In Harare heeft de Zimbabwaanse regering een standbeeld onthuld ter ere van een heldin van de antikoloniale strijd. Maar gezien de zware economische crisis die het land doormaakt, zijn de kosten van het gerenoveerde werk een steen des aanstoots, zo meldt de Zimbabwaanse pers.
Er is niets mis met eer bewijzen aan een icoon van de antikoloniale strijd, maar om dat te doen tijdens de huidige economische malaise gaat veel Zimbabwanen te ver. De regering onthulde vorige week een imposant bronzen beeld van Mbuya Nehanda Nyakasikana. De vrouw, die verzet aanmoedigde tegen de Britse kolonisten en aan het einde van de negentiende eeuw werd gevangengenomen en geëxecuteerd, wordt beschouwd als een heldin van de antikoloniale strijd. Om haar te eren, liet president Emmerson Mnangagwa de onthulling van het standbeeld vergezeld gaan van een militaire parade, dansvoorstellingen en concerten in de straten van hoofdstad Harare.
Het standbeeld en de ceremonie hebben naar schatting ongeveer 4,1 miljoen euro gekost
Dat leidde tot woede bij veel Zimbabwanen, mede gezien de kosten van de renovatie van het beeld. Het werd namelijk volledig aangepast nadat vorig jaar een eerdere versie werd onthuld die als te ‘voluptueus’ werd beschouwd voor een door strijd uitgemergelde vrouw, zo meldt The Zimbabwean. De enige bekende foto van Nyakasikana toont haar als een verzwakte gevangene, die op het punt staat te worden geëxecuteerd door Britse kolonisten.
‘Het standbeeld en de ceremonie hebben naar schatting ongeveer 5 miljoen dollar (4,1 miljoen euro) gekost’, schrijft Zim Live. Een duizelingwekkende prijs, vindt de Zimbabwaanse site, vooral omdat Emmerson Mnangagwa een paar uur voor de onthulling van het standbeeld vol dankbaarheid een blijk van internationale steun in ontvangst had genomen: ‘een donatie van 5000 ton maïsmeel van Zuid-Afrika’.
Belediging
Kortom, een absurd gebaar met groteske kosten dat eigenlijk een belediging is van de nagedachtenis van Mbuya Nehanda Nyakasikana. Zij had ongetwijfeld liever gezien dat mensen toegang hadden gekregen tot gezondheidszorg en voedsel, vinden critici.
Hopewell Chin’ono, een freelance journalist die de afgelopen negen maanden drie keer gevangen is gezet vanwege zijn politieke opvattingen, verwoordde zijn woede tegen The Guardian als volgt: ‘Normaal gesproken is het eren van culturele helden en vrijheidsstrijders een nobele zaak, maar ik vind het een schande om het te doen in een tijd waarin Zimbabwanen met een lege maag naar bed gaan. Het is een schande om dit te doen in een tijd waarin Zimbabwanen naar een ziekenhuis moeten waar geen medicijnen zijn. Het is een grote schande dat we standbeelden neerzetten terwijl onze jongeren geen baan hebben.‘
Ondanks de historische betekenis van Mbuya Nehanda Nyakasikana, worden de kosten van het beeld als overdadig beschouwd in deze moeilijke economische tijden. Hyperinflatie zorgt ervoor dat huishoudens niet aan essentiële bestaansmiddelen kunnen komen. Volgens het Nationale Bureau voor de Statistiek bereikte de inflatie een jaar geleden met een stijging van 837 procent een absoluut record.
Bacteriën reinigen beelden van Michelangelo
Al in 1595 verschenen berichten over ongewenste vlekken en verkleuringen in het marmer van de fameuze graftombes die Michelangelo schiep voor de Medici-kapellen in Florence. In de daaropvolgende eeuwen liet gips, dat werd gebruikt om de meesterwerken te kopiëren die hij bovenop de sarcofaag had gebeeldhouwd, ook nog eens verkleuringen achter.
Na bijna tien jaar van restauraties konden de meeste onvolkomenheden worden verwijderd, maar het vuil op de tombes en andere hardnekkige vlekken vroegen om speciale aandacht. In de maanden voorafgaand aan de coronaepidemie in Italië en vervolgens tijdens de donkerste dagen van de tweede golf, toen buiten het virus huishield, lieten restauratoren en wetenschappers stilletjes vreetgrage microben los op het marmer. ‘Het was topgeheim’, vertelt Daniela Manna, een van de kunstrestauratoren, aan The New York Times.
Ingewanden
Ze schrijft de vervuiling van het marmer toe aan een van de Medici in het bijzonder: Alessandro de’ Medici, die werd vermoord en wiens lijk blijkbaar in de tombe werd bijgezet zonder behoorlijk te zijn ontdaan van zijn ingewanden. Door de eeuwen heen sijpelde zijn stoffelijk overschot volgens experts in het marmer van Michelangelo waardoor vlekken en vervormingen ontstonden. Bacterie Serratia ficaria SH7 wist er wel raad mee.
‘SH7 heeft Alessandro opgegeten’, zegt Monica Bietti, voormalig directeur van het Cappelle Medicee-museum, omringd door de nu glanzende beelden van Michelangelo, dode Medici, toeristen en een volledig vrouwelijk team van wetenschappers, restaurateurs en historici. Haar team gebruikte bacteriën die zich voedden met lijm, olie en kennelijk ook Alessandro’s fosfaten, als een biologisch wapen tegen de eeuwenoude vlekken.
Om de meest geschikte bacteriën te vinden, kozen de onderzoekers uit een verzameling van bijna duizend stammen
In november 2019 schakelde het museum de Italiaanse Nationale Onderzoeksraad in, die infraroodspectroscopie gebruikte waarmee calciet, silicaat en andere organische overblijfselen op de sculpturen en de twee tombes aan het licht werd gebracht.
Dat onderzoek leverde een belangrijke blauwdruk op voor Anna Rosa Sprocati, een bioloog bij het Italiaanse Nationale Agentschap voor Nieuwe Technologieën, om de meest geschikte bacteriën te kiezen uit een verzameling van bijna duizend stammen, die gewoonlijk worden gebruikt voor het afbreken van aardolie bij olievervuilingen of de toxiciteit van zware metalen. Sommige bacteriën aten fosfaten en eiwitten, maar ook het Carrara-marmer waar Michelangelo de voorkeur aan gaf. ‘Die hebben we dus niet gekozen’, merkt Bietti droogjes op.
Vervolgens testte het restauratieteam de meest veelbelovende acht soorten achter het altaar, op een kleine marmeren rechthoek. De bacteriën slaagden voor hun examen en mochten op grote schaal beginnen aan hun feestmaal. Met succes, want de meesterwerken van Michelangelo op deze glorieuze plek liggen er nu weer glanzend en schoon bij.
De terugkeer van het spiritisme
Mediums die beweren met de doden te kunnen communiceren ten overstaan van verbijsterde toeschouwers waren populair in het Victoriaanse tijdperk. In onze digitale tijd zijn ze weer helemaal terug.
‘Het is een goed moment om dood te zijn, als je tenminste contact zou willen houden met de levenden’, schrijft The New Yorker. Want meer dan een derde van de respondenten van een onderzoek onder 5.027 Amerikaanse, Canadese en Britse volwassenen gelooft dat het mogelijk is om met de doden te communiceren, en ‘de meesten daarvan geloven dat ze in contact zijn geweest met een overleden persoon’, meldt Church Times.
The New Yorker verbaast zich over de omvang van het fenomeen: ‘Net als hun collega’s in vorige eeuwen krijgen helderzienden ook nu weer tal van auditoria, collegezalen en verpleeghuizen gevuld. Historische gemeenschappen zoals Lily Dale, in de staat New York en Cassadaga in Florida bloeien op doordat ze jaarlijks door tienduizenden mensen worden bezocht die er séances, genezingsdiensten en lezingen bijwonen.’
‘Voor elk medium is er een medium’
Volgens het tijdschrift zijn er ‘in de Verenigde Staten meer dan honderd kerken gewijd aan spiritualisme, meer dan driehonderd in het Verenigd Koninkrijk en nog honderden anderen in meer dan dertig landen over de hele wereld.’ Het fenomeen doet denken aan het einde van de negentiende eeuw, ‘toen alleen al in de Verenigde Staten tussen de 4 en 11 miljoen mensen zichzelf tot spiritisten verklaarden.’ Met dit verschil dat Amerikanen nu het equivalent van 1,6 miljard euro per jaar uitgeven ‘aan paranormale diensten die op oude en nieuwe platforms worden aangeboden: Instagram, Facebook, TikTok en televisie. Voor elk medium is er een medium.’
Sommige levenden denken al aan hun toekomst in het hiernamaals. Zo bracht Star Trek-ster William ‘Captain KirkÆ Shatner onlangs vijf dagen door in een studio in Los Angeles, volgens Fast Company. De 90-jarige acteur ‘veranderde in een geest’ in een interactieve video van het bedrijf StoryFile. ‘Later kunnen mensen vragen stellen aan Shatners geest. Het StoryFile-systeem “speelt” de antwoorden en creëert de illusie dat William Shatner nog leeft, zelfs lang na zijn dood. Welkom bij het nieuwe spiritualisme’, aldus het tijdschrift.
Ook wetenschappers zijn vandaag de dag geïnteresseerd in paranormale activiteiten, schrijft The New Yorker, net zoals Marie en Pierre Curie een eeuw geleden geloofden dat de wetenschap ‘eindelijk het bestaan zou kunnen bewijzen’ van een spirituele wereld.
Absorptie
SciTechDaily publiceerde de resultaten van een onderzoek dat werd uitgevoerd onder 65 spiritistische mediums om te verklaren waarom sommigen van hen zeggen ‘de doden te kunnen horen’. Volgens deze studie van Durham University, aldus het tijdschrift Mental Health, Religion & Culture, bezitten deze spiritisten de vaardigheid van absorptie: ‘een eigenschap die iemand het vermogen geeft om ondergedompeld te kunnen raken in mentale of gefantaseerde activiteiten of om toestanden van gewijzigd bewustzijn te kunnen ervaren’. Deze ‘paranormaal begaafden’ melden ook vaker ‘ervaringen met ongebruikelijke auditieve verschijnselen, zoals het horen van stemmen, iets dat al vaak vroeg in hun leven voorkomt’.
De heropleving van het spiritisme beantwoordt volgens The New Yorker aan een diepe behoefte: ‘De angst voor de dood heeft altijd de droom van onsterfelijkheid geïnspireerd en de hoop die het Victoriaanse spiritisme koesterde is van alle tijden: de kloof te kunnen overbruggen tussen ons en degenen die we hebben verloren, te weten dat ze veilig en tevreden zijn, en te kunnen geloven dat ze evenveel aan ons denken als wij aan hen.’
De wijdverbreide en systematische olievervuiling in Nigeria is een schrijnend voorbeeld van de straffeloosheid van multinationals. Boosdoener Shell achtte zich niet verantwoordelijk voor tekortkomingen van haar Nigeriaanse dochterbedrijf. Maar het Britse hooggerechtshof oordeelde anders.
Op 12 februari 2021 oordeelde het Britse hooggerechtshof dat de Brits-Nederlandse oliegigant Shell voor de Engelse rechter kan worden gedaagd door twee Nigeriaanse gemeenschappen die decennialang ernstige schade hebben geleden door olievervuiling. De uitspraak is een mijlpaal in de strijd voor de verantwoordingsplicht van multinationals. Het hooggerechtshof heeft nu, zowel in de zaak Okpabi versus Shell als in zijn eerdere uitspraak in 2019 in de zaak Lungowe versus Vedanta, unaniem bepaald dat moedermaatschappijen juridisch aansprakelijk kunnen worden gesteld voor schade die door hun buitenlandse dochters is aangericht. Het vergde jaren van procederen om tot dit punt te komen.
Klimaatzaak tegen Shell
Een rechtbank in Den Haag heeft op woensdag 26 mei Royal Dutch Shell bevolen om haar wereldwijde CO2-uitstoot tegen eind 2030 met 45 procent te verminderen ten opzichte van het niveau van 2019, in een baanbrekende zaak die was aangespannen door Milieudefensie en meer dan 17.000 mede-eisers.
Het duurzaamheidsbeleid van de oliegigant werd door de Nederlandse rechtbank onvoldoende ‘concreet’ bevonden in een ongekende uitspraak, die verstrekkende gevolgen zal hebben voor de energie-industrie en andere vervuilende multinationals, schrijft The Guardian.
Shell, dat zegt tegen het vonnis in beroep te zullen gaan, was volgens de Carbon Majors-database in de periode 1988-2015 de negende grootste vervuiler ter wereld, aldus het Britse dagblad.
De zaak-Okpabi was een vijf jaar durend juridisch gevecht waarin Shell aanvoerde dat zij in het Verenigd Koninkrijk niet wettelijk verantwoordelijk kon worden gehouden voor tekortkomingen van haar Nigeriaanse dochterbedrijf. De meer dan tien jaar durende parallelle rechtszaak in Nederland culmineerde in de recente uitspraak van het Nederlandse gerechtshof dat Shell aansprakelijk stelde voor de geleden olieschade door twee gemeenschappen. Deze vonnissen hebben een juridisch kader voor de toekomst geschapen en de weg vrijgemaakt voor andere internationale mensenrechten- en milieuzaken in Britse rechtbanken tegen bedrijven die zich schuldig maken aan wangedrag. Voor gemeenschappen over de hele wereld die machteloos stonden tegenover multinationals gloort er na deze uitspraken nieuwe hoop.
Zuigelingen in de Nigerdelta hebben tweemaal zoveel kans om tijdens de eerste maand van hun leven te overlijden als hun moeder in de buurt van een olielek woont
Weinig situaties illustreren het huidige probleem van de straffeloosheid van multinationals zo duidelijk als de wijdverbreide en systematische olievervuiling in Nigeria. Deskundigen schatten dat de bewoners van de Nigerdelta de afgelopen vijftig jaar jaarlijks te maken hebben gehad met olielekkages die vergelijkbaar zijn met de door Exxon Valdez veroorzaakte milieuramp in Alaska: gemiddeld zo’n 240.000 vaten per jaar. Achter deze statistieken gaat een menselijke tragedie van ongekende proporties schuil. De vervuiling leidt tot ernstige gezondheidsproblemen en een verhoogd sterftecijfer onder de lokale bevolking.
Uit een recente studie van de universiteit van St. Gallen in Zwitserland blijkt dat zuigelingen in de Nigerdelta tweemaal zoveel kans hebben om tijdens de eerste maand van hun leven te overlijden als hun moeder in de buurt van een olielek woont. Dit komt neer op een schandalig aantal van elfduizend vroegtijdige sterfgevallen per jaar. De situatie is bijzonder schrijnend in Ogoniland, van waaruit Ken Saro-Wiwa begin jaren negentig strijd voerde tegen Shell.
In 2011 meldde de milieuorganisatie van de Verenigde Naties (UNEP) in haar rapport over Ogoniland dat de bevolking dagelijks is blootgesteld aan ernstige olievervuiling, die heeft geleid tot verontreinigde lucht, landbouwgrond en waterbronnen. Volgens de bevindingen van UNEP was de volksgezondheid ernstig in gevaar. Kort na publicatie van het rapport werden er borden rond de getroffen gebieden geplaatst, waarop duidelijk werd gemaakt dat het drinkwater ongeschikt was voor menselijke consumptie en dat grote delen van het land en de waterwegen onveilig waren.
Hoe kan het dat deze menselijke tragedie blijft voortbestaan terwijl westerse oliemaatschappijen vrolijk winst blijven maken?
UNEP drong aan op ‘’s werelds grootste schoonmaakoperatie in de geschiedenis’. Het is schokkend om te zien dat het gebied tien jaar na dato nog altijd zwaar is vervuild, dat schoonmaak nooit heeft plaatsgevonden en dat de bewoners nog altijd water drinken uit verontreinigde putten. De indertijd geplaatste waarschuwingsborden zijn inmiddels verroest en nauwelijks leesbaar.
Zwakke regelgeving
Hoe kan het dat deze menselijke tragedie blijft voortbestaan terwijl westerse oliemaatschappijen vrolijk winst blijven maken? Kort gezegd biedt de zwakke regelgeving ruimte aan inhalige bedrijven die geen geld willen investeren in hun infrastructuur en hun olievervuiling weigeren op te ruimen, waardoor honderden gemeenschappen met pijpleidingen van oliereuzen op hun land al tientallen jaren zwaar verontreinigd achterblijven – zonder dat de vervuiling wordt opgeruimd en zonder enige compensatie. Aangezien de kans op een eerlijk proces in Nigeria nihil is, wenden steeds meer gemeenschappen zich tot westerse rechters om de moederbedrijven die de vruchten plukken van de Nigeriaanse oliewinning ter verantwoording te roepen.
De Ogale- en Bille-gemeenschap, zo’n 50.000 boeren en vissers die schade hebben geleden door decennialange olievervuiling, namen in 2016 het Britse advocatenkantoor Leigh Day in de arm om Shell voor de rechter te dagen en het opruimen van de verontreiniging en schadevergoeding te eisen. De dorpsgemeenschappen betoogden dat Shell de supervisie en de zeggenschap had over Shell Nigeria en dat het moederbedrijf daarom direct aansprakelijk was voor de tekortkomingen van haar dochters. In reactie daarop stelde Shell dat de band tussen moeder en dochter zo los is dat ze nauwelijks meer is dan een aandeelhouder.
Het olieconcern trachtte de rechters ervan te overtuigen dat de moedermaatschappij niet aan de touwtjes trok in Nigeria en dat Shell Nigeria werd aangestuurd door andere onderdelen van Shell, niet door de moedermaatschappij zelf. Tegelijkertijd weigerde Shell interne stukken te overhandigen die licht zouden werpen op de werkelijke relatie tussen het moederbedrijf en haar dochter.
Aansprakelijkheid
De Britse lagere hoven – het gerechtshof en het hof van beroep – hadden zich door de argumenten van Shell laten overtuigen en verwierpen de zaak al in het stadium waarin de rechterlijke bevoegdheid werd bepaald. Het hof van beroep oordeelde dat de eisende partij duidelijk bewijs van ‘operationele controle’ moest leveren, wat natuurlijk onmogelijk was zonder toegang tot interne bedrijfsdocumenten. Het hof stelde tevens dat de mondiale beleidskaders die van moederbedrijven naar beneden worden doorgegeven in principe nooit aanleiding kunnen geven tot wettelijke aansprakelijkheid.
Het Britse hooggerechtshof was het hier in februari niet mee eens. Het stelde het hof van beroep unaniem in het ongelijk en oordeelde dat er een goed verdedigbare zaak tegen Shell bestond. De rechters oordeelden dat de lagere rechtbanken te snel hadden gehandeld door een soort miniproces te voeren, nog voordat er stukken openbaar waren gemaakt en getuigenverklaringen waren gehoord. Bovendien hadden ze geen rekening gehouden met het ‘evidente belang’ van interne documenten die licht zouden kunnen werpen op de ware aard van de relatie tussen de moeder- en dochterbedrijven. Belangrijk is ook dat het hooggerechtshof de beperkte definitie van de aansprakelijkheid van het moederbedrijf waar het hof van beroep van uitging, heeft verworpen.
Een moedermaatschappij is niet alleen aansprakelijk wanneer er een ‘zeggenschapsrelatie’ bestaat maar ook wanneer sprake is van supervisie, advies of andere vormen van bemoeienis die niet direct als zeggenschap kunnen worden aangemerkt. Daaronder zouden ook mondiale beleidskaders vallen, die door eventuele tekortkomingen schade kunnen veroorzaken. Opmerkelijk is dat het hooggerechtshof oordeelde dat ook publieke toezeggingen van een moederbedrijf als wettelijke verplichting kunnen worden afgedwongen wanneer het bedrijf ze niet inlost. Het lijkt erop dat het hooggerechtshof van multinationals verwacht dat zij hun verplichtingen nakomen.
Natuurlijk is de Nigerdelta slechts één voorbeeld van het veel grotere probleem van de onaantastbare positie van multinationals in ontwikkelingslanden. De uitspraak van het Britse hooggerechtshof zal verstrekkende gevolgen hebben voor de verantwoordingsplicht van bedrijven, en gemarginaliseerde gemeenschappen over de hele wereld zullen er in de rechtbank een beroep op doen. Deze ontwikkeling wordt nog versterkt door belangrijke wetgevingsinitiatieven in de EU om bedrijven te verplichten mensenrechten te respecteren en onderzoek te doen naar eventuele schendingen daarvan bij hun dochterondernemingen en in hun toeleveringsketen.
Het tijdperk van de straffeloosheid van multinationals loopt ten einde. Voor de getroffen gemeenschappen over de hele wereld is dat natuurlijk een positieve ontwikkeling, maar tevens iets wat al lang geleden had moeten gebeuren.
Het geweld tussen Israël en Hamas is niet onoplosbaar, meent Haaretz. Maar dan moet de regering van Israël wel een nieuwe weg inslaan. Die klampt zich nog altijd vast aan de fictie van een eenvoudig juridisch probleem en een ‘lokaal conflict’.
In Oost-Jeruzalem zijn de Palestijnse betogingen en de huidige botsingen met de Israëlische politie het resultaat van tientallen jaren spanningen en juridische gevechten over het lot van Sheikh Jarrah, een kleine Arabische wijk in het noorden van de Oude Stad, waar de bewoners met uitzetting worden bedreigd door een groep Joodse kolonisten.
Om te begrijpen wat er op het spel staat moeten we teruggaan in de geschiedenis. In 1876, tijdens de Ottomaanse periode en vóór de opkomst van de zionistische beweging in 1897, kochten de religieuze besturen van de Sefardische en Asjkenazische Joden in Jeruzalem een lapje grond in Sheikh Jarrah, in de buurt van de tombe van Shimon Hatsadiq (Simon II de Rechtvaardige), een Joodse hogepriester uit de Oudheid. Daar werd een kleine Joodse wijk gesticht.
Toen in 1948 de oorlog uitbrak, moesten tienduizenden burgers hun huis ontvluchten
Toen in 1948 de oorlog uitbrak, moesten tienduizenden burgers hun huis ontvluchten, en aan het eind van de onafhankelijkheidsoorlog deelde een Israëlisch-Jordaanse bestandslijn de stad in tweeën. De overgrote meerderheid van de vluchtelingen bestond uit Arabieren (vijfentwintigduizend zielen) die hun have en goed moesten verlaten omdat die voortaan ten westen van de groene lijn waren gesitueerd, in het Israëlische gedeelte, terwijl een kleine Joodse minderheid (zeventienhonderd zielen) haar bezittingen in het Jordaanse gedeelte ten oosten van de bestandslijn moest achterlaten, voornamelijk in de historisch Joodse wijk van de Oude Stad.
Na de oorlog van 1948 nam het Israëlische parlement een wet aan die Joodse vluchtelingen recht gaf op een vergoeding ter waarde van de goederen die ze in Oost-Jeruzalem hadden moeten achterlaten. Evenzo lieten Jordanië en de Verenigde Naties in 1956 achtentwintig huizen in de wijk Sheikh Jarrah bouwen voor Palestijnse vluchtelingenfamilies.
Terugeisen
Tijdens de Zesdaagse Oorlog in 1967 veroverde en annexeerde Israël de Oude Stad en West-Jeruzalem. Sinds de hereniging stipuleert de Israëlische wet dat de Joden het recht hebben bezittingen terug te eisen die tussen 1948 en 1967 in Oost-Jeruzalem zijn achtergelaten. Dezelfde wet bepaalt expliciet dat het omgekeerde niet geldt voor de Arabieren die hun door Israël gevorderde en genationaliseerde bezittingen in West-Jeruzalem hebben moeten achterlaten.
In Sheikh Jarrah bleef alles ondanks de Israëlische verovering van Oost-Jeruzalem lange tijd bij het oude, totdat de extreemrechtse kolonisten er in het begin van de jaren 2000 aanspraak op gingen maken.
In die tijd hadden de religieuze besturen van de Sefardische en Asjkenazische Joden in Jeruzalem, na een tijdlang hun eigendomsrechten te hebben uitgeoefend, die rechten overgedragen aan het Israëlische vastgoedbedrijf Nahalat Shimon (Erfenis van Simon), een filiaal van Nahalat Shimon International, een maatschappij die geregistreerd staat in de Amerikaanse staat Delaware. Omdat Delaware bekendstaat om zijn volstrekt ondoorzichtige wetgeving, is niet te achterhalen wie de aandeelhouders zijn van het moederbedrijf.
Sinds 2003 is Nahalat Shimon verwikkeld in een juridische strijd die niet alleen tot doel heeft de afstammelingen van de Palestijnse vluchtelingen uit hun huizen in Sheikh Jarrah te verdrijven, maar ook om de hele wijk plat te gooien en er tweehonderd woningen voor Joodse families voor in de plaats te bouwen.
Tot dusver was het vastgoedbedrijf erin geslaagd vier Arabische families uit hun huis te laten zetten. Maar momenteel worden, ingevolge een vonnis van het Israëlische hooggerechtshof (dat overigens gezien het politieke klimaat zijn zitting van 10 mei heeft verdaagd), driehonderd bewoners van dertien panden met uitzetting bedreigd ten gunste van Joodse kolonisten.
Zeker 30 procent van het onroerend goed in Oost-Jeruzalem behoort aan Arabieren toe
Deze dreiging verklaart de recente protesten van Palestijnen in zowel Oost-Jeruzalem als in de door Israël bezette gebieden en het buitenland. Door zich te beroepen op de eigendomsrechten van fysieke en morele Israëlisch-Joodse rechtspersonen op goederen die sinds zeven decennia in het bezit zijn van Palestijnen in Oost-Jeruzalem, heeft het gerecht een doos van Pandora geopend: volgens de meest voorzichtige schattingen behoorde voor de oorlog van 1948 30 procent van het onroerend goed in Oost-Jeruzalem aan Arabieren toe.
Natuurlijk sluit de Israëlische wet iedere wederkerigheid voor Arabische eigenaars uit, maar het geval-Sheikh Jarrah zou de oude Palestijnse eigendomsaanspraken op hele wijken in Oost-Jeruzalem weleens nieuw leven kunnen inblazen en zelfs tot acties bij het Internationaal Strafhof (ICC) kunnen leiden.
Toch zou deze tijdbom met een klein beetje politieke moed van de kant van Israël onklaar kunnen worden gemaakt.
In 2010 hebben twee onderzoekers van het Jerusalem Institute for Policy Research, Yitzhak Reiter en Lior Lehrs, een eenvoudige oplossing voorgesteld: de grond onteigenen die op papier aan Nahalat Shimon toebehoort. Sinds 1967 heeft de Israëlische staat in Oost-Jeruzalem duizenden hectares grond van Palestijnse eigenaars onteigend om er een enorme strook Israëlische wijken te bouwen. Dus waarom zou diezelfde staat nu niet een kleine uitzondering kunnen maken door een onteigeningsprocedure van maar enkele hectares te starten, maar ditmaal ten bate van enkele honderden Palestijnen in Oost-Jeruzalem in ruil voor een schadeloosstelling voor vastgoedbedrijf Nahalat Shimon.
Vernieuwende oplossing
Ter onderbouwing van hun voorstel citeren Reiter en Lehrs een niet-bindende uitspraak die in 1999 is gedaan door Menachem Mazuz, destijds viceprocureur-generaal. Ten aanzien van een zaak die sterk leek op die in Sheikh Jarrah achtte Mazuz het ‘ondenkbaar dat de Israëlische regering haar onteigeningen kan motiveren door verwijzing naar het nationaal belang (van Israël), maar niet overweegt hetzelfde te doen omwille van de vrede en diplomatie’.
Volgens de twee Israëlische onderzoekers zou zo’n moedige en vernieuwende oplossing louter voordelen met zich meebrengen voor de Hebreeuwse staat. Om te beginnen zouden op korte termijn de huidige spanningen worden bedwongen en zou er snel een eind komen aan de gewelddadigheden. Ten tweede zou Israël minder moeite hebben om zijn positie inzake de kwestie Jeruzalem te verdedigen tegenover de internationale gemeenschap. Ten derde zou het dossier Jeruzalem op een constructievere manier worden behandeld door het ICC. En ten vierde zouden de Palestijnse argumenten om het dossier te heropenen van de Arabische goederen die na 1948 in West-Jeruzalem zijn achtergelaten worden verzwakt.
Al Jazeera maakte een documentaire over een Palestijnse familie die haar huis in Jeruzalem werd uitgezet.
Maar de regering klampt zich nog altijd vast aan de fictie van een eenvoudig juridisch probleem en een lokaal conflict, terwijl de Palestijnen steeds beter in staat zijn aan te tonen dat de handen van de Israëlische justitie zijn gebonden door een in wezen discriminerende wetgeving. Als om hun gelijk te geven brengt de Israëlische staat sinds enkele weken een enorme politiemacht op de been, die niet alleen de Palestijnse betogingen op een gewelddadige manier onderdrukt, maar ook aan de kant van de Israëlische kolonisten staat.
Er bestaat een eenvoudige, evenwichtige en rechtvaardige oplossing voor het probleem Sheikh Jarrah. Maar die vergt een politieke moed waaraan het de Israëlische leiders tot nu toe ontbreekt.
Ze worden gevreesd – en vereerd. In Afghanistan staan ze op het punt de macht weer over te nemen. Verslaggevers van Die Zeit reisden met toestemming van lokale leiders dagenlang door het land van de taliban.
