Leraren maken op een schooldag constant foto’s van kinderen
Kleuterleerkrachten in Zuid-Korea besteden steeds meer tijd aan het maken en delen van foto’s en video’s van kinderen tijdens de schooldag, meldt The Korea Times. Ouders verwachten via berichtenapps voortdurend updates over activiteiten, maaltijden en sociale interacties van hun kinderen.
Volgens leerkrachten beïnvloedt die verwachting inmiddels de inrichting van klaslokalen en lessen. Activiteiten worden soms aangepast zodat ze beter ogen op foto’s, terwijl leraren aangeven minder tijd over te houden voor begeleiding en onderwijs.
De trend hangt samen met de sterke concurrentiedruk rond opvoeding en onderwijs in Zuid-Korea. Ouders willen steeds meer inzicht in het dagelijkse leven van hun kinderen, mede door zorgen over veiligheid en ontwikkeling.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Sommige scholen proberen het aantal updates inmiddels te beperken, maar dat leidt geregeld tot klachten van ouders. Lerarenvakbonden waarschuwen dat de constante documentatie bijdraagt aan werkdruk en stress in een sector die al kampt met personeelstekorten.
Volgens experts weerspiegelt de ontwikkeling een bredere cultuur van intensief ouderschap, waarin digitale communicatie steeds meer invloed krijgt op onderwijs en kinderopvang.
Steeds meer scholen zetten in op digitale leermiddelen, maar dat pakt niet altijd goed uit. Toen een Amerikaanse docent alle schermen uit zijn klas verwijderde, verbeterden de concentratie en prestaties van zijn leerlingen merkbaar, schrijft The Atlantic.
De docent besloot laptops en tablets volledig te bannen en terug te keren naar pen en papier. Binnen korte tijd merkte hij dat leerlingen alerter waren, minder afgeleid en actiever deelnamen aan de les. Ook maakten ze meer opdrachten af en werd het voor hem makkelijker om te zien waar leerlingen vastliepen.
Volgens hem zorgen schermen er vaak voor dat leerlingen sneller afhaken of zich achter technologie verschuilen. Digitale tools kunnen handig zijn, maar leiden in de praktijk regelmatig tot multitasking en verlies van focus.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Daarnaast maakt werken op papier het denkproces van leerlingen zichtbaarder: aantekeningen, fouten en verbeteringen zijn direct te volgen, wat gerichtere begeleiding mogelijk maakt. Dat zou niet alleen het leerproces verdiepen, maar ook de betrokkenheid vergroten.
Het artikel plaatst daarmee vraagtekens bij de sterke nadruk op ‘edtech’ in het onderwijs. Technologie kan waardevol zijn, maar alleen als die doelgericht wordt ingezet – en niet als standaardoplossing voor leren in de klas.
In november werden meer dan driehonderd leerlingen ontvoerd
De laatste groep van 130 leerlingen die op 21 november waren ontvoerd op de St. Mary’s Catholic School in de staat Niger, is zondag vrijgelaten. Hiermee is een einde gekomen aan een van de grootste massale ontvoeringen van schoolkinderen in Nigeria van de afgelopen tijd, meldt Punch. Meer dan driehonderd leerlingen en twaalf leraren waren ontvoerd door leden van een gewapende groep.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Ongeveer vijftig van hen wisten een paar dagen later te ontsnappen, terwijl de Nigeriaanse veiligheidsdiensten op 8 december nog eens honderd leerlingen vrijlieten. Na de vrijlating van de laatste 130 op zondag is er niemand meer in gevangenschap, bevestigden de autoriteiten. De identiteit van de ontvoerders is onbekend en er zijn geen details vrijgegeven over de vrijlating van de kinderen.
We tikken en swipen liever over een scherm dan dat we een pen oppakken. Dat lijkt efficiënt, maar het verdwijnen van schrijven met de hand kan grote gevolgen hebben.
Diep in de kantoren van het Amerikaanse Capitool, het ministerie van defensie en het Witte Huis staat overal hetzelfde apparaat te zoemen, een reflectie van de pragmatiek, de efficiëntie en de onsentimentele aard van de Amerikaanse bureaucratie: de autopen. Het is een instrument waarin een handtekening geprogrammeerd kan worden, zodat het mechanische armpje hem met een echte pen kan nabootsen.
Zoals veel andere technologieën roept deze rudimentaire handtekeningrobot allerlei gevoelens op. We hechten veel waarde aan een handtekening, zeker als deze van een bekend persoon is. Tijdens de ambtstermijn van president George W. Bush was er enige kritiek op de toenmalige minister van defensie Donald Rumsfeld toen bleek dat hij condoleancebrieven aan de nabestaanden van gesneuvelde soldaten met een autopen ondertekende.
Fans van Bob Dylan waren boos toen ze erachter kwamen dat hij bij de gesigneerde exemplaren van zijn boek The Philosophy of Modern Song veelvuldig gebruik had gemaakt van een autopen. Deze exemplaren kostten meer dan vijfhonderd euro en waren voorzien van een certificaat dat ‘verklaart dat dit boek individueel door Bob Dylan is gesigneerd.’ Dylan deed hierover een zeldzame uitspraak op zijn facebookpagina: ‘De deadlines voor de contracten kwamen steeds dichter bij’, schreef hij. ‘Iemand stelde voor om een autopen te gebruiken, en verzekerde mij ervan dat dit “constant” wordt gebruikt in de kunst- en literatuurwereld.’ Hij erkende ook: ‘Het gebruik van een machine was een inschattingsfout en ik wil dit dan ook meteen goedmaken.’
Al deze gemengde gevoelens leggen onze band met handschrift bloot: het is een stukje individualiteit
Al deze gemengde gevoelens over automatische handtekeningen leggen onze band met handschrift bloot: het is een stukje individualiteit. Bij archiefonderzoek kom je er snel genoeg achter hoeveel moeite en schoonheid er schuilgaat in het ontcijferen van het geschreven woord. Je leert historische figuren herkennen aan trekjes in hun handschrift: de een zijn schrift is klein en hoekig als hij over zijn emoties schrijft, terwijl je in een ander zijn pagina’s vol schoonschrift het geduld van een monnik herkent. Kalligrafist Bernard Maisner stelt dat handschrift en kalligrafie ‘niet bedoeld zijn om iets keer op keer te reproduceren. Ze horen juist hun eigen menselijkheid, responsiviteit en diversiteit te tonen.’
Maar het handschrift verdwijnt. Een scholier die een universitair toelatingsexamen deed in de VS vertelde aan de Wall Street Journal dat er ‘hoorbaar naar adem werd gesnakt’ toen de studenten een van de opdrachten lazen. Er stond dat ze in één zin een verklaring moesten schrijven dat de toets hun eigen werk was, in een verbonden handschrift. ‘Aan elkaar schrijven? De meeste leerlingen van mijn leeftijd kennen dat vreemde schrift enkel nog uit oma’s brieven.’
Essentiële vaardigheden
Volgens educatierichtlijnen in de VS hoeven kinderen niet meer aan elkaar te leren schrijven. In Finland hoeft het sinds 2016 al niet meer en in onder andere Zwitserland komt het minder aan bod. Naar schatting heeft meer dan 33 procent van de leerlingen moeite met basishandschrift, dus met het leesbaar opschrijven van alle letters van het alfabet (in kleine letters en hoofdletters). ‘We proberen realistisch te zijn over de essentiële vaardigheden van de leerlingen,’ zegt een schoolbestuurslid in Greenville, South Carolina. ‘Je kan niet alles doen. We moeten iets weglaten.’
Maar scholieren zijn niet de enigen die niet meer aan elkaar kunnen schrijven. We pakken er steeds minder vaak een pen bij om onze gedachten te ordenen, met vrienden bij te praten of zelfs een boodschappenlijstje te maken. We smeken beroemdheden niet meer om een handtekening, maar vragen om een selfie. Veel mensen kunnen nog maar net hun naam in een onleesbaar verbonden schrift opschrijven, en als ze dat al kunnen verliezen ze die vaardigheid snel door hun smartphone of computer. Een patisseriedocent in Toronto vertelde aan de lokale krant dat zijn leerlingen nauwelijks meer een tekst op een taart konden spuiten – hun handschrift was te bibberig en niet te onderscheiden.
In de digitale wereld lijkt handschrift weinig nut te hebben. Het Chinees kent een term, tibiwangzi, dat ‘pak een pen, vergeet het karakter’ betekent. Het beschrijft hoe computers en smartphones het gebruik van traditioneel Chinees handschrift ontmoedigen, en daarmee ook de kennis van traditionele karakters. Chinese kinderen willen iets opschrijven (‘pak een pen’) maar hebben vervolgens een soort ‘karaktergeheugenverlies’ bij het daadwerkelijke schrijven (‘vergeet het karakter’). Volgens het onderzoekscentrum van China Youth Daily leeft vier procent van de Chinese jongeren ‘al zonder handschrift’.
We verliezen het gevoel van inkt op papier en de schoonheid van handgeschreven woorden
Maar wat betekent het om zonder handschrift te leven? De vaardigheid zwakt langzaam af, en we hebben het nauwelijks door tot we opeens iets moeten opschrijven en dreutelend maar wat neer proberen te pennen. Sommige mensen schrijven nog iets op voor speciale gelegenheden— een condoleancebrief of een mooi gekalligrafeerde uitnodiging voor een bruiloft –– of ze kalken een verbasterd verbonden schrift neer als ze eens een cheque uitschrijven, maar verder maken weinig mensen in het dagelijks leven nog de ruimte voor handschrift.
Maar als het handschrift verdwijnt raken we iets kwijt. We lopen niet alleen cognitieve vaardigheden mis, maar ook het genot om de handen te gebruiken voor iets waarmee de mens al duizenden jaren gedachten uitwisselt. We verliezen het gevoel van inkt op papier en de schoonheid van handgeschreven woorden. We kunnen de woorden van de doden niet meer lezen.
In plaats daarvan gebruiken onze handen steeds meer om te typen of te swipen. We communiceren meer, maar doen er minder moeite voor. We vergeten dat we geëvolueerd zijn om de wereld te begrijpen door middel van beweging en uitdrukking.
Digitalisering
In 2000 deden dokters in het Cedars-Sinaiziekenhuis in Los Angeles een cursus om hun handschrift bij te spijkeren. ‘Veel van onze dokters kunnen niet leesbaar schrijven,’ legde het hoofd medische staf uit aan Science Daily. Maar in tegenstelling tot andere beroepen kan het slechte handschrift van een dokter ernstige gevolgen hebben, van medische fouten tot de dood. Zo kreeg een vrouw uit Texas $450.000 uitgekeerd omdat haar man het verkeerde medicijn had genomen en was komen te overlijden; de apotheker kon het handschrift van de dokter niet lezen. Hoewel er vandaag de dag veel medische informatie op computers wordt opgeslagen maken dokters nog steeds veel aantekeningen op grafieken en worden veel recepten nog met pen en papier uitgeschreven.
Een duidelijk handschrift bevordert niet alleen communicatie. In tegenstelling tot typen of overtrekken, bereidt handschrift het brein erop voor om te leren lezen. Psychologen Pam Mueller en Daniel Oppenheimer vergeleken studenten die hun aantekeningen met de hand maakten met studenten die dit op een computer deden, om te onderzoeken of dit van invloed was op hun prestatie. Eerdere onderzoeken naar laptopgebruik in het klaslokaal richtten zich vooral op hoe afleidend een computer was voor studenten. Zoals verwacht zijn ze heel afleidend, niet alleen voor de gebruiker maar ook voor medeleerlingen.
Mueller en Oppenheimer deden echter onderzoek naar de effecten van laptopgebruik op het leerproces. ‘Zelfs als laptops enkel voor aantekeningen worden gebruikt, kunnen zij het leerproces hinderen omdat het gebruik leidt tot oppervlakkigere verwerking’, concluderen ze. Mueller en Oppenheimer hebben in hun onderzoek met drie verschillende experimenten aangetoond dat studenten die laptops gebruiken slechter presteren bij conceptuele vragen vergeleken met studenten die met de hand aantekeningen maken. ‘De neiging van laptopgebruikers om een college woord voor woord over te schrijven in plaats van het in eigen woorden samen te vatten doet af aan het leerproces,’ schrijven ze. Met andere woorden: je behoudt meer informatie als je met de hand schrijft omdat het langzame tempo je forceert om samen te vatten terwijl je schrijft, terwijl dat bij een toetsenbord niet hoeft.
Op een laptop typen terwijl de woorden op een scherm verschijnen is ‘abstracter en afstandelijker’
De wetenschappers die onderzoeken hoe technologie ons schrijven en leren beïnvloedt, hebben wat weg van ecologen die waarschuwen voor bedreigde diersoorten of milieuvervuiling. We komen een toekomst zonder schrijven tegemoet. Onderzoekers vrezen dat als we de pen met een toetsenbord vervangen, dit allerlei onvoorziene gevolgen zal hebben. ‘Digitalisering betekent een radicale verandering van het schrijven op een sensomotorisch vlak. We weten nog niet wat de (mogelijk verreikende) gevolgen van zulke veranderingen zullen zijn,’ vertelt Anne Mangen. Zij doet onderzoek naar de invloed van technologie op geletterdheid. Op een laptop typen terwijl de woorden op een scherm verschijnen is volgens haar ‘abstracter en afstandelijker,’ en ze vermoed dat dit ‘ernstige educatieve en praktische gevolgen’ zal hebben. Vaardigheden sterven, net als diersoorten, langzaam uit.
Men gaat er soms vanuit dat we een ouderwets, inefficiënt hulpmiddel hebben vervangen door een handiger en sneller alternatief, zoals in dit geval een pen door een toetsenbord. Maar net als bij de daling in menselijk contact houden we geen rekening met wat we in deze zoektocht naar efficiëntie verliezen, of hoe leermethodes en vormen van kennis onherstelbare schade kunnen oplopen. Als iemand als kind met een toetsenbord overweg kan, maar als volwassene nauwelijks zijn naam kan schrijven, is dat geen teken van vooruitgang.
Schrijven is langzaam
Schrijven is een fysieke handeling, en vereist dus goede coördinatie van de handen, vingers en onderarmen. Het is zwaar werk, maar dat is volgens romanschrijver Mary Gordon ook deel van het genot: ‘Ik geloof dat dat harde werk heel deugdzaam is, omdat het zo fysiek is,’ schrijft ze. ‘Je hebt vlees, bloed, en materiaal nodig: ankers die ons eraan herinneren dat wij, hoewel we steeds meer door de draaikolk van onze vooruitgang worden verzwolgen, nog steeds in een fysieke wereld leven.’
Handgeschreven tekst roept ook heel andere gevoelens op dan afgedrukte tekst. De literatuur barst van de wendingen waarbij er opeens een handgeschreven brief of handtekening opduikt. In Het Verlaten Huis van Charles Dickens herkent Lady Dedlock op een wettelijk document het eigenaardige handschrift van haar verloofde, waarvan ze dacht dat hij overleden was. Dit leidt er uiteindelijk toe dat zij haar grootste geheim moet onthullen.
Ons eigen handschrift kan ook uitstekend herinneringen oproepen. Toen de Amerikaanse chef-kok en kookboekenschrijver Deborah Madison op haar oude handgeschreven recepten uit de jaren zeventig stuitte, ging ze opeens terug in de tijd. In de bruine notitieboekjes stonden naast aantekeningen, tekeningetjes, etensvlekken en lijsten met leveranciers allerlei recepten gekrabbeld: ‘het resultaat van alle tijd die ik heb besteed aan het ordenen van mijn gedachten,’ schrijft ze. ‘Soms ziet het er keurig en doordacht uit. Soms raakt mijn hand juist afgeleid en gaat hij alle kanten op, waardoor het er slordig en vermoeid uitziet. Maar het riep vooral een diep gevoel van ontdekking op en als ik er doorheen blader wordt meteen weer dat obsessieve enthousiasme in mij aangewakkerd.’ Ze denkt niet dat een lijst op een computer datzelfde gevoel zou oproepen: ‘Er schuilt zo veel achter het handschrift.’
