‘David’ vluchtte in 2012 op negentienjarige leeftijd naar Zuid-Korea. Daar maakte hij voor het eerst mee dat burgers door te stemmen zelf een president konden kiezen. Ook andere democratische vanzelfsprekendheden bleven hem verrassen. ‘Als Noord-Koreaanse vluchteling was ik diep geschokt toen ik ontdekte dat de president hier niet alle macht heeft – dat niemand absolute macht kan bezitten.’
De tijd vliegt: het is al dertien jaar geleden dat ik in Zuid-Korea aankwam. Ik herinner me nog levendig het verbijsterde gezicht van de ondervrager van de Gukjeongwon, de inlichtingendienst. Tijdens mijn verhoor hoorde hij mij eretitels gebruiken voor de leden van de familie Kim, die sinds 1948 Noord-Korea leidt. Hij legde uit dat ik nu in een land leefde waar ik, dankzij de vrijheid van meningsuiting, mocht zeggen wat ik wilde. Zelfs de president bekritiseren was toegestaan.
Ik arriveerde in december 2012 en kon toen voor het eerst met eigen ogen zien hoe een democratische presidentsverkiezing verliep; tot dan toe had ik er alleen vaag over gehoord. Als nieuwkomer had ik nog geen stemrecht. Ik moest wachten tot ik het volledige staatsburgerschap had verkregen. Daardoor kon ik het hele proces als buitenstaander observeren.
Op 19 december 2012 werd voor het eerst een vrouw tot president van Zuid-Korea verkozen. Ik herinner me nog goed hoe ik die avond de uitslag volgde op de televisie in Hanawon, het opvangcentrum voor Noord-Koreaanse vluchtelingen. Mijn verbazing was groot, ik was diep onder de indruk. En ik was niet de enige, ook de andere Noord-Koreanen in het centrum waren uitzinnig van vreugde.
Dat burgers door te stemmen een president konden kiezen, was in mijn geboorteland ondenkbaar. Ik heb er nooit kunnen stemmen. Al zou het juister zijn te zeggen dat ik nooit aan de voorwaarden voldeed om te mogen stemmen.
‘Iedereen stemt ja’
In Noord-Korea heb je stemrecht vanaf je achttiende. Ik ging echter op mijn achttiende meteen het leger in, en heb dus nooit als burger kunnen stemmen.
Toch weet iedereen die in Noord-Korea op school heeft gezeten hoe het eraan toegaat: vóór de verkiezingen moeten alle scholieren de wijken in met spandoeken met daarop de tekst ‘Iedereen stemt ja’. We moeten die leus luidkeels herhalen en de mensen tegelijkertijd oproepen om hun stem uit te brengen.
Destijds vond ik dat volkomen normaal. Het was geen activiteit waar je naar uitkeek, maar een collectieve taak waaraan iedereen moest deelnemen. Er viel niet aan te ontkomen.
Bij Noord-Koreaanse verkiezingen was er maar één kandidaat, op wie je verplicht was te stemmen. Stemde je tegen, dan werd je bestempeld als ‘ideologisch problematisch’ en liep je het risico op allerlei sancties.
Vrijwel niemand haalde dat dan ook in zijn hoofd, en de kandidaat behaalde steevast honderd procent van de stemmen. Ook dat vond ik als kind volkomen normaal. Wanneer mijn ouders gingen stemmen dacht ik altijd dat ik later hun voorbeeld zou volgen..
Na mijn schooltijd ging ik het leger in. Daar hoorde ik geruchten over de aanstaande presidentsverkiezingen in Zuid-Korea en de favoriete kandidaat, Park Geun-hye. Zij ontving destijds felle kritiek van de Noord-Koreaanse autoriteiten.
In datzelfde jaar verliet ik het land. En toevalligerwijs zag ik op televisie hoe diezelfde, door het regime zo gehate kandidaat president werd. Het was een wonder, een droom die uitkwam: leven in een land waar de president rechtstreeks wordt gekozen!
Maar de verrassingen hielden niet op. Je kon de president bekritiseren en zelfs demonstreren als hij zijn werk niet goed deed. Een paradijs op aarde!
Een president afzetten, kon dat echt?
Terwijl ik me volledig richtte op mijn integratie in Zuid-Korea, had ik geen idee dat de werkelijkheid nog wonderlijker kon zijn. Op een dag hoorde ik dat de president zou worden afgezet en dat er nieuwe verkiezingen zouden komen. Dat was voor mij volstrekt onvoorstelbaar.
Een president afzetten, kon dat echt? Als jonge Noord-Koreaanse vluchteling zonder enige interesse in politiek, vond ik het fenomeen fascinerend. Ik dacht dat ik droomde, maar het was mijn nieuwe realiteit. En dankzij die afzettingsprocedure mocht ik voor het eerst stemmen – eerder dan verwacht!
De afzetting van Park Geun-hye gaf me de kans om voor het eerst in mijn leven mijn stem uit te brengen. Sindsdien heb ik aan nog twee presidentsverkiezingen deelgenomen. Dat deze verkiezingen zo’n diepe indruk op me hebben gemaakt, komt misschien doordat ze volgden op twee afzettingsprocedures. [De mislukte impeachment van Roh Moo-hyun in 2004 en de succesvolle afzetting van Park Geun-hye in 2017.]
De Zuid-Koreaanse president moet zich aan de wet houden. Voor u klinkt dat misschien volkomen normaal, maar in Noord-Korea staat de leider boven de wet. Als Noord-Koreaanse vluchteling was ik dan ook diep geschokt toen ik ontdekte dat de president hier niet alle macht heeft – dat niemand absolute macht kan bezitten. Dat principe verwerd voor mij tot de kern van de democratie.
Zonder oordeel
De verkiezingen na de afzetting van Yoon Suk-yeol brachten een nieuwe president aan de macht [Lee Jae-myung, gekozen in juni 2025]. Vanzelfsprekend ontbrandde er een publiek debat tussen voor- en tegenstanders van de afzettingsprocedure. Maar dat deze uiteenlopende meningen zo vrij geuit konden worden, was voor mij niet minder dan een wonder.
De democratie is voor mij het systeem waarin de meest uiteenlopende meningen naast elkaar kunnen bestaan, zonder een oordeel over wie er gelijk heeft. In de dertien jaar dat ik als Noord-Koreaanse vluchteling in Zuid-Korea verblijf, heb ik vier verkiezingen meegemaakt. Tegenwoordig studeer ik politicologie en ik blijf leren van de reizen die ik naar vele landen maak. Nog altijd vervult de Zuid-Koreaanse democratie me met vreugde, maar ook met een beetje bitterheid; ze moet wat mij betreft nog volwassen worden.
Maar bovenal moet de Noord-Koreaanse dictatuur zo snel mogelijk ten val komen. Ik kijk reikhalzend uit naar de dag dat de vlag van de vrijheid wappert boven de pleinen van Pyongyang. Pas dan kan ik herenigd worden met mijn familie en vrienden. En kunnen we in alle vrijheid een president kiezen die deze titel verdient.
De gelauwerde Amerikaanse schrijver George Packer wil vasthouden aan het idee dat Amerika en democratie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Van je land houden in het Amerika van Trump voelt alsof je in een rechtszaal zit waar een dierbare voor een afschuwelijke misdaad wordt berecht. Naarmate de berg met gruwelijk bewijsmateriaal zich dagelijks ophoopt, neemt schaamte de overhand en begin je je af te vragen hoe je in godsnaam nog iets om deze persoon kunt geven. Wordt het geen tijd om te accepteren dat je naaste reddeloos verloren is? Toch blijf je komen, blijf je naar je dierbare lachen en zwaaien, blijf je hopen dat er ontlastend materiaal aan het licht komt, probeer je te geloven dat je land in wezen wel fatsoenlijk is. Vaderlandsliefde is al net zo’n veelgelaagd en ingewikkeld fenomeen als familieliefde. Het is een gevoel dat volstrekt onwrikbaar en onvoorwaardelijk kan zijn, of juist kan meebewegen – of zelfs volledig wegsterven – met de golfbeweging van het morele karakter van je land. Het kan verbonden zijn aan een huis, een graf, een landschap, een bloedband, een gedeeld verleden, een etnische of religieuze identiteit, een groep geestverwanten of een bepaald gedachtegoed. Toen Alexis de Tocqueville in de jaren 1830 door de Verenigde Staten reisde, meende hij een verschil te zien tussen het patriottisme in Amerika en de vaderlandsliefde in het aan tradities vastgebakken, hiërarchische Europa, waar de mens ‘aan zijn geboorteplaats gebonden’ was door een ‘instinctief, belangeloos en ondefinieerbaar gevoel’.
In de jonge republiek zag Tocqueville eerder een ‘bezonnen patriottisme’, meer verstandelijk strevende burgerzin dan passie: ‘Het gaat gelijk op met de verspreiding van kennis, wordt gevoed door de wet, groeit door de uit- oefening van burgerrechten en wordt uiteindelijk verward met het individuele belang van de burger.’ Dit democratisch patriottisme berustte volgens Tocqueville op een geloof in gelijkheid, onvervreemdbare rechten en de instemming van het volk – kortom, op het gedachtegoed en de uitwerking van de Onafhankelijkheidsverklaring. Maar dat universele credo kan niet bestaan bij de gratie van abstracte begrippen alleen. Wil het iets te betekenen hebben, en überhaupt kunnen voortbestaan, dan vereist het de actieve deelname van burgers.
Abraham Lincoln
Ook Abraham Lincoln wees er in zijn befaamde toespraak bij Gettysburg op dat zelfbestuur alleen behouden blijft als vaderlandslievende burgers ervoor willen vechten. Zijn politieke rivaal in de Senaatsverkiezingen van 1858, Stephen A. Douglas, was een voorstander van slavernij die alleen de afstammelingen van Britse kolonisten tot het Amerikaanse volk wilde rekenen. In de verkiezingscampagne zette Lincoln hem te kijk als iemand die de Onafhankelijkheidsverklaring te schande maakte door de helft van de bevolking uit te sluiten: al die immigranten die hun band met de VS niet dankten aan hun afstamming, maar aan de stichting van die republiek zelf. ‘Zij mogen zich er met evenveel recht mee verbonden voelen als waren zij van hetzelfde bloed en hetzelfde vlees als de schrijvers van de Onafhankelijkheidsverklaring, en dat doen zij ook,’ zei Lincoln. ‘Dat is de stroomkabel die de harten van alle vaderlandslievende en vrijheidslievende mensen verbindt, en die vaderlandslievende harten zal blijven verbinden zolang er nog liefde voor de vrijheid in de hoofden van mensen op aarde leeft.’
De tekst van de Onafhankelijkheidsverklaring vormde de grondslag voor Lincolns vaderlandsliefde en de recht- vaardiging voor zijn politiek. Hij noemde Thomas Jefferson ‘de man die in de heksenketel van het streven naar de nationale onafhankelijkheid van één volk de koelbloedigheid, de vooruitziende blik en de bekwaamheid bezat om aan een louter revolutionair document een abstracte waarheid toe te voegen die van toepassing was op alle mensen van alle tijden, en die waarheid daarin zo te verankeren dat ze nu en voor altijd als verwijt en hinderpaal op het pad staat van elke nieuwe voorbode van tirannie en onderdrukking’. Het was op grond van die waarheid dat Lincoln de slavernij afschafte en de Burgeroorlog won.
Al sinds de stichting van de republiek laait geregeld de vraag op of patriottisme een kwestie is van democratisch idealisme of van Amerikaanse afkomst. De scheidslijn in dat debat valt niet altijd simpelweg samen met die tussen links en rechts. Een groot deel van de Democratische partij kenmerkte zich tot halverwege de vorige eeuw door een combinatie van economisch populisme en wit superioriteitsdenken. De belangrijkste conservatieve politicus van de afgelopen eeuw, Ronald Reagan, zwoer bij de staatsrechtelijke visie van Amerika’s grondleggers. Bijna tweehonderdvijftig jaar na de Onafhankelijkheidsverklaring zitten we nu weer midden in een strijd om wat het betekent Amerikaan te zijn. Een strijd die ditmaal des te moedelozer maakt omdat geen van beide kampen een definitie van vaderlandsliefde heeft die uitgaat van actief burgerschap. Onderzoeksbureau Gallup vraagt Amerikanen geregeld hoe trots ze op hun land zijn. De afgelopen 25 jaar zegt bijna altijd zo’n 90 procent van de Republikeinen dat ze ‘extreem’ of ‘heel erg’ trots zijn. In diezelfde periode is dat percentage bij de Democraten gezakt van ergens in de 80 tot onder de 40, waarbij het doorgaans iets hoger is onder een Democratische president en weer daalt onder een Republikeinse, om met de terugkeer van Trump dit jaar een absoluut dieptepunt te hebben bereikt. In juni telde Gallup nog maar 36 procent trotse Democraten, tegen 92 procent trotse Republikeinen: het grootste verschil sinds het bureau deze vraag in 2001 begon te stellen.
Dood spoor
Republikeinen blijven dus heel patriottisch terwijl hun partij de democratische instituties van het land uitholt en hun leider flirt met een presidentieel koningschap, alsof de liefde voor hun land volledig losstaat van de grondbeginselen ervan. Anderzijds vinden Democraten het moeilijk om trots te zijn op hun land als er geen Democratische president zit die het soort beleid voert dat zij voorstaan, alsof hun vaderlandsliefde niet dieper gaat dan hun politieke voorkeur.
De twee vormen van vaderlandsliefde die Tocqueville beschreef, zijn allebei op een dood spoor beland. De instinctieve vorm blijkt in het Trump-tijdperk open te staan voor autocratische reflexen, terwijl de bezonnen variant resulteert in cynisme, vervreemding en lijdzaamheid. Geen van beide vormen van patriottisme levert het soort burgers op dat volgens Amerikaanse democraten als Lincoln, Walt Whitman, John Dewey en Martin Luther King onmisbaar is voor het behoud van een vrij land.
Amerikaans patriottisme is een vluchtig goedje dat nooit eens wil uitharden tot een rustige, bescheiden liefde voor het eigen land. Het wordt voortdurend heen en weer geslingerd tussen ‘Iedereen is hier welkom’ en ‘Pas op voor de hond’. Haal de universele grondbeginselen van gelijkheid, vrijheid en zelfbestuur eruit en wat je overhoudt is gesnauw. De Republikeinse partij heeft Reagans ideaal van de stralende ‘city on a hill’ ingeruild voor het Blut und Boden-nationalisme van de oude vorstendommen en nieuwe dictaturen in Europa: Poetins Rusland, Orbáns Hongarije. Vlak voor de verkiezingen van vorig jaar sprak Stephen Miller, de belangrijkste ideoloog van Trump, een sentiment uit dat een regelrechte vertaling leek van het Duitse ‘Ausländer raus!’ toen hij op een politieke bijeenkomst in Madison Square Garden de menigte toeriep: ‘Amerika is alleen voor Amerikanen!’
De betekenis van dat ‘voor’ is onduidelijk, maar het belangrijkste woord in die zin is ‘alleen’. Het Amerika van Trump wordt gedefinieerd door wie erbij hoort en wie niet. Het draait om uitsluiting. Nu Trump weer aan de macht is, laat hij merken dat burgerschap alleen niet genoeg is om erbij te horen. De president en de zijnen bepalen wie de echte Amerikanen zijn. Als je afkomst of je opvattingen hen niet aanstaan, zullen ze proberen je grondwettelijke geboorterecht af te pakken en je te deporteren.
Voor vicepresident Vance wordt de Amerikaanse identiteit gedefinieerd door waar je voorouders in hun graf liggen te vergaan. Hij opperde die gedachte toen hij op de nationale conventie van de Republikeinse partij in 2024 een lofzang afstak op de begraafplaats in het oosten van Kentucky waar vijf generaties van de familie Vance liggen. Omdat de ouders van zijn vrouw uit India komen, laat hij noodgedwongen ook ruimte voor sommige immigranten, maar alleen als ze voldoen aan zijn dankbaarheidscriterium. Zohran Mamdani, destijds de Democratische kandidaat voor het burgemeesterschap van New York en inmiddels gekozen als burgemeester, doorstaat die toets volgens Vance niet omdat hij, na jarenlang blijkbaar geen aandacht aan Onafhankelijkheidsdag te hebben besteed, op 4 juli jongstleden met deze verklaring kwam: ‘Amerika is een prachtig, tegenstrijdig, onvoltooid land. Een land waar ik trots op ben en dat we voortdurend proberen te verbeteren.’ Een nietszeggende gemeenplaats, maar in de ogen van Vance was het pure ondankbaarheid. Een Oegandese immigrant die ‘het waagt om het land te beledigen’ waar zijn familie een veilig heenkomen vond, en dat nog wel op die ‘meest heilige dag? Wie denkt hij wel niet dat hij is?’
Voor Vance zijn niet alle burgers gelijk. Als je voorouders meevochten in Shiloh of Yorktown mag je de grondwet aan je laars lappen, het ministerie van Justitie inzetten als presidentiële politiedienst, gezellig buurten met racistische nationalisten en jezelf nog steeds een patriot noemen. Maar als je nog maar pas in het land bent, moet je dankbaar zijn en het niet wagen kritiek te leveren op de manieren waarop je land zijn idealen beschaamt. Vaderlandsliefde is het recht om op 4 juli met de vlag te zwaaien en je in de nationale kleuren te hijsen, terwijl je ondertussen het credo van je land met voeten treedt. Deze schrale, verpieterde vorm van patriottisme, die zo zijn eigen voorgeschiedenis heeft, laait vaak op als er grote aantallen nieuwe burgers in spe naar ons land komen, en gaat bijna altijd gepaard met een geur van racistische en religieuze onverdraagzaamheid. MAGA is een van de loten aan deze stam.
Omdat de nationalisten hun patriottisme niet op het Amerikaanse credo van gelijkheid willen stoelen, ligt daar een mogelijkheid voor de Democraten om vaderlandsliefde als essentieel kenmerk van hun identiteit te claimen. Maar al decennialang, minstens sinds de Vietnamoorlog, zijn veel liberale en linkse Amerikanen huiverig voor of zelfs sterk gekant tegen het gebruik van patriottische symbolen en emoties. En voor die afkeer is een hoge politieke prijs betaald.
De vlag
Ik ben in de jaren zestig en zeventig opgegroeid in een gezin waar de Amerikaanse vlag nooit uithing. Niet uit antiamerikanisme, maar omdat het een verkeerd signaal zou afgeven: het zou een steunverklaring zijn geweest aan de chauvinistische partij van Nixon en Reagan. De boodschap van de vlag zou toen zijn geweest: ‘hup Amerika, slikken of stikken’, en jammer dan van het racisme en al die oorlogen. Onze afkeer van de vlag had ontegenzeggelijk ook een snobistische kant. Met de vlag zwaaien was iets wat mensen uit lagere milieus deden, arbeiders die hun eigen auto repareerden. De universitair geschoolde types die in de Democratische partij in de jaren zeventig de boventoon begonnen te voeren, gingen prat op hun genuanceerde kijk op de Amerikaanse geschiedenis. Ze moesten niets hebben van het platte en dwingende patriottisme van de Republikeinse partij, die een soort nationale verafgoding van de natie eiste, blinde verheerlijking zonder oog voor de slavernij, de genocide op de oorspronkelijke bewoners, de segregatie, de internering van Japanners, de Vietnamoorlog. In het Republikeinse kamp werd vaderlandsliefde een negatieve kracht die bijna gelijk stond aan haat jegens landgenoten van de andere partij. Nationale symbolen zoals de vlag, het volkslied en de eed van trouw werden partijpolitieke wapens.
George Bush senior voerde in 1988 een campagne die weinig méér behelsde dan een vertoon van patriottisme, en misschien heeft dat Michael Dukakis wel de verkiezingswinst gekost. ‘De Republikeinen hebben zich de vlag en die symbolen toegeëigend,’ zegt Michael Kazin, die geschiedenis doceert aan Georgetown University en ettelijke boeken over links Amerika heeft geschreven. Tegelijkertijd raakte een invloedrijke gedachte uit de anti-oorlogsbeweging van de jaren zestig stevig verankerd in het linkse gedachtegoed: dat de VS een bijna uniek slecht land vormden, de bron van bijna alles wat er mis was in de wereld: racisme, het patriarchaat, homofobie, militarisme, kolonialisme en de verwoesting van het milieu. Het immens
populaire geschiedenisboek A People’s History of the United States van Howard Zinn uit 1980 heeft meerdere generaties linkse Amerikanen bijgebracht dat patriottisme een slechte zaak is. ‘Ik zal niet zeggen dat Nieuw Links de Democratische Partij heeft gekaapt,’ zegt Kazin, ‘maar een aantal van die ideeën zijn toch doorgesijpeld, en het Trumpkamp heeft gelijk dat de universiteiten naar links zijn opgeschoven.’