De 9e editie van de European Press Prize
Voor de vijfde keer op rij maakte 360 een selectie uit de shortlist van European Press Prize.
Dit verhaal uit Die Zeit is een van de vijf genomineerden voor de Distinguished Reporting Award.
De European Press Prize werd in 2013 opgericht vanuit de overtuiging ‘dat journalistiek een van de grote verbinders is in een Europa dat leert en groeit dankzij de verhalen van verslaggevers’. Dit jaar was er een recordaantal inzendingen, met meer dan duizend deel-nemers uit bijna alle 47 landen van de Raad van Europa en ook daarbuiten. Journalisten uit achttien verschillende landen – van Spanje tot Wit-Rusland, van Denemarken tot Griekenland – zijn geselecteerd voor de shortlist.
De finalisten kozen belangrijke Europese thema’s, waaronder de gevolgen van de pandemie; de Black Lives Matter-beweging; migratie en mensenhandel; vrouwenrechten in de sport en vele andere.
Onze selectie uit deze shortlistverhalen leest u de komende weken op onze site. Voor het magazine kozen wij dit uitzonderlijke verhaal, voorzien van uitzonderlijk mooi beeld, over degenen die vochten tegen het machtigste leger ter wereld en een land creëerden dat officieel niet op de kaart staat: het land van de taliban.
Op 3 juni is bekendgemaakt dat ‘Love in the time of plague’ van Janusz Schwertner, gepubliceerd door de Poolse Nieuwssite Onet, de winnaar is geworden van de Distinguished Reporting Award.
‘Het indrukwekkendste stuk van dit jaar vond ik “De wedergeboorte van de taliban”, waarin twee Die Zeit-redacteuren reizen door talibangebied in de periode dat Afghanistan nog niet volledig in handen was gevallen van de islamistische rebellen. Het geeft een verrassend eerlijke inkijk in de wereld van theehuizen, madrassa’s en shariarechtbanken.’
Dit artikel, door European Press Prize genomineerd voor de Distinguished Reporting Award, had in ons juninummer nog de ondertitel “Een reis door een land dat officieel niet bestaat”, maar sinds de machtsovername is die inmiddels achterhaald.’
Het eerste contact. Een stem uit de telefoon. De speaker kraakt. De stem klinkt gedecideerd, maar ook jong, kwetsbaar bijna. Onderweg geeft de stem ons de laatste aanwijzingen. Vier uur rijden van Kaboel, de provincie Ghazni, midden in Afghanistan. Op de grote weg zijn we langs de ruïnes van verwoeste legerbases gekomen, langs wrakken van uitgebrande militaire voertuigen. Op hele stukken van de weg zit elke honderd meter een diepe krater. Dan zegt de stem dat we moeten afslaan, ze loodst ons steeds verder van de grote weg, steeds verder het land in, waar nauwelijks wegen zijn, alleen geitenpaadjes. De wielen van de Toyota slippen in het zand, dan komt de auto weer op de rotsige bodem terecht. Even later, na de laatste post van de regeringssoldaten, ligt op een heuvel een vesting waar de Afghaanse vlag wappert. Dan valt de verbinding weg.
‘Is dit wel de goede plek?’ vraagt onze chauffeur even later. Op een dorpsplein staan we gespannen te wachten, het plein is leeg, het dorp lijkt verlaten. De chauffeur kijkt op de telefoon, nog steeds geen verbinding. De plaats waar we elkaar zouden ontmoeten is het eerste dorp voorbij de grens van het regeringsgebied. Een paar armzalige lemen hutten. Al jaren geleden zijn de mensen hier uit angst gevlucht. Niemandsland. ‘Ik weet niet of we hier wel goed zijn,’ zegt de chauffeur nog een keer. Net als we overwegen om terug te keren verschijnen er opeens zeven gewapende mannen op het plein. ‘Vrede zij met u,’ zegt degene met de jongensachtige stem, die we al kennen van de telefoon.
Omar Sadiq, de lijfwacht van gouverneur Ahmadi van het militaire district Natur, bij de ingang van de plaatselijke moskee waar Ahmadi is voor een bijeenkomst.Districtscommandant Ahmadi bidt samen met zijn lijfwachten in Hotel Said aan de Nawur Ghazniweg.Vergadering van het gerechtshof van de taliban in de enige overgebleven intacte kamer van het voormalige district- en politiehoofdkwartier van Rashidan. Maulawi Shakir (midden) is voorzitter van de plaatselijke rechtbank.
Hij glimlacht, maar zijn lachje verdwijnt snel weer. Nisar, stelt hij zich voor, een naam waarvan hij weet dat wij weten dat het niet zijn echte naam is. Hij zal ons de komende dagen begeleiden. Wij, verslaggevers van Die Zeit, hebben maanden aan de voorbereiding van deze reis gewerkt. Toch zijn we nerveus. We begeven ons in handen van degenen van wie we tot nu toe vreesden dat ze ons zouden kunnen ontvoeren.
Om veiligheidsredenen blijven westerse journalisten tot nu hoogstens een paar uur achtereen bij de taliban. Wij zijn de eersten in jaren die zich een paar dagen lang aan hen toevertrouwen. We willen een reportage maken over de mannen die het machtigste land ter wereld militair murw hebben gemaakt en die een land hebben gecreëerd dat officieel op geen enkele kaart staat, het land van de taliban. Veel mensen vrezen de taliban. Toch worden ze ook bewonderd, mensen laten zich voor hen de dood in jagen, laten zich voor de beweging folteren en opsluiten. De taliban, de hoop voor velen.
Restanten
De religieuze strijders controleren in de herfst van 2020 weer 80 procent van Afghanistan. De regering van president Ashraf Ghani is teruggedreven naar de provinciecentra en de hoofdstad Kaboel. De restanten van een staat die steeds verder krimpt. De taliban staan al in de buitenwijken van Kaboel. De vluchtelingen die de laatste jaren hun toevlucht in de hoofdstad hebben gezocht, moeten het met steeds minder ruimte doen. Na twee decennia trekken de Amerikanen binnenkort hun troepen terug. De corruptie onder de autoriteiten neemt hand over hand toe. Iedereen probeert voor hij in ballingschap gaat zoveel mogelijk geld naar het buitenland te brengen. Een staatsapparaat kort voor de algehele instorting. Gevreesd wordt dat binnenkort de eerste legereenheden zullen overlopen. In Doha onderhandelen delegaties van de regering en de taliban al sinds midden september over een wapenstilstand; of, zoals veel mensen denken, over een capitulatie.
De jonge talib Nisar, in het zwart gekleed, zwarte tulband, met een kalasjnikov over zijn schouder, rijdt op een motor voor ons uit. De weg voert naar het gebergte, wordt steeds steiler, we passeren de laatste groene velden, om ons heen alleen nog naakte witte rotsen. De weg, voor zover er van een weg sprake is, is smal, uitgehouwen in de rotswand. Aan de andere kant een afgrond. De stenen die door de wielen worden losgeslagen, vallen honderden meters omlaag. Bij elke haarspeldbocht wacht Nisar ons op, een tenger silhouet in het zwart, bocht na bocht, tot aan de pas op bijna 3000 meter hoogte.
Tot vlak voor ons vertrek dreigden de afspraken met de taliban te mislukken. Contact opnemen is riskant. Het wederzijds wantrouwen is groot. Enkele journalisten die dachten op het woord van een talibancommandant te kunnen vertrouwen, zijn ontvoerd. Als we het gebied verlaten waar de regering aan de macht is, voelt dat als volledig controleverlies. Alsof je vanuit een ruimteschip de gewichtloosheid van het heelal in zweeft. Onze enige garantie dat we niet in deze steenwoestijn verloren zullen gaan, is een gesproken WhatsAppbericht. Onze reddingslijn: een andere stem, een oudere nu. De stem van de woordvoerder van de hoogste taliban. Een audioberichtje als vrijgeleide.
De mannen die meestal westerlingen als wij ontvoeren, moeten ons nu beschermen. Dat hopen we tenminste. Rond het middaguur bereiken we de vallei aan de andere kant van het bergmassief. Hier zijn de taliban al bijna tien jaar ongehinderd aan de macht. Het district heet Rashidan en is betrekkelijk klein, maar strategisch belangrijk omdat het grenst aan Ghazni, de hoofdstad van de provincie. Ingebed in de groene strook akkers en bosjes langs de rivier ligt een tiental dorpen. Verder alleen schrale grond, stof en stenen. Nisar wil ons naar het districtscentrum brengen in het dorp Hussein Chel. Hier bevindt zich ook de markt, waar de sporen van de oorlog nog duidelijk zichtbaar zijn. De scholieren van de middelbare school waar Nisar stopt, kijken nieuwsgierig uit het raam. Voor de ingang worden we opgewacht door een gesloten front van twintig mannen met zwarte tulbanden.
‘Hartelijk welkom in de Islamitische Emiraten,’ zegt Mawlawi Nasrat, de talibancommandant van Rashidan. Hij geeft een slap handje, naar Afghaans gebruik omhelst hij ons, maar aarzelend. ‘De Amerikanen en u, hun bondgenoten, hebben ons land aangevallen,’ zegt hij. ‘Wij hebben ons land alleen verdedigd. U hebt ons deze oorlog opgedrongen.’ Nasrat vraagt ons binnen te komen. De taliban en wij gaan in de lerarenkamer op de grond zitten. Ze hebben nooit eerder westerse journalisten ontmoet. Sommigen kijken ons vol haat aan, de meesten zijn, zo te zien, nieuwsgierig.
Het leek alsof de taliban het verscheurde land na vijfentwintig jaar oorlog vrede konden brengen
In de kamer hebben zich leden van de Provinciale Raad, rechters van verschillende rechtbanken en een paar afgevaardigden van de zedenpolitie verzameld, die in de dorpen de islamitische kledingvoorschriften en de lengte van de baarden controleert. Verder zijn de gevolmachtigde voor het onderwijs, die toezicht houdt op de scholen, en een belastingontvanger aanwezig. Een doorsnee van het ambtelijk apparaat dat de taliban de afgelopen jaren ontwikkeld heeft. De regering in Kaboel is hier in Rashidan allang geschiedenis. ‘Kijk eens rond in ons district!’ zegt Nasrat, de commandant, begin dertig. ‘Praat met de mensen. Ze zijn gelukkig, omdat wij ons aan de Koran en de sharia houden. De regering in Kaboel die door jullie buitenlanders is neergezet, is een corrupte bende. Ze is moreel verdorven. Bij ons bestaat geen corruptie. Wij zijn hier om Allah te dienen en de problemen van de mensen op te lossen.’
Met de taliban had niemand in Afghanistan meer rekening gehouden. Ze waren verpletterend verslagen. Het leger van de Verenigde Staten had ze na de aanslagen in New York van 2001 in een paar weken tijd naar de vergetelheid gebombardeerd. Naar schatting twintig procent van alle talibanstrijders zijn toen om het leven gekomen. De rest vluchtte naar Pakistan of dook onder. Om te voorkomen dat Afghanistan opnieuw door radicale groeperingen zou worden overheerst, heeft de wereldgemeenschap daarna een enorme operatie op touw gezet. Vijftig landen hebben soldaten en ontwikkelingswerkers gestuurd. Alleen al de VS hebben 1000 miljard dollar geïnvesteerd. In Afghanistan moest worden bewezen dat het mogelijk is de situatie in een land ten goede te keren en er het kwaad uit te roeien. Het kwaad, dat zijn de taliban.
Hun oorsprong is duister. Hun oprichter, moellah Mohammed Omar, die in de jaren tachtig tijdens de oorlog tegen de Russen een oog verloor, is een mythisch figuur. Tot zijn dood in 2013 bestond van hem maar één enkele foto. Na de ineenstorting van het communistische regime in 1992 was hij leraar in een moskee in de buurt van Kandahar. Het land was in handen van honderden warlords en hun strijders, de moedjahedien, en georganiseerd in tientallen verschillende, elkaar bestrijdende allianties. Het waren de bloedigste jaren van de burgeroorlog. Afghanistan verzonk in anarchie. Begin 1994 ontvoerde een plaatselijke warlord twee meisjes, liet hun hoofd kaalscheren en hield hen vast in zijn legerbasis, waar ze werden verkracht. Omar riep dertig leerlingen van zijn Koranschool bij elkaar, ‘taliban’ – talib, meervoud taliban, betekent gewoon ‘leerling’. Ze bewapenden zich met zestien geweren, trokken naar het huis van de warlord, bevrijdden de meisjes en knoopten de warlord op aan de loop van een tank.
De geschiedenis van de taliban, die de wereld later zou leren kennen als de groepering die de vrouwen in het land onderdrukte, begon met de bevrijding van twee vrouwen. Daarna zochten steeds meer mensen moellah Omar op om zijn hulp in te roepen bij overvallen van de warlords. Leerlingen van andere Koranscholen sloten zich bij hem aan. Maanden later controleerden ze hele provincies en aan het eind van het jaar had moellah Omar twaalfduizend aanhangers. Al snel noemde hij zichzelf Almir-al Mu’min: leider der gelovigen. Spoedig stroomde ook het geld binnen. Fracties van de moedjahedien gaven hem geld in de hoop de taliban ook tegen hun tegenstanders te kunnen inzetten. Pakistan, dat de moedjahedien steunde in hun strijd tegen de Russen, gaf geld om hen beter te kunnen controleren. De taliban begonnen in Afghanistan als verlossers. Het leek alsof zij het verscheurde land na 25 jaar oorlog vrede konden brengen. Maar ze brachten alleen nog meer bloedige strijd. Al meer dan 42 jaar is er in Afghanistan geen vrede.
‘We hebben van de fouten in het verleden geleerd,’ zegt Nasrat, de commandant van Rashidan. ‘Vroeger zouden ze na de verovering van een district een van de strijders tot gouverneur hebben benoemd. Die wisten niet hoe ze met de bevolking moesten omgaan,’ zegt hij. ‘Dat is nu anders, we hebben allerlei deskundigen.’ Hij kijkt steeds ongemakkelijk in de richting van Nisar, die naast hem is gaan zitten. De jonge talib die ons heeft opgehaald, is door de shura, de centrale raad van de taliban in Pakistan, afgevaardigd om ons te begeleiden. Hij heeft kohl om zijn ogen, wat hem volgens de Pasjtoense cultuur tegen het boze oog beschermt. Hij is pas drieëntwintig en heeft nog geen volle baard. Nasrat, een kop groter en tien jaar ouder, heeft ruwe handen en is gewend aan zwaar werk, een boer die revolutionair is geworden. ‘We hebben zoveel deskundigen dat we heel Afghanistan kunnen besturen,’ zegt Nasrat, de commandant. ‘We weten nu hoe dat moet.’
‘Vertel hun,’ spoort Nisar hem aan, ‘dat we beter naar de bevolking luisteren.’ ‘We luisteren nu beter naar wat de mensen willen,’ zegt Nasrat. ‘Wat dacht je ervan,’ stelt Nisar voor, ‘als je zegt dat er vrede zal komen als alle buitenlandse troepen zijn vertrokken?’ Nisar zegt openlijk voor wat Nasrat moet zeggen. Hij is van de media-afdeling van de taliban. In de meeste provincies runnen ze een radiozender, geven ze kranten uit en opereren ze op socialemediaplatforms. Mannen als Nisar vormen de jonge elite van de taliban. Technologisch zijn ze vaardiger, en ze maken filmpjes van jonge zelfmoordaanslagplegers voordat die zich in een mensenmenigte opblazen.
Het symbool van hun overwinning ligt op een hooggelegen plek van waar je uitkijkt over het dorp. Nasrat en Nisar verlaten de school en lopen over de markt. Officieel is die van de regering, maar de handelaars betalen hun marktgeld allang aan de taliban. Er zijn drie apotheken, verscheidene werkplaatsen waar vooral de motoren van de taliban worden onderhouden, levensmiddelenwinkels en een paar kleermakers. Van de 250 winkels zijn er vijftig geopend. Er zijn maar weinig mannen die het zonder volle baard durven te stellen en maar een enkeling draagt geen tulband. De nieuwe dresscode van de taliban is eigenlijk de oude. De baard niet langer en niet korter dan een handbreedte, net zoals de profeet hem droeg. Handelaars en klanten kijken ons na. Ze weten niet of we gijzelaars of gasten zijn.
Dan staan we voor de aarden wal van het districtshoofdkwartier, een vesting hoog boven het dal. ‘Dit was mijn grootste overwinning,’ zegt Nasrat, terwijl hij door de poort loopt. Er is alleen een ruïne overgebleven. Op de binnenplaats groeit gras. De muur is op enkele plaatsen ingestort, de twee hoofdgebouwen zijn opgeblazen. Acht jaar geleden bestormde de groep van Nasrat de basis, waarbij ze drie tanks hebben vernietigd en 46 politieagenten gedood. De sporen van hun laatste wanhoop: de ramen van de gebouwen zijn met leem dichtgesmeerd, de ingestorte muren versterkt met zand. ‘Moet je zien hoe ze hun gevangenen behandelden,’ zegt Nasrat terwijl hij ons op de binnenplaats een betonnen gat in de grond aanwijst. Daar beneden lieten de agenten verdachte dorpelingen creperen. ‘In strijd met de mensenrechten,’ zegt Nasrat, maar hij verzwijgt dat ook de taliban hun gevangenen in holen en koeienstallen opsluiten. De overwinnaar bepaalt hoe je het verleden interpreteert. Op het dak wappert de vlag van de taliban, wit met in het zwart het opschrift ‘Er is geen God naast Allah, en Mohammed is zijn Profeet’.
Altijd haast
Slechts één vertrek is intact gebleven. Een kale kamer met matten van boombast op de grond. ‘Dit is tegenwoordig ons hoofdkwartier,’ zegt Nasrat. Maar dat is niet juist. Uit angst voor drone-aanvallen houden de taliban zich maar zelden lang in hetzelfde gebouw op. Op onze reis is dat niet anders. De bijeenkomsten zijn kort. Ze hebben altijd haast. Ze arriveren op een tiental motoren, alleen Nasrat als commandant heeft een auto, dan gaat de groep weer uiteen en rijdt iedereen een andere kant op, zonder af te spreken waar en wanneer precies we elkaar weer zien. ’s Nachts worden we alleen gelaten. Niemand die ons bewaakt. Desondanks, dat weten we zeker, wordt Nasrat over al onze bewegingen geïnformeerd. ’s Nachts is het in het dal aardedonker. De dichtstbijzijnde openbare stroomvoorziening is in de hoofdstad van de provincie Ghazni, 88 kilometer verder. Onze eerste gastheer, die iets welvarender is dan zijn buren, heeft als enige stroombron een auto-accu, die hij oplaadt met een zonnepaneel op zijn dak. Er kunnen twee gloeilampen tegelijk op branden.
In de beschutting van de avond praten we met inwoners van de dorpen. Om hen niet in gevaar te brengen, ontmoeten we andere na deze reis in de veiligheid van Kaboel. Wat we willen weten is: hoe is het leven onder de nieuwe taliban echt?
Een man van rond de veertig, goed opgeleid, geboren in Rashidan:
‘De eerste jaren na de val van de regering van de taliban dacht niemand dat er opnieuw oorlog zou komen. We waren optimistisch. Iedereen was zo moe, zelfs onze plaatselijke taliban waren moe. Ze waren teruggekeerd naar hun gezinnen en weer boer geworden. Ze vochten niet tegen de regering. In het begin waren de taliban ook niet tegen de internationale hulporganisaties, die bij ons in het dal bruggen en irrigatiekanalen aanlegden. Maar nu zijn ze bijna allemaal tegen de regering. De regering heeft het geweld weer onder ons gebracht. Ze zijn naar ons dal gekomen om op voormalige taliban te jagen. Daarna kwamen de buitenlanders, ’s avonds met hun helikopters, en haalden de mensen uit hun eigen huis. Ze hebben veel onschuldigen opgepakt.’
‘De regering en de buitenlanders luisterden alleen naar commandant Chalil. In de jaren negentig was hij hier als warlord aan de macht, tot hij moest vluchten voor de taliban. Nu kwam hij terug met de Amerikanen. Chalil is geen goed mens, dat was hij vroeger niet en dat is hij nog steeds niet. Hij heeft heel veel land gestolen. Hij hoefde iemand er maar van te beschuldigen dat hij bij de taliban had gezeten of diegene moest met zijn hele gezin vluchten, waarna Chalil zijn land inpikte. In een van de dorpen wilde hij zoveel land stelen dat de inwoners naar de wapens grepen om zich tegen de dief te verdedigen. Daarbij zijn vijftien mensen omgekomen. De regering heeft niet de dief gearresteerd, maar de mensen die zich tegen hem verdedigden. Daarom zijn de meeste mensen hier voor de taliban. De regering heeft ons hulporganisaties gestuurd, maar met Chalil hebben ze ons van ons land beroofd.’
De wedergeboorte van de taliban verliep bijna overal volgens hetzelfde patroon. Het Westen bracht de oude, door de bevolking vaak gehate warlords terug. Mannen die hun hele leven niets anders hadden gedaan dan vechten, die verruwd waren door tientallen jaren oorlog met bij elkaar anderhalf miljoen doden. Ze waren de steunpilaren van de nieuwe regering van Hamid Karzai, die door het Westen met miljarden dollars werd gesteund. Terwijl de warlords in de provincies de macht overnamen, bleef de centrale regering te zwak om hen te controleren. De warlords lieten zich in het parlement kiezen, kochten politieke benoemingen, werden gouverneur, minister of generaal in het nieuwe leger. Hun zoons richtten ondernemingen op en kregen lucratieve opdrachten van het Amerikaanse leger, de NAVO en veel ontwikkelingshulporganisaties. Ze betaalden geen belasting, onderdrukten hun binnenlandse concurrenten met geweld en corruptie en staken hun geld in onroerend goed in het buitenland.
Al in 2002 probeerden de taliban zich opnieuw te organiseren, maar dat mislukte. De meeste Afghanen moesten niets van hen hebben. In de hoop op een betere toekomst onder Karzai verrieden ze hen aan de Amerikanen en de regeringstroepen. In hun ballingschap in de grote vluchtelingenkampen in Pakistan vielen de taliban uiteen in drie fracties: drie shura’s. Een shura, geleid door een deel van de oude elite van de taliban, werd opgericht in Quetta. Een tweede werd gevormd in Pesjawar en een derde, de meest radicale, ontstond in Miranshah. Hier werd het beleid gedicteerd door de familieclan van de Hakkani, een naam die al snel gevreesd werd, omdat de Hakkani’s de grootste trainingskampen voor zelfmoordaanslagplegers in Afghanistan onderhielden. Er wordt verteld dat tot 2015 de Hakkani’s 1160 zelfmoordaanslagplegers hebben ingezet, van wie er 843 hun missie ‘succesvol’ zouden hebben afgerond.
‘Ik ben een strijder, ik heb mijn hele leven gevochten. Ik heb geen plannen voor wat daarna moet gebeuren’
Naarmate de teleurstelling over de regering onder de bevolking toenam, werden de taliban weer sterker. De eerste jaren domineerde de shura in Quetta, daarna die in Pesjawar, maar ten slotte, en nog steeds, weer die in Quetta. Soms bestreden de strijders van de drie shura’s elkaar en roofden ze gebieden van elkaar. Volgens de analyse van internationale conflictonderzoekers begon Pakistan in 2004 weer met betalingen aan de opstandelingen: 20 miljoen dollar per jaar. Dat bedrag liep op tot 500 miljoen dollar per jaar. Pakistan is in de regio in een hopeloze situatie verzeild geraakt. Het land is nergens zo bang voor als voor een verbond tussen zijn buren India en Afghanistan. Afghanistan eist de Pasjtoengebieden in het westen van Pakistan op, die indertijd door de Engelsen aan Pakistan zijn toebedeeld. India maakt aanspraak op een deel van Kasjmir in het noorden. Pakistan dreigt al sinds de oprichting van het land in 1947 uiteen te vallen. Een door de taliban geregeerd Afghanistan, waarvan geen gevaar uitgaat omdat het geheel onafhankelijk is, zou een eind maken aan Pakistans existentiële angst.
Nasrat en Nisar wachten ons de volgende ochtend weer op bij het door hen veroverde districtshoofdkwartier. ‘We zullen u laten zien hoe we hier vrede brengen,’ zegt Nisar. In het enige vertrek dat intact is, heeft zich deze ochtend een groep mannen verzameld. De districtsrechtbank van de taliban. Voorzitter Mawlawi Shaker zit aan het hoofd van de groep. Ook hij is pas 26. ‘Niet Pakistan zeggen,’ fluistert Nisar hem desondanks duidelijk hoorbaar toe, als Shaker wil vertellen aan welke Koranschool hij heeft gestudeerd. ‘Ik heb in Ghazni gestudeerd, ’zegt hij dan, ook hij heeft zwarte kohl om zijn ogen. Voor hem zitten twee handelaren van wie de een de ander geld heeft geleend. De schuldeiser beweert dat hij omgerekend 800 euro heeft uitgeleend, de ander zegt dat het maar 520 euro was. ‘Hebt u getuigen?’ vraagt Shaker. Die heeft hij niet. ‘Hebt u getuigen?’ vraagt hij aan de ander. Die ook niet. De schuldenaar haalt whatsappjes tevoorschijn waarin de schuldeiser hem bedreigt. Ze zitten tegen elkaar te schreeuwen, tot Shaker zegt: ‘Genoeg.’
Hij rommelt wat in de plastic zak met documenten die hij op zijn kalasjnikov heeft gelegd en haalt een formulier tevoorschijn. Een stuk papier met het logo van de taliban en het briefhoofd: ‘Provincie Ghazni, District Rashidan, Burgerlijk Bestuur’. Hij schrijft er een paar regels op en verwijst de zaak door naar de provinciale rechtbank. Die zullen wel een oplossing vinden, zegt hij als de twee mannen de ruïne hebben verlaten. Vermoedelijk zal de hogere instantie een compromis tussen de twee bewerkstelligen. ‘Zelfs mensen uit de regeringsgebieden komen met hun geschillen naar ons toe. Daar moeten ze een hoop geld betalen, maar krijgen ze toch hun recht niet. Daar wordt geen enkel geval opgelost. Hier lossen we alle kwesties op.’ Wat in Afghanistan nog belangrijker is dan elders, omdat een ruzie hier snel in een bloedvete ontaardt.
Shariarechtbanken
In de strijd van de taliban tegen de regeringscoalitie zijn de shariarechtbanken hun belangrijkste wapen. Ook die geven niet altijd degene gelijk die gelijk heeft, maar er wordt recht gesproken, vonnissen geveld, en ze winnen terrein. Heel anders dan in het gebied van de regering. Daar vragen rechters vaak van beide partijen grote sommen geld, en hebben beide partijen het gevoel dat ze in een moeras van corruptie en bedrog zijn terechtgekomen. Na verkregen gunsten veranderen rechters hun vonnis, schuiven een oordeel op de lange baan en zijn vervolgens niet in staat dat vonnis uit te voeren.
Als we het hooggelegen voormalige districtscentrum verlaten, horen we boven ons opeens een snorrend geluid. Het is een drone, die het dal doorkruist op zoek naar een doel. Verreweg de meeste talibancommandanten die de afgelopen jaren zijn gedood, waren slachtoffer van aanvallen met drones. Nasrat en Nisar kijken omhoog maar zien de drone niet. Door zijn schutkleuren is de drone tegen de hemel vrijwel onzichtbaar. Even blijft iedereen staan, dan sterft het geluid weg.
Bij de bazaar laten de taliban ons een kleine kliniek zien, de enige kliniek in het district, waar 42.000 mensen op zijn aangewezen. Het blok van ruwe natuursteen is zestien jaar geleden gebouwd door USAID, zoals aan een verbleekt bord bij de ingang te zien is. De directeur die ons begroet, kijkt bij elke zin naar Nisar. ‘We hebben niets om de mensen te beschermen tegen corona. We hebben geen mondkapjes en handschoenen.’ Gelukkig is het district tot nu toe niet getroffen, op één geval na. Het ergste is hier de cholera. ‘Van de honderd mensen hebben er twintig cholera.’ Het water is slecht. Wassen gaat hier nog traditioneel. De lemen huizen hebben slechts één woonlaag, waar bad en toilet naast elkaar liggen. De bronnen in de dorpen geven de laatste tijd steeds minder water. Riolering is er niet.
‘Ik weet het niet,’ antwoordt Nasrat op de vraag hoe hij de armoede in het dal wil verlichten als ze de oorlog eenmaal hebben gewonnen. Hij wil eerst een nieuwe moskee en een nieuwe Koranschool bouwen. Maar dan? Nasrat denkt lang na, dan zegt hij: ‘Ik ben een strijder, ik heb mijn hele leven gevochten. Ik heb geen plannen voor wat daarna moet gebeuren.’
Vandaag gaan Nasrat en zijn staf al vroeg in de middag weg. Later horen we dat ze zich moeten voorbereiden op een aanval op een politiebureau in het centrum van Ghazni. De operatie betekent de zoveelste vernedering voor de regering. Drie politieagenten komen om. De taliban bestormen het bureau, maken geweren en antitankgranaten buit en ontkomen zonder verliezen.
