Door nieuwe wetgeving te toetsen aan de geschiedenis, probeert de conservatieve opperrechter Samuel Alito de ongelijkheid uit het verleden terug te brengen naar het heden. Hij richt zijn pijlen vooralsnog op abortus, maar ook andere fundamentele rechten kunnen op het spel komen te staan.
Al 250 jaar lang worstelen de Verenigde Staten om te voldoen aan de beloofde idealen van gelijkheid, vrijheid en democratie. Stapjes voor stapje hebben ze die vrijheden inmiddels uitgebreid, zodat ze niet langer enkel gelden voor de witte mannelijke grondbezitters aan wie ze aanvankelijk werden toegezegd. Maandagavond 2 mei publiceerde Politico een uitgelekt ontwerpadvies aangaande de beëindiging van het grondwettelijke recht op abortus door herroeping van Roe v. Wade [een uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof uit 1973 die het recht op abortus grondwettelijk beschermt]. In dat ontwerpadvies schetst opperrechter Samuel Alito het plan van de conservatieve beweging om deze verworvenheid terug te draaien en de Verenigde Staten, in ieder geval moreel en juridisch gezien, terug te brengen naar de negentiende eeuw.
Met dit doel voor ogen duikt Alito terug in het verleden om zo aan te tonen dat abortus niet ‘diepgeworteld is in de geschiedenis en de traditie van de natie’. Dergelijk geschiedkundig graafwerk is gebruikelijk voor het Hooggerechtshof en vormt een vast onderdeel van de methodologie van hoge rechters. Maar als het erop aankomt een gelijkwaardige samenleving te creëren met volwaardig burgerschap voor iedereen, dan is het ronduit bedrieglijk om morele autoriteit toe te kennen aan een tijdperk waarin alleen rijke, witte mannen van de beloofde vrijheden konden profiteren.
Roe v. Wade
Het recht op abortus in Roe v. Wade was deels verankerd in het 14e Amendement, dat het universele recht op een eerlijk proces voorschrijft. En dus richt Alito zijn blik op het jaar 1868, om te schetsen hoe er tegen abortus werd aangekeken in de tijd waarin dit amendement werd opgesteld. ‘Tegen de tijd dat het 14e Amendement werd aangenomen, gold abortus in driekwart van de staten als strafbaar in elk stadium van de zwangerschap, en dat zou snel daarna ook voor de overige staten gelden’, schrijft Alito. Wat hij niet vermeldt, is dat het nog vijftig jaar zou duren voordat de meeste vrouwen mochten stemmen op de functionarissen die konden bepalen of abortus al dan niet strafbaar was. Het zou bovendien nog eens vijftig jaar duren voordat vrouwen zonder toestemming van hun echtgenoot een creditcard konden krijgen. Als het doel van historische analyse is om vast te stellen wat lang geleden als een beschermd recht werd beschouwd, dan dient deze vooral om de vooruitgang van de twintigste eeuw ongedaan te maken. En dat is duidelijk precies waar het hier om gaat.
‘Als besloten wordt Roe v. Wade terug te draaien, dan is dat een gevaar voor een hele reeks aan jurisprudentie die voortkomt uit de vrijheidsgarantie van het 14e Amendement’, waarschuwde Melissa Murray in december in The New York Times. ‘Deze rechtszaken grijpen terug op een besluit uit 1923 dat ouders het recht garandeert om hun kinderen op te voeden zonder overmatige staatsbemoeienis, en behelst bovendien het recht om te trouwen, het recht om als volwassene seksuele relaties aan te gaan en het recht om anticonceptie te gebruiken’, aldus Murray, expert op het gebied van staatsrecht en reproductieve rechten aan de New York University School of Law.
Alito’s ontwerpadvies geeft een impuls aan een rechtse campagne die niet alleen de wettelijke grondslag van abortus wil wegnemen, maar zich ook tegen andere rechten met betrekking tot het huwelijk en intimiteit keert. Tijdens de recente hoorzittingen voor de aanstelling van Ketanji Brown Jackson aan het Hooggerechtshof klaagden verschillende Republikeinse senatoren dat het Hooggerechtshof bezig was ‘nieuwe’ rechten te verzinnen die niet expliciet in de grondwet worden genoemd. Deze zouden met name worden aangenomen via het 14e Amendement, dat het recht op een eerlijk proces voorschrijft. ‘Het huwelijk staat niet in de grondwet, of wel dan?’ vroeg senator John Cornyn (Republikein, Texas) aan Jackson. Met dergelijke vragen uitte hij zijn onvrede over een uitspraak van het Hooggerechtshof uit 2015 die het grondwettelijk recht op het homohuwelijk vastlegt.
‘Anticonceptie, interraciale huwelijken, seksuele intimiteit… geen van deze rechten zou de geschiedenis- en traditietoets van Alito kunnen doorstaan’
Tijdens Jacksons hoorzittingen liet senator Mike Braun (Republikein, Indiana) zich ontvallen dat individuele staten niet alleen over het abortusrecht zouden moeten beslissen, maar ook over de wettelijkheid van het interraciale huwelijk. Hij krabbelde snel terug, maar de aap was uit de mouw. De conservatieven die nu beweren dat ze alleen abortusrechten willen terugdraaien, weten maar al te goed dat het interraciale huwelijk, anticonceptie en andere rechten die op vergelijkbare juridische en historische analyses gebaseerd zijn, eveneens op het spel staan – en vinden dat terecht.
‘Dit is een directe aanval op een eeuw aan precedenten van het Hooggerechtshof, waarin wordt erkend dat het 14e Amendement fundamentele rechten beschermt, ook als die niet specifiek in de tekst van de Grondwet worden vermeld,’ zei David Gans, directeur van het programma voor mensenrechten, burgerrechten en burgerschap bij het Constitutional Accountability Center, ten tijde van Jacksons hoorzittingen tegen Courthouse News Service. Abortus was slechts het begin, zo voorspelde hij.
In zijn ontwerpadvies probeert Alito dat langetermijnplan te verhullen. Abortus, zo schrijft hij, is ‘fundamenteel anders’ omdat het daarbij gaat om het vernietigen van een foetus. Maar dat is geen onderscheid waar een opperrechter zich aan hoeft te houden. Alito’s uiteenzetting – zijn historische analyse – zal overduidelijk ook andere fundamentele rechten in gevaar brengen. ‘Ondanks Alito’s geruststelling lopen alle andere privacyrechten overduidelijk gevaar’, stelt Adam Winkler, grondwettelijk expert aan de UCLA School of Law, op Twitter. ‘Anticonceptie, interraciale huwelijken, seksuele intimiteit… geen van deze rechten zou de geschiedenis- en traditietoets van Alito kunnen doorstaan, die alleen kijkt naar de wetgeving vóór het 14e Amendement.’ Deze rechten zijn pas na de oprichting van het land verworven en maken dat de Verenigde Staten tot de democratieën van de eenentwintigste eeuw behoren in plaats van tot de theocratieën van de negentiende eeuw.
Erfenis van het slavernijverleden
Hoe dan ook, Alito’s geschiedenis is onvolledig: hij belicht sommige feiten terwijl hij andere negeert. Door naar de abortuswetgeving te kijken ten tijde van de aanname van het 14e Amendement, komen de patriarchale normen uit die tijd naar voren, terwijl de doelstellingen van het 14e Amendement, zoals lichamelijke autonomie en de vrijheid om zelf een gezin te kiezen, buiten beschouwing worden gelaten. Het 14e Amendement, betoogde Gans afgelopen november in TheAtlantic, was een ingrijpende toevoeging aan de grondwet die tot doel had de erfenis van de slavernij ongedaan te maken. Mannen en vrouwen die tot slaaf gemaakt waren hadden geen zeggenschap over hun eigen lichaam en konden niet bepalen met wie ze trouwden of wanneer ze kinderen kregen.
‘Een van de wreedste aspecten van de slavernij was dat er binnen het gezinsleven geen reproductieve zelfbeschikking bestond’, schrijft Gans. ‘Plantage-eigenaren dwongen tot slaaf gemaakte vrouwen ertoe kinderen te baren die tot gevangenschap waren veroordeeld… Niet alleen werden tot slaaf gemaakte mensen gedwongen kinderen te baren; ze hadden niet het recht te trouwen met wie ze wilden of om hun eigen kinderen op te voeden.’ De wetgevers die het 14e Amendement opstelden, hadden deze vrijheid om een gezin te stichten in gedachten toen ze de vrijheden van burgerschap uitbreidden tot alle Amerikanen. En die vrijheid is niet mogelijk zonder het recht op abortus, contraceptie en huwelijksgelijkheid.
Maar aangezien dat deel van de geschiedenis niet past bij de doelstellingen van de antiabortusbeweging, besteedt Alito er geen aandacht aan – terwijl hij zijn pijlen vol op andere rechten richt. ‘Pogingen om abortus te rechtvaardigen door een beroep te doen op het overkoepelende recht op zelfbeschikking en een definitie van het “concept van bestaan”, gaan te ver’, schrijft hij. Zo’n benadering zou kunnen worden ingezet om illegaal drugsgebruik of prostitutie te legaliseren, waarschuwt hij. ‘Geen van deze rechten kan aanspraak maken op een diepe worteling in de geschiedenis.’
Als de stichters van Amerika een recht niet expliciet hebben genoemd, dan is er geen plek voor in Alito’s Amerika. En over enkele maanden kan dat ineens iedereens Amerika zijn.
Wat voor ‘anders’ of ‘de ander’ doorging is eeuwenlang bepaald door de koloniale Europese samenleving. Volgens Leopold-Joseph Bonny Duala-M’bedy, grondlegger van de xenologie, is elke vorm van anders-zijn een construct. In zijn leer gaat het altijd om het gezamenlijke referentiekader van de gehele mensheid.
Eeuwenlang werden geschiedenis en filosofie bepaald door de koloniale Europese samenleving. Die definieerde wat voor anders doorging, en creëerde zo perspectief, hiërarchie en uitbuiting. Met zijn eigen ervaringen in de vroegere Duitse kolonie Kameroen als vertrekpunt ontvouwde Leopold-Joseph Bonny Duala-M’bedy een theorie die hem tot een pionier in de postkoloniale kritiek maakte. De xenologie die hij ontwikkelde maakt het anders-zijn los van het subject en heeft in plaats daarvan oog voor systemen die, gedreven door belangen, het concept ‘anders’ gebruiken om macht te kunnen uitoefenen. Een gesprek over een theorie die niet alleen inzichten wil bieden, maar ook gerechtigheid tot doel heeft.
Xenologie is een fundamentele kritiek op het Europese discours van anders-zijn
Professor Duala-M’bedy, men ziet u als de grondlegger van de xenologie. Wat is de kern van haar kennisleer?
Xenologie is een fundamentele kritiek op het Europese discours van anders-zijn, en daarmee een principiële kritiek op antropologie en etnologie. Ten grondslag aan de klassieke etnologie ligt het evolutionistische denken dat een hiërarchische indeling van de mensheid rechtvaardigt. Het schortte echter aan een wetenschappelijk gefundeerd vertoog tegen een dergelijke denkwijze. Met mijn theorie van de xenologie is dat veranderd.
Welke gedachte ligt aan deze theorie ten grondslag?
In de xenologie worden het anders-zijn en ook de wijze van omgaan met het anders-zijn vervangen door het concept van het ‘xenische systeem’.
Uw vertrekpunt is dus niet het anders-zijn maar het extern ontwikkelde systeem.
Precies, want achter het fenomeen ‘anders’ schuilt geen subject maar een construct, een systeem. Het ‘xenische systeem’ is dus een filter waardoor elke samenleving een andere samenleving omzet in taal en symbolen. En zoals bij ieder systeem gaat het hierbij om ideologie.
WIE IS DUALA-M’BEDY?
Léopold-Joseph Bonny Duala-M’bedy (Duala, 1936) is een Kameroens politicoloog, socioloog, etnoloog en xenoloog. Hij is de grondlegger van de wetenschappelijke discipline van de xenologie. Duala-M’bedy komt uit het geslacht Duala-Bell, het koningshuis van Kameroen. Op veertienjarige leeftijd ging hij in Parijs naar een middelbare school; daarna studeerde hij er aan de Sorbonne. In 1962 promoveerde hij aan de Universiteit van Wenen en in 1972 habiliteerde hij (een soort tweede promotie waarmee het doceerrecht wordt verworven) als Alexander von Humboldt-bursaal bij de geschiedfilosoof Eric Voegelin. Zijn belangrijkste boek Xenologie: Die Wissenschaft vom Fremden und die Verdrängung der Humanität in der Anthropologie verscheen in 1977.
Met als consequentie?
Het discours over anders-zijn is altijd ook een discours over macht. Met behulp van de xenologische methode analyseren we zulke systemen om te achterhalen wie het anders-zijn creëert, en met welk doel. Want ten principale bestaat anders-zijn niet. Elke vorm van anders-zijn is een construct. Xenologie is niet alleen de wetenschap van het andersoortige en van de extern ontwikkelde systemen, ze ziet zichzelf ook als de wetenschap van die mensen die in de perceptie van de Europeanen geen geschiedenis hebben.
Wie geen geschiedenis heeft, is ook geen mens
Hegel bijvoorbeeld schreef dat Afrika geen geschiedenis had; Afrika had geen aanspraak op geschiedenis. Maar wie geen geschiedenis heeft, is ook geen mens. De mensen uit het zogeheten Zuiden werd daarmee het mens-zijn ontzegd, in een dergelijke logica bestonden zij eenvoudigweg niet. Dat is het lot van allen die ‘ontdekt’ werden, dus van alle mensen die ‘ontdekt’ werden door mensen die het wetenschappelijke discours domineerden. Ik heb daarom gezocht naar een wetenschappelijke categorie die recht doet aan het fenomeen ‘anders’. Het door mij ontwikkelde xenische narratief benoemt elke manifestatie van het anders-zijn en legt de machtsberekening bloot. Overigens doe ik met deze kennisleer niet alleen recht aan de Afrikaanse mens, het gaat in de xenologie altijd om het gezamenlijke referentiekader van de gehele mensheid.
Heeft u in de ontwikkeling van de xenologie eigen ervaringen verwerkt?
De xenologie kent een sterke biografische impuls, mijn levensverhaal volgt het voetspoor van de veroveraars van Afrika. Het begint bij de invloed van mijn ouders. Wij waren een godsdienstig gezin, gingen regelmatig naar de kerk. Mijn vader heeft me bijgebracht wat rechtvaardigheid betekent, mijn uitgesproken gevoel voor gerechtigheid heb ik van hem. Mijn moeder gaf me rechtlijnigheid en scherpzinnigheid mee. Beiden wilden dat ik priester werd, mijn zus woont als abdis in Zuid-Frankrijk. De eerste kerkmensen die bij ons in Duala arriveerden, waren Duitse protestanten. Mijn vader sprak vloeiend Duits en ook vloeiend Engels. In ons gezin werd Frans gesproken, de taal van de kolonisator.