Kalligraaf Paul Antonio merkt op dat als hij kinderen leert schrijven, hij ze eigenlijk leert om het rustig aan te nemen
Romanschrijver Mohsin Hamid maakt zijn aantekeningen met de hand in een notitieboekje en probeert zich als hij bezig is aan een roman zoveel mogelijk van de digitale wereld af te zonderen. Hij schrijft zijn boeken echter wel op de computer. ‘De technologie vormt me en configureert me’ als hij het gebruikt, vertelt hij aan de BBC. Volgens hem is het gevaarlijk om de computer-manier almaar te omarmen. De menselijke manier legt, afhankelijk van het medium, grenzen op. Tien vingers kunnen over een toetsenbord heen zoeven, maar een pen of potlood vereist geduld. De gemiddelde Amerikaan kan per minuut veertig woorden typen, maar slechts dertien woorden met de hand schrijven. Kalligraaf Paul Antonio merkt op dat als hij kinderen leert schrijven, hij ze eigenlijk leert om het rustig aan te nemen.
De IT-wereld vervangt veel andere kennisvormen en het handschrift is niet de enige vaardigheid die we actief verliezen. Andere waardevolle lichaamsvaardigheden staan ook onder druk.
Handarbeid
‘Als je een fysiek object maakt, of een muziekinstrument bespeelt, is de aandacht vooral op jezelf gericht,’ merkt socioloog Richard Sennett op. Als je gereedschap gebruikt of met een strijkstok over een snaar gaat, voel je iets terwijl je iets doet. Hoe beter je hierin wordt, hoe minder je erover hoeft na te denken. Het duurt lang voordat dit soort ‘plaatselijke cognitie’, zoals Sennett het noemt, tot stand komt. Zoals bij veel vormen van handarbeid moet je er langzaam voor werken. ‘Vakmanschap speelt een verankerende rol omdat het langzaam gaat,’ vertelt Sennett aan het tijdschrift American Craft. ‘Maken is denken.’
Schoenmaker Lee Miller uit Texas doet er veertig uur over om een paar laarzen te maken, met gereedschap dat meer dan honderd jaar oud is. De tijd die het hem kost is onlosmakelijk verbonden met zijn vak. ‘Een geautomatiseerde machine is niks vergeleken met mensenhanden,’ zegt hij. Zijn klanten, die bereid zijn jaren op een paar op maat gemaakte laarzen te wachten, stemmen hiermee in.
Het belang van een handgemaakt object vloeit voort uit het besef van de tijd, moeite en vaardigheid die het heeft gekost om het te maken; een machine, zelfs als deze keer op keer dezelfde prachtige producten levert, kan dat gevoel nooit oproepen. ‘Wij mensen voelen niet alleen, we weten,’ schrijft filosoof Julian Baggini. ‘Als we weten waar dingen vandaan komen en hoe de arbeiders worden behandeld, heeft dat een effect op wat we erbij voelen, en terecht.’ Je hoeft overigens geen lid te zijn van de elite om van handgemaakte goederen te genieten; op platforms zoals Etsy zijn er voor uiteenlopende prijzen allerlei handgemaakte producten beschikbaar.
Er ontstaan steeds nieuwe manieren om de handen uit de mouwen te steken die beter bij dit tijdperk passen
Critici beweren dat onze vraag naar handgemaakte producten stijgt omdat veel producten vandaag de dag grootschalig worden geproduceerd. Hierdoor raken we de menselijke verbinding kwijt met de objecten die we gebruiken. Dit is waarschijnlijk een van de redenen geweest voor de heersende woede toen de erbarmelijke omstandigheden in Chinese iPhone-fabrieken bekend werden gemaakt. Toen bleek dat deze gelikte technologie door overwerkte – en soms suïcidale – mensenhanden werd gemaakt, keek men opeens heel anders naar deze producten. Althans, totdat de verontwaardiging weer wegebde en de nieuwe iPhones in de winkel lagen.
Onze voorliefde voor de tekenen van handwerk is niet verminderd, maar we ervaren het op een nieuwe manier. We omarmen een plaatsvervangende vorm van handwerk die niet meer bestaat uit de objecten zelf, maar uit afbeeldingen ervan. We kijken bijvoorbeeld naar perfect bereide maaltijden op Instagram of vakkundig kluswerk bij renovatieprogramma’s op TV. Zo zijn er ook DIY-video’s op YouTube, die breed uiteenlopen van goed geproduceerde instructievideo’s van loodgieters tot saaie, onderbelichte filmpjes van mensen die het gras in hun voortuin maaien (die overigens miljoenen keren bekeken worden). Dit komt overeen met de groei in andere plaatsvervangende bezigheden.
Er ontstaan steeds nieuwe manieren om de handen uit de mouwen te steken die beter bij het technologische tijdperk passen. Zo is er bijvoorbeeld de maker-beweging, een zijstroming van de hackercultuur uit de late twintigste eeuw, die mensen meer zeggingskracht wilde geven over hoe hun technologie werkt. Chris Anderson zegde zijn baan op als redacteur bij het tijdschrift Wired om een DIY-dronebedrijf te starten. Hij zegt dat de nieuwe generatie tech-klussers en 3D-printfanaten een reactie zijn op een cultuur die zich te veel op het virtuele richt. ‘Als je iets maakt dat virtueel begint en vervolgens tastbaar en bruikbaar wordt in de echte wereld, geeft dat een soort voldoening die je van pure pixels nooit zult krijgen,’ schrijft hij. Hij voorspelt dat het groeiende aantal ‘makerspaces’ een nieuwe industriële revolutie zal ontsteken. Critici zoals Evgeny Morozov zeggen juist dat dit geen nieuwe revolutie is, maar slechts een nieuwe vorm van ‘consumentisme en ketellapperij’ gesponsord door grote bedrijven en het Amerikaanse leger.
De grenzen van het lichaam
Op een balk in het huis van de zestiende-eeuwse essayist Michel de Montaigne in het Franse Périgord staat een parafrase uit Prediker gekrast: ‘hij die niet weet hoe de geest zich aan het lichaam bindt, weet niets van de werken Gods.’ Montaigne omarmde het menselijk lichaam in al zijn prachtige en verontrustende vormen (zijn essays beschreven dikwijls zijn eigen en andermans scheten) en hij bekritiseerde iedereen die zijn eigen lichamelijkheid ontkende. Montaigne geloofde dat ons lichaam een van de belangrijkste manieren is om onszelf te begrijpen. Het herinnert ons eraan hoe zwak we eigenlijk zijn, en houdt ons ego op peil. ‘Zelfs op de hoogste troon ter wereld zitten wij nog steeds op onze kont,’ schreef hij.
De fysieke aspecten van het dagelijks leven waren in Montaignes tijd fundamenteel anders dan die van vandaag, en vereisten een stuk meer moeite en nederigheid. Dit soort nederigheid is zeldzaam in ons technologische tijdperk. Alledaagse, lichamelijke taken vallen in het niet naast wat wij allemaal kunnen als de technologie ons een handje helpt. Het is fysiek makkelijker om een boodschap naar de andere kant van de wereld te sturen dan om onze veters te strikken.
Maar onze apparaten en ons gereedschap blijven een verlenging van ons lichaam. Volgens computerwetenschapper Joseph Weizenbaum moeten we ‘aspecten van [onze gebruiksvoorwerpen] internaliseren in de vorm van bewegings- en waarnemingsgewoontes’, zo schrijft hij in zijn boek Computerkracht en mensenmacht. Onze gebruiksvoorwerpen maken een deel uit van onszelf. Zo helpen onze lichamen ons wegwijs te maken in de wereld. ‘Het lichaam is onze eerste en natuurlijkste technologische object,’ merkt Franse socioloog Marcel Mauss op.
Vandaag de dag ervaren we steeds minder ongemak
Welk gereedschap we kiezen en hoe we het gebruiken beïnvloedt niet alleen fysieke, maar ook mentale gewoontes. Onze lichamelijke handelingen bepalen niet alleen hoe we alledaagse dingen leren, maar ook hoe we de wereld om ons heen ervaren. In de roman Angle of Repose van Wallace Stegner beschrijft een karakter het leven van een vroegere generatie. Zijn grootmoeder, die op een boerderij woonde, ‘kon zonder enige afkeer een kip doden, schoonmaken en opeten, net als de buurvrouw’. Haar generatie had een ander soort verhouding tot de fysieke wereld, die werd weerspiegeld in hoe men zijn uitdagingen aanging. ‘Als een dier doodging, bepaalde het gezin wat er met het lijk moest gebeuren; als een mens doodging, baarden de vrouwen van het gezin het lichaam op.’
Vandaag de dag ervaren we steeds minder ongemak en komen we minder in aanraking met de tekortkomingen van ons lichaam. Ons toenemende comfort betekent misschien dat we meer moeite hebben met de onvermijdelijke aftakeling van ons lichaam, dat dankzij technologie zo lang mogelijk in leven wordt gehouden.
Een wankele vrede
Sommige vervagende gewoontes, zoals handschrift en tekenen, lijken op het eerste gezicht niet heel belangrijk. Het zijn bescheiden vaardigheden die in gesloten gezelschap worden benut, waar niet makkelijk geld in te verdienen is (behalve als je een van ‘s werelds weinige professionele kalligrafen bent) en die voor de meeste mensen in het dagelijks leven niet meer aan de orde zijn.
Toch laat de stille verdwijning van een vaardigheid zoals handschrift zien hoe ervaringen uitsterven; ze nemen langzaam af, niet door een of ander decreet vanuit de overheid of een populistische campagne vanuit het volk. We rationaliseren deze verdwijning niet als een tragisch verlies maar als een teken van vooruitgang en verbetering. Een vaardigheid vervaagt, en daarmee millennia aan menselijke ervaringen. Ook die ervaringen laten een spoor achter, zoals de grottekeningen in Altamira en Lascaux, die veertigduizend jaar geleden zijn geschilderd, honderden kilometers van elkaar vandaan. Toch hebben ze allebei een afbeelding gemeen: een mensenhand.
Nieuwe technologieën hoeven de oude gebruiken niet gelijk te vervangen
De gestage afname van het handschrift in een wereld vol schermen laat ook zien hoe weinig we eigenlijk stilstaan bij onze positie tussen het oude en het nieuwe. Nieuwe technologieën hoeven de oude gebruiken niet gelijk te vervangen. De drukpers heeft het handschrift bijvoorbeeld niet de nek omgedraaid. We hoeven er niet vanuit te gaan dat toetsenborden en touchscreens pen en papier onherroepelijk zullen uitroeien, dat we door software nooit meer met de hand zullen tekenen, of dat een toename aan technologie in het onderwijs traditionele, lichamelijke pedagogie uit de weg zal ruimen. Deze dingen kunnen in vrede voortbestaan, maar die vrede zal wankel zijn.
‘Want ons vlees omringt ons met zijn eigen begeertes,’ aldus de dichter Philip Larkin. Het omringt ons ook met kansen – om te leren, te begrijpen, en dingen te voelen op een manier die plaatsvervangende schermervaringen niet kunnen evenaren. De wereld raakt steeds meer verzadigd met afbeeldingen en het virtuele. We moeten in onze zoektocht naar technologische nieuwigheden de menselijke behoefte om te zien, te voelen en met de hand te werken, niet uit het oog verliezen.
President Trump heeft de subsidie voor Harvard ingetrokken omdat het een ‘bolwerk van ongebreidelde Jodenhaat en -intimidatie’ zou zijn. Harvard-hoogleraar Steven Pinker bespreekt de vrijheid van meningsuiting op de campus van deze Amerikaanse universiteit.
In mijn 22 jaar als hoogleraar aan Harvard ben ik nooit bang geweest om de hand te bijten die me voedt. Mijn essay ‘The Trouble with Harvard’ uit 2014 pleitte voor een transparant meritocratisch toelatingssysteem, ter vervanging van het huidige ondoorzichtige systeem waarin een oogje wordt dichtgeknepen voor heimelijk gesjoemel. Met mijn ‘Vijfpuntenplan om Harvard van zichzelf te redden’ uit 2024 drong ik er bij de universiteit op aan zich te committeren aan vrijheid van meningsuiting, institutionele neutraliteit, geweldloosheid, uiteenlopende standpunten en het afschaffen van het diversiteits-, gelijkheids- en inclusiebeginsel (DEI). Afgelopen herfst, een jaar na de Hamas-aanval van 7 oktober 2023, verklaarde ik dat ik zou willen dat Harvard haar studenten leerde om over Israël te praten en riep ik de universiteit op onze studenten te leren omgaan met morele en historische complexiteit. Twee jaar geleden was ik medeoprichter van de ‘raad voor academische vrijheid’, die het universiteitsbeleid sindsdien regelmatig tegen het licht houdt en aandringt op verandering.
Dus ik ben bepaald niet iemand die zijn werkgever vrijpleit als ik zeg dat het huidige gescheld op Harvard uit de hand is gelopen. Volgens critici is Harvard een ‘nationale schande’, een ‘leerschool voor wokeness’, een ‘maoïstisch indoctrinatiekamp’, een ‘schip vol dwazen’, een ‘bolwerk van ongebreidelde Jodenhaat en -intimidatie’, een ‘poel van extremistische relschoppers’ en een ‘islamistische voorpost’ waar de overheersende mening op de campus is: ‘vernietig de Joden en je hebt de wortel van de westerse beschaving vernietigd’.
En dan hebben we het nog niet eens over president Trump, die Harvard als ‘een antisemitische, extreemlinkse instelling’ bestempelt, een ‘progressieve puinhoop’ en een ‘bedreiging voor de democratie’ waar bijna alleen maar ‘woke, radicaal-linkse idioten en leeghoofden worden aangenomen die studenten en zogenaamde toekomstige leiders uitsluitend leren hoe ze de mist in kunnen gaan’.
Dit is niet gewoon maar loze praat. Boven op de brute bezuinigingen op onderzoeksfinanciering over de gehele linie heeft de regering-Trump ook besloten dat Harvard geen overheidssubsidies meer ontvangt. En alsof dat nog niet genoeg is, heeft de regering kortgeleden besloten dat Harvard geen buitenlandse studenten meer mag inschrijven en gedreigd met een vervijftienvoudiging van de belasting op ontvangen schenkingen en intrekking van de belastingvrije non-profitstatus.
Ik zal de eerste zijn om toe te geven dat Harvard met ernstige tekortkomingen kampt
We kunnen hier spreken van het Harvard-syndroom van de gebeten hond. Als oudste, rijkste en beroemdste universiteit van de VS heeft Harvard altijd al buitensporig veel aandacht getrokken. In de publieke verbeelding is de universiteit zowel de belichaming van het hoger onderwijs als een magneet bij uitstek voor grieven tegen de elite.
Psychologen hebben een symptoom vastgesteld dat splitting wordt genoemd, een vorm van zwart-witdenken waarbij patiënten zich iemand in hun leven alleen maar kunnen voorstellen als een verheven engel dan wel als verfoeilijke boosdoener. Dit symptoom wordt meestal behandeld met dialectische gedragstherapie, met een uitleg dat de meeste mensen een mengeling zijn van betere en minder goede kanten. Dat het op de lange termijn misschien niet helpt om iemand uitsluitend als slecht te beschouwen. Maar het is ongemakkelijk als anderen ons teleurstellen. Hoe kun je ruimte maken voor dat ongemak zonder dat je hele beeld daardoor wordt gekleurd?
In de VS bestaat een dringende behoefte aan deze balans bij de omgang met instellingen op het gebied van onderwijs en cultuur. Ik zal de eerste zijn om toe te geven dat Harvard met ernstige tekortkomingen kampt. Het idee dat er iets niet goed gaat op de universiteit is wijdverbreid en heeft ertoe geleid dat Trumps frontale aanval op sympathie kan rekenen en zelfs voor leedvermaak zorgt. Maar Harvard is een complex instituut dat zich in de loop van vele eeuwen heeft ontwikkeld en voortdurend te maken heeft met tegenstrijdige en onverwachte uitdagingen. De juiste behandeling (net als bij andere imperfecte instellingen) is om te diagnosticeren voor welk deel welke remedie is vereist, niet om de halsslagader maar door te snijden en te kijken hoe de zaak doodbloedt.
Een gebrek aan meningsdiversiteit
Hoe heeft Harvard zo’n verleidelijk doelwit kunnen worden? Een deel van de woede is een logisch gevolg van de aard van de universiteit. Harvard is gigantisch: er lopen 25.000 studenten rond, die college krijgen van 2400 docenten, verspreid over dertien faculteiten (waaronder bedrijfskunde en tandheelkunde). Onvermijdelijk zullen zich in deze menigte enkele excentriekelingen en onruststokers bevinden, en hun capriolen kunnen tegenwoordig viraal gaan. Mensen zijn vatbaar voor de ‘beschikbaarheidsbias’, waarbij een anekdote zich in hun hoofd nestelt en door hun subjectieve inschatting tot enorme proporties wordt opgeblazen. Op die manier kan één luidruchtige linkse figuur uitgroeien tot een maoïstisch indoctrinatiekamp.
