Onderwerpen: discriminatie

  • VK: ophef om het verdwijnen van ‘Palestine’ in het British Museum

    VK: ophef om het verdwijnen van ‘Palestine’ in het British Museum

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    »  The Rolling Stones brengen een nieuw album uit: Foreign Tongues

    » Argentinië stuurt experts naar Ushuaia om het hantavirus te traceren

    Mensen hebben kritiek op de aangepaste museumteksten

    De ambassadeur, Husam Zomlot, heeft het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken gevraagd om actie te ondernemen, meldt The New Arab. In verschillende museumzalen zijn termen als ‘Palestine’ en ‘Palestinian’ vervangen door aanduidingen als ‘Gaza’ en ‘West Bank’, wat volgens Zomlot neerkomt op historische uitwissing.

    Volgens de gezant komt de wijziging mede voort uit druk van pro-Israëlische groepen. Hij noemt de kwestie ‘existentieel’, omdat het wissen van historische verwijzingen volgens hem ook de hedendaagse identiteit van Palestijnen raakt.

    image
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Het British Museum ontkent dat het de term volledig heeft verwijderd, maar bezoekers en critici wijzen op aanpassingen in verschillende tentoonstellingen. De Britse regering houdt zich vooralsnog op de vlakte en benadrukt dat musea onafhankelijk opereren.

  • Levenslessen van een rijinstructeur

    Levenslessen van een rijinstructeur

    De Marokkaanse kinderboekenschrijver Mohamed Zefzaf blikt terug op zijn rijlessen in Brussel in 1976. Zijn rijinstructeur behandelde hem net als alle andere onbeholpen leerlingen, niet beter en niet slechter. Dat klinkt misschien onbeduidend, maar dat was het voor hem zeker niet.

    Ik zal eerlijk zijn. Ik was een verschrikkelijke rijschoolleerling. Op de laatste dag van mijn rijlessen maakte ik mijzelf en mijn instructeur bijna van kant.

    Maar ik ga iets te snel.

    Laat ik bij het begin beginnen.

    Het was de winter van 1976, ik was achttien, vol zelfvertrouwen en klaar om mijn Belgische rijbewijs te halen. Mijn vader stond er in zijn enthousiasme op dat hij mij zelf les zou geven. Bij nader inzien was dat een vergissing. Zoals een dokter nooit zijn eigen gezin moet behandelen, moet een vader zijn kinderen niet leren rijden. Op een koude morgen gingen we naar de De Bonnestraat, dicht bij het tramdepot op de grens van Anderlecht en Molenbeek. Hij gaf me de sleutels van zijn oude blauwe Opel. Ik was enthousiast en zelfverzekerd, maar had ook geen idee wat ik moest doen.

    ‘Zo,’ zei hij. ‘Die is voor jou.’

    Ik draaide aan de contactsleutel. De dieselmotor gromde. Ik trapte de koppeling in, zette de auto in de eerste versnelling en liet het pedaal vervolgens veel te snel opkomen. De auto schoot een stukje vooruit en de motor sloeg meteen weer af. Ik deed het nog een keer. Mijn vaders gezicht werd knalrood. Met zijn handen in de lucht riep hij tegenstrijdige bevelen.

    ‘De koppeling. Nee, het gaspedaal. Niet zo hard. Wat doe je? Stop!’

    Dat was het eind van onze lessen. Toen ik hem een paar dagen later schaapachtig vroeg of we het nog een keer konden proberen, schudde hij vastbesloten zijn hoofd. ‘Ik geef te veel om onze gezondheid om dat nog een keer te doorstaan.’

    ‘Zachtjes het gaspedaal indrukken. Langzaam de koppeling op laten komen. Het is balanceren’

    Dus schreef ik me in bij een officiële rijschool in Anderlecht. Daar ontmoette ik meneer B, mijn onfortuinlijke instructeur – onfortuinlijk omdat ik zijn leerling was.

    Hij was kort en gedrongen, droeg een pak met stropdas en had altijd een sigaar paraat. Hij rookte zelfs in de auto; de kleine Peugeot vulde zich dan met dikke, scherpe rookwolken die in de stoelbekleding bleven hangen. Het rook er naar verbrand leer.

    ‘Heb je al eens eerder gereden?’ vroeg hij kortaf.

    Ik dacht aan de ramp met de Opel en mompelde: één keer.

    ‘Mooi,’ zei hij en stak nog een sigaar op. ‘Dan weet je hoe gevaarlijk het kan zijn.’

    We reden over een stille weg dicht bij Scheut, in de buurt van hotel Prince de Liège, waar tuinen en volkstuintjes zich over het landschap uitstrekten. Meneer B gaf zijn aanwijzingen door de rookwalmen heen.

    ‘Zachtjes het gaspedaal indrukken. Langzaam de koppeling op laten komen. Het is balanceren. Voorzichtig.’ Ik probeerde het. De auto schokte. Ik zette in plaats van de richtingaanwijzer de ruitenwissers aan. Ik haalde de rem en de koppeling door elkaar. Meneer B zuchtte moedeloos, reed zelf weer terug naar het kantoor en beet de directeur van de rijschool bij het uitstappen toe: ‘Je hebt me weer een hopeloos geval gegeven. Waar moet het in godsnaam heen met België?’

    Ergens had hij gelijk.

    Toch kwam ik weer terug. Ondanks mijn schaamte, of misschien wel dankzij mijn schaamte, wilde ik bewijzen dat ik het kon. Als Marokkaanse tiener in een stad die niet altijd openstond voor verschillende soorten mensen wilde ik geloven dat ik erbij hoorde.

    Ik denk niet dat meneer B en de directeur dat begrepen. Voor hen was ik waarschijnlijk nog zo’n mislukte poging tot immigratie.

    Maar voor mij was het een persoonlijke kwestie.

    En naarmate de lessen vorderden begon ik in te zien dat mijn aannames over deze mensen, en zeker die over meneer B, niet helemaal eerlijk waren. Rijden ging niet alleen maar over de versnellingen en de koppeling. Het ging om ruimte vinden. Om gezien worden op een plek waar mensen zoals ik vaak over het hoofd worden gezien. In de weken die volgden gaf ik meneer B alle reden om vervroegd met pensioen te gaan. Ik liet de motor vaak afslaan. Zijn gezicht werd rood, zijn knokkels werden wit en hij rookte zijn sigaar sneller op.

    Hij behandelde me net als alle andere onbeholpen leerlingen, niet beter en niet slechter

    Maar hij kon mij verdragen. Misschien uit plichtsbesef, of misschien – hoewel ik dit later pas begon in te zien – omdat hij ervoor koos.

    Onder zijn natuurlijke norsheid, die ik als onbeleefdheid had geïnterpreteerd, zat een zekere stabiliteit. Misschien zelfs aardigheid. Hij keek nooit op me neer. Hij zag me nooit als minderwaardig. Hij behandelde me net als alle andere onbeholpen leerlingen, niet beter en niet slechter.

    Dat klinkt misschien onbeduidend, maar in die tijd was een naam als de mijne al genoeg om als vreemdeling bestempeld te worden voordat je ook maar een woord had gezegd. Met meneer B voelde het nooit zo. Geen vooroordelen. Geen neerbuigendheid. Hij had een norse persoonlijkheid, maar behandelde iedereen gelijk, zelfs de directeur van de rijschool, die hij vaak met wat botte Vlaamse woorden aan de kant zette.

    Langzaam begonnen dingen te verbeteren. Tergend langzaam, maar zeker. Ik leerde naar de motor te luisteren. De koppeling te beheersen. Om de emoties van de Peugeot aan te voelen. Uiteindelijk had ik mijn uren voltooid en kon ik afrijden.

    Ik was die dag erg nerveus. En meneer B nog meer dan ik. Als hij gespannen was, schakelde hij van aarzelend Frans over op snel, vlijmscherp Vlaams.

    De zon ging al bijna onder. Uit de donkere, laaghangende wolken dreigde sneeuw te vallen. Meneer B wachtte me op, met zijn jasje dichtgeknoopt en in zijn hand een sigaar.

    ‘Eindelijk,’ zei hij, en hij klonk opgelucht. ‘Onze laatste les. Het examen. Instappen maar, en rijden.’
    We reden weg.

    Meneer B begeleidde me over de Ninoofse Steenweg, langs de gracht, brouwerij Belle-Vue en het Klein Kasteeltje, waar twee soldaten stijfjes de wacht hielden bij een zware houten deur. De Vroegmarkt was bijna ten einde; de luiken waren dicht en wat laatkomers probeerden nog af te dingen.

    We reden verder in de schaduw van het vergane Viaduct van Koekelberg, de verhoogde slagader die vaak trilde onder het gewicht van de trams. Boven ons beefde het bouwwerk terwijl we over de Léopold II-laan reden.

    Hij had een norse persoonlijkheid, maar behandelde iedereen gelijk

    Het werd drukker op de weg. Vijf uur. Spitsuur in Brussel, de winter van 1976. Volgens mij was het januari, maar dat weet ik niet zeker meer.

    Brussel voelde, net als heel België, verdeeld. Prachtig en melancholisch. Mensen in lange, donkere pardessus liepen langs beslagen ramen waarin hun weerspiegeling vervaagde door de kou. De lucht was verkwikkend, de sneeuw school aan de rand van een dreigende hemel. Straatlantaarns hulden de straten in een bleke, spookachtige gloed, waardoor de stad deed denken aan een schilderij uit de late negentiende eeuw. Voor heel even was Brussel het domein van zijn surrealistische schilders: licht verwrongen en ondoorzichtig, tussen droom en werkelijkheid in.

    We reden langs het beroemde Cinzano-bord op het Rogierplein, links lag de Kruidtuin.
    Ik liet de motor voor de verandering niet afslaan. Ik raakte niet in paniek. Meneer B was kalm. Hij kettingrookte niet. Zijn stem was rustig. Hij glimlachte zelfs. We hadden voor het eerst een echt gesprek.

    Ik dacht: Misschien haal ik het wel. Maar de kalmte was van korte duur. Terwijl we via de Minimenstraat de Marollen uit reden, begon het zwaar te sneeuwen, net toen de groene koepel van het Justitiepaleis hoog boven ons uittorende. Het werd moeilijk om de weg nog te zien. De klinkers glinsterden van het ijs.

    Mijn handen begonnen te zweten. De ruitenwissers piepten. Ik gleed te snel de rotonde op bij het Poelaertplein.

    Ik had moeten remmen. Ik had op het aankomende verkeer moeten letten. Maar dat deed ik niet.
    Er suisde een vrachtwagen langs, die ons op een paar centimeter na miste. Keihard getoeter. Er kwam een bus recht op ons af. Een moment lang stonden mijn gedachten stil.

    Toen trapte meneer B op de rem.

    De auto kwam met een schok tot stilstand.

    ‘Godverdomme,’ riep hij. ‘Je reed ons bijna dood.’

    De rest kwam eruit in bliksemsnel Vlaams. Ik had geen vertaling nodig. We reden terug in volledige stilte.

    Geen handdruk. Geen gedag. Geen oogcontact.

    De auto was kouder dan zou hoeven. De verwarming stond aan en de ramen waren dicht, maar toch was het kil. Af en toe sloot meneer B zijn ogen, alsof hij door de chaos die ik had aangericht heen probeerde te ademen.

    Nu ik zijn leeftijd heb bereikt, vraag ik me af of hij zichzelf misschien probeerde te kalmeren. Ik doe dat af en toe ook. Misschien mediteerde hij, niet op zijn oosters, maar op een persoonlijke, innerlijke manier.

    Ik was gezakt, dat wist ik.

    Na het voorval op het Poelaertplein heb ik geen woord meer van hem gehoord. Nooit meer. Ik begon daarna beter te rijden, maar er was iets veranderd. Terug op het kantoor overhandigde meneer B zwijgend zijn rapport aan de directeur. Toen vertrok hij.

    Geen handdruk. Geen gedag. Geen oogcontact.

    Ik zat daar in m’n eentje en het moment spookte door mijn gedachten. Had ik maar geremd. Had ik maar…

    Er kwam een verontrustende gedachte bovendrijven. Ik moest aan mijn vrienden en familie vertellen dat ik was gezakt. Het was zo’n tienermoment waarop je het liefst zou willen dat de grond je met huid en haar opslokt. Toen riep de directeur me.

    ‘Jongeman,’ zei hij met een kleine glimlach, ‘je bent met een van de laagst mogelijke scores geslaagd.’
    Ik knipperde met mijn ogen. Ik kon het niet geloven.

    ‘Gezien wat er op het Poelaertplein is gebeurd,’ zei hij, ‘stelt meneer B blijkbaar veel hoop in jou.’

    Ik vond het een fijn woord. Hoop. Espoir. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Mijn handen trilden nog steeds. Volgens mij zei ik ‘Dank u’ en ‘Merci’, maar dat weet ik niet meer. Het is bijna vijftig jaar geleden.

    De herinnering voelt ver weg maar toch heel levendig.

    Meneer B en ik kwamen uit een andere wereld. Ik een Marokkaanse tiener, hij een Vlaamse man die bijna met pensioen ging. We hadden weinig gemeen. Maar die winteravond, in die kleine rokerige Peugeot, gebeurde er iets tussen ons.

    Niet met woorden, maar in stilte.

    En ik heb dat altijd met mij meegedragen.

    Er gebeurde iets tussen ons. Niet met woorden, maar in stilte

    Ik ben heel lang docent geweest. En als ik terugdenk aan de kinderen die ik heb begeleid, in de klas of op het voetbalveld, probeer ik ook terug te denken aan meneer B.

    Zijn zwijgzaamheid. Zijn kalmte. De manier waarop hij zijn voet op het gaspedaal zette als ik dat niet kon vinden. Hij heeft letterlijk ons leven gered. Maar hij heeft me ook meer geleerd dan autorijden.

    Hij leerde me hoe je voor iemand kunt opkomen, ook als het moeilijk is. Juist als het moeilijk is. En voor een docent is dat alles.

    Dank u, meneer B, dat u mij een tweede kans hebt gegund. Dat u mij hebt gezien. Dat u in mij geloofde.

    Ik hoop ten diepste dat het geen ijdele hoop was.

    En hoewel het inmiddels veel te laat is, wil ik tot slot toch nog zeggen: het spijt me dat ik ons op die winteravond, jaren geleden, bijna heb doodgereden.

  • VS ontvangen witte Zuid-Afrikaners als vluchtelingen

    VS ontvangen witte Zuid-Afrikaners als vluchtelingen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » DR Congo: minstens 104 doden bij overstromingen in het oosten

    » Zelensky nodigt Poetin uit voor een persoonlijke ontmoeting in Istanboel

    De Afrikaners vluchten vanwege vermeende discriminatie

    Een groep witte Zuid-Afrikaners is met een chartervlucht naar de VS vertrokken, waar ze als vluchtelingen toegang krijgen. Zij beweren slachtoffer te zijn van discriminatie in een proces dat bedoeld is om compensatie te bieden aan mensen die door het apartheidsregime zijn verongelijkt. Deze beslissing van het kabinet-Trump is onder vuur komen te liggen, zeker aangezien vluchtelingen uit Soedan of Congo veelal toegang wordt ontzegd, aldus The New York Times.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De Zuid-Afrikaners vluchten in veel gevallen vanwege conflicten rondom landbouwgrond. Tijdens de apartheid werd landbouwgrond aan zwarte Zuid-Afrikaners geweigerd. Als gevolg hiervan is de helft van de landoppervlakte in bezit van slechts 7 procent van de bevolking in de vorm van landbouwgrond. Om dit te compenseren, startte de Zuid-Afrikaanse overheid een initiatief om dit land van de boeren op te kopen om het opnieuw te verdelen, maar dit stuitte op problemen zoals ‘corruptie, gebrek aan financiële steun voor zwarte boeren en onwilligheid van de witte Zuid-Afrikaners om hun land te verkopen,’ schrijft The New York Times. Dit jaar is de wetgeving veranderd, wat de overheid in uitzonderlijke gevallen toestaat stukken land zonder compensatie op te eisen, waardoor een aantal witte Zuid-Afrikaners heeft besloten te emigreren.

    De beslissing om deze vluchtelingen toe te laten is onder kritiek komen te liggen, onder andere van de Zuid-Afrikaanse regering. Ze zien dit als een poging om het land in diskrediet te brengen. ‘Bepaalde Afrikaanse activisten hebben bovendien gezegd dat ze liever zouden zien dat Trump initiatieven in Zuid-Afrika zou steunen,’ aldus The New York Times. Ook is het opvallend hoe snel deze vluchtelingen zijn toegelaten. ‘Het vluchtelingenproces duurt normaal gesproken jaren. Maar er zijn nog maar drie maanden verstreken sinds Trump het decreet heeft getekend en de eerste groep vluchtelingen is nu al onderweg naar de VS.’

  • VN-rapport: Iran gebruikt technologie om vrouwen zonder hoofddoek op te sporen

    VN-rapport: Iran gebruikt technologie om vrouwen zonder hoofddoek op te sporen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Israël verbreekt wapenstilstand met dodelijke luchtaanval op Gaza

    » Conflict in de DRC: M23 trekt zich terug uit vredesbesprekingen

    De Iraanse politie zet drones in om vrouwen te monitoren

    Een uitgebreid technologisch netwerk in Iran rapporteert vrouwen die geen hoofddoek dragen, meldt een VN-rapport. ‘Twee jaar na de protesten van 2022 worden vrouwen en meisjes in Iran nog steeds geconfronteerd met systematische discriminatie (…), vooral met de verplichting tot het dragen van een hijab.‘ Sinds april 2024 heeft Iran een nieuw plan doorgevoerd, het Noor Plan, bedoeld om de verplichte kledingwetten te handhaven. Inmiddels zijn er al 618 vrouwen gearresteerd onder de wet.

    Het VN-rapport laat zien hoe Iraanse autoriteiten technologie gebruiken om vrouwen zonder hijab op te sporen. Bij de Amirkabir universiteit in Teheran zijn camera’s met gezichtsherkenning geplaatst om vrouwen zonder hoofddoek te rapporteren. De Iraanse politie maakt ook gebruik van ‘dronetoezicht vanuit de lucht’, meldt het rapport. Het team van onderzoekers vermoedt dat bewakingscamera’s op de grote wegen van Iran ook actief zoeken naar vrouwen zonder hoofddoek, aldus The Independent.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De Iraanse politie heeft zelfs een nieuwe app ontwikkelt met de naam ‘Nazer’. De app stelt burgers in staat om een vrouw die geen hoofddoek draagt te rapporteren. Gebruikers van de app kunnen bijvoorbeeld ‘de locatie, datum, tijd en de nummerplaat van een voertuig’ toevoegen. ‘Dan wordt er per direct een sms gestuurd naar de eigenaar van het voertuig dat hen waarschuwt dat ze de wet van de verplichte hijab hebben overtreden en dat hun voertuig in beslag zal worden genomen als ze de waarschuwing negeren,’ aldus het VN-rapport.

    In 2022 waren er grote protesten in Iran naar aanleiding van de dood van Mahsa Amini, een vrouw die werd gearresteerd en mishandeld door de zedenpolitie. Dit rapport van de VN stelt de Islamitische Republiek verantwoordelijk voor haar dood en beklaagt de onderdrukking van vrouwenrechten in Iran.

  • Canada investeert 48 miljard dollar in kinderbescherming voor inheemse jeugd

    Canada investeert 48 miljard dollar in kinderbescherming voor inheemse jeugd

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Kenia: president Ruto ontslaat kabinet na dodelijke protesten

    » Orbán bezoekt Trump voor zogenaamde vredesmissie

    De financiering zal discriminatoire praktijken inperken

    De Canadese regering heeft een akkoord bereikt om 47,8 miljard dollar in de komende tien jaar te investeren in de hervorming van het kinderbeschermingssysteem voor inheemse kinderen, meldt Radio-Canada. Dit bedrag is veel hoger dan de eerder aangekondigde 19,8 miljard dollar over vijf jaar in 2022.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De minister van Inheemse Diensten, Patty Hajdu, en de nationale leider van de Assembly of First Nations (APN), Cindy Woodhouse Nepinak, maakten dit nieuws bekend tijdens een bijeenkomst in Montreal. De financiering moet een einde maken aan discriminatoire praktijken en de controle teruggeven aan inheemse gemeenschappen. Eerder was er al 23 miljard dollar toegekend aan compensaties voor ongeveer 300.000 inheemse kinderen en hun families die schade hebben geleden door het kinderbeschermingssysteem. 

  • De letterlijke scheidingslijn tussen de Dominicaanse Republiek en Haïti

    De letterlijke scheidingslijn tussen de Dominicaanse Republiek en Haïti

    De Dominicaanse Republiek bouwt een muur om Haïtianen buiten te houden, terwijl chaos het buurland overspoelt. Het is de laatste fase in een eeuwenlange bittere verdeeldheid in de regio.

    Het Caribische eiland Hispaniola, dat van zowel Haïti als de Dominicaanse Republiek is, wordt al eeuwenlang verdeeld door taal, ras, geschiedenis en cultuur, soms met bittere gevolgen. Nu Haïti verder afglijdt naar chaos en ineenstorting, worden de scheidslijnen – letterlijk – concreet. De Dominicaanse Republiek werkt versneld aan een muur langs de ruim 400 kilometer lange grens die dwars door het binnenland van het eiland loopt. 