’s Avonds horen we explosies. We gaan naar het dak van ons huis en luisteren in het donker. Ver weg, aan het eind van het dal, slaan granaten in. De volgende ochtend krijgen we te horen dat de artillerie van de regering kennelijk uit wraak lukraak granaten afvuurt op dorpen waar ze vermoeden dat de taliban zitten.
Ook deze avond praten we met inwoners. Dit keer met een oudere man, die ook uit Rashidan komt.
‘De taliban zeggen dat ze hier alles onder controle hebben, maar dat is niet zo. Begin augustus is een leraar vermoord. Onbekenden hebben hem op klaarlichte dag uit zijn huis gehaald en in de velden doodgeschoten. Sommigen zeggen dat het om een familieruzie ging. Anderen zeggen dat het de taliban waren. Ook bij de taliban zitten slechte mensen. Maar al met al is het veel veiliger dan in het gebied van de regering. We zijn allemaal blij dat de taliban het hoofdkwartier van het district veroverd hebben. We hebben erg geleden onder de politieagenten, die zomaar schoten. Ze hebben op boeren geschoten die vanwege de droogte ’s nachts op hun akkers aan het werk waren om die te bevloeien. Ze hebben twee kinderen doodgeschoten die schapen hoedden. De regering had Oezbeekse en Hazara politieagenten hiernaartoe gestuurd. Die hebben een afschuwelijke hekel aan ons. Het was zo erg, dat iedereen met een grote boog om het districtscentrum heen reed, ook de markt was helemaal verlaten. Sinds de taliban terug zijn, wordt er niet meer gevochten. De handelaars komen terug en het leven is weer iets beter.’
‘Maar de meesten van ons steunen de taliban nog steeds niet. Ze houden hun mond en wachten af. De jonge mannen van hier die bij de taliban zijn gegaan, hebben op een madrassa, de Koranschool, in Pakistan gezeten. Bij ons in het dal zijn vier madrassa’s waarvan de leraren ook allemaal in Pakistan zijn opgeleid. De ouders bij ons zijn gelukkig als hun zoon naar de madrassa kan. De taliban selecteren alleen de besten. Jongens gaan naar de madrassa als ze zeven zijn. Ze slapen daar ook. We hebben ook staatsscholen. Onlangs heeft de middelbare school laptops gekregen, maar de taliban hebben die allemaal naar hun madrassa gebracht. De Koranscholen hebben nu betere leermiddelen dan de staatsscholen. Ook het eten is er beter. Op de staatsscholen leren ze bijna niets. De leraren daar zijn te slecht. Maar wie naar de madrassa gaat, kan al snel heel goed lezen en schrijven.’
Van de honderd mensen hebben er twintig cholera
De volgende dag lijkt de hemel vrij van drones. Sinds de VS hun legerbases afbouwen, is het aantal luchtaanvallen duidelijk minder geworden. De Afghaanse luchtmacht is door de jaren heen zwak gebleven. De militaire hulp uit het Westen heeft de luchtmacht klein gehouden en met weinig vliegtuigen en munitie uitgerust. Blijkbaar uit voorzorg, om te voorkomen dat Afghaanse generaals ze op een dag ongehinderd kunnen inzetten. Nisar belt en vraagt of we het gesprek tijdens het middageten kunnen voortzetten. Plaats: het huis van een iets welgesteldere boer. Nasrat en zijn staf van 25 man zitten in het gastenverblijf, een van stukken leem opgetrokken gewelf. Het eten is voor deze streek overvloedig, met veel vlees. Nasrat en zijn mannen logeren altijd kosteloos. De dorpsbevolking moet in hun onderhoud voorzien.
‘Wat zal ik verder nog vertellen?’ vraagt Nasrat terwijl hij zich naar Nisar toe buigt. ‘Vertel dat we nu verenigd zijn en dat we alle etnische groepen vertegenwoordigen.’ ‘We hebben uit alle stammen mensen in onze rangen,’ zegt Nasrat. ‘We hebben met die stammen geen enkel probleem.’ Afghanistan is een poly-etnische staat met negen nationaliteiten. Dat is de oorsprong van al het geweld. De Afghaanse burgeroorlog is telkens opnieuw uitgebroken door conflicten tussen de etnische groepen. En in tegenstelling tot hun eigen propaganda maken alle taliban die we op onze reis tegenkomen allemaal deel uit van een van die groepen, de Pasjtoen.
Het dal van Rashidan markeert de grens tussen twee volken die al eeuwen in vijandschap leven. Beneden, in de weiden langs de rivier waar de bodem het vruchtbaarst is, wonen de Pasjtoen. Een volk dat eeuwenlang de koningen van Afghanistan leverde. Op de schrale hellingen boven het dal en tot ver in de bergen wonen Hazara. Ze stammen af van de Mongolen. De Pasjtoen zijn soennieten, de Hazara, net als de Iraniërs, sjiieten. Reeds de Pasjtoense koningen voerden veldtochten tegen de Hazara, plunderden hun dorpen, legden hun zware belastingen op, lieten hen verarmen, doodden tienduizenden van hen. Nooit zijn Hazara en Pasjtoen in één staat samengekomen. De taliban zijn in de jaren negentig doorgegaan met het onderdrukken van de Hazara. Geen groep in de bevolking heeft de val van de taliban in 2001 zo toegejuicht als de Hazara.
Dreigt er, nu de troepen van de VS zich terugtrekken, voor beide volken een nieuwe tragedie? We hopen een antwoord te vinden in het naastgelegen district Nawur, dat bijna uitsluitend door Hazara wordt bewoond en al jaren door de taliban wordt overheerst.
De wegen worden nog slechter, de hoofdweg dwars door Nawur is niet meer dan een stoffig pad, in de loop der jaren door de wielen van zware vrachtwagens uitgesleten in de witte kalksteen. De dorpen zien er onbewoond uit. Meer dan tachtig procent van de bevolking is de afgelopen jaren naar het buitenland gevlucht, vooral naar Iran, vertelt men ons, de meesten om te werken. Daar zouden inmiddels drie miljoen Afghanen wonen. De mensen die gevlucht zijn, stuurden geld naar de achtergeblevenen, maar dat is de laatste jaren steeds minder geworden. Iran heeft het in de huidige economische crisis zwaar te verduren.
Vlak voordat de weg in een kloof verdwijnt, zien we een school die tegen de helling is gebouwd. Een school die er in het rijk van de taliban eigenlijk niet mag zijn. ‘Komt u binnen,’ begroet de rector ons na een kort gesprek. De Bibi Zainab Highschool. Er zitten honderdvijftig meisjes, in zes klaslokalen. De taliban staan toe dat ze tot de twaalfde klas les krijgen, omdat de leerlingen Hazara zijn. In het Pasjtoense Rashidan mogen meisjes maar tot de zesde klas naar school, omdat, zeggen de taliban, hun ouders dat zo willen. Voor veel Pasjtoense ouders is een opleiding voor meisjes verdacht. Vrouwen moeten thuis meehelpen en vroeg trouwen. Jonge vrouwen brengen een hogere bruidsschat op.
Hier in Nawur dragen de leerlingen geen boerka, alleen een hoofddoek. ‘Twintig procent van onze leerlingen gaat naar de universiteit,’ vertelt de rector trots. De meeste gaan in Ghazni medicijnen studeren of een verpleegstersopleiding volgen. De school heeft geen verwarming, in veel vensters zit geen glas, daarom vallen de lessen ’s winters uit. Vaak is er maar één schoolboek voor drie meisjes. De rector, die de school een paar maanden na de val van de taliban heeft opgericht, is een oude man met dikke brillenglazen en een kromme rug, toch straalt hij als hij over zijn school praat.
Tot nu toe hebben de taliban er alleen kritiek op dat het gebouw te dicht bij de hoofdweg staat en niet ommuurd is. Zo staan de meisjes bloot aan de blikken van passerende mannen. Bovendien wordt op school de helft van de vakken gegeven door mannen en niet door vrouwen. In de jaren negentig zijn bijna alle meisjesscholen om die reden gesloten. Of hij zich geen zorgen maakt over wat er van zijn school terechtkomt als de taliban de macht helemaal overnemen, vragen we. De rector kijkt naar de grond, dan weer op, en zegt: ‘De wereld is ons vergeten.’
De weg die we volgen, voert ons door een nauwe kloof, aan weerszijden rijzen de rotswanden hoog op. De hemel wordt smal. De talibancommandant van Nawur, Mawlawi Ahmadi, heeft ons ontboden. Eigenlijk had hij ons bij Nasrat in Rashidan willen ontmoeten, maar daar kwam hij niet opdagen. We hoorden dat hij Nisar, de afgezant van Quetta, mijdt. De vraag die niet alleen wij willen stellen, luidt: hoe verenigd zijn de taliban werkelijk?
Een moeilijk district
Als trefpunt heeft Ahmadi een dorp in een afgelegen, door hoge bergen ingesloten dal gekozen. De weg erheen is half vernield door de zware regenval die afgelopen zomer in heel Afghanistan enorme aardverschuivingen heeft veroorzaakt. ‘Het dal van de waterval’ heet het dorp. De lucht is ijl. Een stuk of tien lemen huizen, verscholen onder aan een 700 meter hoge, steile rotswand. De toppen boven het dorp zijn bijna 4000 meer hoog.
Een klein jongetje zit gehurkt in de schaduw van een huis. Verder is in het dorp geen mens te zien. De jongen groet niet en blijft ernstig naar ons kijken. Een uur later verschijnt Ahmadi, begeleid door twee lijfwachten. ‘Kijk eens hoe mooi ons land is,’ zegt hij ter begroeting joviaal. Ahmadi, midden dertig, witte tulband, een volle, zwarte baard, heeft niets van het boerse van Nasrat of het ambitieuze van Nisar. Zijn vader, die moellah (islamitische geestelijke) is geweest in Rashidan, heeft hem als kind al vroeg naar de madrassa gestuurd. Ahmadi spreekt zacht, weegt zijn woorden. Zijn stem blijft fluweelzacht, zelfs als hij harde uitspraken doet. Het ideaaltype van de islamitische geleerde, zoals ook Osama bin Laden ze graag zag.
Hij leidt ons naar de kleine moskee van het bergdorpje. Een kale ruimte met een tapijt. Vier, vijf dorpsoudsten, Hazara, laten zich nu ook zien, aarzelend komen ze erbij zitten. Hun lichamen zijn uitgeteerd, hun wangen hol. Een heel moeilijk district, zegt Ahmadi, die als Pasjtoen over alleen maar Hazara heerst. Hij rekent uit: in totaal 125.000 inwoners, waarvan 75.000 onder zijn controle. De regering heeft alleen nog het districtscentrum in handen, hier zes uur vandaan. ‘Maar we werken eraan om daar verandering in te brengen,’ zegt hij. Kortgeleden heeft hij de gipssteengroeve veroverd, de belangrijkste bron van inkomsten in het district. De eigenaar van de mijn betaalt nu belasting aan de taliban.
Het ziet ernaar uit dat de taliban de oorlog bijna hebben gewonnen, maar hoe willen ze vrede brengen? De armoede in Afghanistan zal op den duur iedere orde tenietdoen. Ahmadi weet dat ook. Hij heeft plannen voor zijn district. ‘We moeten de mijnen moderniseren,’ zegt hij. Om meer akkers te kunnen irrigeren, wil hij in het dal een dam bouwen. Hij wil wegen aanleggen, maar moet toegeven dat hij daar geen geld voor heeft. ‘We willen graag dat de buitenlandse ngo’s terugkomen. We garanderen hun veiligheid. We zullen nog een hele tijd van hen afhankelijk zijn,’ zegt hij. ‘Ze mogen terugkomen, maar we gaan er niet om smeken.’
Tijdens een pauze in het gesprek, als Ahmadi de ruimte even heeft verlaten, vragen de oudsten ons hem aan te spreken over de armoede waarin ze leven. ‘Zeg tegen hem dat ze ons moeten helpen. De wegen zijn door de regen verwoest. Veel akkers zijn weggespoeld. Onze oogst is vernietigd.’ Ahmadi, die tot nu toe geen woord met de oudsten heeft gewisseld, doet een paar keer of hij onze vraag niet heeft gehoord, dan zegt hij: ‘We hebben geen geld. Alles wat we kunnen doen, is de hulporganisaties aansporen.’
Ook verwacht Ahmadi hulp van vluchtelingen in Duitsland. ‘Er zit veel deskundigheid bij hen. We hebben ze nodig om ons land weer op te bouwen.’ Er zal hun niets gebeuren. Maar degenen die ernstige misdrijven aan de kant van de regering hebben gepleegd, staan zware straffen te wachten. ‘Die kan ik geen Afghanen meer noemen.’ Als een echte staatsman bedankt hij Duitsland, omdat het de vluchtelingen heeft opgenomen, maar hij verwijt de Duitsers ook dat hun leger in Afghanistan veel ellende heeft veroorzaakt. De soldaten hebben onschuldige mensen gedood. Het is nog te vroeg om die soldaten te kunnen vergeven. ‘Ik voel nog haat tegen hen. Ja, ik haat ze.’
‘De taliban zijn erg veranderd. Ze worden corrupter’
Het is middag geworden, en de oudsten vragen Ahmadi om de tien gasten voor het eten twee aan twee over verschillende gezinnen te verdelen om de last voor iedere gastheer draaglijk te houden. ‘Nee,’ Ahmadi verwerpt hun voorstel, ‘we eten in de moskee.’ Nu moeten de oudsten ondanks hun armoede de gasten alleen van eten en drinken voorzien. De komende weken zullen hun gezinnen nauwelijks te eten hebben, omdat hun voorraden door deze ontvangst zijn uitgeput. Zwijgend kijken ze toe hoe de taliban en wij de maaltijd gebruiken.
Ten afscheid nodigt Ahmadi ons uit voor een schietoefening aan de andere kant van het dorp. We wijzen het beleefd af, maar Ahmadi wil een beetje ontspanning. Hij gaat met ons naar de waterval, waar een heilige bron ontspringt die geesteszieken geneest. Een van zijn lijfwachten vuurt met zijn Amerikaanse M16, een halfautomatisch geweer, dat hij anderhalf jaar geleden op een Amerikaanse soldaat heeft buitgemaakt. ‘Ik heb hem eerst doodgeschoten en toen zijn geweer afgepakt,’ vertelt hij met een grijns. De andere lijfwacht vertelt dat ze een paar dagen geleden de vrijlating van een van hun strijders hebben gevierd. De Afghaanse regering moest dit jaar, onder druk van de VS en zwakker dan ooit, 5000 gevangen taliban vrijlaten. Een van hen kwam uit deze streek, vertelt de lijfwacht. Hij werd in 2004 gearresteerd omdat hij in Ghazni een 29-jarige Française had vermoord, Bettina Goislard, een medewerkster van het VN-vluchtelingenwerk. ‘Tot diep in de nacht hebben we gevierd dat hij weer terug was.’
Het strookje gras hoog op een rots dat ze als doelwit kiezen, weet geen van de drie te raken.
We brengen de nacht weer door in Rashidan. Weer luisteren we naar de verhalen van de dorpelingen.
‘Tot twee jaar terug waren de taliban hier erg streng. Ze hielden ons op straat aan en fouilleerden ons om naar smartphones te zoeken. Je mag alleen een gewoon mobieltje hebben. Als je een van hen bent, mag je een smartphone hebben voor het internet. Nu zijn ze wat relaxter geworden. Maar het komt er altijd op aan wie hun commandant is. Ahmadi was vroeger erg streng, met Nasrat viel altijd wel te praten. Het ergste is als er taliban van buiten komen. Dan halen we onze satellietschotels van het dak en zetten die in de tuin. Anders slaan ze ons en vernielen ze de satellietschotels met knuppels. “Waarom kijken jullie naar de kanalen van de ongelovigen,” zeggen ze.’
Nieuwe bromfiets
‘De taliban zijn erg veranderd. Ze worden corrupter. Sinds kort hebben ze allemaal een nieuwe bromfiets. Veel van hen hebben twee of drie vrouwen en sturen hun gezin naar Ghazni of Kaboel. Mensen die het dichtst bij de moskee wonen, hebben het meest te lijden. Daar overnachten grote groepen taliban, en de buren moeten dan voor eten en drinken zorgen. Ze zeggen: “wij vechten tegen de ongelovigen, en wat doen jullie? Willen jullie ons niet eens te eten geven?” Ook gedwongen huwelijken vormen een groot probleem. Als een leider van de taliban met hun dochter wil trouwen, kan een gezin dat niet weigeren. Ze maken misbruik van onze ellende. Dat is een taboe hier, daar praten de mensen niet over.’
‘We lijden steeds meer gebrek. De laatste jaren heeft het weinig geregend. We konden maar een derde van de akkers irrigeren. In Iran is geen werk meer. Onze verwanten sturen ons daarom nog maar weinig geld. Veel gezinnen kunnen geen bruidsschat meer betalen. Er zijn 90 procent minder bruiloften dan twee jaar geleden. De vaders van de meisjes vragen te veel geld. Ze zijn te inhalig. Vroeger vroegen ze in deze streek gemiddeld 10.000 euro. We hebben met de taliban gesproken, en anderhalf jaar terug hebben ze in de moskeeën afgekondigd dat een bruidsschat ten hoogste 3500 euro mag zijn. Maar dat is nog steeds te veel. De taliban weigeren het bedrag verder te verlagen. Er zijn hier zo veel stellen die weglopen en naar Kaboel gaan.’
‘De taliban zijn niet echt in ons geïnteresseerd, alleen in zichzelf. Het is met hen al bijna net als met de warlords. We zijn verloren. We weten niet meer wat beter is, de regering van de warlords of van de taliban.’
In Afghanistan leek vele jaren lang geen van de kampen een doorslaggevend militair voordeel te kunnen behalen. De drie shura’s van de taliban begonnen elkaar te bestrijden. In Pakistan werd de leider van de Quetta-shura, moellah Baradar, gearresteerd, blijkbaar omdat hij vredesonderhandelingen met Kaboel wilde; dat wilde Pakistan niet. Zijn opvolger, Akhtar Mohammed Mansour, ging op zoek naar nieuwe geldbronnen. Talrijke onderzoeken tonen aan dat hij die ook vond, namelijk in de drugssmokkel. Onder zijn leiding ontwikkelde Afghanistan zich weer tot een van de wereldwijd belangrijkste arealen voor de productie van opium. In 2014-2015 heeft de Quetta-shura meer dan 285 miljoen dollar verdiend met drugshandel. De situatie voor de regering in Kaboel werd precair toen behalve Pakistan ook Iran de taliban ging ondersteunen. Hoe dreigender Amerika zich tegenover Iran opstelde, hoe meer dat land in Afghanistan intervenieerde. In 2012 werd in het Iraanse Mashad een eigen shura opgericht, de Mashhad-shura. Met hulp van Iran waren de taliban in staat grote delen van het noorden van Afghanistan te veroveren. Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat Iran zijn bijdrage aan de taliban van 30 miljoen dollar in 2006 heeft verhoogd tot 190 miljoen in 2013, wat echter niet uitsluit dat Iran tegelijkertijd de regering in Kaboel met miljoenen ondersteunt. Ook daar wil het zijn invloed niet verliezen.
Maulawi Nasrat (l) en Nisar in hun auto. Een schoolklas met Afghaanse meisjes in de Bibi Zainab-school.Markt in het district Rashidan. Sinds de machtsovername door de taliban ongeveer tien jaar geleden, zijn slechts 50 van de 250 winkels weer open.
De taliban brandmerken de regering in Kaboel als een verzameling buitenlandse marionetten. Maar feitelijk zitten ze in eenzelfde situatie. Aan alle kanten wordt aan hen getrokken. Vroeger werkten die krachten in verschillende richtingen, nu hebben ze allemaal hetzelfde doel, namelijk het minimaliseren van de westerse invloed in Afghanistan. Nu de hulp beter gecoördineerd wordt, kunnen de taliban zich ook intern strakker organiseren. Bij de vredesonderhandelingen in Doha presenteerden ze zich als één front. Maar niemand weet hoelang die eenheid blijft duren. Er deserteren al groepen naar een nog radicalere organisatie, die zal blijven oorlogvoeren en niet zal stoppen bij de grenzen van Afghanistan: Islamitische Staat.
Op de ochtend van de vijfde dag vertrekken we kort na zonsopgang uit Rashidan. ‘Wees voorzichtig,’ zegt Nisar, die ons tot aan de grens van het territorium van de taliban begeleidt. ‘De regering heeft veel spionnen.’ We willen vermijden dat we op de terugweg door overijverige Afghaanse veiligheidstroepen worden gearresteerd omdat we de taliban zouden steunen. Nisar rijdt vooruit op zijn motor en kiest wegen waarvan hij weet dat ze niet worden gecontroleerd. Hij smokkelt ons in de voorsteden van Ghazni moeiteloos langs alle wegversperringen, zoals de taliban ook doen als ze de stad aanvallen. We zwaaien, dan is hij in het stof van de weg verdwenen.
De toekomst van Afghanistan ligt weer helemaal open. De meeste waarnemers houden rekening met het snel mislukken van de vredesgesprekken. Na jaren van oorlog zijn de wonden aan beide zijden nog te diep. Veel talibancommandanten willen geen deel van hun macht opgeven als ze nog al hun macht kunnen behouden. Maar ook zij dreigen zich te misrekenen. Het innemen van de miljoenenstad Kaboel zou heel wat bloediger kunnen worden dan de strijd in de dorpen. En Kaboel houden kon wel eens nog veel lastiger worden. De Afghaanse samenleving is wat haar ideeën over waarden betreft te ver uiteengedreven. Wat hen verbindt, is wat hen scheidt. De wonden. Het verdriet. De haat. Het zal tijd kosten om de Afghanen zich met zichzelf te laten verzoenen, tijd die het land niet heeft.
Op de terugweg naar Kaboel zien we opnieuw de restanten van een bijna verslagen leger, het leger van een regering die tot voor kort de hoop van het westen was. Een schier eindeloze reeks uitgebrande wrakken en overvallen militaire bases. Een puinhoop van 170 kilometer lang. De dorpsbewoners zijn begonnen het leem van de oude vestingwallen met vrachtwagens af te voeren om het als bouwmateriaal te verkopen.
‘Hoe heeft het zo ver kunnen komen?’ vraagt een hooggeplaatste Afghaanse diplomaat in Kaboel aan een van ons. Het is een prachtige, zachte avond. Hij heeft een gezelschap afdelingshoofden van verschillende ministeries op zijn terras uitgenodigd. Het buffet staat vol allerlei heerlijks. Met een glas rode wijn in de hand staan de gasten gespannen in het donker te luisteren. Ergens in de omgeving wordt zwaar gevochten. De schietpartij duurt uren. Steeds weer komen er helikopters overvliegen. De ambtenaren telefoneren druk met hun contacten bij de veiligheidsdiensten. Maar die zeggen dat het een schietoefening is. Ze willen geen paniek. ‘We moeten gaan,’ zegt een van de gasten, ‘ik ben bang dat straks alle uitvalswegen geblokkeerd zijn.’ Maar het is nog lang geen tijd, klaagt onze gastheer. ‘Blijf toch nog even.’ Het is nog veel te vroeg om weg te gaan.’
Het reisspel GeoGuessr, waarin spelers via Google Street View moeten raden waar ter wereld ze zich virtueel bevinden, is tijdens de pandemie razend populair geworden. Maar gamers ergeren zich in steeds grotere mate aan de slechte foto’s.
Het in 2013 door een Zweedse ontwikkelaar gelanceerde GeoGuessr is een spel dat helemaal draait om Google Maps: spelers worden in Street View op een willekeurige locatie gedropt en moeten zo snel mogelijk zien te raden waar ter wereld ze zich bevinden. De topspelers hebben daarbij zo hun trucs: uit het hoofd leren welke kleuren de naamborden in Noord-Macedonië hebben, hoe de officiële Google-auto’s in Colombia eruitzien of welke diakritische tekens het meest voorkomen in het Laotiaans (zonder die taal per se te kunnen lezen). De beste spelers zijn inmiddels al zo bedreven in het oplossen van deze puzzel dat ze hun locatie tot binnen een paar meter weten te bepalen.
Het spel maakt opgeld bij een aantal grote namen in de gamewereld op Twitch en Discord. Begin maart piekte GeoGuessr als zoekterm op Google Trends nadat een populaire Minecraft-bouwer het had gespeeld tijdens een livestream. Op YouTube vind je tientallen GeoGuessr-clips van het afgelopen jaar die al meer dan een half miljoen keer zijn bekeken. ‘Het is een beetje net als met Among Us: toen dat een hit werd, was een tijdlang echt iederéén dat aan het spelen,’ zegt Costar_, de moderator van de belangrijkste GeoGuessr-community op Reddit, die ons verzocht hier alleen zijn gebruikersnaam te noemen.
‘De helft van het beeld is bagger’
Maar de spelers beginnen nu te klagen over Google Maps-vrijwilligers in landen die nog niet zo uitgebreid in beeld zijn gebracht, zoals Zanzibar. Ze vinden dat zij het spel bederven doordat ze korrelige, vage of anderszins ondermaatse foto’s uploaden naar Google Maps, en daarmee naar GeoGuessr. Volgens Costar_ halen ze met hun foto’s meestal niet de kwaliteit van de officiële Google-auto. ‘De beelden zijn heel vaag, zodat je teksten en straatnaambordjes niet kunt lezen en er niet goed op kunt inzoomen. De helft van het beeld wordt in beslag genomen door de auto’s en de beweging is bagger,’ aldus Costar_. ‘Traag en haperend. Of te fel of te donker. Er is altijd wel iets.’
360 graden
Google heeft Maps sinds 2007 al voorzien van meer dan vijftien miljoen kilometer aan beelden van overal ter wereld. Daarvoor heeft het zelf speciale foto-apparatuur ontwikkeld die 360-gradenfoto’s maakt voor de Street View-auto’s, die begaanbare wegen fotograferen, en de Street View Trekker-rugzak, voor plaatsen waar je alleen te voet kunt komen. Maar Noord-Amerika en Europa mogen daarmee nu bijna volledig in beeld zijn gebracht, Afrika en andere delen van de niet-westerse wereld zijn op Google Maps nog maar mondjesmaat vertegenwoordigd. Vandaar dat zich vrijwilligers aandienen om in die leemte te voorzien.
‘In de ideale wereld zou Google alles zelf doen, maar in de werkelijkheid is ons werk beter dan niets,’ zegt Federico Debetto, de oprichter van World Travel in 360, de organisatie die samen met het verkeersbureau van Zanzibar probeert om voor deze autonome eilandregio voor de kust van Tanzania de kaarten aan te vullen. Een succesvol initiatief: de panoramafoto’s die zijn team vorig jaar heeft geüpload, zijn al door meer dan 20 miljoen mensen bekeken. Het zijn heldere en goed belichte foto’s, maar ze zijn niet zo goed als die van sommige andere regio’s op Google Maps, en dat zint de GeoGuessr-spelers niet. Hun bijnaam voor mensen die op eigen houtje officieus foto’s bijdragen aan Google Maps is ‘Ari’, naar Ari Immonen, een Finse technoloog die jarenlang met een camera op zijn auto rondreed en een van de eerste mensen was die op grote schaal gebruikersfoto’s naar Street View uploadde. ‘Als we een foto zien die van mindere kwaliteit is dan de officiële foto geweest zou zijn, noemen we dat een “Ari”, dan weet iedereen wat je bedoelt,’ zegt Costar_.
De laatste tijd beginnen GeoGuessr-spelers deze Ari’s te vragen om met uploaden te stoppen, in de hoop dat het spel zonder die amateurbeelden makkelijker te spelen wordt. Een aantal Reddit-gebruikers heeft in een half gecoördineerde actie massaal contact opgenomen met het verkeersbureau van Bhutan, ofwel ‘Bhutan Ari’, dat ook was begonnen beelden van het land te uploaden. En Costar_ liet op Reddit weten dat er ook al mensen zijn benaderd die beelden uploaden van de Jordanese hoofdstad Amman en Zanzibar. Maar hun campagne heeft nog weinig effect gehad. ‘Ik geloof niet dat er al iemand op andere gedachten is gebracht,’ gaf Costar_ toe.
Geldbesparing
De woede richt zich ook niet alleen op de Ari’s zelf. Veel GeoGuessr-spelers zijn van mening dat de ondermaatse foto’s aan Google zelf te wijten zijn. ‘De houding van de spelersgemeenschap tegenover de mensen die zelf foto’s uploaden, in landen zonder officiële Google-foto’s zoals Zimbabwe, was eerst positiever,’ zegt Costar_. ‘Hun inzet is indrukwekkend. Maar die waardering is omgeslagen, we beschouwen het nu vooral als een excuus voor Google om op zijn reet te blijven zitten en geen nieuwe beelden meer toe te voegen, behalve dan voortdurende updates van Mountain View in Californië.’
Volgens een Franse GeoGuessr-speler die op YouTube te vinden is onder de gebruikersnaam Mapper, begon Google de officieuze foto’s toe te laten om tegelijkertijd geld te besparen en toch meer data te verzamelen. ‘Dat mensen bereid zijn om gratis en voor niks hun database te vullen speelt hier duidelijk een grote rol,’ schrijft Mapper in een e-mail. ‘Sinds in 2018 de officieuze foto’s begonnen op te duiken, zie je een scherpe daling in het aantal nieuwe foto’s van Google zelf.’ (Er zijn inderdaad aanwijzingen dat Google’s eigen bijdragen aan Street View de afgelopen twee jaar zijn afgenomen.)