De American Studies Association – de vereniging voor amerikanistiek, de belangrijkste universitaire organisatie die zich bezighoudt met de Amerikaanse geschiedenis en identiteit – belandde in de greep van een groep die zo vijandig staat tegenover het eigen onderzoeksgebied dat de voorzitter in 1998 zelfs voorstelde het woord ‘American’ uit de naam van de vereniging te schrappen. In 2017 liet de nationale bestuursraad van de vereniging in een verklaring weten dat ‘amerikanistiek ons leert dat categorieën zoals “law and order”, patriottisme en “traditionele waarden” een reactionair discours in stand houden. We moeten belichten hoe de strijd voor zelfbeschikking, zelfbestuur en waardigheid door het gebruik van die woorden gecriminaliseerd en gestigmatiseerd wordt.’ En in 2019 stelde het dagelijks bestuur: ‘Wij streven naar modellen van solidariteit, duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid die alternatieven bieden voor het verdorven imperium dat slechts uit is op vernietiging.’
Voor de meeste Republikeinen staat de vlag nog wel voor een democratisch ideaal. Er zijn weinig Democraten die op Onafhankelijkheidsdag op sociale media een bericht zouden plaatsen zoals dat van toenmalig Congreslid Cori Bush in 2021: ‘Als ze zeggen dat 4 juli over Amerikaanse vrijheid gaat, bedenk dan wel: de vrijheid waar ze het over hebben is alleen voor witte mensen. Dit land is gestolen en zwarte mensen zijn er nog steeds niet vrij.’ Maar misschien lopen J.D. Vance en Cori Bush alleen maar op de troepen vooruit, zijn zij de spreekbuis van een jongere, meer sceptische generatie Amerikanen. Voor rechts, dat nu aan de macht is, is het loslaten van het Amerikaanse ideaal een vrijbrief voor het optuigen van een autoritair regime. En omdat links al decennia probeert te bewijzen dat dit ideaal een illusie is, kan het zich moeilijk tegen de ontmanteling ervan verzetten.
Wat vormt nu nog een goede grond voor patriottisme? De instellingen die door de grondleggers van onze natie werden opgericht, werken niet goed meer. Onze gekozen leiders zijn tot afschuwelijke diepten van eigenbelang, lafheid en corruptie gezonken. Bij de woorden van de Onafhankelijkheidsverklaring springen je de tranen in de ogen van ontroering, maar ook van ontgoocheling. ‘Het is niet makkelijk om nog voor de Amerikaanse idealen op te komen, omdat er veel cynisme heerst over hoe die idealen zijn misbruikt en gepolitiseerd,’ zegt Kazin. ‘Jongeren zijn lang niet meer zo verknocht aan de idealen zoals zij die zien, niet meer zo bereid om trots te zijn op hun land. Ze hebben een tik meegekregen van dat felle ideologische conflict.’ ‘Democratie, democratie, democratie!’ roepen liberaaldenkenden, de laatsten die nog in de instituties en in geleidelijke verandering geloven. Maar als het Hooggerechtshof de president boven de wet stelt, de president zijn ambt misbruikt voor afpersing, het Witte Huis iedereen voor de leeuwen gooit die met ongemakkelijke waarheden komt, Buitenlandse Zaken met dictators flirt en dissidenten en vluchtelingen de deur wijst, juristen van Justitie de rechter voorliegen, het Congres leugenaars tot rechter benoemt en geld besteedt aan een gemaskerde geheime politie, en de meeste Amerikanen dit niet lijken te zien of zich er niet druk om maken, wat heb je dan nog aan democratie? Dit is ons land en onze regering, dus zelfhaat is de eerlijkste reactie.
Maar ik wil blijven geloven dat mijn land in de kern een fatsoenlijk land is. Ik wil Amerika niet gelijkstellen aan één president en één partij, of aan beide partijen. Ik wil net als Walt Whitman het gevoel hebben dat Amerika en democratie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. En net als John Dewey geloven dat een democratie zelfstandige burgers van ons maakt die altijd kunnen kiezen voor het streven naar een beter land met meer zelfrespect.
Rituelen
Tocqueville schreef: ‘In de Verenigde Staten is men ervan overtuigd, en terecht, dat vaderlandsliefde een vorm van verering is die gesterkt wordt door rituelen.’ In een democratie vereist dat ritueel deelname aan het openbare leven. En nog moeilijker: het vergt een wereldbeeld waarin iedereen aan dat openbare leven mag deelnemen. We mogen de andere partij, de andere staten, de andere religies, de laatste nieuwkomers en de oudste inheemse stammen niet zomaar wegdenken. In zijn toespraak over de Amerikaanse identiteit zei Vance ook één ding dat waar is: ‘Maatschappelijke banden worden aangegaan door mensen die iets gemeen hebben.’ Een land, en zeker dit land dat zo kort van memorie en zo onbevattelijk divers van opmaak is, kan niet alleen bestaan bij de gratie van een geografische grens en een stel wetten. Het heeft ook een gedeelde taal en cultuur nodig, een manier van leven.
De intersectionele multiculturalisten van links vinden dat er niet zoiets als een gemeenschappelijke Amerikaanse cultuur bestaat, dat dit hele begrip een vorm van onderdrukking is: er zijn alleen verschillende groepen mensen die dominant of ondergeschikt zijn. Voor Vance en de nationalisten van rechts ontspringt de cultuur aan de Amerikaanse bodem en het Amerikaanse verleden, ‘een kenmerkende plaats en een kenmerkend volk’, waarmee ze een volk en een geloof bedoelen dat hier lang geleden naartoe is gekomen en een manier van leven met zich meebracht waarin iedereen moet meegaan. Maar beide zienswijzen slaan de plank mis, onpatriottisch mis.
De Amerikaanse cultuur heeft net zo’n sterke eigen identiteit als die van elk ander land, alleen stoelt deze cultuur op een gedachte. Die gedachte is de gelijkheid van alle mensen. Hun recht op leven, vrijheid en het nastreven van geluk. Een vorm van zelfbestuur die hun rechten waarborgt, inclusief het recht om een regering naar huis te sturen als die tiranniek wordt.
Overal ter wereld is de autocratie in opkomst en begint de glans van de democratie te verflauwen
Deze gedachte heeft een massacultuur voortgebracht die befaamd is om zijn rumoerigheid, informele toon, onschuld en onwetendheid, gulheid en gewelddadigheid, openhartigheid en onnozelheid – een cultuur van individualisten die weigeren te accepteren dat ook maar iemand boven hen verheven is, dat je niet hogerop zou kunnen klimmen, niet kunt proberen wat dan ook te worden. Het is de makkelijkste cultuur van de wereld om tot toe te treden, en als het de eerste generatie niet lukt, dan toch zeker de tweede wel. Een cultuur die anderen opneemt en verandert, en door hen veranderd wordt, en uitgesproken en toegankelijk genoeg is om een omgangstaal te bieden die iedereen begrijpt en waarin iedereen zich verstaanbaar kan maken. Een cultuur zonder ingewikkelde regels of geheime oude codes. Die andere culturen platwalst tot muziek, kleding, gerechten en teksten van een vulgariteit die de rest van de wereld afstoot en verleidt. Die sterker is dan welke religieuze of maatschappelijke hiërarchie dan ook.
Wat Amerikanen gemeen hebben, is een manier van leven gebaseerd op dit credo. Als je vindt dat dit credo er nog steeds toe doet, als je binding met dit land besloten ligt in het ideaal van die cultuur en de instituties die eruit voortkomen, dan kamp je nu met een gure tegenwind. Overal ter wereld is de autocratie in opkomst en begint de glans van de democratie te verflauwen, nu het grootste baken van democratie zichzelf begint te doven. In Amerika vinden de meeste van je landgenoten in beide kampen dat de democratie niet meer in hun voordeel werkt.
Je moet ze duidelijk maken dat alle voorgestelde olifantenpaadjes naar een grootse toekomst in feite leiden naar de hel. Dat het enige pad naar een beter leven te vinden is in de gezamenlijke inspanning van vrije en gelijkwaardige burgers. En je moet daarin blijven geloven, al zijn de anderen nog zo van de pot gerukt. De enige manier om een patriot te zijn is om samen te werken met die domkoppen, je Amerikaanse landgenoten, om zo een eind te maken aan de toenemende tirannie en ons een kans te geven onszelf te redden.
Van links tot rechts groeit de overtuiging dat pluralisme tot verdeeldheid leidt, dat de rechtsstaat de overheid in de weg zit en dat de wispelturigheid van de kiezer echte verandering onmogelijk maakt. Maar Ben Connelly betoogt dat deze schijnbare zwakheden juist de kracht zijn van open samenlevingen.
Zowel bij nieuw rechts als in het kamp van klimaatlinks heerst momenteel de opvatting dat juist de kwaliteiten waarop Amerika zich vroeger liet voorstaan, het land in feite verzwakken. Pluralisme, zo hoor je vaak, leidt tot een verdeelde en onbestuurbare samenleving. De regels van de rechtsstaat zitten de overheid in de weg bij de aanpak van grote problemen. En door de wispelturigheid van de kiezer moeten politici vaak alweer weg voordat ze de kans hebben gehad blijvende verandering door te voeren. Sommige populisten voor wie een zwakke staat een groter schrikbeeld is dan een totalitaire staat, zouden de diversiteit van onze samenleving graag verruilen voor volstrekte eendracht. Onder milieuactivisten neigt men tot de gedachte dat de omvang van de klimaatcrisis geen ruimte meer laat voor de keuzevrijheid van de democratische rechtsstaat.
Maar al deze critici zien kracht voor zwakheid aan. Vooral bij nieuw rechts zien velen het verschil niet tussen krachtpatserij en echte kracht. Ze denken dat onze vijanden ons voorbij dreigen te streven, dat Rusland en China de toekomst hebben en dat Amerika en het hele Westen onherroepelijk in verval zijn. Maar echte kracht is vaak meer een kwestie van flexibiliteit dan van eenvormigheid. Een open samenleving is meestal buigzamer dan een gesloten samenleving. In een tijd waarin de lokroep van de gesloten samenleving onverbiddelijk aanzwelt, moeten we niet vergeten dat we dit scenario in de loop van de twintigste eeuw al zo vaak hebben zien aflopen met de ondergang van gesloten samenlevingen, of die nu fascistisch of communistisch waren. Het is goed om in deze tijd voor ogen te houden hoe robuust open samenlevingen in feite zijn, en waarom er zo’n hardnekkige neiging bestaat om hun veerkracht te onderschatten.
De muis en de olifant
Nassim Nicholas Taleb, de derivatenhandelaar die ook filosoof is en boeken schrijft over onzekerheid, geeft het voorbeeld van de muis en de olifant. De olifant is veel en veel groter. Maar als een olifant van tweemaal zijn eigen hoogte valt, breekt hij alle botten in zijn lijf. Een muis kan van tien keer zijn eigen hoogte vallen en daarna doodleuk wegrennen. Omdat onze soort geëvolueerd is in een omgeving waarin grootte gelijkstond aan kracht, hebben we de neiging een autoritair regime dat zich grootmaakt ook sterk te wanen. We beseffen niet hoe broos de botten van de olifant zijn. Taleb betoogt dat ons gezond verstand (het primitieve deel van onze hersenen) ons vaak in de weg zit in de uiterst complexe omgevingen waarin we nu leven. Dat we behoefte hebben aan een andere manier van denken, die meer uitgaat van redundantie, risicospreiding, openheid en misschien nog het voornaamst van al: een diepe laag nederigheid.
En het is inderdaad opvallend dat telkens opnieuw dezelfde denkfout wordt gemaakt. In de twintigste eeuw waren er altijd wel vooraanstaande commentatoren die verkondigden dat de vrije wereld in verval was en autocratie de toekomst had. Zij bleken het telkens bij het verkeerde eind te hebben, en toch blijft die oude voorspelling de kop opsteken. In de Koude Oorlog dachten veel anticommunisten dat ze een verloren strijd voerden. Op links dachten veel mensen dat de Sovjet-Unie te werk ging met een overtuiging en doelmatigheid die het Westen nooit kon evenaren. In de jaren en twintig en dertig werd zowel het communisme als het fascisme door Amerikaanse journalisten en wetenschappers op gejuich onthaald. Zoals in de befaamde uitspraak van de grote onderzoeksjournalist Lincoln Steffens na zijn bezoek aan de Sovjet-Unie: ‘Ik ben naar de toekomst geweest, en die werkt.’ Hij zei ook dat God ‘Mussolini uit de rib van Italië geschapen’ had. Vooral Mussolini was geliefd bij Amerikaanse intellectuelen, van de rector magnificus van Columbia University tot journalisten als Ida Tarbell en Anne O’Hare McCormick.
Zelfs tegenstanders van totalitarisme waren bang dat die staatsvorm toch onvermijdelijk was
Zelfs tegenstanders van totalitarisme waren bang dat die staatsvorm toch onvermijdelijk was. Iets van die fascinatie met autocratisch machtsvertoon zie je ook in James Burnhams boek The Managerial Revolution (1941), dat in sommige rechtse kringen nu weer populariteit geniet. Burnham dacht dat het kapitalisme zou plaatsmaken voor een nieuwe ‘managersklasse’, die een geleide economie zou opleggen. Elders in zijn werk stelde hij het ‘fanatisme’ van de nazi’s tegenover de veronderstelde ‘apathie’ van Frankrijk en Groot-Brittannië. Uit al zijn werk spreekt de vrees dat vrije samenlevingen te zwak zijn om zich tegen een sluipend despotisme te verzetten.
Maar Burnhams betoog werd eigenlijk al grotendeels ontkracht door de gebeurtenissen in zijn eigen tijd, zoals George Orwell in 1946 opmerkte in zijn essay ‘Bedenkingen bij James Burnham’. Hij schreef:
Overdreven ontzag voor macht vertroebelt de politieke blik, omdat het bijna onvermijdelijk uitloopt op de overtuiging dat de huidige trends zich onveranderd zullen voortzetten. (…) Dat moet wel tot verkeerde voorspellingen leiden, want zelfs al wordt de richting van de ontwikkelingen juist ingeschat, het tempo zal verkeerd worden ingeschat. Binnen vijf jaar tijd voorspelde Burnham zowel dat Duitsland door Rusland zou worden bedwongen als het omgekeerde. In beide gevallen volgde hij hetzelfde instinct: het instinct om te buigen voor de overwinnaar van het moment, om de huidige trend als onomkeerbaar te beschouwen.
Uitgeteld
Wat Orwell bij Burnham constateert, zie je tegenwoordig terug bij schrijvers die betogen dat Amerika is uitgeteld en dat er een vorm van ‘postliberalisme’ nodig is om onze verkalkte cultuur nieuw leven in te blazen. Denkers zoals Burnham zagen de trend van het moment – zwakke democratieën, de schijnbaar niet te stuiten opkomst van totalitaire staten – en gingen ervan uit dat aan die trend nooit meer een einde zou komen. Tekenen van verdeeldheid en balkanisering zijn voor de hedendaagse tegenhangers van Burnham in Amerika niet moeilijk te vinden. Alleen trappen ze in dezelfde valkuil als hij door er klakkeloos van uit te gaan dat die trends zich in een rechte lijn zullen doorzetten en onze ondergang moeten inluiden.
Maar zo werkt de geschiedenis niet. Crises zijn meestal onvoorzien, evenals de oplossing ervan. In een levendige en dynamische samenleving als de onze, waarin plaats is voor een breed scala aan verschillende instituties, is er ook meer kans dan in een centraal geleide samenleving dat de elementen al voorhanden zijn om een crisis te weerstaan en er zelfs sterker uit te komen.
In zijn boek Antifragiel: dingen die baat hebben bij wanorde (2012) probeerde Taleb deze schijnbare paradox te verklaren vanuit het verschil tussen de relatief eenvoudige omgevingen waarin het ‘gezond verstand’ van de mens is ontstaan en de veel complexere omgevingen waarin we tegenwoordig leven: omgevingen waarin de kans op ‘zwarte zwanen’ steeds groter wordt en waarin je systemen nodig hebt die ‘antifragiel’ zijn. Een perfect voorbeeld van het tekortschieten van gezond-verstandoplossingen is ‘het stelselmatig voorkomen van bosbranden “voor de veiligheid”, wat de grote bosbranden juist veel erger maakt’.
De spreiding van macht en de vrijheid om te innoveren zijn eigenschappen die een samenleving bestand maken tegen schokken
Zo is ons beleid vaak in de greep van een achterhaald soort gezond verstand dat onze samenleving veel kwetsbaarder maakt. We denken dat we de economie beschermen door de staat er meer macht over te geven, maar in feite werpen we zo alleen maar belemmeringen op voor het aanpassen van die economie wanneer interne of externe schokken dat vereisen. We denken dat het onze samenleving sterker maakt om verstrekkende bevoegdheden bij één instantie te concentreren – terwijl je dat in een hypercomplexe omgeving nu juist niet moet doen. We hopen dat we de uitdagingen van de komende eeuw het hoofd kunnen bieden door ons overheidsapparaat uit te breiden. Maar hoe meer we onze economie in banen willen leiden, vooral van bovenaf, hoe meer we die economie juist verzwakken en voor mislukking rijp maken. Taleb gaf in 2007 een eerste schets van zijn denkbeelden in het boek De zwarte zwaan, dat achteraf een van de beste verklaringen lijkt te bieden voor de financiële crisis die een jaar later uitbrak: hij wees op de beperkingen van het ‘optimaliseringsdenken’ en de onvermijdelijkheid van allesbepalende ‘zwarte zwaan’-gebeurtenissen.
De remedie is volgens Taleb om af te stappen van ons gezond verstand-denken en de primitieve behoefte alles in de hand te houden, en om te leren enige mate van willekeur en onvoorspelbaarheid te accepteren. De vrije markt, tegenpool van een geleide economie, is niet alleen beweeglijker en flexibeler en daardoor beter in staat om schokken op te vangen, maar vermijdt ook de versterkende effecten die in strak gereguleerde markten schering en inslag zijn en die een kleine crisis kunnen aanwakkeren tot een systeemcrisis. Redundantie, de spreiding van macht en de vrijheid om te innoveren zijn eigenschappen die een samenleving bestand maken tegen schokken waar een geharnast en met dwang geleid systeem aan ten onder gaat.
Een decentrale machtsverdeling
Je ziet ook iets van die dynamiek in de onvrede over de Amerikaanse grondwet die momenteel om zich heen grijpt. Die grondwet heeft inderdaad veel weg van een niet helemaal geoptimaliseerd managementsysteem. Zowel linkse als rechtse denkers betogen dat hij niet berekend is op de uitdagingen van de eenentwintigste eeuw. Maar met behulp van Talebs inzichten kunnen we constateren dat dit een misvatting is die de essentiële kracht van die grondwet onderschat. Onze grondwet tuigt een federaal stelsel op met overlappende bevoegdheden, met als hoogste macht een landsregering die bevoegdheden moet delen met afzonderlijke regeringen van deelstaten die voor hun mandaat niet van die landsregering afhankelijk zijn. Het is juist deze decentrale machtsverdeling (die lijkt op de federale structuur van de Zwitserse kantons, zoal Taleb schrijft) die de Amerikaanse samenleving behoedt voor de snelle regimewisselingen die we tegenwoordig op verscheidene plaatsen in de wereld zien. Of zoals James Madison in het tiende essay van de Federalist Papers schreef: ‘onbehoorlijke of kwaadwillende plannen zullen niet zo snel het hele staatsbestel van de Unie in hun greep krijgen, hooguit één afzonderlijk onderdeel daarvan; net zoals een ziekte eerder een specifiek district zal treffen dan een hele staat’.
De grondleggers van de Verenigde Staten kenden het werk van zowel de klassieke als de verlichtingsfilosofen. Maar ze hadden zich ook verdiept in de geschiedenis van republikeinse regeringsvormen en de oorzaken waardoor die waren mislukt, om te weten hoe ze zo’n mislukking konden voorkomen. Het resulteerde in de oudste grondwet ter wereld die nog steeds van kracht is.
Onze grondwet is een schoolvoorbeeld van een antifragiel systeem
Taleb wijst op het ‘Lindy-effect’: hoe langer een technologie bestaat, hoe meer kans die maakt om ook in de toekomst overeind te blijven, en hoe nieuwer een technologie is, hoe sneller die achterhaald zal raken. Dat onze grondwet het zo lang heeft uitgehouden, zegt iets over de duurzaamheid ervan. Maar die duurzaamheid is meer dan toeval. Door zijn opzet is deze grondwet robuuster en beter bestand tegen schokken dan de meeste andere grondwetten. Het is een schoolvoorbeeld van een antifragiel systeem, een structuur met ingebakken redundanties en schijnbare ondoelmatigheden. En juist de kenmerken die vaak tot onvrede leiden en niet helemaal ‘geoptimaliseerd’ zijn, maken deze grondwet zo schokbestendig.