    De Dominicaanse president Luis Abinader wil hiermee voorkomen dat mensensmokkelaars of criminelen de grens oversteken. Hij waarschuwt de Verenigde Naties en andere internationale fora al lange tijd voor wat er zal gebeuren als Haïti instort. De afgelopen weken is de Haïtiaanse regering in anarchie vervallen. De premier kon niet terugkeren van een buitenlandse reis en grote delen van Port-au-Prince staan onder controle van krijgsheren en bendeleiders als Jimmy ‘Barbecue’ Chérizier, die het hele politieke systeem wil ontwortelen. 

    ‘Wij waren de eersten die waarschuwden dat Haïti een tweede Somalië aan het worden was,’ zei Abinader in een interview in het sierlijke presidentiële paleis in de Dominicaanse hoofdstad Santo Domingo. 

    Wereldwijde trend

    Abinader tekende drie jaar geleden voor de bouwplannen van de muur, naar het voorbeeld van de versterkingen die Israël bouwde in de Golan Hoogvlakte om het land van Syrië te scheiden. Het plan valt binnen de wereldwijde trend om muren of andere obstakels voor illegale migratie te bouwen, waaronder aan de zuidgrens van de VS. Polen is de afgelopen jaren begonnen met het bouwen van grensbarrières toen Rusland en Wit-Rusland migranten uit Syrië en Afghanistan binnenvlogen en hen daar loslieten om hun eigen weg naar Europa te zoeken. 

    Net als in de VS en een groot deel van Europa, is de controle over de grens een drijvende kracht geworden in de komende verkiezingen in de Dominicaanse Republiek.

    Als Abinader in mei de herverkiezing wint, zou het plan zijn om de barrière van 120 miljoen dollar [ca. 110 miljoen euro] langs de grens te voltooien. Aangezien opiniepeilingen laten zien dat veiligheid de grootste zorg is van de Dominicaanse kiezers, is de kans dat hij wint aanzienlijk. 

    Afgezien van klachten van mensenrechten- en religieuze groeperingen is er weinig weerstand geuit tegen de muur. Voormalig president Leonel Fernández, Abinaders belangrijkste tegenstander bij de verkiezingen in mei, heeft gezegd dat deze nodig is vanwege de verslechterende situatie in Haïti. 

    Abinader heeft het land eerder deze maand in hoogste staat van paraatheid gebracht nadat bendes politiebureaus in Haïti aanvielen en bijna vierduizend gevangenen uit twee gevangenissen bevrijdden. Volgens inlichtingen, zo zei hij, zou de toenemende wetteloosheid ‘Haïti de afgrond in duwen’. 

    De Dominicanen hebben sindsdien duizenden soldaten met spoed naar de grens gestuurd om de bewaking te versterken en te voorkomen dat ontsnapte gevangenen vanuit Haïti de grens oversteken. 

    Vanwege het risico op hongersnood nemen Haïtianen een vlot naar Miami of ze komen hierheen. Voor ons zou het een ramp zijn, wij zijn ook een arm land

    De eerste fase van het project omvat de bouw van een 12 meter hoge muur, voor de helft van beton, met daarbovenop een metalen hekwerk en prikkeldraad dat zich uitstrekt over zo’n 50 kilometer langs de dichtstbevolkte grensgebieden van Haïti. 

    De barrière werd voor het eerst voorgesteld in het Dominicaanse congres door Vinicio Castillo, destijds een extreemrechtse wetgever. ‘Het was in 2014, ruim voordat president Trump met een soortgelijk idee kwam,’ zei Castillo, die zich nu verkiesbaar stelt als senator. ‘Destijds werd het door sommige sectoren gezien als een extremistisch idee, maar dat bleek wel mee te vallen. Vanwege het risico op hongersnood nemen Haïtianen een vlot naar Miami of ze komen hierheen. Voor ons zou het een ramp zijn, wij zijn ook een arm land.’

    De muur is bezaaid met wachttorens, camera’s die op zonne-energie werken en militair personeel dat drones bedient langs de oevers van de vervuilde Massacre-rivier. Deze scheidt de twee landen in de stad Dajabón, met ongeveer 62.000 inwoners, in het noordelijke deel van het grensgebied. 

    Haïtiaanse functionarissen hebben hun bezorgdheid geuit en een voormalige premier van Haïti heeft Abinader publiekelijk ‘anti-Haïtiaans’ genoemd. ‘We zorgen ervoor dat deze destabiliserende situatie stopt bij de grens,’ aldus Abinader.  

    Zweet en arbeid

    In de afgelopen jaren is de Dominicaanse Republiek uitgegroeid tot een toeristische trekpleister, bekend om haar luxueuze strandresorts en tv-programma’s, waaronder de internationale versie van Survivor. Het is nu een van de snelst groeiende economieën van Latijns-Amerika, met een gemiddeld inkomen dat zeven keer hoger ligt dan dat van Haïti, nadat het zo’n vijftig jaar geleden op dezelfde basis begon.  

    Rechtenorganisaties zeggen echter dat de welvaart van de Dominicanen grotendeels te danken is aan het zweet en de arbeid van bijna een miljoen arme Haïtianen die daar werken en gediscrimineerd worden. 

    De geschiedenis van Haïti is er een van schrijnende armoede, enorme corruptie, militaire coups en buitenlandse interventies afgewisseld met perioden van chaos. Het land is nog steeds niet hersteld van de aardbeving in 2010, die een groot deel van de hoofdstad met de grond gelijk maakte en aan maar liefst 300.000 mensen het leven kostte.

    Een grote culturele en sociale kloof tussen de twee landen komt tot uiting in taal, religie, politiek, sport en muziek. Haïtianen spreken een Creools dat gebaseerd is op het Frans. Dominicanen spreken Spaans. Haïtianen houden van voetbal, Dominicanen zijn gek op honkbal.

    ‘Haïti ligt in Amerika, maar het maakt geen deel uit van de westerse wereld,’ zegt Osvaldo Concepción, een jezuïtische priester die sociale programma’s leidt in Dajabón. 

    Conservatieve Dominicaanse politici en denkers hebben geprobeerd om een Dominicaanse nationale identiteit te creëren die Spaans, wit en katholiek is, terwijl ze de grote Afrikaanse bijdrage aan de cultuur van de natie bagatelliseren of negeren, en bestempelen als Haïtiaans en on-Dominicaans.

    De rivier de Massacre, die de meest noordelijke grens tussen de twee naties vormt, is vernoemd naar een van de bloedigste gevechten

    In de achttiende eeuw vochten rivaliserende Franse en Spaanse kolonisten hevige gevechten uit om de heerschappij over Hispaniola. De rivier de Massacre, die de meest noordelijke grens tussen de twee naties vormt, is vernoemd naar een van de bloedigste gevechten. 

    Haïti, met een door slaven aangedreven suikereconomie, was de rijkste kolonie van Frankrijk. Een slavenopstand leidde in 1804 tot de stichting van Haïti, de eerste zwarte republiek ter wereld. Europese landen en de VS weigerden in eerste instantie om de republiek te erkennen. Ze waren geschokt dat slaven de macht konden grijpen en bang dat de opstand zich zou verspreiden.

    GettyImages 2056673663 1
    Een politiebureau in de buurt van de luchthaven van Port-au-Prince, na het uitbreken van vuurgevechten tussen bendeleden, de politie en het leger. – © Getty Images

    Frankrijk erkende de onafhankelijkheid van Haïti pas in 1825 en alleen in ruil voor de betaling door Haïti van een schadeloosstelling van 150 miljoen frank, een enorm bedrag in die tijd dat de Fransen rechtvaardigden als een vorm van herstelbetalingen. Later verlaagden ze het bedrag, maar armoede en onenigheid hadden de ontwikkeling van de nieuwe staat al ernstig belemmerd. 

    In de twintigste eeuw werd Haïti gedomineerd door François Duvalier, die in 1957 tot president werd gekozen en zichzelf zeven jaar later uitriep tot ‘president voor het leven’. Duvalier, een arts die bekendstond als ‘Papa Doc’, vermoordde en martelde duizenden mensen en stal miljoenen. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Jean-Claude ‘Baby Doc’ Duvalier, die het land ontvluchtte en naar Parijs vertrok na een volksopstand in 1986. 

    Ook de Dominicaanse Republiek heeft haar portie bloedige dictators en buitenlandse interventies gehad. In de twintigste eeuw vermoordde de Dominicaanse dictator Rafael Leónidas Trujillo, die regeerde van 1930 tot zijn moord in 1961, duizenden politieke tegenstanders. Hij gaf met name opdracht tot de massamoord op Haïtianen en Haïtiaanse Dominicanen die in het grensgebied woonden. Volgens historici werden twaalf- tot vijfentwintigduizend mannen, vrouwen en kinderen vermoord. 

    De Dominicaanse Republiek heeft zich geleidelijk ontwikkeld tot een dynamische economie met een stabiele democratie sinds de jaren negentig, toen het zich begon open te stellen voor buitenlandse handel en investeringen. Een van de belangrijkste veranderingen was de ontwikkeling van een levendige toerisme-industrie, waardoor de Dominicaanse Republiek een belangrijke Caribische bestemming werd voor Amerikaanse toeristen.

    In Haïti begon de laatste fase van onrust met de moord op president Jovenel Moïse in 2021. Door een gebrek aan buitenlandse en binnenlandse politieke steun en de zwakke greep op de macht van interim-premier Ariel Henry, een vierenzeventigjarige neurochirurg, raakte Haïti verzeild in een bendeoorlog. 

    De VN schatten dat de afgelopen jaren meer dan 160.000 mensen hun huizen in het grootstedelijk gebied van de hoofdstad hebben moeten verlaten vanwege het bendegeweld.

    De luchthavens werden vanwege de chaos gesloten en Henry kon deze maand niet terugkeren naar Haïti nadat hij Kenia had bezocht om de inzet van een vredesmacht te krijgen om de orde te herstellen. Hij zat vast in Puerto Rico nadat de Dominicaanse Republiek een Amerikaans verzoek om hem te ontvangen had geweigerd.

    Het bereik van de bendes is de afgelopen dagen in de hele hoofdstad toegenomen. ‘De cirkel is aan het sluiten,’ zegt Frédérique Jean-Baptiste, programmamanager kinderbescherming van Catholic Relief Services, een hulporganisatie. 

    De meeste scholen zijn gesloten en 86 ervan zijn noodonderkomens geworden voor inwoners die op de vlucht zijn voor geweld en plunderingen. Veel gezinnen zijn van elkaar gescheiden, sommigen zitten vast aan de ene kant van de belegerde stad terwijl anderen zijn verhuisd naar schuilplaatsen met slechte sanitaire omstandigheden, aldus Jean-Baptiste. Door wegblokkades kunnen watertrucks en voedselwagens de schuilplaatsen niet bereiken. 

    ‘Ik probeer een voorraad aan te leggen. De laatste keer dat ik de straat op ging om naar de supermarkt te gaan was een week geleden. Veel schappen in de supermarkten zijn nu leeg,’ zei Jean-Baptiste.

    Anti-Haïtiaanse sectoren

    De groeiende economie van de Dominicaanse Republiek heeft lange tijd laagbetaalde arbeiders uit Haïti aangetrokken, net zoals de VS dat hebben gedaan met hun zuiderburen. Maar nu dwingen de Dominicaanse autoriteiten honderden Haïtianen per dag om terug te gaan, zo blijkt uit overheidsgegevens. Vorig jaar werden bijna 225.000 Haïtianen uitgezet of uitgewezen, waaronder meer dan 640 zwangere vrouwen.

    Autoriteiten zeggen dat een derde van de bedden in door de staat gerunde kraamklinieken bezet wordt door Haïtianen. Hoewel wie in het land geboren wordt niet automatisch recht heeft op burgerschap, vrezen nationalistische sectoren dat de nationale identiteit zou kunnen verwateren. 

    ‘Er zijn anti-Haïtiaanse sectoren die de aanwezigheid van Haïtianen zien als een bedreiging voor de Dominicaanse identiteit,’ zegt Edwin Paraison, een voormalig Haïtiaans diplomaat die ambassadeur was in de Dominicaanse Republiek. 

    VN-functionarissen hebben er bij de Dominicaanse autoriteiten op aangedrongen om massale deportaties naar zo’n gevaarlijk land op te schorten. Abinader zei dat zijn regering haar grondwettelijke mandaat volgt. 

    Volgens Abinader is een van de grootste problemen van de Dominicanen om bij te houden wie precies de grens oversteekt, omdat slechts ongeveer 15 procent van de Haïtianen een ID-kaart of paspoort heeft.

    De Dominicaanse inlichtingendienst is een biometrisch systeem aan het ontwikkelen om Haïtianen die het land binnenkomen te identificeren en om vast te stellen of een van de gevangenen die deze maand ontsnapten tijdens de gevangenisuitbraak de grens over is gekomen. Tot nu toe is er nog niemand gevonden.

    In Dajabón houdt de grenspolitie toezicht op de 25.000 mensen die over een voetgangersbrug komen voor een tweewekelijkse markt, een labyrint van zo’n 2500 kraampjes waar basisvoedingsmiddelen worden verkocht die moeilijk verkrijgbaar zijn in Haïti. Op de terugweg dragen Haïtiaanse vrouwen vaak een zware last op hun hoofd.

    ‘Onze ergste nachtmerrie is dat ze de grenshandel sluiten,’ zegt Eddy Bravo, een Dominicaanse eigenaar van een marktkiosk. Op een goede dag kan hij tot 17.000 dollar aan basisgoederen verkopen, zoals meel of pasta. Maar de verkoop kan instorten op dagen van onrust aan Haïtiaanse zijde, wanneer wegen en toegang tot de grens vaak gesloten zijn, vertelt Bravo.

    Het hoofdkwartier van de grenspatrouille bevindt zich bij een voormalige verkeersbrug over de Massacre-rivier. Deze werd verwoest door een overstroming in 2017 en is nooit herbouwd. Een Dominicaanse vlag wappert boven een barrière van zandzakken. 

    Beneden kronkelt de nieuwe muur langs de Dominicaanse kant van de rivier terwijl mensen op de Haïtiaanse oevers kleren wassen, een bad nemen of rotsen en zand opgraven om als bouwmateriaal te gebruiken.

    Vlakbij, in de buurt van een andere grensbrug, stopte onlangs een gestage stroom roestige vrachtwagens in de verzengende hitte, elk met een blauw opschrift: Immigratiecontrole. Er klonken kreten in het Creools en de vingers van tientallen migranten die binnenkort het land worden uitgezet staken door de ventilatieroosters heen.

    ‘Helaas is Haïti een mislukte staat,’ zegt Santiago Riverón, de conservatieve burgemeester van Dajabón die bekendstaat om zijn cowboyhoeden. ‘De grensmuur is niet alleen een nationalistisch symbool. Vroeger hadden we een hardnekkig probleem met veediefstal. Ritselaars namen dertig tot vijftig koeien mee in één nacht. Dat gebeurt nu niet meer.’

    Onder de gedeporteerden is Arsen Telfo, een slanke man met betraande ogen die een dag eerder was aangehouden. ‘Ik werk al een paar jaar als arbeider op rijst- en bananenplantages sinds bendes mijn huis in Haïti in brand hebben gestoken,’ zegt hij. ‘Ik zal proberen zo snel mogelijk terug te keren.’

  • Onderzoek toont aan dat racisme toeneemt in Europa

    Onderzoek toont aan dat racisme toeneemt in Europa

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Israël woedend na uitspraken Guterres in VN-Veiligheidsraad

    » Tienduizenden vrouwen in IJsland staken om ongelijkheid

    Bijna de helft van de zwarte mensen rapporteert discriminatie

    Uit onderzoek onder 6.752 mensen van Afrikaanse afkomst in dertien EU-landen blijkt dat 45 procent discriminatie ervaart. In 2016 lag dit percentage op 39 procent. Dat schrijft The Guardian. Het racisme dat door het bureau van de Europese Unie voor de grondrechten aan het licht werd gebracht, komt voor in alle sectoren van het leven, zoals het onderwijs, de arbeidsmarkt, huisvesting en gezondheidszorg.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De respondenten van de enquête waren geboren in Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara of stamden af van immigranten van wie minstens één ouder in Afrika ten zuiden van de Sahara was geboren. De 13 landen die waren opgenomen in het onderzoek waren België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Polen, Portugal, Spanje en Zweden. Enkele van de slechtste resultaten kwamen uit Oostenrijk en Duitsland, waar extreemrechtse partijen in opmars zijn.

    Michael O’Flaherty, directeur van het bureau voor de grondrechten, dat de Europese Commissie adviseert over beleid, zei dat de resultaten in het rapport beschamend waren. ‘Het is schokkend om geen verbetering te zien sinds ons laatste onderzoek in 2016. Racisme en discriminatie horen niet thuis in onze samenleving. De EU en haar lidstaten moeten deze bevindingen gebruiken om ervoor te zorgen dat mensen van Afrikaanse afkomst vrij hun rechten kunnen uitoefenen.’

  • Ook in democratische landen worden mensen ingedeeld op huidskleur of afkomst

    Ook in democratische landen worden mensen ingedeeld op huidskleur of afkomst

    In democratische landen worden mensen nog altijd getagd, gelabeld of bestempeld op basis van hun huidskleur of afkomst. In Mexico is het palet wel erg uitgebreid. ‘Hoe leggen we deze figuren uit dat er witte Latijns-Amerikanen, Duitsers met een donkere huid en Europese moslims bestaan?’

    ‘Kom binnen, güerita, wat zal het zijn, wat is er van je dienst?’ Het woord güera/o wordt niet in alle landen gebruikt, maar in het mijne, Mexico, worden er blonde personen of personen met een witte huid mee bedoeld. De enige uitzondering zijn de marktkooplieden, die de gewoonte hebben iedere vrouw güerita (‘blondje’) te noemen, of ze er nou uitziet als een Barbie met platinablond haar of een chocoladekleurige huid heeft. Ik neem aan dat deze gewoonte oorspronkelijk een vorm van vleierij was, want eeuwenlang, en nog steeds, worden mensen met een lichte huid gezien als mensen met macht, als bazen en eigenaren. Als je op de markt in Mexico deel uitmaakt van de clientèle ben je dus vanzelf güerita

    Deze merkwaardige uitzondering daargelaten beschikt de Mexicaanse kleurenwaaier, net als die in andere landen van Latijns-Amerika, over enkele hulpmiddelen om onze kleurverschillen aan te geven, waarbij de lichte huid, die wij ‘wit’ noemen, altijd als vertrekpunt geldt. Wie over een lichte huid beschikt is güera/o, al ben je óók güera/o als je al dan niet geverfd blond haar hebt. En van wit naar boven – of naar beneden, het is maar hoe je het bekijkt – beschrijven de mensen zichzelf aan de hand van bepaalde schakeringen: je kunt een gezonde roze, een tarwekleurige, een kastanjebruine of een gebronsde huidskleur hebben. Het woord moreno wordt doorgaans afgezwakt met de toevoeging ‘licht’. Met de donkere huid heeft men meer moeite, vandaar dat de verkleinvorm wordt gebruikt: de pasgeboren baby is morenito; net iets donkerder en het wordt prietito, en alleen iemand met een heel donkere huid is mulato. In bepaalde kringen, met name als je behoort of wilt behoren tot een sociaal-economische of culturele middenklasse of bovenlaag, typeren maar weinigen zichzelf als moreno of ‘zwart’. Nu ja, in grappen en beledigingen komt het woord ‘zwart’ veelvuldig voor.

    Ik ben opgegroeid in een geschoold arbeidersgezin in het Mexico van de jaren zeventig en ging dus op de markt door voor güerita, op school – een nonnenschool met veel meisjes uit Spaanse gezinnen – voor wit, en bij de kapper voor kastanjebruin. Eigenlijk ben ik het een noch het ander, ik ben wit noch güera: ik heb donker kastanjekleurig haar en een kaneelkleurige huid. Maar in de denkbeeldige klasse uit mijn kindertijd en jeugd was ik een wit Mexicaans meisje dat op een particuliere school zat, een buitenlandse naam had en bovendien Engels sprak. 

    Brown, white en latina

    Om te profiteren van die twee laatste eigenschappen pakte ik in 2004 mijn biezen en ging in de Verenigde Staten wonen. Eenmaal in Los Angeles duurde het geen jaar voor het tot me doordrong dat ik helemaal niet was wat ik dacht dat ik was en dat ik ook nog eens van alles was waarvan ik me niet bewust was. Al stond het in mijn Mexicaanse paspoort – in die tijd werd in je paspoort je huidskleur vermeld –, wit was ik niet, want in de VS is white voorbehouden aan Angelsaksische Noord-Amerikanen. Ik was niet güera, wat dat staat gelijk aan blonde, en ik heb mijn haar nooit willen blonderen. Ik had niet langer een buitenlandse naam – al bleven ze hem bij Starbucks verkeerd spellen – en wat ik beschouwde als een behoorlijk goed niveau Engels viel vies tegen, want één ding is films zonder ondertiteling begrijpen, schrijven over het uitgavenbudget van Californië is andere koek. Wat nog het meeste indruk op me maakte was dat het feit dat ik Mexicaans was niet zo belangrijk leek, want toen ik in de Verenigde Staten kwam, veranderde ik prompt in ‘brown’ en in ‘latina’: Brown, immigrant, latina, who writes in Spanish and speaks English with a funny heavy accent.’

