Onderwerpen: discriminatie

  • VS: 91 jaar na executie wordt zwarte tiener alsnog onschuldig verklaard

    VS: 91 jaar na executie wordt zwarte tiener alsnog onschuldig verklaard

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Frankrijk, Italië, Duitsland en Roemenië steunen EU-kandidatuur Oekraïne

    » Duizenden runderen sterven door hittegolf in Kansas

    Williams kreeg als jongste persoon ooit doodstraf in Pennsylvania

    In de Verenigde Staten is een jonge zwarte man eenennegentig jaar na zijn executie alsnog onschuldig verklaard. Alexander McClay Williams werd op zestienjarige leeftijd veroordeeld en geëxecuteerd voor het neersteken van een witte lerares. Decennialang heeft zijn familie beweerd dat hij ten onrechte was veroordeeld. Deze week werd hij door een rechtbank in Pennsylvania vrijgesproken, aldus Philadelphia Inquirer.

    ‘In 1931 had een witte jury slechts vier uur nodig om Alexander McClay Williams, een zwarte tiener, te veroordelen voor het neersteken van een lerares op de Glen Mills School for Boys in Delaware County’, schrijft de lokale krant. Vijf maanden later werd Williams, zestien jaar oud, geëxecuteerd. Hij was daarmee de jongste persoon in Pennsylvania ooit die ter dood werd gebracht.

    Met hulp van de achterkleinzoon van de advocaat die hem tijdens het proces vertegenwoordigde, probeerde zijn familie tientallen jaren lang zijn onschuld te bewijzen, en deze week werd Williams eindelijk postuum in het gelijk gesteld. Het nieuws werd met opluchting begroet door zijn enige overlevende zus (92), meldt Philadelphia Inquirer.

    Lees ook:

  • Zo onderdrukt China de Oeigoeren: detentiecentra en ‘shoot to kill’-beleid

    Zo onderdrukt China de Oeigoeren: detentiecentra en ‘shoot to kill’-beleid

    Onlangs lekten politiedossiers met foto’s van Oeigoerse gevangenen in zogenaamde ‘heropvoedingscentra’ uit. Ze geven een ontluisterend beeld van de massale vervolging van de islamitische minderheid in China. ‘De kampen zijn bedoeld om de Oeigoerse cultuur, geschiedenis en religie uit te roeien.’

    China’s brute en grootschalige onderdrukking van de Oeigoerse islamitische minderheid in Xinjiang heeft voor het eerst een gezicht gekregen. Tienduizenden politiedossiers, foto’s en officiële documenten van hoge ambtenaren van de Communistische Partij van China (CPC), waar El País toegang toe had, leveren een ongekend bewijs van de omvang van het gevangenissysteem in deze westelijke regio van China en van het paranoïde beleid van Beijing ten aanzien van etnische minderheden. 

    Het journalistieke onderzoek van dit archief vond plaats onder leiding van de Duitse wetenschapper Adrian Zenz, expert in het analyseren van de Chinese onderdrukking in de regio, in samenwerking met nog dertien media in elf landen. Het onderzoek, dat De Politiedossiers van Xinjiang is genoemd, maakte het mogelijk om duizenden gevangenen, onder wie minderjarigen, in de door China gebouwde heropvoedingscentra te identificeren. De aanklachten op basis waarvan mensen gevangen worden gehouden en die doorgaans weinig consistent zijn, konden worden geclassificeerd; dankzij beelden die in de inrichtingen zijn gemaakt kunnen detentie-, ondervragingsmethoden en mishandeling van bewakers tegen gevangenen worden getoond.

    Ook werden transcripties geanalyseerd van openbare toespraken door de hoogste leiders van de CPC in Xinjiang. Waarom ook toespraken van secretaris-generaal Chen Quanguo die, overeenkomstig de instructies van Beijing, de doctrine van maximale veiligheid verkondigde en verklaarde dat gevangenen zelfs zullen worden doodgeschoten als zij in opstand komen of proberen te ontsnappen.

    Systematische repressie

    ‘Achter deze systematische repressie,’ zegt Zenz in een telefoongesprek, ‘schuilen de angst en paranoia van president Xi Jinping vanwege het verzet van de Oeigoeren tegen pogingen van de staat om hen te controleren.’ Volgens onderzoek van Zenz, die lid is van de in Washington gevestigde Victims of Communism Memorial Foundation, is de opsluiting van Oeigoeren in heropvoedingskampen de ‘meest omvangrijke internering van een etnische religieuze minderheid sinds de Holocaust’. Ten minste 1 miljoen burgers, van wie de meesten Oeigoeren, zijn opgesloten in heropvoedingskampen verspreid over Xinjiang. Over dat aantal bestaat consensus onder journalisten, academici en de Verenigde Naties.

    Een anonieme externe bron kwam aan De politiedossiers van Xinjiang via geraffineerde hacks van de computersystemen van het Bureau voor Openbare Veiligheid van de Chinese politie (afgekort de PSB), in de districten Konasheher in de prefectuur Kashgar en Tekes in het district Ili Kazachstan. De hacker, die om veiligheidsredenen anoniem wil blijven, handelde op eigen initiatief, zonder enige betrokkenheid bij of steun van onderzoekers die bij het project betrokken zijn. De documenten, beelden en de aanwezigheid van drie heropvoedingscentra waarop de dossiers betrekking hebben, zijn door de groep journalisten geverifieerd middels geolokalisatie op basis van foto’s die door agenten zijn genomen. Hany Farid, expert en professor aan de universiteit van Berkeley op het gebied van forensische beeldanalyse, heeft verklaard dat er geen bewijs is dat de fotoarchieven zijn gemanipuleerd.

    Het district Kashgar op de grens met Kazachstan en Kirgizië, die officieel de Autonome Oeigoerse Regio Xinjiang heet, is een van de geplande haltes tijdens de officiële reis die de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, de voormalige Chileense president Michelle Bachelet, afgelopen maandag is begonnen. Bezoek aan de heropvoedingscentra voor Oeigoeren, de grootste etnische groep in deze regio met ongeveer 25 miljoen inwoners, was een van de fundamentele eisen die mensenrechtenorganisaties bij Bachelet hadden neergelegd. In een en referentiedocument voor overheidsbeleid erkende de regering van Xi in oktober 2018 voor het eerst het bestaan van deze faciliteiten. Beschuldigingen van onderdrukking van minderheden in Xinjiang wijst Beijing echter van de hand, en de regering houdt vol dat deze faciliteiten zijn bestemd voor onderwijs en vorming van ‘studenten’, die zich vrijelijk kunnen bewegen. Het regime noemt dergelijke gevangenisinternaten ‘onderwijs- en vormingscentra voor beroepsvaardigheden’.

    12 procent van de volwassen bevolking is geïnterneerd in heropvoedingscentra, detentiecentra of gevangenissen

    De politiedossiers van Xinjiang tonen een heel andere werkelijkheid. Zo blijkt uit een analyse van duizenden politiedocumenten in Konasheher (het register van de veiligheidsdiensten telt zo’n 286.000 burgers, bijna de complete bevolking van dit district) dat in de periode 2017-2018 ten minste 12,3 procent van de volwassen bevolking op de een of andere manier is geïnterneerd in heropvoedingscentra, detentiecentra (voor mensen die zijn opgepakt en die een veroordeling afwachten) of gevangenissen.

    In een e-mail als antwoord op vragen over de inhoud van het lek schreef Liu Pengyu, woordvoerder van de Chinese ambassade in de Verenigde Staten: ‘De Xinjiang-kwesties hebben in wezen te maken met de strijd tegen gewelddadig terrorisme, radicalisering en separatisme, niet met mensenrechten of religie. Gezien de ernstige en complexe situatie aangaande terrorismebestrijding heeft Xinjiang een reeks doortastende, solide en effectieve maatregelen voor deradicalisering genomen. Als gevolg daarvan heeft zich in Xinjiang al verscheidene jaren achtereen geen enkel geval van gewelddadig terrorisme meer voorgedaan’.

    Na publicatie van de documenten deed de woordvoerder van het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken, Wang Wenbin, de berichten dinsdag af als ‘een nieuw voorbeeld van anti-Chinese krachten die China belasteren’, aldus correspondent Macarena Vidal Liy vanuit Beijing. ‘Het is gewoon een herhaling van een oude truc,’ zei hij op de dagelijkse persbriefing van zijn ministerie. ‘De wereld laat zich niet voor de gek houden door de verspreiding van geruchten en leugens die niet kunnen verhullen dat Xinjiang stabiliteit en welvaart kent en dat de inwoners een gelukkig en tevreden leven leiden,’ zei hij. Daarmee herhaalde hij het argument van Beijing in reactie op beschuldigingen van mensenrechtenschendingen in Xinjiang.