Dat de macht gedecentraliseerd is bijvoorbeeld. En dat verandering langzaam gaat. En dat er vaak verkiezingen zijn, zodat coalities zelden lang genoeg aan de macht zijn om het land volledig hun wil op te leggen, tenzij zo’n regering werkelijk vertolkt wat een stabiele meerderheid van de bevolking in een meerderheid van de staten wil. Een autocratische leider kan simpelweg per decreet afkondigen welke richting een land moet inslaan, maar in een samenleving als de onze moet zo’n besluit door een duurzame meerderheid worden gedragen. Als onze maatschappij een nieuwe richting inslaat, moet dat dus wel een diepere en bredere (en daardoor reëlere) ontwikkeling zijn dan in een van bovenaf geleide samenleving waarin kortstondig spierballenvertoon de plaats inneemt van daadwerkelijke verandering in de samenleving zelf.
Buigzaam
Aan die schokbestendigheid van onze grondwet kunnen we een voorbeeld nemen bij de uitdagingen die ons in de komende decennia wachten. Omdat de toekomst niet te voorspellen valt, zo stelt Taleb, kunnen we ons niet op schokken voorbereiden. Het beste wat we daarom kunnen doen, is ervoor zorgen dat onze systemen redundant en buigzaam genoeg zijn om schokken te kunnen opvangen.
De critici van de vrije samenleving hebben gelijk als ze zeggen dat zo’n samenleving alle kanten tegelijk op wordt getrokken door vakbonden, het bedrijfsleven, de kerken, maatschappelijke organisaties, universiteiten, non-profitorganisaties en duizenden andere instellingen. Ze hebben gelijk als ze zeggen dat autocratische samenlevingen een vorm van eendracht aan de dag leggen waaraan het ons ontbreekt, of ze nu doelen op het Rusland van Poetin of het Italië van Mussolini. Maar ze zitten ernaast als ze denken dat verscheidenheid de vrije samenleving zwakker maakt, of dat eenvormigheid een gesloten samenleving sterker maakt. Het zijn juist de vrije samenlevingen die beter zijn toegerust om in een onzekere toekomst te overleven en zelfs te gedijen, en de gesloten samenlevingen die hun zwakte verhullen.
Dat wil niet zeggen dat vrije samenlevingen altijd van gesloten samenlevingen zullen winnen, of dat de historische ontwikkeling altijd in de richting van meer vrijheid gaat. Mensen zullen waarschijnlijk dezelfde fouten blijven maken die we in de loop van de geschiedenis altijd hebben gemaakt. Maar aan iedereen die in naam van de kracht nu onze vrijheid wil afdanken: laat je niet verblinden door de illusie van macht.
De democratie verliest aan kracht in landen als Hongarije, India, Turkije en de VS. De geschiedenis van de Weimarrepubliek herinnert ons eraan dat de afbrokkeling vaak geleidelijk gaat, door de stapsgewijze overgave van degenen die haar zouden moeten verdedigen.
Op 23 maart 1933, in een schemerige kamer die blauw stond van de sigarenrook, probeerde Ludwig Kaas zichzelf ervan te overtuigen dat hij de juiste beslissing nam. De katholieke priester en leider van de Duitse Centrumpartij stond op een keerpunt. Al enkele jaren probeerde zijn partij de opkomst van Adolf Hitler tegen te gaan, maar in 1932 waren Hitlers nationaalsocialisten (NSDAP; de nazi’s) uitgegroeid tot de grootste partij in het parlement, en in januari 1933 werd Hitler zelf kanselier. De Centrumpartij was het laatste obstakel op Hitlers weg naar totale macht in Duitsland.
Hij had de Machtigingswet geïntroduceerd, die hem en zijn kabinet verstrekkende bevoegdheden zou geven om per decreet te regeren en daarmee de democratie in haar kern af te breken. De wet had een tweederdemeerderheid nodig om te slagen. De sociaaldemocraten – de enige andere belangrijke groep parlementariërs die de democratie nog steeds fundamenteel steunden – waren te klein om de maatregel in hun eentje te stoppen. Alleen als de Centrumpartij zich ook verzette, kon deze worden voorkomen.
Maar Kaas aarzelde. Hij vreesde wat er zou gebeuren als zijn partij de nazi’s zou trotseren. Zou ze het overleven? Kon de democratie standhouden als zijn partij zich verzette? Hitlers stormtroepen waren al begonnen politieke tegenstanders te arresteren. Kaas overtuigde zichzelf ervan dat zijn beste optie was om samen te werken – om binnen de nieuwe realiteit te werken in plaats van zich erdoor te laten verpletteren. ‘We moeten onszelf trouw blijven,’ zei hij tegen zijn collega’s, ‘maar een verwerping van de Machtigingswet zal resulteren in onaangename gevolgen voor onze partij.’ De wet werd aangenomen met 444 tegen 94 stemmen, waarmee de weg naar Hitlers dictatuur was geëffend.
Met elke concessie worden autocraten brutaler, verdedigingen zwakker en wordt terugdraaien moeilijker
Deze episode illustreert de gevaarlijke logica van overgave: het geloof dat, wanneer de democratie wordt bedreigd, toegeven de beste strategie is, dat je met een autocraat moet samenwerken om te overleven en dat het vermijden van onmiddellijke consequenties voor de eigen partij belangrijker is dan het afwenden van langdurige autoritaire heerschappij. Kaas stond niet alleen in dit soort denken. In de jaren die aan het moment voorafgingen, effenden drie rampzalige misrekeningen – elk geworteld in kortetermijndenken en zelfrechtvaardiging – het pad voor Hitlers opkomst.
Vandaag de dag zou dit hoofdstuk uit de geschiedenis van de Weimarrepubliek opnieuw moeten worden bekeken. Op een moment dat de democratie aan kracht verliest op uiteenlopende plekken als Hongarije, India, Turkije en de Verenigde Staten, herinneren deze gebeurtenissen ons eraan dat de afbrokkeling vaak geleidelijk gaat, door de stapsgewijze overgave van degenen die haar zouden moeten verdedigen. Met elke concessie worden autocraten brutaler, verdedigingen zwakker en wordt terugdraaien moeilijker. Reacties die in een vroeg stadium nog pragmatisch kunnen lijken – afwachten, zwijgen, een compromis sluiten – werken in het voordeel van de autocraten en leiden uiteindelijk tot de algehele ondergang van de democratie.
Fatale misrekeningen
De noodlottige beslissingen waaraan de Weimarrepubliek ten onder ging, werden genomen na de Eerste Wereldoorlog, kort na de geboorte van een nieuwe democratie in Duitsland. De Weimar-grondwet, opgesteld in 1919 onder invloed van vooraanstaande personen zoals de rechtsgeleerde Hugo Preuss en socioloog Max Weber, verankerde burgerlijke vrijheden, breidde de rechten voor vrouwen uit en introduceerde bescherming voor arbeiders. Dankzij de steun van een al stevig maatschappelijk middenveld kon een brede, zelfverzekerde coalitie van progressieven, liberalen, sociaaldemocraten en de katholieke Centrumpartij na de Eerste Wereldoorlog de Duitse republiek oprichten. Maar die republiek was nog kwetsbaar. Ze werd geteisterd door wijdverspreid politiek geweld, frequente politieke moorden en straatgevechten tussen communisten en fascisten, die beide het nieuwe regime afwezen. Pas na drie turbulente jaren van hyperinflatie en onrust brak in 1924 in de Weimarrepubliek een periode aan van relatieve stabiliteit.
Maar vanaf 1929 kwam daar weer verandering in, toen de Amerikaanse beurscrash een catastrofale economische neergang en massale werkloosheid veroorzaakte. De Communistische Partij en de nazi’s wonnen terrein bij de verkiezingen zodat het voor het Duitse parlement moeilijk werd om regeringen te vormen, en de president moest zijn toevlucht nemen tot het benoemen van kanseliers zonder parlementaire steun – een buitengewone maatregel. De daaruit voortvloeiende politieke impasse vergrootte de aantrekkingskracht van de nazi’s.
Maar het was niet de Grote Depressie alleen die de ondergang van de Weimarrepubliek inluidde. Veel andere geteisterde staten in Europa en Noord-Amerika wisten deze periode van economische en politieke onrust te doorstaan, waaronder jonge democratieën als Tsjechoslowakije en Finland. Het ging niet zozeer om de tegenslagen zelf, het waren de reacties van de Duitse leiders daarop die het lot van de republiek bepaalden.
Hij bedacht een plan – niet om Hitler te stoppen, maar om hem te gebruiken
De conservatieve bovenlaag beging de eerste fout. Eind jaren twintig had de grote rechtse partij, de Duitse Nationale Volkspartij, het zwaar. Hun leider, Alfred Hugenberg, was een machtige zakenman en mediamagnaat, maar hij miste charisma en aantrekkingskracht. Toen Hugenberg zag hoe Hitlers nazibeweging in de staat en bij de nationale verkiezingen eind jaren twintig aan populariteit won, bedacht hij een plan – niet om Hitler te stoppen, maar om hem te gebruiken.
Hugenberg betrok de nazi’s bij een campagne om de Duitse verplichting tot het betalen van herstelbetalingen voor de Eerste Wereldoorlog ongedaan te maken. Hij hoopte dat hun gedrevenheid de conservatieve zaak nieuw leven zou inblazen.
Een referendum in 1929 dat de Duitse bevolking moest mobiliseren om de schuld ongedaan te maken – en politici die met betaling instemden als verraders te bestempelen – mislukte, maar het partnerschap veranderde alles. Het verhief de nazi’s van een groep marginale extremisten tot een politieke kracht die door een van de invloedrijkste politieke figuren van Duitsland was erkend.
En daar hielden Hugenbergs misrekeningen niet op. In 1931 organiseerde hij een grote rechtse manifestatie in kuuroord Bad Harzburg, waar Hitler werd uitgenodigd om zich aan de zijde van de nationalistische elite van Duitsland te scharen. Het idee was om een verenigd conservatief front te presenteren, in plaats daarvan stal Hitler de show. Terwijl zijn paramilitaire troepen door de straten marcheerden als vertoon van discipline en macht, verdween Hugenberg naar de achtergrond. In 1933 realiseerde laatstgenoemde zich de volledige omvang van zijn fout. Hij zou tegen een conservatieve collega hebben gezegd: ‘Ik heb de grootste dwaasheid van mijn leven begaan; ik heb me verbonden aan de grootste demagoog uit de menselijke geschiedenis.’ Maar tegen die tijd was het al veel te laat. Op een cruciaal moment had Hugenberg Hitler gegeven wat hij het hardst nodig had: aanzien.
Een vermijdelijke dood
De volgende misrekening van het Duitse politieke establishment was nog ernstiger: Hitler rechtstreeks aan de macht brengen. In 1932 was het Duitse parlement nog steeds verlamd. Het lukte niet een regerende meerderheid te vormen. Conservatieven waren wanhopig op zoek naar een stabiele regering die de sociaaldemocraten en communisten uitsloot, maar ze hadden te weinig stemmen om zonder hen te kunnen regeren. President Paul von Hindenburg, een wat oudere oorlogsheld, bleef maar kanseliers vervangen omdat hij niemand kon vinden die de steun van een meerderheid van de parlementariërs genoot of de steeds dieper wordende economische crisis in Duitsland kon indammen.
De toenmalige voormalige bondskanselier Franz von Papen deed een gewaagde suggestie: bied Hitler het kanselierschap aan, maar omring hem met conservatieve ministers om hem te controleren.
Von Papen had er vertrouwen in dat Hitler in het gareel kon worden gehouden. ‘Maak je geen zorgen,’ zei hij tegen zijn rechtse collega’s. ‘Binnen twee maanden hebben we Hitler zo ver in het nauw gedreven dat hij gaat piepen.’ In januari 1933 tekende Hindenburg het plan, in de overtuiging dat Hitler slechts een boegbeeld zou blijven.
Het tegenovergestelde gebeurde. Hitler begon onmiddellijk de macht te consolideren, zette zijn beschermheren buitenspel en schakelde de oppositie uit door leidende figuren te arresteren, onder wie de voormalige Pruisische minister van Binnenlandse Zaken en andere sociaaldemocratische en communistische parlementsleden. De nazipartij was geen keuze van de meerderheid: bij de verkiezingen van 1932 stemde zo’n twee derde van de Duitsers tegen, en Hitlers gewelddadige pogingen om zijn macht uit te breiden veroorzaakten een nieuwe golf van angst in het land. Het idee dat antidemocraten onder controle gehouden konden worden als ze eenmaal macht hadden, pakte desastreus uit.
De meesten vreesden de gevolgen van verzet
De Rijksdagbrand van februari 1933, die zo veel schade aan het parlementsgebouw veroorzaakte dat de volksvertegenwoordiging tijdelijk moest uitwijken naar het Kroll-operahuis enkele straten verderop, bood het perfecte voorwendsel voor repressie. Hitlers nieuwe regering gaf de communisten de schuld van de brand en beweerde ook bewijs te hebben dat ze explosieven opsloegen. De naziregering verrichtte massaal arrestaties, waarna Hitler de Rijksdagbrandverordening afkondigde: een draconische wet die de persvrijheid en het recht op vergadering inperkte en de politie machtigde verdachten voor onbepaalde tijd en zonder proces vast te houden.
Het was dit klimaat van noodtoestand na de Rijksdagbrand dat Hitler in staat stelde de Machtigingswet in te dienen. Kaas en zijn collega-leiders van de Centrumpartij debatteerden er urenlang over, verscheurd tussen principe en zelfbehoud. Sommigen riepen op tot verzet en waarschuwden dat Hitlers macht gecontroleerd moest worden. Maar de meesten vreesden de gevolgen van verzet. Weer anderen hielden vast aan de hoop dat ze Hitler van binnenuit konden beïnvloeden, bijvoorbeeld door hun sociaaldemocratische rivalen te verzwakken of door garanties voor de Centrumpartij en katholieke leiders veilig te stellen. Bij de uiteindelijke stemming gaven alle 73 parlementsleden van de Centrumpartij zich gewonnen en rechtvaardigden ze hun overgave als een noodzakelijk kwaad om de partij te redden. Zoals Kaas zelf tegen zijn collega’s zei: ‘Als er geen tweederdemeerderheid wordt bereikt, zal de regering haar plannen op andere manieren doorvoeren.’
Maar de gekozen strategie werkte averechts. Net als alle andere oppositiepartijen in Duitsland werd de Centrumpartij binnen enkele maanden ontbonden. Haar steun voor de nieuwe wet remde Hitler niet af, maar gaf hem volledige macht. Dit was de laatste, fatale misrekening: het idee dat de democratie kon overleven terwijl haar beschermingsmechanismen werden wegonderhandeld.
Gevaarlijke gok
Geen enkele democratische grondwet handhaaft zichzelf, ook niet als deze veel ouder is dan de Weimarrepubliek begin jaren dertig. Burgers en leiders moeten voor democratische instituties opkomen zodra ze worden bedreigd – hoe groot of klein die dreiging ook is.
De ineenstorting van de Weimarrepubliek was niet onvermijdelijk. De NSDAP verwierf nooit de steun van een meerderheid van het Duitse electoraat; ze haalde net iets meer dan 30 procent van de stemmen bij de laatste vrije en eerlijke nationale verkiezingen van de republiek. Voor de gevestigde politieke leiders waren er vele kansen om terug te slaan. Maar Hugenberg dacht dat hij Hitler kon inzetten om zijn conservatieve beweging nieuw leven in te blazen. Von Papen dacht dat hij Hitler kon controleren door hem tot kanselier te maken. Kaas dacht dat toegeven aan Hitlers wensen zijn partij zou beschermen en tijd zou kopen voor een groter verzet. Ze hadden het allemaal mis.
Een democratie gaat zelden van de ene dag op de andere ten onder
Een democratie gaat zelden van de ene dag op de andere ten onder. Ze wordt geleidelijk uitgehold door overgave: rationalisaties en compromissen van machthebbers die zichzelf wijsmaken dat een klein beetje toegeven veiligheid biedt, of dat meebewegen met een ontwrichter praktischer is dan hem te weerstaan. Dit is de blijvende les van Weimar: extremisme triomfeert nooit op eigen kracht. Het slaagt doordat anderen het mogelijk maken – vanuit ambitie, angst of een verkeerde inschatting van de gevaren van een kleine concessie. Uiteindelijk verliezen degenen die een autocraat macht geven niet alleen hun democratie, maar ook juist de invloed die ze dachten veilig te stellen.
Daniel Ziblatt is hoogleraar politicologie en directeur van het Minda de Gunzburg Centrum voor Europese Studies aan Harvard University. Hij is auteur van Conservative Parties and the Birth of Democracy en co-auteur van How Democracies Die.
President Trump heeft de subsidie voor Harvard ingetrokken omdat het een ‘bolwerk van ongebreidelde Jodenhaat en -intimidatie’ zou zijn. Harvard-hoogleraar Steven Pinker bespreekt de vrijheid van meningsuiting op de campus van deze Amerikaanse universiteit.
In mijn 22 jaar als hoogleraar aan Harvard ben ik nooit bang geweest om de hand te bijten die me voedt. Mijn essay ‘The Trouble with Harvard’ uit 2014 pleitte voor een transparant meritocratisch toelatingssysteem, ter vervanging van het huidige ondoorzichtige systeem waarin een oogje wordt dichtgeknepen voor heimelijk gesjoemel. Met mijn ‘Vijfpuntenplan om Harvard van zichzelf te redden’ uit 2024 drong ik er bij de universiteit op aan zich te committeren aan vrijheid van meningsuiting, institutionele neutraliteit, geweldloosheid, uiteenlopende standpunten en het afschaffen van het diversiteits-, gelijkheids- en inclusiebeginsel (DEI). Afgelopen herfst, een jaar na de Hamas-aanval van 7 oktober 2023, verklaarde ik dat ik zou willen dat Harvard haar studenten leerde om over Israël te praten en riep ik de universiteit op onze studenten te leren omgaan met morele en historische complexiteit. Twee jaar geleden was ik medeoprichter van de ‘raad voor academische vrijheid’, die het universiteitsbeleid sindsdien regelmatig tegen het licht houdt en aandringt op verandering.
Dus ik ben bepaald niet iemand die zijn werkgever vrijpleit als ik zeg dat het huidige gescheld op Harvard uit de hand is gelopen. Volgens critici is Harvard een ‘nationale schande’, een ‘leerschool voor wokeness’, een ‘maoïstisch indoctrinatiekamp’, een ‘schip vol dwazen’, een ‘bolwerk van ongebreidelde Jodenhaat en -intimidatie’, een ‘poel van extremistische relschoppers’ en een ‘islamistische voorpost’ waar de overheersende mening op de campus is: ‘vernietig de Joden en je hebt de wortel van de westerse beschaving vernietigd’.
En dan hebben we het nog niet eens over president Trump, die Harvard als ‘een antisemitische, extreemlinkse instelling’ bestempelt, een ‘progressieve puinhoop’ en een ‘bedreiging voor de democratie’ waar bijna alleen maar ‘woke, radicaal-linkse idioten en leeghoofden worden aangenomen die studenten en zogenaamde toekomstige leiders uitsluitend leren hoe ze de mist in kunnen gaan’.
Dit is niet gewoon maar loze praat. Boven op de brute bezuinigingen op onderzoeksfinanciering over de gehele linie heeft de regering-Trump ook besloten dat Harvard geen overheidssubsidies meer ontvangt. En alsof dat nog niet genoeg is, heeft de regering kortgeleden besloten dat Harvard geen buitenlandse studenten meer mag inschrijven en gedreigd met een vervijftienvoudiging van de belasting op ontvangen schenkingen en intrekking van de belastingvrije non-profitstatus.
Ik zal de eerste zijn om toe te geven dat Harvard met ernstige tekortkomingen kampt
We kunnen hier spreken van het Harvard-syndroom van de gebeten hond. Als oudste, rijkste en beroemdste universiteit van de VS heeft Harvard altijd al buitensporig veel aandacht getrokken. In de publieke verbeelding is de universiteit zowel de belichaming van het hoger onderwijs als een magneet bij uitstek voor grieven tegen de elite.