WAT IS XENOLOGIE?
Qua kennistheorie bouwt de xenologie voort op de basisveronderstelling dat ‘de ander’ als zodanig niet bestaat, maar dat de aanduiding van mensen als ‘anders’ altijd wordt ingegeven door belangen met als oogmerk het creëren van machtsverschil. Het racistische discours over de ‘ander’ dat sinds de ontdekking van Amerika de relatie tussen Europa en de niet-Europese wereld heeft bepaald, komt volgens Duala-M’bedy voort uit het idee dat niet-Europese culturen een ‘voorstadium van de hoogontwikkelde Europese samenleving’ zijn. Die gedachte diende ter rechtvaardiging van onderwerping, ontrechting en uitbuiting van de niet-Europese koloniale wereld tot ver in de twintigste eeuw.
Ten tijde van de Franse kolonisatie zat u in Kameroen op school. Welke herinneringen heeft u aan die tijd?
Ik ervoer het als een groot onrecht. Met mijn broer Moise, die later diplomaat werd, nam ik een boot naar Europa. We arriveerden in de haven van Marseille, waar twee van onze oudere broers ons afhaalden. We woonden in Parijs bij een oom. Daar dompelde ik me als veertienjarige onder in een ander leven. Natuurlijk waren er ook heimwee, tranen, nostalgie en verlangen naar mijn ouders en naar Kameroen. De romantische kant in mijn denken vindt hier zijn oorsprong.
Uiteindelijk koos u niet voor het priesterschap, maar voor een wetenschappelijke carrière
Uiteindelijk koos u niet voor het priesterschap, maar voor een wetenschappelijke carrière.
Ja, en die stond in het teken van de idee van gerechtigheid. Ik kwam naar Europa, ging me er bezighouden met etnologie en kreeg daar te horen dat ik tot de mensheid zonder geschiedenis behoorde. Etnologen doceerden mij een ‘surrogaatverhaal’.
Hoe bedoelt u dat?
De etnologie bood ons mensen die zogenaamd geen geschiedenis hebben een schadeloosstelling aan: ‘We doceren jullie geschiedenis. Alsjeblieft, hier is een cadeautje van ons: dit is jullie geschiedenis.’ Dat choqueerde me, het raakte mij ook persoonlijk, want aan de positieve ervaringen van het gezin waarin ik was opgegroeid werd volledig voorbijgegaan. In deze schok ligt de grondslag voor mijn wetenschappelijke werk.
U promoveerde in Wenen bij de etnoloog Walter Hirschberg, die van meet af aan een vurig nationaal-socialist was en ook na 1945 als overtuigd racistisch evolutionist naar buiten trad. Ook was hij voorstander van het rekolonisatieproject. Welke herinneringen heeft u aan die tijd?
Geen van de docenten sprak over het onrecht dat aan Afrikanen ieder historisch vermogen werd ontzegd. Er was geen enkele gevoeligheid voor onrecht. Walter Hirschberg begeleidde in Wenen jonge promovendi in de etnologie. Hij werd dus ook geacht mij en mijn kritische dissertatie te begeleiden, maar ik kreeg geen steun van hem, integendeel. Ik moest heel lang op zoek naar een promotor, naar een spirituele mentor. Ik volgde colleges van de etnoloog Claude Lévi-Strauss in Parijs over het structuralisme, maar hij maakte geen indruk op mij. Pas toen stuitte ik op Eric Voegelin, voor mij een geweldige gebeurtenis.
Wat was er zo bijzonder aan uw ontmoeting met Voegelin?
Eindelijk iemand die verstandige taal uitsloeg! (lacht) Zijn colleges gaven me een goed gevoel. Hij deed niet neerbuigend, hij kleineerde ons niet. Hij was inclusief en fair. Nooit eerder had ik een academicus ontmoet die eerlijk was in de omgang. Hij behandelde zijn studenten haast als collega’s. We zogen elk woord op dat hij doceerde.
Kunt u die integere benadering concreet maken?
Hij deed absoluut geen misplaatste of neerbuigende uitlatingen. Hij maakte korte metten met het concept ‘ras’ vanwege het ontbreken van wetenschappelijk bewijs daarvoor. Als bursaal van de Alexander von Humboldt Foundation werkte ik als onderzoeker samen met hem aan de Universiteit van München. Cruciaal was voor mij het moment dat hij voor het eerst mijn ouders ontmoette. Mijn vader en mijn docent spraken Duits met elkaar, en mijn vader zei: ‘Mijn zoon heeft me veel over u verteld.’ Voegelin antwoordde: ‘Uw zoon heeft een voortreffelijke studie geschreven.’
Hoe heeft Voegelin uw zelfbesef als wetenschapper gevormd?
Voor mij is hij de grootste denker van de twintigste eeuw. Voegelin schreef een cultuurgeschiedenis van het begrip ‘ras’; hij plaatste er negatieve connotaties bij, hij zag het als een nieuwe classificatie ter vervanging van het oude klassensysteem van de aristocratie. Voegelin hechtte ook sterk aan het maken van onderscheid tussen realiteit en ideologie.
Ideologie definieerde hij als een in corrupt denken teloorgegane realiteit
Ideologie definieerde hij als een in corrupt denken teloorgegane realiteit. Zijn in 1956 verschenen boek Order and History is een klassieker. Voegelin zag de geschiedenis als Casus Philosophicus. Hij benaderde de geschiedenis als geschiedfilosoof en zag haar niet als een verzonnen verhaal. Rechts georiënteerde studenten uit de Bondsrepubliek probeerden hem in diskrediet te brengen. Maar ik was zijn denken toegedaan. Ik pretendeerde te voltooien wat Voegelin had laten liggen. En ik heb die pretentie heel serieus genomen.
Hoe ervoer u de sfeer op de Duitse universiteiten in de jaren zeventig en tachtig?
De universiteiten en onderzoeksinstellingen in Duitsland waren uitermate homogeen qua etniciteit, geslacht en sociale herkomst. Dat zijn ze nog altijd. Wie op enigerlei wijze als anders wordt gezien, maakt minder kans op een hoogleraarschap, op wetenschappelijke onderscheidingen, op toegang tot onderzoeksgelden en invloedrijke posities. De bevoegdheid om te duiden wat vanuit wetenschappelijk oogpunt valide is en wie gekwalificeerd is een bijdrage te leveren aan kennisgeneratie, ligt nog altijd vast verankerd in koloniaal bepaalde structuren. Dat moet ter discussie worden gesteld. Het onvermogen de waarheid te onderkennen was en is mijn thema; voor mij is de functie van theorie dat zij de waarheid aangeeft. Wetenschap dient in dienst te staan van de waarheid. Zij moet observeren, analyseren, vragen naar het waarom, heroverwegen. Maar dat gaat niet wanneer een groot deel van de mensheid met zijn ervaringen, perspectieven en mogelijkheden van dit proces is uitgesloten. Een wetenschap die spreekt vanuit de positie van een kleine homogene groep is falsifieerbaarheid noch universeel.
De xenologie is een enorme theoretische prestatie, ze heeft een groot deel van het Europese begrip van de ‘ander’ op losse schroeven gezet. Heeft deze aanval op de antropologische en etnologische status quo een tegenreactie uitgelokt?
De redacteur van de uitgeverij waar ik mijn boek publiceerde zei destijds: ‘Hier maakt u vijanden mee.’ En zo is het ook gegaan. Er was veel onwetendheid en weinig discussie met mij, maar er was in de jaren tachtig en negentig ook sprake van een enorme boost in aanverwante disciplines. Interculturele germanistiek en filosofie kwamen tot ontwikkeling. In Bayreuth kwam een cultuurwetenschappelijke xenologie van de grond, die echter mijn eigen theorie van de xenologie links laat liggen. In Bochum werd de fenomenologie van het andere ontwikkeld, en daar was ik al evenmin bij betrokken. Aan de universiteit, en dat geldt vooral in Duitsland, moet je vechten om gezien te worden. Collegialiteit komt maar zelden voor. Het ontbrak zichtbaar aan steun, de omgangsvormen waren vaak kwetsend en vulgair.
KONING RUDOLF
Van 1884 tot 1918 was het West-Afrikaanse Kameroen een Duitse kolonie. Van 1908 tot 1914 regeerde koning Rudolf Duala Manga Bell. Hij had zijn opleiding genoten in Duitsland en stond in hoog aanzien bij het Duitse koloniale bestuur in Duala. Na de gewelddadige verdrijving en brute onteigening van de Duala door het koloniale bestuur, stelde de jonge koning zich aan het hoofd van een verzetsbeweging en protesteerde hij tegen het buitensporige geweld door de Duitse koloniale machthebbers. Met petities probeerde hij de Duitse regering ertoe te bewegen de met de Duala gesloten verdragen na te komen. Daarmee wekte hij het ongenoegen van de voorstanders van koloniale onteigening. Beschuldigd van hoogverraad werd hij in 1914 op 41-jarige leeftijd ter dood veroordeeld en opgehangen. Bij zijn procesgang werden zelfs de minimale wettelijke normen niet in acht genomen. Drie dagen lang hing zijn lijk aan de galg – ter afschrikking.
Toen u begin jaren zeventig uw theorie over de xenologie presenteerde, was rassenscheiding nog een belangrijk issue in de VS. Ook de antikoloniale strijd was nog maar net achter de rug en Zuid-Afrika kende een systeem van apartheid.
Het intellectuele dispuut over het kolonialisme begon doorgaans pas nadat de militante confrontatie was beëindigd. Wetenschappers als Frantz Fanon, Aimé Cesaire, Léopold Senghor en Cheikh Anta Diop waren de eersten die het kolonialisme benaderden als een politiek en ideologisch systeem. De xenologie past in de reeks revolutionaire geschriften van toen. Wereldwijd kreeg de wetenschappelijke eis van rechtvaardigheid de wind mee. Ik las toen alles wat ik maar te pakken kon krijgen, ik luisterde aandachtig naar alles wat fluitend langs mijn oren vloog.
Vanaf de jaren negentig ontstond er een veelheid aan postkoloniale theorieën. Als baanbrekend boek geldt Edward Saids in 1978 verschenen studie over het oriëntalisme, terwijl u uw xenologie al een jaar eerder presenteerde. Staan de huidige postkoloniale theorieën in de traditie van uw werk?
Ja, want net als bij de huidige uitingen van de postkoloniale theorie gaat het bij het xenologische werk om het analyseren van extern ontwikkelde systemen – en zodoende ook om het analyseren van asymmetrische relaties. De belangrijkste vragen zijn: welke machtsverhoudingen liggen aan die systemen ten grondslag en in hoeverre begunstigen ze uitbuitingsstructuren? Welke hiërarchieën zijn immanent, en welke vormen van culturele representatie en politieke controle maken dat die telkens weer in stand kunnen blijven? In mijn boek Xenologie is deze fundamentele kritiek op die Europese perceptie- en duidingspatronen met betrekking tot de niet-Europese mens al te vinden; sinds Saids werk wordt zij ook opgepakt en bediscussieerd in postkoloniale theorieën. Veel antiracistische debatten en bewegingen van nu beroepen zich op dat brede spectrum van kritische confrontatie met historische en hedendaagse machtsverhoudingen.
Als wetenschapper en academisch docent heeft u het denken van diverse generaties studenten gescherpt en gevormd. Wat vond u in uw onderwijs belangrijk?
Ik probeerde zo fundamenteel mogelijk te denken. Het ging me om het vermogen tot kritisch denken en om inzicht. Om een taal die veraf ligt van de hiërarchisering door de etnografie, een etnografie die spreekt van ‘stammen’, ‘natuurmensen’, ‘opperhoofden’ en ‘primitieven’. Zo’n taal bestaat nog niet. De ideologische vervorming door taal en wetenschappelijke categorieën moest ik tegemoet treden met theoretische precisie en taalgevoeligheid. Het ging om het blootleggen van machts- en gezagsverhoudingen, om vragen naar het waarom van privileges en om reflectie op waarderingssystemen. Ik heb heel veel gedoceerd en veel voortreffelijke scripties en afstudeeropdrachten begeleid. Met veel oud-studenten heb ik tot op de dag van vandaag contact.
Welke bijdrage kan de theorie van de xenologie leveren aan het huidige wetenschappelijke discours?
Het xenologische denken draagt bij aan het onderzoek van machtsverhoudingen en uitbuiting. Naast haar belangstelling voor wetenschappelijke inzichten heeft de xenologie ook een normatieve kant: ze wil gerechtigheid. Ze wil elk mens centraal stellen. Ze wil niet alleen beschrijven, maar ook verandering mogelijk maken.
Xenologie heeft ook een normatieve kant. Ze wil niet alleen beschrijven, maar ook verandering mogelijk maken.
Welke betekenis heeft de xenologie voor het actuele politieke debat over bijvoorbeeld genderrechtvaardigheid, uitsluiting en racistisch geweld, waaruit bewegingen zoals Black Lives Matter zijn voortgekomen?
Black Lives Matter heeft het racisme en de creatie van het andere op de politieke agenda gezet. Hoewel er in dit specifieke geval vanuit Europa graag werd gewezen naar de VS, vonden er ook hier straatprotesten plaats, waarbij een relatie werd gelegd met het koloniale verleden. En eindelijk wordt er nu geruzied over de omgang met museumschatten die in de koloniale tijd werden buit-gemaakt. Denk aan het debat over het teruggeven van roofkunst uit de voormalige koloniën. Nieuw aan deze discussies is enerzijds de aanwezigheid van sterke, goedopgeleide jongeren die hun recht opeisen en anderzijds het bestaan van wetenschappelijke categorieën om dit debat te voeren, zodat er dus begrippen zijn waarmee onrecht ook theoretisch kan worden benoemd.
Ook in Duitsland wordt er voor het eerst breed gediscussieerd over koloniale herstelbetalingen.
Om een voorbeeld te geven: de genocide die tussen 1904 en 1908 door Duitse koloniale troepen op de Nama en Herero werd gepleegd, bepaalt tot op de dag van vandaag de bestaansbasis van deze volkeren in Namibië. Destijds werd bijna 80 procent van het Hererovolk uitgeroeid. Door erkenning van deze genocide erkent Duitsland voor het eerst zijn rol in de misdaden uit de koloniale tijd. Maar helaas laat Duitsland het afweten als het weigert de toegezegde gelden uit te betalen aan de nakomelingen – en als deze gelden geen ‘herstelbetalingen’ mogen heten maar ‘ontwikkelingshulp’. De oplossing voor de vele disputen van tegenwoordig moet ook niet alleen van de wetenschappelijke theorievorming komen. Er is op heel veel vlakken nog heel veel te doen, maar ik heb groot vertrouwen in de kritische, mondiaal denkende jongeren.
