De recent gelekte berichten uit een Signal-groepschat tussen hooggeplaatste Amerikaanse functionarissen hebben velen verstomd achtergelaten, waaronder Hillary Clinton. In deze column uit The New York Times deelt de voormalige minister van Buitenlandse Zaken en First Lady haar ergernissen en zorgen over het beleid van de regering-Trump.
Het is niet eens de hypocrisie die me zo stoort, maar de domheid. We zijn allemaal geschokt – geschokt! – dat president Trump en zijn team zich niets gelegen laten liggen aan het beschermen van geheime informatie of het naleven van federale dataretentiewetten. Maar dat is niets nieuws. Wat veel erger is, is dat hooggeplaatste functionarissen binnen de regering-Trump onze troepen in gevaar hebben gebracht door militaire aanvalsplannen te delen op een commerciële berichtendienst en per ongeluk een journalist hebben uitgenodigd voor de groepschat. Dat is gevaarlijk. En het is oerstom.
Dit is het nieuwste incident in een hele reeks zelf aangebrachte wonden die de kracht van Amerika ondermijnen en onze nationale veiligheid in gevaar brengen. Honderden mensen ontslaan die zijn belast met de bescherming van onze kernwapens is ook dom. Net als het stopzetten van alle inspanningen om pandemieën te bestrijden, net nu in Afrika een dodelijke ebola-uitbraak om zich heen grijpt. Het is gespeend van elke logica om zuiveringsacties uit te voeren onder getalenteerde generaals, diplomaten en spionnen in een tijd waarin rivalen als China en Rusland hun mondiale invloedssfeer proberen te vergroten.
In een gevaarlijke en complexe wereld voldoet het niet om sterk te zijn. Je moet ook slim zijn. Als minister van Buitenlandse Zaken in de regering-Obama heb ik me sterk gemaakt voor slimme kracht, voor het samenbrengen van de harde kracht van ons leger en de zachte krachten van onze diplomatie, ontwikkelingshulp, economische macht en culturele invloed. Geen van deze elementen afzonderlijk is in staat de klus te klaren. Samen maken ze het Amerika van nu tot een supermacht. De Trumpaanpak is die van de domme kracht. In plaats van een sterk Amerika dat al onze krachten gebruikt om een wereldleider te zijn en onze vijanden het hoofd te bieden, zal het Amerika van Trump in toenemende mate blind en blunderend te werk gaan, ontdaan van macht en vrienden.
Massaontslagen
Laten we beginnen met het leger, waarvan Trump beweert dat hij het hoog in het vaandel heeft staan. Laat u niet misleiden door zijn bravoure. Trump en zijn minister van Defensie, Pete Hegseth (bekend van de groepschat), hebben duidelijk meer affiniteit met hun strijd voor de bühne tegen woke dan met de voorbereidingen voor de echte strijd met Amerika’s tegenstanders. Is er werkelijk iemand die gelooft dat ons land veiliger wordt door elk eerbetoon aan de Tuskegee Airmen [een groep voornamelijk Afro-Amerikaanse piloten uit de tweede Wereldoorlog] te verwijderen? Het Trump-Pentagon heeft beelden verwijderd van het vliegtuig dat de atoombom afwierp, waarmee een einde werd gemaakt aan de Tweede Wereldoorlog, enkel en alleen omdat het vliegtuig Enola Gay heette. Dom.
In plaats van samen te werken met het Congres om het defensiebudget te moderniseren zodat het aansluit op de veranderende dreigingen, ontslaat de president zonder geloofwaardige argumentatie hooggeplaatste generaals. Vijf voormalige ministers van Defensie, zowel Republikeinen als Democraten, hebben terecht gewaarschuwd dat dit onze ‘geheel vrijwillige krijgsmacht ondermijnt en onze nationale veiligheid in gevaar brengt’. Ook inlichtingendiensten hebben te maken gekregen met massaontslagen. Om de woorden van een voormalig spion te gebruiken: ‘We schieten onszelf door het hoofd, niet in de voet.’ Ook niet slim.
‘We schieten onszelf door het hoofd, niet in de voet’
Als er al zo roekeloos wordt omgegaan met Amerika’s hard power, zal het geen verbazing wekken dat ook onze soft power het moet ontgelden. Als voormalig minister van Buitenlandse Zaken maak ik me met name zorgen over de plannen van de regering om ambassades en consulaten te sluiten, diplomaten te ontslaan en USAID te ontmantelen. Ik zal uitleggen waarom dat ertoe doet, want het belang hiervan wordt vaak minder goed begrepen dan dat van tanks en straaljagers.
Als Amerikaanse topdiplomaat heb ik 112 landen bezocht en bijna anderhalf miljoen kilometer gereisd, en ik heb gezien hoe belangrijk het voor ons land is om in afgelegen gebieden te worden vertegenwoordigd. Het Amerikaanse leger is zich er al heel lang van bewust dat onze troepen proactief moeten worden ingezet om de Amerikaanse macht te beschermen en om snel te kunnen reageren in het geval van een crisis. Hetzelfde geldt voor onze diplomaten. Onze ambassades zijn onze ogen en oren, en ze leveren informatie voor de beleidsbeslissingen die in Washington worden genomen. Ze fungeren als uitvalsbases voor de operaties die onze veiligheid en welvaart borgen, variërend van het trainen van buitenlandse antiterrorisme-eenheden tot het helpen van Amerikaanse bedrijven bij het aanboren van nieuwe markten.
China begrijpt de waarde van diplomatie ter plaatse en heeft dan ook overal ter wereld nieuwe ambassades en consulaten geopend, waardoor het er inmiddels meer heeft dan Amerika. Als de regering-Trump zich terugtrekt, laat ze het speelveld open voor Beijing, dat ongehinderd haar invloedssfeer verder kan uitbreiden.
Diplomatie
Diplomaten sluiten vriendschappen waardoor Amerika er niet alleen voor staat in deze competitieve wereld. Zo waren mijn collega’s en ik in staat om zware sancties op te leggen aan het nucleaire programma van Iran, waardoor we Teheran uiteindelijk wisten te dwingen de ontwikkeling van een bom te staken – iets wat Trump met zijn stoere praat niet is gelukt. (Sterker nog, hij heeft de financiering stopgezet van de inspecteurs die toezicht hielden op Iraanse onderzoeksfaciliteiten. Dom.)
Diplomatie is betrekkelijk goedkoop, zeker in vergelijking met militair ingrijpen. Het is goedkoper om oorlogen te voorkomen dan om ze uit te vechten. Trumps eigen voormalige minister van Defensie, Jim Mattis, een gepensioneerde viersterrengeneraal van het Korps Mariniers, heeft tegen het Congres gezegd: ‘Als u het ministerie van Buitenlandse Zaken niet volledig financiert, zal ik meer munitie moeten kopen.’
Onze ontwikkelingshulp, die nooit meer dan een klein deel heeft uitgemaakt van het federale budget, heeft een ongekende invloed gehad op de internationale stabiliteit, zeker in combinatie met effectieve diplomatie. Wanneer Amerikaanse hulpgelden een hongersnood of een uitbraak weten te voorkomen, wanneer we te hulp schieten bij een natuurramp of wanneer we scholen openen, winnen we de hearts and minds van de bevolking, van wie de loyaliteit anders misschien zou uitgaan naar terroristen of rivalen als China. We zorgen voor een vermindering van het aantal migranten en vluchtelingen. We versterken bevriende regeringen die anders wellicht omvergeworpen zouden worden.
We zouden moeten investeren in de patriotten die ons land dienen, in plaats van hen te beledigen
Ik zal niet beweren dat het allemaal makkelijk is, of dat het Amerikaanse buitenlandbeleid niet gebukt is gegaan onder verkeerde inschattingen. Leiderschap is bepaald niet eenvoudig. Maar we maken de meeste kans om het goed te doen, en om ons land sterker te maken, door onze overheid te versterken in plaats van te verzwakken. We zouden moeten investeren in de patriotten die ons land dienen, in plaats van hen te beledigen.
Door slimme hervormingen kunnen federale instanties, waaronder het Ministerie van Buitenlandse Zaken en USAID, efficiënter en effectiever worden. Tijdens de regering-Clinton is met het Reinventing Government Initiative van mijn man, onder leiding van vicepresident Al Gore, in samenwerking met het Congres op doordachte wijze de bureaucratie gestroomlijnd en het personeelsbestand gemoderniseerd, waardoor er miljarden dollars zijn bespaard. In meerdere opzichten was dit het tegenovergestelde van de sloophameraanpak van de regering-Trump. Het overheidsapparaat wordt nu niet hervormd; het wordt met de grond gelijk gemaakt.
Politiek gokspelletje
Dit alles is zowel dom als gevaarlijk. En dan heb ik het nog niet eens over de schade die Trump aanricht door aan te pappen met dictators zoals de Russische Vladimir Poetin, door onze bondgenootschappen op te blazen – samenwerkingsverbanden die onze invloedsfeer vergroten en onze lasten verlichten – en door met het ondergraven van de Amerikaanse rechtsstaat onze morele invloed te verkwanselen. Of kijk hoe hij onze economie ondermijnt en onze staatsschuld laat oplopen. Propagandisten in Beijing en Moskou weten dat er wereldwijd een debat op gang is gekomen over verschillende staatsvormen.
Over de hele wereld kijken mensen en leiders toe, benieuwd of democratie nog altijd vrede en voorspoed kan garanderen, of überhaupt nog kan functioneren. Als Amerika wordt bestuurd als een bananenrepubliek, met een stuitende corruptie en een leider die zichzelf boven de wet plaatst, verliezen we die discussie. Dan verliezen we ook de kwaliteiten die Amerika uniek en onmisbaar maken.
Als er al sprake mocht zijn van een alomvattende strategie, dan zou ik niet weten wat die is. Misschien hoopt Trump terug te keren naar negentiende-eeuwse invloedssferen. Misschien wordt hij enkel gedreven door persoonlijke rancune en groeit het hem allemaal boven het hoofd. Als zakenman heeft hij zijn casino’s in Atlantic City failliet laten gaan. Nu heeft hij de veiligheid van de Verenigde Staten als inzet genomen. Als dit zo doorgaat, is een stommiteit met een groepschat wel het minste wat ons zorgen moet baren en zullen alle vuist- en vlagemoji’s ter wereld ons niet kunnen redden.
De toekomst van Syrië blijft onzeker, maar het belangrijkste is nu dat het bewind van Bashar al-Assad toch niet ‘voor eeuwig’ bleek te zijn.
De laatste keer dat ik voet op Syrische bodem zette, was in 2017, toen ik naar de stad Khan Sheikhun ging om verslag te doen van een aanval met chemische wapens door het inmiddels afgezette regime van Bashar al-Assad. Ik weet nog dat ik naast een man zat die Abdoel Hamid al-Yoessef heette. Een dag eerder had hij zijn vrouw en twee baby’s begraven. Ze waren gestikt in gifgas terwijl hij druk bezig was gewonden te helpen. Hij was flauwgevallen en wakker geworden in een nabijgelegen ziekenhuis.
Een van de aanwezigen bij hun herdenkingsdienst vertelde hem een hadith, een overlevering van de profeet Mohammed. Die luidde als volgt: op de Dag des Oordeels zullen alle mensen de brug al-Sirat oversteken. Die brug overspant de hel en leidt naar het paradijs. Slechte mensen zullen struikelen en vallen, maar voor goede mensen verbreedt de brug zich tot een laan die ze moeiteloos kunnen uitlopen. Voor degenen die hun kinderen jong verliezen en doorzetten zullen hun kleintjes reïncarneren als engelen die hen op hun vleugels over de brug loodsen
Al-Youssef ontwaakte even uit zijn verdoving door verdriet: ‘Zal mijn vrouw er ook zijn? En onze neven en nichten?’
Toen ik daarna voor het inderhaast aangelegde familiegraf stond, met de kaneelkleurige grond rondom, dacht ik terug aan dat verhaal. Ik schaamde me bijna dat ik met hem over zijn verdriet had gesproken, omdat ik diep in mijn hart wist dat hij nooit gerechtigheid zou vinden in deze wereld. Hij zou moeten wachten tot het hiernamaals. Dat was de ware troost van dat verhaal. Alleen in de dood, en alleen als er een God is, kan er sprake zijn van gerechtigheid. Dat zijn veel onzekere factoren. Ik kon het niet opbrengen erover na te denken. Ik schreef de reportage en ging verder met mijn leven, zoals ik zo vaak had gedaan nadat ik had gesproken met vluchtelingen, met mensen die door vaatbommen waren getroffen, met slachtoffers van de Islamitische Staat, en van een van de wreedste totalitaire politiestaten ooit.
Maar wat nu? Alleen al de mogelijkheid van gerechtigheid, het idee dat er een triomferende morele lichtboog is in deze wereld, dat er altijd een schijnseltje van hoop is geweest aan het eind van de donkere tunnel, als je maar scherp genoeg had gekeken – ik kan me nog altijd nauwelijks iets bij deze formuleringen voorstellen.
Jannah Jannah
Wat stellen woorden eigenlijk voor? Ze moeten betekenis overbrengen, maar hoe kun je betekenis destilleren uit wat er is gebeurd, die afgelopen paar weken waarin de Syrische rebellen de grootste comeback in de geschiedenis maakten en zo een einde maakten aan zestig jaar bewind door de Baath-partij van Bashar al-Assad? Hoe verwoord je de bevrijding van Aleppo, een van de oudste steden ter wereld? Hoe beschrijf je de bevrijding van Hama, een stad die diep getraumatiseerd raakte door de moordende razernij van Hafez al-Assads broer (en Bashar Assads oom) Rifaat in de jaren tachtig, waar de inwoners veertig jaar moesten wachten om te rouwen om hun mannen, vrouwen en kinderen? Hoe leg je de emotionele inwerking vast van kerkklokken die in het christelijke Sahnaya luiden op de melodie van ‘Eén, één, één, het Syrische volk is één?’ Of van de sonore stem van het overleden verzetsicoon (tevens ex-doelman) Abdel Baset al-Sarout, die het revolutionaire lied Jannah Jannah zong, een lied dat nu weer klinkt op het Omajadenplein in Damascus? De gezangen van honderdduizenden die zich verzameld hebben op het Assiplein in Hama en rond de klokkentoren van Homs?
Hoe leg je de emoties vast van een vader en moeder die hun zoon, die tien jaar geleden werd verbannen en nu is teruggekeerd als bevrijder, weer voor het eerst in al die tijd zien – en hoe hij zijn militaire houding bij de deur afwerpt en knielt om de voeten van zijn ouders te kussen, terwijl hij tranen met tuiten huilt?
Hoe beschrijf je de pure vreugde en het leed op de gezichten en in de ogen van de duizenden gevangenen die nu zijn bevrijd uit de kerkers van Assad na tien, vijftien, veertig jaar zonder frisse lucht, beroofd van hun dromen, van hun betekenis? En waarvoor? Voor niets, uiteindelijk. Assad is gevlucht. Geen woord voor zijn volgelingen die trouw zijn orders opvolgden en hun land in de as legden om zijn criminele narcostaat in stand te houden.
Ja, ze hebben het land in de as gelegd. De helft van de bevolking van huis en haard verdreven, talloze mensen vastgehouden in een netwerk van stalinistische kerkers die deel uitmaakten van een giftige politiestaat waar iedereen tegen iedereen werd uitgespeeld, vrouw tegen man, broer tegen zus, vader tegen zoon. Een repressief systeem waarin meer dan zeventig manieren werden bedacht om gevangenen te martelen. Ruim vierhonderdduizend doden. Duizenden gedood door chemische aanvallen. Nog eens duizenden gedood door vaatbommen, ofwel: vaten gevuld met TNT die zo onnauwkeurig waren dat ze ver achter de linies van de rebellen neerkwamen op burgers die in de rij stonden voor eten – en dat alleen om te voorkomen dat ze per ongeluk hun eigen troepen doodden. Aanhoudende en verlammende angst. Een vluchtelingencrisis die de westerse politiek transformeerde. Zo werden de voorwaarden geschapen voor de oprichting en bloei van de Islamitische Staat. Het is nauwelijks voor te stellen dat er iets ergers in het verschiet zou kunnen liggen.
Het einde van voor eeuwig
Woorden? Die schieten op dit moment tekort. Mijn vrouw komt uit Aleppo en de afgelopen dagen was het alsof er een dam is bezweken onder een enorme emotionele waterval. Ik hoor veel gesprekken van haar met familie thuis en met Syriërs over de hele wereld die staan te popelen om naar huis te gaan, om te proberen terug te winnen wat verloren is gegaan. Het zijn gesprekken waarin ongeloof, euforie en tranen om voorrang strijden.
‘Hij is weg! Hij is weg! Hij is weg!’
‘Naar huis! Mijn huis! Hij heeft ons zoveel aangedaan! Wat heeft hij ons aangedaan! Naar huis! Mijn God! We zijn vrij!’
Ikzelf blijf proberen er woorden voor te vinden, maar ze schieten tekort. Niets lijkt dit moment te kunnen vatten. Ik worstel in de krochten van mijn geest om woorden te vinden. Dan zie ik een foto van een gevangene, stort ik in en moet ik opnieuw beginnen. En ik ben niet eens een Syriër, maar gewoon iemand die het voorrecht had even met hen mee te mogen liften. Waarom voelt mijn hart dan alsof het op barsten staat?
Ik heb het misschien gevonden. De aanhangers van Assad scandeerden vaak: ‘Qaedna lel abad [onze leider voor eeuwig], Bashar al-Assad.’
‘Voor eeuwig is voorbij,’ scandeerden de Syriërs nu keer op keer.
Het einde van voor eeuwig. Dat was een mooi sluitstuk.
Toen zag ik een poëtische regel, getweet door Fairouz, de legendarische Libanese zangeres, toen de zon opging boven een vrij Damascus. Ik hou van de Engelse taal, maar toen ik die regel las had ik ernstig te doen met mensen die geen Arabisch kennen, omdat ze daardoor nooit de schoonheid van de regel die zij plaatste ten volle zullen ervaren. Voor nu moet een goedkope, ontoereikende vrije vertaling volstaan – wat op zich toepasselijk is, omdat mijn woorden ook maar een goedkope vrije vertaling zijn van een diepe oceaan van emotionele euforie en beroering.
Dit schreef Fairouz: ‘Mijn ogen zijn op u gericht, o Damascus, want het is uit u dat de ochtend vloeit.’
Volgens The Atlantic-redacteur Charlie Warzel lijkt een aanzienlijk deel van de Amerikaanse bevolking zich steeds verder los te maken van de realiteit. ‘We hebben duidelijk een nieuw kader nodig om deze breuk in de samenleving te beschrijven.’
Het wordt steeds moeilijker om de mate te beschrijven waarin een aanzienlijk percentage van de Amerikanen zich heeft losgemaakt van de realiteit. Toen orkaan Milton gisteravond over de Golf van Mexico raasde, zag ik een stortvloed aan samenzweringstheorieën en volslagen onzin die miljoenen views op internet kreeg. De berichten zouden lachwekkend zijn als ze niet door veel mensen voor zoete koek werden geslikt. Onder hen: Alex Jones van Infowars, die beweerde dat de orkanen Milton en Helene ‘weerwapens’ waren die door de Amerikaanse overheid op de oostkust waren losgelaten, en ‘waarheidszoekers’ op X die foto’s van condensatiesporen in de lucht plaatsten om ongefundeerd te beweren dat de overheid ‘Florida besproeide vóór orkaan Milton’ om te zorgen voor maximale regenval, ‘net zoals ze deden boven Asheville!’
Toen Milton aan land kwam en een reeks tornado’s veroorzaakte, postte een geverifieerde account op X een TikTok-video van een enorme trechterwolk met het onderschrift ‘WAT GEBEURT ER MET FLORIDA?!’. De clip, die uiteindelijk werd verwijderd maar tot gisteravond 662.000 keer was bekeken, bleek afkomstig te zijn van een video van een CGI-tornado die oorspronkelijk maanden geleden was gepubliceerd. Toen ik al scrollend door deze platforms zag hoe ze zich vulden met valse informatie, onzinnige theorieën en vervalste beelden, terwijl paniekerige mensen hun huizen dichttimmerden, met grote moeite evacueerden en baden dat hun have en goed niet van de ene op de andere dag zou worden weggevaagd, begreep ik: dit beeld van het Amerikaanse discours is bijna te somber om onder ogen te zien.