Google laat weten dat het bij zijn strategie hoort om gebruik te maken van vrijwilligers. ‘We werken al jaren aan nieuwe manieren waarop mensen hun eigen beelden kunnen toevoegen aan Google Maps, en in betere kwaliteit,’ mailt een woordvoerder. Het bedrijf heeft zelfs een puntensysteem opgetuigd om gebruikers daartoe aan te sporen. Het werk van de vrijwilligers draagt er volgens Google aan bij dat de beelden kloppen en up-to-date zijn, ook op plaatsen die Google zelf al in kaart heeft gebracht. Verder leent het bedrijf apparatuur uit aan ‘vertrouwde fotografen’ voor grote projecten en staat het particulieren toe met Street View reclame te maken voor commercieel werk.
Sommige mensen die aan Google Maps bijdragen, zijn juist blij dat ze dankzij het techbedrijf nu in staat zijn hun gemeenschap op hun eigen manier in beeld te brengen. ‘Als een bedrijf technologisch in staat is om het zelf te doen, wil dat nog niet per se zeggen dat het cultureel ook in de haak is,’ zegt Tania Wolfgramm in Auckland, waar ze leiding geeft aan het GRID-programma, een project om de eilanden in de Stille Oceaan op Street View te zetten. Ze begreep al snel dat Google geen mensen zou sturen naar de talloze afgelegen en schaars bevolkte eilanden, waaronder Tonga, het eiland waar ze zelf vandaan komt.
‘Er heerst een gevoel dat wij, als inheemse bevolking die met kolonialisme te maken heeft gehad, geen rol spelen op wereldwijde platforms,’ zegt ze. Omdat er geen officieel Google-team zou komen, zag zij een kans voor de eilandbewoners om zelf iets aan Google Maps toe te voegen. Google en een camerafabrikant schonken haar de apparatuur en in overleg met de premier en de minister van Posterijen van Tonga stelde ze de basisregels voor hun project op.
Financiële gevolgen
‘Als het eenmaal online staat, kan de hele wereld erbij. We kunnen niet zomaar naar een land gaan en daar foto’s nemen en overal met een auto rondrijden zonder toestemming te vragen,’ zegt Wolfgramm. Ze vindt het project meer dan de moeite waard, zelfs als het straks alleen maar dient als link met het thuiseiland voor de honderdduizend eilandbewoners die, net als zijzelf, naar het buitenland zijn verhuisd.
Street View is een kans om kijkers te veranderen in reizigers
Maar Debetto wijst erop dat het ook financiële gevolgen heeft als regio’s niet op Google Maps staan zolang ze daar zelf niets aan doen. Volgens een gezamenlijk onderzoek van Ipsos en Google levert een vermelding op Google Maps met foto’s en virtuele rondleidingen tweemaal zoveel belangstelling op. Voor regio’s die afhankelijk zijn van toerisme, zoals Zanzibar, is Google Street View een kans om kijkers te veranderen in reizigers en ze te verleiden hotels en reizen direct bij de aanbieder zelf te boeken in plaats van via internationale tussenpersonen.
Nu het einde nadert voor de lockdowns en het reisverkeer weer op gang begint te komen, zullen waarschijnlijk steeds meer Ari’s nieuwe regio’s van de wereld op Street View blijven zetten. Wolfgramm heeft de basis al gelegd voor haar volgende project op Rapa Nui, oftewel Paaseiland. En zulke door Google gesteunde vrijwilligersprojecten kunnen betekenen dat de kwaliteit van de afbeeldingen in GeoGuessr blijft dalen. Jammer voor gamers, maar mooi voor de vrijwilligers die al jaren proberen de wereld op Google Maps vollediger in beeld te brengen.
De Amerikaanse schrijver Thomas Chatterton Williams vindt dat we afstand moeten nemen van rassencategorieën die voortkomen uit ‘plantagelogica’. ‘We zullen racisme nooit helemaal overstijgen zolang we in deze categorieën geloven‘, aldus Chatterton Williams die zichzelf – als kind van een zwarte vader en een witte moeder –, als ‘ex-zwart’ beschouwt.
De Amerikaanse schrijver Thomas Chatterton Williamswordt in Parijs wel eens aangezien voor Algerijn. Hij woont er met zijn Franse vrouw en twee kinderen, die beide blonde krullen hebben.
De geboorte van zijn dochter Marlow, zes jaar geleden, veroorzaakte bij hem onverwachte paniek. Wat betekende het dat hij, die zichzelf destijds identificeerde alszwarte man die altijd de tweedeling zwart-wit had aanvaard, een kind had dat als wit zou worden gezien?
In eerste instantie betekende het dat hij camerafilters zou toepassen om haar huid donkerder te maken – zodat ze erbij hoorde, bij hem en bij het ras. Uiteindelijk betekende het dat hij zichzelf vragen ging stellen die diep genoeg gingen om de manier waarop hij zichzelf zag te veranderen. Wat betekent het om tot een ras te behoren dat voor zwarte mensen deels de ‘loyaliteit aan pijn’ met zich meebrengt? En hoezo zou zijn dochter zwarter zijn als hij deze erfenis aan haar doorgaf?
Hele opgave
In zijn tweede boek, Self-Portrait in Black and White, roept hij ons op om na te denken over waarom we rascategorieën handhaven die zijn gedefinieerd ‘met behulp van plantagelogica’ en moedigt hij ons aan om de willekeurige nomenclatuur helemaal af te schaffen. Hij stelt voor dat we ons ‘terugtrekken uit ras’, ‘ras overstijgen’, ‘ras afleren’ – wat weer iets anders is dan het stadium van ‘postracialiteit’ bereiken. Het is een hele opgave, geeft hij toe.
Omdat we allebei een gemengde achtergrond hebben en opgroeiden met één zwarte ouder en één witte, denkt Chatterton Williams dat hij en ik een voorsprong hebben bij het wegnemen van de barrières die het concept ras met zich meebrengen. We herinneren ons allebei de eerste keer dat we door een vreemdeling werden ‘geracialiseerd’ en daarmee dus ook werden gescheiden van onze witte ouder, en hoe we vanaf dat moment constant nadachten over ras.Voor hem uitte dit zich vooral in het onderzoeken van het kunstmatige karakter ervan.
Op de campus van Bard College, een privé-universiteit in de staat New York, waar hij dit najaar de vierweekse cursus ‘Kunnen we ons terugtrekken uit ras?’ onderwees, bespraken we het voorrecht van witheid of wat daarbij in de buurt komt, ofhet te veel van zwarte mensen vergt om ras los te laten en toch trots te blijven op een identiteit die is ontstaan tegen een achtergrond van systematische onderdrukking en, ten slotte, waarom hij optimistisch is over de veranderingen in de toekomst.
Als u ex-zwart bent, wat bent u dan nu?
‘Ik probeer specifiekere manieren te vinden om mezelf te identificeren. Dus ik zou zeggen dat ik een Amerikaan ben. Ik stam af van zuidelijke slaven, en van moeders kant stam ik af van Noord-Europese protestantse immigranten. Ik bedoel niet te zeggen dat ik een witte man ben.’
U zegt dus dat u niet ex-zwart bent geworden omdat u genoeg had van wat ik heb geleerd ‘zwart’ te noemen, of omdat u wilde dat uw dochter deel zou uitmaken van wat ik heb geleerd ‘wit’ te noemen. U wilt haar waarschijnlijk niet dwingen zich als wit te identificeren.
‘Als ze zich als een soort bevoorrecht wit meisje zou gedragen, zou dat een mislukking betekenen’
‘Dat zou het ergste scenario zijn. Als ze zich als een soort bevoorrecht wit meisje zou gedragen, zou dat een mislukking betekenen: een mislukking van ons ouders, een mislukking voor het hele gezin.’
Dus u wijst de termen af omdat ze niet volledig weergeven wie u en uw dochter als persoon zijn. Maar dat wisten we toch al?
‘Nee. Niet iedereen.’
Misschien komt het doordat ik gemengd ben of omdat ik zo veel met ras bezig ben, maar als mensen zeggen dat ze zwart zijn, schrijf ik ze niet vanzelf bepaalde eigenschappen toe.
‘Ik denk dat u en ik waarschijnlijk buiten de norm vallen.
Tijdens het schrijven van het boek, terwijl ik ondertussen werkte aan een lang artikel voor The New Yorker en een aantal rasechte racisten interviewde, dacht ik: O God. Wat heb ik gedaan? Ik heb de zwartheid in mijn familie om zeep geholpen, en zelfs: Dit is verloren. Dit gaan we niet meer op kunnen lossen.
‘Zolang die categorieën als zwart of wit worden gehandhaafd, of het nu door rechts of door links is, zijn er mensen die conclusies trekken’
Door mijn gesprekken met racisten realiseerde ik me dat we racisme nooit helemaal zullen overstijgen zolang we in deze categorieën geloven. Zolang die categorieën worden gehandhaafd, of het nu door rechts of door links is, zijn er mensen die conclusies trekken die jij, Summer, er niet uit trekt.’
Denkt u dat lichtere zwarte mensen, en vooral gemengde mensen zoals wij, het voorrecht hebben om zelfs maar het idee te koesteren ras te kunnen ‘afleren’? Zou het moeilijker zijn voor zwarte mensen met een donkere huidskleur?
‘Ik denk dat het gemakkelijker is voor mensen die op de een of andere manier gemengd zijn, maar ik werd zeer geïnspireerd door een man, Kmele Foster, die zichzelf een rasafvallige noemt. Hij zei dat hij van alles is… Hij heeft een donkere huidskleur maar weigert zich te identificeren met de term ‘zwart’. Hij ziet er het nut niet van in. Ik ben het daarover met hem eens en anderen lachen hem erom uit. Hij heeft een soort zelfbewustheid die velen denk ik niet goed begrijpen.’
U hebt ook nogal een verleden met Ta-Nehisi Coates…
‘Ik heb veel over hem geschreven.’
En u hebt gezegd dat hij op witte suprematie aanstuurt.
‘Nee, hij stuurt er niet op aan, maar in mijn ogen ziet hij witheid als iets speciaals, waarmee hij patronen waarvan ik weet dat hij ze wil bestrijden, juist uitvergroot. Wat ik bedoel te zeggen is dat witte suprematisten ook vinden dat ze speciaal zijn. Ze zijn het daar niet mee oneens. Coates is bovendien ambivalent over de vraag of zwartheid iets essentieels is, of iets kunstmatig.’
In zijn boek Between the World and Me staat deze passage: ‘Misschien betekende “zwart” gewoon dat je je onderaan de ladder bevond… Er was niets nobels aan vallen, gebonden zijn, onderdrukt leven, zwart bloed had geen inherente betekenis.’ Dat lijkt overeen te komen met waar u het over hebt.
‘Helemaal mee eens. Maar hij beweegt twee kanten op. Zijn kritiek op Kanye West kwam er volgens mij op neer dat Kanye West een niet-authentieke, kunstmatige zwarte man is… Dat hij aan zwartheid heeft ingeboet, wat volgens mij zeer gevaarlijk is om te zeggen, omdat het in feite zegt…’
Dat er één manier is om zwart te zijn.
‘Ja. En dat er mensen zijn die dat beslissen en erover oordelen.’
U zegt in uw boek ook dat Coates een pessimistische blik heeft. U beschrijft een scène uit zijn boek waarin een witte vrouw zijn zoon een duw geeft en hij in de ogen van sommigen agressief reageert, zo van: ‘Dit is overduidelijk racistisch en…’
‘En hij zei dat hij dit voorval eeuwen geschiedenis met zich meedroeg.’
Precies. U schrijft dat hij overdreven reageerde en geen ruimte liet voor de mogelijkheid dat deze vrouw gewoon een slechte dag had. Komt dat dus door pessimisme? En is uw idee om van ras af te stappen dan optimistisch?
‘Ik denk dat kinderen op een veel gezondere manier over ras nadenken’
‘Ik denk dat je optimist moet zijn. Ik durf te zeggen dat ik James Baldwin bijna letterlijk parafraseer als ik zeg dat je geen andere keus hebt dan optimist te zijn, zolang je leeft en schrijft en streeft naar een betere wereld. Ook als ouder zou ik zeggen dat ik geen andere keus heb dan optimist te zijn. In mijn boek gebruik ik het woord “naïef”. Ik denk dat kinderen op een veel gezondere manier over ras nadenken. Als ik Marlow zou vragen om jou te beschrijven, zal ze zeggen: “Summer draagt een beige jasje. Dat is het belangrijkste verschil tussen haar en het meisje in het roze overhemd.”
Ik geloof dat ik die naïviteit wil terugwinnen en ik moet wel optimistisch zijn om te geloven dat die verandering mogelijk is. Als ik pessimistisch was, zie ik niet in hoe ik zou kunnen schrijven. Snapt u? Je moet erin geloven dat je iemand bereikt.’
U schrijft in het boek dat u aan de posts op Facebook van uw witte vrienden merkt dat het ze het vervelend vinden dat ze wit zijn…
‘Ja. Ze voelen zich bezwaard.’
Moeten ze dat om van ras af te stappen demonstratief uiten, of in het echt?
‘Witte mensen zijn in feite het grootste deel van de recente geschiedenis in Amerika aangemoedigd om zichzelf te beschouwen als losstaand van ras. Ook witte mensen hebben een ras. Ze moeten gaan inzien dat hun ras net zo kunstmatig is opgebouwd als dat van alle anderen.
‘Ook witte mensen moeten gaan inzien dat hun ras net zo kunstmatig is opgebouwd als dat van alle anderen’
Zwarte mensen hebben altijd met ras te maken gehad. We zijn er nooit los van gekomen, maar het is geen zwart onderwerp. Daarom raak ik gefrustreerd als mensen vragen: “Met wie wil je in het panel [over je boek] praten? Wie zou het moeten beoordelen?” Dit is geen zwart boek. Het is niet niet een zwart boek. Ik heb het hier over veel “zwarte” dingen, maar ik zou hierover met Aziatische mensen moeten praten, ik zou een Latino-gesprekspartner kunnen hebben, ik zou een witte gesprekspartner moeten kunnen hebben, want dit is geen onderwerp dat alleen mensen van kleur aangaat, terwijl de witten in het publiek zitten en toekijken.
Ik wil het hierover hebben met iedereen wiens ras oorsprong heeft in Amerika. Met iedereen dus.’
U gebruikt in het boek de metafoor van een vrouw die wordt aangereden door een auto. Wat de chauffeur ook kan doen om te helpen, haar medische rekeningen te betalen of wat dan ook, het is aan haar om zichzelf te genezen. Is dat wat zwarte mensen moeten doen om ras af te leren?
‘Ik denk dat het afleren van ras voor zwarte mensen erop neerkomt te zeggen dat zwartheid niet echt is, dat ras niet echt is. Ik word in Amerika als zwart beschouwd, een categorie die mijn familie al generaties lang pijn doet maar ook buitengewone culturele bijdragen heeft voortgebracht waar ik trots op ben. Maar het is geen echte categorie en het is schadelijk voor onze samenleving om erop aan te dringen.‘
Hoe houden we vast aan het gegeven dat, onder andere dankzij zulke bijdragen, de wereld zoveel saaier zou zijn als er geen zwarte mensen waren? Hoe kunnen we vasthouden aan dat idee, en tegelijkertijd ras loslaten?
‘Volgens mij doe ik dat voortdurend. Ik luister nog steeds naar Gunna of Lil Baby, en zij hebben een culturele relevantie voor mij. Ik luister naar John Coltrane. Zelfs in een zwarte Britse schrijver als Zadie Smith vind ik iets van herkenning, en als ik naar schilderijen van Kerry James Marshall kijk merk ik zijn zwartheid op. Maar ik denk niet dat ik daarvoor hoef te geloven dat het een biologische realiteit is. Het is een gemeenschap van mensen die in de loop van de tijd in de nieuwe wereld bepaalde ervaringen en omstandigheden hebben meegemaakt, en zij creëerden culturele tradities die door veel mensen die op hen leken, werden overgenomen.’
Wat is volgens u de belangrijkste kritiek die u op het boek zult krijgen, en met name van zwarte mensen?
‘De ergste kritiek zou stilte zijn, wat een absolute nachtmerrie is als je zo hard werkt en zo serieus nadenkt over een vraag. De angst van de schrijver is dat mensen het niet openslaan.
‘Zwartheid is geen echte categorie en het is schadelijk voor onze samenleving om erop aan te dringen’
Maar ik verwacht zeker kritiek en dat zal ongetwijfeld pittige zijn. Mensen denken dat nu ik “wit” ben getrouwd en comfortabel in Parijs woon niks te maken heb met zwarte problemen, ook al is de realiteit altijd gecompliceerder dan het lijkt. In zag reacties op een fragment van het boek in The New York Times. “Zijn kinderen zijn wit en hij is een heel lichte zwarte man met een witte vrouw. Hij nam de beslissing om een witte vrouw te trouwen.” Dat is een soort minachting die, denk ik, niet serieus neemt waar ik aan probeer te werken.’
Als ik dit boek zou schrijven, dan zou ik me zorgen maken dat ze me een verrader zouden noemen. Dat ze zouden denken dat ik witten hun gang laat gaan door te zeggen: ’Fuck dat allemaal. Laten we dit allemaal achterwege laten.’
‘Ja, daar speel ik in het boek een beetje op in. Ik probeer dit punt naar voren te brengen… Als je in een impasse zit als je elkaar wilt passeren maar je blijft allebei bewegen, dan moet één iemand als eerste bewegen, of juist niet bewegen. Dan kan de ander eromheen.
‘Ik probeer ook vooruit te kijken en me een andere manier voor te stellen’
Ik denk dat we in een soort impasse zitten die ons volledig in beslag neemt. We kijken achteruit. Ik denk niet dat het verkeerd is om terug te kijken, maar ik probeer ook vooruit te kijken en me een andere manier voor te stellen. Zwarte mensen zijn ook de mensen die…’
Vergeven.
‘Ja. Misschien is dat niet eerlijk, maar dat verandert mijn gedachten niet. Want ik denk dat iedereen helpt, ook de zwarten. En ik denk niet dat het idee dat ook witten er iets uit halen het voor zwarten verpest, zolang zij ook een betere toekomst krijgen. Begrijp je? Ik ben er niet voor de witten ter verantwoording te roepen, vergelding te vragen. Is herstel nodig? Waarschijnlijk wel. Is er sprake van herstel? Voor sommige zwarten wel. Is dat genoeg? Het meest overtuigend vond ik het werkelijk spectaculaire artikel van Ta-Nehisi Coates, The Case for Reparations.
Ik hou van dat artikel. Ik denk niet dat het in tegenspraak is met verder willen en het pessimisme kwijtraken. Ik denk dat witten heel veel zullen moeten doen, maar het is haast passend als zwarte daarin voorgaan. Sommigen zullen zeggen: “Wij hoeven hier niet het werk te doen of u te leren hoe u uw werk moet doen.” Maar waarvoor zijn we hier? We willen een betere wereld. En dit is eigenlijk juist bewonderenswaardig werk. Snapt u dat?’
In geen enkele stad ter wereld draait het dagelijks leven zo om religie als in Jeruzalem. ‘De Stad van de Vrede’ – die ironisch genoeg nooit vrede heeft gekend – herbergt zelfs burgers met het zogenoemde Jeruzalemsyndroom, een theologisch trauma waar nog geen kalmeringsmiddel of therapie voor is gevonden.
Keuze uit ons archief
Al eeuwenlang is Jeruzalem een stad die betwist wordt door christenen, moslims en joden. Ook nu zwelt het conflict tussen Israël (joods) en Palestijnse groeperingen (islamitsch) weer aan na hard optreden van de Israëlische politie tegen Palestijnse betogers bij de Al-Aqsamoskee op de Tempelberg – belangrijke heiligdommen van beide religies –, waarop Hamas reageerde met een spervuur aan raketten. Wat is toch die speciale kracht van Jeruzalem die het hart en hoofd van vele gelovigen op hol brengt, zelfs in zo’n mate dat er een syndroom naar is vernoemd? Dimitrij Kapitelman – atheïst, maar van joodse origine – zocht het uit.
Dit artikel verscheen eerder in nummer 138, april 2018.
In de waarschijnlijk meest gloedvol beschreven stad aller tijden is het deze decemberavond rustig. Bedeesd bijna. In elk geval binnen de majestueuze muren van de Oude Stad. Niet dat er een sacrale stilte hangt, eerder een geconcentreerd zwijgen. Zodra de handelaren hun souvenirshops op slot doen, raken de dicht opeen gelegen, heuvelachtige steegjes tussen de hoge muren van Jeruzalem leeg. Uit de portofoons van de Israëlische soldaten die overal tussen de rijen huizen in groepjes op wacht staan, knetteren korte mededelingen. Het is 18 december 2017.
Twaalf dagen eerder heeft de Amerikaanse politieke komediant Donald Trump aangekondigd dat hij het gedeelde Jeruzalem als hoofdstad van Israël erkent. In het Joodse West-Jeruzalem is de zevende kaars van de chanoekia [de negenarmige kandelaar die met Chanoeka wordt gebruikt] ontbrand, in het oosten de woede van de Palestijnen over dit goddeloze paternalisme. De zogeheten Arabische wereld heeft Dagen van Woede afgekondigd. Jeruzalem heeft koorts. En als Jeruzalem koorts heeft, loopt de temperatuur van de hele mensheid op. Van Bali tot Berlijn klinken brandende redevoeringen, worden dure eden gezworen en wapperen de vlaggen. En dooft het levenslicht.
Is dit de stad die de mensheid al eeuwenlang gek maakt?
Ondertussen stinkt de Via Dolorosa, de lijdensweg waar Jezus ooit zijn kruis overheen sleepte, naar de pis van de krolse katers die je overal in de steegjes van de Oude Stad hoort krijsen. Tegenover het geboortehuis van de Maagd Maria staan twee lege diepvrieskisten met reclame van Ola. Iets verderop verwisselen Arabischsprekende bouwvakkers putdeksels.
Is dit de stad die de mensheid al eeuwenlang gek maakt? Waar Jezus zijn Laatste Avondmaal tot zich nam voor hij tijdelijk overleed om vervolgens in de Kerk van het Heilig Graf te worden opgebaard? Waar de profeet Mohammed opsteeg naar het hemelrijk met achterlating van de Rotskoepel? Waar de tempel van de joden heeft gestaan en waar ze aan de laatst overgebleven muur daarvan, de Klaagmuur, nog altijd bidden? En waar ze zelf in 2004 een heel grote en veel beklaagde muur hebben gebouwd om zich hermetisch af te sluiten?
Door een beetje heiligdomhoppen kun je de symbolen van de drie wereldgodsdiensten in een kwartier aflopen. En door slechts één keer in deze stad te verblijven kun je je verstand kwijtraken. Of God vinden. Of je verstand kwijtraken én God vinden. Of God en dus pas eigenlijk je verstand vinden. Of toekijken hoe God zijn verstand verliest. De wisselwerking tussen deze vondstverlies-verliesvondsten is in Jeruzalem omstreden. Maar dat ze bestaan, valt niet te bestrijden.
Er is een officieel erkende psychose die alleen in deze stad optreedt: het Jeruzalemsyndroom. Overweldigd door de alomtegenwoordigheid van het hemelse gaan sommige toeristen − het maakt niet uit van welke religie − denken dat ze een heilige zijn. Een engel, een apostel, soms zelfs de op dat moment wedergeboren messias. Eerst stoppen ze met slapen, dan met lichaamsverzorging en ten slotte met hun gehele burgerbestaan tot dan toe. Gehuld in beddenlakens zwerven ze door de stad en verkondigen psalmen, hun eigen wedergeboorte, soms het naderende einde.
Uit de vakliteratuur komt niet naar voren of de alomtegenwoordigheid van de hemel in deze stad echt de ziekteverwekker is, of juist het blijkbaar teleurstellende ontbreken daarvan: de onbeheerde Ola-diepvrieskisten, het onderhoudswerk aan putdeksels. Hoe dan ook, meestal laten de zelfverklaarde verlossers zich met klinische zorg en kalmeringsmiddelen van gemiddelde sterkte weer tot individuen terugverplegen.
De ‘Stad van de Vrede’ heeft de facto nooit vrede gekend
Toch lijkt het nog krankzinniger dat uitgerekend de voor miljoenen gelovigen wereldwijd heiligste plaats op aarde, Yerushalayim − etymologisch: ‘Fundament van God’ of ook ‘Stad van de Vrede’ − de facto nooit vrede heeft gekend. Dit feit is bij wijze van spreken een nog kolossaler Jeruzalemsyndroom, een theologisch trauma waar nog geen kalmeringsmiddel of therapie voor is gevonden.
Het gaat dus om gezond mensenverstand en het begrijpen van God in Jeruzalem. Om vermijdbare misvattingen en openbaringen, krampen en verlossingen, wonderen en niet-wonderen die hier elke dag opnieuw worden vastgesteld, alsof ze even natuurlijk zijn geschapen als de mens zelf.
Op een bepaalde manier wordt de grootste psychiatrische kliniek van Jeruzalem, Kfar Shaul, omringd door geestelijke blijmoedigheid. Ertegenover staan twee synagogen en twee joods-orthodoxe godsdienstscholen, waar ook iedere dag en even onverstoorbaar wereldbeschouwingen worden ingestudeerd. Maar als je de leerlingen van de jesjiva naar de kliniek vraagt die een paar meter verderop staat, maken ze een wegwerpgebaar, alsof het een onwelkome indringer van wereldse verdwazing is.
Achter de goed bewaakte ingang ligt geen knots van een kliniek maar een voormalig dorp, met verspreide huisjes en binnenweggetjes. Het Israëlische leger heeft de voorheen Arabische nederzetting in 1948 bezet. Nou ja, eigenlijk ligt er voor de ingang nog, naast een palm, een man met zijn gezicht in de modder van het grasveld. Naar zijn vuile kleding te oordelen ligt hij er al een hele tijd. Vlak daarnaast zit een groepje sombere patiënten op een houten bank naar droevige muziek te luisteren, het klinkt als een vooroorlogse crooner, maar dan op zijn Hebreeuws.
‘Het leven in de kliniek heeft me laten zien dat joden mensen zijn als alle anderen’
Een paar meter verder klinkt uit de kliniek martiaal geschreeuw: de kleine fitnessruimte. Een kamer verder, in het zogeheten resocialiseringscentrum, zit een man met een volle baard en roodomrande ogen in zijn eentje achter de computer en bekijkt aanbiedingen voor cruises in de Cariben. Dr. Gregory Katz is de hoofdarts van Kfar Shaul. Als overtuigd zionist emigreerde hij in 1989 vanuit Moskou naar Jeruzalem, vertelt hij. Hij is mager, begin vijftig en praat vermoeid maar geconcentreerd. Hij was er ook van overtuigd dat het Joodse volk op de berg Sion, de oorsprong van hun geloof, thuishoort. Maar van die overtuiging is nog maar weinig over en godsdienstig is hij überhaupt nooit geweest. ‘Destijds in Rusland leken joden me bijzonder, op een of andere manier verlichter, voor iets voorbestemd. Maar het leven hier heeft me laten zien dat joden mensen zijn als alle anderen. En dat een idee altijd alleen een idee blijft.’
Katz heeft het Jeruzalemsyndroom niet direct ontdekt (de eerste teksten waarin van een dergelijk syndroom sprake is dateren al uit de zestiende eeuw) maar wel in toonaangevende medische tijdschriften beschreven. En hij heeft meer patiënten met het Jeruzalemsyndroom behandeld dan enig ander. Hoewel ook dat aantal overzichtelijk blijft: vroeger waren het ongeveer vijf tot zes gevallen per jaar. De zuivere vorm, waarbij een tot dan toe psychisch onopvallende persoon in Jeruzalem manisch wordt, komt toch al extreem weinig voor. In de regel is het type B: mensen met een bestaand ziektebeeld dat in Jeruzalem heviger wordt.
‘Alles bij elkaar is het een ziektebeeld dat verdwijnt. Pelgrims kunnen de Oude Stad op Google Street View tot in detail bekijken. Daarom blijft de shock na aankomst uit. Bovendien reizen mensen meer, zijn ze beter opgeleid er geloven ze niet meer zo direct in religie en wonderen’, vertelt Katz
De laatste keer dat hij een patiënt behandelde, was een halfjaar geleden. Een wat oudere Engelse toeriste, protestants, die dacht dat ze een heilige was en die een eind wilde maken aan het conflict in het Midden-Oosten. ‘Een ernstig geval, omdat ze leed aan eeen bipolaire stoornis en er rotsvast van overtuigd was dat ze een directe verbinding met God had.’
‘Maar hoe kun je iemand op een geloofwaardige manier, met argumenten uitleggen dat hij geen rechtstreekse verbinding met God heeft?’
‘Dat is ook onmogelijk. Als ze een aanval krijgen, geven we ze medicijnen.’
‘Wat geeft u de zekerheid dat medicijnen een goede uitleg kunnen vervangen?’
‘Je kunt dit probleem niet filosofisch oplossen. In individuele gevallen zijn medicijnen veel praktischer. Zeker, een religieus iemand gelooft dat God alles ziet en dat hij onder Zijn hoede staat. Na het bidden ervaart hij een zekere extase, een zekere band met God. Daar is bidden tenslotte ook voor. Maar als iemand stemmen hoort die van God komen en die hem concrete opdrachten geven, bijvoorbeeld om zich uit te kleden, dan zijn dat hallucinaties.’