Psychologen hebben een symptoom vastgesteld dat splitting wordt genoemd, een vorm van zwart-witdenken waarbij patiënten zich iemand in hun leven alleen maar kunnen voorstellen als een verheven engel dan wel als verfoeilijke boosdoener. Dit symptoom wordt meestal behandeld met dialectische gedragstherapie, met een uitleg dat de meeste mensen een mengeling zijn van betere en minder goede kanten. Dat het op de lange termijn misschien niet helpt om iemand uitsluitend als slecht te beschouwen. Maar het is ongemakkelijk als anderen ons teleurstellen. Hoe kun je ruimte maken voor dat ongemak zonder dat je hele beeld daardoor wordt gekleurd?
In de VS bestaat een dringende behoefte aan deze balans bij de omgang met instellingen op het gebied van onderwijs en cultuur. Ik zal de eerste zijn om toe te geven dat Harvard met ernstige tekortkomingen kampt. Het idee dat er iets niet goed gaat op de universiteit is wijdverbreid en heeft ertoe geleid dat Trumps frontale aanval op sympathie kan rekenen en zelfs voor leedvermaak zorgt. Maar Harvard is een complex instituut dat zich in de loop van vele eeuwen heeft ontwikkeld en voortdurend te maken heeft met tegenstrijdige en onverwachte uitdagingen. De juiste behandeling (net als bij andere imperfecte instellingen) is om te diagnosticeren voor welk deel welke remedie is vereist, niet om de halsslagader maar door te snijden en te kijken hoe de zaak doodbloedt.
Een gebrek aan meningsdiversiteit
Hoe heeft Harvard zo’n verleidelijk doelwit kunnen worden? Een deel van de woede is een logisch gevolg van de aard van de universiteit. Harvard is gigantisch: er lopen 25.000 studenten rond, die college krijgen van 2400 docenten, verspreid over dertien faculteiten (waaronder bedrijfskunde en tandheelkunde). Onvermijdelijk zullen zich in deze menigte enkele excentriekelingen en onruststokers bevinden, en hun capriolen kunnen tegenwoordig viraal gaan. Mensen zijn vatbaar voor de ‘beschikbaarheidsbias’, waarbij een anekdote zich in hun hoofd nestelt en door hun subjectieve inschatting tot enorme proporties wordt opgeblazen. Op die manier kan één luidruchtige linkse figuur uitgroeien tot een maoïstisch indoctrinatiekamp.
Daarnaast committeren universiteiten zich aan de vrijheid van meningsuiting, ook als het om meningen gaat die ons niet welgevallig zijn. Een bedrijf kan een al te uitgesproken werknemer ontslaan; een universiteit kan en mag dat niet. Ook is Harvard geen kloosterorde, maar onderdeel van een wereldwijd netwerk. Onze meeste promovendi en faculteitsleden zijn elders opgeleid, bezoeken dezelfde congressen en lezen dezelfde publicaties als iedereen in de academische wereld. Ook al gaat Harvard door voor nog zo bijzonder, vrijwel alles wat hier gebeurt vindt ook plaats op andere onderzoeksintensieve universiteiten.
Tot slot zijn onze studenten geen onbeschreven bladen waarop we naar hartenlust van alles kunnen neerpennen. Jongeren worden meer gevormd door hun leeftijdsgenoten dan de meeste mensen beseffen. Studenten worden gevormd door de cultuur van hun leeftijdsgenoten op de middelbare school, op Harvard en – vooral via sociale media – in de rest van de wereld. In veel gevallen zijn de politieke opvattingen van studenten net zomin het gevolg van indoctrinatie door docenten als hun groene haar en hun neuspiercing.
onze studenten [zijn] geen onbeschreven bladen waarop we naar hartenlust van alles kunnen neerpennen
Toch is de vijandige houding jegens Harvard deels verdiend. Mijn collega’s en ik maken ons al jaren zorgen over de uitholling van de academische vrijheid op onze universiteit, waarvan enkele schrijnende voorbeelden te geven zijn. In 2021 werd bioloog Carole Hooven gedemoniseerd en daadwerkelijk van Harvard verstoten, nadat ze in een interview had uitgelegd wat de biologie onder mannelijk en vrouwelijk verstaat. Dit was aanleiding voor ons om de raad voor academische vrijheid op te richten, maar het was niet de eerste en zeker niet de laatste keer dat iemand werd gecanceld.
Epidemioloog Tyler VanderWeele moest zich ‘herstelrechtzittingen’ laten welgevallen toen iemand ontdekte dat hij in 2015 medeondertekenaar was geweest van een amicus curiae-brief aan het Hooggerechtshof waarin gepleit werd tegen het homohuwelijk. Een college van bio-ingenieur Kit Parker over de evaluatie van misdaadpreventieprogramma’s werd stopgezet nadat het door studenten als ‘aanstootgevend’ was betiteld. Rechtsgeleerde Ronald Sullivan werd ontslagen als decaan van een studentenhuis toen zijn juridische bijstand aan Harvey Weinstein studenten een ‘onveilig’ gevoel gaf. De Foundation for Individual Rights and Expression (FIRE) houdt dergelijke incidenten bij en heeft Harvard de afgelopen twee jaar als laatste gerangschikt op het gebied van vrijheid van meningsuiting, van ongeveer 250 onderzochte hogescholen en universiteiten.
Deze sancties zijn niet alleen onrechtvaardig tegenover individuen. Eerlijk wetenschappelijk onderzoek wordt moeilijk als onderzoekers er constant voor moeten waken dat een vakmatige opmerking hen blootstelt aan karaktermoord of dat een conservatieve mening als een misdaad wordt beschouwd. In het geval van Ronald Sullivan verzaakte de universiteit haar plicht om volwassen burgers te op te leiden, door te zwichten voor de emoties van haar studenten in plaats van hun onderwijs te geven over het Zesde Amendement en het verschil tussen volksjustitie en rechtsstaat.
Harvard heeft de afgelopen twee jaar als laatste gerangschikt op het gebied van vrijheid van meningsuiting
Maar een leerschool voor wokeness? Dat is zwart-witdenken waarvoor gedragstherapie nodig is. Alleen al het opsommen van de gecancelde collega’s, vooral bij een grote en in het oog lopende instelling als Harvard, kan het oneindig veel grotere aantal gevallen overschaduwen waarin van de norm afwijkende meningen worden geuit zonder dat daar ophef over ontstaat. Hoe verontrust ik ook ben over de aanvallen op de academische vrijheid op Harvard, aan die laatste plaats op de ranglijst zit een luchtje.
Laat ik met mezelf beginnen. Tijdens mijn decennia aan de universiteit heb ik veel controversiële ideeën onderwezen, waaronder de realiteit van sekseverschillen, de erfelijkheid van intelligentie en de evolutionaire wortels van geweld (waarbij ik mijn studenten uitnodigde om het met me oneens te zijn, mits ze daar argumenten voor aandroegen). Ik wil me niet moediger voordoen dan ik ben, maar het resultaat is nul protesten, meerdere universitaire onderscheidingen en warme banden met hoogleraren, decanen en bestuursvoorzitters.
Ook de meeste van mijn collega’s houden zich aan de feiten en melden hun bevindingen, hoe politiek incorrect ze ook mogen zijn. Enkele voorbeelden: er bestaat een zekere biologische onderbouwing voor rassenleer. Het huwelijk vermindert criminaliteit, net als probleemgericht politiewerk. Racisme is afgenomen. Fonetiek is essentieel voor leesonderwijs. ‘Triggerwaarschuwingen’ doen meer kwaad dan goed. Afrikanen waren actief in de slavenhandel. Iemands opleidingsniveau is deels genetisch bepaald. Hard optreden tegen drugs kent voordelen, het legaliseren ervan kent nadelen. Markten kunnen mensen eerlijker en vrijgeviger maken. Ondanks alle krantenkoppen bestaat het dagelijks leven op Harvard uit het zonder angst of vooroordelen publiceren van ideeën.
Een ander gebied waarop Harvard onmiskenbaar tekortschiet, al helpt het op de lange termijn niet om dat alleen maar als slecht af te doen, is diversiteit op het gebied van gezichtspunten. Volgens een onderzoek uit 2023 van het studentenblad The Harvard Crimson noemde 45 procent van de medewerkers van de faculteit Letteren en Wetenschappen hun politieke voorkeur ‘progressief’, 32 procent ‘zeer progressief’, 20 procent ‘gematigd’ en slechts 3 procent ‘conservatief’ of ‘zeer conservatief’. (De optie ‘woke radicaal-linkse idioot’ kwam niet in het onderzoek voor.) FIRE schat het aantal conservatieve faculteitsleden iets hoger in: 6 procent.
er bestaat een zekere biologische onderbouwing voor rassenleer
Een universiteit hoeft geen representatieve democratie te zijn, maar te weinig politieke diversiteit kan haar opdracht in gevaar brengen. In 2015 toonde een team van sociale wetenschappers aan hoe een progressieve monocultuur tot wetenschappelijke fouten in hun vakgebied had geleid, zoals het voorbarig concluderen dat progressieven minder bevooroordeeld zijn dan conservatieven, nadat ze hadden getest op vooroordelen jegens Afro-Amerikanen en moslims, maar niet jegens evangelicals.
Uit een enquête onder mijn collega’s van de raad voor academische vrijheid kwamen veel voorbeelden naar voren van onderzoek in hun vakgebied dat huns inziens belemmerd werd door een beperkte politieke blik. In het klimaatbeleid leidde die tot een nadruk op het demoniseren van fossielebrandstofbedrijven, en niet op het erkennen van een universele behoefte aan overvloedige energie; in de kindergeneeskunde tot het kritiekloos accepteren van alle door adolescenten gemelde genderdysforie; op volksgezondheidsgebied tot het pleiten voor maximale overheidsinterventie in plaats van kosten-batenanalyses; op historisch gebied tot het benadrukken van de schadelijke gevolgen van het kolonialisme, maar niet van het communisme of het islamisme; in de sociale wetenschappen tot het toeschrijven van alle groepsverschillen aan racisme, maar nooit aan cultuur; en in vrouwenstudies tot het toestaan van het bestuderen van seksisme en stereotypen, maar niet van seksuele selectie, seksuologie of hormonen (niet toevallig de specialiteit van Carole Hooven).
Hoewel Harvard ontegenzeggelijk gebaat zou zijn bij meer politieke en intellectuele diversiteit, is het nog steeds verre van een ‘radicaal-linkse instelling’. Als we mogen afgaan op het onderzoek van The Harvard Crimson, dan ziet een aanzienlijke meerderheid van de medewerkers van Harvard zichzelf als rechtser dan ‘zeer progressief’ en tellen ze tientallen prominente conservatieven in hun gelederen, zoals de rechtsgeleerde Adrian Vermeule en de econoom Greg Mankiw. Het populairst bij bachelorstudenten zijn al sinds jaar en dag de introductiecolleges tot de reguliere economie, gegeven door een opeenvolging van conservatieven en neoliberalen, en de volstrekt apolitieke introducties tot kansrekening, computerwetenschappen en levenswetenschappen.
Een van mijn studenten heeft een op kunstmatige intelligentie gebaseerde ‘Woke-o-Meter’ ontwikkeld
Uiteraard biedt Harvard ook tal van cursussen als ‘Queer etnografie’ en ‘Het dekoloniseren van de blik’, maar dat zijn vaak gespecialiseerde aangelegenheden met een gering aantal inschrijvingen. Een van mijn studenten heeft een op kunstmatige intelligentie gebaseerde ‘Woke-o-Meter’ ontwikkeld die cursusbeschrijvingen beoordeelt op marxistische, postmodernistische en kritische socialerechtvaardigheidsthema’s (op basis van termen als ‘heteronormativiteit’, ‘intersectionaliteit’, ‘systemisch racisme’, ‘laatkapitalisme’ en ‘deconstructie’). Hij schat dat ze hooguit 3 procent uitmaken van de vijfduizend cursussen in de studiegids 2025-2026 van de faculteit Kunsten en Wetenschappen en 6 procent van de grotere Algemene Vorming-cursussen (hoewel ongeveer een derde daarvan een duidelijke linkse tendens had). Kenmerkender zijn cursussen als ‘Cellulaire basis van de neuronale functie’, ‘Duits voor beginners’ (Intensief) en ‘De val van het Romeinse Rijk’.
En als Harvard haar studenten leert om ‘het vrijemarktsysteem te verachten’, dan vindt dat in elk geval weinig weerklank. De populairste bacheloropleidingen zijn economie en computerwetenschappen, en de helft van onze afgestudeerden gaat na hun diploma-uitreiking direct aan de slag in de financiële wereld, consultancy en technologie.
Het bereiken van een zo groot mogelijke diversiteit aan standpunten op een universiteit is een lastig probleem, en een obsessie voor onze raad. Natuurlijk hoeft niet ieder standpunt vertegenwoordigd te worden. Het universum van ideeën is oneindig en veel ervan verdienen geen serieuze aandacht, zoals astrologie, de theorie van de platte aarde en de ontkenning van de Holocaust. De eis van de regering-Trump om de studieprogramma’s van Harvard te controleren op diversiteit en afwijkende programma’s te infiltreren met een ‘kritische massa’ van door de overheid goedgekeurde dwarsliggers, zou giftig zijn voor zowel de universiteit als de democratie. De vakgroep biologie zou gedwongen kunnen worden creationisten in dienst te nemen, de medische faculteit zou vaccinsceptici moeten verwelkomen en de vakgroep geschiedenis zou plaats moeten bieden aan ontkenners van de verkiezingsuitslag in 2020. Harvard had geen andere keus dan het ultimatum te verwerpen en groeide daarmee uit tot een onverwachte volksheld.
Toch kunnen universiteiten het probleem niet blijven negeren. Ook al zijn ze nog zo geobsedeerd door impliciet racisme en seksisme, ze zijn ongevoelig gebleven voor de krachtigste cognitieve vervormer die er bestaat: de myside bias, die ons allemaal lichtgelovig maakt waar het onze eigen gekoesterde overtuigingen en onze politieke en culturele coalities betreft. Universiteiten mogen van docenten verwachten dat ze hun politieke ideeën achterlaten bij de deur van de collegezaal en dat ze de rationalistische verdiensten van epistemische nederigheid en actieve openheid van geest benadrukken. Om deze doelen te bereiken zou een beetje DEI voor conservatieven geen kwaad kunnen. Zoals econoom Joan Robinson het verwoordde: ‘Ideologie is als adem: je ruikt nooit die van jezelf.’
Antisemitisme
De pijnlijkste aanklacht tegen Harvard is het vermeende antisemitisme, niet het snobistische oudgeldantisemitisme maar een uitvloeisel van antizionistisch fanatisme. Een recent en langverwacht rapport beschrijft tal van verontrustende incidenten. Joodse studenten voelden zich geïntimideerd door anti-Israëlprotesten die colleges, plechtigheden en het dagelijks leven op de campus verstoorden en waarop vaak nogal onduidelijk door de universiteit werd gereageerd. Leden van het onderwijzend personeel lieten zonder enige aanleiding pro-Palestijns activisme in hun colleges en universitaire programma’s doorsijpelen. Veel Joodse studenten, vooral Israëlische, meldden dat ze door hun medestudenten werden buitengesloten of gedemoniseerd.
Net als de andere Harvardkwalen moet het antisemitisme met de nodige omzichtigheid worden behandeld. Ja, de problemen zijn reëel. Maar ‘een bolwerk van ongebreidelde Jodenhaat’ dat tot doel heeft ‘de Joden te vernietigen als eerste stap naar de vernietiging van de westerse beschaving’? Oy gevalt! [O, mijn God!]
Als reactie op de schandalige uitspraken van 34 studentengroepen na 7 oktober, waarin Israël ‘volledig verantwoordelijk’ werd gesteld voor het bloedbad, publiceerden meer dan vierhonderd faculteitsleden van Harvard een open protestbrief. Een nieuw collectief, Harvard Faculty for Israel, telt inmiddels 450 leden. Harvard biedt meer dan zestig cursussen over Joodse thema’s aan, waaronder acht in het Jiddisch. En hoewel het driehonderd pagina’s tellende antisemitismerapport elk gevonden voorbeeld uit de afgelopen eeuw vermeldt, tot de laatste leus op een muur of het laatste bericht op sociale media aan toe, wordt nergens gewag gemaakt van een doel om ‘de Joden te vernietigen’, laat staan dat dat de ‘heersende mening op de campus’ was.
ik heb in mijn twintig jaar op Harvard nooit enige vorm van antisemitisme ervaren
Voor wat het ook waard is, ik heb in mijn twintig jaar op Harvard nooit enige vorm van antisemitisme ervaren, net zomin als andere prominente Joodse faculteitsleden. Mijn eigen ongemak wordt beter verwoord in een essay van Harvardstudent Jacob Miller in The Harvard Crimson, waarin de bewering dat een op de vier Joodse studenten zich op de campus ‘fysiek onveilig’ voelt wordt betiteld als ‘een absurde statistiek die ik, als iemand die elke dag in het openbaar en met trots een keppeltje op de campus draagt, moeilijk serieus kan nemen’. Uit de obsessie met antisemitisme op Harvard blijkt ironisch genoeg dat men zwicht voor het kritische socialegerechtigheidscredo dat het enige onrecht dat veroordeeld moet worden de onderlinge onverdraagzaamheid tussen groepen is. In plaats van dat ze de tekortkomingen van het antizionistische platform rechtstreeks aan de kaak stellen, zoals de goedkeuring van geweld tegen burgers en historische blinde vlekken, hebben critici geprobeerd het platform de zonde van antisemitisme aan te wrijven. Maar dat kan ontaarden in een zinloos semantisch dispuut over de betekenis van het woord ‘antisemitisme’, wat volgens onze raad kan leiden tot inbreuken op de academische vrijheid.
Het antisemitismerapport van Harvard heeft veel verstandige aanbevelingen voor hervormingen gedaan die te lang achterwege zijn gebleven, en daar gaat het om: verantwoordelijke mensen die binnen een complexe instelling met problemen worden geconfronteerd, proberen de tekortkomingen vast te stellen en te verhelpen. Zulke pogingen afdoen als ‘parfum spuiten in een riool’ helpt niemand verder.
Eén aanbeveling van het rapport is al aangenomen: het handhaven van al bestaande regels die moeten voorkomen dat protesten de grens van vrije meningsuiting overschrijden en ontaarden in campagnes van verstoring, dwang en intimidatie.
Een andere voor de hand liggende maatregel is het uniformer toepassen van normen voor wetenschappelijke excellentie. Harvard telt bijna vierhonderd initiatieven, centra en programma’s die niets uitstaande hebben met haar academische afdelingen. Enkele daarvan zijn gekaapt door activistische docenten en in feite verworden tot centra voor anti-Israëlstudies. Tegelijkertijd telt Harvard te weinig hoogleraren die over onbevooroordeelde kennis beschikken op het gebied van Israël, het conflict in het Midden-Oosten en antisemitisme. Het rapport roept hoogleraren en decanen op zich intensiever met deze vakgebieden te bemoeien.
de subsidiegever [kan de universiteit] niet naar zijn pijpen laten dansen
Harvard kan geen toezicht uitoefenen op het sociale leven of op de berichten van haar studenten op sociale media, vooral niet op berichten op anonieme platforms waar de meest verachtelijke vormen van antisemitisme worden gespuid. Wél kan de universiteit discriminatie op basis van religie, nationale afkomst en politieke overtuiging verbieden en ingrijpen bij flagrante overtredingen, zoals in het geval van een onderwijsassistent die studenten wegstuurde om deel te nemen aan anti-Israëlprotesten. Ze kan antisemitisme even hard aanpakken als racisme en garanderen dat zodra studenten hun eerste stappen op het universiteitsterrein zetten, ze elkaar met respect behandelen en openstaan voor andere meningen.
Wat niet zal werken is al even duidelijk: de strafmaatregel van de regering-Trump om Harvard geen overheidssubsidie meer te geven. Anders dan een wijdverbreid misverstand doet vermoeden, is federale subsidie geen aalmoes voor de universiteit en kan de subsidiegever haar niet naar zijn pijpen laten dansen. Het is een subsidie voor een bepaalde dienst, namelijk een onderzoeksproject dat de regering gunstig acht voor het land. Met de subsidie worden de mensen en de apparatuur betaald die nodig zijn voor de uitvoering van het onderzoek, dat anders niet zou plaatsvinden.
Dat Trump deze steun nu de nek omdraait, zal de Joden meer kwaad doen dan ze van enige president in mijn leven te duchten hebben gehad. Veel praktiserende en aankomende wetenschappers zijn Joods, en door Trumps financieringsembargo zien ze met afschuw hoe ze worden ontslagen, hoe hun laboratoria worden gesloten en hoe hun droom van een wetenschappelijke carrière in rook opgaat. Dit is oneindig veel schadelijker dan langs een bord lopen waarop ‘Globaliseer de Intifada’ staat. Nog erger zijn de gevolgen voor een nog veel groter aantal niet-Joden in de wetenschap, die te horen krijgen dat hun laboratorium en carrière moeten wijken voor Joodse belangen. Hetzelfde geldt voor huidige patiënten wier experimentele behandeling zal worden stopgezet, en voor toekomstige patiënten die misschien van behandeling verstoken zullen blijven. Niets van dit alles is goed voor de Joden.