    5074 portretfoto’s

    De politiedossiers van Xinjiang bevatten, naast andere documenten, 5074 portretten die tussen 6 januari en 25 juli 2018 zijn gemaakt op politiebureaus of in gesloten centra in het district Konasheher. Het vormt een van de belangrijkste bijdragen van de analyse van de Chinese repressie. Van deze foto’s konden 4989 worden gekoppeld aan een persoon en worden voorzien van gedetailleerde informatie. El País analyseerde een steekproef van 2884 foto’s met specifieke gegevens van gedetineerden uit deze bestanden die afkomstig zijn uit het informatienetwerk van het Chinese PSB. De meerderheid van de gedetineerden, 2001 burgers, is jonger dan 30 jaar (69 procent). Mannen zijn in de meerderheid, 2490 (86 procent), tegenover 394 vrouwen (14 procent). Uit de analyse blijkt dat zich onder de gevangenen mensen bevinden van alle leeftijden (tussen 15 en 73 jaar) en van alle opleidingsniveaus (van ongeschoolden tot universitair gediplomeerden).

    Dit journalistieke onderzoek wordt bij een half dozijn andere onderzoeken gevoegd waarmee sinds 2019 wordt geprobeerd de omvang aan te tonen van de systematische onderdrukkingscampagne van het communistische regime tegen de Oeigoeren, een etnische groep die voornamelijk islamitisch is. Xinjiang, dat in het westen aan zeven Centraal-Aziatische landen grenst, is van bijzonder belang voor Beijing. Ten eerste omdat het een doorvoerpunt is op de Nieuwe Zijderoute, ten tweede om veiligheidsredenen: het zogenaamde binnen-China wordt sociaal, politiek en economisch gedomineerd door etnische Han-Chinezen, die er in de meerderheid zijn. Maar deze regio, gelegen in het oostelijke deel van het historische Turkestan, tussen de Kaspische Zee en de Gobiwoestijn, met een geschiedenis en een cultuur die verbonden zijn met de Turkse volkeren en waar de gelaatstrekken verschillen van die van de Han, heeft traditioneel altijd een verlangen naar autonomie gekend. Dit is door Beijing sterk verworpen en nu vrijwel vernietigd.

    De verhuizing van etnische Han-Chinezen in een poging om de demografie van Xinjiang te veranderen, leidde rond 2009 tot hevige botsingen. Een van de bloedigste episodes was de botsing tussen de Oeigoerse en de Han-gemeenschap in juli 2009 in Urumqi, de hoofdstad van de regio, waarbij ongeveer tweehonderd doden vielen. Na verschillende aanvallen door gewapende separatistische groeperingen gaf Xi in mei 2014 het groene licht voor een campagne onder de naam Een dreun tegen gewelddadig terrorisme, en die vormt nog steeds het kader voor het huidige keiharde optreden in de regio.

    Abdurahman Hasan herkende zijn vrouw op een van de foto’s

    Abdurahman Hasan, een Oeigoer, is een van de personen die de juistheid van de politiedossiers kon bevestigen; hij identificeerde zijn vrouw tijdens een interview in Istanboel met BBC News, dat ook deel uitmaakt van de journalistieke onderzoeksgroep. Hasan is een zakenman uit Kashgar die vaak naar het buitenland reisde, wat vaak argwaan wekt in Beijing. Hij verliet Xinjiang in januari 2017, op het hoogtepunt van de hardhandige repressie. In de zomer van dat jaar werd zijn destijds eenentwintigjarige vrouw Tunsagul Nurmemet gearresteerd, samen met zijn moeder. Volgens haar dossier werd Nurmemet veroordeeld wegens ‘het bijeenbrengen van een menigte om de maatschappelijke orde te verstoren, ruzies uit te lokken en problemen te veroorzaken’. ‘Haar leven draaide om haar familie en ze ging ook niet veel met anderen om,’ aldus Hasan tijdens het gesprek in de Turkse hoofdstad. ‘Ze ging alleen op bezoek bij familie, ik weet niet of ze veel vrienden had. Ze had geen groot sociaal netwerk, dus hoe kon ze een menigte bijeenbrengen?’ Ze kreeg zestien jaar hechtenis opgelegd.

    De Nurmemet op de foto in De Politiedossiers van Xinjiang is onherkenbaar vergeleken met de pasfoto die tot dusver beschikbaar was in de databanken met Oeigoerse slachtoffers van de Chinese repressie. Volgens informatie die Hasan in de zomer van 2017 kreeg, waren zijn vrouw en moeder ‘meegenomen om te studeren’.

    Haar verhaal komt overeen met dat van veel andere families van mensen die zijn verdwenen. Zo ging het bijvoorbeeld ook met Nursiman Abdureshid, drieëndertig, die door El País eveneens in Istanboel werd geïnterviewd. Haar familieleden komen voor in politiedossiers van de prefectuur van Kashgar. In de zomer van 2017 hoorde Abdureshid, die toen al twee jaar in Turkije woonde, via een telefoontje van familieleden dat haar vader en jongere broer naar een ‘onderwijsprogramma’ waren gebracht. De oudste van haar broers zat sinds 2016 gevangen wegens een vermeend niet-afbetaalde schuld. Ze werd verzocht niet meer te bellen en kreeg te horen dat haar familie in orde was. In juni 2020 slaagde Abdureshid erin de Chinese ambassade in Turkije te laten bevestigen dat haar familieleden straffen van meer dan tien jaar waren opgelegd. ‘Ik vroeg wat de redenen waren voor hun veroordeling,’ vertelt Abdureshid tijdens het interview, ‘en ik kreeg te horen dat het ging om “verstoring van de openbare orde” en dat ze mogelijk van plan waren terroristische activiteiten te ontplooien.’ Haar vader was een voormalig staatsambtenaar en lid van de CPC. Zij meent dat zijn vertrek uit Xinjiang, samen met dat van haar andere zuster, die in de VS woont, achterdochtig maakte en tot de onderdrukking van haar familie heeft geleid.

    In De politiedossiers van Xinjiang bevinden zich ook tientallen foto’s die door de autoriteiten en veiligheidsdiensten zijn gemaakt in het district Tekes, in de prefectuur Illi Kazachstan. Ongeveer dertig van de beelden, gemaakt tussen april 2017 en september 2018, lijken te zijn gemaakt in het heropvoedingscentrum in het district. Het optreden van de officieren in die inrichting, hun bewapening en de manier waarop gevangenen worden behandeld, staan haaks op wat je in een centrum voor beroepsopleiding zou verwachten en ook haaks op publiekelijke berichten uit Beijing.

    Martelingen

    Op de foto’s worden gedetineerden met kappen over hun hoofd en met handboeien om van de ene plek naar de andere gebracht. Agenten gewapend met stokken zijn meestal etnische Oeigoeren, maar er zijn ook agenten met aanvalsgeweren en oproeruitrusting; dat zijn meestal etnische Han. Volgens de foto’s die in Tekes gemaakt zijn, vinden de verhoren plaats op zogenaamde tijgerstoelen, die volgens Human Rights Watch deel uitmaken van het repertoire van martelwerktuigen dat China gebruikt. Verscheidene reeksen van deze documenten tonen praktijken die in 2017 ook in de zogenoemde Secret China Cables, andere gelekte officiële documenten, aan het licht kwamen. Het gaat om het injecteren van gevangenen, in dit geval van mannen, meestal voor voedselvoorziening of voor analyse. Andere praktijken betreffen de verplichting om dagelijks de doctrine van het kamp te reciteren of in groepen te luisteren naar de propaganda van de lokale autoriteiten.

    Naar schatting hebben al een miljoen burgers in deze heropvoedingscentra gezeten, maar dat cijfer zou wel eens zeer conservatief kunnen zijn, blijkens een van de meest onthullende politieke toespraken die door het lek aan het licht zijn gekomen. Het document is een transcriptie van een toespraak die Zhao Kezhi, minister van Openbare Veiligheid, hield tijdens zijn bezoek aan Urumqi op 15 juni 2018 en geclassificeerd als ‘geheim document’. De transcriptie klopt met plaatselijke persberichten en foto’s van de communistische leider gedurende zijn verblijf in de hoofdstad van Xinjiang. Volgens het document sprak Zhao in zijn toespraak van 2 miljoen burgers van Xinjiang die ‘beïnvloed’ waren door ideeën over onafhankelijkheid, en nog eens 2 miljoen mensen die religieuze extremistische gedachten koesterden. Daarmee noemde hij twee van de drie ‘demonen’ die Beijing nadrukkelijk in de as van het kwaad plaatst: terrorisme, separatisme en radicaal islamisme.

    De CPC-minister meldde tijdens zijn toespraak dat twintigduizend ‘terroristen’ waren ‘vernietigd‘

    Zhao toont zich verheugd over de stabilisering van Xinjiang dankzij de ‘dreun tegen gewelddadig terrorisme‘ die in werking treedt zodra zij hun gezicht laten zien’. De CPC-minister meldde tijdens zijn toespraak dat twintigduizend ‘terroristen’ waren ‘vernietigd‘, waarbij hij niet specificeerde wie zij waren of wat er met hen is gebeurd. Het aantal is meer dan vijf keer zo groot als het totaal in de voorafgaande tien jaar. Zhao feliciteerde in zijn toespraak ook Chen Quanguo, de algemeen secretaris van de CPC in de regio tussen 2016 en 2021 en leider van de campagne om Xinjiang te ‘stabiliseren’. Diezelfde Chen staat op de Amerikaanse sanctielijst wegens schending van mensenrechten van etnische minderheden in Xinjiang.