‘Denkt u dat de meeste mensen in Jeruzalem een gezonde verhouding tot het geloof hebben?’
‘U kunt zich niet voorstellen hoe verschillend mensen zijn. We kunnen ze niet over één kam scheren. Iemand die in een ultra-orthodox gezin is opgegroeid kijkt op een bepaalde manier naar de wereld. Goed of niet goed: het is een andere wereld. Ja, de joodse godsdienst kent heel veel concrete voorschriften. Dat kan de basis vormen voor een manie. Maar uit onderzoek blijkt dat godsdienstige mensen minder vaak aan psychische ziektes lijden. Dat ze minder vaak zelfmoord plegen, meer motivatie hebben, na lichamelijke kwalen sneller weer gezond zijn.’
‘Anderzijds heeft religie er aantoonbaar toe bijgedragen dat de Stad van de Vrede altijd omstreden is gebleven, en nu gedeeld is. Het heeft geleid tot zelfmoordaanslagen en een schijnbaar onoplosbaar conflict.’
‘Ja, maar dat is het principiële probleem van ideeën. Groepsideeën als religie of nationalisme leiden altijd tot felle discussies. Wie aan een bepaalde god gelooft en daarnaar leeft, zal altijd in conflict komen met andersdenkenden. Natuurlijk, je kunt cynisch worden en nergens in geloven. Dan wordt het makkelijker en heb je geen last van tegenspraak. Maar kan een mens überhaupt zonder ideeën leven? Ik betwijfel het.’ Na een korte denkpauze voegt Katz eraan toe: ‘Zo ambivalent is de mens nu eenmaal.’
‘En uw eigen idee? U bent een niet-gelovige Jood, en een cynicus lijkt u me ook niet.’
‘Ik teer op de resten van mijn humanisme.’
‘U bevindt zich hier in de meest vrije wijk ter wereld. Als u na een moord ergens wilt onderduiken, kom dan naar Kafr Aqab’
Omdat humanisme goed is, maar metaalscanners beter, staat er altijd een tiental securitymannen bij de ingang van het hoofdbusstation van Jeruzalem. Een paar dagen eerder stak een jonge Palestijn een van deze mannen een mes in de borst. Misschien het begin van de gevreesde Derde Intifada. Of alleen maar een van de gebruikelijke, als alledaagse angst geïnternaliseerde basisgruwelen in deze verscheurde stad.
En toch komt ook het gelukkige, domweg onbezorgde Jeruzalem steeds opnieuw te voorschijn. De vader met lange lokken voor zijn oren die zich bij het verkeerslicht omdraait naar zijn kinderen op het achterzitje om een liedje te zingen of met ze te praten. De monnik die op een biscuitje staat te kauwen. De rabbi die, moge het Gode welgevallig zijn, naar een van de vele over de hele stad verspreide lottokantoortjes loopt om een kraslot te kopen. De kleine Ali die in een van de uitgestorven maar zeer steile straatjes in de Oude Stad op zijn brandweerwagen naar beneden suist, aangevuurd door zijn twee zusjes die in koor scanderen: ‘Ali, Ali!’
Hemelsbreed vijftig meter van de onverschrokken Ali de brandweerman staat de Verlosserskerk, omringd door louter handelaren die van hun religieuze relikwieën af willen: kruisjes, iconen, beschilderde houten eieren, sieraden. Allemaal schelden ze op Trump, die uitgerekend in de kersttijd de toeristen heeft afgeschrikt.
Kafr Aqab
En dan is er nog de onbeschrijfelijke wijk die niemand wil hebben. Toen in het stadhuis van Jeruzalem voor de laatste keer over Kafr Aqab werd gesproken, was dat om te bezien of de wijk niet afgescheiden moest worden en overgedragen aan de Palestijnse Autoriteit, die daar ook al niet buitengewoon happig op was. Tot 2004 was Kafr Aqab een onopvallende burgerlijke nederzetting met twaalfduizend voornamelijk islamitische inwoners. Officieel hoorde ze bij Jeruzalem, waaraan ook belasting werd betaald. Toen bouwde Israël de grensmuur en lag Kafr Aqab opeens op de Westelijke Jordaanoever. Dit leidde ertoe dat het stadsbestuur zich nauwelijks meer om de verwilderde wijk bekommerde, waarna die er een bouwboom inzette die het inwonertal deed vervijfvoudigen.
Door de hoofdstraat van deze onbeschrijflijke wijk, Ramallah Road, persen zich vergeefs toeterende en God noch gebod erkennende auto’s. Hoog in de lucht stapelen bouwkranen nog meer flats op elkaar. Het kleurrijkst in deze troosteloze berg beton zijn de talloze kinderen en de enorme hoeveelheid vuilnis langs de straten. ‘U bevindt zich hier in de meest vrije wijk ter wereld. Als u na een moord ergens wilt onderduiken, kom dan naar Kafr Aqab. Niemand die vraagt wie u bent of waar u vandaan komt. Hier bestaan geen verkeersregels, geen politie, geen justitie,’ zegt de 69-jarige Munir Zagheir. Het buurtcomité heeft hem gekozen als hun vertegenwoordiger. Als de pseudoburgemeester van Jeruzalems onbeschrijflijke wijk in woede ontsteekt − over huizen die op instorten staan, de marginale drinkwatervoorziening, de leeggeroofde scholen of de drugsdealers − vormen zich in zijn mondhoeken speekselresten zo groot als een kwartje. Die hij even vastberaden wegslikt als zijn voortdurende hoest.
Een van Zagheirs grootste professionele successen is dat hij voor een Israëlische administratieve rechtbank een bodemsanering van Kafr Aqab heeft bevochten. ‘Ik heb de rechtbank duidelijk gemaakt dat ik wel honden en katten bij de vuilnishopen kan weghouden, maar vogels niet, die vervolgens met hun bacillen over de apartheidsmuur naar West-Jeruzalem vliegen.’
‘Het conflict is dat rechts de godsdienst misbruikt’
In de ontvangstruimte van zijn huis hangen aan de muur portretten van zijn oudste zoon en van sjeik Ahmad Yassin, een van de oprichters van Hamas. Zagheirs positie is even duidelijk, maar helemaal onverzoenlijk is hij niet. De grenzen van 1967, Oost-Jeruzalem als hoofdstad van de soevereine staat Palestina, en dan vrede. Soms vertelt hij met zijn stralend groene ogen dat alleen wie bloemen zaait, bloemen kan oogsten. Dan weer spreekt hij met kleurloze ogen over soldaten, tegen de bezetting en gasmaskers. Toen het Israëlische parlement een paar weken geleden beraadslaagde over de afscheiding van zijn wijk, werd Zagheir uitgenodigd. ‘Ik heb gezegd: nooit van mijn leven. Want ze willen het leven in Kafr Aqab helemaal niet verbeteren. Het is alleen een demografische truc om het kiezersbestand te verschuiven ten guste van de orthodoxe joden in Jeruzalem.’
‘Is de ellende in Kafr Aqab het resultaat van religieuze conflicten?’
‘Nee, het conflict is dat rechts de godsdienst misbruikt. Wij moslims weten heel goed dat Jeruzalem voor alle drie de godsdiensten even belangrijk is. Waarom zouden wij dan de stad alleen voor onszelf willen? Ons aller leraar Jezus Christus predikte de wereld al: behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jou behandelden.’
Schooluniforms
Zagheir laat foto’s van de wijk zien: zonder vergunning neergezette gebouwen die de stad Jeruzalem inmiddels zelf moet huren voor privéscholen en klinieken. Vijf van deze wolkenkrabbers moeten worden afgebroken. Wanneer Zagheir de verslaggever door zijn wijk leidt, wordt hij onderweg door waanzinnig veel mensen gegroet. Hij kent ze allemaal, de schoolkinderen, shoarmaverkopers, sigarettenhandelaren en invaliden. ‘Salam Abu’, ‘Salam aleikum’, klinkt het uit de openstaande ramen. Een geliefd man in een liefdeloos oord. Wie wil, kan in Zagheir een profeet zien.
Aan de met sloop bedreigde huizen wordt intussen stug doorgebouwd. Blok na blok. Of ze blijven, weten noch de bouwvakkers, noch de meubelverkopers op de hoek die de eveneens speculerende inwoners ijverig van lederen sofa’s voorzien. Op een paar balkons hangt al was te drogen, op de zevende verdieping hangen twee vogelkooitjes.
‘Als u me wilt verontschuldigen, ik moet nog iets zakelijks doen,’ zegt Zagheir na een kleine rondgang.
‘Mag ik vragen wat?’
‘Ik moet naar een naaiatelier.’
‘Een naaiatelier?’
‘Ja. Ontwerpen voor schooluniformen bekijken. Ik ben eigenlijk ontwerper.’
De aanhanger van Hamas en vertegenwoordiger van de rechten van 58.000 mensen is twintig minuten later een schooluniforminspecteur geworden. Nauwkeurig bestudeert hij in het nabijgelegen Aram de op de Amerikaanse honkbalstijl gebaseerde jacks. Vierhonderd stuks voor de laatste klas van de Rhashadiaschool. Omringd door de al even geconcentreerde jacks evaluerende mannen van het atelier. De vrouwen blijven in de achterruimte achter hun naaimachines zitten, in een sober, geheel door videocamera’s bewaakt atelier. Uiteindelijk geeft Zagheir opdracht de rode kragen beter vast te zetten.
Op de terugweg gaat de pseudoburgemeester binnendoor, door het vluchtelingenkamp Kalandia. Een kamp dat al meer dan dertig jaar bestaat en intussen qua infrastructuur wel een stad lijkt. Voor veel Palestijnen is het daarom het symbool geworden voor de nakba, de Verdrijving.
Weer wordt Zagheir allerhartelijkst begroet.
‘Ze willen graag dat ik ook hier de boss word,’ geeft hij als reden voor zijn populariteit.
‘En wordt u dat?’
Zagheir zwijgt even. Hoest. Onderdrukt zijn hoest weer.
‘Misschien. Maar het stelt hoge eisen aan je als je geliefd bent bij de mensen.
‘O ja, hoe dan?’
‘Je moet oprecht zijn. Van de mensen houden als van jezelf. Eerlijk en waarachtig blijven. Maar als je dat ter harte neemt, heb je ook succes.’
‘En beschikt u over al die deugden?’
‘Die heeft mijn godsdienst me geleerd.’
Zagheir komt bij een kruispunt zo smal als een potlooddoosje. Drie vrachtwagens uit drie richtingen, zijn eigen gammele Toyota uit de vierde. Geen verkeersborden, geen regels. Met gebaren maken ze elkaar duidelijk wat ze willen en ze manoeuvreren langs elkaar terwijl het middaggebed van de muezzin over het onbeschrijflijke gebied schalt.
Twee uur later zal er op Ramallah Road van begrip geen sprake zijn. Eerst is er extase, wanneer vijfduizend mensen met Palestijnse vlaggen naar de gehate grensovergang marcheren. Voor de Dag van Woede, met borden waarop staat dat Jeruzalem voor eeuwig bij Palestina hoort. Om dat mee te maken komen de burgers van Kafr Aqab trots uit hun tapijtenwinkels en garages, en staan ze op hun ongeautoriseerde en instortingsgevaarlijke balkons. Ze filmen met hun mobieltjes en zingen luidkeels. Al snel staan er barricades in brand en gooien schreeuwende jongeren uit Kafr Aqab stenen naar de soldaten. Totdat ze Israëlisch traangas inademen uit de lucht die even eerder vol was van enthousiasme.
De nieuwe messias
Omri Szmulewicz zit achter zijn MacBook in café HaMiffal in West-Jeruzalem, dat niets heeft meegekregen van de Dag van Woede die zich een paar kilometer daarvandaan afspeelt. HaMiffal was tot voor kort een leegstaand gebouw, nu is het superhip als verblijf voor kunstenaars uit de hele wereld. Op dit moment presenteert een Ierse kunstenares er werk dat ze, gezichten van haar onbekende mensen aftastend, met haar ogen dicht heeft getekend. Szmulewicz organiseert in HaMiffal alles wat met muziek te maken heeft. Hij zorgt voor het geluid en bespeelt zelf een groot aantal instrumenten. Daarnaast organiseert hij de fundraising voor een biomedische start-up. Maar zijn eigenlijke roeping, de reden waarom Szmulewicz überhaupt naar Jeruzalem is gekomen, heeft niets met biomedisch werk te maken. Eerder met psychologie. Hij wil de nieuwe messias worden. ‘Ik zou liegen als ik zeg dat ik sinds mijn openbaring niet het gevoel heb dat ik de Ene ben,’ zegt hij. ‘Een stem in mijn hoofd zegt steeds opnieuw: jij hebt de gave, jij moet de boodschap verkondigen.’
Szmulewicz is een uit de kluiten gewassen, modern geklede man van begin dertig met lang zwart haar en de aanstekelijke open grijns van een echte schelm. Hij beschikt over een aanmerkelijke tegenwoordigheid van geest, een bombastische welbespraaktheid en zelfspot. Het tegendeel dus van een in beddenlakens wandelende manische Jeruzalemsyndroomzwamneus, zou je denken. Zijn openbaring, of ‘opwekking tot de psycho magic’ zoals hij het zelf noemt, heeft ook niet plaatsgevonden op een heilige plaats, maar in een psychotherapeutische praktijk waar hij therapie volgde.
Eigenlijk komt hij uit een welgesteld voorstadje van Tel Aviv. Met weldenkende ouders, een huis met kasten vol filosofieboeken en een frequent bespeelde concertvleugel in een woonkamer met glazen pui. ‘Waar ik weinig liefde heb ervaren en ben opgevoed tot scepticus.’ Daarom ook heeft hij in therapie geprobeerd het klaarblijkelijk nutteloze, naar contact snakkende kind in zichzelf te vermoorden. ‘Het zit op de punt van een driehoek. En wat ik ook probeer, ik slaag er niet in het te bereiken. Ik weet dat ik zal sterven als ik val. Ik zit gevangen tussen twee werelden. Ik word gruwelijk depressief, ga zitten, probeer een sigaret te draaien en val omlaag. Maar op dat moment verschijnen er engelen boven me die me opvangen. Ik haal drie keer diep adem, de drie beste ademteugen in mijn leven. Ik realiseer me dat ik het kan. Begin weer op te stijgen, langzaam, beetje bij beetje. Nu om het kind in mezelf te omarmen. En ik begrijp: dit is het dilemma van de mensheid. De top en de afgrond, het gewicht en de gewichtloosheid, het tijdrovende scheppen en het ellendig snelle verwoesten.’
‘God is precies de idee die je van de onverdraaglijkheid van de wereld redt, die met open ogen doet dromen’
Sindsdien begrijpt Szmulewicz het leven als een magische droom die iedereen door liefde kan vormgeven. Daarbij ziet hij heel goed dat veel om ons heen een voorliefde heeft voor het doden: ‘Rationeel beschouwd is de wereld onverdraaglijk. En dat altijd geweest. Maar God is precies de idee die je van deze onverdraaglijkheid redt, die met open ogen doet dromen.’
Szmulewicz wil een avondwandeling maken in de Oude Stad. Op weg daarheen zien we op veel gebouwen affiches hangen met het opschrift ‘God bless Trump’. De achtste kaars van de chanoekia is aangestoken, en de Mamilla Mall die naar de Oude Stad loopt, met zijn luxe winkels, is vol kleurige rijen lampjes en dikke portemonnees. ‘So, so you think you can tell heaven from hell?’ covert een grijze, orthodoxe man Pink Floyd op zijn gitaar. Zonder haast slaat Szmulewicz een van de stille zijstraatjes in. Toevallig lopen we tegen het kerkje van de Arameeërs aan, de eerste leerlingen van Jezus. Voor de onverlichte toeschouwer toevallig, maar voor Szmulewicz een teken.
‘Toeval bestaat niet. Vandaag moest ik deze plaats zien. Eraan herinnerd worden dat ook de grote godsdiensten een paar duizend jaar geleden zijn gevestigd door mensen met openbaringen. En dat geen van hen in zijn tijd erg geliefd was. Abraham heeft zijn familie verlaten om de epische weg naar het beloofde Land op te gaan. Jezus was een jood vol pretenties die iedereen tegensprak. Daarom is hij vermoord. Zelfs Boeddha kwam uit een streng religieus milieu en verklaarde ooit: u kletst allemaal maar wat. Religies hebben behoefte aan iemand die van tijd tot tijd de decadent geworden orthodoxie overwint.’
Smalle treden leiden naar een dak waar je de gouden Rotskoepel bijna kunt aanraken. Eigenlijk is het een aaneengesloten areaal van daken, en ze zeggen dat je over deze daken de Oude Stad helemaal kunt doorkruisen. Achter de al-Aqsamoskee strekt zich de Tempelberg uit, daarboven schitteren zachtgouden sterren. Op een moment als dit is er misschien wel geen plaats op de wereld die wereldser is dan Jeruzalem.
‘We hebben al genoeg egoïstische en valse profeten’
Szmulewicz gaat zitten om te mediteren. Na ongeveer twintig minuten gaat hij verder: ‘Ik heb de laatste maanden zo veel tekens gekregen en gezien. Soms moet ik ergens aan denken, dan sla ik de kabbala op een willekeurige plaats open, en precies datgene waaraan ik dacht staat daar geschreven. Altijd als ik duistere gedachten krijg, klop ik driemaal op hout om ze te verdrijven. Zo doen wij joden dat. Toen ik het onlangs in de kelder van mijn ouders deed, vormde zich uit deze punten opeens een driedimensionale davidster om me heen.’
Syndroomsteden
Jeruzalem is niet de enige stad waaraan een bepaald syndroom is toegerekend.
Heel ‘betoverend’ bijvoorbeeld is het Florencesyndroom. Dit al in het begin van de negentiende eeuw door de Franse schrijver Stendhal beschreven syndroom zou vooral kunstenaars overkomen die zich in Florence tegenover de alomtegenwoordige kunst opeens bewust worden van hun eigen onbeduidendheid. En als gevolg daarvan symptomen als ademhalingsproblemen en hartritmestoornissen ontwikkelen.
Bekender is het zogenoemde Stockholmsyndroom, waarbij een gijzelaar tijdens een gijzeling sympathie voor zijn gijzelnemer ontwikkelt. Het omgekeerde bestaat ook: een gijzelnemer ontwikkelt positieve gevoelens voor zijn gijzelaar; in zo’n geval spreekt men van het Limasyndroom. Minder extravagant, maar niet minder ernstig is het New Yorksyndroom, dat paradoxaal genoeg niet het verlies van realiteitszin, maar juist het verkrijgen daarvan beschrijft. Achter een bedrukte stemming zitten existentiële angsten en depressies verborgen die zich voordoen bij jonge mensen die hopend op de American dream en een succesvol leven naar New York komen. Om dan te concluderen dat hun droom niet zo eenvoudig te realiseren is.
‘Bent u weleens bang dat u de controle verliest? Dat u uzelf van louter verlichting niet meer herkent?’
‘Ik ben al heel erg veranderd. En dat maakt me een beetje bang. Aan de andere kant is dat natuurlijk ook de zin van bekering. Natuurlijk is God in de mensen en natuurlijk bezoekt de messias ons af en toe.’
‘En nu bent u de messias?’
‘Misschien. Maar te geloven dat je “de Ene” bent, is tegelijk infantiel. Ik heb de gave, niet mijn ego. En zolang ik mijn ego niet heb overwonnen, ben ik terughoudend. We hebben al genoeg egoïstische en valse profeten.’
Op donderdag, een dag voor de sabbat, zijn de nachten in de meest bezongen stad van de wereld het levendigst. De Ben-Yehudastraat staat vol gouden keeltjes, breakdancers, trommelaars en jongleurs en de uitpuilende cafés doen een wedstrijdje wiens installatie het hardst kan. Opgedoft, vrolijk van de wodka, opgewonden van de drugs: het kan er hier bijna carnavalesk uitzien. Ook al heeft de stad steeds minder seculiere inwoners.
Zowel de orthodox-joodse als de moslimmoeders in Jeruzalem krijgen gemiddeld 6,5 kind, en die gaan op donderdagen echt niet feestvieren. Ze krijgen in de eerste plaats zo veel kinderen omdat hun God hun voorschrijft dat ze vruchtbaar moeten zijn. In de tweede plaats omdat met de grootte van hun groep ook hun macht bij de verkiezingen toeneemt. Daar komt nog bij dat veel orthodoxe joden van een wereldlijke broodwinning afzien om zich helemaal aan de studie van de Heilige Schrift te wijden. Mede daardoor is de beroemdste stad van de wereld ook de armste stad in het Heilig Land. Hoe dan ook, op donderdag feesten degenen die overdag werken en doorgaans voorbehoedmiddelen gebruiken.
Een stukje bij deze levensader vandaan, aan een achterafpleintje met regenboogvlaggetjes, ligt de Videobar, de enige bar − zo niet de enige plek − in Jeruzalem voor homo’s. Opzettelijk in de buurt van een politiebureau, voor het geval er weer met molotovcocktails wordt gegooid. Af en toe komen er nachtvlinders naar de deur van de Videobar, blijven even staan en gaan weer weg. Om later terug te komen, iets dichterbij, en opnieuw haastig om te keren. Een paar van deze donderdagavondklanten vatten pas bij hun derde aanloop voldoende moed om echt naar binnen te gaan.
Tegen een van de muren staan Batman en Robin te vrijen, het achterste gedeelte heeft een kleine dansvloer. Britney Spears zingt over de ‘taste of a poison paradise’. Arabisch en Hebreeuws klinken zo uitgelaten door elkaar als in deze stad maar zelden voorkomt. Waarom ook niet? Het is moeilijk voor te stellen dat de door alle religies uitgestotenen elkaar in de Videobar in de lange haren van hun toupetjes vliegen over de toegang tot de al-Aqsamoskee.
‘Ik ben de queen van de orthodoxe viespeuken in Jeruzalem, hun sprankje hoop’
Alona, vandaag meer vrouw dan man, met luipaardjas, rode lippenstift en hoge hakken, voorkomt dat homo’s die door hun familie zijn verstoten zelfmoord plegen. Dat zegt ze in elk geval, terwijl ze staat te roken op de veranda. ‘Ik ben de queen van de orthodoxe viespeuken in Jeruzalem, hun sprankje hoop. Geloof me, er zitten verdomd veel verkapte flikkers onder de orthodoxen.’
‘En hoe leer je die kennen?’
‘Dat hoeft niet. Zij kennen mij en komen naar me toe. Heel verlegen, overdag of bij het boodschappen doen op de Mahane Yehuda-markt.’
‘En dan?’
‘Dan geef ik ze waar ze zo hevig naar verlangen. Ik vind ze sexy in hun zwart-witte pakjes. Met hun maagdelijkheid.’
‘Het klinkt alsof je hier in Jeruzalem als queer een nogal vrij leven leidt, Alona.’
‘Ik kan met iedereen goed overweg, ook in Jeruzalem. Ik ben gewoon ik, ik heb geen andere keus.’
‘Zo,’ moppert Joat, Alona’s metgezellin − eveneens flink opgemaakt, meer vrouw dan man, en met een volumineuze paarse sjaal gedrapeerd om haar gouden jurk, die op zijn beurt strak om haar tamelijk dikke lichaam zit. ‘Als jij zo vrij bent, waarom ga je dan niet in deze outfit naar je werk? Of op zijn minst opgemaakt?’
‘Dat mag niet,’ antwoordt Alona, die als veiligheidsbeambte in een openbaar gebouw in Jeruzalem werkt.
De dansvloer is inmiddels propvol en het aantal seksuele toespelingen per nummer benadert het Jeruzalemse religieuze vruchtbaarheidscijfer.
Mea Shearim
Of een van de dansers bij het aanbreken van de dag terug zal sluipen naar Mea Shearim, de oudste ultra-orthodoxe wijk van Jeruzalem? Heel ver liggen beide werelden niet uit elkaar, te voet misschien tien minuten. Maar wie over de drempel stapt, ziet een Joods leven dat nauwelijks door de moderne tijd is beroerd, tussen bouwvallige huisjes, met een oerwoud van stroomdraden en vreselijk vervuilde straten waar desondanks orde heerst. Een leven in liefdevolle, nauwe dorpsstraatjes, waar de buitenwereld niet binnenkomt. Waar kinderen, kinderen en nog eens kinderen hand in hand over straat lopen en sommige moeders zich geheel bedekken. Ze dragen een sluier over hun hoofd en ook van hun lichaam is niets te zien.
Hier kent iedereen iedereen, een donderdags uitje zal hier niet lang verborgen blijven, ook al is het vlak voor sabbat heel erg druk. Iedereen moet zijn vrijdagse vis en zijn pretzels nog in huis halen. Ingewikkelde consumentenverlangens moet je hier niet hebben, Britney Spears’ ‘Toxic’ of een tv-toestel zijn in Mea Shearim niet te vinden. Om drie uur ’s middags klinken overal in de wijk de luidsprekers. Melancholieke Hebreeuwse muziek schalt door Mea Shearim en kondigt het begin van de sabbat aan. De wijk wordt dan afgesloten, om een dag lang nog ongestoorder met God, met zichzelf en met nietsdoen bezig te zijn. Hoe mooi moet die muziek niet klinken als die je je leven lang het wonderschone, strikt voorgeschreven dolce far niente heeft verkondigd? Hoe moeilijk moet het niet zijn om hier weg te gaan en deze muziek nooit meer te horen, om niet alleen op donderdagavond stiekem een vrije zondaar te zijn?
‘Deze stad rukt iedereen zijn masker af. Ze duldt geen veinzerij,’ bevestigt pater Nikodemus Schnabel, priester en hoofd van de Dormitio-abdij, een benedictijnenklooster op de berg Sion. Hij woont sinds zestien jaar in Jeruzalem, is in 1978 in Stuttgart geboren en volgens zijn gelofte tot het eind van zijn leven aan zijn orde in het Nabije Oosten gebonden. En hier wilde pater Nikodemus ook precies naartoe. Zijn abdij staat op de plaats waar Jezus zijn Laatste Avondmaal tot zich nam. Een plaats van diepe contemplatie, hoog verheven boven het alledaagse lawaai van de Heilige Stad. ‘Om vijf uur in de ochtend, tijdens het eerste gebed bij zonsopgang, is Jeruzalem juist door die diepe godsvrucht om verliefd op te worden. Dan heeft Jeruzalem geen syndroom en al helemaal geen behoefte aan therapie.’
‘Ik begrijp waarom Jeruzalem de perfecte stad is om atheïst te worden’
Als er geen aanslagen met brandbommen op zijn klooster werden gepleegd. Of als er niet op de voorgevel werd gekalkt dat alle christenen dood moeten. Vlakbij liggen de nederzettingen van de radicaal-religieuze Heuveljoden. Vanwege hen moest er een permanente politiepost voor zijn deur worden neergezet. ‘Ik begrijp waarom Jeruzalem de perfecte stad is om atheïst te worden. Op gewone dagen word ik, als ik het klooster uitga, bespuugd, beledigd en geschopt. De radicale religieuzen roepen graag: “Oprotten naar Rome!” Hier is niets hetzelfde, iedereen is hier naakt. Ik ook.’
Als je pater Nikodemus ziet, is hij een open, zachtaardige en levenslustige man met rode wangen. Je kunt je de pas 39-jarige pater makkelijk voorstellen als gangmaker in het café, terwijl hij met zijn diepe joviale lach handen schudt en moppen vertelt. Een indruk die meteen vervliegt als de pater op de empathische toon van een zielzorger spreekt.
‘En welk gezicht zag u in de spiegel toen Jeruzalem u ontmaskerde?’
‘Ik zag en ik zie mijn valkuilen. Soms wil ik degenen die me bespuwen gewoon op hun bek slaan. Maar als ik mijn zoektocht naar God serieus neem, met de gedachte dat de mens naar het evenbeeld van God is geschapen, dan is zoeken naar God ook zoeken naar de mens. Wie ben ik, als ik me van iemand afmaak? Als ik iemand in een la stop?’
‘Ze doen niemand kwaad, huppelen rond, brabbelen wat, dossen zich vaak merkwaardig uit. Maar als de kerken deze mensen buiten zetten, waar moeten ze dan heen?’
Ook van degenen die in de spiegel plotseling een godheid ontwaren en bij dr. Katz terechtkomen, wil de pater zich niet afmaken. ‘Die hebben we hier altijd. Ze doen niemand kwaad, huppelen rond, brabbelen wat, dossen zich vaak merkwaardig uit. Maar als de kerken deze mensen buiten zetten, waar moeten ze dan heen?’ Het zou in elk geval een probleem worden als deze zwaarbelaste mensen troost vinden in de tuin van het klooster en daar helemaal niet meer weg willen. Over een paar uur zal pater Nikodemus de nachtmis lezen. Waarschijnlijk als enige katholiek op de wereld preekt hij voor een gehoor dat voor het grootste deel joods is.