Daarnaast committeren universiteiten zich aan de vrijheid van meningsuiting, ook als het om meningen gaat die ons niet welgevallig zijn. Een bedrijf kan een al te uitgesproken werknemer ontslaan; een universiteit kan en mag dat niet. Ook is Harvard geen kloosterorde, maar onderdeel van een wereldwijd netwerk. Onze meeste promovendi en faculteitsleden zijn elders opgeleid, bezoeken dezelfde congressen en lezen dezelfde publicaties als iedereen in de academische wereld. Ook al gaat Harvard door voor nog zo bijzonder, vrijwel alles wat hier gebeurt vindt ook plaats op andere onderzoeksintensieve universiteiten.
Tot slot zijn onze studenten geen onbeschreven bladen waarop we naar hartenlust van alles kunnen neerpennen. Jongeren worden meer gevormd door hun leeftijdsgenoten dan de meeste mensen beseffen. Studenten worden gevormd door de cultuur van hun leeftijdsgenoten op de middelbare school, op Harvard en – vooral via sociale media – in de rest van de wereld. In veel gevallen zijn de politieke opvattingen van studenten net zomin het gevolg van indoctrinatie door docenten als hun groene haar en hun neuspiercing.
onze studenten [zijn] geen onbeschreven bladen waarop we naar hartenlust van alles kunnen neerpennen
Toch is de vijandige houding jegens Harvard deels verdiend. Mijn collega’s en ik maken ons al jaren zorgen over de uitholling van de academische vrijheid op onze universiteit, waarvan enkele schrijnende voorbeelden te geven zijn. In 2021 werd bioloog Carole Hooven gedemoniseerd en daadwerkelijk van Harvard verstoten, nadat ze in een interview had uitgelegd wat de biologie onder mannelijk en vrouwelijk verstaat. Dit was aanleiding voor ons om de raad voor academische vrijheid op te richten, maar het was niet de eerste en zeker niet de laatste keer dat iemand werd gecanceld.
Epidemioloog Tyler VanderWeele moest zich ‘herstelrechtzittingen’ laten welgevallen toen iemand ontdekte dat hij in 2015 medeondertekenaar was geweest van een amicus curiae-brief aan het Hooggerechtshof waarin gepleit werd tegen het homohuwelijk. Een college van bio-ingenieur Kit Parker over de evaluatie van misdaadpreventieprogramma’s werd stopgezet nadat het door studenten als ‘aanstootgevend’ was betiteld. Rechtsgeleerde Ronald Sullivan werd ontslagen als decaan van een studentenhuis toen zijn juridische bijstand aan Harvey Weinstein studenten een ‘onveilig’ gevoel gaf. De Foundation for Individual Rights and Expression (FIRE) houdt dergelijke incidenten bij en heeft Harvard de afgelopen twee jaar als laatste gerangschikt op het gebied van vrijheid van meningsuiting, van ongeveer 250 onderzochte hogescholen en universiteiten.
Deze sancties zijn niet alleen onrechtvaardig tegenover individuen. Eerlijk wetenschappelijk onderzoek wordt moeilijk als onderzoekers er constant voor moeten waken dat een vakmatige opmerking hen blootstelt aan karaktermoord of dat een conservatieve mening als een misdaad wordt beschouwd. In het geval van Ronald Sullivan verzaakte de universiteit haar plicht om volwassen burgers te op te leiden, door te zwichten voor de emoties van haar studenten in plaats van hun onderwijs te geven over het Zesde Amendement en het verschil tussen volksjustitie en rechtsstaat.
Harvard heeft de afgelopen twee jaar als laatste gerangschikt op het gebied van vrijheid van meningsuiting
Maar een leerschool voor wokeness? Dat is zwart-witdenken waarvoor gedragstherapie nodig is. Alleen al het opsommen van de gecancelde collega’s, vooral bij een grote en in het oog lopende instelling als Harvard, kan het oneindig veel grotere aantal gevallen overschaduwen waarin van de norm afwijkende meningen worden geuit zonder dat daar ophef over ontstaat. Hoe verontrust ik ook ben over de aanvallen op de academische vrijheid op Harvard, aan die laatste plaats op de ranglijst zit een luchtje.
Laat ik met mezelf beginnen. Tijdens mijn decennia aan de universiteit heb ik veel controversiële ideeën onderwezen, waaronder de realiteit van sekseverschillen, de erfelijkheid van intelligentie en de evolutionaire wortels van geweld (waarbij ik mijn studenten uitnodigde om het met me oneens te zijn, mits ze daar argumenten voor aandroegen). Ik wil me niet moediger voordoen dan ik ben, maar het resultaat is nul protesten, meerdere universitaire onderscheidingen en warme banden met hoogleraren, decanen en bestuursvoorzitters.
Ook de meeste van mijn collega’s houden zich aan de feiten en melden hun bevindingen, hoe politiek incorrect ze ook mogen zijn. Enkele voorbeelden: er bestaat een zekere biologische onderbouwing voor rassenleer. Het huwelijk vermindert criminaliteit, net als probleemgericht politiewerk. Racisme is afgenomen. Fonetiek is essentieel voor leesonderwijs. ‘Triggerwaarschuwingen’ doen meer kwaad dan goed. Afrikanen waren actief in de slavenhandel. Iemands opleidingsniveau is deels genetisch bepaald. Hard optreden tegen drugs kent voordelen, het legaliseren ervan kent nadelen. Markten kunnen mensen eerlijker en vrijgeviger maken. Ondanks alle krantenkoppen bestaat het dagelijks leven op Harvard uit het zonder angst of vooroordelen publiceren van ideeën.
Een ander gebied waarop Harvard onmiskenbaar tekortschiet, al helpt het op de lange termijn niet om dat alleen maar als slecht af te doen, is diversiteit op het gebied van gezichtspunten. Volgens een onderzoek uit 2023 van het studentenblad The Harvard Crimson noemde 45 procent van de medewerkers van de faculteit Letteren en Wetenschappen hun politieke voorkeur ‘progressief’, 32 procent ‘zeer progressief’, 20 procent ‘gematigd’ en slechts 3 procent ‘conservatief’ of ‘zeer conservatief’. (De optie ‘woke radicaal-linkse idioot’ kwam niet in het onderzoek voor.) FIRE schat het aantal conservatieve faculteitsleden iets hoger in: 6 procent.
er bestaat een zekere biologische onderbouwing voor rassenleer
Een universiteit hoeft geen representatieve democratie te zijn, maar te weinig politieke diversiteit kan haar opdracht in gevaar brengen. In 2015 toonde een team van sociale wetenschappers aan hoe een progressieve monocultuur tot wetenschappelijke fouten in hun vakgebied had geleid, zoals het voorbarig concluderen dat progressieven minder bevooroordeeld zijn dan conservatieven, nadat ze hadden getest op vooroordelen jegens Afro-Amerikanen en moslims, maar niet jegens evangelicals.
Uit een enquête onder mijn collega’s van de raad voor academische vrijheid kwamen veel voorbeelden naar voren van onderzoek in hun vakgebied dat huns inziens belemmerd werd door een beperkte politieke blik. In het klimaatbeleid leidde die tot een nadruk op het demoniseren van fossielebrandstofbedrijven, en niet op het erkennen van een universele behoefte aan overvloedige energie; in de kindergeneeskunde tot het kritiekloos accepteren van alle door adolescenten gemelde genderdysforie; op volksgezondheidsgebied tot het pleiten voor maximale overheidsinterventie in plaats van kosten-batenanalyses; op historisch gebied tot het benadrukken van de schadelijke gevolgen van het kolonialisme, maar niet van het communisme of het islamisme; in de sociale wetenschappen tot het toeschrijven van alle groepsverschillen aan racisme, maar nooit aan cultuur; en in vrouwenstudies tot het toestaan van het bestuderen van seksisme en stereotypen, maar niet van seksuele selectie, seksuologie of hormonen (niet toevallig de specialiteit van Carole Hooven).
Hoewel Harvard ontegenzeggelijk gebaat zou zijn bij meer politieke en intellectuele diversiteit, is het nog steeds verre van een ‘radicaal-linkse instelling’. Als we mogen afgaan op het onderzoek van The Harvard Crimson, dan ziet een aanzienlijke meerderheid van de medewerkers van Harvard zichzelf als rechtser dan ‘zeer progressief’ en tellen ze tientallen prominente conservatieven in hun gelederen, zoals de rechtsgeleerde Adrian Vermeule en de econoom Greg Mankiw. Het populairst bij bachelorstudenten zijn al sinds jaar en dag de introductiecolleges tot de reguliere economie, gegeven door een opeenvolging van conservatieven en neoliberalen, en de volstrekt apolitieke introducties tot kansrekening, computerwetenschappen en levenswetenschappen.
Een van mijn studenten heeft een op kunstmatige intelligentie gebaseerde ‘Woke-o-Meter’ ontwikkeld
Uiteraard biedt Harvard ook tal van cursussen als ‘Queer etnografie’ en ‘Het dekoloniseren van de blik’, maar dat zijn vaak gespecialiseerde aangelegenheden met een gering aantal inschrijvingen. Een van mijn studenten heeft een op kunstmatige intelligentie gebaseerde ‘Woke-o-Meter’ ontwikkeld die cursusbeschrijvingen beoordeelt op marxistische, postmodernistische en kritische socialerechtvaardigheidsthema’s (op basis van termen als ‘heteronormativiteit’, ‘intersectionaliteit’, ‘systemisch racisme’, ‘laatkapitalisme’ en ‘deconstructie’). Hij schat dat ze hooguit 3 procent uitmaken van de vijfduizend cursussen in de studiegids 2025-2026 van de faculteit Kunsten en Wetenschappen en 6 procent van de grotere Algemene Vorming-cursussen (hoewel ongeveer een derde daarvan een duidelijke linkse tendens had). Kenmerkender zijn cursussen als ‘Cellulaire basis van de neuronale functie’, ‘Duits voor beginners’ (Intensief) en ‘De val van het Romeinse Rijk’.
En als Harvard haar studenten leert om ‘het vrijemarktsysteem te verachten’, dan vindt dat in elk geval weinig weerklank. De populairste bacheloropleidingen zijn economie en computerwetenschappen, en de helft van onze afgestudeerden gaat na hun diploma-uitreiking direct aan de slag in de financiële wereld, consultancy en technologie.
Het bereiken van een zo groot mogelijke diversiteit aan standpunten op een universiteit is een lastig probleem, en een obsessie voor onze raad. Natuurlijk hoeft niet ieder standpunt vertegenwoordigd te worden. Het universum van ideeën is oneindig en veel ervan verdienen geen serieuze aandacht, zoals astrologie, de theorie van de platte aarde en de ontkenning van de Holocaust. De eis van de regering-Trump om de studieprogramma’s van Harvard te controleren op diversiteit en afwijkende programma’s te infiltreren met een ‘kritische massa’ van door de overheid goedgekeurde dwarsliggers, zou giftig zijn voor zowel de universiteit als de democratie. De vakgroep biologie zou gedwongen kunnen worden creationisten in dienst te nemen, de medische faculteit zou vaccinsceptici moeten verwelkomen en de vakgroep geschiedenis zou plaats moeten bieden aan ontkenners van de verkiezingsuitslag in 2020. Harvard had geen andere keus dan het ultimatum te verwerpen en groeide daarmee uit tot een onverwachte volksheld.
Toch kunnen universiteiten het probleem niet blijven negeren. Ook al zijn ze nog zo geobsedeerd door impliciet racisme en seksisme, ze zijn ongevoelig gebleven voor de krachtigste cognitieve vervormer die er bestaat: de myside bias, die ons allemaal lichtgelovig maakt waar het onze eigen gekoesterde overtuigingen en onze politieke en culturele coalities betreft. Universiteiten mogen van docenten verwachten dat ze hun politieke ideeën achterlaten bij de deur van de collegezaal en dat ze de rationalistische verdiensten van epistemische nederigheid en actieve openheid van geest benadrukken. Om deze doelen te bereiken zou een beetje DEI voor conservatieven geen kwaad kunnen. Zoals econoom Joan Robinson het verwoordde: ‘Ideologie is als adem: je ruikt nooit die van jezelf.’
Antisemitisme
De pijnlijkste aanklacht tegen Harvard is het vermeende antisemitisme, niet het snobistische oudgeldantisemitisme maar een uitvloeisel van antizionistisch fanatisme. Een recent en langverwacht rapport beschrijft tal van verontrustende incidenten. Joodse studenten voelden zich geïntimideerd door anti-Israëlprotesten die colleges, plechtigheden en het dagelijks leven op de campus verstoorden en waarop vaak nogal onduidelijk door de universiteit werd gereageerd. Leden van het onderwijzend personeel lieten zonder enige aanleiding pro-Palestijns activisme in hun colleges en universitaire programma’s doorsijpelen. Veel Joodse studenten, vooral Israëlische, meldden dat ze door hun medestudenten werden buitengesloten of gedemoniseerd.
Net als de andere Harvardkwalen moet het antisemitisme met de nodige omzichtigheid worden behandeld. Ja, de problemen zijn reëel. Maar ‘een bolwerk van ongebreidelde Jodenhaat’ dat tot doel heeft ‘de Joden te vernietigen als eerste stap naar de vernietiging van de westerse beschaving’? Oy gevalt! [O, mijn God!]
Als reactie op de schandalige uitspraken van 34 studentengroepen na 7 oktober, waarin Israël ‘volledig verantwoordelijk’ werd gesteld voor het bloedbad, publiceerden meer dan vierhonderd faculteitsleden van Harvard een open protestbrief. Een nieuw collectief, Harvard Faculty for Israel, telt inmiddels 450 leden. Harvard biedt meer dan zestig cursussen over Joodse thema’s aan, waaronder acht in het Jiddisch. En hoewel het driehonderd pagina’s tellende antisemitismerapport elk gevonden voorbeeld uit de afgelopen eeuw vermeldt, tot de laatste leus op een muur of het laatste bericht op sociale media aan toe, wordt nergens gewag gemaakt van een doel om ‘de Joden te vernietigen’, laat staan dat dat de ‘heersende mening op de campus’ was.
ik heb in mijn twintig jaar op Harvard nooit enige vorm van antisemitisme ervaren
Voor wat het ook waard is, ik heb in mijn twintig jaar op Harvard nooit enige vorm van antisemitisme ervaren, net zomin als andere prominente Joodse faculteitsleden. Mijn eigen ongemak wordt beter verwoord in een essay van Harvardstudent Jacob Miller in The Harvard Crimson, waarin de bewering dat een op de vier Joodse studenten zich op de campus ‘fysiek onveilig’ voelt wordt betiteld als ‘een absurde statistiek die ik, als iemand die elke dag in het openbaar en met trots een keppeltje op de campus draagt, moeilijk serieus kan nemen’. Uit de obsessie met antisemitisme op Harvard blijkt ironisch genoeg dat men zwicht voor het kritische socialegerechtigheidscredo dat het enige onrecht dat veroordeeld moet worden de onderlinge onverdraagzaamheid tussen groepen is. In plaats van dat ze de tekortkomingen van het antizionistische platform rechtstreeks aan de kaak stellen, zoals de goedkeuring van geweld tegen burgers en historische blinde vlekken, hebben critici geprobeerd het platform de zonde van antisemitisme aan te wrijven. Maar dat kan ontaarden in een zinloos semantisch dispuut over de betekenis van het woord ‘antisemitisme’, wat volgens onze raad kan leiden tot inbreuken op de academische vrijheid.
Het antisemitismerapport van Harvard heeft veel verstandige aanbevelingen voor hervormingen gedaan die te lang achterwege zijn gebleven, en daar gaat het om: verantwoordelijke mensen die binnen een complexe instelling met problemen worden geconfronteerd, proberen de tekortkomingen vast te stellen en te verhelpen. Zulke pogingen afdoen als ‘parfum spuiten in een riool’ helpt niemand verder.
Eén aanbeveling van het rapport is al aangenomen: het handhaven van al bestaande regels die moeten voorkomen dat protesten de grens van vrije meningsuiting overschrijden en ontaarden in campagnes van verstoring, dwang en intimidatie.