Minister wil betaald verlof voor pijnlijke menstruatie en na abortus
Jonge vrouwen vanaf zestien jaar zullen in Spanje zonder toestemming van hun ouders een abortus kunnen laten uitvoeren, zo meldt El País. Voor pijnlijke menstruatie en vrijwillige zwangerschapsafbrekingen zullen drie tot vijf verlofdagen gelden, scholen moeten gratis de nodige producten voor menstruatie aanbieden, en vanaf de zesendertigste week in de zwangerschap moet de werkgever betaald verlof aanbieden. Dat zijn enkele punten in het wetsontwerp voor de bescherming van seksuele en reproductieve rechten, dat dinsdag aan de Spaanse ministerraad ter goedkeuring wordt voorgelegd.
De wet moet mogelijk maken dat vrouwen overal terecht kunnen voor een abortus
Als de wet wordt goedgekeurd, dan heeft dat grote gevolgen voor het dagelijkse leven van vrouwen, zo zei Irene Montero, minister voor Gelijke Kansen, eerder dit jaar. De wet moet het onder andere mogelijk maken dat vrouwen, waar ze ook wonen, overal terecht kunnen voor een abortus.
In het wetsontwerp wordt ook het draagmoederschap meegenomen. De Spaanse wetgeving ziet draagmoederschap nu al als een vorm van geweld tegen vrouwen, maar zet een stap verder: reclame moet verboden worden en bureaus die draagmoederschap promoten moeten worden gesanctioneerd. Bovendien krijgt de Spaanse rechter de mogelijkheid om paren te vervolgen die in het buitenland een draagmoeder zoeken, een praktijk die in Spanje illegaal is.
Het Indonesische parlement heeft dinsdag een wetsvoorstel inzake seksueel geweld aangenomen. Het heeft meer dan tien jaar geduurd voordat deze controversiële wet kon worden goedgekeurd, schrijft Al Jazeera en citeert de voorzitter van het parlement, Puan Maharani, die zichtbaar ontroerd was. ‘Deze wet is een geschenk voor alle Indonesische vrouwen,’ zei ze.
Elizabeth Ghozali, die strafrecht doceert aan de katholieke Santo Thomas-universiteit in de stad Medan, vertelde Al Jazeera dat deze wet ‘vooruitstrevender’ is en verder reikt dan alleen bestraffing van fysiek seksueel geweld. De wet omvat nu ook niet-lichamelijk seksueel misbruik en uitbuiting, gedwongen anticonceptie, gedwongen sterilisatie en gedwongen huwelijken.
Cruciaal in de wet is dat seksueel geweld binnen het huwelijk als strafbaar wordt beschouwd. Het huidige wetboek van strafrecht van Indonesië erkent verkrachting binnen het huwelijk niet.
Volgens Usman Hamid, hoofd van Amnesty Indonesia, is de wet ‘een historisch moment’
Een andere fundamentele verandering in de nieuwe wet is het aanleveren van bewijs. Volgens de Indonesische regelgeving moeten in een strafzaak doorgaans twee (of meer) bewijsstukken worden overlegd, maar het nieuwe wetsvoorstel staat toe dat naast de getuigenissen van de slachtoffers één bewijsstuk voldoende is.
Volgens Usman Hamid, hoofd van Amnesty Indonesia, is de wet ‘een historisch moment’ en heeft het tien jaar hard werk gekost van vrouwenrechtenorganisaties en slachtoffers om het bewustzijn in Indonesië voor seksueel onrecht te vergroten, vertelde hij aan Al Jazeera.
Het wetsvoorstel werd al langer gesteund door gematigde islamitische partijen, terwijl de meer extreme partijen in het voorstel een aanval zagen op de islamitische wet dat de gehuwde vrouw haar man in alles moet gehoorzamen.
De linkse ex-president Luiz Inácio Lula da Silva, die volgens de peilingen de grootste kans maakt om de volgende presidentsverkiezingen in Brazilië te winnen, spreekt zich uit voor de legalisering van abortus. Da Silva doet hiermee veel stof opwaaien omdat links doorgaans het onderwerp abortus mijdt tijdens verkiezingscampagnes.
‘Arme vrouwen sterven voor een abortus, terwijl rijke vrouwen naar Parijs gaan’
Abortus is in Brazilië verboden, behalve in gevallen van verkrachting, gevaar voor het leven van de zwangere vrouw en ernstige aangeboren misvormingen van de foetus. Da Silva verklaarde tijdens een debat dat ‘het onderwerp moet worden behandeld als een volksgezondheidskwestie’, meldt de websiteMetrópoles. De kandidaat van de Arbeiderspartij merkte ook op dat strafbaarstelling van abortus het leven van met name arme vrouwen in gevaar brengt, omdat zij geen toegang hebben tot veilige methoden. ‘Arme vrouwen sterven voor een abortus, terwijl rijke vrouwen naar Parijs gaan’, zei hij.
De opmerkingen leidden tot hevige reacties van evangelisten en aanhangers van Jair Bolsonaro, die voor het overgrote deel tegen abortus zijn. ‘De agenda van de ex-president is altijd de politiek van de dood geweest’, postte dominee Damares Alves op Instagram. Zij gaf onlangs haar functie als minister van Vrouwen, Familie en Mensenrechten op om zich kandidaat te stellen voor het parlement. Zij voegde daaraan toe: ‘De volgende verkiezingen zullen een oorlog zijn tussen de wereld van de duisternis en de wereld van het licht.’
Honden kunnen kanker, Parkinson, malaria en andere aandoeningen ruiken die veranderingen in de lichaamsgeur veroorzaken. Ze kunnen zelfs corona ruiken. Het zou enorme gevolgen voor de volksgezondheid hebben om dat vermogen van honden in een draagbare, toegankelijke vorm te hebben zodat ziekten in een vroeg stadium kunnen worden gesignaleerd, aldus Vox. Een smartphone kan al horen, zien en voelen, maar nog niet ruiken.
Het zal niet lang duren voordat het zover is, denkt Andreas Mershin, onderzoeker en uitvinder aan het MIT. ‘Ik denk dat het nog ongeveer vijf jaar zal duren om geurdetectie in een telefoon te krijgen. In miljoenen telefoons.’ De privacy-implicaties zijn niet gering, maar het voordeel lijkt duidelijk: een robotneus in zakformaat kan immers levensreddend zijn. ‘Ieder van ons kan een moedervlek hebben die kwaadaardig wordt,’ zegt Mershin. ‘Als je zes maanden wacht, wordt dat soms een doodvonnis.’ Maar met een telefoon die een geurverandering waarneemt, word je mogelijk eerder gewaarschuwd.
In de Zuidspaanse provincie Almeria, ook wel de moestuin van Europa genoemd, wordt behalve veel groente en fruit elk jaar ook zo’n 30.000 ton plastic afval geproduceerd. In The Greenhouse Series II brengt de Duitse fotograaf Tom Hegen dit door landbouw overspoelde landschap, dat zich uitstrekt over 360 vierkante kilometer ruig, bergachtig terrein, in beeld als een abstracte landkaart. De meestal zelfgebouwde kassen bestaan bijna volledig uit een soort folie dat wordt achtergelaten zodra het niet meer bruikbaar is. De kleine plastic deeltjes komen uiteindelijk in de zee terecht, dus in de vis en uiteindelijk bij de consument.
Recent onderzoek keek naar verschillen tussen mannen en vrouwen die hun eigen intelligentie of IQ moesten schatten. Het blijkt dat eerst het biologische en daarna het psychologische geslacht het sterkst de overschatting van IQ voorspellen, aldus The Conversation. Oftewel: geboren zijn als man of sterke mannelijke eigenschappen hebben (zowel mannen als vrouwen) vergroot de kans op een opgeblazen intellectueel zelfbeeld. Over het algemeen denken mannen dat ze beduidend slimmer zijn, terwijl vrouwen zichzelf veel bescheidener inschatten.
Dit effect wordt wel het probleem van de mannelijke hybris en de vrouwelijke nederigheid genoemd. Voor onderwijspsychologen is dit onderzoek belangrijk omdat het iets zegt over bijvoorbeeld vakkenkeuze op school: als je denkt dat je iets niet kunt, doe je het niet. De onderzoekers denken dat de uitkomsten voor een deel ook de genderloonkloof kunnen verklaren.
Bibliotheek voor verboden boeken
In de bibliotheek van het afgelegen, honderd inwoners tellende Matinicus Isle, 35 kilometer voor de kust van Maine, zijn alle boeken welkom, maar de bibliotheek heeft een speciale voorkeur voor boeken die elders in het land verboden zijn. Zo kwam bewoner Eva Murray onlangs terug van het vasteland met onder meer And Tango Makes Three, het verhaal van twee mannelijke pinguïns die samen een kuiken grootbrengen. Volgens de American Library Association is dat een van de meest verboden boeken in de VS. ‘We kopen verboden boeken om publiekelijk weerstand te bieden tegen de drang om boeken te verbieden,’ zegt vrijwilliger Murray in gesprek met Bangor Daily News. Het past bij Matinicus, waar tolerantie voor leven en laten leven en waardering voor verschillen essentieel is. ‘Wij zijn in de bevoorrechte positie om te zeggen: we verbieden geen boeken.’
Verbod mobiele telefoon zorgt voor achterstand meisjes in India
In conservatieve delen op het platteland van India is het taboe voor meisjes om mobiele telefoons te gebruiken, uit angst dat ze online mogelijk jongens zullen ontmoeten of gecorrumpeerd zullen worden door online-invloeden, aldus NPR. Jongens met een smartphone worden daarentegen gezien als vooruitstrevend en slim. Dit zegt Shabnam Aziz, hoofd gendergelijkheid en inclusiviteit bij Educate Girls, een non-profitorganisatie voor meisjesonderwijs die in meer dan 20.000 dorpen in India werkt. Een UNICEF-rapport van vorig jaar bevestigt dat meisjes van 15 tot 19 jaar in de voorafgaande twaalf maanden minder vaak een mobiele telefoon bezaten dan jongens van hun leeftijd en minder vaak internet gebruikten. Dat was vooral het geval in Zuid-Azië, inclusief India. Daardoor was het voor meisjes tijdens de pandemie bijzonder moeilijk om over te stappen naar online-onderwijs, zeggen experts en activisten.
Het gebrek aan toegang tot mobiele telefoons brengt hoge kosten met zich mee voor meisjes: het kan wezenlijk hun toekomst beïnvloeden, zegt econoom Mitali Nikore. Haar denktank Nikore Associates bestudeert de genderbarrières waarmee meisjes worden geconfronteerd als het gaat om technologie. Zonder telefoon hebben meisjes veel moeilijker toegang tot online-inhoud, nodig om in de toekomst een baan te vinden. ‘Ze kunnen niet op kantoor werken zonder kennis van Word of Excel. Ze kunnen geen ondernemer worden als ze niet weten hoe ze betaalapps moeten gebruiken. En voor digitale marketing moet je sociale media kunnen gebruiken,’ aldus Nikore.
Belarus pakt Wikipedia-redacteur op
Half maart werd Mark Bernstein uit Minsk gearresteerd door Belarussische troepen. Hij zou zijn gearresteerd voor ‘het verspreiden van valse anti-Russische informatie’, meldt Haaretz. Bernstein, die werkt onder de gebruikersnaam Pessimist2006, is een van de meest prominente en productieve redacteuren van het Russische Wikipedia. Zijn artikelen worden door het Kremlin gezien als kritisch ten aanzien van de Russische president Vladimir Poetin.
Toen de eerste Russische troepen de grens met Oekraïne overstaken, startten vrijwilligers in Rusland een Russischtalig Wikipedia-lemma over de ‘Russisch-Oekraïense oorlog’ van 2022. Dat is sindsdien omgedoopt tot ‘Russische invasie van Oekraïne’ en werd al miljoenen keren gelezen. Bernstein had er verschillende artikelen over de invasie voor geredigeerd.
Wikimedia Foundation (WMF), een in de VS gevestigde non-profitorganisatie die toezicht houdt op verschillende ‘wiki’-projecten waaronder Wikipedia’s in verschillende talen, ontving onlangs een brief met het verzoek sommige artikelen over de invasie te verwijderen. Afzender: het Russische bureau dat de facto de autoriteit is op het gebied van internetcensuur. WMF, die zich nooit bemoeit met de inhoud van de open encyclopedie, weigerde dat. In een verklaring aan de San Francisco Examiner gaf Maryana Iskander, CEO van WMF, daar een verklaring voor: ‘In een tijd waarin kennis en informatie steeds meer gepolitiseerd worden, is het belangrijker dan ooit om de betrouwbaarheid van de informatie op Wikipedia te handhaven.’
De arrestatie van Mark Bernstein is de meest recente en expliciete poging van het Kremlin om de online-encyclopedie, die wordt gemaakt door vrijwilligers in de hele wereld, te ondermijnen. Moskou verzet zich al langer tegen Wikipedia. In het kader van een breder optreden tegen onafhankelijke media dreigde Poetin eerder al de toegang tot Wikipedia te blokkeren. Drie jaar geleden suggereerde hij plannen te hebben voor een Grote Russische Encyclopedie online die, anders dan Wikipedia, ‘betrouwbare’ informatie zou bevatten.
Historicus Richard Conyngham gebruikt de visuele slagkracht van een stripverhaal om de aandacht van jonge lezers te trekken voor een veronachtzaamde en belangrijke strijd tegen de pre-apartheidsstaat in Zuid-Afrika.
Je loopt niet zomaar een rechterlijk archief binnen. Wie historisch onderzoek doet, kent de psychologische gevaren van zulke oorden: de kille, door tl-buizen verlichte eenzaamheid, de spoken van oud onrecht, de eindeloze, tergende belofte van documentair goud dat ligt te wachten in de volgende map of op het volgende karretje. De in Mexico-Stad woonachtige Zuid-Afrikaanse historicus Richard Conyngham vond in het archief van de Hoge Raad van Beroep in Bloemfontein een schatkamer van gerechtelijke drama’s. Het resultaat is All Rise: Resistance and Rebellion in South Africa 1910-1948, een baanbrekend historisch stripverhaal over de belangrijke strijd van arbeiders, kooplieden, wasvrouwen en boeren tegen de pre-apartheidsstaat.
‘Ik was heel kieskeurig en wilde kunstenaars vinden die iets van een band met het verhaal hadden, niet per se een rechtstreekse’
Om deze verzetsverhalen nieuw leven in te blazen ging Conyngham op zoek naar de allerbeste kunstenaars om ze te tekenen, onder wie de broers Trantraal, Saaid Rahbeeni, Liz Clarke, Dada Khanyisa, Tumi Mamabolo en Mark Modimola. ‘Het was een geweldige uitdaging om die kunstenaars te strikken en bij te staan. Ik was heel kieskeurig en wilde kunstenaars vinden die iets van een band met het verhaal hadden, niet per se een rechtstreekse.’
Het idee was om de visuele slagkracht van een stripverhaal te gebruiken om de aandacht van jonge lezers te trekken en een veronachtzaamd tijdperk uit de woelige Zuid-Afrikaanse geschiedenis aanschouwelijk te maken. ‘De rechterlijke archieven gaven een beeld van een ongelooflijk kleurrijke en explosieve periode,’ zegt Conyngham. ‘Maar van geschiedenisboeken op school of de universiteit krijg je dat idee niet.’
