Onderwerpen: Ongelijkheid

  • Een Hollywoodmythe ontrafeld: Tijdens crises neigt men naar altruïsme

    Een Hollywoodmythe ontrafeld: Tijdens crises neigt men naar altruïsme

    Er heerst een sentiment dat de vernislaag van beschaafdheid snel verdwijnt in tijden van crisis, maar niets blijkt minder waar. Rampen halen juist het goede in de mens naar boven.

    Een vliegtuig boort zich in een van de hoogste torens ter wereld. Een ongekende noodsituatie, medewerkers van talloze verdiepingen moeten een voor een via de trap het gebouw verlaten. Hoe zou een dergelijke scène worden uitgebeeld in een Hollywood-film? Krijsende, duwende, egoïstische mensen die anderen vertrappen om zichzelf in veiligheid te brengen. Hoe ging het op 11 september 2001 in New York? In het hele gebouw werd de kalmte behouden die nodig was om vrijwel iedereen er levend uit te krijgen. De mensen die werden geëvacueerd hielpen anderen, droegen gewonde collega’s of leidden onbekenden door donkere trappenhuizen. Bij de ene na de andere ramp blijkt dit de norm: extreem egoïsme komt niet voor, de getroffenen tonen zich eerder menslievend, om niet te zeggen heldhaftig, ten aanzien van onbekenden. In crisissituaties, zoals de massale stroomuitval op het Iberische schiereiland van vorige week, gaan mensen niet met een honkbalknuppel hun buren te lijf. Ze zullen hun eerder een pakje batterijen geven, zelfs als ze tot dan toe nooit een woord met elkaar hebben gewisseld. Waarom blijven we dan toch geloven dat onze natuurlijke reactie hieraan tegenovergesteld is?

    ‘Rampenfilms en de media blijven de gemiddelde mens afschilderen als hysterisch of meedogenloos in het geval van een ramp. We hechten meer geloof aan de stemmen die ons afschilderen als slachtoffers of bruten dan aan onze eigen ervaringen,’ vat schrijver Rebecca Solnit het samen in haar essay ‘A Paradise Built in Hell’, waarin ze alle positieve reacties op een rij zet die we hebben gezien bij mensen die werden geconfronteerd met een ramp. Ons recente geheugen wordt bevolkt door apocalyptische angstbeelden en werkelijke rampen: de overstromingen in Valencia, de wereldwijde computerstoring, de coronalockdown… In al die gevallen waren we getuige van daden van solidariteit, zoals die op 28 oktober. Een Spaans centrum voor sociologisch onderzoek (het CIS) heeft dit vertaald in een statistiek: 88,2 procent van de Spanjaarden heeft mensen gezien die zich goed of heel goed gedroegen; slechts 5,3 procent meldde dat mensen zich gemiddeld, slecht of heel slecht gedroegen.

    ‘We hechten meer geloof aan de stemmen die ons afschilderen als slachtoffers of bruten dan aan onze eigen ervaringen’

    ‘De realiteit laat zien dat mensen zodra een crisis ontstaat de neiging hebben om elkaar te helpen; er ontstaat solidariteit. Dat helpt ons om weer controle te krijgen en om te bevatten wat er is gebeurd, en ook om de emoties van die ervaring te verwerken,’ legt psycholoog Lidia Rupérez uit, gespecialiseerd in noodsituaties. En dat is niet alleen omdat de Spanjaarden zo vriendelijk zijn; het zit in de aard van de mens.

    ‘Het probleem met de paniekmythe is dat die uitgaat van een overreactie op een noodsituatie. Uit de wetenschappelijke literatuur blijkt dat bij noodsituaties mensen eerder juist om het leven komen door onderreactie,’ aldus Stephen Reicher, hoogleraar sociale psychologie aan de University of St. Andrews in Schotland en gespecialiseerd in collectief gedrag. Hij houdt zich al tientallen jaren bezig met dit fenomeen en is nog altijd gefascineerd door de hardnekkigheid van het misverstand, dat door specialisten ‘de rampmythe’ wordt genoemd; een mythe die de solidariteit versluiert die we juist als waardevolle kwaliteit moeten omarmen. 

    Na de aanslagen in Oklahoma City in 1995, in Madrid in 2004 en in Londen in 2005, toen de eerste schok en de angst de overhand hadden en er nog werd gewacht op de hulpdiensten, vervaardigden omstanders geïmproviseerde brancards en legden ze tourniquets aan bij onbekenden. De zogeheten zero responders bij deze en vergelijkbare tragedies zijn vaak andere slachtoffers of volstrekt altruïstische onbekenden: dit is een wereldwijd fenomeen met lokale wortels. ‘Talloze eerdere onderzoeken en rampen die zich hebben voorgedaan in Spanje, zoals de bomaanslagen in Madrid of de vulkaanuitbarsting op La Palma, hebben ons geleerd dat samenwerking de menselijke norm is. In Spanje is de sociale cohesie heel sterk,’ aldus socioloog Celia Díaz van de Complutense University in Madrid.

    ‘Gedeelde identiteit ontstaat uit een gevoel van een gedeeld lot, het gevoel dat we allemaal hetzelfde meemaken’

    ‘Gedeelde identiteit ontstaat uit een gevoel van een gedeeld lot, het gevoel dat we allemaal hetzelfde meemaken. De grootste uitdaging is om dat gevoel over een langere periode vast te houden,’ zegt Reicher. Een gevoel van verbondenheid werkt wederzijdse hulp in de hand, spontane coördinatie en vertrouwen in de ander. Dit principe wordt beschreven in de sociale psychologie en is evolutionair gezien al heel vroeg ontstaan: we zorgen voor anderen die dat nodig hebben omdat we niet zonder elkaar kunnen overleven.

    Paleontologen hebben niet ver van Xàtiva, in Valencia, de overblijfselen gevonden van Tina, een Neanderthalermeisje met het syndroom van Down. Honderdduizenden jaren geleden hebben deze vroegste verwanten van de homo sapiens, onder de zwaarst denkbare omstandigheden, voor dat meisje gezorgd tot aan haar zesde levensjaar, zonder daar iets voor terug te verwachten. Het paleontologische dossier staat vol met zulke gevallen: tandeloze mensen die moesten worden gevoerd, armen of benen misten, artritis hadden, zware botbreuken die weer heelden of doof waren. Dat deze mensen overleefden kan alleen worden verklaard doordat er dagelijks voor hen werd gezorgd, doordat was besloten ze niet te laten vallen. De mensheid heeft geleerd lantaarns te maken, maar leerde lang daarvoor al zorgen voor wie in het duister achterbleef.

    En na de schok?

    De stroomstoring in Spanje duurde slechts enkele uren. Wat zou er zijn gebeurd als deze langer had aangehouden? Na de aanvankelijke heldhaftige fase dringt het besef van de verliezen door, maar de samenwerking blijft bestaan. Al enkele decennia lang circuleert de overtuiging dat de gehele mensheid binnen 48 uur – of vier maaltijden – kan instorten; een uitspraak die wordt toegeschreven aan de Britse geheime diensten, maar die geen enkele empirische basis heeft en eerder een logistieke simplificatie is. ‘Ik begrijp best dat veiligheidsdiensten het slechtste in de mens zien, maar ze zouden er goed aan doen de geschiedenis wat nauwlettender te bestuderen,’ merkt Reicher op.

    Na de zware aardbeving en de tsunami van 2011 kampte Japan wekenlang met ernstige tekorten, doordat de infrastructuur was verwoest en een nucleaire ramp dreigde. Maar in de rijen voor het eten overheerste solidariteit en er werd nauwelijks geplunderd. In 1998 zorgde een sneeuwstorm voor enorme verwoestingen in Canada, miljoenen mensen zaten dagen of weken zonder elektriciteit. De autoriteiten registreerden een duidelijke daling in de criminaliteit, buren namen hele gezinnen die geen warmtebron hadden in huis en de al bestaande solidariteitsnetwerken – zoals coöperaties en parochies – werden hechter. Doeltreffend overheidsoptreden, van militaire inzet tot steunuitkeringen, versterkte het vertrouwen.

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog zagen we dat in Engeland de onvrede over het bonnensysteem toenam, maar dat was omdat de rijken op de zwarte markt bonnen konden kopen en zich nog altijd luxe artikelen konden veroorloven. ‘Mensen komen in opstand als ze onrecht ervaren: sommigen hebben wel te eten en anderen niet; sommige mensen hamsteren en drijven de prijzen op… Als we sociale onrust willen voorkomen moet de overheid voorkomen dat elites profiteren en toezien op een eerlijke verdeling,’ zegt Reicher.

    ‘Een kenmerkend patroon is een hoge mate van onmiddellijke solidariteit en onderlinge hulp, die vervolgens wordt ondermijnd door overheidsingrijpen,’ voegt hij eraan toe. Wanneer onrust ontstaat, is het probleem dus niet de ‘menselijke natuur’, maar het politieke ingrijpen, dat de inzet van burgers ondermijnt in plaats van deze te benutten – vooral wanneer het officiële optreden te laat komt of onbevredigend is. ‘Overheden zijn vaak paternalistisch. Ze zien het publiek als kinderen of dieren die verzorgd moeten worden. Dat zagen we tijdens covid, toen ze het publiek beschouwden als onderdeel van het probleem dat moest worden aangepakt.’

    ‘Overheden zijn vaak paternalistisch. Ze zien het publiek als kinderen of dieren die verzorgd moeten worden’

    Een gebrek aan informatie kan de situatie verergeren: zestig procent van Spanjaarden had tijdens de black-out behoefte aan meer informatie, aldus het CIS. ‘In Spanje is het onderlinge vertrouwen tussen mensen erg groot – iets wat ook al tot uiting kwam bij de vaccinatiebereidheid tijdens de pandemie. Maar het vertrouwen in de overheid is veel lager,’ merkt Díaz op. Daarom, aldus de socioloog, ‘was niemand er echt ondersteboven van’ dat de regering zo lang wachtte met communiceren; ‘ze hadden niet veel anders verwacht’.

    Dit betekent niet dat mensen geen hevige stress ervaren, maar de sociale ineenstorting die zo vaak in films wordt gepresenteerd, is eerder de uitzondering dan de regel. Er zijn bovendien omstandigheden die veel meer invloed hebben dan simpelweg hoe lang de oplossing op zich laat wachten. New York is wat dat betreft een goed voorbeeld. Tijdens de grote stroomuitval van 2003 meldde de politie minder incidenten dan op een normale dag. Tijdens de black-out van 1977 daarentegen, toen de stad werd geteisterd door criminaliteit, armoede en raciale spanningen, sloegen de plunderingen snel toe.

    ‘De aanhoudende mythe van “ieder voor zich” heeft ook te maken met het feit dat ons collectieve voorstellingsvermogen de laatste decennia vooral dystopisch is geworden,’ legt Díaz uit. ‘Oorlogen, de bestorming van het Capitool – al die beelden staan scherper op ons netvlies gebrand dan de vrolijke.’ En dan is er natuurlijk nog de rol van de media bij het verspreiden van deze perceptie van chaos. Dat brengt ons bij het favoriete voorbeeld van dit betoog: het massaal inslaan van wc-papier. Een volkomen redelijke vorm van massahysterie, volgens Reicher: ‘Als je hoort dat anderen zich irrationeel gedragen door een bepaald product te gaan hamsteren, dan is het rationeel om je daarbij aan te sluiten voordat de schappen leeg zijn.’ Een lange rij heeft een grotere nieuwswaarde dan twee buren die op de trap kaarsen uitwisselen. Maar ondertussen zijn het wel onze buren die ons zullen redden van de apocalyps.

  • Niet iedereen in het Globale Zuiden is rouwig om de teloorgang van USAID

    Niet iedereen in het Globale Zuiden is rouwig om de teloorgang van USAID

    Volgens de Keniaanse opinieschrijver Patrick Gathara heeft ontwikkelingshulp altijd in dienst gestaan van een wereldwijd koloniaal systeem. De implosie van deze bedrijfstak, waar de ontmanteling van USAID een voorbeeld van is, biedt de kans om een ​​nieuwe wereldorde te scheppen met meer onafhankelijkheid en gelijkheid.

    De bliksemcampagne van Donald Trump tegen het US Agency for International Development (USAID) heeft deze organisatie, die als ‘grootste donor ter wereld’ te boek staat, te gronde gericht. Aan de betrokkenen de ondankbare taak het internationale systeem voor ontwikkelings- en humanitaire hulp van de totale ondergang te redden. Velen betreuren de ernstige gevolgen van dit ongeëvenaarde besluit van de Amerikaanse president, die hierin overigens niet helemaal alleen staat, want ook andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, willen bezuinigen op ontwikkelingshulp.

    Ontwikkelingswerker Luca Crudeli, naar eigen zeggen sinds 2003 gepassioneerd bezig met zijn vak, schreef op LinkedIn dat hij gebukt gaat onder het gevoel ‘dat de morele kern van ons werk geruisloos uit onze handen glipt’ en onder het verontrustende besef ‘dat de humanistische essentie van ontwikkelingshulp zoek kan raken in een wirwar van contracten en strategische statistieken’.

    Maar die omschrijving van ontwikkelingshulp als iets essentieel humanistisch zal veel mensen in het Globale Zuiden nogal wrang in de oren klinken. Ongetwijfeld zijn veel ontwikkelingswerkers fatsoenlijke mensen met moreel besef die zich oprecht bekommeren om het welzijn van hun medemensen wereldwijd. Ook staat vast dat de hulpindustrie ervoor zorgt dat miljoenen mensen kunnen overleven.

    Desalniettemin is de essentie van ontwikkelingshulp altijd al veel minder humanistisch geweest dan de pleitbezorgers ervan beweren. In werkelijkheid is de hulpindustrie een instrument voor geopolitiek beheer geweest, een middel om wereldwijde ongelijkheid en de onttrekking van middelen die deze voedt in stand te houden in plaats van tegen te gaan. De afgelopen dagen, na de teloorgang van USAID, heeft deze realiteit steeds meer aandacht gekregen ​​– bewust of onbewust.

    Amerikaanse belangen

    Een verklaring van InterAction, een alliantie die ‘de stemmen van Amerika’s leidende humanitaire en ontwikkelingsorganisaties bundelt en versterkt’, maakte dat heel duidelijk. Deze organisaties, zo stond er vóór een haastige herschrijving, ‘werken onvermoeibaar om levens te redden en de Amerikaanse belangen wereldwijd te bevorderen’. Met de toevoeging dat de aanval op USAID ‘programma’s ter ondersteuning van Amerikaans mondiaal leiderschap’ heeft opgeschort en ‘gevaarlijke vacuüms heeft gecreëerd die China en onze tegenstanders snel zullen opvullen’. Klinkt dit ‘humanistisch’?

    Marina Kobzeva, die bijna twintig jaar als hulpverlener heeft gewerkt, schreef in een reactie hoe verschillend er op de verklaring is gereageerd. Collega’s uit het Globale Noorden repten van een ‘slechte formulering’ en ‘een oprechte vergissing’, terwijl die uit het Globale Zuiden een soort genoegdoening leken te voelen: ‘Eindelijk laten ze hun ware aard zien.’

    Goed beschouwd was de hulpindustrie een rechtstreeks vervolg op de ‘beschavingsmissie’ van het kolonialisme

    Het westerse humanitarisme is vanaf het begin nauw verbonden geweest met westers kolonialisme. Zo werd de Berlijnse Conferentie van 1884-1885, die de opmaat vormde voor de verovering van Afrika door Europa, als een humanitaire aangelegenheid gepresenteerd. En hoewel de eerste humanitaire organisaties werden opgericht om de gruwelijke gevolgen van conflicten in Europa aan te pakken toen wederopbouwprojecten na de Tweede Wereldoorlog op een lager pitje kwamen te staan, begonnen veel organisaties zich te roeren in het Globale Zuiden, waar ze het westerse hegemonisme actief ondersteunden.

    Goed beschouwd was de hulpindustrie een rechtstreeks vervolg op de ‘beschavingsmissie’ van het kolonialisme. Het weldoenersimago verdoezelt de uitbuitende natuur van het internationale systeem, en probeert de ergste excessen te verzachten zonder daadwerkelijk aan dat systeem te tornen. Feitelijk is er sprake van een symbiotische relatie. De hulpindustrie legitimeert wereldwijd op exploitatie gerichte handels- en bestuursstelsels, en wat die opleveren legitimeert weer het bestaan ​​van hulporganisaties.

    Structurele transformatie

    Hierdoor is de geracialiseerde wereldorde nauwelijks veranderd en blijft er diepe ongelijkheid bestaan, ondanks de groei van hulp- en ontwikkelingsorganisaties. Een onderzoek uit 1997 van het Amerikaanse Congressional Budget Office concludeerde dat buitenlandse hulp hooguit een marginale rol speelde in economische ontwikkeling en het menselijk welzijn, en die ontwikkeling zelfs kon belemmeren, afhankelijk van plaats en omstandigheden.

    Het is daarom niet verrassend dat nu de hulpsector bezig is om te vallen, sommige zogenaamde begunstigden daar niet zo rouwig om zijn. Heba Aly, voormalig directeur van het persbureau The New Humanitarian, merkte op dat tijdens een recente bijeenkomst ‘sommige activisten uit het Globale Zuiden zich minder zorgen maakten over bezuinigingen op hulp dan de donoren. Het zou hun eigen leiders misschien dwingen verantwoordelijkheid te nemen en niet langer afhankelijk te zijn van ondersteuning.’ Hieruit blijkt hoe hulpverlening fundamentele hervormingen van zowel mondiale als nationale systemen van koloniale exploitatie vervangt door liefdadigheid.

    ‘Als dit het begin is van het einde van hulp, moeten we ons richten op een structurele transformatie’

    De uitholling van westerse hulp zal ongetwijfeld tragisch en pijnlijk zijn. Sommige van ’s werelds meest kwetsbaren zullen lijden, velen zullen sterven. Dit aspect verdient een belangrijke plaats in discussies over de rechtvaardigheid of kwalijkheid van hulp in het algemeen. We moeten de wereld tegemoet treden zoals die is, niet zoals we willen dat die is, en al het mogelijke in het werk stellen om ongunstige effecten te verzachten.

    Maar dit is ook een kans om een wereld zonder ontwikkelingshulp op te bouwen. ‘Als dit het begin is van het einde van hulp,’ schrijft Aly, ‘moeten we ons richten op een structurele transformatie’: de hervorming van mondiale handels- en financiële systemen die ervoor hebben gezorgd dat de armsten hebben betaald voor de levensstijl van de rijken.

    Dat betekent niet dat we een Hobbesiaanse wereld krijgen zonder solidariteit. Wel een wereld waarin liefdadigheid geen dekmantel is voor onrechtvaardigheid. Het einde van hulp betekent idealiter ook het einde van ’ontwikkeling’, een verderfelijke ideologie die ervan uitgaat dat de ‘ontwikkelde wereld’, waarvan de welvaart stoelt op de ruïnering van andere samenlevingen en van de aarde, een voorbeeld is dat navolging verdient. We moeten werken aan een wereldorde die werkelijk humanistisch is.

  • Vrouwen in Turkije vechten terug tegen autocratie

    Vrouwen in Turkije vechten terug tegen autocratie

    Vrouwenrechten staan in Turkije onder grote druk. Maar feministen slaan terug en boeken echte overwinningen. ‘De mannelijke staat weet dat hoeveel hij ook ingrijpt, vrouwen nooit zullen opgeven.’

    Eind december zat ik in een strafhof in Istanbul en zag ik een tafereel dat in heel Turkije helaas maar al te herkenbaar is geworden. Een man werd beschuldigd van het binnendringen in het huis van zijn ex-vriendin, in strijd met een preventief bevel, op vier verschillende data in mei 2023. Hij had haar met de dood bedreigd en haar bezittingen vernield. Het slachtoffer was te bang om de rechtszaak bij te wonen.

    Na een korte hoorzitting zag ik hoe de verdachte de rechtszaal uitliep, met in zijn hand één blad papier met de uitspraak van de rechter: Hij was vrijgelaten zonder voorlopige hechtenis.

    ‘Zulke zaken eindigen in moord,’ vertelde Evrim Kepenek, een Turkse journalist die zaken van huiselijk geweld volgt. ‘De man komt naar de rechtbank nadat hij het beschermingsbevel heeft geschonden en hoort dat er niets zal gebeuren, dus gaat hij door totdat hij haar vermoordt.’

    Ik woonde van 2014 tot 2016 in Istanbul, een relatief hoogtepunt voor Turkse organisatoren die huiselijk geweld en andere problemen waar vrouwen wereldwijd mee te maken hebben onder de aandacht wilden brengen. Toen ik afgelopen winter voor twee weken terugkwam, viel het me op hoezeer de situatie is verslechterd voor vrouwen die te maken hebben met huiselijk geweld. Het land vaardigt jaarlijks tienduizenden preventieve bevelen uit, maar de handhaving is zwak. Het Women’s Rights Center van Istanbul onderzocht honderden gevallen van preventieve bevelen die in 2022 werden uitgevaardigd en ontdekte dat vrouwen weinig rechtsmiddelen hebben wanneer bevelen worden geschonden.

    Democratische terugval

    De Turkse vrouwenrechten zijn over het algemeen precair. Als premier van Turkije van 2003 tot 2014 bevorderde Recep Tayyip Erdoğan conservatieve moslimtradities, zoals het recht om een hoofddoek te dragen in openbare instellingen. Sinds hij in 2014 tot president werd gekozen, heeft hij zich ronduit denigrerend uitgelaten over seculiere vrouwen en is hij nog harder gaan optreden tegen nieuwe bedreigingen van zijn politieke macht. De aanvallen van Erdoğan op vrouwen zijn een voorbeeld van een welbekend patroon van autocratische leiders die vrouwen kleineren om hun eigen positie te verbeteren.

    Autoritair gezinde leiders ‘hebben een strategische reden om seksistisch te zijn’, schreven Erica Chenowith en Zoe Marks, hoogleraren politieke wetenschappen aan Harvard, in 2022 in Foreign Affairs. ‘Inzicht in de relatie tussen seksisme en democratische terugval is van vitaal belang voor degenen die tegen beide willen vechten.’

    Turkije laat zien dat wanneer democratieën wankelen, de omstandigheden voor vrouwen verslechteren. Toch vechten Turkse vrouwen terug, veranderen van tactiek als reactie op nieuwe uitdagingen en boeken echte overwinningen.

    De vrouwenbeweging in Turkije is waarschijnlijk de meest succesvolle en langdurige maatschappelijke inspanning in de republiek. Lang voordat het Verdrag van Lausanne in 1923 de staat Turkije erkende, vochten vrouwen uit het Ottomaanse tijdperk om een einde te maken aan het recht van mannen op polygamie en eenzijdige echtscheiding. Naast de seculiere agenda van de vroege republiek drongen vrouwen aan op vervanging van de sharia door westerse burgerlijke en strafwetten, wat van Turkije het enige land in de regio maakte dat dit deed. Onder invloed van het feminisme in de Verenigde Staten, in de jaren 1980, brachten ze hun strijd naar de huiselijke sfeer. Door onophoudelijk campagne te voeren, bereikten ze tegen het begin van de jaren 2000 een gelijkwaardige besluitvorming in het huwelijk, de strafbaarstelling van verkrachting binnen het huwelijk, een einde aan strafvermindering voor ‘eremoorden’ en een aantal beschermingsmaatregelen tegen huiselijk geweld.

    ‘Dat jaar liep ik mee met een van de grootste optochten voor transrechten in de regio. De route was zo vol dat ik me zorgen maakte over een stormloop’

    Toen ik in 2014 voor het eerst naar Turkije reisde, hadden vrouwen een aanzienlijke organisatiekracht ontwikkeld. Ze profiteerden van de belangstelling van de westerse media voor de regio na de Arabische Lente en de lopende gesprekken van Erdoğan met de Europese Unie om massale protesten te organiseren. Dat jaar liep ik mee met een van de grootste optochten voor transrechten in de regio, een van de vele grote protesten die vrouwen hielpen leiden. De route was zo vol dat ik me zorgen maakte over een stormloop. Hoewel Erdoğan voortdurend mensen beledigde die niet voldeden aan de traditionele genderconventies, waren activisten de oorlog van de wereldwijde publieke perceptie aan het winnen.

