kritiek hebben op Zwitserland, het is meer een kwestie van onbegrip tussen noorderlingen en zuiderlingen’, aldus Stéphane Escobar.
Mohamed Seghir constateert: ‘Ik ben een Fransman van Algerijnse oorsprong en het enige racisme waarmee ik in Zwitserland ben geconfronteerd kwam van… volbloed Fransen.’ Philippe Launay-Debnath: ‘Ik werk al vijfentwintig jaar in Zwitserland als grensarbeider, misschien ben ik verblind door mijn liefde voor dit land, maar ik heb vaker nare dingen horen zeggen door Fransen in Zwitserland zelf.’
Zodat we ons kunnen troosten met de gedachte dat de grootste zwakte van dit boek zijn systematische vooringenomenheid is: dat het niet werkelijk op zoek is gegaan naar getuigenissen die de lucht hadden kunnen klaren, maar alleen uit was op ongenuanceerde zwartmakerij. Met welk doel?
Opgericht in 1998, voortgekomen uit een fusie van Nouveau Quotidien, Journal de Genève en Gazette de Lausanne. Rechts van het midden, populair bij leidinggevenden, krant voor Franstalige Zwitsers.
Zürich loopt voorop als het gaat om coöperatieve woningen. De laatste aanwinst is een complex van 380 appartementen, compleet met meditatieruimte, filmzaal en wintertuin.
Het grote gemeenschappelijke terras op de achtste verdieping, uitgerust met barbecues, heeft vrij uitzicht op de heuvels rondom Zürich. En als het weer zich niet leent voor een barbecue met de buren, kunnen de bewoners nog altijd hun toevlucht nemen tot de sauna die voor iedereen toegankelijk is en bereikbaar via dezelfde overloop. We zijn in Schwamendingen, een wijk ver van de hippe cafés in het centrum, waar afgelopen zomer een van de meest innovatieve woningprojecten van Zwitserland is opgeleverd. Projectontwikkelaars, openbare instanties en architectuurstudenten uit binnen- en buitenland haasten zich om een bezoek te brengen aan dit immense coöperatieve project met 380 appartementen en 1200 bewoners, verdeeld over dertien gebouwen.
‘We wilden een innovatief laboratorium voor duurzaam wonen creëren, met een redelijke huurprijs en veel sociale interactie,’ zegt Claudia Thiesen, lid van de directie van de coöperatieve vereniging Mehr als wohnen. Iedereen beschikt er over 35 vierkante meter, terwijl het Zwitserse gemiddelde rond de 50 vierkante meter ligt, een manier om de ecologische en economische doelstellingen te verwezenlijken. Het feit dat de privéruimten kleiner zijn wordt gecompenseerd door de aanwezigheid van talrijke gedeelde ruimten. Zo kent de coöperatie tien gemeenschappelijke zalen die de bewoners naar eigen inzicht kunnen bestemmen. Een ervan is een meditatieruimte geworden, een andere een reparatieatelier, een derde een filmzaal. Nog een voorbeeld: een van de gebouwen, dat niet over een balkon beschikt, heeft een grote wintertuin en een binnenplaats voor iedereen.
Mehr als wohnen heeft ook extra ruimtes beschikbaar die door bewoners gehuurd kunnen worden naargelang hun behoefte. Zo zijn er in sommige gebouwen kantoren waarvoor een huurcontract voor een bepaalde tijd kan worden aangegaan. Hetzelfde principe geldt voor kamers met een badkamer. ‘Die hebben we bedacht als interessante oplossing voor gezinnen die enige tijd een bejaarde ouder in huis willen nemen,’ legt Thiesen uit. ‘Maar momenteel worden de meeste bewoond door jongeren die onafhankelijk van hun familie willen wonen zonder helemaal het huis uit te gaan.’ Ook zijn er vier ruimtes om muziek te maken die per uur door de bewoners kunnen worden gereserveerd. Ten slotte zijn er in het gebouw bij de ingang van het complex, dat tevens dienstdoet als hotel, 22 logeerkamers te huur.