Bethlehem
Ondertussen is in Bethlehem, de geboorteplaats van Christus, het feest al aan de gang. Eigenlijk maar negen kilometer, maar ook een omweg om een hele lange grensmuur heen verder. Op de markt waar de Geboortekerk en de Omarmoskee oog in oog staan, is een parade. Een bigband in militair ogende uniformen speelt ‘Jingle Bells’ met een Arabisch accent. Maar het Palestijnse Bethlehem lijkt op dit moment niet zo ontvankelijk voor kerstliedjes uit Trumpistan. Een affiche met een in het paars geklede Sinterklaas wenst ons Merry Christmas, een nog groter affiche dat eroverheen geplakt is herinnert ons eraan dat Jeruzalem voor eeuwig de hoofdstad van Palestina blijft.
De bewoners van de stad volgen de parade met een merkwaardige mengeling van plichtsbewustzijn, kijklust en ergernis. Tussen de rijen door dringen minderjarige kauwgom- en parapluverkopers naar voren. Eromheen cirkelen geconcentreerde Palestijnse soldaten en een groot aantal internationale cameraploegen. En om iedereen heen jaagt een akelige wind die maling heeft aan het milde winterzonnetje. En hoe verder je van de theoretisch zo feestelijke markt af komt, in de richting van Jeruzalem, in de richting van de gemilitariseerde scheidingsmuur, des te voelbaarder het wordt dat Bethlehem weinig zin heeft om feest te vieren.
De wind die over het feest joeg heeft tegen de avond dankzij de talloze regenbuien een zee van plassen in de Oude Stad veroorzaakt. Desondanks is de Dormitio-abdij voor de nachtmis van pater Nikodemus tot de laatste plaats bezet. Ook Omri Szmulewicz, die zich in staat acht de erfgenaam van de jarige te zijn, is gekomen. Hij luistert met gesloten ogen, een steentje dat zijn derde oog moet symboliseren tegen zijn voorhoofd gedrukt. Soms glimlacht hij enthousiast, dan weer kijkt hij een beetje mistroostig.
‘Als de messias verschijnt, kunnen we hem eindelijk vragen of hij hier voor het eerst is. Zo ja, dan hebt u gelijk, zo nee, dan wij’
Pater Nikodemus weet het verrassend jonge joodse publiek snel voor zich te winnen. In een wit met gouden kazuifel schertst hij vanaf de preekstoel: ‘Ik ben hier niet om u te bekeren. Als de messias verschijnt, kunnen we hem eindelijk vragen of hij hier voor het eerst is. Zo ja, dan hebt u gelijk, zo nee, dan wij.’ De pater verklaart dat God niet alleen een over ons wakende en wraakzuchtige God is. ‘Maar vol liefde en hartstocht. Almachtig, zeker, maar een God van vrede, van licht en van vergeving.’
Szmulewicz vergeeft de pater na afloop snel dat de mis ‘te mainstream’ was. En ook wil hij wel door de vingers zien dat het publiek zijn aandacht niet voldoende bij de dienst hield en dat ze ondertussen foto’s maakten met hun mobieltjes. ‘Maar misschien is het alleen mijn ego dat kritiek heeft. Waar moet de pater anders over preken dan over liefde en vergeving? Religie moet niet te ingewikkeld zijn.’
Een paar kilometer verderop staan de straten van de onbeschrijflijke wijk Kfar Aqab een halve meter onder water. De Dagen van Woede gaan verder. Dr. Gregory Katz moet over een paar uur met zijn restje humanisme in een dokterstas naar zijn werk. In de meest aanbeden stad ter wereld is het vandaag geen feestdag.
Life of Brian
Nooit is het Jeruzalemsyndroom zo prachtig en komisch ad absurdum gevoerd als in de klassieker Monty Python’s Life of Brian: in deze satirische film uit 1979 wordt de jonge Brian tegen zijn zin tot messias uitgeroepen, terwijl hij alleen de mooie Judith voor zich wil winnen. Verder wil hij met rust gelaten worden. Aan het bittere slot van de film klinkt de song ‘Always Look on the Bright Side of Life’, terwijl Brian en een tiental andere veroordeelden aan kruisen bungelen. De song werd even beroemd als de film: de laatste werd door het British Film Institute ondanks veel controverse gekozen als een van de honderd beste Engelse films.
De auteur
Dmitrij Kapitelman (31) heeft Jeruzalem in zijn leven tot nu toe drie keer bezocht, en de stad als ‘waanzinnig vermoeiend’ ervaren. Maar ook als een bijzondere plaats. ‘Het is moeilijk in woorden uit te drukken,’ zegt hij, ‘maar je voelt daar veel directer dan elders hoe belangrijk religie voor mensen kan zijn.’ Kapitelman is zelf van joodse origine, maar noemt zichzelf een ‘Hebreeuws gevormde atheïst’.
Te midden van een recordaantal sterfgevallen lijdt Narendra Modi electorale tegenslag
Ondanks de ‘zeer agressieve’ campagne van de hindoenationalistische Bharatiya Janata-partij (BJP) van Narendra Modi, behaalde Trinamool Congress (TMC) van Mamata Banerjee op zondag 2 mei een ‘spectaculaire overwinning’ in West-Bengalen, een belangrijke staat van 90 miljoen mensen, meldt Times of India. Het gaat om meer dan 200 van de 294 zetels in het parlement van de deelstaat.
Zondag werden ook verkiezingen gehouden in de staten Assam (Noordoosten), Tamil Nadu (Zuidoosten), Kerala (Zuidwesten) en in het unieterritorium Puducherry (Zuidoosten), dat in tegenstelling tot de deelstaten direct onder het centrale gezag staat. De BJP behield de macht in de staat Assam, maar slaagde er elders niet in aanzienlijke winsten te behalen, terwijl de partij daar wel op had gerekend.
Mamata Banerjee dwong de machtige BJP-leiders, en vooral premier Narendra Modi, om ‘terug te keren naar de realiteit’, aldus Times of India. ‘In West-Bengalen, waar de politiek van oudsher persoonlijkheidsgedreven was, slaagden de vele “sterren” die door de BJP voor de campagne werden ingezet, waaronder Narendra Modi, er niet in om de persoonlijkheid en het leiderschap van mevrouw Banerjee te overstemmen’, analyseert The Asian Age.
Nieuw record van sterfgevallen binnen 24 uur
Banerjee sprak zondagavond met de pers, bedankte de inwoners van de staat, vooral de vrouwen, en zei dat haar eerste taak zou zijn om de uitbraak van covid-19 in India aan te pakken, schrijftThe Hindu.
De aankondiging van de eerste uitslagen leidde tot ‘grote bijeenkomsten’ in West-Bengalen, meldt Hindustan Times, waarbij ‘partijaanhangers (…) elkaar omhelsden’ terwijl ondanks de regels ‘velen geen masker droegen’.
Zondag registreerde het subcontinent een nieuw record van sterfgevallen als gevolg van het coronavirus, waarbij 3689 doden in 24 uur werden betreurd, schrijft BBC. ‘Tien opeenvolgende dagen is het aantal gevallen in het land dagelijks meer dan 300.000’, aldus de Britse zender. ‘Ziekenhuizen kampen met een ernstig tekort aan bedden en zuurstoftanks, en veel Indiërs doen op sociale media een wanhopige oproep om hulp.’
Mamata Banerjee speelde in haar campagne in op deze ontwikkelingen, schrijft Times of India. Toen het aantal gevallen van covid-19 in het land toenam, ‘lanceerde ze een openlijk offensief tegen premier Narendra Modi en zijn naaste medewerker Amit Shah, en beschuldigde hen ervan dat ze in hun ijver West-Bengalen te winnen, hun verantwoordelijkheden niet waren nagekomen.’
Nu is het zeker, schrijft Deutsche Welle: de Groenen rekenen op Annalena Baerbock om de parlementsverkiezingen in september te winnen en de nieuwe kanselier te worden. Voor het eerst in hun geschiedenis zijn ze vastbesloten om een centrale plaats in de regering in te nemen.
In 1998 belandden ze met 6,7 procent van de stemmen in een nogal onverwachte coalitie met de SPD – een eerste deelname aan een regering die duurde tot 2005. Drieëntwintig jaar later bevinden de Groenen zich in een heel andere positie, met een prognose van meer dan 20 procent van de stemmen: de partij zou zelfs de CDU/CSU voorbijstreven, met 28 procent van de stemmen tegen 22 procent, volgens een peiling van 28 april.
De afgelopen jaren verklaren de Groenen zich bereid om met alle andere partijen samen te werken – behalve de extreemrechtse AfD. Nooit waren de Groenen zo flexibel, aldus Süddeutsche Zeitung. Een flexibiliteit die volgens sommige critici mogelijk ook van toepassing is op hun ideeën.
Veertig jaar na haar oprichting heeft de partij de kern van haar programma nog altijd niet veranderd
Maar Deutsche Welle stipt aan dat de partij veertig jaar na haar oprichting de kern van haar programma nog altijd niet heeft veranderd: de bescherming van het milieu, en vooral de strijd tegen klimaatverandering. ‘De campagne weerspiegelt wat de aanhang wil horen: de partij heeft zichzelf tot doel gesteld om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2030 met 70 procent te verminderen, een cijfer dat veel ambitieuzer is dan de 55 procent die de huidige regering noemt. Hiervoor moet de energietransitie worden versneld, de productiecapaciteit van hernieuwbare energiebronnen verhoogd en moeten er meer elektrische auto’s komen.
‘Net als de meeste andere partijen pleiten de Groenen voor een sterk Europa (…) en zijn ze voorstander van een herwaardering van de transatlantische betrekkingen. De Groenen zullen naar verwachting kritischer zijn over China en Rusland en zijn tegen de aanleg van de controversiële Nord Stream 2-pijpleiding in de Oostzee, die de huidige regering verdedigt. Ze steunden ook openlijk oppositiebewegingen in China, Rusland en Wit-Rusland‘, vat Deutsche Welle samen.
‘Economisch en sociaal staat de partij een sterke staat en hogere overheidsuitgaven voor‘, vervolgt DW. ‘Het valt nog te bezien wat er mogelijk zal zijn met de financiën als de coronacrisis voorbij is. En hoe zullen deze maatregelen vallen bij de conservatieven, die al hebben aangekondigd zo snel mogelijk terug te willen naar een begrotingsevenwicht?
Op maatschappelijk niveau stellen de Groenen zich op als voorvechters van gendergelijkheid en de strijd tegen xenofobie en racisme. Ze willen de polarisatie van de samenleving verminderen. Dit zal niet gemakkelijk zijn, aangezien veel van hun vertegenwoordigers – te beginnen met de vicevoorzitter van de Bondsdag Claudia Roth – onderwerp zijn van oprechte haat van de kant van hun politieke tegenstanders, met name de extreemrechtse Verenigde Staten.’
Tagesspiegel wijst erop dat Annalena Baerbocks gebrek aan ervaring zou worden opgevangen door ‘de solide infrastructuur van de Groenen’, in het bijzonder de afgevaardigden in de Bondsdag en de gekozen vertegenwoordigers in regionale parlementen. ‘Experts als Omid Nouripour voor buitenlands beleid, Franziska Brantner voor Europa of de doorgewinterde parlementariër Britta Hasselmann zijn mensen met sterke zenuwen en meer dan één truc achter de hand.’
Met WikiAfrica nemen Afrikanen hun eigen geschiedenis in handen
‘Op Wikipedia staat meer informatie over Frankrijk dan over het hele Afrikaanse continent’, verkondigt nieuwsblog Reasons to Be Cheerful. Geschiedenis, politiek, entertainment… Afrika ontbreekt in alle opzichten grotendeels in de inhoud die Wikipedia aanbiedt. Adama Sanneh, opgegroeid in een Italiaans-Senegalees gezin in Milaan, realiseerde zich de omvang van het probleem en de gevolgen nadat ze in Oost-Afrika had gewerkt.
In 2018 creëerde ze het WikiAfrica Education-initiatief, dat honderden burgers van het Afrikaanse continent en zijn diaspora samenbrengt. Ze hebben allemaal hetzelfde doel: vanuit Afrika kennis over Afrika produceren en verspreiden. Om dit te bereiken leek Wikipedia, een van de meest bezochte sites ter wereld (7 miljard bezoeken per maand), Adama Sanneh een voor de hand liggend platform. Deelnemers verrijken Wikipedia met kennis over het Afrikaanse continent door nieuwe pagina‘s aan te maken.
Het gebaar is des te symbolischer omdat ‘mondelinge geschiedenis in Afrika net zo belangrijk is als wat we in leerboeken vinden’
Een van de lanceringsevenementen van WikiAfrica vond in 2019 plaats in Johannesburg. Voor de gelegenheid werd het grote Constitution Hill Trust-complex van de stad overgenomen door jonge mensen, gewapend met boeken en computers. Activisten, specialisten en onderzoekers spraken hen toe, aldus Reasons to Be Cheerful.
‘Iconische Zuid-Afrikanen zoals justitie Edwin Cameron [lid van het Hooggerechtshof, de eerste Zuid-Afrikaanse functionaris die publiekelijk bekendmaakte dat hij hiv-positief was] en advocaat Dumisa Ntsebeza [advocaat en anti-apartheidsactivist] waren aanwezig om hun kennis over de grondwet en geschiedenis van Zuid-Afrika met de deelnemers te delen. Vervolgens vormden de jongeren, gewapend met deze kennis, werkgroepen om Wikipedia-artikelen over belangrijke figuren uit de democratische geschiedenis van hun land te maken en te ontwikkelen.’
Het gebaar is des te symbolischer omdat ‘mondelinge geschiedenis in Afrika net zo belangrijk is als wat we in leerboeken vinden’, schrijft Mail&Guardian. Door het gebrek aan vertalingen van zeldzame inheemse talen loopt het continent het risico dat waardevolle verhalen verdwijnen. Een 27-jarige Ghanese student die lid is van het initiatief, vertaalt de Wikipedia-pagina’s daarom bijvoorbeeld in haar moedertaal, Dagbani, dat wordt gesproken door ‘meer dan 3 miljoen moedertaalsprekers’, maar internationaal niet wordt erkend.
In de media en het academische discours en ook in de collectieve verbeelding blijft Afrika onderhevig aan een westerse blik. Volgens de organisatie Africa No Filters is zeker een derde van de artikelen die door Afrikaanse nieuwsorganisaties worden gepubliceerd, in feite afkomstig van buitenlandse persbureaus. Het is tijd om de burgers van het continent van ‘passieve consumenten’ te veranderen in ‘actieve transformatoren’ van kennis, aldus Adama Sanneh.
Bezoek een willekeurig Europees museum en binnen de kortste keren sta je oog-in-oog met objecten die in het koloniale tijdperk zijn geroofd uit Afrika en elders. Al decennia woeden discussies over teruggave. Groot-Brittannië komt steeds meer onder vuur te liggen, zeker nu Duitsland en Nederland hebben besloten delen uit hun collecties terug te geven aan de landen van herkomst.
Enkele weken geleden gaf Monika Grütters, de Duitse minister van Cultuur, opdracht aan de voorzitter van de Pruisische Stichting Cultureel Erfgoed, om een route te ontwikkelen die erin voorziet dat roofkunst in Duits bezit wordt teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaren.
Centraal staat een groep kunstvoorwerpen die wordt aangeduid met de naam Benin Bronzes. Die complete groep bestaat uit duizenden artefacten, waaronder koperen reliëfs, bronzen sculpturen en ivoorsnijwerk, die door Britse troepen in 1897 uit het huidige Nigeria werden geroofd tijdens een strafexpeditie.
Een deel van de Benin Bronzes kwam terecht in Duitsland. Inmiddels heeft een delegatie van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken Benin City in Nigeria bezocht om permanente restitutie door Duitse musea te bespreken. Naar verwachting zullen de afspraken over teruggave tegen de zomer zijn afgerond.
Dat is niets minder dan een doorbraak, aldus Deutsche Welle. Het feit dat politici het woord restitutie gebruiken, is het begin van een enorme verandering in de mondiale geografie van kunst, zo citeert Deutsche Welle Benedicte Savoy, een historica die al vele jaren onderzoek doet naar het onderwerp roofkunst.
‘Het proces begon in 2016 toen Emmanuel Macron aankondigde binnen vijf jaar objecten naar Afrika terug te willen sturen’, aldus Savoy. Het duurde nog drie jaar voordat het Franse parlement in december 2019 besloot zesentwintig objecten terug te sturen, maar het bracht de bal aan het rollen en zo kwam ook Duitsland in beweging.
Eerste stappen
Het is dan ook hoog tijd, want al sinds Nigeria onafhankelijk werd in 1960, pleit het land voor teruggave van de Benin Bronzes, weet Hyperallergic. De samenwerking van de Duitse delegatie met Nigeriaanse functionarissen over een gecoördineerde restitutiestrategie, betreft honderden Benin Bronzes in de collectie van het Etnologisch Museum in Berlijn.
Afrikaanse wetenschappers en activisten verwelkomen de Duitse stappen om de Benin Bronzes in zijn openbare collecties permanent terug te geven, schrijftThe Art Newspaper. De verwachting is dat dit zal leiden tot verdere restitutie van artefacten die uit voormalige koloniën zijn geroofd en die zich nu in collecties van westerse musea bevinden.
‘De kwestie van teruggave van cultureel erfgoed maakt deel uit van een eerlijke benadering van de koloniale geschiedenis’, zo citeert The Art Newspaper de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Heiko Maas. ‘Het is een kwestie van gerechtigheid. In het geval van de Benin Bronzes werken Nigeria en Duitsland samen om een gedeelde structuur te creëren, vooral wat betreft museale samenwerking met het geplande Museum of West African Art in Benin City.’
Souleymane Bachir Diagne, een Senegalese filosoof en directeur van het Institute of African Studies aan de Columbia University in New York, prijst het initiatief van de Duitse regering. ‘Duitsland heeft echt het voortouw genomen’, zegt hij. ‘Vooral de bronzen beelden uit Benin zijn belangrijk: het zijn waarschijnlijk de bekendste en meest geroemde kunstvoorwerpen. De terugkeer van deze oorlogsbuit heeft een bijzondere betekenis.’
Nederland
Volgens The Art Newspaper is ook Nederland een van de eerste landen die stappen tot restitutie heeft gezet: ‘De Nederlandse regering heeft een plan goedgekeurd om artefacten te repatriëren die uit voormalige koloniën zijn verwijderd, en heeft aanbevelingen overgenomen van een adviescommissie die oproept tot de “erkenning dat er onrecht is gedaan aan de lokale bevolking van voormalige koloniale gebieden toen cultuurgoederen tegen hun wil werden meegenomen”.
De commissie, voorgezeten door Lilian Gonçalves-Ho Kang You, heeft vorig jaar aanbevolen dat musea niet alleen claims in overweging zouden nemen voor items waarvan bekend is dat ze zijn geplunderd, maar ook verzoeken om teruggave van items zonder volledige herkomstgegevens, vooral in gevallen waarin de objecten van “cultureel, historisch of religieus belang zijn voor het bronland”.’
Volgens Jos van Beurden, auteur van een invloedrijk proefschrift uit 2016 dat in het Engels werd gepubliceerd als Treasures in Trusted Hands, staat Nederland, althans voorlopig, met het nieuwe beleid in de voorhoede van de Europese inspanningen om acquisities uit het koloniale tijdperk te repatriëren, zo schrijft The Art Newspaper.
‘Het zal nog even duren, maar de ontwikkeling is niet te stoppen’, meent ook Achille Mbembe, een Kameroense filosoof en professor aan de Universiteit van de Witwatersrand in Johannesburg. ‘Er is gewoon geen enkele morele grond om Afrikaanse artefacten in westerse musea vast te blijven houden.’
Ook de Universiteit van Aberdeen in Schotland heeft inmiddels aangekondigd een Benin-beeld terug te geven en daarmee is het een van de eerste openbare instellingen die zich tot repatriëring verplicht. Het zijn eerste stappen, maar de echte doorbraak zal pas komen als ook het British Museum in Londen zich committeert, want dat herbergt meer dan negenhonderd Benin-objecten.
‘Er zijn maar weinig voorwerpen die de geschiedenis van roofzuchtig kolonialisme beter illustreren dan de Benin Bronzes’
Iemand die zeer uitgesproken is over de verplichting tot teruggave is de Brit Dan Hicks, Professor Hedendaagse Archeologie aan de Universiteit van Oxford. Hij publiceerde eind vorig jaar het boek The Brutish Museums (De Brute Musea, in plaats van de Britse Musea). Het boek, dat als ondertitel heeft The Benin bronzes, Colonial violence and Cultural restitution, werd onder meer besproken door The New York Review of Booksen The Guardianen het werd door The New York Times opgenomen in de lijst van twintig belangrijkste kunstboeken van 2020. Volgens Hicks zijn de Benin Bronzes verspreid over meer dan honderdzestig museumcollecties wereldwijd, waaronder veel regionale museumcollecties.
Recent was Hicks te gast in een podcast, waarin de problematiek rond de Benin Bronzes als volgt wordt geïntroduceerd: ‘Er zijn maar weinig voorwerpen die de geschiedenis van roofzuchtig kolonialisme beter illustreren dan de Benin Bronzes, een verzameling van duizenden koperen plaquettes en gebeeldhouwde ivoren slagtanden die de geschiedenis weergeven van het Koninklijke Hof van Benin in Nigeria. De verzameling werd buitgemaakt tijdens een Britse aanval in 1897 en werd overgedragen aan koningin Victoria, het British Museum en talloze privécollecties.
Nu, meer dan honderdtwintig jaar later, vormt het verhaal van de Benin Bronzes de kern van een verhit debat over culturele restitutie, repatriëring en dekolonisatie van musea. In The Brutish Museums pleit Dan Hicks krachtig voor de spoedige teruggave van dergelijke objecten, als onderdeel van een breder project om de uitstaande schulden van het kolonialisme te vereffenen.’
Queen Elizabeth
Na de publicatie van zijn boek pakt Hicks stevig door, want in een opinie-artikel voor The Guardian, getiteld ‘Als de koningin niets te verbergen heeft, moet ze ons vertellen welke kunstvoorwerpen ze bezit’, eiste hij vorige week dat niet alleen musea maar ook de Britse koningin Elizabeth openheid van zaken geeft over de herkomst van haar privécollectie. Hicks schreef zijn artikel uit verbazing over het feit dat de Britse koninklijke familie, met een roemrucht verleden wat betreft de verwerving van geroofde kunstvoorwerpen, is vrijgesteld van een wet ter bescherming van cultureel erfgoed.
‘Als Britse musea alle gestolen spullen zouden teruggeven, zouden ze leeg zijn en zouden ze allemaal moeten sluiten.’ Hicks opent zijn artikel met dit in Groot-Brittannië vaak geopperde schrikbeeld. Maar, schrijft hij, deze gedachte verwart noodzakelijke, verlichte hervormingen met een beeldenstorm. Sinds de jaren negentig bekijken we de teruggave van door nazi’s geroofde kunstwerken en van menselijke resten van geval tot geval. Die werkwijze heeft het belang van musea niet kleiner gemaakt, maar heeft ze domweg in overeenstemming gebracht met de eisen van onze tijd.
Eenzelfde gang van zaken is nu zichtbaar rond verzoeken om de teruggave van gestolen Afrikaans erfgoed, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de aankondiging van de Universiteit van Aberdeen om een geroofd Benin-beeld terug te geven aan Nigeria, aldus Hicks. De tijden veranderen. Er is een aardverschuiving opgetreden in wat museumbezoekers verlangen van de instellingen waar ze van houden.
We zien een groeiend ethisch besef als het om mode en kleding gaat, en op eenzelfde manier willen mensen tegenwoordig weten waar de cultuur die ze consumeren vandaan komt. Hoe zijn die voorwerpen hier terechtgekomen? Is er iemand die om teruggave vraagt? Hicks merkt op dat er in Duitsland zelfs campagnes zijn gestart om museumarchieven online te openbaren, zodat museumbezoekers zelf de feiten van koloniale plundering kunnen onderzoeken. Kortom, het publiek eist in toenemende mate transparantie over diefstal.
Verdrag van Den Haag
Deze vraag naar transparantie, schrijft Hicks, komt scherp in beeld door het opmerkelijke nieuws dat de privébezittingen van Hare Majesteit zijn vrijgesteld van de Wet op Cultureel Eigendom van 2017. Deze wet kan nauwelijks omstreden zijn, want hij is ruim vijftig jaar na dato een bekrachtiging van het Verdrag van Den Haag uit 1954. De Wet op Cultureel Eigendom maakt het strafbaar om onrechtmatig geëxporteerd cultuurgoed te kopen of te ontvangen als schenking of lening, ongeacht de datum van die export.
Het idee dat de politie de koninklijke privélandgoederen Balmoral en Sandringham van de koningin zal doorzoeken naar gestolen goederen lijkt misschien onwaarschijnlijk, maar Hicks wijst er fijntjes op dat een schilderij uit de Nederlandse koninklijke collectie in 2015 werd geïdentificeerd als nazibuit. Net als musea loopt ook de Britse koninklijke familie het risico illegale oudheden, tijdens de Holocaust gestolen kunstwerken of koloniaal roofgoed als lening of geschenk te hebben ontvangen. Voor zowel musea als het koninklijk huis zijn zorgvuldigheid en transparantie een natuurlijke, ethische verantwoordelijkheid.
Dan is er ook nog de kwestie van de Royal Collection van de Britse koninklijke familie, de grootste particuliere kunstcollectie ter wereld. ‘Denk bijvoorbeeld aan de gouden tijgerkop met ogen van bergkristal en tanden die van de troon van Tipu Sultan van Mysore werden gerukt tijdens de bestorming van Seringapatam in 1799, waarbij de sultan werd vermoord; in 1831 door ambtenaren van de East India Company geschonken aan William IV’.
Of, vervolgt Hicks, de ‘krobonkye’, een muts van antilopenleer met stroken van gehamerd goud in de vorm van een krokodil waarvan gezegd wordt dat hij toebehoorde aan Kofi Karikari, de koning van de Ashanti. De muts werd geroofd toen Karikari werd afgezet door Britse troepen in de Ashanti-oorlog van 1874 en Sir Garnet Wolseley toezicht hield op de plundering van de koninklijke paleizen in Kumasi.
Er is de gebeeldhouwde houten trommel van Emir Wad Bishara, meegenomen na zijn nederlaag bij de bloedige slag om Omdurman in 1898 waarbij Britse machinegeweren 12.000 mensen neermaaiden en nog eens 13.000 verwondden. De trommel werd als trofee aan koningin Victoria aangeboden door generaal-majoor Herbert Kitchener, de ‘Sirdar’ (opperbevelhebber) van het Egyptische leger.
Er is een paar uitgesneden ivoren luipaarden, waarvan de vlekken in koper zijn weergegeven. Ze werden in 1897 aan koningin Victoria aangeboden door admiraal Sir Harry Rawson nadat hij op brute wijze Benin City in Nigeria had geplunderd en koning Ovonramwen Nogbaisi had afgezet en hem in ballingschap had gestuurd.
Looty (‘Plundertje’)
Koningin Victoria ging zelfs zo ver dat ze een speciale tentoonstelling liet maken voor dergelijke objecten die waren gestolen bij gewelddadige onttroningen van rivaliserende vorsten. Op vrijdag 18 juni 1897 begon de tiendaagse ‘Koninginneweek’ ter gelegenheid van Victoria’s diamanten jubileum met de opening van een permanente tentoonstelling van gestolen voorwerpen. In de Grand Vestibule van Windsor Castle werden tien elektrisch verlichte vitrines van eikenhout geïnstalleerd, voor wat destijds werd aangekondigd als ‘een museum met relikwieën van voormalige vorsten’.
Voorwerpen die waren geroofd van afgezette koningen, emirs en sultans, van India tot Ghana, van Soedan tot Nigeria en elders in het Britse rijk, werden uit de opslag gehaald en geïnstalleerd in het deel van de staatsappartementen dat werd gebruikt om internationale bezoekers te ontvangen. Victoria kreeg zelfs een hondje genaamd Looty (‘Plundertje’), een pekinees die bij de vernietiging van het Zomerpaleis van Peking in 1860 van keizerin-weduwe Cixi werd weggenomen en naar Balmoral werd verscheept.
De vitrines in de Grand Vestibule zijn er nog steeds. En ook de koninklijke collecties groeien nog steeds, schrijft Hicks. ‘Een voorbeeld in mijn boek The Brutish Museums illustreert het belang van transparantie, aangezien geschenken aan de vorst zo vaak een complexe geschiedenis hebben. Het betreft een bronzen kop van Benin die werd geroofd tijdens de aanval van 1897 en daarna op een veiling werd gekocht door Nigeria voor het nationale museum in Lagos in de jaren vijftig.
Vervolgens keerde het object volledig legaal terug naar Londen, als geschenk aan de koningin door generaal Yakubu Gowon tijdens een staatsbezoek in 1973. Moet deze koninklijke schat nu voor een tweede keer naar Nigeria worden teruggebracht? Het antwoord is in ieder geval niet te vinden op de website van Royal Collection Trust, waar de uitstallingen van Windsor nog steeds eufemistisch worden beschreven als een illustratie van “de complexe manieren waarop Britse monarchen contact hebben gehad met volkeren over de hele wereld”.’
Waar het om gaat is hoe we soevereiniteit definiëren in het derde decennium van de eenentwintigste eeuw
Hoe verbinden we de netelige kwestie van kolonialisme in de victoriaanse musea met de netelige kwestie van aanhoudend feodalisme, die in de vorm van een monarchie nog steeds aanwezig is in het laatkapitalisme? In beide anachronistische domeinen verdient het publiek in ieder geval te weten of cultureel eigendom afkomstig is van diefstal. Want, aldus Hicks, waar het om gaat is hoe we soevereiniteit definiëren in het derde decennium van de eenentwintigste eeuw.