Trumps bezorgdheid over Joden is volstrekt onwaarachtig, gezien zijn sympathie voor Holocaustontkenners en Hitlerfans. Het gaat er alleen maar om maatschappelijke instellingen te verlammen die buiten de invloed van de uitvoerende macht opereren. Zoals JD Vance het verwoordde in de titel van een toespraak uit 2021: ‘De universiteiten zijn de vijand.’
Hervormingen
Als de federale overheid Harvard niet dwingt tot hervormingen, wie of wat doet dat dan wel? Over het feit dat er nogal wat schort aan de feedback- en zelfverbeteringsmechanismen van universiteiten bestaan terechte zorgen. Een verlieslatend bedrijf kan zijn CEO ontslaan; een verliezend team kan zijn coach vervangen. Maar de meeste academische vakgebieden hebben geen objectieve maatstaven voor succes en gaan uitsluitend af op peerreviews, met als risico dat zelfbevestigende kliekjes van hoogleraren elkaar prestige verlenen.
Erger nog, veel universiteiten hebben hoogleraren en studenten gestraft die kritiek hadden op hun beleid – een recept voor permanent disfunctioneren. Vorig jaar nog praatte een decaan van Harvard deze repressie goed, totdat onze raad voor academische vrijheid er de vloer mee aanveegde en zijn baas er snel afstand van nam.
Toch zijn er manieren om transparanter te werk te gaan. Universiteiten zouden een groter mandaat kunnen geven aan de externe ‘visitatiecommissies’ die in naam vakgroepen en programma’s controleren, maar in de praktijk worden aangestuurd door belanghebbenden. Universiteitsbestuurders krijgen voortdurend kritiek van ontevreden alumni, donateurs en journalisten, en die zouden ze moeten aanwenden om de gezondheid van hun organisatie door te lichten. De raden van bestuur zouden beter op de hoogte moeten zijn van de gang van zaken op hun universiteit en meer verantwoordelijkheid moeten nemen voor het goed functioneren ervan. Het bestuur van Harvard leidt zo’n teruggetrokken bestaan dat toen twee van zijn leden in 2023 dineerden met leden van de raad voor academische vrijheid, The New York Times dat interessant genoeg vond om er een nieuwsbericht aan te wijden.
als Trump je zegt dat je in een stortbui je paraplu moet opsteken, moet je dat niet weigeren alleen maar om hem te pesten
Het feit dat Harvard nu al bijna twee jaar de gebeten hond is in de ogen van het publiek, heeft – misschien rijkelijk laat – tot tal van hervormingen geleid. De universiteit heeft een beleid van institutionele neutraliteit ingevoerd en spreekt zich niet langer uit over kwesties die niet over haar eigen functioneren gaan. Er zijn grenzen gesteld aan verstorende protesten en er zal een gecentraliseerd toezicht worden ingevoerd, zodat overtreders geen jury’s meer kunnen manipuleren en er niet meer op kunnen rekenen dat een faculteit een vonnis teniet zal verklaren. De faculteit Kunsten en Wetenschappen heeft de ‘diversiteitsverklaringen’ afgeschaft waarmee sollicitanten werden getoetst op hun bereidheid woke verhalen te schrijven en de decaan heeft de programmadirecteuren opgeroepen om verslag uit te brengen over de diversiteit qua standpunten van hun afdelingen. Er wordt een onderzoek ingesteld naar malafide centra, en de directeuren daarvan zijn vervangen. Uit het rapport van de taskforce, dat officieel in ontvangst is genomen door Alan Garber, de bestuursvoorzitter van de universiteit, blijkt dat antisemitisme serieus wordt genomen. Daarnaast worden studenten aangemoedigd meer open te staan voor ideeën die niet stroken met hun eigen overtuigingen.
Ongemakkelijk blijft dat veel van deze hervormingen zijn ingevoerd na de inauguratie van Donald Trump en overeenkomen met zijn eisen. Maar als Trump je zegt dat je in een stortbui je paraplu moet opsteken, moet je dat niet weigeren alleen maar om hem te pesten.
En het nemen van maatregelen om goede redenen is mijns inziens de manier waarop universiteiten zich kunnen verbeteren en het publieke vertrouwen kunnen terugwinnen. Het klinkt misschien banaal, maar te vaak hebben universiteiten zich laten leiden door de wens om hun studenten tevreden te stellen, geen vijanden te maken en uit de krantenkoppen te blijven. We hebben gezien hoe goed dát heeft uitgepakt.
In plaats daarvan zouden universiteitsbestuurders bereid moeten zijn het hoofddoel van een universiteit te onderschrijven, namelijk het ontdekken en overdragen van kennis, evenals de principes die daaraan ten grondslag liggen. Universiteiten hebben het mandaat en de expertise om zich in dienst te stellen van kennis, niet van sociale rechtvaardigheid. Intellectuele vrijheid is geen privilege van hoogleraren, maar de enige manier waarop feilbare mensen kennis kunnen vergaren. Meningsverschillen moeten worden opgelost door middel van analyses en argumenten, in plaats van door anderen onverdraagzaamheid en slachtofferschap te verwijten. Protesten kunnen worden gebruikt om algemene kennis over een klacht te genereren, niet om mensen monddood te maken of de universiteit te laten doen wat de demonstranten willen. De universitaire gemeenschap is eigendom van de gemeenschap zelf; de leden kunnen het legitiem met elkaar oneens zijn en mogen niet één factie de overhand laten krijgen. Donaties zijn geen publiek bezit, maar een schat die de universiteit voor toekomstige generaties in bewaring moet houden.
De toekomst
Waarom is dit belangrijk? En ondanks al haar zwakheden heeft Harvard (samen met andere universiteiten) de wereld een heel stuk beter gemaakt. Liefst 52 medewerkers hebben een Nobelprijs gewonnen en de universiteit bezit meer dan 5800 patenten. Haar onderzoekers hebben het bakpoeder uitgevonden, de eerste orgaantransplantatie, de programmeerbare computer, de defibrillator, de syfilistest en orale rehydratatietherapie (een goedkope behandeling die tientallen miljoenen levens heeft gered). Ze hebben de theorie van nucleaire stabiliteit ontwikkeld waardoor de wereld voor een armageddon is behoed. Ze hebben de golftee en het catchermasker uitgevonden. Harvard heeft ons Sesamstraat gebracht en The Simpsons, Microsoft en Facebook.
Er loopt op Harvard onderzoek naar satellieten voor het opsporen van methaan, naar robotkatheters, naar nieuwegeneratiebatterijen en draagbare robotica voor mensen met een beroerte. Met overheidssubsidies wordt onderzoek gesteund naar metastase, tumorremmende middelen, bestraling en chemotherapie bij kinderen, multiresistente infecties, pandemiepreventie, dementie, anesthesie, toxinereductie bij brandbestrijding en in het leger, de fysiologische effecten van ruimtevaart en wondverzorging op het slagveld. Technologen van Harvard stimuleren innovaties op het gebied van quantum computing, AI, nanomaterialen, biomechanica, opvouwbare bruggen voor militaire doeleinden, hackbestendige computernetwerken en slimme leefomgevingen voor ouderen. Eén laboratorium heeft een mogelijke remedie voor diabetes type 1 ontwikkeld.
Praktische toepassingen zijn niet het enige wat Harvard zo waardevol maakt. Het is een fantasmagorie van ideeën, een Disneyland van de geest. Leren over het onderzoek van mijn collega’s is een eindeloze bron van plezier en als ik onze studiegids bekijk, zou ik willen dat ik weer achttien was. DNA uit menselijke fossielen onthult de oorsprong van de Indo-Europese talen. De sprookjes van Grimm, met al hun misdaden, kindermoord, kannibalisme en incest, tonen onze eeuwige fascinatie met morbiditeit. Eén enkel netwerk in de hersenen ligt ten grondslag aan het herinneren van het verleden en het dagdromen over de toekomst. Geweldloze verzetsbewegingen zijn succesvoller dan gewelddadige. Zwangerschapskwalen zijn het gevolg van een darwinistische strijd tussen moeder en foetus. Het gebed ‘Wie is zoals U?’ uit de Joodse liturgie suggereert dat de oude Israëlieten ambivalent stonden tegenover hun monotheïsme.
Wie nog steeds sceptisch staat tegenover de steun voor universiteiten, zou zich eens de volgende vragen moeten stellen: heb je wel vrede met het aantal kinderen dat jaarlijks sterft aan kanker? Ben je tevreden met je huidige kans om de ziekte van Alzheimer te krijgen? Vind je dat we voldoende doorzien welk overheidsbeleid effectief is en welk zonde van het geld? Ben je tevreden met de manier waarop het klimaat zich ontwikkelt, gezien onze huidige energietechnologie?In zijn vooruitgangsmanifest The Beginning of Infinity schreef natuurkundige David Deutsch: ‘Alles wat niet verboden wordt door natuurwetten is haalbaar, mits de juiste kennis voorhanden is.’ Het verlammen van de instellingen die kennis verwerven en overdragen, is een tragische blunder en een misdaad jegens toekomstige generaties.
De nationale garde was ingezet om protesten neer te slaan
President Trump van de VS heeft de nationale garde opgeroepen om protesten tegen zijn immigratiebeleid te stoppen. De rechtmatigheid van deze keuze wordt sterk betwijfeld. In een aanklacht tegen de regering beschuldigt de staat Californië de president van ‘ongekende toe-eigening van de autoriteit en middelen van de staat’.
‘In de aanklacht werd ook beargumenteerd,’ zo schrijft The New York Times, ‘dat de regering-Trump met haar oproep aan de troepen om de beschermende taken van de politie uit te voeren – taken die de plaatselijke politie en de sheriffs het beste konden afhandelen – het tiende amendement heeft verbroken, dat de rechten van staten beschermt.’
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Op 6 juni verzamelde zich in Los Angeles in Californië een groep mensen om te protesteren tegen het feit dat de immigratie- en douanehandhaving (ICE) een kledingfabrikant was binnengevallen. Na politieoptreden groeiden deze protesten uit tot honderden betogers. Volgens wetgeving uit de negentiende eeuw is het niet toegestaan om de nationale garde in te zetten voor binnenlandse handhaving, behalve als sprake is van rebellie of een opstand.
Het bevel van de regering om federale troepen in te zetten, impliceerde dat hier sprake van was. Bovendien heeft de regering hiermee de autoriteit van de gouverneur van Californië omzeild. ‘Er ligt nog een grote kwestie centraal bij de nationale garde’, aldus The New York Times, namelijk ‘of het wettig was van [minister van defensie] Hegseth om [gouverneur] Newson hier niet bij te betrekken.’
Straatprotesten in Turkije tegen het regime van Erdoğan blazen de falende progressieve partijen nieuw leven in. Andere landen kunnen hier iets van leren.
Nadat president Recep Tayyip Erdoğan tweeëntwintig jaar lang met machtsgrepen, overname van staatsapparaten en zware onderdrukking de Turkse bevolking heeft geprobeerd te reduceren tot islamo-fascistische onderdanen, vecht Turkije terug tegen zijn autoritarisme. Eind maart zijn er aanhoudende protesten geweest in talloze Turkse steden, waaronder in de machtscentra van het regime.
Burgemeester Ekrem İmamoğlu van Istanboel is op 19 maart op dubieuze verdenkingen van corruptie gearresteerd, met als gevolg een opgezweepte bevolking. Binnen enkele dagen groeiden de protesten uit tot iets groters. Het werd een nationale beweging met als eisen democratie, waardigheid en vrijheid. De protesten deden denken aan de Gezi-opstand in 2013, waarbij een demonstratie tegen de bebouwing van het Gezipark in Istanboel uitgroeide tot een nationale protestbeweging tegen het autoritaire regime. Toch zijn er wat verschillen. Dit keer gaan ook jongeren de straat op, en dat terwijl iedereen dacht dat zij onder het Erdoğan-regime en tijden van economische crisis alle hoop voor de toekomst hadden laten varen. Ze riskeren ongeremd politiegeweld als ze naar dit soort, inmiddels verboden, bijeenkomsten gaan.
Op een van de borden staat een tekst die het heersende sentiment perfect samenvat: ‘Als wij branden, branden jullie ook.’ Hoewel de protesten met veel politieke humor gepaard gaan, weet iedereen dat het allesbehalve grappig is: het land staat op een politiek kantelpunt. De teerling is geworpen. Erdoğan trekt zich terug of er zwaait wat. Hoe dat eruit komt te zien is een onduidelijk en angstaanjagend vooruitzicht. Toch heerst er een ongekende vastberadenheid onder het volk om die barrière van angst te doorbreken. In tegenstelling tot tijdens de Gezi-opstand wordt de politieke actie dit keer georganiseerd door de grootste oppositiepartij. Althans, dat is de opzet.
‘Als wij branden, branden jullie ook’
İmamoğlu is niet alleen de burgemeester van de grootste stad in Turkije, maar met zijn immense populariteit ook Erdoğans enige serieuze politieke rivaal. Vlak voordat hij om twijfelachtige redenen werd gearresteerd – vanwege financiële corruptie, leidinggeven aan een criminele organisatie en samenwerking met terroristische organisaties – stond İmamoğlu op het punt zijn kandidaatschap voor de volgende presidentsverkiezingen aan te kondigen.
Verscheidene opiniepeilingen hebben aangetoond dat hij kans maakt om Erdoğan bij de volgende verkiezingen, in 2028, te verslaan. Volgens bronnen dicht bij Erdoğan was er een plan om İmamoğlu te arresteren en zwart te maken, en vervolgens een bewindvoerder aan het hoofd van de oppositie te plaatsen. Dit is al jaren Erdogans modus operandi. Een aantal burgemeesters uit oppositiepartijen – zoals de sociaaldemocraten of de Koerdische partij – zijn in hechtenis genomen en de arrestatie van İmamoğlu was voorzien. In de laatste video voor zijn arrestatie zei İmamoğlu kalm dat hij ‘vastberaden zou opkomen’ voor het Turkse volk.
Honderdduizenden mensen hebben dit als startsignaal gezien en hebben sinds die nacht de stadspleinen opgezocht. Bij het zien van de massale protesten veranderde de voornaamste oppositiepartij de kandidaatsverkiezingen in een grootschalige politieke actie. Partijleiders riepen alle burgers op om voor İmamoğlu te stemmen, als teken voor het regime dat steun aan hem de partijpolitiek ontstijgt. Bijna vijftien miljoen mensen stemden voor İmamoğlu, waarmee zijn positie als oppositiekandidaat werd bevestigd.
Democratieën wereldwijd kunnen een heleboel leren van wat er sindsdien in Turkije is gebeurd. Kennelijk zijn de gebruikelijke politieke partijen – de Democraten in de VS en de sociaaldemocraten in Europa – niet in staat om de politieke en morele woede van de menigte, die leiders zoals Trump en Erdoğan veroorzaken, te benutten. Partijen willen hun vingers niet branden aan de onvoorspelbaarheid van ‘straatpolitiek’ – en de menigte wil zich met zijn jeugdige enthousiasme niet graag binden aan versleten politieke instellingen. Wat is dan de oplossing?
Het koraalrif
De ouderwetse progressieve oppositiepartijen lijken op scheepswrakken; ze liggen weg te rotten. Ze zijn na vijftig jaar flirten met neoliberale hegemonie hun karakter kwijtgeraakt. Hun inherente banden met de progressieve delen van de samenleving zijn verbroken. Ze zijn door hun overweldigende bureaucratie veranderd in logge reuzen, die de wendbaarheid van het nieuwe radicale rechts onmogelijk kunnen bijbenen. Maar wat er nu in Turkije gebeurt, is dat energieke jongeren, die zich als een school vissen rond het wrak verzamelen, het weer doen opbloeien als een koraalrif.
Dag in, dag uit geven jonge sprekers toespraken bij belangrijke partijbijeenkomsten en helpen ze de partij op weg. Ze zorgen ervoor dat de woede verder reikt dan alleen de arrestatie van İmamoğlu. Ze hebben een enorme invloed op het karakter van deze politieke beweging en doen de sociaaldemocratische partij weer opbloeien. De jongeren navigeren die trage reus terwijl die op zijn beurt flexibeler en dapperder probeert te worden om zich zo te kunnen verzetten tegen het meedogenloze regime.
Niet alleen in Turkije, ook in Europa en over de hele wereld luidt de vraag: is de menigte met zijn frisse energie in staat het wrak te betreden en dit in een levend organisme te veranderen, een organisme dat sterk genoeg is om de historische stroom richting het autoritarisme tegen te gaan? Turkije zal het ons leren.
De Amerikaanse democratie takelt langzaam af terwijl mensen zich niet individueel tegen autoritarisme durven uit te spreken. De democratie is nog niet verloren, vinden politicologen Daniel Ziblatt, Lucan Way en Steven Levitsky. Er is echter wel collectieve actie nodig.
Autocratische regeringen zijn tegenwoordig moeilijker te herkennen dan vroeger. De meeste autocraten van deze eeuw zijn gekozen. In plaats van oppositie met geweld de kop in te drukken, zoals Castro en Pinochet deden, maken zij de openbare instituties tot een wapen en gebruiken ze politie en justitie, de fiscus en andere instanties om tegenstanders af te straffen en de media en maatschappelijke organisaties te intimideren. Wij noemen dit ‘concurrerend autoritarisme’, een systeem waarin partijen het wel tegen elkaar opnemen in verkiezingen, maar de oppositie geen kans meer maakt vanwege systematisch machtsmisbruik door de zittende regering. Zo blijven autocraten aan de macht in Hongarije, India, Servië en Turkije, en zo deed Hugo Chávez het al die tijd in Venezuela.
Bij het afglijden naar deze vorm van autoritarisme gaan de alarmbellen niet altijd af. Doordat regeringen gebruikmaken van op zichzelf wettige instrumenten zoals politiek gemotiveerde smaadprocessen, belastingcontroles en strafrechtelijke onderzoeken, hebben burgers niet meteen door dat ze zich aan een autoritair regime onderwerpen. Na ruim tien jaar onder Chávez dachten de meeste Venezolanen nog steeds dat ze in een democratie leefden.
Hoe kunnen wij dan bepalen of Amerika de grens tussen democratie en autoritair regime heeft overschreden? Ons criterium is simpel: de prijs van verzet tegen de overheid. In een democratie wordt vreedzaam verzet tegen de zittende macht niet bestraft. Burgers kunnen met een gerust hart kritiek uiten, een oppositiekandidaat steunen of meedoen aan vreedzame betogingen, omdat ze weten dat de overheid hun dit niet betaald zal zetten. De hele gedachte van legitieme oppositie – dat burgers het recht hebben om kritiek te leveren, oppositie te voeren en de regering via verkiezingen naar huis te sturen – is een grondbeginsel van de democratie.
Na ruim tien jaar onder Chávez dachten de meeste Venezolanen nog steeds dat ze in een democratie leefden
Maar onder een autoritair bewind kleeft er een prijs aan oppositie. Wie dan met de regering botst, wordt slachtoffer van een keur aan strafmaatregelen. Politici kunnen worden vervolgd voor onbenullige of onbewezen feiten, media krijgen te maken met vergezochte smaadzaken of strenge toezichthouders, bedrijven met belastinginspecties en het verlies van opdrachten of vergunningen, universiteiten met het dichtdraaien van de geldkraan of het wegvallen van belastingvrijstellingen, en journalisten, activisten en andere critici met intimidatie, bedreiging of zelfs fysieke mishandeling door regeringsaanhangers.
Als burgers moeten oppassen omdat hun kritiek of verzet door de autoriteiten kan worden afgestraft, leven ze niet langer in een volwaardige democratie. Volgens dat criterium heeft Amerika de stap naar autocratie al gezet. Met de inzet van overheidsinstanties tegen burgers en een hoos aan sancties tegen critici heeft de regering-Trump de tol van oppositie verhoogd. Zo worden politie en justitie nu selectief ingezet tegen critici, worden grote advocatenkantoren geboycot en gedwarsboomd en moeten ook donateurs van de Democratische partij en andere progressieve organisaties het ontgelden. Daarnaast richt de regering, zoals zoveel autocratische regimes, haar pijlen op de media. Trump heeft rechtszaken aangespannen tegen ABC News, CBS News, Meta, uitgeverij Simon & Schuster en de regionale krant The Des Moines Register. Bovendien is de mediatoezichthouder gepolitiseerd om vooral onafhankelijke media op de korrel te nemen. En opmerkelijk genoeg zijn deze aanvallen op de media en politieke tegenstanders sneller en harder uitgevoerd dan vergelijkbare maatregelen in de eerste jaren van het bewind van verkozen autocraten in Hongarije, India, Turkije en Venezuela.
