Onderwerpen: Gelijkheid

  • Landkaarten zijn geen onschuldige plaatjes

    Landkaarten zijn geen onschuldige plaatjes

    De Afrikaanse Unie dringt aan op afschaffing van het vervormde klassieke wereldbeeld van de Mercatorkaart. In plaats daarvan wil ze een eerlijke weergave die recht doet aan de werkelijke afmetingen.

    ‘Een landkaart is niet alleen een handig hulpmiddel, het is ook een symbool, en symbolen zijn belangrijk. Voor ons betekent een verbetering van de landkaart ook een verbetering van het wereldwijde narratief over Afrika,‘ zegt Fara Ndiaye, medeoprichter en adjunct-directeur van Speak Up Africa, een van de organisaties achter de campagne Correct the Map. De Afrikaanse Unie (AU) heeft zich onlangs geschaard achter dit initiatief, dat regeringen en internationale onderwijsinstellingen wil laten stoppen met het gebruik van de Mercatorwereldkaart, ten gunste van een waarop de omvang van Afrika preciezer staat afgebeeld. Op de traditionele kaarten wordt het continent verkleind weergegeven.

    ‘Het lijkt misschien alleen maar een kaart, maar dat is het niet,’ verklaarde de vicevoorzitter van de AU-commissie, Selma Malika Haddadi, tegen Reuters. Ze benadrukte dat de Mercatorkaart het valse beeld versterkt dat Afrika ‘marginaal’ is, al is het qua oppervlak het een-na-grootste continent ter wereld.

    Ndiaye ziet de steun van de Afrikaanse Unie als een historische mijlpaal waar een heel krachtig politiek signaal van uitgaat. ‘Het is voor het eerst dat een pan-Afrikaanse instantie duidelijk stelling neemt over de visuele weergave van Afrika,’ zegt ze in een videogesprek met El País. Ze legt uit dat dankzij deze steun een aanvankelijk ‘culturele en maatschappelijke eis verandert in continentaal beleid, dat zich richt op de hele wereld’.

    Voetnoot in eigen geschiedenis

    Voor Carlos Lopes, professor aan de Universiteit van Kaapstad en medewerker van Africa No Filter, de andere organisatie achter het initiatief, is deze steun ‘een teken dat Afrika weigert om langer een voetnoot te zijn in zijn eigen geschiedenis’. In een e-mailuitwisseling benadrukt de hoogleraar dat het niet alleen gaat om een cartografisch debat, maar om ‘waardigheid, scholing en zelfs diplomatie’. ‘Als je huis op Google Maps almaar te klein wordt voorgesteld, zul je uiteindelijk willen dat daar iets aan gebeurt,’ zegt hij.

    Al is dit soort kritiek op de Mercatorkaart niet nieuw, met deze campagne is het debat nieuw leven ingeblazen op een moment van postkoloniale onvrede en hernieuwd bewustzijn van de eigen identiteit. Dat de vervorming zo lang kon standhouden verklaart Lopes uit het feit dat ‘een wereldbeeld dat eenmaal heeft postgevat makkelijk went’. Toch ziet hij kaarten niet als ‘onschuldige plaatjes’. Ze bepalen volgens hem hoe wij onszelf en anderen zien: ‘Als Afrika kleiner lijkt dan het is [in verhouding tot andere continenten], geldt dat ook voor het belang van Afrika in de beleving van burgers en beleidsmakers. De kaart verbeteren is geen vrijblijvend gebaar; het houdt in dat je de werkelijkheid opeist.’

    Voordelen en nadelen van traditionele projecties

    In 1569 achtte de Vlaamse cartograaf Gerard Mercator een nieuwe kaart voor de zeevaart noodzakelijk. Immers, de aarde is rond en trok je bijvoorbeeld een rechte lijn van Sevilla naar Cuba, dan kwam je verkeerd uit, vertelt de Britse historicus Jerry Brotton, schrijver van het boek Een geschiedenis van de wereld in twaalf kaarten. De oplossing waar Mercator mee kwam bevatte onvermijdelijk vervormingen, en hoe noordelijker of zuidelijker, hoe groter die vervorming was. ‘Hij maakte het formaat van Afrika niet expres kleiner,’ zegt Brotton, die herhaalt dat Mercator dit deed om de scheepvaart tussen oost en west te bevorderen.

    Cartograaf Bernhard Jenny, professor aan de Monash-universiteit in Melbourne en medeontwikkelaar van de Equal Earth-projectie, geeft een voorbeeld van zo’n vervorming. ‘Kijk je naar poolgebieden als Siberië, Noord-Canada of Groenland, dan blijken die sterk uitvergroot. Ik laat mijn studenten het formaat van Groenland en Afrika vergelijken; bij Mercator zijn beide grondoppervlaktes even groot, maar in werkelijkheid is Groenland veertien keer zo klein.’

    ‘Dit is de kaart waar we sinds de zestiende eeuw hoofdzakelijk naar hebben gekeken,’ zegt Ndiaye. ‘Ik vind het wel echt belangrijk om te zeggen dat er een specifiek doel mee gediend was, de zeevaart; de opzet was niet een waarheidsgetrouw beeld van de continenten. Maar de wereld heeft de laatste eeuwen een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Nu is het zaak onze instrumenten zo te moderniseren dat ze de werkelijkheid weergeven.’ ‘Kinderen krijgen nog steeds onderwijs aan de hand van de oude kaarten,’ merkt Lopes op. ‘Ze groeien op met het idee dat Afrika maar bescheiden van formaat is, terwijl het in werkelijkheid gigantisch is, groter dan de VS, China, India, Japan en een groot deel van Europa bij elkaar. Waarneming vertaalt zich in vertrouwen en vertrouwen in actie. Dus ja, incorrecte kaarten ondermijnen de slagvaardigheid.

    ‘Kinderen groeien op met het idee dat Afrika maar bescheiden van formaat is, terwijl het in werkelijkheid gigantisch is‘

    Ook weten we dat zo’n vervorming geopolitieke gevolgen heeft, aangezien landkaarten ons beeld versterken van welke regio’s centraal en machtig zijn en welke perifeer,’ zegt Ndiaye. ‘Wanneer op school, in de media en bij internationale organisaties buiten Afrika de juiste afbeeldingen gangbaar worden, helpt dat de verouderde hiërarchie omver te schoppen en tot een evenwichtiger wereld te komen,’ legt ze uit.

    De Mercatorprojectie wordt nog steeds gebruikt door techbedrijven, organisaties en scholen, al doet zich langzaam maar zeker een kentering voor. In 2018 verving Google Maps zijn kaart door een aardbol in 3D, al kunnen gebruikers terug naar de Mercatorprojectie als ze dat liever willen. In de mobiele app blijft die de standaard. Instanties als NASA gebruiken inmiddels projecties als Equal Earth voor klimaatkaarten en een woordvoerder van de Wereldbank bevestigde tegenover Reuters dat ze daar nu Winkel-Tripel of Equal Earth gebruiken voor gewone kaarten en geleidelijk Mercator verwijderen van hun online kaarten.

    De campagne Correct the Map zet in op de Equal Earth-projectie, die in 2018 werd ontwikkeld door Bernhard Jenny, Tom Patterson en Bojan Savric. ‘We vroegen ons af hoe het bestaat dat mensen nog steeds serieus die cartografie [van Mercator] gebruiken voor wereldkaarten. We besloten dat het tijd werd voor actie,’ aldus Jenny. Met Equal Earth willen de makers een alternatief bieden voor de traditionele projecties, in de hoop dat mensen dan beter begrijpen hoe de continenten in elkaar zitten.

    Cartografische vervorming 2

    Volgens de adjunct-directeur van Speak Up Africa speelt er meer dan een herverdeling op de wereldkaart. ‘Als je Afrika op zijn ware grootte laat zien, versterkt dat de trots en het vertrouwen onder Afrikanen, met name bij de jeugd. Daarom vind ik het ook belangrijk dat zij als eersten over de cam pagne worden aangesproken,’ aldus Ndiaye. Ze is van mening dat de verandering vanuit het continent zelf moet komen. ‘Als we precies weten wie wij zijn en wat we in de wereld voorstellen, zal dat onze relatie met anderen vergemakkelijken.’ Wat niet wil zeggen dat de verbetering van de kaart enkel een Afrikaanse kwestie is. Zo’n preciezere weergave van de wereld gaat ons allemaal aan. ‘Als niet-Afrikanen hun kennis van kinds af aan halen uit vervormde kaarten, ontwikkelen ze het valse beeld dat Afrika kleiner is en minder voorstelt dan in werkelijkheid het geval is.’

    Met hun campagne hopen de organisaties, zeker na de bijval van de Afrikaanse Unie, dat Afrikaanse ministeries van Onderwijs de Equal Earth-projectie gaan opnemen in de leerplannen. Ook bepleiten ze dat zowel Afrikaanse als internationale media preciezere kaarten gaan gebruiken bij hun publicaties. Daarnaast willen ze een wereldwijd debat op gang brengen over het beeld van Afrika in het onderwijs en in de collectieve beeldvorming. Volgens Lopes zal de aanpassing ‘niet de ongelijkheid wegnemen, maar helpen bij het corrigeren van een onbewust vooroordeel. Een betere kaart zegt: de wereld is rond, divers en van ons allemaal.’

  • Umeå, de meest feministische stad ter wereld

    Umeå, de meest feministische stad ter wereld

    Van sneeuwruimen tot de inrichting van bushaltes, van openbaar meubilair tot voetbalteams: in deze kleine stad in Zweden worden vrouwen en mannen op gelijke voet behandeld – met als doel het leven voor iedereen beter te maken.

    In het hart van Umeå staat de grote rode poema, ’s werelds eerste publiekelijke standbeeld ter ere van de #MeToo-beweging. Het toont een grommende kat op een stalen frame dat doet denken aan tralies. De officiële titel, volgens kunstenaar en maker Camilla Akraka, is Listen, maar iedereen noemt het beeld gewoon ‘puman’ – de poema. Sinds het in 2019 op het centrale plein voor het oude stadhuis verscheen, staat het symbool voor deze stille, bescheiden plaats een paar honderd kilometer ten zuiden van de poolcirkel, die ook wel bekendstaat als ‘de meest feministische stad ter wereld’.

    Umeå (UU-me-joh, 134.000 inwoners) heeft in Zweden een reputatie als broedplaats van radicale ideeën. In de jaren zeventig werd de ‘rode universiteit’ er het centrum van studentenstakingen en linkse politieke acties. Een Zweedse vriend vertelt me ​​dat ‘iedereen in Umeå helemaal weg is van punk’. Dit lijkt een soort codetaal om aan te geven dat Umeå als ‘cool’ wordt gezien – en zichzelf ook zo beschouwt. Zelfs de website van Visit Umeå, het lokale toeristenbureau, claimt dat de stad ‘de meest bebaarde en getatoeëerde bevolking ter wereld’ heeft. Wat helaas dan weer niet geheel op de vrouwen slaat.

    Wat maakt Umeå dan zo’n geweldige plek om vrouw te zijn? Om daarachter te komen, loop ik een dagje mee met Annika Dalén en Linda Gustafsson, medewerkers gendergelijkheid van de gemeenteraad. Je zult niet snel iemand vinden die enthousiaster is over de boeiende wereld van ‘genderbewustzijn in de stedelijke omgeving’ dan deze twee.

    Een op maat gemaakte stad

    Vlak bij de poema, richting de rivier, staat een schommelstoel waarin ik me ongewoon comfortabel voel. Hoe dat komt? De stoel is gemaakt naar aanleiding van een speciaal project waarbij de mening van tienermeisjes werd gepeild en ontworpen met de gemiddelde lengte van vrouwen in gedachten: 165 centimeter. Precies mijn lengte. Hoewel ik niet per se verwacht dat vanaf nu wereldwijd elk stuk gemeentelijk meubilair precies volgens mijn specificaties wordt gemaakt, is het wel erg aangenaam.

    ‘Toen de universiteit hier [in 1965] werd opgericht, stond Zweden bekend om zijn progressieve ideeën,’ vertelt Dalén. ‘Later werd Umeå de eerste [stad] in Zweden met een hoogleraarschap genderstudies [Britt-Marie Thurén, in 1997]. Er is hier altijd sprake geweest van een sterke “burgermaatschappij”-beweging.’ Een cursus vrouwenstudies verscheen voor het eerst op het universitaire curriculum in 1976. Twee populaire feministische radioprogramma’s (Radio Ellen in de jaren tachtig en Freja in de jaren negentig) en twee van de grootste Zweedse feministische fanzines (Amazon en Radarka, beide eind jaren negentig) kwamen uit Umeå. Marie-Louise Rönnmark, die later burgemeester werd, was een van de eersten die, eveneens in de jaren negentig, pleitte voor ‘een gendergelijkwaardige gemeente’.

    De ochtendactiviteit is een workshop voor onderwijsassistenten in het basisonderwijs, die zich vooral lijkt te richten op het overtuigen van de deelnemers dat vrouwen niet de primaire ouder hoeven te zijn. ’s Middags maken ze een speciaal ontworpen bustour langs het zogeheten ‘gendered landscape’. De gemeente is trots op deze rondleiding, die werd opgezet als activiteit voor bezoekende hoogwaardigheidsbekleders. Hij voert langs Umeå’s architectonische wonderen en langs zebrapaden met verkeersborden voor ‘vrouwen die oversteken’. (Zowel Dalén als Gustafsson waren verguld toen het gemeentelijke team voor verkeersborden hen vertelde dat ze de borden speciaal zo hadden geplaatst dat het niet lijkt alsof het bord met de ‘overstekende vrouw’ wordt ‘achtervolgd’ door dat met de ‘overstekende man’. Maar vervolgens moest het team schoorvoetend toegeven dat het hen niet gelukt was om dat consequent door te voeren. Het gaat om het idee.)

    ‘Sociale samenlevingen zijn een vaccinatie tegen vervreemding en criminaliteit’

    Zelf ben ik een beetje teleurgesteld dat ik niet in een Scooby Doo-achtige Mystery Machine-bus stap, versierd met psychedelische portretten van Gloria Steinem. Aangezien ik vandaag de enige bezoeker ben op de tour, rijden we in een elektrische stadsauto. De eerste stop is een prototype genderbewuste bushalte. Deze beschikt over houten pods die kunnen ronddraaien, zodat je je ofwel van anderen kunt afwenden, ofwel vanuit de veiligheid van je cocon met anderen kunt praten. De pods reiken niet helemaal tot aan de grond, zodat je van een afstandje kunt zien of er iemand bij de bushalte staat. Je kunt je er dus ook niet in ‘verstoppen’. ‘Sociale samenlevingen zijn een vaccinatie tegen vervreemding en criminaliteit,’ zegt Dalén.

    Bij zulke projecten wordt rekening gehouden met ieders behoeften. Dat de bushaltecabines niet is afgesloten, is omdat uit onderzoek bleek dat de Zweden – zowel mannen als vrouwen – zelfs bij vriestemperaturen ver uit de buurt van een bushalte met glazen wanden blijven. Ze staan ​​liever alleen in de kou dan dat ze in een comfortabelere temperatuur naast iemand anders moeten plaatsnemen: ‘Mensen hier houden niet van afgesloten ruimtes of de nabijheid van anderen.’ Maatregelen rondom gendergelijkheid gaan dus niet alleen over het helpen van vrouwen, maar houden ook rekening met bredere sociale en culturele gewoonten. 

    Geografie en klimaat speelden een grote rol bij de acceptatie van deze experimentele ideeën door de bevolking van Umeå. Het kan er sneeuwen van oktober tot april, en vorig jaar daalde de temperatuur in februari tot -38 °C. ‘Een heel gebruikelijke temperatuur is -5 °C,’ zegt Gustafsson. Dit koude weer speelt vrijwel altijd een grote rol in beslissingen. Zo hangen de cabines bij de bushalte aan een mechanisme dat opzij kan worden geschoven, zodat een sneeuwploeg erlangs kan om het wegdek schoon te vegen. ‘Maar daarop focussen, betekent voorrang geven aan mannen,’ vertelt Janet Ågren, locoburgemeester van Umeå, me later. Het zijn namelijk vooral de mannen die de auto pakken, terwijl de vrouwen, zo blijkt, vaker gebruikmaken van wandelpaden en het openbaar vervoer. Als er al weerstand is geweest tegen gendergerelateerde initiatieven in de stad, vertelt Gustafsson, dan heeft die vaak betrekking op de prioriteit voor sneeuwruimen. ‘Deze strategieën [het herverdelen van budgetten ten gunste van vrouwen] zijn geen geheim,’ zegt ze lachend. ‘Maar het sneeuwruimen blijft gewoon een gevoelige kwestie, waar altijd veel aandacht naar uitgaat.’

    ‘We zijn erg op elkaar aangewezen; we moeten elkaar wel vertrouwen’

    Je voelt hier over het algemeen een sterke strijdlust en bewijsdrang. ‘Het is een afgelegen plaats, ver van Stockholm,’ zegt Ågren. De hoofdstad ligt 640 kilometer naar het zuiden, een treinreis van zes uur. ‘Als er een probleem is, moeten we het zelf oplossen. We zijn erg op elkaar aangewezen; we moeten elkaar wel vertrouwen. De criminaliteit is zeer laag. Dat is niet gemakkelijk vol te houden, al helemaal niet omdat er elk jaar duizend mensen komen en gaan vanwege de universiteit. Maar in principe zorgen we goed voor elkaar.’ Umeå is de hoofdstad van de provincie Västerbotten, een gebied groter dan Denemarken of Nederland, met uitgestrekte wildernisgebieden. De EU Regional Social Progress Index bevat vijftig afzonderlijke kenmerken die goed leven definiëren, zoals gezondheid, invloed en ontwikkelingsmogelijkheden. Västerbotten is de regio met de hoogste score binnen de EU.

    ‘Noord-Zweden is dunbevolkt,’ aldus Dalén. ‘Er bestaan ​​veel vooroordelen over ons, zoals dat hier niets is dan bossen. Maar we behoren tot de tien grootste steden van Zweden.’ Desondanks toont het traditionele wapen van de provincie een rendier aan de nachtelijke hemel, drie vissen en een ogenschijnlijk prehistorische man met een knuppel. ‘Er bestaat een beeld van “de eenzame man in het bos op zijn sneeuwscooter”,’ zegt Gustafsson. ‘Maar wij zijn een moderne, feministische stad. Voor mij staat de vraag centraal: wat betekent het om een ​​vrouw te zijn in het Noorden?’

    Andere hoogtepunten van de bustour zijn de eerste kleuterschool in Umeå, opgericht in 1966, jaren vóór de Zweedse wet op de kleuterschool in 1975 die de weg vrijmaakte voor gesubsidieerde kinderopvang voor kinderen van één tot vijf jaar. ‘Dat ging niet van een leien dakje. Er was veel weerstand,’ zegt Gustafsson.