    Chen was al een rolmodel in Beijing vanwege zijn optreden in Tibet voordat hij in Xinjiang aantrad. Hij wordt beschouwd als het brein achter het hardhandige optreden tegen de Oeigoeren en, in het bijzonder, de wildgroei aan heropvoedingscentra sinds 2017. Chens woorden in de toespraken in De politiedossiers van Xinjiang geven een nauwkeurig beeld van de mate van onderdrukking in deze straf- en detentiecentra. In een van zijn toespraken voor zijn mensen op 28 mei 2017 noemt hij de opsluiting in deze faciliteiten ‘humaan’, alleen al vanwege de airconditioning, de dagelijkse voedselrantsoenen en de mogelijkheid voor gevangenen om bezoek te ontvangen.

    ‘Eerst doden, dan rapporteren’

    Een analyse van de documenten in de uitgelekte Secret China Cables leidde tot de conclusie dat de gebruikelijke duur van detentie in de heropvoedingscentra één jaar was, maar de gezant van Beijing in de regio zette met zijn woorden in mei 2017 vraagtekens bij de vrijlating van enkele gevangenen. ‘Als ze weggaan,’ zei Chen, ‘keren de problemen onmiddellijk terug, dat is de realiteit in Xinjiang.’ In een nieuwe transcriptie van 18 juni 2018 is zijn toon radicaler. ‘Niemand zal ooit plannen moeten smeden om de inrichtingen voor internering aan te vallen,’ verklaarde Chen. ‘Zodra iemand toch een stap in die richting doet, moet vastberaden het vuur worden geopend.’ In diezelfde toespraak, waarin hij herinnerde aan het geweld in Urumqi in 2009, betoogde Chen dat veiligheidstroepen tegen degenen die de wet overtreden moeten optreden onder het motto ‘eerst doden, dan rapporteren‘.

    ‘Als de studenten niet luisteren naar de bevelen mag de gewapende politie een waarschuwingsschot lossen’

    De woorden van de algemeen secretaris van de CPC in Xinjiang waren tot vorig jaar niet aan dovemansoren gericht. Verschillende documenten uit het archief, afkomstig uit de computersystemen van de Chinese politie in de regio, laten zien dat de doctrine van Chen een fundamentele pijler in de actieprotocollen is geworden. Bijvoorbeeld als het gaat om ontsnappingspogingen door ‘studenten’ [lees: gevangenen] – een obsessie vanwege Beijings surveillanceparanoia. Een document beschrijft hoe moet worden gehandeld bij een ontsnapping: de plaatselijke autoriteiten moeten worden gewaarschuwd, wegen geblokkeerd en speciale troepen gestuurd. ‘Als de studenten niet luisteren naar de bevelen,’ aldus de instructie, ‘mag de gewapende politie een waarschuwingsschot lossen.’ Volharden ze in hun poging te ontsnappen, dan moet worden geschoten ‘om te doden’.

    ‘De heropvoedingskampen,’ concludeert Zenz, de academicus die vanwege zijn studie van de Chinese repressie in Xinjiang door de autoriteiten in Beijing op de zwarte lijst is gezet, ‘zijn bedoeld om de hoofden en harten van de Oeigoeren te veranderen, evenals hun cultuur, geschiedenis en Turkse erfenis, met inbegrip van hun religie uit te roeien. Dat alles zodat ze zich compleet aan de Communistische Partij van China zullen overgeven.’

    Lees ook:

  • ‘Ik kreeg te horen dat ik tot de mensheid zonder geschiedenis hoorde’

    ‘Ik kreeg te horen dat ik tot de mensheid zonder geschiedenis hoorde’

    Wat voor ‘anders’ of ‘de ander’ doorging is eeuwenlang bepaald door de koloniale Europese samenleving. Volgens Leopold-Joseph Bonny Duala-M’bedy, grondlegger van de xenologie, is elke vorm van anders-zijn een construct. In zijn leer gaat het altijd om het gezamenlijke referentiekader van de gehele mensheid.

    Eeuwenlang werden geschiedenis en filosofie bepaald door de koloniale Europese samenleving. Die definieerde wat voor anders doorging, en creëerde zo perspectief, hiërarchie en uitbuiting. Met zijn eigen ervaringen in de vroegere Duitse kolonie Kameroen als vertrekpunt ontvouwde Leopold-Joseph Bonny Duala-M’bedy een theorie die hem tot een pionier in de postkoloniale kritiek maakte. De xenologie die hij ontwikkelde maakt het anders-zijn los van het subject en heeft in plaats daarvan oog voor systemen die, gedreven door belangen, het concept ‘anders’ gebruiken om macht te kunnen uitoefenen. Een gesprek over een theorie die niet alleen inzichten wil bieden, maar ook gerechtigheid tot doel heeft.

    Xenologie is een fundamentele kritiek op het Europese discours van anders-zijn

    Professor Duala-M’bedy, men ziet u als de grondlegger van de xenologie. Wat is de kern van haar kennisleer?

    Xenologie is een fundamentele kritiek op het Europese discours van anders-zijn, en daarmee een principiële kritiek op antropologie en etnologie. Ten grondslag aan de klassieke etnologie ligt het evolutionistische denken dat een hiërarchische indeling van de mensheid rechtvaardigt. Het schortte echter aan een wetenschappelijk gefundeerd vertoog tegen een dergelijke denkwijze. Met mijn theorie van de xenologie is dat veranderd.

    Welke gedachte ligt aan deze theorie ten grondslag?

    In de xenologie worden het anders-zijn en ook de wijze van omgaan met het anders-zijn vervangen door het concept van het ‘xenische systeem’.

    Uw vertrekpunt is dus niet het anders-zijn maar het extern ontwikkelde systeem.

    Precies, want achter het fenomeen ‘anders’ schuilt geen subject maar een construct, een systeem. Het ‘xenische systeem’ is dus een filter waardoor elke samenleving een andere samenleving omzet in taal en symbolen. En zoals bij ieder systeem gaat het hierbij om ideologie.

    WIE IS DUALA-M’BEDY?

    Léopold-Joseph Bonny Duala-M’bedy (Duala, 1936) is een Kameroens politicoloog, socioloog, etnoloog en xenoloog. Hij is de grondlegger van de wetenschappelijke discipline van de xenologie. Duala-M’bedy komt uit het geslacht Duala-Bell, het koningshuis van Kameroen. Op veertienjarige leeftijd ging hij in Parijs naar een middelbare school; daarna studeerde hij er aan de Sorbonne. In 1962 promoveerde hij aan de Universiteit van Wenen en in 1972 habiliteerde hij (een soort tweede promotie waarmee het doceerrecht wordt verworven) als Alexander von Humboldt-bursaal bij de geschiedfilosoof Eric Voegelin. Zijn belangrijkste boek Xenologie: Die Wissenschaft vom Fremden und die Verdrängung der Humanität in der Anthropologie verscheen in 1977.

    Met als consequentie?

    Het discours over anders-zijn is altijd ook een discours over macht. Met behulp van de xenologische methode analyseren we zulke systemen om te achterhalen wie het anders-zijn creëert, en met welk doel. Want ten principale bestaat anders-zijn niet. Elke vorm van anders-zijn is een construct. Xenologie is niet alleen de wetenschap van het andersoortige en van de extern ontwikkelde systemen, ze ziet zichzelf ook als de wetenschap van die mensen die in de perceptie van de Europeanen geen geschiedenis hebben.

    Wie geen geschiedenis heeft, is ook geen mens

    Hegel bijvoorbeeld schreef dat Afrika geen geschiedenis had; Afrika had geen aanspraak op geschiedenis. Maar wie geen geschiedenis heeft, is ook geen mens. De mensen uit het zogeheten Zuiden werd daarmee het mens-zijn ontzegd, in een dergelijke logica bestonden zij eenvoudigweg niet. Dat is het lot van allen die ‘ontdekt’ werden, dus van alle mensen die ‘ontdekt’ werden door mensen die het wetenschappelijke discours domineerden. Ik heb daarom gezocht naar een wetenschappelijke categorie die recht doet aan het fenomeen ‘anders’. Het door mij ontwikkelde xenische narratief benoemt elke manifestatie van het anders-zijn en legt de machtsberekening bloot. Overigens doe ik met deze kennisleer niet alleen recht aan de Afrikaanse mens, het gaat in de xenologie altijd om het gezamenlijke referentiekader van de gehele mensheid.

    Heeft u in de ontwikkeling van de xenologie eigen ervaringen verwerkt?