    Yup, that was me.

    Terwijl ik bezig was me een nieuwe identiteit aan te meten, had ik vooral moeite om de vinger achter het etiket ‘latina’ te krijgen. Strikt genomen is iedereen latino – voornamelijk mensen afkomstig uit Europa en Midden- en Zuid-Amerika – die een van het Latijn afgeleide taal spreekt. Spanjaarden, Italianen en Fransen zijn dus latinos, en natuurlijk ook Mexicanen, Colombianen, Argentijnen en Peruanen. En omdat we met zovelen zijn kwam iemand op het idee om de latinos van het Amerikaanse continent onder één noemer te brengen en ons Latijns-Amerikanen te noemen. Tot zover is het min of meer duidelijk. Het wordt pas problematisch als het etiket daadwerkelijk wordt gebruikt.  

    Alle hispanos zijn latinos, maar niet alle latinos zijn hispanos

    In het dagelijks leven van de Verenigde Staten gebruikt men ‘latino’ voor iedereen die uit een Latijns-Amerikaans land afkomstig is. De bepaling ‘Amerikaans’ wordt uiteraard weggelaten, want degenen die in de VS wonen beschouwen alleen zichzelf als Amerikanen. (Bolívar draait zich om in zijn graf.) ‘Latino’ wordt ook gebruikt als synoniem voor ‘brown’: je bent ‘moreno’, je bent ‘latino’. En het wordt door elkaar gehaald met ‘hispano’, wat de benaming is voor degenen die afkomstig zijn uit landen die het Spaans als officiële taal hebben: alle hispanos zijn latinos, maar niet alle latinos zijn hispanos. Op officiële papieren vallen beide categorieën onder het kopje ‘etnische groepering’. 

    Wat het kopje ‘race’ betreft bieden genoemde formulieren vier opties: wit, zwart, Aziatisch of Native American, die laatste om de inheemse volkeren van het continent aan te duiden. Wat een onzin, opnieuw. Want ik ben niet wit, maar ook niet zwart of een van de andere opties. Als het om kleur gaat past brown me het best. Maar brown geldt als synoniem van latino, wat een etnische categorie is. Toen ik in 2010 mijn bedenkingen kenbaar maakte aan de mensen van het Census Bureau, opperden ze om Race: white. Ethnicity: latinain te vullen. Maar hoor eens: in dit land ben ik zelfs op de markt niet white

    Nationalisme en witte suprematie

    Als het voorgaande niet genoeg is om iemand in zijn identiteit te laten verstrikken, zal ik je vertellen wat me overkwam toen ik na 17 jaar Verenigde Staten besloot in Spanje te gaan wonen. Het eerste wat ze vragen als ze horen waar ik vandaan kom, is wat ik vind van de Amerikaanse politiek. Ik zou kunnen antwoorden: van welke van de 35 landen van Amerika? Ik doe het niet, want ik weet best wat ze bedoelen: Amerikanen, dat zijn de inwoners van de VS (Bolívar draait zich nog eens om). Ze zeggen toch dat zij, de Spanjaarden, Amerika, de Amerikanen dus, hebben ‘veroverd’? Denken ze soms dat Hernán Cortés tot Manhattan is gekomen? Maar het mooiste komt nog: als met ‘Amerikanen’ de inwoners van de Verenigde Staten worden bedoeld, wat zijn wij dan? Het antwoord: latinos. In Spanje gebruiken de Spanjaarden, dus de oorspronkelijke latinos die ons een Latijnse/Romaanse taal hebben opgelegd, het woord ‘latino’ om ons, de Mexicaanse, Ecuadoriaanse of Peruaanse immigranten, aan te duiden. En de Spanjaarden? Dat zijn witte Europeanen. 

    Het punt is dat deze Europeanen die Spaans spreken, en in veel gevallen niet blond zijn en ook geen blauwe ogen hebben, als ze in de Verenigde Staten aankomen, etiketten krijgen opgeplakt als immigrant, latino, en in sommige gevallen brown. Ook al zijn ze geboren in Europa. Ook al beheersen ze het Engels. Kunt u zich de verwarring voorstellen?

    Welkom in mijn wereld.

    Aan welke kant van de Atlantische Oceaan je je ook bevindt, nationalisme en witte suprematie plegen de troef van de kleurenkaart te spelen: zeg me hoe donker je huid is en ik zal je zeggen hoe weinig je waard bent voor je land en je samenleving. Dat is hetzelfde in Mexico ten aanzien van de inheemse bevolking uit Oaxaca of van immigranten uit Honduras of Haïti, en in de Verenigde Staten als er sprake is van Mexicanen, Midden-Amerikanen of Afro-Amerikanen, en in Spanje als er mensen ten Zuiden van de Sahara, moros oftewel Noord-Afrikanen of zigeuners in het spel zijn: in het dagelijks leven word je onophoudelijk geconfronteerd met uitingen van latent of expliciet, niet-aflatend, heftig racisme, waarin het wemelt van de etiketten. En dat in landen die er prat op gaan tot het democratische deel van de wereld te horen.

    Hoe kunnen we de diversiteit begrijpen als het onszelf al zo’n moeite kost om te weten wat wij zijn?

    Ik schrijf dit vanuit Barcelona, een paar uur na de Spaanse verkiezingscampagne die uiteindelijk in de media werd gedomineerd door een racistische belediging aan het adres van een zwarte voetballer, die ‘aap’ werd genoemd. Na afloop van de gemeenteraadsverkiezingen bleken rechts en extreemrechts in het hele land belangrijke winst te hebben geboekt, zowel wat het aantal zetels als het aantal gemeenten betreft. Heel wat leden van die partijen zinspelen heimelijk of zelfs openlijk op hun witte huid of Europese afkomst als een van de waarden die hun programma voorstaat. 

    En hier wordt het opnieuw ingewikkeld. Hoe leggen we deze figuren uit dat er witte Latijns-Amerikanen, Duitsers met een donkere huid, Europese moslims, latinos die Spaans noch Amerikaans zijn of niet-nationalistische witten bestaan, als het ons soms moeite kost de anderen én onszelf te zien als zwarte Latijns-Amerikanen, als Noord-Amerikanen die Spaans spreken, als Latijns-Europeanen, als niet-witte Spanjaarden, als niet-Noord-Amerikaanse Amerikanen, als Native Americans? Hoe kunnen we de diversiteit begrijpen en recht doen als het onszelf al zo’n moeite kost om te weten – of te accepteren – wat wij zijn? 

  • Waarom onze angst om opgelicht te worden schadelijk is

    Waarom onze angst om opgelicht te worden schadelijk is

    De angst om bedrogen te worden kan zo groot worden dat hij tot wantrouwen leidt en onze besluitvorming beïnvloedt. Dit kan zelfs bijdragen aan de versterking van discriminatie en racisme, beweert hoogleraar in de rechten Tess Wilkinson-Ryan.

    In 2007 bedachten drie experimenteel psychologen, enigszins ironisch, het begrip sugrophobia, ‘sugrofobie’, wat je zou kunnen omschrijven als de ‘angst om de sukkel te zijn’. Onderzoekers Kathleen Vohs, Roy Baumeister en Jason Chin zochten een term voor de bekende en specifieke angst die mensen ervaren als ze het idee hebben de sukkel te zijn – de angst dat iemand ze belazert, mede door hun eigen toedoen. Het idee dat psychologen sukkels aan academisch onderzoek zouden onderwerpen lijkt in eerste instantie bijna belachelijk. Maar als je er eenmaal naar op zoek gaat, wordt duidelijk dat sugrofobie niet alleen echt bestaat, maar zelfs een ware epidemie is. De invloed ervan reikt van individuele keuzes die we maken tot maatschappijbrede opvattingen die wantrouwen en discriminatie zaaien.

    Alleen al het aantal synoniemen voor sukkel duidt op een culturele obsessie: kluns, dwaas, onnozele, oen, loser enzovoort. Publieke debatten over allerlei sociale beleidsmaatregelen en technologische ontwikkelingen worden gekenmerkt door de sluimerende angst over de vraag wie de volgende is die opgelicht zal worden. Gaat ChatGPT studenten helpen om nietsvermoedende leraren op te lichten? Is werken op afstand sinds de pandemie populair omdat werknemers er dan gemakkelijker de kantjes vanaf kunnen lopen? Zorgt het kwijtschelden van studieschulden ervoor dat ‘luie barista’s’ hardwerkende belastingbetalers uitbuiten, zoals een Amerikaanse politicus opperde?

    De angst om bedrogen te worden kan zo veel afkeer oproepen dat hij het rationele denken overstijgt

    Sugrofobie is meer dan alleen de angst om belazerd te worden. De hoeveelheid ponzischema’s of Enron-achtige scenario’s om in verwikkeld te raken is beperkt, en de meeste mensen zullen nooit in een fraudezaak belanden waarin er veel op het spel staat. Toch komt het gevoel een sukkel te zijn – en de angst voor dat gevoel – veel voor. Als je lunch meer kost dan je had verwacht, als je collega zich voor de derde keer deze maand ziek meldt, als je die aandringende automobilist op de vluchtstrook voor laat gaan: in zulke tamelijk onbeduidende situaties hebben veel mensen een gevoel van zelfverwijt: ‘Wacht even, ben ik nu de sukkel?’ De angst om bedrogen te worden kan zo veel afkeer oproepen dat hij het rationele denken overstijgt en iets onbewusters en intensers wordt: een echte fobie.

    Oplichterij

    Het is logisch om op je hoede te zijn voor oplichterij: je moet geen spammails beantwoorden, hoe graag je ook een prins zou willen helpen om miljoenen uit een trustfonds te halen. Maar buitensporige scepsis brengt ook kosten met zich mee, zowel voor jezelf als voor de maatschappij. Diverse voorbeelden uit de psychologie en de gedragseconomie kunnen ons helpen die kosten te begrijpen. Op persoonlijk niveau kan de angst om bedrogen te worden iemand aanmoedigen om risico’s te mijden en zodoende samenwerkingen uit de weg te gaan die essentieel kunnen zijn om iets nieuws te ondernemen. Op systeemniveau is de prijs van wantrouwen nog hoger: de angst om opgelicht te worden kan een excuus worden om solidariteit af te wijzen en mensen verdacht te maken. Als hier op grote schaal sprake van is, draagt dit bij aan de instandhouding van groepsstereotypen – over wie te vertrouwen is en wie in de gaten moet worden gehouden – en de versterking van traditionele klasse-, ras- en genderhiërarchieën op een manier die we eigenlijk niet willen.

    Horizon7
    Een vrachtwagen op Pennsylvania Avenue in Washington D.C. noemt president Donald Trump een loser.– © Getty Images

    Er zijn tal van voorbeelden die laten zien dat de afkeer van het idee bedrogen te worden onze besluitvorming beïnvloedt, ook als we er niets nuttigs mee bereiken. Veel bewijs voor deze afkeer wordt geleverd door experimentele economische studies die proberen menselijke transacties tot de essentie terug te brengen. Dat helpt onderzoekers om andere verklaringen voor wat ze observeren uit te sluiten. De studies betreffen doorgaans experimentele spellen met echte prikkels – deelnemers kunnen afhankelijk van de uitkomst daadwerkelijk geld verdienen of verliezen, maar de spelers ontmoeten elkaar niet, noch kennen ze elkaars identiteit. Aan de transacties zijn geen daadwerkelijke sociale gevolgen verbonden. Dit stelt onderzoekers in staat de volgende vraag te stellen: als niemand erachter komt wat er tijdens een interactie is gebeurd, en als er geen precedent wordt geschapen of voorbeeld wordt gesteld, reageren mensen dan nog steeds overmatig op het risico om opgelicht te worden?

    Het vertrouwensspel

    Dat brengt ons bij de Trust Game, het vertrouwensspel. Dit is een eenvoudig experiment waarbij spelers aan elkaar gekoppeld worden om een korte reeks transacties uit te voeren. Eén speler wordt aangewezen als investeerder. Deze begint het spel met bijvoorbeeld 10 dollar en moet een keuze maken: hoeveel maakt hij eventueel over aan de andere speler (de ‘beheerder’)? Het bedrag dat hij overmaakt wordt automatisch vermenigvuldigd. Zodra de beheerder weet hoeveel hij heeft ontvangen, verricht hij de laatste actie: hij beslist hoeveel geld hij eventueel teruggeeft aan de investeerder. 

    Het is duidelijk waarom dit een vertrouwensspel wordt genoemd: beide spelers zijn beter af als ze goed samenwerken en gul geld overmaken – wat ze vaak ook doen. Maar de eerste stap van de belegger is riskant: die kan al of bijna al het geld weggeven en er vervolgens weinig of niets voor terugkrijgen. Het risico dat je je een sukkel zult voelen is duidelijk aanwezig.

    In het vertrouwensspel en in de echte wereld schrikt het vooruitzicht een sukkel te worden mensen af

    In de loop der jaren is er weleens betoogd dat terughoudende beleggers niet zozeer angst voelen om de sukkel te zijn, maar gewoon rationeel risicomijdend zijn. De psychologen Daniel Effron en Dale Miller probeerden dat na te gaan door een slimme draai aan het spel te geven. In hun versie konden beleggers ofwel 10 dollar overmaken, of niets. Als de investeerder ervoor koos om geld over te maken, werd het vermenigvuldigd en kon de beheerder ofwel 15 dollar (de helft van het uiteindelijke bedrag, een eerlijk rendement) of 8 dollar (een mager rendement) teruggeven. (Het onderzoek betrof valuta gebaseerd op punten, maar voor het gemak gebruik ik hier dollarbedragen.) Sommige investeerders werd verteld dat het bedrag dat de tegenpartij terug zou geven willekeurig zou worden bepaald, op basis van een door de computer gegenereerd getal. Andere beleggers kregen te horen dat de tegenpartij zelf die beslissing zou nemen. In beide gevallen werd tegen de investeerders gezegd dat de kans op een oneerlijk rendement 30 procent was. Sommigen liepen risico op verlies omdat de beslissing van de computer voor hen slecht uitpakte; anderen hadden een even grote kans om te verliezen vanwege een onbetrouwbare tegenpartij. De vraag was: hoeveel van hen zouden ervoor kiezen om hun 10 dollar over te maken?

    Horizon6
    Charles Ponzi neemt zijn hoed af als hij de gevangenis verlaat in Charleston, South Carolina. – © Getty Images

    De spelers hadden elkaar nooit ontmoet, dus er stonden geen reputaties op het spel. Het risico vóélde in beide gevallen alleen anders, omdat samenwerken met een egoïstische persoon jou tot de sukkel zou maken. Toen de onderzoekers de deelnemers vroegen naar hun risicoberekening, was het element van zelfverwijt een overweging die opviel. De deelnemers voorzagen dat ze zichzelf zouden beschuldigen van misplaatst vertrouwen.

    In het vertrouwensspel en in de echte wereld schrikt het vooruitzicht een sukkel te worden mensen af. Het is een waarschuwing om niet te delen, niet samen te werken, niet mee te doen. In risicovolle financiële scenario’s is duidelijk wat er op het spel staat; iedereen houdt daar rekening mee, wat de situatie ook mag zijn. De angst om de sukkel te zijn is een automatisme. Maar soms kan het ‘sukkelframe’ een retorische keuze zijn, een wapen dat gebaseerd is op sugrofobie.

    Slang

    Toen Donald Trump zich kandidaat stelde voor het presidentschap in 2016, herhaalde hij voortdurend een fabeltje dat uit een oud liedje afkomstig is. Het is het verhaal van een vrouw die een bibberende en hongerige slang op haar pad vindt. ‘Help me, goede vrouw,’ smeekt de slang, net zolang tot ze toegeeft – waarop de slang haar prompt een dodelijke beet toedient. Als ze klaagt over haar onverdiende lot, snauwt de slang: ‘Je wist donders goed dat ik een slang was voordat je me in huis nam.’ 

    De fabel is afkomstig van een lied over burgerrechten uit de jaren zestig (The Snake van Oscar Brown Jr.), maar werd door Trump gebruikt met een heel ander doel: om Amerikanen erop te wijzen dat ze te laks waren op het gebied van immigratie. De fabel was bedoeld om steun aan vluchtelingen op grond van mensenrechten af te wijzen en suggereerde dat Amerikanen die dachten dat het een morele verplichting was om op humanitaire gronden asiel te verlenen, werden bedrogen: je dacht een heilige te zijn, maar je bent eigenlijk gewoon een sukkel. Het doel was om een wig te drijven tussen Amerikanen en hun medelevende instincten, en om de onderbuikgevoelens op te wekken die horen bij het risico om bedrogen te worden.

    Verhalen over sukkels zijn een kernonderdeel van de sociale constructie van ‘de anderen’

    De neiging die mensen over het algemeen hebben om waakzamer te zijn tegen uitbuiting door buitenstaanders en ambitieuze mensen dan tegen uitbuiting door hen die daadwerkelijk de macht hebben om kwaad te doen, laat zich deels verklaren door de angst voor sociale degradatie. Werknemers die werkgevers zouden bedriegen, of studenten die leraren zouden foppen: vooral dergelijke angsten springen eruit, omdat ze de basisstructuur van de macht ondermijnen.

    In feite zijn verhalen over sukkels een kernonderdeel van de sociale constructie van ‘de anderen’. Psycholoog Jim Sidanius stelt dat elke menselijke samenleving groepscategorieën creëert en zichzelf daarin onderbrengt. In hun boek Social Dominance uit 1999 schrijven Sidanius en zijn collega Felicia Pratto dat ‘groepsvooroordelen, stereotypen en ideologieën van groepssuperioriteit en -inferioriteit deze op groepen gebaseerde sociale hiërarchie helpen produceren en er ook een weerspiegeling van zijn’. Eenvoudiger gezegd: het doel van discriminatie is macht.

    Straattaal

    Om te zien hoe de retoriek van oplichting bijdraagt aan vervreemding tussen groepen, hoef je alleen maar te kijken naar straattaal voor ‘bedrogen worden’. Een verbluffend aantal synoniemen heeft zijn wortels in racisme, antisemitisme, xenofobie of misogynie. Het beledigende Engelse werkwoord to gyp is een verwijzing naar een wijdverbreid stereotype over Roma. (Het scheldwoord verwijst naar ‘Egyptisch’, en is niet alleen onvriendelijk maar ook onjuist: Roma kwamen uit Noord-India). Als iemand bij een deal wordt beschuldigd van welching, is dat een toespeling op verhalen over onbetrouwbare Welshe gokkers op de renbaan. En vanzelfsprekend bestaat er een lange lijst met woorden voor vrouwen die doen alsof het om liefde gaat terwijl ze eigenlijk op geld uit zijn: die beginnen bij ‘golddigger’ en worden gaandeweg erger.

    Horizon5
    Een zakkenroller aan het werk in 1940. – © Getty Images

    Sidanius en Pratto noemen de verhalen die verteld worden over wie wat verdient de ‘legitimerende mythes’ van sociale overheersing: ze bieden morele en intellectuele rechtvaardiging voor sociale ongelijkheid. Het zijn verhalen als: ‘Deze mensen willen je vrienden niet zijn; ze willen alleen maar je spullen afpakken.’ Of: ‘Ze hebben helemaal geen hulp nodig, maar proberen gewoon je baan in te pikken.’

    Stereotypen

    Onderzoek naar stereotypen, vooral over vrouwen en mensen van kleur, suggereert dat een belangrijke ‘legitimerende mythe’ van sommige sociale hiërarchieën erop neerkomt dat er minder sprake is van discriminatie dan historisch gemarginaliseerde groepen graag beweren. Oftewel: ‘Ze worden niet gediscrimineerd, maar willen gewoon “speciale gunsten”.’

    Psychologen houden zich al langer bezig met het meten van vooroordelen. Vanaf de jaren zeventig ontwikkelden onderzoeksteams schalen om raciale vooroordelen mee te meten, door specifiek te kijken naar tegenstand tegen zwarte sociale macht en economische voorspoed. De onderdelen op de hieruit voortkomende Modern Racism Scale moesten ‘verborgen’ racisme zo goed mogelijk in kaart brengen – niet alleen botte vijandigheid, maar ook iets wat dichter bij rancune ligt. De opvattingen die hedendaags racisme in de VS kenmerken zijn op deze manier treffend – en hard – samengevat:

    ‘Van discriminatie is niet langer sprake aangezien zwarte mensen buitensporige eisen blijven stellen voor veranderingen in de status quo – eisen die oneerlijk zijn, omdat zwarte mensen al alle rechten hebben die ze nodig hebben. Daarom is de aandacht die zwarte mensen krijgen van de overheid en andere instellingen onverdiend: dit creëert een ‘voorkeursbeleid’.’ Twee aanvullende stellingen zijn: de bovengenoemde overtuigingen zijn empirische feiten; mensen die deze overtuigingen onderschrijven, zijn dus niet racistisch.’