In het koloniale tijdperk beschouwde de Britse koninklijke macht onteigening als legitiem. In de volstrekt andere wereld van vandaag vereist culturele legitimiteit dat stelen niet triomfantelijk wordt getoond, noch verborgen wordt of toegedekt, maar zichtbaar wordt gemaakt zodat mensen zelf kunnen oordelen.
De Egyptische schrijfster Ahdaf Soueif stapte in 2019 op als bestuurslid van het British Museum. Soueif besloot daartoe vanwege sponsoring door BP én vanwege de houding van het museum te aanzien van repatriëring van geroofde kunstvoorwerpen. Hicks noemt die stap ‘een indicatie dat eisen over de terugkeer van koloniaal roofgoed, net zoals protesten over sponsoring door oliebedrijven van theaters, musea en kunsthuizen, deel uitmaken van een bredere, groeiende overtuiging dat sociale rechtvaardigheid en klimaatrechtvaardigheid hand in hand moeten gaan met “culturele rechtvaardigheid”.
Politiek van transparantie moet ook een politiek van inclusiviteit zijn. Hoe kunnen we breken met eenzijdige processen die worden gedicteerd door degenen die gestolen goederen in bezit hebben? Hoe geven we eisers een respectvolle plaats? Van de inventarislijsten van onze nationale musea tot wat het ook is dat aan de muren van Sandringham House hangt: het Britse publiek en de wereld verdienen openheid als het gaat om kwesties van diefstal.’
Onze zwakke en sterke kanten ontdekken en ook anderen beter leren kennen, daartoe dient de geschiedenis, zegt Géraldine Schwarz. Als we naar een betere toekomst willen, helpt het volgens haar niet om standbeelden en straatnamen weg te halen. Daarmee wordt de verantwoordelijkheid van miljoenen medeplichtige burgers ontkend.
Keuze uit het archief
Dit weekend herdenken we in Nederland de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en de bevrijding van ons land, dit jaar 79 jaar geleden. Zo’n nationale herdenking is een ideale gelegenheid om stil te staan bij de lessen die we persoonlijk en als land van 79 jaar vrijheid geleerd hebben.
In dit artikel van vier jaar geleden analyseert de Duits-Franse journalist en documentairemaker Géraldine Schwarz het koloniale verleden van Europese landen en de manier waarop ze met de zwarte bladzijdes van deze periode zijn omgegaan. Welke lessen kunnen we daaruit trekken als het gaat om de verwerking van de Tweede Wereldoorlog en hoe kunnen we invulling geven aan de woorden ‘nooit meer’?
Tot aan de Tweede Wereldoorlog diende de geschiedschrijving louter ter glorificatie van de natie, om revanchisme aan te wakkeren of nationale helden te vereren. Het trauma van de oorlog leidde na 1945 in Europa tot een nieuwe missie: leren van het verleden.
Als we door het verleden te onderzoeken een beter heden willen creëren, volstaat het niet om een paar schuldigen uit de geschiedenis aan te wijzen en hun standbeeld omver te trekken. Natuurlijk wekken standbeelden van controversiële figuren zonder begeleidende tekst woede – zoals van koning Leopold II van België, de Britse slavenhandelaar Edward Colston in Bristol of de Nederlander Jan Pieterszoon Coen, die in 1621 met geweld de Banda-eilanden veroverde. Maar iconoclasme biedt vaak slechts een illusie van gerechtigheid. Daarna komt het vergeten en wat overblijft is de gemiste kans dat we ons verleden hadden kunnen benutten om onszelf beter te leren kennen.
‘Onze geschiedenis toont ons waar de mens toe in staat is. We moeten niet denken dat wij anders of beter zijn,’ zei de toenmalige West-Duitse president Richard von Weizsäcker in 1985 in een historische rede voor de Bondsdag.
Onze zwakke en sterke kanten ontdekken en ook anderen beter leren kennen – dat zouden we van de geschiedenis moeten willen leren.
Verlichting
Als we standbeelden en straatnamen weghalen, begraven we ook de verantwoordelijkheid van miljoenen medeplichtige burgers die een misdadig systeem aan de macht hielpen en in stand hielden. Koloniale leiders konden hun gang gaan omdat complete samenlevingen in Europa, in de Amerika’s, maar ook in de Arabische wereld en het Ottomaanse rijk dachten zoals zij. Die burgers hadden misschien geen bloed aan hun handen, maar velen profiteerden wél van de wrede overheersing van de ene mens door de andere – want dat is de kern van slavernij en kolonialisme. Deze medeplichtigheid van de massa is volgens mij een veel fundamenteler vraagstuk dan de schuld van een individuele slavenhandelaar of sadistische koloniaal.
Deze medeverantwoordelijkheid lijkt minder relevant in het obscurantistische tijdperk van Christoffel Columbus, toen analfabetisme, bijgeloof en het dictaat van de kerk weinig ruimte lieten voor zelfstandig denken, dan tijdens de Verlichting in Frankrijk, de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Nederland. Daar is het argument dat je het verleden ‘niet langs de meetlat van het heden kunt leggen’ moeilijker te verdedigen. Die landen waren volgens onze huidige normen weliswaar geen democratieën, maar ze gingen toch prat op hun burgerlijke vrijheden en tolerantie – terwijl ze die beginselen in hun koloniën aan hun laars lapten.
De Nederlanden maakten als eerste kennis met de Verlichting. In de zestiende eeuw verwierpen ze het goddelijk recht op koningschap, waarbij een vorst geen verantwoording schuldig is aan aards gezag. De Tachtigjarige Oorlog tegen het Spanje van Filips II, die uiteindelijk leidde tot de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, vormde de inspiratie voor de grote revoluties in Groot-Brittannië, Frankrijk en de Verenigde Staten.
Dubbele moraal
De Republiek was haar tijd ook echt vooruit, met haar drang tot autonomie, saamhorigheid en een verlichte burgermaatschappij die autoritair bestuur en obscurantisme afwees. Maar ver weg voerde de Republiek meedogenloze, gewelddadige koloniale oorlogen en bedreef ze slavenhandel.
Later zouden de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk zich ook bezondigen aan een dubbele moraal. Ondanks de revoluties van de Verlichting bleven ze volkeren op grote schaal onderdrukken en uitbuiten door slavernij, rassensegregatie en kolonialisme. Dat ging door na de Tweede Wereldoorlog, nadat de overwinnaars hun morele superioriteit over het fascisme hadden geproclameerd. De vraag is in hoeverre deze dubbele moraal de denkbeelden van de Verlichting ongeloofwaardig maakt. Immers, miljoenen Franse, Britse, Nederlandse, andere Europese en Amerikaanse staatsburgers deden mee aan dit immorele, ondraaglijk hypocriete gedrag.
Dit fundamentele inzicht doet ons onze huidige verantwoordelijkheden beseffen, de tegenstrijdigheden en de consequenties van ons handelen en onze consumptiepatronen. Zo kunnen we onze eigen feilbaarheid en meegaandheid onder ogen zien, in plaats van de verantwoordelijkheid altijd af te schuiven op onze leiders, op anderen, en beseffen dat je een perfide systeem niet actief hoeft te dienen om toch medeplichtig te zijn.
Meelopen met de menigte uit onverschilligheid, opportunisme of conformisme is ook een vorm van medeplichtigheid. Alleen vanuit dit perspectief kunnen we van het verleden leren – en beseffen dat we meestal wél een keuze hebben.
Het vermogen om excuses aan te bieden is geen wijdverbreid talent
Om van de geschiedenis te kunnen leren moeten we ook ons vermogen ontwikkelen om empathie te voelen, ons in te leven in het perspectief van het slachtoffer, de onderdrukte, de vernederde.
Maar de duistere kanten van het verleden erkennen moet niet resulteren in een schuld- of slachtoffercultuur, noch moet het worden gebruikt om haat of sektarische sentimenten op te stoken, of een anachronistische of manicheïsche visie op het verleden te propageren. Geen verzoening is echter blijvend, geen vrede is stabiel, geen verleden kan worden afgesloten zonder die ene essentiële stap: de bereidheid om excuses aan te bieden. Hoeveel mensen deinzen hier echter niet voor terug! Groot-Brittannië, dat ooit een vijfde deel van de wereld overheerste, weigert nog steeds excuses aan te bieden voor de economische uitbuiting en rassensegregatie in zijn kolonies. En ook voor de goed gedocumenteerde slachtpartijen zoals die in India of in de jaren vijftig in Kenia tijdens de opstand van de Mau Mau-beweging plaatsvonden.
Daarbij sloten de Britten bijna de hele Kikuyuaanse gemeenschap [de grootste etnische groep van Kenia] op in detentiekampen en reservaten, waarbij tienduizenden doden vielen. Toen de nabestaanden de Britten in 2000 aanklaagden, betuigde de regering ‘spijt’, maar bood geen excuses aan. Als Londen wordt geconfronteerd met deze wandaden, wordt aansprakelijkheid voor de wandaden van het koloniale bewind stelselmatig afgewezen. Alsof de plaatselijke gouverneurs destijds volkomen op eigen gezag handelden – terwijl ze in werkelijkheid nauwgezet de instructies van de regering in Londen volgden.
In Britse scholen, musea en de meeste media lijkt weinig aandacht te bestaan voor stilstaan bij de fouten uit het verleden. En hoeveel straten en standbeelden zijn er niet die nog steeds de leiders van het oude Empire eren! Een deel van de elite die zo ijverde voor de brexit, komt uit families die hun fortuin maakten in de kolonies. Ze gingen naar elitescholen waar de tradities van het Empire nog levend worden gehouden. Zo bleef de illusie in stand dat Groot-Brittannië wereldwijd genoeg invloed heeft om op eigen houtje te kunnen handelen – terwijl die invloed in werkelijkheid gestaag is afgekalfd.
Excuses
De Britten zijn niet de enigen. Het vermogen om excuses aan te bieden is geen wijdverbreid talent. Toen Mexico in 2019 excuses vroeg aan Spanje vanwege de wrede onderdrukking van de inheemse bevolking tijdens de Spaanse veroveringen in de zestiende eeuw, reageerde Madrid verontwaardigd; het verleden mocht niet beoordeeld worden naar hedendaagse maatstaven.
Nu kan men het obscurantisme dat destijds in Spanje en Portugal heerste inderdaad aanvoeren als verzachtende omstandigheid. Met dergelijke argumenten moet je echter voorzichtig zijn, want er kunnen allerlei misdaden mee worden goedgepraat die onder invloed van een fanatieke ideologie zijn gepleegd. Het Spaanse argument wordt minder geloofwaardig, omdat Madrid ook de ogen sloot voor de misdaden van het Franco bewind. Na Franco’s dood in 1975 werd er een amnestiewet uitgevaardigd waardoor iedereen die aan die misdaden had deelgenomen, ongestraft bleef. De slachtoffers bleven achter met hun pijn, moesten zelf op zoek naar de stoffelijke resten van de 140.000 mensen die tijdens de dictatuur waren ‘verdwenen’.
In 2007 werd in Spanje de ‘Wet op de Historische Herinnering’ aangenomen, die onder andere beoogde de slachtoffers van het Franco-regime te steunen en de symbolen van de dictatuur uit de openbare ruimte te verwijderen. Echter pas in oktober 2019 werd Franco’s stoffelijk overschot opgegraven uit het mausoleum in de Valle de los Caídos [Vallei van de gevallenen] en kwam er een eind aan dit onverdraaglijke eerbetoon van staatswege. Het onvermogen om het verleden onder ogen te zien heeft in sommige delen van de Spaanse samenleving geleid tot een gevaarlijke relativering van Franco’s wandaden, met als uitvloeisel de opkomst van een antidemocratische, extremistische partij.
Italië heeft de talloze slachtoffers van zijn gewelddadige kolonialistische buitenlands beleid onder het fascisme nooit herdacht: wreedheden en bloedbaden in Libië, Ethiopië, Griekenland en Joegoslavië en de internering van tienduizenden mensen in fascistische concentratiekampen. Er is amper een zuil, gedenkteken of museum te vinden waarmee deze historische verantwoordelijkheid recht wordt gedaan.
De ontkenning van deze misdaden heeft geleid tot een opkomst van racisme en populisme
Weinig Italianen kennen deze misdaden – toen Italië de Aksum-obelisk teruggaf die Mussolini tijdens zijn bloedige veroveringsoorlog uit Ethiopië had geroofd, reageerden veel Italianen verontwaardigd. En bijna niemand stoort zich aan de grote obelisk – met het opschrift ‘Mussolini Dux’ (leider) – die nog steeds in Rome staat, zonder enige begeleidende tekst. Net als in Spanje heeft de ontkenning van deze misdaden in delen van de samenleving geleid tot een rehabilitatie van het fascisme en bijgedragen tot de opkomst van racisme en populisme.
In Frankrijk zijn niet alle aspecten van het koloniale tijdperk belicht. Dat geldt vooral voor de wreedheden die zijn begaan tijdens de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog, waarna 800.000 Fransen van Algerijnse afkomst het land werden uitgezet. De herinnering aan die oorlog voedt nog steeds wrok, vooral onder de nazaten van de Algerijnse immigranten – van wie er velen in de troosteloze banlieues wonen.
Maar in Frankrijk is ontkenning niet langer het overheersende sentiment in het onderwijs, musea of in de media. Ook de meeste politici veroordelen het kolonialisme als een onrechtvaardig en wreed systeem. President Macron noemde het in 2017 zelfs een ‘misdaad tegen de mensheid’. Desondanks weet Frankrijk dit inzicht niet goed om te zetten in een vorm van democratische verantwoordelijkheid, noch bij het bestuur noch bij de burgers.
Spijt
In 2013 betuigde de Nederlandse ambassadeur in Indonesië ‘spijt’ voor de excessen van de Nederlandse troepen tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog van 1945 tot 1949. Dit gebaar volgde op de juridische procedure die de weduwen van de slachtoffers hadden aangespannen tegen de Nederlandse staat. In maart 2020 herhaalde koning Willem-Alexander onverwacht deze excuses tijdens een staatsbezoek aan Indonesië. Toch worstelt Nederland nog steeds met zijn koloniale verleden. In excuses maken zijn de Nederlanders niet goed. In januari 2020 waren ze een van de laatste landen in Europa die excuses maakten voor het feit dat de overheid de joodse gemeenschap tijdens de bezetting door de nazi’s niet heeft beschermd. Van de Nederlandse joden werd bijna 80 procent weggevoerd en vermoord.
Het lijkt of Nederland nu beter begrijpt hoe je de last van het verleden ten goede kunt keren – kijk de demonen uit het verleden in de ogen, in plaats van ze te negeren. En het laat zien dat in het reine komen met het verleden belangrijk is voor de democratische volwassenwording van een land.
Onderdrukte geschiedenis is als een boemerang. Ze komt terug in de vorm van spanningen en verdeeldheid in de samenleving, populisme, antisemitisme en racisme. Internationale betrekkingen lopen schade op en de vrede staat onder druk.
Als Europa in de wereld een normatieve invloed wil uitoefenen, als het op een geloofwaardige manier zijn model van een open, democratische samenleving tegenover de opkomst van autoritaire, onderdrukkende regimes wil plaatsen, dan moeten de voormalige koloniale mogendheden hun historische verantwoordelijkheden nemen.
Collectief geheugen
Koloniale geschiedenis is de belangrijkste verbinding tussen ‘autochtone’ Europeanen en Europeanen met een migratieachtergrond. Als we vreedzame betrekkingen willen en een inclusieve Europese identiteit, moeten we die geschiedenis integreren in het collectieve Europese geheugen.
Misschien is het koloniale verleden wel zo verdrongen omdat een ander verleden een zwaarder stempel drukte: de Tweede Wereldoorlog, het totalitarisme en de Holocaust. Europa is gebouwd op de belofte ‘nooit meer’ en heeft een ongelooflijke hoeveelheid energie besteed aan de concrete invulling van die twee woorden.
Het is nu 75 jaar na de oorlog, wat hebben wij Europeanen geleerd?
Aan de coronapandemie kunnen we afmeten hoeveel we zijn opgeschoten. Enerzijds wordt duidelijk dat we niet zo goed zijn in leren van de geschiedenis. Het gemak waarmee zogenaamde ‘vrije’ samenlevingen elementaire vrijheden opgaven, zoals de vrijheid van reizen of vergadering, heeft opnieuw duidelijk gemaakt hoe effectief de ‘angstfactor’ is. Niet dat de lockdown niet gerechtvaardigd was, maar hoeveel Europeanen accepteerden zonder publiek debat, zonder discussie alle maatregelen, ook de disproportionele of onlogische? Dit blind voorrang geven aan veiligheid ten koste van vrijheid is een gevaarlijke reactie. Het heeft al de deur opengezet voor een zorgwekkende ontwikkeling: onze toenemende bereidheid om in naam van een betere aanpak van de pandemie allerlei surveillancemiddelen te accepteren.
Solidariteit
Maar de pandemie heeft ook laten zien dat we van de catastrofes van de twintigste eeuw een essentiële les hebben geleerd: als de mens ophoudt mens te zijn, richt hij zichzelf te gronde. In een tijd waarin een technologische, economische visie mensen reduceert tot algoritmes, consumenten, vervangbare modellen zijn de meesten van ons er juist van doordrongen geraakt dat ieder mens uniek en onvervangbaar is en een fundamenteel recht op leven heeft.
Toen utilitaire opvattingen over de logica van natuurlijke selectie en het opofferen van de minderheid ten bate van het zogenaamde algemeen welzijn de kop opstaken, triomfeerde de weigering om de mens het recht te geven om te beslissen over leven en dood, om de waarde van het ene leven af te wegen tegen het andere – oud tegen jong, gezond tegen ziek, maar ook ingezetene tegen vreemdeling, Frans tegen Italiaans, Duits tegen Frans. Het duurde even, maar Europese solidariteit bleek te bestaan.
Deze lessen van de geschiedenis zijn er niet voor de bühne van het moreel besef. Solidariteit tussen generaties en tussen Europese landen is geen kwestie van humanistische idealen, maar is onmisbaar voor de mensheid zelf, dus voor ons allemaal. Want morgen, wanneer vele uitdagingen ons wachten, zal het overleven van de enkeling afhangen van het vermogen van anderen om mens te zijn.
Groenland streeft naar onafhankelijkheid van Denemarken, maar ontvangt nog jaarlijks 500 miljoen dollar – de helft van de overheidsbegroting – van de voormalige kolonisator. De verkoop van smeltwater moet ervoor zorgen dat Groenland zijn eigen boontjes kan doppen.
Keuze uit het archief
Groenland haalde de afgelopen week weer eens het nieuws. Tijdens een persconferentie op donderdag in het Witte Huis, waar NAVO-baas Mark Rutte te gast was, herhaalde Trump zijn plan om het eiland bij de VS in te lijven. ‘Ik denk dat het zal gebeuren,’ zei hij zelfverzekerd. Zijn opmerkingen konden rekenen op felle tegenstand van Groenlandse politici. Verder waren er deze week verkiezingen in Groenland, die werden gewonnen door de liberale partij Demokraatit van Jens Frederik Nielsen.
Groenland peinst er niet over om onderdeel van de VS te worden. De Groenlanders willen zelfs onafhankelijk worden van hun moederland Denemarken, zo blijkt uit dit artikel van Foreign Affairs uit 2019. Om financieel zelfredzaam te worden, heeft het eiland zijn eigen handelswaar ontwikkeld: flesjes smeltwater.
In 2018 begon Thomas Vildersboll zijn bedrijf Inland Ice, waarmee hij zoet water bottelt dat is gesmolten van de enorme hoeveelheid ijs dat het grootste deel van Groenland bedekt.
In ruil voor een exploitatievergunning betaalt Inland Ice de Groenlandse overheid accijns voor elke liter smeltwater die het opvangt. Vildersboll verkoopt zijn water in chic vormgegeven flesjes, bedoeld om op tafel te zetten bij een exquis diner, als goede wijn. Het bedrijf beroemt zich erop dat het ijs dat voor dit product wordt gebruikt ‘meer dan honderdduizend jaar vastgevroren heeft gezeten, zonder enig contact met de aardlagen, en al lang voordat de eerste mens voet binnen de Poolcirkel zette, is gevormd’. Daarom, aldus het promotiemateriaal, behoort het water van Inland Ice tot ‘een uitzonderlijk zeldzame categorie: het is het zuiverste onbewerkte water op aarde – en heeft een smaak die al even uniek is’.
Inland Ice hoeft zich geen zorgen te maken over de aanvoer van dit water, want het stroomt zo omlaag uit het binnenland van het eiland. Een adviseur van de Groenlandse overheid vertelde me dat zij het water zag als een onuitputtelijke bron, anders dan een olievoorraad die uiteindelijk uitgeput raakt of de visstand die zorgvuldig moet worden beheerd.
De Groenlandse ijskap heeft een oppervlakte van zo’n 2400 bij 1100 kilometer. Op zijn dikste punt is hij bijna 3 kilometer dik. De ijsplaat verliest 250 gigaton water per jaar, genoeg om zo’n honderd miljoen zwembaden van olympische afmetingen te vullen. Maar zelfs in dat verbijsterende tempo zal er tot in de verre toekomst water uit blijven stromen.
Het huidige smelten van het ijs toont de verbijsterende kracht en snelheid van de klimaatverandering. Maar voor de overheid van Groenland en ondernemers zoals Vildersboll is het een kans om goede zaken te doen. Flessenwater is een groeiende mondiale industrie en Groenland gaat ervan uit dat die trend doorzet. Daarom nodigt het andere bedrijven uit om mee te dingen naar waterrechten. De overheid is zelfs bezig het ouderwetse handelsbeleid te hervormen en begint hier en daar te tornen aan een economisch systeem dat Groenland lange tijd financieel afhankelijk heeft gehouden van de vroegere kolonisator en huidige leenheer Denemarken.
De kans blijft klein dat flessenwater de revolutie is die onafhankelijkheid brengt voor het grootste eiland ter wereld. Maar de verkoop van smeltwater heeft er wel aan bijgedragen dat Groenland zich meer openstelt voor de buitenwereld, nu het financieel haalbare wegen naar onafhankelijkheid zoekt.
Denemarken heeft vanaf 1721 tot aan de Tweede Wereldoorlog de koloniale heerschappij gehad over Groenland en zijn oorspronkelijke bevolking. Het gebruikte het eiland voor de jacht op walvissen en robben, de handel met de Inuit en om het christendom te verspreiden. Nadat nazi-Duitsland in 1940 Denemarken had bezet, bouwden de Verenigde Staten militaire installaties op Groenland om het eiland tegen de Duitsers te verdedigen, en aan het eind van de oorlog boden ze zelfs aan om het van Denemarken te kopen, voor 100 miljoen dollar in goud.
Denemarken sloeg dat aanbod af en in 1953 werd de kolonie een officiële provincie met eigen afgevaardigden in het Deense parlement. In de loop van de decennia erna droeg Denemarken geleidelijk aan steeds meer macht aan Groenland over. Nu is het eiland een autonoom, grotendeels zichzelf besturend landsdeel van het Koninkrijk Denemarken. Maar Kopenhagen bepaalt nog steeds de buitenlandse politiek en het defensiebeleid en maakt, heel belangrijk, jaarlijks een subsidie van zo’n 500 miljoen dollar aan Groenland over. Die subsidie is een twistpunt, zowel in Kopenhagen als in Nuuk, de kustplaats met zo’n 18.000 inwoners die als hoofdstad van Groenland fungeert.
In Denemarken zien sommigen deze financiële steun als een vorm van herstelbetalingen voor koloniale misstanden in het verleden, waaronder de vernietiging van de inheemse manier van leven; anderen zien de jaarlijkse betaling als een onredelijk hoge kostenpost om geopolitieke invloed in het Noordpoolgebied te behouden. Voorlopig dekt de subsidie meer dan de helft van alle overheidsuitgaven in Groenland. Als zodanig is het geld onmisbaar voor de publieke sector van het eiland.
Ook zijn overal subtielere sporen terug te vinden van de Deense overheersing. Tot de invoering van het zelfbestuur in 1979 had de Koninklijke Groenlandse Handelsmaatschappij, een Deens staatsbedrijf, een strikt monopolie op de handel naar en van het eiland. Dat monopolie werd lange tijd beschouwd als een voorbeeld van het ‘welwillende’ kolonialisme van Denemarken, dat ogenschijnlijk de traditionele Groenlandse manier van leven beschermde tegen de zogenaamd corrumperende invloeden van buiten die met een vrijere handel mee zouden komen. Tegenwoordig is het vroegere koloniale bedrijf opgesplitst in verscheidene opvolgers onder Groenlands beheer. Maar dankzij geografische kenmerken konden oude onderdelen van het vroegere monopolie blijven bestaan.
Groenlands reddingslijn
Groenland is vijftig keer zo groot als Denemarken, maar 80 procent van het oppervlak is bedekt met ijs. De 56.000 inwoners van het eiland kunnen alleen in nederzettingen aan de kust wonen, die geen van alle door wegen met elkaar zijn verbonden. Scheepvaart is dus van levensbelang voor het bestaan van de meeste Groenlanders. De Royal Arctic Line (RAL), een van de opvolgers van het koloniale handelsmodel, noemt zich niet voor niet ‘Groenlands reddingslijn’.
Het vrachtbedrijf is volledig eigendom van de Groenlandse overheid en profiteert, net als zijn koloniale voorganger, van een exclusieve concessie om alle vracht naar, van en binnen Groenland te vervoeren. De enige verbinding die de RAL heeft met het vasteland van Europa is echter die naar het Deense Aalborg, en dat maakt het verschepen van en naar Groenland voor de meeste buiten Denemarken gevestigde bedrijven te duur. En dus is het niet zo vreemd dat 63 procent van alle geïmporteerde artikelen in Groenland nog steeds uit Denemarken komt.
De effecten van deze vreemde regeling zijn over heel Groenland zichtbaar, niet alleen in de hoge prijzen van de geïmporteerde goederen, maar ook in de producten zelf. Naast lappen muskusos en rendier verkopen supermarkten er biologisch-vegetarische vleesballetjes uit Scandinavië. In Ilulissat, een stad met 4413 inwoners en een populaire toeristenbestemming op zo’n 230 kilometer ten noorden van de poolcirkel, staat in veel tuinen een trampoline, net zoals in de tuinen in Kopenhagen. Faxe Kondi, een Deense limonade, kom je in Groenland zelfs nog meer tegen dan in Denemarken, waar het meer concurrentie heeft van Pepsi en Coca-Cola.
Zoete drankjes hebben de bittere nasmaak van het kolonialisme niet verdreven en ook hebben ze de Groenlanders niet werkelijk het gevoel gegeven bij Denemarken te horen. In een recente enquête door de universiteiten van Groenland en Kopenhagen zei 67,7 procent van de Groenlanders graag binnen twintig jaar onafhankelijk van Denemarken te willen zijn. Om dat te bereiken zal het eiland zonder de steun van Kopenhagen zijn overheidsbudget moeten financieren. ‘We willen af van de bloksubsidie, want we willen onafhankelijkheid,’ zei de Groenlandse premier Kim Kielsen in 2018 tegen The Economist.
Sinds de invoering van het zelfbestuur, veertig jaar geleden, heeft de overheid veel verschillende mogelijke wegen naar financiële onafhankelijkheid geformuleerd. De meeste, waaronder oliewinning en mijnbouwprojecten, hebben nog geen succes opgeleverd – ook niet nadat werd besloten dat olietransport buiten het monopolie van de RAL op het vrachtvoer mocht vallen. Dit komt doordat olie grotendeels op een bereikbare diepte in de zeebodem ligt en Groenland slechts bepekte mens- en verwerkingscapaciteit heeft voor de winning van uranium en zeldzame aardmineralen, laat staan om de mogelijke milieugevolgen daarvan aan te kunnen.
De afgelopen jaren heeft de regering haar hoop gevestigd op de rijke watervoorraden van het land. De overheid in Nuuk heeft de zuiverheid van het water getest en bepaald wat de beste plekken zijn om dat water in grote hoeveelheden te winnen. Op basis van chemische, natuurkundige en microbiologische analyses noemt het ministerie van Industrie, Energie en Onderzoek de Groenlandse ijskap ‘het meest ongerepte zoetwaterreservoir van het noordelijk halfrond’. Plaatselijke bewoners wisten dit al – Groenlanders drinken al eeuwenlang smeltwater – en bezoekende backpackers krijgen te horen dat ze het water overal kunnen drinken, zolang het maar stroomt.
In een internationale brochure voor mogelijk geïnteresseerde waterbedrijven leunt een vrouw over de reling van een boot, terwijl ze een plastic flesje in een beek houdt. Grote hoeveelheden water opvangen voor commercieel gebruik is wel iets gecompliceerder, maar ook daarbij heeft het water weinig verdere bewerking nodig voordat het de wereldmarkt kan bestormen.