Een andere voor de hand liggende maatregel is het uniformer toepassen van normen voor wetenschappelijke excellentie. Harvard telt bijna vierhonderd initiatieven, centra en programma’s die niets uitstaande hebben met haar academische afdelingen. Enkele daarvan zijn gekaapt door activistische docenten en in feite verworden tot centra voor anti-Israëlstudies. Tegelijkertijd telt Harvard te weinig hoogleraren die over onbevooroordeelde kennis beschikken op het gebied van Israël, het conflict in het Midden-Oosten en antisemitisme. Het rapport roept hoogleraren en decanen op zich intensiever met deze vakgebieden te bemoeien.
de subsidiegever [kan de universiteit] niet naar zijn pijpen laten dansen
Harvard kan geen toezicht uitoefenen op het sociale leven of op de berichten van haar studenten op sociale media, vooral niet op berichten op anonieme platforms waar de meest verachtelijke vormen van antisemitisme worden gespuid. Wél kan de universiteit discriminatie op basis van religie, nationale afkomst en politieke overtuiging verbieden en ingrijpen bij flagrante overtredingen, zoals in het geval van een onderwijsassistent die studenten wegstuurde om deel te nemen aan anti-Israëlprotesten. Ze kan antisemitisme even hard aanpakken als racisme en garanderen dat zodra studenten hun eerste stappen op het universiteitsterrein zetten, ze elkaar met respect behandelen en openstaan voor andere meningen.
Wat niet zal werken is al even duidelijk: de strafmaatregel van de regering-Trump om Harvard geen overheidssubsidie meer te geven. Anders dan een wijdverbreid misverstand doet vermoeden, is federale subsidie geen aalmoes voor de universiteit en kan de subsidiegever haar niet naar zijn pijpen laten dansen. Het is een subsidie voor een bepaalde dienst, namelijk een onderzoeksproject dat de regering gunstig acht voor het land. Met de subsidie worden de mensen en de apparatuur betaald die nodig zijn voor de uitvoering van het onderzoek, dat anders niet zou plaatsvinden.
Dat Trump deze steun nu de nek omdraait, zal de Joden meer kwaad doen dan ze van enige president in mijn leven te duchten hebben gehad. Veel praktiserende en aankomende wetenschappers zijn Joods, en door Trumps financieringsembargo zien ze met afschuw hoe ze worden ontslagen, hoe hun laboratoria worden gesloten en hoe hun droom van een wetenschappelijke carrière in rook opgaat. Dit is oneindig veel schadelijker dan langs een bord lopen waarop ‘Globaliseer de Intifada’ staat. Nog erger zijn de gevolgen voor een nog veel groter aantal niet-Joden in de wetenschap, die te horen krijgen dat hun laboratorium en carrière moeten wijken voor Joodse belangen. Hetzelfde geldt voor huidige patiënten wier experimentele behandeling zal worden stopgezet, en voor toekomstige patiënten die misschien van behandeling verstoken zullen blijven. Niets van dit alles is goed voor de Joden.
Trumps bezorgdheid over Joden is volstrekt onwaarachtig, gezien zijn sympathie voor Holocaustontkenners en Hitlerfans. Het gaat er alleen maar om maatschappelijke instellingen te verlammen die buiten de invloed van de uitvoerende macht opereren. Zoals JD Vance het verwoordde in de titel van een toespraak uit 2021: ‘De universiteiten zijn de vijand.’
Hervormingen
Als de federale overheid Harvard niet dwingt tot hervormingen, wie of wat doet dat dan wel? Over het feit dat er nogal wat schort aan de feedback- en zelfverbeteringsmechanismen van universiteiten bestaan terechte zorgen. Een verlieslatend bedrijf kan zijn CEO ontslaan; een verliezend team kan zijn coach vervangen. Maar de meeste academische vakgebieden hebben geen objectieve maatstaven voor succes en gaan uitsluitend af op peerreviews, met als risico dat zelfbevestigende kliekjes van hoogleraren elkaar prestige verlenen.
Erger nog, veel universiteiten hebben hoogleraren en studenten gestraft die kritiek hadden op hun beleid – een recept voor permanent disfunctioneren. Vorig jaar nog praatte een decaan van Harvard deze repressie goed, totdat onze raad voor academische vrijheid er de vloer mee aanveegde en zijn baas er snel afstand van nam.
Toch zijn er manieren om transparanter te werk te gaan. Universiteiten zouden een groter mandaat kunnen geven aan de externe ‘visitatiecommissies’ die in naam vakgroepen en programma’s controleren, maar in de praktijk worden aangestuurd door belanghebbenden. Universiteitsbestuurders krijgen voortdurend kritiek van ontevreden alumni, donateurs en journalisten, en die zouden ze moeten aanwenden om de gezondheid van hun organisatie door te lichten. De raden van bestuur zouden beter op de hoogte moeten zijn van de gang van zaken op hun universiteit en meer verantwoordelijkheid moeten nemen voor het goed functioneren ervan. Het bestuur van Harvard leidt zo’n teruggetrokken bestaan dat toen twee van zijn leden in 2023 dineerden met leden van de raad voor academische vrijheid, The New York Times dat interessant genoeg vond om er een nieuwsbericht aan te wijden.
als Trump je zegt dat je in een stortbui je paraplu moet opsteken, moet je dat niet weigeren alleen maar om hem te pesten
Het feit dat Harvard nu al bijna twee jaar de gebeten hond is in de ogen van het publiek, heeft – misschien rijkelijk laat – tot tal van hervormingen geleid. De universiteit heeft een beleid van institutionele neutraliteit ingevoerd en spreekt zich niet langer uit over kwesties die niet over haar eigen functioneren gaan. Er zijn grenzen gesteld aan verstorende protesten en er zal een gecentraliseerd toezicht worden ingevoerd, zodat overtreders geen jury’s meer kunnen manipuleren en er niet meer op kunnen rekenen dat een faculteit een vonnis teniet zal verklaren. De faculteit Kunsten en Wetenschappen heeft de ‘diversiteitsverklaringen’ afgeschaft waarmee sollicitanten werden getoetst op hun bereidheid woke verhalen te schrijven en de decaan heeft de programmadirecteuren opgeroepen om verslag uit te brengen over de diversiteit qua standpunten van hun afdelingen. Er wordt een onderzoek ingesteld naar malafide centra, en de directeuren daarvan zijn vervangen. Uit het rapport van de taskforce, dat officieel in ontvangst is genomen door Alan Garber, de bestuursvoorzitter van de universiteit, blijkt dat antisemitisme serieus wordt genomen. Daarnaast worden studenten aangemoedigd meer open te staan voor ideeën die niet stroken met hun eigen overtuigingen.
Ongemakkelijk blijft dat veel van deze hervormingen zijn ingevoerd na de inauguratie van Donald Trump en overeenkomen met zijn eisen. Maar als Trump je zegt dat je in een stortbui je paraplu moet opsteken, moet je dat niet weigeren alleen maar om hem te pesten.
En het nemen van maatregelen om goede redenen is mijns inziens de manier waarop universiteiten zich kunnen verbeteren en het publieke vertrouwen kunnen terugwinnen. Het klinkt misschien banaal, maar te vaak hebben universiteiten zich laten leiden door de wens om hun studenten tevreden te stellen, geen vijanden te maken en uit de krantenkoppen te blijven. We hebben gezien hoe goed dát heeft uitgepakt.
In plaats daarvan zouden universiteitsbestuurders bereid moeten zijn het hoofddoel van een universiteit te onderschrijven, namelijk het ontdekken en overdragen van kennis, evenals de principes die daaraan ten grondslag liggen. Universiteiten hebben het mandaat en de expertise om zich in dienst te stellen van kennis, niet van sociale rechtvaardigheid. Intellectuele vrijheid is geen privilege van hoogleraren, maar de enige manier waarop feilbare mensen kennis kunnen vergaren. Meningsverschillen moeten worden opgelost door middel van analyses en argumenten, in plaats van door anderen onverdraagzaamheid en slachtofferschap te verwijten. Protesten kunnen worden gebruikt om algemene kennis over een klacht te genereren, niet om mensen monddood te maken of de universiteit te laten doen wat de demonstranten willen. De universitaire gemeenschap is eigendom van de gemeenschap zelf; de leden kunnen het legitiem met elkaar oneens zijn en mogen niet één factie de overhand laten krijgen. Donaties zijn geen publiek bezit, maar een schat die de universiteit voor toekomstige generaties in bewaring moet houden.
De toekomst
Waarom is dit belangrijk? En ondanks al haar zwakheden heeft Harvard (samen met andere universiteiten) de wereld een heel stuk beter gemaakt. Liefst 52 medewerkers hebben een Nobelprijs gewonnen en de universiteit bezit meer dan 5800 patenten. Haar onderzoekers hebben het bakpoeder uitgevonden, de eerste orgaantransplantatie, de programmeerbare computer, de defibrillator, de syfilistest en orale rehydratatietherapie (een goedkope behandeling die tientallen miljoenen levens heeft gered). Ze hebben de theorie van nucleaire stabiliteit ontwikkeld waardoor de wereld voor een armageddon is behoed. Ze hebben de golftee en het catchermasker uitgevonden. Harvard heeft ons Sesamstraat gebracht en The Simpsons, Microsoft en Facebook.
Er loopt op Harvard onderzoek naar satellieten voor het opsporen van methaan, naar robotkatheters, naar nieuwegeneratiebatterijen en draagbare robotica voor mensen met een beroerte. Met overheidssubsidies wordt onderzoek gesteund naar metastase, tumorremmende middelen, bestraling en chemotherapie bij kinderen, multiresistente infecties, pandemiepreventie, dementie, anesthesie, toxinereductie bij brandbestrijding en in het leger, de fysiologische effecten van ruimtevaart en wondverzorging op het slagveld. Technologen van Harvard stimuleren innovaties op het gebied van quantum computing, AI, nanomaterialen, biomechanica, opvouwbare bruggen voor militaire doeleinden, hackbestendige computernetwerken en slimme leefomgevingen voor ouderen. Eén laboratorium heeft een mogelijke remedie voor diabetes type 1 ontwikkeld.
Praktische toepassingen zijn niet het enige wat Harvard zo waardevol maakt. Het is een fantasmagorie van ideeën, een Disneyland van de geest. Leren over het onderzoek van mijn collega’s is een eindeloze bron van plezier en als ik onze studiegids bekijk, zou ik willen dat ik weer achttien was. DNA uit menselijke fossielen onthult de oorsprong van de Indo-Europese talen. De sprookjes van Grimm, met al hun misdaden, kindermoord, kannibalisme en incest, tonen onze eeuwige fascinatie met morbiditeit. Eén enkel netwerk in de hersenen ligt ten grondslag aan het herinneren van het verleden en het dagdromen over de toekomst. Geweldloze verzetsbewegingen zijn succesvoller dan gewelddadige. Zwangerschapskwalen zijn het gevolg van een darwinistische strijd tussen moeder en foetus. Het gebed ‘Wie is zoals U?’ uit de Joodse liturgie suggereert dat de oude Israëlieten ambivalent stonden tegenover hun monotheïsme.
Wie nog steeds sceptisch staat tegenover de steun voor universiteiten, zou zich eens de volgende vragen moeten stellen: heb je wel vrede met het aantal kinderen dat jaarlijks sterft aan kanker? Ben je tevreden met je huidige kans om de ziekte van Alzheimer te krijgen? Vind je dat we voldoende doorzien welk overheidsbeleid effectief is en welk zonde van het geld? Ben je tevreden met de manier waarop het klimaat zich ontwikkelt, gezien onze huidige energietechnologie?In zijn vooruitgangsmanifest The Beginning of Infinity schreef natuurkundige David Deutsch: ‘Alles wat niet verboden wordt door natuurwetten is haalbaar, mits de juiste kennis voorhanden is.’ Het verlammen van de instellingen die kennis verwerven en overdragen, is een tragische blunder en een misdaad jegens toekomstige generaties.
Ze wil de verwerking van aanvragen van studentenvisa vertragen
‘De regering-Trump is van plan om alle buitenlandse studenten die in de Verenigde Staten willen studeren te verplichten om hun sociale media te laten controleren – een aanzienlijke uitbreiding van eerdere maatregelen’, meldt Politico.
Een intern bericht van het ministerie van Binnenlandse Zaken van dinsdag, onthuld door de nieuwssite en opgepikt door de Amerikaanse en internationale pers, beveelt consulaire afdelingen om het inplannen van nieuwe gesprekken met aanvragers van studentenvisa (F, M en J) op te schorten totdat nieuwe richtlijnen worden uitgegeven over hoe de sociale netwerken van aanvragers zullen worden gescreend.
‘Als de regering dit plan doorzet, kan het de verwerking van aanvragen voor studentenvisa aanzienlijk vertragen’, merkt Politico op. ‘Het zou ook veel universiteiten kunnen schaden die sterk afhankelijk zijn van buitenlandse studenten om hun schatkist te spekken.’
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
F-visa zijn voor buitenlandse studenten, M-visa zijn voor studenten in technische of niet-academische programma’s, zoals kookscholen en andere beroepsopleidingen, terwijl J-visa bedoeld zijn voor internationale onderzoekers. ‘Meer dan een miljoen internationale studenten gaan elk jaar naar universiteiten in de Verenigde Staten, wat miljarden dollars bijdraagt aan de Amerikaanse economie en de wetenschappelijke en technologische sectoren van het land versterkt’, schrijft The Washington Post.
De in Washington gevestigde NAFSA International Faculty Association schat dat internationale studenten 44 miljard dollar hebben bijgedragen aan de Amerikaanse economie tijdens het schooljaar 2023-2024, onder meer door collegegeld, kost en inwoning, transportkosten en uitgaven voor kleding en voedsel, meldt The Washington Post.
De aangekondigde bevriezing ‘is een verdere escalatie van de huidige controlemaatregelen, die vooral gericht waren tegen studenten die betrokken waren bij pro-Palestijnse demonstraties op de campussen’, merkt The Guardian op.
De universiteit moet een eind maken aan haar diversiteitsprogramma
De regering-Trump heeft 2,2 miljard dollar aan subsidies voor de universiteit van Harvard tijdelijk stopgezet. Het besluit werd maandag bekendgemaakt nadat de prestigieuze instelling – waar geregeld studentenprotesten tegen de oorlog van Israël in Gaza plaatsvinden – weigerde te buigen voor de eisen van het Witte Huis. Begin april eiste de Trump-regering dat Harvard een einde maakte aan programma’s die gericht waren op het bevorderen van diversiteit en veranderingen doorvoerde in programma’s die ‘antisemitische pesterijen aanwakkeren’. Ze riep ook op tot een ‘audit’ van de meningen van studenten en faculteiten.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
In een brief verzekerde de voorzitter van de universiteit, Alan Garber, het publiek maandag dat Harvard ‘geen afstand zal doen van haar onafhankelijkheid of haar grondwettelijk gewaarborgde rechten’. Het geschil tussen de universiteit en de staat ‘zal vrijwel zeker worden beslecht in een federale rechtbank’, aldus The Boston Globe. Volgens het dagblad is de reactie van Harvard ‘de sterkste reactie tot nu toe op het harde optreden van de Trump-regering tegen elite-universiteiten’. De Columbia-universiteit daarentegen is de afgelopen weken begonnen met drastische hervormingen die door de regering worden geëist in een poging om 400 miljoen dollar aan bevroren subsidies terug te krijgen.
Daarmee zet hij het Congres en de Senaat buitenspel
Donald Trump heeft donderdag een uitvoerend bevel ondertekend dat zijn minister van Onderwijs, Linda McMahon, opdracht geeft om ‘alle noodzakelijke stappen’ te nemen om het ministerie van Onderwijs te sluiten. ‘We gaan het onderwijs gewoon teruggeven aan de staten die er de leiding over hebben,’ aldus Trump, geciteerd door NPR. ‘Het is een erg populaire maatregel, maar vooral een maatregel die getuigt van gezond verstand, en ze gaat werken,’ vervolgde hij tijdens een ceremonie in het Witte Huis.