    De xenologie kent een sterke biografische impuls, mijn levensverhaal volgt het voetspoor van de veroveraars van Afrika. Het begint bij de invloed van mijn ouders. Wij waren een godsdienstig gezin, gingen regelmatig naar de kerk. Mijn vader heeft me bijgebracht wat rechtvaardigheid betekent, mijn uitgesproken gevoel voor gerechtigheid heb ik van hem. Mijn moeder gaf me rechtlijnigheid en scherpzinnigheid mee. Beiden wilden dat ik priester werd, mijn zus woont als abdis in Zuid-Frankrijk. De eerste kerkmensen die bij ons in Duala arriveerden, waren Duitse protestanten. Mijn vader sprak vloeiend Duits en ook vloeiend Engels. In ons gezin werd Frans gesproken, de taal van de kolonisator.

    WAT IS XENOLOGIE?

    Qua kennistheorie bouwt de xenologie voort op de basisveronderstelling dat ‘de ander’ als zodanig niet bestaat, maar dat de aanduiding van mensen als ‘anders’ altijd wordt ingegeven door belangen met als oogmerk het creëren van machtsverschil. Het racistische discours over de ‘ander’ dat sinds de ontdekking van Amerika de relatie tussen Europa en de niet-Europese wereld heeft bepaald, komt volgens Duala-M’bedy voort uit het idee dat niet-Europese culturen een ‘voorstadium van de hoogontwikkelde Europese samenleving’ zijn. Die gedachte diende ter rechtvaardiging van onderwerping, ontrechting en uitbuiting van de niet-Europese koloniale wereld tot ver in de twintigste eeuw.

    Ten tijde van de Franse kolonisatie zat u in Kameroen op school. Welke herinneringen heeft u aan die tijd?

    Ik ervoer het als een groot onrecht. Met mijn broer Moise, die later diplomaat werd, nam ik een boot naar Europa. We arriveerden in de haven van Marseille, waar twee van onze oudere broers ons afhaalden. We woonden in Parijs bij een oom. Daar dompelde ik me als veertienjarige onder in een ander leven. Natuurlijk waren er ook heimwee, tranen, nostalgie en verlangen naar mijn ouders en naar Kameroen. De romantische kant in mijn denken vindt hier zijn oorsprong.

    Uiteindelijk koos u niet voor het priesterschap, maar voor een wetenschappelijke carrière

    Uiteindelijk koos u niet voor het priesterschap, maar voor een wetenschappelijke carrière.

    Ja, en die stond in het teken van de idee van gerechtigheid. Ik kwam naar Europa, ging me er bezighouden met etnologie en kreeg daar te horen dat ik tot de mensheid zonder geschiedenis behoorde. Etnologen doceerden mij een ‘surrogaatverhaal’.

    Hoe bedoelt u dat?

    De etnologie bood ons mensen die zogenaamd geen geschiedenis hebben een schadeloosstelling aan: ‘We doceren jullie geschiedenis. Alsjeblieft, hier is een cadeautje van ons: dit is jullie geschiedenis.’ Dat choqueerde me, het raakte mij ook persoonlijk, want aan de positieve ervaringen van het gezin waarin ik was opgegroeid werd volledig voorbijgegaan. In deze schok ligt de grondslag voor mijn wetenschappelijke werk.

    U promoveerde in Wenen bij de etnoloog Walter Hirschberg, die van meet af aan een vurig nationaal-socialist was en ook na 1945 als overtuigd racistisch evolutionist naar buiten trad. Ook was hij voorstander van het rekolonisatieproject. Welke herinneringen heeft u aan die tijd?

    Geen van de docenten sprak over het onrecht dat aan Afrikanen ieder historisch vermogen werd ontzegd. Er was geen enkele gevoeligheid voor onrecht. Walter Hirschberg begeleidde in Wenen jonge promovendi in de etnologie. Hij werd dus ook geacht mij en mijn kritische dissertatie te begeleiden, maar ik kreeg geen steun van hem, integendeel. Ik moest heel lang op zoek naar een promotor, naar een spirituele mentor. Ik volgde colleges van de etnoloog Claude Lévi-Strauss in Parijs over het structuralisme, maar hij maakte geen indruk op mij. Pas toen stuitte ik op Eric Voegelin, voor mij een geweldige gebeurtenis.

    Wat was er zo bijzonder aan uw ontmoeting met Voegelin?

    Eindelijk iemand die verstandige taal uitsloeg! (lacht) Zijn colleges gaven me een goed gevoel. Hij deed niet neerbuigend, hij kleineerde ons niet. Hij was inclusief en fair. Nooit eerder had ik een academicus ontmoet die eerlijk was in de omgang. Hij behandelde zijn studenten haast als collega’s. We zogen elk woord op dat hij doceerde.

    Kunt u die integere benadering concreet maken?

    Hij deed absoluut geen misplaatste of neerbuigende uitlatingen. Hij maakte korte metten met het concept ‘ras’ vanwege het ontbreken van wetenschappelijk bewijs daarvoor. Als bursaal van de Alexander von Humboldt Foundation werkte ik als onderzoeker samen met hem aan de Universiteit van München. Cruciaal was voor mij het moment dat hij voor het eerst mijn ouders ontmoette. Mijn vader en mijn docent spraken Duits met elkaar, en mijn vader zei: ‘Mijn zoon heeft me veel over u verteld.’ Voegelin antwoordde: ‘Uw zoon heeft een voortreffelijke studie geschreven.’

    Hoe heeft Voegelin uw zelfbesef als wetenschapper gevormd?

    Voor mij is hij de grootste denker van de twintigste eeuw. Voegelin schreef een cultuurgeschiedenis van het begrip ‘ras’; hij plaatste er negatieve connotaties bij, hij zag het als een nieuwe classificatie ter vervanging van het oude klassensysteem van de aristocratie. Voegelin hechtte ook sterk aan het maken van onderscheid tussen realiteit en ideologie.

    Ideologie definieerde hij als een in corrupt denken teloorgegane realiteit

    Ideologie definieerde hij als een in corrupt denken teloorgegane realiteit. Zijn in 1956 verschenen boek Order and History is een klassieker. Voegelin zag de geschiedenis als Casus Philosophicus. Hij benaderde de geschiedenis als geschiedfilosoof en zag haar niet als een verzonnen verhaal. Rechts georiënteerde studenten uit de Bondsrepubliek probeerden hem in diskrediet te brengen. Maar ik was zijn denken toegedaan. Ik pretendeerde te voltooien wat Voegelin had laten liggen. En ik heb die pretentie heel serieus genomen.

    Hoe ervoer u de sfeer op de Duitse universiteiten in de jaren zeventig en tachtig?

    De universiteiten en onderzoeksinstellingen in Duitsland waren uitermate homogeen qua etniciteit, geslacht en sociale herkomst. Dat zijn ze nog altijd. Wie op enigerlei wijze als anders wordt gezien, maakt minder kans op een hoogleraarschap, op wetenschappelijke onderscheidingen, op toegang tot onderzoeksgelden en invloedrijke posities. De bevoegdheid om te duiden wat vanuit wetenschappelijk oogpunt valide is en wie gekwalificeerd is een bijdrage te leveren aan kennisgeneratie, ligt nog altijd vast verankerd in koloniaal bepaalde structuren. Dat moet ter discussie worden gesteld. Het onvermogen de waarheid te onderkennen was en is mijn thema; voor mij is de functie van theorie dat zij de waarheid aangeeft. Wetenschap dient in dienst te staan van de waarheid. Zij moet observeren, analyseren, vragen naar het waarom, heroverwegen. Maar dat gaat niet wanneer een groot deel van de mensheid met zijn ervaringen, perspectieven en mogelijkheden van dit proces is uitgesloten. Een wetenschap die spreekt vanuit de positie van een kleine homogene groep is falsifieerbaarheid noch universeel.

    De xenologie is een enorme theoretische prestatie, ze heeft een groot deel van het Europese begrip van de ‘ander’ op losse schroeven gezet. Heeft deze aanval op de antropologische en etnologische status quo een tegenreactie uitgelokt?

    De redacteur van de uitgeverij waar ik mijn boek publiceerde zei destijds: ‘Hier maakt u vijanden mee.’ En zo is het ook gegaan. Er was veel onwetendheid en weinig discussie met mij, maar er was in de jaren tachtig en negentig ook sprake van een enorme boost in aanverwante disciplines. Interculturele germanistiek en filosofie kwamen tot ontwikkeling. In Bayreuth kwam een cultuurwetenschappelijke xenologie van de grond, die echter mijn eigen theorie van de xenologie links laat liggen. In Bochum werd de fenomenologie van het andere ontwikkeld, en daar was ik al evenmin bij betrokken. Aan de universiteit, en dat geldt vooral in Duitsland, moet je vechten om gezien te worden. Collegialiteit komt maar zelden voor. Het ontbrak zichtbaar aan steun, de omgangsvormen waren vaak kwetsend en vulgair.