Zoals [voormalig Zuid-Afrikaans rechter en advocaat] Edwin Cameron opmerkt in zijn voorwoord bij All Rise herinneren sommige verhalen eraan dat ‘de wet, indien juist toegepast, zelfs in tijden van groot onrecht tot rechtvaardige resultaten kan leiden’. Desondanks heeft hij in de annalen maar zelden een glimpje rechterlijke compassie gezien, zegt Conyngham. ‘De rechters hadden eerder respect voor de wet dan empathie met de betrokkenen,’ zegt hij. ‘Vaak komen ze over als racistisch of seksistisch, zelfs als hun oordeel in het nadeel van de staat uitvalt. Er was altijd bewegingsvrijheid en sommige rechters namen de wet zo letterlijk dat ze soms oordeelden op een manier die je niet zou verwachten. Ik denk dat Edwin als advocaat in de apartheidsjaren inderdaad heeft ervaren dat als je het goed aanpakte, je echt je voordeel kon doen met het respect van de rechter voor de wet.’
In de archiefkelder van de Hoge Raad van Beroep in Bloemfontein vond de Zuid-Afrikaanse historicus Richard Conyngham een schatkamer van gerechtelijke drama’s. Het resultaat is All Rise: Resistance and Rebellion in South Africa 1910-1948 (Jacana, 2022).
Rode draad
Historica Hlonipha Mokoena, verbonden aan het Wits Institute for Social and Economic Research in Johannesburg, wijst in haar voorwoord op de migratie die als een rode draad door de verhalen loopt: bijna alle verdachten, of ze nu zwart, wit of Indiaas waren, waren op de een of andere manier migranten die vochten voor de rechten die (sommige) burgers genoten. Die strijd wordt nog steeds gevoerd en deze verhalen, schrijft ze, ‘zijn een bevestiging van de redenen waarom onze grondwet niet slechts een aardig juridisch detail is, maar een moreel gebod’.
Maar sommige historici die Conyngham raadpleegde hadden niet veel op met het medium strip, zegt hij. ‘In academische kringen rust er toch een soort stigma op het genre, ook omdat sommigen zich erdoor bedreigd voelen. Gaandeweg wist ik door te dringen tot veel autoriteiten op de verschillende gebieden waarnaar ik onderzoek deed. Sommige waren heel toegankelijk en andere helemaal niet, alsof ze het genre niet serieus namen, of wilden nemen.’
‘We vertrokken met de archiefstukken van twaalf tot vijftien zaken, soms wel duizend pagina’s lang’
All Rise begon met een project van hiv- en aidsactivist Zackie Achmat, door wie Conyngham in 2015 werd ingehuurd als onderzoeker. ‘Het was Zackies idee om naar het archief van de Hoge Raad van Beroep te gaan,’ zegt Conyngham, ‘omdat hij als rechten-activist een paar duistere vonnissen uit het begin van de twintigste eeuw had ontdekt, zoals “Rex vs. Detody” (1926). Dus gingen we naar Bloemfontein en maakten we een heleboel fotokopieën. We vertrokken met de archiefstukken van twaalf tot vijftien zaken, soms wel duizend pagina’s lang.’
Gaandeweg kwam Conyngham op het idee om een bloemlezing in stripvorm te maken in plaats van het conventionele geschiedenisboek dat ze aanvankelijk op het oog hadden. Met instemming van Achmat benaderde hij om te beginnen zijn vriend André Trantraal, een grote ster aan het Zuid-Afrikaanse stripfirmament, met wie hij al aan een ander grafisch project had samengewerkt.
Conyngham schreef de scripts zelf, onder strenge redactie van de kunstenaars als het aankwam op het schrappen van irrelevante details. Grafische non-fictie kan de historische complexiteit soms effectiever overbrengen dan een documentaire, vanwege de radicale vrijheid van een getrokken lijn. De boeken van bijvoorbeeld Joe Sacco, Marjane Satrapi, Art Spiegelman en Alison Bechdel doen dingen met waargebeurde verhalen die geen prozaboek voor elkaar krijgt.
Om leesbaar te zijn vereist de vorm een economische manier van vertellen
Maar om leesbaar te zijn vereist de vorm een economische manier van vertellen. Conyngham kreeg dat voor elkaar door veel van de historische achtergrond te verplaatsen naar subliem vormgegeven appendices aan het eind van ieder verhaal, compleet met hedendaagse foto’s van de locaties, de hoofdrolspelers en hun handgeschreven brieven. Het Zuid-Afrikaanse Nationaal Archief voorzag zelfs in haarlokken van Taffy Long, een deelnemer aan de Randopstand van 1922 die werd veroordeeld wegens het executeren van een spion. De lokken waren als bewijs gebruikt door de openbaar aanklager, die betoogde dat Long opzettelijk zijn haarkleur had veranderd met gebruikmaking van kaliumpermanganaat. Het proces tegen Long, die werd geëxecuteerd in de Centrale Gevangenis van Pretoria, is door Liz Clarke op een duistere, filmische manier tot leven gewekt in het hoofdstuk ‘Come Gallows Grim’.
Jack Whittaker
In het hoofdstuk ‘In the Shadow of a High Stone Wall’ behandelen de broers Nathan en André Trantraal het verhaal van Jack Whittaker, werkzaam bij de trammaatschappij van Johannesburg, die het werk neerlegde tijdens een staking in 1911. Daarin komen we ook Mary Fitzgerald tegen, de met een pikhouweel zwaaiende deelneemster aan de eerste uitingen van klassenstrijd in Johannesburg. Whittaker werd valselijk beschuldigd van het bezit van explosieven. Zijn uiteindelijke vrijspraak was een overwinning, zij het niet zo’n glorieuze als zijn latere succesvolle aanklacht tegen de staat wegens de inhumane opsluiting in afwachting van zijn proces.
Het hoofdstuk ‘The Widow of Marabastad’, schitterend geïllustreerd door Dada Khanyisa, vertelt het verhaal van de lange strijd tegen de invoering van nachtpassen voor zwarte vrouwen in de Transvaal. Het verzet werd in 1926 geleid door wasvrouw Helena Detody. Met behulp van het Transvaal Native Congress vocht ze tot aan de Hoge Raad in Bloemfontein voor het recht op bewegingsvrijheid in de hele stad. Dankzij Detody’s overwinning konden zwarte vrouwen in de Transvaal zich twintig jaar lang vrijelijk bewegen.
Tumi Mamabolo tekende ‘A House Divided’, over de krachtmeting tussen Bafokeng-opperhoofd August Mokgatle en zijn lekgotla, oftewel stamraad. Mokgatles raadsleden hadden zijn zwakke en grillige leiderschap verworpen, deels geïnspireerd door de democratische ideeën van de zwarte Jamaicaanse dominee Kenneth Spooner, die zich had gevestigd in Phokeng. Ondanks de vurige getuigenis van Sol Plaatje ter verdediging van de raadsleden werd de stamraad veroordeeld en verbannen, waarmee de weg werd gebaand voor Bantoestaanse marionettenregeringen en de beëindiging van prekoloniale vormen van stammendemocratie.
Fictieve reconstructie
In ‘Until the Ship Sails’ illustreert Saaid Rahbeeni het verhaal van Mahomed Chotabhai, een vijftienjarige Indiase jongen die niet mocht gaan werken bij zijn vader, een koopman in Johannesburg, vanwege de campagne van de regering van Jan Smuts tegen ‘vrije’ Indiase arbeiders. Het destijds ingevoerde registratiecertificaat voor Indiase arbeiders – een poging om nieuwe migranten te criminaliseren – lokte een massale verbranding van certificaten uit, en Mohandas ‘Mahatma’ Gandhi bemoeide zich persoonlijk met de zaak-Chotabhai.
Richard Conyngham en Mark Modimola reconstrueren in ‘Here I Cross to the Other Side’ op vaardige wijze de wereld van de stakende mijnwerkers op de Reef in 1946, een staking die vakkundig de kop werd ingedrukt, evenals de vakbond van Afrikaanse mijnwerkers die haar had georganiseerd. Dit is niet zozeer een feitelijk verhaal als wel een knappe fictieve reconstructie van de eerste reis van een jonge Basotho-rekruut naar de Reef en de frontlinies van het verzet aldaar. Hoewel de staking van 1946 niet tot betere lonen en leefomstandigheden leidde, zorgde ze decennia later wel voor de wedergeboorte van vakbewegingen.
All Rise is een aangrijpend eerbewijs aan de macht van de ogenschijnlijk machtelozen en zet op een kalme manier kanttekeningen bij de apathie en wanhoop die momenteel in Zuid-Afrika heersen. Zoals Richard Conyngham zegt: ‘Gewone mensen kunnen de wet op een moedige manier gebruiken zodat er werkelijk een blijvende, systemische verandering in gang wordt gezet. Hoewel we geneigd zijn te wachten tot een illustere figuur dat voor ons doet, laten de verhalen in dit boek zien dat we het ook zelf kunnen.’
Twee jaar cel kreeg de Koeweitse transgender Maha Al-Mutairi voor het dragen van vrouwenkleren, een straf die ze misschien in een mannengevangenis moet uitzitten. ‘Geen enkele wet vermeldt transgenders, maar ze gebruiken wetten inzake “openbaar fatsoen” om de lhbt-gemeenschap te belagen.’
Al-Mutairi is bepaald niet de enige transgender in de Arabische wereld die het juridisch en maatschappelijk zwaar heeft. Ritaj, een zevenentwintigjarige Jemenitische trans vrouw, vreesde dat haar hetzelfde lot zou treffen als Al-Mutairi, totdat de Franse overheid te hulp schoot en haar in september vorig jaar asiel verleende. ‘De angst om te worden veroordeeld voor travestie heeft me mijn leven lang achtervolgd. Het is een ware obsessie geweest. Geen wonder, ik riskeerde een levenslange gevangenisstraf of honderd zweepslagen. Ik speelde voortdurend met de gedachte zelfmoord te plegen. En dat alleen maar omdat ik geboren ben in een conservatieve familie en samenleving.’
De mensenrechtenactivist Wajih Layoun, die zichzelf ‘de eerste openlijk homoseksuele Saoedi’ noemt, zegt dat ‘de wetten in de Golfstaten transseksualiteit volledig verbieden, evenals elke indirecte steun aan de lhbt-gemeenschap’. Volgens Layoun, die is gevlucht naar de Verenigde Staten, ‘erkent de Saoedische wet geen transgenders. Ze worden vervolgd omdat ze zich als man of vrouw verkleden, of omdat men vindt dat ze de openbare zeden aantasten.’
De Saoedische rechter heeft meer dan eens mensen veroordeeld omdat ze ‘op het andere geslacht lijken’
De Saoedische wet zegt niets over de kwestie, maar de Saoedische rechter heeft meer dan eens mensen veroordeeld omdat ze ‘op het andere geslacht lijken’. Volgens de organisatie Human Rights Watch varieerden de vonnissen van gevangenisstraf tot geseling. Over ‘corrigerende’ chirurgische ingrepen merkt Layoun op dat die in Saoedi-Arabië uitsluitend zijn toegestaan als een kind met zowel mannelijke als vrouwelijke genitaliën wordt geboren. Drie artsen en psychologen buigen zich dan over de zaak en nemen een beslissing.
Bahrein is de eerste Golfstaat waar voor transgenders een wettelijke verandering van de burgerlijke staat mogelijk is. Dat gebeurde in 2005 en 2008. In beide gevallen werd de zaak bepleit door de Bahreinse advocaat en activist Fawziya Mohamed Janahi. Zij zegt dat er nog steeds geen wet is in Bahrein die geslachtsverandering of corrigerende operaties toelaat. Wel wint onder rechters de opvatting terrein dat een ingreep toch noodzakelijk kan zijn bij het optreden van ‘seksuele stoornissen’. Als dit wordt bevestigd door een medisch rapport, kan de rechter instemmen met geslachtsverandering; er is namelijk wel een wet die voorziet in geslachtsverandering bij psychische of seksuele stoornissen. Op dit moment lopen er acht zaken.
Janahi heeft ook zaken op zich genomen in buurland Saoedi-Arabië: ‘Ik volg er ongeveer veertig. Er is de hoop dat de wet transgenders accepteert wanneer een gebrek aan erkenning aantoonbaar tot aandoeningen heeft geleid.’
Deur dicht
De Verenigde Arabische Emiraten hebben de deur juist dichtgeslagen voor transgenders. Het lijkt onmogelijk om hen in dit land wettelijk erkend te krijgen. Slechts in zeldzame gevallen zijn corrigerende operaties er wettelijk toegestaan. Sinds 2016 mogen artsen intersekse personen opereren, maar een ingreep die leidt tot geslachtsverandering blijft illegaal. In december 2018 verwierp het Hooggerechtshof het verzoek van drie inwoners om hun burgerlijke staat te wijzigen na een operatie in de Verenigde Staten.
In Koeweit zijn volgens de activistische advocaat Buthayna Abdelwahid Maarafi ‘verzoeken voor geslachtsverandering en verandering van burgerlijke staat gedoemd te mislukken bij de rechtbank’. Er moet, vindt zij, dringend een wet komen ‘die zorgt draagt voor deze situatie en voor het recht om verenigingen op te richten die deze bevolkingsgroepen ondersteunen en criminalisering tegengaan’.
Koeweit volgt de sharia, net als de andere Golfstaten, en die verbiedt geslachtsverandering en travestie
Ze zegt daarnaast dat Koeweit de sharia volgt, net als de andere Golfstaten, en die verbiedt geslachtsverandering en travestie. Wet nr. 198 van het Koeweitse Wetboek van Strafrecht bepaalt dat ’iedereen die de goede zeden schendt (…) of die zich kleedt naar het andere geslacht, op welke wijze dan ook, een celstraf van ten hoogste een jaar krijgt en/of een boete van maximaal 1000 dinar’. In de Emiraten bepaalt wet nr. 359 van het Wetboek van Strafrecht dat ‘iedere man die zich vermomt als vrouw of plaatsen betreedt die aan vrouwen zijn voorbehouden, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van ten hoogste één jaar en/of een boete van maximaal 10.000 dirham’.
Het moeilijkst voor transgenders is het om een baan te vinden waar ze worden geaccepteerd, en niet gedwongen zijn zich te kleden in een zwarte abaja (een losse cape die het lichaam van hoofd tot voeten bedekt). Fouad, voorzitter van een vereniging die de lhbt-gemeenschap ondersteunt, benadrukt dat het in Tunesië onmogelijk is ‘om je rechten te eisen, want zodra een transgender een rechtszaal of een politiebureau betreedt, is hij of zij een verdachte. Zelfs ziekenhuizen weigeren in de meeste gevallen zorg te verlenen zodra ze merken dat ze met een transgender te maken hebben.’