Complottheorieën
Zelfs in een decennium dat ontsierd wordt door internetoplichters, schaamteloze politici en een alt-right mediacomplex dat antiwetenschappelijke complottheorieën verkondigt, springen de gebeurtenissen van de afgelopen weken eruit door hun verdorvenheid en nihilisme. Terwijl twee catastrofale stormen Amerikaanse steden overspoelden, heeft een lappendeken van influencers en nepnieuwsverkondigers hun best gedaan om wantrouwen te zaaien, wrok aan te wakkeren en de hulpverlening te verstoren. Maar dit is meer dan alleen een desinformatiecrisis. Terwijl we toekijken hoe echte informatie wordt overspoeld door onzinnige theorieën en hoe ambtenaren te kampen hebben met doodsbedreigingen, moeten we twee alarmerende feiten onder ogen zien: ten eerste dat er een bestendig ecosysteem bestaat om burgers in een alternatieve realiteit onder te dompelen en ten tweede dat de mensen die deze leugens consumeren en verspreiden geen hulpeloze slachtoffers zijn, maar gewillige deelnemers.
Soms is het liegen en verwarring zaaien politiek gemotiveerd, zoals de bewering dat FEMA [Federal Emergency Management Agency] in totaal slechts 750 dollar biedt aan orkaanslachtoffers die hun huis zijn kwijtgeraakt. (In werkelijkheid biedt FEMA 750 dollar als onmiddellijke ‘hulp in extreme noodsituaties’ om mensen te helpen aan basisvoorzieningen zoals voedsel en water). Donald Trump, J.D. Vance en Fox News hebben stuk voor stuk deze leugen verkondigd. Trump postte (al verwijderde hij deze post later) ook op Truth Social dat er FEMA-geld werd gegeven aan migranten zonder papieren, wat niet waar is. Elon Musk, die eigenaar is van X, beweerde – zonder bewijs – dat FEMA ‘actief zendingen blokkeerde en goederen en diensten lokaal in beslag nam om vervolgens te verklaren dat ze van hen waren. Het is echt waar, het is beangstigend om te zien hoezeer zij het heft in eigen hand nemen en de mensen die willen helpen tegenhouden.’ Die post is meer dan 40 miljoen keer bekeken. Andere influencers, zoals de Trump-sympathisant Laura Loomer, hebben hun volgers aangespoord om de inspanningen van het agentschap om slachtoffers van de orkaan te helpen, te verstoren. ‘Werk niet mee met FEMA,’ postte ze op X. ‘Dit is een kwestie van leven of dood.’
‘Als het zo veel angst creëert dat mijn personeel niet het veld in wil, dan kunnen we de mensen niet helpen’
Het resultaat van deze angstzaaierij is precies wat je zou verwachten. Boze, verbitterde burgers vallen overheidsfunctionarissen in North Carolina en FEMA-medewerkers lastig. Volgens een analyse van het Institute for Strategic Dialogue, een onderzoeksgroep die onderzoek doet naar extremisme, hebben ‘onwaarheden over de manier waarop de overheid op de orkaan reageert geleid tot serieus te nemen bedreigingen en aansporingen tot geweld tegen de federale overheid’, waaronder ‘oproepen om milities op FEMA af te sturen’. Uit het onderzoek bleek ook dat 30 procent van de X-berichten die door ISD waren geanalyseerd ‘openlijk antisemitisch was en beledigingen bevatte jegens overheidsfunctionarissen, zoals de burgemeester van Asheville, North Carolina, de manager public affairs van FEMA en de secretaris van het ministerie van Binnenlandse Veiligheid’. De berichten waren op 7 oktober gezamenlijk 17,1 miljoen keer bekeken.
Online doen hulpverleners een beroep op de inwoners en vragen ze om hun hulp bij het bestrijden van de stroom leugens en samenzweringstheorieën. FEMA-administrateur Deanne Criswell zei dat de hoeveelheid desinformatie de hulpverlening zou kunnen belemmeren. ‘Als het zo veel angst creëert dat mijn personeel niet het veld in wil, dan kunnen we de mensen niet helpen,’ zei ze dinsdag 8 oktober tijdens een persconferentie. In Pensacola, North Carolina, uitte assistent-brandweercommandant Bradley Boone zijn frustraties op Facebook: ‘Ik probeer mijn gemeenschap te redden,’ zei hij in een livestream. ‘Ik heb geen tijd. Ik heb geen tijd om elk gerucht op Facebook uit te pluizen… We hebben genoeg meegemaakt.’
Symbool
Het is moeilijk om het nihilisme van het huidige moment te vatten. Tijdens de pandemie probeerden Amerikanen, wantrouwend tegenover de autoriteiten, werkzame vaccins in diskrediet te brengen, ze verspreidden samenzweringstheorieën en vielen volksgezondheidsfunctionarissen aan. Maar wat nu, in de nasleep van de orkanen, nieuw lijkt is dat degenen die liegen niet eens proberen om de herkomst van hun onzin te verdoezelen. Zo geven ook degenen die de leugens delen graag toe dat het ze niet uitmaakt of wat ze verkondigen waar is of niet. Dat was vorige week het geval, toen Republikeinse politici een door AI gegenereerde virale afbeelding deelden van een klein meisje met een puppy in haar armen op de vlucht voor orkaan Helene. Hoewel de afbeelding duidelijk nep was en snel werd ontkracht, hielden sommige politici voet bij stuk. ‘Ik weet niet waar deze foto vandaan komt en eerlijk gezegd maakt het ook niet uit,’ schreef Amy Kremer, die Georgia vertegenwoordigt in het Republikeins Nationaal Comité, nadat ze de nepafbeelding had gedeeld. ‘Ik laat hem staan omdat hij symbool staat voor het trauma en de pijn die mensen nu doormaken.’
Kremer was niet de enige. Journalist Parker Molloy verzamelde screenshots van mensen ‘die erkennen dat dit beeld AI is, maar toch volhouden dat het op een dieper niveau echt is’ – het bewijs, zo merkte Molloy op, dat we ‘in het tijdperk van de post-realiteit leven’. Schrijver Jason Koebler stelde dat we het ‘Fuck It’-tijdperk zijn binnengetreden van AI-kletskoek en politieke berichtgeving waarbij AI-beelden worden gebruikt om welke partijdige boodschap dan ook over te brengen, ongeacht de waarheid.
Dit is allemaal al meer dan tien jaar aan de gang. In 2005 bedacht Stephen Colbert in The Colbert Report het woord truthiness, dat hij definieerde als ‘het geloof in wat voor jou als waar aanvoelt in plaats van hetgeen door feiten wordt gestaafd’. Deze verbrokkeling van de realiteit is het resultaat van een informatie-ecosysteem waarin de dominante platformen financiële en aandachtstimulansen bieden om te liegen en woede aan te wakkeren, en om elke tragedie en grote gebeurtenis aan te grijpen voor het schaamteloos creëren van content. En dat is koren op de molen van een grote groep mensen die liever in een alternatieve realiteit leven, gebaseerd op wantrouwen en wrok, dan dat ze hun fundamentele overtuigingen over de wereld veranderen. Maar de desinformatiecrisis is niet altijd wat we denken dat die is.
Wat we online zien is een groep mensen die wanhopig de duistere, fictieve wereld willen beschermen die ze hebben opgebouwd
In de discussies over desinformatie lijkt men er vaak van uit te gaan dat deze wordt gebruikt om mensen te overtuigen. Maar zoals Michael Caulfield, een onderzoeker aan de Universiteit van Washington, heeft betoogd: ‘Het voornaamste doel van “desinformatie” is helemaal niet om andermans overtuigingen te veranderen. Nee, in de overgrote meerderheid van de gevallen wordt de desinformatie mensen aangeboden zodat ze aan hun overtuigingen kunnen vasthouden hoewel er overweldigend bewijs van het tegendeel bestaat.’ Dit onderscheid is belangrijk, onder andere omdat het een actieve rol toekent aan degenen die overduidelijk valse informatie tot zich nemen en delen. Wat duidelijk wordt uit opmerkingen zoals die van Kremer, is dat ze geen slachtoffer is; hoewel ze misschien overkomt als zeer ongeïnteresseerd en schaamteloos, geeft ze openlijk toe actief mee te doen aan het opbouwen van een extreemrechtse wereld, waarin het gevoel het altijd wint van de werkelijkheid.
Wat we online zien tijdens en in de nasleep van deze orkanen is een groep mensen die wanhopig de duistere, fictieve wereld willen beschermen die ze hebben opgebouwd. In plaats van om te gaan met de realiteit van een opwarmende planeet waar zich om de paar weken stormen voordoen die ze voorheen één keer in hun leven meemaakten, belasteren en bedreigen ze liever meteorologen, die in hun ogen niets anders zijn dan ‘getrainde subversieve leugenaars die geprogrammeerd zijn om domme onzin te spuien om de bullshit over de opwarming van de aarde te ondersteunen’, zoals een X-gebruiker het verwoordde. Op deze manier hoopt deze groep mensen rationele stemmen het zwijgen op te leggen, omdat die stemmen de barsten in hun huidige wereldbeeld dreigen bloot te leggen. Maar hun pogingen zijn gedoemd te mislukken. Zoals een ontmoedigde meteoroloog deze week op X schreef: ‘Door meteorologen te vermoorden houd je geen orkanen tegen.’ En ze voegde eraan toe: ‘Ik kan niet geloven dat ik dat net moest typen.’
Nieuw kader
We hebben duidelijk een nieuw kader nodig om deze breuk in de samenleving te beschrijven. Het begrip ‘misinformatie’ is te technisch, te beladen en, na bijna een decennium Trump, te politiek. Het verklaart ook niet wat er eigenlijk gaande is: er is sprake van een culturele aanval op elke persoon of instelling die in de realiteit opereert. Als je een weerman bent, ben je een doelwit. Hetzelfde geldt voor journalisten, verkiezingsmedewerkers, wetenschappers, artsen en eerstehulpverleners. Deze beroepen zijn verschillend, maar degenen die ze uitoefenen hebben gemeen dat ze zich moeten inzetten voor de wereld zoals die is en haar moeten beschrijven zoals ze is. Om die reden vormen ze een bedreiging voor mensen die zich niet kunnen neerleggen bij de pijnlijke beperkingen van de werkelijkheid, maar ook voor degenen die financiële en politieke belangen hebben bij het in stand houden van de poppenkast.
Ergens zijn deze aanvallen – en de toegenomen radeloosheid daarachter – wel te begrijpen. De wereld voelt donker aan; voor veel mensen is het daarom verleidelijk om te leven in de waan dat ze alles doorhebben, dat de machthebbers een complot tegen hen hebben gesmeed. Maar door de andere kant op te kijken, verergeren ze de crisis die het Trump-tijdperk kenmerkte, een crisis die zal doorwerken tot op de verkiezingsdag en daarna. Amerikanen zijn niet alleen verdeeld door hun politieke overtuigingen, maar ook door de vraag of ze in een gedeelde werkelijkheid geloven of dat überhaupt willen.
In onze snelle, door technologie gedreven wereld lijkt multitasken de norm geworden, maar journalist Oliver Burkeman daagt je uit om één ding tegelijk te doen.
Een paar maanden geleden stond ik op de rand van een zenuwinzinking; de lasten van het leven waren me te veel en ik leed aan omgevingsstress – een aandoening die in de jaren 2020 gewoon bij het leven lijkt te horen. In een poging mijn geestelijke gezondheid te behouden – of misschien wel terug te krijgen – ging ik een persoonlijke uitdaging aan. Andere mensen zouden op zo’n moment misschien meedoen aan een slopende triatlon of op een intensieve meditatieretraite gaan. Ik daarentegen besloot geen podcasts of muziek meer te luisteren tijdens het hardlopen, het autorijden, het uitruimen van de vaatwasser, noem maar op. Ik besloot me, met andere woorden, slechts te concentreren op wat ik nou eigenlijk aan het doen was, om maar één ding tegelijk te doen.
Het was verrassend moeilijk. En mocht je het lollig vinden dat ik zo’n onbenullige verandering van mijn gewoonten ervoer als een groot existentieel gevecht, dan wacht ik wel even tot je bent uitgelachen, maar daarna zou ik je willen verzoeken: probeer het maar eens. Zoek uit welke trucjes jij gebruikt om te vermijden dat je aandacht honderd procent ligt bij wat het ook is dat je op dat moment doet, en laat die een week of twee achterwege. Dan kom je er misschien net als ik achter dat je, zonder het zelf in de gaten te hebben gehad, verslaafd was aan verschillende dingen tegelijk doen. En misschien ben je het dan ook met me eens dat de kunst om je leven te leiden als een opeenvolging van bezigheden – om de dingen een voor een te doen en de daaruit voortvloeiende confrontatie met onze menselijke beperkingen aan te gaan – weleens een van de meest cruciale vaardigheden zou kunnen zijn om overeind te blijven in de onzekere, crisisgevoelige toekomst die we met zijn allen tegemoetgaan.
De neiging om te multitasken is overigens niets nieuws. ‘We denken met een horloge in de hand,’ klaagde Nietzsche al in 1887, ‘zelfs tijdens het middageten, terwijl we het laatste nieuws van de beurs lezen.’ En we weten ook al heel lang dat multitasken eigenlijk niet werkt. Je hebt vast weleens een artikel gelezen – terwijl je misschien met een half oog televisiekeek – over onderzoek dat uitwijst dat echt multitasken niet eens kán; in feite wisselt onze aandacht razendsnel tussen verschillende focuspunten zonder dat we ons daarvan bewust zijn, terwijl dat elke keer een grote mentale inspanning vereist. Uit een onderzoek onder chauffeurs bleek dat bij maar 2,5 procent van de deelnemers de prestaties er niet op achteruitgingen als ze twee dingen tegelijkertijd probeerden te doen. De rest van de mensen doet beide dingen gewoon veel slechter.
Beladen met een enorme hoeveelheid werk zie je soms geen andere optie dan je aandacht dan maar te verdelen
De druk die je voelt om te multitasken lijkt soms opgelegd van buitenaf. Beladen met een enorme hoeveelheid werk zie je soms geen andere optie dan je aandacht dan maar te verdelen. En als de problemen in de wereld om je heen je ook nog ter harte gaan, dan zijn er momenteel zo veel redenen tot ongerustheid – het klimaat, de staat van de democratie, de dreiging van artificiële intelligentie en het risico van een kernoorlog, om er maar een paar te noemen – dat multitasken een plicht lijkt voor iedere rechtgeaarde burger.
Technologische ontwikkelingen voeren de druk nog verder op. Degenen onder ons die niet zijn opgegroeid in een digitale wereld kunnen zich een tijd herinneren dat we geen sociale media tot onze beschikking hadden om onszelf af te leiden van minder plezierige taken, een tijd waarin we door de aard van de voorhanden zijnde middelen en werkwijzen – de reguliere post bijvoorbeeld, of een bezoek aan de bibliotheek om research te doen – minder druk ervoeren van werkgevers of klanten om de grenzen van onze beperkte aandachtsspanne te overschrijden.
Maar filosofen en spiritueel leraren hebben lang geleden al begrepen dat onze neiging om nooit geheel te willen opgaan in één bezigheid diepgeworteld is en voortkomt uit onze strijd tegen de sterfelijkheid.
De hindoeïstische mysticus Patanjali bijvoorbeeld beschouwde één ding tegelijk doen als een kernonderdeel van yoga, waaruit blijkt dat mensen dat tweeduizend jaar geleden dus ook al niet makkelijk vonden. We verzetten ons tegen onze unipresence, zoals Jordan Raynor, een christelijke schrijver van boeken over productiviteit, het noemt, dat wil zeggen: ons onvermogen om ons op meer dan één plek tegelijk te bevinden, met als tegenpool de omnipresence die aan God wordt toegeschreven. En we komen in opstand tegen de korte duur van ons verblijf op aarde, dat gemiddeld maar zo’n vierduizend weken beslaat. Dit veroorzaakt een onplezierig gevoel van beperktheid, aangezien het betekent dat er altijd veel meer zal zijn wat we zouden kúnnen doen dan wat we daadwerkelijk zúllen doen. De keuze om een deel van onze tijd aan een bepaalde bezigheid te spenderen betekent automatisch de opoffering van talloze andere dingen die we in die tijd hadden kunnen doen.
Dit verklaart de aantrekkingskracht van het multitasken: het behelst de loze belofte dat we de ketenen van onze eindigheid op een of andere manier kunnen afwerpen. We vertellen onszelf dat we met voldoende zelfdiscipline en de juiste tijdmanagementstrucs uiteindelijk alles aankunnen en een goed gevoel over onszelf zullen hebben. Hoewel je het gevoel kunt hebben dat het zich vlak om de hoek bevindt, komt dat Utopia er natuurlijk nooit. De enige manier om in een overweldigende wereld gezond van zinnen te blijven – en enige concrete invloed op die wereld te kunnen hebben – is niet langer te proberen om aan de condition humaine te ontsnappen en in plaats daarvan de realiteit van onze beperkingen onder ogen te zien. Dat is de ongemakkelijke waarheid.
Als je jezelf afleidt van lastige taken door bijvoorbeeld podcasts te luisteren, worden die taken niet beter te verdragen
Als je jezelf afleidt van lastige taken door bijvoorbeeld podcasts te luisteren, worden die taken niet beter te verdragen; integendeel, ze worden juist vervelender, doordat je ervan overtuigd raakt dat je ze slechts kunt verdragen als je jezelf daarbij afleidt. En ondertussen zul je de taak in kwestie niet naar behoren uitvoeren noch goed kunnen luisteren naar de inhoud van die podcast.
Wie meer taken gedaan wil krijgen, moet leren om het grootste deel daarvan te laten wachten en zijn aandacht slechts te richten op een ervan. ‘Dat is het “geheim” van mensen die “zo veel dingen gedaan krijgen” en ook nog eens zo veel ogenschijnlijk moeilijke dingen,’ schrijft de managementgoeroe Peter Drucker in zijn boek The Effective Executive. ‘Ze doen maar één ding tegelijk.’ Om verschil te kunnen maken op één bepaald terrein moet je jezelf toestaan je niet in gelijke mate te bekommeren om alle andere terreinen.
Er zal altijd te veel te doen zijn, wat je ook doet. Maar het voordeel van dit ogenschijnlijk ontmoedigende feit is dat je het jezelf dus ook niet kwalijk hoeft te nemen als het je niet lukt om alles te doen, en jezelf evenmin onder druk hoeft te zetten om het tempo bij te benen door eens even flink te gaan multitasken.
In plaats daarvan kun je je beperkte tijd, energie en aandacht steken in een handvol bezigheden die er echt toe doen. Daar zul je dan ook nog eens meer van genieten. Dat het me inmiddels lukt om in het hier en nu te zijn terwijl ik hardloop, autorijd of kook is niet te danken aan een nieuw verworven spirituele vaardigheid. Nee, het komt gewoon doordat ik besef dat ik toch nergens anders kan zijn dan hier en nu, zodat ik de stressvolle pogingen om mezelf van iets anders te overtuigen, maar beter achterwege kan laten.
We vinden onszelf scherpzinnig en goed geïnformeerd als we pessimistisch zijn over de wereld. Maar het omgekeerde is waar, schrijft FT-redacteur Jemima Kelly.
In de zelfhulpwereld wemelt het van de motiverende leuzen over de kracht van positief denken en het ombuigen van negatieve gedachten. ‘Zodra je je negatieve gedachten vervangt door positieve, zul je positieve resultaten boeken.’ ‘Positief denken is meer dan een loze kreet.’ ‘Niets is goed of slecht, het is wat ons denken ervan maakt.’ (Die laatste is maar liefst van Shakespeare, bij monde van Hamlet.)
Maar als het aankomt op onze manier van denken en praten over de buitenwereld, om precies te zijn, over de toekomst van die wereld, worden we geacht een zeer sombere toon aan te slaan. We lijken collectief te hebben besloten dat we te allen tijde een niet-aflatend, murw makend pessimisme aan de dag moeten leggen. Als je iets optimistisch of opwekkends zegt, ben je niet alleen onverschillig en ongevoelig voor al het leed in de wereld, maar kom je ook weinig serieus over en ben je gewoon totaal niet cool.
In de loop der jaren heb ik me er vaak over verbaasd dat vrienden of kennissen, wanneer ik hen vraag hoe het met ze gaat, iets antwoorden in de trant van: ‘O, niet zo best, de wereld is zo’n kutzooi tegenwoordig.’ Dan knik ik maar een beetje, hoewel ik soms niet eens weet over welke kutzooi ze het precies hebben. De overvloed aan catastrofes waarop ze kunnen doelen (Gaza, antisemitisme, klimaatverandering, AI?) laat zien dat er genoeg is om pessimistisch over te zijn.
Maar er is ook van alles om positief over te zijn. Ik zal de volledige lijst hier niet opnoemen, maar vorig jaar lag het kindersterftecijfer lager dan ooit, kwam er een doorbraak in de behandeling van alzheimer, werd er een goedkoop en effectief vaccin tegen malaria goedgekeurd en bereikte de populatie steenarenden in Schotland dankzij een herstelproject een recordhoogte.
We vinden onszelf misschien scherpzinnig als we zo pessimistisch zijn, maar uit onderzoek blijkt het omgekeerde: een onderzoek uit 2017 dat door Ipsos MORI werd uitgevoerd in 28 landen, wijst uit dat de ondervraagden die het minst geïnformeerd zijn over verschillende maatstaven voor menselijke vooruitgang, het meest pessimistisch waren over de toekomst.