    Om de hoek ligt het voetbalstadion van Umeå, met negenduizend zitplaatsen. Eind jaren negentig werd besloten de trainingsuren te verdelen op basis van het voetbalteam – mannelijk of vrouwelijk – dat de meeste kans had om de competitie te winnen. Voorheen kreeg het mannenteam automatisch voorrang bij de trainingsuren, ongeacht hun succes. Ook hierop volgde veel protest. Maar aan het begin van deze eeuw had Umeå het beste vrouwenvoetbalteam van Zweden, met daarin de Braziliaanse Marta Vieira da Silva (‘de beste vrouwelijke voetballer aller tijden’) en won het tweemaal de UEFA Women’s Champions League, in 2003 en 2004. Bij het succes van het vrouwenteam begon de buitenlandse interesse in Umeå als feministische casestudy. In 2004 kopte Dagens Nyheter, het grootste weekblad van het land: ‘Hoe Umeå een succesvol feministisch bolwerk werd’. Het lot van het vrouwenvoetbalteam (dat uiteindelijk verloor) illustreert het principe achter Umeå’s op gelijkheid gerichte sociale model. Het gaat er niet om dat de ene groep structureel wordt bevoordeeld boven de andere – dat zou geen gelijkheid zijn – maar om het creëren van een gelijk speelveld, zodat iedereen dezelfde kansen krijgt.

    Veilige openbare ruimtes

    Dit principe van gelijkheid geldt ook bij de volgende halte van de tour: de tunnelinstallatie bij het treinstation, de Lev! (Zweeds voor ‘Leef!’). Deze doorgang voor voetgangers en fietsers baadt in het licht en je kunt er gemakkelijk doorheen kijken; er zijn geen hoeken. ‘Dit is een ruimte tegen geweld. Het is een ruimte die een gevoel van veiligheid biedt,’ legt Gustafsson uit. ‘We kunnen niet beloven dat er nooit iets zal gebeuren. Je kunt geen gecertificeerde “veilige ruimte” bouwen. Waar het om gaat is dat vrouwen niet bang zijn voor openbare ruimtes. Ze zijn bang voor mannen in de openbare ruimte.’ Veilige openbare ruimtes zijn voor haar niet alleen noodzaak, maar ook een statement: ‘Deze ruimtes zijn van ons – wij betalen er ook belasting voor.’ Op de glazen tegels van de tunnel staan citaten van de dichter Sara Lidman (‘Ik wil de sneeuw zien branden’) en er is een opname van haar stem te horen. ‘Vrouwen voelen zich meer op hun gemak als ze de stem van een andere vrouw horen. Daarom vermijden ze deze tunnel niet.’ 

    Ik realiseer me plotseling dat ik precies dat deed: deze tunnel vermijden. Op mijn eerste dag in Umeå, toen ik bij het station aankwam, was mijn natuurlijke instinct om via de drukke weg erboven over te steken. Dit is dus precies het soort ingesleten mentaliteit – een ‘veiligere route’ kiezen die je statistisch gezien een groter risico oplevert – die deze initiatieven proberen aan te pakken.

    ‘Mensen praten over veiligheid,’ zegt Gustafsson, ‘maar voor mij is dat een te lage inzet. Is je ambitie echt dat vrouwen niet bang hoeven te zijn in openbare ruimtes? Die lat ligt te laag. Is het niet visionair om te zeggen: dit is een plek waar je jezelf kunt zijn? Uiteindelijk draait het erom dat we het leven voor iedereen zo aangenaam mogelijk maken. In de beginjaren van Umeå’s genderstudies aan de universiteit was de belangrijkste vraag: ‘Wie heeft de macht om de stad in te richten?’ Tot zo’n vijftig jaar geleden luidde het antwoord natuurlijk: mannen. ‘De vragen die we nu stellen, zijn van een andere aard: Wie bezoekt dit park? Wie maakt gebruik van dit fietspad? Wie doet mee aan dit gesprek? Wie wordt buitengesloten? Waarom is die groep ondervertegenwoordigd in deze dialoog? Is de data die we hebben gesorteerd op gender? Natuurlijk doen we niet altijd alles perfect. Maar op politiek niveau hebben we een punt bereikt waarop er altijd wel iemand is die vraagt: ‘“Waarom ontbreekt dit?” Iedereen die hier betrokken is bij politieke, sociale of culturele besluitvorming is inmiddels gewend om te vragen: “Zijn we misschien iemand vergeten?” Een eenvoudige, bescheiden vraag, maar wel een die het verschil maakt.’

    Iedereen die hier betrokken is bij … besluitvorming is inmiddels gewend om te vragen: “Zijn we misschien iemand vergeten?”

    Zijn er ook mensen die het daar niet mee eens zijn, of zich ergeren aan de kosten van de artistieke tunnel en de glimmend rode poema? ​​‘Ik weet niet zeker of de gemiddelde burger weet dat deze maatregelen voortkomen uit gendergelijkheidsoverwegingen,’ antwoordt locoburgemeester Ågren. ‘Maar als je mensen vraagt ​​naar hun “veiligheidsgevoel” of hun gevoel “erbij te horen”, dan scoort Umeå heel goed in vergelijking met andere steden.’

    En hoe zit het met mannen? ‘Wat de tegenreactie van mannen betreft, die is volgens mij afkomstig van een paar individuen die zich buitengesloten voelen,’ zegt Mikael Brändström, directeur ontwikkeling bij de gemeente Umeå. ‘Maar die stemmen zijn zeldzaam, en ik heb gemerkt dat veel mannen, vooral jongere generaties, de voordelen inzien van een meer gelijkwaardige samenleving. Persoonlijk zie ik dat deze inspanningen ons allemaal ten goede komen. Gelijkheid gaat niet alleen over eerlijkheid – het maakt het leven makkelijker. Wie wil er nou niet minder gedoe over wie er aan de beurt is om het voetbalveld te gebruiken?’

    Volgens Gustafsson is de sleutel tot het omarmen van al deze ideeën voor de meeste mensen het feit dat ze simpelweg gebaseerd zijn op gezond verstand. ‘Toen een Italiaanse collega me een keer aan iemand voorstelde en uitlegde wat we doen, was haar toelichting: “Hun methoden zijn niet ingewikkeld. Ze doen gewoon wat ze moeten doen.”’

  • Moeten de superrijken meer belasting gaan betalen?

    Moeten de superrijken meer belasting gaan betalen?

    Alice Thomson pleit in The Times voor een pragmatische benadering waarbij we de economische voordelen van vermogende individuen erkennen, terwijl Dale Vince in The Guardian juist oproept tot hogere belastingen voor de ultrarijken – inclusief voor hemzelf.

    ‘We hebben de superrijken nodig’

    ‘De superrijken vertrekken massaal uit Groot-Brittannië, maar hun geld is van vitaal belang voor bedrijven, goede doelen en vooral voor de schatkist’, schrijft Alice Thomson in The Times. Ze haalt kunstenaar Grayson Perry aan, die onlangs in een interview zei: ‘Natuurlijk houd ik van de superrijken, zij kopen mijn werk.’ Hij voegde eraan toe dat, hoewel hij zich vaak aan de vermogenden ergert, hij hen tolereert omdat ze zijn rekeningen betalen, de musea financieren en Groot-Brittannië draaiende houden. Goede doelen en kunstorganisaties zouden volgens Perry een groot neonreclamebord boven zich moeten houden met de woorden ‘Waar de fuck denk je dat het geld vandaan komt?’ 

    Volgens Thomson mogen we een voorbeeld nemen aan Perry. ‘Nu tarieven een wereldwijde recessie dreigen te veroorzaken, kijken we jaloers naar de bevoorrechte groep die immuun lijkt voor moeilijkheden.’ Het lijkt erop dat de vermogenden de druk voelen. ‘Ze ruilen Londen in voor Milaan, Lissabon, Dubai en Abu Dhabi.’ Het afgelopen jaar heeft Londen meer dan elfduizend (dollar)miljonairs verloren –buiten Moskou lag dat aantal nergens anders zo hoog. Londen is nu niet langer een van de vijf rijkste steden ter wereld.

    ‘Ik snap wel waarom de superrijken zich hier niet gewenst voelen’, schrijft Thomson. Ten eerste kondigden de Tories vorig jaar aan dat ze de regeling voor non-doms wilden afschaffen. Een non-dom is iemand die in het Verenigd Koninkrijk woont, maar die zijn of haar officiële domicilie (vaste woonplaats voor belastingdoeleinden) in een ander land heeft. Rachel Reeves scherpte deze regels aan, waardoor de meeste non-doms vanaf deze maand voor het eerst in het Verenigd Koninkrijk belasting moeten betalen over hun wereldwijde inkomsten. De minister van Financiën verscherpte ook de erfbelasting, inclusief op buitenlandse activa, en stelde een maximum in voor belastingverlagingen op bedrijfs- en landbouwgrond.

     ‘In tijden van wereldwijde instabiliteit is het verstandiger om de superrijken dichtbij te houden’

    ‘Andere landen hebben daarentegen duidelijk gemaakt dat de superrijken er welkom zijn en dat ze juist op zoek zijn naar de ultra-mobiele elite.’ Dubai en de Verenigde Staten hebben een gouden visum voor buitenlandse investeerders en Italië belooft de rijken onderdak te bieden voor tweehonderdduizend euro per jaar.

    We moeten dus pragmatisch zijn, vindt Thomson net als Grayson Perry, en de superrijken tolereren. Maar tolereren betekent niet dat we van ze moeten houden. ‘We mogen – en moeten – de superrijken naar hartenlust belachelijk maken.’ Neem de populaire HBO-serie The White Lotus. Na drie seizoenen is de formule duidelijk: belachelijk rijke families blijken nog meer ontspoord dan we al dachten. ‘Maar de publieke financiën profiteren van hun vrijgevigheid, net als de horeca en de detailhandel.’ 

    Alleen al in 2023 betaalden 74.000 geregistreerde non-doms in het Verenigd Koninkrijk 8,9 miljard pond aan belastingen, inclusief belasting op vermogen. Volgens nieuwe cijfers van het Adam Smith Institute zouden er met het vertrek van de non-doms 44.000 banen kunnen verdwijnen. ‘We mogen de rijken dan niet leuk vinden, maar we hebben deze energieke, gedreven en rijke ondernemers en investeerders nodig. In tijden van wereldwijde instabiliteit is het, als je groei wilt stimuleren, verstandiger om de superrijken dichtbij te houden.’


    ‘Belast de rijken – begin bij mij’

    ‘Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan zien we duidelijker dan ooit wat er gebeurt wanneer de extreme rijkdom van superrijke mannen (het zijn allemaal mannen) een aanval op het algemeen belang wordt’, schrijft Dale Vince in The Guardian. Hij heeft zich aangesloten bij meer dan 370 miljonairs uit 22 landen om een brief te ondertekenen die politiek leiders oproept om de kosten van extreme rijkdom aan te pakken door de superrijken te belasten – mensen zoals hij.

    Nadat hij een kwart miljard dollar in de verkiezingscampagne van Trump heeft gepompt, waarmee hij zijn rijkdom met 170 miljard dollar heeft vergroot, verlegt Elon Musk volgens Dale nu zijn aandacht van de Verenigde Staten naar het Verenigd Koninkrijk.

    ‘Vanaf zijn persoonlijke spreekbuis op X post hij eindeloze berichten, van zijn knipperlichtrelatie met Nigel Farage tot grooming gangs en een peiling over de vraag of de VS het VK zou moeten “bevrijden” van zijn “tirannieke regering”.’ Musk zou een van de vele miljonairs en miljardairs zijn die interesse tonen omgrote sommen geld aan Reform UK te doneren – en zolang hij dat via een van zijn in Groot-Brittannië gevestigde bedrijven doet, is het legaal. ‘We lopen het risico een Planeet Musk te worden,’ vreest Dale. ‘Dit is wat er gebeurt wanneer landen extreme rijkdom tolereren.’ In zijn afscheidsrede waarschuwde Joe Biden dat er een oligarchie vorm begon te krijgen in de VS. ‘Het lijkt erop dat het ook onze kant op komt.’

    ‘We moeten de invloed van donoren uit de politiek houden – en ik zeg dat als politieke donor’

    Het vermogen van miljardairs steeg vorig jaar met 2 biljoen dollar, ongeveer 5,7 miljard dollar per dag, drie keer sneller dan het jaar daarvoor, terwijl het aantal mensen dat in armoede leeft nauwelijks is veranderd sinds 1990. ‘Het zijn cijfers die de meeste mensen niet kunnen bevatten, maar het is een duidelijke waarschuwing dat de kloof tussen de rijken en de rest groeit en dat de allerrijksten zowel de politiek als de media financieren – waarmee ze tegelijkertijd de democratie ondermijnen.’

    Er moet iets gedaan worden, vindt de ondernemer en activist. ‘We moeten de invloed van donoren uit de politiek houden – en ik zeg dat als politieke donor. Dat klinkt misschien tegenstrijdig, maar ik ben dan ook een miljonair die wil dat miljonairs meer belasting betalen.’

    In het Verenigd Koninkrijk zou een belasting van slechts 2 procent op activa meer dan 24 miljard pond per jaar opleveren. ‘Het zou slechts twintigduizend mensen treffen en een groot bedrag opleveren dat we zouden kunnen investeren in een eerlijkere, duurzamere samenleving.’ Hij betoogt dat het niet meer dan juist is dat degenen met de diepste zakken – die het volgens hem nauwelijks zouden merken – hun deel moeten betalen. ‘In een wereld die steeds absurder aanvoelt, is dit een logische stap. Het is tijd om een einde te maken aan extreme rijkdom.’

  • Niet iedereen in het Globale Zuiden is rouwig om de teloorgang van USAID

    Niet iedereen in het Globale Zuiden is rouwig om de teloorgang van USAID

    Volgens de Keniaanse opinieschrijver Patrick Gathara heeft ontwikkelingshulp altijd in dienst gestaan van een wereldwijd koloniaal systeem. De implosie van deze bedrijfstak, waar de ontmanteling van USAID een voorbeeld van is, biedt de kans om een ​​nieuwe wereldorde te scheppen met meer onafhankelijkheid en gelijkheid.

    De bliksemcampagne van Donald Trump tegen het US Agency for International Development (USAID) heeft deze organisatie, die als ‘grootste donor ter wereld’ te boek staat, te gronde gericht. Aan de betrokkenen de ondankbare taak het internationale systeem voor ontwikkelings- en humanitaire hulp van de totale ondergang te redden. Velen betreuren de ernstige gevolgen van dit ongeëvenaarde besluit van de Amerikaanse president, die hierin overigens niet helemaal alleen staat, want ook andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, willen bezuinigen op ontwikkelingshulp.

    Ontwikkelingswerker Luca Crudeli, naar eigen zeggen sinds 2003 gepassioneerd bezig met zijn vak, schreef op LinkedIn dat hij gebukt gaat onder het gevoel ‘dat de morele kern van ons werk geruisloos uit onze handen glipt’ en onder het verontrustende besef ‘dat de humanistische essentie van ontwikkelingshulp zoek kan raken in een wirwar van contracten en strategische statistieken’.

    Maar die omschrijving van ontwikkelingshulp als iets essentieel humanistisch zal veel mensen in het Globale Zuiden nogal wrang in de oren klinken. Ongetwijfeld zijn veel ontwikkelingswerkers fatsoenlijke mensen met moreel besef die zich oprecht bekommeren om het welzijn van hun medemensen wereldwijd. Ook staat vast dat de hulpindustrie ervoor zorgt dat miljoenen mensen kunnen overleven.

    Desalniettemin is de essentie van ontwikkelingshulp altijd al veel minder humanistisch geweest dan de pleitbezorgers ervan beweren. In werkelijkheid is de hulpindustrie een instrument voor geopolitiek beheer geweest, een middel om wereldwijde ongelijkheid en de onttrekking van middelen die deze voedt in stand te houden in plaats van tegen te gaan. De afgelopen dagen, na de teloorgang van USAID, heeft deze realiteit steeds meer aandacht gekregen ​​– bewust of onbewust.

    Amerikaanse belangen

    Een verklaring van InterAction, een alliantie die ‘de stemmen van Amerika’s leidende humanitaire en ontwikkelingsorganisaties bundelt en versterkt’, maakte dat heel duidelijk. Deze organisaties, zo stond er vóór een haastige herschrijving, ‘werken onvermoeibaar om levens te redden en de Amerikaanse belangen wereldwijd te bevorderen’. Met de toevoeging dat de aanval op USAID ‘programma’s ter ondersteuning van Amerikaans mondiaal leiderschap’ heeft opgeschort en ‘gevaarlijke vacuüms heeft gecreëerd die China en onze tegenstanders snel zullen opvullen’. Klinkt dit ‘humanistisch’?

    Marina Kobzeva, die bijna twintig jaar als hulpverlener heeft gewerkt, schreef in een reactie hoe verschillend er op de verklaring is gereageerd. Collega’s uit het Globale Noorden repten van een ‘slechte formulering’ en ‘een oprechte vergissing’, terwijl die uit het Globale Zuiden een soort genoegdoening leken te voelen: ‘Eindelijk laten ze hun ware aard zien.’

    Goed beschouwd was de hulpindustrie een rechtstreeks vervolg op de ‘beschavingsmissie’ van het kolonialisme

    Het westerse humanitarisme is vanaf het begin nauw verbonden geweest met westers kolonialisme. Zo werd de Berlijnse Conferentie van 1884-1885, die de opmaat vormde voor de verovering van Afrika door Europa, als een humanitaire aangelegenheid gepresenteerd. En hoewel de eerste humanitaire organisaties werden opgericht om de gruwelijke gevolgen van conflicten in Europa aan te pakken toen wederopbouwprojecten na de Tweede Wereldoorlog op een lager pitje kwamen te staan, begonnen veel organisaties zich te roeren in het Globale Zuiden, waar ze het westerse hegemonisme actief ondersteunden.

    Goed beschouwd was de hulpindustrie een rechtstreeks vervolg op de ‘beschavingsmissie’ van het kolonialisme. Het weldoenersimago verdoezelt de uitbuitende natuur van het internationale systeem, en probeert de ergste excessen te verzachten zonder daadwerkelijk aan dat systeem te tornen. Feitelijk is er sprake van een symbiotische relatie. De hulpindustrie legitimeert wereldwijd op exploitatie gerichte handels- en bestuursstelsels, en wat die opleveren legitimeert weer het bestaan ​​van hulporganisaties.

    Structurele transformatie

    Hierdoor is de geracialiseerde wereldorde nauwelijks veranderd en blijft er diepe ongelijkheid bestaan, ondanks de groei van hulp- en ontwikkelingsorganisaties. Een onderzoek uit 1997 van het Amerikaanse Congressional Budget Office concludeerde dat buitenlandse hulp hooguit een marginale rol speelde in economische ontwikkeling en het menselijk welzijn, en die ontwikkeling zelfs kon belemmeren, afhankelijk van plaats en omstandigheden.