    Het onderzoek suggereert, met andere woorden, dat een belangrijke uiting van racisme de overtuiging is dat wanneer zwarte mensen protesteren tegen discriminatie, ze eigenlijk samenzweren om macht te verwerven die ze niet verdienen. Zo bezien worden mensen die klachten over discriminatie serieus nemen dus voor de gek gehouden.

    Solidariteit en samenwerking is het juiste antwoord op ongelijkheid

    Vergelijkbare verhalen duiken op in psychologische studies over vrouwenhaat. Onderzoekers hebben ontdekt dat de neiging tot discriminatie op basis van geslacht samenhangt met seksistische opvattingen als: ‘Vrouwen overdrijven problemen die ze op hun werk hebben.’ En: ‘Veel vrouwen zijn eigenlijk op zoek naar speciale gunsten, zoals een sollicitatiebeleid dat hen bevoordeelt ten opzichte van mannen, onder het mom van een pleidooi voor “gelijkheid”.’

    Deze afkeer van een speciale behandeling is een vorm van vooringenomenheid die berust op een automatische reactie: als je oplichting waarneemt, verwerp je de oplichters. Als leden van een gemarginaliseerde sociale groep worden gezien als mensen die oprecht om gelijkheid vragen, dan doen ze een diep morele oproep die je moeilijk kunt verwerpen. Moreel en intuïtief gezien is solidariteit en samenwerking dan het juiste antwoord op ongelijkheid. Maar als deze mensen in plaats daarvan worden gezien als mensen die om ‘speciale gunsten’ vragen, ontstaat er een moreel voorbehoud om ze te geven wat ze willen. En als men denkt dat ze om een speciale behandeling vragen maar doen alsof ze alleen maar gelijkheid willen, dan lijkt dat op oplichterij en is het een reden om ze meteen af te wijzen.

    De sukkel is een kneedbaar concept. Het menselijke sociale leven is ingewikkeld en mensen zijn geneigd het geschiktste of aantrekkelijkste verhaal te geloven over wie de sukkel is en wat oplichterij is. Door de angst om de sukkel te zijn te bestuderen – of zelfs maar te benoemen – kunnen we de strijd aangaan met dit concept, dat zijn verderfelijkste werk doet wanneer niemand oplet. 

    Lees ook:

  • ‘Sla hard toe’. Zo werkt China’s campagne om de Oeigoeren te onderdrukken

    ‘Sla hard toe’. Zo werkt China’s campagne om de Oeigoeren te onderdrukken

    De Oeigoerse dichter Tahir Hamut Izgil werd meerdere malen door de Chinese politie gearresteerd. Om aan vervolging te ontkomen vluchtte hij naar de Verenigde Staten. In zijn autobiografie Wachten op mijn arrestatie in de nacht laat hij zien hoe China de Oeigoeren in het land constant in de gaten houdt en intimideert. Een fragment.

    Ik blijf terugkeren naar de eerste dag van het jaar 2013.

    Die avond werd ik onverwachts opgebeld door Ilham Tohti, een hoogleraar economie van de Centrale Universiteit voor Nationaliteiten in Beijing. Het was jaren geleden dat we elkaar hadden gesproken. Hij zat in een Oeigoers restaurant achter de universiteit, waar hij het nieuwe jaar vierde met een wederzijdse vriend uit Beijing.

    Na het uitwisselen van beleefdheden zei Ilham: ‘Xi Jinping heeft de macht naar zich toe getrokken. Voor ons gaat het dus beter worden. Verlies de moed niet, en geef aan onze vrienden in Ürümqi maar door dat ze optimistisch mogen zijn.’ Ilham was heel opgewekt. Toen hij zei dat het beter zou gaan met ons doelde hij op de politieke omstandigheden van de Oeigoeren. Die waren in het recente verleden snel verslechterd.

    Op dit moment is volstrekt duidelijk hoe absurd het was om van Xi Jinping iets te verwachten wat positief uit zou pakken voor de Oeigoeren, maar indertijd leefde die hoop wel bij veel Oeigoerse intellectuelen. Ook onder Han-intellectuelen waren er mensen die verwachtten dat Xi relatief progressief zou zijn. De Chinese politiek is zo ondoorzichtig dat er over de politieke opvattingen van nieuwe leiders alleen maar gespeculeerd kan worden.

    Xi’s vader Xi Zhongxun was kort nadat de Partij aan de macht was gekomen de hoogste functionaris in het noordwesten van China geweest, en had kritiek geuit op het repressieve beleid van de Partij in Xinjiang. Oeigoerse intellectuelen wilden maar al te graag geloven dat Xi Jinping op dit gebied de voetstappen van zijn vader zou drukken. Het was een uit wanhoop geboren hoop, de droom van een gehavende gemeenschap over een betere behandeling door haar koloniale overheersers.

    Ilham Tohti

    Ik had aan het begin van de jaren negentig kennisgemaakt met Ilham Tohti. Aan het Centrale Instituut voor Nationaliteiten, zoals de naam toen nog luidde, was ik bezig met het afronden van het eerste deel van mijn studie. Ilham deed een master economie. Hij was een enorm energieke, spraakzame man, die heel snel praatte, alsof zijn hoofd vol gedachten zat en hij die in de hoogste versnelling onder woorden wilde brengen. Als we elkaar op de campus tegen het lijf liepen begon hij meteen opgewonden te praten. En als hij eenmaal bezig was, was hij bijna niet meer te stuiten, vooral als het over zijn favoriete onderwerp ging, de economie en demografie van de regio waar de Oeigoeren woonden. Later zou Ilham een van de meest vooraanstaande Oeigoerse dissidente intellectuelen worden. Rond 2005 zette hij een website in het Chinees op, waarop hij artikelen zette waarin hij de rechten van Oeigoeren verdedigde. Hij betoogde dat de Chinese overheid zich in Oeigoers gebied niet aan haar officiële autonomiebeleid hield, dat het Productie- en Constructiekorps in Xinjiang functioneerde als een wetteloze staat binnen de staat, dat door de snelle instroom van Han-kolonisten de inheemse bevolking een minderheid in eigen land aan het worden was, dat er onder de Oeigoeren een enorme werkloosheid was en dat in het onderwijs het Oeigoers was gemarginaliseerd.

    Een van de belangrijkste doelstellingen van zijn website was het aanmoedigen van een gezonde dialoog tussen Oeigoeren en Han-Chinezen en het versterken van een goede verstandhouding tussen de twee etnische groepen. De website trok veel gelijkgestemde intellectuelen en studenten aan, Oeigoeren, Han-Chinezen en anderen, en kreeg ook in het buitenland steeds meer invloed. Mijn neef had me verteld over de site. Hij zei dat veel jonge Oeigoeren actief bijhielden wat erop werd gezet en dat ze daar vaak over discussieerden.

    Het zal geen verwondering wekken dat Ilham Tohti’s dissidente opvattingen de aandacht trokken van de Chinese overheid. De politie nodigde hem vaak uit ‘op de thee’, een eufemisme voor een informele waarschuwing of een verhoor. In bepaalde gevoelige perioden, zoals de Spelen van 2008 of wanneer westerse leiders op bezoek kwamen in Beijing, stuurde de politie het gezin van Ilham een maand ‘op vakantie’. In 2009 zei de overheid dat Ilham verantwoordelijk was voor het geweld van juli dat jaar in Ürümqi. Hij en zijn gezin verdwenen. Men ging ervan uit dat Ilham was gearresteerd. Maar na anderhalve maand informele hechtenis in een buitenwijk van Beijing mochten ze weer naar huis. Ondanks dit alles ging Ilham ervan uit dat de overheid hem niet formeel zou arresteren of gevangenzetten. Per slot van rekening gaf hij college aan een universiteit in de hoofdstad. Hij vond ook dat hij met zijn kritiek volledig binnen de wet bleef. En dat het gezin in Beijing geregistreerd stond was ook bevorderlijk voor zijn gemoedsrust. Het behoeft geen betoog dat het politieke klimaat in de hoofdstad heel anders was dan in Xinjiang. Als hij daar dit soort activiteiten had ontplooid, zou hij allang gearresteerd zijn.

    Arrestatie

    Maar het pakte toch anders uit dan hij had gedacht. Medio januari 2014 hoorden we in Ürümqi dat Ilham was opgepakt in Beijing. Ik vroeg welke eenheid van de politie dat had gedaan en hoorde dat het mensen uit Ürümqi waren geweest.

    Het was niet normaal dat rechercheurs uit Ürümqi een afstand van meer dan 2500 kilometer aflegden om een hoogleraar aan een universiteit in Beijing te arresteren. Normaal gesproken had de politie van Beijing dan jurisdictie. Dat de politie van Ürümqi erop af werd gestuurd betekende dat de beslissing om Ilham te arresteren op het hoogste niveau was genomen. Niet lang daarna hoorden we dat rond dezelfde tijd een aantal studenten van Ilham waren verdwenen. Waarschijnlijk waren ze gearresteerd. Anders gezegd: het zag er niet best uit.

    Ik schrok van de arrestatie van een intellectueel die alleen maar de overheid had opgeroepen om zich aan haar eigen wetten te houden. Daardoor kreeg ik het sombere voorgevoel dat het met de Oeigoerse intelligentsia als groep helemaal de verkeerde kant op ging. Om toch wat te doen tegen het naderende gevaar stak ik een paar uur in het controleren van alle bestanden op mijn laptop en de computer die ik op mijn werk gebruikte en wiste alle bestanden, videobeelden, opnamen en foto’s die de politie mogelijk kon aangrijpen om me te arresteren. Ik gaf iedereen bij ons op kantoor opdracht hetzelfde te doen. Niet lang daarvoor was ik al surfend op het internet Charter ’08 tegengekomen, een manifest waarin Nobelprijswinnaar Liu Xiaobo en anderen een oproep deden voor democratie en burgerrechten in China. Na het lezen besloot ik het in het Oeigoers te vertalen, maar omdat ik het nergens kon publiceren had ik het maar op mijn computer laten staan. Een paar jaar geleden had ik van een vriend een Word-bestand gekregen met een Chinese vertaling van Xinjiang: China’s Muslim Borderland, een bundel wetenschappelijke artikelen uit de Verenigde Staten en elders. De politieke afdeling van het Volksbevrijdingsleger had het boek in het Chinees vertaald, waarschijnlijk om mensen er intern kennis van te laten nemen. Omdat de overheid de toegang tot informatie vanuit het buitenland strikt reguleerde wilde ik heel graag alle mogelijke buitenlandse informatie over Oeigoeren en ons land in handen krijgen, en dus las ik het boek wel drie keer. Ik had ook de pdf van een in Tainwan gepubliceerd boek van Wang Lixiong waarvan de titel zich in het Engels laat vertalen als My West China, Your East Turkestan. En ik had een foto van de dalai lama met de verbannen Oeigoerse leider Rebiya Kadeer, zijn arm liefdevol om haar schouder geslagen. Het was ontroerend om deze warme band te zien tussen leiders van twee gemeenschappen die in China werden onderdrukt.

    Het was ontroerend om deze warme band te zien tussen leiders van twee gemeenschappen die in China werden onderdrukt

    Het had me heel wat moeite gekost om deze teksten te vinden en te vertalen, en het gaf me een onbehaaglijk gevoel toen ik ze een voor een wiste. Maar latere gebeurtenissen zouden aantonen dat ik er goed aan had gedaan. Het ging echt de verkeerde kant op. De repressie die het gevolg was geweest van de rellen die in 2009 in Ürümqi waren uitgebroken was nog niet voorbij toen de overheid een aparte campagne tegen de Oeigoeren op touw zette, die de naam ‘Sla hard toe’ meekreeg. Die was gericht tegen ‘religieus extremisme, etnisch separatisme en gewelddadig terrorisme’, en had verreikende gevolgen. Han-migranten stroomden in nog grotere aantallen dan eerst Xinjiang binnen. Huizen van Oeigoeren werden gesloopt en hun land werd in beslag genomen. In godsdienstig en cultureel opzicht kregen de Oeigoeren met steeds meer repressie te maken, en in het dagelijkse bestaan werden ze steeds meer gediscrimineerd. Aan de problemen die door Tohti waren benoemd werd niet alleen niets gedaan, ze mochten ongehinderd doorwoekeren. Toch bleef de overheid zeggen dat alle ontevredenheid onder de Oeigoeren voortkwam uit separatisme en terrorisme, en werden er lukraak mensen bestraft.

    Twee maanden nadat Tohti was gearresteerd bereikten ons berichten over een terroristische aanslag in een treinstation in de Zuid-Chinese stad Kunming, duizenden kilometers bij Ürümqi vandaan. Staatsmedia berichtten dat vijf zwart gemaskerde Oeigoeren met messen passagiers hadden aangevallen in de hal waar kaartjes werden verkocht.

    Weer gingen twee maanden voorbij. Toen kwamen staatsmedia met het bericht dat twee Oeigoeren passagiers hadden aangevallen bij de uitgang van het station, waarna ze zich hadden opgeblazen. Kort daarop kwam het bericht dat Oeigoerse terroristen een zelfmoordaanslag hadden uitgevoerd op een markt in Ürümqi.

    De houding en de retoriek van de overheid werden agressiever dan ooit

    In de jaren na het geweld van 2009 in Ürümqi leek het rustiger te zijn geworden in Xinjiang. Maar door drie aanslagen binnen twee maanden liep de spanning weer behoorlijk op. De houding en de retoriek van de overheid werden agressiever dan ooit.

    Oeigoeren reageerden steevast op dit soort gebeurtenissen door ‘Er is iets gebeurd’ te zeggen. Mensen die ik kende hadden complexe gevoelens over zulke incidenten. Enerzijds koesterden ze zoveel ressentiment jegens overheid en Han-Chinezen dat ze dachten: hun verdiende loon. Anderzijds vonden ze het verkeerd om je pijlen te richten op burgers in plaats van op de overheid. Verder waren mensen bang dat zulke aanslagen nog meer repressie tot gevolg zouden hebben en dat ze daar persoonlijk last van zouden krijgen. En als er negatieve gevolgen waren, werd er gemopperd: ‘Laat die lui dankbaar zijn voor hun dagelijks brood in plaats van stomme dingen te doen.’ De officiële rapporten over zulke voorvallen waren meestal vaag, tegenstrijdig en niet erg overtuigend. Verdenkingen, gissingen en geruchten deden algauw de ronde. Volgens de overheidspropaganda werden al deze aanslagen gepleegd door separatisten en terroristen, die Xinjiang af wilden scheiden van China en tot een onafhankelijk Oost-Turkestan wilden komen. De overheid weigerde te erkennen dat het geweld mogelijk een gevolg was van haar eigen beleid, dat nefaste gevolgen had voor het leven van de Oeigoeren.

    Maar onder de Oeigoeren deden tal van geruchten de ronde over wie er achter de aanslagen zaten. Meestal vermoedde men dat ze waren gepleegd door mensen die het slachtoffer waren geworden van overheidsgeweld en nu wraak wilden nemen. Anderen dachten dat de overheid zelf de aanslagen had gepleegd om zo een excuus te hebben voor nog meer repressie en om de wil tot verzet van de Oeigoeren te breken.

    Niet alleen werden de mensen die betrokken waren bij de aanslagen zwaar bestraft, de overheid pakte ook mensen aan die niets te maken hadden met de aanslagen maar connecties hadden met de daders: familieleden, kennissen, mensen met wie ze ooit samen hadden gegeten of bij wie ze hadden gelogeerd. Die werden ervan beschuldigd dat ze terroristen ‘onder hun vleugels hadden genomen’.

    Verboden artikelen

    Net als veel andere Oeigoerse intellectuelen wilde ik graag weten wat er in buitenlandse media over deze aanslagen werd geschreven en hoe er in het buitenland op werd gereageerd. Na het geweld van 2009 in Ürümqi werd in Xinjiang bijna een heel jaar het internet afgesloten. Ook toen het weer werd opengesteld bleven veel buitenlandse websites, vooral op het gebied van nieuws, ontoegankelijk. Als je toch toegang tot zulke sites wist te krijgen gold dat als een ernstig misdrijf. Desondanks gebruikten we stiekem toch VPN’s om de Great Firewall, de beruchte digitale Grote Chinese Muur, van de overheid te omzeilen en op allerlei internationale nieuwssites te komen. We hadden zo weinig informatie over ons eigen land en wat er om ons heen gebeurde dat we dat risico wel wilden lopen. Na de arrestatie van Ilham Tohti en de aanslagen werd de repressie zo hevig dat ons niets anders overbleef dan onze VPN’s te verwijderen en het te doen zonder internationale nieuwssites. Als ik geen gebruik meer kon maken van internet leek er nog maar één optie over te blijven: op de korte golf luisteren naar buitenlandse nieuwszenders.

    Dat jaar gingen we met het gezin op vakantie in Qashqar. We brachten een bezoek aan mijn ouders en gingen bij oude vrienden langs. De man van een vrouw met wie Marhaba op school had gezeten had in een winkelcentrum daar een zaak met elektronische spullen. Ik besloot daar een kortegolfradio te kopen. Hij wist vast wel wat een goede was.

    Toen ik naar binnen liep was hij net bezig alle radio’s uit de winkel in dozen te doen. Ik vroeg wat hij aan het doen was. ‘Het politiebureau heeft gebeld,’ zei hij verbitterd. ‘We moeten al onze radio’s uit de winkel halen. We mogen ze niet meer verkopen.’

    De lijst met verboden artikelen was blijkbaar nog langer geworden. Een paar jaar daarvoor waren lucifers verboden. Kennelijk wilde de overheid het separatisten onmogelijk maken om van de zwavel in luciferkoppen explosieven te maken.

    Dat betekende het einde van mijn plan om een radio te kopen. Een paar dagen later hoorde ik dat de overheid de radio’s in beslag was gaan nemen die bij mensen in huis stonden, eerst in de dorpen, later ook in de steden.

    ‘Zo te zien is het radiotijdperk voorgoed afgelopen,’ zei ik tegen mezelf.

    Lees ook:

  • Tentoongesteld als etnische bezienswaardigheid

    Tentoongesteld als etnische bezienswaardigheid

    Gevlucht naar Thailand vanwege de conflicten in Myanmar, vinden de Kayan Lahwi een nieuw bestaan als toeristische attractie. Op steun van de Thaise overheid hoeven ze echter niet te rekenen.

    Elke ochtend nadat ze heeft gekookt en het huishouden heeft gedaan, steekt Mai zichzelf en haar zesjarige dochtertje Poe Yal Bal in de traditionele kleding van hun etnische groepering, compleet met de karakteristieke sieraden die de Kayan Lahwi-vrouwen dragen. 

    Nadat ze hun blouse met korte mouwen hebben aangetrokken, die is afgezoomd met kleurrijk garen, en hun haar hebben vastgezet, brengen Mai en haar dochter de koperen nekringen aan die duidelijk maken dat ze tot de Kayan Lahwi behoren. In het Birmees worden ze meestal Padaung genoemd, een term waar velen van hen bezwaar tegen maken. Hun thuisland in Myanmar omvat de subdistricten Demoso en Loikaw in de deelstaat Kayah, het subdistrict Pekon in het zuiden van de deelstaat Shan, en delen van Naypyidaw Union Territory.

    Zodra ze geheel in traditionele kledij zijn gestoken, zijn Mai en haar dochter klaar voor de toeristen. In de meer dan dertig jaar dat er bezoekers naar deze afgelegen Kayan-dorpen in Thailand komen, is er maar weinig veranderd. Evenmin is er veel veranderd aan de groeiende stroom etnische Kayanen die vluchten voor de oorlog in Myanmar.

    Mai en de andere dorpelingen verdienen geld aan de toeristen die foto’s maken

    ‘De kinderen zijn gekleed in etnische dracht en de toeristen die naar het dorp komen maken foto’s van hen en geven hun wat geld. Er zijn ook mensen die foto’s van ons willen maken terwijl we aan het weven zijn. Soms trekken ze zelf onze traditionele kleren aan en laten zich zo fotograferen,’ zegt Mai.

    Mai en de andere dorpelingen verdienen geld aan de toeristen die foto’s maken, en daarnaast verkopen ze handgeweven stoffen en traditionele kledij, en sieraden die worden geassocieerd met de Kayan Lahwi: armbanden, oorbellen en koperen nekringen. 

    Door die koperen nekringen zijn de Kayan Lahwi-vrouwen zowel hier als in Myanmar uitgegroeid tot een toeristische attractie, en in het dorp waar Mai woont is dan ook geen tekort aan bezoekers. Het dorp ligt zo’n 26 kilometer van de stad Mae Hong Son in de gelijknamige Thaise provincie, dat onderdeel uitmaakt van een populaire toeristische route. Over de rivier de Pai is het een tocht van zo’n vier uur naar de grens met de deelstaat Kayah (ook wel Karenni genoemd), waar Mai is geboren.

    Felle strijd

    Na de militaire coup van 2021 zijn de subdistricten Demoso en Loikaw in Kayah getuige geweest van een felle strijd. In een rechte lijn is het vanaf daar zo’n honderd kilometer naar de stad Mae Hong Son, maar via de grenspost bij Myawaddy in de deelstaat Kayin is het een lange, kronkelige weg van zo’n 920 kilometer.