De Amerikaanse president maakte een hele gebeurtenis van de ondertekening van het decreet en omringde zich voor de gelegenheid met ‘schoolkinderen’ die aan bureaus zaten en ‘miniversies van het decreet leken te ondertekenen terwijl de president het officiële document parafeerde’, schrijft The Wall Street Journal. Volgens het conservatieve zakenblad was de beslissing weliswaar te verwachten, maar betekent het besluit ‘een escalatie in de bittere politieke strijd over de toekomst van het ministerie’, dat in 1979 werd opgericht.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De leider van de Democraten in de Senaat, Chuck Schumer, sprak algauw van een ‘tirannieke machtsgreep’ en van ‘een van de meest ontwrichtende en verwoestende maatregelen’ ooit genomen door Trump. Senator Elizabeth Warren uit Massachusetts, zelf een voormalig lerares, riep voorstanders van onderwijs op om ‘terug te vechten’.
Volgens El País weet Trump dat de beslissing om het departement te sluiten ‘niet helemaal in zijn handen ligt’. De sluiting van zo’n federale afdeling ‘vereist de goedkeuring van het Congres, en meer specifiek zestig stemmen [van de honderd] in de Senaat’. De Republikeinen hebben echter maar 53 zetels in de Senaat en ‘geen enkel lid van de Democratische Partij zal deze motie steunen’, aldus het Spaanse dagblad. De ontmanteling van het ministerie lijkt dus een nieuwe actie van Trump te zijn waarmee hij de democratische instellingen wil omzeilen.
In een land met een onderwijssysteem waar meer dan een miljoen jongens en meisjes buiten de boot vallen, vangt een volksschool arme migrantenkinderen op die anders rondhangen op het grote plein in Guatemala-Stad.
Volksschool Ixquic zag het licht dankzij een droom van lerares Rosa Gallardo, de oprichter. Het verhaal heeft ronduit magisch-realistische trekjes: in dat visioen zei haar grootmoeder van moederskant, die ze nooit had gekend, dat ze een school moest beginnen voor de meisjes op het centrale plein van Guatemala-Stad.
Gallardo had twee achtereenvolgende jaren op datzelfde plein de herdenking bijgewoond van de tragedie die plaatsvond in het opvanghuis Virgen de la Asunción, waarbij 41 meisjes door brand om het leven kwamen. Het plein was veranderd in het epicentrum van de demonstraties en herdenkingen rond die gebeurtenis, waaraan zij steevast deelnam met het feministische collectief Plaza Las Niñas.
Het Plaza de la Constitución, ook wel Parque Central genoemd, is een plek vol bedrijvigheid waar dagelijks vele vrouwen met hun koopwaar naartoe komen, vergezeld van hun kinderen, die ze nergens kunnen onderbrengen en die niet bij een onderwijsinstelling staan ingeschreven. De aanwezigheid van hele gezinnen, bijna allemaal berooid, is daar een vertrouwd beeld.
Gallardo wist meteen wat haar te doen stond en stelde de vrouwen van haar collectief voor een school in de openlucht te beginnen, waar deze meisjes les zouden krijgen over mensenrechten en andere onderwerpen; het moest voor hen een plek zijn om te leren, aangezien ze waren uitgesloten van het onderwijssysteem.
‘Als deze ventende vrouwen al moeite hebben om hun dochters te eten te geven, hoe wil je dan dat ze hen naar school laten gaan? Dan moeten ze uniformen, spullen voor school en noem maar op kopen,’ vertelde Gallardo haar vriendinnen zo’n zes jaar terug. Hoewel de meesten aanvankelijk sceptisch waren vanwege de vage oorsprong van het plan, waren er ook die instemden, en het project kreeg z’n beslag.
Uitgebuit
De eerste schooldag was in 2020 en op de oproep kwamen niet alleen jonge meisjes af, zoals de bedoeling was geweest. De behoefte bleek veel groter: er kwamen ook jongens en oudere kinderen opdagen. Zo kreeg Gallardo’s droom gestalte, maar de realiteit was een stuk ernstiger dan ze had verwacht.
‘De kinderen die we aantreffen op het plein hebben te maken met veel geweld. Er is daar sprake van mensenhandel, drugs, lichte misdrijven, prostitutie, bendes,’ vertelt ze. ‘Veel kinderen worden uitgebuit en moeten de hele dag met spullen leuren, dus gaan ze niet naar school.’
Gallardo staat niet alleen voor de uitdaging les te geven maar ook een veilige plek te bieden aan de verwaarloosde kinderen op het plein, en dan gaat het om kinderen die afkomstig zijn uit de periferie van de stad en uit inheemse gemeenschappen zoals de garífuna’s en maya’s, maar ook om migrantenkinderen uit Venezuela, Colombia, Haïti en andere Midden-Amerikaanse landen.
Tientallen kinderen bezoeken Volksschool Ixquic, die om de veertien dagen in bedrijf is, regelmatig. Het huidige gemiddelde is vijfentwintig kinderen per dag, maar soms zijn het er wel vijftig, met name in de maanden dat er groepen migranten vanuit het zuiden door Guatemala trekken.
‘Sommige kinderen zien we maar één keer, andere blijven langer dan een maand en weer andere brengen jaren bij ons door’
‘Sommige kinderen zien we maar één keer, andere blijven langer dan een maand en weer andere brengen jaren bij ons door,’ vertelt Gabriela Hernández, die als lerares aan de school verbonden is.
In het begin kwamen er alleen kinderen uit de wijken rond het plein. Velen van hen woonden daar al hun hele leven, maar anderen waren met hun ouders, die op zoek waren naar werk, vanuit inheemse en plattelandsgemeenschappen naar de hoofdstad getrokken.
Ze kwamen dus overal vandaan en troffen elkaar aan het eind van de dag op hetzelfde plein zonder gelegenheid om naar school te gaan. Ze hielpen hun papa en mama bij het verkopen of doodden simpelweg de tijd met andere jongens en meisjes omdat er verder niets te doen was – geen ongewoon tafereel in Guatemala.
Het aantal kinderen dat niet naar school gaat is groot en neemt toe naarmate het onderwijsniveau stijgt en steeds meer kinderen om ethische of economische redenen geen toegang hebben tot school, vertelt Aimée Rodríguez, socioloog en coördinator onderwijs aan het Flacso, het Latijns-Amerikaans Instituut voor Sociale Vraagstukken in Guatemala.
Buiten de boot
Bij het kleuter-, lagereschool- en middelbareschoolonderwijs vielen in 2023 tenminste 1.117.111 jongens en meisjes buiten de boot, volgens jaarcijfers van het ministerie van Onderwijs van Guatemala.
In het voortgezet onderwijs zijn de aantallen niet-schoolgaande kinderen het grootst, terwijl in het basisonderwijs opvalt dat een aanzienlijk deel van de scholieren eigenlijk te oud is voor de klas waarin ze zitten. In 2023 had het basisonderwijs het hoogste percentage schoolgaande kinderen.
In 2023 stond 10,58 procent van de kinderen onder de zes jaar bij geen enkele school ingeschreven. Bij het basisonderwijs was dat 32,1 procent en bij het middelbaar onderwijs bedroeg het aantal kinderen dat niet naar school ging 66,22 procent.
Het percentage schoolgangers neemt drastisch af in de departementen met een grotere inheemse of plattelandsbevolking, zoals Huehuetenango, een departement dat op alle onderwijsniveaus de hoogste percentages niet-schoolgaande kinderen heeft, gevolgd door Quiché, Totonicapán en Chimaltenango. In Totonicapán ging bijvoorbeeld maar 12,75 procent van de jongeren in de leeftijd voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs daadwerkelijk naar school.
‘Wie arm is kan niet studeren want het onderwijs mag dan gratis zijn, er zitten altijd kosten aan vast’
Het voornaamste obstakel voor de toegang tot onderwijs blijft armoede, benadrukt Rodríguez. ‘Wie arm is kan niet studeren want het onderwijs mag dan gratis zijn, er zitten altijd kosten aan vast,’ legt ze uit. Daarbij gaat het om uitgaven voor de uniformen, schoolspullen, opdrachten waarvoor je naar de kantoorboekhandel moet, en zo meer.
Volgens Rosa Gallardo, de oprichter van Volksschool Ixquic, bedraagt de gemiddelde uitgave voor een kind om naar school te kunnen gaan per dag 100 quetzal (12,43 euro). Dit bedrag is inclusief de kosten voor ten minste één maaltijd en kan hoger uitvallen al naargelang de vervoerskosten.
‘Toen we met het schooltje begonnen, gaven we alleen middageten, maar na vijf jaar ervaring begrepen we dat dat niet genoeg was voor deze kinderen. Daarom geven we nu een ontbijt, een tussendoortje en middageten,’ vertelt ze.
Een ander obstakel is het tekort aan scholen, die zich met name bevinden in de hoofdplaatsen van gemeenten en departementen. In zulke gevallen gaan alleen de kinderen uit gezinnen die over een vervoermiddel beschikken of vervoer kunnen betalen naar school. Het komt ook voor dat de families die zich dat kunnen permitteren naar de stad verhuizen.
Volgens het ministerie van Onderwijs zijn er in Guatemala 8442 basisscholen op een bevolkingsgroep van 1.065.795 kinderen in de basisschoolleeftijd. Dat betekent dat elke school meer dan 126.000 kinderen zou moeten kunnen herbergen.
Wat het voortgezet onderwijs betreft, voor dit schooltype zijn er maar 5041 instellingen op een bevolkingsgroep van 1.050.144 jongeren in de betreffende leeftijd. Dus zou elke school een capaciteit moeten hebben voor meer dan 200.000 leerlingen.
‘Al met al heb je dus een openbare school in je eigen gemeente of in de buurt nodig plus de economische omstandigheden om daar op reguliere basis naartoe te gaan,’ vat Rodríguez samen.
Zonder een onderwijsbeleid dat gericht is op deelname van de inheemse, plattelands- en anderszins gemarginaliseerde sectoren, zal de systematische uitsluiting van deze groepen blijven bestaan. De redenen achter deze problematiek zijn complex, legt Rodríguez uit, maar het komt in de kern neer op een gebrek aan middelen én politieke wil.
Beperkt budget
Het budget voor openbaar onderwijs is beperkt. Hoewel het gaat om de op een na hoogste post in de staatsuitgaven, is het meeste geld bestemd voor de lonen van het personeel, dus blijft er weinig over voor noemenswaardige verbeteringen van het onderwijsstelsel.
‘Zo kun je geen diepgaande veranderingen in het onderwijsbeleid doorvoeren of experimenteren met projecten om te zien wat wel werkt en wat niet,’ stelt Rodríguez.
Al was de kinderschare die de volksschool bezocht vanaf het begin divers, de laatste jaren werd die nog diverser als gevolg van de grote groepen migranten die door het land trokken. Ineens kwamen er kinderen naar de school die anders praatten en er anders uitzagen.
De meeste kinderen die uit het zuiden kwamen, hadden de dichte jungle van Darién doorkruist met bestemming de Verenigde Staten. Het waren vooral Venezolanen en Colombianen, maar er voegden zich ook kinderen uit Midden-Amerika bij hen, zoals Hondurezen en Salvadorianen.
‘We zien de migrantenkinderen één dag en dat is het dan, maar het doet ertoe want we onderwijzen hen op een heel specifiek moment en kunnen hun lot een beetje veraangenamen. Zij laten ons op hun beurt achter met onderwerpen waar we van leren. Het is belangrijk om de rechten van migrantenkinderen te respecteren, ook al zijn ze alleen maar op doorreis,’ zegt lerares Gabriela Hernández.
In 2024 doorkruisten 302.203 personen de regio Darién en in 2023 waren dat er meer dan 520.085, en velen van hen migreren in gezinsverband, inclusief minderjarigen, aldus cijfers van de Servicio Nacional de Migración van Panama.
Een veilige plek
Nogal wat van de migrerende kinderen blijven wat langer op de volksschool, omdat hun ouders op dat moment aan geld moeten zien te komen voor het vervolg van de reis. Zo leren de jongens en meisjes van elkaar over hun verschillende achtergronden en ervaringen, en beschikken ze, al is het maar voor even, over wat Gallardo vanaf het begin voor ogen had: een veilige plek.
Hoewel de meeste migrantenkinderen slechts op doorreis zijn, zijn er ook migrantengezinnen die zich in Guatemala vestigen, benadrukt Gallardo. In dat geval krijgen de kinderen te maken met een nieuwe reeks uitdagingen om formeel in het onderwijssysteem te integreren.
‘De staat heeft de handen vol aan de eigen bevolking, laat staan dat er middelen beschikbaar zijn om te zorgen voor leerlingen van elders,’ aldus Rodríguez.
Deze leerlingen stuiten ook op bureaucratische obstakels als ze niet beschikken over de benodigde papieren of een officiële verblijfsstatus. Bovendien, zegt Rodríguez, betekent de toelating van buitenlandse leerlingen dat er een aangepast leerplan moet komen, met oog voor culturele verschillen, wat evenmin gebeurt.
Ondertussen probeert Volksschool Ixquic de kinderen de gelegenheid te geven om te leren, te spelen en te genieten in een land waar ze buiten het schoolsysteem vallen en niet de kans krijgen om zich te ontwikkelen.
Als de Esten wilden overleven, moesten ze slim zijn. Het kleine, relatief arme land heeft inmiddels de beste scholen van Europa. Leraren zijn hoogopgeleid, sociale en persoonlijke vaardigheden krijgen veel aandacht, evenals academisch leren, robotica, muziek en kunst.
Het onderwerp van vandaag in de sciencefictionles op het staatsgymnasium Pelgulinna is Blade Runner. Op donderdag zijn er ‘vrijwillige’ lesdagen, waarop leerlingen van deze middelbare school in de hoofdstad van Estland, Tallinn, kunnen kiezen uit een reeks vakken. Andere vakken die vandaag aan bod komen zijn onder andere een cursus rechten en democratie, programmeren en creatief schrijven in het Engels. De zeven zeventienjarige leerlingen in de sciencefictionles hebben zojuist 30 minuten van de film bekeken en bereiden zich voor om erover te discussiëren. Als ik naar binnen sluip schakelen ze voor mij over op perfect Engels. ‘We hebben het gehad over jungiaanse archetypes, persona’s en het superego,’ zegt Triin, een van de leerlingen. ‘Het heeft me echt geholpen om de verschillende aspecten van het mens-zijn te begrijpen en hoe je diepere personages kunt creëren.’ Ze hebben ook Brave New World en 2001: A Space Odyssey bestudeerd. In de paar minuten dat ik er ben, hebben de leerlingen het over de Amerikaanse geschiedenis, kinderarbeid, empathie en nog veel meer. ‘Ik heb zo veel vragen,’ zegt Triin.
Ik ook. Hoe is Estland, een klein land dat relatief arm is vergeleken met het grootste deel van de EU, een grootmacht op het gebied van onderwijs geworden? Op de ranglijst van het Programme for International Student Assessment (PISA) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, dat de vaardigheden van vijftienjarigen meet op het gebied van wiskunde, lezen en wetenschap, staat een handvol Aziatische landen bovenaan, maar daarop volgt Estland, als de beste van Europa. De leraren zijn hoogopgeleid, de nadruk ligt op sociale en persoonlijke vaardigheden maar ook op academisch leren en het curriculum bevat een breed scala aan onderwerpen, van robotica tot muziek en kunst. Britse politici nemen hier nota van. In 2022 bracht Bridget Phillipson, de schaduwminister van Onderwijs van Labour, een bezoek om te zien hoe Estland dat doet.
Gelijkheid
Gunda Tire, die internationale evaluaties leidt voor de onderwijs- en jeugdraad van Estland, zegt dat het succes van het land deels te danken is aan de mix van geschiedenis en geografie. ‘We hebben Zweden, Denemarken, Rusland en Duitsland over de vloer gehad. Als de Esten wilden overleven, moesten ze slim zijn en ze begrepen dat onderwijs hen vooruit zou helpen. Hetzelfde gold toen we onder Sovjetbezetting waren.’
Bauhäusle: Zelfgebouwd studentenhuis
Bauhäusle in Stuttgart begon met een weggerotte vensterbank maar is sinds 1981 het voorbeeld van alternatieve studentenhuisvesting geworden.
Bauhäusle is volledig door architectuurstudenten ontworpen en gebouwd. In plaats van alleen het hout te vernieuwen, kregen ze de opdracht een gebouw te maken waarin ze zelf konden wonen. Het sociologische en architectonische experiment was geïnspireerd op het werk van Walter Segal, pionier in zelfbouw en autodidactisme, een in Duitsland geboren Britse architect die geloofde dat iedereen die met gereedschap om kon gaan in staat was om zijn eigen huis te bouwen. Hij ontwierp een zo eenvoudig en werkbaar mogelijk systeem met hout, panelen en bouten, dat door de bewoners in de loop der jaren is aangepast en verbeterd.