Gewapend met glanzende brochures zijn overheidsvertegenwoordigers de aardbol over gereisd om bedrijven over te halen mee te dingen naar de vijf beschikbare vergunningen. Hun verhaal is dat drinkwater van goede kwaliteit schaars wordt en dat ‘zuiver smeltwater van de Groenlandse ijskap de oplossing biedt’. Een eigen flessenwaterindustrie zal zeker schade aan het milieu met zich meebrengen, gezien de mogelijke CO2-uitstoot van schepen die van en naar het afgelegen Groenland varen en het feit dat het meeste flessenwater wordt verpakt in op oliebasis gefabriceerd plastic. Maar begrijpelijkerwijs zet de Groenlandse regering toch door. In mei leidde een team van het ministerie een groep internationale bezoekers rond langs de plekken waar het water opgevangen zou moeten worden.
Of het project inderdaad genoeg geld zal opleveren aan vergunningen en belastingen om het gat in de overheidsbegroting te helpen dichten, moeten we nog afwachten. Op een van de vijf locaties in het huidige biedingsproces stroomt jaarlijks gemiddeld 4,2 gigaton smeltwater weg – veel meer dan een bedrijf als Thomas Vildersbolls Inland Ice, dat juist reclame maakt met de exclusiviteit van zijn product, ooit zal kunnen opvangen.
80 procent van het oppervlak is bedekt met ijs
De regering zal moeten uitkijken naar bedrijven die bereid zijn een goedkoper massaproduct te maken. Een aantal veranderingen in de wetgeving, bedoeld om buitenlandse bedrijven aan te trekken, hebben het optimisme van de regering vergroot.
In april hebben de autoriteiten goedkeuring gehecht aan een samenwerkingsovereenkomst tussen de RAL en de IJslandse scheepvaartmaatschappij Eimskip. De overeenkomst houdt in dat de twee bedrijven vaartuigen kunnen delen en dat er scheepvaartroutes komen die Groenland verbinden met IJsland en indirect met nieuwe internationale markten. Belangrijker nog: eerder dit jaar heeft de regering een wet in werking gesteld waardoor bedrijven met een vergunning om smeltwater op te vangen buiten het RAL-monopolie op de handel over zee vallen – een cruciale stap om de export van water te bevorderen.
Grote veranderingen
De evolutie van het scheepvaartmonopolie is maar een van de grote veranderingen op dit enorme eiland. In november 2018 heeft het Groenlandse parlement vóór de door de overheid gefinancierde uitbreiding gestemd van de luchthavens in Nuuk en Ilulissat, die geen van beide een landingsbaan hebben die lang genoeg is voor trans-Atlantische vluchten. De regering heeft ook belangstelling getoond voor een vertegenwoordigend agentschap in China, dat daar in 2020 gevestigd zou moeten worden, en in mei hebben de VS aangekondigd binnenkort in Nuuk een permanent diplomatieke missie te willen openen.
Groenlands liefde voor gebotteld smeltwater maakt deel uit van zijn groeiende inspanningen om verder te reiken dan Denemarken en contact te leggen met de rest van de wereld. Groenland blijft ver weg, vanaf zo’n beetje overal ter wereld. Maar binnenkort zouden consumenten weleens kleine beetjes ervan in de schappen van de supermarkt kunnen tegenkomen. En wie weet leidt dat ooit tot een onafhankelijk Groenland.
Voor het eerst ziet de reisindustrie zich geconfronteerd met een groep waarvoor ze tot nog toe geen aandacht heeft gehad: de oorspronkelijke bewoners, die meer dan ooit klagen dat ze hun stad niet meer terug kennen. Eindelijk worden er maatregelen genomen om de aantallen toeristen in te perken.
Keuze uit het archief
Hoewel de klimaatverandering de nodige invloed zal hebben op het toerisme, dat zich bijvoorbeeld steeds vaker naar het Verenigd Koninkrijk en de Scandinavische landen zal verplaatsen, zullen de meesten zich er niet van laten weerhouden te reizen. De velen die afhankelijk zijn van de toeristenindustrie zijn daar blij mee, maar voor de meeste anders ‘locals’ geldt dit niet, zoals te lezen is in dit stuk uit 2018.
Het duurt niet lang of de mevrouw van de hotelreceptie haalt de stadsplattegrond van Porto tevoorschijn. ‘Kijk,’ zegt ze, ‘dit is de binnenstad met de Douro, daar is de haven en hier … (nu klinkt er trots door in haar stem)… de mooiste boekhandel ter wereld: Livraria Lello!’
Dat klinkt fantastisch en het ziet er op de foto’s ook fantastisch uit. Een pand van twee verdiepingen in neogotische stijl. Veel donker hout, veel oude boeken, ornamenten en gekleurd glas, en een monumentale trap in het midden. De boekhandel, geopend in 1906, is een kathedraal vol boeken, een droom voor leergierigen uit de hele wereld. Een plek met een magische aantrekkingskracht. Op reis wil je toch op zoek naar schoonheid, die eerder in het verleden dan in het heden te vinden is. Misschien wil je zelfs ook een boek kopen, vakantielectuur voor ’s avonds aan de Atlantische Oceaan. J.K. Rowling zou vaak in de Livraria zijn geweest toen ze begin jaren negentig in Porto woonde, waar ze Engels doceerde en ook Harry Potter bedacht.
Porto is geen grote stad, telt maar iets meer dan 200.000 inwoners en de binnenstad is compact. Het eerste dat er van Livraria Lello te zien is, zijn de lange rijen mensen voor de deur. Jonge Japanse meisjes, Scandinavische backpackers, gezinnen uit Frankrijk, stelletjes uit China, Amerikanen en ook Duitsers. Uiteraard.
Roofkever
Een imposante portier bewaakt de toegang. Alleen zij die in de winkel ernaast voor 5 euro een voucher hebben gekocht, met daarop een portret van Fernando Pessoa, de beroemdste Portugese dichter, mogen naar binnen. Ook voor die winkel staat een rij, tussen afzetbanden als bij de incheckbalie op een luchthaven. Het publiek schuifelt er langs rekken met souvenirs, ansichtkaarten en sleutelhangers, het gebruikelijke assortiment.
De boekhandel zelf is in werkelijkheid al even mooi als op de foto’s. Ook al is het eigenlijk helemaal geen boekhandel meer. Nauwelijks iemand bladert en snuffelt er in de boeken, iedereen heeft de smartphone in de hand om foto’s te maken. Foto’s die er net zo uitzien als de meer dan zevenduizend plaatjes die al op TripAdvisor zijn gezet, de grootste toeristensite ter wereld, die de Livraria als een van de topbezienswaardigheden van de stad opvoert.
Vier jaar geleden nog dreigde Livraria Lello failliet te gaan, zoals dat eigenlijk voor het hele land gold na de financiële crisis. De boekhandel werd toen al goed bezocht, maar boeken werden steeds minder verkocht. Iemand opperde op een dag om dan maar gewoon 5 euro entree te gaan heffen. Dat klonk idioot, maar inmiddels komen er gemiddeld vierduizend mensen per dag binnen, en in de zomermaanden zelfs vijfduizend. In 2017 bedroeg het totale aantal bezoekers van Livraria Lello 1,2 miljoen en beliep de omzet ruim 7 miljoen euro.
Wie een boek wil kopen – want ook dat schijnt voor te komen – vindt hier de Portugese klassiekers in vertaling en natuurlijk ook Harry Potter. De voucher wordt op het aankoopbedrag in mindering gebracht. Livraria Lello zou model hebben gestaan voor Klieder & Vlek, de boekhandel waar Harry Potter zijn toverboeken koopt. Een museum, een decor, maar als plek met een magische aantrekkingskracht duidelijk ontsproten aan een rijke fantasie. En een symbool voor het moderne toerisme dat als een roofkever alle mooie plekjes aanvreet. Maar voor de inwoners van Porto staat de boekhandel symbool voor de opleving van een land dat een paar jaar geleden nog tot de crisisgebieden van Europa behoorde.
Wanneer zou er eigenlijk voor het laatst een inwoner van Porto in de Livraria zijn geweest? En moest die ook in de rij staan en 5 euro betalen?
Dat herstel heeft Portugal mede te danken aan het toerisme, dat met dubbele cijfers groeit, ook in het vroegere arme noorden rond Porto. Ryanair en EasyJet vliegen al jaren op de stad, die allang is uitgegroeid tot nieuwe hotspot van het stedentoerisme. Afgelopen jaar kwamen er ongeveer 2,5 miljoen buitenlandse toeristen naar deze streek, van wie een op de twee een bezoek bracht aan Livraria Lello. Porto is nog niet zo ver als Barcelona of Amsterdam, steden waarvan de bewoners zich inmiddels teweerstellen tegen de toeristen die de stad overnemen, maar er is allang een Porto van de toeristen en een Porto van de bewoners. Wanneer zou er eigenlijk voor het laatst een inwoner van Porto in de Livraria zijn geweest? En moest die ook in de rij staan en 5 euro betalen?
Er zijn tijden geweest dat de reusachtige toeristenhotels nabij de stranden van Benidorm, El Arenal op Mallorca en aan de Adriatische kust in Italië symbool stonden voor de lelijkheid van het moderne massatoerisme. Achteraf beschouwd waren dat rustige tijden. Benidorm en El Arenal zijn steden ‘uit de reageerbuis’, gebouwd zodat Europa in de zomermaanden aan het strand kon liggen. Kunstmatige reservaten, niet mooi, maar doelmatig, toeristenfabrieken die men vroeg of laat ook weer had kunnen ontmantelen.
Tegenwoordig zijn die reservaten niet meer toereikend. Handdoek aan handdoek verdringen zich de zonaanbidders op de stranden van Zuid-Europa. De kleine baaien van Mallorca zouden vanwege overbezetting eigenlijk gesloten moeten worden. Ook aan de Noord- en Oostzee, op Sylt, op Rügen, zijn hotels en pensions volgeboekt.
Toch maken strandgangers nog maar nauwelijks de helft uit van het moderne toerisme in Europa – de andere helft wordt gevormd door cruisevaarders en stedentrippers. Al lange tijd wordt het beeld in de mooie, bijzondere steden van Europa meer door toeristen bepaald dan door de oorspronkelijke bewoners. Steden veranderen in musea en amusementsparken, ontwikkelen speciale zones voor toeristen, waar de stedelingen niet wonen maar alleen werken. In de traditionele restaurants zitten toeristen, die geringschattend toekijken hoe andere toeristen wachten tot er iets gaat gebeuren. Staren is er de belangrijkste bezigheid en gezelligheid is ver te zoeken. Het is als een overval. Ze komen, ze blijven maar even en dan zijn ze weer weg – maar ze doen in tussentijd alsof de stad die ze bezoeken van hen is.
Reizen is van luxe tot gemeengoed geworden, het snel stijgende aanbod van goedkope reizen via internet heeft nieuwe klantenlagen aangeboord voor de toeristische sector: wie een paar dagen in Palma, in Barcelona of op het strand wil doorbrengen, vindt met een paar muisklikken een geschikte vlucht en onderdak. En vaak nog voor een spotprijs ook.
De infrastructuur ter plaatse kan de toestroom van reizigers echter niet meer aan, zowel op de bestemmingen als in het land van herkomst. Op de Duitse luchthavens ontstonden er deze warme zomer soms chaotische toestanden. Mensen verdrongen zich zenuwachtig voor de beeldschermen met vluchtinformatie. Het aantal uitgevallen vluchten was in het eerste halfjaar met 146 procent gestegen, het aantal vertraagde vluchten met 31 procent. In München en Frankfurt kwam in een tijdsbestek van enkele dagen het hele vliegverkeer tot stilstand, omdat nog niet gecontroleerde passagiers door een veiligheidssluis waren gelopen.
Overbelaste infrastructuur, overvolle steden en stranden: de reisbranche lijkt aan het eigen succes ten onder te gaan. Naar schatting 670 miljoen mensen waren afgelopen jaar in Europa op pad. Alleen al in deze zomermaanden reisden er waarschijnlijk bijna 200 miljoen toeristen over het continent. Niet alleen Europeanen die elkaars landen verkennen, maar ook de winnaars van de globalisering en vertegenwoordigers van de nieuw ontstane middenklassen in Rusland, het Verre Oosten en de Arabische landen zorgen voor de groei van het mondiale toerisme.
En voor groeiende problemen, want de sterke toename kent ook verliezers. En die komen steeds vaker in verzet, zoals onlangs de piloten van Ryanair, wier werkgever dankzij hun slechte arbeidsomstandigheden en lage lonen een prijsvechtersstrategie kan voeren.
Verliezers, dat voelen zich vooral ook de inwoners van de steden en regio’s die de stroom van bezoekers nog maar nauwelijks aan kunnen. Mensen die uit hun woning worden verdrongen, omdat het voor de eigenaar veel lucratiever is om die ruimte per dag of per week aan toeristen te verhuren. Mensen die zich in overvolle vervoermiddelen moeten persen, omdat toeristen bezit hebben genomen van bussen en treinen. Mensen die zich niet meer thuis voelen in hun wijk, omdat ze in hun vertrouwde cafés en restaurants tot een minderheid behoren. Áls ze daar al een plekje kunnen vinden – en zich de stijgende prijzen nog kunnen veroorloven.
Private winsten en maatschappelijke verliezen
De toeristenindustrie ziet zich plotseling geconfronteerd met een groep waarvoor ze tot nog toe geen aandacht heeft gehad. Ze had steeds oog voor de gasten en was de gastgevers simpelweg vergeten. ‘Het toerisme is een fenomeen met veel private winsten en veel maatschappelijke verliezen,’ zegt Christian Laesser, hoogleraar toerisme aan de universiteit van het Zwitserse Sankt Gallen.
De winsten komen vaak ten gunste van enkelen, de verhuurders en hoteleigenaren; slechts een gering deel gaat naar de vaak slechtbetaalde werknemers in de reissector. De grote rest wordt opgescheept met alleen het lawaai, de rommel, de hoge huren en het gevoel een vreemde in eigen land te zijn, een figurant in een soort Disney World voor toeristen.
Dat gevoel is op veel plekken omgeslagen in openlijke vijandigheid: ‘Tourists go home’, spuiten activisten in veel toeristenbolwerken op de muren, en op Mallorca hebben ze een ‘summer of action’ uitgeroepen, met protestacties op de luchthaven en in hotels. In Palma worden toeristen met paardenvijgen bekogeld, in Barcelona worden ze van hun fiets geduwd en in cafés lastiggevallen, in Venetië hebben zelfbenoemde piraten de toegang tot cruiseschepen geblokkeerd.
De reisindustrie heeft inmiddels ingezien dat het eigen succes het fundament van het businessmodel steeds meer aan het uithollen is. ‘Overtoerisme’ is de leus die momenteel de congressen van de branche beheerst. Besproken wordt hoe de toeristenstromen zodanig kunnen worden gespreid dat ze niet meer als een bedreiging worden ervaren.
Maar hoe doe je dat als tegelijkertijd het aantal toeristen blijft toenemen? In de opkomende landen in Azië treden jaar in jaar uit miljoenen mensen toe tot de nieuwe middenklasse. Zij kunnen het zich plotseling veroorloven om verre reizen te maken. En dat doen ze dan ook. Volgens schattingen van de branche zal het aantal toeristen tot 2030 wereldwijd toenemen met 500 miljoen, van wie de helft Chinezen. Velen van hen zullen ook Europa en de bezienswaardigheden daar bezoeken.
Toerisme is op dit moment waarschijnlijk de belangrijkste bedrijfstak ter wereld, veel groter dan de olie-industrie en de automobielbranche. De omvang wordt geschat op circa 7000 miljard euro per jaar, 10 procent van het bruto mondiaal product. Bij dit enorme bedrag inbegrepen zijn behalve de directe omzetten ook die van aanverwante bedrijfstakken als het hotelwezen, het transportwezen met al zijn vliegtuigen, cruiseschepen en touringcars, en de souvenir- en de reisbureaubranche.
‘Massatoerisme is een fenomeen van onze postmaterialistische maatschappij. Bezit is niet meer het belangrijkst, we willen worden vermaakt’
In vakantieland Spanje draagt de reisindustrie zelfs 14,9 procent bij aan het bruto binnenlands product. In veel landen is het aantal bezoekers groter dan het aantal inwoners, zoals in Griekenland, Portugal, Spanje, Frankrijk en Tsjechië. Dat creëert banen en een bescheiden welvaart, maar maakt ook afhankelijk – en dat is gevaarlijk zodra reizigers wegblijven, zoals de afgelopen jaren het geval was in Turkije en Egypte. Beide landen zien evenwel geleidelijk aan een terugkeer van de toeristen, omdat dat grotendeels vergeetachtige wezens zijn die gevaren als terreuraanslagen verdringen en schendingen van mensenrechten negeren – als het weer maar goed is en de prijs laag.
Goedkoop moet het zijn en goedkoop is reizen geworden, vooral dankzij de digitalisering. Reisportals als Expedia, Trivago en Booking.com hebben de gevestigde reisbureaus gemarginaliseerd en bedreigen ook concerns als TUI en Thomas Cook, die tot nog toe de markt beheersten. Doorlopend bieden ze vluchten en overnachtingen tegen bodemprijzen.
Anders dan de vakantieaanbieders uit het catalogustijdperk runnen de digitale concurrenten geen eigen hotels en hebben ze geen vliegtuigen, cruiseschepen en reisbureaus, maar verdienen ze alleen aan de bemiddeling bij diensten van anderen. Ze kunnen via hun platforms prijzen nagenoeg ‘realtime’ bijsturen en optimaliseren doorlopend hun algoritmen om winst te genereren. Doelgericht verzamelen ze gegevens over de voorkeuren van klanten, en inmiddels krijgen ze het zelfs voor elkaar om op het optimale moment op maat gesneden aanbiedingen te sturen.
Reizen is dankzij de goedkope vliegtickets een soort allemansrecht geworden, zoals goedkope T-shirts en winkelen bij een discounter. Een weekendje Berlijn of Barcelona was opeens een alternatief voor een uitstapje in eigen land, met dramatische gevolgen voor de verschillende bestemmingen. Barcelona heeft zich bijvoorbeeld ontwikkeld van geheimtip tot massabestemming; het marktaandeel van de prijsvechters is daar bijna 70 procent. Op de luchthaven Berlijn-Schönefeld zijn die goed voor bijna 90 procent van de vliegbewegingen. Alleen al in de voorbije tien jaar is het aantal vertrekkende passagiers daar verdubbeld, van circa 6 naar bijna 13 miljoen.
De Duitse hoofdstad is een favoriete bestemming in Europa geworden en moet alleen nog Londen en Parijs voor laten gaan in populariteit. ’s Avonds en in het weekeinde trekken honderden op feest beluste jongeren uit heel Europa door het stadsdeel Mitte. Ze laten meestal niet veel geld achter in de stad, maar wel een hoop afval en lege bierflessen.
Jarenlang zag het ernaar uit dat het traditionele overstap- en het prijsvechtersverkeer onverminderd naast elkaar verder konden groeien. Maar deze zomer loopt dit model voor het eerst tegen grenzen aan. Geannuleerde vluchten, vertragingen en omboekingen zijn aan de orde van de dag. Volgens berekeningen van de wereldluchtvaartorganisatie IATA zijn de vertragingen in het luchtverkeer boven Europa alleen al in het eerste halfjaar van 2018 toegenomen met 133 procent. Sommige luchthavens, zoals Frankfurt, Düsseldorf en Berlijn, verzoeken de reizigers inmiddels dringend om drie uur voor vertrek op de luchthaven aanwezig te zijn om de mensenmassa te kunnen verwerken.
Dat reizen een bezigheid vol stress is geworden, ergert de toeristen, maar het schrikt ze niet af. Paolo Giuntarelli, socioloog, weet ook waarom: ‘Massatoerisme is een fenomeen van onze postmaterialistische maatschappij. Bezit is niet meer het belangrijkst, we willen worden vermaakt.’ Giuntarelli is manager van het verkeersbureau van de Italiaanse regio Lazio. Zijn kantoor bevindt zich in Rome. Hij houdt daar tamelijk eenzaam de wacht, want veel Romeinen zijn deze weken naar het platteland getrokken omdat het hun in de stad te warm werd.
Maar de bezoekers van Rome laten zich niet afschrikken door de temperatuur.
Er zijn weken dat Rome compleet onder de voet wordt gelopen. Zoals eind juli, toen 60.000 misdienaars uit heel Europa de stad binnentrokken, van wie 50.000 uit Duitsland. Het motto van hun pelgrimsreis was: ‘Zoek de vrede en jaag haar na!’ Maar wat ze vooral najoegen, waren de bezienswaardigheden.
Op dinsdagavond waren de altaarjongens bij de paus. Toen tegen achten de audiëntie ten einde liep, was het Sint-Pietersplein bezaaid met plastic flesjes, A4-tjes met liedteksten, lege Haribozakjes en bananenschillen. Hetzelfde gold voor het aangrenzende Piazza Papa Pio XII. De vuilniszakken in de houders langs de straat puilden allang uit, of waren gescheurd. Ook vrome mensen produceren afval.
Rome: dat zijn lange avonden op de piazza’s, met pasta, rode wijn en vrolijke liedjes. Later op de avond moeten de toeristen het inmiddels doen zonder wijn en bier, want sinds 2017 mag er in Rome na tienen buiten geen alcohol meer worden gedronken. Het verbod, uitgevaardigd door burgemeester Virginia Raggi, is van juli tot oktober van kracht.
In 2017 schuifelden 14,7 miljoen bezoekers door de straatjes van Rome, oftewel een op de vier bezoekers van Italië. Wie in de stad overnacht, blijft gemiddeld tweeënhalve dag, en dat is vergelijkbaar met andere Europese metropolen.
Lazio
In Frascati, Tivoli of andere steden in de regio Lazio raken de bezoekers maar zelden verzeild. Giuntarelli zou de toeristenstroom graag willen laten afbuigen, de regio in, naar een van de kleinere plaatsen. Daar zouden ze kennis kunnen maken met de Italiaanse manier van leven, ‘goed eten, goede wijn’. Of het Franciscuspad kunnen lopen dat door Lazio voert.
In krantenadvertenties en radiospots prijst Giuntarelli Lazio aan, op vakantiebeurzen deelt hij folders uit. Een daarvan presenteert Lazio als trouwlocatie, een andere maakt reclame voor de warmwaterbaden van de regio. Ook als golfbestemming wil Giuntarelli de regio groot maken – ‘we werken eraan’.
Omdat Lazio niet alleen staat met zijn problemen, heeft de regio zich aangesloten bij NecsTour, een netwerk van 37 Europese regio’s die zich verplichten tot duurzaam toerisme, een vorm van reizen die vakantiegangers en economie gelukkig maakt zonder schadelijk te zijn voor het milieu. Dus ongeveer het tegenovergestelde van cruises. ‘Dat is niet het toerisme dat we willen stimuleren,’ zegt Giuntarelli.
De reusachtige schepen stoten massaal smerigheid uit en leveren de regionale handel en horeca nauwelijks iets op. De passagiers zijn maar een paar uurtjes in de stad, overnachten aan boord en nemen bij het passagieren vaak zelf proviand mee. Ze laten nauwelijks geld achter, maar wel veel afval. ‘Cruisetoerisme is alleen goed voor de aanbieders van cruises,’ zegt Giuntarelli met een laatdunkend glimlachje.
In het Kroatische Dubrovnik geven cruisepassagiers gemiddeld slechts 24 euro per dag uit, andere gasten daarentegen ongeveer 160 euro. De stad heeft bijzonder te lijden onder de toestroom van toeristen. Sinds de schilderachtige binnenstad het decor was van de serie Game of Thrones, zijn de bezoekersaantallen exponentieel gestegen. Maar daarvan komen er jaarlijks 800.000 met de boot.
Het aantal bezoekers van Dubrovnik moet worden teruggedrongen naar achtduizend per dag
Dubrovnik heeft 42.000 inwoners, die het liefst thuisblijven als de cruiseschepen binnenvaren. Niet alleen de inwoners hebben te lijden, maar ook het middeleeuwse centrum van de stad, en daarom moet het aantal bezoekers worden teruggedrongen naar achtduizend per dag. Anders, zo heeft Unesco gedreigd, raakt de stad zijn status als cultureel werelderfgoed kwijt.
‘Er is een herbezinning gaande – weg van het eenzijdige groeidenken dat het toerismebeleid in de meeste steden tot nog toe heeft gekenmerkt,’ zegt planoloog Johannes Novy, die op dit moment aan de Universiteit van Westminster in Londen onderzoek doet naar stadsontwikkeling en toerisme. ‘Te lang ging het alleen maar om de vraag: hoe krijgen we meer toeristen in de stad? Andere doelen werden niet besproken, en ook niet hoe je negatieve gevolgen zou kunnen tegengaan.’ Niet altijd is het toerisme als zodanig overigens het probleem, zegt Novy, soms zijn het bepaalde verschijningsvormen ervan, ‘zoals het in veel steden om zich heen grijpende partytoerisme, of de lange tijd ongebreidelde stijging van het aanbod van vakantiewoningen’.
Steeds vaker doen de verantwoordelijken hun best om de ‘groeipijnen’ van het toenemende aantal reizigers te bestrijden: ze willen de stroom van toeristen laten afbuigen, zoals in Rome, of zelfs aan banden leggen, zoals in Dubrovnik. Barcelona geeft geen toestemming meer voor nieuwe hotels, Parijs heeft Airbnb en andere woningbemiddelaars sterk gereguleerd, Palma de Mallorca heeft de verhuur van vakantiewoningen via dat platform zelfs helemaal verboden. Maar er is geen stad die zo rigoureus optreedt tegen het overtoerisme als Amsterdam.
En toch zijn ze er nog, de plaatsen en regio’s waar toeristen welkom zijn die elders niet meer zo graag gezien zijn en waar niemand zich opwindt over langdurige party’s en zuiprituelen. Daniel Stefanov staat op een podium, ingeklemd tussen de weg en het strand, en kijkt hoe de menigte in het schuim verdwijnt. Er staan twee sneeuwkanonnen op de dansvloer van Megapark Dolphin, een reusachtig partycomplex dat Stefanov samen met zakenpartners is begonnen in het Bulgaarse Zlatni Pjasatsi (Goudstrand), een vakantieoord aan de Zwarte Zee. Uit het ene kanon daalt het schuim als vlokken taartdeeg op de feestende vakantiegangers neer, uit het andere regent het fijne wolkjes zeepsop. De menigte juicht en staat tot kniehoogte in het schuim. Daniel Stefanov is weer een stuk dichter bij zijn doel gekomen om van Goudstrand een vaste bestemming van Duitse feesttoeristen te maken, als alternatief voor El Arenal en Playa de Palma.
Zon, strand en zuipen
Vijftien jaar geleden openden Stefanov en zijn 44-jarige partner Sava Daritkov in Zlatni Pjasatsi de openluchtdiscotheek Megapark Dolphin, een zwemparadijs met aangrenzende dansvloer. Acht jaar geleden kwam daar de Partystadl bij, waar schlagers worden gedraaid en een halve liter bier omgerekend 2 euro kost.
Stefanov en Daritkov hebben veel geïnvesteerd in hun droom. Ze importeerden witbier uit Duitsland, huurden zangers in die anders in de Bierkönig en de Oberbayern op Mallorca optraden en gingen schuimparty’s organiseren. Sindsdien krijg je hier op dinsdag en zaterdag voor 20 euro entree een uur lang cocktails naar keuze en schuim uit het kanon.
De eigenaren draaien het beste seizoen ooit. Allereerst kwamen aan het begin van de zomer de eindexamenkandidaten uit Duitsland, vervolgens de voetbalverenigingen en kegelclubs, en daarna de vrouwen, maar vooral mannen van begin tot midden twintig, die naar eigen zeggen voor vakantiegeluk maar drie dingen nodig hebben: ‘zon, strand en zuipen’. Het seizoen zou weleens tot eind september kunnen doorgaan, denkt Daritkov. En er is nog iets wat hij per se kwijt wil: ‘Wij zijn blij met onze gasten.’
Het is een zinnetje dat een nieuwe betekenis heeft gekregen sinds de ‘Ballermann’ [strandbar Balneario 6 op Mallorca] niet meer zo goed uit de voeten kan met de feestende massa’s. Mallorca wil geen feesteiland meer zijn en heeft de nachtelijke zuippartijen en seks op het strand verboden. Goudstrand, zo luidt de boodschap, is niet alleen de goedkopere, maar ook de ‘betere Ballermann’.
Niklas, Marvin en Marcel staan aan de bar in Megapark Dolphin met in de hand een glas vodka peach en een felgroen shirt aan met het motto van hun trip van vorig jaar: ‘Malle 2017. Einer für alle. Alle für Malle’. Daar [Mallorca] zijn ze met zo’n tien vrienden geweest. De nieuwe verordeningen op het eiland zijn een van de redenen dat ze deze zomer naar Bulgarije zijn gegaan, zegt de 24-jarige vrachtwagenmonteur Niklas. In El Arenal hebben ze gezien hoe de Spaanse politie met drie auto’s kwam aanscheuren toen er ondanks het verbod een emmer sangria op het strand verzeild was geraakt. Dat vonden ze wel een beetje overdreven.
Op Goudstrand is dat anders. Omwonenden zouden hun beklag kunnen doen over de drukte. Maar omwonenden zijn er hier niet.
Dit dossier werd samengesteld door Der Spiegel -redacteuren Dinah Deckstein, Lothar Gorris, Sebastian Hammelehle, Nils Klawitter, Alexander Kühn, Armin Mahler, Martin U. Müller, Ann-Kathrin Nezik, Raniah Salloum en Robin Wille.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.