    Huay Pu Keng is, net als enkele andere Kayan Lahwi-dorpen in het noordwesten van Thailand, zo’n dertig jaar geleden ontstaan, toen de inwoners van Kayah op de vlucht sloegen voor de steeds hevigere strijd in hun thuisland. Te midden van de vele ontheemden wisten de Kayan Lahwi de aandacht te trekken met hun fysieke verschijning, die niet alleen belangstelling wekte, maar ook een bron van inkomsten bleek, die uitbuiting met zich meebracht.

    Saw Eh Ke woont al vanaf het begin in Kayan Taryar, een ander Kayan Lahwi-dorp in de provincie Mae Hong Son, maar hij is geboren in het dorp Panpet in Demoso.

    lawrence makoona zvMXo5o3DbE unsplash
    Huay Pu Keng wordt in de volksmond aangeduid met de botte benaming ‘Langenekkendorp’. – © Unsplash

    ‘Ik was heel jong toen ik vertrok, dus ik herinner me er maar weinig van, maar ik weet nog wel dat we een week hebben gelopen’

    Toen in 1990 hun huis ten prooi dreigde te vallen aan de strijd tussen de Tatmadaw [het Myanmarese leger] en het Karenni-leger, besloot zijn moeder, Saw Ae Ke, met hem en zijn zus naar de Thaise grens te vluchten. Saw Eh Ke was acht jaar oud toen de soldaten optrokken naar Panpet, en hij is nooit meer teruggekeerd.

    ‘Ik was heel jong toen ik vertrok, dus ik herinner me er maar weinig van, maar ik weet nog wel dat we een week hebben gelopen. Vervolgens zat ons gezin een maand of drie, vier in een kamp voor ontheemden aan de Thaise grens, waarna we uiteindelijk Kayan Taryar wisten te bereiken. Mijn moeder is inmiddels 72. Ze is de oudste inwoner van het dorp en draagt nog altijd de traditionele kledij, voor bezoekers,’ zegt hij.

    Nooit meer gezien

    Na zijn vertrek uit Kayah heeft Saw Eh Ke zijn vrienden en familieleden die in Myanmar zijn achtergebleven nooit meer gezien, en hij weet maar weinig van de situatie op dit moment, vertelt hij aan Frontier. Omdat hij geen identiteitsbewijs heeft, is er geen legale mogelijkheid voor hem om terug te keren.

    ‘We hebben gehoord dat er een militaire coup is gepleegd in onze thuisstaat – ik ben bereid mijn landgenoten die hier weten te komen [in de Kayan Lahwi-dorpen in Thailand] zo goed mogelijk te helpen,’ zegt Saw Eh Ke, die eraan terugdenkt hoe moeilijk zijn eigen reis is geweest.

    ‘Toen wij de Karenni-regio ontvluchtten, werd mijn zus tijdens onze tocht door de jungle heel erg ziek, van uitputting. We hadden geen eten en geen drinken, en ik zal nooit vergeten dat we de bladeren uit het bos moesten eten om in leven te blijven,’ zegt hij. ‘Alle eerdere oorlogen én de huidige oorlog in Myanmar zijn veroorzaakt door een militaire dictatuur. Zonder het leger van Myanmar zou er in alle regio’s vrede heersen. Ik haat het leger van Myanmar,’ zegt hij.

    Mai is, net als Saw Eh Ke, naar Thailand gekomen om te ontsnappen aan de burgeroorlog. Ze was toen nog heel jong – nog maar net vier – en inmiddels woont ze alweer 28 jaar in Huay Pu Keng.

    Etnische kaart

    Desondanks is Mai nog altijd geen Thais staatsburger en haar enige identiteitsbewijs is een zogenaamde ‘etnische kaart’, een kaart die eens in de tien jaar kan worden verlengd.

    ‘Het is een soort gastburgerschap,’ zegt Mai, die eraan toevoegt dat mensen met zo’n kaart niet stemgerechtigd zijn en te maken krijgen met reisbeperkingen.

    Van de ongeveer tweehonderd mensen in het dorp hebben er maar dertig of veertig zo’n etnische kaart, en de anderen hebben een soort migrantenkaart (ook wel een ‘roze kaart’ genoemd, die wordt uitgereikt aan ongedocumenteerde arbeiders) of ze hebben helemaal geen papieren.

    Op een bord bij de ingang van Huay Pu Keng staat de botte benaming waarmee het dorp in de volksmond wordt aangeduid: ‘Langenekkendorp’

    In het verleden weigerden veel touroperators om naar de Kayan Lahwi-dorpen te gaan, vanwege ethische bedenkingen en zorgen over mogelijke dwangarbeid en mensenhandel. Op een bord bij de ingang van Huay Pu Keng staat, zowel in het Engels als in het Thais, de botte benaming waarmee het dorp in de volksmond wordt aangeduid: ‘Langenekkendorp’. Het dorp kan alleen worden bereikt via een tocht van een half uur per boot, wat de romantische uitstraling voor de toeristen vergroot en tegelijkertijd de bewegingsvrijheid van de inwoners, zoals Mai, verkleint.

    Het dorpshoofd, Naung, zegt dat Huay Pu Keng nog niet officieel is erkend als Kayan-dorp.

    ‘Er wonen meer dan tweehonderd mensen in ons dorp en hoewel het al meer dan dertig jaar bestaat, is het nooit officieel erkend omdat minder dan vijftig procent van de inwoners Thais staatsburger is,’ zegt Naung, die een etnische kaart heeft. Zodra een dorp die grens van vijftig procent bereikt en officieel wordt erkend, is het ook voor de anderen makkelijker om het Thaise staatsburgerschap te krijgen.

    ‘Kinderen van ouders met een etnische kaart worden beschouwd als Thais staatsburger en hebben het recht om naar een Thaise school te gaan. In dit dorp wonen kinderen die als Thais staatsburger worden gezien. Maar voor andere kinderen, van wie de ouders een migrantenkaart hebben, geldt dat niet,’ zegt hij.

    Als ongedocumenteerde dorpelingen naar Mae Hong Son gaan, lopen ze het risico te worden opgepakt door de politie, aldus Naung.

    ‘Mensen zonder kaart kunnen niet naar de stad; ze worden opgepakt door de politie,’ zegt hij. Hij vertelt erbij dat er meestal een uitzondering wordt gemaakt voor Kayan Lahwi in traditionele dracht. Zo worden de vrouwen gedwongen de rol van levende toeristische attractie te spelen, die de plaatselijke overheid hun heeft toegedicht. 

    ‘Als ik met mijn dochter naar Mae Hong Son ga, moet ik de traditionele dracht aan. Als ik dat niet doe, ben ik bang dat de politie me staande houdt voor controle,’ zegt Eh Mwi Paw (42) die een migrantenkaart heeft.

    Toestemming

    De man van Eh Mwi Paw heeft een etnische kaart en hij heeft dan ook officieel toestemming om te werken. Hun twee zoons studeren in Mae Hong Son.

    ‘Mijn zoons vragen altijd waarom hun moeder zich niet kleedt zoals andere vrouwen die naar de stad gaan. Ze snappen niet dat ik het risico loop gearresteerd te worden als ik geen traditionele kledij draag,’ zegt ze. ‘Hoewel we al jaren en jaren in Thailand wonen, worden we van Myanmarese kant niet erkend als etnische groepering, en worden we ook niet erkend als Thais staatsburger. We worden gewoon tentoongesteld als een toeristische attractie.’

    Saw Ae Sehun, dorpshoofd van Kayan Taryar, zegt dat de Thaise autoriteiten sinds de staatsgreep in Myanmar de controles in de grensgebieden hebben aangescherpt, en dat treft ook de Kayan Lahwi die zich in Thailand hebben gevestigd.

    ‘Het is verreweg het veiligste om in traditionele kledij de deur uit te gaan’

    ‘Het is verreweg het veiligste om in traditionele kledij de deur uit te gaan. Onze traditionele dracht garandeert onze veiligheid. Als de Thaise politie ons in traditionele dracht ziet, laten ze ons met rust,’ zegt hij.

    De politieke crisis heeft geleid tot een toestroom van vluchtelingen. Sommigen leven in kampen en anderen hebben hun toevlucht gezocht in Kayan Lahwi-gemeenschappen zoals Huay Pu Keng en Kayan Taryar.

    lawrence makoona cNvwOa6HH4Y unsplash
    Huay Pu Keng wordt in de volksmond aangeduid met de botte benaming ‘Langenekkendorp’. – © Unsplash

    ‘Sommige mensen hier in het dorp zijn weggelopen uit de opvangkampen,’ zegt Hla Bwe Sae uit Kayan Taryar. ‘Ze kunnen niet terug naar huis, dus zitten ze hier vast.’

    Opvangkampen

    Kayan Lahwi die familieleden hebben in een van de toeristendorpen mogen met toestemming van de Thaise autoriteiten de opvangkampen verlaten en naar die dorpen gaan, maar de meesten hebben moeite om te vertrekken. 

    ‘Er wonen hier veel Kayan Lahwi, maar er zijn er maar weinig die ooit in Mae Hong Son zijn geweest. De meesten wagen zich niet buiten het dorp,’ aldus Hla Bwe Sae.

    In tegenstelling tot Huay Pu Keng trekt Kayan Taryar maar weinig bezoekers, omdat het dorp minder inwoners heeft en afgelegener is.

    ‘De Thaise overheid heeft een lagere school geopend in ons dorp, en er is ook een medische post. Hoewel we allemaal hier wonen, spreken we geen Thais en wagen we ons dan ook zelden buiten het dorp. We verbouwen het een en ander in de bergen hier in de buurt, en verder blijven we thuis,’ zegt hij.

    Hla Bwe Sae, die inmiddels dertig is, is op zijn tiende uit Demoso vertrokken. 

    ‘Ik kan niet terug naar Demoso en ik ken niets anders dan het dorp waar ik woon, aan de Thaise kant van de grens. Waarschijnlijk blijf ik hier tot mijn dood,’ zegt hij.

    Kayan Lahwi worden vaak uitgebuit – ze krijgen geen enkele steun

    Hoewel de Kayan Lahwi-dorpen worden gepromoot als toeristische attractie, krijgen ze geen enkele andere steun van de Thaise overheid, zegt Saw Ae Sehun.

    ‘We worden afgeschilderd als een etnische groepering met interessante tradities voor toeristen. Maar onze Kayan Lahwi-familieleden die aan de Thaise grens wonen, worden vaak uitgebuit – ze krijgen geen andere rechten en geen enkele steun,’ zegt hij. ‘Ik droomde er vaak van om terug te gaan naar Myanmar, maar sinds de staatsgreep is dat onmogelijk.’

    Saw Ae Sehun zegt dat hij, hoewel hij zelf niet meer kan terugkeren naar Myanmar, alles wil doen wat in zijn vermogen ligt om de vluchtelingen te helpen die de grens zijn overgestoken en naar Kayan Taryar zijn gekomen.

  • Primeur in VS: stadsbestuur Seattle verbiedt discriminatie op grond van kaste

    Primeur in VS: stadsbestuur Seattle verbiedt discriminatie op grond van kaste

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Zeker tien Palestijnen omgekomen bij inval Israëlische leger

    » Poetin ontvangt Chinese topdiplomaat en maakt nieuwe afspraken

    Eerste stad buiten Zuid-Azië die kaste in de wet opneemt

    Het bestuur van de Amerikaanse stad Seattle heeft discriminatie op grond van kaste in de antidiscriminatiewetgeving opgenomen. Daarmee is Seattle de allereerste niet in Zuid-Azië gelegen stad die officieel zo’n bepaling in de wet opneemt, meldt de Amerikaanse omroep NPR. Het wetsvoorstel werd met een ruime meerderheid van zes tegen één aangenomen. Het stadsbestuur redeneerde dat discriminatie op grond van kaste losstaat van nationaliteit en religie en daarom een speciale vermelding in de wet verdient.

    Volgens Zuid-Aziatische gemeenschappen in de VS komt deze vorm van discriminatie veel voor in het land. Met name op het gebied van huisvesting en onderwijs en binnen de technologiesector, waar Zuid-Aziaten belangrijke functies bekleden, vindt uitsluiting op grond van kaste plaats.

    ‘De wet zou ervoor kunnen zorgen dat werkgevers ervoor terugdeinzen om Zuid-Aziaten in dienst te nemen’

    Er klinken echter ook tegengeluiden. Zo gaan er stemmen op die vinden dat de wetsbepaling te eenzijdig de aandacht vestigt op hindoes en de bevolkingsgroep in een kwaad daglicht stelt. Volgens hen behandelt de wetsbepaling een probleem waarvan nooit officieel is aangetoond dat het bestaat en zou ze weleens een averechtse uitwerking kunnen hebben. ‘Dit zou ervoor kunnen zorgen dat hindoes vaker gediscrimineerd worden en dat werkgevers ervoor terugdeinzen om Zuid-Aziaten in dienst te nemen,’ aldus Sara Nelson, het enige bestuurslid dat tegenstemde.

    Het kastensysteem ontstond drieduizend jaar geleden in India. Het houdt in dat mensen hiërarchisch worden gerangschikt op basis van hun afkomst en geboorte. De laagste kaste zijn de zogeheten dalits, ofwel ‘de onaanraakbaren’, die eeuwenlang werden onderdrukt. In 1948 werd het systeem in India opgeheven. In de VS, de op een na favoriete bestemming voor Indiërs die naar het buitenland vertrekken, wonen naar schatting zo’n 5,4 miljoen Zuid-Aziaten.

    Lees ook:

  • Demonstranten in Peru: ‘Ze doen alsof we niets waard zijn’

    Demonstranten in Peru: ‘Ze doen alsof we niets waard zijn’

    Ongelijkheid, armoede en discriminatie liggen ten grondslag aan de explosie van woede op het platteland van Peru. Met protesten en wegblokkades verzetten campesinos zich tegen het rijke Lima. The Guardian reisde af naar het armere zuiden en sprak enkele opstandelingen.

    Keuze uit het archief

    Het Peruaanse parlement heeft donderdag twee moties van wantrouwen verworpen die waren ingediend door de oppositie tegen president Dina Boluarte. De Peruaanse president, die sinds december 2022 aan de macht is, wordt onderzocht wegens vermoedelijke illegale verrijking en het niet aangeven van luxe sieraden.
    Het eerste vrouwelijke staatshoofd van Peru staat bij veel Peruanen in een slecht blaadje, zo blijkt uit deze reportage van The Guardian van begin 2023. Het begon allemaal in december 2022, toen de linkse president Pedro Castillo werd afgezet en gearresteerd op beschuldiging van poging tot staatsgreep. Sindsdien heerst er een grimmige sfeer in Peru: demonstranten eisen dat Boluarte aftreedt vanwege de sociale ongelijkheid, schrijnende armoede en discriminatie in de samenleving, maar de protesten worden door de overheid hardhandig neergeslagen.

    Een voor een klimmen rebellerende campesinos op het geïmproviseerde podium dat ze bovenop een drie meter hoge barricade van aarde hebben gebouwd. Ze kondigen aan vastbesloten te zijn de president van Peru af te zetten. ‘Broeders en zusters, meer dan ooit heeft Peru ons nu nodig,’ zegt Nilda Mendoza Coronel, een vijfendertigjarige boerin, tegen honderden stakers die zich in de felle ochtendzon hebben verzameld. ‘We zullen vechten tot het einde, carajo!’ brult Mendoza door een megafoon. ‘Niemand stopt onze strijd!’

    In Sicuani in de Andes spoort een andere spreker, Aparicio Meléndez, de menigte aan om de berichten te negeren over legertroepen die onderweg zijn om hun opstand te beëindigen. ‘We blijven hier tot ze hun allerlaatste kogel hebben gebruikt,’ belooft de vijfenvijftigjarige veeboer terwijl hij uitkijkt over de demonstranten die de ruim vijftienhonderd kilometer lange snelweg door de Peruaanse Andes blokkeren.

    Op het asfalt achter de barricade is een woord gekalkt: ‘Volksopstand’. Sicuani is het centrum van de zeven weken durende opstand tegen de Peruaanse president, Dina Boluarte, en het politieke establishment van het land. De opstand begon begin december nadat de linkse president Pedro Castillo was afgezet en gearresteerd op beschuldiging van poging tot staatsgreep.

    Vreemde wind

    De laatste tijd waait er een vreemde en gewelddadige politieke wind door Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, met een extreemrechtse opstand in Brazilië, een politieke en sociale meltdown in Haïti en protesten na de arrestatie van een prominente oppositieleider in Bolivia. Maar nergens is de onrust zo groot en zo dodelijk als in Peru, waar sinds de dramatische val van Castillo ten minste negenenzestig mensen het leven lieten.

    Protesten en wegblokkades legden grote gebieden van het op drie na dichtstbevolkte land van Zuid-Amerika lam. Het begon na de val van Castillo, toen zijn aanhangers – evenals anderen die woedend zijn over het fatale ingrijpen van de regering – de straat op gingen. Ze eisen het aftreden van Boluarte, nieuwe verkiezingen en gerechtigheid voor de naar verluidt tientallen slachtoffers die door veiligheidstroepen werden gedood.

    Om met de opstandelingen te spreken, reisde The Guardian door het zwaarst getroffen gebied tussen de steden Cusco en Juliaca in de Andes, waar op de meest gewelddadige dag zeventien mensen werden gedood. De slopende tocht van 340 kilometer duurt drie dagen en voert langs tientallen controleposten die worden bewaakt door demonstrerende campesinos, en langs honderden barricades van rotsblokken, boomstammen, kapotte voertuigen, glas en schroot.

    Onderweg zien we enorme sociale ongelijkheid, schrijnende armoede en discriminatie. Ze vormen de basis van de uitbarsting van de plattelandswoede. Veel demonstranten noemen het politieke establishment in de hoofdstad Lima corrupt, egoïstisch en voornamelijk wit.

    ‘Het is alsof we geen mensen zijn. Alsof we niets waard zijn’

    ‘Het is alsof we geen mensen zijn. Alsof we niets waard zijn,’ zegt Raúl Constantino Samillán Sanga, wiens dertigjarige broer werd neergeschoten in Juliaca tijdens botsingen tussen politie en demonstranten. ‘De hele Andes zegt er nu genoeg van te hebben en eist dat hier verandering in komt.’

    De reis door het centrum van de politieke aardbeving in Peru begint in Cusco, ooit de hoofdstad van het Incarijk en tegenwoordig de belangrijkste toeristische bestemming, met bijna drie miljoen bezoekers per jaar. Sinds het begin van de opstand zijn de toeristen verdwenen. De luchthaven van Cusco wordt herhaaldelijk door de autoriteiten gesloten en het nabijgelegen Machu Picchu ging al eerder deze maand dicht. ‘Iedereen is gespannen, bezorgd en ook een beetje bang,’ zegt Hannah Jenkinson, een Britse modeontwerpster die een boetiek runt in het nu grotendeels verlaten historische centrum van Cusco.

    Een paar straten verderop marcheren honderden demonstranten naar het plein waar in de achttiende eeuw de inheemse leider Túpac Amaru werd gevierendeeld en onthoofd na een opstand tegen de Spaanse overheersing. ‘Ze gaat eraan! Ze gaat eraan! De moordenaar gaat eraan!’ scandeert de menigte. De betogers doelen op Boluarte. Ze bewegen zich door de geplaveide straten van Cusco, zwaaiend met de roodwitte vlag van Peru.

    Vijfentwintig kilometer ten zuidoosten van Cusco, langs pre-Incaruïnes en bergen bezaaid met eucalyptus, ligt het dorp Villahermosa. Hier is de eerste grote wegblokkade, langs de Peruaanse snelweg Route 3S. Tientallen dorpelingen, waaronder oudere vrouwen met traditionele huaraca, slingers geweven van alpacawol, hebben de weg met boomstammen en banden geblokkeerd. Ze zijn woedend over de tientallen jaren dat de regering hen achterstelde en over de recente golf van doden, waarvan de meeste aan de veiligheidstroepen worden geweten.

    Geen spoor van compromis

    Juvenal Luna Jara, tweeëntwintig jaar, zegt dat hij zich een week eerder heeft aangesloten bij de opstand. Hij is razend omdat er zoveel demonstranten zijn gedood in het lang verwaarloosde zuiden van Peru. Dit deel van het land vormde het centrum van de twaalf jaar durende brute oorlog van guerrillabeweging Lichtend Pad. Volgens hem verloren in deze gebieden de meeste mensen het leven omdat provincianos [plattelanders] als tweederangsburgers worden beschouwd, of erger. ‘Het is alsof ze honden afmaken,’ foetert hij.

    Boluarte smeekte de demonstranten om een landelijke wapenstilstand te aanvaarden. Maar in Villahermosa is geen spoor van een compromis te bekennen. De boeren komen er bijeen om hun woede te uiten over de rol van de president bij de afzetting van Castillo, een voormalige vakbondsleider die in armoede werd geboren. In 2021 werd hij door verarmde plattelandstemmers in plaatsen als deze tot president gekozen.