Pessimisme is vaak ongerechtvaardigd. Maar wat belangrijker is, het kan ook schadelijk zijn
52 procent van de ondervraagden geloofde ten onrechte dat extreme armoede verergerde; in feite ontworstelen elke dag zo’n 100.000 mensen zich aan extreme armoede. Degenen in armere landen waren hiervan beter op de hoogte én bleken optimistischer te zijn over de toekomst. Ook opvallend was dat 41 procent van de Chinese ondervraagden het eens was met de stelling dat de wereld erop vooruitging, tegenover maar 4 procent van de Britten en 6 procent van de Amerikanen (de Fransen waren het meest misérable, met maar 3 procent).
Pessimisme is dus vaak ongerechtvaardigd. Maar wat belangrijker is, het kan ook schadelijk zijn. Pessimisten denken misschien dat hun onheilsprofetieën ons aanzetten om in actie te komen, maar er zijn veel onderzoeken waaruit het omgekeerde blijkt.
In een onderzoek uit 2015, gepubliceerd in het jaaroverzicht van de American Academy of Political and Social Science, werd bijvoorbeeld de hypothese onderzocht dat mensen die op de hoogte waren van de manieren waarop geo-engineering de uitstoot van broeikasgassen kan helpen verminderen, achterover zouden leunen waar het klimaatverandering betrof. De stelling werd niet bevestigd; integendeel, mensen bleken zich, eenmaal geconfronteerd met praktische oplossingen, juist meer zorgen te gaan maken over de opwarming van de planeet.
‘Mensen denken dat pessimisme een oproep tot actie is, een manier om anderen wakker te schudden – zodat ze tot actie worden aangezet, de straat op zullen gaan om te demonstreren en op de juiste partij zullen stemmen,’ zegt filosoof Maarten Boudry van de Universiteit van Gent. ‘Maar hoe harder je als doemdenker predikt, hoe meer je mensen het idee geeft dat alle kansen verkeken zijn en we het net zo goed op kunnen geven.’
Er wordt vaak gezegd dat je niet te veel hoop moet koesteren, zodat je niet teleurgesteld wordt
Een artikel in Philosophy & Public Affairs kwam tot een soortgelijke conclusie, namelijk: ‘pessimisme vormt eerder een belemmering voor dan een bijdrage aan het verminderen van existentiële risico’s’.
Overdreven pessimisme kan er ook toe leiden dat de geloofwaardigheid in het geding komt, dat er wantrouwen ontstaat jegens een ogenschijnlijk betrouwbare bron als de ramp waarvoor deze waarschuwde niet is uitgekomen. Het Amerikaanse congreslid Alexandria Ocasio-Cortez heeft in 2019 bijvoorbeeld gezegd dat ‘de wereld over twaalf jaar ten onder gaat tenzij we klimaatverandering aanpakken’. Zullen we over zeven jaar dan dus uitgestorven zijn?
Er wordt vaak gezegd dat je niet te veel hoop moet koesteren, zodat je niet teleurgesteld wordt. Maar het is juist het gebrek aan hoop dat de mens fataal kan worden. Uit onderzoek blijkt dat het sterftecijfer onder pessimisten hoger ligt. En als gevolg van pessimisme kunnen zich allerlei nare en gevaarlijke fenomenen verspreiden: chaos, nihilisme en – misschien wel net zo angstaanjagend – het soort roekeloze ‘wat-kan-er-nou-misgaan’-optimisme dat Marc Andreessen voorstaat in zijn Techno-Optimist Manifesto.
We moeten een manier vinden om te voorkomen dat pessimisme een selffulfilling prophecy wordt. We moeten pessimisme weer oncool zien te maken.
Jemima Kelly schrijft wekelijks een column over verschillende onderwerpen, variërend van cultuuroorlogen tot crypto, en ze presenteert ook podcasts. Voordat ze bij FT kwam, was ze verslaggever bij Reuters.
Sinds werknemers tijdens de pandemie de lusten (en lasten) van het thuiswerken hebben leren kennen, willen miljoenen mensen niet meer terugkeren naar hun kantoorbaan. Er staat een revolutie op de arbeidsmarkt voor de deur.
De coronapandemie mag dan officieel voorbij zijn, maar als een reeks wissels op het spoor heeft ze tal van levens totaal verschillende richtingen op gestuurd. Miljoenen mensen keren niet meer terug naar hun arbeidsroutine van vóór de pandemie. Dit dwingt zowel werkgevers als werknemers om nieuwe modellen te bedenken die aan hun veranderende behoeften voldoen. Uit al die probeersels met hybride modellen rijst een cruciale vraag op: hoeveel werk volstaat?
Solliciteren
Thomas Edison zou in de jaren 1920 sollicitanten een kom soep voor hun neus gezet hebben met zout en peper ernaast. Als ze de soep op smaak brachten voordat ze een hap namen, werden ze afgewezen: hij wilde niet dat mensen die hij in dienst nam zich door aannames lieten leiden.
De soeptest wordt niet meer gebruikt, maar generaties werkzoekenden bereiden zich nog altijd voor op de klassieke verwachtingen waaraan zij denken te moeten voldoen. Je moet je opdoffen. Je moet doen alsof projectmanagement, of data-entry, of telemarketing je enige echte passie is. Je moet een antwoord hebben op stompzinnige vragen als: beschrijf jezelf in één zin. Of noem je grootste zwakte. Uit een onderzoek uit 2017 bleek dat 73 procent van de sollicitanten zegt dat het zoeken naar een baan een van de stressvolste ervaringen in hun leven is. Het is daarom steeds gebruikelijker dat sollicitanten vooraf een lijst met interviewvragen krijgen, zodat kandidaten doordachte antwoorden kunnen geven. ‘Een sollicitatiegesprek moet niet onnodig eng of moeilijk zijn en het moet niemand opzettelijk laten struikelen,’ zeggen hr-managers.
The Wall Street Journal meldt dat meer docenten studenten helpen met elementaire basisvaardigheden, zoals sollicitatiebrieven schrijven en mensen bij hun naam noemen als ze met hen praten. Ze hopen dat deze cursussen de generatiekloof zullen helpen overbruggen en de scholieren zullen helpen bij het voeren van een geslaagd sollicitatiegesprek.
De postpandemische veranderingen en experimenten kunnen in ieder geval in ontwikkelde landen leiden tot een revolutie op de arbeidsmarkt die niet meer is vertoond sinds de industriële revolutie, toen de overgang van landbouw naar fabriekswerk diepgaande veranderingen in werkomgeving, arbeidstijden en loon tot gevolg had. De huidige veranderingen kun je op twee niveaus bekijken. Op macroniveau ontstaat er geleidelijk een nieuwe balans tussen werk en privé. Met de nadruk op ‘geleidelijk’, zoals het ook een halve eeuw aan arbeidsconflicten, vakbondsacties en bedrijfsexperimenten duurde voordat de werkdag in de Verenigde Staten terugging van veertien naar acht uur en de werkweek van zeven naar vijf dagen.
In 1914 verbaasde de Ford Motor Company concurrenten door de werkdag te beperken tot acht uur en werknemers een minimumloon van 5 dollar per dag uit te betalen. Het Congres maakte deze innovatie in 1938 tot wet, de Fair Labor Standards Act, en zo ontstond wat cultuurhistoricus Fred Turner het ‘sociaal pact uit het industriële tijdperk’ noemt. Evenzo leidden recente experimenten met een 32-urige werkweek tot gunstige effecten: minder vermoeidheid, een betere geestelijke gezondheid en een tevredener levensgevoel. Sterker, wie zijn week eenmaal zo heeft ingedeeld, wil meestal niet meer terug.
Nieuwe arbeidsroutine
Op microniveau hebben miljoenen mensen de coronajaren benut om tijd en geld opnieuw tegen elkaar af te wegen. Tijdens de lockdowns moesten veel werknemers zich een nieuwe arbeidsroutine aanwennen; daarbij genoten ze van de mogelijkheid om te pauzeren, meer tijd met hun dierbaren door te brengen en te sporten zonder de stress van het woon-werkverkeer of van de kantooromgeving. Deze ervaringen droegen later bij aan de zogeheten Great Resignation [grote ontslaggolf] in de VS en een toenemende populariteit van ‘quiet quitting’ [het afzweren van overwerk en andere overbodige inzet voor je werkgever].
Dus toen bedrijven hun werknemers begonnen te verzoeken om terug te keren naar de status quo van vóór de pandemie, leidde de vraag ‘Hoeveel werk volstaat?’ al snel tot een andere: ‘Volstaat waarvoor?’ Om de kost te verdienen? Om aan de productiviteitsverwachtingen van werkgevers te voldoen? Om te voorzien in ons streven naar geluk, of misschien om met pensioen te kunnen gaan? De antwoorden variëren al naargelang wie de vraag stelt en wie erop ingaat. Voor miljoenen werknemers met een laag inkomen is het antwoord eenvoudig: ‘volstaan’ betekent het verdienen van een loon waarmee ze zichzelf en hun gezin kunnen onderhouden.
Op microniveau hebben miljoenen mensen de coronajaren benut om tijd en geld opnieuw tegen elkaar af te wegen
Onder degenen die het zich kunnen veroorloven om tijd en geld tegen elkaar af te wegen, komen twee groepen werknemers naar voren in de brede discussie over wat een adequate hoeveelheid werk precies inhoudt. De eerste groep bestaat uit zorgverleners, een sector die nog steeds gedomineerd wordt door vrouwen, maar geleidelijk meer mannen aantrekt. In de arbeidseconomie verwijst ‘werk’ traditioneel naar betaalde arbeid waarbij goederen en diensten worden geproduceerd in ruil voor een geldelijke vergoeding. Maar sinds de integratie van vrouwen in de beroepsbevolking (inclusief die van arbeidseconomen) heeft het onderzoeksveld zich uitgebreid naar onbetaald werk. Dit omvat een gezin stichten, een thuis scheppen en in de behoeften voorzien van degenen die niet voor zichzelf kunnen zorgen. Dit zorgwerk is, zoals de Amerikaanse activist Ai-jen Poo zegt, ‘het werk dat al het andere werk mogelijk maakt’. Voor velen heeft deze vorm van arbeid evenveel betekenis als hun formele baan, of zelfs meer.
Als we met de vraag ‘hoeveel werk volstaat?’ ook onbetaald werk bedoelen, wordt duidelijk dat miljoenen mensen met zorgtaken en betaalde banen vaak veel langer moeten werken dan de traditionele achturige werkdag. Het is dan niet verwonderlijk dat velen, als ze de kans krijgen, ervoor kiezen het aantal betaalde werkuren te verminderen om voor anderen te kunnen zorgen. Gezien het sociale belang van zorgwerk moet deze onmisbare maar onbetaalde vorm van arbeid terug te vinden zijn in economische statistieken en door overheden worden erkend in hun uitkeringsbeleid.
Vrije tijd als gegeven
Amerikanen geloven over het algemeen heilig in een volledige werkweek. Werk is alles voor ons, schrijft geschiedenisprofessor James Livingstone in No More Work: Why Full Employment Is a Bad Idea.
Een baan geeft zin, doel en structuur aan ons dagelijks leven; door je werk kom je je bed uit, kun je je rekeningen betalen en ontwikkel je een gevoel van verantwoordelijkheid, aldus Aeon. Maar zoals antropoloog David Graeber in zijn boek Bullshit Jobs: A Theory stelt, zijn er miljoenen zinloze banen waar geen haan naar zal kraaien als die opeens verdwijnen. Sinds de pandemie weten we ook welke banen wel en welke banen niet als essentieel worden gekenmerkt en dat je de typische van 9 tot 5-baan ook heel anders kunt invullen.
Ook Livingstone vindt bovenstaande beweringen niet langer plausibel, want er is niet genoeg ‘zinvol’ werk voor iedereen en bovendien betaalt het in de meeste gevallen nauwelijks de rekeningen. De krapte op de arbeidsmarkt voor essentiële banen is weer een ander probleem, dat zou kunnen worden opgelost door omscholing, maar daar blijkt weinig animo voor.
Net zoals in veel Europese landen ligt het werkloosheidscijfer in de VS al onder de 6 procent, wat dicht in de buurt komt van wat economen ‘volledige werkgelegenheid’ noemen, maar de inkomensongelijkheid is niet veranderd. De zogeheten bullshit jobs lossen de sociale problemen niet op. Bovendien voorspellen economen dat bijna de helft van de bestaande banen binnen twintig jaar zal verdwijnen door automatisering. Daarom, stelt Livingstone, zullen we ons een wereld moeten voorstellen waarin werk niet langer zaligmakend is noch ons inkomen bepaalt of ons dagelijks leven domineert.
Wat zouden we doen als we niet meer hoefden te werken om in ons levensonderhoud te voorzien? vraagt hij zich af. Als we meer vrije tijd zouden hebben? Die door een falende arbeidsmarkt afgedwongen ethische en morele omslag houdt in dat er een heel nieuw referentiekader bedacht moet worden voor de betekenis van werk, aldus Livingstone. Over de gevolgen voor de economie moeten economen zich op hun beurt buigen.
Tegencultuur
Een andere belangrijke groep werknemers die zich afvraagt ‘hoeveel werk volstaat’, bestaat uit jonge mensen, met name jongere millennials en leden van generatie Z, van wie velen tijdens de pandemie hun eerste stappen op de arbeidsmarkt zetten. Net zoals veel jonge mensen in de jaren zestig de tegencultuur omarmden – ‘turn on, tune in, drop out’ – en het conformisme van hun ouders verwierpen, zetten veel gen Z’ers nu vraagtekens bij een op productiviteit, ambitie en succes gerichte cultuur, die ze geneigd zijn te verwerpen als het zoveelste giftige product uit Silicon Valley.
Gen Z’ers zijn opgegroeid in twee tumultueuze decennia, getekend door de terroristische aanslagen van 11 september, de introductie van de smartphone en sociale media, de financiële crisis van 2008 en de pandemie. Tegenwoordig worden ze geconfronteerd met neerwaartse sociale mobiliteit, tegen de achtergrond van een toenemende politieke polarisatie die de democratie onder druk zet, en een dreigende klimaatramp. Dit alles in aanmerking genomen is het niet vreemd dat ze kritisch staan tegenover de levenswijze van hun ouders en zich richten op het behoud van hun eigen geestelijke en lichamelijke gezondheid.
Veel gen Z’ers zetten nu vraagtekens bij een op productiviteit, ambitie en succes gerichte cultuur
Gen Z-iconen zoals turnster Simone Biles en tennisster Naomi Osaka, die zich terugtrokken uit grote sportevenementen om hun geestelijke gezondheid te beschermen, toonden de drive, het lef en het uithoudingsvermogen die nodig zijn om uit te blinken op het hoogste niveau. Maar door het idee te verwerpen dat hun waarde – zeker als prominente vrouwen van kleur – afhangt van de verwachtingen van anderen, lieten ze perfect zien dat persoonlijk welzijn niet mag worden opgeofferd aan goedkeuring van buitenaf. Hun besluit dat het leven om meer moet draait dan om productie en succes alleen is een daad van verzet tegen het kapitalisme zelf.
Sinds de opkomst van ChatGPT en zijn concurrenten draait de discussie over de toekomst van werk om de mate waarin menselijke arbeid noodzakelijk blijft. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat kunstmatige intelligentie de arbeidsmarkt stevig zal ontwrichten, doordat traditioneel werk en arbeidsomgevingen uit het industriële tijdperk overbodig zullen worden. Maar ongeacht wat ons te wachten staat, kunnen we de vraag waar en hoelang we werken niet beantwoorden zonder eerst de meest fundamentele vraag te beantwoorden: waarom we werken.
Het is geen kwestie van ‘niet willen’
Er wordt vaak gezegd dat jonge mensen ‘niet willen werken’, maar klopt dat wel? Dat vroeg de Mexicaanse arbeidsmarktonderzoeker Nataly Hernández zich af in zakenkrant El Economista. Ook Mexicaanse bedrijven kunnen moeilijk personeel vinden, ondanks het feit dat er 2 miljoen werkzoekenden zijn en 6 miljoen mensen in de beroepsgeschikte leeftijd zich momenteel niet op de arbeidsmarkt begeven.
‘Het is opvallend dat dit gebeurt in ons land, waar zo veel mensen willen werken, onder wie veel jonge mensen die met hun vaardigheden kunnen bijdragen aan de economie,’ aldus Hernández. Volgens haar zijn de beschikbare banen in Mexico slecht te combineren met een gezinsleven, door een gebrek aan flexibele werktijden en goede kinderopvang, waardoor vooral jonge vrouwen worden uitgesloten.
Ondanks alle kritiek is het einde van het kapitalisme nog lang niet in zicht, schrijft de Duitse econoom Otmar Issing. ‘Het wordt tijd dat intellectuelen die af willen van de markteconomie zich bij die realiteit neerleggen.’
Bij elke crisis van enige omvang verschijnen profeten ten tonele die het einde van het kapitalisme verkondigen. Dat soort voorspellingen kennen we al eeuwen. Maar tot nu toe zijn ze nooit uitgekomen, het kapitalisme heeft steeds weten te overleven en kwam vaak zelfs sterker uit crises tevoorschijn. Marx’ these van de noodzakelijke economische en sociale ontwikkeling en de onvermijdelijke ondergang van het kapitalisme bleek gewoon onjuist.
Door een lang voor onmogelijk gehouden oorlog in Europa, de dreiging van een wereldwijde milieucrisis, het verwachte einde van het fossiele tijdperk, toenemende geopolitieke spanningen met het risico van handelsoorlogen, een voorspelbare strijd over de verdeling van inkomen en vermogen en het indrukwekkende succes van het Chinese economische model is een constellatie ontstaan waarin allerlei profeten wederom, en dit keer zeer nadrukkelijk, het einde van het kapitalisme zullen voorspellen. Door de veelheid aan crisishaarden verwachten ze min of meer dat het kapitalisme dit keer voorgoed schipbreuk zal lijden.
De meeste aanvallen zijn dan ook in essentie gericht op de ‘markt’ als economisch en bovendien sociaal sturingssysteem
Behalve door deze cyclische bewegingen wordt het kapitalisme begeleid door een constante, je zou bijna zeggen ‘trouwe’ oppositie van talrijke intellectuelen. Ze maken over het algemeen geen onderscheid tussen het ongebreidelde negentiende-eeuwse Manchester-kapitalisme met zijn erbarmelijke omstandigheden en de moderne marktsystemen waarin de staat een essentiële rol speelt, door middel van allerhande interventies de economie corrigeert en stuurt, en zorgt voor een steeds breder sociaal vangnet. De meeste aanvallen zijn dan ook in essentie gericht op de ‘markt’ als economisch en bovendien sociaal sturingssysteem. Hun aanval is simpelweg gericht op het ‘kapitalisme’ als zodanig, en onder die vlag vervalt dan ook de noodzaak tot differentiatie tussen de veelheid aan uitdrukkingsvormen.
Creatieve vernietiging
De Oostenrijkse macro-econoom Joseph Schumpeter heeft de markt beschreven als een medium van ‘creatieve vernietiging’ dat achterhaalde activiteiten verdringt en ruimte creëert voor vooruitgang; de markt functioneert als effectief stimuleringssysteem door succesvolle innovaties te belonen met winst. In de economische geschiedenis zijn daarvan ontelbaar veel voorbeelden te zien. Tijdens de pandemie werd de superioriteit van het marktmechanisme opnieuw overtuigend aangetoond. Neem alleen al BioNTech: het echtpaar Sahin reageerde op de uitbraak van de pandemie door, grotendeels gefinancierd door particulier durfkapitaal, zijn onderzoek te concentreren op het vinden van een vaccin. In onverwacht korte tijd presenteerden ze een oplossing die miljoenen mensen het leven heeft gered.
Dat dit onderzoek is uitgevoerd op basis van door de overheid gefinancierd fundamenteel onderzoek doet geen afbreuk aan de effectiviteit van de markt als stimuleringsmechanisme. De markteconomie opereert tenslotte niet in een beleidsvrije ruimte, maar is geïncorporeerd in het staatsbestel. Het bevorderen van de wetenschap is een kerntaak van de overheid. In het samenspel van staat en markt ontstaan de beste resultaten.
De voornaamste bron van scepsis of zelfs vijandschap ten aanzien van de markteconomie is echter de kritiek dat dit systeem onvermijdelijk in strijd is met fundamentele beginselen van rechtvaardigheid. Onder economen woedt al jaren een verhit debat over de ongelijkheid in de verdeling van inkomen en vermogen. Ook voorstanders van het marktsysteem zien hier het risico dat de grote en vooral toenemende ongelijkheid tot afnemende politieke acceptatie leidt. Deze opvatting gaat samen met het verwijt dat economische macht ook de politiek in zijn greep krijgt en dan ook het staatsbeleid in vergaande mate bepaalt. Die combinatie maakt dat de weg naar hervorming van het systeem definitief is afgesloten.