    Conservatieve moslimvrouwen steunden Erdoğan echter. Vijfenvijftig procent van de vrouwelijke stemmers, tegenover achtenveertig procent van de mannen, stemde op Erdoğan in de presidentsverkiezingen van 2014. Door het opheffen van het hoofddoekverbod had hij de vrijheid van meningsuiting van sommige conservatieve vrouwen verruimd, en de huishoudens hadden geprofiteerd van een versterkte economie.

    In de jaren daarna zouden de omstandigheden voor vrouwen over het hele politieke spectrum aanzienlijk verslechteren. Op 20 maart 2021 verbijsterde Turkije de Raad van Europa door zich terug te trekken uit het Verdrag van de Raad van Europa inzake de voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld – ook bekend als het Verdrag van Istanboel, naar de stad waar het werd opengesteld voor ondertekening – dat Turkije als eerste land had geratificeerd. Erdoğan beweerde dat de conventie familiewaarden ondermijnde en was ‘gekaapt door een groep mensen die homoseksualiteit proberen te normaliseren’, hoewel het document geen belangrijke uitspraken doet over homorechten.

    Ondermijning

    Kort daarna deed de regering van Erdoğan nog een poging om de vrouwenbeweging te ondermijnen door het We Will Stop Femicide-platform, een vrijwilligersgroep van advocaten en pleitbezorgers die slachtoffers van huiselijk geweld vertegenwoordigen, aan te klagen wegens ‘handelen tegen de goede zeden’. De aanklager adviseerde om de groep te ontmantelen. In een ongebruikelijke overwinning voor een mensenrechtenorganisatie ging de rechter in september 2023, na achttien maanden en vier hoorzittingen, in tegen de politieke agenda van Erdoğan en liet de zaak vallen wegens gebrek aan bewijs.

    Erdoğans aanvallen op vrouwen namen toe naarmate zijn politieke steun verzwakte na kritiek op zijn reactie op de aardbeving van februari 2023 en te midden van een razende inflatie. Twee hard-line islamistische partijen stonden klaar om hem te versterken: de Nieuwe Welvaartspartij (YRP) en Hüda Par. De leider van de YRP heeft de Turkse wet op huiselijk geweld vergeleken met fascisme en Hüda Par pleit voor apart onderwijs voor mannen en vrouwen en het strafbaar stellen van seks buiten het huwelijk. In de verkiezingen van mei 2023 voerden beide partijen campagne voor het intrekken van wet 6284, die bepalingen bevat om vrouwen te beschermen maar huiselijk geweld niet strafbaar stelt. Hierdoor verloor Erdoğan aanzienlijke steun van conservatieve vrouwelijke kiezers.

    Vorige maand kondigde Erdoğan zijn plannen aan om wet 6284 te wijzigen en af te zwakken en op 3 juli diende zijn partij een omnibuswet in bij het Turkse parlement die een belangrijke bepaling voor bescherming schrapt. Momenteel kan een huiselijk geweldpleger die een preventief bevel overtreedt een tijdelijke gevangenisstraf krijgen. Als de voorgestelde hervormingen worden aangenomen, kan de misbruiker deze preventieve opsluiting vermijden. Even zorgwekkend voor de vrouwenbeweging is dat de wetshervorming getrouwde vrouwen zou verplichten de naam van hun echtgenoot aan te nemen, wat de nadruk legt op het gezin als basis voor de samenleving. Het parlement buigt zich momenteel over het wetsvoorstel.

    Op 8 maart namen Turkse vrouwen deel aan hun jaarlijkse mars ‘Feminist Night’, ondanks een verbod van de regering op protesten in de drukke wijk in het centrum waar ze zich hadden verzameld. De politie sloeg de vrouwen tot de beschermende schilden die ze droegen kapot waren en arresteerde demonstranten.

    ‘Dit is eigenlijk een uiting van hoe bang ze zijn voor vrouwen’

    ‘Dit is eigenlijk een uiting van hoe bang ze zijn voor vrouwen,’ zei Özgür Sevinç Şimşek, een filmregisseur die in 2021 werd vrijgelaten nadat hij vijf en een half jaar in de gevangenis had gezeten op beschuldiging van terrorisme. ‘De mannelijke staat weet dat hoeveel hij ook ingrijpt, vrouwen nooit zullen opgeven.’ Vanuit dit perspectief gezien is Erdoğan een rationele politieke actor die bedreigingen wil neutraliseren en zijn macht wil consolideren.

    Ondanks alle tegenslagen zijn er tekenen van hoop. Bij de verkiezingen in mei 2023 wonnen Turkse vrouwen 11 van de 81 burgemeesterszetels, waaronder in vijf stedelijke centra en enkele conservatieve gebieden, waardoor hun vertegenwoordiging in de Turkse regering meer dan verdubbelde.

    ‘De verkiezingen vonden plaats tussen twee scherpe lijnen,’ zei de 31-jarige Gulistan Sonuk, die een burgemeestersrace in de oostelijke provincie Batman won met een grote marge tegen Hüda Par. ‘De ene was de mentaliteit die vrouwen als tweederangs zag, en de andere verdedigde de vrijheid van vrouwen. Het publiek koos voor het laatste.’

    De Turkse vrouwenbeweging blijft terugvechten tegen Erdoğan, zelfs nu hij uithaalt naar de burgermaatschappij. De juridische en electorale overwinningen van de beweging tegenover onliberaal leiderschap en brute censuur zijn een baken van hoop voor verdedigers van vrouwen en democratie overal, hoewel hun strijd nog lang niet voorbij is.

    Vandaag de dag worden vrouwenrechten en de liberale democratie aangevallen in landen over de hele wereld, waaronder de Verenigde Staten. De landen die de grootste bedreiging vormen voor de VS – Rusland, China en Iran – zijn autocratische patriarchaten waar vrouwen vaak de laatste verdedigingslinie vormen door te vechten voor hun rechten. Terwijl de democratische wereld met de handen in het haar zit tegenover de schijnbaar onstuitbare krachten van het illiberalisme, organiseren vrouwen zich nog steeds.

  • Hoe het Zuid-Afrika dertig jaar na de apartheid vergaat

    Hoe het Zuid-Afrika dertig jaar na de apartheid vergaat

    Een liberale grondwet waarborgt de vrijheid van alle Zuid-Afrikanen. Maar armoede is wijdverbreid en ongelijkheid nog steeds erg raciaal. ‘We moeten als zwarte mensen altijd een inhaalslag maken.’

    Nelson Mandela stemde voor het eerst in zijn leven op 27 april 1994 in Inanda, een arme wijk op de heuvels boven de stad Durban. De keuze van de locatie toonde aan dat de aanstaande president van Zuid-Afrika na zevenentwintig jaar als ’s werelds beroemdste politiek gevangene nog niets van zijn gevoel voor symboliek verloren had. Na het uitbrengen van zijn stem liep Mandela naar het nabijgelegen graf van John Dube, de eerste voorzitter van zijn partij, het African National Congress (ANC). ‘Ik ben gekomen om te melden, mijnheer de voorzitter,’ zei hij met zijn resonerende timbre, ‘dat Zuid-Afrika nu vrij is.’ 

    Dertig jaar later is Zuid-Afrika onmiskenbaar een vrij land. De verwoestende apartheid is verdwenen. Een liberale grondwet zorgt ervoor dat Zuid-Afrikanen kunnen zeggen wat ze willen, kunnen gaan en staan waar ze willen en kunnen trouwen met wie ze liefhebben. Een basale verzorgingsstaat heeft miljoenen mensen uit de armoede gehaald. Zuid-Afrikanen gaan meer om met mensen van andere rassen. Volgens de South African Reconciliation Barometer Survey (SARBS), een tweejaarlijkse enquête, zegt meer dan driekwart van de bevolking dat er meer is dat hen bindt dan wat hen verdeelt. De verkiezingen op 29 mei zullen vrij en eerlijk verlopen.

    Die vooruitgang was niet vanzelfsprekend. Sommigen vreesden dat Zuid-Afrika zou afglijden naar een burgeroorlog of autocratie. Buurland Zimbabwe werd zo’n zevenentwintig jaar na het einde van de witte overheersing een hyperinflatoire dictatuur.

    Maar de sfeer onder de Zuid-Afrikanen die zich voorbereiden op het uitbrengen van hun stem is gelaten. Slechts 29 procent zegt dat hun leven de komende vijf jaar beter zal worden. Twee decennia geleden waren meer dan twee keer zoveel Zuid-Afrikanen tevreden over de democratie als ontevreden – vandaag zijn de verhoudingen andersom. Maar liefst 79 procent van de respondenten zegt dat politiek leiders niet te vertrouwen zijn, tegenover 21 procent tien jaar geleden. Sinds ongeveer 2010 zeggen steeds minder Zuid-Afrikanen dat ze vinden dat de relaties tussen rassen nu beter zijn dan in 1994.

    Frustraties

    De eerste vijftien jaar nadat Mandela het land vrij verklaarde, zag je wijdverspreide verbeteringen in het leven van de mensen, maar de laatste vijftien jaar waren grimmig. De werkloosheid is gestegen van 20 procent in 2008 tot 32 procent nu. Het bbp per persoon is lager dan in 2008, na aanpassing voor inflatie. Het aantal moorden is het hoogst in twintig jaar. Vorig jaar was er een record aan stroomstoringen. Onderzoekers van de South African Social Attitudes Survey (SASAS) merkten op dat de peiling van vorig jaar het hoogste niveau van ambivalentie ooit liet zien over de vraag of democratie te verkiezen is boven autocratie. Zo’n 72 procent zegt dat ze zouden stoppen met stemmen als een ongekozen regering ervoor zou kunnen zorgen dat er werk, veiligheid en huisvesting is, merkt Afrobarometer, een pan-Afrikaanse enquêteur, op.

    Al deze frustraties verklaren waarom het ANC voor het eerst sinds 1994 moeite zal hebben om zijn parlementaire meerderheid te behouden. Velen in Zuid-Afrika kijken vooral naar welke partijen deel zullen uitmaken van een coalitie (vrijwel zeker onder leiding van het ANC) om de volgende regering te vormen. Maar de dertigste verjaardag roept een diepere vraag op: hoe lang kan Mandela’s visie op Zuid-Afrika overleven als er zoveel mensen zijn die niet van de voordelen van democratie hebben kunnen genieten?

    Om die vraag te beantwoorden, maakte The Economist een Mandela-themareis langs plaatsen die belangrijk waren in zijn leven. De eerste halte was Qunu, waar Mandela zijn kindertijd doorbracht. In dit arme dorp, dat zich uitstrekt over groene heuvels en valleien, wordt heel duidelijk hoe verschillende generaties denken over democratie.

    Oudere bewoners ontmoeten elkaar in een krakkemikkig huis om hun visie op het leven sinds de apartheid te delen. Florence Matikinca herinnert zich dat ze zich verstopte voor de politie als ze op pad was zonder de pas die zwarte mensen verplicht waren te tonen. ‘Er zijn nu geen grenzen meer binnen Zuid-Afrika,’ zegt Ncwali Xozwa. Qunu maakte deel uit van de Transkei, een van de tien etnische ‘thuislanden’ die bedoeld waren om het aantal zwarten in het door witten bestuurde Zuid-Afrika te beperken. ‘We kunnen nu zonder bang te zijn onze stem verheffen en protesteren,’ voegt ze eraan toe.

     ‘Mensen denken dat we een speciale behandeling krijgen omdat dit Mandela’s stad is, maar dat is niet zo’

    Ouderen prijzen de uitbreiding van uitkeringen die bekendstaan als beurzen. (Gepensioneerden die hiervoor in aanmerking komen, krijgen ongeveer 2200 rand of 118 dollar per maand.) De uitgaven aan subsidies zijn gestegen van ongeveer 2 procent van het bbp in 1994 tot bijna 4 procent nu. Volgens die maatstaf is het sociale vangnet van Zuid-Afrika een van de meest genereuze ter wereld. Tegenwoordig ontvangt 47 procent van de bevolking een toelage, tegenover ongeveer 6 procent in 1994.

    Maar de generatie die na 1994 ‘vrij geboren’ werd, komt er minder goed vanaf. Volgens de laatste volkstelling daalde het aandeel huishoudens zonder toegang tot leidingwater van 20 procent in 1996 tot 9 procent in 2022. Het aantal huishoudens dat in een formele woning woont en elektriciteit heeft, steeg respectievelijk van 65 naar 89 procent en van 58 naar 95 procent. Maar de vooruitgang was niet lineair: de meeste winst werd geboekt in de jaren 1990 en 2000. In veel lokale gemeenten gaat de infrastructuur inmiddels weer achteruit als gevolg van corruptie, misdaad en wanbeheer. Inwoners van Qunu hebben al vier jaar geen stromend water.

    De werkloosheid nam toe naarmate de born-frees ouder werden. Sinds 2008 is het aantal werkenden met 2,3 miljoen gestegen, terwijl het aantal Zuid-Afrikanen in de werkende leeftijd met 9,5 miljoen toenam. Het werkloosheidscijfer voor de leeftijdsgroep tussen de vijftien en drieënveertig jaar is 44 procent.

    David Everett van de Universiteit van Witwatersrand publiceerde onlangs een bijgewerkte versie van een ‘marginalisatie-index voor jongeren’ die hij voor het eerst produceerde in 1992. De index combineert objectieve gegevens over maatregelen zoals werkloosheid met subjectieve enquêtes over welzijn. Tragisch genoeg ontdekte hij dat steeds ‘minder jongeren het zo goed doen als hun tegenhangers van dertig jaar geleden’.

    Subsidies zijn zowel een teken van mislukking als van succes. De Wereldbank berekent dat voor elke ontvanger geldt dat ook minstens één andere Zuid-Afrikaan afhankelijk is van de ontvangen subsidie. Nontsikelelo Jozana ondersteunt in Qunu maar liefst vier kleinkinderen met haar beurs. Sommige gepensioneerden verbergen hun geld om te voorkomen dat het wordt gestolen om er drugs van te kopen.

    Ook onderwijs is een probleem. Volgens een internationaal onderzoek kan meer dan 75 procent van de tienjarigen niet ‘begrijpend’ lezen. Op bijna de helft van alle basisscholen kan geen enkele leerling dat.

    Het was op de basisschool van Qunu dat een leraar een leerling, Rolihlahla Mandela, de naam ‘Nelson’ gaf. Toch is de ‘Mandela-bibliotheek’ van de school gesloten; het gebouw is ingestort. De gemiddelde klasgrootte ligt boven de zestig kinderen. De leraren wijzen op het Mandela-museum, dat Cyril Ramaphosa, de president van Zuid-Afrika, vorig jaar dankzij staatsfinanciering kon openen in de buurt. Ondertussen heeft hun school geen stromend water en lijden de kinderen honger sinds de gemeente is gestopt met het betalen van maaltijden. ‘Mensen denken dat we een speciale behandeling krijgen omdat dit Mandela’s stad is, maar dat is niet zo,’ zegt een inwoner.

    Afgaande op de dalende opkomst van jongeren onder de dertig jaar bij recente verkiezingen, zal misschien slechts een op de vier born-frees in mei gaan stemmen. ‘Je stemt alleen als je ergens in gelooft,’ zegt Mbongeni MKwanazi. ‘Deze democratie werkt niet,’ voegt Funeka Shuping eraan toe. ‘Het voelt alsof het systeem is ontworpen om zwarte mensen te onderdrukken.’ Hoe zit het met de rechten in de grondwet? ‘Rechten? Ik heb volgens de grondwet recht op onderdak,’ zegt hij, ‘maar ik woon nog altijd bij mijn oma in huis.’

    ‘We wilden dat je met witte kinderen naar school zou gaan, niet dat je vrienden met ze werd’

    De volgende halte is Johannesburg, de commerciële hoofdstad van Zuid-Afrika, waar Mandela naartoe vluchtte nadat zijn voogd hem probeerde te dwingen tot een gearrangeerd huwelijk. In Soweto, de township waar Mandela woonde, is duidelijk te zien dat de zwarte middenklasse zich sinds 1994 heeft uitgebreid. Vorig jaar werd Soweto’s eerste ‘lifestyle estate’ geopend, iets wat wordt geassocieerd met rijke witten. Er zijn privéklinieken te vinden en privéscholen die de lokale markt bedienen.

    Een rigoureus onderzoek naar klasse, gepubliceerd in 2019 door Rocco Zizzamia van de Universiteit van Oxford en collega’s, gebruikte nationale inkomensgegevens om Zuid-Afrikanen in vijf categorieën in te delen op basis van chronisch arm, sporadisch arm (nu eens in, dan weer uit de armoede), kwetsbaar (net boven de armoedegrens), middenklasse of elite. Zwarten, die 81 procent van de bevolking vertegenwoordigen, maken een onevenredig groot deel uit van de eerste drie categorieën. Niettemin vormen zwarten tegenwoordig ongeveer twee derde van de middenklasse en meer dan een vijfde van de elite. Witten, zo’n 7 procent van de bevolking, vormen meer dan een vijfde van de middenklasse en ongeveer twee derde van de elite.

    De groei van een zwarte bourgeoisie heeft geleid tot een gedeeltelijke integratie over de barrières van de apartheid heen. Het aandeel zwarte mensen dat zegt om te gaan met andere rassen is volgens SARBS vervijfvoudigd van 2003 (6 procent) tot 2023 (30 procent). Het aantal mensen dat zegt regelmatig om te gaan met mensen van een ander ras steeg van 15 procent naar 37 procent. Andere peilingen suggereren dat de meeste Zuid-Afrikanen geen racisme ervaren in het dagelijks leven.

    Sandre Esemang, een financieel adviseur die met haar Mini tussen de kuilen in het wegdek van Soweto door slingert, zegt dat het in de jaren negentig moeilijk was om een zwarte vrouw te zijn in een door witten gedomineerd bedrijf. Maar voor haar dochter, die net is afgestudeerd, ‘is het veel gemakkelijker’. Ziyanda Ntombela vertelt dat haar ouders in de jaren negentig bezuinigden om haar naar een overwegend witte school te sturen, maar dat ze haar vrienden niet graag op bezoek hadden. (‘Ze zeiden: “Wie is Felicity nou weer? We wilden dat je met witte kinderen naar school zou gaan, niet dat je vrienden met ze werd.”’) Voor haar eigen dochters zijn gemengde logeerpartijtjes de norm.

    Maar de meeste zwarten blijven arm. En de afname van de verhouding tussen het gemiddelde inkomen van witten en dat van zwarten sinds de jaren negentig is grotendeels te danken aan de toename van zwartverdieners, volgens een artikel dat mede is geschreven door Amory Ghetin van de Paris School of Economics. Onder zwarten worden ‘armoede en ongelijkheid’ genoemd als de belangrijkste obstakels voor verzoening. ‘De rijken onder ons worden rijker terwijl de armen arm blijven,’ zegt Vusi Mlambo, die loodgieter is. ‘We zijn politiek vrij, maar economisch niet,’ zegt Khensani Nkonde, die een liefdadigheidsinstelling runt.

    Joleen Kotze, hoofdonderzoeker bij SASAS, stelt dat de houding van Zuid-Afrikanen ten opzichte van democratie en rassenverhoudingen sterk samenhangt met hun mening over hun eigen welzijn en de prestaties van de overheid. Dat helpt de paradox te verklaren van meer integratie onder degenen met een beetje geld, terwijl de meningen over de vraag of de rassenverhoudingen sinds 1994 verbeterd zijn, over het algemeen steeds negatiever worden.

    Inhaalslag

    Het helpt ook niet dat zwarte Zuid-Afrikanen uit de middenklasse vaak denken dat witten moeite hebben om zich in te leven in hun problemen. ‘Er is een verschil tussen rijkdom van de eerste generatie en rijkdom van de twintigste generatie,’ zegt Andrew Mgaga, een zelfstandige uit Soweto. Mevrouw Esemang wijst op de rol van de ‘zwarte belasting’, de gewoonte om het loon te delen met familieleden. ‘We moeten als zwarte mensen altijd een inhaalslag maken.’

    Met name witten noemen racisme – niet armoede en ongelijkheid – als de grootste belemmering voor verzoening. En dan bedoelen ze niet racisme vanuit hen. Mevrouw Kotze zegt dat de mening heerst dat het beleid rondom positieve discriminatie (‘Employment Equity’) en de herverdeling van rijkdom (‘Black Economic Empowerment’) oneerlijk is omdat het niet-witte groepen bevoordeelt. Ze stelt dat ‘de grootste ironie is dat witte Zuid-Afrikanen en zwarte Zuid-Afrikanen hetzelfde gesprek voeren vanuit verschillende perspectieven – en dat is een gesprek over economische uitsluiting’.

    Als er meer banen zouden zijn, zou er minder spanning zijn tussen klassen en rassen. In een land met weinig groei en weinig vertrouwen is verzoening moeilijk. Zo wordt ook de mogelijkheid gecreëerd voor populisten om armoede en identiteit als wapens te gebruiken. 

    Terug naar Inanda, in KwaZulu-Natal (KZN), een provincie die wordt gedomineerd door Zoeloes, de grootste etnische groep van het land. Jacob Zuma, de voormalige president van Zuid-Afrika en zelf een Zoeloe, richtte in september vorig jaar uMkhonto we Sizwe (MK) op. Volgens recente peilingen zou deze nieuwe partij weleens de meeste stemmen in KZN kunnen winnen en nationaal op de vierde plaats kunnen eindigen.

    MK mengt antiwitpopulisme met Zoeloe-tribalisme. Net als de Economic Freedom Fighters (EFF), de op twee na grootste partij van Zuid-Afrika, geeft de partij witten en hun vermeende zwarte collaborateurs, zoals de heer Ramaphosa, de schuld van de kwalen van Zuid-Afrika. MK zegt dat Zuid-Afrika ‘cultureel, artistiek, spiritueel en economisch wordt gedomineerd door een minderheidsgroep met een vreemde cultuur’. Beide partijen willen land onteigenen zonder compensatie. MK suggereert zelfs de liberale grondwet overboord te willen gooien.

    De heer Zuma is ook bedreven in het opzwepen van Zoeloe-chauvinisme. Tijdens de campagne voor MK suggereerde hij dat als het land geregeerd zou worden door de ‘Afrikaanse wet’, het homohuwelijk verboden zou zijn. Hij vroeg zich bovendien af waarom er sprekers van het Tswana (een andere officiële taal) in KZN zouden zijn.

    De Zuid-Afrikaanse democratie is als een immuunsysteem dat schadelijke elementen moet afweren

    ‘Hoe kan het dat Mandela hier heeft gestemd en ze hier niet voor zorgen?’ zegt Nathi Khuzwayo, die om vier uur ’s ochtends op is gestaan om de toiletten in zijn restaurant leeg te pompen, omdat de riolering het heeft laten afweten. Een door een rechter geleid onderzoek kwam in 2022 tot de conclusie dat de heer Zuma een centrale rol speelde in de ‘staatsgreep’ waarbij staatsbedrijven werden geplunderd. Maar dat is van weinig belang voor de heer Khuzwayo en andere MK-aanhangers. MK zou volgens hem beter werk leveren omdat het een partij is van Zoeloes voor Zoeloes. Hij vergelijkt het met hoe de Democratische Alliantie (DA), de op een na grootste partij van het land, voor haar eigen ‘stam’ zorgt, en dat zijn volgens hem de Zuid-Afrikaanse witten. 

    Toch speelt MK met vuur. Veel Zuid-Afrikanen zeggen dat ze zich het sterkst associëren met mensen die dezelfde taal spreken. Het zou een waarschuwing moeten zijn dat burgerwachten de afgelopen vijftien jaar steeds meer zwarte buitenlanders, vaak Zimbabwanen, aanvallen in de townships.