    ‘Als er geen oplossing komt, gaan we door met de strijd,’ schreeuwen de dorpelingen voordat de auto van The Guardian zijn weg mag vervolgen. In elk dorp langs de met keien bezaaide snelweg is de boodschap hetzelfde: gedesillusioneerde en onderdrukte boeren verzamelen zich bij de blokkades en houden hartstochtelijke toespraken over de toestand van hun land en over hoe hun mijnbouwregio – die rijk is aan grondstoffen – is uitgemolken voor winsten waarvan ze hier nooit iets terugzagen.

    Dina Quispe huilt als ze de Peruaanse autoriteiten fel bekritiseert over hoe ze de demonstranten wegzetten als door narco’s gefinancierde terrucos (terroristen) en hoe ze de oproep tot politieke verandering hebben beantwoord met onderdrukking en bloedvergieten.

    ‘We zijn vernederd en vergeten,’ zegt de eenenveertigjarige verkoopster uit Checyuyoc. ‘Ze vermoorden onze broeders met kogels.’ Door haar tranen heen toont Quispe haar afschuw over het feit dat ze haar voornaam deelt met de eerste vrouwelijke president van Peru. Boluarte is de bliksemafleider geworden voor een veel grotere ontgoocheling over de mislukte politiek van een land dat de afgelopen zes jaar zeven presidenten versleet en waar een kwart van de bevolking moeite heeft om zich behoorlijk te voeden. Tegen verslaggevers zegt Quispe: ‘Breng alsjeblieft deze stem van protest uit het hart van het nederigste Peru naar de wereld.’

    Een paar kilometer verderop, in Sicuani, een stad die nu bijna volledig van de buitenwereld is afgesloten door wegversperringen, lopen honderden Quechua-vrouwen met sombrero’s, pollera-rokken en schitterende quilts. ‘We vechten voor onze toekomst en die van onze kinderen en kleinkinderen,’ zegt Roxana Chahuanco (40). Ondertussen bereidt de plaatselijke bevolking zich voor op een debat over de volgende stap, nu de regering heeft aangekondigd troepen te zullen inzetten om de wegen vrij te maken.

    Boluarte maakte de inwoners van deze regio vorige week nog bozer toen ze buitenlandse journalisten vertelde dat ‘Puno geen Peru is’

    Mendoza Coronel roept de inheemse martelaren Túpac Amaru en zijn vrouw Micaela Bastidas in herinnering en spoort de lokale bevolking aan hun boerenopstand tegen de ‘corrupte’ elite van Lima te intensiveren. ‘Ze kijken op ons neer omdat we kinderen van campesinos zijn en omdat we mensen van het land zijn,’ zegt ze.

    In het volgende dorp staat een koeienschedel op een paal bovenop een barricade van twee hopen puin en aarde. ‘Dat is Dina,’ grapt een van de vrouwen die de controlepost bewaken. 

    Nooit meer dezelfde

    Vanuit Sicuani klimt de snelweg nog hoger de Andes in naar de spectaculaire 4300 meter hoge grens met het departement Puno, waar inheemse Aymara-gemeenschappen ook in opstand zijn gekomen tegen de nieuwe regering.

    Boluarte maakte de inwoners van deze regio vorige week nog bozer toen ze buitenlandse journalisten vertelde dat ‘Puno geen Peru’ is, een verklaring waarvan de president later beweerde dat ze verkeerd was begrepen. ‘Wij zijn Peruanen,’ zegt een vrouw die een wegversperring buiten de stad Ayaviri bewaakt. ‘In Puno werd het Incarijk geboren.’

    Na Ayaviri daalt de snelweg af naar de grootste stad van Puno, Juliaca, een vervallen en gespannen mijn- en smokkelcentrum, waar antiregeringsprotesten woeden en lokale families rouwen om hun doden. Achter een metalen deur versierd met een zwart rouwlint zit María Ysabel Samillan Sanga, die begin januari op een maandag haar jongere broer verloor. Marco Antonio Samillán Sanga was een student geneeskunde die als vrijwillige arts in Juliaca werkte toen demonstranten probeerden de luchthaven van de stad te bestormen en de veiligheidstroepen met scherp schoten. De dertigjarige student werd in het hart geraakt toen hij een jongen verzorgde die traangas had ingeademd. Hij is een van de minstens zeventien mensen die die dag in Juliaca omkwamen. ‘Het was een slachtpartij,’ zegt zijn zus. ‘Er is geen ander woord voor.’

    Samillán Sanga huilt als ze vertelt hoe haar broer zich uit de extreme armoede opwerkte om medicijnen te studeren. Hij droomde ervan neurochirurg te worden en gezondheidsprogramma’s op te zetten voor de armen op het platteland van Puno. ‘Als het aan mij ligt, zou ik ook sterven, want er zijn dagen dat ik de pijn niet aankan,’ zegt ze, terwijl de tranen over haar wangen stromen.

    Ook volgens Samillán Sanga werden de dood van haar broer en de opstand in Peru veroorzaakt door discriminatie en vooroordelen. ‘We hebben gevoelens. Wij zijn mensen. We voelen. Huilen. Hebben emoties. En we lijden,’ aldus haar broer Raúl Constantino. De familie zegt te vrezen voor represailles van de regering, maar laat zich niet het zwijgen opleggen. ‘Ik hoop dat iemand dit leest en zich afvraagt: hoe gaat het met de familie Samillán Sanga?’ zegt María Ysabel. ‘De waarheid is dat we kapot zijn. Mijn familie wordt nooit meer hetzelfde.’

    Lees ook:

  • 3. Belachelijke beschuldigingen & meer

    3. Belachelijke beschuldigingen & meer

    Belachelijke beschuldigingen

    Wegens het verspreiden van ‘valse informatie’ over het leger riskeert kunstenaar Aleksandra Skotsjilenko tien jaar gevangenisstraf. Het nieuwe gezicht van de Russische dissidenten zit in voorlopige hechtenis. Onlangs verlengd tot april 2023.

    Aleksandra Skotsjilenko is het nieuwe gezicht van de Russische dissidenten. Deze kunstenaar uit Sint-Petersburg had in een supermarkt prijsstickers vervangen door etiketjes met informatie over de oorlog in Oekraïne. Wegens het verspreiden van ‘valse informatie’ over het leger riskeert ze tien jaar gevangenisstraf. Aleksandra (Sasja) Skotsjilenko zit sinds april in voorlopige hechtenis en kampt met duizeligheid, buikpijn en hartproblemen, meldde haar advocaat Jana Nepovinnova op 17 november op Telegram. Hoewel een Russische rechter haar voorlopige hechtenis in september heeft verlengd tot april 2023, moeten de twee vrouwen toch af en toe lachen als ze de aanklacht tegen Sasja doorbladeren, ‘zo belachelijk zijn de beschuldigingen die erin staan’, aldus de advocaat.

    RUSLAND

    ALEKSANDRA SKOTSJILENKO

    Deze Russische musicus en kunstschilder heeft zich in het openbaar tegen de oorlog in Oekraïne gekeerd. Op 31 maart heeft ze in een supermarkt in Sint-Petersburg prijsstickers op producten vervangen door papieren etiketjes met informatie over de Russische invasie in Oekraïne.

    Elf dagen later werd Aleksandra Skotsjilenko aangehouden door de politie en, op grond van een artikel dat pas enkele dagen eerder in het Russische wetboek van strafrecht was opgenomen om critici de mond te snoeren, beschuldigd van het ‘opzettelijk verspreiden van onjuiste informatie over de inzet van de Russische strijdkrachten’. Nu wacht ze onder erbarmelijke omstandigheden haar proces af en riskeert ze tot tien jaar gevangenisstraf.

    WAT EIST AMNESTY?

    Intrekking van alle aanklachten en onmiddellijke invrijheidstelling.

    De 32-jarige Sasja werd op 11 april gearresteerd nadat er – volgens de officiële lezing – een klacht was ingediend door een gepensioneerde vrouw die in dezelfde supermarkt in Sint-Petersburg boodschappen deed als zij. Deze vrouw had papieren etiketjes aangetroffen met informatie over de Russische invasie in Oekraïne die door Sasja op artikelen waren geplakt. Er was informatie op te lezen die bijeen was gesprokkeld door onafhankelijke media in Rusland, zoals het bombarderen van het theater in Marioepol door het Russische leger terwijl zich daar kinderen bevonden, of het aantal Russische soldaten dat sinds het begin van de oorlog gesneuveld was. Deze informatie week inderdaad volstrekt af van het officiële verhaal, en de bejaarde dame was dan ook ‘uiterst verbolgen’. In haar aangifte legde ze uit dat ze sterk meeleefde met het lot van de Russische soldaten in Oekraïne zoals dat door de staatstelevisie werd getoond en dat ze het onverdraaglijk vond om zulke leugens te moeten lezen, aldus Radio Svoboda, de Russische tak van Radio Free Europe/Radio Liberty die door het Amerikaanse Congres wordt gefinancierd.

    Sasja blijft achter haar actie staan en houdt vol dat de informatie die zij heeft doorgegeven niet op leugens berust

    De rechercheurs hoefden alleen artikel 207.3 van het Russische wetboek van strafrecht maar van stal te halen dat begin maart, kort na de invasie in Oekraïne, via een wetswijziging in allerijl was ingevoerd. Ingevolge dit artikel staat op het ‘opzettelijk verspreiden van desinformatie over het Russische leger’ maximaal tien jaar gevangenisstraf. Het is inmiddels bijna tweeduizend keer toegepast tegen Russen die het optreden van hun leger in Rusland hebben bekritiseerd: bekende oppositieleden, studenten, docenten of pacifisten die door de politie in de gaten worden gehouden.

    FRANKRIJK

    ZINEB REDOUANE

    Op 1 december 2018, terwijl ze haar raam wilde sluiten, werd Zineb Redouane in het gezicht geraakt door een traangasgranaat die was afgevuurd door de politie om betogers uiteen te jagen. Ze overleed de volgende dag in het ziekenhuis. Bijna vier jaar later is het onderzoek naar haar dood nog steeds niet afgerond. Niemand is vanwege deze doodslag in staat van beschuldiging gesteld of geschorst.

    WAT EIST AMNESTY?

    Dat de Franse autoriteiten deze zaak ophelderen en dat er tegen degenen die er verantwoordelijk voor zijn een gerechtelijke procedure wordt aangespannen

    In het geval van Sasja was de tenlastelegging dat de informatie die op de door haar opgeplakte etiketten stond ‘onjuist’ was. De rechtbank gelastte een merkwaardig ‘linguïstisch onderzoek’ naar deze etiketten, uitgevoerd door twee vrouwelijke onderzoekers die bekendstaan als Kremlin-sympathisanten, aldus de in Litouwen gevestigde onlinekrant Meduza. Hun conclusie, waarin regelmatig de loftrompet werd gestoken over de ‘zeer humane houding van het Russische leger jegens de inwoners van Oekraïne’, luidde dat deze informatie onjuist was omdat ze niet overeenkwam met die welke door het Russische ministerie van Defensie werd verspreid. ‘Dit onderzoek is van nul en generlei waarde omdat de onderzoekers geen enkele kennis van de materie hebben,’ sneert advocaat Jana Nepovinnova. Sasja blijft achter haar actie staan en houdt vol dat de informatie die zij heeft doorgegeven niet op leugens berust.

    Zwakke gezondheid

    Het idee om de prijsstickers in Russische supermarkten te vervangen door etiketten over de oorlog was half maart gelanceerd door een organisatie die zich ‘Feministisch verzet tegen de oorlog’ noemt, aldus de Russische nieuwsdienst van de BBC. Op Telegram was zelfs al een opmaak gepost die klaar was om gedrukt te worden, vergezeld door enkele veiligheidsadviezen voor de activisten: mijd bewakingscamera’s en betaal alleen maar contant. ‘Maar al snel bleek dat deze maatregelen de anonimiteit van de activisten niet konden garanderen,’ vervolgde de BBC, die vermoedt dat in navolging van Sasja nog een tiental andere etikettenplakkers door de politie is geïdentificeerd en aan-gehouden.

    Op basis van getuigenissen van familie en goede bekenden kwam de BBC met een uitvoerig portret van deze veelzijdige jonge vrouw, die over een complexe en fragiele persoonlijkheid beschikt. Als kunstschilder, musicus en gelegenheidsjournalist (voor het onafhankelijke digitale blad Boemaga) was Sasja een bekende in het artistieke wereldje van Sint-Petersburg. Ze gaf toneel- en filmles aan Oekraïense kinderen, publiceerde een voor kinderen bedoeld boekje over ‘depressie’, speelde in toneelgroepen en deed al op haar tiende mee aan een komisch televisieprogramma. In een interview met Meduza vertelt haar partner Sonja dat Sasja al sinds haar kinderjaren met diverse gezondheidsproblemen kampt, waaronder een bipolaire stoornis en een glutenintolerantie, wat haar verblijf in de gevangenis extra zwaar maakt. 

    mikhail volkov yswsY2if JM unsplash
    Oekraïense troepen heroverden Boetsja, een stad vlak bij Kyiv.– © Unsplash

    Paul Biya slaat elke vorm van oppositie keihard neer

    De president, die al veertig jaar de absolute macht heeft, onderdrukt iedere vorm van oppositie, verlamt het land en schendt mensenrechten aan een stuk door.

    In februari 2017 eisten 27 Kameroense en internationale organisaties dat er een eind zou komen aan de willekeurige en illegale gevangennemingen in Kameroen, aldus Centrifuge Hebdo. Ook meldde het Kameroense weekblad dat er door deze organisaties een open brief was gestuurd aan Paul Biya, de president van de Republiek Kameroen.

    Naast Dorgelesse Nguessan, die gevangenzit nadat ze had deelgenomen aan een betoging, werden er nog talloze andere namen genoemd in dit openbare beroep dat op het staatshoofd werd gedaan. De open brief klonk als een lange opsomming van oppositieleden of gewone betogers die in het Kameroen van Paul Biya zijn gearresteerd en mishandeld. Zoals Penn Terence Khan: gearresteerd, gemarteld, beschuldigd van terrorisme en door een militaire rechtbank tot twaalf jaar gevangenisstraf veroordeeld omdat hij T-shirts met politieke slogans had vervaardigd. En ook de onafhankelijke journalist Tsi Conrad, die door de militaire rechtbank tot vijftien jaar gevangenisstraf werd veroordeeld.

    KAMEROEN

    DORGELESSE NGUESSAN

    Dorgelesse Nguessan was kapster van beroep toen haar leven op zijn kop werd gezet. Op 22 september 2020 nam ze voor de eerste keer deel aan een vreedzame betoging in Douala, waarbij meer dan vijfhonderd mensen werden gearresteerd, onder wie Dorgelesse. Zij werd beschuldigd van rebellie, samenscholing en deelname aan een openbare betoging en veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf.

    WAT EIST AMNESTY?

    Onmiddellijke en onvoorwaardelijke invrijheidstelling.

    Een aantal van de mensen die werden genoemd had deelgenomen aan de mars op 22 september 2020, georganiseerd door partijen die oppositie voeren tegen het regime van Paul Biya en diens aftreden eisen. Volgens Human Rights Watch zetten de veiligheidstroepen vervolgens traangas en waterkanonnen in om overal in het land vreedzame betogingen uiteen te jagen. Bovendien zouden er meer dan vijfhonderd mensen zijn gearresteerd, voornamelijk leden en aanhangers van oppositiepartijen. De autoriteiten hebben bij zowel deze arrestaties als tijdens hun gevangenschap talloze mensen afgeranseld. Ook werden sommige betogers beschuldigd van bedreiging van de staatsveiligheid en tot lange gevangenis-straffen veroordeeld, aldus de website Cameroun1, die ook zelf met een lijst veroordeelden kwam. Op 8 december 2021 meldde de site dat minstens 154 activisten van de MRC [Beweging voor de weder-geboorte van Kameroen] en vijf andere van Stand Up for Cameroon, twee oppositiepartijen, creperen in de gevangenis.

    Paul Biya leidt Kameroen al sinds 1982 met ijzeren vuist. Bij de politieke crisis voegt zich inmiddels ook een ‘Engelstaligencrisis’, waarin de regering en separatistische groeperingen in Engelstalige regio’s in het westen van het land tegenover elkaar staan. Ook staat de veiligheid van Kameroen voortdurend onder druk door herhaaldelijke aanslagen van jihadistische groeperingen. Gevolg van deze spanningen is dat de veiligheidstroepen in het land de mensenrechten regelmatig schenden.

    285539 3 scaled 1
    Dorgelesse Nguessan’s zoon (l) en haar neefje voor hun huis. © Amnesty International

    Broer geëxecuteerde Nafid Afkari vreest voor zijn leven

    Na zijn arrestatie in 2018 op verdenking van moord werd deze tegenstander van het regime in de gevangenis met de dood bedreigd. Zijn geval illustreert de talloze ontsporingen van de Iraanse justitie, die wordt gecontroleerd door de machthebbers.

    Vahid Afkari was een eenvoudige stukadoor in Chiraz, een grote stad in het zuidwesten van Iran, toen hij op 17 september 2018 werd gearresteerd samen met zijn broer Navid, eveneens stukadoor maar ook een in Iran en het buitenland befaamde worstelaar. De autoriteiten beschuldigden de twee broers ervan in augustus 2018, tijdens een betoging vanwege de economische achteruitgang en de grote droogte, een man te hebben gedood die nu eens werd voorgesteld als een lid van de Iraanse inlichtingendienst en dan weer als een werknemer van het waterbedrijf van Chiraz.

    IRAN

    VAHID AFKARI

    Vahid Afkari en zijn twee broers hadden deelgenomen aan vreedzame betogingen in hun stad Chiraz, die waren gericht tegen de ongelijkheid en de politieke onderdrukking. Wegens die deelname werden ze thuis gearresteerd. Terwijl ze in afzondering werden gehouden en werden gemarteld, werden ze gedwongen overtredingen te ‘bekennen’ waaraan ze zich eerder herhaaldelijk onschuldig hadden verklaard. Een van de broers werd geëxecuteerd en de andere werd uiteindelijk vrijgelaten. Vahid zit sinds september 2020 in een isoleercel.

    WAT EIST AMNESTY?

    Een eind aan deze afschuwelijke mishandeling en intrekking van alle aanklachten.

    Navid Afkari werd ter dood veroordeeld en in september 2020 geëxecuteerd, ondanks internationale campagnes waarin het onrechtvaardige proces en de door marteling afgedwongen bekentenissen aan de kaak werden gesteld. Ook veroordeelde de rechter de broers van de worstelaar, Vahid en Habib Afkari, tot respectievelijk vierenvijftig en zevenentwintig jaar gevangenisstraf.

    Met de dood bedreigd

    Sindsdien crepeert Vahid in een isoleercel in de Adel Abad-gevangenis in Chiraz – zijn broer Habib is in maart 2022 vrijgelaten. In de context van de huidige, ongekende opstand tegen het regime van de moellahs zijn familie, goede bekenden en medestanders van Vahid beducht voor wraakacties en vrezen ze voor zijn leven, terwijl hij volgens diverse Iraanse media ook al aan mensonwaardige behandelingen wordt blootgesteld. Afgelopen augustus bevestigde zijn broer Saeed al op social media dat hij met de dood werd bedreigd en dat ‘de directeur van de Adel Abad-gevangenis weer een bewakingscamera in de isoleercel van Vahid wilde laten plaatsen voor zijn eigen veiligheid’, aldus Iran International, een in Londen gevestigde televisie-zender die tegen het Iraanse regime is gekant. Deze beslissing zou zijn ingegeven door het gerucht dat ‘bepaalde personen’ van de afwezigheid van een camera zouden willen profiteren om Vahid in de gevangenis te vermoorden, aldus zijn broer.

    IranWire, een andere oppositiesite, komt gedetailleerd terug op de arrestatie van de broers Afkari en citeert diverse getuigen die het officiële feitenrelaas ontkrachten en op talrijke juridische onregelmatigheden wijzen.

    Marteling

    Om te beginnen de plaats waar Vahid Afkari zich bevond toen de agent van de inlichtingendienst door de broers Afkari in Chiraz zou zijn gedood. Volgens een door de site geciteerd familielid was Vahid helemaal niet op de plek waar de moord plaatsvond. Toen hij werd gearresteerd ‘wilde justitie geen tussenkomst van onze advocaten in deze zaak zolang het onderzoek niet was afgerond’, zegt het familielid. ‘In de praktijk kwam het erop neer dat onze advocaten Vahid niet konden bijstaan voordat er (via marteling) een bekentenis was afgedwongen.’

    In augustus 2021 maakte Saïd Dehghan, de advocaat van de familie, bekend dat het verzoek om een nieuw proces door het hooggerechtshof was afgewezen, aldus BBC Persian. De advocaat maakte melding van ‘vierentwintig leugens en drie onwaarheden’ in het vonnis en noemde de vierenvijftig jaar gevangenisstraf waartoe was besloten ‘in strijd met het wetboek van strafrecht’. In een getuigenverklaring die in september 2020 in zijn gevangenis is opgenomen ging Vahid gedetailleerd in op de martelingen die hij tijdens zijn verhoren had moeten ondergaan. ‘Terwijl ik was vastgeketend hebben ze me over mijn hele lichaam geslagen en me elektrische schokken toegediend. Ze drukten me languit tegen de grond en sloegen met een knuppel tegen mijn voetzolen, waarna ze me dwongen om te lopen.’