Groepen van vier tot vijf studenten maakten elk de plannen voor hun individuele kamers, die vervolgens werden samengevoegd tot een modulaire structuur. De residentie bestaat uit acht totaal verschillende delen, met een paar vaste afmetingen zoals de breedte van de kamers.
Bewoners hebben de vrijheid hun kamer naar eigen wens aan te passen. Dit zorgt voor een constant veranderende ruimte, waarin elke kamer uniek is. Een van de eerste bewoners noemt het project tegen Süddeutsche Zeitung om die reden ‘hallucinerend’.
Een van de blijvende principes, zegt ze, is gelijkheid – dat iedereen een gratis schoollunch krijgt is zowel een ideologisch als een praktisch besluit. En bijna alle kinderen gaan naar de kleuterschool, die zwaar gesubsidieerd wordt, zodat tegen de tijd dat ze naar school gaan op de relatief late leeftijd van zeven jaar hun achterstand niet te groot is. Autonomie is ook fundamenteel. ‘We geven scholen de mogelijkheid om zelf te beslissen.’
Estland heeft zich ook snel aangepast aan het digitale tijdperk. Al in 1997 lanceerde het land een initiatief met de naam Tiigrihüpe (Tijgersprong), om computers en software te verbeteren en scholen toegang tot internet te geven. ‘We trainden veel leraren, verbonden alle scholen met elkaar en gaven ze computers,’ zegt Tire. ‘Het idee is niet om een IT-klas te hebben, maar om digitale vaardigheden overal te integreren.’ Veel kinderen leren coderen en robotica, en alles, van schoolboeken tot communicatie met ouders, is digitaal. In plaats van leerlingen die de orde verstoren hardhandig te straffen, zegt Tire, hebben Estse scholen over het algemeen een meer verzorgende aanpak – het is gebruikelijk om kinderen mee naar buiten te nemen en ze in een kleine groep te onderwijzen De meeste scholen hebben een psycholoog en een counselor.
‘Ze leren koken, breien, dat soort dingen’
Creatieve vakken worden net zo gewaardeerd, legt Tire uit: ‘Ze moeten allemaal kunst en muziek volgen, en “technologie”. Met andere woorden, ze leren koken, breien, dat soort dingen. We merken dat het welzijn en gevoel van voldoening bij de kinderen daardoor toeneemt. We denken niet dat dat irrelevant is. Sommige landen zeggen: “We hebben de muziekles eruit gehaald om meer wiskunde te geven.” Maar als je naar bladmuziek kijkt is dat echt niet minder ingewikkeld.’
Creatieve vakken, zegt Tire, kunnen allerlei vaardigheden bevorderen, zoals teamwerk en het vermogen problemen op te lossen. Ze glimlacht als ze terugdenkt aan tienerjongens die vorig jaar op een groot festival enthousiast meededen aan de volksdansen die ze op school hadden geleerd. ‘Het is een fysieke activiteit, en een plezierige. Bovendien ben je in een groep en moet je communicatieve vaardigheden gebruiken.’
Griekenland, privatisering universiteiten
Griekse studenten hebben tevergeefs verzet gepleegd tegen een wetsvoorstel van de conservatieve regering dat de privatisering van universiteiten aanmoedigt.
Ondanks wekenlange demonstraties werd ingestemd met het voorstel om het universitaire onderwijs in het land open te stellen voor andere dan de huidige staatsuniversiteiten
Volgens oppositieblad AVGI kneep de regering Mitsotakis openbare universiteiten jarenlang uit en liet ze na wetenschappelijk onderzoek te financieren. Veel studenten vrezen dat de privatisering van universiteiten zal leiden tot hogere collegegelden, waardoor hoger onderwijs minder toegankelijk wordt voor studenten uit minder welvarende gezinnen. Bovendien zal hoogstwaarschijnlijk de focus meer op winst dan op academische excellentie komen te liggen.
De Griekse regering hoopt juist de exodus van Griekse jongeren naar het buitenland tegen te gaan. Studenten zijn echter sceptisch over de effectiviteit van deze maatregel en vrezen dat het creëren van particuliere instellingen niet noodzakelijkerwijs zal leiden tot betere werkgelegenheidskansen of een vermindering van de ‘brain drain’.
Momenteel studeren ongeveer 650.000 mensen aan de Griekse staatsuniversiteiten. Ongeveer 40.000 Griekse jongeren studeren over de grens.
De regering wil in september 2025 de eerste niet-openbare universiteit openen.
Om door te stromen naar het hoger secundair onderwijs, het equivalent van het zesde jaar, leggen de leerlingen slechts drie examens af – wiskunde, Ests en een vak naar keuze. Dat is nogal een verschil met de meeste andere landen. Kun jij je voorstellen dat je acht of meer examens moet doen? vraag ik Cordelia Violet Paap, een zeventienjarige studente aan de Pelgulinna State. Ze kijkt geschokt en zegt: ‘Dat is veel. Dan zou ik veel meer stress hebben.’
Creativiteitsethos
Paap vertelt dat de creativiteitsethos van haar school ‘veel leuker is dan de strikte orthodoxe manier, waarbij je alleen maar in een klaslokaal zit en luistert’. Targo Tammela (17), die net uit een les Scandinavische geschiedenis komt, zegt dat er ‘nog steeds discipline is, je moet nog steeds voor elke toets slagen’. Het veelgeprezen digitale onderwijs maakt een groot deel uit van hun leerproces, vertellen ze. Technologie is overal beschikbaar en de meeste leermiddelen en toetsen zijn online. ‘Er zijn een paar nadelen, want je kunt er lui van worden of afgeleid raken door het internet,’ zegt Tammela. ‘Maar de voordelen wegen ertegen op.’
Het is vroeg in de middag en op het Gustav Adolf Gymnasium in het oude gedeelte van Tallinn zit de schooldag er voor veel leerlingen al op. Ik wacht bij de poort op de hoofdonderwijzer en zie jonge kinderen alleen of met vriendjes naar huis lopen. ‘Ze zijn over het algemeen erg zelfstandig,’ zegt Henrik Salum, het schoolhoofd (jonge man, gekleed in spijkerbroek).
Strenge scholen Verenigd Koninkrijk
In Engeland verschijnen steeds meer buitensporig strenge scholen, zoals de Michaela Community School in Londen. Deze scholen worden gekenmerkt door een uiterst gestructureerde en gedisciplineerde aanpak, waarbij strikte controle wordt uitgeoefend op het gedrag van leerlingen.
Met de uitdrukking You can hear a pin drop wordt vaak verwezen naar de extreme stilte en orde die in deze scholen heerst. Strakke regels en routines, gereguleerde bewegingen door de school en een geconcentreerde leeromgeving zouden leiden tot betere academische resultaten.
Deze nieuwe aanpak grijpt terug naar de orde en tucht van de traditionele public schools; exclusieve, dure en meestal particuliere internaten die onafhankelijk onderwijs bieden en leerlingen voorbereiden op de universiteit en maatschappelijke leiderschapsrollen. Ondanks de naam ‘public’, zijn deze scholen privé en worden ze niet door de overheid gefinancierd.
Een van deze scholen, Eton College, bracht de meeste politieke leiders voort, zoals Boris Johnson en David Cameron. Twintig in totaal.
Afgezien van de resultaten staan de public schools ook bekend om repressie en bullying en de sociale en emotionele gevolgen daarvan op de ontwikkeling van leerlingen.
Striktere onderwijsmethoden lijken samen te hangen met een conservatieve politieke ideologie. Over de effectiviteit en wenselijkheid daarvan wordt volop gedebatteerd in het Britse onderwijs.
Achter de historische gevel is de school opnieuw ingericht, licht en ruimtelijk. In een van de ruimtes hangen bokszakken, deze wordt ook voor danslessen gebruikt. In een andere ruimte kun je tafeltennissen. In het enorme centrale atrium, waar de kinderen lunchen, staat een piano en is een podium voor optredens. Leerlingen zitten op de traptreden en maken schoolwerk of kletsen wat. De sfeer is gemoedelijk en ontspannen.
Zijn er gedragsproblemen? ‘Natuurlijk,’ zegt Salum. ‘Elke dag is er wel een incident waarbij je leerlingen duidelijk moet maken dat ze anderen moeten respecteren en hoe ze zich moeten gedragen. We hebben bepaalde leerlingen die we beter in de gaten moeten houden en we hebben veel contact met de ouders. Maar over het algemeen merk ik dat de leerlingen het naar hun zin hebben.’ Het ziet er in ieder geval behoorlijk harmonieus uit. In een van de brede gangen zijn twee kinderen aan het schaken en overal liggen keurige stapels kussens voor als je wil socializen of voor als een van de leraren besluit in een andere omgeving dan zijn lokaal les te geven.
‘Een van de belangrijkste elementen van het Estse onderwijssysteem is dat scholen en leraren veel vrijheid hebben’
In een klas waar Ests wordt gegeven is het stil. Een groep acht- en negenjarigen werkt aan een samenvatting van een boek dat ze net hebben gelezen en dat op het grote scherm te zien is. In een andere klas werken twaalf- en dertienjarigen aan hun Engelse woordenschat. Er zitten maar zestien kinderen in deze klas. De klassen tellen meestal achtentwintig leerlingen, maar vreemde talen worden in kleinere groepen onderwezen, zodat iedereen de kans krijgt om te spreken en mee te doen.
In Maria Tooms klas van tien- en elfjarigen zijn enkele kinderen na de les blijven zitten om met me te praten – allemaal in uitstekend Engels. Wat herinneren ze zich van de kleuterschool? Het was leuk, zeggen ze. ‘We hadden slaappauzes,’ vertelt een meisje, Laura. Hier krijgen ze in plaats daarvan ‘hersenpauzes’ – verschillende keren in een les geeft hun lerares, die bij haar voornaam wordt aangesproken, hun een pauze om wat te bewegen of om een spelletje te spelen.
Controverse Frans openbaar onderwijs
Amélie Oudéa-Castéra, de Franse minister met een van de moeilijkste portefeuilles (Onderwijs), heeft een storm van kritiek moeten weerstaan van zowel de lokale als internationale pers, toen zij besloot haar kinderen van een openbare school in Parijs te halen vanwege lessen die niet vervangen zouden worden.
Haar beslissing past in een bredere trend: de toenemende voorkeur van de Franse elite voor particulier onderwijs, wat de sociale segregatie alleen maar versterkt.
Volgens de Zwitserse krant Le Temps vertrouwt de welgestelde klasse simpelweg niet op het openbare schoolsysteem. Op privéscholen zouden hun kinderen floreren omdat het niveau, vanwege segregatie, hoger zou liggen. Het Britse dagblad The Times berispt Oudéa-Castéra omdat ze behalve moeder ook minister is en het goede voorbeeld dient te geven in plaats van de ongelijkheid te benadrukken.
De minister werd tijdens een bezoek aan de voormalige school van haar kinderen begroet door een koor van boegeroep. Ze bood haar excuses aan aan het personeel van de school.
Frankrijk is lang trots geweest op zijn openbare onderwijssysteem, maar dat levert nu gemiddelde resultaten op, volgens The Times. Terwijl studenten hier ooit uitblonken in wiskunde, presteren ze nu ondermaats in dit vak in vergelijking met bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk.
‘Een van de belangrijkste elementen van het Estse onderwijssysteem is dat scholen en leraren veel vrijheid hebben,’ zegt Salum. Er zijn normen waaraan ze moeten voldoen, maar hoe ze dat doen is aan hen. Toom heeft toegang tot tablets en laptops voor de kinderen, maar ze geeft net zo lief een les buiten, of op het dakterras, met papier en potlood – niet om de natuur te bestuderen (wat ze ook doen), maar omdat het fijn is om buiten te leren rekenen. ‘Ik denk dat het een gevoel van vrijheid geeft en het leert kinderen de flexibiliteit om waar dan ook te leren.’
Terwijl we door de school lopen, zegt elke leerling ‘tere’ (hallo) tegen Salum. Eén meisje komt naar hem toe en gooit haar armen om zijn middel. ‘Sommigen willen een high five,’ zegt hij. ‘Zolang de leerlingen glimlachen en hallo zeggen, is alles goed. Als ze dat niet meer doen, dan weet ik dat er iets mis is.’ Toen Salum er nog op school zat, was de sfeer traditioneler, maar hij merkt dat de leerlingen een minder hiërarchische sfeer op prijs stellen. ‘We zien onze leerlingen als collega’s, dus we werken samen en betrekken hen overal bij.’ Veel van de docenten van de school zijn oud-leerlingen; ook dat staat hem aan.
Gebrek aan leraren
Het grootste probleem voor Salum, en veel andere schoolhoofden, is het gebrek aan leraren. Ondanks de positieve kanten van het systeem zijn er nog steeds problemen met de werkdruk. Waarom zouden afgestudeerden met een masterdiploma genoegen nemen met een relatief laag salaris als ze een veel beter betaalde baan kunnen krijgen, bijvoorbeeld in de florerende digitale industrie van Estland? Eerder dit jaar staakten de leraren van Estland voor het eerst sinds jaren.
Het salaris van leraren ‘is overal ter wereld een probleem’, zegt Kristina Kallas, de Estse minister van Onderwijs, als ik haar in haar kantoor ontmoet. ‘Het onderwijssysteem staat voortdurend onder druk.’ Op dit moment zijn er twee belangrijke problemen, zegt ze. ‘Het ene is de economische recessie en het andere is dat elk begrotingsoverschot naar defensie gaat, omdat we ons in een zeer precaire situatie bevinden.’ Alle ogen zijn gericht op buurland Rusland en de situatie in Oekraïne.
Kallas denkt dat de kracht van het Estse onderwijssysteem ligt in het feit dat ‘het van onderaf is opgebouwd, niet wordt geleid door [de centrale overheid], en dat ook nooit is geweest. Het onderwijssysteem is ouder dan de staat.’ Zijn er politici die er meer controle over zouden willen hebben? ‘Verrassend genoeg niet,’ zegt Kallas. ‘Iedereen laat het [onderwijs] over aan de experts. Docenten en universiteiten debatteren erover, soms in het openbaar, en hebben soms verschillende manieren voor ogen. Maar de politici bemoeien zich er niet mee.’
Er zijn zaken waar Kallas haar blik op gericht houdt. Tijdens de pandemie deden Estse kinderen het niet zo slecht omdat ze al goed voorbereid waren op digitaal leren, maar sindsdien is er een zorgwekkend aantal tienerjongens dat afhaakt. En hoewel er geen elitair privéschoolsysteem is, verhuizen families met hogere salarissen vaak om in de buurt van de beste scholen te wonen, waardoor anderen buiten de boot vallen. ‘Dit is een trend die me zorgen baart omdat hij ingaat tegen de redenen waarom ons onderwijssysteem zo sterk is – gelijkheid is belangrijk,’ zegt Kallas.
‘Deze generatie wil betrokken worden in het gesprek. Simpelweg een tekstboek voorlezen werkt niet meer’
Pelgulinna State Gymnasium is duidelijk een van de betere scholen. Ze is pas afgelopen herfst geopend, als een van de dertien nieuwe middelbare scholen die de staat de afgelopen vijf jaar heeft gebouwd. Een prachtig gebouw, met de nadruk op ruimte, licht en natuurlijke materialen, vooral hout. Eén ruimte bevat rijen grote schermen; hier kunnen leerlingen in kleine groepen werken en presentaties geven, en er zijn comfortabele hoekjes gebouwd, voorzien van stopcontacten, waar leerlingen zich kunnen terugtrekken. Er zijn ook driehonderd fietsenstallingen, roze badkamers, bomen die binnen groeien en een comfortabele bibliotheek. Een kleine verstoring van deze idylle vormde de les die vanochtend werd gegeven in de collegezaal, waar verschillende legerofficieren ‘defensieonderwijs’ geven. Ook de vakken ‘communicatie’ en ‘zorg voor de buren’ zijn vorig jaar geïntroduceerd op Estse middelbare scholen.
De leraren gebruiken een mix van oefeningen, zegt Agne Kosk, hoofd talen, die de sciencefictionles onderwees. ‘Deze generatie wil haar mening geven, ze wil betrokken worden in het gesprek, ze wil alle kanten van de zaak kennen. Simpelweg een tekstboek voorlezen werkt niet meer.’ Ze zegt dat een goede relatie met haar studenten ‘op de eerste plaats komt. Als het niet klikt met de studenten, kan je nog zo je best doen, maar dan werkt het niet’. Op die klik lijkt het Estse onderwijssysteem inderdaad te zijn gericht.