    KONING RUDOLF

    Van 1884 tot 1918 was het West-Afrikaanse Kameroen een Duitse kolonie. Van 1908 tot 1914 regeerde koning Rudolf Duala Manga Bell. Hij had zijn opleiding genoten in Duitsland en stond in hoog aanzien bij het Duitse koloniale bestuur in Duala. Na de gewelddadige verdrijving en brute onteigening van de Duala door het koloniale bestuur, stelde de jonge koning zich aan het hoofd van een verzetsbeweging en protesteerde hij tegen het buitensporige geweld door de Duitse koloniale machthebbers. Met petities probeerde hij de Duitse regering ertoe te bewegen de met de Duala gesloten verdragen na te komen. Daarmee wekte hij het ongenoegen van de voorstanders van koloniale onteigening. Beschuldigd van hoogverraad werd hij in 1914 op 41-jarige leeftijd ter dood veroordeeld en opgehangen. Bij zijn procesgang werden zelfs de minimale wettelijke normen niet in acht genomen. Drie dagen lang hing zijn lijk aan de galg – ter afschrikking.

    Toen u begin jaren zeventig uw theorie over de xenologie presenteerde, was rassenscheiding nog een belangrijk issue in de VS. Ook de antikoloniale strijd was nog maar net achter de rug en Zuid-Afrika kende een systeem van apartheid.

    Het intellectuele dispuut over het kolonialisme begon doorgaans pas nadat de militante confrontatie was beëindigd. Wetenschappers als Frantz Fanon, Aimé Cesaire, Léopold Senghor en Cheikh Anta Diop waren de eersten die het kolonialisme benaderden als een politiek en ideologisch systeem. De xenologie past in de reeks revolutionaire geschriften van toen. Wereldwijd kreeg de wetenschappelijke eis van rechtvaardigheid de wind mee. Ik las toen alles wat ik maar te pakken kon krijgen, ik luisterde aandachtig naar alles wat fluitend langs mijn oren vloog.

    Vanaf de jaren negentig ontstond er een veelheid aan postkoloniale theorieën. Als baanbrekend boek geldt Edward Saids in 1978 verschenen studie over het oriëntalisme, terwijl u uw xenologie al een jaar eerder presenteerde. Staan de huidige postkoloniale theorieën in de traditie van uw werk?

    Ja, want net als bij de huidige uitingen van de postkoloniale theorie gaat het bij het xenologische werk om het analyseren van extern ontwikkelde systemen – en zodoende ook om het analyseren van asymmetrische relaties. De belangrijkste vragen zijn: welke machtsverhoudingen liggen aan die systemen ten grondslag en in hoeverre begunstigen ze uitbuitingsstructuren? Welke hiërarchieën zijn immanent, en welke vormen van culturele representatie en politieke controle maken dat die telkens weer in stand kunnen blijven? In mijn boek Xenologie is deze fundamentele kritiek op die Europese perceptie- en duidingspatronen met betrekking tot de niet-Europese mens al te vinden; sinds Saids werk wordt zij ook opgepakt en bediscussieerd in postkoloniale theorieën. Veel antiracistische debatten en bewegingen van nu beroepen zich op dat brede spectrum van kritische confrontatie met historische en hedendaagse machtsverhoudingen.

    Als wetenschapper en academisch docent heeft u het denken van diverse generaties studenten gescherpt en gevormd. Wat vond u in uw onderwijs belangrijk?

    Ik probeerde zo fundamenteel mogelijk te denken. Het ging me om het vermogen tot kritisch denken en om inzicht. Om een taal die veraf ligt van de hiërarchisering door de etnografie, een etnografie die spreekt van ‘stammen’, ‘natuurmensen’, ‘opperhoofden’ en ‘primitieven’. Zo’n taal bestaat nog niet. De ideologische vervorming door taal en wetenschappelijke categorieën moest ik tegemoet treden met theoretische precisie en taalgevoeligheid. Het ging om het blootleggen van machts- en gezagsverhoudingen, om vragen naar het waarom van privileges en om reflectie op waarderingssystemen. Ik heb heel veel gedoceerd en veel voortreffelijke scripties en afstudeeropdrachten begeleid. Met veel oud-studenten heb ik tot op de dag van vandaag contact.

    colonial troops german govt station ebolowa kamerun ie cameroon w africa
    Duitse koloniale troepen in Ebolowa, Kameroen, 1916 
    © Library of Congress.

    Welke bijdrage kan de theorie van de xenologie leveren aan het huidige wetenschappelijke discours?

    Het xenologische denken draagt bij aan het onderzoek van machtsverhoudingen en uitbuiting. Naast haar belangstelling voor wetenschappelijke inzichten heeft de xenologie ook een normatieve kant: ze wil gerechtigheid. Ze wil elk mens centraal stellen. Ze wil niet alleen beschrijven, maar ook verandering mogelijk maken. 

    Xenologie heeft ook een normatieve kant. Ze wil niet alleen beschrijven, maar ook verandering mogelijk maken. 

    Welke betekenis heeft de xenologie voor het actuele politieke debat over bijvoorbeeld genderrechtvaardigheid, uitsluiting en racistisch geweld, waaruit bewegingen zoals Black Lives Matter zijn voortgekomen?

    Black Lives Matter heeft het racisme en de creatie van het andere op de politieke agenda gezet. Hoewel er in dit specifieke geval vanuit Europa graag werd gewezen naar de VS, vonden er ook hier straatprotesten plaats, waarbij een relatie werd gelegd met het koloniale verleden. En eindelijk wordt er nu geruzied over de omgang met museumschatten die in de koloniale tijd werden buit-gemaakt. Denk aan het debat over het teruggeven van roofkunst uit de voormalige koloniën. Nieuw aan deze discussies is enerzijds de aanwezigheid van sterke, goedopgeleide jongeren die hun recht opeisen en anderzijds het bestaan van wetenschappelijke categorieën om dit debat te voeren, zodat er dus begrippen zijn waarmee onrecht ook theoretisch kan worden benoemd.

    Ook in Duitsland wordt er voor het eerst breed gediscussieerd over koloniale herstelbetalingen.

    Om een voorbeeld te geven: de genocide die tussen 1904 en 1908 door Duitse koloniale troepen op de Nama en Herero werd gepleegd, bepaalt tot op de dag van vandaag de bestaansbasis van deze volkeren in Namibië. Destijds werd bijna 80 procent van het Hererovolk uitgeroeid. Door erkenning van deze genocide erkent Duitsland voor het eerst zijn rol in de misdaden uit de koloniale tijd. Maar helaas laat Duitsland het afweten als het weigert de toegezegde gelden uit te betalen aan de nakomelingen – en als deze gelden geen ‘herstelbetalingen’ mogen heten maar ‘ontwikkelingshulp’. De oplossing voor de vele disputen van tegenwoordig moet ook niet alleen van de wetenschappelijke theorievorming komen. Er is op heel veel vlakken nog heel veel te doen, maar ik heb groot vertrouwen in de kritische, mondiaal denkende jongeren. 

  • Taliban: Afghaanse vrouwen mogen niet meer alleen vliegen

    Taliban: Afghaanse vrouwen mogen niet meer alleen vliegen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Italië: ernstige droogte in het Po-gebied

    » Abramovitsj en Oekraïense onderhandelaars mogelijk vergiftigd

    Nieuwe beperkingen voor vrouwen in Afghanistan

    Wil een Afghaanse vrouw vliegen, dan moet ze vanaf vandaag vergezeld worden door een man. ’Vandaag is de laatste keer’ dat Afghaanse vrouwen alleen aan boord kunnen, noteerde het Indiase dagblad The Hindustan Times afgelopen maandag. Eind december hadden de taliban Afghaanse vrouwen al verboden om reizen van meer dan 72 kilometer door het land te maken als ze niet vergezeld waren van een mannelijk familielid.

    Deze nieuwe beperking komt een paar dagen na het besluit van de taliban om middelbare scholen voor meisjes te sluiten, net na de heropening die echter al ver van tevoren was aangekondigd.

    Lees ook:

  • Omstreden Israëlische wet sluit Palestijnen uit van route naar staatsburgerschap

    Omstreden Israëlische wet sluit Palestijnen uit van route naar staatsburgerschap

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Spanje: extreemrechts komt voor het eerst in een regionale regering

    » Dalende autoverkopen in Brazilië en Argentinië

    Critici noemen wet racistisch

    De Knesset heeft donderdag gestemd voor een herinvoering van het verbod om Palestijnen, die met Israëlische Arabieren gehuwd zijn, het Israëlische staatsburgerschap te verlenen. De zogenaamde Burgerschapswet werd aangenomen dankzij de stemmen van rechtse oppositiegroeperingen die zich hebben aangesloten bij de coalitie onder leiding van premier Naftali Bennett, van de radicaal-rechtse Yamina-partij.

    Voorstanders van het wetsvoorstel steunen het ‘om veiligheidsredenen, met het argument dat Palestijnse militanten het huwelijk zouden kunnen gebruiken om Israël binnen te komen, terwijl de critici aanvoeren dat het raciaal gemotiveerd is en een instrument om een demografische meerderheid te behouden‘, aldus Haaretz.

    Lees ook:

  • Stripvorm kan historische complexiteit effectief overbrengen

    Stripvorm kan historische complexiteit effectief overbrengen

    Historicus Richard Conyngham gebruikt de visuele slagkracht van een stripverhaal om de aandacht van jonge lezers te trekken voor een veronachtzaamde en belangrijke strijd tegen de pre-apartheidsstaat in Zuid-Afrika.

    Je loopt niet zomaar een rechterlijk archief binnen. Wie historisch onderzoek doet, kent de psychologische gevaren van zulke oorden: de kille, door tl-buizen verlichte eenzaamheid, de spoken van oud onrecht, de eindeloze, tergende belofte van documentair goud dat ligt te wachten in de volgende map of op het volgende karretje. De in Mexico-Stad woonachtige Zuid-Afrikaanse historicus Richard Conyngham vond in het archief van de Hoge Raad van Beroep in Bloemfontein een schatkamer van gerechtelijke drama’s. Het resultaat is All Rise: Resistance and Rebellion in South Africa 1910-1948, een baanbrekend historisch stripverhaal over de belangrijke strijd van arbeiders, kooplieden, wasvrouwen en boeren tegen de pre-apartheidsstaat.

    ‘Ik was heel kieskeurig en wilde kunstenaars vinden die iets van een band met het verhaal hadden, niet per se een rechtstreekse’

    Om deze verzetsverhalen nieuw leven in te blazen ging Conyngham op zoek naar de allerbeste kunstenaars om ze te tekenen, onder wie de broers Trantraal, Saaid Rahbeeni, Liz Clarke, Dada Khanyisa, Tumi Mamabolo en Mark Modimola. ‘Het was een geweldige uitdaging om die kunstenaars te strikken en bij te staan. Ik was heel kieskeurig en wilde kunstenaars vinden die iets van een band met het verhaal hadden, niet per se een rechtstreekse.’

    Het idee was om de visuele slagkracht van een stripverhaal te gebruiken om de aandacht van jonge lezers te trekken en een veronachtzaamd tijdperk uit de woelige Zuid-Afrikaanse geschiedenis aanschouwelijk te maken. ‘De rechterlijke archieven gaven een beeld van een ongelooflijk kleurrijke en explosieve periode,’ zegt Conyngham. ‘Maar van geschiedenisboeken op school of de universiteit krijg je dat idee niet.’

    Zoals [voormalig Zuid-Afrikaans rechter en advocaat] Edwin Cameron opmerkt in zijn voorwoord bij All Rise herinneren sommige verhalen eraan dat ‘de wet, indien juist toegepast, zelfs in tijden van groot onrecht tot rechtvaardige resultaten kan leiden’. Desondanks heeft hij in de annalen maar zelden een glimpje rechterlijke compassie gezien, zegt Conyngham. ‘De rechters hadden eerder respect voor de wet dan empathie met de betrokkenen,’ zegt hij. ‘Vaak komen ze over als racistisch of seksistisch, zelfs als hun oordeel in het nadeel van de staat uitvalt. Er was altijd bewegingsvrijheid en sommige rechters namen de wet zo letterlijk dat ze soms oordeelden op een manier die je niet zou verwachten. Ik denk dat Edwin als advocaat in de apartheidsjaren inderdaad heeft ervaren dat als je het goed aanpakte, je echt je voordeel kon doen met het respect van de rechter voor de wet.’

    Cover
    In de archiefkelder van de Hoge Raad van Beroep in Bloemfontein vond de Zuid-Afrikaanse historicus Richard Conyngham een schatkamer van gerechtelijke drama’s. Het resultaat is All Rise: Resistance and Rebellion in South Africa 1910-1948 (Jacana, 2022).

    Rode draad

    Historica Hlonipha Mokoena, verbonden aan het Wits Institute for Social and Economic Research in Johannesburg, wijst in haar voorwoord op de migratie die als een rode draad door de verhalen loopt: bijna alle verdachten, of ze nu zwart, wit of Indiaas waren, waren op de een of andere manier migranten die vochten voor de rechten die (sommige) burgers genoten. Die strijd wordt nog steeds gevoerd en deze verhalen, schrijft ze, ‘zijn een bevestiging van de redenen waarom onze grondwet niet slechts een aardig juridisch detail is, maar een moreel gebod’.

    Maar sommige historici die Conyngham raadpleegde hadden niet veel op met het medium strip, zegt hij. ‘In academische kringen rust er toch een soort stigma op het genre, ook omdat sommigen zich erdoor bedreigd voelen. Gaandeweg wist ik door te dringen tot veel autoriteiten op de verschillende gebieden waarnaar ik onderzoek deed. Sommige waren heel toegankelijk en andere helemaal niet, alsof ze het genre niet serieus namen, of wilden nemen.’

    ‘We vertrokken met de archiefstukken van twaalf tot vijftien zaken, soms wel duizend pagina’s lang’

    All Rise begon met een project van hiv- en aidsactivist Zackie Achmat, door wie Conyngham in 2015 werd ingehuurd als onderzoeker. ‘Het was Zackies idee om naar het archief van de Hoge Raad van Beroep te gaan,’ zegt Conyngham, ‘omdat hij als rechten-activist een paar duistere vonnissen uit het begin van de twintigste eeuw had ontdekt, zoals “Rex vs. Detody” (1926). Dus gingen we naar Bloemfontein en maakten we een heleboel fotokopieën. We vertrokken met de archiefstukken van twaalf tot vijftien zaken, soms wel duizend pagina’s lang.’

    Gaandeweg kwam Conyngham op het idee om een bloemlezing in stripvorm te maken in plaats van het conventionele geschiedenisboek dat ze aanvankelijk op het oog hadden. Met instemming van Achmat benaderde hij om te beginnen zijn vriend André Trantraal, een grote ster aan het Zuid-Afrikaanse stripfirmament, met wie hij al aan een ander grafisch project had samengewerkt. 

    Conyngham schreef de scripts zelf, onder strenge redactie van de kunstenaars als het aankwam op het schrappen van irrelevante details. Grafische non-fictie kan de historische complexiteit soms effectiever overbrengen dan een documentaire, vanwege de radicale vrijheid van een getrokken lijn. De boeken van bijvoorbeeld Joe Sacco, Marjane Satrapi, Art Spiegelman en Alison Bechdel doen dingen met waargebeurde verhalen die geen prozaboek voor elkaar krijgt.

    Om leesbaar te zijn vereist de vorm een economische manier van vertellen

    Maar om leesbaar te zijn vereist de vorm een economische manier van vertellen. Conyngham kreeg dat voor elkaar door veel van de historische achtergrond te verplaatsen naar subliem vormgegeven appendices aan het eind van ieder verhaal, compleet met hedendaagse foto’s van de locaties, de hoofdrolspelers en hun handgeschreven brieven. Het Zuid-Afrikaanse Nationaal Archief voorzag zelfs in haarlokken van Taffy Long, een deelnemer aan de Randopstand van 1922 die werd veroordeeld wegens het executeren van een spion. De lokken waren als bewijs gebruikt door de openbaar aanklager, die betoogde dat Long opzettelijk zijn haarkleur had veranderd met gebruikmaking van kaliumpermanganaat. Het proces tegen Long, die werd geëxecuteerd in de Centrale Gevangenis van Pretoria, is door Liz Clarke op een duistere, filmische manier tot leven gewekt in het hoofdstuk ‘Come Gallows Grim’.

    Jack Whittaker

    In het hoofdstuk ‘In the Shadow of a High Stone Wall’ behandelen de broers Nathan en André Trantraal het verhaal van Jack Whittaker, werkzaam bij de trammaatschappij van Johannesburg, die het werk neerlegde tijdens een staking in 1911. Daarin komen we ook Mary Fitzgerald tegen, de met een pikhouweel zwaaiende deelneemster aan de eerste uitingen van klassenstrijd in Johannesburg. Whittaker werd valselijk beschuldigd van het bezit van explosieven. Zijn uiteindelijke vrijspraak was een overwinning, zij het niet zo’n glorieuze als zijn latere succesvolle aanklacht tegen de staat wegens de inhumane opsluiting in afwachting van zijn proces.

    Het hoofdstuk ‘The Widow of Marabastad’, schitterend geïllustreerd door Dada Khanyisa, vertelt het verhaal van de lange strijd tegen de invoering van nachtpassen voor zwarte vrouwen in de Transvaal. Het verzet werd in 1926 geleid door wasvrouw Helena Detody. Met behulp van het Transvaal Native Congress vocht ze tot aan de Hoge Raad in Bloemfontein voor het recht op bewegingsvrijheid in de hele stad. Dankzij Detody’s overwinning konden zwarte vrouwen in de Transvaal zich twintig jaar lang vrijelijk bewegen.