Jad, een Tunesische transgender, voegt eraan toe dat ‘de Tunesische samenleving neerkijkt op transgenders’ en dat geen enkele Tunesische wet hun bestaan erkent of hen beschermt. Integendeel, wet nr. 226 legt iedereen die is veroordeeld voor ‘het ondermijnen van de goede zeden’ zes maanden gevangenisstraf op.
‘Openbaar fatsoen’
Hetzelfde geldt in Irak, aldus Amir Ashour, voorzitter van de vereniging IraQueer: ‘Geen enkele wet vermeldt transgenders, maar ze gebruiken wetten inzake “openbaar fatsoen” om de lhbt-gemeenschap te belagen.’ Volgens hem stellen mensen die uitkomen voor hun geaardheid zich bloot aan fysiek, verbaal en seksueel geweld. ‘En dan heb ik het nog niet eens gehad over hun problemen om werk te vinden zonder te worden uitgebuit. Vaak gaat het om onveilig werk, zoals danser(es) in nachtclubs of prostituee.’
Hoewel er in Libanon veel verenigingen zijn die op de bres staan voor de lhbt-gemeenschap, hebben transgenders er dezelfde juridische en sociale problemen als elders in het Midden-Oosten, vertelt Lea Zraika, die samenwerkt met de Arab Foundation for Freedoms and Equality. Ook in Libanon worden transgenders op grond van ambigue wetteksten gevangengezet. Bijvoorbeeld wegens ‘tegennatuurlijke vereniging’, travestie, prostitutie of ‘aansporing tot losbandigheid’.
In Duitsland wordt elk jaar ongeveer 400 miljard euro nagelaten. Erfgenamen ontvangen vaak een bedrag dat hoger is dan wat zij zelf gedurende hun leven verdienen. Hoe zou vermogen eerlijker verdeeld kunnen worden?
I hob da wos übawiesn (‘Ik heb wat naar je overgemaakt’), bromde mijn vader door de telefoon en dat was niet echt een verrassing. Mijn vader is geen man die van bankbiljetten vlinders vouwt en tussen een bosje bloemen steekt. Zijn verjaardagscadeaus rollen via BIC en IBAN naar mij toe, meestal enkele honderden euro’s waarvoor ik dan nieuwe schoenen koop of op vakantie ga. Maar dit keer was het 5000 euro. Vet. Veel. Geld. Zo veel geld dat de salarisoverschrijving van de Süddeutsche Zeitung die direct daaronder op mijn rekeningafschrift stond haast een lachertje leek en ik me afvroeg of ik in plaats van te werken voortaan niet gewoon elke drie maanden mijn verjaardag moest vieren.
Dat was tien jaar geleden en voor het eerst drong het tot mij door dat mijn vader misschien wel geld te veel had. Een andere aanwijzing was het mij toegebromde Wenns eich wos Eigenes kaffa woits, dann gib i eich scho wos dazu (‘Wanneer jullie iets voor jezelf willen kopen, dan geef ik jullie er wel wat bij’). Niet veel later kochten we een woning in München en mijn vader maakte de daarvoor noodzakelijke eigen inleg naar mij over. Een bedrag dat hoger was dan al mijn salarissen en honoraria tot op dat moment tezamen.
Niet iedereen krijgt dus iets. De helft van de Duitsers heeft niets en erft niets
Wat doet dat met mij? En wat doet het met onze samenleving dat het zo gaat – en dat niet alleen bij mij? Naar schatting wordt elk jaar in Duitsland wel 400 miljard euro nagelaten. In Frankrijk ontvangt 12 tot 15 procent van de erfgenamen een bedrag dat hoger is dan wat zij zelf gedurende hun leven verdienen. Momenteel berekent econoom Timm Bönke die cijfers voor Duitsland, hij verwacht soortgelijke uitkomsten. Niet iedereen krijgt dus iets. De helft van de Duitsers heeft niets en erft niets.
‘De mensen bij mij in de straat haten alles wat grof, dom en luidruchtig is, ze willen in het journaal niet worden lastiggevallen met wat onbehouwen types – vooruit, laten we ze medeburgers noemen – van dit land vinden. Dat komt doordat zij een beetje meer in Duitsland opgegroeid zijn dan de anderen, de ziekenhuizen en scholen waren altijd al meer van hen, hun hele leven is één Leeuwenkoning, dit alles zal eens van jou zijn. Alles, Simba.’
Zo schrijft Sophie Passmann over haar en mijn milieu in haar vorig jaar verschenen boek Komplett Gänsehaut. Dat milieu is welgesteld, stedelijk en beschaafd. Het koopt fair en organic, woont in de schil rond de binnenstad in een vooroorlogs huis, eet pizza met fior di latte. Ze zijn politiek links-groen-liberaal, maar als het erop aankomt handelen ze conservatief, kopen ze aandelen, beleggen ze in onroerend goed en nemen ze een belastingadviseur in de arm om er voor zichzelf nog wat meer uit te halen. Ze zien zichzelf als het politieke en economische midden, geen van beide is waar, en dat is het probleem.
Foutief zelfbeeld
In enquêtes is slechts 1,2 procent van de mensen van mening dat ze tot de bovenste 10 procent behoren, zelfs [kanselier] Olaf Scholz (maandsalaris: 15.500 euro) en [Bondsdaglid] Friedrich Merz (jaarsalaris met vijf nullen en een miljoenenvermogen) rekenen zich tot de middenklasse. Daarom deze definitie om het eigen buikgevoel te onderzoeken: tot de 10 procent best betaalden behoren diegenen die als single ongeveer 3500 euro netto per maand verdienen, bij een stel is dat 5300 euro. Tot de meest vermogende 10 procent behoort iedereen die meer dan 477.200 euro bezit (beleggingen in onroerend goed en aandelen tellen natuurlijk ook mee).
Het foutieve zelfbeeld van de bovenklasse is een probleem, omdat zij het is die in bedrijven de besluiten neemt, de wetten schrijft en uitlegt hoe de wereld in elkaar steekt. Wie beweert dat hij middenklasse reist en vervolgens alle medereizigers het uitzicht vanaf het bovendek beschrijft, geeft alle anderen het gevoel simpelweg te stom te zijn om uit het raam te kijken. Voor dit artikel spreek ik met veel mensen over geld, bijvoorbeeld met een echtpaar, beiden bedrijfsadviseur, dat samen een kwart miljoen per jaar verdient, met een grafisch kunstenaar die in het huis van haar oma woont en met een gepensioneerde man die zijn huisje in een dure buurt van München heeft afbetaald. Allemaal protesteren ze verontwaardigd als ik hen rijk noem.
Rijk? Wij toch niet! De rijken, dat zijn in veel hoofden mensen als Kim Kardashian, die oorbellen van 75.000 dollar in zee verliest, of de mensen die ruim 9 miljoen euro neertelden voor de duurste woning van München, met uitzicht op het Maximilianeum. Het goedverdienersechtpaar ziet zichzelf niet als rijk, omdat zij geen vermogen hebben en drie kinderen moeten onderhouden. De grafisch kunstenaar vindt zichzelf als zzp’er ook niet rijk, de maandelijkse honoraria zijn karig en onzeker. En grootvader in zijn afbetaalde eengezinswoning? Die heeft toch zeker hard voor zijn geld gewerkt.
Welvaart hangt veel minder af van eigen prestaties dan van wat hun vaders en groot-vaders bij elkaar hebben gebracht
Het probleem van de generatie van Sophie Passmann (1994) is dat hun welvaart veel minder afhangt van eigen prestaties dan van wat hun vaders en grootvaders (meestal waren het mannen) bij elkaar hebben gebracht. Nog maar de helft van wat de Duitsers tegenwoordig aan eigen vermogen bezitten, hebben zij met werken vergaard; de rest werd geërfd of kregen ze cadeau. Voor mijzelf geldt dat momenteel ook min of meer. Zonder schenkingen van mijn vader had ik een heel andere levensstandaard gehad; ik zou in een huurhuis wonen en in plaats van naar de biomarkt zou ik naar de discounter gaan. Mijn ongemak hierover snapt hij niet echt. Vroeger heeft hij voor zijn koophuis ook wat startkapitaal van zijn schoonouders gekregen. Bovendien heeft hij hard voor zijn geld gewerkt, hij heeft het zelf nu eenmaal niet nodig en geeft het aan mij. En ik werk toch zeker ook hard – waarom dan die schaamtegevoelens?
Maar veel mensen van mijn generatie die even hard werken, krijgen niets en dat scheidt ons. De een betrekt op zijn gemak een eigen huis, de ander zwoegt om de huur te betalen. Ondertussen vertellen de boomers nog altijd het sprookje van vooruitkomen door hard werken – het verhaal van de middenklasse – en preken zij de mythe van gelijke kansen. Maar het Duitsland waarin mensen op eigen kracht welvaart konden vergaren, dat Duitsland bestaat niet meer, zoals Julia Friedrichs in haar recente boek Working Class laat zien.
De waarde van grond blijft altijd veranderlijk
Het begrip ‘grootgrondbezitter’ is sinds mensenheugenis zo’n beetje synoniem aan rijk en machtig.
In de Middeleeuwen bijvoorbeeld kon adel in bezit van grond de rest van de bevolking uitknijpen, omdat grondbezit letterlijk van levensbelang was: er groeide voedsel op. En als je nergens anders je voedsel vandaan kunt halen, ben je bereid om jezelf als slaaf te onderwerpen in ruil voor een appel en een ei. Gelukkig is die feodale wereld grotendeels verdwenen en tegelijkertijd zijn de betekenis en de waarde van grootgrondbezit veranderd.
Natuurlijk is het nog steeds prettig om als miljardair een groot stuk grond te kunnen aanschaffen, of liever nog: een compleet eiland, om pottenkijkers buiten de deur te houden. Maar het bezit van veel grond is niet langer per definitie een teken van rijkdom. Het is zelfs de vraag of het een zegen is. Vraag maar eens aan boeren in bijvoorbeeld het verpauperde deel van Noord-Frankrijk. Al die hectares leveren hun niet of nauwelijks iets op, maar ze staan dagelijks wel met gebogen rug te ploeteren om de boel een beetje bij te houden. Ondertussen denkt iemand die daarentegen ‘slechts’ 50 of 100 vierkante meter bezit in het centrum van een populaire stad vrolijk fluitend aan zijn oude dag in een zonnig oord.
Grond is een raar iets, want er zal nooit meer van komen, maar de waarde blijft altijd veranderlijk. Dezelfde stukken peperdure grond in binnensteden, waar momenteel prinsen met hippe brillen op afkomen als vliegen op stroop, waren plekken waar je 150 jaar geleden ver weg van bleef vanwege cholera en andere narigheid; de spekkopers zaten toen in Noord-Frankrijk.
Schaamte
Dus voelt iedereen schaamte. De een omdat hij geen geld heeft en meent zelf schuldig te zijn aan zijn misère. De ander omdat hij geld heeft en het vage gevoel dat het ergens niet klopt. Maar omdat men niet graag toegeeft te profiteren van de situatie, wordt de eigen welvaart gebagatelliseerd. In smalltalk is de eigen woning dan zo’n 100.000 euro minder waard, waarmee de ander het gevoel krijgt de vastgoedmarkt niet goed te begrijpen. Die designbank? Was heel goedkoop, liep ik toevallig tegenaan. Die vakantiewoning in Kitzbühel? Hebben mijn ouders al eeuwen, vroeger was het immers nog prima betaalbaar daar. Die pseudobescheidenheid is vaak aardig bedoeld. Maar de facto doet zulk soort zinnen de minder bevoorrechten wanhopen. Over hun eigen arbeidskracht, hun eigen handigheid, hun eigen waarde. Waarom slagen zij wel en ik niet? Misschien zou je beter kunnen zeggen: ik heb een kwart miljoen geërfd en kan het me permitteren, jij nou eenmaal niet, sorry.
Juist in de bovenklasse ontbreekt het bewustzijn van de eigen welvaart
Absoluut, zegt Julia Friedrichs. Eerlijkheid inzake geld is belangrijk, ook tegenover jezelf. Maar juist in de bovenklasse ontbreekt het bewustzijn van de eigen welvaart. ‘Daar groeien kinderen vaak op met de verkeerde gedachte “zoals het bij ons is, is het overal”,’ zegt Friedrichs. Daardoor voelen zij zich dan als volwassene al net zomin verantwoordelijk voor sociale ongelijkheid.
Natuurlijk kun je hun dat ook niet kwalijk nemen. Die verdedigingsreflex – ‘ik heb toch niemand iets afgepakt?’ – steekt onmiddellijk de kop op wanneer je met welgestelden over geld en rechtvaardigheid spreekt. Dat vermogen zich vandaag de dag vrijwel niet meer laat vergaren met werk, ligt aan een belastingwetgeving die arbeid en consumptie steeds meer en bedrijf, kapitaal en vermogen steeds minder belast. Aan een arbeidsmarktbeleid dat een levenslange vaste aanstelling meer en meer laat vervangen door tijdelijke contracten, uitzendwerk, onderaannemers en zzp’ers. Aan bedrijfsmanagers zoals Thomas Middelhoff, die zichzelf schaamteloos hoge bonussen laten uitbetalen voor het fileren, verpatsen en liquideren van ondernemingen. Enzovoorts. Bij twijfel ligt het altijd aan ‘het systeem’, maar daar maken wij allemaal deel van uit. Daarom is het mij te goedkoop om alleen maar naar de regering of naar directie-etages te wijzen en te zeggen: maak dat weer in orde, ik was het niet. Wie geld heeft, heeft verantwoordelijkheid. Maar wat doe ik daarmee?
Het werkt als een soort aflaathandel met de hele maatschappij: overal keurig te veel betalen om zich vervolgens volkomen superieur te voelen
Om in elk geval niets naars met dat fijne geld aan te richten dumpt de bovenklasse haar geld bij voorkeur op de biomarkt, koopt uitsluitend fair geproduceerde kleding, steunt lokale producenten, geeft de pakketbezorger, de werkster en de taxichauffeur een overdreven fooi en kiepert het resterende muntgeld in het kartonnen bekertje van de bedelaar voor de discounter. Het werkt als een soort aflaathandel met de hele maatschappij: overal keurig te veel betalen om zich vervolgens volkomen superieur te voelen. Bij verjaardagsfeestjes laat je weten geen cadeaus te willen (‘we hebben alles al, we hebben niets nodig’) en vraag je in plaats daarvan om donaties voor bootvluchtelingen of voor de kampen op Lesbos.
Dit mechanisme wordt behoorlijk meedogenloos beschreven door Anke Stelling in haar romans Schäfchen im Trockenen en Bodentiefe Fenster. Ze verhaalt van vrouwen die hun werkster de afgedankte Gucci-jurk cadeau doen omdat het zo slecht bij hun feministische multiculti-zelfbeeld past dat ze hun huis laten opruimen door migrantenvrouwen. Maar het is wel een afgedankte jurk. De geefster zelf ontbreekt het aan niets. Met al deze moreel correcte consumptie en het royaal doorgeven van gebruikte zaken ga je immers nooit over je eigen pijngrens heen. Ook ik niet.