Met de leerlingen uit de sciencefictionklas heeft ze duidelijk een goede band – de studenten hebben hun eigen hashtag gemaakt, die op het whiteboard is geschreven en zich laat vertalen als ‘Agne is cool’. Kosk vraagt ze welke aantekeningen ze hebben gemaakt toen ze het eerste deel van Blade Runner keken, en er ontstaat een discussie over of ze al dan niet zouden zakken voor een empathietest (waardoor ze zouden worden aangemerkt als een van de niet-menselijke replicanten van de film), wat het betekent om mens te zijn en een beetje over filmgeschiedenis (is dit, vraagt een van de leerlingen, een van de eerste films met vliegende auto’s erin?). Het is tijd om verder te kijken. Lichten uit – de leerlingen richten hun aandacht op het scherm.
Goede seksuele voorlichting draagt bij aan gezondere seksuele keuzes. Is het de taak van leerkrachten om jongeren hierover te informeren, of ligt die verantwoordelijkheid toch bij de ouders? Twee opiniemakers gaan met elkaar in debat.
‘Ouders zijn de beste partij om kinderen te onderwijzen’
‘Een stroom van verkrachtingszaken [in Singapore] heeft opnieuw de aandacht gevestigd op de noodzaak van seksuele voorlichting voor kinderen en tieners’, schrijft Sarah Chua, ouderschapsspecialist, inThe Straits Times. ‘Het is van belang om kinderen al vroeg over seks te onderwijzen en deze grote verantwoordelijkheid kan het beste door ouders worden genomen.’ Veel ouders voelen zich ongemakkelijk bij het aansnijden van dergelijke onderwerpen, ‘maar als kinderen niet over seks leren van hun ouders – de mensen die het meest om hen geven – leren ze het mogelijk van mensen die het niet per se het beste met de kinderen voorhebben,’ benadrukt ze.
Uit een door de Health Promotion Board gesponsorde enquête uit 2012 bleek dat 80 procent van de huishoudens in Singapore met kinderen tussen de tien en zeventien jaar het belangrijk vindt om kinderen voor te lichten over seksualiteit. Desondanks praat minder dan de helft van de ouders daadwerkelijk met hun kinderen over seks. ‘Onze eigen recente enquête bevestigt dit – 79 procent van de jongeren en jongvolwassenen vindt dat ouders de hoofdverantwoordelijkheid hebben om kinderen over seks te leren, maar 85 procent van hen wendt zich tot internet, sociale media, leeftijdsgenoten en leraren voor informatie over seksualiteit.’
‘Het is essentieel dat ouders consequent tijd maken om naar hun kinderen te luisteren over alles wat hen bezighoudt’
Ouders kunnen volgens Chua beginnen met de erkenning dat een holistische benadering van seksuele voorlichting alle verschillende aspecten van de mens omvat: lichamelijke en emotionele gezondheid, sociale relaties en intellectuele en ethische waarden. ‘Ze kunnen gesprekken over elk van deze aspecten beginnen op een manier die bij hun leeftijd past.’ Daarnaast benadrukt ze dat een vertrouwensvolle en hechte relatie met de ouders een cruciale basis is voor kinderen om hun zorgen en vragen over seksualiteit met hen te delen. ‘Het is essentieel dat ouders consequent tijd maken om naar hun kinderen te luisteren over alles wat hen bezighoudt.’
Deze leermomenten stellen ouders in staat om hun kinderen te laten zien welke waarden belangrijk zijn voor het gezin, inclusief die op het gebied van seksualiteit. Volgens Chua zal dit juist bevorderlijk zijn voor de band tussen ouder en kind. ‘Kinderen zullen dan opgroeien in de wetenschap dat ze zich tot hun ouders kunnen wenden voor advies of hulp bij alles wat van belang is.’
‘Als ouder weet ik dat leerkrachten het best in aanmerking komen om seksuele voorlichting te geven’
‘Het zit zo met seksuele voorlichting: het is geen les in hoe je seks moet hebben. Het is nooit een les geweest in hoe je seks moet hebben. Achtjarige kinderen wordt tijdens een les seksuele voorlichting niet geleerd hoe ze een orgasme moeten krijgen, zoals achtjarigen in een wiskundeles niet leren hoe ze een kwadratische vergelijking moeten oplossen,’ schrijft Nell Frizzell, journalist en auteur van het boek Holding my Baby, op iNews.com. ‘Bovendien kan elke bezorgdheid over ongepaste inhoud gemakkelijk worden weggenomen door zelfs maar een vluchtige blik te werpen op het wettelijk verplichte leerplan voor relatie-, seks- en gezondheidsonderwijs.’
Frizzell gelooft dat seksuele voorlichting haar zoon zal beschermen tegen het expliciete materiaal waar hij online aan zal worden blootgesteld. ‘Net zoals kennis over een gezond dieet en hoe hij zijn tanden moet poetsen zijn lichaam hopelijk zal beschermen tegen latere schade, zo zal relatie- en seksuele voorlichting zijn lichaam en hersenen beschermen tegen de druk die in de moderne wereld op dit gebied bestaat.’
‘Scholen moeten jongeren naast een academische ook een sociale opvoeding geven’
Als ouder kun je daar ook verantwoordelijkheid in nemen. ‘Natuurlijk zal ik mijn kind omringen met mijn eigen invloed en middelen – ik kan hem kennis laten maken met boeken, verhalen en de juiste personen. Maar het is aan de scholen om alle jongeren naast een academische ook een sociale opvoeding te geven.’
Op school kunnen leerlingen leren omringd door personen die ze thuis of in hun familie misschien nooit zouden ontmoeten. ‘Ze leren hoe ze relaties kunnen opbouwen met de mensen om hen heen, met verschillende geloofsovertuigingen, rassen, talen, inkomens, vaardigheden en, ja, verschillende ouder- en gezinsstructuren.’ Onderwijs in seksuele en relationele vorming legt bij leerkrachten de verantwoordelijkheid om een onderwerp genuanceerd, onderzoekend en pedagogisch te benaderen; ‘maar dat is letterlijk waar ze voor opgeleid en betaald worden’.
Het heeft volgens Frizzell dus juist voordelen om scholen hier een grote rol in te geven. ‘Bovendien zijn leraren soms beter dan ouders in staat om bepaalde lessen en adviezen te geven, onder andere over een gevoelig onderwerp zoals seksuele voorlichting, omdat ze een objectieve en minder emotioneel beladen band met de kinderen hebben dan ouders.’
Het is voor vrouwen in Afghanistan al duizend dagen verboden om onderwijs te volgen na de basisschool, het wordt ze nagenoeg onmogelijk gemaakt om te werken en zonder begeleiding een bezoekje aan het park brengen mag niet. Tot hun grote frustratie blijft het wachten op tussenkomst van de internationale gemeenschap vergeefs.
Voordat de taliban op 15 augustus 2021 weer aan de macht kwamen in Afghanistan, studeerde Amal rechten in Kaboel. Haar droom was om ‘een groot journalist’ te worden. Slechts een maand later, toen fundamentalisten meisjes boven de twaalf jaar het recht op onderwijs ontnamen, begon de vierentwintigjarige universiteitsstudente, die haar echte naam verbergt, samen met andere vrouwen op straat te demonstreren. Ook richtte ze thuis een clandestiene school op.
Zeven maanden geleden, vertelt ze via WhatsApp, braken de taliban bij haar thuis in en dreigden ze haar en haar familie te vermoorden. Daarna gaven ze haar zweepslagen. Amal stuurt foto’s van haar armen vol blauwe plekken. De activiste bracht donderdag, de duizendste dag sinds de taliban tienermeisjes verbood om te studeren, door in totale eenzaamheid, opgesloten in de kleine kamer waar ze woont, ondergedoken. Amal – die littekens op haar been heeft van het geweld – heeft het gevoel dat de Afghaanse meisjes er alleen voor staan; dat de internationale gemeenschap ‘niets voor hen doet’.
Normalisering
Ze verwijst naar concrete daden, niet naar woorden, waarmee de internationale gemeenschap in deze bijna drie jaar kwistig is geweest. Niet alleen heeft ze de taliban niet gedwongen om ook maar een van hun verboden voor vrouwen terug te draaien, maar sommige buurlanden van Afghanistan, evenals Rusland en vooral China – dat officieel de ambassadeur van de fundamentalisten heeft ontvangen – nemen stappen in de richting van erkenning van hun regering. Zelfs de VN hebben onlangs degenen die zij definieert als ‘de facto Afghaanse autoriteiten’ uitgenodigd om deel te nemen aan de derde internationale conferentie over Afghanistan, die op 30 juni en 1 juli in Doha (Qatar) wordt gehouden.
Dit tot groot ongenoegen van kleine groepen Afghaanse vrouwen, die protesteren tegen wat de deskundigen van de VN zelf ‘genderapartheid’ noemen. Deze vrouwen vrezen dat er stappen worden gezet in de richting van de normalisering van de taliban. De eenzaamheid en opsluiting van Afghaanse vrouwen zijn van dien aard dat deze activisten alleen kunnen protesteren door zichzelf met bedekt gezicht en spandoeken in de hand in hun huis te fotograferen. De dappersten onder hen wagen zich soms aan kleine straatdemonstraties, die zonder uitzondering hardhandig worden onderdrukt.
Donderdag werd door kinderorganisatie Unicef van de Verenigde Naties de verjaardag van duizend dagen zonder voortgezet onderwijs voor Afghaanse meisjes aangegrepen om een ander rond getal onder de aandacht te brengen: de 3000 uur onderwijs die 1,5 miljoen jongeren van het land in die tijd hadden moeten krijgen en waarvan het verlies hun toekomstige autonomie bedreigt. Maar dat eerste spervuur, in september 2021, werd gevolgd door vele andere. Niet alleen tegen onderwijs, maar ook tegen het recht van Afghaanse vrouwen om te werken, hun vermogen om zich vrij te bewegen en zelfs om zich te uiten. De meest recente aanval is onlangs bekendgemaakt door de hoogste leider van de taliban, Haibatullah Akhundzada, die aankondigde dat het salaris van alle vrouwen in het land wordt beperkt tot een schamele 5000 afghani’s (ongeveer 65 euro), ongeacht leeftijd, functie, ervaring en opleiding.
In Afghanistan zijn er geen vrouwelijke politieagenten, rechters, parlementsleden, advocaten, ambtenaren of journalisten meer. Op de zeer lange lijst van banen die voor vrouwen verboden zijn, staan ook banen bij ngo’s en VN-agentschappen, met een paar uitzonderingen in de gezondheidszorg en het onderwijs, zoals leerkracht in het basisonderwijs, een opleiding die meisjes nog wel kunnen volgen. Dat geldt niet voor middelbaar en hoger onderwijs. In december 2022 verboden de taliban Afghaanse meisjes om aan de universiteit te studeren. In april 2023 sloten ze de privéacademies waar veel meisjes talen of wiskunde studeerden, naast andere vakken die op een lijst van ‘ongeschikte’ vakken voor vrouwen staan vermeld.
Afghaanse meisjes, en dus ook hun jonge kinderen, mogen niet reizen zonder mannelijke voogd en mogen niet naar kinderspeelplaatsen of natuurparken. Ze mogen ook niet naar sportscholen, openbare toiletten of zelfs picknicks in de openbare ruimte. Fundamentalisten hebben kappers en schoonheidssalons gesloten en hun verboden om radio-uitzendingen te beluisteren. Het in New York gevestigde Committee to Protect Journalists meldde in april dat drie journalisten waren gearresteerd omdat ze telefoontjes van vrouwelijke luisteraars hadden aangenomen.
Zonder opleiding en zonder uitzicht op een baan is het lot van veel van deze tienermeisjes bezegeld
Alleen al tussen juni 2023 en maart 2024 heeft het ‘verstikkende regime’ dat Afghanistan regeert 52 verordeningen aangenomen die de rechten van vrouwen en meisjes in het land ondermijnen, beschrijft een rapport van de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten in Afghanistan, Richard Bennett.
Eind maart kondigde Amir Ajundzadah op de publieke omroep van het land het zoveelste ernstige besluit tegen Afghaanse vrouwen aan: de herinvoering van openbare geseling en steniging van vrouwen voor overspel. Sahar Fetrat, een Afghaanse onderzoeker bij Human Rights Watch, zei destijds tegen The Guardian dat de passiviteit van de internationale gemeenschap de verklaring is voor deze aankondiging. Volgens haar hebben de taliban hun ‘draconische regels’ één voor één uitgeprobeerd en hebben ze, toen ze zagen dat niemand hen ‘ter verantwoording’ riep, de ‘systematische en wijdverspreide vervolging’ van vrouwen en meisjes, zoals het in het rapport van de speciale VN-rapporteur heet, aangescherpt.
‘We blijven hopen dat de internationale gemeenschap uiteindelijk de daad bij het woord zal voegen’, benadrukt het rapport, waarin wordt aanbevolen om het taliban-regime voor het Internationaal Gerechtshof van de VN te dagen wegens misdaden tegen de menselijkheid in de vorm van ‘systematische en wijdverspreide schendingen van de fundamentele rechten’ van Afghaanse vrouwen, die ‘gevangenzitten’ in een ‘systeem van onderdrukking, repressie en geweld’.
Lot
Zahra, eveneens een fictieve naam, is zestien en studeerde Engels aan een centrum dat onlangs weer werd geopend, maar door de taliban drie weken geleden opnieuw gesloten. Het meisje kan zelfs geen naaicursus meer volgen omdat de lerares zo bang is voor de radicalen dat ze ermee is gestopt, vertelt haar tante, die in ballingschap in België woont, per telefoon. ‘Zahra is heel intelligent en wilde dokter worden,’ zegt haar tante. Nu is ze ‘erg depressief’. Net als veel van haar leeftijdsgenoten, aldus het rapport van de VN-rapporteur, dat waarschuwt voor een toename van ‘zelfmoordgedachten’ onder jonge Afghaanse meisjes.
Zonder opleiding en zonder uitzicht op een baan is het lot van veel van deze tienermeisjes bezegeld. Internationale organisaties waarschuwen voor het directe verband tussen vroegtijdig schoolverlaten, gedwongen huwelijken en het krijgen van kinderen op jonge leeftijd – een risicofactor voor moeder- en kindersterfte – en het voortbestaan van armoede. De kinderen van veel van deze meisjes, die door de taliban ‘dom’ worden gehouden, staat hetzelfde ellendige lot te wachten. De jaarlijkse economische kosten van het verbod voor Afghaanse meisjes om te werken worden door het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) geschat op 934 miljoen euro, 5 procent van het bbp van het land. Ondertussen blijven de fundamentalisten proberen om het Pasjtoen-gezegde dat vrouwen alleen hun huis mogen verlaten om naar het graf te gaan, werkelijkheid te laten worden.
Vanuit haar schuilplaats in Kaboel betreurt Amal het feit dat op de schending van vrouwenrechten niet alleen geen interventie van de internationale gemeenschap volgde, maar dat de taliban deze bovendien inzet als chantagemiddel om ‘hun politieke doelen’ te bereiken. Het eerste doel is erkend te worden als de legitieme heersers van Afghanistan. Er zijn, naast China, al andere landen die zich bereid tonen het gesprek aan te gaan.
Ondanks dat Estland een klein en relatief arm land is, is het een grootmacht op het gebied van onderwijs. De leraren zijn hoogopgeleid, de nadruk ligt op sociale en persoonlijke vaardigheden en het curriculum bevat een breed scala aan onderwerpen, van robotica tot muziek.
Het onderwerp van vandaag in de sciencefictionles op het staatsgymnasium Pelgulinna is Blade Runner. Op donderdag zijn er ‘vrijwillige’ lesdagen, waarop leerlingen van deze middelbare school in de hoofdstad van Estland, Tallinn, kunnen kiezen uit een reeks vakken. Andere vakken die vandaag aan bod komen zijn onder andere een cursus rechten en democratie, programmeren en creatief schrijven in het Engels. De zeven zeventienjarige leerlingen in de sciencefictionles hebben zojuist 30 minuten van de film bekeken en bereiden zich voor om erover te discussiëren. Als ik naar binnen sluip schakelen ze voor mij over op perfect Engels. ‘We hebben het gehad over jungiaanse archetypes, persona’s en het superego,’ zegt Triin, een van de leerlingen. ‘Het heeft me echt geholpen om de verschillende aspecten van het mens-zijn te begrijpen en hoe je diepere personages kunt creëren.’ Ze hebben ook Brave New World en 2001: A Space Odyssey bestudeerd. In de paar minuten dat ik er ben, hebben de leerlingen het over de Amerikaanse geschiedenis, kinderarbeid, empathie en nog veel meer. ‘Ik heb zoveel vragen,’ zegt Triin.