    Het is daarom niet verrassend dat nu de hulpsector bezig is om te vallen, sommige zogenaamde begunstigden daar niet zo rouwig om zijn. Heba Aly, voormalig directeur van het persbureau The New Humanitarian, merkte op dat tijdens een recente bijeenkomst ‘sommige activisten uit het Globale Zuiden zich minder zorgen maakten over bezuinigingen op hulp dan de donoren. Het zou hun eigen leiders misschien dwingen verantwoordelijkheid te nemen en niet langer afhankelijk te zijn van ondersteuning.’ Hieruit blijkt hoe hulpverlening fundamentele hervormingen van zowel mondiale als nationale systemen van koloniale exploitatie vervangt door liefdadigheid.

    ‘Als dit het begin is van het einde van hulp, moeten we ons richten op een structurele transformatie’

    De uitholling van westerse hulp zal ongetwijfeld tragisch en pijnlijk zijn. Sommige van ’s werelds meest kwetsbaren zullen lijden, velen zullen sterven. Dit aspect verdient een belangrijke plaats in discussies over de rechtvaardigheid of kwalijkheid van hulp in het algemeen. We moeten de wereld tegemoet treden zoals die is, niet zoals we willen dat die is, en al het mogelijke in het werk stellen om ongunstige effecten te verzachten.

    Maar dit is ook een kans om een wereld zonder ontwikkelingshulp op te bouwen. ‘Als dit het begin is van het einde van hulp,’ schrijft Aly, ‘moeten we ons richten op een structurele transformatie’: de hervorming van mondiale handels- en financiële systemen die ervoor hebben gezorgd dat de armsten hebben betaald voor de levensstijl van de rijken.

    Dat betekent niet dat we een Hobbesiaanse wereld krijgen zonder solidariteit. Wel een wereld waarin liefdadigheid geen dekmantel is voor onrechtvaardigheid. Het einde van hulp betekent idealiter ook het einde van ’ontwikkeling’, een verderfelijke ideologie die ervan uitgaat dat de ‘ontwikkelde wereld’, waarvan de welvaart stoelt op de ruïnering van andere samenlevingen en van de aarde, een voorbeeld is dat navolging verdient. We moeten werken aan een wereldorde die werkelijk humanistisch is.

  • VN-rapport: Iran gebruikt technologie om vrouwen zonder hoofddoek op te sporen

    VN-rapport: Iran gebruikt technologie om vrouwen zonder hoofddoek op te sporen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Israël verbreekt wapenstilstand met dodelijke luchtaanval op Gaza

    » Conflict in de DRC: M23 trekt zich terug uit vredesbesprekingen

    De Iraanse politie zet drones in om vrouwen te monitoren

    Een uitgebreid technologisch netwerk in Iran rapporteert vrouwen die geen hoofddoek dragen, meldt een VN-rapport. ‘Twee jaar na de protesten van 2022 worden vrouwen en meisjes in Iran nog steeds geconfronteerd met systematische discriminatie (…), vooral met de verplichting tot het dragen van een hijab.‘ Sinds april 2024 heeft Iran een nieuw plan doorgevoerd, het Noor Plan, bedoeld om de verplichte kledingwetten te handhaven. Inmiddels zijn er al 618 vrouwen gearresteerd onder de wet.

    Het VN-rapport laat zien hoe Iraanse autoriteiten technologie gebruiken om vrouwen zonder hijab op te sporen. Bij de Amirkabir universiteit in Teheran zijn camera’s met gezichtsherkenning geplaatst om vrouwen zonder hoofddoek te rapporteren. De Iraanse politie maakt ook gebruik van ‘dronetoezicht vanuit de lucht’, meldt het rapport. Het team van onderzoekers vermoedt dat bewakingscamera’s op de grote wegen van Iran ook actief zoeken naar vrouwen zonder hoofddoek, aldus The Independent.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De Iraanse politie heeft zelfs een nieuwe app ontwikkelt met de naam ‘Nazer’. De app stelt burgers in staat om een vrouw die geen hoofddoek draagt te rapporteren. Gebruikers van de app kunnen bijvoorbeeld ‘de locatie, datum, tijd en de nummerplaat van een voertuig’ toevoegen. ‘Dan wordt er per direct een sms gestuurd naar de eigenaar van het voertuig dat hen waarschuwt dat ze de wet van de verplichte hijab hebben overtreden en dat hun voertuig in beslag zal worden genomen als ze de waarschuwing negeren,’ aldus het VN-rapport.

    In 2022 waren er grote protesten in Iran naar aanleiding van de dood van Mahsa Amini, een vrouw die werd gearresteerd en mishandeld door de zedenpolitie. Dit rapport van de VN stelt de Islamitische Republiek verantwoordelijk voor haar dood en beklaagt de onderdrukking van vrouwenrechten in Iran.

  • Vrouwen in Turkije vechten terug tegen autocratie

    Vrouwen in Turkije vechten terug tegen autocratie

    Vrouwenrechten staan in Turkije onder grote druk. Maar feministen slaan terug en boeken echte overwinningen. ‘De mannelijke staat weet dat hoeveel hij ook ingrijpt, vrouwen nooit zullen opgeven.’

    Eind december zat ik in een strafhof in Istanbul en zag ik een tafereel dat in heel Turkije helaas maar al te herkenbaar is geworden. Een man werd beschuldigd van het binnendringen in het huis van zijn ex-vriendin, in strijd met een preventief bevel, op vier verschillende data in mei 2023. Hij had haar met de dood bedreigd en haar bezittingen vernield. Het slachtoffer was te bang om de rechtszaak bij te wonen.

    Na een korte hoorzitting zag ik hoe de verdachte de rechtszaal uitliep, met in zijn hand één blad papier met de uitspraak van de rechter: Hij was vrijgelaten zonder voorlopige hechtenis.

    ‘Zulke zaken eindigen in moord,’ vertelde Evrim Kepenek, een Turkse journalist die zaken van huiselijk geweld volgt. ‘De man komt naar de rechtbank nadat hij het beschermingsbevel heeft geschonden en hoort dat er niets zal gebeuren, dus gaat hij door totdat hij haar vermoordt.’

    Ik woonde van 2014 tot 2016 in Istanbul, een relatief hoogtepunt voor Turkse organisatoren die huiselijk geweld en andere problemen waar vrouwen wereldwijd mee te maken hebben onder de aandacht wilden brengen. Toen ik afgelopen winter voor twee weken terugkwam, viel het me op hoezeer de situatie is verslechterd voor vrouwen die te maken hebben met huiselijk geweld. Het land vaardigt jaarlijks tienduizenden preventieve bevelen uit, maar de handhaving is zwak. Het Women’s Rights Center van Istanbul onderzocht honderden gevallen van preventieve bevelen die in 2022 werden uitgevaardigd en ontdekte dat vrouwen weinig rechtsmiddelen hebben wanneer bevelen worden geschonden.

    Democratische terugval

    De Turkse vrouwenrechten zijn over het algemeen precair. Als premier van Turkije van 2003 tot 2014 bevorderde Recep Tayyip Erdoğan conservatieve moslimtradities, zoals het recht om een hoofddoek te dragen in openbare instellingen. Sinds hij in 2014 tot president werd gekozen, heeft hij zich ronduit denigrerend uitgelaten over seculiere vrouwen en is hij nog harder gaan optreden tegen nieuwe bedreigingen van zijn politieke macht. De aanvallen van Erdoğan op vrouwen zijn een voorbeeld van een welbekend patroon van autocratische leiders die vrouwen kleineren om hun eigen positie te verbeteren.

    Autoritair gezinde leiders ‘hebben een strategische reden om seksistisch te zijn’, schreven Erica Chenowith en Zoe Marks, hoogleraren politieke wetenschappen aan Harvard, in 2022 in Foreign Affairs. ‘Inzicht in de relatie tussen seksisme en democratische terugval is van vitaal belang voor degenen die tegen beide willen vechten.’

    Turkije laat zien dat wanneer democratieën wankelen, de omstandigheden voor vrouwen verslechteren. Toch vechten Turkse vrouwen terug, veranderen van tactiek als reactie op nieuwe uitdagingen en boeken echte overwinningen.

    De vrouwenbeweging in Turkije is waarschijnlijk de meest succesvolle en langdurige maatschappelijke inspanning in de republiek. Lang voordat het Verdrag van Lausanne in 1923 de staat Turkije erkende, vochten vrouwen uit het Ottomaanse tijdperk om een einde te maken aan het recht van mannen op polygamie en eenzijdige echtscheiding. Naast de seculiere agenda van de vroege republiek drongen vrouwen aan op vervanging van de sharia door westerse burgerlijke en strafwetten, wat van Turkije het enige land in de regio maakte dat dit deed. Onder invloed van het feminisme in de Verenigde Staten, in de jaren 1980, brachten ze hun strijd naar de huiselijke sfeer. Door onophoudelijk campagne te voeren, bereikten ze tegen het begin van de jaren 2000 een gelijkwaardige besluitvorming in het huwelijk, de strafbaarstelling van verkrachting binnen het huwelijk, een einde aan strafvermindering voor ‘eremoorden’ en een aantal beschermingsmaatregelen tegen huiselijk geweld.

    ‘Dat jaar liep ik mee met een van de grootste optochten voor transrechten in de regio. De route was zo vol dat ik me zorgen maakte over een stormloop’

    Toen ik in 2014 voor het eerst naar Turkije reisde, hadden vrouwen een aanzienlijke organisatiekracht ontwikkeld. Ze profiteerden van de belangstelling van de westerse media voor de regio na de Arabische Lente en de lopende gesprekken van Erdoğan met de Europese Unie om massale protesten te organiseren. Dat jaar liep ik mee met een van de grootste optochten voor transrechten in de regio, een van de vele grote protesten die vrouwen hielpen leiden. De route was zo vol dat ik me zorgen maakte over een stormloop. Hoewel Erdoğan voortdurend mensen beledigde die niet voldeden aan de traditionele genderconventies, waren activisten de oorlog van de wereldwijde publieke perceptie aan het winnen.

    Conservatieve moslimvrouwen steunden Erdoğan echter. Vijfenvijftig procent van de vrouwelijke stemmers, tegenover achtenveertig procent van de mannen, stemde op Erdoğan in de presidentsverkiezingen van 2014. Door het opheffen van het hoofddoekverbod had hij de vrijheid van meningsuiting van sommige conservatieve vrouwen verruimd, en de huishoudens hadden geprofiteerd van een versterkte economie.

    In de jaren daarna zouden de omstandigheden voor vrouwen over het hele politieke spectrum aanzienlijk verslechteren. Op 20 maart 2021 verbijsterde Turkije de Raad van Europa door zich terug te trekken uit het Verdrag van de Raad van Europa inzake de voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld – ook bekend als het Verdrag van Istanboel, naar de stad waar het werd opengesteld voor ondertekening – dat Turkije als eerste land had geratificeerd. Erdoğan beweerde dat de conventie familiewaarden ondermijnde en was ‘gekaapt door een groep mensen die homoseksualiteit proberen te normaliseren’, hoewel het document geen belangrijke uitspraken doet over homorechten.

    Ondermijning

    Kort daarna deed de regering van Erdoğan nog een poging om de vrouwenbeweging te ondermijnen door het We Will Stop Femicide-platform, een vrijwilligersgroep van advocaten en pleitbezorgers die slachtoffers van huiselijk geweld vertegenwoordigen, aan te klagen wegens ‘handelen tegen de goede zeden’. De aanklager adviseerde om de groep te ontmantelen. In een ongebruikelijke overwinning voor een mensenrechtenorganisatie ging de rechter in september 2023, na achttien maanden en vier hoorzittingen, in tegen de politieke agenda van Erdoğan en liet de zaak vallen wegens gebrek aan bewijs.

    Erdoğans aanvallen op vrouwen namen toe naarmate zijn politieke steun verzwakte na kritiek op zijn reactie op de aardbeving van februari 2023 en te midden van een razende inflatie. Twee hard-line islamistische partijen stonden klaar om hem te versterken: de Nieuwe Welvaartspartij (YRP) en Hüda Par. De leider van de YRP heeft de Turkse wet op huiselijk geweld vergeleken met fascisme en Hüda Par pleit voor apart onderwijs voor mannen en vrouwen en het strafbaar stellen van seks buiten het huwelijk. In de verkiezingen van mei 2023 voerden beide partijen campagne voor het intrekken van wet 6284, die bepalingen bevat om vrouwen te beschermen maar huiselijk geweld niet strafbaar stelt. Hierdoor verloor Erdoğan aanzienlijke steun van conservatieve vrouwelijke kiezers.

    Vorige maand kondigde Erdoğan zijn plannen aan om wet 6284 te wijzigen en af te zwakken en op 3 juli diende zijn partij een omnibuswet in bij het Turkse parlement die een belangrijke bepaling voor bescherming schrapt. Momenteel kan een huiselijk geweldpleger die een preventief bevel overtreedt een tijdelijke gevangenisstraf krijgen. Als de voorgestelde hervormingen worden aangenomen, kan de misbruiker deze preventieve opsluiting vermijden. Even zorgwekkend voor de vrouwenbeweging is dat de wetshervorming getrouwde vrouwen zou verplichten de naam van hun echtgenoot aan te nemen, wat de nadruk legt op het gezin als basis voor de samenleving. Het parlement buigt zich momenteel over het wetsvoorstel.

    Op 8 maart namen Turkse vrouwen deel aan hun jaarlijkse mars ‘Feminist Night’, ondanks een verbod van de regering op protesten in de drukke wijk in het centrum waar ze zich hadden verzameld. De politie sloeg de vrouwen tot de beschermende schilden die ze droegen kapot waren en arresteerde demonstranten.

    ‘Dit is eigenlijk een uiting van hoe bang ze zijn voor vrouwen’

    ‘Dit is eigenlijk een uiting van hoe bang ze zijn voor vrouwen,’ zei Özgür Sevinç Şimşek, een filmregisseur die in 2021 werd vrijgelaten nadat hij vijf en een half jaar in de gevangenis had gezeten op beschuldiging van terrorisme. ‘De mannelijke staat weet dat hoeveel hij ook ingrijpt, vrouwen nooit zullen opgeven.’ Vanuit dit perspectief gezien is Erdoğan een rationele politieke actor die bedreigingen wil neutraliseren en zijn macht wil consolideren.

    Ondanks alle tegenslagen zijn er tekenen van hoop. Bij de verkiezingen in mei 2023 wonnen Turkse vrouwen 11 van de 81 burgemeesterszetels, waaronder in vijf stedelijke centra en enkele conservatieve gebieden, waardoor hun vertegenwoordiging in de Turkse regering meer dan verdubbelde.

    ‘De verkiezingen vonden plaats tussen twee scherpe lijnen,’ zei de 31-jarige Gulistan Sonuk, die een burgemeestersrace in de oostelijke provincie Batman won met een grote marge tegen Hüda Par. ‘De ene was de mentaliteit die vrouwen als tweederangs zag, en de andere verdedigde de vrijheid van vrouwen. Het publiek koos voor het laatste.’

    De Turkse vrouwenbeweging blijft terugvechten tegen Erdoğan, zelfs nu hij uithaalt naar de burgermaatschappij. De juridische en electorale overwinningen van de beweging tegenover onliberaal leiderschap en brute censuur zijn een baken van hoop voor verdedigers van vrouwen en democratie overal, hoewel hun strijd nog lang niet voorbij is.

    Vandaag de dag worden vrouwenrechten en de liberale democratie aangevallen in landen over de hele wereld, waaronder de Verenigde Staten. De landen die de grootste bedreiging vormen voor de VS – Rusland, China en Iran – zijn autocratische patriarchaten waar vrouwen vaak de laatste verdedigingslinie vormen door te vechten voor hun rechten. Terwijl de democratische wereld met de handen in het haar zit tegenover de schijnbaar onstuitbare krachten van het illiberalisme, organiseren vrouwen zich nog steeds.

  • Afrikaanse literatuur wordt over de hele wereld gelezen, behalve in Afrika

    Afrikaanse literatuur wordt over de hele wereld gelezen, behalve in Afrika

    Op het Afrikaanse continent zijn boeken duur en bibliotheken schaars, maar een groeiend aantal technische vernieuwers en onafhankelijke uitgeverijen werkt eraan om Afrikaanse literatuur beschikbaar en betaalbaar te maken.

    Nervous Conditions van Tsitsi Dangarembga, een roman over opgroeien in koloniaal Zimbabwe, is een van de belangrijkste werken uit de Afrikaanse literatuur van de twintigste eeuw en is opgenomen in de onderwijsprogramma’s van universiteiten in het Verenigd Koninkrijk. Britse studenten kunnen een tweedehandsexemplaar bestellen voor minder dan 3 pond.

    Er is echter één plek waar lezers het boek moeilijk kunnen vinden: Harare, de hoofdstad van Zimbabwe en de woonplaats van Dangarembga, ook al wordt het boek in paperback uitgegeven in buurland Zuid-Afrika. ‘Het is ontzettend moeilijk om mijn boeken ergens in Zimbabwe te vinden,’ bevestigt Dangarembga.

    Afrikaanse literatuur bloeit

    Afrikaanse literatuur bloeit en de invloed ervan op de wereldliteratuur blijft toenemen. In 2021 wonnen Afrikaanse auteurs de Nobelprijs voor de Literatuur, de Booker Prize en de Prémio Camões, de hoogste literaire onderscheiding voor werk in het Portugees. The New York Times noemde 2021 ‘het jaar van de Afrikaanse literatuur’.

    Dit jaar wordt er met spanning uitgekeken naar de publicatie van de eerste roman van Chimamanda Ngozie Adichie in tien jaar. Er zijn nog veel meer Afrikaanse auteurs die steeds meer erkenning krijgen in Europa en Amerika, van de Zambiaanse Mubanga Kalimamukwento tot de Nigeriaanse Damilare Kuku.

    Toch hebben de meeste Afrikanen moeite om nieuw werk of klassiekers van auteurs als Dangarembga te bemachtigen. Weinig landen hebben een uitgeverij die lokaal boeken uitgeeft. Lang niet alle landen hebben openbare bibliotheken die niet enkel boeken uitlenen, maar ook de groei van onafhankelijke uitgevers stimuleren door exemplaren van hun nieuwe werken op te kopen, zegt Ainehi Edoro, oprichter van Brittle Paper, een onlineplatform over Afrikaanse literatuur.

    Een tekort aan middelen

    In Zuid-Afrika heeft 43 procent van de huishoudens geen boeken en slechts 16 procent heeft er meer dan vijf. In Kameroen wordt een schoolboek door wel twaalf leerlingen gedeeld. In Ethiopië is het voor Dawit Berhanu, die een online boekenclub runt genaamd Ethiopia Book Forum, een constante strijd om goed leesvoer te vinden. Elke week weer slagen de meeste van de zestig leden van de club er niet in om een exemplaar van het besproken boek te bemachtigen, maar toch nemen ze deel aan de lezingen om van de discussies te genieten.

    ‘Er is geen tekort aan literair talent op het Afrikaanse continent, het wemelt er van de schrijvers en mensen die verhalen willen vertellen,’ zegt Edoro. ‘Maar de rest van de literaire markt moet nog ontwikkeld worden. Ze hebben geen toegang tot redacteuren, agenten en publicisten; er is geen lokale infrastructuur.’