Veel intellectuele niet-economen hebben deze omweg niet eens nodig.
Veel intellectuele niet-economen hebben deze omweg niet eens nodig. Voor hen is het marktmechanisme per definitie asociaal en onrechtvaardig. Aan meer motivering hebben ze geen behoefte, vooral omdat het socialisme klaarstaat als superieure, op rechtvaardigheid gebaseerde orde. Publicaties die deze lijn volgen, krijgen vaak religieuze trekjes.
De oorsprong van deze antipathie ligt in een ver verleden. Plato staat als een prominent vertegenwoordiger vooraan in de rij. Zijn minachting voor alle economische activiteit, vooral voor handelaren, gecombineerd met het idee van een optimale staatsinrichting met een filosoof-koning aan het hoofd, heeft door de eeuwen heen diepe sporen achtergelaten, niet alleen in de filosofie. Het lijkt op het eerste gezicht vergezocht om van Plato via allerlei tussenstadia een lijn te trekken naar de pretenties van moderne intellectuelen; en toch zijn hun gemeenschappelijke wortels makkelijk te herkennen. De vergelijking strookt ook met de observatie dat deze elitaire, zich althans elitair voelende, groep zich vrijwel zonder uitzondering niet in de actieve politiek mengt. De rol van koning is nu eenmaal niet te vergeven, dus zou men zich in een democratie moeten bezighouden met de problemen van alledag. Dan kun je beter het idee van een betere wereld propageren, en daar is het socialisme bij uitstek geschikt voor.
Een paar eeuwen later hebben de grote religies in dezelfde richting gewerkt. De geschiedenis van het communisme in de vroege kerkgemeenschappen dient nog steeds als referentiepunt voor een betere samenleving. De ontwikkeling van het christendom is te complex verlopen om het christelijke standpunt over de economie onder één noemer te kunnen brengen. Maar men doet de twee christelijke kerken geen onrecht door ze niet bepaald als verdedigers van het kapitalisme te zien. (De school van Salamanca en de katholieke sociale leer vormen belangrijke uitzonderingen. De huidige paus belichaamt als het ware het kerkelijke speerpunt tegen het kapitalisme.)
Overlevingskunstenaar
Met zijn veelsoortige, buiten het economische liggende wortels is en blijft het socialisme een idee dat, ondanks alle in de praktijk mislukte pogingen, kan worden beschouwd als een soort intellectuele overlevingskunstenaar. Het socialisme zien als een hopeloos mislukt idee is iets heel anders dan het kapitalisme in al zijn vormen goedkeuren. Ook is het niet voldoende om te wijzen op de fundamentele verschillen tussen het ongebreidelde Manchester-kapitalisme en moderne markteconomieën. Gebeurtenissen zoals de bankencrisis, waarbij na grote particuliere winsten de verliezen op de samenleving werden afgewenteld, perverteren de argumenten voor de markteconomie. Die zondeval wordt niet goedgemaakt door het feit dat de staat ongehoord heeft gefaald bij het reguleren van en toezicht houden op de banken.
Het volstaat evenmin om sociale rechtvaardigheid een ‘wezelwoord’ (als een ei dat door een wezel is leeggezogen en zo van zijn inhoud is beroofd) te noemen, zoals de Oostenrijkse Nobelprijswinnaar voor economie Friedrich A. von Hayek deed. Met de roep om meer (sociale) rechtvaardigheid worden wereldwijd ideologische gevechten geleverd en verkiezingscampagnes uitgevochten en ook vaak gewonnen. Het is een hele uitdaging om liberale boodschappen, zoals die van de filosoof John Rawls, in een krachtige slogan uit te drukken.
Wordt het geen tijd dat de intellectuelen die zo op de markteconomie neerkijken zich eens bij die realiteit neerleggen?
Het verdelingsvraagstuk vraagt om antwoorden, net als om het voor een zelfstandig leven, gelijke kansen en participatie noodzakelijke onderwijs. Het paal en perk stellen aan de macht van het geld is altijd al een belangrijk agendapunt van de neoliberalen geweest. In het tijdperk van de moderne netwerkeconomie is het een even urgente als moeilijke opgave geworden. Tegenover de vermoedelijk nooit aflatende beloften van een beter leven zal de markteconomie, met haar hoge eisen aan de persoonlijke verantwoordelijkheid, altijd haar uiterste best moeten doen de goedkeuring van de burgers te krijgen.
Een onbevooroordeelde blik op de geschiedenis levert een eenduidige diagnose op. Alle experimenten om het socialisme in de praktijk te realiseren zijn uiteindelijk mislukt. Vrijheid en welvaart gedijen op lange termijn alleen in de combinatie van een democratische rechtsstaat en markteconomie. Wordt het geen tijd dat de intellectuelen die zo op de markteconomie neerkijken zich eens bij die realiteit neerleggen? Ook al geeft het beeld van de ideeëngeschiedenis daarvoor niet veel hoop, het is toch zaak steeds opnieuw het debat aan te gaan.
Veel mensen zijn bezorgd over de slechte toestand van de wereldeconomie. Om die te verbeteren, moet de politiek een nieuw systeem bedenken dat de nationale en mondiale belangen beter in evenwicht brengt, betoogt columnist Rana Foroohar.
Er heerst veel algemene verwarring, zo niet regelrechte angst, over de toestand van de wereldeconomie. De oorlog in Oekraïne, de schommelende gasprijzen, de torenhoge hypotheekrente, de aanhoudende gevolgen van de pandemie en het dreigende vooruitzicht van een recessie: al deze factoren lijken samen te smelten tot één grote chaos.
Die angst is reëel. Maar de chaos is van voorbijgaande aard – deze wordt grotendeels veroorzaakt door het tumult dat gepaard gaat met elke overgang van een oude naar een nieuwe economische orde. Elke economie maakt cycli door van groei en krimp, maar de belangrijkste indicator binnen die cycli heeft niet zozeer te maken met marktprijzen of werkloosheidscijfers als wel met de onderliggende politieke filosofie.
Ongeveer een halve eeuw lang was onze politieke economie gebaseerd op het heersende concept van het neoliberalisme – het idee dat kapitaal, goederen en mensen grenzen moeten kunnen overschrijden op zoek naar het productiefste en meest winstgevende rendement. Veel mensen associëren dit principe met de trickledowneconomie van Ronald Reagan en Margaret Thatcher, of zelfs met de ondernemersvriendelijke economische ideeën over financiële markten en handel die Bill Clinton en Barack Obama omarmden. Maar de wortels van de filosofie gaan verder terug.
Ongelijkheid
De term ‘neoliberalisme’ werd in 1938 bedacht op een bijeenkomst in Parijs van economen, sociologen, journalisten en zakenlieden die zich zorgen maakten over de – in hun ogen buitensporige – staatscontrole op de markten na de Great Depression. Ze dachten dat de belangen van de natiestaat en de democratie wel eens problemen zouden kunnen gaan opleveren voor de economische en politieke stabiliteit. Het stemgerechtigde publiek kon niet worden vertrouwd, en dus moesten nationale belangen (of, meer in het bijzonder, nationalisme) worden in-geperkt door internationale wetten en instellingen, zodat markten en de samenleving als geheel goed konden functioneren.
Mondiale instellingen als het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank en latere organisaties als de Wereldhandelsorganisatie – instellingen die in wezen gaan over grensoverschrijdende mondiale financiën, handel en ondernemingen – werden beïnvloed door deze neoliberale filo-sofieën. Zij pleitten krachtig voor de Washington-consensus, een reeks economische beginselen die waren afgeleid van de hoofdingrediënten marktliberalisering en onbelemmerde globalisering. Dit recept zorgde voor meer groei dan ooit tevoren; de vier jaar voorafgaand aan de financiële crisis van 2008 behoorden wereldwijd tot de sterkste groeiperioden in de afgelopen halve eeuw. Maar ze leidden ook tot grote ongelijkheid binnen de afzonderlijke landen.
Geld beweegt zich veel sneller over grenzen dan goederen of mensen
Hoe kon dat? Voor een deel doordat geld zich veel sneller over grenzen beweegt dan goederen of mensen. De ‘goedkoop kapitaal voor goedkope arbeid’-afspraak tussen de Verenigde Staten en Azië, vanaf de jaren tachtig, kwam voornamelijk ten goede aan multinationals en de Chinese staat, zo blijkt uit academisch onderzoek. De Reagan-Thatcher-revolutie bevrijdde het wereldkapitaal door de financiële sector te dereguleren, en de wereldhandel werd vervolgens volledig vrij-gelaten in het Clinton-tijdperk, met overeenkomsten als NAFTA en de uiteindelijke toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie. Qua beleidsbelangen sloeg de balans tussen het scheppen van binnenlandse banen en de integratie van de wereldmarkt door naar het laatste. Het idee was dat goedkopere consumentenprijzen van importgoederen de afgevlakte of zelfs dalende lonen zouden compenseren.
Maar dat gebeurde niet. Al vóór de pandemie en de oorlog in Oekraïne stegen de prijzen van goederen en diensten die essentieel zijn voor de middenklasse – van huisvesting tot onderwijs en gezondheidszorg – veel sneller dan de lonen. Dat is nog steeds het geval, zelfs met de recente looninflatie. Het gevoel dat de wereldeconomie te ver af is komen te staan van nationale belangen speelde een rol bij de opkomst van het populisme, nationalisme en zelfs fascisme (in de vorm van Donald Trump en de Make America Great Again-beweging) waar we nu mee worstelen. Het is van een bittere ironie dat juist de filosofieën die bedoeld waren om politiek extremisme in te dammen, het tegenovergestelde hebben bewerkstelligd, omdat ze te ver zijn gegaan.
Neoliberale filosofie
De neoliberale filosofie is failliet, niet alleen in de Verenigde Staten maar ook elders, getuige het verzet in Groot-Brittannië tegen het mislukte experiment van oud-premier Liz Truss met belastingverlagingen met een beoogd trickledowneffect. Door arbeid uit te besteden aan meerdere landen zou de maakindustrie productiever en het bedrijfsleven efficiënter worden. Maar die vermeende efficiëntie bleek bij elke vorm van wereldwijde stress grotendeels in te storten, of het nou ging om pandemieën, tsunami’s, storingen in havens of andere onvoorziene gebeurtenissen.
Complexe toeleveringsketens leidden al ver voor de mondiale crises van de afgelopen jaren tot verschillende rampen. Denk bijvoorbeeld aan Rana Plaza in Bangladesh, de fabriek die kleding maakte voor diverse mondiale merken (die geen idee hadden van risico’s in hun toeleveringsketen) en die in 2013 instortte, waarbij ruim elfhonderd mensen om het leven kwamen. Ondertussen werd de vrijhandel, die geacht werd de vrede tussen landen te bevorderen, zelf een systeem dat door commercieel ingestelde landen en door de staat geleide autocratieën kon worden misbruikt, met diepe politieke tegenstellingen in binnen- en buitenland als gevolg.
Aardverschuivingen in de sociaaleconomische agenda zijn zeldzaam en leiden tot hervormingen
Gelukkig zwaait de slinger van de politieke economie uiteindelijk weer terug en maken uitgespeelde filosofieën plaats voor nieuwe. Aardverschuivingen in de sociaaleconomische agenda zijn zeldzaam en leiden tot hervormingen. Zo’n verschuiving maken we nu door. De wereld is zich aan het herschikken – niet terug naar het ‘normaal’ van conventionele neo-liberale economische modellen, maar naar een nieuw normaal. Zowel in beleidskringen als in het bedrijfsleven en de academische wereld wordt nagedacht over het juiste evenwicht tussen mondiaal en lokaal.
Het handelsbeleid houdt steeds meer rekening met arbeids- en milieunormen, vanuit de gedachte dat goedkoop niet altijd goedkoop is, bijvoorbeeld als producten het milieu aantasten of door kinderhanden worden gemaakt. Om rekening te houden met privacy en liberale waarden wordt er opnieuw nagedacht over de handel in digitale diensten. (Willen we echt dat onze persoonlijke gegevens worden overgedragen aan big tech of grote controlestaten zoals China?) Leveringsketens worden niet alleen korter vanwege de geopolitiek, maar ook door nieuwe technologieën (zoals gedecentraliseerde landbouw en 3D-printers) die het mogelijk maken om productie en consumptie dichter bij huis onder te brengen.
En nu?
En nu? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de economische globalisering niet opnieuw te ver vooruitloopt op de nationale politiek? En hoe kunnen we problemen oplossen zonder te verzanden in het protectionisme van de jaren dertig of in valse nostalgie naar een voorbije tijd?
Er bestaat nog geen nieuwe ‘theorie van alles’ voor de post-neoliberale wereld. Maar dat betekent niet dat we de oude filosofie niet ter discussie moeten blijven stellen. Een van de hardnekkigste neoliberale mythen was dat de wereld plat was en dat nationale belangen ondergeschikt zouden zijn aan de wereldmarkten. De afgelopen jaren hebben dat idee onderuitgehaald. Het is aan degenen die de liberale democratie een warm hart toedragen om een nieuw systeem te bedenken dat lokale en globale belangen beter in evenwicht brengt.
Lang zijn heeft over het algemeen onze voorkeur. Maar kleinere mensen hebben de toekomst: ze leven langer en besparen tonnen voedsel per jaar.
Vanuit mijn gezichtspunt – met mijn lengte van 1 meter 52 – is lang zijn een wijdverbreide superioriteitsfantasie die al lang geleden met pensioen had moeten gaan. Het was zinvol om te zwijmelen over lengte toen het ging om overleven. Eeuwen geleden, toen de noodzaak om je te verdedigen zich dagelijks, zo niet elk uur voordeed, konden lange mensen gemakkelijker hun familie beschermen en tegelijk wat steak van de wolharige neushoorn mee naar huis brengen. Wie het uithoudings-vermogen heeft om de hele dag in een kantoorstoel door te brengen, neemt tegenwoordig in plastic verpakt vlees mee naar huis.
Er is een aanhoudend debat over de gemiddelde lengte van een bevolking en wat dat betekent voor de welvaart en status van een natie, maar ik ben meer geïnteresseerd in lengte op individueel niveau. Ons succes als individu hangt niet af van het in elkaar kunnen slaan van andere mensen of dieren. En zelfs als dat wel zo was: in dit tijdperk van wapens en drones maakt lang zijn je alleen maar een makkelijker doelwit.
In Size Matters schreef journalist Stephen S. Hall dat Frederik Willem I van Pruisen in de achttiende eeuw exorbitante bedragen neertelde om ‘reusachtige’ soldaten uit de hele wereld te rekruteren, waarmee hij ‘voor het eerst in een grote, post-middeleeuwse samenleving de wenselijkheid van lang zijn’ institutionaliseerde en daarmee aan lengte een tastbare waarde toekende, die nog tot in de moderne tijd doorklinkt.
50 centimeter lang
Arne Hendriks, 1 meter 95, is initiatiefnemer van The Incredible Shrinking Man, een artistiek, prijswinnend onderzoek naar de mogelijkheden om een mens te creëren van vijftig centimeter lang, een mens die beter op aarde past.
Er bestaat ook een Klub Lange Mensen in Nederland, alleen toegang boven de 1.80 m., waar praktische, motorische en gedragsmatige problemen onder de aandacht van de overheid, producenten en leveranciers worden gebracht. Klub Lange Mensen was bijvoorbeeld nauw betrokken bij het ontwerp van een nieuwe vliegtuigstoel.
De echo van deze vroege menselijke verlangens en vooroordelen is in onze geest blijven hangen als een bijzonder pakkende marketingjingle, zozeer zelfs dat we onze stem uitbrengen op lange kandidaten in de veronderstelling dat zij betere leiders zijn. Ook kiezen we vaak lange mensen als partner zonder dat er doorslaggevende data zijn waaruit blijkt dat zij betere echtgenoten zijn. John Kenneth Galbraith, de ruim twee meter lange econoom en diplomaat, beschouwde onze voorkeur voor lange mensen als ‘een van de meest flagrante en algemeen geaccepteerde vooroordelen in onze samenleving’. Anderen gaan tot het uiterste voor een paar centimeter erbij – steeds meer mensen geven tot wel 150.000 dollar uit voor ondraaglijke operaties om hun ledematen te verlengen, en ouders geven gezonde kinderen behandelingen met groeihormonen waarvan de bijwerkingen onbekend zijn.
Dat weet ik omdat ikzelf een van die kinderen was. Als tiener injecteerde ik drieënhalf jaar lang Humatrope in mijn dijen op aandringen van mijn ouders, die vreesden dat ik buiten de boot zou vallen omdat ik klein was. Ik begrijp waarom ze dat dachten, gezien de manier waarop kleine mensen in onze maatschappij worden behandeld – een liedje met de tekst ‘short people got no reason to live’ stond een paar jaar voor mijn geboorte op nummer 2 in de Billboard Hot 100.
Nu heb ik een tweeling, en mijn twee kinderen behoren tot de kleinsten van hun kleuterschool, maar in plaats van ze medicijnen te geven vanwege een verouderd maatschappelijk vooroordeel, laat ik ze zijn zoals ze zijn: klein. Want klein is beter, en klein is de toekomst.
Minder cellen
We zeggen maar eens in de vier jaar iets positiefs over iemand die klein is, wanneer Simone Biles ons betovert in haar turnpakje. Daardoor blijven de vele voordelen die kleine mensen hebben, onderbelicht. Korte mensen leven gemiddeld langer en krijgen minder vaak kanker. Volgens een theorie komt dit omdat er met minder cellen een kleinere kans bestaat dat er iets fout gaat. Dat heb ik liever dan kunnen dunken bij basketbal.
Kleine mensen zijn ook inherente natuurbeschermers, een cruciaal gegeven in deze wereld met acht miljard mensen. Thomas Samaras, die al veertig jaar onderzoek doet naar lengte – en in kleine kring bekendstaat als de ‘Godfather of Shrink Think’, een onbekende filosofie die kleinheid superieur acht – berekende dat als we alleen al in Amerika met behoud van dezelfde proporties 10 procent korter zouden zijn, we 87 miljoen ton voedsel per jaar zouden besparen (om nog maar te zwijgen van biljoenen liters water, biljarden eenheden aan energie en miljoenen tonnen afval).
‘Ik wil niet dat lange mensen zich slecht voelen over zichzelf,’ zegt Samaras oprecht, ‘maar de tijd is rijp om klein te zijn.’
Ouders scheppen op over hoe hun kinderen ‘hun de oren van het hoofd eten’, en al binnen een week uit hun schoenen zijn gegroeid – alsof ze daar een medaille voor verwachten. Mijn kinderen eten als knaagdiertjes en dat is prima – ze zijn gezond. Door hun lage percentielen besparen we geld en voedsel, en ze passen een jaar lang in hetzelfde paar schoenen. Groeien als onkruid? Nee, bedankt. Ik ga voor groeien als een cactus.
Kleine mensen besparen niet alleen grondstoffen, maar zijn misschien ook het best aangepast om op lange termijn te overleven
Kleine mensen besparen niet alleen grondstoffen, maar omdat grondstoffen schaarser worden door de groeiende wereldbevolking en de opwarming van de aarde, zijn ze misschien ook het best aangepast om op lange termijn te overleven (en niet alleen omdat er meer van ons in een ruimteschip passen als we deze door ons vernielde planeet moeten verlaten). Yuval Noah Harari schreef in zijn boek Sapiens over een vroege menselijke soort die een eiland bewoonde dat Flores heet. Door een stijging van de zeespiegel was het eiland afgesneden van andere landmassa’s.
‘De grotere mensen, die veel voedsel nodig hadden, stierven als eersten’, schreef Harari. Na een evolutieproces van vele generaties was de gemiddelde lengte van de mensen op het eiland slechts anderhalve meter. Ze konden alles wat grotere mensen konden – gereedschap maken, jagen – maar ze konden ook in leven blijven in moeilijke tijden.
Door te paren met kleinere mensen, verklein je de behoeften van volgende generaties en red je mogelijk de planeet. Door op datingsites in je profiel de gewenste minimumlengte van potentiële partners te verlagen zet je een stap in de richting van een groenere planeet.
Compenseren
Nancy Blaker, een onderzoeker in Nederland die sociale status heeft bestudeerd, zegt dat kleine mannen, tegen de heersende stereotypen in, hun kleine lengte mogelijk ‘compenseren’ door positieve eigenschappen te ontwikkelen. ‘Het gaat niet om agressief en gemeen zijn,’ zegt ze. ‘Kleine mannen gedragen zich slim en strategisch en dat kan ook betekenen dat ze zich prosociaal opstellen.’
Mijn man, die 1 meter 67 is, zegt dat lang zijn een stuk makkelijker zou zijn geweest dan te moeten investeren in zijn gevoel voor humor, maar ik weet wel dat ik niet met hem zou zijn getrouwd als mijn wangen niet zo’n pijn hadden gedaan van het lachen op onze eerste date.