    Begin april verklaarde Saeed Afkari op Twitter dat de gevangenisautoriteiten Vahid hadden geslagen en zijn hand hadden gebroken. ‘Wij zijn heel erg ongerust over onze broer maar onze weg blijft die van Navid en we zijn niet bang voor de dood,’ lichtte hij toe. 

    GettyImages 1229629333 kopie
    Maryam Rajavi, voorzitter van het National Council of Resistance of Iran (NCRI), betuigt haar respect aan de moeder van worstelkampioen Navid Afkari, die in 2020 werd geëxecuteerd. – © Siavosh Hosseini / SOPA Images / LightRocket via Getty Images

    Democratie opeisen is geen misdaad

    Twee gevangenisstraffen, dat is de prijs die Chow Hang-tung, een 37-jarige advocaat, moet betalen voor het verdedigen van democratische waarden. Ze was in Hongkong vicevoorzitter van het Verbond voor Steun aan Patriottistische Democratische Bewegingen in China.

    Omdat ze weigert te erkennen dat ze ergens schuldig aan is, zit Chow Hang-tung nog altijd achter de tralies. Haar twee veroordelingen houden verband met de herdenking van de massamoord op het Tiananmenplein in Beijing in juni 1989. Op 4 januari 2022 werd Chow tot vijftien maanden gevangenisstraf veroordeeld nadat ze drie weken eerder al een straf van een jaar opgelegd had gekregen.

    Tijdens een zitting van de rechtbank van West Kowloon op 2 september 2022 antwoordde Chow op de vraag van een rechterlijk ambtenaar of ze ‘de misdaad van het oproepen tot ondermijning van de staatsmacht’ erkende: ‘Het streven naar democratie is geen misdaad,’ aldus het nieuwsportaal Hong Kong 01. ‘In het Victoriapark hebben de inwoners van Hongkong zich van hun beste kant laten zien,’ verklaarde ze ontroerd tijdens dezelfde zitting. In haar jaren op de basisschool vergezelde ze haar moeder al naar het Victoriapark om de herdenking van Tiananmen bij te wonen. Nadat ze in 2010 haar doctorsgraad in de natuurkunde had behaald in Oxford, keerde Chow terug naar haar geboorteplaats om rechten te studeren. Tegelijkertijd werd ze vrijwilliger bij het in 1989 opgerichte Verbond voor Steun aan Patriottistische Democratische Bewegingen in China. Het Verbond – waarvan ze zes jaar later vicevoorzitter werd – ijvert voor ‘de invrijheidstelling van prodemocratische activisten’ en streeft naar een einde aan de eenpartijdictatuur. 

    HONGKONG

    CHOW HANG-TUNG

    Chow is een advocaat gespecialiseerd in mensenrechten. Op 4 juni 2021 heeft ze op social media mensen aangemoedigd de repressie op het Tiananmenplein te herdenken door middel van het aansteken van kaarsjes. Ze werd nog diezelfde dag gearresteerd wegens het ‘bevorderen van of ruchtbaarheid geven aan een niet-toegestane bijeenkomst’. Ze zit momenteel een gevangenisstraf van tweeëntwintig maanden uit wegens‘ongeoorloofde samenscholing’.

    WAT EIST AMNESTY?

    Intrekking van alle aanklachten en onmiddellijke invrijheidstelling.

    Elk jaar werd er op de avond van 4 juni een herdenking gehouden, zelfs na de overdracht van Hongkong aan de Volksrepubliek China in 1997, aldus de Singaporese krant Lianhe Zaobao, die eraan toevoegt dat zelfs in 2020, het jaar waarin de nationale veiligheidswet voor Hongkong werd aangenomen en de politie de bijeenkomst niet langer toestond, talrijke inwoners van Hongkong desondanks met kaarsen in de hand naar het park zijn blijven komen.

    Handlanger van het buitenland

    In augustus 2021 beschuldigde de politie van Hongkong het Verbond ervan ‘een handlanger van het buitenland’ te zijn en werden de gegevens van de leden opgeëist. Volgens de Amerikaanse zender Voice of America was dat de eerste keer dat de politie op grond van een artikel uit de nationale veiligheidswet inzake buitenlandse handlangers van een niet-gouvernementele organisatie eiste dat ze haar gegevens prijsgaf. Een maand later maakte het Verbond zijn opheffing bekend.

    PARAGUAY

    YREN ROTELA ET MARIANA SEPULVEDA

    Deze twee Paraguayaanse transgendervrouwen mogen hun voornaam niet veranderen en kunnen geen identiteitsbewijzen krijgen die stroken met hun genderidentiteit. Zij zetten zich in voor verandering. De overheid en conservatieve groeperingen in Paraguay staan vijandig tegenover de lhbtiq-gemeenschap en proberen haar onzichtbaar te maken. Betogingen, die vaak verboden zijn, vormen soms het mikpunt van aanslagen.

    WAT EIST AMNESTY?

    Dat het gender van transpersonen juridisch wordt erkend door de Paraguayaanse overheid zodat zij hun grondrechten kunnen
    uitoefenen.

    Op 29 mei 2022 postte Chow Hang-tung op Facebook: ‘Een kaarsje branden is geen misdaad.’ In haar post zei ze het te betreuren dat gezien de juridische context haar verbond geen herdenking meer kon organiseren. ‘De regering kan bijeenkomsten op een bepaalde plek verbieden, maar ze kan niet verbieden dat overal in Hongkong kaarsjes worden aangestoken.’ Chow’s advocaat zei tegen het blad Ming Pao, dat de kaars het gewicht van het geweten draagt en dat de inwoners van Hongkong de waarheid blijven spreken.’ Ze benadrukte dat ‘het aan hen te danken is die, goedschiks of kwaadschiks, een ruimte in dit land hebben weten te behouden waar de waarheid kan worden gesproken’. 

    Chow werd ervan beschuldigd ‘anderen aan te zetten tot deelname aan een verboden bijeenkomst’, meldde Ming Pao een maand later. De website van de krant schrapte Chows artikel, waarna het door de Chinees-Amerikaanse site China Digital Times werd overgenomen.

    Op 26 mei 2021 publiceerde Apple Daily, een andere toonaangevende krant in Hongkong, een portret van Chow: ‘Laat de angst zich niet verspreiden’, schreef het blad, eraan toevoegend dat ‘de angst als een aangekondigde plaag in alle hoeken van Hongkong om zich heen grijpt’. 

    Het portret eindigde met de vraag of er in het huidige Hongkong nog plaats is voor burgers zoals Chow. Uit angst voor represailles is Apple Daily een maand later dichtgegaan na eerst al zijn archieven te hebben geruimd. Het portret van Chow is bewaard door de site Wenku, een platform dat de geschiedenis van Hongkong ‘veilig wil stellen’.

    GettyImages 1233394082 kopie
    Chow Hang-tung spreekt met de pers voordat de rechtszitting begint tegen twintig prodemocratische activisten. © Hsiuwen Liu/SOPA Images / LightRocket via Getty Images

    Tot wel tien jaar celstraf voor post op Facebook

    Omdat hij zijn bezorgdheid over de plannen om een kolencentrale te bouwen in Banshkhali met jongeren had gedeeld, heeft milieuactivist Shahnewaz Chowdhury tachtig dagen gevangengezeten en riskeert nog eens tien jaar opsluiting.

    ‘Milieuactivist Shahnewaz Chowdhury is momenteel voorwaardelijk vrij,’ meldt Al-Jazeera op zijn website. Maar hij riskeert tien jaar gevangenisstraf vanwege een post op Facebook. Shahnewaz Chowdhury, die zich in Bangladesh actief inzet voor het milieu, was in mei 2021 gearresteerd omdat hij zijn bezorgdheid had uitgesproken over de plannen om een kolencentrale te bouwen in Banshkhali, een stad in het zuidwesten van Bangladesh.

    BANGLADESH

    SHAHNEWAZ CHOWDHURY

    Deze ingenieur heeft op social media zijn zorgen geuit over de bouw van een nieuwe kolencentrale in zijn dorp. Verder heeft hij de jongeren in zijn land aangemoedigd om luid en duidelijk in het geweer te komen. In mei 2021 is Shahnewaz vanwege zijn post op Facebook door de politie gearresteerd. Hij werd tachtig dagen vastgehouden onder onmenselijke omstandigheden, zonder veroor- deeld te zijn. Hij werd in augustus 2021 voorwaardelijk vrijgelaten maar riskeert tien jaar gevangenisstraf.

    WAT EIST AMNESTY?

    Intrekking van alle aanklachten tegen hem.

    In een ‘moedige boodschap’ had hij jongeren opgeroepen om ‘in opstand te komen tegen onrechtvaardigheid’ en hen deelgenoot gemaakt van zijn zorgen over een centrale die ‘het milieu verpest’. Dat kwam hem, ingevolge de wet op de digitale veiligheid, op een beschuldiging van het verspreiden van ‘onjuiste en beledigende’ informatie te staan en van het creëren van ‘chaos’.

    De 37-jarige man heeft tachtig dagen in de gevangenis gezeten en riskeert nog eens tien jaar opsluiting. De maximumstraf onder deze wet, die door critici als ‘draconisch’ wordt bestempeld, is veertien jaar gevangenis. Het plan om een kolencentrale in Banshkhali te bouwen is uitermate controversieel: meer dan twaalf mensen zijn geveld door politiekogels toen ze in april 2021 tegen de komst van de centrale protesteerden. ‘Het inzetten van de wet op de digitale veiligheid [tegen Shahnewaz Chowdhury] is niet te rechtvaardigen en een flagrant voorbeeld van wetsmisbruik,’ zegt C.R. Abrar, een Bengalese academicus, in de krant Daily Star.

    Zwijgen opleggen

    Mensenrechtenorganisaties beschul-digen de regering ervan de wet te misbruiken om milieuactivisten en andere critici het zwijgen op te leggen. ‘De arrestatie van Shahnewaz Chowdhury zal een ontmoedigende uitwerking hebben op mensen die de corruptie en de onrechtmatigheden aan de kaak stellen die gepaard gaan met het plan voor de kolencentrale,’ zegt Abrar, die oproept om de beschuldigingen aan het adres van de milieuactivist in te trekken. 


    Symbolen die worden gevangengezet

    Op 25 juni viel het vonnis, na een haastig proces achter gesloten deuren: de 34-jarige Luis Manuel Otero Alcántara werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf.

    Hij zat al sinds 11 juli 2021 in voorlopige hechtenis omdat hij wilde deelnemen aan de grote betogingen die Cuba die dag op zijn kop zetten. Als lid en medeoprichter van de Movimiento San Isidro, waarin Cubaanse kunstenaars en ontwerpers zich in 2018 hebben verenigd om in het geweer te komen tegen de censuur en de dictatuur op het eiland, was hij al diverse keren in de gevangenis beland. Otero Alcántara, die door het Amerikaanse blad Time tot een van de honderd invloedrijkste figuren van 2021 is uitgeroepen, werd veroordeeld vanwege ‘het beledigen van symbolen van het vaderland, het beledigen van de autoriteiten en het verstoren van de openbare orde’, schreef de Nuevo Herald in Miami de dag na het vonnis.

    De krant citeerde Julie Trébault, directeur van de Artist at Risk Connection van PEN America, een ngo die opkomt voor de vrijheid van meningsuiting, die zei dat ‘het gaat om een aanslag op de artistieke vrijheid op Cuba, op Cubaanse kunstenaars en activisten die strijden voor het recht om zich uit te spreken. Maar hoe de Cubaanse regering ook haar best doet om de vrijheid van meningsuiting met wortel en tak uit te roeien, ze zal daar niet in slagen.’

    Luis Manuel Otero Alcántara verscheen in een clip die in januari 2021 op YouTube werd gepost door een groep bekende funk- en rapartiesten op het eiland en werd daarmee een symbool van het Cubaanse protest. Zijn hit ‘Patria y Vida’, het tegenovergestelde van de favoriete slogan ‘Het vaderland of de dood’ van het castristische regime, bevat teksten als: ‘Geen leugens meer. Het volk eist vrijheid, geen doctrines meer. Wij roepen niet meer “Het vaderland of de dood” maar “Het vaderland en het leven”.’ Een van de schrijvers van het nummer, rapper Maykel ‘Osorbo’ Castillo, die nog op het eiland woont – de andere auteurs leven in ballingschap in Miami – werd tot negen jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens ‘belediging van de autoriteiten, verstoring van de openbare orde en smaad jegens instituties en helden en martelaars van de Cubaanse revolutie.’

    Luis Manuel Otero Alcántara ging afgelopen oktober een week in hongerstaking omdat hij niet mocht telefoneren noch bezoek mocht ontvangen.

    Dit artikel werd samengesteld in samenwerking met Courrier International en Amnesty International.

  • Mizrachim-feministen schudden mensenrechtensituatie in Israël op

    Mizrachim-feministen schudden mensenrechtensituatie in Israël op

    Een nieuwe beweging komt met een ander model om te strijden voor de rechten van de meest onzichtbare en gemarginaliseerde groepen binnen de Israëlische maatschappij. Heeft dat kans van slagen?

    Sapir Sluzker Amran werkte nog voltijds als advocaat toen ze Dalal Daoud leerde kennen. Dat was in November 2018. Zoals elk jaar was Sluzker Amran op zoek naar een manier om aandacht te besteden aan de komende International Day for the Elimination of Violence Against Women (Internationale Dag voor de Uitbanning van Geweld tegen Vrouwen).

    Destijds zat Daoud, een Palestijnse inwoner van Israël, een gevangenisstraf uit van vijfentwintig jaar in Israëls enige vrouwengevangenis, Neve Tirtza, voor de moord op haar man, die haar stelselmatig had mishandeld, verkracht en haar binnenshuis had geketend. Nadat Sluzker Amran had gehoord over Daouds verhaal, en ze haar aan de telefoon had gesproken, stond haar besluit vast: dit jaar zou ze geld inzamelen voor Daoud, zodat ze wat spullen zou kunnen kopen in het gevangeniswinkeltje. Op die manier wilde Sluzker Amran haar duidelijk maken dat er buiten de gevangenis vrouwen waren die zich haar lot aantrokken.

    Maar meteen bij hun eerste ontmoeting begreep Sluzker Amran dat geld voor het gevangeniswinkeltje slechts het begin was van hun relatie. Ze besloot een campagne op te zetten om Daoud vrij te krijgen en ging minder werken zodat ze één dag per week kon besteden aan de coördinatie van dit project.

    Het werkte. Na enkele maanden campagne voeren kwam Daoud in juni 2019 voorwaardelijk vrij

    ‘Een kleine groep vrouwen en enkele organisaties sloten zich aan bij de campagne, en alle plannen werden samen met Dalal uitgewerkt,’ vertelt Sluzker Amran aan +972 Magazine. In de campagne werden straatprotesten gecombineerd met breed opgezette acties op social media en aandacht in de traditionele media, en daarnaast werd er gelobbyd in de Knesset – dit alles met de bedoeling om het verhaal van Dalal in een ander perspectief te plaatsen. De nadruk kwam te liggen op haar veerkracht en haar vermogen om zich te handhaven in een onmogelijke situatie.

    Het werkte. Na enkele maanden campagne voeren kwam Daoud in juni 2019 voorwaardelijk vrij. Niet alleen had het leven van Daoud een radicale wending genomen, het succes van de campagne betekende ook een keerpunt voor Sluzker Amran nadat ze bijna tien jaar lang had geprobeerd haar radicale activisme te combineren met haar carrière in de advocatuur. ‘Op de dag dat Daoud vrijkwam, besloot ik te stoppen met mijn werk als advocaat omdat ik merkte dat ik op deze manier meer effect kon sorteren,’ zegt ze.

    Formule voor succes

    Sluzker Amran beschikte over een formule voor succes, maar ze beschikte nog niet over de middelen om die formule ook op grotere schaal toe te passen. Daar had ze een beweging voor nodig, en ze wist precies tot wie ze zich zou moeten wenden om een dergelijke beweging van de grond te krijgen: Carmen Elmakiyes Amos, met wie ze al heel lang samen actievoerde. De beide vrouwen zetten zich in op verschillende terreinen die allemaal te maken hebben met armoede en huisvesting. Ze droomden er allebei van hun activisme naar ‘een hoger plan te tillen en meer te structureren’, zegt Elmakiyes Amos. 

    En zo zag eind 2019 een nieuwe beweging het licht: Shovrot Kirot (Hebreeuws voor ‘Muren neerhalen’, in de vrouwelijke vorm).

    De naam van de beweging is een hommage aan een gedicht van Vicki Shiran – een van de grondlegsters van het Mizrachim-feminisme [Mizrachim zijn Joden die uit Arabische of moslimlanden naar Israël zijn geëmigreerd]. Het gedicht vertelt het verhaal van een Mizrachim-vrouw uit de periferie die de muren waartussen ze gevangen zat neerhaalde en vervolgens wegvloog. De naam is ook bedoeld als een veeg uit de pan naar het traditionele ‘liberale’ feminisme, dat geen oog zou hebben voor racisme en de financiële problemen waar veel niet-witte vrouwen mee worstelen.

    ‘Wij hebben het over de vrouwen die muren moeten neerhalen voordat ze door welk glazen plafond ook kunnen breken’

    ‘[Liberale feministen] hebben het altijd over het glazen plafond en over op het schild gehesen, geprivilegieerde vrouwen die een inspiratie voor ons zouden moeten zijn,’ zegt Sluzker Amran. ‘Wij hebben het over de vrouwen die muren moeten neerhalen voordat ze door welk glazen plafond ook kunnen breken – vrouwen die niet eens een huis hebben, of die geen geld hebben om de elektriciteitsrekening te betalen, of die bang zijn te worden vermoord door hun man. Dat zijn de meest inspirerende leiders die we hebben.’

    Het verhaal van Sluzker Amran en Elmakiyes Amos begint meer dan tien jaar geleden, in de zomer van 2011. De demonstraties in Israël voor ‘sociale rechtvaardigheid’ hebben zich uitgebreid naar de chique Rothschild Boulevard in Tel Aviv, midden in het financiële district, en in het hele land grijpt de onvrede in razend tempo om zich heen. Honderdduizenden mensen gaan de straat op en slaan tenten op, in reactie op de krapte op de woningmarkt en het onbetaalbare levensonderhoud op het platteland. Ze schreeuwen de bekende leuze die is geïnspireerd op de Arabische Lente: ‘Het volk eist sociale rechtvaardigheid!’

    Voor Sluzker Amran, die destijds twintig was, betekende de golf van protesten het begin van haar activistische reis: nadat ze had gelezen over de demonstraties, besloot ze naar de tenten op Rothschild Boulevard te gaan en zich aan te sluiten. Maar wat ze daar aantrof was geen radicale beweging die iets wilde doen aan de benarde omstandigheden van de meest gemarginaliseerde groeperingen binnen de samenleving, maar een groep van voornamelijk Ashkenazi-activisten uit de middenklasse, die op de allereerste plaats probeerden de huren in Tel Aviv naar beneden te krijgen. Gedesillusioneerd keerde ze huiswaarts. 

    Dezelfde financiële problemen

    In het belangrijkste tentenkamp van de demonstranten leek men zich niet bewust van het feit dat niet alle Israëli’s worstelen met dezelfde financiële problemen. De Mizrachim worden al tientallen jaren gediscrimineerd en gemarginaliseerd door het Ashkenazi-Zionistisch establishment, waardoor er binnen de Joods-Israëlische maatschappij een etnische onderklasse is ontstaan. De Mazrachim verzetten zich al sinds de oprichting van de staat tegen hun onderdrukking – van opstanden in de ma’abarot [doorgangskampen] begin jaren vijftig en de rebellie van 1959 in Wadi Salib, een wijk in Haifa, tot de protesten van de Black Panthers begin jaren zeventig. Maar de strijd voor enerzijds een eerlijke herverdeling van de natuurlijke rijkdommen en anderzijds de erkenning van het onrecht uit het verleden, gaat tot vandaag de dag door.

    Toen de protesten in 2011 om zich heen bleven grijpen, ging Sluzker Amran met een eigen tent terug naar de protesten en vond aansluiting bij een andere groep mensen, het zogenaamde ‘No Choice’-kamp, bestaande uit mensen die geen enkele andere vorm van onderdak hadden, een groep waarmee ze meer affiniteit voelde. ‘Ik vond niet per se aansluiting bij de studenten of bij mensen van mijn eigen leeftijd, maar veel meer bij de daklozen, de alleenstaande moeders, de mensen die net uit de gevangenis kwamen en een plek moesten hebben om te wonen,’ zegt ze. Geleidelijk vond Sluzker Amran haar weg naar de parallelle tentenkampen die waren opgeslagen in de over het algemeen armere en voornamelijk door Mizrachim bevolkte buurten in het zuiden van Tel Aviv, waar een gemeenschappelijke kennis haar in contact bracht met Elmakiyes Amos.