    In de meeste Afrikaanse landen importeren boekverkopers voorraden. Zwakke valuta’s maken dit proces duur. Sommige landen, zoals Kenia, heffen belasting op boeken, waardoor de prijzen nog verder stijgen.

    ‘Mensen kopen liever brood dan boeken, dat is de realiteit’

    The Shadow King van Maaza Mengiste, een boek over de vrouwen die zich verzetten tegen de bezetting van Ethiopië door fascistisch Italië in de jaren dertig van de twintigste eeuw, stond op de shortlist voor de Booker Prize in 2020. De roman kost 9 pond in het Verenigd Koninkrijk. In een van de weinige boekwinkels van Addis Abeba kost dezelfde roman 3000 Ethiopische birr (ongeveer 19 pond). Ter vergelijking: een universitair docent verdient 11.500 birr (72 pond) per maand.

    ‘De kosten zijn de belangrijkste barrière,’ zegt Tinashe Mushakavanhu, een Zimbabwaanse academicus aan de Universiteit van Oxford. ‘Mensen kopen liever brood dan boeken, dat is de realiteit.’

    Publicaties van eigen bodem

    De oplossing is volgens Edoro het ontwikkelen van ‘een uitgeversmarkt van eigen bodem. Als je die eenmaal hebt, kun je op betaalbare wijze boeken aan de man brengen,’ zegt ze. Edoro noemt haar thuisland Nigeria als voorbeeld. In de afgelopen twintig jaar zijn er verschillende nieuwe uitgeverijen ontstaan. Deze uitgeverijen werken niet alleen met opkomende Nigeriaanse schrijvers, ze kopen ook de rechten van internationale bestsellers en drukken Nigeriaanse edities, zodat ze beschikbaar en betaalbaar blijven.

    ‘Lange tijd kregen Nigerianen niet de boeken die ze wilden lezen. Nu hebben mensen toegang tot de meeste Afrikaanse titels,’ zegt Othuke Ominiabohs, oprichter van Masobe Books, een onafhankelijke Nigeriaanse uitgeverij.

    Sinds de oprichting in 2020 heeft Masobe Books meer dan honderd auteurs gecontracteerd en meer dan honderdduizend boeken verkocht. Het succes ligt in het aangaan van relaties met fysieke winkels, het creëren van een hype rond boeken op sociale media, frisse omslagontwerpen en geweldige werken voor realistische prijzen. 

    ‘Toen we begonnen, was iedereen enthousiast over de covers,’ zegt Ominiabohs. ‘Ze waren nieuw, verfrissend, gedurfd. En de verhalen op die omslagen waren heel enerverend, heel Nigeriaans. Ze gingen niet over mensen in de VS of Groot-Brittannië. Het waren verhalen over mensen die in Nigeria woonden, die in Nigeria werkten, die Nigeriaans aten. Ze waren herkenbaar.’

    Originele oplossingen

    Elders vinden schrijvers hun eigen manieren om te innoveren. Crowdfunding is een handig middel voor eigen publicaties. In Zimbabwe gebruiken verschillende auteurs WhatsApp-groepen om hun boeken te schrijven en te verspreiden, waarbij ze hoofdstukken gratis uitgeven en een kleine vergoeding vragen voor de mogelijkheid om verder te lezen. In Ethiopië hebben twee programmeurs het e-book- en luisterboekplatform Tuba gelanceerd, waar boeken kunnen worden gedownload naar een app, voor een fractie van de kosten van een fysiek exemplaar.

    ‘We worden steeds groter,’ zegt Dagnachew Tesfaye, een van de oprichters van Tuba. ‘Het is nog vroeg, maar we hopen honderdduizenden boeken te gaan verkopen.’

    Een Keniaans digitaal onderwijsplatform, eKitabu, lanceerde in 2024 een uitgeverij, Mvua Press. Tot nu toe heeft die tien boeken gepubliceerd. Het bedrijf heeft ook een schrijverscafé in Nairobi om nieuwe auteurs te helpen hun prille ideeën om te zetten in manuscripten die kunnen worden ingediend.

    ‘Wij geloven dat er een markt is voor boeken in Afrika als ze toegankelijker en goedkoper worden voor lezers,’ zegt Mercy Kirui, de uitgeefmanager van Mvua Press. ‘We willen dat een boek van een Afrikaanse auteur een hit wordt in Afrika vóórdat het een wereldwijde bestseller wordt.’

  • Nepal: achttienjarige recordklimmer strijdt voor erkenning sherpa’s

    Nepal: achttienjarige recordklimmer strijdt voor erkenning sherpa’s

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Namibië verwacht verdubbeling van economie door offshore olie

    » Venezolaanse oppositieleiders krijgen Sacharovprijs van EU

    ’Sherpa’s zijn volwaardige topatleten’

    Nima Rinji Sherpa werd op 9 oktober met 18 jaar de jongste persoon die de veertien hoogste toppen ter wereld – allemaal hoger dan 8000 meter – heeft beklommen. Het ging de Nepalese bergbeklimmer niet alleen om het vestigen van het record, zei hij tegen The Guardian. ‘Ik wilde laten zien dat sherpa’s volwaardige topatleten zijn en dezelfde erkenning verdienen als westerse bergbeklimmers.’

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Sherpa’s zijn een etnisch Tibetaanse gemeenschap die in Nepal woont. ‘Door hun vaardigheden als topbergbeklimmers en hun kennis van de Himalaya zijn ze al tientallen jaren veelgevraagde gidsen voor ’s werelds gevaarlijkste beklimmingen. Ze zijn echter ook lange tijd uit de geschiedenis en krantenkoppen geschreven en krijgen zelden dezelfde erkenning, lucratieve sponsordeals en veiligheidstrainingen als de westerse klimmers die ze regelmatig naar de top helpen’, legt de Britse krant uit.

    Nima Rinji Sherpa wil daar verandering in brengen. ’Er is zoveel talent en vakmanschap onder mijn collega-sherpa’s die nog steeds niet goed worden erkend.’ Sherpa komt uit een familie van grensverleggende bergbeklimmers. Zo was zijn vader Tashi Lakpa Sherpa op negentienjarige leeftijd de jongste persoon die zonder zuurstof de Mount Everest beklom. En zijn ooms waren de eerste broers die samen de veertien hoogste toppen ter wereld bedwongen.

    Sherpa had geen sponsors, noch kreeg hij professionele training om zich voor te bereiden op de beklimmingen. In plaats daarvan werd hij geholpen door zijn familie, die een van de meest gevestigde bergbeklimmers- en gidsenorganisaties in Nepal leidt. Hij beklom de toppen vaak met groepen klimmers en hielp onderweg als gids, schrijft de Britse krant.

    Zelfs nadat hij de veertien hoogste toppen ter wereld heeft beklommen, weet Sherpa niet van ophouden en maakt hij zich alweer op voor zijn volgende uitdaging: de Nepalese berg Manaslu in het holst van de winter te beklimmen zonder zuurstof of touwen. Hij is benieuwd hoe ver hij zijn eigen uithoudingsvermogen kan pushen. Maar bovenal wil hij zijn collega-sherpa’s trots maken. ‘Hoe bekender ik word, hoe meer ik een uithangbord kan zijn voor mijn gemeenschap,’ zei hij. ‘Ik doe dit voor de volgende generatie.’

  • De vooruitzichten voor Afrika zijn gunstig, aldus ‘hoofdoptimist’ Akinwumi Adesina

    De vooruitzichten voor Afrika zijn gunstig, aldus ‘hoofdoptimist’ Akinwumi Adesina

    Ondanks wrede oorlogen met honderdduizenden slachtoffers tot gevolg is er volgens Afrika’s ‘hoofdoptimist’ Akinwumi Adesina, president van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, een renaissance gaande op het Afrikaanse continent: ‘Geloof niet alleen wat ik zeg, geloof de data.’

    In een exclusief interview zegt Akinwumi Adesina, president van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, dat de vooruitzichten goed zijn voor een continent met het grootste arbeidsreservoir en de beste investeringsmogelijkheden voor de toekomst. Afrika kan de vergrijzende economieën van het Westen in de toekomst van arbeidskrachten voorzien, aldus een van de belangrijkste financiële mensen van het continent, die ook zegt dat het tijd wordt om de mythes over corruptie en risico’s door te prikken.

    Aan de vooravond van de Wereldbanktop van 9 tot 15 oktober in Marokko zei Akinwumi Adesina dat er sprake was van een hernieuwd geloof in de economische vooruitzichten van Afrika en ontkrachtte hij negatieve stereotyperingen. ‘Er is alle reden om optimistisch te zijn.’

    Halverwege zijn tweede vijfjaarstermijn als president van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank (AfDB) zegt de voormalige minister van Landbouw van Nigeria dat de groei van de middenklasse en de enorme verruiming van de investeringsmogelijkheden betekenen dat er een verandering op til is.

    Vijf speerpunten

    ‘En dat werd tijd ook. We zijn het beu om onder aan de waardeketen te bungelen,’ zegt Adesina. ‘De snelste weg naar armoede is het exporteren van grondstoffen, maar de snelweg naar rijkdom verloopt via wereldwijde waardeketens, door waarde toe te voegen aan alles wat je hebt, olie, gas, mineralen, metalen, voedsel, noem maar op. We moeten overal waarde aan toevoegen. Het gaat erom dat we de juiste investeringen doen; dat we zorgen voor een goede bestuurscultuur; dat we zorgen voor de juiste stimulansen. Afrika moet van het slechtste jongetje van de klas het beste jongetje worden.’

    De in 1964 opgerichte Afrikaanse Ontwikkelingsbank is de enige Afrikaanse financiële instelling met een AAA-status en richt zich met name op wat Adesina zijn ‘vijf speerpunten’ noemt: elektriciteit voor iedereen, verbetering van de kwaliteit van leven, industrialisering, voedselzekerheid en het integreren van de 54 Afrikaanse landen om grotere en efficiëntere markten te kweken. ‘Ik geloof niet dat je trots kunt zijn op de ontwikkeling die je doormaakt als je niet in je eigen voedsel kunt voorzien,’ zegt hij. Volgens Adesina wijzen de recordbedragen die de afgelopen jaren zijn aangetrokken van internationale investeerders op een hernieuwd vertrouwen in het vermogen van de bank om overal in Afrika de ontwikkeling te versnellen, met name in de 37 lage-inkomenslanden.

    In de financiële wereld van Europa heb je mensen die knoeien met de cijfers; in Afrika niet

    ‘De 81 aandeelhouders hebben het bankkapitaal eind 2019 verhoogd van 93 miljard dollar tot 208 miljard, de grootste kapitaaltoename in de geschiedenis van de bank. Dat was precies op tijd, want kort daarna viel de covidpandemie ons rauw op het dak. Die kapitaaltoename heeft ons in staat gesteld heel snel te komen met steunmaatregelen ter waarde van 10 miljard dollar voor het door covid getroffen Afrika en om onmiddellijk te reageren op de voedselcrisis op het continent die het gevolg was van de Russische inval in Oekraïne. We hebben 1,5 miljard dollar geïnvesteerd in een voedselprogramma om te voorkomen dat de wereldwijde geopolitieke crisis tot een voedselcrisis in Afrika zou leiden.’

    Maar ook pleit Adesina voor een eerlijker opzet van de internationale financiële systemen, zodat Afrikaanse landen even gemakkelijk toegang krijgen tot reserves en liquide middelen als ontwikkelde landen. Hij zei daartoe te zullen oproepen tijdens de top van de Wereldbank in Marokko. ‘Heel belangrijk voor ons is de kwestie van de bijzondere trekkingsrechten, de door het Internationaal Monetair Fonds gecreëerde reserves die kunnen dienen als betaalmiddel tussen de leden van het Fonds onderling.

    Ondermaats

    Afrika heeft veel meer geld nodig voor klimaatfinanciering. Toen het IMF voor 650 miljard dollar aan trekkingsrechten verstrekte, kreeg Afrika daarvan 33 miljard, oftewel 4,5 procent. Dat is ondermaats. Sommige kleine landen in Europa kregen meer en dat is oneerlijk en niet-inclusief.’ Gezien het feit dat het IMF 190 lidstaten telt, zouden de 54 Afrikaanse landen in de buurt moeten komen van 25 procent van de totale hoeveelheid bijzondere trekkingsrechten.

    ‘De Afrikaanse staatshoofden willen dat er 100 miljard dollar wordt overgeheveld van landen die trekkingsrechten hebben gekregen die ze niet gebruiken of niet nodig hebben,’ zegt Adesina. Dat zal volgens hem de sleutel zijn tot werkelijke vooruitgang. ‘We zouden ze kunnen omdopen tot bijzondere ontwikkelingsrechten.’

    Corruptie

    Corruptie, zegt Adesina, komt in feite minder vaak in Afrika voor dan in andere delen van de wereld. ‘De wereldwijde financiële crisis van 2008 kwam niet uit Afrika,’ zegt hij. ‘Wij hebben geen Wall Street. Die crisis werd veroorzaakt door hebzucht, door corruptie, door fraude. In de financiële wereld van Europa heb je mensen die knoeien met de cijfers; in Afrika niet. Corruptie is geen Afrikaans probleem. Wat niet wil zeggen dat het niet voorkomt. Daarom moeten we blijven werken aan de verbetering van transparantie, aansprakelijkheid en het gebruik van publieke middelen.

    Ik kom net terug uit Eritrea. Ik had van alles over Eritrea gehoord, maar het was mijn eerste keer daar en ik sprak er mensen van het VN-Ontwikkelingsprogramma. Weet u wat die tegen me zeiden? Dat de corruptie in Eritrea nul procent is. Dat is het soort dingen waarover we het willen hebben. Wij als ontwikkelingsbank nemen good governance ontzettend serieus. Wat mij betreft hoort het geld van het volk niet in de zakken van andere mensen te belanden. Regeringen moeten verantwoording afleggen tegenover hun onderdanen. De manier waarop middelen worden verkregen en gebruikt moet transparant zijn. Daarom hebben wij een governance-programma opgesteld. Wanneer je geld van ons krijgt, ondersteunen we je ook technisch.

    Je bent zelf verantwoordelijk voor die middelen. Ik wil niet bagatelliseren dat Afrika een aanzienlijke hoeveelheid illegale kapitaalstromen kent, met een geschatte waarde van tussen de 80 en 100 miljard dollar per jaar. Maar weet u? Degenen die zich daaraan schuldig maken zijn de multinationals. En dus moeten we de aandacht daarop richten.’

    Afrika is deel van de oplossing voor het gebrek aan geschoolde krachten op de wereldwijde arbeidsmarkt

    Maar de grootste uitdaging is volgens Adesina de klimaatcrisis. ‘De klimaatverandering kost Afrika momenteel tussen de 7 en 15 miljard dollar per jaar. Dat zal in 2030 opgelopen zijn tot 50 miljard. Toch ontvangt het continent maar 3 procent van de wereldwijde klimaatfinanciering.’ De Afrikaanse klimaattop in Nairobi afgelopen september was volgens Adesina een groot succes. ‘Voor het eerst kwamen Afrikaanse landen bijeen om gezamenlijk over Afrikaanse klimaatkwesties te praten. Dat was op zichzelf al een succes.

    Ik heb tijdens de top betoogd dat de Afrikaanse rijkdom moet worden geherwaardeerd op basis van het natuurlijk kapitaal; als je dat doet, zullen landen die momenteel rijk zijn aan natuurlijk kapitaal maar een gebrek hebben aan contanten rijker worden. Veel mensen denken dat het Amazonegebied de grootste koolstofopslag ter wereld is. Maar dat is het Kongobekken. Dus als Afrika in dit mondiale goed voorziet, waarom zie je dat dan niet terug in ons bnp? Ik ben een eeuwige optimist – ze noemen me “de hoofdoptimist van Afrika” – want kijk naar de getallen: Afrika zal in 2030 1,72 miljard mensen tellen. Over zeven jaar dus. Dat is meer dan China, meer dan India. 477 miljoen daarvan zijn jonge mensen van tussen de vijftien en vijfendertig. Dat zijn geschoolde arbeidskrachten; het toekomstige arbeidsreservoir van de wereld.

    Deel van de oplossing

    ‘In elk Europees land en ook in Japan kampt men met een snel vergrijzend werknemersbestand en is er behoefte aan mensen. Geschoolde Afrikanen zouden daarin kunnen voorzien. En raad eens wat er gebeurt als ze dat doen: dan vloeit een groot deel van de verdiensten terug naar het continent. Dus Afrika is deel van de oplossing voor het gebrek aan geschoolde krachten op de wereldwijde arbeidsmarkt.’

    De toekomst van het voedsel op de wereld zal afhangen van wat Afrika dan met zijn landbouw doet

    Ook duurzame energie en landbouw bieden volgens Adesina mogelijkheden voor groei. ‘Afrika beschikt over 60 procent van de wereldwijde zonne-energie. Dat geeft Afrika de kans 100 miljard te investeren om zichzelf van elektriciteit te voorzien, maar ook om duurzame energie te exporteren en de wereldwijde uitstoot te verminderen. Neem voedsel: in 2050 zal de wereld voor haar voedselvoorziening niet meer op de VS of China, Japan of Europa aangewezen zijn, want 65 procent van de nog onbebouwde landbouwgrond ligt in Afrika. Dus de toekomst van het voedsel op de wereld zal afhangen van wat Afrika dan met zijn landbouw doet en wat we allemaal in de landbouw investeren.

    En kijk ook eens naar andere mogelijkheden die Afrika heeft: mobiele gelddiensten, financiële dienstverlening, daarin zit een enorme groei. 650 miljoen mensen in Afrika gebruiken een mobiele telefoon. Dat is meer dan de VS en Europa samen, en als je naar de financiële dienstverlening kijkt – of het nu gaat om mobiele telefoons, e-health, verzekeringen of digitale betalingen – dan heeft zich in Afrika een revolutie voltrokken. Wereldwijd wordt er jaarlijks voor ruim 700 miljard dollar aan digitale betalingen verricht, en 70 procent daarvan loopt via Afrika. In de financiële technologie kom ik momenteel jonge mensen tegen die toonaangevend zijn in de wereld. Dus mijn optimisme is realistisch.

    En kijk naar elektrische voertuigen. Alle metalen daarvoor zijn in Afrika te vinden. Afrika bezit 80 procent van het wereldwijde platina, 50 procent van het koper, 40 procent van het mangaan. En een enorme hoeveelheid lithium. Wij willen investeerders die wereldwijd investeren. We moeten zorgen voor een goede bestuurscultuur en goede stimulansen.

    Geloof niet alleen maar wat ik zeg, geloof wat de data zeggen

    Geloof niet alleen maar wat ik zeg, geloof wat de data zeggen. Kredietbeoordelaar Moody’s heeft een analyse gemaakt van de wereldwijde wanbetalingspercentages gedurende de afgelopen veertien jaar. En raad eens wat ze gevonden hebben: het wanbetalingspercentage van Afrika is met 2,1 procent het laagste ter wereld. In Oost-Europa is het dik 10 procent. In Azië ruim 8 procent. We doen er alles aan om investeringen soepel in Afrika te laten landen, als een vliegtuig op een vlakke landingsbaan.’