Het probleem is dat we nog steeds de illusie koesteren en als stelregel hanteren dat ‘meer van iets’ altijd waarde toevoegt. Het was Alberto Hayek – mijn vroegere, inmiddels gepensioneerde endocrinoloog van het Rady Children’s Hospital in San Diego – die me hierop heeft gewezen. Ik vroeg hem waarom ouders een behandeling met groeihormonen willen voor kinderen die geen onderliggende medische aandoening hebben. Hij zei dat het streven naar lengte vanzelfsprekend is in een kapitalistische maatschappij. ‘Alles is groot – de gebouwen, de bedrijven,’ zei hij en legde uit dat het ideaalbeeld dat ouders van hun kroost hebben wordt bepaald door de gedachte dat groter beter is.
‘Er zijn kleine mensen die het goed doen en een fantastisch leven leiden, en er zijn lange mensen die zich ellendig voelen’
Een andere endocrinoloog, Adda Grimberg, wetenschappelijk directeur van het Growth Center van het Children’s Hospital of Philadelphia, zegt dat lengte-discriminatie weliswaar bestaat, maar dat bezorgde ouders ten onrechte denken dat lang zijn de sleutel is tot succes en erbij horen. ‘Er zijn kleine mensen die het goed doen en een fantastisch leven leiden, en er zijn lange mensen die zich ellendig voelen,’ aldus Grimberg. ‘Het is niet de lengte op zich die het resultaat bepaalt.’
Daar ben ik het mee eens. Als klein persoon heb ik gemerkt dat er maar één ding is wat ik niet kan: dingen uit hoge schappen pakken. Maar dat gaat prima in de supermarkt, want lange mensen reiken graag naar dingen – het geeft ze het gevoel dat hun buitensporige ledematen tenminste een doel hebben.
In sommige delen van de wereld wordt klein zijn juist gevierd. Arne Hendriks, een docent en kunstenaar van 1 meter 95, gebruikt optredens en tentoonstellingen om mensen aan te moedigen hun kleinere lengte te omarmen. Hij heeft zelfs de hoeveelheid zuivel en suiker in het dieet van zijn zoons teruggebracht in een poging hun groei te beperken en hen te behoeden voor de nadelen van lang zijn. ‘Het is tijd voor lange mensen om hun arrogantie te laten varen,’ zegt Hendriks. ‘Wees niet overmoedig als je lang bent, want je zult waarschijnlijk jonger sterven, meer gezondheidsproblemen hebben en voor meer vervuiling zorgen.’
De toekomst die ik voor ogen heb, is anders: ik wil dat de kinderen van mijn kinderen de waarde van klein zijn inzien. Ik wil dat ze zichzelf klein maar fijn noemen! En als de een roept: ‘Ik ben de kleinste’, hoop ik dat de ander door zijn knieën gaat om zich kleiner te maken en roept: ‘Nee, ik ben de kleinste!’
Niemand wil buitengesloten worden, iedereen wil erbij horen. Van gendertaal tot vrouwenzwembad: inclusie wordt een dogma. Maar hoe zit het met ons recht om anders te zijn, vraagt deze Zwitserse journalist zich af.
Hoe meer we verschillen benadrukken, hoe gelijker we willen zijn. Afgelopen zomer wilde iemand met een baard en een lage stem in Zürich per se naar binnen in het vrouwenzwembad. Het management dacht dat de bezoeker een man was. Aan de F in het paspoort konden ze echter zien dat het om een vrouw ging. Een trans vrouw. Ze eiste toegang tot dit zwembad, waar uitsluitend vrouwen kwamen.
Moet iedereen altijd alles mogen? Inclusie beweert verschillen te negeren, maar eigenlijk benadrukt ze die juist. Waarom moeten vrouwen met een baard naar het vrouwenzwembad kunnen? Waarom mannen naar een vrouwen-wc? Waarom moet het mannetje op het verkeerslicht voor voetgangers worden vervangen door een zwangere vrouw? Waarom wordt de ‘voetgangersoversteekplaats’ een ‘zebrapad’? Waarom willen vrouwen naar de herensociëteit? Waarom moet elk stuk in de krant voor iedereen te begrijpen zijn? Waarom moeten mannen naar het vrouwenzwembad kunnen?
In 2017 eiste de extreemrechtse vleugel van de SVP (Zwitserse Volkspartij) in een motie dat mannen toegang moesten krijgen tot een vrouwenzwembad. Als reden werd gelijkstelling aangevoerd. Dus niet alleen links vecht voor inclusie, ook rechtse politici doen dat als ze er politiek profijt van denken te hebben.
Het terechte verlangen naar inclusie leidt tot het nivelleren en veronachtzamen van behoeften die met verscheidenheid samenhangen
Inclusie is een begrip dat de weg wijst naar een rechtvaardiger samenleving. Als iedereen erbij hoort, sluit je niemand uit. Als we niemand uitsluiten, wordt niemand gediscrimineerd. En tegenwoordig voelt men zich snel achtergesteld en over het hoofd gezien. Meer dan wat ook moet genderinclusief taalgebruik met al die gevoelens rekening houden. In het Duits is de vraag naar inclusie in de taal goed zichtbaar door alle sterretjes, slashes en andere tekens die worden gebruikt. Voorbeeld: ‘Studenten’ wordt minimaal ‘Studentinnen und Studenten’ of het inmiddels officieel goedgekeurde ‘Student/-innen’, maar steeds vaker zie je in plaats daarvan ook ‘StudentInnen’ (met een hoofdletter I), ‘Student*innen’, ‘Student_innen’ of ‘Student:innen’. De inclusiegedachte dringt door tot in alle aspecten van het leven. Tegen het streven altijd met iedereen rekening te houden en zonder uitzondering voor iedereen de deur te openen, valt eigenlijk niets in te brengen. Het probleem is dat er verschillen zijn die je niet kunt negeren.
Het terechte verlangen naar inclusie leidt tot het nivelleren en veronachtzamen van behoeften die met verscheidenheid samenhangen. Vrouwen in een vrouwenzwembad willen onder elkaar zijn en verschoond blijven van mannelijke blikken. Mannelijke studenten op de sociëteit praten onderling anders dan wanneer er vrouwen bij zijn. Zou het daarom beter zijn als er ook vrouwen bij kwamen, zodat mannen net zo gaan praten als vrouwen? Waarom moeten we allemaal gelijk zijn en ons aan elkaar aanpassen? Wat is dat toch met die angst voor verschillen? Bestaat er zelfs geen recht op anders zijn?
Gelijkberechtiging
Gelijkberechtiging is niet hetzelfde als gelijkheid. Bij gelijkberechtiging hoort dat iedereen dezelfde rechten heeft en ieders vrijheid gewaarborgd is. De mening van anderen wordt gerespecteerd en er heerst wederzijdse tolerantie. Een democratie beschermt minderheden, maar maakt niet iedereen gelijk.
Voordat inclusie een modewoord werd, was het een gangbare term met betrekking tot mensen met een handicap, wie daardoor ongehinderd toegang tot openbare ruimten werd gegarandeerd en in staat werden gesteld maatschappelijk te participeren. Mensen in een rolstoel moeten toegang hebben tot gebouwen met trappen, in treinen zijn zitplaatsen voor hen gereserveerd, ze spelen handbal. Visueel gehandicapten kunnen de nieuwe roman van Thomas Hürlimann in brailleschrift lezen, voor doven wordt het tv-journaal vertaald. Dat is goed.
Bij inclusie gaat het om de verwachting dat er op een dag geen verschil meer bestaat tussen de meest uiteenlopende mensen
Toen deed inclusie zijn intrede op scholen. Moeilijk lerende leerlingen krijgen les in normale klassen en worden behandeld als ieder ander. Het is niet de bedoeling dat ze zich anders voelen, maar dat ze er ‘volkomen natuurlijk bij horen’, zoals het inclusieve concept wil. Toch wordt deze orthopedagogische aanpak inmiddels ook bekritiseerd omdat hij nivellerend en romantiserend zou zijn. Als je het bijzondere wegincludeert, kan dat voor het betrokken kind zelfs contraproductief zijn.
Bij inclusie gaat het om de verwachting dat er op een dag geen verschil meer bestaat tussen de meest uiteenlopende mensen. Om te beginnen voor de wet. Maar steeds vaker wordt op basis van subjectieve gevoelens beargumenteerd wat rechtvaardig is: hetgeen waarvan men uitgesloten is, wordt als ontkenning van de eigen persoon ervaren, als afwijzing van iemands uniciteit, alsof iemand zijn bestaansrecht wordt ontnomen. Zo wordt inclusie een dogma en is vaak niet duidelijk wie echt van inclusie profiteert. Universiteiten lopen voorop.
De hogeschool van Zürich voor toegepaste wetenschappen heeft ten behoeve van haar studenten onlangs richtlijnen voor inclusief taalgebruik gepubliceerd, waarmee de aanspreekvormen ‘mijnheer’ en ‘mevrouw’ moeten verdwijnen. Op de universiteit van Bazel zijn onlangs genderneutrale wc’s geïnstalleerd. Op de vraag wie deze wc’s mag gebruiken, geven de leiders van het project Diversiteit en Inclusie van de universiteit op hun website het filosofische antwoord: ‘Iedereen is welkom van de allgendertoiletten gebruik te maken.’
Inclusie is een paradoxaal gevolg van identiteitspolitiek
Inclusie is een paradoxaal gevolg van identiteitspolitiek. Hoe meer de samenleving versnipperd raakt in duidelijk afgebakende identiteiten, hoe meer groepen aandringen op zichtbaarheid en erkenning door inclusie. De afkorting lgbtqia+ wordt niet voor niets aangevuld met een plusteken. Zo wordt geen enkele seksuele oriëntatie of identiteit vergeten. De afkorting voert zichzelf ad absurdum.
Openheid en tolerantie lijken een bewijs dat iemand voor inclusie vecht. Uit onderzoek blijkt dat steeds minder jongeren zich ‘exclusief’ aangetrokken voelen tot het andere geslacht en steeds vaker als biseksueel uit de kast komen. Nog inclusiever – en dus sociaal rechtvaardiger – is het liefdesleven van panseksuelen; hun maakt het niet uit of de ander man of vrouw, homo, hetero, trans, non-binair of aseksueel is. Inclusie als het ontbreken van enige seksuele voorkeur. Inclusief handelen maakt dat je je goed voelt over jezelf. Dat geldt niet alleen bij de partnerkeuze, maar bij alle andere voorkeuren. ‘Ik ben de meest inclusieve luisteraar aller tijden,’ zei dj en muziekproducent Steve Aoki tegen The Guardian, die hem naar zijn muzikale voorkeuren vroeg. Door even graag naar welke band dan ook te luisteren, van Abba tot ZZ Top, doet hij ongetwijfeld niemand pijn, maar het klinkt ook ongelooflijk saai.
Mensen die erop staan nergens te worden buitengesloten maken zich er even makkelijk van af. Zij zien zichzelf als slachtoffer, in plaats van verschillen te accepteren en als onderdeel van een complexe identiteit te beschouwen. Maar omdat slachtofferidentiteiten zo machtig zijn geworden, worden naar geslacht gescheiden zones in de openbare ruimte opgeheven en voor iedereen toegankelijk gemaakt. Daarbij stuiten we echter ook op de grenzen van de inclusiegedachte: het Utoquai-bad in Zürich moest zijn uitsluitend voor vrouwen bestemde afdelingen heropenen, zo fel was het protest van de vrouwen.
De grens is ook merkbaar, en wel als paradox, wanneer het includeren van de ene groep de andere groep uitsluit. In officiële brieven wordt steeds vaker simpele of gemakkelijke taal gebruikt. Dat is bedoeld om ook mensen met een cognitieve beperking te bereiken. In musea worden schilderijen van eenvoudige bijschriften voorzien, en op heel wat redacties leest een speciaal daarvoor aangestelde persoon met leesproblemen de teksten vooraf om taalkundige hobbels uit de weg te ruimen. Maar juist gendertaal zit vol met zulke hobbels. Alleen al het vermelden van de vrouwelijke naast de mannelijke vorm maakt een tekst voor sommigen onleesbaar. En het gendersterretje is pas een echt obstakel. Iedereen includeren, sluit anderen uit.
Verschillen erkennen
We moeten minderheden beschermen, maar niet doen alsof iedereen gelijk is. Daar hebben ook degenen om wie het gaat niets aan. Als het minder goed presterende kind op een gewone school merkt dat het anders is, zal het daar pas echt onder lijden. Bedrijven creëren tegenwoordig banen voor mensen met een handicap zonder dat duidelijk is aangegeven welke taken ze moeten verrichten. Maar ook iemand met een handicap wil graag worden aangenomen omdat hij of zij goed is, niet omdat hij of zij een handicap heeft. En heel wat vrouwen worden zelfs liever met de generieke mannelijke vorm aangesproken dan op zo’n omstandige en taalkundig onesthetische manier.
‘Nee mogen zeggen hoort ook bij gelijkheid’
Econoom en voormalig topzwemmer Alex Miescher schreef onlangs in de NZZ am Sonntag dat in de sport het ongedifferentieerd claimen van inclusie botst met de essentie van sport: het wedstrijdelement. Bovendien zullen volgens hem mensen met een handicap in de sport soms onder elkaar willen blijven, en ook hijzelf kon niet deelnemen aan de zware skiwedstrijden op de Lauberhorn of aan de Paralympics omdat hij daar gewoon niet goed genoeg voor was of niet voldeed aan de voorwaarden voor deelname. ‘Nee mogen zeggen hoort ook bij gelijkheid.’
Wie nee zegt, erkent verschillen zonder daar een waardeoordeel aan te verbinden. In plaats van de tegenwoordig zo hoog aangeslagen individualiteit aan te voeren als rechtvaardiging om overal toelating en inclusie te eisen, kun je het ook anders, positiever zien: ik ben belangrijk als degene die ik ben, en juist daarom hoef ik niet overal bij te zijn. Ook niet overal bij hoeven horen geeft een gevoel van exclusiviteit. Exclusie kan mij op een positieve manier laten zien dat ik anders ben. Ook dat betekent vrijheid. Inclusie daarentegen elimineert de verschillen waarmee een individu zich onderscheidt. Uit angst voor verschillen moet iedereen gelijk zijn. Maar gelijkberechtiging is iets heel anders dan nivellering.
Op het World Economic Forum van mei 2022 in Davos kwamen rechtse populisten en sceptici uit de industriële sector in het geweer tegen een visie op zakendoen die verdergaat dan winst maken. Maar is de kentering nog tegen te houden?
Het World Economic Forum (WEF) dat afgelopen mei [2022] plaatsvond in Davos had een triomf moeten worden voor gastheer Klaus Schwab. Bijna een halve eeuw nadat deze econoom in Zwitserland zijn eerste bijeenkomst organiseerde voor wereldleiders, CEO’s en financiers, leek zijn overtuiging dat bedrijven het algemeen belang moeten dienen te hebben gezegevierd over het oude idee dat bedrijven alleen maar bestaan om winst te maken voor hun aandeelhouders.
In een boek dat tijdens het forum gratis verkrijgbaar was, verklaarden Schwab en zijn coauteur er zeker van te zijn dat het idee van ‘stakeholder-kapitalisme’, kapitalisme in dienst van alle belanghebbenden, eindelijk ‘gemeengoed was geworden’.
Maar veel Davos-gangers leken daar minder zeker van, ook al liepen ze van het ene naar het andere panel dat toezeggingen deed om de CO2-uitstoot te verminderen en bezochten ze cocktailparty’s waar werd gelobbyd voor steun aan de duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN. Het baarde hun steeds meer zorgen dat de grondbeginselen van het stakeholderkapitalisme – en de toenemende investeringen op het gebied van milieu, maatschappij en governance die daarmee gepaard gaan – onder vuur komen te liggen van populistische politici, tegenstanders uit de financiële sector en een ander soort activisten dan Schwab zich had voorgesteld.
Elon Musk
Elon Musk, misschien wel de meest prominente kapitalist van onze tijd, bestempelde de ESG-criteria voor duurzame beleggingen (milieu, maatschappij en governance) afgelopen mei als ‘zwendel’ nadat zijn bedrijf Tesla, baanbrekend producent van elektrische auto’s, was verwijderd uit de ESG-index van Standard and Poor’s (S&P). De scores van zulke indexen zijn afhankelijk van ‘hoe links een bedrijf is’, beweerde hij in een meme die op Twitter werd gedeeld.
Tariq Fancy, in een vorig leven hoofd duurzaam beleggen van de Amerikaanse vermogensbeheerder BlackRock, noemt duurzaam beleggen nu ‘een gevaarlijke placebo’. Deze scepsis heeft overheden ertoe aangezet om strengere regels op te leggen. De Amerikaanse toezichthouder SEC stelt regels op om de ESG-referenties van beleggingsproducten kritisch door te lichten, en de ‘taxonomie voor duurzame financiering’ van de EU definieert inmiddels wat als groen geldt.
‘Ik werk hier al meer dan twee jaar aan en het voelde lange tijd alsof ik tegen de stroom in moest zwemmen’
De conservatieve activisten die op jaarlijkse bijeenkomsten recordaantallen proteststemmen verzamelen, beijveren zich nu om de ESG-criteria en het stakeholderkapitalisme om te dopen tot iets wat holler, hypocrieter en zelfs schadelijker is: ‘woke kapitalisme’.
Volgens Vivek Ramaswamy, een conservatieve ondernemer en auteur, is deze felle reactie veroorzaakt doordat de elite over de schreef is gegaan. Hij haalde deze maand meer dan 20 miljoen dollar op bij de libertaire techinvesteerder Peter Thiel en anderen om een anti-ESG-investeringsgroep te beginnen die volgens hem graag de olie- en gasaandelen zal kopen die grote vermogensbeheerders steeds meer mijden. ‘Ik werk hier al meer dan twee jaar aan en het voelde lange tijd alsof ik tegen de stroom in moest zwemmen,’ zegt hij. ‘Maar nu is het tij gekeerd.’
Bekertje moraliteit
Na de financiële crisis van 2008 werden de leiders van het bedrijfsleven en de financiële wereld gezien als ‘het tuig van de Amerikaanse richel’, zegt Ramaswamy, en hun wens om hun reputatie te herstellen viel samen met die van jongere werknemers om met hun werk een hoger doel te bereiken. ‘Bedrijven grepen die kans aan door ze naar Ben & Jerry’s te sturen, waar ze een bekertje ijs konden bestellen met een bekertje moraliteit erbij,’ zegt hij, verwijzend naar het merk van Unilever dat Black Lives Matter heeft gesteund en zich verzette tegen Israëlische nederzettingen in de Palestijnse gebieden. Het gevaar van dit soort activisme, zegt hij, is dat naarmate de stemmen uit het bedrijfsleven luider klinken, ‘een kleine elite daarvan gaat bepalen wat goed is voor de samenleving als geheel’. Volgens Ramaswamy gaat de bepalende culturele en politieke strijd van onze tijd niet tussen links en rechts, maar ‘tussen de kaste van managers en de moderne burger’.
Terwijl peilingen een scherpe daling laten zien van het Republikeinse vertrouwen in grote bedrijven, werken rechtse activisten aan het terugdraaien van veel veranderingen die zijn doorgevoerd onder de vlag van ESG en het stakeholderkapitalisme.
De afgelopen twee maanden heeft een conservatieve belangengroep een rechtbank in Californië overgehaald om twee staatswetten tegen te houden die diversiteitsquota zouden hebben opgelegd aan raden van bestuur. Tijdens jaar-vergaderingen zijn tal van CEO’s, van Goldman Sachs tot Meta, door conservatieve aandeelhoudersgroepen onder druk gezet vanwege hun liefdadigheidsdonaties of gelijkheidsbeleid. Eén zo’n groep, het Free Enterprise Project, beweert het Amerikaanse bedrijfsleven te willen behoeden voor ‘de socialistische fundamenten van woke’.
Sinds enkele jaren voelen CEO’s zich aangemoedigd door hun personeel en hun klanten (en door peilingen waaruit blijkt dat het bedrijfsleven meer vertrouwen geniet dan regeringen, non-profitorganisaties of media) om openbare standpunten in te nemen over onderwerpen die ze vroeger misschien hadden vermeden. Ook dit jaar kregen Davos-gangers van Edelman, een Amerikaans pr-bedrijf dat daar onderzoek naar doet, te horen dat de meeste mensen vinden dat CEO’s de verantwoordelijkheid hebben om zich uit te spreken over kwesties als klimaatverandering en discriminatie. Maar recent wetenschappelijk onderzoek toont aan dat de calculus achter het innemen van het soort sociaal-liberale standpunten dat een kapitalist als ‘woke’ zou kunnen bestempelen, complexer is.