Ook in zijn aanval op universiteiten volgt Trump het draaiboek van andere autocraten. Zoals Jonathan Friedman van PEN Amerika zegt: ‘Het is alsof op alle universiteiten bij de geringste misstap de geldkraan kan worden dichtgedraaid.’ Tot slot worden zelfs Republikeinse politici fysiek bedreigd als ze zich tegen Trump uitspreken. De Republikeinse senator Thom Tillis zegt dat hij door de FBI is gewaarschuwd over ‘serieus te nemen doodsbedreigingen’ toen hij overwoog om tegen de benoeming van Pete Hegseth als minister van Defensie te stemmen. Voor veel Amerikaanse burgers en organisaties is de prijs van oppositie dus sterk gestegen. Het is nog niet zo erg als in een dictatuur zoals Rusland, waar critici simpelweg in de cel belanden of worden verbannen of vermoord, maar Amerika is met verbluffende snelheid afgegleden naar een situatie waarin tegenstanders van de regering moeten vrezen voor strafvervolging, civiele rechtszaken, belastingcontroles en andere sancties.
‘Het is alsof op alle universiteiten bij de geringste misstap de geldkraan kan worden dichtgedraaid’
Het is niet de eerste keer dat critici van de Amerikaanse regering te maken krijgen met intimidatie, dreigementen en strafmaatregelen. In de communistenjacht van vlak na de Eerste Wereldoorlog en tijdens het McCarthy-tijdperk werden kopstukken van de burgerrechtenbeweging en linkse activisten decennialang door de FBI op de huid gezeten, en ook Nixon zette de fiscus en andere instanties in tegen politieke tegenstanders. Dat was natuurlijk ondemocratisch, maar het ging niet zover als wat we nu zien. En Nixons pogingen om het staatsapparaat voor zijn politieke karretje te spannen leidden uiteindelijk tot zijn aftreden en tot een reeks hervormingen die zulk machtsmisbruik na 1974 aan banden legde.
Na Watergate kende Amerika de meest democratische halve eeuw van zijn bestaan. Met het aantreden van Trump kwam er niet alleen een abrupt einde aan dat tijdperk: het is ook de eerste keer – althans sinds de vervolging van de Jefferson-Democraten onder president Adams eind achttiende eeuw – dat de regering niet alleen de rivaliserende politieke partij, maar een heel segment van de samenleving op de korrel neemt.
Want het autoritair offensief sorteert duidelijk effect. Burgers denken nu wel twee keer na voordat ze gebruikmaken van hun grondwettelijke recht op het voeren van oppositie. Veel politici en maatschappelijke organisaties die als waakhond en controleur van de zittende macht zouden moeten fungeren, doen er het zwijgen toe. De angst voor vergelding zet een rem op donaties aan de Democratische partij en andere progressieve organisaties. En na Trumps aanval op prominente advocatenkantoren is het voor critici van de regering moeilijker om een advocaat te vinden, want de rijke en gerenommeerde kantoren die vroeger de strijd met de regering wel aandurfden, zijn nu huiverig om Trumps toorn over zich af te roepen. Columbia University is gezwicht voor de eis om de vrije meningsuiting van studenten in te perken. Zoals Trump zei: ‘Je ziet wat we met de universiteiten doen, en ze buigen allemaal en zeggen: Dank u wel, meneer.’
Bij de media zie je verontrustende signalen van zelfcensuur. Paramount, het moederbedrijf van CBS, dat toestemming van de overheid wil voor een fusie met Skydance Media, heeft het journalistieke programma 60 Minutes onder verscherpt toezicht gesteld. En ook Republikeinse politici verzaken hun taak als controleur van de macht. In de woorden van senator Lisa Murkowski: ‘We zijn allemaal bang. Dat is nogal een statement. Maar we zitten nu in een situatie die voor mij ongekend is. En ik moet zeggen dat ik vaak bang ben om me uit te spreken, want het wordt echt afgestraft. En dat is niet goed.’
Wij Amerikanen leven dus onder een nieuw bewind. Nu is de vraag of we toelaten dat dit ook wortel schiet.
De onmacht van het individu
De reactie van de samenleving houdt nog niet over – het blijft angstwekkend stil. Maatschappelijke kopstukken komen moeilijk tot collectief optreden. De overgrote meerderheid leeft liever in een democratie en zou graag een eind maken aan dit machtsmisbruik. Maar op individueel niveau hebben ze eerder reden om de regering-Trump tegemoet te komen dan er de strijd mee aan te binden.
Ze willen hun eigen organisatie immers tegen aanvallen van de overheid beschermen. Voor ieder afzonderlijk kan de tol van verzet te hoog lijken. Ze zien ook wel in dat iedereen beter af zou zijn als iemand vooropging in de strijd tegen Trump, maar slechts weinigen zijn bereid daarvoor zelf de prijs te betalen. Met als gevolg dat enkele van de meest invloedrijke Amerikanen aan de zijlijn blijven staan en hopen dat iemand anders de kastanjes uit het vuur haalt. Een klein beetje meewerken uit zelfbehoud lijkt hen het beste. Maar dat is de fatale fout van het appeasement-denken: het geloof dat stilletjes meebuigen op ondergeschikte, ogenschijnlijk tijdelijke punten uiteindelijk minder schade op de lange termijn zal opleveren.
Meestal werkt het niet zo. En daden van individueel zelfbehoud hebben een hoge collectieve prijs. Meebuigen zal de regering waarschijnlijk alleen maar moed geven en stimuleren haar aanvallen te verhevigen. Autocraten bestendigen hun macht meestal niet alleen met geweld: ze worden geholpen door de meegaandheid en passiviteit van mensen die verzet hadden kunnen bieden. De neiging om de lieve vrede te bewaren is, zoals Churchill al waarschuwde, als het voeren van een krokodil in de hoop dat hij jou als laatste opvreet.
[Autocraten] worden geholpen door de meegaandheid en passiviteit van mensen die verzet hadden kunnen bieden
Individuele meegaandheid verzwakt ook de weerbaarheid van de Amerikaanse democratie als geheel. Als één partijdonateur of één advocatenkantoor zich drukt maakt dat misschien niet veel verschil, maar als ze zich collectief terugtrekken, ontbreekt het tegenstanders van de regering straks aan afdoende financiële en juridische middelen om zich te verweren. Alle nieuwsberichten die niet gepubliceerd worden, alle toespraken of preken die niet gehouden worden en alle persconferenties die niet gegeven worden, kunnen bij elkaar een aanzienlijk cumulatief effect hebben op de publieke opinie. Zolang de oppositie stommetje speelt, trekt de regering aan het langste eind.
Het meebuigen van vooraanstaande burgers geeft een intens demoraliserend signaal af aan de samenleving. De boodschap die eruit spreekt, is dat de Amerikaanse democratie het verdedigen niet waard is, of dat verzet zinloos is. Als de meest bevoorrechte mensen en organisaties niet willen of kunnen opkomen voor de democratie, wat verwachten we dan van de gewone burger?
Maatschappelijke oppositie
De tol van verzet is wel te dragen. En het afglijden naar autoritarisme is niet onomkeerbaar. In Brazilië, Polen, Slowakije, Zuid-Korea en elders hebben democratische krachten het tij van de democratische neergang weten te keren. De Amerikaanse rechtspraak is nog steeds onafhankelijk en zal ongetwijfeld een aantal van de meest onrechtmatige regeringsmaatregelen tegenhouden. Maar rechters – nu ook zelf doelwit van dreigementen, intimidatie en zelfs arrestatie – kunnen de democratie niet in hun eentje redden. Bredere maatschappelijke oppositie is geboden.
Ons maatschappelijk middenveld heeft genoeg financiële en organisatorische slagkracht om Trumps autoritaire offensief te weerstaan. Het telt honderden miljardairs, tientallen advocatenkantoren met een jaaromzet van een miljard, meer dan zeventienhonderd universiteiten en hogescholen, een enorm netwerk van kerken, vakbonden, particuliere stichtingen en non-profitorganisaties en een goed georganiseerde en goed gefinancierde oppositiepartij.
Maar dan moeten die wel samen optrekken. Als ze zich samen inzetten voor de collectieve verdediging van de democratische rechtsstaat, dragen ze ook samen de tol van hun verzet. De regering kan niet iedereen tegelijk aanvallen. Als de tol van het verzet wordt verdeeld over het collectief, is de last makkelijker te dragen voor het individu.
De regering kan niet iedereen tegelijk aanvallen
De meest uitgesproken oppositie komt momenteel niet van prominenten, maar van gewone burgers die zich roeren op bijeenkomsten van hun volksvertegenwoordigers of op de Hands Off-demonstraties die overal in het land plaatsvinden. Onze leiders moeten hun voorbeeld volgen. De collectieve verdediging van de democratie heeft de meeste kans van slagen als prominente en bemiddelde mensen en organisaties, zij die het best bestand zijn tegen de klappen van de regering, ook meedoen aan de strijd.
Er zijn tekenen dat ze wakker worden. Harvard weigert te voldoen aan eisen die de academische vrijheid ondermijnen. Microsoft heeft gebroken met een advocatenkantoor dat aan de regering toegeeft en in plaats daarvan een kantoor in de arm genomen dat het er juist tegen opneemt. En een nieuw advocatenkantoor in Washington zegt te willen opkomen voor burgers die onterecht slachtoffer zijn geworden van het regeringsbeleid. Als de invloedrijkste leden van een samenleving in verzet komen, geven zij anderen politieke rugdekking. En dat stimuleert gewone burgers ook weer om mee te vechten.
Het afglijden van Amerika naar autoritarisme is niet onomkeerbaar. Maar niemand heeft ooit een autocratie verslagen vanaf de zijlijn.
Hoewel de veroordeling van Marine Le Pen niet politiek gemotiveerd is, dreigt het vonnis wel de legitimiteit van de volgende verkiezingen te ondermijnen. Daarom moet Le Pen alsnog de kans krijgen om in 2027 mee te doen, aldus The Economist.
Van 2004 tot 2016 was Marine Le Pen de spil in het plan om EU-geld naar de nationale partij door te sluizen en daarmee partijmedewerkers te betalen die valselijk werden opgevoerd als assistenten van Europarlementariërs. Zo luidt het oordeel van de Parijse rechtbank die Le Pen en 23 andere leden van haar radicaal-rechtse partij Rassemblement National (RN) een combinatie heeft opgelegd van boetes, celstraffen en een verbod op deelname aan de verkiezingen. De uitspraak is in de Franse politiek ingeslagen als een bom vanwege één specifiek aspect van de straf die Le Pen is opgelegd: dat ze zich met onmiddellijke ingang vijf jaar lang niet meer verkiesbaar mag stellen voor een politiek ambt. En dus ook niet voor de presidentsverkiezingen in 2027, waarvoor ze als favoriet geldt.
Politiek gemotiveerd
Partijleider Le Pen en haar populistische medestanders doen het af als een politiek gemotiveerd vonnis. Dat is ongegrond en ondermijnt het vertrouwen in de rechtsstaat. Er is geen enkele reden om aan de deugdelijkheid van het vonnis te twijfelen. Er is een dik dossier vol belastend materiaal, de wet is duidelijk en er zijn geen serieuze aantijgingen van rechterlijke vooringenomenheid. De onafhankelijkheid van de rechter dient gerespecteerd te worden. Maar al is het juridisch volledig in de haak om Le Pen van deelname aan de presidentsverkiezingen uit te sluiten, het dreigt wel de legitimiteit van de volgende verkiezingen te ondermijnen. Dat is niet goed voor Frankrijk. Als het hof die uitsluiting in hoger beroep kan bekorten, zodat ze in 2027 alsnog aan de verkiezingen kan deelnemen, moet dat gebeuren.
Het opschorten van Le Pens verkiesbaarheid roept twee vragen op. Ten eerste: onder welke omstandigheden mag je kandidaten in een democratie het passief kiesrecht ontnemen? Le Pens veroordeling berust mede op een strenge wet die in 2016 werd aangenomen om een eind te maken aan de laksheid waarmee de Franse staat lange tijd optrad tegen corrupte politici zoals oud-president Jacques Chirac. Die wet maakt het mogelijk om kandidaten per direct van verkiezingen uit te sluiten. Een hervorming die Le Pen destijds steunde, en het is wrang dat ze de straffen afdoet als een aanval op de democratie nu ze zelf aan die wet wordt gehouden.
Het is een misvatting dat er in de strafmaat geen rekening mag worden gehouden met politieke of bestuurlijke gevolgen
De meeste landen hebben wel wetten om kandidaten van verkiezingen uit te sluiten, maar dan vooral wegens ernstige aantasting van de democratie zelf. Na de Maidan-revolutie in Oekraïne werden leden van de corrupte, door Rusland gesteunde regering onder Viktor Janoekovitsj van verkiezingen uitgesloten, en na de Amerikaanse Burgeroorlog werd ook in de VS iedereen uitgesloten die tegen de overheid in opstand was gekomen. De Braziliaanse oud-president Jair Bolsonaro is van verkiezingsdeelname uitgesloten omdat hij de geldigheid betwistte van de verkiezingen waarin hij in 2022 de macht verloor.
De feiten waarvoor Le Pen is veroordeeld zijn ernstig, maar niet van dezelfde orde. Het strenge vonnis beperkt nu de keuze van burgers die zelf wel kunnen bepalen wie hun stem verdient. Door het opleggen van een strafmaatregel waarvan gedacht kan worden dat politici er invloed op hebben, voedt de rechtspraak complottheorieën, zeker in het geval van politici zoals Le Pen, met een partij die op wantrouwen jegens de elite gegrondvest is.
Gelijke behandeling
Het tweede heikele punt betreft de relatie tussen politiek en rechtspraak. De rechtsstaat vereist dat politici geen andere behandeling krijgen dan andere burgers. Als het om de schuldvraag gaat, is dat heel simpel. Maar dat er in de strafmaat geen rekening mag worden gehouden met politieke of bestuurlijke gevolgen, is een misvatting. Rechters wegen in hun vonnis een hele reeks factoren mee, waaronder ook de gevolgen voor de legitimiteit van maatschappelijke instanties en processen zoals verkiezingen. Donald Trump kreeg voor de misdrijven waarvoor hij in januari in New York werd veroordeeld geen straf opgelegd omdat de rechter vond dat het Amerikaanse volk een president verdiende die niet vleugellam gemaakt was. Bij Le Pen viel het dubbeltje net de andere kant op voor de rechter, die zei dat ze juist een langere straf oplegde vanwege de schade die Le Pen in een hoog ambt zou kunnen aanrichten.
Het gevaar van zulke strenge straffen voor politici is dat het beeld ontstaat van een partijdige rechtspraak. De rechtspraak berust op het principe dat burgers zich neerleggen bij vonnissen waarmee ze het niet eens zijn. Verkiezingen moeten draagvlak creëren voor een nieuwe regering. Na Le Pens veroordeling bleek uit een peiling dat maar 54 procent van de Fransen vond dat zij een gelijke behandeling had gekregen: een krappe motie van vertrouwen in de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Onder haar eigen kiezers was 89 procent van mening dat ze om politieke redenen op de korrel was genomen.
Le Pen moet de kans krijgen om zich in 2027 verkiesbaar te stellen
Mensen die het vonnis toejuichen, wijzen erop dat het Franse wantrouwen jegens rechtspraak en justitie vooral aan Le Pen en haar partij te wijten is. Al decennia wordt door Rassemblement National de gedachte uitgevent dat Frankrijk geregeerd wordt door een schimmige elite die vooral op eigen gewin uit is, de instanties in zijn greep heeft en zo haar partij buiten de deur houdt. Le Pen kreeg na de veroordeling niet alleen steunbetuigingen van andere rechts-radicale leiders in Europa (Viktor Orbán tweette ‘Je suis Marine’), maar ook van radicaal-links in Frankrijk: Jean-Luc Mélenchon, de leider van La France Insoumise, zei dat alleen de kiezer het lot van politici mag bepalen.
En inderdaad, Le Pen moet de kans krijgen om zich in 2027 verkiesbaar te stellen. Normaal gesproken duurt het wel twee jaar voordat een hoger beroep voor de rechter komt, maar het hof heeft verstandig genoeg besloten vonnis te wijzen in de zomer van 2026. Dan kan het haar uitsluiting verkorten (andere veroordeelden zijn slechts voor een jaar van verkiezingsdeelname uitgesloten), zodat ze nog op tijd kan meedoen aan de verkiezingen. Eric Ciotti, een rechtse medestander van Le Pen in het parlement, wil een wet die het onmogelijk maakt om iemand met onmiddellijke ingang, nog voordat het hoger beroep heeft gediend, van verkiezingen uit te sluiten. Als die wet wordt aangenomen voordat het beroep van Le Pen dient, kan ze zich misschien weer verkiesbaar stellen.
Premier Bayrou zegt open te staan voor een debat hierover. Le Pen komt er hoe dan ook niet makkelijk vanaf: ze moet twee jaar lang een elektronische enkelband dragen (met nog eens twee jaar voorwaardelijk) en ze krijgt een forse boete opgelegd. Daar valt niets op af te dingen: de straf moet worden opgelegd aan de dader, niet aan de Franse democratie.
MAGA-conservatievelingen zijn dol op Viktor Orbán. Maar dankzij hem is Hongarije inmiddels corrupt en verarmd en is de economie gestagneerd. Als Orbáns autoritaire overname als voorbeeld wordt genomen, ziet Anne Applebaum de toekomst van Amerika somber in.
Sjieke hotels en dure restaurants bepalen tegenwoordig het aanzien van het centrum van Boedapest, een stad die ooit bekendstond om haar vervallen gevels. In het centrum van de stad zijn ook nieuwe monumenten verrezen. Een daarvan, een imitatie van het Vietnammonument in Washington D.C., is een eerbetoon aan het verloren gegane, negentiende-eeuwse Hongaarse Rijk. In plaats van namen van oorlogsslachtoffers staan er namen op van voormalige ‘Hongaarse’ plaatsen – dorpen en steden die nu in Roemenië, Slowakije, Oekraïne of Polen liggen. De in lange granieten muren gegraveerde namen vormen een plechtig eerbetoon met een eeuwig brandende vlam.
Maar achter de nationalistische kitsch en de toeristische attracties gaat een heel andere realiteit schuil. Hongarije, dat ooit werd gezien als het rijkste land van Centraal-Europa (‘de gelukkigste barak in het socialistische kamp’ zoals het land tijdens de Koude Oorlog werd genoemd), en dat later het Centraal-Europese land was waar investeerders het meeste heil in zagen, is tegenwoordig een van de armste landen, om niet te zeggen hét armste land, van de Europese Unie.
Orbán in Amerika
De industriële productie neemt jaar na jaar af. De productiviteit is de laagste in de wijde omtrek. De werkloosheid neemt steeds meer toe. Ondanks alle grote woorden van de regeringspartij over traditionele waarden, krimpt de bevolking. Misschien komt dat doordat jonge mensen geen kinderen willen krijgen in een land waar twee derde van de inwoners het landelijke onderwijssysteem als ‘slecht’ betitelt en waar afdelingen van ziekenhuizen sluiten omdat er zo veel artsen zijn uitgeweken naar het buitenland. Misschien dat getalenteerde mensen niet in een land willen blijven dat al drie jaar op rij als het meest corrupte land binnen de EU wordt gezien. Zelfs de Index van Economische Vrijheid – die wordt gepubliceerd door de Heritage Foundation, de aan MAGA-gelieerde denktank achter Project 2025 – plaatst Hongarije helemaal onderaan de EU-lijst waar het de integriteit van de overheid betreft.
Toeristen in het centrum van Boedapest merken niets van deze neergang. Net zo min als rechts Amerika, kennelijk. Want hoewel de premier van Hongarije, Viktor Orbán, geen minerale rijkdommen heeft weg te geven en niet over een noemenswaardig leger beschikt, speelt hij een buitenproportionele rol in het politieke debat in Amerika. Tijdens de presidentiële campagne van 2024 had Orbán diverse ontmoetingen met Donald Trump.
Een Republikeins Congreslid omschreef het land als ‘een van de succesvolste modellen van conservatief bestuur’
In mei 2022 organiseerde een pro-Orbán-denktank de rechtse Conservative Political Action Conference (CPAC) in Boedapest, en drie maanden later ging Orbán naar Texas om te spreken op de CPAC-conferentie in Dallas. Tijdens de derde editie van CPAC-Hongarije, vorig jaar, omschreef een Republikeins Congreslid het land als ‘een van de succesvolste modellen van toonaangevende conservatieve opvattingen en bestuur’. In een videoboodschap noemde Steve Bannon Hongarije ‘een inspiratiebron voor de hele wereld’. Kevin Roberts van de Heritage Foundation heeft, in weerwil van de analyse die zijn eigen instituut heeft gemaakt van de manier waarop Hongarije wordt bestuurd, het moderne Hongarije geprezen als ‘niet zomaar een model voor moderne staatskunde, maar hét model’.