    Tumi Mamabolo tekende ‘A House Divided’, over de krachtmeting tussen Bafokeng-opperhoofd August Mokgatle en zijn lekgotla, oftewel stamraad. Mokgatles raadsleden hadden zijn zwakke en grillige leiderschap verworpen, deels geïnspireerd door de democratische ideeën van de zwarte Jamaicaanse dominee Kenneth Spooner, die zich had gevestigd in Phokeng. Ondanks de vurige getuigenis van Sol Plaatje ter verdediging van de raadsleden werd de stamraad veroordeeld en verbannen, waarmee de weg werd gebaand voor Bantoestaanse marionettenregeringen en de beëindiging van prekoloniale vormen van stammendemocratie.

    Fictieve reconstructie

    In ‘Until the Ship Sails’ illustreert Saaid Rahbeeni het verhaal van Mahomed Chotabhai, een vijftienjarige Indiase jongen die niet mocht gaan werken bij zijn vader, een koopman in Johannesburg, vanwege de campagne van de regering van Jan Smuts tegen ‘vrije’ Indiase arbeiders. Het destijds ingevoerde registratiecertificaat voor Indiase arbeiders – een poging om nieuwe migranten te criminaliseren – lokte een massale verbranding van certificaten uit, en Mohandas ‘Mahatma’ Gandhi bemoeide zich persoonlijk met de zaak-Chotabhai.

    Richard Conyngham en Mark Modimola reconstrueren in ‘Here I Cross to the Other Side’ op vaardige wijze de wereld van de stakende mijnwerkers op de Reef in 1946, een staking die vakkundig de kop werd ingedrukt, evenals de vakbond van Afrikaanse mijnwerkers die haar had georganiseerd. Dit is niet zozeer een feitelijk verhaal als wel een knappe fictieve reconstructie van de eerste reis van een jonge Basotho-rekruut naar de Reef en de frontlinies van het verzet aldaar. Hoewel de staking van 1946 niet tot betere lonen en leefomstandigheden leidde, zorgde ze decennia later wel voor de wedergeboorte van vakbewegingen.

    All Rise is een aangrijpend eerbewijs aan de macht van de ogenschijnlijk machtelozen en zet op een kalme manier kanttekeningen bij de apathie en wanhoop die momenteel in Zuid-Afrika heersen. Zoals Richard Conyngham zegt: ‘Gewone mensen kunnen de wet op een moedige manier gebruiken zodat er werkelijk een blijvende, systemische verandering in gang wordt gezet. Hoewel we geneigd zijn te wachten tot een illustere figuur dat voor ons doet, laten de verhalen in dit boek zien dat we het ook zelf kunnen.’ 

    Schermafbeelding 2022 03 08 om 08.51.26
  • Lhbt-getuigenissen uit de Arabische wereld

    Lhbt-getuigenissen uit de Arabische wereld

    Twee jaar cel kreeg de Koeweitse transgender Maha Al-Mutairi voor het dragen van vrouwenkleren, een straf die ze misschien in een mannengevangenis moet uitzitten. ‘Geen enkele wet vermeldt transgenders, maar ze gebruiken wetten inzake “openbaar fatsoen” om de lhbt-gemeenschap te belagen.’

    Al-Mutairi is bepaald niet de enige transgender in de Arabische wereld die het juridisch en maatschappelijk zwaar heeft. Ritaj, een zevenentwintigjarige Jemenitische trans vrouw, vreesde dat haar hetzelfde lot zou treffen als Al-Mutairi, totdat de Franse overheid te hulp schoot en haar in september vorig jaar asiel verleende. ‘De angst om te worden veroordeeld voor travestie heeft me mijn leven lang achtervolgd. Het is een ware obsessie geweest. Geen wonder, ik riskeerde een levenslange gevangenisstraf of honderd zweepslagen. Ik speelde voortdurend met de gedachte zelfmoord te plegen. En dat alleen maar omdat ik geboren ben in een conservatieve familie en samenleving.’

    De mensenrechtenactivist Wajih Layoun, die zichzelf ‘de eerste openlijk homoseksuele Saoedi’ noemt, zegt dat ‘de wetten in de Golfstaten transseksualiteit volledig verbieden, evenals elke indirecte steun aan de lhbt-gemeenschap’. Volgens Layoun, die is gevlucht naar de Verenigde Staten, ‘erkent de Saoedische wet geen transgenders. Ze worden vervolgd omdat ze zich als man of vrouw verkleden, of omdat men vindt dat ze de openbare zeden aantasten.’

    De Saoedische rechter heeft meer dan eens mensen veroordeeld omdat ze ‘op het andere geslacht lijken’

    De Saoedische wet zegt niets over de kwestie, maar de Saoedische rechter heeft meer dan eens mensen veroordeeld omdat ze ‘op het andere geslacht lijken’. Volgens de organisatie Human Rights Watch varieerden de vonnissen van gevangenisstraf tot geseling. Over ‘corrigerende’ chirurgische ingrepen merkt Layoun op dat die in Saoedi-Arabië uitsluitend zijn toegestaan als een kind met zowel mannelijke als vrouwelijke genitaliën wordt geboren. Drie artsen en psychologen buigen zich dan over de zaak en nemen een beslissing.

    Bahrein is de eerste Golfstaat waar voor transgenders een wettelijke verandering van de burgerlijke staat mogelijk is. Dat gebeurde in 2005 en 2008. In beide gevallen werd de zaak bepleit door de Bahreinse advocaat en activist Fawziya Mohamed Janahi. Zij zegt dat er nog steeds geen wet is in Bahrein die geslachtsverandering of corrigerende operaties toelaat. Wel wint onder rechters de opvatting terrein dat een ingreep toch noodzakelijk kan zijn bij het optreden van ‘seksuele stoornissen’. Als dit wordt bevestigd door een medisch rapport, kan de rechter instemmen met geslachtsverandering; er is namelijk wel een wet die voorziet in geslachtsverandering bij psychische of seksuele stoornissen. Op dit moment lopen er acht zaken.

    Janahi heeft ook zaken op zich genomen in buurland Saoedi-Arabië: ‘Ik volg er ongeveer veertig. Er is de hoop dat de wet transgenders accepteert wanneer een gebrek aan erkenning aantoonbaar tot aandoeningen heeft geleid.’

    Deur dicht

    De Verenigde Arabische Emiraten hebben de deur juist dichtgeslagen voor transgenders. Het lijkt onmogelijk om hen in dit land wettelijk erkend te krijgen. Slechts in zeldzame gevallen zijn corrigerende operaties er wettelijk toegestaan. Sinds 2016 mogen artsen intersekse personen opereren, maar een ingreep die leidt tot geslachtsverandering blijft illegaal. In december 2018 verwierp het Hooggerechtshof het verzoek van drie inwoners om hun burgerlijke staat te wijzigen na een operatie in de Verenigde Staten.

    In Koeweit zijn volgens de activistische advocaat Buthayna Abdelwahid Maarafi ‘verzoeken voor geslachtsverandering en verandering van burgerlijke staat gedoemd te mislukken bij de rechtbank’. Er moet, vindt zij, dringend een wet komen ‘die zorgt draagt voor deze situatie en voor het recht om verenigingen op te richten die deze bevolkingsgroepen ondersteunen en criminalisering tegengaan’.

    Koeweit volgt de sharia, net als de andere Golfstaten, en die verbiedt geslachtsverandering en travestie

    Ze zegt daarnaast dat Koeweit de sharia volgt, net als de andere Golfstaten, en die verbiedt geslachtsverandering en travestie. Wet nr. 198 van het Koeweitse Wetboek van Strafrecht bepaalt dat ’iedereen die de goede zeden schendt (…) of die zich kleedt naar het andere geslacht, op welke wijze dan ook, een celstraf van ten hoogste een jaar krijgt en/of een boete van maximaal 1000 dinar’. In de Emiraten bepaalt wet nr. 359 van het Wetboek van Strafrecht dat ‘iedere man die zich vermomt als vrouw of plaatsen betreedt die aan vrouwen zijn voorbehouden, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van ten hoogste één jaar en/of een boete van maximaal 10.000 dirham’.

    Het moeilijkst voor transgenders is het om een baan te vinden waar ze worden geaccepteerd, en niet gedwongen zijn zich te kleden in een zwarte abaja (een losse cape die het lichaam van hoofd tot voeten bedekt). Fouad, voorzitter van een vereniging die de lhbt-gemeenschap ondersteunt, benadrukt dat het in Tunesië onmogelijk is ‘om je rechten te eisen, want zodra een transgender een rechtszaal of een politiebureau betreedt, is hij of zij een verdachte. Zelfs ziekenhuizen weigeren in de meeste gevallen zorg te verlenen zodra ze merken dat ze met een transgender te maken hebben.’

    Jad, een Tunesische transgender, voegt eraan toe dat ‘de Tunesische samenleving neerkijkt op transgenders’ en dat geen enkele Tunesische wet hun bestaan erkent of hen beschermt. 
    Integendeel, wet nr. 226 legt iedereen die is veroordeeld voor ‘het ondermijnen van de goede zeden’ zes maanden gevangenisstraf op.