Ik ook. Hoe is Estland, een klein land dat relatief arm is vergeleken met het grootste deel van de EU, een grootmacht op het gebied van onderwijs geworden? Op de ranglijst van het Programme for International Student Assessment (Pisa) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, dat de vaardigheden van vijftienjarigen meet op het gebied van wiskunde, lezen en wetenschap, staat een handvol Aziatische landen bovenaan, maar daarop volgt Estland, als de beste van Europa. De leraren zijn hoogopgeleid, de nadruk ligt op sociale en persoonlijke vaardigheden maar ook op academisch leren en het curriculum bevat een breed scala aan onderwerpen, van robotica tot muziek en kunst. Britse politici nemen hier nota van. In 2022 bracht Bridget Phillipson, de schaduwminister van Onderwijs van Labour, een bezoek om te zien hoe Estland dat doet.
Gunda Tire, die internationale evaluaties leidt voor de onderwijs- en jeugdraad van Estland, zegt dat het succes van het land deels te danken is aan de mix van geschiedenis en geografie. ‘We hebben Zweden, Denemarken, Rusland en Duitsland hier gehad. Als de Esten wilden overleven, moesten ze slim zijn en ze begrepen dat onderwijs hen vooruit zou helpen. Hetzelfde gold toen we onder Sovjetbezetting waren.’
Gelijkheid
Een van de blijvende principes, zegt ze, is gelijkheid – dat iedereen een gratis schoollunch krijgt is zowel vanuit ideologisch als vanuit praktisch oogpunt. En bijna alle kinderen gaan naar de kleuterschool, die zwaar gesubsidieerd wordt, zodat tegen de tijd dat ze naar school gaan op de relatief late leeftijd van zeven jaar hun achterstanden niet meer zo groot zijn. Autonomie is ook fundamenteel. ‘We hebben scholen de mogelijkheid gegeven om zelf te beslissen.’
Toen Estland het digitale tijdperk omarmde, deden ook de scholen mee. Al in 1997 lanceerde het land een initiatief met de naam Tiigrihüpe (Tijgersprong), om computers en software te verbeteren en scholen toegang tot internet te geven. ‘We trainden veel leraren, verbonden alle scholen met elkaar en gaven ze computers,’ zegt Tire. ‘Het idee is niet om een IT-klas te hebben, maar om digitale vaardigheden overal te integreren.’ Veel kinderen leren coderen en robotica, en alles, van schoolboeken tot communicatie met ouders, is digitaal. In plaats van leerlingen die de orde verstoren hardhandig te straffen, zegt Tire, hebben Estse scholen over het algemeen een meer verzorgende aanpak – het is gebruikelijk om kinderen mee naar buiten te nemen en ze in een kleine groep te onderwijzen De meeste scholen hebben een psycholoog en een counselor.
Creatieve vakken worden net zo gewaardeerd, legt Tire uit: ‘Ze moeten allemaal kunst en muziek volgen, en “technologie”. Met andere woorden, ze leren koken, breien, dat soort dingen. We merken dat het welzijn en gevoel van voldoening bij de kinderen daardoor toeneemt. We denken niet dat dat irrelevant is. Sommige landen zeggen: “We hebben de muziekles eruit gehaald om meer wiskunde te geven.” Maar als je naar bladmuziek kijkt is dat echt niet minder ingewikkeld.’
Creatieve vakken, zegt Tire, kunnen allerlei vaardigheden bevorderen, zoals teamwerk en het vermogen problemen op te lossen. Ze glimlacht als ze terugdenkt aan tienerjongens die vorig jaar op een groot festival enthousiast meededen aan de volksdansen die ze op school hadden geleerd. ‘Het is een fysieke activiteit, en een plezierige. Bovendien ben je in een groep en moet je communicatieve vaardigheden gebruiken.’
Kun jij je voorstellen dat je acht of meer examens moet doen?
Om door te stromen naar het hoger secundair onderwijs, het equivalent van het zesde jaar, leggen de leerlingen slechts drie examens af – wiskunde, Ests en een vak naar keuze. Dat is nogal een verschil met de meeste andere landen. Kun jij je voorstellen dat je acht of meer examens moet doen? vraag ik Cordelia Violet Paap, een zeventienjarige studente aan de Pelgulinna State. Ze kijkt geschokt en zegt: ‘Dat is veel. Dan zou ik veel meer stress hebben.’
Paap vertelt dat de creativiteitsethos van haar school ‘veel leuker is dan de strikte orthodoxe manier, waarbij je alleen maar in een klaslokaal zit en luistert’. Targo Tammela (17), die net uit een les Scandinavische geschiedenis komt, zegt dat er ‘nog steeds discipline is, je moet nog steeds voor elke toets slagen’. Het veelgeprezen digitale onderwijs maakt een groot deel uit van hun leerproces, vertellen ze. Technologie is overal beschikbaar en de meeste leermiddelen en toetsen zijn online. ‘Er zijn een paar nadelen, want je kunt er lui van worden of afgeleid raken door het internet,’ zegt Tammela. ‘Maar de voordelen wegen ertegen op.’
Harmonieus
Het is vroeg in de middag en op het Gustav Adolf Gymnasium in het oude gedeelte van Tallinn zit de schooldag er voor veel leerlingen al op. Ik wacht bij de poort op de hoofdonderwijzer en zie jonge kinderen alleen of met vriendjes naar huis lopen. ‘Ze zijn over het algemeen erg zelfstandig,’ zegt Henrik Salum, het schoolhoofd (jonge man, gekleed in spijkerbroek).
Achter de historische gevel is de school opnieuw ingericht, licht en ruimtelijk. In een van de ruimtes hangen boskzakken, deze wordt ook voor danslessen gebruikt. In een andere ruimte kun je tafeltennissen. In het enorme centrale atrium, waar de kinderen lunchen, staat een piano en is een podium voor optredens. Leerlingen zitten op de traptreden en maken schoolwerk of kletsen wat. De sfeer is gemoedelijk en ontspannen.
Zijn er gedragsproblemen? ‘Natuurlijk,’ zegt Salum. ‘Elke dag is er wel een incident waarbij je leerlingen moet duidelijk maken dat ze anderen moeten respecteren en hoe ze zich moeten gedragen. We hebben bepaalde leerlingen die we beter in de gaten moeten houden en we hebben veel contact met de ouders. Maar over het algemeen merk ik dat de leerlingen het naar hun zin hebben.’ Het ziet er in ieder geval behoorlijk harmonieus uit. In een van de brede gangen zijn twee kinderen aan het schaken en overal liggen keurige stapels kussens voor als je wil socializen of voor als een van de leraren besluit in een andere omgeving dan zijn lokaal les te geven.
In een klas waar Ests wordt gegeven is het stil. Een groep acht- en negenjarigen werkt aan een samenvatting van een boek dat ze net hebben gelezen en dat op het grote scherm te zien is. In een andere klas werken twaalf- en dertienjarigen aan hun Engelse woordenschat. Er zitten maar zestien kinderen in deze klas. De klassen tellen meestal achtentwintig leerlingen, maar vreemde talen worden in kleinere groepen onderwezen, zodat iedereen de kans krijgt om te spreken en mee te doen.
In Maria Tooms klas van tien- en elfjarigen zijn enkele kinderen blijven zitten om met me te praten – allemaal in uitstekend Engels. Wat herinneren ze zich van de kleuterschool? Het was leuk, zeggen ze. ‘We hadden slaappauzes,’ vertelt een meisje, Laura. Hier krijgen ze in plaats daarvan hersenpauzes – verschillende keren in een les geeft hun lerares, die bij haar voornaam wordt aangesproken, hun een pauze om wat te bewegen of om een spelletje te spelen.
‘Een van de belangrijkste elementen van het Estse onderwijssysteem is dat scholen en leraren veel vrijheid hebben,’ zegt Salum. Er zijn normen waaraan ze moeten voldoen, maar hoe ze dat doen is aan hen. Toom heeft toegang tot tablets en laptops voor de kinderen, maar ze geeft net zo lief een les buiten, of op het dakterras, met papier en potlood – niet om de natuur te bestuderen (wat ze ook doen), maar omdat het fijn is om buiten te leren rekenen. ‘Ik denk dat het een gevoel van vrijheid geeft en het leert kinderen de flexibiliteit bij om waar dan ook te leren.’
Eerder dit jaar staakten de leraren van Estland voor het eerst sinds jaren
Terwijl we door de school lopen, zegt elke leerling ‘tere’ (hallo) tegen Salum. Eén meisje komt naar hem toe en gooit haar armen om zijn middel. ‘Sommigen willen een high five,’ zegt hij. ‘Zolang de leerlingen glimlachen en hallo zeggen, is alles goed. Als ze dat niet meer doen, dan weet ik dat er iets mis is.’ Toen Salum er nog op school zat, was de sfeer traditioneler, maar hij merkt dat de leerlingen een minder hiërarchische sfeer op prijs stellen. ‘We zien onze leerlingen als collega’s, dus we werken samen en betrekken hen overal bij.’ Veel van de docenten van de school zijn oud-leerlingen; ook dat staat hem aan.
Het grootste probleem voor Salum, en veel andere schoolhoofden, is het gebrek aan leraren. Ondanks de positieve kanten van het systeem zijn er nog steeds problemen met de werkdruk. Waarom zouden afgestudeerden met een masterdiploma genoegen nemen met een relatief laag salaris als ze een veel beter betaalde baan kunnen krijgen, bijvoorbeeld in de florerende digitale industrie van Estland? Eerder dit jaar staakten de leraren van Estland voor het eerst sinds jaren.
Het salaris van leraren ‘is overal ter wereld een probleem’, zegt Kristina Kallas, de Estse minister van Onderwijs, als ik haar in haar kantoor ontmoet. ‘Het onderwijssysteem staat altijd onder druk.’ Op dit moment zijn er twee belangrijke problemen, zegt ze. ‘Het ene is de economische recessie en het andere is dat elk begrotingsoverschot naar defensie gaat, omdat we ons in een zeer precaire situatie bevinden.’ Alle ogen zijn gericht op buurland Rusland en de situatie in Oekraïne.
Kallas denkt dat de kracht van het Estse onderwijssysteem ligt in het feit dat ‘het van onderaf is opgebouwd, niet wordt geleid door [de centrale overheid], en dat ook nooit is geweest. Het onderwijssysteem is ouder dan de staat.’ Zijn er politici die er meer controle over zouden willen hebben? ‘Verrassend genoeg niet,’ zegt Kallas. ‘Iedereen laat het [onderwijs] over aan de experts. Docenten en universiteiten debatteren erover, soms in het openbaar, en hebben soms verschillende manieren voor ogen. Maar de politici bemoeien zich er niet mee.’
Er zijn zaken waar Kallas haar blik op gericht houdt. Tijdens de pandemie deden Estse kinderen het niet zo slecht omdat ze al goed voorbereid waren op digitaal leren, maar sindsdien is er een zorgwekkend aantal tienerjongens dat afhaakt. En hoewel er geen elitair privéschoolsysteem is, verhuizen families met hogere salarissen vaak om in de buurt van de beste scholen te wonen, waardoor anderen buiten de boot vallen. ‘Dit is een trend die me zorgen baart omdat hij ingaat tegen de redenen waarom ons onderwijssysteem zo sterk is – gelijkheid is belangrijk,’ zegt Kallas.
Klik
Pelgulinna State Gymnasium is duidelijk een van de betere scholen. Hij is pas afgelopen herfst geopend, als een van de dertien nieuwe middelbare scholen die de staat de afgelopen vijf jaar heeft gebouwd. Een prachtig gebouw, met de nadruk op ruimte, licht en natuurlijke materialen, vooral hout. Eén ruimte bevat rijen grote schermen; hier kunnen leerlingen in kleine groepen werken en presentaties geven, en er zijn comfortabele hoekjes gebouwd, voorzien van stopcontacten, waar leerlingen zich kunnen terugtrekken. Er zijn ook driehonderd fietsenstallingen, roze badkamers, bomen die binnen groeien en een comfortabele bibliotheek. Een kleine verstoring van deze idylle vormde de les die vanochtend werd gegeven in de collegezaal, waar verschillende legerofficieren ‘defensieonderwijs’ geven. Ook ‘communicatie’ en ‘zorg voor de buren’ zijn vorig jaar geïntroduceerd op Estse middelbare scholen.
De leraren gebruiken een mix van oefeningen, zegt Agne Kosk, hoofd talen, die de sciencefictionles onderwees. ‘Deze generatie wil haar mening geven, ze wil betrokken worden in het gesprek, ze wil alle kanten van de zaak kennen. Simpelweg een tekstboek voorlezen werkt niet meer.’ Ze zegt dat een goede relatie met haar studenten ‘op de eerste plaats komt. Als het niet klikt met de studenten, kan je nog zo je best doen, maar dan werkt het niet’. Op die klik lijkt het Estse onderwijssysteem inderdaad te zijn gericht.
Met de leerlingen uit de sciencefictionklas heeft ze duidelijk een goede band – de studenten hebben hun eigen hashtag gemaakt, die op het whiteboard is geschreven en zich laat vertalen als ‘Agne is cool’. Kosk vraagt ze welke aantekeningen ze hebben gemaakt toen ze het eerste deel van Blade Runner keken, en er ontstaat een discussie over of ze al dan niet zouden zakken voor een empathietest (waardoor ze zouden worden aangemerkt als een van de niet-menselijke replicanten van de film), wat het betekent om mens te zijn en een beetje over filmgeschiedenis (is dit, vraagt een van de leerlingen, een van de eerste films met vliegende auto’s erin?). Het is tijd om verder te kijken. Lichten uit – de leerlingen richten hun aandacht op het scherm.
Publieke universiteiten dreigen te sluiten vanwege tekorten
Honderdduizenden Argentijnen zijn dinsdag de straat op gegaan om te demonstreren tegen de bezuinigingen op het openbaar hoger onderwijs onder president Javier Milei. Dat schrijft La Nación. Studenten en professoren van de 57 staatsuniversiteiten liepen mee in de mars ‘ter verdediging van het vrije openbaar universitair onderwijs’.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Vakbonden, oppositiepartijen en andere progressieve actiegroepen deden mee aan de demonstratie, en alleen al in de hoofdstad Buenos Aires liepen volgens de organisatie 500.000 mensen mee. Een lerarenvakbond meldde zelfs een miljoen demonstranten in het hele land. De publieke universiteiten in Argentinië hebben de financiële noodtoestand uitgeroepen vanwege tekorten door de inflatie en gebrek aan steun van de regering.
Maandag zei presidentieel woordvoerder Manuel Adorni dat het openbaar onderwijs in Argentinië al decennia lang achteruitgaat. Ongeveer 2,2 miljoen mensen studeren aan een publieke universiteit. Sommige universiteiten zeggen binnen enkele maanden te moeten sluiten als er niet snel geld bijkomt.
Studentenverenigingen zouden zich te pro-Palestijns hebben geuit
Op veel Amerikaanse universiteiten heeft de oorlog tussen Israël en Hamas geleid tot verdeeldheid, schrijft NBC. De afgelopen dagen lieten meerdere studentenbewegingen verklaringen uitgaan waarin Israël werd aangesproken op het geweld in Gaza. Verklaringen die slecht vielen bij de pro-Israëlische lobby in de VS, die tot diep in de Amerikaanse politiek actief is.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Onder meer op Harvard, Stanford en Georgetown moesten rectoren publiekelijk reageren op de storm van kritiek die extra werd aangezwengeld in conservatieve media. Het grootste debat vindt plaats op Harvard, waar ruim dertig studentenbewegingen een brief ondertekenden waarin ze ‘het Israëlische regime volledig verantwoordelijk houden voor al het geweld dat zich afspeelt’.
Een van de conservatieve politici die zich uitsprak tegen de verklaring was senator Ted Cruz, oud-student aan Harvard. Op meerdere universiteiten zijn voor de komende dagen pro-Palestijnse demonstraties gepland: media in het land worden geweerd om te zorgen dat problemen niet verder groeien.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.