    De Zuid-Afrikaanse democratie is tot op zekere hoogte bestand tegen platvloers populisme. De compromissen van 1994 hebben bijgedragen aan de normalisering van het democratisch bestuur, vreedzame machtsoverdrachten en het bereiken van consensus tussen rassen en stammen. De manier waarop het apartheidsregime probeerde een gemeenschappelijke zwarte en niet-raciale Zuid-Afrikaanse identiteit te ondermijnen, is niet vergeten. De meeste Zuid-Afrikanen hebben een dubbele identiteit, als Zuid-Afrikanen en als Zoeloes, Xhosas, Vendas, Afrikaners, enzovoort.

    Er bestaat nog steeds zoiets als een middenweg in de Zuid-Afrikaanse politiek. Opiniepeilingen wijzen uit dat een meerderheid van de Zuid-Afrikaanse kiezers – en ook een meerderheid van de ANC-stemmers – de DA als coalitiepartner van het ANC zou willen. ‘(…) een charismatische autocraat zou het hier goed doen, maar een charismatische en overtuigende liberale democraat ook’, stelt Frans Cronje, een politiek analist. Hij vergelijkt de Zuid-Afrikaanse democratie met een immuunsysteem dat schadelijke elementen moet afweren.

    Kloof

    Het gevaar is dat het politieke lichaam zo zwak wordt dat het zijn verdedigingskracht verliest. Hoe groter de kloof tussen de verwachtingen van 1994 en de realiteit van 2024, hoe groter de kans wordt voor degenen die niet geloven in een niet-raciale, liberale samenleving om de kloof te dichten. Vertwijfeling over de democratie kan uitgroeien tot iets schadelijkers.

    Vlak bij het museum in Inanda woont Sandile Maphumulo, een tweeëndertigjarige die in Inanda is geboren maar in Duitsland studeert. Hij is terug voor de verkiezingen. Vlak bij de plek waar Mandela zijn stem uitbracht, kijkt hij neer op de oceaan, waarbij hij zijn township afzet tegen de villa’s aan het strand.

    Hoewel hij veel waarde hecht aan een grotere sociale cohesie, ‘is de ware inzet niet of zwarte mensen bevriend zijn met witte mensen’, zegt Maphumulo. ‘Het gaat erom dat zwarte mensen een beter leven krijgen.’

  • ‘Rijke filantropen ontwijken belastingen via goede doelen – dat moet aangepakt worden’

    ‘Rijke filantropen ontwijken belastingen via goede doelen – dat moet aangepakt worden’

    Filantropen staan te boek als gulle mensen, maar ze halen enorm veel belastingvoordeel uit hun schenkingen en slechts het kleinst mogelijke deel daarvan gaat naar goede doelen. Hoog tijd dat ze eerlijk worden belast, aldus de directeuren van Transition Resource Circle, een ngo die zich inzet voor een eerlijkere liefdadigheidssector.

    We hebben weer een roerig jaar achter de rug, waarin allerlei gemeenschappen in de wereld getroffen zijn door oorlogen en natuurrampen. Rampspoed die het leed vergroot van mensen die toch al zuchten onder grote ongelijkheid, klimaatchaos, onteigening en marginalisatie. Zoals altijd bestond de mondiale reactie op deze crises onder meer uit ‘gulle giften’ van verschillende filantropen. Hun vertegenwoordigers schoven zelfs aan bij staatshoofden, CEO’s, beroemdheden, royalty en hoge ambtenaren op de jaarlijkse Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in september, en daarna op de VN-klimaattop COP28 in november, om samen naar ‘oplossingen’ te zoeken. En velen van hen kwamen deze maand onder datzelfde mom opnieuw bijeen op het World Economic Forum in Davos.

    Maar de uitkomst van deze bijeenkomsten lijkt elk jaar te zijn dat er niets verandert. Dat komt onder meer doordat de elites in hun kijk op problemen en oplossingen beperkt worden door hun eigen wereldbeeld – een wereldbeeld dat deze crises veroorzaakt en in stand houdt. Bovendien zijn zulke bijeenkomsten vruchteloos omdat dat hun doel is: ze zijn niet opgezet om tot systemische verandering te leiden, maar om de status quo te behouden. De hele filantropische sector is evenmin opgezet om de oorzaken van systemische problemen bij de wortel aan te pakken, maar dient in plaats daarvan om particuliere financiële belangen te beschermen. Het wordt tijd dat dit eens tot de wereld doordringt. Hoe sneller we dit beseffen, des te sneller we betere manieren kunnen vinden om filantropie werkelijk in te zetten voor het belangrijke en moeizame werk van echte maatschappelijke verandering.

    ‘Iets terugdoen’

    We weten allemaal dat de rijken rijker worden en een gigantisch percentage van alle rijkdom op aarde in handen hebben. Volgens een recent rapport over de mondiale ongelijkheid van Oxfam is bijna twee derde van al het nieuwe vermogen sinds 2020 terechtgekomen bij de rijkste 1 procent van de mensheid, dus bijna tweemaal zoveel als bij de armste 99 procent. De rijken betalen bijna geen belasting (vaak nog geen 3 procent van hun inkomen) en door de rente op rente die ze over hun miljarden krijgen, blijft hun vermogen maar groeien. In de komende twintig jaar zal het grootste deel van dat vermogen overgaan op familieleden binnen de rijkste 1 procent. Alleen al in de VS zal naar schatting tussen de 36 en de 70 biljoen dollar aan vermogen van de ene op de andere generatie overgaan.

    De roep om de rijken te belasten zwelt wereldwijd aan en zal nog luider worden als deze enorme overdracht plaatsvindt. Een van de belangrijkste methoden van de rijken om die druk af te wenden is liefdadigheid. Je geld besteden aan goede doelen wordt aangemoedigd als een manier om ‘iets terug te doen’. Wereldwijd wordt er naar schatting 2,3 biljoen dollar aan liefdadigheid besteed, ongeveer 2 procent van het mondiale bbp. Dat is meer dan het jaarlijkse bbp van landen als Canada en Brazilië.

    Als filantropie per definitie iets goeds is en alleen maar zal groeien, waar maken we ons dan druk om? Laten we eens kijken hoe filantropie in de praktijk werkt.

    Eén aspect van filantropie in de VS is bijvoorbeeld de 5-procentregel die daar sinds 1976 in de belastingwet is verankerd. Deze houdt in dat een liefdadige instelling jaarlijks maar 5 procent van de geschonken fondsen hoeft te besteden aan beurzen of projectgerelateerde investeringen om de status van non-profitorganisatie te behouden. In de praktijk is die 5 procent nu niet de bodem, maar het plafond voor de bestedingen van filantropische instellingen. De overige 95 procent van het geld wordt behandeld als een belastingvrij investeringsfonds, dat de meeste stichtingen voortdurend verder laten groeien.

    Laten we dat concreter maken. Het gemiddelde rendement voor het kapitaal van liefdadige instellingen bedroeg in 2020 13,1 procent. Neem als voorbeeld een stichting met een fonds van 100 miljoen dollar: die stichting hoeft in een jaar maar 5 miljoen dollar aan goede doelen te besteden. Het vermogen groeit in dat jaar tot 113 miljoen dollar, en na aftrek van die 5 miljoen blijft er 108 miljoen over. Het jaar daarop groeit die grotere taart van 108 miljoen uit tot 122 miljoen, wat met aftrek van pakweg 5,4 miljoen aan liefdadige bestedingen resulteert in circa 117 miljoen. Zo is die 100 miljoen in twee jaar tijd dus al 117 miljoen geworden, en dat blijft maar groeien. Dat geld, in feite onbelast investeringskapitaal, belandt vervolgens bij de gebruikelijke aanjagers van het extractiekapitalisme: aandelen, obligaties, vastgoed, fossiele-brandstofbedrijven enzovoort. Wat weer resulteert in verdere vermogensaccumulatie. 

    Leeuwendeel

    De 5-procentregel is ooit ontstaan in de VS, maar heeft zich over de wereld verspreid en wordt nog steeds aanbevolen als model voor filantropische instellingen: het eigen fonds zo veel mogelijk laten groeien en de bestedingen tot het minimum beperken. Zo groeit het vermogen en groeit de macht van de betreffende instellingen, terwijl het geld mondjesmaat doorsijpelt naar degenen die het harde werk doen. Je hoeft geen boekhouder of econoom te zijn om de gevolgen van dit model te begrijpen. Slechts een fractie van de onbelaste schenkingen wordt daadwerkelijk ingezet voor het oplossen van maatschappelijke en klimatologische problemen, het leeuwendeel wordt opnieuw geïnvesteerd in de levensvernietigende activiteiten van extractieve markten met een hoog doorlopend rendement op investeringen.

    In de meeste landen zijn schenkingen aan liefdadige instellingen aftrekbaar van de belasting. Filantropie speelt daardoor een grote rol in strategieën voor het minimaliseren van de belastingafdracht en draagt verder bij aan de vermogensconcentratie. Volgens een recent onderzoeksrapport van tijdschrift The Nation krijgt Bill Gates misschien wel meer geld terug via belastingvoordelen dan hij met de activiteiten van de Gates Foundation aan schenkingen besteedt. Een ander voorbeeld is MacKenzie Scott, een van de grootste weldoeners in de VS. Haar is de afgelopen jaren lof toegezwaaid vanwege de omvang, aard en snelheid waarmee ze goede doelen heeft gefinancierd. Maar volgens de Billionaires Index van Bloomberg is ondanks al die schenkingen haar eigen vermogen in 2023 toch gegroeid. 

    Hoewel ze dus enorm veel belastingvoordeel uit hun schenkingen halen en slechts het kleinst mogelijke deel daarvan echt aan goede doelen besteden, staan filantropen in onze samenleving toch te boek als goede, gulle en grootmoedige mensen. Het is tijd om op te houden met die heldenverering van filantropen en de oproep om de rijken te belasten om te zetten in daden. We moeten de schenkingen gaan belasten. Ga maar na wat je zou kunnen doen met een belasting op die enorme filantropische fondsen. Met de opbrengst daarvan kun je democratisch beheerde burgerfondsen opzetten die miljarden dollars kunnen herverdelen onder gemeenschappen die direct door de klimaatverandering worden getroffen, inheemse volkeren, klimaatvluchtelingen en zelfs de ecosystemen die het zwaarst onder de winning van grondstoffen hebben geleden.

    Dit kan het begin zijn van ingrijpende structurele veranderingen in de filantropie. Wat hier vereist is, is niets minder dan een ander wereldbeeld, een andere aanpak die gebaseerd is op een economie die het leven op aarde centraal stelt en een oprecht verlangen de mondiale polycrisis aan te pakken. Het is tijd om van systemen die individuele en institutionele belangen beschermen over te stappen op systemen die de rijkdom herverdelen in collectieve investeringen in een toekomst die het leven waard is.

  • Vijf rijkste mannen zien vermogen verdubbelen terwijl de armsten armer worden

    Vijf rijkste mannen zien vermogen verdubbelen terwijl de armsten armer worden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Donald Trump wint de eerste Republikeinse voorverkiezingen in Iowa 

    » Ecuador: leger en politie nemen controle over gevangenissen

    ‘Deze groeiende kloof tussen arm en rijk is niet toevallig’

    Volgens een rapport van Oxfam hebben de vijf rijkste mannen ter wereld hun vermogen sinds 2020 meer dan verdubbeld, tot 869 miljard dollar, terwijl de armste 60 procent – bijna 5 miljard mensen – minder vermogen bezitten dan in 2020. Dat schrijft The Guardian. Oxfam voorspelt dat binnen tien jaar de eerste persoon biljonair zal worden en dat de kloof tussen arm en rijk zal groeien.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Uit het rapport blijkt dat zeven op de tien van de grootste bedrijven ter wereld een miljardair als CEO of hoofdaandeelhouder hebben, ondanks de stagnatie in de levensstandaard van miljoenen werknemers over de hele wereld. ‘Mensen werken harder en langer, vaak tegen slechte lonen in onzekere en onveilige banen’, staat er in het rapport geschreven. ’In 52 landen zijn de gemiddelde reële lonen van bijna 800 miljoen werknemers gedaald.’

    ‘De wereld kan zich niet nog een decennium van verdeeldheid veroorloven,’ zei Aleema Shivji, interim-topman van Oxfam tegen The Guardian. ‘Deze steeds groter wordende kloof tussen arm en rijk is niet toevallig en ook niet onvermijdelijk. Regeringen over de hele wereld maken weloverwogen politieke keuzes die deze rijkdom mogelijk maken en bevorderen. Wat nodig is, is een beleid dat zorgt voor eerlijkere belastingen en steun voor iedereen, niet alleen voor de bevoorrechten.’

  • ‘Het dumpen van migranten in arme landen door het Westen is een gruwelijke echo van straftransporten’

    ‘Het dumpen van migranten in arme landen door het Westen is een gruwelijke echo van straftransporten’

    Volgens politiek commentator Kenan Malik heeft Groot-Brittannië het deportatieverdrag met Rwanda niet afgesloten ondanks dat het zoveel armer is, maar omdat het armer is. ‘Daardoor kan Groot-Brittannië zijn economische macht aanwenden om er de migranten te dumpen die het VK als ongewenst beschouwt.’

    Stel je voor dat Groot-Brittannië een verdrag tekent met Frankrijk om van dat land ongewenste migranten op te nemen tegen contante betaling. Dat Frankrijk voorstelt om advocaten naar Groot-Brittannië te sturen om ervoor te zorgen dat de Britse rechtbanken gedeporteerden correct behandelen, en dat het Franse parlement een wet aanneemt die verklaart dat Groot-Brittannië een veilig land is voor zijn afgedankte migranten.

    Wat zou dan de reactie zijn van de Rishi Sunaks en James Cleverly’s van deze wereld (om nog maar te zwijgen van de Suella Bravermans, Robert Jenricks en Matthew Goodwins)? Die zou – terecht – woedend zijn. Er zou verontwaardigd worden gesproken over verlies van de Britse soevereiniteit en er zouden volop vragen worden gesteld over waarom Frankrijk zijn eigen problemen niet kan oplossen in plaats van ze op Groot-Brittannië af te schuiven.

    Je hoeft je zo’n scenario niet voor te stellen. Het gebeurt al, behalve dat in de echte verhaallijn Groot-Brittannië de rol van Frankrijk speelt en Rwanda die van het Verenigd Koninkrijk. En daarin schuilt de ironie: net als andere rijke landen beweert Groot-Brittannië dat een te grote instroom van migranten en asielzoekers een bedreiging vormt voor zijn soevereiniteit en de controle van zijn grenzen. Een oplossing is vervolgens gevonden in de devaluatie van de soevereiniteit en integriteit van een ‘zwakkere’ natie.

    Rwanda is een van de minst ontwikkelde landen ter wereld. Het bbp per hoofd van de bevolking in Groot-Brittannië is bijna vijftig keer zo hoog. Verhoudingsgewijs herbergt Rwanda nu al drie keer zoveel vluchtelingen als Groot-Brittannië. Groot-Brittannië heeft het deportatieverdrag niet afgesloten ondanks dat Rwanda zoveel armer is, maar omdat het armer is. Omdat Rwanda zo arm is, kan Groot-Brittannië zijn economische macht aanwenden om er die migranten te dumpen die het VK als ongewenst beschouwt.

    Dumpplaatsen

    Groot-Brittannië staat daarin niet alleen. De EU betaalt miljoenen euro’s aan dictators en krijgsheren in Noord-Afrika, de Sahel en de Hoorn van Afrika om op te treden als immigratiepolitie om op migranten naar Europa te jagen en hen op te sluiten. Daarmee schaadt de EU de soevereiniteit van Afrikaanse naties, verstoort het lokale economieën en ondermijnt het de democratie. Amerika heeft in een poging potentiële migratie naar de VS tegen te houden troepen en grenspolitie gestationeerd in Kenia, Kazachstan en de Filippijnen. Australië gebruikt de eilanden Manus en Nauru als dumpplaatsen voor asielzoekers.

    Zoals rijke landen arme landen gebruiken als dumpplaats voor giftig afval, zo gebruiken ze deze landen als plek om zich te ontdoen van ongewenste bezoekers. Het is de hedendaagse versie van strafrechtelijk transport [het verplaatsen van veroordeelde criminelen naar verre oorden].

    En toch, ondanks alle hysterie, was het aantal mensen dat asiel aanvroeg in Groot-Brittannië vorig jaar lager dan twintig jaar geleden. Wat veranderd is, is de zichtbaarheid van migranten zonder papieren, waarvan de meeste nu in kleine bootjes arriveren. Waarom? Omdat andere routes zijn afgesloten. De grootste groep die het Kanaal oversteekt zijn Afghanen, op de vlucht voor de taliban maar in de steek gelaten door het Verenigd Koninkrijk.

    Het echte probleem is niet het grote aantal, maar het gebrek aan legale routes om asiel aan te vragen, evenals aan een adequate verwerking van de aanvragen. In de afgelopen tien jaar is de achterstand bij de behandeling van asielaanvragen ongeveer vier keer zo snel gestegen als het aantal asielaanvragen. Dat is een crisis die de regering zelf heeft veroorzaakt.

    Ministers houden vol dat we deze bekrompen, irrationele, immorele wet nodig hebben om toekomstige asielzoekers ‘af te schrikken’

    Tegen deze achtergrond zijn de plannen voor deportatie naar Rwanda batshit [hartstikke gestoord], om maar eens de omschrijving te gebruiken die de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken, James Cleverly, privé zou hebben gebruikt. Een treffende omschrijving voor de nieuwste versie van het plan, het wetsvoorstel Veiligheid van Rwanda.

    Dit nieuwe voorstel verklaart Rwanda tot een veilig land omdat… nou ja, omdat Rwanda dat zelf beweert. Op 6 december vertelde minister van Vrouwen en Gelijkheid Kemi Badenoch het parlement dat ‘acceptatie van zelfidentificatie (…) geen regeringsbeleid is’. Behalve, zo lijkt het, als het erom gaat dat Rwanda een goed land is om asielzoekers naar uit te wijzen. Dan staat de regering niet alleen zelfidentificatie toe, maar verbiedt ze ook dat rechtbanken en overheidsfunctionarissen die certificering in twijfel trekken, ondanks overvloedig bewijs van het tegendeel. 

    Ministers houden vol dat we deze bekrompen, irrationele, immorele wet nodig hebben om toekomstige asielzoekers ‘af te schrikken’, ook al is er overvloedig bewijs dat afschrikbeleid zelden werkt. Denken we nou echt dat degenen die de dood en gevangenschap hebben getrotseerd, bergen en woestijnen hebben doorstaan, de confrontatie zijn aangegaan met krijgsheren en milities en het Kanaal zijn overgestoken in een piepklein bootje, tegen zichzelf zouden zeggen: ‘Laten we maar niet aan deze reis beginnen want James Cleverly zou ons misschien wel eens naar Rwanda kunnen sturen?’

    Show

    De Rwanda-wet is niet effectief bedoeld, maar puur voor de show. Dankzij de wet kunnen politici laten zien hoe hard ze bereid zijn zich op te stellen. Ook is het een propaganda-oefening, een manier om de schuld voor het falen van sociaal beleid weg te leiden van dat beleid zelf.

    Dat laatste werd vooral zichtbaar in het recente debat over legale migratie. Als reactie op de controverse over een enorme stijging van de netto legale migratie, introduceerde Cleverly een pakket maatregelen. Een daarvan was het verhogen van de inkomensgrens voor een geschoolde arbeider tot 38.700 pond, om zo ‘te voorkomen dat immigratie de lonen van Britse arbeiders ondermijnt’. Maar hij maakte een uitzondering op deze regel voor iedereen die op een visum voor gezondheidszorg en sociale zorg inreist, zodat Groot-Brittannië ‘door kan gaan met het binnenhalen van gezondheidswerkers waarvan de zorgsector en de NHS [National Health Service, het publieke gezondheidsstelsel van het VK] afhankelijk zijn’.

    En daarmee laat de regering zich in de kaarten kijken. Als ze het aantal buitenlandse werknemers echt zou willen verminderen, zou dat gemakkelijk kunnen door het budget voor sociale zorg te vergroten en de schandalig lage lonen te verhogen. Maar dat gebeurt niet. Het is de regering die de levensstandaard van Britse arbeiders ondermijnt, en die bovendien het lef heeft om immigranten daarvan de schuld te geven. Het is absoluut belangrijk om een debat te voeren over de omvang van de nettomigratie, maar dat debat heeft niet tot doel de schuld van het falend beleid af te schuiven op immigranten.

    Het meest deprimerende aspect van het Rwanda-debat is de mate waarin het idee van massale deportatie van asielzoekers is genormaliseerd. De controverse van vorige week ging minder over de morele schande van het Rwanda-plan dan over de vraag of het beleid nog harder zou moeten zijn. Volgens de logica van beleidsvorming voor de bühne is het noodzaak om de retoriek voortdurend op te voeren. Maar als we soevereiniteitskwesties of de levensstandaard van Britse arbeiders serieus nemen, dan moeten we het verhaal van de regering over immigratie in twijfel trekken en de immoraliteit ervan aan de kaak stellen.

  • Zo zetten de rijkste mensen van Europa de politiek naar hun hand

    Zo zetten de rijkste mensen van Europa de politiek naar hun hand

    De invloed van miljardairs en hun fortuin in de nationale en internationale politiek is niet te onderschatten. Wie de rijkste mensen in Europa zijn en hoe ze hun geld inzetten om de politiek te beïnvloeden, is de afgelopen maanden onderzocht door meer dan zeventig journalisten uit veertig landen.

    Stel je voor: je zit op je superjacht en leest in Financial Times over een nieuw belastingvoorstel waardoor je belastingtarief met minder dan 1 procent zou stijgen. Jij, iemand uit de klasse der superrijken, vindt dat je dit niet kunt laten gebeuren. Welke opties heb je? Je kunt een grote nationale krant overnemen en het redactionele standpunt beïnvloeden. Je kunt ook een onderzoekscentrum opzetten en financieren en het als onafhankelijk instituut ‘wetenschappelijke’ studies laten uitvoeren die jouw standpunt bevestigen. Je zou ook een groep lobbyisten kunnen financieren om in te praten op parlementsleden die de regels maken in jouw land.

    Al deze acties hebben in het verleden meer dan eens plaatsgevonden. De Franse mediamagnaat en miljardair Vincent Bolloré nam een gerenommeerd weekblad over en installeerde een extreemrechtse journalist als hoofdredacteur. Dit leidde in de zomer van 2023 tot wekenlange stakingen van het personeel van het blad. In Duitsland publiceerde een ‘klimaatinstituut’ rapporten waarin het effect van de mens op de klimaatcrisis wordt ontkend, vermoedelijk gefinancierd door olie- en gasbedrijven uit de Verenigde Staten. En de rijkste man van Europa, magnaat in luxegoederen Bernard Arnault, heeft naar verluidt advertenties van zijn bedrijven teruggetrokken uit kranten na kritische berichtgeving.

    Miljardairs kunnen de nationale en internationale politiek veranderen

    Miljardairs kunnen de nationale en internationale politiek veranderen en dat gebeurt vaak ook. Omdat ze beschikken over enorme sommen geld, zijn deze individuen van groot belang voor partijleiders en andere politieke spelers, die vaak donaties van hen ontvangen. Maar invloed hoeft niet vrijwillig of zelfs bewust te worden uitgeoefend. Wetgeving wordt bijvoorbeeld vaak zodanig ontworpen dat miljardairs ervoor kiezen in hun land te blijven. In de praktijk betekent dit dat wetgevers anticiperen op het humeur van miljardairs en hun tegemoetkomen voordat de miljardairs zelf er zelfs maar aan dachten om hun wensen kenbaar te maken.