  • In Australië is inheemse cultuur hip, maar worden Aboriginals genegeerd

    In Australië is inheemse cultuur hip, maar worden Aboriginals genegeerd

    Veel inheemse Australiërs hebben dagelijks te maken met de trauma’s die ze van vorige generaties hebben overgeërfd. De meesten wonen in de arme wijken van Brisbane, Sydney en Melbourne. Een grondwetswijziging die hun erkenning zou moeten geven, werd weggestemd.

    Blacktown wordt beschouwd als de ruigste buurt van Sydney. Deze ligt op veertig kilometer ten westen van de beroemde Harbour Bridge, ver weg van de luxe woonwijken in de zonovergoten Australische metropool. Blacktown is de thuisbasis van mensen die worstelen om voet aan de grond te krijgen in Australië – recente immigranten uit India, Afghanen die de oorlog en de taliban ontvluchten, Filippino’s die met een studentenvisum binnenkomen, onderduiken en als illegale immigranten werk aannemen dat niemand anders wil doen. Maar Blacktown is ook de thuisbasis van een andere minderheid. Het is de stad met de meeste inheemse Australiërs van het land.

    In tegenstelling tot het cliché leeft ongeveer 80 procent van de inheemse Australiërs niet in de uitgestrekte outback, maar als ‘precariaat’ [mensen zonder bestaanszekerheid] in de arme wijken van de grote steden Brisbane, Sydney en Melbourne. En ook al bewonen de inheemse Australiërs dit zuidelijke continent al 65.000 jaar, ze hebben net als hun pas gearriveerde buren moeite om voet aan de grond te krijgen in het hedendaagse Australië.

    In Blacktown wonen twaalfduizend inheemse Australiërs in de wijken langs Marsden Park. Verveloze houten huizen op kleine kavels met afrasteringen en hier en daar een pluk gras: de Australische versie van sociale woningbouw heeft weinig charme. Voor de huizen staan autowrakken en omgevallen winkelwagentjes. Achter het struikgewas, daar bevindt zich de stad. In een recent onderzoek zegt 70 procent van de bewoners zich niet veilig te voelen in hun eigen straat. Geen wonder dat de straten deze ochtend verlaten zijn.

    Oase

    The Shed vormt een oase in deze desolaatheid. Het is een ontmoetingsplaats voor mannen, gelegen op het terrein van de kerk. Tijdens kringgesprekken, die worden weggespoeld met thee, probeert maatschappelijk werker Donald Mulholland de inheemse jongens en mannen de goede weg te wijzen. Het is een lastige onderneming: de zonen van immigrantengroepen die in Blacktown een Australisch thuis hebben gevonden, hebben een band met de cultuur die ze uit hun oude land hebben meegebracht, legt Mulholland uit. ‘Hun taal, religie en het gevoel bij een etnische groep te horen, dat zijn allemaal vangrails die de meesten op het rechte pad houden.’ Maar waar andere Australische minderheden daar hun kracht uit putten, vormen ze voor de inheemse bevolking slechts een gapend gat.

    Om te illustreren wat hij bedoelt, vertelt Mulholland het verhaal van zijn moeder, Rhoda Odgen. Ze werd kort na de Tweede Wereldoorlog geboren en groeide op als lid van de Gurindji, een volk in het afgelegen noordwesten van Australië. Toen ze twaalf jaar oud was, pikten leden van de witte kerkgemeente in een nabijgelegen stad haar op straat op. ‘Met haar familie ging mijn moeder jagen, sliep ze onder de sterren en baadde ze zich in beekjes. Gebruiken die de witten verachtten,’ zegt Mulholland. Zonder afscheid te kunnen nemen van haar ouders werd Odgen naar Sydney verscheept, 2700 kilometer verderop. Daar werd ze in een tehuis geplaatst dat door nonnen werd geleid.

    Haar moedertaal, geloof en alles wat met haar vroegere leven te maken had, was daar taboe. Contact met familie was verboden. In plaats daarvan kreeg Odgen een rudimentaire schoolopleiding. Zoals dat ging in die tijd, moest ze weg toen ze achttien werd. ‘Een jong meisje zonder geld, familie, of plek om naartoe te gaan, alleen in de grote stad. Dat moest wel fout gaan,’ zegt Mulholland. Odgen trouwde met de eerste de beste man, een Schot. Binnen een paar jaar had ze hem vijf zonen geschonken. Toen haar man haar verliet, raakte ze aan de drank en belandde ze met haar kinderen op straat. Mulholland was negen jaar toen hij en zijn broers in een tehuis werden geplaatst. ‘Het trauma van mijn moeder straalt op mij af,’ zegt hij.

    Het verhaal van Odgen is typerend. Tussen 1910 en 1970 werd ongeveer een derde van alle inheemse kinderen bij de ouders weggehaald. Dat blijkt uit een onderzoek van de overheid naar de gebeurtenissen rond de ‘gestolen generaties’, waarnaar dit duistere hoofdstuk in de Australische geschiedenis wordt genoemd. Inheemse Australiërs werden als waardeloos gezien en niet in staat geacht hun als primitief beschouwde cultuur door te geven aan hun kinderen. In plaats daarvan moesten de kinderen worden opgevoed tot volgzame werkers.

    Odgens verhaal laat ook zien dat het onrecht dat de inheemse bevolking is aangedaan niet zomaar is verdwenen. De uitroeiing van de oorspronkelijke bewoners door kolonisten, de systematische vernietiging van inheemse tradities, talen en levenswijzen en de apartheidachtige rassenscheiding op sommige plekken die voortduurde tot eind jaren zestig, klinken nog steeds door in het heden. In 2023 ligt de levensverwachting van Australiërs met inheemse wortels tien jaar lager dan die van hun witte landgenoten, en de reden daarvoor moet in de geschiedenis worden gezocht. Destijds werd er opzettelijk een onderwijsarme onderklasse gecreëerd, en de nakomelingen zien hun huidige machteloosheid en hulpeloosheid als het bewijs daarvan. Velen blijven hangen in de ellende waarin ze zijn opgegroeid.

    Een jonge inheemse Australiër heeft meer kans om in de gevangenis dan op de universiteit te belanden

    In het mannencentrum van Mulholland zit op deze vroege warme zomerdag slechts één bezoeker. Vanwege het weerfenomeen El Niño stevent Australië af op een zomer met recordtemperaturen. Orrey Naden (36) gaat helemaal op in zijn bezigheid. Met een fijn penseel schildert hij de omtrek van een witte kangoeroe op een zwart gegrond doek. The Shed richt zich onder meer op het leren van technieken en ambachten die tot de inheemse cultuur behoren. Het helpt de jonge mannen een eigen identiteit te vormen en geeft ze een doel.

    De geschiedenis van Naden is typisch voor deze buurt, blijkt uit zijn verhaal. Hij stopte met school, kreeg vier kinderen bij twee vrouwen, rookte eerst marihuana, later crystal meth en belandde uiteindelijk twee jaar in de gevangenis vanwege huiselijk geweld. Het aantal detenties onder leden van de oorspronkelijke bevolking in Australië is schrikbarend hoog. Aboriginals – zoals de leden van de bevolkingsgroepen op het vasteland worden genoemd – en Torres Strait Islanders – de bewoners van de gelijknamige eilanden tussen Australië en Papoea-Nieuw-Guinea – vormen slechts 3 procent van de Australische bevolking. Maar in de gevangenissen op het continent maken ze iets minder dan één op de drie gevangenen uit. De VN berekende in 2021 dat een jonge inheemse Australiër meer kans heeft om in de gevangenis dan op de universiteit te belanden. Meer dan de helft van de inheemse Australiërs is werkloos.

    Zes maanden in een afkickkliniek hebben zijn leven gered, zegt Naden. Zijn maatschappelijk werker raadde hem The Shed aan en sindsdien komt hij hier bijna elke dag. Het lijkt misschien een beetje geforceerd dat een volwassen man grip op zijn leven probeert te krijgen door te leren speren te snijden en bundi’s – traditionele jachtknuppels – te versieren met ingebrande patronen. Toch gelooft Mulholland dat het helpt. Waar het om gaat, zegt hij, is om aboriginaliteit – een onhandige, maar wetenschappelijk correcte term – van iets positiefs te voorzien. De verhalen die inheemse Australiërs vandaag de dag aan hun kinderen en kleinkinderen vertellen, worden volgens hem gekenmerkt door verlies en zijn vreselijk negatief. Dat moet veranderen.

    Terwijl de inheemsen in Blacktown hun verloren identiteit met veel moeite proberen te hervinden, is het in de rest van Australië erg hip om naar de inheemse cultuur te verwijzen. Geen sportevenement kan zonder een ‘Welcome to Country’-ritueel dat door inheemsen wordt uitgevoerd. Op de Australische scholen begint elke ouderavond met een eerbetoon aan ‘de traditionele eigenaars van het land en hun voorouders’. Gemeenschappen zoals Blacktown betalen Aboriginal-ouderen om tijdens een wekelijks koffiemomentje verhalen over hun leven te vertellen. Jongeren en schoolklassen komen graag langs om te luisteren naar de spannende verhalen uit schijnbaar vervlogen tijden.

    Maar of het respect voor de inheemse Australiërs onder hun witte landgenoten inderdaad is gegroeid, valt te betwijfelen gezien de recente ontwikkelingen. Op 14 oktober stemden 17 miljoen kiesgerechtigde Australiërs in een referendum over de vraag of hun grondwet, opgesteld in 1901, gewijzigd moest worden. Tot vandaag staat er niet in dat de Aboriginals de eerste bewoners en traditionele eigenaars zijn van het continent. Er staat namelijk niet in vermeld dat Australië, toen de eerste vloot Engelse veroordeelden in 1788 aankwam, niet het ‘terra nullius’ (niemandsland) was, zoals de Britten verklaarden.

    Vooringenomen

    Met een ‘ja’-stem voor het referendum zou het parlement ook een adviesorgaan voor inheemse zaken krijgen. Het orgaan zou ‘The Voice’ heten en bestaan uit inheemse Australiërs. Peilingen voorafgaand aan het referendum gaven aan dat de grondwetswijziging zou mislukken, en dat is ook gebeurd. Aan de ene kant omdat de ‘ja’-campagne zwak was. Aan de andere kant schuwden de tegenstanders niet om racisme in te zetten, waarvan lange tijd werd gedacht dat het uitgestorven was. Voormalig staatssecretaris Gary Johns, een woordvoerder van het ‘nee’-kamp, riep tijdens de campagne onder applaus op om inheemse kinderen ‘op jonge leeftijd uit hun gemeenschap te verwijderen en hen een strenge culturele interventie te laten ondergaan.’ Blijkbaar willen delen van de samenleving hun vooringenomen standpunten nog altijd niet wijzigen.

    The Voice was ook controversieel onder Aboriginals, als het al een onderwerp was. Het gebrek aan interesse ervoor en de gedeeltelijke afwijzing ervan waren aanvankelijk verrassend. Je zou denken dat leden van de oorspronkelijke bevolking graag hun rechten gewaarborgd willen zien. Inderdaad spraken veel prominente inheemse bewoners zich uit ten gunste van The Voice. Maar anderen waren tegen, en beweerden dat volgens dit voorstel inheemse Australiërs alle verdere aanspraken op land en herstelbetalingen zouden moeten opgeven voor een puur symbolische stemming. Veel Australiërs voelden zich slecht geïnformeerd over het referendum of hechtten geloof aan onzinslogans – inheemse Australiërs vormden hierop geen uitzondering.

    In Blacktown overheersen fatalisme en apathie. Orrey Naden twijfelde of hij wel zou gaan stemmen, ondanks de stemplicht in Australië. ‘Dit maakt allemaal geen enkel verschil voor mijn leven,’ zegt hij. De drie ouderen op het koffieuurtje in het Blacktown Arts Centre zijn maar matig enthousiast. ‘Het zou best leuk zijn om in de grondwet genoemd te worden,’ zegt Uncle Wes Marne, die honderdéén jaar geleden in Queensland werd geboren. Maar, zegt hij, één stem alleen kan niet voor verandering zorgen. ‘Alleen de tijd kan dat doen, en daarvan is er nog lang niet genoeg verstreken.’ 

    Tot slot vreest Mulholland dat het debat over The Voice meer kwaad dan goed heeft gedaan. ‘Mensen zijn er de afgelopen weken van overtuigd geraakt dat wij zwarten de macht in het land willen overnemen,’ zegt hij. ‘Daar worden we op afgerekend.’

  • Wat stofdeeltjes ons vertellen over de wereld

    Wat stofdeeltjes ons vertellen over de wereld

    Niemand staat stil bij stof, en toch is het een onontkoombaar fenomeen. Als we goed opletten, kunnen we de grootste dingen – tijd, dood en het leven zelf – waarnemen in deze kleine zwevende deeltjes. Dit is een bewerkt fragment uit Dust: The Modern World In a Trillion Particles van Jay Owens.

    Twee eeuwen lang waren de gebouwen in Londen zwart. Een zwavelhoudende roetmist van verbrande steenkool – de beruchte Londense ‘erwtensoep’– legde een dun laagje koolstof over elk oppervlak in de stad. Londen was zo smerig dat men zich niet kon herinneren dat het ooit anders was geweest. Tijdens de restauratie in 1954 van Downing Street 10 [de ambtswoning van de Britse premier] bleek dat de beroemde donkere gevel oorspronkelijk helemaal niet zwart was, maar van gele baksteen. Een te grote schok voor de Britten, en het nieuwe, schone gebouw werd zwart geschilderd om het oude, vertrouwde uiterlijk te behouden.

    Eind jaren tachtig en begin jaren negentig vond er een reusachtig grote schoonmaak plaats. Meer dan tien jaar lang stonden monumenten als St. Paul’s Cathedral in de steigers. Hogedrukreinigers spoten het vuil weg, waarna het in het riool verdween. Tegenwoordig zie je in de stad roodbruine, lichtgrijze, zilverglanzende en blauwgroene tinten – de kleuren van baksteen, kalksteen en glas. De vervuiling is nu polychroom: het belangrijkste residu dat zich aan gevels hecht is niet het zwarte roet van koolstof, maar de warmere bruingele kleur van organische koolwaterstoffen die in benzine en diesel voorkomen. Naarmate de uitstoot van sulfaat door het verkeer afneemt, worden de gebouwen misschien zelfs groen omdat mossen en korstmossen er weer kunnen groeien.

    Toch kunnen niet zomaar alle monumenten in Londen worden schoongespoten. Westminster Hall is het oudste parlementsgebouw en werd ongeveer negenhonderd jaar geleden gebouwd door William Rufus, zoon van de Normandische veroveraar. In 2007 ontdekten restaurateurs dat de muren waren aangetast door luchtvervuiling en vocht. Volgens hen was het gebouw in tweehonderd jaar nooit schoongemaakt. Het werd wel eens tijd.

    Zorgvuldig

    Maar hoe doe je dat zorgvuldig, met aandacht voor het materiaal waaruit het gebouw is opgetrokken? Kalksteen is poreus en lost op als het met de hogedrukspuit onder handen wordt genomen. Gelukkig bestaan er subtielere methoden. Delicaat materiaal kan worden gereinigd met een smeersel, een soort kleimasker voor stenen, dat hardnekkige zouten en vlekken verwijdert. Dunne laagjes latex zijn een andere optie: deze worden opgebracht met een kwast of een spray. Ze absorberen het vuil van de stenen, waarna de latex met vuil en al wordt losgetrokken.

    Nieuws over het grootse schoonmaakproject van Westminster Hall bereikte een New Yorkse kunstenaar, die toestemming kreeg om de latexvellen te bewaren die waren gebruikt om het steen schoon te maken. De kunstenaar, Jorge Otero-Pailos, toonde ze vervolgens op de tentoonstelling The Ethics of Dust. Toen ik in juni 2016 Westminster Hall binnenliep, stond ik voor een doorschijnend, fonkelend gordijn van vijftig meter lang en vijf meter hoog, opgehangen aan de oude dakbalken: een huidachtige lappendeken bedekt met het vuil van de hele stad.

    Sinds het begin van de moderne tijd hebben mensen geklaagd over stof in de lucht, maar maatregelen ertegen kwamen pas decennia of eeuwen later, als ze al kwamen. De kolenmijnen en fabrieken die de industriële revolutie van Groot-Brittannië aandreven, maakten de kapitalistische klasse heel erg rijk, terwijl de arbeiders de prijs moesten betalen met hun lichaam, longen en bloed. Voor mij ging The Ethics of Dust over menselijke aanwezigheid die zichtbaar werd gemaakt. Het gebouw van kalksteen en glas met de houten dakconstructie werd niet zozeer beschreven in grote abstracte bewoordingen als geschiedenis, traditie en macht, maar veeleer in de vorm van de materiële sporen van miljoenen lichamen, hun arbeid en hun levensonderhoud. De expositie verbond de polis, het volk, rechtstreeks met het parlement – en keek ook naar de bron van de historische welvaart van Groot-Brittannië.

    Niemand denkt normaal gesproken na over stof, over wat het kan doen of waar het naartoe zou moeten; stofdeeltjes zijn zo klein en zo volkomen alledaags dat ze buiten ons blikveld vallen. Maar als we er met aandacht naar kijken, kunnen we de wereld erin zien.

    Als we met aandacht naar stof kijken, kunnen we de wereld erin zien

    Stof wordt niet gedefinieerd op basis van de materiële herkomst, maar door de vorm (kleine vaste deeltjes), de transportwijze (door de lucht) en de inherente vormeloosheid. Als we precies wisten waar het van gemaakt was, zouden we het misschien geen stof noemen, maar huidschilfers, cement of pollen. Maar ‘kleine rondvliegende deeltjes’ kan volstaan als praktische startdefinitie.

    Tegenwoordig wordt er elk jaar wereldwijd 8,5 miljoen ton verbrande ‘zwarte koolstof’ uitgestoten, waarvan het meeste niet van natuurlijke oorsprong is, maar afkomstig van dieselmotoren, hout gestookte kooktoestellen en gecontroleerde branden om land vrij te maken voor landbouw. Zwarte koolstof heeft een krachtige invloed op het klimaat, omdat het de warmte van de zon absorbeert en aanzienlijk bijdraagt aan de opwarming van de aarde. Het is ook een belangrijk bestanddeel van fijnstofvervuiling, bekend als PM2,5 (deeltjes kleiner dan 2,5 micrometer).