Dat het de consument van bioproducten en faire kleding om een betere wereld te doen is, gelooft Friedrichs niet echt. Ze ziet in de labels een herkenningsteken waarmee de bovenklasse zich kenbaar maakt en onderscheidt. En als we het toch over fair hebben: ze kent niemand die haar werkster werkelijk behoorlijk betaalt, maar wel veel mensen die zich dat goed zouden kunnen permitteren.
Op de vraag welk uurloon ze juist zou vinden, antwoordt ze: 20 à 25 euro. En dat, ja dat zijn de hefbomen waarmee welgestelden echt iets ten goede zouden kunnen veranderen, meer dan met moreel shoppen en een egocentrische schaamteshow op Instagram. Wereldverbeteraars uit de bovenklasse zouden hun vastgoed betaalbaar moeten verhuren, zich in hun bedrijf hard moeten maken voor een rechtvaardige beloning (ook wanneer zijzelf het geld helemaal niet zo hard meer nodig hebben) en hun medewerkers en dienstverleners behoorlijk betalen. Maar je inzetten voor politieke verandering, dat zou het allerbelangrijkst zijn. Allereerst voor een hogere succesiebelasting en een vermogensheffing. En dan zegt Friedrichs nog: ‘Het ministerie van Financiën heeft een giftenrekening.’
Rijk? Ik toch niet
Ja, dus? Het geld dat ik geschonken kreeg lag ruim onder de vrijstellingsgrens voor de successiebelasting. Ik vind dat natuurlijk niet goed, ik vind de successiebelasting te laag, de vrijstellingsgrens te hoog, maar dat vind ik ook van het reiskostenforfait of de gunstige fiscale behandeling van partners. Dat mag ik dan allemaal niet goed vinden, ze komen wel allemaal terug in mijn belastingaangifte en ik betaal aan de fiscus geen euro te veel. Is dat niet wat goedkoop? Een hogere successiebelasting in theorie juist vinden maar in de praktijk niets vrijwillig afstaan zolang de politiek mij daar niet toe dwingt? In gedachte rechtvaardig ik me voor mijzelf: ik ga toch niet vrijwillig successiebelasting betalen aan een staat die daarmee vervolgens zijn schulden betaalt? Dan geef ik het geld toch liever zelf uit. Of: laten de superrijken eerst maar eens beginnen met vrijwillig belasting betalen, de BMW-erfgenamen Susanne Klatten en Stefan Quandt bijvoorbeeld, die alleen al afgelopen jaar 800 miljoen euro aan dividend opstreken.
Daar gaan we weer: rijk? Ik toch niet! En zo ja, dan jij ook, dan wij allemaal. Met zulke cirkelredeneringen om jezelf te rechtvaardigen kan iedereen eeuwig niets blijven doen. De bescheiden financiële injecties die sommigen van de naoorlogse generatie aan hun kinderen konden doorgeven, is in veel voormalige middenstandsgezinnen uitgegroeid tot een flink vermogen. Ze waren als het gist dat het deeg van economische bloei en individuele vlijt deed rijzen. Vandaag worden daarentegen gelijk de koeken nagelaten.
De Bewegunsstiftung deelt geen brood uit, maar helpt het gist rijzen
In plaats van die gewoon op te eten zouden erfgenamen via de Bewegungsstiftung ook iets heel nieuws kunnen bakken. In 2002 stichtten Christoph Bautz en Jörg Rohwedder met kennissen deze stichting op met een startkapitaal van 250.000 euro. Inmiddels hebben via de stichting bijna tweehonderd mensen ettelijke miljoenen euro in diverse projecten geïnvesteerd. Bijvoorbeeld in de Seebrücke (project voor het redden van bootvluchtelingen), in meer sociale woningbouw en in meer verplegend personeel in ziekenhuizen. Het verschil met andere liefdadigheidsprojecten: de Bewegungsstiftung ondersteunt uitsluitend projecten die maatschappelijke verandering bevorderen. Zij deelt geen brood uit, maar helpt het gist rijzen.
Een ander idee is om op z’n minst een deel van de enorme nalatenschap (weet u het nog: 400 miljard euro per jaar) rechtvaardiger te verdelen. Dat vergt een hogere successiebelasting, een hogere vermogensheffing, logisch. Maar dan moeten die gelden niet simpelweg naar de rijksbegroting vloeien, maar direct weer worden uitgekeerd: als startkapitaal voor iedereen die meerderjarig wordt. ‘Sociale nalatenschap’, noemt Julia Friedrichs dit voorstel van liberale wetenschappers in haar boek; het zou een soort gist zijn voor iedereen. Mij spreekt dit idee het meeste aan en als het ministerie van Financiën daartoe een rekening zou openen, zou ik wel wat overmaken.
Van wie is grond en waarom? Die vraag wordt gesteld in een special van het Zwitserse Neue Zürcher Zeitung en is sinds een week weer extra relevant. Want grondbezit vergroot niet alleen ongelijkheid, het vormt ook een aanleiding voor de meeste oorlogen. In feite is het absurd om een vlag te planten en te zeggen: ‘Dit is van mij’, of om een streep door een land te trekken en te bepalen wie wat krijgt. Hadden we dat ingezien toen de eerste persoon in de geschiedenis beweerde dat grond van hem was, schreef Jean-Jacques Rousseau, dan had dat ons veel nood en ellende bespaard. Ook Adam Smith, die wel de vader van het kapitalisme wordt genoemd, wilde de handel in land niet aan de vrije markt overlaten. Maar het gebeurde, en de gevolgen kennen we allemaal.
Net als die van erfenissen. Als de Duitse journalist Barbara Vorsamer een groot bedrag als verjaardagscadeau van haar vader krijgt, realiseert ze zich dat hij ‘geld te veel’ heeft en gaat ze op onderzoek uit. Wat betekent dit voor mij? Wat betekent het voor de samenleving? Tijdens haar queeste ontdekt ze onder andere dat vrijwel niemand zichzelf rijk vindt. Iedereen noemt wel de een of andere reden waarom hij dat niet zou zijn: je werkt er toch hard voor? Of: dat huis is lang geleden gekocht, toen het nog niet zo duur was. Blijkbaar gaat met rijkdom grote schaamte gepaard, maar er zijn niet veel mensen die daarnaar handelen.
Aan intelligentie en ambitie blijkbaar geen gebrek; waar het aan ontbrak, was het juiste milieu
Een van de gevolgen van ongelijkheid komt naar voren in het vrolijke artikel uit de nieuwe Italiaanse krant Domani, over maffiosi die hun celtijd benutten om te studeren en cum laude de gevangenis verlaten, terwijl ze daarvoor soms niet eens konden schrijven. Aan intelligentie en ambitie blijkbaar geen gebrek; waar het aan ontbrak, was het juiste milieu.
Tekenend voor dat verguisde kapitalisme is ook dat een op de vijf Noord-Koreanen overweegt de grens over te gaan, terug ‘hun land’ in. Los van de voorstelbare heimwee naar het vertrouwde, zijn ze gedesillusioneerd door de arrogantie en het individualisme die ze tegenkomen in Zuid-Korea. ‘Zij hebben hun leven gewaagd om hierheen te komen en riskeren het vervolgens om weer weg te gaan. Dat zou een teken aan de wand moeten zijn’, schrijft Victoria Kim – en een zoveelste teken van hoe schadelijk de verdeling van land kan zijn.
Nu de coronarestricties in veel Europese landen zijn opgeheven, worden we alweer geconfronteerd met de volgende crisis. Hebben we van de gebeurtenissen de afgelopen twee jaar dan in ieder geval iets geleerd? Zijn we misschien zelfs betere mensen geworden? Over die vragen laat de Mexicaanse arts en auteur Arnoldo Kraus zijn licht schijnen.
Consent, oftewel nadrukkelijke instemming, wordt afgeschilderd als de oplossing voor maatschappelijke problemen als seksueel geweld en #MeToo. Maar wat als het gebod ‘weet wat je wilt’ gewoon een andere vorm van dwang is?
Ergens begin jaren tien van deze eeuw maakte de pornoacteur James Deen een film met een fan die hij Meisje X noemde. Dat deed hij wel vaker; fans schreven hem dat ze seks met hem wilden of hij deed een oproep: ‘Speel een scène met James Deen’. De resultaten kwamen op zijn website.
In een interview van mei 2017, maar een paar maanden voordat de media zouden worden overspoeld met discussies over aanranding en seksuele intimidatie door Harvey Weinstein en anderen – en maar twee jaar nadat Deen zelf was beschuldigd (maar niet aangeklaagd) wegens diverse aanrandingen (die hij ontkende) – zei hij: ‘Ik heb een “Speel een scène met James Deen”-prijsvraag, waar vrouwen aan kunnen meedoen en pas na een heel lang gesprek en nadat ik maandenlang heb gezegd “Denk goed na, het kan invloed hebben op je toekomst” en haast heb geprobeerd het uit hun hoofd te praten, nemen we een scène op.’
In maar een klein deel van de Meisje X-video is sprake van seks. Op de video zie je vooral een lang, flirterig, beladen gesprek dat draait om de vraag of ze het al dan niet gaan doen: seks hebben, opnames maken en online zetten. Meisje X aarzelt; ze is afwisselend aanhalig en schuchter; ze is stoer en dan weer gepijnigd; ze gaat overstag en houdt weer af. Ze weet niet wat ze moet doen, denkt na, piekert. Ze spreekt haar dilemma’s hardop uit en Deen probeert haar daarin te volgen.
Slet
Vermoedelijk was ze gewoon in voor ‘een scène met James Deen’ maar als hij de deur voor haar opendoet spelen de zenuwen op. Ze loopt het appartement binnen in een vinyl legging en een dichtgeknoopte crème zijden bloes met een zwart detail – wij kijken mee met de camera, met Deen, die haar filmt – en stapt opgewonden rond met een hoog, nerveus lachje terwijl ze ‘Oh my God, oh my God’ zegt. Nu en dan brengt hij de camera dicht bij haar gezicht; ze draait weg. Hij plaagt haar – ‘Je bent een studentje, je bent slim, aan jou heb je niks’ – terwijl ze rondlopen in de keuken met het glimmende kookeiland, in de gang met de witte plinten en dieprode muren.
Ze is koket, nerveus – ‘Ik durf niet eens naar je te kijken’ – terwijl ze achterover leunt en weer voorover. Ze zit inmiddels aan een glimmend chromen tafeltje op een witte bank. Ze bespreken het contract en het beeld zoemt uit – de details gaan ons niet aan. Dan wordt weer in gezoemd en ze neemt een selfie. Ze staat op het punt om te tekenen maar stopt ineens en zegt ‘Waar ben ik in jezusnaam mee bezig? Wat de fuck doe ik met mijn leven?’ Ze kan altijd nog afhaken, zegt hij; ze kunnen het contract verscheuren. Opnieuw in en uit zoemen; we zien haar tekenen. ‘We verzinnen later wel een artiestennaam,’ zegt hij, ‘tenzij je gewoon Meisje X wilt zijn?’ ‘Ik weet het niet,’ zegt ze kribbig, aarzelend, ‘ik heb geen idee, ik heb dit nog nooit gedaan.’
‘Je heb met hen geneukt, waarom dan niet met mij?’
Als Meisje X uiting geeft aan haar ambivalentie – ‘Ik wil seks met je,’ zegt ze, ‘maar ik weet niet of ik wil dat de wereld dat ziet’ – is hij begripvol: ‘Je wilt niet als slet bekend staan,’ zegt hij. Ze gaat er op in: ‘Zo van,’ zegt ze met een zware stem, ‘ik zag dat je met hem neukte, waarom dan niet met mij?’ Dit is niet helemaal paranoïde gedacht. Een van de beschuldigden in de rechtszaak tegen de rugbyverkrachters in 2018 in Noord-Ierland verzocht de aanklaagster toen hij de kamer binnenkwam nadat twee andere mannen seksuele handelingen met haar hadden gepleegd seks met hem te hebben en hij had naar het schijnt toen ze weigerde gezegd: ‘Je heb met hen geneukt, waarom dan niet met mij?’ Het (veronderstelde) verlangen van een vrouw – ook al is het eenmalig, naar één bepaalde man – maakt haar kwetsbaar. Haar verlangen diskwalificeert haar voor bescherming. Als een vrouw wordt geacht eens ja tegen iets te hebben gezegd, kan ze nergens meer nee tegen zeggen.
We zullen waarschijnlijk nooit weten wat er precies gebeurde nadat Deen de camera had uitgezet; wat er gebeurde in de pauzes tussen de gefilmde onderdelen; wat er is weggelaten, welke gesprekken we niet hebben gehoord, welke seks we niet zagen. We zullen waarschijnlijk nooit weten wat Meisje X van de beschuldigingen tegen Deen vond en of er die dag dingen waren die haar ongemakkelijk maakten en verdrietig of kwaad. Ik ken het verhaal van Meisje X niet. Maar in de film herken ik de pijnlijke – en vertrouwde – ervaring naar alle kanten te worden getrokken; te moeten balanceren tussen verlangen en risico; te moeten stilstaan bij van alles in de nasleep van het genot.
Vrouwen weten dat hun seksuele verlangen tegen hen kan werken en kan worden aangevoerd als bewijs dat geweld eigenlijk niet aan de orde was (ze wou het zelf). Maar Meisje X laat zien dat het niet alleen gaat om de uiting van verlangen maar om het verlangen op zich, dat al dan niet wordt geëntameerd door de omstandigheden. Hoe kunnen we weten wat we willen als weten wat we willen iets is dat van ons wordt geëist en ons op straf kan komen te staan. Geen wonder dat Meisje X gemengde gevoelens heeft en is verlamd door onzekerheid. Deen begrijpt niets van het melancholieke belang van seks voor Meisje X – dat hoeft hij niet. Meisje X is echter opgegroeid met tegenstrijdige belangen. Ze zit in de spagaat waarmee vrouwen hebben te leven: dat nee zeggen moeilijk kan zijn, maar ja zeggen ook.
#MeToo
Daarna overspoelde #MeToo – een slogan die Tarana Burke in 2006 bedacht om aandacht te vragen voor seksueel geweld tegen jonge vrouwen van kleur – de media en wekte vrouwen op hun verhaal over seksuele intimidatie te vertellen. De maanden erna stonden de media er bol van, met name over machtsmisbruik op de werkvloer. In die sfeer werd het feit dat je je uitsprak over je ervaringen als een vanzelfsprekend en noodzakelijk goed beschouwd.