    ‘Openbaar fatsoen’

    Hetzelfde geldt in Irak, aldus Amir Ashour, voorzitter van de vereniging IraQueer: ‘Geen enkele wet vermeldt transgenders, maar ze gebruiken wetten inzake “openbaar fatsoen” om de lhbt-gemeenschap te belagen.’ Volgens hem stellen mensen die uitkomen voor hun geaardheid zich bloot aan fysiek, verbaal en seksueel geweld. ‘En dan heb ik het nog niet eens gehad over hun problemen om werk te vinden zonder te worden uitgebuit. Vaak gaat het om onveilig werk, zoals danser(es) in nachtclubs of prostituee.’

    Hoewel er in Libanon veel verenigingen zijn die op de bres staan voor de lhbt-gemeenschap, hebben transgenders er dezelfde juridische en sociale problemen als elders in het Midden-Oosten, vertelt Lea Zraika, die samenwerkt met de Arab Foundation for Freedoms and Equality. Ook in Libanon worden transgenders op grond van ambigue wetteksten gevangengezet. Bijvoorbeeld wegens ‘tegennatuurlijke vereniging’, travestie, prostitutie of ‘aansporing tot losbandigheid’.

  • Er is een derde manier om ‘woke’ te zijn

    Er is een derde manier om ‘woke’ te zijn

    We zouden ons meer zorgen moeten maken over economische en sociale structuren die leiden tot uitsluiting, dan over welke woorden je wel of niet mag gebruiken. Woke zou niet de cultuuroorlog van onze tijd moeten zijn.

    Wij, centrum-linkse liberalen, worden meestal niet gauw boos. Maar met het eindeloze debat over wat rechtse mensen ‘woke’ noemen ben ik helemaal klaar. In het gekibbel tussen rechts en de diverse identiteitsbewegingen komen liberalen nauwelijks aan bod. Wij moeten tussenbeide komen en tegen beide kanten schreeuwen: ‘Jullie hebben het allemaal mis! Luister naar ons!’

    Het debat over ‘wokeness’ is alleen al dwaas omdat niemand het erover eens is wat ‘woke’ nou eigenlijk betekent. De progressieve Amerikaanse schrijver James McAuley definieert het als ‘een verhoogd bewustzijn van rassenongelijkheid en sociale rechtvaardigheid’. De conservatieve Britse politicoloog Matthew Goodwin noemt het ‘de heiligverklaring van minderheden op raciaal, seksueel en gendergebied’. Het Democratische Amerikaanse Congreslid Alexandria Ocasio-Cortez twitterde: ‘“Woke” is een term die experts tegenwoordig gebruiken als kleinerend eufemisme voor burgerrechten en rechtvaardigheid.’

    Derde weg

    Probleem nummer twee is dat de discussie van Amerikaanse makelij is, zoals zoveel debatten die op mondiale schaal worden gevoerd. En zoals alle hedendaagse Amerikaanse debatten is het tot in uitersten gepolariseerd. In algemenere zin kennen wij liberalen onze plaats op het Amerikaanse slagveld. We weten waar we staan tussen sociale rechtvaardigheid en de huidige Republikeinse Partij. In dat gevecht moet je nu eenmaal partij kiezen.

    Maar op het gebied van wokeness nemen wij liberalen een eigen positie in, noem het een ‘derde weg’. Soms zijn we het eens met strijders voor sociale rechtvaardigheid en soms met regelrechte conservatieven. (Alleen de trumpiaanse witte-identiteitsbeweging is op alle fronten fout.)

    Witte mannen moeten beseffen dat ze mogelijk alleen op een leidinggevende plek terecht zijn gekomen omdat ze witte mannen zijn

    Als liberaal sta ik achter de aanvallen van de zogeheten ‘wokesters’ op discriminatoire structuren. Witte mannen die vandaag de dag leidinggevende posities bekleden, moeten beseffen dat ze mogelijk alleen op die plek terecht zijn gekomen omdat ze witte mannen zijn. Onlangs gingen tijdens een Zoomgesprek twee succesvolle witte mannelijke vrienden tegen me tekeer over wokeness. De een klaagde dat vrouwen en zwarten in zijn vakgebied tegenwoordig moeiteloos opslag denken te krijgen, terwijl hij sinds de kostschool hard heeft moeten werken. Hij ziet zichzelf als slachtoffer. Ik denk dat hij woke moet worden waar het de werking van macht betreft. Nu verdienen anderen een kans.

    Wokesters

    Sociaal activisten hebben gelijk als ze vrouwen en minderheden een stem willen geven. Ze hebben gelijk als ze zeggen dat oudere witte mannen vaak ‘woke’ roepen om hun eigen positie te beschermen. De wokesters hebben ook gelijk als ze standbeelden van racisten willen neerhalen. Dat is niet het ‘uitwissen van de geschiedenis’, maar het kiezen van andere mensen om te vereren.

    En als wokesters worden beschuldigd van het bevorderen van de ‘cancel-cultuur’, dan hebben ze gelijk als ze rechtse mensen hetzelfde verwijten. Een schooldistrict in Kansas heeft onlangs negentwintig boeken uit zijn bibliotheken verwijderd, onder meer van auteurs als Margaret Atwood en Toni Morrison. Een schoolbestuur in Virginia beval zijn bibliotheek ‘seksueel expliciete’ boeken te verwijderen – lees cancelen – en twee bestuursleden bepleitten een boekverbranding (het bevel werd later ingetrokken na een golf van kritiek).

    En dit zijn geen opzichzelfstaande incidenten of alleen maar voorbeelden van het ‘anekdotalisme’ dat het debat over wokeness vertekent. Van januari tot september 2021 zijn in de VS vierentwintig wetsvoorstellen ingediend om paal en perk te stellen aan wat opleidingsinstituten mogen onderwijzen over onderwerpen als racisme, gender en Amerikaanse geschiedenis, aldus non-profitorganisatie PEN America.

    Niemand verdient ‘emotionele bescherming’ tegen argumenten die hen niet bevallen

    Maar ik ben het eens met conservatieven als ze klagen over bepaalde strijders voor sociale rechtvaardigheid die de vrijheid van meningsuiting onderdrukken. Niemand verdient ‘emotionele bescherming’ tegen argumenten die hen niet bevallen. Het enige waartegen je beschermd moet worden is haatzaaien en bedreiging met geweld.

    Conservatieven hebben gelijk als ze zeggen dat witte mensen hetzelfde recht hebben om gehoord te worden als anderen. Ze hebben gelijk als ze zeggen dat de witte arbeidersklasse vatbaar is voor discriminatie op grond van geografie, accent, kleding en religie. Ze hebben gelijk als ze klachten over ‘culturele toe-eigening’ verwerpen. Een witte zanger mag zich gerust door Afrikaanse muziek laten inspireren en een man mag gerust over een vrouw schrijven. En conservatieven hebben gelijk als ze zeggen dat onbewezen beschuldigingen nooit het einde van een carrière mogen betekenen. Zelfs standbeelden mogen alleen door verkozen organen worden neergehaald, niet door betogers.

    Een belangrijk liberaal standpunt is dat we mensen als individuele denkers beschouwen, niet als leden van identiteitsgroepen

    Een belangrijk liberaal standpunt is dat we mensen als individuele denkers beschouwen, niet als leden van identiteitsgroepen. Niemand wordt door zijn afkomst gedwongen om de regels te volgen die worden verstrekt door ‘leiders’ van hun zogenaamde genetisch bepaalde ‘gemeenschap’. Wanneer witte progressieven uitleggen wat de ‘Afrikaans-Amerikaanse gemeenschap’ gelooft, wil ik vragen: ‘Behoren jullie tot de witte gemeenschap? Zo niet, waarom zou je zwarte mensen dan ook niet los zien van hun etniciteit?’

    Zwijgende meerderheid

    Dus wij liberalen moeten het debat op zijn kop zetten en alle anderen beledigen. Wij behoren waarschijnlijk tot de zwijgende meerderheid, zeker in het Verenigd Koninkrijk. We zouden tot de luidruchtige meerderheid moeten behoren.

    Wij zouden ernaar moeten streven het hele debat te marginaliseren. Woke zou niet de cultuuroorlog van onze tijd moeten zijn. De meeste levens worden er niet door bepaald. In Europa kom je het zelfs amper tegen, een enkele Britse universiteit daargelaten. We zouden ons meer zorgen moeten maken over discriminatoire economische en sociale structuren dan over lelijke woorden. Het is absurd dat sommige Amerikaanse universiteiten en media regels kennen tegen racistisch taalgebruik, terwijl er in het dagelijks leven een segregatie wordt getolereerd die niet onderdoet voor apartheid.

    Erik Bleich, verbonden aan Middlebury College in Vermont, zegt dat mensen twee eenvoudige ideeën in hun oren moeten knopen: vrijheid van meningsuiting is cruciaal. Begrijpen dat sommige mensen historisch in het nadeel zijn vanwege hun identiteit is ook cruciaal. Zo ingewikkeld is het niet.