Orbáns autocratische overname
Wat is dit dan voor model, dat zo veel bewondering oogst? Op de eerste plaats heeft het niets van doen met moderne staatskunde. Het is een zeer oude, zeer bekende blauwdruk voor een autocratische machtsovername, die is gehanteerd door zowel rechtse als linkse leiders, van Recep Tayyip Erdoğan tot Hugo Chávez.
Na Orbáns herverkiezing in 2010 heeft hij stelselmatig ambtenaren vervangen door loyalisten; economische drukmiddelen en regelgeving ingezet om de vrije pers de mond te snoeren; universiteiten hun onafhankelijkheid ontnomen en zelfs een universiteit gesloten; het rechtssysteem gepolitiseerd; en meer dan eens de grondwet aangepast voor zijn eigen electorale gewin.
Orbáns autocratische overname is precies waar ze in Amerika zo’n bewondering voor koesteren
Tijdens de coronaepidemie verleende hij zichzelf noodbevoegdheden, die hij tot op de dag van vandaag heeft gehouden. Hij is openlijk banden aangegaan met Rusland en China, heeft zich op EU-vergaderingen doen gelden als spreekbuis van het Russische buitenlandsbeleid en heeft schimmige Chinese investeerders toegang geboden tot zijn land.
Deze autocratische overname is precies waar onder meer Bannon en Roberts zo’n bewondering voor koesteren, en het is precies wat ze nu zelf proberen te bewerkstelligen in Amerika. De uitholling van het ambtenarenapparaat is al gaande, de druk op de pers en de universiteiten wordt opgevoerd en er wordt ook al gesproken over grondwetswijzigingen. Maar we horen de pleitbezorgers van deze ideeën zelden over hoe het de Hongaarse economie is vergaan, of de gewone Hongaar, toen die wijzigingen eenmaal waren doorgevoerd. Evenmin kijken ze naar de tegenstellingen tussen Orbáns retoriek en de realiteit van zijn beleid. Orbán heeft het bijvoorbeeld heel veel over het weren van emigranten, maar op zeker moment heeft zijn regering visa verstrekt aan willekeurig welke inwoner van een land buiten de EU, als diegene voor 300.000 euro aan staatsobligaties kocht van geheimzinnige offshorebedrijven.
Orbán en de oligarchie
Orbán heeft de mond vol van familiewaarden, al geeft zijn regering per hoofd van de bevolking minder uit aan gezondheidszorg dan welk ander EU-land ook. Hij heeft ook de toegang tot IVF aan banden gelegd. En dan is er nog het beruchte geval van een man die seksueel misbruik van kinderen in tehuizen bleek te hebben toegedekt, maar die Orbán evengoed gratie verleende.
Orbán praat ook graag over ‘het volk’, terwijl hij zijn vrijwel absolute macht niet gebruikt om de Hongaarse welvaart te bevorderen maar om nog meer geld toe te spelen aan een klein groepje rijke zakenlieden, van wie sommige familie van hem zijn. In Boedapest worden deze oligarchen soms NER genoemd, of NER-mensen, of NERistani – bijnamen die zijn afgeleid van Nemzeti Együttműködés Rendszere, ofwel het Systeem van landelijke samenwerking, de Orwelliaanse naam die Orbán zijn politieke systeem heeft gegeven – en deze NERistani profiteren direct van hun nauwe banden met de leider.
Direkt36, een van de weinige overgebleven teams van onderzoeksjournalisten in Hongarije, heeft onlangs een documentaire gemaakt, The Dynasty, waarin onder meer is te zien hoe aanbestedingen voor staats- en EU-contracten vanaf ongeveer 2010 bewust zo zijn opgezet dat Elios Innovatív, een energiebedrijf dat deels in handen is van Orbáns schoonzoon István Tiborcz, de opdrachten in de wacht zou slepen. De EU heeft uiteindelijk 35 contracten onderzocht en in vele daarvan onrechtmatigheden aangetroffen, naast bewijzen van belangenverstrengeling. (In een verklaring uit 2018 zei Elios dat hij alle wet- en regelgeving had nageleefd, wat ongetwijfeld waar is; het punt van dit systeem is nu juist dat het allemaal legaal is gemaakt.)
Lőrinc Mészáros, ooit de rijkste man van Hongarije, heeft zijn rijkdom toegeschreven aan ‘God, geluk en Viktor Orbán’
Dit is slechts een van de vele verhalen die Hongaren elkaar vertellen, maar niet in het openbaar. The Dynasty gaat ook over het Kisfaludy Tourism Development Programme, dat het toerisme diende te bevorderen en daartoe 316 miljard Hongaarse forinten (860 miljoen dollar) aan subsidies mocht verdelen. Twee derde daarvan ging naar 0,5 procent van de aanvragers; bijna een vijfde ging naar projecten waar Tiborcz iets mee van doen had, of mee van doen zou krijgen.
Niet dat Tiborcz de enige is die zich mag verheugen in de vrijgevigheid van de overheid. Lőrinc Mészáros, ooit de rijkste man van Hongarije, een gasinstallateur die later ondernemer is geworden, en tevens een oude vriend van de premier, heeft zijn rijkdom ooit toegeschreven aan ‘God, geluk en Viktor Orbán.’ Andere gunstelingen komen en gaan, al naar gelang Orbáns grillige voor- en afkeuren. Een Hongaarse zakenman zei ooit tegen me dat ‘je kunt merken wie in de gunst is en wie niet door te kijken welke ondernemingen floreren. Als je in de gunst bent, groeit je bedrijf. Als je eruit ligt, zal je bedrijf krimpen. Dat is binnen een jaar of twee merkbaar.’
Orbán en de ‘onvoorstelbare successen’
Dergelijke vormen van corruptie zijn, zoals gezegd, meestal legaal omdat de wetten, contracten en aanbestedingsregels zo zijn opgesteld dat die ruimte er is. En zelfs als bepaalde activiteiten illegaal zouden zijn, zouden door de overheid gecontroleerde aanklagers geen onderzoek instellen. De corruptie vindt plaats op een dermate grote schaal dat de rest van de economie erdoor wordt verstoord. De Hongaarse zakenman en een Hongaarse econoom met wie ik heb gesproken – en die beiden absoluut anoniem wilden blijven, uit angst voor represailles – hadden onafhankelijk van elkaar berekend dat NERistan zo’n twintig procent van de Hongaarse economie uitmaakt.
Dat wil zeggen, zo legde de econoom me uit, dat twintig procent van de Hongaarse bedrijven niet draait ‘op basis van marktwerking, niet op basis van verdiensten, maar feitelijk op basis van loyaliteit.’ De bedrijven hebben geen normaal personeelsbeleid en ze gebruiken geen echte businessmodellen, omdat ze niet zijn opgezet om efficiënt te zijn en winst te maken, maar om de kleptocratie te faciliteren – het doorsluizen van overheidsgeld naar de eigenaars van de bedrijven.
Het Sovereignty Protection Officeis een sinister orgaan dat onafhankelijke Hongaarse organisaties intimideert en zwartmaakt
Niet dat het regime ooit zal toegeven dat de oligarchie een rol speelt binnen het systeem, of zelfs maar zal onderkennen dat Hongarije mogelijk aan de vooravond staat van een structurele crisis. Een andere Hongaarse econoom vertelde me dat Orbán altijd ‘een stralende toekomst’ voorspelt, met ‘successen, onvoorstelbare successen.’
‘Schenk ons alstublieft uw vertrouwen,’ zei Orbán begin 2023 tijdens zijn jaarlijkse toespraak. ‘Gelooft u mij: Tegen het einde van dit jaar zal de inflatie niet langer dubbele cijfers bedragen.’ Maar in 2023 bedroeg de jaarlijkse inflatie maar liefst dik 17 procent. In 2024 voorspelde de regering een groei van 4 procent; de werkelijkheid was 0,6 procent. Wie met tegengeluiden komt, zal vermoedelijk nauwelijks gehoord worden. Onafhankelijke economen worden zelden gevraagd in televisieprogramma’s en ze komen ook nauwelijks aan bod in de verschillende door de regeringspartij gecontroleerde media.
Orbáns onderdrukking
In februari 2024 heeft het regime het Sovereignty Protection Officein het leven geroepen, een sinister orgaan dat onafhankelijke Hongaarse organisaties intimideert en zwartmaakt. Sinds de Amerikaanse verkiezingen en de aanval op USAID heeft deze dienst haar inspanningen verdubbeld. De dienst richt zijn pijlen onder meer op de Hongaarse tak van Transparency International, de anticorruptieonderzoeksgroep, en op het portal voor onderzoeksjournalistiek Atlatszo.hu – en op willekeurig welke instelling die de waarheid zou kunnen vertellen over hoe het land werkelijk functioneert.
Maar voor wie bereid is te kijken is die waarheid overal zichtbaar, aangezien de gunstelingen van dit corrupte systeem er geen enkel probleem mee hebben om te pronken met hun rijkdom. Toen ik tegen een Hongaarse vriend begon over alle glimmende hotelgevels in de binnenstad van Boedapest, snoof hij: ‘Ja, wat wil je, daar wonen al die NER-lui. Die willen dat alles blinkt.’ Bovendien hebben ze zelf een groot deel van die hotels in bezit. In The Dynasty, de documentaire, zitten ook beelden van de Hongaarse elite die feest in clubs en paleizen. De film is binnen een maand meer dan 3 miljoen keer bekeken, wat veel is voor een land met 9,6 miljoen inwoners. In de duizenden reacties op YouTube worden de Direkt36-journalisten bedankt dat ze de ‘echte waarheid’ hebben getoond, die nergens anders te zien is.
Hongarije is in veel opzichten haast het tegenovergestelde van Amerika: het land is klein, arm en homogeen. Maar de film riep bij mij een angstig voorgevoel op. Terwijl Elon Musk, die door de overheid is ingehuurd, ons ambtenarenapparaat ontmantelt en beslissingen neemt over de ministeries die hem reguleren; terwijl de FBI en het ministerie van Justitie worden overgenomen door partizanen die nooit hun collega’s zullen vervolgen voor corruptie; terwijl inspecteurs-generaal worden ontslagen en wetgeving over belangenverstrengeling aan de laars wordt gelapt, tolt Amerika in sneltreinvaart richting Hongaars populisme, Hongaarse politiek en een Hongaars rechtssysteem. Dat betekent ook dat ons Hongaarse stagnatie, Hongaarse corruptie en Hongaarse armoede staan te wachten.
Elke week pluist de redactie van 360 een actuele gebeurtenis voor je uit aan de hand van de internationale pers. Deze week kijken we naar Zuid-Korea, waar oud-president Yoon Suk Yeol ongeveer vier maanden geleden een mislukte staatsgreep pleegde. Wat is er sindsdien gebeurd in het land? En wat heeft de toekomst in petto?
Op 3 december om half elf ’s nachts kondigde de toenmalige Zuid-Koreaanse president Yoon Suk Yeol een staat van beleg aan. Met dit decreet stopte hij alle politieke activiteiten in het land en beperkte hij de persvrijheid. Het leger en de politie werden de straten opgestuurd, maar binnen de kortste keren trokken grote massa’s Zuid-Koreanen ook de straat op om tegen Yoons decreet te demonstreren, meldt TheEconomist.
Voor parlementariërs volgde er een race tegen de klok, beschrijft The New York Times. Zuid-Koreaanse politici renden, gesteund door de mensen op straat, naar het parlementsgebouw en klommen over de hekken om binnen te komen. Ze barricadeerden de deuren om in veiligheid over het decreet te kunnen stemmen. Veiligheidsdiensten bestormden het parlement en andere gebouwen om politieke tegenstanders te arresteren en alle activiteiten stil te leggen. Rond twee uur ’s nachts stemde het parlement tegen Yoons beslissing en trokken de veiligheidsdiensten weg.
Iets na vier uur in de ochtend sprak de president het volk toe op televisie en zei dat hij de stemming van het parlement zou gehoorzamen en het decreet zou intrekken. Zijn staatsgreep was mislukt. Het was de eerste keer dat er opnieuw een staat van beleg werd aangekondigd sinds het land in 1980 een democratie werd, aldus The Economist.
Waarom wilde Yoon Suk Yeol een staatsgreep plegen?
Yoon is een bekende officier van justitie die meerdere hoge ambtenaren en zakenmannen heeft veroordeeld. In de verkiezingen van 2022 leidde hij de People Power Party (PPP) naar de overwinning, ondanks dat hij geen politieke ervaring had. Maar tijdens zijn presidentschap werd zijn agenda meermaals geblokkeerd door de oppositie, de Democratic Party of Korea (DPK), die een meerderheid heeft in het parlement. Daarbij werd hij achtervolgd door schandalen rond hem en zijn partij, bericht Al Jazeera.
De Japanse columnist Aoki Yoshiyuki van NHK World werkte in het NHK-kantoor in Seoel dicht in de buurt van het bestormde parlementsgebouw. ‘Ik was geschokt toen ik hoorde dat er een staat van beleg was ingevoerd vanwege een binnenlands politiek conflict [in plaats van een aanval uit het buitenland].’ Ongeveer een week na de staatsgreep gaf Yoon een speech waarin hij in twee minuten zijn excuses aanbood en vervolgens een half uur spendeerde aan het legitimeren van zijn staatsgreep.
Hij zei dat de DPK ‘de nationale politiek onmogelijk had gemaakt’. Als hoge autoriteit had hij daarom de beslissing genomen om het land te redden en de politie en het leger te gebruiken om de situatie te normaliseren. Volgens Yoshiyuki lijkt het erop dat de voormalige president zich liet inspireren door extreemrechtse complotdenkers die hem hadden aangemoedigd om drastische maatregelen te nemen. In augustus 2024 voorspelde een lid van de Democratische Partij dat Yoon op een dag de staat van beleg zou afkondigen, maar volgens de columnist wilde niemand dit destijds geloven.
‘Ik wilde niet dat mijn manschappen criminelen werden en ik wilde ook niet dat mensen gewond zouden raken’
The New York Times wijst op twee inschattingsfouten die Yoon maakte bij het uitvoeren van zijn staatsgreep. Ten eerste onderschatte hij de reactie van het Zuid-Koreaanse volk. Yoon had de directe demonstraties die volgden op zijn beslissing niet zien aankomen. Ten tweede misrekende hij zich in de steun die hij kreeg van het leger en de politie. Veel soldaten en agenten gingen tegen hun wil de straat op of schaamden zich toen ze ‘s nachts geconfronteerd werden met demonstraties. ‘We vroegen ons af: Wat zijn we hier aan het doen? en schaamden ons,’ zei kolonel Kim Hyeon-tae, die met zijn troepen door de ramen van het parlementsgebouw naar binnen klom. ‘Ik wilde niet dat mijn manschappen criminelen werden en ook niet dat mensen gewond zouden raken,’ zei luitenant-generaal Kwak, die uiteindelijk zijn eenheden beval om terug te trekken.
Wat gebeurde er na Yoon Suk Yeols gefaalde poging tot een staatsgreep?
Kort na zijn poging tot een staatsgreep werd Yoon door het parlement uit zijn ambt gezet. Begin januari werd er een arrestatiebevel voor Yoon uitgevaardigd door het Departement van Corruptieonderzoek voor Hooggeplaatste Functionarissen (CIO), dat hem vervolgens beschuldigde van meerdere strafbare feiten, waaronder poging tot een staatsgreep, meldt Al Jazeera. Yoon liet zich echter niet gevangen nemen en verschool zich in zijn woning, waar hij beschermd werd door zijn bodyguards.Twee weken en twee confrontaties met de politie later werd Yoon uiteindelijk gearresteerd. Bij de tweede arrestatiepoging werd zijn huis belegerd door drieduizend agenten die barricades met prikkeldraad en ingehuurde knokploegen moesten trotseren om de oud-president te kunnen oppakken.
Gedurende het eerste verhoor, dat vierentachtig uur duurde, werkte Yoon niet mee met de autoriteiten. Als gevolg daarvan veroordeelde de rechter hem tot nog eens twintig dagen in hechtenis. De onderzoekers waren bang dat Yoon ‘bewijsmateriaal zou vernietigen’. Buiten de rechtbank hadden supporters van Yoon zich verzameld. Op het moment van de uitspraak werd de aanwezige politie overweldigd en bestormden pro-Yoon-demonstranten de rechtbank, meldt The Guardian. Het interieur van de rechtbank werd vernietigd en verschillende leden van het CIO-onderzoeksteam werden aangevallen door de boze menigte. Na vier uur had de politie de situatie weer onder controle.
Intussen waren er ook conflicten binnen het Zuid-Koreaanse parlement ontstaan. Han Duck-soo, de vicepresident die Yoon opvolgde als uitvoerend president na zijn afzetting, werd op 27 december uit zijn ambt gezet door een motie van het parlement. Al in de eerste weken botste Han met het parlement omdat hij weigerde de drie lege zetels in het hooggerechtshof op te vullen. In het Zuid-Koreaanse hooggerechtshof zijn er negen zetels, maar slechts zes ervan waren bezet, legt Associated Press uit. Als de drie lege zetels gevuld werden, was er meer kans voor het hooggerechtshof om Yoon Suk Yeol schuldig te bevinden. Het parlement besliste daarom dat Hans weigering een obstructie van justitie was en zette hem uit zijn ambt. Hij werd ook beschuldigd van medeplichtigheid aan Yoons staatsgreep.
Terwijl Han in hechtenis werd gehouden, werd de minister van Financiën, Choi Sang-mok van de PPP, aangesteld als uitvoerend president. Hij wees twee nieuwe rechters aan voor het hooggerechtshof, maar kon het niet eens worden met het parlement over een progressieve negende rechter. Intussen organiseerde hij een reeks gesprekken met wereldleiders om hen te verzekeren dat de politieke situatie in Zuid-Korea stabiel was. Op 24 maart besloot het hooggerechtshof dat Hans afzetting ongegrond was en werd hij direct hersteld in zijn ambt als uitvoerende president. Het is nooit bewezen dat Han medeplichtig was aan de staatsgreep.
Yoon Suk Yeol is veroordeeld. Wat brengt de toekomst?
Op 4 april oordeelden de rechters van het hooggerechtshof unaniem dat Yoon Suk Yeol uit zijn ambt gezet moest worden. Het oordeel kwam 122 dagen nadat het parlement voor de motie had gestemd. Het hof van justitie bevestigde dat de staat van beleg niet was afgekondigd volgens de constitutie. Yoon werd ook schuldig bevonden aan een reeks andere feiten, zoals het inzetten van het leger tegen de bevolking en obstructie van de werking van het parlement. ‘Door noodprocedures te misbruiken en de constitutie te ondermijnen, heeft Yoon de historische trauma’s van autoritaire onderdrukking weer opgehaald,’ aldus het gerecht. Zijn acties hebben ernstige maatschappelijke, economische, politieke en diplomatieke gevolgen, aldus The Chosun Daily.
Touw, hamers, blinddoeken en knuppels werden later in het onderzoek naar voren gebracht als bewijsmateriaal
Inmiddels is aan het licht gekomen dat Yoons staatsgreep al zes maanden voor de uitvoering ervan in het diepste geheim werd samengesteld door een kleine groep mensen, waaronder zijn grootste aanhanger, de minister van Defensie Kim Yong-hyun en een klein aantal generaals en ambtenaren, die allen zijn gearresteerd voor het plegen van een staatsgreep en landverraad. Het plan hield onder meer de bezetting in van meerdere mediaorganisaties en overheidsinstellingen, waarbij ook het water en de elektriciteit van die gebouwen zouden worden afgesloten. Politieagenten zouden de oppositie arresteren en sommigen hadden zelfs de opdracht gekregen om ambtenaren te martelen om valse verklaringen af te dwingen. Touw, hamers, blinddoeken en knuppels werden later in het onderzoek naar voren gebracht als bewijsmateriaal, meldt The New York Times.