Ik was blij met de omvang maar ik was er ook bang voor en zette soms snel het nieuws en de onverbiddelijke parade akelige verhalen uit. Op het hoogtepunt van #MeToo was het soms of we onze verhalen móésten vertellen. De toevloed van verhalen online – op Facebook, op Twitter – en ook live gaf een gevoel van druk, van verwachting. Wanneer kom jij met het jouwe? Je moest wel blind zijn om niet te zien hoe collectief werd gehongerd naar dit soort verhalen, een honger die was ingebed in een taal van betrokkenheid en verontwaardiging die mooi aansloot bij het geloof dat het vertellen van de waarheid een grondrecht en de grondslag van het feminisme is. #MeToo legaliseerde het geluid van de vrouw niet alleen maar dreigde het ook verplicht te stellen; je moest en zou uiting geven aan je persoonlijke feminisme, aan je besluit het niet langer te nemen, aan je vermogen tot een krachtig antwoord op alle smaad. Hiermee werd ook tegemoet gekomen aan een ranzig soort honger naar verhalen over misbruik en vernedering van vrouwen – al was dat niet de opzet.
Wanneer vragen we vrouwen om hun mond open te doen en waarom? Wie heeft er belang bij? Wie wordt om te beginnen gevraagd haar mond open te doen – en naar welke stemmen wordt geluisterd? Weliswaar stuit iedere beschuldiging van seksueel geweld tegen een vrouw algauw op krachtige weerstand, maar de verhalen van rijke witte vrouwen over seksueel geweld hadden tijdens #MeToo een streepje voor op die van bijvoorbeeld jonge zwarte vrouwen van wie de families hun gram probeerden te halen op de zanger R. Kelly, die tientallen jaren vrouwen misbruikte (hij heeft de beschuldigingen tegen hem ontkend). Studies laten zien dat zwarte vrouwen met klachten over seksueel geweld minder kans hebben geloofd te worden dan hun witte seksegenoten (waarbij zwarte meisjes als volwassener en seksueel rijper worden beschouwd dan hun witte leeftijdgenoten) en dat verklaringen over verkrachting die te maken hebben met witte slachtoffers serieuzer worden genomen dan die welke zwarte vrouwen aangaan. Niet ieder geluid is evenveel waard.
‘Het is onze plicht als vrouwen jegens onszelf en onze partners ons beter uit te spreken over wat we willen in bed’
De afgelopen jaren was ineens sprake van twee vereisten voor goede seks: toestemming – consent – en zelfkennis. Vrouwen moeten zich inzake seks, waar toestemming althans idealiter vooropstaat, uitspreken – ook over wat ze willen. Zij moeten dus ook wéten wat ze willen.
In wat ik de consent-cultuur zal noemen – de wijdverspreide aanname dat toestemming de manier is om al het kwaad uit onze seksuele cultuur te bannen – wordt de stem van vrouwen over wat ze willen vereist en geïdealiseerd en gelabeld als een teken van progressieve politiek. ‘Weet wat je wilt en ontdek wat je partner wil,’ luidde het dringende advies in een artikel in TheNew York Times, juli 2018, met de belofte dat ‘goede seks plaatsvindt waar twee agenda’s op elkaar zijn afgestemd’.
Dit soort retoriek is niet helemaal nieuw; al sinds de jaren negentig wordt in de feministische strijd sterk gefocust op toestemming met heftige commentaren als gevolg. Rachel Kramer Bussel schreef niet zo lang geleden dat ‘het onze plicht als vrouwen jegens onszelf en onze partners is ons beter uit te spreken over wat we willen in bed en ook met de ander te delen wat we niet willen. Je kunt het je als deelnemer niet veroorloven passief te zijn en gewoon af te wachten hoe ver de ander wil gaan.’
Deze dringende aanbeveling aan vrouwen om goed te weten en verwoorden wat ze willen zou vanzelf leiden tot bevrijding aangezien het vermogen van de vrouw tot – en het recht op – seksueel genot ermee gemoeid is.
Seks als bevrijding
In het progressieve denken zijn seksualiteit en genot lang neergezet als equivalenten van emancipatie en bevrijding. Het was precies dat wat de filosoof Michel Foucault in 1976, in De wil tot weten, bekritiseerde toen hij schreef dat ‘morgen seks weer goed zal zijn’. Hij parafraseert hier smalend de houding van de tegencultuur en seksuele bevrijdingsbewegingen in de jaren zestig en zeventig; de marxisten, revolutionairen, freudianen – iedereen die geloofde dat we om te worden bevrijd uit de betuttelende klauwen van het verleden, uit een repressief Victoriaans verleden, voorgoed de waarheid moesten vertellen over seksualiteit.
Foucault was juist sceptisch over de manier ‘waarop we het heden ijverig wegtoveren en een beroep doen op de toekomst’ en betoogde dat die stoffige Victorianen eigenlijk heel spraakzaam waren over seks, ook al nam die spraakzaamheid de karikaturale vorm aan van ziekelijkheid, abnormaliteit en dwaling. Niet alleen herzag hij de klassieke aanname dat de Victorianen preuts, onderdrukt en gebonden aan stilzwijgen zouden zijn, hij nam ook stelling tegen gemeenplaatsen als zou praten over seks tot bevrijding leiden en zwijgen tot onderdrukking. ‘We moeten niet denken,’ schreef hij, ‘dat ja zeggen tegen seks betekent dat je nee zegt tegen de macht.’
Seks was, en is nog steeds, op talloze manieren omringd met verboden en regels, en met name rond de seksualiteit van vrouwen golden er altijd sterke beperkingen en bepalingen. Maar toestemming en de idée fixe van absolute duidelijkheid dreigt de druk van goede seksuele interactie te koppelen aan het gedrag van de vrouw – aan wat zij wil en aan wat zij over haar verlangens zegt; aan haar vermogen een vrijmoedig seksueel zelfbeeld te creëren om te waarborgen dat seks over en weer plezierig en niet-afgedwongen is. Wee wie zichzelf niet kent en die taal niet spreekt.
Antiverkrachtingscampagnes schetsen het beeld van de vrouw als kwetsbaar, goedgelovig en angstig
Eind jaren tachtig en begin jaren negentig, toen activisten probeerden de publieke opinie te doen omslaan, waren de media vooral gefocust op ‘verkrachting tijdens een date’ of ‘verkrachting in de huiselijke sfeer’. In 1993 zorgde een beleidsstuk ter voorkoming van seksuele vergrijpen op het Antioch College, een klein Amerikaans instituut voor liberal arts, voor opschudding. In dat stuk, dat werd geschreven door vrouwelijke studenten die ontzet waren over verkrachtingen op een campus die zich voorstond op z’n progressieve inclusiviteit, werd gesteld dat ‘consent inhoudt met zoveel woorden toestemming vragen én met zoveel woorden verlenen of weigeren, en wel in alle stadia van de seks’. Toestemming diende steeds worden herhaald en was vereist ongeacht de relatie tussen partners, ongeacht de seksuele voorgeschiedenis of actuele activiteit. Verder kon iemand die dronken, buiten bewustzijn of in slaap was geen toestemming geven. Zoals de laatste jaren in toenemende mate in wetten en richtlijnen is vastgelegd, impliceert deze bepaling dat het ontbreken van een ‘nee’ niet wijst op toestemming en dat wederkerigheid bij seks van levensbelang is. Enorme heibel was het gevolg.
In haar boek The Morning After: Sex, Fear, and Feminism, dat in hetzelfde jaar werd gepubliceerd als het beleidsstuk van het Antioch College, betoogde Katie Roiphe dat de antiverkrachtingscampagne van het instituut een ouderwets beeld van de vrouw schetste dat eerdere feministen met succes hadden bestreden: het beeld van de vrouw als kwetsbaar, goedgelovig en angstig. Twintig jaar later geldt dat argument nog steeds; in Unwanted Advances, dat in 2017 verscheen, betoogde Laura Kipnis dat richtlijnen voor het geven van toestemming hebben geleid tot een cultuur van hulpeloosheid en slachtofferschap op de Amerikaanse campussen.
Roiphe en Kipnis erkennen het onrecht en leed dat vrouwen wordt aangedaan, maar ze zoeken de oplossing in een geïdealiseerde figuur: de sterke vrouw die het allemaal aan kan – die het leed van zich af kan schudden en harder is, zeg maar minder kinderachtig. Hun kritiek geeft met andere woorden perfect uiting aan een zelfverzekerd feminisme – een feminisme dat de last legt bij de individuele vrouw en haar vermogen om uitdagingen aan te kunnen en te slagen in een ongelijke wereld.
Slechte seks
Voor deze critici weten ‘volwassen’ vrouwen hoe ze met de onvermijdelijke ups-and-downs bij seks moeten omgaan in plaats van moord en brand te schreeuwen. De uitdrukking ‘slechte seks’ speelt in dit soort gesprekken een belangrijke rol. Jonge vrouwen worden, aldus Kipnis, aangemoedigd om bureaucratische middelen in te zetten ‘om over seksuele twijfels en akelige seksuele ervaringen heen te komen’. Voor haar en haar geestverwanten was seks ‘hoe slecht ook (en dat is vaak zo)’ nog altijd ‘leerzaam’. Het idee dat vrouwen harder moeten worden strekt zich uit naar het politieke veld; de journaliste Bari Weiss formuleerde iets soortgelijks in haar reactie op de beschuldigingen aan het adres van de komiek Aziz Ansari in 2018. Die beschuldigingen, die werden geuit in een account op babe.net, veroorzaakten tumult – niet in het minst omdat de kennelijk versnelde publicatie niet lijkt te hebben voldaan aan de gangbare journalistieke normen, bijvoorbeeld Ansari’s recht op wederhoor. (Later verklaarde hij dat alles erop wees dat de seks ‘volkomen vrijwillig was geweest’ maar dat hij ‘zich haar woorden aantrok’.)
‘Grace’ (een pseudoniem) vertelde dat ze zich tot seks geprest voelde en – verbaal en non-verbaal – probeerde aan te geven dat ze niet wou, en ze beschuldigt Ansari ervan dat bij herhaling te hebben genegeerd. Velen klonk haar verhaal in de oren als een typisch voorbeeld van een seksbeluste bullebak zonder veel belangstelling voor het genot van de vrouw (of misschien zelfs van hemzelf?).
‘Er is een bruikbare term voor wat deze vrouw die nacht met Ansari meemaakte. Die term is “slechte seks”’
Volgens anderen verwachtte ‘Grace’ dat Ansari gedachten kon lezen en was ze er niet in geslaagd hem haar verlangens of gebrek aan genot duidelijk te maken: ze had gefaald om enthousiast ja te zeggen en gefaald om duidelijk nee te zeggen. Er is, zegt Weiss, ‘een bruikbare term voor wat deze vrouw die nacht met Ansari meemaakte. Die term is “slechte seks”. Jammer dan.’ Weiss gaf toe dat vrouwen van oudsher geneigd zijn ‘de verlangens van de man boven die van henzelf te stellen’. Maar de oplossing hiervoor, stelde ze, is niet mannen kwalijk nemen ‘dat ze haar “non-verbale taal” niet begrijpen. Het is aan vrouwen verbaal sterker te zijn. Dat je zegt “nu ik”. Of “wil ik niet”.’ Weiss vermaant ‘Grace’ met opgestoken vinger: ‘Als hij jou wil dwingen tot iets wat jij niet wilt, gebruik dan een vierletterwoord, spring overeind en verlaat zijn huis.’ In dezelfde trant klaagt Kipnis in Jessa Crispin’s Public Intellectual Podcast over het feit dat studentes 30 seconden of 15 minuten slechte seks ‘niet kunnen verwerken’. En Megan Daum schreef in TheGuardian over een kloof tussen de publieke steun van vrouwen aan #MeToo en hun privégesprekken. Ze schrijft: ‘”Wordt volwassen, dit is het echte leven,” hoor ik dezelfde feministen zeggen.’ Hier staan noodkreten van zwakke, gekwetste kinderen tegenover de geluiden van zelfverzekerde volwassen vrouwen, en het is duidelijk wie we verondersteld worden te willen zijn.
In dit feminisme is het de plicht van iedere vrouw assertief en zelfverzekerd te zijn, en je vooral niet voor te doen als gekwetst en verongelijkt. Het feit alleen al dan je je gekwetst voelt is een teken van zwakte in dit regime van individueel kunnen. Sterker nog, slechte seks wordt voorgesteld als iets dat er onvermijdelijk bij hoort; iets onplezierigs en hardnekkigs waarmee je als vrouw te dealen hebt.
Uiteenlopende critici als Kipnis en Weiss kunnen zichzelf als progressief profileren omdat ze er op hameren dat vrouwen macht en leiderschap kunnen en moeten uitoefenen. Toch leggen ze met hun luchtige houding ten aanzien van de onvermijdelijkheid van jeugdige, slechte seks een onevenredige druk op vrouwen om met de risico’s om te gaan. Zij zien mannelijke minachting van vrouwelijk genot en autonomie als een gegeven, terwijl ze de manier waarop vrouwen daarmee omgaan als een gebod brengen – en zij richten hun hoon op vrouwen die er niet in slagen gepast frivool te reageren.
Experimenteren
In 1993 stond in het opiniestuk van TheNew York Times over het consent-beleid op het Antioch dat adolescentie, met name de studentenjaren, de tijd bij uitstek is ‘voor experimenteren en experimenteren betekent fouten maken’; geen beleid kan ooit ‘alle jonge menen beschermen tegen dit soort katers’, momenten waarvan ‘mensen leren’.
Maar als ‘mensen’, zoals de New York Times het uitdrukt, leren van slechte seks, zijn dan de lessen die mannen en vrouwen trekken dezelfde? Het kan best zijn dat mannen leren dat ze ermee wegkomen als ze niet geven om het genot van een vrouw, en dat vrouwen leren dat ze het plezier van de man boven dat van zichzelf moeten stellen. Wie leren er dat het hun rol is om koste wat het kost genot te beleven, en wie dat ze de gevolgen van de seks in hun eentje moeten dragen?
Toestemming is ten minste iets – het absolute minimum bij seks. En expliciete toestemming voldoet, zoals de seksuoloog Joseph Fischel in Screw Consent betoogt, in de wet bij grensoverschrijdend gedrag als criterium beter dan de criteria geweld, verzet of weigering. Vragen om een minimaal, niet per se verbaal teken dat de ander positief staat tegenover seks getuigt van respect voor iemands seksuele autonomie en is veelzeggender dan zwijgen of verzet. Maar toestemming stelt op zich weinig voor terwijl de impact ervan enorm is en niet valt te overzien welke onoverkomelijke problemen zich wellicht voordoen.
Slechte seks verdient vanwege het ongelijke genot beslist aandacht
Uit frustratie over de consent-cultuur en de gang van zaken op campussen en rond #MeToo komen critici tot het verbijsterde inzicht dat veel seks die met instemming en zelfs een volmondig ja tot stand komt slecht is: miserabel, onplezierig, vernederend, eenzijdig, pijnlijk. ‘Slechte seks’ hoeft geen aanranding te zijn om angstaanjagend, beschamend, misselijkmakend te zijn. Het daagt ze dat toestemming als wettig concept niet instaat is te verklaren hoe seks slecht kan zijn zonder dat het per se om aanranding gaat. Maar ze lijken wel verlamd door hun inzichten en laten na te onderzoeken (of zich er zelfs maar echt druk om te maken) wat de dynamiek is achter slechte seks – seks die vanwege het ongelijke genot beslist aandacht verdient. In plaats van ons neer te leggen bij de onvermijdelijkheid van slechte seks of deze zelfs te romantiseren als louter jeugdig gestuntel, moeten we zulke slechte seks serieus nemen en aan een zorgvuldig onderzoek onderwerpen.
Slechte seks ontstaat in een context waarin vrouwen niet in gelijke mate seks kunnen najagen en mannen koste wat het kost recht hebben op bevrediging. De oorzaak is onvermogen en ongelijkheid in seksuele kennis en toegang tot seksuele opvoeding en gezondheidszorg.
Machtsdynamiek
Het gaat om ongelijke machtsdynamiek tussen de partijen en racistische opvattingen over onschuld en schuld. Slechte seks is een politieke kwestie, het gaat om ongelijke toegang tot genot en zelfbeschikking, en het is als een politieke kwestie dat we er naar zouden moeten kijken, liever dan de kwestie reduceren tot geïndividualiseerde, schouderophalende kritiek van jonge vrouwen die over de middelen beschikken om met de pijn van hun seksleven om te gaan.
Het idee van niet alleen willige maar ‘enthousiaste’ toestemming legt de lat bij de beleving van seks hoger; we willen niet alleen dat vrouwen instemmen met seks die door mannen wordt geïnitieerd maar dat ze zelf seks willen, er opgewonden van zijn, hun eigen verlangens en eisen kenbaar maken. Vandaar de upgrade van instemming bij seks naar iets ambitieuzers: verlangen, genot, enthousiasme, een positieve houding.
Het probleem met instemming is niet dat seks niet of nooit op contractbasis zou mogen plaatsvinden – de veiligheid van sekswerkers drijft op het idee van een contract en de mogelijkheid dat het wordt geschonden, zodat verkrachting kan worden aangetoond. Het probleem is ook niet dat instemming niet sexy of romantisch zou zijn.
Veel seks waar vrouwen mee instemmen is ongewenst want zij stemmen in onder dwang
Het probleem is dat we bij een wetsartikel over instemming als code voor onze manier van denken over seks – het probleem dat we er door ‘gemagnetiseerd’ zijn, zoals Fischel zegt – iets cruciaals over het hoofd zien van wat het is een mens te zijn: de machtsverhouding tussen individuen is zelden gelijkwaardig. Zo’n wet als overkoepelend kader voor het denken over goede en slechte seks komt neer op vasthouden aan de droom van het liberalisme, waarin, zoals Emily A. Owens zegt, ‘gelijkheid gewoon bestaat’.
Veel seks waar vrouwen mee instemmen is ongewenst want zij stemmen in onder dwang, of uit behoefte aan voedsel of kleding voor zichzelf of hun gezin, of uit veiligheidsoverwegingen. Overal, iedere dag, stemmen vrouwen in met seks omdat ze voelen dat ze geen keus hebben; omdat ze bij een man in het krijt staan; omdat hij hen heeft bedreigd; omdat het een ramp kan zijn als hij hen aan de dijk zet, wegstuurt, hun illegale status verraadt of hen aangeeft voor een overtreding (bijvoorbeeld prostitutie waar dat strafbaar is). In veel instemmingswetten staat de bepaling dat instemming niet afgedwongen mag zijn, maar in werkelijkheid staan vrouwen seks toe die ze liever niet hadden, uit angst voor de consequenties.
Daarom is het cruciaal het verschil tussen instemming en enthousiasme te handhaven, juist om te kunnen beschrijven wat er speelt in zo’n ongelijke machtsdynamiek.
Iedere vorm van instemming verliest z’n waarde als een man niet openstaat voor een eventueel nee
Bij ongelijke machtsverhoudingen zegt toestemming op zich niets over het verschil tussen goede en slechte seks, al kun je er tot op zekere hoogte seks mee onderscheiden van verkrachting. Toestemming kan sexy zijn wordt ons herhaaldelijk voorgehouden – een opmerking die wellicht komt is van critici die er een spelbreker in zien. Toestemming zou deel moeten uitmaken van de eerste speelse aftasting bij seks; toestemming kan, aldus de website Xojane.com, ‘dienen als een soort voorspel en uitgroeien tot een onlosmakelijk onderdeel van een seksueel samenzijn waarbij partners elkaar aftasten en prikkelen en bij elkaar nagaan wat ze wel (en niet) gaan doen’.
Maar dit werkt alleen als we uitgaan van een bepaald soort partner die al volledig openstaat voor de complexe autonomie van de ander. Het hangt er allemaal van af of de vrouw voelt dat ze de optie heeft om te weigeren – iets dat niet is beperkt tot de wettelijke dwangsituatie. Het hangt er onder meer van af of de man met wie zij is in staat is een nee te verstaan; in staat is te onderhandelen zonder zijn vaak grotere fysieke en sociale macht te misbruiken; niet misbruik maakt van de wetenschap dat vrouwen zelden aangifte doen van verkrachting en de schijn vaak tegen hebben als ze het doen. Vraagt hij om seks terwijl hij openstaat voor haar eventuele nee? Kan hij leven met een nee? Zal hij opstuiven, haar negeren, op haar inpraten, haar vleien, kleineren, straffen? Iedere vorm van instemming verliest z’n waarde als een man niet openstaat voor het eventuele nee van zijn partner of haar veranderlijke verlangens en hij reageert met uit vernedering geboren woede. Een vrouw kan nog altijd uit een seksueel samenzijn komen met het terechte gevoel onjuist behandeld te zijn, terwijl de man zich veilig voelt in de wetenschap dat hij haar instemming had ‘verworven’.
Hij vroeg het, zij zei ja. Dit betekent al met al niet dat we de toestemming overboord moeten gooien – toestemming is cruciaal en het absolute minimum. Maar er kan niet het hele gewicht van al onze emancipatieverlangens door worden gedragen; we moeten duidelijk zijn over de beperkingen.
Toestemming – instemmen met seks – moet niet op een hoop worden gegooid met seksueel verlangen, plezier of enthousiasme; niet omdat we zouden moeten berusten in slechte seks, maar juist omdat we dat niet moeten doen. Dat vrouwen zoveel treurigmakende seks beleven is een door en door maatschappelijke en politieke kwestie, en instemming kan het niet voor ons oplossen.
Het is een ‘historisch besluit’ dat het Colombiaanse Constitutionele Hof zojuist heeft genomen, aldus La Semana. De rechters hebben maandag besloten dat abortus alleen strafbaar zal zijn na de vierentwintigste week van de zwangerschap. In een verder gevorderd stadium van een zwangerschap zal abortus wel mogelijk zijn in drie specifieke gevallen, zoals reeds bij wet bepaald: in geval van gevaar voor het leven van de moeder, genetische misvorming van de foetus of in geval van verkrachting.
Het besluit van de negen rechters voldeed niet aan de verwachtingen van vrouwenorganisaties die hadden gelobbyd voor de volledige decriminalisering van abortus in Colombia, schrijft El Tiempo. Maar het is een belangrijke stap voorwaarts voor activisten voor abortusrechten, die schatten dat elk jaar vierhonderdduizend vrouwen in het land een illegale abortus ondergaan.
Indiase moslima’s vaker slachtoffer van misbruik en geweld
Quratulain Rehbar, een journalist in India, trof onlangs een profiel van zichzelf aan op nepveilingwebsite Bulli Bai, die zijn naam ontleent aan een scheldwoord voor moslima’s. Rehbar werd daar ‘ter veiling’ aangeboden, evenals tientallen andere moslima’s, waaronder beroemde vrouwen zoals Nobelprijswinnaar Malala Yousafzai, schrijft The Washington Post. Veel van deze vrouwen bekritiseren het hindoenationalisme en de behandeling van etnische en religieuze minderheden in India door premier Narendra Modi en zijn rechtse Bharatiya Janata-partij (BJP).
Modi en de BJP voeren een agenda die de nadruk legt op het primaat van hindoes in het land. De afgelopen maanden laaide een golf van religieus geweld op tussen hindoes en moslims, waarbij critici van de BJP worden aangevallen door bendes. Online en soms offline misbruik en geweld zijn vooral wijdverbreid tegen vrouwelijke tegenstanders van het hindoenationalisme.
De website, gebouwd op het populaire Amerikaanse coderingsplatform GitHub, werd overigens direct door GitHub gesloten na een stroom van online protesten.
Al jarenlang houden studenten op fraternities, verenigingen voor mannelijke studenten aan Amerikaanse universiteiten, weddenschappen over de vraag of ze wel of niet met zwaarlijvige vrouwen naar bed zullen gaan. Het levert ‘winnaars’ waardering op binnen de gemeenschappen; slachtoffers worden vernederd.
Het principe van ‘hogging‘ is even eenvoudig als neerbuigend: om winnaar te worden, moet een van de deelnemende studenten hebben geslapen met ‘de dikste vrouw van de avond’, naar het oordeel van de groep. ‘Als de seksuele daad eenmaal is gepleegd, is het niet ongebruikelijk dat vervolgens een groep mannen in de slaapkamer verschijnt om het slachtoffer te vernederen’, aldus La Libre Belgique.
De term hogging komt van het Engelse ‘hog’ voor varken en het werkwoord ‘hogging’ voor toe-eigenen. De praktijk bestaat al lange tijd maar kwam aan het licht doordat een slachtoffer de zaak op TikTok aan de kaak stelde, schrijft het Belgische Franstalige dagblad La Libre Belgique.
Het fenomeen is niet nieuw: dergelijke weddenschappen blijken al tientallen jaren wijdverbreid te zijn op Amerikaanse universiteiten. Maar sinds plussize model Megan Mapes, een populaire verschijning op TikTok, de praktijk afgelopen november in de openbaarheid bracht wordt er veel over gesproken.
In een video op TikTok, die begin december al meer dan 1,5 miljoen keer was bekeken, laat Mapes zien hoe deze voortdurend terugkerende weddenschappen een traumatisch fenomeen zijn voor vrouwen, hetgeen ze staaft met onderzoeken die ernaar zijn gedaan.
Die gebeurtenis is slechts één voorbeeld van hoe de mentaliteit binnen de studentenverenigingen ‘vrouwenhaat verheerlijkt’
In 2018 berichtte de Amerikaanse nieuwssiteSlate al over de schorsing van twee jaar die werd opgelegd aan een studentenvereniging van de Cornell University. Het dispuut had een wedstrijd gehouden onder de naam ‘Varken aan het spit’. Die gebeurtenis is slechts één voorbeeld van hoe de mentaliteit binnen de studentenverenigingen ‘vrouwenhaat verheerlijkt’, zo verklaarde destijds het studentenmedium Study Break, dat ook de voortdurende verkrachtingscultuur op universiteiten aan de kaak stelde.
‘Al bijna twintig jaar staat de term in de Urban Dictionary‘, schrijft de site BuzzFeed, die Megan Mapes interviewde. ‘Een manier om mannelijkheid te bewijzen, is dat sommige mannen met zoveel mogelijk vrouwen naar bed gaan. Ze zien dikke vrouwen als gemakkelijke doelwitten’, aldus Mapes.
De populariteit van deze praktijken werd al in 2006 aangetoond in een studie van de sociologen Ariane Prohaska van de University of Alabama en Jeannine A. Gailey van de Texan Christian University. Volgens het tweetal, dat door La Libre Belgique werd geraadpleegd, kiezen mannen die deelnemen aan deze misogyne weddenschappen vrouwen met overgewicht als doelwit omdat die worden beschouwd ‘als minder aantrekkelijk en daarom meer bereid tot seks’. Het doel van de weddenschappen is om zoveel mogelijk veroveringen aan elkaar te rijgen en zo aan hun kompanen te kunnen laten zien dat ze ‘echte mannen zijn’.
De Belgische krant schrijft verder: ‘“Hogging” is een sociale handeling die binnen een groep moet worden voltrokken. Eén man is betrokken bij de seksuele activiteit, maar alle anderen in de omgeving die meedoen aan de weddenschappen en er plezier aan beleven zijn eveneens betrokkenen.’
Bewustwording
De sociologen werden tijdens hun onderzoek in 2006 verrast door de reactie van de mannen die ze hadden geïnterviewd: ‘Het meest verontrustend was dat iedereen het grappig vond.’
Dankzij de video van Megan Mapes realiseerden verschillende vrouwen zich dat ze in het verleden slachtoffer waren geworden van deze weddenschappen, zo blijkt uit de commentaren. Gebruikers van Reddit hebben op het sociale medium verklaard dat ze ‘hogging’ kennen onder andere benamingen, soms al sinds de jaren negentig.
Aangezien seksuele relaties vaak plaatsvinden na avonden vol alcohol en jonge meisjes de daadwerkelijke bedoelingen van de betreffende mannen niet kennen, bogen de twee sociologen zich over de vraag van toe- en instemming, schrijft La Libre Belgique.
‘Een van de belangrijkste onderdelen is dat mannen elkaar verantwoordelijk houden’
‘Het is aannemelijk dat deze vorm van seksueel roofdiergedrag overeenkomsten vertoont met verkrachting en andere gewelddadige seksuele handelingen die door sommige mannen worden gepleegd om hun mannelijkheid te bewijzen’, schreven ze in een tweede onderzoek uit 2010. ‘Als het gaat om elke vorm van geweld rond seks en seksualiteit, is een van de belangrijkste onderdelen dat mannen elkaar verantwoordelijk houden’, legt ze uit. ‘Om ze dat te laten doen, moeten ze in de eerste plaats horen wat het is, en weten dat het iets is dat bestaat en gebeurt.’
Met haar video hoopt Megan Mapes in ieder geval mannen bewust te maken, verklaarde ze aan Buzzfeed: ‘Als het gaat om vormen van geweld rond seks en seksualiteit, is een van de belangrijkste onderdelen dat mannen elkaar verantwoordelijk houden’, legt ze uit. ‘Om ze dat te laten doen, moeten ze in de eerste plaats horen wat het is, en weten dat het iets is dat bestaat en gebeurt.’
In Israël wordt het de ‘straf voor het moederschap’ genoemd; de terugval in salaris van vrouwen na de geboorte van hun eerste kind. Volgens een studie van het Israëlische ministerie van Financiën bedraagt die daling maar liefst 28 procent, schrijft Haaretz.
Het onderzoek richtte zich op de kloof tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt. Israël staat wereldwijd hoog op de ranglijst wat betreft het percentage vrouwen dat deelneemt aan de arbeidsmarkt, dat in 2019 73,9 procent bereikte, vergeleken met 81,6 procent voor mannen – een verschil van slechts 7,7 procent. Het verschil in de gemiddelde arbeidsparticipatie in landen van de OESO is groter, namelijk 13,3 procent. Maar wat salarisverschillen betreft, is het beeld voor Israël minder flatterend. Het gemiddelde maandsalaris voor mannen is 16.100 shekel, circa 4570 euro, vergeleken met 10.700 voor vrouwen.
Deze kloof is met 22,7 procent relatief hoog; in de OESO bedraagt de gemiddelde loonkloof slechts 12,4 procent.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.