Nadelen
‘Uit mijn onderzoek blijkt dat de voordelen niet opwegen tegen de nadelen,’ zegt Vanessa Burbano van de Columbia Business School in New York, die de reacties heeft bestudeerd van werknemers van bedrijven die zich uitspraken over de ‘wc-wetsvoorstellen’ van 2017, bedoeld om voor te schrijven van welke wc’s transgenders gebruik zouden moeten maken. Ze ontdekte dat CEO’s die een standpunt over de kwestie innamen werknemers die het niet met hen eens waren demotiveerden, terwijl werknemers die het wel met hen eens waren niet op een zinvolle manier werden gemotiveerd.
Sommige bedrijven lijken zulke risico’s al in te calculeren bij het nemen van beslissingen over hun politieke interventies. Swarnodeep Homroy, universitair hoofddocent finance aan de Rijksuniversiteit Groningen, ontdekte dat bedrijven in staten met een sterk gepolariseerd electoraat eerder geneigd waren om te stoppen met het doen van donaties aan Republikeinen die de verkiezingsoverwinning van Joe Biden in 2020 ontkenden. Ze waren minder geneigd om dit te doen als ze politieke risico’s liepen, zoals het verspelen van overheidscontracten.
In Davos zeiden Amerikaanse CEO’s dat ze pragmatische ‘probleemoplossers’ in het Congres wilden aanmoedigen, maar een van hen klaagde off the record dat hij momenteel niemand zag in het midden van een steeds sterker verdeeld politiek landschap.
‘Ik ben echt bang dat de ESG-criteria in een lippendienst zijn ontaard en dat het te veel een kwestie van afvinken is geworden’
Die polarisatie zal er waarschijnlijk toe leiden dat meer CEO’s hun stem zullen laten horen bij de sociale geschillen die hun werknemers het meeste aan het hart gaan, zegt Vanessa Burbano. ‘Werknemers realiseren zich dat hun leiders voor een keuze staan over wat ze moeten zeggen en doen, en zijzelf kunnen daar mogelijk invloed op uitoefenen op een manier die vijf jaar geleden nog ondenkbaar was,’ zegt Burbano.
Hoewel ze de motieven van hun critici wantrouwen, erkennen diverse voorstanders van duurzamere manieren van zakendoen de beperkingen van de ESG-criteria, die weliswaar ambitieus van opzet zijn, maar onduidelijk zijn omschreven.
‘Ik ben echt bang dat de ESG-criteria in een lippendienst zijn ontaard en dat het te veel een kwestie van afvinken is geworden,’ zegt lady Lynn Forester de Rothschild, wier Coalition for Inclusive Capitalism een invloedrijke groep op stakeholders gerichte CEO’s vertegenwoordigt.
Bedrijven hebben geen andere keus dan milieuvriendelijker te worden
Homroy op zijn beurt vermoedt dat bedrijven geen andere keus hebben dan milieuvriendelijker te worden, maar hij vreest ook dat ze steeds meer zullen terugschrikken voor een sociaal activisme dat hen kwetsbaar maakt voor aanvallen.
De meeste Davos-gangers zijn nog steeds overtuigd van de commerciële kans die in elk geval door de ‘E’ in ESG wordt geboden, die van ‘environment’ oftewel ‘milieu’. De noodzaak om de overgang naar emissiearme technologieën te financieren is een aankondiging van wat McKinsey-consultants ‘de grootste herverdeling van kapitaal in de geschiedenis van de mensheid’ hebben genoemd. Sommigen geloven ook dat hun nieuwe sociale positionering zal helpen bij het aantrekken en vasthouden van talent.
Vooralsnog, zegt Rothschild, zijn veel CEO’s vooral verbijsterd door de aanvallen op hun experimenten met een ander soort kapitalisme en weten ze niet wanneer ze opnieuw op de korrel zullen worden genomen. ‘Je weet nooit wanneer de piano op je hoofd zal vallen als je over straat loopt,’ zegt ze. En ook niet wie hem een zetje zal geven.
Een agente van de Russische militaire inlichtingsdienst deed zich tien jaar lang voor als een Peruaans-Duitse juwelenontwerpster. Ze leidde een uitbundig sociaal bestaan en verkeerde tussen belangrijke diplomatieke figuren in Napels.
Op 15 september 2018 kocht een vrouw met een lange, Spaans klinkende naam in Napels een enkele reis Moskou. Al zo’n tien jaar lang reisde deze vrouw de wereld rond als een kosmopolitische, in Peru geboren societyfiguur met een eigen sieradenlijn. Die avond landde ze in Moskou en voor zover bekend is ze Rusland sindsdien niet meer uit geweest. Ze reisde op een paspoort met een nummer dat voorkwam in een reeks waarvan Bellingcat de dag ervoor had bekendgemaakt dat ze werden gebruikt door de GROe, de Russische militaire inlichtingendienst. Het nummer verschilde maar één cijfer van dat in de paspoorten waarmee de GROe-chef van de vermoedelijke daders van de aanslag met novitsjok in Salisbury zes maanden eerder naar Engeland was gereisd.
De naam op haar paspoort was Maria Adela Kuhfeldt Rivera; NAVO-mensen in Napels kenden haar al jaren als een succesvolle sieradenmaakster met een bont verleden en een chaotisch privéleven. Samen met onze onderzoekspartners achterhaalden wij haar ware identiteit: een spion van de GROe.
Dit gezamenlijke onderzoek van Bellingcat, Der Spiegel, The Insider en la Repubblica heeft tien maanden geduurd. De uitkomst berust op gegevens uit open bronnen, openbaar toegankelijke archieven, WOB-gegevens uit Peru, uitgelekte Russische databases en interviews met mensen die met de betreffende Russin bevriend waren geraakt zonder te weten dat ze een spion was. De meesten gaven toestemming om hier bij naam genoemd te worden, al waren ze aanvankelijk bang om zich publiekelijk uit te laten over iemand van wie ze nu weten dat ze spioneerde voor de GROe. Een paar informanten wilden om die reden alleen anoniem worden geciteerd.
In 2006 kreeg ‘Maria Adela’ haar eerste Russische paspoort. Volgens de voor haar gecreëerde dekmantel werkte ze als ‘senior specialist’ aan de Staatsuniversiteit van Moskou, en volgens bevolkingsregisters woonde ze in elk geval vanaf 2010 op een adres in Moskou. De huidige bewoners van dat adres hadden nog nooit van haar gehoord.
Opvallend is dat het nummer van haar Russische paspoort behoort tot een reeks waarvan minstens zes andere nummers ook zijn gebruikt voor paspoorten van GROe-spionnen
Opvallend is dat het nummer van haar Russische paspoort behoort tot een reeks waarvan minstens zes andere nummers ook zijn gebruikt voor paspoorten van GROe-spionnen. Onder hen was een inlichtingenofficier die is aangeklaagd voor de vergiftiging van de Bulgaarse wapenhandelaar Emilian Gebrev en een andere agent die betrokken was bij de vergiftiging van Sergej Skripal.
‘Maria Adela’ als lid van de Lions Club Monte Nuovo. Deze foto met haar en andere leden staat op de website van de Lions.
Uit interviews met vier mensen die in de daaropvolgende tien jaar met haar bevriend raakten, komt naar voren dat ‘Maria Adela’ het volgende vertelde over haar naam en afkomst: ze was het kind van een Duitse vader en een Peruaanse moeder, en ze was geboren in Callao, in Peru. In 1980 was haar alleenstaande moeder met de kleine ‘Maria Adela’ naar de Sovjet-Unie gereisd om de Olympische Spelen in Moskou bij te wonen. Toen haar moeder daar een alarmerend bericht van het thuisfront kreeg, was ze snel teruggevlogen naar Peru en had de kleine ‘Maria Adela’ achtergelaten bij een Russisch gezin waarmee ze blijkbaar bevriend was geraakt.
Haar moeder was nooit meer teruggekomen en ‘Maria Adela’ was opgegroeid in Rusland. Ze had een slechte verhouding met zowel haar adoptiemoeder als haar adoptievader, die haar in haar jeugd zou hebben misbruikt. Dat was de reden dat ze niet meer in Rusland wilde wonen en niet met een Rus wilde trouwen, zo vertelde ze vrienden, en de reden voor haar wens om in West-Europa te wonen en daar een gezin te stichten.
Gemmologie
Marcelle D’Argy Smith, voormalig hoofdredacteur van de Britse Cosmopolitan, raakte met haar bevriend toen ze haar in de zomer van 2010 op Malta leerde kennen op een borrel. ‘Maria Adela’ woonde daar destijds met haar toenmalige vriend, maar verhuisde naar Ostia, bij Rome, om een opleiding te volgen in de gemmologie (edelsteenkunde). Volgens D’Argy Smith deed ze erg haar best om op grond van de nationaliteit van haar vader een Duits paspoort te krijgen. Maar die aanvraag verzandde toen ze er plotseling haar interesse voor leek te verliezen. De oudste internationale reisgegevens van ‘Maria Adela’ die Bellingcat heeft kunnen traceren, dateren van 10 oktober 2011, toen ze voor het eerst de tweeënhalve dag durende treinrit maakte van Moskou naar Parijs via Belarus, een reis die ze nog vaak zou herhalen.
Volgens D’Argy Smith studeerde ‘Maria Adela’ aanvankelijk gemmologie aan een universiteit in Rome en nam ze in februari 2011 deel aan een door haar opleiding georganiseerde reis naar verschillende modehuizen in het Verenigd Koninkrijk. In oktober van dat jaar verhuisde ‘Maria Adela’ naar Parijs om er een MBA te gaan halen. Door la Repubblica opgevraagde Italiaanse immigratiegegevens stroken met de herinneringen van D’Argy Smith: eerst kreeg ‘Maria Adela’ een aantal Franse visa voor kort verblijf en in september 2011 uiteindelijk een studentenvisum. Kort nadat ze naar Parijs was verhuisd, legde ze in Frankrijk haar eigen sieradenmerk vast, Serein. Dit was waarschijnlijk de voorbereidende fase van een langetermijnplan van de GROe om hun spion in te zetten als zelfstandige zakenvrouw en societyfiguur. Onder die dekmantel probeerde ze in de jaren daarna contact te leggen met hooggeplaatste personen uit het NAVO-hoofdkwartier in Napels.
Als doodsoorzaak vermeldde de overlijdensakte “dubbele longontsteking en systemische lupus”
In juli 2012 trouwde ‘Maria Adela’ met een man die volgens haar een Italiaan was, zo kregen wij van drie van haar kennissen te horen. In werkelijkheid had haar echtgenoot naast zijn Italiaanse paspoort ook de Ecuadoraanse en Russische nationaliteit: hij was in Moskou geboren als kind van een Russische moeder en een vader uit Ecuador. Uitgelekte Russische reis- en migratiegegevens en openbare gegevens van zijn sociale media tonen aan dat de echtgenoot zijn Russische paspoort in april 2012, vlak voor hun huwelijk, had gekregen van de Russische ambassade in Ecuador. Nadat hun huwelijk in Rome was geregistreerd, reisde hij naar Moskou en kreeg daar in september 2012 een Russisch sofinummer. Een jaar later reisde hij zonder ‘Maria Adela’ opnieuw naar Moskou, waar hij op 13 juli 2013 op dertigjarige leeftijd overleed. Als doodsoorzaak vermeldde de overlijdensakte ‘dubbele longontsteking en systemische lupus’.
Verstandshuwelijk
Uit grensovergangsgegevens blijkt dat ‘Maria Adela’ ten tijde van zijn overlijden niet in Rusland was en pas een maand later, op 15 augustus 2013, in Moskou aankwam. Iemand uit de vriendenkring van de man, die uit vrees voor eigen veiligheid alleen op voorwaarde van anonimiteit met The Insider wilde spreken, zei verbaasd te zijn geweest toen hij zonder zijn vrienden in te lichten ineens was getrouwd. Deze persoon speculeerde dat het wellicht een verstandshuwelijk betrof om iemand aan een Europees paspoort te helpen en wist ook te melden dat de diagnose lupus dateerde van nog geen twee maanden voor zijn plotse dood. (Systemische lupus is een aandoening van het bindweefsel waarvan de oorzaak onbekend is en die volgens de medische literatuur zeldzaam is bij jonge mannen.)
Artikelen die te koop werden aangeboden door Serein, het juwelenmerk van ‘Maria Adela’.
Na haar huwelijk liet ‘Maria Adela’ haar bedrijf ook in Italië registreren: Serein SRL, met als vermelde activiteiten de productie van en handel in sieraden en luxeartikelen. Uit een door de politie van Napels afgegeven verblijfsvergunning die is opgevraagd door la Repubblica, blijkt dat ze uiterlijk in oktober 2015 is verhuisd naar een appartement in de chique wijk Posillipo, met uitzicht op de Golf van Napels.
In de loop van 2015 werd ze secretaris – en een van de actiefste leden – van de Lions Club Napoli Monte Nuovo
In de drie jaar daarna bereikte de carrière van ‘Maria Adela’ als Russische spion in Napels haar hoogtepunt. Ze werd er een bekende verschijning in de sociale scene. Ze opende een boetiek voor sieraden en andere luxeartikelen, waar ze later een club van maakte die populair was in de hogere kringen, en werd secretaris van een liefdadigheidsinstelling waarvan de bijeenkomsten werden bezocht door medewerkers van het NAVO-hoofdkwartier in de stad. In de boetiek verkocht ze sieraden van haar eigen merk Serein, die ze zelf ontworpen zei te hebben. Op de website van haar bedrijf, die nu niet meer bestaat, werden de sieraden aangeprezen als ‘ontworpen voor de modebewuste vrouw die niet van overdaad houdt’. Maar zoek je op internet naar vergelijkbare afbeeldingen van de zelfgemaakte, kleurrijke ‘made in Napoli’-juwelen die ze verkocht, dan lijkt het te gaan om goedkope sieraden die online verkrijgbaar zijn bij Chinese groothandelaren.
Een door ‘Maria Adela’ op Facebook geplaatste foto van een diner ter gelegenheid van een verjaardagsfeest in 2016.
Dat verhinderde niet dat haar ster rijzende was als trendy sieradenontwerpster en gastvrouw in de Napolitaanse society. Als Adela Serein, zoals ze zich volgens vrienden meestal noemde, maakte ze ook haar opwachting in lokale media, zoals in een promotiefilmpje over de lancering van de ‘Serein Conceptgalerie’, waarover een lokale krant schreef dat die werd bijgewoond door gemeenteraadsleden, ondernemers en beroemdheden. [https://vimeo.com/148927805] En de contacten van ‘Maria Adela’ beperkten zich niet tot de Napolitaanse beau monde. In de loop van 2015 werd ze secretaris – en een van de actiefste leden – van de Lions Club Napoli Monte Nuovo. Dit is niet zomaar de lokale tak van deze wereldwijde, aan maatschappelijke verbetering gewijde organisatie: deze Lions Club-afdeling is oorspronkelijk opgezet door een in Napels gestationeerde NAVO-officier.
Warrig en weinig overtuigend
Volgens luitenant-kolonel Thorsten S., een Duitse militair die er in 2015 penningmeester was, kampten ze destijds met een teruglopend ledenaantal en had iemand uit het bestuur van de grootste Lions Club in Napels ‘Maria Adela’ als secretaris getipt, om de ledenwerving nieuw elan en internationale uitstraling te geven. Hij weet nog dat ze haar best deed om de activiteiten van de club nieuw leven in te blazen, dat ze alle bijeenkomsten bijwoonde en op een gegeven moment in 2018, toen het ledenaantal bleef teruglopen en de afdeling dreigde te worden opgeheven, zelfs aanbood de contributie van alle leden te betalen. Waarom ze dat wilde doen heeft luitenant-kolonel Thorsten S. nooit goed begrepen.
‘Maria Adela’ besprak ook haar liefdesleven met vrienden. Marcelle D’Argy Smith gaf Bellingcat inzage in een e-mail waarin ‘Maria Adela’ schreef dat een werknemer van de Amerikaanse marine die fotograaf was ‘een beetje verliefd’ op haar was.
Een krantenartikel uit Bahrein waarin ‘Maria Adela Rivera Kuhfeldt’ wordt genoemd, en een foto van haar op de juwelenexpo. Beide werden in december 2013 gemaild naar Marcelle D’Argy Smith.
Maar niet iedereen die ze in Napels leerde kennen werd verliefd op haar – verre van. Een van de mensen die het goed met haar leek te kunnen vinden was kolonel Shelia Bryant, destijds inspecteur-generaal voor de Amerikaanse marine in Europa en Afrika. Bryant vertrok in mei 2018 uit Napels om zich voor de Democraten verkiesbaar te stellen voor het Huis van Afgevaardigden. Zij zegt dat ze het verhaal van ‘Maria Adela’ over haar verleden warrig en weinig overtuigend vond (‘waarom zou je als moeder je kind in de Sovjet-Unie achterlaten?’) en haar inkomsten moeilijk verklaarbaar (‘zonder geloofwaardige inkomstenstroom opende ze een boetiek en nam ze ettelijke keren een nieuw appartement in de rijke buurten van de stad’). Bryant zegt dat zij en haar man zich in hun contacten met de vrouw beperkten tot privéonderwerpen, en dat ze ‘Maria Adela’ probeerden bij te staan in de moeizame relaties die ze met mannen leek te hebben. Ze waren aan haar voorgesteld door de vrouw van een in Napels gestationeerde leverancier voor de Amerikaanse overheid. Journalisten hebben herhaaldelijk geprobeerd ook met deze vrouw contact te krijgen, maar toen een onderzoeker van Bellingcat haar via Facebook benaderde, werd die door haar geblokkeerd, en voor verslaggevers van Der Spiegel nam ze de telefoon niet op.
Ze nodigde haar kennissen bij de NAVO ook uit in haar boetiek
Iemand anders die volgens luitenant-kolonel Thorsten S. bevriend was met ‘Maria Adela’ (tot ze in 2018 ruzie kregen) werkte als datasysteembeheerder op het NAVO-hoofdkwartier in Napels. Deze persoon, die inmiddels niet meer voor de NAVO werkt, had aanvankelijk toegezegd Der Spiegel te woord te staan; toen bleek wat het beoogde onderwerp van het interview was, kwam er echter geen reactie meer op telefoontjes en berichten van Der Spiegel en Bellingcat.
Het staat vast dat ‘Maria Adela’ direct persoonlijk contact heeft gehad met tal van Europese en Amerikaanse NAVO-officieren in Napels, en dat ze bij sommigen van hen zelfs thuis over de vloer kwam, maar het is niet duidelijk of ze ooit op de NAVO-basis is geweest. Te oordelen naar verschillende digitale sporen en de herinneringen van kennissen was ze wel aanwezig bij tal van door de NAVO of de Amerikaanse krijgsmacht georganiseerde evenementen, waaronder het jaarlijkse NAVO-bal, diverse fundraisingdiners en het jaarlijkse bal van de Amerikaanse marine. Ze nodigde haar kennissen bij de NAVO ook uit in haar boetiek en minstens een van hen herinnerde zich daar sieraden te hebben gekocht.
Uit de herinneringen van D’Argy Smith en berichten op de Facebookpagina van ‘Maria Adela’ en van haar bedrijf komt naar voren dat ze vanaf 2013 geregeld naar Bahrein reisde, zogenaamd voor de jaarbeurs Jewellery Arabia. Na zo’n bezoek aan die beurs mailde ze D’Argy Smith: ‘Het is allemaal goed gegaan in Bahrein, we hebben alleen niets verkocht. […] Maar het was een geweldige beurs, ik ben dol op dit land en de mensen die ik hier heb leren kennen. Toen ik na vijf dagen terug wilde vliegen, moest ik via Moskou reizen omdat het niet goed ging met mijn moeder. Ik ben daar een week gebleven en toen teruggekomen naar Italië. Nu ben ik bezig met de catalogus en het verbeteren van de sieraden. Met Kerst moet ik weer naar Moskou, want het gaat nog steeds niet goed met mijn moeder.’
Een post op de Facebookpagina van Serein lijkt ‘Maria Adela’ te tonen met de toenmalige premier van Bahrein, Khalifa bin Salman Al Khalifa, in 2014.
Waar en met wie ‘Maria Adela’ zich in Bahrein heeft opgehouden, heeft het onderzoeksteam niet kunnen achterhalen. Maar het moet misschien worden opgemerkt dat de Amerikaanse Naval Support Activity Base zich in dat land bevindt, de marinebasis waar het hoofdkwartier van de Amerikaanse vijfde vloot is gevestigd. Die basis omvat zo’n zevenduizend Amerikaanse manschappen.
Cryptisch berichtje
In 2018 vloog de fictieve ‘Maria Adela’ een laatste keer naar Moskou. Ditmaal reisde ze op een nieuw, derde Russische paspoort. Net als haar eerdere twee paspoorten had dit een serienummer uit een reeks die was toegewezen aan de GROe. Het was op slag gedaan met haar tot dan toe zo actieve sociale leven in de stad; geen van de geïnterviewde kennissen kan zich heugen dat zij ooit gewag had gemaakt van plannen om Italië voorgoed te verlaten, of eventuele redenen daarvoor. Het enige aandenken aan haar leven tot 2018 dat ‘Maria Adela’ mee naar huis nam, zo blijkt uit gegevens van de grenspolitie, was een kat. Ze had een zwarte kat, Luisa, door twee van haar kennissen omschreven als de enige stabiele factor in haar leven.
Daarin suggereerde ze dat ze kanker had gehad en zei ze dat haar haar terug moest groeien ‘na de chemo’
Twee maanden na haar vertrek plaatste ze nog één cryptisch berichtje op haar Facebookpagina. Daarin suggereerde ze dat ze kanker had gehad en zei ze dat haar haar terug moest groeien ‘na de chemo’. Maar toen de geschrokken vrienden van ‘Maria Adela’ dit bericht lazen, reed de vrouw achter deze fictieve persoon, een GROe-agente genaamd Olga, in het nieuwste model Audi in Moskou rond op zoek naar een splinternieuw luxeappartement in een chique wijk. En iets meer dan drie jaar nadat ze uit Napels was vertrokken, stuurde ‘Maria Adela’ op 4 december 2021 nog één laatste teken van leven, ditmaal een cryptisch WhatsAppbericht aan Marcelle D’Argy Smith:
‘Lieve lieve Marcelle! Er zijn veel dingen die ik niet kan (en nooit zal kunnen) uitleggen! Maar ik mis je ontzettend en heel heel erg…’
Eind 2021 kon Bellingcat met zijn onderzoekspartners concluderen dat ‘Maria Adela’ wel voor de GROe moet hebben gewerkt, op grond van verschillende overeenkomsten tussen haar gedrag en haar valse identiteit enerzijds en de werkwijze van de Russische militaire inlichtingendienst anderzijds. Ten eerste bestaat er in geen enkele Russische database (inclusief de uitgebreide officiële paspoortdatabase) een persoon met haar naam en geboortedatum, maar komt die naam wel voor in een in 2007 gelekte dataverzameling met paspoortnummers en adressen waarin we eerder al andere ontmaskerde GROe-agenten met hun valse identiteit hadden gevonden. Ze had minstens drie paspoorten gekregen – één binnenlands en twee internationale reispaspoorten – met nummers uit een reeks waarvan er veel gebruikt zijn voor paspoorten van bewezen GROe-agenten. Haar dekmantel was dat ze in Zuid-Amerika was geboren en van gemengde afkomst was – een terugkerend stramien bij dekmantels van zowel de buitenlandse inlichtingendienst van Rusland, de SVR, als de GROe, zoals onlangs weer bleek bij de aanhouding en uitzetting van een GROe-spion die jarenlang in de VS en Ierland had gewoond en daar doorging voor de zoon van een Braziliaanse vrouw en een Duitse vader. En in theorie was het ook mogelijk dat ‘Maria Adela’ voor de SVR werkte, maar het feit dat haar paspoortnummer uit een door de GROe gebruikte reeks kwam, plus haar klaarblijkelijke interesse in de NAVO, maakt het veel waarschijnlijker dat ze voor de militaire inlichtingendienst werkte.
Zoektocht
Maandenlang had ons team grote moeite om haar ware identiteit te achterhalen. Er waren geen foto’s van deze vrouw te vinden op Russische sociale media, en het zoeken naar vergelijkbare afbeeldingen leverde niets op. De Russische telefoonnummers die in 2007 in de aanvraaggegevens voor haar valse identiteit als contactpersonen waren opgegeven, stonden op naam van een ‘anonieme persoon’ (ook weer een aanwijzing dat ze voor een inlichtingendienst werkte, want telefoonnummers moeten in Rusland altijd op naam van een echte persoon staan). Een zoektocht in de uitgebreide beeldbank van Russische paspoorten leverde geen overtuigende treffers op. Wel honderden mogelijke treffers met een lage waarschijnlijkheidsgraad, die ons team begon na te lopen op dwarsverbanden met andere gegevens. Door ook deze minder overtuigende treffers uitgebreid door te lichten kwamen we uiteindelijk toch uit bij de échte persoon achter ‘Maria Adela’.
Een positieve match tussen foto’s van ‘Maria Adela’ en Olga Kolobova met behulp van de gezichtsherkenningstool Azure.
Twee van sociale media afkomstige foto’s van ‘Maria Adela’ op verschillende leeftijden leverden in de gezichtsherkenningssoftware Azure van Microsoft een belabberde match van nog geen 35 procent op met een oude pasfoto van een in 1982 geboren Russische staatsburger genaamd Olga Kolobova. Nadat deze match eerst terzijde was gelegd, werd hij door de onderzoekers nog eens opnieuw onder de loep genomen vanuit de gedachte dat het een oude foto was, van toen de betreffende vrouw waarschijnlijk pas veertien of vijftien was. En de andere raakpunten tussen deze twee personen bleken al snel bijzonder intrigerend. Ten eerste had deze Olga Kolobova geen enkele digitale aanwezigheid in Moskou tot 2018. In geen van de tientallen uitgelekte Moskouse databases werd ook maar één adresregistratie, verkeersovertreding of telefoonnummerregistratie op haar naam gevonden. Maar vanaf november 2018 was ze digitaal ineens heel actief aanwezig – precies vanaf de tijd dat ‘Maria Adela’ was teruggekeerd naar Moskou.
Nieuwste model Audi 3
En er kwamen nog andere raakpunten aan het licht. Uit databases bleek dat Olga Kolobova in november 2018 haar eerste auto in Rusland had gekocht: het nieuwste model Audi 3. Op het Instagramaccount van ‘Maria Adela’ is een foto te zien waarin ze achter het stuur van een Audi uit 2016 zit, wat lijkt te wijzen op een voorliefde voor dit model. Vervolgens ontdekten we op het Russische socialemediaplatform Odnoklassniki een in 2019 aangemaakt account met de naam en geboortedatum van Olga. Daarop deelde ze pro-oorlogsberichten van de groep ‘Vrienden van Poetin’ en was ze verder maar van één andere groep lid: die van een dierenkliniek in Moskou waar je onder andere terecht kunt met je kat.
Haar kat was de enige stabiele factor in haar leven
Met behulp van oudere uitgelekte databases van andere Russische steden hebben we uiteindelijk ook oudere sporen van Olga’s digitale aanwezigheid in Rusland kunnen vinden: in 2005, toen ze 23 was, liet ze een bedrijf voor de handel in drank registreren in de regio Krasnodar. Op basis van haar toenmalige adres hebben we ook kunnen achterhalen wie haar vader was. Die bleek tot zijn pensionering in 2007 hoofd van de militaire faculteit aan de Staatsuniversiteit van de Oeral in Jekaterinenburg te zijn geweest. En nog intrigerender was dat deze kolonel op de website van de universiteit werd aangeprezen om de talrijke onderscheidingen en medailles die hij had gekregen ‘wegens zijn verdiensten voor het vaderland in den vreemde, waaronder Angola, Irak en Syrië’. Uit eerder onderzoek is gebleken dat kinderen van hooggeplaatste militairen, zeker als die voor de inlichtingendiensten werken, vaak worden gerekruteerd als GROe-spion. Ook dit leek dus weer een aanwijzing dat ‘Maria Adela’ en Olga weleens een en dezelfde persoon konden zijn.
Een vergelijking van twee afbeeldingen in de gezichtsherkenningstool geeft een negatief resultaat, maar wordt nog verder onderzocht.
Deze veronderstelling werd ondersteund door het feit dat Olga Kolobova eigenaar was geworden van twee appartementen in Moskou op tijdstippen waarop ‘Maria Adela’ in Rusland was. Het eerste, een kleine studio op een gewilde locatie, werd gekocht tijdens een van haar reizen naar Rusland in april 2013. Het tweede, een luxe appartement van 100 vierkante meter in een dure flat, die op grond van wat vergelijkbare woningen kosten nu zo’n 800.000 euro waard moet zijn, werd aangeschaft in 2020. Daarnaast bleek uit gelekte gegevens van maaltijdenbezorger YandexFoods dat Olga tijdens kantooruren maaltijden had laten bezorgen op een adres van het Pensioenfonds van de Russische Federatie. Als ze daar administratief medewerker is, is het een raadsel waar ze het geld vandaan haalde om deze appartementen te kopen.
Olga Kolobova
Op basis van al deze aanwijzingen wist ons team een recente foto van Olga Kolobova te bemachtigen via een klokkenluider die toegang had tot de Russische databank van rijbewijzen. Die foto, die uit 2021 lijkt te zijn, levert in de software wel een overtuigende match op na vergelijking met de foto’s van ‘Maria Adela’. Bovendien wordt de profielfoto die ‘Maria Adela’ op Facebook gebruikte ook door Olga als profielfoto gebruikt op WhatsApp. En diezelfde foto was door ‘Maria Adela’ ook op Instagram gezet.
Samen met alle andere overeenkomsten was dat genoeg om de echte identiteit van ‘Maria Adela’ vast te stellen. Maar dat ze voor de GROe werkte? Dat leek wel heel waarschijnlijk op grond van haar paspoortnummers, dat verhaal over die Zuid-Amerikaanse afkomst dat ook door minstens één andere GROe-agent is gebruikt, en het verleden van haar vader. Maar in een poging dit nog nader te bevestigen besloten we de metadata van het telefoonverkeer voor het nummer van Olga Kolobova te analyseren. En op 23 februari 2022, de Dag van de verdedigers van het vaderland in Rusland, belde Olga een nummer dat ons team bekend voorkwam uit een eerder onderzoek: het nummer van het hoofd van afdeling 5 van de GROe.
Zo stopte zij uit eigen beweging, niet omdat ze door westerse inlichtingendiensten was ontmaskerd
De bijna tien jaar lange dienst van Olga Kolobova als spion in het Westen verschilt in diverse opzichten van die van andere bekende Russische spionnen. Zo stopte zij uit eigen beweging, niet omdat ze door westerse inlichtingendiensten was ontmaskerd. Dan rijst de vraag of de GROe haar missie in Europa als een succes of als een mislukking beschouwt. In vergelijking met andere bekende Russische spionnen die tientallen jaren in het Westen hebben gewoond en slechts matig interessante netwerken wisten op te bouwen, lijkt het netwerk van ‘Maria Adela’ in ieder geval op papier wel indrukwekkend: contacten met officieren van de NAVO en de Amerikaanse marine, van wie sommigen toegang zullen hebben gehad tot foto’s van de basis en vertrouwelijke bestanden en databases. En onder het mom van bezoekjes aan vrienden en handelsbeurzen heeft Kolobova in die periode ook veel gereisd, in Europa en naar Bahrein en mogelijk ook Thailand. Dat kan op zichzelf al nuttig zijn geweest voor de GROe.
Er zijn geen aanwijzingen dat de westerse contraspionagediensten en de veiligheidsdienst van de NAVO wisten dat een Russische militaire spion zo dicht bij het NAVO-hoofdkwartier was gestationeerd. Geen van de kennissen van ‘Maria Adela’ die wij hebben gesproken (en die allemaal op grond van openbare bronnen waren te vinden) is door de NAVO of opsporingsinstanties benaderd om over hun contacten met deze Russin te worden verhoord. The Insider en Der Spiegel hebben Olga Kolobova via Telegram en e-mail om commentaar gevraagd. De Telegram-berichten lijken wel te zijn bekeken, maar ze heeft niet gereageerd.
Journalist Amanda Ripley is opgehouden het nieuws te lezen. Ligt dat aan haar of aan het product?
Ik heb een geheim. Ik heb het langer verzwegen dan ik wil toegeven. Ik voelde me onprofessioneel, ik schaamde me een beetje. Het was niet zoals ik wilde zijn.
Goed, hier is het: ik heb jarenlang het nieuws willens en wetens gemeden.
Dat is niet altijd zo geweest. Ik ben al twintig jaar journalist en was gewend urenlang het nieuws te consumeren en dat ‘werken’ te noemen. Iedere ochtend las ik The Washington Post, The New York Times en soms The Wall Street Journal. Op mijn kantoor bij Time had ik een tv die zonder geluid op CNN stond. Ik luisterde onder de douche naar NPR (National Public Radio). In het weekend verslond ik The New Yorker. Ik had het gevoel dat het mijn plicht was op de hoogte te zijn, als burger en als journalist – en ik had er nog best plezier in ook! Over het algemeen werd ik er eerder nieuwsgieriger van dan andersom.
Maar zo’n vijf, zes jaar geleden veranderde er iets. Het nieuws begon onder mijn huid te kruipen. Na mijn ochtendlectuur was ik zo uitgeput dat ik niet kon schrijven – of überhaupt iets creatiefs kon doen. Terwijl ik op de radio naar het ochtendnieuws luisterde, voelde ik me sloom, ongemotiveerd, en de dag was nog maar net begonnen.
Wat was er aan de hand? Ik was gewend verslag te doen van terreuracties, orkanen, vliegtuigongelukken, al het mogelijke menselijk leed. Maar nu? Ik kon er niet meer tegen. Het was of ik een glutenallergie had ontwikkeld en daar zat ik dan – een tarweboer!
Dus begon ik net als veel andere mensen het nieuws te doseren. Het tv-nieuws hield ik voor gezien, wat slechts een kwestie is van gezond verstand, en ik wachtte tot het eind van de middag voor ik ander nieuws las. Vanaf dan hield ik het wel vol tot het avondeten (en de wijn).
Maar het nieuws drong aan alle kanten toch mijn leven binnen. Ik kon niet voorkomen dat ik eraan werd blootgesteld – via e-mails, op sociale media, in berichtjes van vrienden. Ik probeerde flink te zijn. Ik sprak mezelf streng toe: ‘Dit is het echte leven en het echte leven ísdeprimerend! Er is verdorie een pandemie. En racisme! En klimaatverandering! En inflatie! De dingen zijn gewoondeprimerend. Je moet wel gedeprimeerd zijn!’
Zinloos
Het probleem is, ik kwam tot niks. De malaise werkte verlammend. Dus als ik las over weer een schietpartij op een school stuurde ik geen vlammend mailtje naar mijn vertegenwoordigers in het Congres. Nee, ik had te veel verhalen gelezen over het falen van het Congres om te geloven dat dat iets zou uithalen. Toen ik eenmaal genoeg had van het nieuws, voelde alle individuele actie zinloos. Eigenlijk was ik alleen maar wanhopig.
Ik ging naar een therapeut. Ze zei dat ik – let wel – moest ophouden met het nieuws volgen. Dat voelde verkeerd. Was het niet belangrijk om op de hoogte te zijn? Het nieuws verzaken voelde als de wereld verzaken.
Als zovelen van ons zich vergiftigd voelen door onze producten, is er dan niet iets mis mee?
Op een dag vertrouwde een bevriende collega me echter toe dat ook zij het nieuws meed. Vervolgens hoorde ik het van nog een journalist. En van nog een. (De meeste waren vrouwen, merkte ik, maar niet allemaal.) Dit nieuws over de aversie van nieuws werd altijd gefluisterd, alsof het ging om een smerig geheimpje. Het deed mij denken aan die scène uit de film The Social Dilemma waarin al die techfiguren toegeven dat ze hun kinderen niet toestaan de producten te gebruiken die zijzelf hebben gemaakt.
En dat raakt de kern van het probleem: als zovelen van ons zich vergiftigd voelen door onze producten, is er dan niet iets mis mee?
De laatste maand tonen nieuwe cijfers van Reuters aan dat de Verenigde Staten een van de hoogste nieuwsvermijdingspercentages van de wereld hebben. Zo’n vier op de tien Amerikanen mijden soms of vaak het nieuws – een hoger percentage dan in minstens dertig andere landen. En in alle landen zijn vrouwen stelselmatig meer geneigd het nieuws te mijden dan mannen. Het ging dus niet alleen om mij en mijn hypocriete journalistieke vrienden.
Machteloos
Waarom mijden mensen het nieuws? Het is almaar hetzelfde en ontmoedigend, vaak amper te bevatten, en mensen voelen zich er volgens de enquête machteloos door. De feiten ondersteunen hun beslissing om het nieuws voor gezien te houden. Het blijkt dat hoe meer nieuws we tot ons nemen over gebeurtenissen met veel slachtoffers, zoals schietpartijen, hoe meer we lijden. Hoe meer politiek nieuws we tot ons nemen, hoe meer we gaan twijfelen aan onszelf. Als het doel van de journalistiek is om mensen te informeren, waaruit blijkt dan dat het werkt?
Dus misschien is er iets mis met het nieuws. Maar wat? Velen zeggen dat de zaken worden opgeklopt. Journalisten zeggen dat het allemaal komt door het verdienmodel: negativiteit loont. Maar ik begin langzamerhand te denken dat in beide theorieën het voornaamste stukje van de puzzel over het hoofd wordt gezien: de menselijke factor.
Het nieuws van vandaag, zelfs kwalitatief hoogstaand papieren nieuws, is niet op de mens toegesneden. Zoals Krista Tippett, de maker en presentator van het radioprogramma en de podcast On Being, het zegt: ‘Ik denk eigenlijk niet dat we psychisch of mentaal zijn toegerust om 24/7 catastrofale en verwarrende berichten en foto’s te verwerken. We zijn analoge schepsels in een digitale wereld.’
Ik heb het afgelopen jaar geprobeerd uit te zoeken hoe nieuws dat is toegesneden op de mens van nu eruit zou kunnen zien – door interviews te maken met artsen die gespecialiseerd zijn in het brengen van slecht nieuws aan patiënten, met gedragswetenschappers die begrijpen wat de mens nodig heeft voor een volwaardig leven en met psychologen die patiënten met ‘krantenkoppenstressstoornis’ hebben behandeld. (Ja, dat bestaat.)
Toen ik nadacht over wat me zoal was verteld, ontdekte ik dat er in het nieuws van tegenwoordig drie eenvoudige ingrediënten ontbreken. Ten eerste hebben we hoop nodig om ’s morgens op te staan. Onderzoekers hebben ontdekt dat hoop onder andere samenhangt met minder depressie, chronische pijn, slapeloosheid en kanker. Uitzichtloosheid, daarentegen,hangt samen met angst, depressie, posttraumatische stressstoornis en… de dood.
‘Hoop is als water,’ zegt David Bornstein, de medeoprichter van nonprofitorganisatie Solutions Journalism Network. ‘Je hebt iets nodig om in te geloven. Als je in het restaurantwezen zit, geef je mensen water. Omdat je begrijpt hoe de mens in elkaar zit. Vreemd dat journalisten daar zo’n moeite mee hebben. Mensen hebben perspectief nodig.’
Nergens is de schreeuwende behoefte aan perspectief en hoop duidelijker dan bij klimaatberichtgeving
Afgelopen december publiceerde The New York Times een ambitieus multimediaproject onder de titel ‘Postcards from a World of Fire’, waarin werd vastgelegd hoe klimaatverandering het leven in 193 landen heeft veranderd. Het werd voorafgegaan door een animatie van de brandende aarde die in de ruimte rondtolde en de woorden ‘Steden opgeslokt door stof. De geschiedenis van de mensheid verzwolgen door de zee’. Ik maak geen grapje. Het was vast goedbedoeld maar eenvoudigweg niet op de mens toegesneden. Ik weet niet welke soort hier iets mee zou kunnen, ik ken die in elk geval niet.
Kijk bij wijze van contrast eens naar een ander recent New York Times-artikel, over een ander probleem – dakloosheid. Daarin werd beschreven hoe 25.000 daklozen met hulp van de gemeente een eigen huis kregen. Het was een diepgravend stuk, een uitgebreide, genuanceerde reportage. Maar als je het las voelde je iets in je borst opengaan – alsof zich een valluik boven een kerker opende.
In de tweede plaats hebben mensen het gevoel nodig dat ze iets kunnen doen. Daar houden de meeste verslaggevers geen rekening mee, waarschijnlijk omdat zij dat gevoel zelf al in hun werk ervaren. Maar door het gevoel dat jij en je medemens iets kunnen bereiken – al is het maar iets kleins – kan woede worden omgebogen in actie, frustratie in vindingrijkheid. Zulke zelfredzaamheid is wezenlijk voor iedere goed werkende democratie.
Nergens is de schreeuwende behoefte aan perspectief en hoop duidelijker dan bij klimaatberichtgeving. Van alle klimaatverhalen die in 2021 in het avondnieuws en de zondagochtendshows werden gebracht, ging het maar in een derde van de gevallen over mogelijke oplossingen, aldus een studie van Media Matters for America. Hoe zou dat perspectief kunnen worden geboden? Misschien zoals in het artikel uit The Post van april dit jaar waarin zes manieren werden beschreven om klimaatverandering een halt toe te roepen. Of in de virale video’s op TikTok waarin niet-journalisten als @thegarbagequeen in het gat zijn gesprongen door milieusuccessen te vieren en ‘klimaatdoemdenkers’ te ontmaskeren.
Waardigheid
Tot slot hebben we waardigheid nodig. Daar staan maar weinig verslaggevers bij stil, is mijn ervaring. En dat is vreemd, want het is essentieel om te begrijpen waarom mensen doen wat ze doen.
Hoe ziet waardigheid eruit? Shamil Idriss, hoofd van Search for Common Ground, een organisatie die zich in 31 landen inzet om geweld te voorkomen, legt het eenvoudig uit: ‘Voor mij is het het gevoel dat ik ertoe doe, dat mijn leven iets voorstelt.’ In de journalistiek betekent mensen het gevoel geven dat ze ertoe doen bovenal dat je naar ze luistert – misschien zoals in het radioprogramma Curious City van de publieke omroep in Chicago het publiek wordt gepeild om te beslissen welk onderwerp er zal worden onderzocht. Het kan betekenen dat je kijkers uitnodigt om een beschaafd gesprek met elkaar aan te gaan, zoals Atlanta NBC station 11Alive, toen ouders die sceptisch waren over kritische rassentheorie werden uitgenodigd om schoolbestuurders en historici voor de camera te interviewen. En het betekent schrijven over mensen als meer dan de som van hun omstandigheden, zoals journalist Katherine Boo zo prachtig heeft gedaan op de bladzijden van deze krant.
Er is een manier om nieuws te brengen – ook heel slecht nieuws – die minder schadelijk voor ons is. Een manier om woede énactie op te wekken. Empathie en waardigheid. Angst en hoop. Er is een manier die niet leidt tot een gevoel van machteloosheid of hypes. Tot nu toe zijn de voorbeelden nog erg schaars.
Wel kun je stellen dat als nieuwssites mensen waren, de meeste momenteel zouden worden gediagnosticeerd als klinisch depressief.
Nieuwsmedia laten zich moeilijk over één kam scheren. De sector omvat hardwerkende gespecialiseerde verslaggevers, toegewijde factcheckers en producenten, maar ook schaamteloze propagandisten, sensatiezoekers en waarheidverdraaiers. Het is haast een te grote sector om enigszins overzichtelijk over te kunnen praten. Wel kun je stellen dat als nieuwssites mensen waren, de meeste momenteel zouden worden gediagnosticeerd als klinisch depressief.
Om dat te veranderen moeten journalisten misschien accepteren dat sommige van hun uitgangspunten verouderd zijn. ‘De journalistieke theory of change houdt in dat je het best een ramp afwendt door mensen 24/7 de mogelijkheid van een ramp voor te houden,’ zegt Bornstein. Dat had altijd effect – enigszins dan. Verslaggevers konden ongenadig verslag doen van gevaren en corruptie en dan achteroverleunen en het publiek het werk laten doen. Maar die dynamiek werkt alleen als het publiek eensgezinder is en journalisten breed worden vertrouwd. Tegenwoordig maakt het niet uit hoeveel leugens van ex-president Trump betrouwbare factcheckers opdiepen; niemand zal erdoor van mening veranderen. Een heleboel journalisten reageerden daarop, misschien uit frustratie vanwege hun eigen onmacht, door almaar luider en feller te worden. En dat zorgde er alleen maar voor dat meer mensen – je raadt het al – het nieuws gingen mijden.
Een betere theory of change acht Bornstein zoiets als: ‘De wereld zal beter worden als mensen problemen, gevaren en uitdagingen begrijpen én wathun beste opties voor vooruitgang zijn.’ Hij en zijn collega’s hebben inmiddels meer dan 25.000 journalisten wereldwijd opgeleid om goede oplossingsgerichte verhalen te brengen.
Ten slotte, en dit hangt er nauw mee samen: de nieuwsmakers worstelen zelf en al geven ze het niet graag toe, dat beïnvloedt hun verslaggeving. Nieuwsjunkies dompelen zich volledig onder in de duisternis vanuit de onterechte gedachte dat ze daar scherper van zullen worden. Al die angst hoopt zich op – en sijpelt door in onze verhalen.
Ik weet wat je denkt: en het geld? Het zakelijk nieuwsmodel heeft clicks nodig. En de makkelijkste manier om aandacht te trekken is via een flinke dosis schandalen, angst en verderf.
Maar waarom zouden mensen niet klikken – of een abonnement nemen – als het nieuws op de mens is toegesneden? Hoe kunnen we dat weten als amper iemand het heeft geprobeerd?
Er zijn tot nu toe niet veel grote nieuwskanalen die systematisch mensgericht nieuws brengen, maar een dat ik bewonder (en waarop ik inmiddels ben geabonneerd) is de Christian Science Monitor. Ieder nummer bevat reportages uit de hele wereld, levendige foto’s, rauwe actualiteit – naast hoop, perspectief en waardigheid. De verhalen gaan vergezeld van een korte toelichting, ‘Waarom we dit hebben geschreven’, waaruit blijkt dat de lezer wordt gezien als een gerespecteerde partner.
Leg je oor te luisteren bij de 42 procent van de Amerikanen die het nieuws mijden.
Het is journalistiek van het type ‘weinig-ego, veel-nieuwsgierigheid’, die ik in mijn eigen werk probeer na te streven. Dat lukt niet altijd. Ik kan me bijvoorbeeld best ongemakkelijk voelen als ik de luisteraars het onderwerp van mijn podcast laat bepalen. Maar afgelopen maand was ik samen met een cameraploeg vier uur lang op een antiabortusbijeenkomst en deed ik iets wat ik nooit eerder had gedaan: ik probeerde gewoon te begrijpen wat mensen me vertelden. Ik probeerde niet de meest schokkende uitspraak of een kleurrijke, ironische anekdote los te krijgen. Ik vroeg gewoon door, zonder te oordelen. Het voelde minder als een transactie, menselijker. Ik voelde me ook beter geïnformeerd.
Terwijl we ons schrap zetten voor de komende midterms, coronavarianten en catastrofes, daarom hier mijn dringende verzoek aan al mijn collega-journalisten: leg je oor te luisteren bij de 42 procent van de Amerikanen die het nieuws mijden. Het kan niet zo zijn dat we ons allemaal vergissen. Of overgevoelig of zwak zijn. Misschien zijn we gewoon net als jij.
Naar aanleiding van de Franse verkiezingen afgelopen juni schreef de Franse stereconoom over de huidige situatie in zijn land, waar volgens hem te weinig aandacht is voor de sociale kwestie. Onder andere omdat de identiteitskwestie de overhand kreeg.
Is het mogelijk, zowel in Frankrijk als op Europese en internationale schaal, de uit drie lagen bestaande democratie achter ons te laten en opnieuw een kloof tussen links en rechts te creëren waarbij herverdeling en sociale ongelijkheid centraal staan? Dat was de inzet van de jongste Franse parlementsverkiezingen.
Laten we om te beginnen de contouren van de drielagendemocratie nog eens onder de loep nemen die zich tijdens de eerste ronde van de Franse presidentsverkiezingen hebben afgetekend. Tellen we de uitslagen van de verschillende linkse en groene partijen bij elkaar op, dan komt dit sociaal-ecologische blok uit op 32 procent van de stemmen. Kijken we naar de stemmen die zijn uitgebracht op Macron en Pécresse, dan zien we dat het liberale of centrumrechtse blok ook 32 procent van de stemmen heeft behaald. De drie kandidaten van het nationalistische of extreemrechtse blok (Le Pen, Zemmour, Dupont-Aignan) haalden precies dezelfde score van 32 procent. Als we de 3 procent die plattelandskandidaat Lasalle behaalde gelijkelijk over de drie blokken verdelen, komen we uit op drie vrijwel gelijke lagen.
Deze driedeling is deels verklaarbaar vanwege de specifieke kenmerken van het Franse kiesstelsel en de politieke geschiedenis van het land, maar er liggen ook algemenere redenen aan ten grondslag. Laten we vooropstellen dat de drielagendemocratie geenszins het einde betekent voor de politieke kloof die is gebaseerd op uiteenlopende sociale klassen en economische belangen, integendeel zelfs. Het liberale blok behaalt veruit de beste resultaten bij de sociaal meest bevoorrechte kiezers, welk criterium ook wordt gehanteerd (inkomen, erfenis, opleiding), met name bij de oudsten onder hen. Als dit ‘bourgeoisblok’ een derde van de stemmen weet te vergaren, is dat ook voor een groot deel het gevolg van het feit dat de oudste en welvarendste Fransen de afgelopen decennia in groteren getale naar de stembus gaan dan de rest van de bevolking, iets wat eerder niet zo was.
De facto heeft dit blok de synthese bewerkstelligd van de economische elite met oud of nieuw geld die van oudsher centrumrechts stemt en de gediplomeerde elite die sinds 1990 vrijwel overal de scepter heeft gezwaaid over centrumlinks. Als dit blok evenredig over alle sociaaldemografische groeperingen was verdeeld, zou het toch maar nauwelijks een kwart van de stemmen binnenhalen en nooit in zijn eentje kunnen regeren. Het linkse blok daarentegen zou ruimschoots aan kop gaan omdat dat het beste scoort bij het gewone volk, en vooral bij de jongsten onder hen. Ook het nationalistische blok zou vooruitgang boeken maar in mindere mate, omdat het gewone volk dat daarop stemt evenwichtiger over de leeftijdsgroepen zijn verdeeld.
Links en het triomferende liberalisme
In zekere zin zou je kunnen zeggen dat deze driedeling de drie grote ideologische families weerspiegelt die het Franse politieke leven al meer dan twee eeuwen bepalen: het liberalisme, het nationalisme en het socialisme. Sinds de industriële revolutie steunt het liberalisme op de markt en de sociale verschuivingen die de economie teweegbrengt en trekt het voornamelijk mensen aan die baat hebben bij het systeem. Het nationalisme is een antwoord op de sociale crisis die het gevolg is van de ontpersoonlijking van het land en de etno-nationale solidariteit, terwijl het socialisme niet zonder moeite universele emancipatie probeert te bevorderen door middel van onderwijs, kennis en het delen van de macht.
Het nieuwe aan de huidige situatie is dat de sociale kwestie niet zo heftig meer speelt
In meer algemene zin hebben we altijd al geweten dat het politieke conflict structureel instabiel en multidimensioneel is (de identitaire en religieuze kloof, de kloof tussen stad en platteland, de sociaaleconomische kloof et cetera) en niet kan worden teruggebracht tot een eendimensioneel links-rechtsconflict dat zich in de loop van de tijd opnieuw zal voordoen. Toch voerde in talrijke configuraties die we in het verleden hebben kunnen waarnemen, of in elk geval in die welke ons zijn bijgebleven, de sociale kwestie de boventoon en was die de belangrijkste spil in het sociale conflict door het tegenover elkaar zetten van een sociaal-internationalistisch links en een liberaal-conservatief rechts.
Het nieuwe aan de huidige situatie is dat de sociale kwestie niet zo heftig meer speelt, deels omdat links toen het aan de macht kwam zijn hervormingsambities heeft gematigd en vaak het liberalisme heeft omarmd dat na de val van het communisme in zwang raakte, met als gevolg dat de identiteitskwestie de overhand heeft.
Een riskante gok
Wat kenmerkend is voor de drielagendemocratie is allereerst dat de werkende klasse sterk verdeeld is over migratie en de postkoloniale kwestie: stedelijke jongeren hebben minder moeite met integratie en stemmen over het algemeen links. Het minder jonge electoraat op het platteland daarentegen voelt zich in de steek gelaten en wendt zich tot het nationalistische blok. Het bourgeoisblok hoopt zich voor altijd te kunnen handhaven dankzij deze tweedeling, maar dat is een riskante gok, want de retoriek waarvan het nationalistische blok zich bedient, vaak aangemoedigd door het bourgeoisblok, is allesbehalve constructief en verergert het conflict alleen maar. In tegenstelling tot wat de andere blokken beweren is het linkse blok allerminst blind voor de veiligheidskwestie, maar wil het juist belastinggeld bestemmen voor de versterking van politie en justitie.
De beschuldiging dat er bij links sprake zou zijn van communautarisme is volstrekt ongerijmd
De beschuldiging dat er bij links sprake zou zijn van communautarisme, dat niet markt of staat centraal stelt maar de samenleving, is volstrekt ongerijmd. Dat jongeren met een migratieachtergrond massaal op het linkse blok stemmen is omdat dat hen als enige tegen het heersende racisme beschermt en het discriminatievraagstuk serieus neemt. Het wordt hoog tijd dat de sociale kwestie weer de kern vormt van het politieke debat in Frankrijk, niet omdat het volksblok per definitie gelijk heeft en het bourgeoisblok ongelijk (de noodzakelijke mate van herverdeling is nooit eenvoudig te bepalen), maar omdat sociale klassenconflicten meer stof tot nadenken bieden en de democratie in staat stellen te functioneren. Laten we hopen dat deze verkiezingen daarbij zullen helpen.
Als we iedereen maar van leugens beschuldigen, wat ook in Nederland aan de orde van de dag is, wordt het moeilijker om echt bedrog aan de kaak te stellen. ‘Het woord “liegen” is verzwakt doordat het te vaak is gebruikt’, stelt filosoof Julian Baggini.
Ruim een eeuw geleden maakte Winston Churchill slim gebruik van de opzettelijk omslachtige term ‘terminologische onjuistheid’ om zowel het verbod te omzeilen iemand in het Lagerhuis een leugenaar te noemen als om aandacht te vestigen op het feit dat hij dat nu juist deed. Opmerkelijk genoeg geldt dat verbod nog steeds, al lijken parlementsleden tegenwoordig eerder bereid het te overtreden en de consequenties daarvan onder ogen te zien, zoals kortgeleden Ian Blackford van de Scottish National Party en Dawn Butler en Lloyd Russell-Moyle van Labour.
Velen van ons juichen het begrijpelijkerwijs toe als het beestje bij de naam wordt genoemd. Wanneer Boris Johnson op flagrante wijze een loopje met de waarheid neemt, is de vermaning van Lagerhuisvoorzitter Lindsay Hoyle dat Blackford het woord ‘onbedoeld’ vooraf moet laten gaan aan ‘het Lagerhuis heeft misleid’ niet zozeer een oproep tot wellevendheid als wel een herinnering aan parlementaire nalatigheid.
Een leugen is een onware bewering die willens en wetens wordt verkondigd om anderen te misleiden
Toch blijven er goede redenen om niet iedereen zomaar van leugenachtigheid te beschuldigen. Een grotere bereidheid daartoe getuigt niet zozeer van meer eerlijkheid als wel van een toegenomen neiging tot kortzichtige partijdigheid. De handschoenen zijn uitgetrokken en in plaats van onze opponenten het voordeel van de twijfel te gunnen, haasten we ons om hen zo streng mogelijk te veroordelen.
Het verschil tussen een leugen en een onwaarheid is eenvoudig. Een leugen is niet gewoon maar een onware bewering, maar een die willens en wetens wordt verkondigd om anderen te misleiden, vaak door middel van het toedekken van wandaden.
Motieven
De reden dat we moeten aarzelen iemand een leugenaar te noemen is dat we geen inzicht hebben in diens motieven of geestesgesteldheid. Dat een bewering onwaar is kan meestal zonder gerede twijfel worden vastgesteld; dat de persoon die haar heeft gedaan wíst dat ze onwaar was valt moeilijker vast te stellen. Ook al kunnen er harde bewijzen zijn dat de betrokkene al die tijd op de hoogte was van de waarheid, het gevoel dat hij of zij liegt is in de regel alleen maar een sterk vermoeden. Iedereen is a priori onschuldig, dus als we ernstige beschuldigingen tegen iemand uiten, moeten we er heel erg van op aan kunnen dat die terecht zijn. Dat is gewoon een kwestie van rechtvaardigheid.
Iemand te snel een ‘leugenaar’ noemen heeft nog drie andere grote nadelen. Het eerste is een klassieke juridische vergissing: klaag iemand aan wegens een ernstig maar betwistbaar feit en de kans is groot dat een aanklacht wegens een minder ernstig maar onbetwistbaar feit in de prullenbak belandt. Neem de populaire woordspeling ‘Bliar’, ingegeven door het idee dat Tony Blair loog over het bestaan van massavernietigingswapens in Irak. Hoewel er nu overweldigend veel bewijs is voor de onjuistheid van die bewering, is nooit duidelijk bewezen dat Blair wist dat ze onjuist was, ondanks gedegen onderzoek. Al die tijd was de grootste beschuldiging aan zijn adres dat hij had gelogen. Daarom kon Blair gemakkelijk ontkennen dat hij schuldig was. Maar stel nu eens dat de nadruk was gelegd op incompetentie, op het nemen van beslissingen op grond van onvoldoende bewijs, op het stellen van onvoldoende vragen voorafgaand aan de besluitvorming? Daarmee zouden tegenstanders van de oorlog in Irak het Blair knap lastig kunnen maken, maar als de nadruk op liegen wordt gelegd schieten ze hun doel voorbij.
Kwade bedoelingen
Een groter probleem met iemand te snel een leugenaar noemen is dat je mensen daarmee sneller achteraf kwade bedoelingen in de schoenen schuift. Mensen lijken steeds minder bereid te accepteren dat degenen met wie ze het oneens zijn zich gewoon kunnen vergissen, en dichten hun in plaats daarvan snode bedoelingen toe. Over degenen die zich hardop afvragen of trans personen altijd hetzelfde moeten worden behandeld als degenen wier sekse en genderidentiteit vanaf hun geboorte overeenstemmen wordt niet gezegd dat ze het bij het verkeerde eind hebben, maar dat ze haatdragend zijn. Brexit-tegenstanders hebben het niet gewoon mis, maar zijn onvaderlandslievend. Brexit-voorstanders waren niet alleen naïef toen ze geloofden dat het land beter af zou zijn met het verlaten van de EU, ze wisten al die tijd dat het tegendeel het geval was. Mensen die de verkeerde woorden gebruiken met betrekking tot ras zijn niet gewoon slecht geïnformeerd, maar onverdraagzaam. Wanneer dit vaste prik wordt, zien we de muren tussen mensen steeds dikker en hoger worden. Meningsverschillen worden hartstochtelijker, minder begrijpelijk, dualistischer.
Wanneer we mensen met wie we het oneens zijn in steeds heftiger bewoordingen beschuldigen, verliezen we ook het vocabulaire dat onderscheid maakt tussen uitzonderlijk wangedrag en gewone fouten of kleine misdragingen. Zoals het woord ‘fascist’ aan kracht inboet wanneer linkse mensen iedereen ter rechterzijde van Michael Heseltine zo noemen, zo boet de beschuldiging ‘leugenaar’ aan kracht in wanneer iedereen die zich vergist als een bedrieger te boek wordt gesteld.
Het woord ‘liegen’ is verzwakt doordat het te vaak is gebruikt
Zo schreef Hogerhuisvoorzitter Dominic Raab afgelopen februari in The Times dat de Britse orde van advocaten CBA ‘haar leden aanzet tot nodeloos en onverantwoordelijk verzet tegen een procedure die de regering wel verplicht is te volgen’. De CBA repliceerde in een tweet: ‘Wij hebben de regering niet gevraagd inbreuk te maken op enig openbaar rechtsprincipe. Dit is een leugen.’ Dat een ingetogen organisatie als de CBA zo’n beschuldiging uit aan het adres van een minister zou vroeger een lont in het kruitvat zijn geweest. Maar in een klimaat waarin beschuldigingen van leugenachtigheid schering en inslag zijn, keek er nauwelijks iemand van op. Het gevolg was dat Raab wegkwam met zijn oneerlijkheid.
Begin april sprak VN-secretaris-generaal António Guterres de wereldleiders nog aan op hun lijdzame houding ten opzichte van de klimaatverandering met de woorden: ‘Sommige leiders van regeringen en bedrijven zeggen het een, maar doen het ander. Eenvoudiger gezegd: ze liegen.’ Net als de CBA en de Lagerhuisleden die de Britse premier van oneerlijkheid betichtten had Guterres gelijk dat hij er geen doekjes om wond, maar het woord ‘liegen’ is verzwakt doordat het door anderen te vaak is gebruikt.
Beleefdheid
Zoals filosoof Alessandra Tanesini heeft betoogd, kunnen oproepen om beleefdheid te betrachten in het openbare debat ertoe leiden dat onenigheid wordt gesmoord en mensen geen uiting meer kunnen geven aan gerechtvaardigde woede. Maar het bezwaar tegen overmatig gebruik van benamingen als ‘leugenaar’ is niet bedoeld om beleefdheidsnormen te handhaven. Het is eerder een principieel argument tegen het schuldig verklaren zonder bewijs, en een praktische oproep om ervoor te zorgen dat als we wél duidelijk, onomwonden en misschien zelfs boos kunnen beweren dat iemand heeft gelogen, die beschuldiging de krachtige en serieuze grondslag heeft die noodzakelijk is. Dat is misschien een misvatting, maar geen leugen.
Julian Baggini is schrijver en filosoof. Zijn nieuwste boek is The Great Guide: What David Hume Can Teach Us about Being Human and Living Well.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.