    Zowel politieke partijen als rijke individuen hebben er geen belang bij om deze indirecte manier van lobbyen inzichtelijk te maken voor het publiek. De beslissingen van de superrijken kunnen de economische, sociale en culturele situatie van een land volledig veranderen, ten goede of ten kwade. Maar we weten nauwelijks iets over hun politieke banden of ambities of over de invloed die ze hebben op de nationale en internationale politiek.

    Amancio Ortega Gaona

    De Spaanse industrieel Amancio Ortega Gaona (1936) is met een geschat fortuin van 85 miljard euro de rijkste man van Spanje en nummer vijftien op de lijst van rijkste personen op aarde. In 2015 was hij zelfs even ’s werelds rijkste. Afkomstig uit een bescheiden gezin in Léon raakte hij op jonge leeftijd gefascineerd door mode en textiel.

    Hij begon zijn carrière als boodschappenjongen voor verschillende kledingwinkels in A Coruña, het centrum van de Spaanse textielindustrie. In 1972 begon hij Confecciones Goa, een bedrijf dat kamerjassen produceerde en verkocht. Van daaruit begon hij zich steeds meer te richten op snelle en betaalbare mode en in 1974 creëerde hij modemerk Zara. Hij ontwikkelde een innovatieve productie- en distributiestrategie die een revolutie teweegbracht in de modewereld. Het bedrijfsmodel van zijn bedrijf Inditex is gebaseerd op flexibele productie en distributie, snelle aanpassing aan de voorkeuren van de consument en de vestiging van winkels op strategische locaties overal ter wereld.

    Transparantie

    We weten zo weinig over hun rijkdom dat zelfs de academische wereld grotendeels vertrouwt op de ranglijsten met miljardairs van Forbes of Bloomberg (waar dit onderzoek ook op is gebaseerd). Sommige landen verbieden de publicatie van gegevens over rijkdom, zoals Luxemburg, waar ranglijsten van de rijken niet openbaar worden gemaakt. Het kleine land heeft een van de strengste antitransparantiewetten ter wereld. Hoewel er meer dan 47.000 miljonairs en naar schatting 17 miljardairs in het land wonen (in 2014 – de laatst beschikbare gegevens), weet zelfs de regering niet hoeveel de inwoners bezitten, omdat individuen hun bezittingen niet hoeven op te geven. Op dit moment bestaat er ook geen EU-wetgeving over transparantie van vermogen.

    Dit gebrek aan transparantie leidt tot herhaalde gevallen van financiële fraude en belastingontduiking, zoals de Panama Papers, de Paradise Papers en de Pandora Papers aan het licht brachten. Zonder transparantie kunnen we ook niet discussiëren over de grote morele vraag hoeveel ongelijkheid we als samenleving kunnen accepteren. Hoeveel mag de top 1-procent bezitten?

    Als we kijken naar de drie rijkste personen in veertig Europese landen, zijn slechts zes daarvan vrouw

    Het zal niemand verbazen dat er ook aan de top van de economische ladder sprake is van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Als we kijken naar de drie rijkste personen in veertig Europese landen, zijn slechts zes daarvan vrouw. Bovendien hebben de meeste vrouwelijke miljardairs op onze lijst hun rijkdom verkregen door te erven van hun vader of grootvader. Verschillende soorten ongelijkheid werken op elkaar in, en ongelijkheid in rijkdom is daarop geen uitzondering.

    Vermogensongelijkheid bestaat niet alleen binnen landen, maar binnen de Europese context ook tussen de niveaus van rijkdom. Eén persoon springt er in het bijzonder uit: Bernard Arnault, eigenaar van het Franse luxeconcern LVMH. Hij is veruit de rijkste persoon in Europa en bezit ruim 100 miljard euro meer dan de volgende miljardair in onze database. Ook opmerkelijk is dat drie van de vier Franse miljardairs in dit onderzoek rijk zijn geworden dankzij luxemerken zoals Louis Vuitton, l’Oréal of Gucci. Dat staat in schril contrast met de rest van het continent, waar miljardairs hun fortuin meestal verwierven in grotere industrieën, zoals bouwbedrijven of supermarkten.

    Het regionale verschil in rijkdom tussen de Balkan en delen van Oost-Europa en de rest van het continent is enorm. De Kroatische ‘verzekeringskoning’ Dubravko Grgić is de rijkste persoon op de Balkan en bezit vijf keer minder dan de rijkste Nederlander en dertig keer minder dan Bernard Arnault. Bovendien zijn de meeste miljardairs in West-Europa rijk geworden door voort te bouwen op geërfd geld of op eigendommen van hun familie. In Centraal- en Oost-Europa en op de Balkan hebben de meeste miljardairs zich omhooggewerkt, vaak ook door gebruik te maken van dubieuze praktijken in de jaren negentig.

    Susanne Klatten

    Susanne Klatten (1962) is als rijkste vrouw van Duitsland met een vermogen van ruim 21 miljard euro een prominent bewoner van miljardairsland. Ze is nummer 72 op de lijst van rijkste personen op aarde en staat daarmee ver boven bijvoorbeeld Rupert Murdoch. Klatten groeide op in Bad Homburg als dochter van industrieel Herbert Quandt. De familie Quandt heeft een uiterst dubieus naziverleden, dat later op verzoek van de familie door een historicus uit de doeken is gedaan.

    Susannes vader Herbert Quandt redde BMW in 1959 van een faillissement, waarmee hij een fortuin vergaarde dat later overging op zijn kinderen. Susanne en haar broer bezitten bijna de helft van de BMW-aandelen en kregen in maart van dit jaar ruim een miljard aan dividend uitgekeerd. Klatten is een van de grootste CDU-donateurs, is werkzaam in de Duitse start-upscene en actief betrokken bij tal van sociale en milieuorganisaties. En zoals zoveel ultrarijken is ze publiciteit liever kwijt dan rijk.

    Politiek

    Sommige miljardairs in onze database waren zelfs werkzaam in de politiek. Een paar opmerkelijke voorbeelden zijn de Britse premier, Rishi Sunak, die rijker is dan de Britse monarch; Bidzina Ivanisjvili, sinds jaar en dag de schaduwkoning van Georgië; Mészáros Lőrinc, de Hongaarse miljardair en trouwe vriend van Viktor Orbán; en Christoph Blocher, financier van de Zwitserse extreemrechtse Volkspartij (SVP). Bidzina Ivanisjvili verdiende voor zover bekend zijn geld door spotgoedkoop mijnbouw- en staalinfrastructuur te verwerven tijdens de periode van privatisering na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in de jaren negentig. Sinds 2000 zijn hij en zijn familie eigenaar van een van de grootste banken van Georgië.

    Hij werd in 2012 premier met de partij die hij oprichtte, maar na slechts een jaar in functie trad hij af. Maar hij heeft nog steeds grote invloed in het Kaukasische land. Hij wordt bekritiseerd omdat hij het buitenlandbeleid in de richting van Rusland stuurde, waardoor Georgië volgens velen een autocratische staat is geworden. Mészáros Lőrinc, die een van Orbáns meest loyale oligarchen wordt genoemd, was een redelijk succesvol zakenman tot de Fidesz-partij van Viktor Orbán in 2010 aan de macht kwam. Daarna werd hij snel superrijk door overheidsprojecten binnen te halen dankzij zijn banden met de Hongaarse premier.

    Hij probeerde burgemeester van zijn geboortestad te worden, wat alleen lukte na een hoogstpersoonlijke interventie van Orbán. In 2016 nam Lőrinc Mediaworks over, een van de grootste Hongaarse uitgevers. Op deze manier werkt hij samen met de regering in het verder beperken van de onafhankelijke pers en media in het land.

    Hij staat erom bekend de Zwitserse politiek naar rechts te dwingen door financiering van de extreemrechtse Zwitserse Volkspartij (SVP)

    Christoph Blocher is een Zwitserse miljardair die zijn geld verdiende als meerderheidsaandeelhouder van een groot Zwitsers chemiebedrijf. Hij staat erom bekend de Zwitserse politiek naar rechts te dwingen door financiering van de extreemrechtse Zwitserse Volkspartij (SVP), de grootste partij van het Alpenland. Als Zwitsers parlementariër speelde hij een belangrijke rol in het succesvolle referendum tegen het Zwitserse lidmaatschap van de Europese Economische Ruimte in de jaren negentig. Later werd hij raadslid van de Zwitserse federale regering op Justitie, totdat hij in 2007 werd afgezet. Niettemin oefende hij tot lang daarna aanzienlijke invloed uit op het land door campagnes te financieren voor referenda tegen minaretten, boerka’s en alles wat buitenlands is. Zonder zijn rijkdom was de opkomst van de SVP niet mogelijk geweest.

    GettyImages 693703408 1
    Filantroop George Soros en zijn vrouw Tamiko Bolton in 2017, Berlijn. – © Getty images

    Ongelijkheid

    Twee derde van de Europeanen wil dat regeringen iets doen aan de ongelijkheid van rijkdom en ziet het belasten van de superrijken als een belangrijke taak van hun regeringen. Weinig onderwerpen kennen zo’n ruime instemming: in Oostenrijk bijvoorbeeld wil 80 procent van de bevolking hogere vermogensbelasting voor de rijken.

    De legendarische Amerikaanse investeerder Warren Buffett zei ooit in een interview dat hij volgens de wet minder belasting moest betalen dan zijn receptionist, ondanks het feit dat hij een van de rijkste personen ter wereld is. Hij had geen ongelijk, want de meeste miljardairs hebben geen traditioneel belastbaar inkomen. In plaats daarvan zit het grootste deel van hun geld in aandelen en andere financiële activa, die alleen belast worden als ze met winst worden verkocht. Omdat miljardairs doorgaans maar heel weinig aandelen verkopen – niet meer dan nodig om hun uitgaven te dekken – worden ze belast op deze zogenaamde vermogenswinsten in plaats van op een ‘normaal’ inkomen als werknemer.

    Hij moest volgens de wet minder belasting betalen dan zijn receptionist, ondanks dat hij een van de rijkste personen ter wereld is

    Er zijn maar heel weinig miljardairs die een aanzienlijk deel van hun vermogen aan filantropische activiteiten besteden. In de Verenigde Staten gaven 264 van de 400 grootste miljardairs minder dan 5 procent van hun vermogen weg, aldus cijfers van de Forbes Philanthropy Score. Hoewel een dergelijke ranglijst in Europa ontbreekt, bevestigt ons onderzoek dat de Europese cijfers overeenkomen met de Amerikaanse. Er zijn wel een paar miljardairs die waardevol werk financieren voor de verbetering van democratie en mensenrechten, zoals de Open Society Foundations van George Soros.

    Veel maatschappelijke organisaties zijn echter afhankelijk van financiering door deze filantropen, wat hun voortbestaan kan bedreigen als de financiering wordt ingetrokken, zoals blijkt uit de recente aankondiging van Open Society Foundations om de financiering in Europa volledig stop te zetten. In sommige landen is het maatschappelijk middenveld afhankelijk van een paar individuen of instellingen, die volledig buiten de democratische controle of besluitvorming opereren.

    Bernard Arnault

    Bernard Arnault (1949), de Franse zakenmagnaat die als kind van een rijke industriële familie al in weelde werd geboren, werkte zich op tot de rijkste man van Europa. En dat niet alleen, na Elon Musk is hij met een slordige 163 miljard euro de een-na-rijkste man op aarde. Arnault is oprichter, voorzitter en CEO van Louis Vuitton Moët Hennessy (LVMH), ’s werelds grootste bedrijf in luxegoederen.

    Hij studeerde aan de prestigieuze Franse ingenieursschool École polytechnique en nam op 27-jarige leeftijd het bouwbedrijf van zijn vader over, dat hij transformeerde tot vastgoedbedrijf. Maar de echte klapper kwam na de overname in 1984 van de zieltogende Boussac-groep, eigenaar van Christian Dior. Na die overname verkocht hij bijna alle activa van het bedrijf, ontsloeg 7000 werknemers en hield alleen Christian Dior en warenhuis Le Bon Marché over. Geholpen door de beurscrash van 1987 bemachtigde hij aandelen in de LVMH-groep, waarna hij er de grootste aandeelhouder van werd.

    Belastingen

    Filantropie is dus niet iets om op te rekenen. Er is eigenlijk maar één manier om met zulke extreme niveaus van concentratie van rijkdom om te gaan: belastingen, belastingen en nog eens belastingen.

    De politieke invloed van de rijken is een van de redenen waarom de rijksten niet meer belasting betalen. Maar er is meer aan de hand: het ontbreekt aan competentie bij beleidsmakers als het gaat om financiële kwesties, vooral aan de linkerkant van het politieke spectrum. Voor een recente studie werden progressieve Duitse politici ondervraagd, en daaruit bleek dat als het op belastingkwesties aankomt niet alleen lobbyisten, maar ook een gebrek aan kennis de invoering van vermogensbelasting in de weg staan.

    Politiek geïnteresseerde jongeren hebben de neiging om zich aan te sluiten bij linkse partijen omdat ze vooral geïnteresseerd zijn in werk en sociale zaken, en minder in financiële kwesties. Ondertussen bestaan er bij conservatieve parlementsleden wachtlijsten om lid te kunnen worden van financiële commissies. Door de enorme complexiteit – die soms kunstmatig wordt vergroot – is het lastig om de status quo te veranderen.

    Om de ongelijkheid in rijkdom goed aan te pakken, moet het belastingbeleid een zaak worden die progressieve partijen aan het hart gaat. Anders blijven politici onwetend en worden ze makkelijk overschaduwd door degenen die er alles aan doen om geen belasting te hoeven betalen.

    Het belastingbeleid moet een zaak worden die progressieve partijen aan het hart gaat

    In principe zijn er twee manieren om de superrijken effectief te belasten: vermogenswinstbelasting en vermogensbelasting. Zoals hierboven uiteengezet, worden zeer rijke mensen meestal proportioneel minder belast dan mensen met een normaal inkomen, omdat vermogenswinsten uit de verkoop van aandelen belast worden. In enkele landen met de meeste miljonairs en miljardairs per hoofd van de bevolking, zoals Luxemburg, Zwitserland en België, wordt geen vermogenswinstbelasting geheven. In Europese landen die wel belasting heffen op vermogenswinst uit de verkoop van beursgenoteerde aandelen, bedraagt deze belasting gemiddeld 19,4 procent. Ter vergelijking: volgens de Europese Commissie bedroeg de inkomstenbelasting in Europa van 1996 tot 2021 gemiddeld iets meer dan 40 procent.

    Het inkomen van miljardairs is echter maar een fractie van wat ze bezitten, omdat het meeste geld in activa zit, zoals aandelen en obligaties, onroerend goed, luxeartikelen en contant geld. Al deze rijkdom wordt systematisch te weinig belast. Van de twaalf Europese landen die in 1990 vermogensbelasting hieven, doen alleen Noorwegen, Spanje en Zwitserland dat tegenwoordig nog. Vermogensbelasting werd in veel landen afgeschaft, omdat de progressie ervan al vroeg merkbaar werd en diegenen trof die ‘slechts’ een paar miljoen op hun bankrekening hadden. Vervolgens vertrokken veel rijke mensen naar landen waar deze belasting niet bestaat, waardoor de totale belastinginkomsten in de vertreklanden daalden – dit gebeurde bijvoorbeeld nadat Noorwegen onlangs zijn vermogensbelasting licht verhoogde.

    De sociaaldemocratische regering verhoogde de vermogensbelasting van 0,85 procent naar 1,1 procent, en dat leidde tot een grote kapitaalvlucht door veel van de miljardairs in het land. Ze namen zo veel geld mee dat de vermogensbelasting in Noorwegen naar verwachting ruim 500 miljoen euro minder zal opleveren dan nu het geval is. Om te voorkomen dat miljardairs naar andere Europese landen verhuizen, moet de belasting in meerdere landen hetzelfde zijn. Dit is vergelijkbaar met het nieuwe wereldwijde minimumtarief voor vennootschapsbelasting van 15 procent voor multinationals, die werd ingevoerd door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.

    Beweging

    Er is op Europees niveau beweging in dit debat. In juni van dit jaar startte een groep economen, activisten, politici en multimiljonairs een Europees burgerinitiatief dat eist dat de Europese Commissie een permanente en progressieve jaarlijkse vermogensbelasting invoert. Om het deze keer te laten lukken, stelt een team van economen rond stereconoom Thomas Piketty een hoge drempel voor die ervoor zorgt dat alleen een kleine groep superrijken wordt getroffen. Bovendien zou geërfde rijkdom zwaarder belast moeten worden dan inkomen of selfmade rijkdom, omdat je je ouders nu eenmaal niet kunt kiezen. Europese burgerinitiatieven zijn zelden succesvol en de wetgevende bevoegdheid van de EU op het gebied van belastingen is beperkt. Toch zou dit bij uitstek een goed initiatief zijn waar linkse groepen zich achter zouden kunnen scharen in aanloop naar de Europese verkiezingen van 2024.

    Als samenleving hebben we weinig inzicht in de rol die de meeste superrijken spelen in de politiek. We moeten de mate van concentratie van rijkdom begrijpen – vooral de impact ervan op democratische processen en besluitvorming – om te kunnen bepalen wat eraan gedaan zou kunnen en moeten worden.

    In Noorwegen en Finland worden de belastingaangiften van alle burgers zonder uitzondering elk jaar gepubliceerd, zodat iedereen ze kan inzien. Media kunnen via een website lijsten samenstellen van de grootverdieners in het land. Kan dat misschien dienen ter inspiratie?

  • ‘Sla hard toe’. Zo werkt China’s campagne om de Oeigoeren te onderdrukken

    ‘Sla hard toe’. Zo werkt China’s campagne om de Oeigoeren te onderdrukken

    De Oeigoerse dichter Tahir Hamut Izgil werd meerdere malen door de Chinese politie gearresteerd. Om aan vervolging te ontkomen vluchtte hij naar de Verenigde Staten. In zijn autobiografie Wachten op mijn arrestatie in de nacht laat hij zien hoe China de Oeigoeren in het land constant in de gaten houdt en intimideert. Een fragment.

    Ik blijf terugkeren naar de eerste dag van het jaar 2013.

    Die avond werd ik onverwachts opgebeld door Ilham Tohti, een hoogleraar economie van de Centrale Universiteit voor Nationaliteiten in Beijing. Het was jaren geleden dat we elkaar hadden gesproken. Hij zat in een Oeigoers restaurant achter de universiteit, waar hij het nieuwe jaar vierde met een wederzijdse vriend uit Beijing.

    Na het uitwisselen van beleefdheden zei Ilham: ‘Xi Jinping heeft de macht naar zich toe getrokken. Voor ons gaat het dus beter worden. Verlies de moed niet, en geef aan onze vrienden in Ürümqi maar door dat ze optimistisch mogen zijn.’ Ilham was heel opgewekt. Toen hij zei dat het beter zou gaan met ons doelde hij op de politieke omstandigheden van de Oeigoeren. Die waren in het recente verleden snel verslechterd.

    Op dit moment is volstrekt duidelijk hoe absurd het was om van Xi Jinping iets te verwachten wat positief uit zou pakken voor de Oeigoeren, maar indertijd leefde die hoop wel bij veel Oeigoerse intellectuelen. Ook onder Han-intellectuelen waren er mensen die verwachtten dat Xi relatief progressief zou zijn. De Chinese politiek is zo ondoorzichtig dat er over de politieke opvattingen van nieuwe leiders alleen maar gespeculeerd kan worden.

    Xi’s vader Xi Zhongxun was kort nadat de Partij aan de macht was gekomen de hoogste functionaris in het noordwesten van China geweest, en had kritiek geuit op het repressieve beleid van de Partij in Xinjiang. Oeigoerse intellectuelen wilden maar al te graag geloven dat Xi Jinping op dit gebied de voetstappen van zijn vader zou drukken. Het was een uit wanhoop geboren hoop, de droom van een gehavende gemeenschap over een betere behandeling door haar koloniale overheersers.

    Ilham Tohti

    Ik had aan het begin van de jaren negentig kennisgemaakt met Ilham Tohti. Aan het Centrale Instituut voor Nationaliteiten, zoals de naam toen nog luidde, was ik bezig met het afronden van het eerste deel van mijn studie. Ilham deed een master economie. Hij was een enorm energieke, spraakzame man, die heel snel praatte, alsof zijn hoofd vol gedachten zat en hij die in de hoogste versnelling onder woorden wilde brengen. Als we elkaar op de campus tegen het lijf liepen begon hij meteen opgewonden te praten. En als hij eenmaal bezig was, was hij bijna niet meer te stuiten, vooral als het over zijn favoriete onderwerp ging, de economie en demografie van de regio waar de Oeigoeren woonden. Later zou Ilham een van de meest vooraanstaande Oeigoerse dissidente intellectuelen worden. Rond 2005 zette hij een website in het Chinees op, waarop hij artikelen zette waarin hij de rechten van Oeigoeren verdedigde. Hij betoogde dat de Chinese overheid zich in Oeigoers gebied niet aan haar officiële autonomiebeleid hield, dat het Productie- en Constructiekorps in Xinjiang functioneerde als een wetteloze staat binnen de staat, dat door de snelle instroom van Han-kolonisten de inheemse bevolking een minderheid in eigen land aan het worden was, dat er onder de Oeigoeren een enorme werkloosheid was en dat in het onderwijs het Oeigoers was gemarginaliseerd.

    Een van de belangrijkste doelstellingen van zijn website was het aanmoedigen van een gezonde dialoog tussen Oeigoeren en Han-Chinezen en het versterken van een goede verstandhouding tussen de twee etnische groepen. De website trok veel gelijkgestemde intellectuelen en studenten aan, Oeigoeren, Han-Chinezen en anderen, en kreeg ook in het buitenland steeds meer invloed. Mijn neef had me verteld over de site. Hij zei dat veel jonge Oeigoeren actief bijhielden wat erop werd gezet en dat ze daar vaak over discussieerden.

    Het zal geen verwondering wekken dat Ilham Tohti’s dissidente opvattingen de aandacht trokken van de Chinese overheid. De politie nodigde hem vaak uit ‘op de thee’, een eufemisme voor een informele waarschuwing of een verhoor. In bepaalde gevoelige perioden, zoals de Spelen van 2008 of wanneer westerse leiders op bezoek kwamen in Beijing, stuurde de politie het gezin van Ilham een maand ‘op vakantie’. In 2009 zei de overheid dat Ilham verantwoordelijk was voor het geweld van juli dat jaar in Ürümqi. Hij en zijn gezin verdwenen. Men ging ervan uit dat Ilham was gearresteerd. Maar na anderhalve maand informele hechtenis in een buitenwijk van Beijing mochten ze weer naar huis. Ondanks dit alles ging Ilham ervan uit dat de overheid hem niet formeel zou arresteren of gevangenzetten. Per slot van rekening gaf hij college aan een universiteit in de hoofdstad. Hij vond ook dat hij met zijn kritiek volledig binnen de wet bleef. En dat het gezin in Beijing geregistreerd stond was ook bevorderlijk voor zijn gemoedsrust. Het behoeft geen betoog dat het politieke klimaat in de hoofdstad heel anders was dan in Xinjiang. Als hij daar dit soort activiteiten had ontplooid, zou hij allang gearresteerd zijn.

    Arrestatie

    Maar het pakte toch anders uit dan hij had gedacht. Medio januari 2014 hoorden we in Ürümqi dat Ilham was opgepakt in Beijing. Ik vroeg welke eenheid van de politie dat had gedaan en hoorde dat het mensen uit Ürümqi waren geweest.

    Het was niet normaal dat rechercheurs uit Ürümqi een afstand van meer dan 2500 kilometer aflegden om een hoogleraar aan een universiteit in Beijing te arresteren. Normaal gesproken had de politie van Beijing dan jurisdictie. Dat de politie van Ürümqi erop af werd gestuurd betekende dat de beslissing om Ilham te arresteren op het hoogste niveau was genomen. Niet lang daarna hoorden we dat rond dezelfde tijd een aantal studenten van Ilham waren verdwenen. Waarschijnlijk waren ze gearresteerd. Anders gezegd: het zag er niet best uit.

    Ik schrok van de arrestatie van een intellectueel die alleen maar de overheid had opgeroepen om zich aan haar eigen wetten te houden. Daardoor kreeg ik het sombere voorgevoel dat het met de Oeigoerse intelligentsia als groep helemaal de verkeerde kant op ging. Om toch wat te doen tegen het naderende gevaar stak ik een paar uur in het controleren van alle bestanden op mijn laptop en de computer die ik op mijn werk gebruikte en wiste alle bestanden, videobeelden, opnamen en foto’s die de politie mogelijk kon aangrijpen om me te arresteren. Ik gaf iedereen bij ons op kantoor opdracht hetzelfde te doen. Niet lang daarvoor was ik al surfend op het internet Charter ’08 tegengekomen, een manifest waarin Nobelprijswinnaar Liu Xiaobo en anderen een oproep deden voor democratie en burgerrechten in China. Na het lezen besloot ik het in het Oeigoers te vertalen, maar omdat ik het nergens kon publiceren had ik het maar op mijn computer laten staan. Een paar jaar geleden had ik van een vriend een Word-bestand gekregen met een Chinese vertaling van Xinjiang: China’s Muslim Borderland, een bundel wetenschappelijke artikelen uit de Verenigde Staten en elders. De politieke afdeling van het Volksbevrijdingsleger had het boek in het Chinees vertaald, waarschijnlijk om mensen er intern kennis van te laten nemen. Omdat de overheid de toegang tot informatie vanuit het buitenland strikt reguleerde wilde ik heel graag alle mogelijke buitenlandse informatie over Oeigoeren en ons land in handen krijgen, en dus las ik het boek wel drie keer. Ik had ook de pdf van een in Tainwan gepubliceerd boek van Wang Lixiong waarvan de titel zich in het Engels laat vertalen als My West China, Your East Turkestan. En ik had een foto van de dalai lama met de verbannen Oeigoerse leider Rebiya Kadeer, zijn arm liefdevol om haar schouder geslagen. Het was ontroerend om deze warme band te zien tussen leiders van twee gemeenschappen die in China werden onderdrukt.

    Het was ontroerend om deze warme band te zien tussen leiders van twee gemeenschappen die in China werden onderdrukt

    Het had me heel wat moeite gekost om deze teksten te vinden en te vertalen, en het gaf me een onbehaaglijk gevoel toen ik ze een voor een wiste. Maar latere gebeurtenissen zouden aantonen dat ik er goed aan had gedaan. Het ging echt de verkeerde kant op. De repressie die het gevolg was geweest van de rellen die in 2009 in Ürümqi waren uitgebroken was nog niet voorbij toen de overheid een aparte campagne tegen de Oeigoeren op touw zette, die de naam ‘Sla hard toe’ meekreeg. Die was gericht tegen ‘religieus extremisme, etnisch separatisme en gewelddadig terrorisme’, en had verreikende gevolgen. Han-migranten stroomden in nog grotere aantallen dan eerst Xinjiang binnen. Huizen van Oeigoeren werden gesloopt en hun land werd in beslag genomen. In godsdienstig en cultureel opzicht kregen de Oeigoeren met steeds meer repressie te maken, en in het dagelijkse bestaan werden ze steeds meer gediscrimineerd. Aan de problemen die door Tohti waren benoemd werd niet alleen niets gedaan, ze mochten ongehinderd doorwoekeren. Toch bleef de overheid zeggen dat alle ontevredenheid onder de Oeigoeren voortkwam uit separatisme en terrorisme, en werden er lukraak mensen bestraft.

    Twee maanden nadat Tohti was gearresteerd bereikten ons berichten over een terroristische aanslag in een treinstation in de Zuid-Chinese stad Kunming, duizenden kilometers bij Ürümqi vandaan. Staatsmedia berichtten dat vijf zwart gemaskerde Oeigoeren met messen passagiers hadden aangevallen in de hal waar kaartjes werden verkocht.

    Weer gingen twee maanden voorbij. Toen kwamen staatsmedia met het bericht dat twee Oeigoeren passagiers hadden aangevallen bij de uitgang van het station, waarna ze zich hadden opgeblazen. Kort daarop kwam het bericht dat Oeigoerse terroristen een zelfmoordaanslag hadden uitgevoerd op een markt in Ürümqi.

    De houding en de retoriek van de overheid werden agressiever dan ooit

    In de jaren na het geweld van 2009 in Ürümqi leek het rustiger te zijn geworden in Xinjiang. Maar door drie aanslagen binnen twee maanden liep de spanning weer behoorlijk op. De houding en de retoriek van de overheid werden agressiever dan ooit.

    Oeigoeren reageerden steevast op dit soort gebeurtenissen door ‘Er is iets gebeurd’ te zeggen. Mensen die ik kende hadden complexe gevoelens over zulke incidenten. Enerzijds koesterden ze zoveel ressentiment jegens overheid en Han-Chinezen dat ze dachten: hun verdiende loon. Anderzijds vonden ze het verkeerd om je pijlen te richten op burgers in plaats van op de overheid. Verder waren mensen bang dat zulke aanslagen nog meer repressie tot gevolg zouden hebben en dat ze daar persoonlijk last van zouden krijgen. En als er negatieve gevolgen waren, werd er gemopperd: ‘Laat die lui dankbaar zijn voor hun dagelijks brood in plaats van stomme dingen te doen.’ De officiële rapporten over zulke voorvallen waren meestal vaag, tegenstrijdig en niet erg overtuigend. Verdenkingen, gissingen en geruchten deden algauw de ronde. Volgens de overheidspropaganda werden al deze aanslagen gepleegd door separatisten en terroristen, die Xinjiang af wilden scheiden van China en tot een onafhankelijk Oost-Turkestan wilden komen. De overheid weigerde te erkennen dat het geweld mogelijk een gevolg was van haar eigen beleid, dat nefaste gevolgen had voor het leven van de Oeigoeren.

    Maar onder de Oeigoeren deden tal van geruchten de ronde over wie er achter de aanslagen zaten. Meestal vermoedde men dat ze waren gepleegd door mensen die het slachtoffer waren geworden van overheidsgeweld en nu wraak wilden nemen. Anderen dachten dat de overheid zelf de aanslagen had gepleegd om zo een excuus te hebben voor nog meer repressie en om de wil tot verzet van de Oeigoeren te breken.

    Niet alleen werden de mensen die betrokken waren bij de aanslagen zwaar bestraft, de overheid pakte ook mensen aan die niets te maken hadden met de aanslagen maar connecties hadden met de daders: familieleden, kennissen, mensen met wie ze ooit samen hadden gegeten of bij wie ze hadden gelogeerd. Die werden ervan beschuldigd dat ze terroristen ‘onder hun vleugels hadden genomen’.

    Verboden artikelen

    Net als veel andere Oeigoerse intellectuelen wilde ik graag weten wat er in buitenlandse media over deze aanslagen werd geschreven en hoe er in het buitenland op werd gereageerd. Na het geweld van 2009 in Ürümqi werd in Xinjiang bijna een heel jaar het internet afgesloten. Ook toen het weer werd opengesteld bleven veel buitenlandse websites, vooral op het gebied van nieuws, ontoegankelijk. Als je toch toegang tot zulke sites wist te krijgen gold dat als een ernstig misdrijf. Desondanks gebruikten we stiekem toch VPN’s om de Great Firewall, de beruchte digitale Grote Chinese Muur, van de overheid te omzeilen en op allerlei internationale nieuwssites te komen. We hadden zo weinig informatie over ons eigen land en wat er om ons heen gebeurde dat we dat risico wel wilden lopen. Na de arrestatie van Ilham Tohti en de aanslagen werd de repressie zo hevig dat ons niets anders overbleef dan onze VPN’s te verwijderen en het te doen zonder internationale nieuwssites. Als ik geen gebruik meer kon maken van internet leek er nog maar één optie over te blijven: op de korte golf luisteren naar buitenlandse nieuwszenders.

    Dat jaar gingen we met het gezin op vakantie in Qashqar. We brachten een bezoek aan mijn ouders en gingen bij oude vrienden langs. De man van een vrouw met wie Marhaba op school had gezeten had in een winkelcentrum daar een zaak met elektronische spullen. Ik besloot daar een kortegolfradio te kopen. Hij wist vast wel wat een goede was.

    Toen ik naar binnen liep was hij net bezig alle radio’s uit de winkel in dozen te doen. Ik vroeg wat hij aan het doen was. ‘Het politiebureau heeft gebeld,’ zei hij verbitterd. ‘We moeten al onze radio’s uit de winkel halen. We mogen ze niet meer verkopen.’

    De lijst met verboden artikelen was blijkbaar nog langer geworden. Een paar jaar daarvoor waren lucifers verboden. Kennelijk wilde de overheid het separatisten onmogelijk maken om van de zwavel in luciferkoppen explosieven te maken.

    Dat betekende het einde van mijn plan om een radio te kopen. Een paar dagen later hoorde ik dat de overheid de radio’s in beslag was gaan nemen die bij mensen in huis stonden, eerst in de dorpen, later ook in de steden.

    ‘Zo te zien is het radiotijdperk voorgoed afgelopen,’ zei ik tegen mezelf.

    Lees ook:

  • Hoe we steden weer toegankelijk kunnen maken voor iedereen

    Hoe we steden weer toegankelijk kunnen maken voor iedereen

    Door gentrificatie dreigen steden te vervallen tot bevoorrechte eilanden te midden van zeeën van achterstand. Met het juiste beleid en de juiste investeringen kunnen we steden weer betaalbaar maken voor alle inwoners, schrijven auteurs Ian Goldin en Tom Lee-Devlin.

    Meer dan de helft van de wereldbevolking woont nu in steden. In 2050 zal dat aandeel naar verwachting oplopen tot twee derde. Dat betekent dat de drijvende krachten achter het leven in de stad nu ook de drijvende krachten achter de wereld als geheel zijn. Door de geschiedenis heen zijn steden aanjagers geweest van vooruitgang, omdat ze ons dichter bij elkaar kunnen brengen – iets wat we nu meer dan ooit nodig hebben. Veel van de grootste problemen die we vandaag de dag hebben, kunnen we oplossen door onze steden te hervormen. Maar als we geen actie ondernemen, zullen diezelfde steden de gevaren die voor ons liggen alleen maar groter maken.

    Veel van de populistische politiek die we de afgelopen jaren hebben gezien, wordt gekenmerkt door afkeer tegen wereldsteden als Londen en New York. Deze steden hebben een hoge vlucht genomen, terwijl andere steden juist met grote problemen kampten. De kloof tussen opbloeiende steden en de rest van de wereld is niet alleen gegroeid, de ongelijkheid binnen deze steden is eveneens toegenomen. De ongelijkheid in de meeste metropolen in de Verenigde Staten wordt sinds de jaren tachtig steeds groter – het snelst in grote, welvarende steden zoals New York, San Francisco en Chicago. Daar is de ongelijkheid nu veel hoger dan het landelijke gemiddelde. Hoogopgeleide kenniswerkers verdienen meer dan ooit, terwijl laagopgeleide werknemers in de dienstensector juist minder verdienen. Die kloof wordt nog eens vergroot doordat de kosten van levensonderhoud in deze steden snel stijgen.

    Deze wereldmetropolen hebben steeds meer weg van ivoren torens: de welvaart is sterk geconcentreerd in het centrum, dat wordt bediend door een uitgestrekte, achtergestelde periferie. In stadscentra is de werkgelegenheid toegenomen, de criminaliteit gedaald en zijn openbare diensten aanzienlijk beter gaan functioneren. Pakhuizen en fabrieken van Kings Cross in Londen tot Brooklyn in New York zijn omgebouwd tot luxe appartementen voor hoogopgeleide (en doorgaans witte) professionals. Voormalige arbeiderswijken zijn gerenoveerd of herontwikkeld. Ze staan nu vol met hippe cafés en kroegen, dure sportscholen en biowinkels.

    Exurb

    Deze voormalige betaalbare arbeiderswijken zijn inmiddels aanzienlijk gegentrificeerd. Voor alle duidelijkheid: de bevolkingsgroei in de binnensteden is gering in vergelijking met de suburbanisatie. Er is in feite een nieuwe bevolkingsring ontstaan: de zogenaamde ‘exurb’. De sociaaleconomische samenstelling van deze concentrische cirkels van steden is daarentegen wel veranderd. Vroeger vluchtten rijke stedelingen naar de buitenwijken, nu verhuizen ze veelal juist terug naar de stedelijke kern. De armoede verplaatst zich ondertussen steeds meer naar de buitenwijken. Journalist Alan Ehrenhalt noemt het fenomeen terecht ‘de grote omkering’.

    Stadscentra zijn weer populair en dat is te zien aan de veranderende huizenprijzen binnen de concentrische cirkels van de stad. Uit een onderzoek naar de top twintig steden in de Verenigde Staten blijkt dat er de afgelopen decennia een grote verschuiving heeft plaatsgevonden in de verhouding tussen huizenprijzen en de afstand tot het stadscentrum. De huizenprijzen stegen in 1980 naarmate een woning verder van het centrale zakendistrict af lag, maar in 2010 was dat omgekeerd. De kosten voor woningen in stedelijke centra zijn sindsdien verder gestegen: de gemiddelde huizenprijzen in de vijf binnenste stadsdelen van New York City zijn tussen begin 2010 en begin 2020 vier keer zo snel gestegen als in de rest van de metropool. Tijdens de coronapandemie nam de groei van de huizenprijzen in de voorsteden snel toe, maar die ontwikkeling is inmiddels gestagneerd, waardoor het langetermijnbeeld grotendeels ongewijzigd blijft.

    Waarom verruilen goedbetaalde professionals hun vrijstaande huis met tuin in de buitenwijken voor dichtbevolkte buurten in stedelijke centra? Er spelen veel verschillende factoren mee. Dankzij strengere regulering en de terugloop van vervuilende industrieën zijn steden in rijke landen in de laatste decennia van de twintigste eeuw steeds schoner geworden. De rivier de Theems, die door het hart van Londen stroomt, was lange tijd een bron van afgrijzen voor de inwoners van de stad. In 1858 veroorzaakte de combinatie van industrieel, menselijk en dierlijk afval en warm weer zo’n vreselijke geur dat men sprak van ‘the Great Stink’. De Theems bleef, ondanks latere pogingen om de waterkwaliteit te verbeteren, ernstig vervuild. Het Natural History Museum verklaarde de Theems in 1957 zelfs ‘praktisch gezien dood’. Maar dankzij een schoonmaak- en zuiveringsprogramma dat meerdere decennia heeft geduurd, is de rivier indrukwekkend genoeg hersteld.

    In steden als Chicago vond een vergelijkbare ontwikkeling plaats. Door verbeterde milieuregels, zoals het verbod op lood in brandstof, is de luchtkwaliteit van steden in rijke landen aanzienlijk verbeterd, hoewel er nog veel werk aan de winkel is. De luchtkwaliteit in Londen heeft een lange weg afgelegd sinds in 1952 de zogenaamde ‘great smog’ duizenden levens eiste.

    De afgelopen decennia heeft er bovendien een fundamentele verschuiving plaatsgevonden in onze leefgewoonten. Ook daardoor is het steeds wenselijker geworden om in stedelijke centra te wonen. Vanaf de jaren zestig werden stedelijke centra vooral aantrekkelijk voor mensen die niet leefden volgens gangbare burgerlijke normen. Leden van de lhbtq+-gemeenschap omarmden de binnenstad: het was een plek waar ze konden ontsnappen aan het oordeel van de middenklasse in de voorsteden. In de tweede helft van de twintigste eeuw vond er een aanzienlijke stijging plaats van het aantal immigranten. Er vormden zich in de binnensteden diasporagemeenschappen van etnische minderheden, die een contrast vormden met de overwegend witte buitenwijken. Als gevolg daarvan werden de binnensteden opvallend tolerant en open, in tegenstelling tot de buitenwijken.

    Binnensteden functioneren als een soort huwelijksmarkt

    Een nieuw ontstane, hoogopgeleide elite draagt op esthetisch vlak een bepaalde tegencultuur uit die vermengd is met de economische voordelen die de overgang naar een kenniseconomie met zich meebrengt. Voor deze groep is niet een woning met een dubbele garage in een of andere buitenwijk een teken van succes, maar een woning in een centrale stadsbuurt, omringd door creativiteit, cultuur en comfort. De levenscyclus van gentrificatie volgde de afgelopen decennia een voorspelbaar patroon: als eerste komen de kunstenaars, dan de projectontwikkelaars en daarna de hoogopgeleide kenniswerkers. Dit proces zie je overal terug, van Shoreditch in Londen tot SoHo in New York en Surry Hills in Sydney.

    Gentrificatie is niet bepaald nieuw. In de afgelopen decennia is het proces echter versneld en uitgebreid naar veel buurten die ooit betaalbare woningen boden aan mensen met lagere inkomens, waardoor grote delen van de stad voor hen onbereikbaar zijn geworden. We mogen niet toelaten dat onze steden bevoorrechte eilanden worden te midden van zeeën van achterstand. Gelukkig is met het juiste beleid en de juiste investeringen een betere, inclusievere en duurzamere toekomst mogelijk.

    De groeiende vraag naar woningen in de binnenstad hangt samen met het feit dat millennials volwassen zijn geworden. Stedelijke centra oefenen een sterke aantrekkingskracht uit op mensen die net aan het begin van hun carrière staan, de wereld willen ontdekken en nieuwe ervaringen willen opdoen. Het is de levensfase waarin iemand net (of bijna) financieel onafhankelijk is geworden, maar nog geen grote woonruimte nodig heeft om zijn gezin te huisvesten. Ongehinderd door dergelijke beperkingen trekken deze mensen naar de stad om te genieten van de opwinding die deze biedt.

    Dat proces wordt nog eens versterkt doordat binnensteden functioneren als een soort huwelijksmarkt. Zelfs in dit tijdperk van online daten zijn er maar weinig stellen die hun relatie op de lange termijn volledig virtueel houden. En hoe verder je van drukke, stedelijke centra vandaan woont, hoe kleiner de kans is om een goede match te vinden. Langzaamaan krijgen steeds meer singles een relatie en een gezin, zodat ze meer ruimte nodig hebben en te weinig tijd overhouden om te genieten van het leven in de grote stad. Het resultaat is een exodus: veel ouders met jonge kinderen trekken weg uit de stad.

    Dit cyclische patroon is duidelijk terug te zien in de netto migratiestromen in en vanuit de binnenste stadsdelen van Londen. Hoewel veel tieners na de middelbare school de stad verlaten om naar de universiteit te gaan, keren ze na hun studie terug en brengen ze nog veel meer jongvolwassenen uit het hele land met zich mee. Als gevolg hiervan verandert de netto migratie naar het centrum van Londen onder volwassenen van begin twintig van negatief naar positief. Dat aandeel blijft stijgen tot ze midden twintig zijn – daarna neemt de migratie af. Het aandeel wordt uiteindelijk weer negatief als ze kinderen krijgen en naar de buitenwijken en forensensteden vertrekken.

    Kentering

    De afgelopen twintig jaar is dat patroon echter op twee belangrijke manieren veranderd. Ten eerste is de netto migratie van volwassenen van midden twintig naar het centrum van Londen bijna verdrievoudigd. Ten tweede is de leeftijd waarop de netto migratie omslaat – waarbij er plotseling meer volwassenen vertrekken dan binnenkomen – met wel tien jaar verschoven: van 34 naar 44 jaar. De reden hiervoor ligt in de veranderende demografie. De gemiddelde huwelijksleeftijd is de afgelopen decennia aanzienlijk gestegen. Toen prins Charles en Lady Diana in 1981 trouwden, lag in het Verenigd Koninkrijk de gemiddelde leeftijd van het eerste huwelijk voor vrouwen op 22 en voor mannen op 24 jaar; toen prins Harry en Meghan Markle in 2018 trouwden, was deze leeftijd gestegen tot respectievelijk 30 en 32. In dezelfde periode is de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen in het Verenigd Koninkrijk gestegen van 27 naar 31 jaar. Jonge mensen wachten dus langer totdat ze trouwen en een gezin stichten, waardoor de stedelijke levensstijl langer aantrekkelijk blijft. In steden als Londen wordt wonen steeds minder betaalbaar, waardoor een groeiend aantal jonge mensen de stad uit wordt gedreven. Velen van hen zouden echter liever blijven.

    Deze grote kentering heeft een enorme tol geëist van veel van de meest achtergestelde groepen in de samenleving. Terwijl rijke bewoners zich in de stad vestigen, worden de oorspronkelijke, arme bewoners weggedreven. Voor mensen die toevallig een huis bezitten in een gentrificerende wijk, kan dit een financieel buitenkansje opleveren. Maar jammer genoeg zijn de meest achtergestelde bewoners in deze gebieden vaak huurders, die geconfronteerd worden met snel stijgende woonprijzen. De effecten van gentrificatie zijn minder voelbaar als de buurt in kwestie ooit voornamelijk bestond uit industrieel en commercieel vastgoed. Maar de voorraad van dergelijk vastgoed is in New York, Chicago en Londen al heel snel uitgeput geraakt. Het resultaat is een combinatie van steeds meer geconcentreerde achterstand in een klein aantal binnenstedelijke buurten – zoals de Bronx in New York of Englewood in Chicago – en een algemene trek van armere mensen naar de buitenwijken.

    Vaak komen mensen die door gentrificatie zijn verdrongen in verre buitenwijken terecht. De huizen zijn daar goedkoop, maar er is maar weinig werkgelegenheid. De reistijden naar het stadscentrum zijn slopend, vooral voor mensen die zich geen auto kunnen veroorloven en afhankelijk zijn van het openbaar vervoer. Sheila James, die in de gezondheidszorg werkt, vertelde in een interview met The New York Times dat de vastgoedprijzen in San Francisco haar zo ver buiten de stad hadden gedreven dat haar werkdag om 02:15 uur begon. Tussen 2000 en 2015 is het aantal buitenwijken in de Verenigde Staten met een armoedepercentage van meer dan 20 procent meer dan verdubbeld. De gemiddelde tijd van het woon-werkverkeer neemt in de Verenigde Staten over de hele linie toe, maar stijgt veel sneller onder zwarte en Latijns-Amerikaanse werknemers. Vroeger woonden de meest achtergestelde mensen in arme buurten in de binnensteden, maar nu zitten ze steeds vaker vast in gebieden aan de stadsrand, waar de bevolkingsdichtheid laag is.

    Dat binnensteden worden overgenomen door hoogopgeleide professionals eist duidelijk een hoge tol. Maar het is onduidelijk of het alternatief aantrekkelijker is. In de huidige economie kunnen steden alleen succesvol worden als ze erin slagen om hoogopgeleide kenniswerkers aan te trekken. Deze werknemers willen in trendy stedelijke centra wonen tot ze eind dertig zijn, en misschien zelfs nog langer. Het is geen toeval dat gentrificatie trager verloopt of nagenoeg afwezig is in minder welvarende steden zoals Detroit en Cleveland.

    Hoe kunnen we dit veranderen? Om ervoor te zorgen dat steden toegankelijk zijn voor alle inwoners, en niet alleen voor een gelukkige minderheid, zijn er drie pijlers nodig: eerlijker huisvesting, eerlijker openbaar vervoer en eerlijker onderwijs. Om met het onderwijs te beginnen is het nuttig om te kijken naar rijke landen die erin geslaagd zijn leerlingen, ongeacht hun sociaaleconomische achtergrond, relatief gelijke resultaten te laten behalen. Het Japanse onderwijssysteem staat dan misschien voornamelijk bekend om de hoge eisen die het aan leerlingen stelt, maar het is tevens een van de meest egalitaire systemen ter wereld.

    Tussen het einde van de oorlog en het begin van de jaren tachtig werden er meer dan vier miljoen sociale woningen bijgebouwd

    Het Japanse onderwijssysteem biedt een aantal waardevolle inzichten. Het eerste is dat de financiering van scholen niet langer afhankelijk moet zijn van lokale inkomensstromen. In de Verenigde Staten is bijna de helft van de financiering van scholen afkomstig van lokale overheidsinkomsten, die sterk afhankelijk zijn van de welvaart van een gebied. In Japan daarentegen is de financiering van lerarensalarissen, schoolgebouwen en andere uitgaven voornamelijk afkomstig van nationale en provinciale besturen. Het feit dat heel weinig leerlingen in het lager en lager middelbaar onderwijs in Japan naar privéscholen gaan, betekent ook dat vrijwel iedereen tijdens deze formatieve jaren deelneemt aan hetzelfde onderwijssysteem.

    Het tweede inzicht is dat leraren niet rechtstreeks door scholen moeten worden ingehuurd. In Japan worden leraren ingehuurd door provincies en daardoor komen ze in de loop van hun carrière meestal bij een aantal verschillende scholen te werken. Hierdoor kan de overheid goed presterende leraren naar achterstandsgebieden sturen. Op die manier wordt de sociaaleconomische kloof in schoolprestaties niet vergroot door ongelijke spreiding van de beste leerkrachten.

    Er bestaan veel andere ideeën over hoe we de ongelijkheid in het onderwijs kunnen verminderen – sommige zijn gemakkelijk te realiseren, andere moeilijker. Onderzoek door Roland Fryer, die aan Harvard werkt, heeft aangetoond dat de prestaties van leerlingen op openbare scholen al sterk kunnen verbeteren door schooldirecteuren simpelweg meer training aan te bieden. In Groot-Brittannië heeft de lerarenvakbond ervoor gepleit om een bepaald aantal plekken op goed presterende scholen te reserveren voor kansarme leerlingen van buiten het schoolgebied. In de Verenigde Staten bestaat er een vergelijkbaar concept: de zogenaamde ‘magneetschool’, die tot doel heeft om getalenteerde leerlingen ongeacht hun achtergrond bij elkaar te brengen. Wat voor effect dit heeft op de kansarme leerlingen die niet geselecteerd worden, is echter nog onduidelijk. Betaalbare huisvesting is misschien wel de meest effectieve manier om de verschillen in onderwijsresultaten binnen steden te verkleinen. Zo krijgen armere gezinnen toegang tot de betere scholen in rijkere buurten.

    In de eerste decennia van de twintigste eeuw kwamen er steeds meer zorgen over de levenskwaliteit van arme arbeiders, die zichzelf gedwongen zagen in overvolle en krakkemikkige woningen in binnensteden te wonen. Veel rijke landen leverden daarom grote inspanningen om dergelijke gebieden te ontruimen en de woongelegenheid te vervangen door sociale huisvesting, een proces dat in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog in een stroomversnelling raakte. Groot-Brittannië was hierin bijzonder voortvarend: tussen het einde van de oorlog en het begin van de jaren tachtig werden er meer dan vier miljoen sociale woningen bijgebouwd. Dergelijke initiatieven gingen natuurlijk gepaard met de nodige kritiek. Stedenbouwkundige Jane Jacobs hield in de jaren zestig bijvoorbeeld een krachtig pleidooi tegen de aanpak die in New York City gangbaar was: sloppenwijken werden platgewalst en vervangen door levensloze, slecht ontworpen woonprojecten die ten koste gingen van de lokale gemeenschappen.

    Toch heeft sociale huisvesting een belangrijke rol gespeeld in het verminderen van ongelijkheid in steden, doordat alle inwoners van onderdak worden voorzien. Als sociale woningen door de stad verspreid liggen, helpen ze bovendien om sociaaleconomische segregatie tegen te gaan.

    In Londen werden in de naoorlogse decennia bijvoorbeeld ook sociale woningen gebouwd in welgestelde wijken als Chelsea of Primrose Hill. Een voordeel hiervan was dat achtergestelde gezinnen toegang kregen tot dezelfde scholen en lokale diensten als hun welgestelde buren. Vanaf de jaren tachtig gold echter het neoliberale beleid van onder andere Thatcher en Reagan. Sociale huisvesting raakte in veel landen uit de gratie. Het kooprechtbeleid van Thatcher leidde er in Groot-Brittannië toe dat miljoenen woningen aan huurders werden verkocht, waardoor de staat in de daaropvolgende jaren niet langer mensen in nood kon huisvesten.

    Economen begonnen te pleiten voor een marktvriendelijker model: voor arme gezinnen moesten er directe financiële steun komen in de vorm van huisvestingsvouchers. Als gevolg hiervan nam de sociaaleconomische segregatie in veel steden toe, omdat huishoudens met lage inkomens samenklonterden in buurten waar de huren laag waren. In de afgelopen jaren heeft Groot-Brittannië geprobeerd dit probleem te verhelpen door te eisen dat nieuwe woonwijken boven een bepaalde omvang een bepaald aantal woningen onder de marktprijs aanbieden. Maar zelfs als deze woningen worden meegerekend, is het aantal sociale en goedkopere woningen in Groot-Brittannië sinds de jaren tachtig gestaag gedaald.

    Onbereikbaar

    Steden als Wenen laten zien dat het anders kan. Meer dan 60 procent van de inwoners van Wenen woont in gesubsidieerde huurwoningen – terwijl dat in Londen ongeveer 20 procent is en in New York iets meer dan 5 procent. Ongeveer de helft daarvan is eigendom van de gemeentelijke overheid, de andere helft is in het bezit van gesubsidieerde non-profitcoöperaties. De liberale bovengrens voor een huishoudinkomen om in aanmerking te komen voor gesubsidieerde huisvesting ligt relatief hoog: 53.340 euro voor een alleenstaande bewoner en 79.490 euro voor een stel. Dat betekent dat in deze woonblokken mensen uit een relatief breed sociaaleconomisch spectrum worden samengebracht.

    Door de snelle stijging van de huizenprijzen in veel grote steden is woningbezit – en de rijkdom die dat met zich meebrengt – voor veel mensen steeds onbereikbaarder geworden. De huizenprijzen in Londen, Parijs, New York en Sydney zijn de afgelopen decennia veel sneller gestegen dan het gemiddelde inkomen. Dat maakt het moeilijk om genoeg geld te sparen voor een eerste koophuis.

    Er zijn twee grote boosdoeners die ervoor zorgen dat huizen steeds minder betaalbaar worden. De eerste is dat de rentes jarenlang heel laag zijn geweest, waardoor een hypotheek tot voor kort ongewoon goedkoop was. Mensen die al over het startkapitaal voor een aanbetaling beschikten, konden daarom meer geld inleggen voor een woning, of die nu voor henzelf was of een belegging. Daardoor stegen de prijzen en werd het voor mensen zonder spaargeld moeilijker om een woning te kopen. De recente stijging van de rentetarieven heeft niet geholpen, omdat de kosten van woningkredieten meer zijn gestegen dan de huizenprijzen zijn gedaald. 

    De tweede boosdoener is de langetermijnvertraging in de bouw van nieuwe huizen. Als we de veranderde bevolkingsgrootte in ogenschouw nemen, bouwen rijke landen nu minder dan de helft van het aantal huizen dat ze in 1970 bouwden. Het probleem is vooral nijpend in binnensteden, waar het woningaanbod de afgelopen decennia nauwelijks is gegroeid en de bouwactiviteit vooral is gericht op het opknappen van de al bestaande voorraad. Tussen 2010 en 2019 steeg het totale aantal woningen in de vijf stadsdelen van New York City met slechts 6 procent, terwijl de werkgelegenheid met 21 procent toenam.

    Steden moeten stoppen met uitdijen aan de randen en in plaats daarvan de dichtheid verhogen. Dit hoeft geen eindeloze hoogbouw en vernietiging van erfgoed te betekenen – er kan veel bereikt worden door gebruik te maken van middelhoogbouw en door voormalige kantoren en industriële ruimtes sneller te verbouwen. Aangezien de bevolking in rijke landen vergrijst en jongeren langer alleen wonen, kan het ook helpen om eengezinswoningen sneller op te splitsen in eenpersoonswoningen.

    De laatste pijler voor eerlijkere steden is eerlijker openbaar vervoer. Toegang tot goedkoop vervoer is lange tijd van essentieel belang geweest om de kansarme inwoners van steden toegang te geven tot betaald werk. Toch zijn de bestaande openbaarvervoersystemen in veel grote steden meer dan een eeuw geleden ontworpen en gebouwd, in een tijd waarin armoede heel anders verdeeld was. Naarmate de binnensteden meer gegentrificeerd raken en de armoede zich naar de buitenwijken verplaatst, bestaat het risico dat de infrastructuur in veel steden uiteindelijk de bewoners bedient die haar het minst nodig hebben. De kosten van een maandabonnement zijn in Londen bijvoorbeeld het hoogst voor mensen die van de buitenwijken naar de binnenstad moeten pendelen, terwijl de armoede juist in deze gebieden het snelst toeneemt.

    Ook moet worden nagedacht over hoe het openbaar vervoer gefinancierd wordt. In Londen is meer dan 70 procent van de inkomsten uit het openbaar vervoer afkomstig van kaartjes, twee keer zo veel als in Parijs. Een maandabonnement in Londen voor de zones een tot en met drie – min of meer de binnenste wijken – kost op het moment van schrijven 211 euro. In Parijs kost een metrokaart voor alle zones – waarmee eenzelfde afstand kan worden afgelegd – 84 euro.

    De voorspelling dat binnensteden op grote schaal verlaten zouden worden, is niet uitgekomen

    Een vervoerssysteem zoals dat van Londen, dat meer afhankelijk is van ticketinkomsten dan van algemene belastingen, legt een grotere financiële druk op de armste inwoners van de stad en vergroot het risico dat ze vast komen te zitten in problematischer buurten. Toch is het Londense systeem, ondanks al zijn gebreken, veel beter dan de infrastructuur in Amerikaanse steden als Los Angeles of Atlanta, die volledig is gericht op autorijden. Het gebrek aan openbaar vervoer houdt de inwoners aldaar die zich geen auto kunnen veroorloven arm.

    Door de pandemie zijn steeds meer mensen op afstand gaan werken. Drie jaar later hebben we een duidelijker beeld van wat voor invloed dat op steden heeft gehad. De voorspelling dat binnensteden op grote schaal verlaten zouden worden, is niet uitgekomen: bewoners hechten waarde aan meer dan alleen reistijd. Toch eist de daling van het woon-werkverkeer in de centrale zakenwijken een grote tol: kantoren staan leeg, het openbaar vervoer is onderbenut en de winkels en restaurants die forenzen bedienden, hebben moeite te overleven. De verpaupering van het centrum van San Francisco illustreert dergelijke risico’s. Het langdurig daklozenprobleem waaronder de stad gebukt gaat, wordt verergerd door onbetaalbare huisvesting. Het is tijd voor gedurfd beleid, gebaseerd op een verfrissende, nieuwe aanpak.

    Steden zijn in alle samenlevingen een bron van vernieuwing. Al vijfduizend jaar vormen ze de motor van vooruitgang en stimuleren ze samenwerking, specialisatie en creativiteit: de drijvende krachten achter de ontwikkeling van de mensheid. Vandaag leven er meer mensen in steden dan ooit tevoren. Het is noodzakelijk dat we leren hoe we steden kunnen verduurzamen en toegankelijk kunnen maken voor iedereen, en niet alleen voor die paar gelukkigen.

    Dit is een bewerkt uittreksel uit Age of the City: Why Our Future Will Be Won or Lost Together door Ian Goldin en Tom Lee-Devlin.

  • Deze kungfu-nonnen breken met conventies in Nepal

    Deze kungfu-nonnen breken met conventies in Nepal

    In het Himalayaanse boeddhisme werden nonnen lange tijd in hun religieuze rol beperkt door regels en genderbarrières. Nu brengt één religieuze groep daar verandering in, door meditatie te combineren met vechtkunst en milieuactivisme.

    Boven de besneeuwde toppen van de Himalaya priemen de eerste zonnestralen door de wolken. Jigme Rabsal Lhamo, een boeddhistische non, trekt van achter haar rug een zwaard tevoorschijn. Met een zwaai slaat ze haar tegenstander tegen de grond.

    ‘Houd je ogen op het doel! Concentreer je!’ schreeuwt Lhamo tegen de gevloerde non, terwijl ze haar recht in de ogen aankijkt. We bevinden ons buiten bij een witgekalkte tempel in het Druk Amitabha-nonnenklooster. Het gebouw staat op een heuvel die uitkijkt over Kathmandu, de hoofdstad van Nepal.

    Lhamo en de andere leden van haar religieuze orde staan bekend als de kungfu-nonnen. Ze maken deel uit van een achthonderd jaar oude boeddhistische sekte die Drukpa heet, wat in het Tibetaans ‘draak’ betekent. In de Himalaya, maar ook in de rest van de wereld, combineren volgelingen van de sekte meditatie met vechtkunst.

    Elke dag verruilen de nonnen hun donkerrood gewaad voor een kastanjebruin uniform en beoefenen ze de eeuwenoude Chinese vechtkunst kungfu. Onderdeel van hun spirituele missie is het streven naar gendergelijkheid en fysieke fitheid. Hun boeddhistische geloof schrijft bovendien voor dat ze een milieuvriendelijk leven leiden.

    Tijdens de ochtenden waarop de nonnen trainen onder leiding van Lhamo, klinkt het gedreun van voetstappen en het gekletter van zwaarden. De wijde uniformen van de nonnen ritselen door de ruimte als ze radslagen maken en elkaar stoten en trappen uitdelen.

    Genderbarrières

    ‘Kungfu helpt ons om genderbarrières te doorbreken en zelfvertrouwen te ontwikkelen,’ zegt Lhamo (34), die twaalf jaar geleden naar het nonnenklooster kwam vanuit Ladakh, in het noorden van India. ‘Het leert ons ook voor anderen te zorgen in tijden van crisis.’

    Zo lang als boeddhistische geleerden zich kunnen herinneren, rustte er een stigma op Himalayaanse nonnen die streefden naar spirituele gelijkwaardigheid ten opzichte van monniken. Dat stigma werd veroorzaakt door de ideeën van religieuze leiders en algemene sociale conventies.

    Monniken werden aangemoedigd om diepzinnige filosofische debatten aan te gaan, maar vrouwen mochten niet deelnemen. Ze mochten alleen klusjes doen als koken en schoonmaken in kloosters en tempels. Ze mochten geen activiteiten verrichten waarbij fysieke inspanning nodig was, geen gebeden leiden en zelfs niet zingen.

    In de afgelopen decennia zijn deze belemmeringen onderwerp geworden van een hevige strijd. Deze wordt gevoerd door duizenden nonnen, afkomstig uit vele verschillende sekten van het Himalayaanse boeddhisme.

    Aan het hoofd van de strijd om verandering staan de kungfu-nonnen, wier Drukpa-sekte dertig jaar geleden onder leiding van Jigme Pema Wangchen een hervormingsbeweging begon. Wangchen, die ook wel bekendstaat als de twaalfde Gyalwang Drukpa, was bereid eeuwenlange tradities te doorbreken. Hij wilde ervoor zorgen dat nonnen de religieuze boodschap van de sekte buiten de kloostermuren zouden uitdragen. ‘We willen grote veranderingen teweegbrengen,’ aldus kungfu-non Konchok Lhamo (29). ‘In een klooster op een kussen zitten en mediteren is niet genoeg.’

    Conservatieve boeddhisten hebben al gedreigd Drukpa-tempels in brand te steken

    Vandaag de dag houden Drukpa-nonnen zich niet alleen bezig met kungfu. Ze leiden ook gebeden en maken maandenlange pelgrimstochten om plastic afval op te rapen en mensen in te lichten over klimaatverandering.

    Afgezien van een corona-gerelateerde onderbreking hebben de nonnen de afgelopen twintig jaar elk jaar ruim tweeduizend kilometer gefietst om duurzaam vervoer te promoten. De reis begint in Kathmandu en eindigt in Ladakh, een hoog in het Himalaya-gebergte gelegen streek. Onderweg stoppen de nonnen om mensen op zowel het Nepalese als Indiase platteland voor te lichten over gendergelijkheid en over het feit dat ook meisjes ertoe doen.

    In 2008 kwamen de nonnen van de sekte voor het eerst in contact met de vechtkunst. Ze leerden erover van volgelingen uit Vietnam, die naar het klooster waren gekomen om geschriften te bestuderen en de instrumenten te bespelen die tijdens het gebed worden gebruikt. Sindsdien zijn ongeveer achthonderd nonnen getraind in de basisbeginselen van de vechtkunst. Zo’n negentig van hen hebben een intensief lesprogramma doorlopen om trainer te worden.

    De twaalfde Gyalwang Drukpa heeft de nonnen ook opgeleid tot zangmeesters, een post die vroeger alleen aan mannen was voorbehouden. Bovendien zorgde hij ervoor dat ze het hoogste niveau van onderwijs kregen: mahamudra. Het is een geavanceerd meditatiesysteem dat zijn naam ontleent aan het Sanskriet woord voor ‘grote zegel’.

    De nonnen genieten inmiddels grote bekendheid, zowel in het overwegend Hindoestaanse Nepal – dat voor ongeveer 9 procent uit boeddhisten bestaat – als in het buitenland. Maar de veranderingen die de sekte teweegbrengt, worden niet zonder slag of stoot geaccepteerd: conservatieve boeddhisten hebben al gedreigd Drukpa-tempels in brand te steken.

    ‘Ons leven wordt beperkt door heel veel regels; die gaan zelfs over wat voor zakken je in je gewaad mag hebben’

    Wanneer de nonnen over steile hellingen van het klooster naar de plaatselijke markt gaan, worden ze vaak uitgescholden door monniken van andere sekten. Dat schrikt ze naar eigen zeggen niet af. Als ze in hun open busjes door de streek rijden, lijken ze met hun kaalgeschoren hoofden op soldaten. Ze zien eruit alsof ze in de frontlinie thuishoren en elk vooroordeel onderuit kunnen halen.

    Op de enorme campus van de sekte wonen driehonderdvijftig nonnen. Ze leven er samen met eenden, kalkoenen, zwanen, geiten, twintig honden, een paard en een koe – allemaal dieren die ofwel uit de handen van de slager ofwel van de straat zijn gered. De vrouwen werken als schilder, kunstenaar, loodgieter, tuinier, elektricien en metselaar, en ze beheren tevens een bibliotheek en een medische kliniek voor leken.

    ‘Wanneer mensen naar het klooster komen en ons zien werken, zien ze plotseling in dat een nonnenbestaan niet “nutteloos” is,’ aldus Zekit Lhamo (28). Daarmee verwijst ze naar een belediging die de nonnen geregeld naar het hoofd geslingerd krijgen. ‘We bekommeren ons niet alleen om onze religie, maar ook om de samenleving.’

    Inspiratie

    Het werk van de nonnen heeft andere vrouwen in de hoofdstad van Nepal geïnspireerd. ‘Als ik naar hen kijk, wil ik ook non worden,’ zegt Ajali Shahi, die afstudeert aan de Tribhuvan-universiteit in Kathmandu. ‘Ze zien er zo cool uit. Je krijgt zin om je leven ervoor overhoop te gooien.’

    Elke dag ontvangt het nonnenklooster minstens twaalf verzoeken om te mogen intreden. Die komen van verre, bijvoorbeeld uit Mexico, Ierland, Duitsland en de Verenigde Staten. ‘Maar niet iedereen kan dit,’ zegt non Jigme Yangchen Ghamo. ‘Van de buitenkant ziet het er aantrekkelijk uit, maar je weet niet hoe zwaar het leven hierbinnen is.’ Ze gaat verder: ‘Ons leven wordt beperkt door zoveel regels. Er is zelfs voorgeschreven wat voor zakken je in je gewaad mag hebben.’

    De nonnen worden om drie uur ’s nachts wakker om in hun slaapzaal te gaan mediteren. Vóór zonsopkomst lopen ze naar de hoofdtempel, waar zangmeester Tsondus Chuskit de gebeden leidt. In kleermakerszit zitten de nonnen op banken en bladeren ze op hun iPads door de gebedsteksten – dit om zo weinig mogelijk papier te gebruiken. Dan beginnen ze eenstemmig te zingen, en de felgekleurde tempel vult zich met het geluid van trommels, hoorns en bellen. Na de gebeden verzamelen ze zich buiten.

    Jigmet Namdak Dolker was ongeveer twaalf jaar oud toen ze een groep Drukpa-nonnen langs het huis van haar oom in het Indiase Ladakh zag lopen. Ze rende naar buiten en liep met ze mee. Dolker, die geadopteerd is, wilde ook non worden en smeekte haar oom om haar naar het Drukpa-nonnenklooster te laten gaan, maar hij weigerde.

    Vier jaar later liep ze op een dag weg van huis om zich aan te sluiten bij de duizenden mensen die de verjaardag van Jigme Pema Wangchen, het hoofd van de sekte, vierden. Uiteindelijk kwam ze in het klooster terecht. Ze is er nooit meer weggegaan.

    En? Hoe voelt ze zich zeven jaar later, waarvan er zes in het teken stonden van kungfu? ‘Trots. Ik voel de vrijheid om te doen wat ik wil,’ zegt ze. ‘En ik voel me zo sterk van binnen dat ik alles aankan.’

    Lees ook:

  • Doden bij inheemse opstand binnenland Suriname

    Doden bij inheemse opstand binnenland Suriname

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Oezbekistan geeft huidige president mogelijk mandaat tot 2040

    » VS: 20.000 Russen omgekomen in strijd om Bachmoet

    Onder meer een politiebureau werd in brand gestoken

    Inwoners van het Surinaamse dorp Pikin Saron in district Para hebben dinsdag een politiepost en een controlepost van het staatsbosbeheerbedrijf SBB aangevallen en vrachtwagens en andere voertuigen in brand gestoken. Dat schrijft De Ware Tijd. Vervolgens vielen zij een goudconcessie van het Surinaamse mijnbouwbedrijf Grassalco in het nabijgelegen Maripaston binnen, waarbij een werknemer van het bedrijf werd neergeschoten. Bij schotenwisselingen met de politie vielen vervolgens twee doden.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De regering heeft het leger richting het district gestuurd om de orde te herstellen. Website Waterkant citeert president Chan Santokhi, die zegt: ‘In de eerste plaats spreek ik mijn ernstige afkeuring uit. Deze acties horen niet thuis in onze samenleving. Alle misnoegen worden in overleg en met gesprekken uitgewerkt. Ook in dit geval zullen de grieven van de lokale bewoners op een correcte manier worden behandeld.’

    Het is al meerdere weken onrustig in Para, waar de inheemse bevolking zegt geen inspraak te hebben in de mijn- en bosbouw in het gebied. Ook willen ze meer mee kunnen profiteren van de opbrengst. De groep wil een rechtszaak beginnen om de Surinaamse staat te dwingen inkomsten af te staan.

    Lees ook:

  • ‘Afghanen zijn vernederd, ik ben vernederd’

    ‘Afghanen zijn vernederd, ik ben vernederd’

    Het leven onder de last van onderdrukking, verstikking, tirannie en gebrek aan menselijke en morele waarden is een ramp, schrijft de Afghaanse dichter en vrouwenrechtenactivist Somaia Ramish.

    Vrijheid is altijd trots en gevangenschap is altijd vernederend. Het leven onder de last van onderdrukking, verstikking, tirannie en gebrek aan menselijke en morele waarden is een ramp. Leven in afwezigheid van vrijheid, of op zijn minst van het kunnen oefenen voor vrijheid, geeft niets anders dan frustratie. Op dit moment is er in Afghanistan een volstrekt gebrek aan visie, actie en denken in de richting van vrijheid. Van Afghanistan is niets meer over dan een geografisch gebied dat zo wordt genoemd. Wat op 15 augustus 2021 gebeurde, was de bitterste ervaring van een land dat toch al in de muil van menselijke tirannie en barbaarsheid was gevallen. De omvang van de ramp is enorm en verwoestend.

    Beschaving

    Ik maakte deel uit van een samenleving die ruim twintig jaar lang probeerde na te denken over beschaving, over menselijke waarden en het vorm geven aan burgerrechten. Ik leidde de stichting Moderne Denkers in Herat en was medeoprichter van Radio Shahrzad. Ik stelde me verkiesbaar voor de provinciale burgerraad. Die samenleving werd op 15 augustus 2021 vernederd, de hoop van een generatie die was toe gaan leven naar een betere toekomst werd vernederd. Onze gedachten, onze hoop op gerechtigheid en gelijkheid, onze taal, onze cultuur en onze hele beschaving werden vernederd.

    Afghanistan werd toevertrouwd aan een groepering die verstoken is van waarden. De taliban zijn een gewelddadige, versteende, extreem extreme, achterlijke en onderdrukkende beweging. Uiteindelijk zijn Afghanen vanuit menselijk oogpunt zo vernederd dat zelfs met de mond beleden vijandigheden tegen de taliban vernederend zijn voor Afghanen.

    Als ik aan de taliban denk, is het eerste dat in me opkomt het instorten van de boeddhabeelden

    Als ik aan de taliban denk, is het eerste dat in me opkomt het instorten van de boeddhabeelden. Denk nog eens aan die vernietiging! Of aan de kapotte poort van Ghazna, de vernielde schilderijen van Behzad in Herat, de kapotgemaakte instrumenten van artiesten, de met bloed doordrenkte haat die zangers ten deel viel, de aanval op de citadel van Herat. Weten mensen dat de straatnamen een voor een werden veranderd? Dat de kleur van de kleding van mensen veranderde, dat de angst en schrik op het gezicht van mensen op straat meegroeide met het aantal ongeschoren baarden? Dat ze mijn zus eigenhandig in een hijab staken en zo haar vrouwelijkheid ten grave droegen? Dat zelfs de lijken met stenen werden bekogeld?  

    Ik voelde me vernederd, alle dagen van het afgelopen jaar. 

    Waar ter wereld Afghanen het afgelopen jaar ook waren, ze voelden de vernedering met iedere hap eten in hun kwetsbare botten. Als we bleven, werden we vernederd. Door de voor de ogen van tienermeisjes gesloten poorten van scholen, de ogen van een moeder die haar zoon verloor in de oorlog met de taliban, de media met die zwartbedekte gezichten van vrouwelijke verslaggevers, de bakkerij die niet voor iedereen brood heeft, de straten met achtergebleven bloedvlekken en de anonieme graven van soldaten van het nationale leger.

    Niet langer vrij

    Als we het land verlieten werden we ook vernederd. Grenzen vernederden ons, zeeën, prikkeldraad, half kapotte boten, de grenswachten van Turkije en Iran, de hardvochtige politie van Pakistan, de gesloten poorten van India, migrantenkampen in New Jersey en Washington, afgelegen huizen in Kosovo, wetten, immigratie, vliegtickets, lange rijen voor brood en water, vermoeidheid achter de dichte deuren van ambassades, onbeantwoorde e-mails, de tijd en de lucht waarin we hingen en de aarde die geen plaats voor ons had. Alles in dit afgelopen jaar van ‘Het Heengaan’ was vernederend. 

    Ik ervaar de pijn van verpletterd en vernederd worden, en ik geloof nu dat vernedering alleen maar tot vernietiging kan leiden. De vernietiging van het hart van de Afghaanse samenleving kan niet worden ontkend. De gevolgen van deze onvermijdelijkheid zijn angstaanjagend. In elke uithoek van de wereld zitten we gevangen in ons eigen hart, omdat ons land niet langer vrij is. 

    Schermafbeelding 2022 11 20 om 21.43.25 1
    Een vergadering bij de stichting Moderne Denkers (Naw Andishan). Rechts vooraan: Somaia Ramish. © Elaha Sahel

    Voor mij blijft het woord ‘vrijheid’ een uitzinnige illusie, nu Afghanistan is ondergedompeld in deze brute en zwarte ervaring. Ik denk minder aan vrijheid. Iemand die voor de ogen van de wereld is vernederd heeft nog een lange weg te gaan om weer een essentie in zichzelf te vinden, die te polijsten en de roest te verwijderen die vanuit een andere eeuw naar onze eigen tijd blijkt te zijn gekomen. Ik ben verbitterd en teleurgesteld. Ik ben geworden als een lam dat de dood al voelt voordat het wordt geofferd. Nog bitterder stemt het mij als Afghaanse burger dat het onderwerp genaamd ‘Afghanistan’ in het internationale discours steeds minder interesse wekt, al hebben de etnische en tribale relaties, een dynastieke kijk op interne kwesties en het vermijden van elke vorm van nationalisme ook meegewerkt aan de vernietiging van de Afghaanse vrijheid. Het wantrouwen en de onderlinge onverenigbaarheid van bewegingen tegen de taliban hebben Afghanistan kwetsbaarder en beklagenswaardiger gemaakt. 

    Feit is dat ook wij de val nog steeds niet kunnen reconstrueren

    En helaas zijn wij, het geïsoleerde en over de hele wereld verspreide volk van Afghanistan, nog niet in het reine gekomen met het walgelijke, vernederende en krenkende verhaal van de val. Feit is dat ook wij de val nog steeds niet kunnen reconstrueren. We zijn nog niet ontsnapt aan het verhaal en worden zelf ook heen en weer geslingerd tussen de verhalen die loskomen, de ijzingwekkende en oncontroleerbare verhalen.

    Uit vele relaties is de charme verdwenen en het is alsof het vreedzaam naast elkaar bestaan van nationaliteiten en intellectuele minderheden, het leiden van een fatsoenlijk leven en het denken over vrijheid een jaar later nog meer een illusie zijn geworden.

    Somaia Ramish was vrouwenrechtenactivist in Afghanistan en is dichter en auteur. Na de val van Afghanistan vluchtte ze naar Nederland. Ze woont met haar man en twee kinderen in Rotterdam.

  • Waarom een slank lichaam vrouwen een hoger salaris oplevert

    Waarom een slank lichaam vrouwen een hoger salaris oplevert

    Hoe hard feministen ook door de jaren heen hebben geroepen dat vrouwen zich van hun ijdelheid moesten bevrijden, gewicht en uiterlijk spelen voor velen nog altijd een belangrijke rol. Vrouwen die slank zijn, krijgen zelfs beter betaald.

    Mireille Guiliano is een succesvolle, slanke vrouw. Ze werd geboren in Frankrijk en studeerde in Parijs, waarna ze als tolk voor de Verenigde Naties ging werken. Vervolgens ging ze in de champagnebranche, en in 1984 trad ze in dienst bij Veuve Clicquot, dat toen nogal matig presteerde. Ze klom op in de rangen en lanceerde een dochteronderneming in de VS. Daarvan werd ze in 1991 directeur en ze leidde het bedrijf met groot succes. In haar appartement met uitzicht op Manhattan biedt ze een glas water aan. ‘Je weet hoeveel ik van water hou,’ zegt ze. Inderdaad, want veel water drinken is een hoofdregel in Waarom Franse vrouwen niet dik worden, Guiliano’s bestseller over afvallen en slank blijven ‘op Franse wijze’. 

    In het boek beschrijft ze hoe vreselijk ze het als tiener vond om zwaarder te worden toen ze een zomer in Amerika verbleef. Haar ongemak bereikte een dieptepunt toen ze weer terugkwam in Frankrijk en haar vader, in plaats van haar te omhelzen, zei dat ze eruitzag ‘als een zak aardappelen’. Ze ging op dieet, pikte haar oude Franse gewoonten weer op (veel water, afgemeten porties, regelmatig bewegen) en liet de weegschaal weer in haar voordeel doorslaan.

    GettyImages 182297968
    De Amerikaanse auteur en uitgever Helen Gurley Brown (1922-2012) en de Amerikaanse socialite Gloria Vanderbilt wonen een signeersessie bij op Madison Avenue in New York, 1996. Beiden adviseerden vrouwen om van 800 calorieën per dag te leven. – © Rose Hartman / Archive / Getty Images

    Als succesvolle vrouw die bereid is publiekelijk over haar uiterlijk en gewicht te praten, is Guiliano een zeldzaamheid. ‘Natuurlijk wil niemand het erover hebben,’ zegt ze. ‘Het is gemakkelijker om te doen alsof het vanzelf gaat.’ Opeenvolgende feministische golven vertelden verstandige vrouwen dat ze zich moesten bevrijden van ijdelheid, van de huishoudelijke slavernij en van een door voortplanting bepaald bestaan.

    Maar een vrouw die diep wordt geraakt door een opmerking over haar gewicht is geen uitzondering. Aubrey Gordon, medepresentator van Maintenance Phase, een podcast die hedendaagse problemen rond afvallen en welzijn aanpakt, kreeg al op haar tiende van een arts te horen dat ze overgewicht had. En Roxane Gay, een Amerikaanse auteur, beschrijft de schrik op het gezicht van haar ouders toen ze op dertienjarige leeftijd terugkwam van haar eerste semester op een kostschool en zo’n 14 kilo meer woog dan toen ze vertrok.

    Vandaag de dag is het perfecte lichaam de ‘weasel body’

    Het zijn persoonlijke maar ook universele ervaringen, althans in de rijke landen. Ze weerspiegelen de druk op vrouwen om op een ‘ideaal’ te lijken. Dat ideaal is in de loop der tijd veranderd. Naakten uit de Renaissance tonen bijvoorbeeld weelderige rondingen, maar de laatste decennia is slankheid het schoonheidsideaal. In de jaren tachtig gold in New York de ‘social x-ray’ – een term die Tom Wolfe introduceerde in zijn roman Het vreugdevuur der ijdelheden om vrouwen te beschrijven die zo dun waren dat ze haast tweedimensionaal leken. In Londen werd dat in de jaren negentig het ideaal van heroin chic.

    Als een wezel

    Vandaag de dag is het perfecte lichaam ‘weasel body’, zegt een vrouw uit Los Angeles, die om zich heen veel vrouwen ziet die fysieke perfectie nastreven. Ze proberen er zo gestroomlijnd en strak uit te zien als een wezel, alsof ze door het water kunnen glijden zonder een rimpeling te veroorzaken. Het streven naar zo’n lichaam laat misschien iets meer eten toe dan de diëten van vroeger, maar het is even moeilijk te bereiken.

    Alle vrouwen zijn zich uiteindelijk bewust van het belang dat aan hun lichaam wordt gehecht. Het is alsof meisjes nietsvermoedend door een bos lopen en dan de bomen te zien krijgen. Wellicht vragen ze zich af hoe die bomen daar gekomen zijn, hoelang ze er al groeien en hoe diep hun wortels werkelijk gaan. Maar ze kunnen er weinig aan doen en het is bijna onmogelijk om zich de wereld anders voor te stellen. Het fabeltje dat slimme en ambitieuze vrouwen, die hun waarde op de arbeidsmarkt kunnen bepalen op basis van hun intelligentie of opleiding, geen aandacht hoeven te besteden aan hun figuur is moeilijk vol te houden als je kijkt naar gegevens over de wisselwerking tussen gewicht en loon of inkomen. De relatie is anders in arme landen waar rijke mensen over het algemeen zwaarder zijn dan arme.

    In landen als de VS, Groot-Brittannië en Duitsland en rijke Aziatische landen als Zuid-Korea zijn rijke mensen dunner dan arme mensen. Kenmerkend is een licht dalende relatie tussen maatstaven voor gewicht zoals de bodymassindex (BMI) – een maat voor zwaarlijvigheid – of het deel van de bevolking dat zwaarlijvig is, en het inkomen, gemeten naar lonen, het aantal mensen onder de armoedegrens of het inkomenskwartiel.

    Venus von Willendorf 01 2
    De Venus van Willendorf, een iconische sculptuur van 25.000 jaar voor Christus, wordt meestal geïnterpreteerd als een vruchtbaarheidssymbool. Het beeld is te zien in het Natuurhistorisch Museum in Wenen. – © Wikipedia

    Dat arme mensen meer kans hebben op overgewicht wordt vaak verklaard met het argument dat zwaarlijvigheid in rijke landen een kenmerk is van armoede. Arme mensen zouden zich moeilijk gezond voedsel kunnen veroorloven. Ze grijpen misschien eerder naar bewerkt voedsel of fastfood, omdat ze geen tijd hebben om thuis te koken of minder tijd hebben om te sporten; slechter betaalde banen gaan immers vaak gepaard met lange diensten en met minder flexibiliteit dan de banen van de ‘laptopklasse’. Aangezien een laag inkomen vaak het gevolg is van een beperkte opleiding, kan het gebrek aan opleiding ook leiden tot gebrek aan kennis over een gezond gewicht.

    Het probleem met al deze verklaringen is dat de correlatie tussen inkomen en gewicht op landelijk niveau in de meer ontwikkelde landen bijna volledig voor rekening komt van vrouwen. Uitgedrukt in een grafiek toont het verband tussen inkomen en gewicht in de VS en Italië een horizontale lijn voor mannen en een dalende lijn voor vrouwen. 

    Zuid-Korea

    In Zuid-Korea is de correlatie positief voor mannen, maar deze wordt ruimschoots tenietgedaan door de sterk negatieve correlatie bij vrouwen. In Frankrijk loopt de lijn voor mannen licht naar beneden, maar voor vrouwen veel steiler. Dergelijke patronen, op welke manier ook gemeten, lijken te gelden voor de meeste rijke landen.

    Met andere woorden: rijke vrouwen zijn veel slanker dan arme vrouwen, maar rijke mannen zijn ongeveer even dik als arme mannen. Wallis Simpson, van wie het huwelijk met koning Edward VIII leidde tot diens troonsafstand, zou hebben gezegd dat een vrouw ‘nooit te rijk of te dun kan zijn’. Kennelijk moet ze allebei of geen van beide zijn.

    Je zult dan moeten uitleggen waarom die dynamiek alleen vrouwen lijkt te treffen

    Dat zou iedereen tot nadenken moeten stemmen die denkt dat armoede de verklaring is voor zwaarlijvigheid, of dat rijk zijn bevorderlijk is voor een lager gewicht. Je zult dan moeten uitleggen waarom die dynamiek alleen vrouwen lijkt te treffen. Misschien is het verband voor beide geslachten hetzelfde, maar verschillen de beroepen die ze uitoefenen en die slankheid vereisen of tot gevolg kunnen hebben. Mannen doen onevenredig veel laagbetaald fysiek werk, zoals in de bouw (hoewel verplegend personeel onevenredig vaak uit vrouwen bestaat, die evenveel tijd lopend of staand doorbrengen als bouwvakkers). Van sommige rijke vrouwen, zoals actrices, kan expliciet worden geëist dat zij slank zijn om bepaalde rollen te kunnen spelen.

    GettyImages 965573312
    De obsessie voor slankheid is nooit uit het modebeeld verdwenen.De terugkeer van de zogenaamde heroin chic-look, het graatmagere schoonheidsideaal van de jaren negentig, leverde felle reacties op in de bladen. Modeshow van Dior, tijdens de Prêt-à-Porter in 1997 in Parijs.© Getty Images

    Toch is het moeilijk te geloven dat een van deze wetmatigheden het complete verschil verklaart. Uit gegevens van het Amerikaanse Bureau of Labour Statistics (BLS) blijkt dat slechts 3,5 procent van de beroepsbevolking intensief lichamelijk werk doet (in sommige categorieën, zoals bewegingsonderwijs en dansen, werken veel vrouwen). Slechts 0,1 procent van deze mensen heeft een baan als acteur. Dat er een genderkloof bestaat in de relatie tussen inkomen en gewicht die niet gemakkelijk kan worden verklaard door andere verschillen tussen mannen en vrouwen, wijst op een andere verklaring: misschien helpt dun zijn vrouwen om rijk te worden.

    Minder loon

    Uit talloze studies blijkt dat vrouwen met overgewicht of obesitas minder betaald krijgen dan hun slankere collega’s, terwijl er weinig verschil bestaat in loon tussen mannen met overgewicht en mannen die medisch gezien binnen het ‘normale bereik’ vallen. Er zijn uitzonderingen: uit een Zweeds onderzoek bleek dat zwaarlijvige mannen minder betaald kregen, maar zwaarlijvige vrouwen niet. Maar uit onderzoek in de VS, Groot-Brittannië, Canada en Denemarken blijkt dat vrouwen met overgewicht minder verdienen. De straf voor een zwaarlijvige vrouw is aanzienlijk: het kost haar ongeveer 10 procent van haar inkomen.

    Uit onderzoek blijkt dat vrouwen met overgewicht 10 procent minder verdienen

    Dat kan zelfs nog een onderschatting van de werkelijkheid zijn, want de loonkloof is moeilijk te meten bij mensen die geen werk vinden vanwege hun omvang. De hoogste schattingen van hogere lonen voor slanke vrouwen zijn zo significant, dat het bijna evenveel loont om af te vallen als om bij te scholen. De loonpremie voor het behalen van een masterdiploma bedraagt ongeveer 18 procent. Dat is slechts 1,8 maal de premie die een zwaarlijvige vrouw in theorie verdient door zo’n 29 kilo af te vallen – ruwweg de hoeveelheid die een matig zwaarlijvige vrouw van gemiddelde lengte moet afvallen om in het medisch gedefinieerde ‘normale bereik’ te vallen. Die maatregel lijkt vooral significant te zijn voor witte vrouwen – het bewijs voor zwarte of Latijns-Amerikaanse vrouwen is zwakker (hoewel dat gedeeltelijk kan worden verklaard door het feit dat studies vaak gebruikmaken van de BMI, wat tot een verkeerde classificatie van deze vrouwen kan leiden).

    Discriminatie van zwaarlijvige vrouwen is niet afgenomen naarmate hun aantal toenam. ‘Je zou een afnemend loonverschil kunnen verwachten doordat er steeds meer mensen met overgewicht bij komen’, schreef econoom David Lempert in een paper voor het BLS, omdat overgewicht meer algemeen aanvaard is. In plaats daarvan is het stigma van mensen met overgewicht meegegroeid met hun aantal; het is tussen 1980 en 2000 bijna verdubbeld. Lempert suggereert dat dit kan komen doordat ‘de toenemende zeldzaamheid van slankheid heeft geleid tot een hogere premie voor slanke mensen’.

    De conclusie van het artikel stapelt de ene kwaad makende zin op de andere. Naarmate zwaardere vrouwen ouder worden, schrijft Lempert, ondervinden zij de gevolgen van jarenlange cumulatieve loondiscriminatie. Hun startloon is lager, en gedurende hun loopbaan krijgen deze vrouwen minder loonsverhoging en promotie. Uit het artikel blijkt ‘dat een drieënveertigjarige vrouw met overgewicht in 2004 een grotere loonstraf kreeg dan toen ze twintig was in 1981’, en ook dat ‘een twintigjarige vrouw met overgewicht nu een grotere loonstraf krijgt dan ze in 1981 op twintigjarige leeftijd zou hebben gekregen’.

    Deels kan dat een weerspiegeling zijn van de hogere kosten die werkgevers moeten betalen voor hun zwaarlijvige werknemers, vooral in Amerika. De premie voor een ziektekostenverzekering wordt in de VS vaak door de werkgever betaald, en iemand met overgewicht of obesitas heeft doorgaans hogere kosten, onder andere doordat er bij het ouder worden meer gezondheidsproblemen optreden. Toch is het onduidelijk waarom deze kosten alleen op vrouwen worden afgewenteld. En studies in Canada en Europa (waar door de overheid gefinancierde gezondheidszorg de norm is) tonen al even grote loonstraffen voor vrouwen.

    De houding tegenover zwaarlijvige personen is aanzienlijk negatiever geworden

    Het idee dat het bestraffen van zwaarlijvigheid toe- in plaats van afneemt wordt onderbouwd door de resultaten van een onderzoek van de Harvard-universiteit naar impliciete vooroordelen. Aan de testpersonen wordt gevraagd mensen van verschillend ras, geslacht, seksuele geaardheid of gewicht te associëren met woorden als ‘goed’ of ‘slecht’. In het algemeen gaan de uitkomsten de positieve kant op: discriminatie op grond van ras en geslacht is de afgelopen tien jaar afgenomen. Negatieve associaties met homo’s zijn met eenderde gedaald. Gewicht is de uitzondering: de houding tegenover zwaarlijvige personen is aanzienlijk negatiever geworden.

    GettyImages 515463142
    Wallis Simpson, van wie het huwelijk met koning Edward VIII leidde tot diens troonsafstand, zou hebben gezegd dat een vrouw ‘nooit te rijk of te dun kan zijn’.  © Bettmann via Getty Images

    In deze context lijken de argumenten die vaak worden gebruikt om te verklaren waarom vrouwen en meisjes zo veel druk voelen om slank te zijn, en een laag zelfbeeld hebben als zij dat niet zijn, jammerlijk onvolledig. Misschien voelen vrouwen zich inderdaad slecht over zichzelf omdat ze zich vergelijken met die slanke hinde op de omslag van een tijdschrift en laten ze zich wijsmaken dat die foto’s onbewerkt en haalbaar zijn. Misschien heeft een arts of een van hun ouders toen ze klein waren een opmerking gemaakt over hun gewicht. Maar naast deze druk is er ook die krachtige prikkel van de markt: vrouwen zien haarscherp in dat niet afvallen of slank worden hun letterlijk geld kost.

    Rendement

    Het is voor iedereen logisch dat tijd steken in een opleiding economisch rendement oplevert. Op dezelfde manier lijkt het voor vrouwen logisch om te streven naar een slank lichaam. Obsessief bezig zijn met wat en hoeveel je moet eten, dure fitnesslessen: het zijn investeringen die rendement opleveren. Voor mannen geldt dat niet.

    Vrouwen zijn zich tot op zekere hoogte hiervan bewust. Een generatie geleden leek het voor hen nog vanzelfsprekend. ‘Het belangrijkste waar je na – of tijdens – je werk mee bezig moet zijn, is je uiterlijk en je uitstraling. Het is ondenkbaar dat een vrouw die “alles wil” dik zou willen zijn, of zelfs mollig’, schreef Helen Gurley-Brown, redacteur van Cosmopolitan in de jaren tachtig en negentig, in haar boek Having It All – alvorens allerhande advies te geven over hoe je overleeft op 800 calorieën per dag en vrouwen aan te moedigen dagelijks op de weegschaal te gaan staan en te accepteren dat ‘diëten een hel is’ en ‘op te houden daar depressief van te worden’.

    Bodypositivity

    Zo’n benadering werd vier decennia geleden misschien makkelijker geslikt, maar de economische realiteit is niet heel erg veranderd. Het enige andere is het leidende narratief, dat nu bodypositivity omarmt en diëten schuwt. In plaats van het South Beach- of het Atkins-dieet gaan vrouwen nu bepaalde voedingsmiddelen mijden: ze eten glutenvrij, veganistisch of suikerarm, onder het mom van gezondheid of welzijn, om hun darmflora te verbeteren of om hun energieniveau te verhogen. Mensen geven veel geld uit aan SoulCycle-lessen, om sterk en fit te worden, maar niet om calorieën te verbranden. ‘Zelfs vrouwenglossy’s zijn nu sceptisch over de van bovenaf opgelegde verhalen over hoe we eruit moeten zien… maar de psychologische parasiet van de ideale vrouw heeft zich zo geëvolueerd dat ze nu ook overleeft in een ecosysteem dat zich zogenaamd tegen haar verzet’, schrijft Jia Tolentino in haar boek Spiegeldoolhof. Het feminisme ‘heeft de tirannie van de ideale vrouw niet uitgeroeid, maar haar stevig verankerd en juist weerbarstiger gemaakt.’

    Omdat zwaarlijvigheid een verhoogd gezondheidsrisico met zich meebrengt, zullen sommigen beweren dat het geen probleem is dat vrouwen worden gestimuleerd om af te vallen. Maar dit berust op twee wankele pijlers van de logica: ten eerste dat mensen hun gewicht volledig onder controle kunnen hebben, en ten tweede dat schaamte een goede motivator is.

    The Crush Gibson
    De Gibson Girl, getekend door Charles Gibson, werd de personificatie van vrouwelijke schoonheid in de negentiende eeuw: lang en slank in S-vormig corset, maar met royale boezem, heupen en billen. – © Charles Dana Gibson

    De meeste mensen kennen het effect dat een beetje minder eten en meer bewegen heeft op hun lichaam. Daarom is het gebruikelijk om te denken dat gewicht en obesitas veranderbare eigenschappen zijn – eigenschappen waar slanke mensen aan werken en dikke mensen niet. Als dat het geval was, zou het voor vrouwen mogelijk zijn om discriminatie op grond van gewicht achter zich te laten, door zich aan te passen aan het lichaamstype dat de maatschappij van hen verlangt. 

    Het is bijna onmogelijk om af te vallen én op gewicht te blijven

    Maar dit idee van volledige controle is misplaatst. Mensen melden vaak dat ze zwaarder worden als ze antidepressiva gaan gebruiken; bij vrouwen is dat bijvoorbeeld vaak het geval als ze lijden aan aandoeningen zoals het polycysteus-ovariumsyndroom. Roxane Gay beschrijft hoe haar gewicht toenam in de nasleep van een brute aanranding. Het roept ook de vraag op waarom een groot deel van de mensheid in de jaren tachtig collectief de controle over zijn eetgewoonten verloor en in de ontwikkelde landen zwaarlijvigheid sterk begon toe te nemen. Wetenschappers twijfelen over het antwoord (sommigen wijzen op de opkomst van bewerkt voedsel), maar zijn het er wel over eens dat het bijna onmogelijk is om af te vallen én op gewicht te blijven. Mensen die dat lukt zijn veel zeldzamer dan mensen die het hun leven lang proberen, daar niet in slagen en zichzelf de schuld geven.

    Misschien werkt schaamte voor sommige mensen. Het werkte voor Guiliano. Op de vraag waarom ze na de opmerking van haar vader besloot om af te vallen, in plaats van hem uit te schelden, aarzelt ze even. ‘Hij had natuurlijk gelijk,’ zegt ze dan.

    Hoge prijs

    Maar denk ook aan de enorme kosten die het stigma, de schaamte en de angst met zich meebrengen voor vrouwen en meisjes die zich hun leven lang zorgen maken over wat hun overgewicht hun gaat kosten. Het is onmogelijk om niet te merken hoeveel tijd, energie en geld vrouwen investeren in het bijhouden wat ze eten, in dieetboeken en in fitnesscursussen.

    Iedereen die weleens een sapkuur of een dieet van koolsoep heeft geprobeerd, weet dat slank willen zijn ten koste gaat van andere belangrijke dingen die meisjes en vrouwen willen doen, zoals je kunnen concentreren op examens en werk, of genieten van eten. Volgens sommige onderzoeken zijn zesjarige meisjes zich al bewust van de verwachting dat ze dun moeten zijn. Vervolgens kunnen ze als pubers ‘door de plotselinge schoonheidseisen worden overweldigd, slachtoffer worden van anorexia en boulimia’, schrijft Tolentino. De meeste vrouwen proberen zich aan te passen. Maar welke keuze ze ook maken, de prijs is hoog.

    Lees ook:

  • In Libië wordt de geschiedenis geschreven door vrouwen

    In Libië wordt de geschiedenis geschreven door vrouwen

    Volgens wetenschapper en schrijver Najwa Bin Shatwan wacht Libië op het moment dat zijn burgers als feniksen uit de as verrijzen. Inmiddels plaatsen vrouwelijke auteurs in het tijdperk na oud-dictator Moammar Gaddafi de verhalen van het land in een nieuwe context.

    Hawwa – de Arabische naam voor Eva – is een tienermeisje in het landelijke Benghazi, in de jaren zestig. Ze weet meerdere zwangerschappen te overleven nadat ze is uitgehuwelijkt aan Adam, een vrachtwagenchauffeur, en ze strijdt voor haar vrijheid en haar reproductieve rechten. Dit verhaal is terug te vinden in The Horses’ Hair, de veelgeprezen roman van de Libische wetenschapper en schrijver Najwa Bin Shatwan. In feite is dit het verhaal van de erfzonde, maar dan met zwarte humor verteld door een ongeboren kind dat de lezer de tragische levensloop van de ouders toont.

    Het boek doet denken aan feministische hervertellingen zoals Circe, de roman uit 2018 waarin de Amerikaanse schrijver Madeline Miller enkele Griekse mythen hervertelt vanuit het perspectief van een tovenares, die normaal gesproken wordt afgeschilderd als de slechterik. Op vergelijkbare wijze kijkt Shatwan in haar oeuvre door een vrouwelijke bril naar de Libische geschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw. ‘Bin Shatwans beschrijvingen van vrouwelijke auteurs die in Libië kunnen rekenen op censuur vanuit de maatschappij zelf, laten zien dat schrijven voor een vrouw een revolutionaire daad is’, schreef journaliste Orna Herr in het mondiale literaire tijdschrift Index on Censorship.

    Shatwan maakt deel uit van een groeiende groep Libische schrijvers die meer ruimte creëren voor een gendergerelateerde kijk binnen de literatuur. Dit markeert een belangrijk omslagpunt in het nog altijd kleine literaire wereldje in Libië. Door complexe vrouwelijke personages neer te zetten dragen steeds meer Libische schrijvers voorzichtig hun ideeën uit over gendergelijkheid.

    Gedomineerd door mannelijke schrijvers

    Van oudsher wordt de Libische literatuur gedomineerd door mannelijke schrijvers, die hun eigen archetypen gebruiken om belangrijke historische momenten te beschrijven en de realiteit van het moment te doorgronden. Bekende voorbeelden zijn de dichter Khaled Mattwa uit Benghazi, die bekendheid verwierf door met een unieke flair te verhalen over legenden en keerpunten in de geschiedenis, of Alessandro Spina, die dieper in de Libische geschiedenis dook met een reeks romans, waaronder The Confines of the Shadow.

    Maar de laatste jaren zijn er steeds meer vrouwelijke auteurs op het toneel verschenen: Libische vrouwen of Italiaanse vrouwen die in Tripoli zijn geboren. Zij nemen de geschiedenis van het land onder de loep, grofweg vanaf 1900, maar dan vanuit vrouwelijke personages. Denk aan Alma Abate, die in Ultima estate in suol d’amore de opkomst van de in 2011 gedode despoot Moammar Gaddafi bekijkt door de ogen van Sara. Of denk aan Maryem Salama, die in From Door to Door schrijft over gemengde huwelijken in de beginjaren van de twintigste eeuw, met als vertelstem de jonge verpleegkundige Fatima. Door op die manier naar de geschiedenis te kijken, proberen ze te breken met het beeld van de vrouw als lijdzaam object.

    Safa Elnaili, verbonden aan de Arabische faculteit van de Universiteit van Ala-bama, signaleerde deze trend toen ze onderzoek deed naar de korte verhalen die waren gepubliceerd op Almostakbal, een populaire Libische website. Wat haar trof was de centrale rol van vrouwen in deze narratieven, iets wat nieuw was binnen de Libische literaire canon. ‘De geschilpunten in deze verhalen worden belicht vanuit de positie van het vrouwelijke personage in relatie tot familieleden, de maatschappij en de sociopolitieke context,’ zegt ze.

    In de begintijd van Gaddafi’s bewind, in de jaren zeventig, riep de regering een uitgeverij in het leven. Alle auteurs moesten zich in hun geschriften positief uitlaten over de autoriteiten, en wie dat weigerde werd gevangengezet of gedwongen het land te verlaten, of kreeg een verbod om ooit nog te schrijven.

    Afvlakking

    In 2013, twee jaar na het begin van de revolutie die zou leiden tot de val van Gaddafi, schreef Maryem Salama, een schrijver en dichter uit Tripoli, een gedicht waarin ze het beeld gebruikte van vuurwerk dat wordt aangestoken. Omdat er geen uitgeeftraject beschikbaar was, publiceerde ze het op haar Facebookpagina. Een paar uur later reageerde iemand: ‘Dank je. Ik huil nog steeds van brandend geluk in een dood huis.’

    ‘Dank je. Ik huil nog steeds van brandend geluk in een dood huis’

    Het beeld is Salama altijd bijgebleven en sindsdien gebruikt ze de allegorie van een feniks om naar haar land te verwijzen. ‘Libië zit nog midden in zijn ontstaansgeschiedenis. Het moment is nog niet daar dat de grote vogel uit de as herrijst,’ zegt ze tijdens een videogesprek. ‘Het land wacht op het moment dat de Libische burgers de verantwoordelijkheid nemen om uit te groeien tot een groots volk van een groots land. Ze moeten lezen, ze moeten kennis opdoen en ze moeten handelen.’

    Dat proces is met name van cruciaal belang in een land waar Gaddafi de Libische geschiedenis heeft herschreven om zijn eigen doelen te dienen. Naast het feit dat hij de uitgeefwereld inlijfde, maakte hij korte metten met alles wat zijn visie van Libië als homogene Arabische maatschappij kon ondermijnen. Het Tamazight, de taal en het schrift van de Berbers (een etnische groep in Libië en andere Noord-Afrikaanse landen), werd ver-boden en mocht niet meer worden onderwezen. Wie opkwam voor de cultuur en de rechten van de Berbers werd vervolgd, gevangengezet of zelfs vermoord. Dat betekende een afvlakking van de culturele diversiteit.

    ‘Gaddafi’s historisch revisionisme heeft een zwart gat geslagen in het histogram… voor Libiërs,’ zegt uitgever Ghassan Fergiani, een man van in de zeventig die in Tripoli woont. ‘Negentig procent van de Libiërs is geboren rond of na de periode dat Gaddafi aan de macht kwam. Zijn versie van de geschiedenis van Libië is dat alles pas begon toen hij aan het bewind kwam.’

    In de jaren vijftig, het decennium waarin Libië zijn onafhankelijkheid verwierf, opende Fergiani’s vader, Mohammed Bashir Fergiani, drie goedlopende boekwinkels in Tripoli. Daarnaast zette hij ook de uitgeverij Dar Al Fergiani op. Nadat Gaddafi in 1969 aan de macht was gekomen, werd het bedrijf op last van de autoriteiten gesloten en emigreerde het gezin naar Engeland. In Londen stelde Fergiani’s vader zijn leven in dienst van een zoektocht naar oude edities en zeldzame uitgaven uit Libië en de Arabisch-sprekende wereld – boeken die hij vervolgens herdrukte met zijn nieuwe bedrijf, Darf Publishing.

    Boegbeeld

    Een van de auteurs die zijn zoon momenteel uitgeeft is Salama. De zesenvijftigjarige, wier boeken zich richten op de positie van vrouwen in de Libische samenleving, is door recensenten wereldwijd bejubeld als het boegbeeld van een nieuwe generatie Libische schrijvers. 

    Salama legt uit dat Gaddafi een gevoel van onzekerheid bij de Libiërs in de hand werkte door valse informatie te verstrekken. Vóór Gaddafi hadden schrijvers de mogelijkheid om zich op natuurlijke wijze te ontwikkelen, te groeien, en nieuwe manieren te zoeken om met Libische tradities om te gaan en tot een nieuwe, hedendaagse cultuur te komen. ‘Die natuurlijke mogelijkheid werd ingeperkt door de vuist van Big Brother,’ zegt ze ernstig. ‘We zijn opgegroeid in een stalen kooi, wisten niet meer dan wat hij wilde dat we wisten, hadden niet meer manoeuvreerruimte dan zijn instructies. De Libische vrouwen hebben daar het meest onder geleden.’

    Maar naar verluidt werden deze vrouwen door Gaddafi ook lastiggevallen en misbruikt

    We spreken elkaar in een videogesprek. Salama geeft me een virtuele rond-leiding en laat me de boeken zien in de kast naast haar. Haar gezicht begint te stralen als ze haar eigen boeken in het Arabisch en het Engels uit de kast haalt. ‘Niet om op te scheppen,’ zegt ze grappend, ‘maar om je te laten zien hoe die boeken eruitzien.’ De schrijver werkt aan een boekvertaling en presenteert ondertussen een ochtend-programma op een plaatselijke radiozender; daarnaast is ze ook nog bezig met de voorbereidingen voor een nieuw radioprogramma over literatuur.

    Wat vrouwen betreft zond Gaddafi tegenstrijdige boodschappen de wereld in. De flamboyante leider stond erom bekend dat hij zich omringde met vrouwelijke lijfwachten, ook wel de ‘Amazonegarde’ genoemd – een ver-wijzing naar de mythologische verblijfplaats van de Amazones in Libië. Maar naar verluidt werden deze vrouwen door Gaddafi ook lastiggevallen en misbruikt.

    Gaddafi riep een militaire training in het leven voor meisjes op de middelbare school, maar volgens Salama, die in haar jeugd ook deze training moest volgen, was deze niet bedoeld om gelijkheid te bevorderen. Sterker nog, zegt ze, het was een voorwendsel om vrouwen een gedegen opleiding te onthouden, aangezien de militaire training ten koste ging van andere leerstof.

    Verschillende problemen

    In het dagelijks leven kregen vrouwen in Libië met verschillende problemen te maken als gevolg van Gaddafi’s beleid, zegt schrijver Mahbuba Khalifa. Ze spreekt via een videoverbinding vanuit haar huis in Tunis, in het buurland Tunesië, waar ze met haar gezin woont na jaren om veiligheidsredenen in het buitenland te hebben vertoefd. ‘De vrouwen in mijn land moeten twee keer zo hard werken om een balans te vinden tussen enerzijds hun hoop en hun ambities – niet alleen voor zichzelf, maar ook voor hun familie – en anderzijds de realiteit, die een schaduw over hun leven werpt.’

    Khalifa is een vrouw van in de zestig met een zachte stem. Ze draagt een montuurloze bril en haar blonde haar is keurig gekamd. Naast haar op een bruine bank zit haar dochter – en tevens redactrice – Rima, met een alerte, vastberaden blik in haar ogen, het donkere haar in een staart. Rima, een van Khalifa’s vier kinderen en zelf ook schrijver, vult op zakelijke toon de antwoorden van haar moeder aan, of plaatst die binnen een bepaalde context. ‘Zij is degene die me heeft aangemoedigd mijn teksten te delen met de rest van de wereld,’ zegt Khalifa met een trotse blik op haar dochter, die instemmend knikt. ‘Mijn moeder had een schat aan verhalen, maar ze wist die niet op waarde te schatten. Iemand moest haar een zetje geven,’ zegt Rima.

    ‘Mijn moeder had een schat aan verhalen, maar ze wist die niet op waarde te schatten. Iemand moest haar een zetje geven’

    Het ontsluiten van het Libische erfgoed is wat Khalifa al haar hele leven drijft. ‘Het gaat ver terug, vormt een doorgaande lijn en biedt motivatie,’ zegt ze. Ze schrijft een historische roman over haar geboorteplaats Derna, een havenstad in het oosten van Libië, in wat vroeger een van de rijkste regio’s was. Ze ging er weg op haar achttiende, maar nog altijd voelt ze zich sterk met de stad verbonden. De roman gaat over het lijden van de inwoners van Derna als gevolg van de strijd tussen de ge-allieerden en de asmogendheden in de Tweede Wereldoorlog. Er werd onder meer gestreden in de Libische woestijn. Ze kwam erachter dat inwoners van de kuststeden hun toevlucht hadden gezocht in grotten in de bergen, die dekking boden voor de luchtaanvallen van de geallieerden – een gegeven dat een rol speelt in haar boek.

    Khalifa haalt ook herinneringen op uit haar eigen leven. ‘Sommige waren geïnspireerd op het feit dat ik voortdurend verhuisde van de ene plek naar de andere, in Libië of daarbuiten. Dat alles heeft mijn verbeelding verrijkt.’

    ‘Het voortdurende reizen was voor ons noodzakelijk,’ vertelt Rima. ‘Mijn vader [de Libische politicus en jurist Goma Attaiga] was een tegenstander van het Gaddafi-regime, en omwille van onze veiligheid moesten we het land ontvluchten. Mama heeft zelf jarenlang onder pseudoniem geschreven voor oppositiebladen.’

    Khalifa’s eerste roman, We Were and They Were, kwam in 2021 uit in het Arabisch en werd dankzij mond-tot-mondreclame een groot succes bij het Libische lezerspubliek. Het was autobiografisch, zegt ze. ‘Ik wilde het verhaal vertellen van een Libische vrouw die een bepaalde periode uit de geschiedenis van ons land had meegemaakt en die op persoonlijk vlak was geraakt door een aantal belangrijke gebeurtenissen.’

    Getuige

    De losjes op haar eigen ervaringen gebaseerde roman brengt haar leven in kaart, van haar studiejaren tot aan de val van Gaddafi in augustus 2011. ‘Het begin van mijn studie viel samen met de ingrijpende veranderingen die in Libië plaatsvonden als gevolg van de coup tegen de monarchie. Mijn generatie was getuige van veranderingen die heel verwarrend waren voor de Libische bevolking, die destijds een vreedzaam bestaan leidde.’ 

    Ze herinnert zich de tijd dat er net olie was ontdekt en er goede hoop was op een welvarende toekomst. ‘Van het ene op het andere moment sloeg dat om in een leven van zorgen, en van angst voor de nieuwe bewindhebbers,’ zegt ze. ‘Er werden mensen opgepakt en vrijheden afgenomen, en we zagen enorme veranderingen op sociaal en economisch gebied.’ Khalifa zwijgt even en denkt terug aan het moment dat haar man werd opgepakt. ‘Dat heeft mijn leven voorgoed een andere wending gegeven.’

    Tegenwoordig maken deze vrouwelijke auteurs bewerkingen van lokale volksverhalen, Griekse mythen en heilige teksten

    Tegenwoordig maken deze vrouwelijke auteurs bewerkingen van lokale volksverhalen, Griekse mythen en heilige teksten. ‘In Libië is er een grote nalatenschap van historische fictie, wat logisch is, gezien de belangrijke rol van het land in de geschiedenis van het Middellandse Zeegebied, en gezien de diverse volken die Libië door de eeuwen heen hebben bewoond of gekolonialiseerd,’ zegt de in Tripoli wonende schrijver Kawther Eljehmi.

    De achtendertigjarige spreekt via een videoverbinding vanuit haar huis in Tripoli. Ze behoort tot een generatie van schrijvers die dankzij internet zijn komen bovendrijven. Eljehmi begon 2016 te bloggen; drie jaar later zette ze al haar artikelen en verhalen op de populaire Facebookpagina Fasila, speciaal bestemd voor Libische auteurs. Via internet nam de aandacht voor haar verhalen toe en kreeg ze een vaste volgersschare – nog voordat twee jaar geleden haar eerste roman uitkwam, Aidoun.

    Italiaanse Libiërs

    De instabiele situatie van het land is de ernstigste kwestie die bij het schrijven komt kijken. ‘Bij mijn eerste roman liep het allemaal nog best soepel. Ik schreef terwijl ik zwanger was van deze kleine,’ zegt ze, terwijl haar vierjarige zoontje Moness zijn neus tegen de webcam drukt. ‘Maar het was veel lastiger om mijn tweede roman te voltooien.’ Dat was tijdens de burgeroorlog van 2019. Eljehmi woonde in een buurt waar veel werd gevochten. Door de bominslagen was het ‘vrijwel onmogelijk’ een schrijfritme te vinden.

    Toch wist ze het boek af te krijgen. The Colonel gaat over een fictief personage dat doet denken aan Gaddafi. Eljehmi is alweer bezig aan een nieuwe roman, die handelt over kinderen van Libische vrouwen die met een buitenlander zijn getrouwd. Deze kinderen hebben geen recht op gratis onderwijs en gezondheidszorg, omdat ze niet als Libiërs worden gezien.

    Italiaanse schrijvers houden zich ook bezig met historische afrekeningen. Zij nemen de Italiaanse kolonisatie van Libië onder de loep. Libië, voorheen Ottomaans bezit, werd van 1911 tot 1943 bezet door Italië. Op 24 december 1951 riep Libië de onafhankelijkheid uit. In 1970 beval Gaddafi de uitzetting van de Italiaanse bevolking. 

    Mythologie en de vrouwelijke blik vormen het perspectief

    Ook bij de Italianen vormen mythologie en de vrouwelijke blik het perspectief van waaruit de auteurs naar het verleden kijken. Een goed voorbeeld hiervan is Le amazzoni van Manuela Piemonte, dat vorig jaar uitkwam. Dit boek kijkt door de ogen van twee kleine meisjes naar het door Italië bezette Libië in de jaren veertig.

    ANP 15356555 1
    Moammar Gaddafi wordt hier afgebeeld als rat in het nauw boven op zijn eigen verplichte Groene Boek. ‘17 februari’ verwijst naar de Dag van de Woede, het begin van de Libische revolutie in 2011. – © Nick Hannes / ANP

    Piemonte (43) werkte in de uitgeefwereld en was scenarioschrijver, toen ze zich aan haar eerste roman waagde. Ze houdt van research en verzamelde een enorme hoeveelheid archiefmateriaal over het onderwerp van haar boek. Via een videoverbinding toont ze me, wat aarzelend maar toch met enige trots, een collectie fascistische memorabilia die ze in dienst van de literatuur heeft verzameld: oude boeken, fascistische speldjes en ansichtkaarten. ‘Ik wilde zeker weten dat mijn beschrijvingen tot in de kleinste details zouden kloppen.’

    De hoofdpersonages in Le amazzoni zijn de dochters van Italiaanse kolonisten op het Libische platteland, op het moment dat Benito Mussolini het land de oorlog verklaart. In een periode dat ze Libië moeten verlaten houden ze zich vast aan een indringend beeld dat ze zich herinneren: dat van een Berber-vrouw die te paard door de woestijn stuift. Ze willen net zo worden als die vrouw. ‘Toen ik onderzoek deed naar de periode van de Italiaanse kolonisatie, kwamen de Amazones me voor als een toonbeeld van kracht,’ zegt Piemonte. ‘Pas later kwam ik erachter dat Libië de plek is waar de vrouwelijke krijgers in de Griekse mythen vandaan kwamen.’

    Ná de oorlog

    Er is nog een periode waar Italiaanse schrijvers zich mee bezighouden, en dat is de tijd ná de oorlog. De inmiddels overleden Alma Abate, die in Tripoli werd geboren, beschrijft in de roman Ultima estate in suol d’amore, die vorig jaar verscheen, een multicultureel Tripoli waar Italianen, Engelsen, Fransen, Amerikanen, joden, christenen en moslims in harmonie samenleven.

    Diezelfde periode wordt ook onder de loep genomen in de gefictionaliseerde autobiografie Il casa di Shara Band Ong: Tripoli, van de zestigjarige Mariza D’Anna, die eerder boeken schreef over de geschiedenis van haar familie in Libië. ‘Ik wilde een ervaring delen die veel in Libië geboren Amerikaanse kinderen zullen herkennen: verjaagd worden van de plek die je als je thuis beschouwt,’ zegt ze aan de telefoon vanuit Trapani, op Sicilië, haar thuis sinds ze door Gaddafi werd verbannen. Het boek verscheen vorig jaar.

    Zoals D’Anna over Libië spreekt, lijkt het land het midden te houden tussen een verre droom en een plek uit historische verslagen. ‘Ik heb niet heel veel literaire uitwisselingen gehad met Libische schrijvers toen ik aan deze roman werkte, want ik wilde juist mijn eigen herinneringen vastleggen,’ zegt D’Anna, die het land niet meer in mocht – als een in Libië geboren Italiaanse stond ze jarenlang op Gaddafi’s zwarte lijst. ‘Ik ben me ervan bewust dat sommige Libiërs, die waarschijnlijk een volstrekt andere ervaring hebben gehad, het verwarrend kunnen vinden dat ik deze pré-Gaddafi-jaren beschrijf als een gelukkige periode.’ Maar, besluit ze, ‘dat is wel hoe ik het me herinner’.