Volgens de Zuid-Koreaanse grondwet moet er na een afzetting van een president binnen zestig dagen een nieuwe president gekozen worden. Dit betekent dat de volgende presidentsverkiezingen zullen plaatsvinden op 3 juni, waarmee de regering het laatst mogelijke moment voor verkiezingen heeft uitgekozen. Tot die tijd zal Han Duck-soo aangesteld blijven als uitvoerende president. Leden van de regering die zich kandidaat willen stellen, moeten hun dagelijkse functies stopzetten voor 4 mei. Op 11 mei zullen alle kandidaten geregistreerd worden en van 12 mei tot 2 juni zijn de officiële campagnes gepland, legt The Korea Times uit. Nadat de overwinning van de nieuwe president is bekrachtigd, zal hij of zij direct in functie treden zonder overgangsperiode. De DPK en de PPP zijn beiden begonnen met voorbereidingen voor de verkiezingen.
Kweon Seong-dong van de PPP heeft tijdens een spoedvergadering van de partij gezegd dat de DPK nooit verantwoordelijkheid heeft genomen voor de politieke chaos die ze teweegbracht. Hoewel de rechtbank Yoons acties onconstitutioneel had verklaard, zou het ook de DPK hebben bekritiseerd voor het creëren van een politieke blokkade. De DPK had een reeks moties tegen regeringsleden ingediend die voor veel spanning zorgden tussen de twee partijen. De Democratische Partij reageerde dat de PPP verantwoordelijkheid moet nemen voor de politieke crisis die hun partij heeft veroorzaakt en daarom geen kandidaat naar voren moet brengen voor de verkiezingen.
‘Zuid-Korea behoort tot een groeiend aantal landen die te maken hebben met de ontmanteling van democratische instituties’
Hoewel Yoon is veroordeeld en de rust lijkt teruggekeerd, is opinieschrijver Lee Kyong-hee nog steeds bezorgd en vindt ze dat we niet te vroeg mogen juichen. Volgens haar is Yoons afzetting door het hooggerechtshof de eerste stap naar het repareren van de beschadigde Zuid-Koreaanse democratie. Hoewel Yoons staatsgreep uiteindelijk werd tegengehouden door het Zuid-Koreaanse volk en haar autoriteiten, heeft deze een verdeelde maatschappij achtergelaten, vertelt ze in The Korea Herald.
Lee wijst op Yoons propaganda en complottheorieën. Terwijl hij in hechtenis zat bleef hij zijn volgers aansporen om ‘te vechten tot het einde’. Dit leidde tot een groeiend aantal supporters die elementen overnemen van de Amerikaanse MAGA-beweging. Ze liepen rond met bordjes met daarop ‘Stop the steal’ en ‘Make Korea great again’ en zwaaiden zelfs met Amerikaanse vlaggen. Lee trekt ook een parallel met de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021 en de bestorming van de rechtbank door de Yoon-aanhangers. Aan de andere kant waren er in de koude wintermaanden ook mensen op straat om te demonstreren tegen Yoons acties en het trage verloop van zijn proces. ‘Het lijkt erop dat Zuid-Korea tot een groeiend aantal landen behoort die te maken hebben met civiele intolerantie en de ontmanteling van democratische instituties. Met de VS onder Trump als het ultieme voorbeeld,’ merkt Lee op.
De aankomende verkiezingen zullen een grote uitdaging vormen voor het land. De hoogste prioriteit is om de ideologische split in de maatschappij te overbruggen, economische hervormingen door te voeren en diplomatieke betrekkingen te herstellen. De PPP moet zichzelf volledig distantiëren van Yoon en zijn extreemrechts gedachtegoed om een geloofwaardige partij te blijven, iets wat tot nu toe nog niet is gebeurd. Daarbij komt dat Yoon Suk Yeol, hoewel afgezet, niet zomaar verdwijnt. Hij en zijn handlangers zullen eventueel de verkiezingen proberen te beïnvloeden. De DPK heeft echter ook enkele uitdagingen in het vooruitzicht, omdat ook zij door delen van de maatschappij wordt gewantrouwd. ‘Wie de volgende president ook wordt, hij zal over een buitengewoon vermogen moeten beschikken om de diepgewortelde politiek van haat en wraak omver te werpen, en zo het volk te verenigen en een stabiele en welvarende toekomst te scheppen,’ concludeert Lee.
Allerlei mensen namen deel aan de ‘Hands Off’ -protesten
Zaterdag waren er grote protesten tegen de huidige Amerikaanse regering en vooral tegen de acties van de Amerikaanse president Donald Trump en zijn adviseur Elon Musk. De demonstraties waren verspreid over ongeveer 1200 steden in alle vijftig staten van Amerika, van Alaska tot Florida. De demonstranten vormden de grootste oppositiebeweging sinds Trumps inhuldiging en er namen meer dan 150 groepen deel aan de protesten, van mensenrechtenorganisaties tot klimaatactivisten en van oorlogsveteranen tot lhbti-rechtenverdedigers, meldt Associated Press.
De demonstranten stelden meerdere acties van de regering aan de kaak, zoals de duizenden federale werknemers die ontslagen werden, bijvoorbeeld bij de ontmanteling van USAID, de hevige bezuinigingen op sociale zekerheid, het onwettig deporteren van immigranten en het stopzetten van verschillende zorg- en gezondheidsinitiatieven. In de stad Boston riepen demonstranten ‘Hands off our democracy’ en ‘Hands off our social security’. Michelle Wu, de burgemeester van Boston, zei dat ze niet wil dat haar kinderen of anderen leven in een wereld waar waarden zoals diversiteit en gelijkheid onder vuur liggen, aldus AP.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Volgens The New York Times waren er zelfs protesten in de overzeese Amerikaanse territoria en andere locaties buiten de VS. In Manhattan strekte de stoet zich uit over wel twintig huizenblokken en in de hoofdstad hadden duizenden zich verzameld rondom het Washington Monument. Velen, vooral werknemers van de federale overheid en studenten, wilden enkel anoniem bericht doen aan The New York Times omdat ze bang waren voor vergeldingsacties. Hoewel de demonstranten tegen Trump en zijn regering protesteerden, hadden velen ook kritiek op de oppositie, de Democratische partij, die volgens velen te oud en te passief is. De president gaf weinig commentaar op de protesten; hij was aan het golfen in Florida.
Nieuwe presidentsverkiezingen vinden al binnen twee maanden plaats
‘Lang leve de democratie,’ riepen de miljoenen Koreanen die zich hadden verzameld voor het hooggerechtshof in Seoel. Deze ochtend heeft het hoofd van justitie Moon Hyung-bae de directe afzetting van de huidige president Yoon Suk Yeol bekendgemaakt. Het vonnis komt 111 dagen nadat het parlement ervoor had gestemd om het afzettingsproces op te starten naar aanleiding van president Yoons poging tot een staatsgreep in december, meldt The Korea Times.
Volgens de Zuid-Koreaanse grondwet moeten er presidentsverkiezingen worden gehouden binnen de zestig dagen die volgen op een afzetting. Dit betekent dat de verkiezingen ten laatste op 3 juni kunnen plaatsvinden, merkt The Korea Herald op. Burgers en politici moeten nu snel in actie komen om zich voor te bereiden op de komende verkiezingen.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Naar aanleiding van de afzetting van president Roh Moo-hyun in 2004 verbraken de heersende partijen al het onderlinge informele contact. Dit heeft ook een impact gehad op de Zuid-Koreaanse maatschappij en leidde tot politieke verdeeldheid. Lim Seong-ho, professor politieke wetenschappen aan de Kyung Hee University, vreest dat de polarisatie enkel zal toenemen. ‘Al jaren zijn de partijen hun oppositie aan het demoniseren en hebben ze gematigde standpunten als hypocriet bestempeld. Het resultaat is een politiek landschap waar centrumpartijen volledig zijn verdwenen,’ zegt hij. ‘Als onze democratie deze polarisatie heeft gecreëerd, is het ook aan ons om deze te hervormen.’
De VS zijn niet meer het symbool van de vrije wereld, stelt hij
De Franse Europarlementariër Raphaël Glucksmann deed onlangs een symbolische oproep aan de VS om het Vrijheidsbeeld aan Frankrijk terug te geven. Volgens hem hebben de VS onder Trump hun reputatie als symbool van de vrije wereld verspeeld. ‘Als jullie regering niet langer geïnteresseerd is in de vrije wereld, dan zullen wij hier in Europa de fakkel overnemen,’ schreef hij op X, geciteerd door Le Figaro.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Ik zou hier simpelweg niet zijn geweest als honderdduizenden jonge Amerikanen niet op onze stranden in Normandië waren geland,’ begon Glucksmann zijn tweet lovend. ‘Maar het Amerika van die helden vocht tégen tirannen, niet vóór hen. Het was de vijand van het fascisme, niet de vriend van Poetin.’ Karoline Leavitt, de woordvoerder van het Witte Huis, zei in een reactie dat het ‘aan de VS te danken is dat de Fransen nu geen Duits spreken (…) Ze zouden ons geweldige land heel erkentelijk moeten zijn.’
Elke week pluist de redactie van 360 een actuele gebeurtenis voor je uit aan de hand van de internationale pers. Deze week kijken we naar Turkije, waar grote protesten zijn uitgebroken nadat Erdoğan zijn grootste politieke rivaal Ekrem Imamoğlu vorige week woensdag heeft gearresteerd. Wat is er gebeurd en wat betekent dit voor het land?
Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – tijdelijk al vanaf €1,50 per maand – op 360 Magazine.
Wat is er gebeurd?
Slechts enkele dagen voordat de belangrijkste oppositiepartij van Turkije haar presidentskandidaat zou kiezen, werd de belangrijkste kandidaat, de burgemeester van Istanbul Ekrem Imamoğlu, vorige week woensdag gearresteerd en gevangengezet. ‘Met deze schaamteloze daad van politieke onderdrukking heeft de Turkse regering een gedenkwaardige stap gezet in de richting van een volwaardige autocratie’, schrijft Foreign Affairs. Volgens het Amerikaanse tijdschrift was dit een berekende zet van Erdoğan. Op dinsdag trok Imamoğlu’s alma mater, de Universiteit van Istanbul, zijn diploma in – volgens de wet moeten Turkse presidentskandidaten in het bezit zijn van een universitair diploma. De volgende dag werd Imamoğlu gearresteerd op beschuldiging van corruptie en terrorisme. ‘Deze gerechtelijke uitspraken weerhouden hem niet alleen van zijn presidentiële ambities, maar ontheffen hem ook van zijn positie als burgemeester van de grootste stad en economische grootmacht van Turkije.’
Imamoğlu was een van de meer dan honderd mensen, waaronder andere politici en journalisten, die in hechtenis werd genomen in het kader van een grootschalig onderzoek. Het hoofd van het Openbaar Ministerie in Istanbul beschuldigt Imamoğlu van ‘het oprichten van een criminele organisatie, het aannemen van steekpenningen, afpersing, het onrechtmatig vastleggen van persoonlijke gegevens en het manipuleren van een aanbesteding’. Het openbaar ministerie sprak ook het ‘sterke vermoeden’ uit dat Imamoğlu betrokken was bij ‘het helpen van een gewapende terroristische organisatie’, een verwijzing naar vermeende banden met pro-Koerdische groepen, aldus Politico.
Imamoğlu vecht al jaren tegen de rechtbank. Nadat hij in 2019 de kandidaat van Erdoğan had verslagen bij de burgemeestersverkiezingen, moest hij zich enkele maanden later opnieuw verkiesbaar stellen nadat de autoriteiten de uitslag ongeldig hadden verklaard. In 2022 werd hij veroordeeld tot meer dan twee jaar gevangenisstraf, in afwachting van hoger beroep, nadat hij de ambtenaren die zijn eerste overwinning ongeldig hadden verklaard ‘dwazen’ had genoemd. Hij won de lokale verkiezingen van vorig jaar en bezorgde de CHP de beste verkiezingsuitslag sinds de jaren 1970, aldus The Economist. ‘Dat Imamoğlu zo lang heeft kunnen overleven, is precies wat hem zo gevaarlijk heeft gemaakt voor de leider van Turkije en zo aantrekkelijk voor de kiezers. Al maanden heeft hij in de peilingen een comfortabele voorsprong op Erdoğan.’
In berichten op sociale media bekritiseerde Imamoğlu zijn arrestatie als een ‘zwarte vlek op onze democratie’ en zei hij dat de gerechtelijke procedure niet werd gevolgd. Op zondag bepaalde de rechtbank dat hij zonder borgtocht opgesloten moest worden in afwachting van zijn proces onder verdenking van corruptie. De beschuldiging van terrorisme werd echter ingetrokken. Een Turkse rechtbank hield de aanklacht van corruptie staande en zei: ‘Hoewel er een sterke verdenking is van het helpen van een gewapende terroristische organisatie, wordt (zijn arrestatie) in dit stadium niet nodig geacht, omdat al besloten is dat hij gearresteerd zal worden voor misdrijven van financiële aard.’ Omdat Imamoğlu niet werd beschuldigd van terreur, zal de rechtbank geen regeringscommissaris kunnen benoemen voor de gemeente Istanbul, meldt Al Jazeera.
‘Turkije nadert een punt waarop er geen weg terug meer is’
The Economist schrijft dat ‘Turkije een punt nadert waarop er geen weg terug meer is’. Vorige week was de Turkse regering nog wat politicologen een ‘concurrerend autoritair regime’ noemen: hoewel Erdoğan ongecontroleerde uitvoerende macht heeft en de facto controle heeft over de rechtbanken en het grootste deel van de media, zijn de verkiezingen grotendeels vrij gebleven. ‘Maar op 19 maart arresteerde de politie Imamoğlu, samen met tientallen anderen, waaronder zijn topadviseurs en andere lokale functionarissen. Wat overblijft komt dicht in de buurt van een volledige autocratie.’ Foreign affairs vult aan: ‘Door de burgemeester van Istanbul buiten de politiek te zetten, heeft de regering de grens overschreden die het autoritaire systeem van Turkije scheidt van een volledige autocratie naar Russisch model, waarin de president zijn tegenstanders uitkiest en verkiezingen puur voor de show zijn.’
Wat zijn de reacties op de aanhouding?
De arrestaties hebben geleid tot de grootste protesten in Turkije in meer dan tien jaar. Demonstranten zijn in botsing gekomen met politieagenten die gewapend waren met waterkanonnen en traangas, aldusBBC. Er zouden volgens het ministerie van Binnenlandse Zaken inmiddels meer dan veertienhonderd mensen gearresteerd zijn. ‘Dit gaat niet meer alleen om Imamoğlu. Het gaat over een strijd voor democratie en gelijke rechten,’ aldus een demonstrant tegen The Guardian.
Aanhangers van de burgemeester zeiden dat driehonderdduizend mensen zich vrijdagavond hadden aangesloten bij een protest in Istanbul. De Turkse autoriteiten namen extra maatregelen om de groeiende protesten de kop in te drukken. Zo blokkeerden ze het verkeer dat over de twee bruggen naar het stadhuis in Istanbul rijdt en sloten ze verschillende doorgangen in de buurt af met rijen oproerpolitie. ‘Nu de regering de steun van de kiezers heeft verloren en afstand heeft genomen van het volk, probeert ze de samenleving met geweld en repressie weer op het rechte pad te krijgen. Deze leiders wisten dat ze geen kans zouden maken om te winnen of zelfs maar de 30 procent te halen als er vrije verkiezingen zouden zijn’, schrijft een columnist van het linkse Turkse dagblad Birgün.
De protesten zijn de grootste die het land heeft gezien sinds de Gezi-protesten van 2013, die in Istanbul ontstonden naar aanleiding van de sloop van een plaatselijk park. De staat reageerde destijds hardhandig – veiligheidstroepen doodden verschillende mensen, verwondden duizenden demonstranten en verrichtten massa-arrestaties, aldus Foreign Affairs. Sindsdien heeft Erdoğan openbare bijeenkomsten aan banden gelegd om ervoor te zorgen dat demonstraties nooit meer dezelfde omvang bereiken.
De regering heeft afgelopen week enkele socialmedia-accounts van oppositieleden geblokkeerd en WhatsApp een aantal keer uit de lucht gehaald. Regeringsgezinde media hebben de straatprotesten gemeden, schrijft Politico. In een scherpe waarschuwing aan de demonstranten voor de mogelijke gevolgen van hun acties, omschreef Erdoğan de demonstraties als ‘straatterreur’ en had hij ook een boodschap voor de CHP waartoe zijn gearresteerde rivaal behoort. ‘We zullen zeker niet toestaan dat de CHP en haar aanhangers de openbare orde en de vrede van onze natie verstoren door middel van provocaties,’ zei de president in een bericht dat op X werd geplaatst.
‘Erdogan wil misschien op Poetin lijken, maar Turkije is Rusland niet’
In een gebaar van verzet kondigde de CHP aan dat ze door zou gaan met haar voorverkiezing op 23 maart. De CHP nodigde alle Turken – niet alleen partijleden – uit om deel te nemen en Imamoğlu als kandidaat te kiezen. Volgens de nieuwswebsite Turkish Minute stemden ongeveer 15 miljoen mensen zondag bij de door CHP georganiseerde symbolische voorverkiezing om massaal hun steun te betuigen aan de onlangs afgezette burgemeester van Istanbul.
Internationaal blijven de reacties zo goed als uit, merkt The Guardian op. ‘Ondanks de binnenlandse verontwaardiging over de detentie van Imamoğlu, bleef de internationale reactie gematigd.’ Een woordvoerder van de secretaris-generaal van de VN zei te hopen dat ‘de normale regels voor een eerlijk proces worden gevolgd’, terwijl Tammy Bruce, woordvoerder van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, zei dat Washington ‘geen commentaar zal geven op de interne besluitvormingsprocessen van een ander land’.
Hoe gaat Turkije nu verder?
Turkije staat op een kritiek punt. Volgens de Turkse grondwet mag een president maximaal twee termijnen dienen en de huidige termijn van Erdoğan eindigt in 2028. Als het parlement vraagt om vervroegde verkiezingen, zou de eenenzeventigjarige Erdoğan zich legaal opnieuw verkiesbaar kunnen stellen voordat zijn tweede termijn afloopt.
Erdoğan heeft vaker zijn toevlucht genomen tot extreme maatregelen om zichzelf en zijn partij voor te blijven. In de gemeenteraadsverkiezingen van 2019 in Istanbul, toen Imamoğlu de kandidaat van Erdoğans partij versloeg, eisten ze een herhaalde verkiezingen – die Imamoğlu opnieuw won, met ditmaal een grotere marge. De gevaarlijkste tactiek van Erdoğan is echter het arresteren van zijn sterke rivalen. Selahattin Demirtas, de charismatische Koerdische politicus die Erdoğan uitdaagde in de presidentsverkiezingen van 2014 en 2018, zit sinds 2016 achter de tralies (hij voerde zijn tweede campagne vanuit de gevangenis) op beschuldiging van terrorisme. Imamoğlu werd in 2022 ook veroordeeld tot een gevangenisstraf. Maar omdat de zaak nog in hoger beroep loopt, heeft de veroordeling de burgemeester er niet van weerhouden om zich opnieuw verkiesbaar te stellen.
Erdoğan speelt een risicovol spel. Maar als hij slaagt, gaat hij de volgende verkiezingen in tegen een tegenstander die hij zelf heeft uitgekozen, waardoor zijn bewind voor het leven is veiliggesteld. ‘Erdoğan is nu gevaarlijk dicht bij het bereiken van wat hij wil, en hij volgt een vergelijkbaar pad als Poetin in Rusland om dat doel te bereiken’, schrijft Foreign Affairs. Twee decennia geleden was Rusland niet de strak gecontroleerde autocratie die het nu is. De economie van het land bloeide en Poetin was populair, dus hij tolereerde enige oppositie en liet delen van het democratische systeem intact. Maar na de financiële crisis van 2008, toen de economische groei stagneerde en protesten tegen de regering uitbraken, reageerde Poetin met repressie. ‘En in 2020 verstevigde hij zijn heerschappij als onbetwiste alleenheerser.’
Maar toch is er een groot verschil tussen de twee. ‘Erdoğan wil misschien op Poetin lijken, maar Turkije is Rusland niet’, analyseert Foreign Affairs. In tegenstelling tot Rusland, dat leeft van de rijkdom aan grondstoffen, is de Turkse economie sterk afhankelijk van buitenlandse investeringen. Steeds meer investeerders vluchten naarmate het land autoritairder wordt, en een volledige autocratie zal er maar weinig terugbrengen. ‘De Turkse economie zou in een crisis blijven steken. En zelfs een sterke leider moet resultaten boeken om zijn greep op de macht te behouden.’
Ook het Turkse volk bijt van zich af. ‘Wat de regering niet inziet, is dat ze oorlog voert tegen de meerderheid van de bevolking die repressie openlijk afwijst’, schrijft een columnist in Birgün. ‘Zijn tijd raakt dus op. Onder deze omstandigheden is het niet langer mogelijk om te praten over wetten, een grondwet of vrije verkiezingen. Maar één ding weten we: moed is minstens zo besmettelijk als angst.’
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.