    Deze microdeeltjes dringen tot diep in de longen door. Hun nog kleinere neefjes, de ultrafijne PM0,1’s, kunnen via de longblaasjes in de bloedbaan terechtkomen, waar ze naar elk orgaan worden getransporteerd en mogelijk schade toebrengen aan alle cellen in het menselijk lichaam. Luchtvervuiling veroorzaakt niet alleen ademhalingsaandoeningen, maar ook hartaandoeningen, kanker, onvruchtbaarheid en zelfs neurodegeneratieve ziekten zoals Alzheimer. Het is de vijfde doodsoorzaak ter wereld, goed voor 4,2 miljoen overlijdensgevallen per jaar. Als de lucht in Londen zou voldoen aan de normen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor PM2,5, zouden de inwoners gemiddeld 2,5 maand langer leven.

    Stedelijk stof is echter veel meer dan alleen roet afkomstig van verbranding: overal is er wrijving tussen mens en milieu. Remmen van auto’s, bussen en treinen schuren tegen banden die miljoenen keren per dag tegen wegen en rails drukken, waardoor materialen worden belast en kleine stukjes metaal, rubber en asfalt afslijten. 

    Metro

    In 2019 wees een onderzoek van Financial Times uit dat de Londense metro ‘de smerigste plek in de stad’ is; delen van de Central Line tussen Bond Street en Notting Hill Gate hebben meer dan acht keer de WHO-limiet voor PM2,5. Metrostof bevat vooral veel ijzeroxide afkomstig van metalen remmen en rails, maar er zit meer in. ‘Veel van het stof in deze omgeving komt van de passagiers zelf,’ zei Alno Lesch, operationeel manager voor reiniging van het spoor, tegen Financial Times, terwijl hij een zwart kluwen onder het perron vandaan plukte. Een pluk menselijk haar.

    Meer dan duizend mensen werken ’s nachts in de ondergrondse tunnels als de treinen stilstaan. Ze borstelen en stofzuigen de oppervlakken om stof te verwijderen en spuiten een fixeermiddel om wat achter is gebleven op zijn plaats te houden. Maar dat werkt niet altijd optimaal: afstoffen is tenslotte een proces waarbij deeltjes die eerst hun eigen gang gingen, worden losgemaakt. Toen Transport for London de Bakerloo-lijn schoonmaakte werd er 6,4 ton aan vuil en pluis verwijderd. Toch werd er na afloop op negen van de vijftien stations meer PM2,5 gemeten in plaats van minder.

    Technische oplossingen volstaan zelden om onze rommel op te ruimen. Wat betreft stof op de wegen blijken elektrische auto’s niet schoner te zijn dan de traditionele benzinevervuilers. Elektrische auto’s produceren ongeveer 75 procent minder remstof dan benzineauto’s, maar meer bandenstof en wegslijtage, en ze woelen meer vuil van de weg los, omdat ze door hun accu’s gemiddeld zwaarder zijn. Straatstof is een belangrijke wereldwijde bron van microplastics, de minuscule plastic deeltjes van minder dan vijf millimeter groot die het afgelopen decennium een steeds groter milieuvervuilingsprobleem zijn geworden. Elk jaar wordt er ongeveer 6,1 miljoen ton aan deeltjes door bandenslijtage gegenereerd – plus nog eens een half miljoen ton deeltjes door remslijtage. Daarmee is straatstof de bron van meer dan een derde van de microplastics in onze oceanen.

    Perfect afstoffen bestaat niet

    En dan heb ik het nog niet eens gehad over het stof in mijn flat. Stof is ontzettend moeilijk te verwijderen. Perfect afstoffen bestaat niet. Maar wanneer en waarom gingen we onszelf deze onmogelijke taak opleggen? In Europa en de VS werd het huishoudelijke landschap aan het begin van de twintigste eeuw bepaald door hout, kolen en ouderwets poetswerk. In haar autobiografie uit 1934 schrijft de Amerikaanse auteur Edith Wharton: ‘Ik ben geboren in een wereld waarin telefoons, motoren, elektrisch licht, centrale verwarming (behalve door heteluchtovens), röntgenstralen, bioscopen, radium, vliegtuigen en draadloze telegrafie niet alleen onbekend maar grotendeels ook onvoorzien waren.’ Tegen de tijd dat ze haar memoires schreef, waren deze eens zo opzienbarende nieuwigheden gemeengoed geworden.

    Maar hoe groot deze technologieën de wereld ook leken te maken – de dag werd langer, je kon je vrijer en verder verplaatsen – de gevolgen voor het leven van vrouwen waren vaak precies het tegenovergestelde. In plaats van vrouwen te bevrijden van huishoudelijke karweitjes, zorgden deze technologieën alleen maar voor meer werk in huis. Helder licht betekende dat stof en vuil nu beter zichtbaar waren en dus moest er grondiger en vaker worden schoongemaakt. Kleren moesten na een dag of twee worden gewassen; de kinderen ook.

    Huisvrouwen

    ‘Huishoudelijk werk zoals wij dat kennen, wordt niet door de grenzen van het menselijk immuunsysteem bepaald. In feite werd het rond de eeuwwisseling uitgevonden om vrouwen uit de middenklasse iets te doen te geven,’ schrijft auteur en activist Barbara Ehrenreich in 1993. ‘Toen voedselverwerking en kledingproductie van huis naar fabriek verhuisden, vielen de huisvrouwen uit de middenklasse in een ongemakkelijk gat. Moesten ze zich dan maar aansluiten bij de feministen? De arbeidsmarkt op gaan en met mannen concurreren? “Te veel vrouwen,” schreef Ladies’ Home Journal in 1911, “zijn gevaarlijk lui.” En zo ontstonden de huishoudelijke experts, een groep dames die, mocht er een feministische hel bestaan, eeuwig gemarteld zouden worden met plumeaus. Vrouwen die er een carrière van maakten om andere vrouwen te vertellen dat ze geen carrière konden maken omdat het huishouden al een hele klus op zich was.’

    Er verscheen een nieuwe generatie handleidingen voor huishoudelijk werk om vrouwen te instrueren in houding, gedrag en angsten die horen bij de rol van huisvrouw. Het abc van Good Housekeeping, gepubliceerd in 1949, bood de huisvrouw een werkschema van 7 uur ’s ochtends tot 7 uur ’s avonds. Om 9.30 uur begon het afstoffen, wanneer de slaapkamers moesten worden afgestoft en opgeruimd. Om 10.15 uur werden de woonkamer, eetkamer, overloop en trap geveegd en afgestoft. Tussen 11.30 en 12.30 uur en van 15.00 tot 16.00 uur kreeg de huisvrouw ‘speciale weektaken’ toegewezen, wat betekende dat vier van de zes dagen bepaalde kamers grondiger moesten worden afgestoft en schoongemaakt. Daarnaast moesten alle vloeren in huis elke dag worden geveegd of afgestoft. Tapijten moesten wekelijks worden gestofzuigd. Meubels kregen een dagelijkse afstofbeurt en werden ‘opgewreven’. Zelfs muuroppervlakken moesten wekelijks worden afgestoft.

    Hun leven werd gereduceerd tot dienstbaarheid

    In haar polemiek The Feminine Mystique uit 1963 beschrijft Betty Friedan hoe ‘miljoenen vrouwen hun leven modelleerden naar het beeld van die mooie foto’s van de Amerikaanse huisvrouw uit de voorsteden: hoe ze hun man gedag kussen, met hun stationcar hun kinderen op school afzetten en daarna glimlachend hun nieuwe elektrische waxer over de smetteloze keukenvloer laten glijden’. Hun leven werd gereduceerd tot dienstbaarheid, stelt ze, hun eigen ambities en belangen werden opzijgezet ten gunste van de behoeften van hun gezin. Friedan noemde het ‘een probleem zonder naam’, een zielsziekte die wordt veroorzaakt door een leven vol onbenullige taken en een sterk beperkte horizon. Denk aan Betty Draper, de perfecte blonde huisvrouw uit de televisieserie Mad Men. Haar handen worden gevoelloos van onderdrukte psychosomatische woede als ze de afwas en andere huishoudelijke klusjes moet doen. Als ze de dag ziet wegglijden in leegte, pakt ze een pistool en gaat ze de tuin in om op de duiven van de buren te schieten omdat die het lef hebben te genieten van de luchtige vrijheid die zij mist.

    Critici beweren dat Friedan de benarde situatie van de wanhopige huisvrouw overdrijft. Alle vrouwen over wie ze níét schreef – vrouwen van kleur en vrouwen uit de arbeidersklasse; alleenstaande moeders, lesbiennes en alleenstaanden – voerden hun eigen strijd, die in veel gevallen veel serieuzer was dan verveling. Toch schuilt er een sterke symboliek in dit cultuurfenomeen: de perfecte witte huisvrouw uit de voorsteden die gek wordt van een beetje stof.

    Interventies van negentiende-eeuwse sanitaire hervormers en de ‘huishoudkundemanie’ van rond de eeuwwisseling werden vaak gekenmerkt door klassevooroordelen. Adrian Forty, emeritus-hoogleraar architectuurgeschiedenis aan het University College in Londen, verbindt ‘de fetisj voor hygiëne’ met ‘burgerlijke angsten om sociale en politieke autoriteit kwijt te raken’. Hij schrijft: ‘Angst voor vervuiling ontstaat wanneer de buitengrenzen van een samenleving worden bedreigd.’ Verstedelijking en industrialisatie brachten de gevestigde sociale orde aan het wankelen en creëerden een nieuwe stedelijke arbeidersklasse die deelnam aan protesten, arbeidersstakingen en revoluties – in Frankrijk en Duitsland – om een eerlijk loon, betere arbeidsomstandigheden en stemrecht op te eisen.

    Status

    Hygiëne werd een middel om de ‘goede’, ‘respectabele’ armen te onderscheiden van het gespuis. Degenen die de regels van de maatschappelijk werkers voor de volksgezondheid naleefden, zouden een nieuw onderkomen kunnen krijgen als hun sloppenwijk met de grond gelijk werd gemaakt; degenen die minder volgzaam waren, werden uitgezet. De onfortuinlijken verbleven letterlijk op de vuilnisbelt, de grote, Londense vuilnisbelten, waar ze moesten zien rond te komen van wat er werd weggegooid. En de middenklasse moest op haar beurt een show van huishoudelijke netheid opvoeren om zichzelf te onderscheiden van degenen die ‘vuil werk’ deden.

    Stof – of liever: de afwezigheid ervan – bleef in het midden van de twintigste eeuw een teken van status en respect voor arbeidersgemeenschappen in het Verenigd Koninkrijk. Vrouwen in rijtjeshuizen in de binnenstad schrobden dagelijks of wekelijks hun stoepje, ze poetsten de treden voor hun voordeur op met rode boenwas en wreven tot ze blonken. Zelfs de straat werd geveegd om stof en vuil tegen te houden (belangrijk in industriegebieden) en over het trottoir werd een emmer zeepsop uitgegoten. ‘Zo liet je zien dat je keurig was,’ vertelde Margaret Halton, (destijds 85) in 1997 aan Lancashire Telegraph. ‘Je kon zien wie er proper was en wie niet, gewoon door naar de stoep te kijken.’ In deze smalle straatjes en hechte gemeenschappen waren alle ogen op jou gericht. Onder moeilijke omstandigheden onberispelijke netheid handhaven, was de manier om je trots te tonen.

    In Londen kan het je onmogelijk ontgaan dat de meerderheid van de schoonmakers in huizen en kantoren mensen van kleur zijn. De geschiedenis van de twintigste-eeuwse reinheid is niet alleen een geschiedenis van gender- en klassenonderscheid, maar ook van raciale ongelijkheid.

    Vrouwen in rijtjeshuizen in de binnenstad schrobden dagelijks of wekelijks hun stoepje

    Properheid is zelden gewoon properheid, zelden het praktische, functionele proces van het stofzuigen van tapijten en het wassen van je handen met zeep. Het is altijd beladen met extra betekenis. De ogenschijnlijk vanzelfsprekende voordelen van reinheid raken vertroebeld als je beseft dat het begrip al te vaak wordt gebruikt om onderscheid aan te brengen tussen mensen: de deugdzame burger tegenover de gemarginaliseerde. Vooral vrouwen worden terechtgewezen met woorden als ‘slet’, ‘slons’ en ‘sloddervos’ – begrippen die seksuele immoraliteit koppelen aan zaken als vuilheid en slordigheid. ‘Goede vrouw’ is nog altijd synoniem van ‘schone’, oppassende huisvrouw.

    Maar blijf alsjeblieft stofzuigen. Huisstofmijt veroorzaakt astma en de hormoonontregelende, brandvertragende chemicaliën die uit je bank vrijkomen naarmate deze ouder wordt, zijn nadelig voor de gezondheid. Weldoeners op het gebied van de sanitaire hervormingen uit de negentiende eeuw hebben daadwerkelijk iets goeds gedaan voor de volksgezondheid. Maar kunnen we ooit de morele verschrikkingen van stof wegnemen?

    Stof is tegelijkertijd een symbool van tijd, van verval en van dood, maar het is ook het residu van het leven. De betekenis is nooit zwart of wit, maar grijs en wat vaag. Leven met stof – en dat moeten we – is een langzame les in het omarmen van tegenstrijdigheden: schoonmaken, maar je niet identificeren met reinheid; de materiële behoefte aan hygiëne respecteren, terwijl je deze als sociale metafoor diep wantrouwt.

  • Vrouwenrechten in Afrika: ‘De bereidheid is er, het ontbreekt aan capaciteit’

    Vrouwenrechten in Afrika: ‘De bereidheid is er, het ontbreekt aan capaciteit’

    She Leads is een vijfjarig programma dat zich inzet voor de zelfbeschikking van meiden en jonge vrouwen in Oost-Afrika, West-Afrika en het Midden-Oosten. 360 ging hierover in gesprek met de Keniaanse Caroline Boraya en de Sierra Leoonse Hawa Mansaray, beiden She Leads-landencoördinator in hun desbetreffende land. ‘Waar we ons nu op richten is gendergelijkheid, representatie en leiderschap van jonge vrouwen.’

    Caroline Boraya is pleitbezorger van kinderrechten en woont in Nairobi, Kenia. Zo kwam ze onder andere te werken voor Kesho Kenia, een lokale ngo die zich inzet voor onderwijs, training en bescherming van kinderen en jongeren, en gaf ze de leiding aan het Changing the Way We Care Initiative, een project dat onderwijs en gezinszorg promoot. Nu is ze landencoördinator van het She Leads Consortium, een gezamenlijk programma van Plan International, Defence for Children-ECPAT, African Women’s Development and Communication Network (FEMNET) en Terre des Hommes (TdH) dat in 2021 van start is gegaan. 

    Het She Leads-consortium, lezen we online, brengt kinderrechtenorganisaties, vrouwenrechtenorganisaties en door GYW [girls and young women] geleide groepen samen en heeft tot doel de duurzame invloed van deze groep op de samenleving te vergroten en de visie op en besluitvorming rondom gendernormen binnen formele en informele instellingen te veranderen.

    ‘Dit liet haar ‘de kracht van vrouwen zien, het belang van het helpen van anderen’

    Ook Hawa Mansaray is coördinator van dit programma, in haar geval van Sierra Leone. Ze groeide op in een gezin met veel broers en zussen, waarvan maar één ‘echt’ was. De anderen waren kansarme kinderen die haar moeder, een alleenstaande vrouw, in huis had genomen om ze te helpen. Dit voorbeeld inspireerde haar van jongs af aan en liet haar ‘de kracht van vrouwen zien, het belang van het helpen van anderen, vooral meisjes en jonge vrouwen, en zette mij ertoe aan om de mensheid te dienen’, aldus Mansaray. Vanuit deze wens wilde ook zij aanvankelijk rechten studeren, maar ze bleek niet aan de eisen te voldoen. Uiteindelijk, zegt ze, was dat een zegen want zo kwam ze terecht in een studie vredes- en conflictstudies/ontwikkeling, die haar naar haar stage bij Defense for Children Sierra Leone leidde.

    Op 4 oktober spraken Boraya en Mansaray in De Balie met vier anderen die zich met feminisme en beleid bezighouden. De dag erna sprak ik hen samen in Den Haag op het hoofdkantoor van Terre des Hommes.

    Hoe was het gesprek in De Balie?

    C+H: Het was een mooie avond, echt bijzonder. 

    C: Er was alleen niet echt sprake van een gesprek. Het was eigenlijk zo dat iedereen zichzelf presenteerde en zijn verhaal vertelde, terwijl de anderen luisterden. Er werd niet gedebatteerd.

    Dus dat viel eigenlijk een beetje tegen?

    C: Juist niet, het hoeft niet altijd confronterend te zijn. Het is bijzonder dat iedereen de ruimte krijgt en alles kan zeggen, zonder dat daar protest op volgt. Bijvoorbeeld het verhaal van Lucy Hall, hoogleraar Internationale Betrekkingen en Feminisme, over de geschiedenis van het feminisme, vond ik buitengewoon informatief. Het publiek en wij luisteren en bepalen zelf wat we ermee willen. Iedereen kan zeggen wat hij wil.

    Orange team cheering during the team building session in Kisumu KENYA on 1st Dec 2022. Pic by Felista Nduta 2.JPG 1
    © Felista Nduta

    Is zoiets in Kenia niet mogelijk? 

    C: Ik denk dat het nu wel mogelijk zou zijn, maar het is vooral een nieuwe vorm, die we nauwelijks kennen. Er is veel meer sprake van strijd. Dit heette een debat, maar was het niet, niet zoals wij dat kennen.

    Kunnen jullie kort de situatie in jullie respectievelijke thuisland schetsen op het gebied van vrouwen en kinderrechten?

    H: In Sierra Leone is er veel in ontwikkeling geweest op het gebied van bescherming en emancipatie van vrouwenrechten. Voor de jaren negentig was hier nauwelijks aandacht voor. Rond de jaren 2000-2020 zijn de meeste wetten (de 3 Gender Justice Laws: Customary Marriage and Divorce Act, Devolution of Estate Act en Domestic Violence Act, The Child Right Act 2007, and the Sexual Offences Act) ontworpen, gericht op de bescherming van meisjes en jonge vrouwen in plaats van op het bevorderen van hun participatie en vertegenwoordiging in besluitvormingsprocessen. In 2019 werd bovendien een callcentrum opgericht voor slachtoffers van seksueel geweld, daarvoor konden zij nauwelijks ergens terecht. 

    Waar we ons nu op richten, is niet alleen de opvang maar ook preventie en het veranderen van de blik binnen de maatschappij; gendergelijkheid, representatie en leiderschap van jonge vrouwen. Ook op dit gebied beginnen de vooruitzichten langzaam te veranderen. Sierra Leone heeft in 2022/2023 de Gender Equality and Women’s Empowerment Act aangenomen als een manier om gendergelijkheid te bevorderen.

    ‘Het moeilijke gedeelte is dat de wetten worden nageleefd’

    Dat klinkt veelbelovend.

    H (lacht): Op papier wel ja. Het moeilijke gedeelte is dat de wetten worden nageleefd.

    Hoe is dat in Kenia?

    C: Ook hier is de grootste uitdaging het naleven van de wetten. Er liggen heel veel voorstellen op de plank, het gaat erom ze erdoorheen te krijgen én om de mensen ervan op de hoogte te brengen. We hebben vaak te maken met mensen die nauwelijks zijn opgeleid, juist die moeten we zien te bereiken. We kijken per regio wat het beste aanslaat, en maken om de jeugd te bereiken bijvoorbeeld ook veel gebruik van animaties, kunst en sport.