Deze nieuwe scheiding tussen gemeenschappelijk en privé wordt het duidelijkst geïllustreerd door een vijftiental appartementen dat volgens het ‘clusterprincipe’ is gebouwd: private wooneenheden (bestaande uit twee kamers, een badkamer en een kitchenette) die worden verbonden door een ruimte met een grote woonkamer en een keuken erin. ‘Wij bieden een groot scala aan woonvormen, variërend van studio en cluster tot meer conventionele appartementen in ieder formaat,’ aldus Claudia Thiesen.
Ook andere coöperatieve verenigingen in Zürich hebben de afgelopen jaren voor soortgelijke projecten gekozen, zij het op kleinere schaal. In Franstalig Zwitserland wint deze nieuwe organisatie van de ruimte langzaam terrein. De coöperatieve woonvereniging Codha speelt daarbij een pioniersrol door in al haar nieuwe projecten clusters op te nemen. De eerste zullen worden opgeleverd in de Geneefse wijk Chêne-Bougeries, in 2017, en het jaar daarop in de ecowijk La Jonction in diezelfde stad.
Kleinere privéruimten worden gecompenseerd door talrijke gedeelde ruimten
‘De meeste bouwers gaan nog uit van het traditionele gezinspatroon van twee ouders en twee kinderen. Maar dat voldoet nog maar aan 30 procent van de woonbehoefte,’ constateert architect Yves Dreier van bureau Dreier Frenzel in Lausanne, dat een voortrekkersrol vervult bij de ontwikkeling van de ecowijk La Jonction. ‘De uitdaging bestaat erin dat je rekening houdt met de woonbehoeften van alleenstaanden, stellen, woningdelers, eenoudergezinnen en nieuw gevormde gezinnen van wisselende omvang, en met het feit dat de gezinsstructuren ongeveer om de tien jaar veranderen.’
Bij Codha is de ontwikkeling in gang gezet door een groep senioren. ‘Zij hadden geen zin om in hun eentje in een te groot appartement te wonen, maar wilden ook weer niet een te kleine woning waar ze geen familiemaaltijden konden organiseren of een weekend hun kleinkinderen konden ontvangen,’ aldus Rosanna Ulmi, architect van Codha. ‘Wat dat betreft biedt de clusteroplossing een grote flexibiliteit.’
Meer flexibiliteit
Uiteindelijk sprak het idee niet alleen de oorspronkelijke groep aan, maar ook gezinnen met studerende kinderen die gecharmeerd waren van deze nieuwe gemeenschappelijke woonvorm, waarbij de autonomie groter is dan bij woningdelen. Zo kan een appartement plaats bieden aan een gezin van vier mensen, of aan twee senioren en drie jongeren. De plannen zijn aangepast om aan de verschillende eisen te kunnen voldoen. Sommige clusters krijgen een logeerkamer, andere een gedeelde kantoorruimte. ‘Door kleine appartementen op deze manier samen te voegen kun je economischer omspringen met de hoeveelheid vierkante meters,’ onderstreept architect Yves Dreier.
Voorlopig ontwikkelen deze initiatieven zich bijna uitsluitend binnen een coöperatief kader. In Zürich is in een gebouw dat in 2011 is neergezet door architect Vera Gloor ook een clusterappartement opgenomen. En projectontwikkelaars raken steeds meer geïnteresseerd, omdat ze een markt zien voor jonge expats die mensen willen ontmoeten zonder afstand te doen van een bepaalde mate van comfort. ‘Maar het blijft een niche, al constateren we toenemende belangstelling van de publieke sector,’ aldus Yves Dreier. ‘In tegenstelling tot de coöperatieve verenigingen die, vooral dankzij hun participerende benadering, de wensen en aspiraties van hun leden kennen, blijft het herverdelen van ruimtes een riskante zaak voor de privé-investeerder.’ Toch sluit de architect niet uit dat het concept zich zal uitbreiden als de eerste experimenten zich hebben bewezen.
Le Temps Zwitserland | dagblad | oplage 49.000
Opgericht in 1998, voortgekomen uit een fusie van Nouveau Quotidien, Journal de Genève en Gazette de Lausanne. Rechts van het midden, populair bij leidinggevenden, krant voor Franstalige Zwitsers.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.