    ‘Wij wilden dat er ook gepraat zou worden over allerlei kwesties die als een stuk minder sexy werden beschouwd’

    Dat bleek een van de vele bepalende ontmoetingen te zijn tussen Mizrachim-activisten, in die zomer waarin overal de initiatieven uit de grond schoten. De vrouwen vonden elkaar in hun kijk op de mainstream protestkampen. ‘Wij wilden dat er ook gepraat zou worden over armoede, over sociale huisvesting, over kindertoeslagen – over allerlei kwesties die als een stuk minder sexy werden beschouwd,’ zegt Elmakiyes Amos. Zo stak ze op een avond met een groep activisten de koppen bij elkaar en werd er besloten een nieuwe beweging in het leven te roepen, Lo Nechmadim/Lo Nechmadot (‘niet aardig’, zowel mannelijk als vrouwelijk, een ironische verwijzing naar de beschrijving die de toenmalige premier Golda Meir had gegeven van de Israëlische Black Panthers, nadat ze die in de jaren zeventig had ontmoet).

    Nadat de mainstream protesten van 2011 weer waren geluwd, bleef Lo Nechmadim/Lo Nechmadot jaren onvermoeibaar strijd leveren voor sociale huisvesting in Israël, samen met een aantal andere grassrootsbewegingen en -organisaties. Deze groeperingen demonstreerden geregeld voor de deur van ministers; in hun ogen waren de privéwoningen van gekozen bestuurders legitieme plekken om te demonstreren als deze politici er verantwoordelijk voor waren dat andere mensen uit hun huis werden gezet. Maar al hun inspanningen leverden frustrerend weinig resultaat op en zowel Sluzker Amran als Elmakiyes begreep dat, zoals de eerste het formuleerde, ‘de manier waarop we ons hadden georganiseerd in het begin prima had gewerkt, maar dat het nu tijd werd voor iets anders’.

    Geen enkele link

    Terugkijkend op hun ervaringen met ngo’s, en in het besef dat ze niet in staat waren gebleken de gewenste veranderingen binnen de Israëlische maatschappij te realiseren, zagen Sluzker Amran en Elmakiyes Amos een structureel probleem, dat zij de ‘ngo-driehoek’ noemden. Er is geen enkele link, betogen zij, tussen de ‘experts’ die werkzaam zijn binnen mensenrechtenorganisaties; hun cliënten binnen de gemarginaliseerde groepen in de samenleving, die vaak afhankelijk zijn geworden van de steun van de ngo’s; en diegenen die het werk van de ngo’s financieren, meestal grote internationale stichtingen, rijke buitenlandse geldschieters of zelfs buitenlandse regeringen.

    Het Shovrot Kirot-model beoogt deze drie categorieën samen te voegen tot één: de ‘cliënten’ zouden zelf het voortouw moeten nemen in de strijd voor hun rechten, goeddeels gefinancierd door kleine donaties die de beweging in staat stellen haar onafhankelijkheid te bewaren. ‘Mensen die ooit dit soort werk hebben gedaan weten precies hoe wezenlijk die vrijheid is,’ zegt Elmakiyes Amos. Na twee jaar zijn de eerste successen van dit model al zichtbaar: ‘We zien vrouwen die een jaar geleden nog door ons werden geholpen, maar die nu partner kunnen worden in de beweging – als donor of als activist – omdat ze het hoofd boven water kunnen houden,’ voegt ze eraan toe.

    ‘Mijn streven is dat niemand hoeft door te maken wat ik heb doorgemaakt’

    Daoud is hier een uitstekend voorbeeld van. Nadat ze was vrijgelaten uit de gevangenis sloot ze zich als activist aan bij Shovrot Kirot, en inmiddels geeft ze leiding aan een ‘community’ (de naam die binnen de beweging wordt gebruikt voor een groep activisten die strijden voor een specifiek doel) die zich bezighoudt met gevangenisstraffen en rehabilitatie, specifiek van vrouwen. ‘De mensen buiten de gevangenis hebben geen idee wat zich daar afspeelt,’ zegt Daoud tegen +972. ‘Maar ik weet nu hoe ik mensen kan helpen als ze in de gevangenis zitten, en nadat ze zijn vrijgekomen – met zaken als geld, zorg en opvang. Er zijn wezenlijke dingen die we kunnen doen zodat deze vrouwen een nieuwe start kunnen maken en niet afhankelijk hoeven te zijn. Mijn streven is dat niemand hoeft door te maken wat ik heb doorgemaakt.’

    Maar ondertussen blijkt het niet eenvoudig om de beweging gaande te houden met alleen kleine donaties. Elmakiyes Amos legt uit dat het met name bij dit soort projecten moeilijk is om financiering te krijgen. Er zijn namelijk maar weinig mensen die zich hiervoor willen inzetten als ze er niet zelf direct mee te maken hebben gekregen – omdat ze bijvoorbeeld in sociale huurwoningen zitten, de elektriciteitsrekening niet kunnen betalen of zelf ooit hebben vastgezeten. Deze situatie werd nog eens verergerd door de uitbraak van de corona-epidemie kort na het opzetten van hun beweging. ‘We houden het hoofd nog net boven water, maar als we nog langer willen doorgaan, zal ons maandelijkse budget van kleine donaties omhoog moeten,’ zegt Elmakiyes Amos.

    ‘Dat vrouwen in armoede leven, en dan met name Mizrachim of vrouwen uit Ethiopië, laat de meeste mensen min of meer koud,’ vervolgt ze. ‘Het lijkt erop dat veel mensen die zich mensenrechtenactivist noemen zich niet zo graag bezighouden met onze problemen en onze mensen. Het is echt lastig om mensen ervan te doordringen dat kwesties als armoede, het recht op onderdak en het recht op elektriciteit een onlosmakelijk deel zijn van de strijd voor mensenrechten in Israël, en dat deze kwesties even belangrijk zijn als de strijd tegen de bezetting en de strijd voor democratie. Natuurlijk is die strijd belangrijk, maar er spelen ook nog andere dingen die volkomen uit beeld zijn verdwenen.’

    Speerpunt

    Voor Shovrot Kirot blijft de strijd voor sociale woningbouw een speerpunt, in navolging van Lo Nechmadim/Lo Nechmadot en andere bewegingen die daaraan voorafgingen. Momenteel staan er in Israël meer dan dertigduizend gezinnen op een wachtlijst voor sociale huurwoningen, terwijl duizenden andere gezinnen zich niet eens kunnen inschrijven vanwege de stringente criteria die de regering heeft opgesteld. En omdat binnen dit systeem arme Mizrachim-vrouwen het sterkst worden uitgebuit, is het een strijd met een uitgesproken feministisch en Mizrachim-karakter.

    Nog los van het gebrek aan sociale huurwoningen en het feit dat het ongekend moeilijk is zo’n woning te bemachtigen, hebben de huurders nauwelijks een poot om op te staan als de autoriteiten besluiten ze uit hun huis te zetten, waardoor hun woonsituatie zeer hachelijk is. In de afgelopen jaren is Givat Amal, een buurt in het noorden van Tel Aviv, uitgegroeid tot een krachtig symbool van dit verrotte systeem en van de strijd voor rechtvaardigheid – een strijd waarin Shovrot Kirot weer haar unieke organisatiemodel heeft ingezet.

    ‘In 2011 gingen mensen de straat op omdat ze het gevoel hadden dat ze geen steun meer kregen van de staat’

    ‘In 2011 gingen mensen de straat op omdat ze het gevoel hadden dat ze geen steun meer kregen van de staat,’ zegt Ronit Aldouby, die lid is van het actiecomité van Givat Amal, en die in de buurt heeft gewoond totdat in november 2011 de laatste bewoners met geweld uit hun huis werden gezet, waarna de huizen met de grond gelijk werden gemaakt.

    Het verhaal van Givat Amal is een verhaal van uitbuiting, verwaarlozing en verbroken beloften. Givat Amal is ontstaan in 1947, oorspronkelijk vanuit een Ashkenazi-Zionistisch establishment dat de Mizrachim beschouwde als ‘menselijk materiaal’ voor de kolonisatie van Palestina. De eerste Joodse inwoners vestigden zich daar om te voorkomen dat de Palestijnse vluchtelingen uit al-Jammasin al-Gharbi zouden terugkeren. Maar het werd de Mizrachim-families wettelijk onmogelijk gemaakt om de panden te kopen waarin ze woonden. 

    Ondanks veelvuldige beloften dat de inwoners van Givat Amal niet uit hun huis zouden worden gezet zonder volledig te worden gecompenseerd en zonder dat er voor andere woonruimte werd gezorgd, werd het land waarop ze woonden herhaaldelijk doorverkocht. Totdat de huidige eigenaar, onroerend goed tycoon Yitzhak Tshuva, in 2005 uiteindelijk instemde met een grootschalig project waarmee hun uitzetting een feit werd. De inwoners hebben jaren strijd geleverd, wat heeft geresulteerd in een pakket compensatiemaatregelen waarmee de laatst overgebleven inwoners uiteindelijk akkoord zijn gegaan vlak voordat ze zouden worden uitgezet. Maar het geld is blijven steken op het ministerie van Justitie onder Gideon Sa’ar (wiens New Hope-partij tegenwoordig ook het ministerie van Huisvesting in handen heeft).

    Sleutelrol

    Shovrot Kirot heeft een sleutelrol gespeeld in wat Aldouby de ‘Sisyfusstrijd’ van de inwoners heeft genoemd, een strijd die ze voeren sinds de oprichting van de groep in 2019 – al zijn de oprichters en de activisten al bij de strijd betrokken sinds 2014, het jaar waarin zo’n tachtig gezinnen in deze buurt uit hun huis werden gezet. ‘Die jaren leverden we strijd om een einde te maken aan de uitzettingen, en Carmen en Sapir begeleidden ons bij alle protestacties. Ze waren ook bij de uitzettingen – Sapir is zelfs een keertje opgepakt.’

    Tijdens een demonstratie begin februari, mede georganiseerd door Shovrot Kirot, om rechtvaardigheid te eisen voor de bewoners die uit hun huis waren gezet, blokkeerden zo’n honderd actievoerders het drukke kruispunt tussen Givat Amal en het appartement van Gideon Sa’ar – een appartement dat, wrang genoeg, uitkijkt op wat nu de ruïnes van een platgegooide buurt zijn. Met bordjes, megafoons en trommels, en met in hun kielzog tientallen agenten, scandeerden de actievoerders: ‘Criminele regering, maak een einde aan de uitzettingen!’ en ‘We blijven strijden voor compensatie!’ Bij de toegang tot Givat Amal, naast een tiental waxinelichtjes die zo waren neergezet dat ze de woorden ‘We zullen niet vergeven’ vormden, stond een handgeschreven bord met daarop de naam Shovrot Kirot, en als tekst: ‘Het beleid om mensen uit hun huis te zetten is geweld tegen vrouwen.’

    Hoewel de vrouwen nog altijd wachten op de door de regering toegezegde compensatie, putten ze er kracht uit dat ze er in ieder geval in zijn geslaagd de regering onder druk te zetten. Het feit dat ze, op instigatie van Shovrot Kirot, nieuwe tactieken hebben ingezet – en vooral het besluit om het juridische strijdperk te betreden, naast het organiseren van demonstraties en het werven van steun via nieuwe én traditionele media – heeft hier ook een rol gespeeld.

    ‘Carmen en Sapir gingen met andere activisten naar de debatten in de Knesset,’ zegt Aldouby. ‘Ze zitten zelfs in de WhatsAppgroep van het buurtcampagneteam, ontvangen alle updates en denken met ons mee over wat de volgende stappen moeten zijn. Ze staan naast ons, bij alles wat er gebeurt en bij elke beslissing die er wordt genomen.’ 

    Ook hier worden alleenstaande moeders het zwaarst getroffen door het overheidsbeleid

    Hoewel Shovrot Kirot zichzelf bestempelt als Mizrachim-feministische beweging, zit de beweging zo in elkaar dat er makkelijk aansluiting kan worden gevonden tussen de strijd van de Mizrachim en de strijd van andere onderdrukte bevolkingsgroepen in Israël – zoals de Palestijnse inwoners. De afgelopen maanden is de beweging steeds actiever geworden in Jaffa, waar als gevolg van een agressieve gentrificatie het leven onbetaalbaar wordt voor de Palestijnen die er na de Nakba zijn blijven wonen. Ook hier worden alleenstaande moeders het zwaarst getroffen door het overheidsbeleid en het feit dat het gemeentebestuur niet in sociale woningbouw investeert.

    In november 2021, in de week dat de laatste inwoners van Givat Amal uit hun huis werden gejaagd, besloot Farida Najar, een alleenstaande Palestijnse moeder die al vier jaar op de wachtlijst stond voor een woning, een tent op te zetten in een park in Jaffa, en daar met haar vier kinderen te gaan wonen. Al snel kreeg Najar gezelschap van acht andere moeders met hun kinderen, die ook hun tent opzetten in het park om te protesteren tegen het falende stadbestuur van Tel Aviv-Jaffa, dat geen oplossing had weten te vinden voor hun nijpende situatie. Uiteindelijk werd er een tijdelijke oplossing overeengekomen.

    Ohad Amar, een sociaal-advocaat die in de raad van bestuur zit van Shovrot Kirot, ging naar het park om met de moeders te praten, en zette zich vanaf dat moment in om rechtsbijstand voor hen te regelen. ‘Toen ik de vrouwen sprak, werd me duidelijk dat ze geen van allen hebben waar ze recht op hebben, in termen van sociale zekerheid of huisvesting. Ze hebben geen van allen een advocaat, ze hebben niemand die hen kan helpen met het aanvragen van een uitkering,’ zegt hij tegen +972.

    ‘We proberen een groep vrijwilligers samen te stellen om dat te regelen, want het is ongekend moeilijk voor mensen om hun recht te halen,’ vervolgt hij. Voor de negen vrouwen in Jaffa die op deze manier hulp hebben gekregen is er een tijdelijke oplossing gevonden, en hun bijstandsaanvragen zijn ingediend. Maar, zo zegt Amar, zelfs als dat allemaal is geregeld, ‘leven deze vrouwen nog altijd in armoede’.

    Ethiopische vrouwen

    Ook Ethiopische vrouwen zijn oververtegenwoordigd in sociale woningbouwprojecten in Israël. Elmakiyes Amos herinnert zich een episode waarin een Mizrachim-vrouw, Rachel Levy, met haar kinderen uit huis werd gezet nadat haar moeder was overleden, omdat ze niet langer voldeed aan de voorwaarden voor een sociale huurwoning. ‘De autoriteiten wezen de woning toe aan een andere Ethiopische vrouw,’ zegt Elmakiyes Amos. ‘Toen zij Rachel zag, die na haar uithuisplaatsing een tent had opgezet in het gras voor de deur, bood ze haar verontschuldigingen aan. Maar Rachel antwoordde: “Jij kunt hier niets aan doen. We zouden niet hoeven te vechten om dit appartement; er zou een appartement voor jou moeten zijn en een appartement voor mij.” Naar mijn idee is dat de essentie van deze tragedie. Toen ik dat zag, werd me duidelijk hoe intrinsiek kwalijk dit beleid is, waarmee verzwakte groepen tegen elkaar op worden gezet. Het illustreert ook perfect de noodzaak voor verzwakte bevolkingsgroepen om samen op te trekken en dit soort verbonden aan te gaan.’

    Het bevorderen van solidariteit tussen onderdrukte groepen is zeker een van de ambities van de activisten van Shovrot Kirot, al is het momenteel slechts een neveneffect van hun inspanningen. Voor nu is Amar ervan overtuigd dat er nog altijd spanning bestaat tussen mensen die strijden voor ‘sociale rechtvaardigheid’ en mensen die ‘politieke rechten’ propageren – hoofdzakelijk de Palestijnse strijd.

    Een deel van deze spanning is terug te voeren op de aard van de links/rechts-dichotomie in Israël, waarin wat als ‘links’ wordt gezien – en dan met name als ‘zionistisch links’ – grotendeels wordt gelijkgesteld aan de rijkere, voornamelijk Ashkenazi-delen van de samenleving; terwijl dat wat als ‘rechts’ wordt beschouwd van oudsher het armere deel van de samenleving is, voornamelijk Mizrachim.

    ‘Ik weet niet of we er al aan toe zijn om te zeggen dat er een verband is tussen de rechten van de Palestijnen en het verzet tegen het kapitalisme’

    ‘We hebben nog niet de basis gevonden om samen op te trekken in alle campagnes en voor alle strijdpunten,’ zegt Amar. ‘Ik weet niet of we er al aan toe zijn om te zeggen dat er een verband is tussen de rechten van de Palestijnen en het verzet tegen het kapitalisme, en of we onze krachten al moeten bundelen. Links Israël kan zich makkelijker verhouden tot de bezette gebieden dan tot mensen die bijvoorbeeld zijn afgesneden van de elektriciteit, waarbij zij zich de vraag moeten stellen: “Tja, wil dat zeggen dat ik meer belasting zou moeten betalen?”’

    ‘Aan de andere kant,’ vervolgt hij, ‘staat onze gemeenschap open voor het idee van sociale rechtvaardigheid, dus we willen het graag in één en hetzelfde gesprek kunnen hebben over het debat over de rechten van de Palestijnen en het recht op sociale huisvesting. Volgens mij is dat de functie van Shovrot Kirot: mensen meer bewust maken van sociale rechtvaardigheid, zodat we strijd kunnen voeren tegen zowel het kolonialisme als kapitalisme.’

    Eigen gemeenschap

    Sluzker Amran is ervan overtuigd dat het strategische waarde heeft om je allereerst op de eigen gemeenschap te richten. ‘Niet dat we ons verzet tegen de bezetting opgeven – ik denk dat de Palestijnen een einde zullen maken aan de bezetting,’ benadrukt ze. ‘Maar tegelijkertijd kunnen we ervoor zorgen dat onze eigen gemeenschappen sterker worden. En we kunnen er samen over praten op een manier waar iedereen zich in kan vinden en waarbij we de overeenkomsten benoemen.’

    ‘Mij staat geen “vredeskamp” voor ogen, waarin de meeste mensen zeer geprivilegieerd zijn en afkomstig uit een milieu dat al behoorlijk links is,’ vervolgt Sluzker Amran. ‘Ik richt me op mensen die weten hoe het is om met politiegeweld te maken te krijgen, mensen die niet verbaasd opkijken als de politie Iyad al-Hallaq vermoordt [een 32-jarige autistische Palestijnse man die werd neergeschoten en gedood door de Israëlische politie toen hij niet stopte bij de controlepost Lions’ Gate in Jeruzalem], of als ze zien hoe de politie zich opstelt tegenover de Bedoeïenen in de Negev-woestijn of bij de vrijdagse demonstraties in het bezette Oost-Jeruzalem. In Givat Amal, maar ook op andere plekken, zien ze de uitzettingen in Sheikh Jarrah en in de Negev-woestijn, ze zien de foto van een oude vrouw die de agenten of de soldaten smeekt om in haar huis te mogen blijven.’

    ‘Het is niet hetzelfde,’ verduidelijkt Sluzker Amran. ‘Maar mensen zien de gelijkenissen. Dat is niet de reden dat ik dit doe, maar ik heb wel het idee dat ik me op deze manier verzet tegen de bezetting.’

    Sivan Tahel, een activist van Shovrot Amran die zich voornamelijk bezighoudt met politiegeweld, ziet er geen meerwaarde in als de beweging zich zou voegen naar traditionele politieke labels. ‘Zeggen dat ik een Mizrachim-vrouw ben is al een politieke stellingname,’ betoogt ze, ‘omdat daarmee de machtsverhoudingen worden benoemd; niet of ik tot het “linkse” of het “rechtse” kamp behoor.’

    ‘Daarom zijn bewegingen als de onze ook zo belangrijk, want wij hebben eigenlijk geen politieke kleur’

    ‘Daarom zijn bewegingen als de onze ook zo belangrijk,’ vervolgt ze. ‘Want wij hebben eigenlijk geen politieke kleur. En wat is er zo radicaal aan om binnen het systeem op zoek te gaan naar een politieke kleur? Wij zijn activisten, waar wij naar streven is een verandering van het hele systeem, niet alleen van de mensen aan de top.’

    Maar hoewel Tahel de overeenkomsten ziet tussen verschillende gemarginaliseerde groepen die met dezelfde sociale problemen worstelen, waarschuwt ze ook dat de verschillen niet moeten worden uitgevlakt. ‘Door bevolkingsgroepen met elkaar te verbinden, creëer je een mechanisme dat de tactiek van verdeel-en-heers ondermijnt,’ zegt ze. ‘Maar als we ons willen verenigen in de strijd, is het belangrijk om te onderkennen dat elke bevolkingsgroep uniek is.’

    Ze licht toe: ‘Het is schadelijk om de Mizrachim-strijd altijd te zien als een poort naar de strijd van een andere gemeenschap die een zwakkere positie zou hebben dan wij, aangezien de Mizrachim meer dan zeventig jaar lang zijn onderdrukt en uitgesloten zonder dat er ook maar sprake is van enige rechtvaardigheid of compensatie. Als Mizrachim moet je constant strijd leveren om je plek op te eisen, en je moet mensen er voortdurend van overtuigen dat je de waarheid vertelt over het feit dat je wordt onderdrukt. Dus de Mizrachim hebben een eigen strijd, die ook gevoerd moet worden. En Shovrot Kirot geeft ons daar de kracht voor.’