    Daarnaast moeten we natuurlijk duidelijk maken waar de slachtoffers terecht kunnen. 

    We zien niet meteen verandering, de zienswijze verandert ook van generatie op generatie, bijvoorbeeld op het gebied van meisjesbesnijdenis. Daarvoor gaan we met ouders zitten, die meestal claimen dat het een traditie is, die onder andere in het leven is geroepen om het vreemdgaan van vrouwen tegen te gaan. We leggen bijvoorbeeld uit dat het dat niet tegengaat en dat het de gezondheid van de vrouw in gevaar brengt tijdens de bevalling, dat er andere manieren zijn om ernaar te kijken. We proberen als het ware door hun ‘verkeerde geloofssysteem’ heen te breken, dat gevoed wordt door religie en traditie. Het belangrijkst is om te kijken met wie je aan tafel moet gaan zitten, en vervolgens om steeds dichter in de buurt van die muur te komen, om er uiteindelijk helemaal doorheen te breken.

    Draagt het She Leads-programma hieraan bij?

    H: Zulke programma’s dragen zeker bij aan deze ontwikkelingen. Vooral omdat het niet gaat om een eenmalige campagne, waarmee je mensen iets bijbrengt. Het gaat om de consistentie. We zien niet direct verandering, misschien pas over 5 jaar, of zelfs 10 jaar nadat het programma is afgerond. Het gaat om het uitdragen en lobby’en, om het in gang zetten van ontwikkelingen. We moeten ervoor zorgen dat dit überhaupt mogelijk is: dat er budget voor vrij wordt gemaakt bijvoorbeeld. In dat opzicht hebben we nog een lange weg te gaan.

    Het is nu het derde jaar, waarin veel ruimte is voor reflectie. Want de praktijken die wij initiëren moeten ook na jaar vijf worden voortgezet.

    ‘De praktijken die wij initiëren moeten ook na jaar vijf worden voortgezet’

    Vinden jullie het op de een of andere manier nadelig dat het een westers programma betreft, dat wil zeggen dat het door westerse landen is opgezet?

    C: She Leads is geen westers programma. Het is geen omlijnd concept, de coördinatoren krijgen juist de vrijheid het op hun eigen manier in te richten, afgestemd op het betreffende land.

    H: Klopt, het is niet westers, het ligt niet vast. Het groeit geleidelijk binnen de context van het land.

    Hoe is de samenwerking internationaal, zorgt die voor culturele verschillen en dergelijke?

    C: We hebben weliswaar andere achtergronden, maar ook heel veel gemeen, en de focus ligt natuurlijk op één gebied. Ook de verschillen brengen ons samen. We leren van elkaar, we wisselen ideeën uit, andere manieren van aanpak et cetera.

    Werken de regeringen in jullie respectievelijke landen mee?

    C: In Kenia merk ik dat er heel veel goodwill is van de regering als instituut. Zo heeft het ministerie van Gender onlangs bijvoorbeeld de Protection Against Domestic Violence Act gelanceerd, die de bescherming van slachtoffers van sexual and gender-based violence (SGBV) moet bevorderen. Dit genderbeleid heeft tot doel de participatie en empowerment van vrouwen en mannen, jongens en meisjes, kwetsbare en gemarginaliseerde groepen te vergroten. Soms lopen we wel aan tegen de persoonlijke vooroordelen van iemand met wie we te maken hebben, dat zal nog wel een tijd zo blijven en daar werken we hard aan, om die zienswijze te veranderen.

    H: In Sierra Leone is dat net zo, er is veel steun vanuit de bevolking en de overheid. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de unanieme stem voor de GEWE (de Gender Equality and Women’s Empowerment Act, die een quotum van 30 procent vaststelt voor de participatie van vrouwen in de regering voor zowel benoemde posities als voor gekozen posities). Op dit moment is de wet ook van kracht, hij is in januari 2023 door de president ondertekend. 41 vrouwen zijn in het parlement gekozen, wat neerkomt op 30,4 procent van de gewone parlementsleden en 28,2 procent van het totale aantal parlementsleden. De moeilijkheid zit hem meer in de expertise, voor het opstellen van de wetten bijvoorbeeld, en ook voor de technische uitvoering ervan. De bereidheid is er, het ontbreekt aan capaciteit. 

    Youth advocate Blessing rallies at a She Leads girls meetup in Freetown Sierra Leone. Pic by MJ Sessy Kamara 1
    © MJ Sessy Kamara

    Hoe vinden jullie, als jullie westerse kranten lezen, dat jullie land wordt vertegenwoordigd in westerse media?

    C: Ik lees veel internationaal nieuws, omdat ik wil weten wat er speelt en ook hoe andere kranten daarover berichten. Wat me opvalt is dat er twee manieren van weergave zijn, afhankelijk van het medium. Of de lezer wordt verteld vooral naar Kenia te komen omdat het zo’n fantastisch vakantieland is, mooie safari’s, leuke mensen, goede sfeer, lekker eten. Of er wordt juist gezegd dat je er niet heen moet gaan, bijvoorbeeld vanwege het geweld na de verkiezingen [augustus 2018 en augustus 2022], de honger, de hoge kindersterfte. Er wordt vanuit het land zelf en door ngo’s vaak naar sympathie gezocht, ook door middel van zielige foto’s. Ik snap dat dit een manier is om de aandacht te trekken, maar het probleem is toch dat de meesten hier niet echt verwantschap mee voelen. Ik kan me zelf in ieder geval niet in het beeld herkennen.

    H: Ik merk dat de berichtgeving vaak is gerelateerd aan belangen. Sierra Leone kwam bijvoorbeeld in het nieuws vanwege de bloeddiamanten, het vele geweld, de oorlog, ebola. Dan schrijven westerse media erover; dat gaat ook hen in meer of mindere mate aan. De reden dat bedrijven en particulieren naar Sierra Leone komen is ook vaak om meer te exploiteren. Die houding wordt weerspiegeld in de berichtgeving. De mooie ontwikkelingen worden vaak nauwelijks genoemd, zoals de toegenomen vertegenwoordiging van vrouwen in de wetgevende macht, die de laatste tijd een recordhoogte heeft bereikt: vrouwen zijn nu bijna evenredig vertegenwoordigd als mannen in het parlement van Sierra Leone, zoals hierboven al is gezegd. Vergeleken met de uitdagingen waarover meestal wordt bericht.

    ‘De mooie ontwikkelingen worden vaak nauwelijks genoemd’

    Is er in jullie respectievelijke landen sprake van persvrijheid?

    C: In Kenia gaat dit opvallend goed. In onze grondwet van 2010 beschermt artikel 34 het recht van de media om verslag te doen en ze worden niet gestraft voor geuite meningen. Op sociale media bijvoorbeeld uiten mensen openlijk kritiek op de regering, waar zoiets vroeger nog je leven kon kosten.

    H: In Sierra Leone is er niet zozeer sprake van directe censuur, maar zijn mensen bang om slecht te spreken over de regering vanwege de mogelijke consequenties op het gebied van werk, ook voor hun familie. Ze leggen het zichzelf dus op. De Right to Access Information Act, 2013 (wet op het recht op toegang tot informatie) biedt echter de mogelijkheid om gedurende een bepaalde periode informatie op te vragen bij overheidsfunctionarissen of particuliere instellingen. Onlangs heeft bijvoorbeeld een gerenommeerde advocaat, Augustine Marrah, bij het Hooggerechtshof een rechtszaak aangespannen tegen de nationale verkiezingscommissie omdat deze heeft nagelaten om de uitgesplitste gegevens over de algemene verkiezingen van 24 juni 2023 in Sierra Leone vrij te geven.

    Welke Keniase en Sierra Leoonse kranten kunnen jullie aanraden?

    In Kenia: The Star, Nation, Standard Newspaper en Mpasho News.
    In Sierra Leone: De Awoko, Politico en AWL-krant wordt veel gelezen.

    Kennen jullie ook panafrikaanse initiatieven als Africa is a Country en African Argument, die ernaar streven het continent op een andere manier te belichten dan westerse media meestal doen?

    C + H: Nee, nooit van gehoord.

    Wat is jullie droom voor de toekomst?

    C: Vooral dat meer meisjes op leidinggevende posities terechtkomen, onderwijs volgen, ook voortgezet. Dat ze zich bewust worden van hun rechten. Dat samenwerking zoals die tijdens onder andere She Leads is ontstaan en wordt voortgezet, ook na 2025.

    H:  Hier sluit ik me volledig bij aan.

  • Ook in democratische landen worden mensen ingedeeld op huidskleur of afkomst

    Ook in democratische landen worden mensen ingedeeld op huidskleur of afkomst

    In democratische landen worden mensen nog altijd getagd, gelabeld of bestempeld op basis van hun huidskleur of afkomst. In Mexico is het palet wel erg uitgebreid. ‘Hoe leggen we deze figuren uit dat er witte Latijns-Amerikanen, Duitsers met een donkere huid en Europese moslims bestaan?’

    ‘Kom binnen, güerita, wat zal het zijn, wat is er van je dienst?’ Het woord güera/o wordt niet in alle landen gebruikt, maar in het mijne, Mexico, worden er blonde personen of personen met een witte huid mee bedoeld. De enige uitzondering zijn de marktkooplieden, die de gewoonte hebben iedere vrouw güerita (‘blondje’) te noemen, of ze er nou uitziet als een Barbie met platinablond haar of een chocoladekleurige huid heeft. Ik neem aan dat deze gewoonte oorspronkelijk een vorm van vleierij was, want eeuwenlang, en nog steeds, worden mensen met een lichte huid gezien als mensen met macht, als bazen en eigenaren. Als je op de markt in Mexico deel uitmaakt van de clientèle ben je dus vanzelf güerita

    Deze merkwaardige uitzondering daargelaten beschikt de Mexicaanse kleurenwaaier, net als die in andere landen van Latijns-Amerika, over enkele hulpmiddelen om onze kleurverschillen aan te geven, waarbij de lichte huid, die wij ‘wit’ noemen, altijd als vertrekpunt geldt. Wie over een lichte huid beschikt is güera/o, al ben je óók güera/o als je al dan niet geverfd blond haar hebt. En van wit naar boven – of naar beneden, het is maar hoe je het bekijkt – beschrijven de mensen zichzelf aan de hand van bepaalde schakeringen: je kunt een gezonde roze, een tarwekleurige, een kastanjebruine of een gebronsde huidskleur hebben. Het woord moreno wordt doorgaans afgezwakt met de toevoeging ‘licht’. Met de donkere huid heeft men meer moeite, vandaar dat de verkleinvorm wordt gebruikt: de pasgeboren baby is morenito; net iets donkerder en het wordt prietito, en alleen iemand met een heel donkere huid is mulato. In bepaalde kringen, met name als je behoort of wilt behoren tot een sociaal-economische of culturele middenklasse of bovenlaag, typeren maar weinigen zichzelf als moreno of ‘zwart’. Nu ja, in grappen en beledigingen komt het woord ‘zwart’ veelvuldig voor.

    Ik ben opgegroeid in een geschoold arbeidersgezin in het Mexico van de jaren zeventig en ging dus op de markt door voor güerita, op school – een nonnenschool met veel meisjes uit Spaanse gezinnen – voor wit, en bij de kapper voor kastanjebruin. Eigenlijk ben ik het een noch het ander, ik ben wit noch güera: ik heb donker kastanjekleurig haar en een kaneelkleurige huid. Maar in de denkbeeldige klasse uit mijn kindertijd en jeugd was ik een wit Mexicaans meisje dat op een particuliere school zat, een buitenlandse naam had en bovendien Engels sprak. 

    Brown, white en latina

    Om te profiteren van die twee laatste eigenschappen pakte ik in 2004 mijn biezen en ging in de Verenigde Staten wonen. Eenmaal in Los Angeles duurde het geen jaar voor het tot me doordrong dat ik helemaal niet was wat ik dacht dat ik was en dat ik ook nog eens van alles was waarvan ik me niet bewust was. Al stond het in mijn Mexicaanse paspoort – in die tijd werd in je paspoort je huidskleur vermeld –, wit was ik niet, want in de VS is white voorbehouden aan Angelsaksische Noord-Amerikanen. Ik was niet güera, wat dat staat gelijk aan blonde, en ik heb mijn haar nooit willen blonderen. Ik had niet langer een buitenlandse naam – al bleven ze hem bij Starbucks verkeerd spellen – en wat ik beschouwde als een behoorlijk goed niveau Engels viel vies tegen, want één ding is films zonder ondertiteling begrijpen, schrijven over het uitgavenbudget van Californië is andere koek. Wat nog het meeste indruk op me maakte was dat het feit dat ik Mexicaans was niet zo belangrijk leek, want toen ik in de Verenigde Staten kwam, veranderde ik prompt in ‘brown’ en in ‘latina’: Brown, immigrant, latina, who writes in Spanish and speaks English with a funny heavy accent.’

    Yup, that was me.

    Terwijl ik bezig was me een nieuwe identiteit aan te meten, had ik vooral moeite om de vinger achter het etiket ‘latina’ te krijgen. Strikt genomen is iedereen latino – voornamelijk mensen afkomstig uit Europa en Midden- en Zuid-Amerika – die een van het Latijn afgeleide taal spreekt. Spanjaarden, Italianen en Fransen zijn dus latinos, en natuurlijk ook Mexicanen, Colombianen, Argentijnen en Peruanen. En omdat we met zovelen zijn kwam iemand op het idee om de latinos van het Amerikaanse continent onder één noemer te brengen en ons Latijns-Amerikanen te noemen. Tot zover is het min of meer duidelijk. Het wordt pas problematisch als het etiket daadwerkelijk wordt gebruikt.  

    Alle hispanos zijn latinos, maar niet alle latinos zijn hispanos

    In het dagelijks leven van de Verenigde Staten gebruikt men ‘latino’ voor iedereen die uit een Latijns-Amerikaans land afkomstig is. De bepaling ‘Amerikaans’ wordt uiteraard weggelaten, want degenen die in de VS wonen beschouwen alleen zichzelf als Amerikanen. (Bolívar draait zich om in zijn graf.) ‘Latino’ wordt ook gebruikt als synoniem voor ‘brown’: je bent ‘moreno’, je bent ‘latino’. En het wordt door elkaar gehaald met ‘hispano’, wat de benaming is voor degenen die afkomstig zijn uit landen die het Spaans als officiële taal hebben: alle hispanos zijn latinos, maar niet alle latinos zijn hispanos. Op officiële papieren vallen beide categorieën onder het kopje ‘etnische groepering’. 

    Wat het kopje ‘race’ betreft bieden genoemde formulieren vier opties: wit, zwart, Aziatisch of Native American, die laatste om de inheemse volkeren van het continent aan te duiden. Wat een onzin, opnieuw. Want ik ben niet wit, maar ook niet zwart of een van de andere opties. Als het om kleur gaat past brown me het best. Maar brown geldt als synoniem van latino, wat een etnische categorie is. Toen ik in 2010 mijn bedenkingen kenbaar maakte aan de mensen van het Census Bureau, opperden ze om Race: white. Ethnicity: latinain te vullen. Maar hoor eens: in dit land ben ik zelfs op de markt niet white

    Nationalisme en witte suprematie

    Als het voorgaande niet genoeg is om iemand in zijn identiteit te laten verstrikken, zal ik je vertellen wat me overkwam toen ik na 17 jaar Verenigde Staten besloot in Spanje te gaan wonen. Het eerste wat ze vragen als ze horen waar ik vandaan kom, is wat ik vind van de Amerikaanse politiek. Ik zou kunnen antwoorden: van welke van de 35 landen van Amerika? Ik doe het niet, want ik weet best wat ze bedoelen: Amerikanen, dat zijn de inwoners van de VS (Bolívar draait zich nog eens om). Ze zeggen toch dat zij, de Spanjaarden, Amerika, de Amerikanen dus, hebben ‘veroverd’? Denken ze soms dat Hernán Cortés tot Manhattan is gekomen? Maar het mooiste komt nog: als met ‘Amerikanen’ de inwoners van de Verenigde Staten worden bedoeld, wat zijn wij dan? Het antwoord: latinos. In Spanje gebruiken de Spanjaarden, dus de oorspronkelijke latinos die ons een Latijnse/Romaanse taal hebben opgelegd, het woord ‘latino’ om ons, de Mexicaanse, Ecuadoriaanse of Peruaanse immigranten, aan te duiden. En de Spanjaarden? Dat zijn witte Europeanen. 

    Het punt is dat deze Europeanen die Spaans spreken, en in veel gevallen niet blond zijn en ook geen blauwe ogen hebben, als ze in de Verenigde Staten aankomen, etiketten krijgen opgeplakt als immigrant, latino, en in sommige gevallen brown. Ook al zijn ze geboren in Europa. Ook al beheersen ze het Engels. Kunt u zich de verwarring voorstellen?

    Welkom in mijn wereld.

    Aan welke kant van de Atlantische Oceaan je je ook bevindt, nationalisme en witte suprematie plegen de troef van de kleurenkaart te spelen: zeg me hoe donker je huid is en ik zal je zeggen hoe weinig je waard bent voor je land en je samenleving. Dat is hetzelfde in Mexico ten aanzien van de inheemse bevolking uit Oaxaca of van immigranten uit Honduras of Haïti, en in de Verenigde Staten als er sprake is van Mexicanen, Midden-Amerikanen of Afro-Amerikanen, en in Spanje als er mensen ten Zuiden van de Sahara, moros oftewel Noord-Afrikanen of zigeuners in het spel zijn: in het dagelijks leven word je onophoudelijk geconfronteerd met uitingen van latent of expliciet, niet-aflatend, heftig racisme, waarin het wemelt van de etiketten. En dat in landen die er prat op gaan tot het democratische deel van de wereld te horen.

    Hoe kunnen we de diversiteit begrijpen als het onszelf al zo’n moeite kost om te weten wat wij zijn?

    Ik schrijf dit vanuit Barcelona, een paar uur na de Spaanse verkiezingscampagne die uiteindelijk in de media werd gedomineerd door een racistische belediging aan het adres van een zwarte voetballer, die ‘aap’ werd genoemd. Na afloop van de gemeenteraadsverkiezingen bleken rechts en extreemrechts in het hele land belangrijke winst te hebben geboekt, zowel wat het aantal zetels als het aantal gemeenten betreft. Heel wat leden van die partijen zinspelen heimelijk of zelfs openlijk op hun witte huid of Europese afkomst als een van de waarden die hun programma voorstaat. 

    En hier wordt het opnieuw ingewikkeld. Hoe leggen we deze figuren uit dat er witte Latijns-Amerikanen, Duitsers met een donkere huid, Europese moslims, latinos die Spaans noch Amerikaans zijn of niet-nationalistische witten bestaan, als het ons soms moeite kost de anderen én onszelf te zien als zwarte Latijns-Amerikanen, als Noord-Amerikanen die Spaans spreken, als Latijns-Europeanen, als niet-witte Spanjaarden, als niet-Noord-Amerikaanse Amerikanen, als Native Americans? Hoe kunnen we de diversiteit begrijpen en recht doen als het onszelf al zo’n moeite kost om te weten – of te accepteren – wat wij zijn? 

  • Wereldnieuws: Massastaking UPS op komst & meer

    Wereldnieuws: Massastaking UPS op komst & meer

    Voorzitter Stanford stapt op

    Marc Tessier-Lavigne heeft zijn aftreden aangekondigd als voorzitter van de prestigieuze Stanford-universiteit in Californië, schrijft The New York Times. Een onafhankelijke evaluatie bracht grote gebreken aan het licht in studies die hij in het verleden heeft begeleid. Het onderzoek, uitgevoerd door een extern panel van wetenschappers, weerlegt weliswaar dat Tessier-Lavigne geprobeerd zou hebben te verdoezelen dat een belangrijk Alzheimer-onderzoek uit 2009 vervalste gegevens bevatte.

    Stanford staat bekend om de kwaliteit van zijn onderzoek en de beschuldigingen zijn slecht voor de integriteit van de universiteit

    Er is geen bewijs van vervalsing, noch heeft ­Tessier-Lavigne zich op andere manieren schuldig gemaakt aan fraude. Maar de evaluatie stelt ook dat dit onderzoek, uitgevoerd toen hij leidinggevende was bij biotechbedrijf Genentech, niet ‘de gebruikelijke normen van wetenschappelijke nauwkeurigheid en methode’ haalt. Stanford staat bekend om de kwaliteit van zijn onderzoek en de beschuldigingen zijn slecht voor de integriteit van de universiteit.

    © Stanford News Service
    © Stanford News Service

    Overtreding van de Volksliedwet

    De eerste persoon die moest terechtstaan op grond van de zogenoemde ‘Volksliedwet’ in Hongkong heeft drie maanden gevangenisstraf gekregen, aldus South China Morning Post. Fotograaf Cheng Wing-chun gebruikte het lied ‘Glorie aan Hongkong’ – dat wordt beschouwd als een protestlied tegen de invloed van Beijing op de stadstaat – in een videoclip waarin schermer Edgar Cheung Ka-long tijdens de Olympische Spelen van Tokio in 2021 een gouden medaille in ontvangst neemt. Het filmpje van anderhalve minuut op YouTube doet volgens de rechtbank voorkomen alsof toeschouwers applaudisseren voor het protestlied als het wordt afgespeeld tijdens de medaille-uitreiking. 

    Het lied werd geschreven tijdens de protesten in 2019 en roept mensen op te vechten voor vrijheid en ‘Hongkong te bevrijden’ tijdens de ‘revolutie van onze tijd’. De autoriteiten vallen vooral over die laatste zinssnede, die zou oproepen tot afscheiding van het Chinese regime.


    Microkosmos

    Iets New Yorkser dan de metro van New York is er niet te vinden, volgens de Zwitserse fotograaf Willy Spiller, wiens boek en tentoonstelling Hell on Wheels deze maand worden gepresenteerd in de Hazenstraat in Amsterdam. Galerie Bildhalle geeft daar een overzicht van foto’s uit de periode 1977-1984, toen de metro’s nog onder de graffiti zaten en de stations niet waren aangeharkt. ­Spiller fotografeerde de microkosmos van New York gedurende acht jaar. Hij was er tijdens het spitsuur en zag tienermeisjes in hun witte schooluniform over de stoelen hangen. De mobiele telefoon die nu het beeld zou bepalen, bestond nog niet. 


    Rijke Chinezen trekken weg

    Australië was de eerste helft van dit jaar de belangrijkste overzeese bestemming voor Chinese vastgoedbeleggers, meer dan populaire plekken als Canada, het Verenigd Koninkrijk en de VS, zo blijkt uit de jaarlijkse ranglijst van vastgoedbedrijf Juwai IQI. Met vier plekken in de top 10 blijkt Zuidoost-Azië een hotspot voor vermogende Chinezen, meldt Sydney Morning Herald. Het streven van president Xi Jinping naar ‘gemeenschappelijke welvaart’ en de strenge coronamaatregelen hebben ertoe geleid dat rijke Chinezen massaal naar plekken als Singapore trekken. Ze parkeren hun geld in het buitenland, uit angst voor maatregelen in eigen land. Naar verwacht loopt de Chinese kapitaalvlucht dit jaar op tot 135 miljard euro. 

    Ruim 700.000 Chinezen zullen tussen 2023 en 2025 naar de VS, Canada en Australië migreren

    De komende jaren wordt een aanhoudende stroom van Chinese vastgoedinvesteringen in het buitenland verwacht. Ruim 700.000 Chinezen zullen tussen 2023 en 2025 naar de VS, Canada en Australië migreren.

    © Unsplash
    © Unsplash

    Moraalpolitie is terug

    Tien maanden na de dood van Mahsa Amini is de moraalpolitie van Iran weer op straat verschenen om vrouwen te dwingen te voldoen aan de strikte islamitische kledingvoorschriften. Dat zegt een woordvoerder van Faraja, de Iraanse instantie voor wetshandhaving. Agenten zullen vrouwen eerst waarschuwen als ze zich niet aan de regels houden; degenen die ‘de normen blijven overtreden’ kunnen rekenen op juridische stappen, aldus CNN.

    De moraalpolitie werd september vorig jaar het mikpunt van (inter)nationale verontwaardiging, toen de 22-jarige Amini, die was opgepakt omdat ze haar hoofddoek verkeerd zou hebben gedragen, naar een ‘heropvoedingscentrum’ werd gestuurd, waar ze drie dagen later stierf. Het leidde tot protesten die maandenlang aanhielden en een van de grootste binnenlandse bedreigingen in meer dan tien jaar vormden voor het heersende regime. Terwijl de autoriteiten met veel geweld reageerden, verdween de moraalpolitie nagenoeg uit de straten van Teheran. 

    Vorig jaar executeerde Iran zeker 582 mensen – een stijging van 75 procent ten opzichte van 2021

    De moraalpolitie – die onder sancties van de VS en de EU valt – is machtig en goed bewapend en controleert de gevangenissen en de heropvoedingscentra. Daar krijgen gedetineerden lessen over de islam en het belang van de hijab. Voordat ze worden vrijgelaten moeten ze een belofte ondertekenen dat ze zich zullen houden aan de kledingvoorschriften. 

    Vorig jaar executeerde Iran zeker 582 mensen – een stijging van 75 procent ten opzichte van 2021. Volgens mensenrechtenorganisaties toont die stijging aan dat Teheran demonstranten tegen het regime angst wil aanjagen.


    Massastaking UPS op komst

    De 340.000 chauffeurs en andere werknemers van UPS, de grootste bij een vakbond aangesloten werkgever in de Verenigde Staten, voeren momenteel onderhandelingen met het bedrijf, meldt Grist. Klimaatverandering en extreme hitte zijn daarbij enkele van de belangrijkste kwesties. Als er op 31 juli geen bevredigend contract ligt, beginnen de werknemers aan de grootste staking bij één werkgever in de Amerikaanse geschiedenis. 

    Deze zomer worden weer allerlei temperatuurrecords gebroken en de nood bij de medewerkers is hoog: op zomerse dagen kan de temperatuur achter in hun bestelwagen oplopen tot bijna 50 graden. Sinds 2015 meldde UPS zeker 143 hitte-gerelateerde incidenten bij de federale dienst voor veiligheid op de werkvloer.

    Vorig jaar stierf een van haar collega’s aan een hitte­beroerte in zijn bestelwagen

    ‘Als ik maar niet flauwval,’ denkt een bezorger in Los Angeles vaak als ze de laadruimte van haar vrachtwagen in gaat. ‘Wie weet dat ik achter in die truck zit? Ik ben als alleenstaande moeder als enige verantwoordelijk voor mijn zoon.’ Vorig jaar stierf een van haar collega’s aan een hitte­beroerte in zijn bestelwagen. 

    Hoewel de klimaatverandering de zomers heter en gevaarlijker maakt voor de bezorgers, rekent UPS op dezelfde ‘onrealistische’ productiviteitscijfers van zijn medewerkers. Chauffeurs en magazijnmedewerkers worden geacht zes dagen per week en meer dan twaalf uur per dag te werken in de hitte. Aangezien productiviteit wordt gemeten door middel van bewakingscamera’s en sensoren in de vrachtwagens, is het voor chauffeurs lastiger om pauzes te nemen. Daarom zijn de eisen van de UPS-werknemers inzake hitteveiligheid gekoppeld aan andere zaken zoals hogere lonen, meer voltijdbanen en een einde aan gedwongen overuren. 

    ‘Deze werknemers zijn overwegend vrouwen, mensen van kleur of immigranten. Ze kunnen het zich niet veroorloven om pauzes te nemen of tijd te verliezen door zich om hun gezondheid te bekommeren,’ aldus een expert arbeidsrecht. ‘Het is hoog tijd dat UPS de hitte voelt, zoals wij die de hele tijd ervaren,’ zegt een strijdvaardige chauffeur.

     © International Brotherhood of Teamsters
    © International Brotherhood of Teamsters
  • Deze kungfu-nonnen breken met conventies in Nepal

    Deze kungfu-nonnen breken met conventies in Nepal

    In het Himalayaanse boeddhisme werden nonnen lange tijd in hun religieuze rol beperkt door regels en genderbarrières. Nu brengt één religieuze groep daar verandering in, door meditatie te combineren met vechtkunst en milieuactivisme.

    Boven de besneeuwde toppen van de Himalaya priemen de eerste zonnestralen door de wolken. Jigme Rabsal Lhamo, een boeddhistische non, trekt van achter haar rug een zwaard tevoorschijn. Met een zwaai slaat ze haar tegenstander tegen de grond.

    ‘Houd je ogen op het doel! Concentreer je!’ schreeuwt Lhamo tegen de gevloerde non, terwijl ze haar recht in de ogen aankijkt. We bevinden ons buiten bij een witgekalkte tempel in het Druk Amitabha-nonnenklooster. Het gebouw staat op een heuvel die uitkijkt over Kathmandu, de hoofdstad van Nepal.

    Lhamo en de andere leden van haar religieuze orde staan bekend als de kungfu-nonnen. Ze maken deel uit van een achthonderd jaar oude boeddhistische sekte die Drukpa heet, wat in het Tibetaans ‘draak’ betekent. In de Himalaya, maar ook in de rest van de wereld, combineren volgelingen van de sekte meditatie met vechtkunst.

    Elke dag verruilen de nonnen hun donkerrood gewaad voor een kastanjebruin uniform en beoefenen ze de eeuwenoude Chinese vechtkunst kungfu. Onderdeel van hun spirituele missie is het streven naar gendergelijkheid en fysieke fitheid. Hun boeddhistische geloof schrijft bovendien voor dat ze een milieuvriendelijk leven leiden.

    Tijdens de ochtenden waarop de nonnen trainen onder leiding van Lhamo, klinkt het gedreun van voetstappen en het gekletter van zwaarden. De wijde uniformen van de nonnen ritselen door de ruimte als ze radslagen maken en elkaar stoten en trappen uitdelen.

    Genderbarrières

    ‘Kungfu helpt ons om genderbarrières te doorbreken en zelfvertrouwen te ontwikkelen,’ zegt Lhamo (34), die twaalf jaar geleden naar het nonnenklooster kwam vanuit Ladakh, in het noorden van India. ‘Het leert ons ook voor anderen te zorgen in tijden van crisis.’

    Zo lang als boeddhistische geleerden zich kunnen herinneren, rustte er een stigma op Himalayaanse nonnen die streefden naar spirituele gelijkwaardigheid ten opzichte van monniken. Dat stigma werd veroorzaakt door de ideeën van religieuze leiders en algemene sociale conventies.

    Monniken werden aangemoedigd om diepzinnige filosofische debatten aan te gaan, maar vrouwen mochten niet deelnemen. Ze mochten alleen klusjes doen als koken en schoonmaken in kloosters en tempels. Ze mochten geen activiteiten verrichten waarbij fysieke inspanning nodig was, geen gebeden leiden en zelfs niet zingen.

    In de afgelopen decennia zijn deze belemmeringen onderwerp geworden van een hevige strijd. Deze wordt gevoerd door duizenden nonnen, afkomstig uit vele verschillende sekten van het Himalayaanse boeddhisme.

    Aan het hoofd van de strijd om verandering staan de kungfu-nonnen, wier Drukpa-sekte dertig jaar geleden onder leiding van Jigme Pema Wangchen een hervormingsbeweging begon. Wangchen, die ook wel bekendstaat als de twaalfde Gyalwang Drukpa, was bereid eeuwenlange tradities te doorbreken. Hij wilde ervoor zorgen dat nonnen de religieuze boodschap van de sekte buiten de kloostermuren zouden uitdragen. ‘We willen grote veranderingen teweegbrengen,’ aldus kungfu-non Konchok Lhamo (29). ‘In een klooster op een kussen zitten en mediteren is niet genoeg.’

    Conservatieve boeddhisten hebben al gedreigd Drukpa-tempels in brand te steken

    Vandaag de dag houden Drukpa-nonnen zich niet alleen bezig met kungfu. Ze leiden ook gebeden en maken maandenlange pelgrimstochten om plastic afval op te rapen en mensen in te lichten over klimaatverandering.

    Afgezien van een corona-gerelateerde onderbreking hebben de nonnen de afgelopen twintig jaar elk jaar ruim tweeduizend kilometer gefietst om duurzaam vervoer te promoten. De reis begint in Kathmandu en eindigt in Ladakh, een hoog in het Himalaya-gebergte gelegen streek. Onderweg stoppen de nonnen om mensen op zowel het Nepalese als Indiase platteland voor te lichten over gendergelijkheid en over het feit dat ook meisjes ertoe doen.

    In 2008 kwamen de nonnen van de sekte voor het eerst in contact met de vechtkunst. Ze leerden erover van volgelingen uit Vietnam, die naar het klooster waren gekomen om geschriften te bestuderen en de instrumenten te bespelen die tijdens het gebed worden gebruikt. Sindsdien zijn ongeveer achthonderd nonnen getraind in de basisbeginselen van de vechtkunst. Zo’n negentig van hen hebben een intensief lesprogramma doorlopen om trainer te worden.

    De twaalfde Gyalwang Drukpa heeft de nonnen ook opgeleid tot zangmeesters, een post die vroeger alleen aan mannen was voorbehouden. Bovendien zorgde hij ervoor dat ze het hoogste niveau van onderwijs kregen: mahamudra. Het is een geavanceerd meditatiesysteem dat zijn naam ontleent aan het Sanskriet woord voor ‘grote zegel’.

    De nonnen genieten inmiddels grote bekendheid, zowel in het overwegend Hindoestaanse Nepal – dat voor ongeveer 9 procent uit boeddhisten bestaat – als in het buitenland. Maar de veranderingen die de sekte teweegbrengt, worden niet zonder slag of stoot geaccepteerd: conservatieve boeddhisten hebben al gedreigd Drukpa-tempels in brand te steken.

    ‘Ons leven wordt beperkt door heel veel regels; die gaan zelfs over wat voor zakken je in je gewaad mag hebben’

    Wanneer de nonnen over steile hellingen van het klooster naar de plaatselijke markt gaan, worden ze vaak uitgescholden door monniken van andere sekten. Dat schrikt ze naar eigen zeggen niet af. Als ze in hun open busjes door de streek rijden, lijken ze met hun kaalgeschoren hoofden op soldaten. Ze zien eruit alsof ze in de frontlinie thuishoren en elk vooroordeel onderuit kunnen halen.

    Op de enorme campus van de sekte wonen driehonderdvijftig nonnen. Ze leven er samen met eenden, kalkoenen, zwanen, geiten, twintig honden, een paard en een koe – allemaal dieren die ofwel uit de handen van de slager ofwel van de straat zijn gered. De vrouwen werken als schilder, kunstenaar, loodgieter, tuinier, elektricien en metselaar, en ze beheren tevens een bibliotheek en een medische kliniek voor leken.

    ‘Wanneer mensen naar het klooster komen en ons zien werken, zien ze plotseling in dat een nonnenbestaan niet “nutteloos” is,’ aldus Zekit Lhamo (28). Daarmee verwijst ze naar een belediging die de nonnen geregeld naar het hoofd geslingerd krijgen. ‘We bekommeren ons niet alleen om onze religie, maar ook om de samenleving.’

    Inspiratie

    Het werk van de nonnen heeft andere vrouwen in de hoofdstad van Nepal geïnspireerd. ‘Als ik naar hen kijk, wil ik ook non worden,’ zegt Ajali Shahi, die afstudeert aan de Tribhuvan-universiteit in Kathmandu. ‘Ze zien er zo cool uit. Je krijgt zin om je leven ervoor overhoop te gooien.’

    Elke dag ontvangt het nonnenklooster minstens twaalf verzoeken om te mogen intreden. Die komen van verre, bijvoorbeeld uit Mexico, Ierland, Duitsland en de Verenigde Staten. ‘Maar niet iedereen kan dit,’ zegt non Jigme Yangchen Ghamo. ‘Van de buitenkant ziet het er aantrekkelijk uit, maar je weet niet hoe zwaar het leven hierbinnen is.’ Ze gaat verder: ‘Ons leven wordt beperkt door zoveel regels. Er is zelfs voorgeschreven wat voor zakken je in je gewaad mag hebben.’

    De nonnen worden om drie uur ’s nachts wakker om in hun slaapzaal te gaan mediteren. Vóór zonsopkomst lopen ze naar de hoofdtempel, waar zangmeester Tsondus Chuskit de gebeden leidt. In kleermakerszit zitten de nonnen op banken en bladeren ze op hun iPads door de gebedsteksten – dit om zo weinig mogelijk papier te gebruiken. Dan beginnen ze eenstemmig te zingen, en de felgekleurde tempel vult zich met het geluid van trommels, hoorns en bellen. Na de gebeden verzamelen ze zich buiten.

    Jigmet Namdak Dolker was ongeveer twaalf jaar oud toen ze een groep Drukpa-nonnen langs het huis van haar oom in het Indiase Ladakh zag lopen. Ze rende naar buiten en liep met ze mee. Dolker, die geadopteerd is, wilde ook non worden en smeekte haar oom om haar naar het Drukpa-nonnenklooster te laten gaan, maar hij weigerde.

    Vier jaar later liep ze op een dag weg van huis om zich aan te sluiten bij de duizenden mensen die de verjaardag van Jigme Pema Wangchen, het hoofd van de sekte, vierden. Uiteindelijk kwam ze in het klooster terecht. Ze is er nooit meer weggegaan.

    En? Hoe voelt ze zich zeven jaar later, waarvan er zes in het teken stonden van kungfu? ‘Trots. Ik voel de vrijheid om te doen wat ik wil,’ zegt ze. ‘En ik voel me zo sterk van binnen dat ik alles aankan.’

    Lees ook: