Onderwerpen: Toekomst

  • Europa legt het af tegen de Verenigde Staten in de strijd om kernfusie

    Europa legt het af tegen de Verenigde Staten in de strijd om kernfusie

    Kernfusie zou binnen enkele decennia kunnen uitgroeien tot een onuitputtelijke bron van schone energie. Maar de veelbelovendste projecten voor deze nieuwe manier van kernenergie opwekken lijken allemaal naar de Verenigde Staten te trekken.

    De resultaten die het Amerikaanse Lawrence Livermore National Laboratory (LLNL) boekt met kernfusie hebben ook Europa opgeschrikt. De doorbraak in de VS houdt namelijk evengoed een boodschap in voor ons: we kunnen ons beter richten op experimenteren en participeren dan op verbieden en stopzetten. Zodat de ‘toekomst van energie’ ook made in EU zal zijn.

    Het criterium is de dynamiek in de VS. Daar is kernfusie een zaak voor het allerhoogste niveau. President Joe Biden zette de technologie in maart van dit jaar centraal op een topbijeenkomst van onderzoekers, ondernemers, ambtenaren en politici in het Witte Huis. Zijn regering deelt de waarneming van veel wetenschappers en zakenlieden dat kernfusie na tientallen jaren weleens vlak voor een doorbraak zou kunnen staan.

    ‘Wanneer de geschiedenisboeken over de fusietechnologie eenmaal geschreven zijn, zullen de achter ons liggende twaalf maanden worden gezien als een keerpunt waarop duidelijk werd dat de fusietechnologie zich uit de laboratoria naar de markt gaat bewegen’, schrijft de Fusion Industry Association in haar in juli verschenen jaarverslag 2022.

    Zonnevuur

    Anders dan bij kernsplitsing draait het bij kernfusie om het samensmelten van atoomkernen van een stof tot de kern van een andere stof. Uit waterstof wordt helium gemaakt. Een proces dat in de natuur op deze wijze alleen in sterren zoals de zon voorkomt. Daarom wordt bij kernfusie ook wel van zonnevuur gesproken. Deze vorm van kernenergie geldt als schoon, klimaatneutraal en vrijwel onuitputtelijk.

    ‘Het publieke onderzoek heeft veel tijd en weinig geld, de industrie veel geld maar weinig tijd’

    En dus hebben de VS grote plannen: binnen de komende tien jaar moeten in het hele land diverse fusiepilotcentrales met uiteenlopende grootte en technologie van de grond komen. De voortekenen zijn gunstig. Enerzijds maakt de wetenschap grote vorderingen en pompt de regering veel geld in onderzoek. Zo accordeerde het Congres onlangs een programma van 713 miljoen dollar voor onderzoek en bouw, waarvan 50 miljoen voor public-privatepartnership. De klimaatmaatregelen uit de Inflation Reduction Act voegen daar nog eens een geldstroom van honderden miljoenen voor fusieprojecten aan toe. Anderzijds zijn de VS ook het land van de vrije markt – en die zet er vaart achter. De Duitse hoogleraar natuurkunde, laseronderzoeker en oprichter van de Duits-Amerikaanse fusiestart-up Focused Energy Markus Roth zegt: ‘Het publieke onderzoek heeft veel tijd en weinig geld, de industrie veel geld maar weinig tijd.’ Bij het omzetten van de resultaten van fundamenteel onderzoek in praktische toepassingen staan de Amerikanen met hun pragmatische aanzet ook in het geval van kernfusie aan de top. 

    Van de drieëndertig bedrijven wereldwijd die werken aan de ontwikkeling van bruikbare kernfusietechnologieën zijn er eenentwintig gevestigd in de VS. Technologiemiljardairs met ook maar een beetje gevoel van eigenwaarde permitteren zich investeringen in een kernfusiestart-up. Of het nu om Jeff Bezos gaat, Bill Gates, Peter Thiel, John Doerr, George Soros, Dustin Moskovitz (Facebook) of Reid Hoffman (LinkedIn) – ze doen allemaal mee. Over de hele wereld hebben kernfusie-ondernemingen dit jaar 4,74 miljard dollar aan kapitaal van private investeerders aangetrokken. De grootste onder hen kunnen terugvallen op comfortabele kapitaalreserves. Commonwealth Fusion, dat in 2018 als spin-off van het Massachusetts Institute of Technology ontstond, wist dankzij Gates, Doerr en Salesforce-oprichter Marc Benioff ruim 2 miljard dollar binnen te halen. Het door Thiel en Moskovitz gesteunde Helion verzekerde zich van 2,2 miljard dollar.

    Tegenvallers

    In de zomer leverde behalve Google en Chevron ook het Japanse Sumitomo Corp een bijdrage aan de financiering van de Amerikaanse start-up TAE Technologies. Het wil op industriële schaal fusiereactoren fabriceren en die vanaf 2030 aansluiten op de elektriciteitsvoorziening. Google is al sinds 2014 bij het bedrijf betrokken en voorziet het van computertechnologie en kunstmatige-intelligentiesystemen.

    En in Europa? Wie zijn oor te luisteren legt stuit allereerst op het mammoetproject ITER in Zuid-Frankrijk. De oorsprong ervan gaat terug tot de tijd van de Koude Oorlog. Een gigantisch project dat zich echter al lange tijd voortsleept. Nog altijd zijn Europeanen, Amerikanen, Russen en Chinezen betrokken bij de bouw van de testreactor. Anders dan het project aan het Lawrence Livermore werkt ITER niet op basis van laser- maar van magneettechnologie. Een tot 100 miljoen graden Celsius verhit plasma wordt door magneten vrij zwevend in de lucht gehouden om via een complex procedé waterstof samen te smelten tot helium. Bij ITER is telkens weer sprake van tegenvallers. Ook liepen de kosten geregeld uit de hand. De reactor is sinds 2007 in aanbouw en moet halverwege dit decennium klaar zijn, in het komende decennium een kernfusie tot stand brengen en vanaf 2050 in serie kunnen worden geproduceerd.

    ‘Revolutionair’ en ‘bemoedigend’ noemt ITER de resultaten uit de VS. Maar qua commerciële toepasbaarheid ziet men daar nog altijd meer in de eigen opzet. Andere projecten, ook in Europa, beloven sneller te leveren dan ITER. Naast de eveneens op magneettechnologie gebaseerde en met publiek geld gefinancierde projecten Jet in Engeland, Wendelstein 7-X en Asdex in Duitsland spelen met Marvel Fusion en Focused Energy ook twee Duitse start-ups een vooraanstaande rol op het wereldwijde fusietoneel.

    Ook het Münchense Marvel Fusion sluit niet uit een geplande demonstrator in de VS te bouwen

    Zij maken gebruik van de laseropzet en zitten met hun methodiek dicht bij wat de Amerikanen bij het LLNL doen. ‘Dat is een fantastisch resultaat,’ zegt Markus Roth, hoogleraar natuurkunde aan de TU Darmstadt en oprichter van Focused Energy. ‘Het laat zien dat we op de goede weg zijn.’ Roth werkte enkele jaren bij het Lawrence Livermore en trekt voor zijn start-up nu een hele reeks toponderzoekers aan, onder wie twee wetenschappers van het LLNL.

    Zijn team werkt momenteel aan de ontwikkeling van een klein proef- en een wat groter teststation. De standplaats van het proefstation wordt Texas, terwijl het teststation mogelijk in Darmstadt komt. Wel heeft Washington al duidelijk zijn interesse in dit tweede station laten blijken en nodigde het deze zomer vertegenwoordigers van de start-up uit in het Witte Huis. Aan het eind van dit decennium wil het team van Roth beide stations operationeel hebben. De kosten daarvan kunnen al met al oplopen tot meer dan 2 miljard euro.

    Ook het Münchense Marvel Fusion sluit niet uit een geplande demonstrator in de VS te bouwen. Sinds de oprichting hebben de Münchenaren tot nog toe 65 miljoen euro bijeengebracht – volledig privaat kapitaal, zoals directeur ir. Heike Freund benadrukt. Zij hoopt voor operationalisering nu ook op politieke rugwind uit Europa, waar de publieke investeringen zich tot nog toe vooral concentreerden op ITER, met bouwkosten die tot 45 procent worden betaald door de EU. De start-up werkt samen met concerns als Trumpf, Siemens Energy en Thalens. Om binnen een termijn van ongeveer tien jaar fusiereactoren in serie te kunnen fabriceren, moeten er nog heel wat stappen worden gedaan.  

    Verwijzend naar het Roemeense Magurele (waar momenteel een sterke laserinstallatie van de grond komt) en de gigantische behoefte aan schone en betrouwbare energie geloven ze zowel bij Marvel Fusion als bij Focused Energy in Europa’s potentieel. ‘Het zal er niet vandaag of morgen zijn, maar als wij nu niet investeren, zal het er over tien jaar ook niet zijn,’ aldus Freund.

    Lees ook:

  • De kinderen van nu hebben een toekomst zonder illusies

    De kinderen van nu hebben een toekomst zonder illusies

    Op welke aarde zullen de nakomelingen van generatie Y – geboren tussen 1986 en 2000 – wonen? Van de privileges die wij ouderen bezitten, kunnen zij alleen dromen.

    Een baby. Hij is pas geboren, maar lijkt wanhopig, zijn beentjes spartelend in de zomerzon, zijn mondje open. Naast de baby staan de ouders, met de gebruikelijke, belangrijke vragen. Zorgen we wel goed voor hem, waarom huilt hij, zou hij pijn hebben? En jij, als toeschouwer, vraagt je af wat hem wordt aangedaan door hem in deze wereld geboren te laten worden. Zal hij een draaglijk leven hebben, wat zouden we kunnen doen om hem te helpen?

    Het zijn de weken van de grote bosbranden en lege rivierbeddingen. Van verdorde oogsten, overal droogte en groter wordende woestijnen. Het is zomer. De zee bij Mallorca is zo warm als het water in een badkuip. De bossen smeulen en het aanrollende onweer klinkt onheilspellend. Je wilt geen doemdenker worden en niet over de oorlog in Europa of de pandemie beginnen. Maar sinds je eigen jeugd in de jaren negentig is het allemaal wel een puinhoop geworden. Wanneer heeft het ooit zo gevoeld? Je kunt maar beter geen kinderen meer op de wereld zetten, zeggen ze tegenwoordig. Zeiden ze dat vroeger ook?

    Grote verantwoordelijkheid

    Weer een generatie die openbaringen krijgt als ze kinderen krijgen, zult u misschien spottend denken. Maar dit is de generatie die pas een paar jaar geleden heeft begrepen wat een bluts in de welvaart betekent. Dat het hun kinderen zijn die hoogstwaarschijnlijk de schuld aan de planeet die zijzelf hebben opgebouwd, moeten afbetalen. De generatie die nog in de openlucht overnachtte, stage liep en in duizend toekomsten geloofde. Zeker, diep weggestopt in hun geheugen herinneren ze zich iets wat na 9/11 en vóór de grote beurskrach gebeurde: een Amerikaanse vicepresident die over de wereld rondreisde met zijn inconvenient truth, de mensen probeerde uit te leggen dat ze een grote verantwoordelijkheid droegen en hen waarschuwde dat er een ramp stond te gebeuren.

    Dat was in 2006. Terwijl de woorden van Al Gore door de klas gonsden, waren er momenten van consternatie en irritatie. Maar wat betekende dat concreet voor een stel middelbare scholieren?

    Al sinds de jaren zeventig stelt de internationale gemeenschap zich ten doel de klimaatverandering te bestrijden. Desondanks is dat doel geen stap dichterbij gekomen. Integendeel, juist in de laatste dertig jaar is de snelheid waarmee de aarde opwarmt aanzienlijk toegenomen.

    Wie nog geen dertig is zal de ‘radicale destabilisatie van het leven op aarde meemaken’

    In zijn essay What If We Stopped Pretending (2019) geeft de Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen het dubieuze advies dat we moeten erkennen dat het te laat is om de planeet te redden. Wie nog geen dertig is, schrijft Franzen, zal de ‘radicale destabilisatie van het leven op aarde meemaken: misoogsten, apocalyptische branden, imploderende economieën, epische overstromingen, honderden miljoenen vluchtelingen uit regio’s die door extreme hitte of droogte onbewoonbaar zijn geworden’. Je kunt er maar beter op voorbereid zijn. Franzen beschreef waar wetenschappers allang voor waarschuwden: zodra de opwarming van de aarde meer dan twee graden bedraagt, gaat de wereld veranderen. De mensheid zal wel blijven bestaan, maar onder veel en veel slechtere omstandigheden. Het point of no return kunnen we hoogstens uitstellen. ‘Er is geen hoop. Alleen voor ons.’

    Franzen ontwierp de strategie van het koele abstractievermogen, dat tegenover de aanstormende catastrofe veel verder gaat dan denken aan je eigen kinderen; een hyperidealistische bereidheid om ondanks de totale onmogelijkheid van idealisme en ondanks alle weerstand door te gaan. Wie nog op redding hoopt, zal alleen wanhopen en bij elke nieuwe brand verstijven van angst. Wie de ramp accepteert, kan beginnen na te denken over zijn eigen speelruimte, over ‘de absolute urgentie van vrijwel elke actie om de wereld te verbeteren’.

    Die gedachte is utopisch, omdat wij de idee van onze eigen sterfelijkheid al verontwaardigd van de hand wijzen. Om nog maar te zwijgen over de sterfelijkheid van de moderne beschaving. Maar wie zou niet graag eens het grote geheel van een afstand willen bekijken? De eerste foto’s van de aarde vanuit het heelal zijn symbolen geworden van deze kijk van buitenaf, van ons besef hoe fragiel we zijn. Naar dit moment verwijst het ‘planetaire denken’. Wie claimt planetair te denken, accepteert dat de mens niet langer het middelpunt van de wereld is. Alexander von Humboldt is een van de vaders van het planetaire denken, dat zijn oorsprong vindt in de kosmologie van inheemse volkeren. Klimaatactivisten hebben het altijd over de grenzen van de planeet. Het gaat, zoals Frederic Hanusch, Claus Leggewie en Erik Meyer het in Planetary Thinking schrijven, om een poging beter naar de stem van de bezielde en onbezielde natuur te luisteren. En dat bedoelen ze geenszins esoterisch. Onopvallend, stap voor stap en zonder paniek wil het planetaire denken ons voorbereiden op de catastrofe die Franzen zo plastisch beschrijft.

    De golf voor zijn

    Dus wat heeft de natuur ons eigenlijk te zeggen? Er zitten nog geen vertegenwoordigers van rivieren, bergen en velden in het parlement, en ze hebben ook geen wettelijke status zoals de Maori. Maar de auteurs maken melding van seismische mechanismen die de stem van de natuur hoorbaar maken, en van het seismische lawaai van de mens, dat tijdens de pandemie iets minder is geworden. Ook al drukt Frederic Hanusch zich voorzichtig uit, het komt neer op de volgende boodschappen van de natuur. Ten eerste: ‘Uw daden zijn al door mijn daden bepaald.’ Om ‘de golf voor te zijn’, zoals dat in de taal van de pandemie heet, moet zo’n beetje alles veranderen. Ten tweede: ‘Dit is waarschijnlijk een van de koudste zomers van de rest van je leven.’

    Hanusch, midden dertig, doet onderzoek naar democratie en planetaire verandering en is directeur van het Panel on Planetary Thinking. Hij heeft onderzocht hoe de kwaliteit van democratieën de kwaliteit van het klimaatbeleid beïnvloedt (goed). Maar om de versnelling van de opwarming van de aarde een halt toe te roepen, moet het politieke systeem veel sneller en radicaler veranderen. Met een grondwet die tot stand is gekomen toen het begrip ‘klimaatverandering’ nog niet was uitgevonden, komen we er in elk geval niet; en radicale politieke stappen zijn tot nu toe alleen gezet na middelgrote rampen. Droogte is niet genoeg, eerst moeten binnensteden afbranden.

    Er is toenemende steun voor politici die beloven terug te keren naar een verleden dat nooit bestaan heeft

    Zo drastisch drukt Hanusch zich niet uit, hij is tenslotte wetenschapper. In zijn vakgebied gaat het erom grote samenhangen interdisciplinair te onderzoeken, de scheiding tussen natuur- en geesteswetenschappen op te heffen, iets wat klimaatonderzoekster en kandidaat-astronaute Insa Thiele-Eich ook op scholen wil doen, met de nadruk op de maatschappelijke uitdagingen van de klimaatverandering. Misschien is de generatie van Hanusch’ studenten al beter voorbereid op wat komen gaat dan midden-dertigers, maar hij aarzelt: ‘Dat de komende generaties wat betreft duurzaamheid per se progressiever stemmen, kan niet worden aangetoond.’ Er is eerder sprake van toenemende steun voor politici die beloven terug te keren naar een verleden dat nooit bestaan heeft.

    Het ligt aan het begrip van tijd. De generatie die nu rond de dertig is, is opgegroeid met een lineair vooruitgangsidee in het hoofd, zegt Hanusch. Met de gedachte dat er wel een technologie zal worden uitgevonden die als het kritiek wordt, alles oplost. Of, nog erger, ze heeft het idee verinnerlijkt van ‘great again’, de cyclus van opkomst, hoogtepunt, chaos, verval en nieuwe opkomst. Een door de natuur bepaald alternatief scenario is moeilijk voorstelbaar. Maar de verhalen van vooruitgang en triomf worden steeds meer overstemd door wat de planeet zelf steeds luider verkondigt.

    Complexiteit van de globale verandering

    In hun boek grijpen Hanusch en zijn collega’s terug op een gedachte van Thomas Jefferson. In 1789, te midden van allerlei ingrijpende politieke veranderingen en op de drempel van een nieuwe tijd, schreef Jefferson, een van de grondleggers van de Verenigde Staten, aan zijn collega James Madison dat hij zich zorgen maakte over het feit dat generaties van elkaar afhankelijk zijn. Volgens Jefferson zou de aarde wat betreft het vruchtgebruik moeten toebehoren aan de levenden. Ze mocht niet worden ‘opgebruikt’, maar moest tenminste in gelijkwaardige staat en vrij van schulden aan de volgende generatie worden overgedragen. Dit begin in vrijheid moest democratisch worden vastgelegd: elke generatie mocht een nieuwe grondwet maken en afschaffen wat vroeger goed en nu schadelijk was. Anders zouden de doden heersen over de levenden.

    James Madison praatte Jefferson diens idee van een contingente toekomst uit het hoofd. Maar ervan afgezien dat het te laat is om voor elke nieuwe generatie om de wereld in gelijkwaardige toestand achter te laten, heeft Jeffersons idee voor Hanusch een voordeel: het zou niet langer noodzakelijk zijn de complexiteit van de globale verandering te begrijpen. Wat je aantrof, zou je aan de volgende generatie moeten doorgeven. Er zouden minder overgeërfde schulden zijn en er zou beter worden stilgestaan bij hoe we dingen zelf willen aanpakken.

    De uitbuiting van milieu en hulpbronnen zou een nieuwe context krijgen. Wie zonder consideratie te werk gaat, vergooit zijn onafhankelijkheid, nog afgezien van de vrees dat zijn eigen kleinkinderen in de natte kelders van overstroomde steden moeten wonen. De verantwoordelijkheid voor komende generaties zou deel zijn van het politieke proces dat theoretisch tot in het oneindige zou kunnen worden gebruikt. Theoretisch.

    Dertigjarigen van vandaag hebben ten koste van dat kind geleefd

    Terug naar de schuldvraag en het kind. Dertigjarigen van vandaag hebben ten koste van dat kind geleefd. Het verschijnsel van de shifting base lines beschrijft hoe mensen de toestand van het milieu dat ze in hun kinderjaren aantreffen als gezond beschouwen, hoe ver dat milieu ook van zijn natuurlijke oorsprong verwijderd is. Voor vissers wier vaders twee keer zo veel vis vingen als zijzelf, is hun eigen ervaring het referentiekader: die handvol vissen in hun net. Natuurlijk zijn er de herinneringen van hun ouders en grootouders. Maar er zijn geen data over hoe de planten- en dierenwereld er destijds uitzag, steeds minder mensen hebben in hun dagelijks leven nog iets met de natuur te maken. De kennis daarvan neemt af. Iemand die er heilig van overtuigd was dat het gras altijd groen en budgetmaatschappijen altijd goedkoop zouden blijven, heeft het de laatste tijd niet makkelijk gehad. Wat dertig jaar geleden normaal leek, de onuitputtelijkheid van hulpbronnen, vormde de basis van hun perceptie van vandaag.

    Hoe kunnen we daar ons voordeel mee doen? Met het oog op de over elkaar buitelende crises spreekt socioloog Heinz Bude van een ‘terugkeer van de toekomst’. Het denkbeeld van het steeds breder wordende heden van gelijktijdigheden, dat steeds weer nieuwe, problematische, even belangrijke verledens produceert, loopt op zijn eind. In plaats daarvan registreert Bude een ‘toegenomen gerichtheid op de toekomst’. Wat komen gaat, gebeurt niet meer in zekere zin vanzelf, ‘maar vraagt dat de mensen met een zekere vastberadenheid opkomen voor zichzelf en voor wat in de toekomst belangrijk zal zijn’.

    De omstandigheden waarin je als middertiger van nu geboren bent, waren onbeschrijflijk bevoorrecht. Dat erkennen is pas de eerste stap. In de toekomst zullen we met veel tegenstrijdigheden moeten leren leven. Aan sommige kunnen we wat doen. 

  • Lieveheersbeestjes en genoombewerking: de landbouw van de toekomst

    Lieveheersbeestjes en genoombewerking: de landbouw van de toekomst

    Hoe kunnen we de wereld voeden zonder de aarde te vernietigen? Onderzoekers werken aan superplanten en manieren om ongedierte te bestrijden zonder pesticiden.

    Op een milde novemberochtend laat Ludwig Hirschberg, 56 jaar, zich zakken op zijn veld. Hij knielt op zwarte aarde die schittert in de zon. De jonge wintertarwe is een paar centimeter hoog en glimt groen. Hirschberg steekt een plantje uit met zijn zakmes, houdt het tussen zijn vingers en zegt: ‘Ziet er goed uit.’ Sterke, gezonde wortels, veel scheuten. En, heel belangrijk, er groeit geen onkruid tussen de planten dat ze van licht en voedingsstoffen kan beroven. Hirschberg behandelde de grond vóór het zaaien met glyfosaat, een ‘totaal’ bestrijdingsmiddel dat elke vorm van onkruid doodt. Hij gebruikt ook fungiciden tegen schimmels als echte meeldauw, die de tarwe in de volgende groeistadia zouden kunnen aantasten.

    Hirschberg heeft het graag over de ‘gereedschapskist’ die boeren nodig hebben om goede oogsten te verkrijgen. Daar hoort veel kunstmest en gif bij; gemiddeld wordt in Duitsland bijna drie kilogram bestrijdingsmiddelen per hectare gebruikt [in Nederland was dat in 2020 gemiddeld 7,1 kilo per hectare].

    Dat heeft gezorgd voor een indrukwekkende toename van de oogsten in de afgelopen zestig jaar. Tegelijkertijd zijn de gevolgen van intensieve monocultuur verwoestend: veel bodems raken uitgeput. De biodiversiteit vermindert en daardoor neemt ook de veerkracht van ecosystemen af.

    Van boer tot bord

    Nu zijn politici begonnen de gereedschapskist van de boeren uit te mesten: in augustus heeft de Europese Commissie de zogenaamde ‘van boer tot bord’-strategie goedgekeurd. Tegen 2030 moeten landbouwers het gebruik van pesticiden met de helft en dat van meststoffen met minstens 20 procent verminderen. Inmiddels is er al een verbod ingesteld op sommige neonicotinoïden. Dat zijn zenuwstoffen die schadelijke insecten doden, maar die ook het richtingsgevoel van bestuivers zoals wilde bijen verminderen. In 2023 zal glyfosaat, na een lange en verhitte discussie, eindelijk worden afgeschaft, mede omdat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de werkzame stof als ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ beschouwt. Afgelopen zomer waren er luide protesten van boeren in heel Europa; in Nederland waren er zelfs gewelddadige rellen.

    Ludwig Hirschberg beheert het landgoed Perdoel, een van de oudste en grootste boerenbedrijven in Sleeswijk-Holstein, gelegen tussen bossen en meren. Hij is geen hardliner, voor hem is het vanzelfsprekend dat boeren meer moeten doen voor de biodiversiteit, bijvoorbeeld met bloeistroken, heggen en hagen, en gevarieerde vruchtwisseling. Hirschberg teelt al lange tijd tuinbonen, die stikstof in de bodem binden zodat er minder kunstmest nodig is. Maar, waarschuwt hij, ‘als de richtlijnen op zo’n ingrijpende manier veranderd worden, zullen we een groot deel van de opbrengsten verliezen en wordt voedsel nog duurder.’

    En dat dan uitgerekend vandaag de dag, nu mondiale crises zich toespitsen. In de oorlog tegen Oekraïne gebruikt Poetin genadeloos de graanvoorraden als wapen. En als gevolg van de klimaatverandering komen hittegolven en droogte steeds vaker voor. Door hittegolven in India dit voorjaar zijn de opbrengsten naar schatting met 10 tot 35 procent gedaald; in Duitsland is de graanoogst in het droogtejaar 2018 met 16 procent ingezakt.

    Maar hoe moet je de wereld voeden zonder de aarde te vernietigen?

    Wanneer conventionele gewassen eenmaal met ziekteverwekkers zijn geïnfecteerd, kunnen ze tot 50 procent van hun opbrengst verliezen

    Harold Verstegen is hoofd mondiale productontwikkeling bij zaadproducent KWS in Einbek, Nedersaksen. Het beursgenoteerde bedrijf heeft wereldwijd meer dan vijfduizend mensen in dienst, uiteenlopend van moleculaire biologen tot veldwerkers. Veredelaars zijn overal in de wereld op zoek naar de superplanten van de toekomst – planten die ondanks extreme weersomstandigheden een stabiele opbrengst geven en van nature resistent zijn tegen schadelijke organismen.

    ‘We screenen het genetisch materiaal van planten op wenselijke eigenschappen en veredelen ze vervolgens verder,’ legt Verstegen uit. Maar het duurt acht tot tien jaar voordat een nieuw ras op de markt kan worden gebracht. Verstegen wil dat proces gaan versnellen. Daartoe willen agro-ingenieurs zaadproducenten in staat stellen een in Duitsland omstreden methode toe te passen: groene genetische manipulatie.

    Simone Lange, onderzoeksmedewerker bij KWS, opent de deur van een van de vele kassen. Op de vloer staan honderden potten met tarweplanten van ongeveer een meter hoog, de aren verpakt in plasticfolie. Hier geldt veiligheidsniveau 2 voor ‘genetisch gemodificeerde organismen’ (GGO’s), die in de EU streng gereglementeerd zijn. ‘De tarwe mag niet openbloeien zodat ze geen andere planten kan bestuiven,’ zegt Lange.

    De zogenaamde Crispr-Cas-genschaar heeft de genetische samenstelling van de tarwe gewijzigd om het gewas resistenter te maken tegen schimmelziekten. Wanneer conventionele gewassen eenmaal met ziekteverwekkers zijn geïnfecteerd, kunnen ze tot 50 procent van hun opbrengst verliezen. Zodra de aren van de genetisch gemodificeerde tarwe rijp zijn, zal Simone Lange ze oogsten. ‘Elke aar bevat ongeveer vijftig tot zestig tarwekorrels,’ zegt ze. ‘De helft gaat naar resistentietests, de andere helft naar conserveringsveredeling.’

    Het betreft een project van Pilton, de Duitse vereniging van plantenkwekers, waarin schimmeltolerantie van tarwe wordt bestudeerd met behulp van nieuwe kweekmethoden. En het is ook een vertoning: kijk eens wat we kunnen, als je het ons maar toestaat.

    De mensen van KWS hadden iets meer dan twee jaar nodig om hun tarwe te ontwikkelen. Dat is aanzienlijk minder dan met conventionele kweekmethoden nodig is. Deze nieuwe tarwe zou kunnen betekenen dat boeren minder chemicaliën op de velden hoeven te gebruiken.

    Reële omstandigheden

    In 2023 wil de EU opnieuw beslissen of met Crispr-Cas gemodificeerde planten onder de GGO-regelgeving blijven vallen. Veel wetenschappers pleiten voor versoepeling. Hun belangrijkste argument is dat er met Crispr-Cas geen genoverdracht is van de ene plant naar de andere. Daarom zijn het geen ‘transgene organismen’. 

    De onderzoekers verzetten zich ook tegen het zwart-witdenken dat het debat domineert. Leopoldina, de Duitse Nationale Academie van Wetenschappen, en de Duitse Onderzoeksstichting vinden de algemene classificatie van genetisch gemodificeerde planten als GGO’s ‘ongegrond en onuitvoerbaar’. Ze pleiten voor een gedifferentieerde regelgeving die gericht is op de concrete veranderingen in de plant en niet alleen op de kweekmethode. En ze roepen op tot het vergemakkelijken van veldonderzoek. Alleen onder reële omstandigheden kan de genetische basis van eigenschappen als zout-, droogte- en hittetolerantie beter worden begrepen.

    Maar kan het nieuwe gereedschap daadwerkelijk aan de hoge verwachtingen voldoen? Voor schimmelresistentie in tarwe kregen de KWS-onderzoekers bijvoorbeeld een zogenaamde gen knock-out voor elkaar: een enkel deel van het genoom werd uitgeschakeld. Er zijn echter tientallen genen betrokken bij gewenste eigenschappen zoals droogteresistentie. Het is moeilijk om ze allemaal te veranderen. Vooral omdat het genoom van tarwe zeer complex is.

    Agro-ecoloog Angelika Hilbeck van de ETH Zürich vindt genoombewerking belangrijk, omdat het nieuwe wetenschappelijke inzichten zou kunnen opleveren. ‘Maar niemand heeft behoefte aan de huidige producten,’ zegt ze. Die verrijkten immers enkel de industrie. ‘We kijken vooralsnog altijd puur naar de plant, naar de genetica. Ik raad juist aan om naar buiten te kijken, naar het ecosysteem.’ Want planten zijn teamspelers.

    Het doel is vergroening van het conventionele landschap, niet de volledige omschakeling naar biologisch

    Wat dat betekent is te zien op een stoffig veld in Brandenburg. Op een warme dag iets eerder in het jaar sjokt Kathrin Grahmann in wandelschoenen door een zonnebloemveld en inspecteert ze de planten. Ze zijn gegroeid tot verschillende hoogtes, wat het oogsten bemoeilijkt. Maar ze dragen allemaal vruchten, volledig zonder pesticiden. ‘Het waren lieveheersbeestjes die hen redden van een bladluizenplaag,’ zegt Grahmann.

    De wetenschapper leidt een tienjarig project van het Leibniz Instituut voor Landbouwlandschapsonderzoek, onder de naam Patch Crop. Op 70 hectare bij Müncheberg in Brandenburg worden gerst, koolzaad, soja, tarwe, zonnebloemen, haver, lupinen, maïs en rogge verbouwd.

    Daartoe zijn 32 velden aangelegd van elk 76 bij 76 meter. Kleine percelen waarvan de onderzoekers hoge verwachtingen koesteren: ze willen uitzoeken hoe de interactie tussen planten, bodem, nuttige insecten en plagen het ecosysteem versterken. Bovendien werken de onderzoekers nauw samen met robotfabrikanten die kleine, autonome voertuigen ontwikkelen om onkruid te schoffelen en fruit te oogsten.

    ‘Voor ons is het bijzonder spannend om te zien wat er aan de grenzen van de velden gebeurt,’ zegt Grahmann. De lieveheersbeestjes, bijvoorbeeld, verzamelden zich aanvankelijk op het veld met de voorjaarshaver. Nadat dat gerijpt was, gingen ze naar de zonnebloemen en vonden daar hun volgende grote maaltijd, de bladluizen. Die brengen virussen over en veroorzaken bladverlamming, maar ze hadden geen schijn van kans.

    ‘Normaal wordt op een dergelijk gebied slechts één gewas geteeld,’ zegt Grahmann. Nuttige insecten zouden er niet lang blijven. Dat is anders bij dit experiment, waar de vruchtwisseling dicht bij elkaar plaatsvindt.

    Drones

    Maar diversiteit betekent veel werk. Om voordeel te halen uit het multiculturele veld, moet je het eerst begrijpen. En daarom wordt waarschijnlijk geen enkel ander landbouwgebied in Duitsland zo nauwkeurig gemeten als deze grond in Brandenburg. Hier liggen 180 sensoren begraven; zij sturen elk kwartier gegevens over temperatuur en bodemvochtigheid naar een radiomodule. Speciale apparaten – gaschromatografen – analyseren chemische verbindingen, zoals het stikstofgehalte in het sojaveld. Die plant behoort tot de peulvruchten en kan stikstof in de bodem vasthouden, waardoor op kunstmest wordt bespaard. Drones vliegen over de gebieden en observeren de groei en biomassa.

    ‘Ons doel is om landbouwers wetenschappelijk verantwoorde analyses te bieden die hen in staat stellen aan de EU-regelgeving te voldoen en toch stabiele opbrengsten te realiseren,’ zegt Grahmann. Ze zegt dat vergroening van het conventionele landschap het doel is, en niet de volledige omschakeling naar biologisch.

    Op sommige percelen worden kunstmest en pesticiden op de conventionele manier gebruikt. Bij andere wordt de hoeveelheid eerst met een derde, later met de helft verminderd; weer andere hebben extra bloeistroken. De onderzoekers tellen regelmatig hoeveel ongedierte zich op een plant heeft gevestigd. Ze willen drempelwaarden vaststellen. Landbouwers passen vaak uit voorzorg beschermingsmiddelen toe – de duurste vorm van ongediertebestrijding, voor zowel mens als natuur.

    De onderzoekers van het Leibniz-Instituut moeten gedurende twee jaar gegevens verzamelen voordat zij deze systematisch kunnen evalueren. Maar er zijn al bemoedigende aanwijzingen. ‘In wintertarwe gebruikten we 30 procent minder bestrijdingsmiddelen en behaalden we dezelfde hoge opbrengsten,’ vertelt Grahmann.

    Ludwig Hirschberg is sceptisch als hij zulke cijfers hoort. ‘In een droog jaar kan ik goed zonder pesticiden voor mijn tuinbonen, maar in een nat jaar lukt dat niet,’ zegt hij. Het is een vergissing te veronderstellen dat als iets één jaar werkt, het altijd zal werken, meent hij.

    In plaats van algemene verboden zou Hirschberg graag zien dat politici concrete doelen stellen voor de bescherming van soorten. ‘Hoeveel wouwen of brandganzen moeten hier in het district Plön waargenomen worden om te kunnen zeggen dat het niet langer bedreigde soorten zijn?’ Met dergelijke concrete doelstellingen zouden boeren veel meer betrokken en gemotiveerd zijn, meent hij. Daarvoor zouden ze pas echt hard werken.

  • Decembernummer | Onvoorstelbare toekomst

    Decembernummer | Onvoorstelbare toekomst

    » Lees dit nummer online

    Met onder andere:

    » Geschiedenis Libië herverteld vanuit vrouwelijk perspectief

    » Waarom eindigen zoveel fietsen in het water?

    » Interview met Barbara Kruger: ‘Een spuitbus van commentaar’

    Redactioneel

    Mens, dier en ding

    Met het verscheiden van de Franse filosoof Bruno Latour verliezen we behalve een belangrijk denker ook zijn vermogen om steeds nieuwe perspectieven aan te dragen en ons ervan te doordringen dat elk beeld van de waarheid mede wordt bepaald door de samenhang van wetenschap, politiek en religie, een heleboel factoren dus. De complexiteit der dingen eens goed onder de loep nemen is gecompliceerd en bovendien willen de meeste mensen juist liever niet op andere gedachten worden gebracht. Althans niet die mensen bij wie een omineuzer wereldbeeld verregaande gevolgen zou hebben. 

    Stel dat Xi Jinping de partijpolitiek als onderdeel van een geheel zou gaan zien en zich dan beseft dat een aantal actoren in het Chinese bolwerk de ontwikkeling van anderen enorm in de weg zitten. Of, nou ja, noem ze maar op die hun eigen belang als dé waarheid door de strot van anderen duwen, en daarmee de noodzakelijke transformatie tegenhouden die wij als soort in het geheel moeten doormaken. Neem Afghanistan – om niet steeds de vermaledijde oorlog in Oekraïne uit de kast te halen als exemplarisch voor zowat alles wat er mis kan zijn in de strijd om het tribale, machts- en handelsevenwicht – en huiver bij het artikel uit een van de weinige, zo kritisch mogelijke kranten van dat land, Etilaatroz. Daar is het kookpunt op elk vlak bereikt en een normaal leven al jarenlang ontwricht, niet alleen wat de ecologie betreft. ‘Alles is vernedering’, schrijft activiste Somaia Ramish. ‘Van Afghanistan is niets meer over dan een geografisch gebied dat zo wordt genoemd.’ Daar staat geen enkele deal op de agenda, laat staan een groene. 

    De complexiteit der dingen eens goed onder de loep nemen is gecompliceerd

    Bruno Latour was gelukkig niet de enige die de opwarming van de aarde als het centrale politieke probleem van deze tijd beschouwt. Wil deze subsoort zich als het even kan tot in het oneindige blijven vermenigvuldigen? In een wereld die steeds meer draait om het verdelen van schaarse natuurlijke hulpbronnen is de buigzaamheid van onze ‘soort’ als geologische kracht broodnodig. 

    Nu blijkt David Wallace-Wells, weliswaar geen wetenschapper, maar wel iemand die met zijn boek De onbewoonbare aarde heeft bijgedragen aan de schrikbarende kennis over het klimaat, opeens iets meer licht te zien als het gaat om het aantal graden verwarming dat wel of niet zal worden gehaald. Achterover leunen is er nog zeker niet bij, maar ach, het puntje komt toch vaak weer op de piketpaaltjes van Latour te staan, oftewel zijn notie van verbondenheid: zonder gezamenlijke daadkracht wordt het niks. En dat geldt voor mens, dier en ding. 

    Katrien Gottlieb 

    gottlieb@360international.nl

    360 20221201 2
  • Bestorm dit fort! Pleidooi voor data als publiek goed

    Bestorm dit fort! Pleidooi voor data als publiek goed

    Data zijn de grootste schat van de digitale samenleving. Ze worden opgeslagen in gigantische serverfarms. Wat particuliere ondernemingen ermee doen bedreigt niet alleen het milieu, maar ook de democratie.

    Wie inzicht wil krijgen in de problemen van de toekomst, de bedreiging van de democratie en het controleren van burgers, hoeft maar te kijken naar de toekomststad die architectenbureau Snøhetta momenteel in Noorwegen plant. Op het eerste gezicht lijkt het ontwerp geenszins problematisch, integendeel. Uit de nevel doemt een reusachtig gebouw op dat enigszins doet denken aan de beroemde Neue Nationalgalerie in Berlijn, alleen lijken de pilaren in dit ontwerp op berkenstammen. Door een moerassig landschap loopt iemand op het gebouw af. Alles is groen en idyllisch. Het gigantische gebouw zelf is een serverpark, een datacentrum. Snøhetta ontwierp het voor het Nokia-concern, vastgoedontwikkelaar Miris en twee Scandinavische bouwbedrijven. Het geheel heet The Spark, en voor het eerst moet een datacentrum het centrum van een kleine stad worden en een paar woonwijken voorzien van de enorme warmte die bij het koelen van de servers als afvalproduct vrijkomt. De serverfarm vormt ‘zowel het lichaam als de hersenen’ van de nieuwe stad, jubelen de architecten. Boven op de hersenen groeien groenten en waterlelies: op het openbare dakterras komen een contemplatieve zenvijver en bloemperken. Op deze manier moet ‘de menselijke factor in ons gedigitaliseerde, door smartphones beheerste leven, worden teruggebracht’, aldus de architecten.

    Dat in de serverracks in de eerste plaats de problemen worden gefabriceerd – dankzij manipulatie op basis van data die gebruikers van mobiele telefoons opzettelijk verslaafd maken – waarvan het omhulsel van The Spark hen daarboven met vijver en wortelen wil genezen, is slechts een van de vele paradoxen van deze nieuwe wereld. Is het een goed idee dat burgers hun data, de basis voor participatie en politiek in het digitale tijdperk, afstaan aan particuliere bedrijven in ruil voor gratis verwarming, een beetje zenpraat en een gratis ecowortel?

    Datacentra zijn de zetel van de macht

    Tot dusver toonde het publiek weinig belangstelling voor datacentra. Toch zijn deze voor het digitale tijdperk wat het kasteel was voor de middeleeuwen: de zetel van de macht. In de moderne consumptiemaatschappij draaide het om de kantoortorens van de grote concerns; de wolkenkrabbers van Woolworth en Chrysler waren al van veraf te zien, als uitroeptekens achter de verkondiging wie het in het kapitalisme voor het zeggen had. De huidige digitale revolutie verandert alles radicaler dan ooit, de invloed van digitale concerns op de economie en de politiek is overduidelijk, maar deze verschuivingen hebben zich nog niet afgetekend in de steden. Verscholen, op het platteland of aan stadsranden maakt de bouw van datacentra echter een bliksemsnelle groei door: in 2019 waren er alleen al in de Verenigde Staten ruim 3 miljoen datacentra en meer dan 500 hyperscalers; extreem grote datacentra.

    Dat de centra liever onzichtbaar bleven heeft vele redenen. Een daarvan is de milieuvervuiling die wordt veroorzaakt door het immateriële internet en zijn luchtige clouds. Datacentra verbruiken ondanks alle inspanningen om klimaatneutraal te worden namelijk nog steeds buitensporige hoeveelheden energie. Het internet brengt nu al meer schade toe aan het milieu dan alle luchtverkeer. Als het wereldwijde web een land was, zou het wat betreft elektriciteitsverbruik en de uitstoot van klimaatgassen meteen na de Verenigde Staten en China komen. Vooral servers en datacentra verbruiken enorme hoeveelheden: in Europa is hun energiebehoefte tussen 2010 en 2020 met 55 procent gestegen tot 87 terawattuur. 2 procent van alle broeikasgasemissies in de wereld is uitsluitend toe te schrijven aan serverfarms, 8 procent van de wereldwijd geproduceerde elektriciteit gaat naar het transport van data op eindapparaten.

    Volgens het klimaatrapport van Frankfurt zal de stad zijn energiedoelstellingen niet halen vanwege de elektriciteitsvraag van zijn servers. In 2020 hebben de serverfarms in Frankfurt 60 procent meer elektriciteit verbruikt dan alle 400.000 huishoudens in de stad, en die hoeveelheid loopt nog op. Hoe groter de hoeveelheid data die nodig zijn voor Big Data, cloudcomputing en kunstmatige intelligentie, hoe gigantischer de opslagbehoefte. Steeds meer kleine en middelgrote bedrijven slaan hun data elders op, grote bedrijven bouwen de hardware zelf. De grootste hyperscaler is Amazon Web Service (AWS). Dit cloudplatform levert een forse bijdrage aan Amazons bedrijfsresultaat, méér dan de pakketverzending: ongeveer twee derde van Amazons beurswaarde is te danken aan AWS. De op een na grootste hyperscaler is Azure (Microsoft), Google volgt op de derde plaats.

    Collectieve schat

    Digitale concerns verzamelen niet alleen de data van hun gebruikers, ze bouwen ook de raffinaderijen waar ze worden opgeslagen en geanalyseerd en behandelen deze data in de streng beveiligde faciliteiten als hun privé-eigendom. Dat is niet probleemloos, alleen al omdat op deze manier het digitale gedrag van burgers wordt voorspeld en gemanipuleerd. En aangezien deze ondernemingen bijna allemaal in de Verenigde Staten of in China zijn gevestigd, staat niet alleen de technologische, maar ook de economische en politieke soevereiniteit van Europa op het spel.

    Het feit dat data de brandstof en de grootste economische schat van het digitale informatietijdperk zijn, staat in schril contrast met de naïviteit waarmee gewone burgers uit gemakzucht op de ‘accepteer alles’-optie klikken en zo hun gegevens prijsgeven. Toch hebben veel onderzoekers indrukwekkend beschreven hoe mensen kunnen worden gemanipuleerd op basis van de analyse van gedragsgegevens, hoe algoritmes raciale vooroordelen en sociale ongelijkheid vergroten en helpen bij de verspreiding van nepnieuws. In haar studie Dirty Data, Bad Predictions beschrijft Rashida Richardson hoe in de Verenigde Staten zelfs politiebureaus die zich schuldig hebben gemaakt aan ‘vooringenomen racistische of anderszins illegale’ praktijken data blijven verstrekken voor de ontwikkeling van nieuwe geautomatiseerde systemen die agenten ondersteunen in hun werk. Datamisbruik kan fatale, zelfs dodelijke gevolgen hebben. Uit een onderzoek van Berkeley bleek dat algoritmes in de Verenigde Staten Latino’s en mensen uit zwarte gemeenschappen bij voorbaat afkeuren wanneer zij zich aanmelden voor een leegkomende woning. Naar verluidt zijn er onder hen namelijk meer wanbetalers. 

    Als data de grootste collectieve schat van een digitale samenleving zijn – goud, olie, de grondstof van de eenentwintigste eeuw, het basismateriaal voor bedrijfsleven en politiek – en het bezit ervan de waarborg is voor democratie en transparantie, moeten ze dan niet worden behandeld als gemeengoed, als deel van de openbare infrastructuur? Als we niet willen dat de gezondheidszorg van burgers in de toekomst wordt overgenomen door Google-werknemers en het vervoer door Uber – en dat de enorme winsten van beide bedrijven richting de Verenigde Staten stromen – hebben we regulering nodig van het tot nu toe wildwestachtige wegvloeien van data, en hebben we instellingen nodig die de digitale soevereiniteit van Europa (en, net zo belangrijk, van Afrika) kunnen garanderen ten opzichte van Amerikaanse en Chinese concerns: Europa’s eigen techbedrijven, meer kwantumcomputers, betere algoritmes én datacentra die deel uitmaken van de openbare infrastructuur.

    In zijn essay Big data for the people: it’s time to take it back from our tech overlords pleit Ben Tarnoff ervoor dat de maatschappij, en niet de industrie, bepaalt of en hoe haar hulpbronnen worden gebruikt – big data vormen daarop geen uitzondering. Het zou voldoende zijn om data publiek goed te noemen. Bedrijven kunnen doorgaan met het verfijnen ervan en worden betaald om ze te analyseren, maar op onze voorwaarden en ‘ten behoeve van ons welzijn’. Maar wie definieert dit ‘welzijn’? Wie bepaalt of de analyse van persoonsgegevens voor een gezondheidsapp in het belang is van het ‘welzijn’ van de gebruiker (zoals de providers zouden beweren) dan wel dient om hem bang te maken en ertoe aan te zetten meer producten en apps te kopen die de gezondheid helpen verbeteren en zo de kassa’s van diezelfde providers te vullen? De staat? De burger? Vooral inwoners van het mondiale zuiden moeten de soevereiniteit over hun data veiligstellen en deze ‘nationaliseren’, betoogt Ulises Ali Mejias, directeur van het Institute for Global Engagement aan de State University van New York. Niet alleen olie, kostbare aardmetalen en grondstoffen, maar ook data worden daar op grote schaal gewonnen door westerse en Chinese concerns: er is sprake van een nieuw datakolonialisme. 

    In tijden van datakapitalisme is een openbare serverfarm een symbool van burgerlijke vrijheid

    Alleen al daarom is er dringend behoefte aan een publieke plaats waar zichtbaar wordt hoe sterk gegevensopslag en macht met elkaar verweven zijn, hoe groot het gevaar is de controle te verliezen en hoe belangrijk het is om de data niet te verzamelen op de servers van grote particuliere ondernemingen, maar decentraal in handen van burgers te leggen. Alleen op die manier is een nieuwe rol voor burgers mogelijk, een nieuwe rijkdom voor iedereen. Maar hoe zou deze publieke plaats er dan uit kunnen zien?

    Het is de taak van de staat om iets nieuws te bouwen dat alle onbegrijpelijke technologieën die meer dan wat ook een stempel drukken op het leven, zichtbaar en begrijpelijk maakt: een hybride gebouw bestaande uit een datacentrum, bibliotheek en museum van de toekomst, een nieuwe onderwijsinstelling waar de gehele bevolking, scholieren en politici kunnen leren hoe gevaarlijk het heersende bedrijfsmodel van het digitale kapitalisme is voor democratie en zelfbeschikking. Deze openbare serverfarm zou programmeerscholen, tentoonstellingsruimten en onderzoeksfaciliteiten kunnen huisvesten en eveneens een centrum kunnen zijn voor digitale soevereiniteit. Ook in kleinere steden en dorpen zouden lokale gedecentraliseerde servers nieuwe openbare plaatsen kunnen worden, zoals gemeenschapshuizen, dorpsscholen en bibliotheken dat ooit waren.

    De enorme hitte die vrijkomt bij het koelen van de data zou ook hier de basis kunnen vormen voor een volledig nieuwe openbare – en niet, zoals bij The Spark, particulier geëxploiteerde – architectuur: bibliotheken, sporthallen, kassen, zwembaden, een collectieve dorpshuiskamer, overkoepelde tropische altijd groene woongebieden. In tijden van datakapitalisme zou zo’n openbare serverfarm een symbool van burgerlijke vrijheid zijn, zoals het stadhuis dat ooit was als tegenwicht voor het kasteel van de feodale heer; een schatkamer van het digitale tijdperk waarin data als collectief eigendom, als ‘publiek goed’ worden beschouwd.

    Deze tekst is een fragment uit het boek van Niklas Maak: Servermanifest Architectur der Aufklärung: Data Centra als Politik-maschinen. Met een voorwoord van Francesca Bria. Hatje Cantz Verlag, 112 blz. met vele afbeeldingen, € 17,99. Het boek is op 13 juni 2022 verschenen.

  • Musk houdt traditie in stand

    Musk houdt traditie in stand

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Digitale reddingsactie Oekraïne

    » Gestegen winst voor Berlusconi

    FSD komt dit jaar écht

    Tijdens de presentatie van de winstcijfers van Tesla vorige week, was het bedrijf niet alleen tevreden over de productie van Model Y in de nieuwe fabriek in Texas en over de recordomzet – de verkoop bereikte 4,1 miljard dollar, tegen 26,4 miljard in 2020 en 19,4 miljard in 2019. Maar CEO Elon Musk hield zich ook aan wat inmiddels een traditie lijkt te zijn geworden. Voor het negende jaar op rij voorspelde hij namelijk dat ‘volledig zelf rijden’, ofwel FSD, naar het Engelse Full Self-Driving, hetgeen betekent dat er geen controle of input nodig is van wie dan ook in de auto, over minder dan een jaar mogelijk zal zijn.

    ‘Ik denk dat FSD de belangrijkste winstbron voor Tesla zal worden’, zei hij bij de presentatie, geciteerd door Jalopnik. ‘Het is mijn persoonlijke gok dat we FSD dit jaar zullen bereiken, met een aanzienlijk hoger veiligheidsniveau dan we momenteel hebben.’

  • Kimaatsciencefiction: De wereld over 180 jaar

    Kimaatsciencefiction: De wereld over 180 jaar

    Fix, een in milieukwesties gespecialiseerd kanaal van de Amerikaanse site Grist, vroeg jonge journalisten van over de hele wereld zich het jaar 2200 voor te stellen. De duizend deelnemers uit 85 verschillende landen werd verzocht de toekomst te beschrijven alsof zij daar al zijn. In het winnende verhaal ‘Afterglow’ van Lindsey Brodeck is het huidige doemscenario zo verwerkt dat een betere wereld over 180 jaar voorstelbaar wordt.

    Het is vroeg in de zomer en al over een maand vertrekken de laatste pods naar de Keplerplaneten. Renem heeft twee plaatsen geregeld, natuurlijk wil ze dat ik met haar meega.

    Ik heb tijd nodig om te bedenken wat ik wil. Zij snapt niet waarom, want we laten eigenlijk niets achter. Op goede dagen slapen we in een kraakpand en op slechte op een bankje. En over familie hoeven we het ook niet te hebben. Renem heeft haar ouders nooit gekend en ik heb wat er van de mijne over was jaren geleden begraven. We zijn al meer dan de helft van mijn leven bij elkaar. Soms vraag ik me af of dat niet meer uit noodzaak is dan uit liefde.

    Al snel ben ik niets anders dan vrije energie die met de menigte vervloeit

    Ik ben in de Antimaterie en op de dansvloer is het zoals altijd stampvol. Het is niet wat je noemt een superglamoureuze tent, maar ik voel me er thuis, alsof ik hier uit mijn huid kan stappen en kan opgaan in iets groters. In een hoek deelt iemand Tangletabletten uit. Grijze markt, waarschijnlijk een staaltje reverse engineering. Ik scan er snel een: maar 0,1 procent kans op meth-mod. Een goed teken maar geen garantie; er kan nog steeds een andere verslavende stof in zitten. Ik betaal en stop er een in mijn mond. Het pilletje lost op en mijn malende gedachten ook. Alleen een zoetige pijn aan mijn tanden blijft over. Al snel ben ik niets anders dan vrije energie die met de menigte vervloeit.

    Meestal gaat iedereen hier zo op in zijn eigen synthetisch opgewekte gelukzaligheid dat maar heel zelden iemand zich met je bemoeit. Vanavond moet zo’n zeldzame gelegenheid zijn, want ik voel iemands ogen op me gericht. Ik hou op met dansen en probeer te zien wie het is, maar telkens als ik mijn best doe om de vormen om me heen duidelijk te krijgen, is het alsof ik met een caleidoscoop de verkeerde kant op kijk. Alles wordt wazig en onscherp, vaag en vloeiend. Maar toch mooi. Iemand komt naar me toe gerend, draait zich weer om, beschrijft grote lussen en spiralen. De bewegingen doen mijn hoofd tollen. Ik zie een flits van vleugels zo dun als spinnenwebben.

    De menigte beweegt koortsachtig en ik raak de wirwar van kleuren even snel uit het oog als ik hem had opgemerkt. Hield die regenboogstrobo maar even op. Ik zak ineen op de kleverige vloer en begraaf mijn gezicht in mijn handen. Ik wrijf mijn ogen open en ze prikken van het zweet. Maar ik zie iets veelbelovends, iets op de betonnen vloer. Het is felgeel, lichtgevend. Het lijkt een spoor.

    Onzichtbare lijn

    Het is geen kleinigheid om een bijna onzichtbare lijn over een volgepakte dansvloer te volgen, zeker als je alleen je handen, je blote knieën en een middelmatige partydrug hebt om je op voort te bewegen. Tegen de tijd dat ik buiten ben, heb ik meer drankjes over me heen gekregen dan een champagnemeisje op zo’n afschuwelijke herenorgie. Moet ophouden daaraan te denken voordat ik nog misselijker word. Mijn gezichtsvermogen laat het afweten en straks mijn geheugen ook. Maar pas nadat ik het gezien heb.

    Ik sta op het dak en de lijn is allesbehalve recht; het is meer een kluwen afgewikkeld draad. Uiteindelijk loopt hij naar een half ingestorte bakstenen muur en rond een grote muurschildering van zeker zeven meter breed. Ik weet niet wat ik had verwacht, maar niet dit.

    Langwerpige vleugels, fonkelende ogen, een lijf dat groen gloeit in het maanlicht. Het is het mooiste insect dat ik ooit heb gezien. Ik loop ernaartoe, strek mijn hand uit om contact te maken. Waar ik kan, laat ik mijn vingertoppen erlangs gaan en haal diep adem. Het is geen beeld van verf, het is bedwelmend: een vleugje verrotting, verschillende texturen, het leeft. Vlak voordat mijn gezichtsvermogen wegvalt, verschijnt er een stroom namen in mijn optische mod. Alleen de woorden staan nog in mijn oogleden geprent: Xanthoria parietine, Lichina Pygmaea, Hupnum cupressiforme.

    ‘Ik heb iets geweldigs gezien vanavond.’

    Op de een of andere manier ben ik terug bij Renem, in ons leegstaande gebouw met het half verdwenen dak. Ze houdt me in haar armen, streelt mijn haar. Maar ik weet dat ze boos is. Ik beef in haar armen.

    Klimaatfictiewedstrijd

    Grist is een onafhankelijke Amerikaanse non-profitmediaorganisatie die zich, naar eigen zeggen, ‘inzet voor het vertellen van verhalen over klimaatoplossingen en een rechtvaardige toekomst’. Die verhalen zijn doorgaans journalistiek, maar Fix, het ‘solutions lab’ van Grist dat mensen belicht en samenbrengt die met spraakmakende of baanbrekende ideeën en oplossingen de klimaatproblematiek proberen aan te pakken, kwam op het idee van een ‘klimaatfictiewedstrijd’: een verhalenwedstrijd over het leven in de toekomst. 

    Tory Stephens van Fix onderzocht of dergelijke verhalen al bestonden en stuitte vooral op dystopische toekomstnarigheid vanuit een voornamelijk wit perspectief. ‘De inspiratie die ik zocht,’ schrijft Stephens, ‘vond ik in de genres afrofuturisme en solarpunk. Afrofuturisme ziet een Zwarte toekomst voor zich, met precies die cultuur die ik niet vertegenwoordigd zag in veel van de klimaatfictie die ik had gelezen – en dat leidde me naar andere futurismen.’ 

    Dat blijken er nogal wat te zijn, uiteenlopend van Latinx-futurisme tot Aziatisch- en queer-futurisme. Solarpunk, een genre dat eind jaren 2000 ontstond, zo blijkt uit een overzicht op de site waarin alle futurism-stromingen worden omschreven, verbeeldt een groene toekomst op basis van hernieuwbare energie met een doe-het-zelfesthetiek die overeenstemt met de indie-punk achtergrond van de makers. Voor de verhalenwedstrijd Imagine 2200: klimaatfictie voor toekomstige voorouders ontving Fix ruim 1100 inzendingen uit meer dan 85 landen; 360 Magazine publiceert daarvan de winnaar en een korte samenvatting van twee andere verhalen.

    ‘Je bent tenminste altijd gemakkelijk te vinden.’

    Vijandigheid onder die zeven eenvoudige woorden. Ze denkt er niet aan dat ik soms niet gevonden wil worden. En daar zal ze ook nooit aan denken, zolang ze haar redderscomplex blijft botvieren.

    Ik probeer de dreigende ruzie af te wenden en bezweer haar dat het deze keer anders was. ‘Iemand stuurde me een boodschap,’ zeg ik.

    Ze wendt zich af. Haar donkere, krachtige gezicht wordt omlijst door maanlicht dat via de gaten naar binnen valt. 

    ‘Doe toch niet zo kinderachtig, Talli.’ Renem spuwt mijn naam uit als een vloek. ‘Wanneer word je eens volwassen?’ Dan laat ze me los en staat op, en met haar verdwijnt ook haar warmte.

    Mijn verzoeningspogingen verdampen samen met de warmte. ‘O, dus de volwassen keuze is slaaf worden op 452b?’ snauw ik terug. Ik huiver, mijn van zweet doortrokken jurk wordt koud. ‘Je weet dat we nooit van die schuld af komen. Daar zijn ze op berekend.’

    Ze schudt haar hoofd, alsof mijn argument er totaal niet toe doet. ‘Je hebt de foto’s gezien. Die planeten zijn onze enige hoop. Ik zou een leven voor ons kunnen opbouwen.’

    Ze komt weer naar me toe en wil onder de stapel dekens gaan liggen. Ik wend me af; de nacht is warm genoeg zonder haar.

    Ik zie overal bijen: advertenties in mijn feed – nutteloze dingen zoals kostuums en juwelen en producten die ik nooit kan betalen – en mensen op straat uitgedost met voelsprieten en glinsterende vleugels. Ik zie ook echte bijen op de spichtige, door het beton heen groeiende plantjes neerstrijken en zoemen rond de bloeiende wijnranken die zich als slangen rond de ruïnes van de stad kronkelen. Misschien waren ze er altijd al, maar het is de eerste keer dat ik ze opmerk. Ik hou mijn optische mod voortdurend aan, zodat ik elke nieuwe soort kan identificeren en opslaan. Mijn favorieten zijn de kleine, grotendeels zwarte insecten waarvan ik altijd dacht dat het vliegen waren. Nu blijken het bijen en ze hebben prachtige namen: Ceratina acantha, Hylaeus annulatus, Chelostoma philadelphi. Zelfs zonder de mod kan ik ze uit elkaar houden: gele bandjes bij de ogen zijn een kenmerk van Hylaeus, en het felrode achterlijf van de Sphecodes herken je meteen. Er is ook iets in mijn hoofd, een zacht, maar onafgebroken gezoem. Het doet me denken aan hoe een warme, lome zomer zou moeten klinken. Altijd als ik tegen Renem over zulke dingen begin, zegt ze dat ik onze tijd verspil.

    Het wordt makkelijker om echt en namaak uit elkaar te houden en de trendy insectenlichaam-mods te onderscheiden van de gedaante die ik drie weken geleden heb gezien. En ik ontdek iets verrassends in mezelf, een gevoel dat ik niet van mezelf had verwacht. Terwijl steeds meer rijken naar de ongerepte planeten vertrekken en de naglans van hun schepen groengele brandplekken op mijn netvlies achterlaat, voel ik geen bezorgdheid of wanhoop. Ik ben juist vol hoop.

    Ik ben in het centrum van Brexton-Maine wanneer ik er weer een zie. Zelfs met een nuchter hoofd vind ik het nog steeds moeilijk om hem te beschrijven. Misschien heeft de persoon een of andere krachtveldverstrooier waardoor hij lastiger te volgen is. Maar het is er een, dat weet ik; ik voel het en als ik omlaagkijk, is daar weer die dwalende, fluorescerende lijn.

    Ik raak de figuur snel kwijt maar blijf de lijn volgen. Die leidt me naar een pakhuis, zo’n tien straten van waar Renem en ik op dit moment wonen. Ik zou op zoek moeten zijn naar bruikbare spullen in de stortplaatsen aan de buitenrand van de stad en verkopen wat ik kon. Tenminste, dat zou Renem willen dat ik deed.

    Zij/haar, hen/hun

    Ik ben niet bang om naar binnen te gaan. Maar als ik die zware metalen deuren openduw, word ik verrast door wat ik hoor en zie: een voortdurend, onophoudelijk gezoem, duizenden zaailingen en één enkel persoon gekleed in het wit, een imkerpak, zoals bijenhouders dragen.

    ‘Ik neem aan dat je ons spoor hebt gevolgd?’

    Ik zeg iets als antwoord, maar de woorden komen er verward uit. Ik word volledig omhuld door het gekmakende, zoete geraas, en het helderwit van de fluorescerende lampen geeft het pakhuis een bovennatuurlijke gloed.

    ‘Steeds meer mensen weten ons te vinden.’ De kap met het net gaat af, donkere ogen en een bos bruine krullen komen tevoorschijn. ‘Ik ben Wyl. Hen/hun.’ Hun wangen zijn rood en glanzend. ‘Hoe heet jij?’

    ‘Talli,’ zeg ik. ‘Zij/haar.’

    ‘Welkom, Talli. De rest van degenen die ons vandaag hebben gevonden is boven.’

    Hun woorden bezorgen me een steekje van onverwachte teleurstelling. Mijn reactie moet zichtbaar geweest zijn, want Wyl glimlacht droogjes tegen me, alsof hen wil zeggen: ‘Hè? Dacht je soms dat jij de enige was?’ Op de een of andere manier had ik niet verwacht dat anderen deze plek ook gevonden hadden. De muurschildering bij Antimatter, de figuur op straat, het leek allemaal alsof het alleen voor mij bestemd was. Mijn eigen kaart ergens naartoe, een kaart die me zou kunnen redden. Ons, bedoel ik.

    Terwijl ik achter hen aan verder het pakhuis in loop, slingerend tussen rijen met ongelooflijk veel soorten kiemplantjes, ontdek ik de bron van het gezoem. Grote bijenkorven, wat niet verrassend is, maar ook bouwsels die ik niet goed kan benoemen: enorme stapels uitgeholde houten stammetjes en klompen aarde in bakken langs een groot deel van de muur.

    ‘Lang niet alle bijensoorten leven in korven, weet je,’ zegt Wyl.

    ‘De wereld is een veel betere plek dan zij ons willen laten geloven’

    We lopen de industriële trap op, tot we boven het niveau van de plafondlampen komen. Boven ons is een stalen trapdeur. Hen schuift de grendel opzij en duwt. En dan is er verblindend zonlicht, tientallen mensen en talloze rijen bloemen, groenten, bessenstruiken en fruitbomen vol gaaien en mezen.

    ‘De wereld is een veel betere plek dan zij ons willen laten geloven,’ zegt Wyl. ‘Ja, er is verwoesting, maar er is ook reden tot hoop. Zoveel hoop.’

    Wyl hoeft niet uit te leggen wie die ‘zij’ zijn waarover hen het heeft. Het is duidelijk dat hen StarSpace bedoelt.

    De groep is divers: een vloed kleuren en uitdrukkingen die met elkaar één enkel, samengesteld beeld vormen. Ik keer me naar Wyl, maar hen heeft zich al een weg naar het hart van de menigte gebaand.

    ‘Voor degenen van jullie die net aangekomen zijn: welkom.’ Wyl zwijgt even en lacht vriendelijk naar ons. ‘De missie van de “Houders” is simpel. Wij zijn een groep mensen die een manier van zijn hebben ontdekt die al duizenden jaren op aarde aanwezig is. Een manier van zijn die draait om gemeenschap en om het aangaan van relaties met alles wat leeft. Die manier is ook door andere volken, op andere planeten, erkend. Vertel me eens’– hen zwijgt even en gebaart naar een jonge man voor in de groep. ‘Welk voornaamwoord zou jij gebruiken om te beschrijven wat je hier ziet?’ Wyl wijst naar een bij die loom door de lucht zigzagt. Onwillekeurig kom ik dichterbij. Het insect gaat vlak naast me op een paarse zonnebloem zitten – Echinacea purpurea. Het is geen honingbij; dat maakt het metallisch groen van zijn kop en borst overduidelijk. Ik weet welke naam ik eraan moet geven: Agapostemon virescens.

    Planeet 452b

    De man lacht verlegen, alsof hij bang is dat dit een strikvraag is. Zijn blozende wangen zijn bijna even rood als zijn shirt. ‘Het zit op een bloem?’

    Wyl glimlacht, maar schudt hun hoofd. ‘Ik dacht al dat je dat zou zeggen, maar we zijn hier om je te laten zien hoe je op een andere manier naar de wereld kunt kijken en naar de bewoners met wie we de wereld delen. Onze missie is meer dan bijen houden, tuinieren en herwilderen. We vechten ook voor een semantische verschuiving. Wat weten jullie over 452b, de eerste planeet waar de pods al die jaren geleden zijn geland?’

    Ik ben normaal niet iemand die het woord neemt in een groep, maar iets dwingt me om te reageren.

    ‘De plantmensen die daar leven, maken nauwelijks onderscheid tussen de dingen,’ zeg ik. ‘Niet tussen elkaar, maar ook niet tussen andere levensvormen. Alles is met elkaar verbonden. Daarom is hun taal zo moeilijk te verstaan.’

    Wyl knikt en ik neem aan dat ik het goede antwoord heb gegeven.

    ‘Je komt in de buurt, maar dat is het toch niet helemaal.’

    Ik zeg niets meer. Ook mijn wangen zijn nu rood.

    ‘Op één punt heb je gelijk. De Heliogeentaal is inderdaad moeilijk in de onze te vertalen. Engelstaligen hebben hun taal van imperialisten geërfd, een taal die objectiveert en zich vrijwel alles waarmee ze in aanraking komt, toeëigent. De taal van de Heliogenen is heel anders. Hun taal benadrukt de verbindingen tussen ons, niet de willekeurige grenzen die ons van elkaar zouden moeten scheiden. Heliogenen hebben zelfs één voornaamwoord voor iedereen en alles. En dat voornaamwoord is “se”. Een Heliogeen zou nooit zeggen “het vliegt door de lucht”, want voor hen zijn de overeenkomsten die we met andere levensvormen hebben veel belangrijker dan onze verschillen. “Se” is de ultieme vorm van respect, het drukt de verbinding uit die wij, of ik moet zeggen “se”, met alle anderen delen. Deze bij, se bestuift onze bloemen; de bloemen, se geven ons voedsel en schoonheid. Onze woorden zijn even belangrijk als onze daden. Ze vormen onze geest, onze manier van kijken, onze betekenisgeving.’

    Mijn dagelijks leven bestaat uit gespannen gesprekken voeren, worstelen om te overleven

    Het is prachtig wat Wyl zegt, maar ook moeilijk te begrijpen. Terwijl ik nadenk over hoe de taal die ik spreek mijn begrip van de wereld beïnvloedt, voel ik mijn gedachten wazig worden.

    ‘We kunnen “se” zelfs gebruiken om onszelf te beschrijven, want het is onjuist om “jou” of “mij” te zien als alleen maar bestaand uit “mens-zijn”. In werkelijkheid werken we samen met biljoenen prokaryotische cellen. En dat maakt ons tot amalgamen, holobionten, chimaera’s, voortdurend in verandering en toch één.’

    Wyl zwijgt even om adem te halen. Ik besef dat ik de mijne inhield.

    ‘En tot slot is er nog een manier van kijken die we even belangrijk vinden, een manier van kijken die verandering en verbinding ziet als een constante. Denk aan het Passamaquoddy-volk, mijn volk, afkomstig van de grond waarop wij nu staan. Wij hebben een veelheid aan woorden voor “rivier”, “veld” en “wind”, voor nog veel meer; woorden die zowel zelfstandig naamwoord als werkwoord zijn voor iets wat leeft. Denk eens aan een rivier. Hoe vreemd het is dat het Engels maar één woord heeft om een kracht te beschrijven die constant in voortgaande beweging is. De Passamaquoddy hadden afzonderlijke woorden om te beschrijven waar de rivier breder wordt, kskopeke, waar ze weer vernauwt, ksepique, waar ze zich splitst of weer samenvloeit, niktuwicuwon, om er maar een paar te noemen. Het is moeilijk om de relatie die je met je taal hebt te veranderen, maar niet onmogelijk. Om te beginnen moet je je ervan bewust zijn.’

    Wyl geeft nog meer voorbeelden, bijvoorbeeld hoe het classificeren van een veld als een ding, als een ‘het’, het veel makkelijker maakt dat het land geëxploiteerd en respectloos behandeld wordt. Maar als we een veld zien als onderdeel van iets wat verbonden en belangrijk is, als een verschijningsvorm van het land op een bepaald moment in de tijd – pomskute, een veld strekt zich uit – zullen we het – se – des te beter verzorgen.

    Verandering

    ‘Alles verschuift als je eenmaal beseft dat het onze verantwoordelijkheid is om voor ons thuis te zorgen, wil er enige hoop zijn dat se op hun beurt voor ons zullen zorgen,’ zegt Wyl. ‘De natuur is veerkrachtig, verandert voortdurend, past zich aan. En onze rol als rentmeester, als veranderaar, is niets nieuws. Mensen veranderen al tienduizenden jaren de natuur. Gemeten naar de geologische tijd is het pas sinds kort dat deze verandering catastrofaal en destructief is geworden.’

    Van radicaal herwilderen tot stadstuinieren, Wyl legt uit dat de visie van de Houders een veelheid aan oplossingen inhoudt. Ik kijk om me heen: rijke aarde, grote bomen, een overvloed aan voedsel en bloemen. Het geheel ziet er totaal anders uit dan de steriele monoculturen die ik altijd in de propaganda van FarmCo zie. Se is halfwild en prachtig, verzorgd door mensen en gedijend op beton.

    Het voelt alsof er maar een paar minuten zijn verstreken sinds ik hier ben, maar de ondergaande zon zegt iets anders. Wyl is uitgepraat en ik zit nu naast hen en kijk toe hoe de lege wolken zich met kleur vullen. Ik vraag hun hoe lang hen al bij de Houders is.

    ‘Een paar jaar nu.’ Wyl glimlacht en schermt hun ogen af. ‘Ik kan me nauwelijks herinneren hoe mijn leven daarvóór was.’

    ‘Als wat jullie zeggen waar is, als er duizenden van jullie zijn…’

    ‘Waarom heb je ons dan nooit gezien?’

    Ik knik.

    ‘Je hebt ons wel gezien. Je wist het alleen niet.’ Hen zwijgt even en plukt een bloem van een bed vlakbij. Gaillardia aristata. ‘Dat is het probleem met hoe mensen over ons denken. Alsof we allemaal zelfgemaakte kleren zouden dragen en in communes of zoiets wonen. Natuurlijk zijn sommigen van ons wel zo.’ Hen lacht en draait de bloem tussen hun duim en wijsvinger rond. De bloemblaadjes zijn geel omrand en rood, als de strepen aan de verblekende hemel. ‘Maar het punt is, iedereen kan Houder worden, als ze willen.’

    Tidings

    Het verhaal ‘Tidings’ van Rich Larson begint in het jaar 2038. Tsayaba is teruggekeerd naar haar geboortedorp in Niger. Ze heeft biochemie en biotech gestudeerd in Nigeria en hoopt nu in haar vertrouwde dorp, waar ook haar jongere nichtje Ouma woont, een uitvinding te testen.

    ‘En nu is ze terug, hier in het stoffige Maradi, waar zij en Ouma samen zijn opgegroeid, om het kleine biologische apparaatje uit te testen waar ze al anderhalf jaar aan sleutelt. Of al een hele verdomde eeuw, afhankelijk van wanneer je het haar vraagt. Het naamloze ding heeft ongeveer de grootte van Ouma’s gebalde vuist en is gemodelleerd naar het spijsverteringskanaal van een wasworm, met een gladde huid en trilhaartjes waarmee het gemakkelijk door het zand zou moeten kunnen glijden op een manier waar Bostobots nog steeds mee worstelen. Maar het beweegt niet.’ Tsayaba pakt haar laptop, ‘waarvan Ouma weet dat ze die heeft gebouwd van oude onderdelen, om onethisch gewonnen goud en wolfraam te vermijden’, en na wat gepruts lukt het uiteindelijk: ‘het ding’ van Tsayaba eet plastic. 

    Het verhaal switcht dan naar Praag in 2044, waar een stel na een date in bed belandt en Kat op de buik van Jan een bewegende livestream-tattoo aantreft. De tattoo toont klimaatvluchtelingen; Jan hoopt door ze te tonen hun kans op asiel te kunnen vergroten. Zo springt het verhaal via verschillende plekken en innovaties – zoals een taal-app om met dieren te communiceren – via de jaren 2066 en 2099 naar het jaar 2132 in Thailand. Daar komen alle innovaties samen: Nam communiceert met Truth, een dolfijn, en trekt hem een nerve suit aan, waardoor Nam en iedereen die met haar verbonden is en door haar duikbril meekijkt, kan ervaren wat het is om een dolfijn te zijn.

    ‘Ik wil het,’ zeg ik bijna fluisterend. 

    Eerst zegt Wyl niets, maar de stilte is niet ongemakkelijk. Na een tijdje antwoordt hen.

    ‘Ik hoopte al dat je dat zou zeggen. Je lijkt bij ons te passen, Talli. En je bent al een aardige burgerwetenschapper.’

    Ik kijk hen onderzoekend aan. Hen moet lachen. ‘Wees maar niet bang, we tracken je niet. De logs die je post zijn openbaar, meer niet.’

    Ik lach en voel hoe mijn lichaam weer even ontspannen wordt als hiervoor. Op dit moment overtuig ik mezelf ervan dat alles goedkomt. Dat het goedkomt met Renem en mij en dat ik haar kan laten inzien hoeveel deze plek voor ons kan betekenen. Dat de Aarde niet ten dode opgeschreven is. Dat hier nog zo veel mogelijkheden zijn. 

    Het is te veel om over na te denken, en daarom probeer ik naar het hier en nu terug te keren. Ik vraag Wyl of hen ooit buiten Brexton-Maine is geweest. Hen lacht zachtjes voor zich uit.

    ‘Waar ben ik níét geweest?’ Hen zwijgt even. ‘Ik ben bij hen begonnen in New Texas, met al die Pleistoceen-herwildering die daar gaande was.’

    Ik voel dat mijn mond openvalt. ‘Daar heb ik over gehoord. Jullie dropten reuzenschildpadden en kamelen in de woestijn. En ook carnivoren. Leeuwen, luipaarden. De leiders daar waren woest.’

    ‘Inderdaad.’ Wyl grijnst. ‘Het werkte geweldig goed. We kochten duizenden hectaren ongebruikt, vergeten land. Sommige mensen werden natuurlijk kwaad omdat we geen hekken om dat land heen hebben gezet. Maar het was het waard. We begonnen met een paar honderd dieren, allemaal bedreigde soorten. Nu gaat het goed met se en geeft het land meer leven dan se in duizenden jaren heeft gedaan.’

    Wyl zwijgt nadenkend. Hun haar beweeg zacht in de wind, tegen het licht van het laatste restje zonsondergang.

    Vier Laatste Levenden

    ‘Het duurde niet lang voordat ik vermoedde dat er vier Levende Laatsten waren: ikzelf; de Groenlandse haai; een bateleur of Zimbabwaanse adelaar, die hoog zweeft boven een nu lege kloof waar ooit grote watervallen waren; en de laatste barasingahert, dat door het rotsachtige Nepalese terrein dwaalt op zoek naar nattere grond,’ schrijft Mike McClelland in het verhaal The Secrets of the Last Greenland Shark. De ik-persoon, de laatste mens, ontdekt dat de laatst overgebleven soorten elkaars gevoelens, gedachten en geschiedenis kunnen ervaren: ‘Ik bracht nog meer tijd door met de andere Laatsten, wisselde herinneringen uit en was samen met hen op deze manier, op deze wonderbaarlijke wijze, waarop we samen konden zijn.’ 

    Voor de laatst overgebleven mens is vooral de laatste Groenlandse haai interessant, omdat die al honderden jaren oud is. Maar het dier blijft een mysterie: ‘Bij andere Levende Laatsten kon ik wel een vaag beeld van hun gedachten en emoties krijgen, en uiteindelijk leerde ik raden wat de Laatsten, levend of dood, voelden op basis van wat ze zich herinnerden. Maar de Groenlandse haai bleef vooral een mysterie voor mij.’ 

    De Groenlandse haai is rusteloos en gaandeweg ontdekt de mens dat de haai op zoek is naar de plek waar hij vijfhonderd jaar eerder is geboren. Als de haai die plek eindelijk vindt, wordt het contact tussen de haai en de overige Levende Laatsten ogenschijnlijk verbroken, maar dan ontdekt het overgebleven drietal dat ze zich in de haai bevinden en alle drie herboren worden als Groenlandse haai: ‘Ik voelde mijn menselijke vorm verslappen, loslaten en voelde mijn nieuwe, koude lichaam als een pijl door het water bewegen. En ik hoorde een stem in mijn hoofd, in mijn hele lichaam eigenlijk, hoewel ik niet zeker wist of het de hare of de mijne was. Wat de stem zei was simpel. 

    Overleven, overleven, overleven.’

    ‘Weet je, we hebben hier in de buurt op kleinere schaal ook aan herwildering gedaan,’ zegt hen. ‘Wil je dat zien?’

    Ik kan geen woorden vinden die sterk genoeg zijn om uit te drukken hoe graag ik dat wil, dus ik knik alleen maar.

    Hen leidt me het gebouw uit, naar hun auto die op de straat daarachter staat geparkeerd. ‘Ik heb in geen eeuwen in zo’n ding gezeten,’ zeg ik.

    Wyl grijnst opnieuw. ‘Ze zijn een stuk goedkoper als je geen elektriciteit via de stad hoeft te betalen.’

    We rijden weg. Na een half uur zijn we in het moerassige deel van de stad, waar overstromingen aan de orde van de dag zijn en waar degenen die de pech hebben daar nog steeds te wonen, eraan gewend zijn dat hun huis een en al schimmel en verrotting is. Opeens stopt hen. Het enorme, verlaten terrein ziet er niet uit als een belangrijke plek. Het is drassig, overwoekerd en vergeven van de muggen. Maar Wyl stapt toch uit en ik ga achter hen aan, door modder en rietbosjes, tot we bij een middelgrote plas komen. Hen had wel gezegd dat deze herwildering kleinschaliger was, maar zo klein, zo onbeduidend had ik niet verwacht.

    ‘Is dit het?’ vraag ik, terwijl ik mijn best doe de teleurstelling niet in mijn stem te laten doorklinken.

    ‘Het is bijna donker. Even geduld nog.’ Hen hurkt neer en gebaart dat dat ik hun voorbeeld moet volgen.

    ‘Op honderden plekken als deze hebben we leven teruggebracht. Puspahkomike, draslanden’

    Wyl had gelijk, al snel is alle kleur uit de hemel verdwenen en de warmte van de dag vervlogen. Sommige muggen vliegen mee, dat is tenminste iets. Mijn rug doet pijn en ik krab aan de zwellende bulten op mijn benen en armen. Ik zin net op een of ander excuus, als ik iets hoor. Het klinkt vaag menselijk en krakerig, een keelachtig, muzikaal geluid.

    ‘Op honderden plekken als deze hebben we leven teruggebracht. Puspahkomike, draslanden. Heb je er al een gezien?’

    Ik schud mijn hoofd, ook al kan hen dat in het donker waarschijnlijk niet zien. Ik schaam me om het te vragen, maar doe het toch: ‘Wat is dat voor geluid?’

    Wyls stem is nauwelijks meer dan gefluister. ‘Kikkers, Talli. Honderden kikkers.’

    ‘Dat kan niet,’ fluister ik terug. ‘Die zijn toch al tientallen jaren uitgestorven?’ Ik weet dat ik gelijk heb; een paar jaar geleden heb ik gelezen over een schimmel die zich over het grootste deel van het noordoosten van het land had verspreid en die dodelijk was voor kikkers, salamanders en andere amfibieën.

    ‘Op een bepaald moment, ja. Maar enkele soorten waren niet vatbaar voor de chytride. En se hebben we hierheen gebracht.’

    Kikkers

    Ik hou mijn mond, maar vraag me af wat er zo geweldig aan is om een paar kikkers terug te brengen. De Pleistoceenherwildering, dat snap ik. Maar dit… het lijkt me een hoop moeite voor niets.

    ‘Kikkers zijn een hoeksteensoort, weet je,’ zegt Wyl alsof hen mijn gedachten kan lezen. ‘Net als de megafauna die we in het zuidwesten hebben geïntroduceerd. Sinds we se hierheen hebben gebracht, zijn ook andere dieren teruggekomen. Slangen, vogels, kleine zoogdieren. Dit plasje is een volledig functionerend ecosysteem.’

    Niet alleen mijn ogen passen zich aan. Ik kijk ingespannen naar een verzameling natte, glimmende stenen; natuurlijk, het zijn geen stenen, maar ronde, glanzende, prachtige kikkers.

    We zitten weer in de auto en ik wil voorgoed in dit moment blijven. Ik dwing de tijd langzamer te gaan, om alles om me heen te kunnen opnemen. De manier waarop Wyls neus een klein beetje wipt, de over hun gezicht gestrooide sproeten. Hun diepbruine ogen die precies op die van Renem lijken. Renem. Wyl draait treurige, zachte muziek die helpt de tijd te rekken. Geen tekst, het klinkt klassiek. Maar dat kan iemand als ik niet weten. Het is alsof Wyl langzamer rijdt dan zou moeten, misschien voelt hen de ernst van de situatie ook. Ik bevind me op het keerpunt van een slinger en weet niet of ik ooit nog terug zal zwaaien. Mijn dagelijks leven bestaat niet uit herwilderen en de wereld eren met nieuwe woorden; het bestaat uit gespannen gesprekken voeren, worstelen om te overleven en proberen Renem te overtuigen dat we de Aarde niet hoeven te verlaten.

    Wyl verbreekt de stilte. ‘Heb je nog een paar uur over?’ vraagt hen. ‘Ik moet je nog één ding laten zien.’

    We zijn al in mijn deel van de stad, slechts een paar minuten rijden van de verlaten slagerij die Renem en ik op dit moment thuis noemen. Het is uren geleden sinds ik voor het laatst contact met haar had.

    ‘Als je terug moet, begrijp ik dat wel.’ Wyl stopt en trommelt nerveus met hun vingers op het dashboard.

    ‘Ze bedoelden het goed, maar waarom was hun motto “Red de Aarde”? Waarom zeiden ze niet gewoon “Red ons”?’

    ‘Een paar uur kan geen kwaad,’ zeg ik.

    Wyl lacht en keert de auto. ‘Het is de moeite waard. Dat beloof ik.’

    Die paar uren vliegen voorbij. We, nou ja vooral Wyl, praten over van alles, van de gebrekkige retoriek van milieuactivisten uit de twintigste eeuw – ‘Ze bedoelden het goed, maar waarom was hun motto “Red de Aarde”? Waarom zeiden ze niet gewoon “Red ons”?’ – tot de terravormingprojecten van de Houders in Siberië, de Sahara en langs de Golf van Mexico. Dankzij hun gepraat springt de tijd terug in een natuurlijker tempo, maar hij gaat ook weer niet zo snel dat ik de aanzwellende pijn in mijn buik vergeet.

    Alsof ze hierop gewacht heeft, krijg ik een bericht van Renem. ‘Waar ben je?’

    Er is geen audio bij het neurobericht, maar ik weet dat haar toon scherp en verwijtend is. Ik weet ook dat ze zich waarschijnlijk zorgen maakt. Ik negeer het bijna een half uur lang, maar antwoord uiteindelijk: ‘Ik probeer iets voor ons te bedenken.’

    Haar antwoord is nauwelijks verrassend: ‘Je bent gek als je denkt dat die sekte je kan redden.’

    ‘Die kan ons wél redden,’ antwoord ik.

    ‘We vertrekken morgen.’

    De hemel barst open en wordt rood. Ik krimp ineen in de passagiersstoel en bedek mijn oren. Nog een zwerm scheepjes die door de atmosfeer heen breekt. De vuurrode streep gaat snel over in zwart. Ik was vergeten dat het morgen was. De pijn in mijn buik wordt nog erger.

    ‘We zijn er bijna,’ zegt Wyl. 

    We zijn buiten op het platteland, of wat platteland geworden is. De geraamtes van wat nu een nutteloos industriegebied is, steken uit de wuivende grassen en bloemen omhoog, een extra bizar schouwspel onder de volle maan. De weg maakt een scherpe bocht. Het is moeilijk om alles goed te zien, maar terwijl we om een grote heuvel heen rijden, tekenen tientallen huisjes, rijen halfwilde tuinen en glinsterende zonnepanelen zich steeds scherper af. 

    De natuur is nooit verdwenen uit onze stad. Ze heeft alleen zorg nodig, rentmeesterschap

    ‘Ik dacht dat je het wel leuk zou vinden om een van onze dorpen te zien.’ Wyl stapt de auto uit en gebaart dat ik hen moet volgen. We lopen naar een van de tuinen; de verstrengelde ranken van bonen- en pompoenplanten slingeren zich rond het latwerk en zien er onwerkelijk uit in het maanlicht.

    Wyl dompelt hun hand in een zak die rond het latwerk is gebonden en haalt er een glanzende handvol uit. ‘Zaden kunnen overal geplant worden. Ze hebben geen volmaakte omstandigheden nodig om te groeien.’ Hen laat er een paar in mijn uitgestrekte hand vallen en sluit mijn vingers om se heen. ‘De natuur is nooit verdwenen uit onze stad. Ik weet dat jij dat weet. Ze heeft alleen zorg nodig, rentmeesterschap. Wil jij een van onze Houders worden?’

    Als ik wil antwoorden, hoor ik weer de ping van een bericht. Tranen springen in mijn ogen, tranen van verdriet, maar evenzeer van opluchting. Natte, levende druppels die wegsijpelen in de grond onder me. Ik kijk op, weg van de zaden in mijn hand en in de ogen van Wyl. En ik knik.

  • Overheden moeten bedrijven en investeerders helpen bij de vergroening

    Overheden moeten bedrijven en investeerders helpen bij de vergroening

    Zogeheten groene knelpunten, zoals snelle prijsstijgingen en grondstoftekorten, zijn een teken dat CO2-vermindering eindelijk in de praktijk wordt gebracht. Ze kunnen alleen worden overkomen als overheden zich ‘activistisch’ opstellen, zonder er een tweede nationale agenda op na te houden.

    Terwijl de wereldeconomie aantrekt, hebben tekorten en snelle prijsstijgingen een alomvattende invloed: van de levering van Taiwanese chips tot de kosten van een Frans ontbijtje. Eén knelpunt verdient echter speciale aandacht: problemen aan de aanbodzijde, zoals schaarste aan metalen en beperkende regels voor grondgebruik die de hausse op het gebied van groene energie dreigen te vertragen. 

    Deze knelpunten zijn geenszins tijdelijk. Ze zouden de komende jaren een terugkerend probleem kunnen vormen in de wereldeconomie, doordat de overgang naar een schoner energiestelsel nog in de kinderschoenen staat. Aan overheden de taak om op deze signalen van de markt te reageren en de komende tien jaar een forse investeringsstijging in de particuliere sector mogelijk te maken. Doen ze dat niet, dan blijft capaciteitsvergroting uit en kunnen beloften van ‘nulemissies’ waarschijnlijk niet worden nagekomen.

    Gekanteld

    Wetenschappers en activisten maken zich al tientallen jaren zorgen over klimaatverandering. Sinds kort lijkt de boodschap bij politici te zijn aangekomen: landen die goed zijn voor meer dan 70 procent van het mondiale bbp én verantwoordelijk voor een even hoog percentage aan uitstoot van broeikasgassen, hebben nu doelstellingen voor nulemissies geformuleerd. De meeste moeten rond 2050 zijn gerealiseerd. 

    De houding van het bedrijfsleven is daarmee gekanteld. Beleggers eisen dat bedrijven het roer omgooien, aangespoord door de nieuwe realiteit dat schone technologieën goedkoper zijn. De reuzen van het fossiele-brandstoftijdperk, zoals Volkswagen en Exxonmobil, moeten hun investeringsplannen aanpassen, terwijl de pioniers op het gebied van schone energie hun kapitaaluitgaven snel opdrijven. Orsted, leider op het gebied van windmolenparken, voorziet dit jaar een stijging van 30 procent; Tesla, fabrikant van elektrische auto’s, maakt een sprong van 62 procent. Ondertussen stroomde in het eerste kwartaal van 2021 niet minder dan 178 miljard dollar naar inmiddels groene investeringsfondsen.

    Beleggers eisen dat bedrijven het roer omgooien, ook omdat schone technologieën goedkoper zijn

    Deze plotselinge verschuiving veroorzaakt de nodige spanningen, aangezien de vraag naar grondstoffen stijgt en er om de weinige wettelijk goedgekeurde projecten wordt gestreden. Uit berekeningen blijkt dat een samenstel van vijf mineralen voor gebruik in elektrische auto’s en elektriciteitsnetten het afgelopen jaar met 139 procent in prijs is gestegen. Houtmaffia’s stropen de Ecuadoraanse bossen af, op zoek naar balsahout voor verwerking in windturbinebladen. In februari bracht een Britse veiling van zeebodemrechten voor offshore windparken 12 miljard dollar op, omdat energiebedrijven gespitst zijn op exposure, ongeacht de kosten. 

    Ook tekenen zich financieringstekorten af: terwijl een handvol bedrijven op het gebied van hernieuwbare energie onder geld wordt bedolven, beginnen de waardebepalingen behoorlijk te zwabberen. Hoewel de hernieuwbare energiesector, getuige de indexcijfers van de consumptieprijzen, nog steeds weinig gewicht in de schaal legt, vrezen sommige financiers dat tekorten aan de aanbodzijde op den duur tot hogere inflatie kunnen leiden.

    Tien keer zo hoog

    Opvallend aan deze tekenen van overbelasting is dat er nu al sprake van is, terwijl de energietransitie nog voor geen 10 procent is voltooid (gemeten naar het aandeel reeds gepleegde cumulatieve energie-investeringen dat in 2050 nodig is). Weliswaar zijn sommige noodzakelijke technologieën nog nauwelijks gerealiseerd, zodat er niet in kan worden geïnvesteerd. Ook daarom zijn onderzoek en ontwikkeling bittere noodzaak. En op andere gebieden is het hersenwerk grotendeels gedaan, zodat dit decennium spijkers met koppen moet worden geslagen en veel kapitaal uitgegeven, waardoor gevestigde technologieën een hoge vlucht kunnen nemen.

    Cijfermatig blijkt hoe ontzaglijk de opgave de komende tien jaar is. Om op koers te blijven voor een netto uitstoot van nul, moet in 2030 de jaarlijkse productie van elektrische voertuigen tien keer zo hoog zijn als vorig jaar en moeten er eenendertig keer meer laadstations langs de weg staan dan nu het geval is. Duurzame energieopwekking moet verdrievoudigen en internationale mijnbouwbedrijven dienen de jaarlijkse productie van essentiële mineralen met 500 procent te verhogen. En misschien zal het nodig zijn om twee procent van het Amerikaanse grondgebied met turbines en zonnepanelen te bedekken.

    Energiebedrijven zijn gespitst op exposure, ongeacht de kosten

    Dit alles vergt het komende decennium zo’n 35 biljoen dollar, ofwel een derde van de activa waarover de vermogensbeheersector op dit moment wereldwijd beschikt. Het beste systeem om dit te realiseren is via het netwerk van grensoverschrijdende toeleveringsketens en kapitaalmarkten dat sinds de jaren negentig een wereldwijde revolutie teweeg heeft gebracht. Maar zelfs dit systeem schiet tekort. De energie-investeringen liggen op ongeveer de helft van het vereiste niveau, en vertonen een scheefgroei: ze komen grotendeels voor rekening van een aantal rijke landen en China. Ondanks de stijgende metaalprijzen, bijvoorbeeld, zijn mijnbouwbedrijven huiverig voor een verruiming van het aanbod.

    De voornaamste reden voor het investeringstekort is dat het te lang duurt om projecten goedgekeurd te krijgen, en dat het verwachte risico en rendement ondoorzichtig zijn. Overheden maken het er niet beter op door klimaatbeleid te gebruiken als vehikel voor andere politieke doeleinden. De Europese Unie streeft naar strategische autonomie op het gebied van batterijen, en met haar groene agenda sluist ze een deel van haar begroting naar achtergestelde gebieden. China overweegt binnenlandse prijsplafonds voor grondstoffen in zijn volgende vijfjarenplan op te nemen. Evenzo geeft het klimaatplan in wording van president Joe Biden prioriteit aan vakbondsbanen en lokale industrieën. Deze mix van vage doelen en protectionisme ‘light’ belemmert noodzakelijke investeringen.

    Snelheid van handelen

    Overheden moeten meer standvastigheid aan de dag leggen. Er is een cruciale rol weggelegd voor een activistische staat die helpt om essentiële infrastructuur zoals transmissielijnen te realiseren, en om onderzoek en ontwikkeling te stimuleren. Het aanjagen van particuliere investeringen heeft echter de allerhoogste prioriteit. 

    Dat moet op twee manieren gebeuren. In de eerste plaats door de regels voor planning te versoepelen. Wereldwijd kost het gemiddeld zestien jaar om een mijnbouwproject goedgekeurd te krijgen; bij een doorsnee windenergieproject in de VS zijn leaseovereenkomsten en vergunningen na ruim tien jaar rond – een van de redenen dat de offshorewindcapaciteit er nog geen honderdste van de Europese bedraagt. Snelheid van handelen vereist gecentraliseerde besluitvorming, waarbij lokale natuurbeschermers en bewakers van de eigen achtertuin het nakijken zullen hebben.

    In de tweede plaats kunnen overheden bedrijven en investeerders helpen om risico’s te beheersen. Bijvoorbeeld door bepaalde zekerheden te bieden, zoals gegarandeerde minimumprijzen voor elektriciteitsopwekking. Westerse regeringen hebben ook de plicht om goedkope financiering te verlenen waarmee ze investeringen in armere landen stimuleren. 

    Het allerbelangrijkste is echter dat er koolstofprijzen worden ingevoerd die marktsignalen verankeren in miljoenen dagelijkse zakelijke beslissingen, en dat ondernemers en investeerders een breder perspectief op de lange termijn krijgen. Vandaag de dag wordt slechts 22 procent van de uitstoot van broeikasgassen in de wereld gedekt door tariefregelingen, en die zijn niet geharmoniseerd. Groene knelpunten zijn een teken dat CO2-vermindering eindelijk van theorie naar praktijk verschuift. Een krachtige stoot voorwaarts is nu nodig om de revolutie werkelijk tot stand te brengen.

  • Wie nu ontslag neemt, begrijpt de arbeidsmarkt

    Wie nu ontslag neemt, begrijpt de arbeidsmarkt

    Sinds alles weer open is, besluiten steeds meer mensen hun baan op te zeggen. Is er een revolutie gaande op de arbeidsmarkt, of is het gewoon een nawee van de lockdown?

    Deze zomer was het helemaal hot om je baan op te zeggen. Meer Amerikanen hebben ontslag genomen dan in enige andere periode sinds begin deze eeuw, aldus het Amerikaanse ministerie van Werkgelegenheid. Van elke honderd werknemers in hotels, restaurants, cafés en de detailhandel namen er zo’n vijf ontslag.

    Laagbetaalden zijn niet de enigen die het voor gezien houden. In april hebben meer dan zevenhonderdduizend mensen in de categorie ‘professionele en zakelijke dienstverlening’ hun baan opgezegd – nooit eerder waren dat er zo veel binnen een maand. In alle sectoren van de arbeidsmarkt zeggen vier op de tien werknemers met de gedachte te spelen hun huidige baan vaarwel te zeggen.

    Binnen de arbeidseconomie staat stoppen voor een optimistische kijk op de toekomst

    Vanwaar die plotselinge golf van vrijwillige ontslagen? Een vrij algemene theorie is dat er momenteel een fundamentele verandering plaatsvindt in de structurele verhouding tussen werknemers en werkgevers, die ingrijpende gevolgen heeft voor de toekomst van de arbeidsmarkt. Op alle sporten van de inkomensladder hebben werknemers nieuwe redenen om tegen hun baas te zeggen dat hij de pot op kan. Het is niet ondenkbaar dat laagbetaalden die hebben geprofiteerd van gunstige regelingen tijdens de pandemie tot de ontdekking zijn gekomen dat ze niet genoeg verdienen nu ze weer aan het werk zijn gegaan. Ze laten niet meer met zich sollen, en restaurants en kledingzaken zien zich gedwongen hogere salarissen te betalen om het personeel te behouden.

    Yolo

    Ondertussen zeggen kantoorpersoneel en ambtenaren dat ze overwerkt zijn, of opgebrand, na het slopende coronajaar en stappen ze met nieuwe eisen naar de baas. Uit een recent onderzoek van Bloomberg-Morning Consult blijkt dat de helft van de werknemers onder de veertig zegt te overwegen op te stappen als ze van hun baas niet een paar dagen thuis mogen werken. En de cijfers laten zien dat dit niet altijd bluf is. 

    De mensen met hogere inkomens – van wie het hoornvlies is uitgedroogd door de ontelbare onlinevergaderingen en de onderrug gesloopt na maandenlang de bank als bureaustoel te hebben gebruikt – baden in het spaargeld dat ze in dit jaar van existentiële crisis niet hebben kunnen uitgeven. Ontslag nemen is voor hen de manier om de kwetsbaarheid van het leven het hoofd te bieden in deze tijden van kosmische angst. Kort gezegd: yolo.

    Wordt ergens mee stoppen vaak geassocieerd met pessimisme, luiheid en een gebrek aan zelfvertrouwen, binnen de arbeidseconomie staat stoppen juist voor het tegenovergestelde: een optimistische kijk op de toekomst, enthousiasme om aan iets nieuws te beginnen, het vertrouwen dat je niet te pletter zult slaan als je de sprong in het diepe waagt, maar dat je een zachte landing zult maken op een plek waar het beter toeven is.

    Veel mensen zien robots en arbeiders als aartsvijanden

    De zomer van het vrijwillige ontslag zou de voorbode kunnen zijn van iets groters: een nieuwe gouden eeuw, niet alleen van de macht van werknemers, maar ook van technologische aanpassingen en groei van productiviteit. Denk aan de laatste keer dat je een restaurant hebt bezocht (een bedrijfstak waar de lonen snel stijgen). Als je ervaring ongeveer gelijk is aan die van mij, had je geen gezellig gesprekje met een serveerster maar moest je een QR-code scannen. Het restaurant zette de gebruikelijke maaltijd op tafel, maar met minder personeel. Als je dat extrapoleert naar de hele economie, kun je met beter betaalde werknemers in combinatie met software de klant efficiënter bedienen. Dit optimistische verhaal zou heel goed bewaarheid kunnen worden: de arbeidsproductiviteit stijgt momenteel harder dan in de afgelopen twintig jaar, en het einde van die ontwikkeling is nog niet in zicht.

    Zoals economieschrijver Noah Smith uitlegt, zien veel mensen robots en arbeiders als aartsvijanden. Maar arbeidskracht en door technologie aangedreven productiviteitsgroei zouden ook hand in hand kunnen gaan. In een productieve cyclus zouden hogere lonen werkgevers ertoe kunnen zetten de duurste taken te automatiseren. Arbeidskracht zorgt voor een groei van de productiviteit, die de economie in het algemeen stimuleert, waardoor mensen meer geld uitgeven, wat weer werkgelegenheid creëert, zodat er voldoende banen zijn. In dit rooskleurige scenario bevinden we ons momenteel in het beginstadium van iets moois: een tijdperk van hogere lonen, een stijgende productiviteit en een steeds hogere levensstandaard voor iedereen.

    Het zou niet de eerste keer zijn dat een ramp uitmondt in vooruitgang

    Als deze keten staat voor een eerlijke en blijvende revolutie op het gebied van de rechten van arbeiders, zou dat niet de eerste keer zijn dat een ramp uitmondt in vooruitgang. Zoals ik vorig jaar al schreef, ‘kan een ingrijpende crisis blootleggen wat er scheef is en zo een nieuwe generatie leiders de kans bieden iets beters te bouwen’ – vaak op onverwachte manieren. De grote brand in Chicago in 1871 was deels de aanzet tot de uitvinding van de moderne wolkenkrabber, de blizzard aan de oostkust in 1888 resulteerde in het eerste Amerikaanse metronetwerk. ‘De coronapandemie eiste zeshonderdduizend levens en leidde tot een ingrijpende verschuiving in de arbeidsverhoudingen’ klinkt misschien niet als een erg voor de hand liggend causaal verband. Maar de wijze waarop wij op een ramp reageren kan de wereld veranderen op manieren die moeilijk zijn te voorspellen op het moment dat we de crisis zelf recht in de bek kijken.

    Aan de andere kant is dit misschien geen revolutie maar een illusie.

    In 2020 daalde het jaarlijkse aantal vrijwillige ontslagen met zo’n half miljoen, wat erop lijkt te wijzen dat veel mensen die normaal gesproken hun baan zouden hebben opgezegd, door de pandemie zijn blijven zitten op een plek waar ze niet gelukkig waren. Dat het aantal mensen dat ontslag neemt alsnog de hoogte in schiet, hoeft niet per se te betekenen dat er een ingrijpende verschuiving plaatsvindt. Het is eerder het beeld van de dichtgeknepen tuinslang: door de pandemie konden allerlei normale activiteiten geen doorgang vinden – ergens wat gaan drinken, een auto huren, een vervelende baan opzeggen – en nu ineens kan dat allemaal weer wél.

    Het Witte Huis lijkt zich bewust van deze dynamiek. In een blog van The Council of Economic Advisers werd onlangs gewaarschuwd dat de economische cijfers deze zomer op hol kunnen slaan. Een aantal commentatoren waarschuwt dat we geen al te stellige conclusies moeten trekken over de toekomst. ‘Het is voor een groot deel gebakken lucht,’ zegt Adam Ozimek, de hoofdeconoom van freelanceplatform Upwork. ‘Volgens mij is het Witte Huis op dit moment een stuk realistischer dan de gemiddelde liberale expert.’

    Voorspellingen

    Voorspellingen doen is lastig, niet alleen omdat het moeilijk is de toekomst te zien, maar ook omdat het lastig is het heden te bevatten. De cijfers over het aantal mensen dat ontslag neemt kunnen een voorteken zijn van een toenemende macht van de arbeider, na decennia waarin de lonen stagneerden en het arbeidsrecht is uitgehold. Maar ze zouden ook een kortstondig statistisch toeval kunnen zijn binnen de over het geheel genomen grillige economie van deze zomer. Hoe die twee dingen met elkaar te verenigen – het fantastische potentieel van dit moment en het feit dat de verwachtingen heel goed gestoeld kunnen zijn op gebakken lucht? Misschien is het antwoord: gewoon blijven doen wat je doet. Beleidsmakers moeten doen alsof de arbeidsmarkt ruimte biedt, omdat dat het geval is. En werkgevers moeten op zoek gaan naar complementaire technologie en ondertussen hun personeel beter betalen, omdat ze dat kunnen.

    MEER DAN ALLEEN WERK

    In aanloop naar zijn boek The End of Burnout: Why Work Drains Us and How to Build Better Lives, dat in
    januari verschijnt, publiceerde Jonathan Malesic onlangs een opinieartikel in The New York Times.

    Na bijna twee jaar massale werkloosheid en thuiswerken keren miljoenen mensen nu terug naar het ritme van de veertigurige werkweek en de droom van opwaartse mobiliteit, schrijft Malesic, ook al leidden die vóór de pandemie tot wijdverbreide ontevredenheid en burn-outs. Veel mensen zien werk niet alleen als een manier om de kost te verdienen, maar als cruciaal voor zelfontplooiing.

    De algemene gedachte is dat werk betekenis, zingeving en waardigheid verschaft en recht geeft op deelname aan de samenleving. Maar, aldus Malesic, je baan, of het ontbreken ervan, is niet bepalend voor je menselijke waarde. ‘We zouden moeten beginnen met het idee dat ieder van ons waardigheid heeft, of we nu werken of niet.’ De pandemie bewees dat: miljoenen verloren plotseling hun baan, maar niet hun waardigheid. Volgens Malesic is dit hét moment om te bedenken hoe we werk kunnen inpassen in ons leven: ‘De pandemie heeft ons eraan herinnerd dat we bestaan om meer te doen dan alleen maar werken.’ Zijn advies: zoek naar zingeving in dingen buiten je baan en pas je werk daarop aan, in plaats van andersom.

  • Het toerisme van de toekomst: langzamer, milieuvriendelijker, minder

    Het toerisme van de toekomst: langzamer, milieuvriendelijker, minder

    Ook vóór corona was het al duidelijk: als we natuur en steden willen sparen, moeten we onze manier van reizen gaan veranderen. Maar hoe?

    In een niet al te verre toekomst zullen we net zo naar ons reisverleden kijken als nu naar Mad Men, de serie uit de jaren 60 waarin ongeremd gerookt en gedronken wordt en het plastic bestek na de picknick gewoon in de natuur achterblijft: ging dat toen echt zo?

    Eerlijkheidshalve zouden we dan moeten toegeven: ja, dat ging toen zo en niemand die er zich druk over maakte. Mij zouden dan bijvoorbeeld mijn reizen in het jaar 2019 te binnen schieten: in maart bewonderde ik op de Lofoten het noorderlichttheater, in de zomer stroopte ik enkele eilanden van de Cycladen af en tot slot laste ik nog een weekendje weg naar Porto in, waar we onszelf warmdronken in de kilte van de vroege herfst. Tussen die vakanties door was ik achtmaal op dienstreis – met het vliegtuig. Met al dat gereis zou ik 2019 kwalificeren als een heel normaal jaar – het laatste voordat de wereld tot stilstand kwam.

    Wereldwijd registreerden hoteliers en exploitanten van vakantiehuizen in 2019 1,5 miljard boekingen

    In dat jaar brak het mondiale toerisme alle records. Nooit eerder werd er zo vaak bezichtigd, bereisd en verwelkomd. Wereldwijd registreerden hoteliers en exploitanten van vakantiehuizen 1,5 miljard boekingen, terwijl toerismeonderzoekers zelfs een verdere stijging naar 1,8 miljard voor mogelijk hielden. Elke anderhalve seconde steeg er wel ergens op onze planeet een vliegtuig op om nieuwsgierigen zoals ikzelf af te zetten in toeristische bestemmingen als New York, Barcelona of Praag – even gewoon als een busreisje en dankzij de prijsvechters niet eens veel duurder. De wereld van 2019 was een onbegrensd draaiende vliegcarrousel.

    DO 2.1 1

    Tegelijkertijd was 2019 het jaar waarin we waarschuwingssignalen dat het zo niet verder kon nog maar moeilijk over het hoofd konden zien. Of het nu de door cruiseschippassagiers geplaagde binnenstad van Dubrovnik in Kroatië betrof of de verstopte toegangswegen naar de Walchensee in Beieren, toeristische hotspots herkenden we aan de fluitconcerten van geïrriteerde autochtonen, aan ‘tourist go home’-graffiti en aan de nare diagnose overtourism in de media. In Europa’s warmste jaar sinds de start van de weerregistraties werden wij, frequent travellers, om de oren geslagen met het begrip ‘vliegschaamte’; circa 80 procent van de reis-gerelateerde CO2-emissies wordt veroorzaakt door vliegreizen naar onze plekken van bestemming.

    Toerismecarrousel

    Toen kwam covid-19. De pandemie legde de toerismecarrousel die tot dan toe voor een soort van mensenrecht was doorgegaan, stil. Als was het een gigantische parkeerklem. Bij nader inzien was de pandemie echter geen rem maar een turbo. ‘Overtoerisme, milieubescherming, duurzaamheid – de coronacrisis werkt als vliegwiel voor ontwikkelingen die toch al vraagtekens plaatsen bij het massatoerisme,’ zegt Alexis Papathanissis, hoogleraar toerismemanagement aan de hogeschool van Bremerhaven. 180 jaar nadat de Engelsman Thomas Cook reizen begon te organiseren en het toerisme onze aarde begon te belasten, moeten we het radicaal heruitvinden.

    Maar als onze oude manier van reizen niet langer functioneert, hoe zou een nieuwe er dan uit kunnen zien? Want helemaal niet meer reizen kan geen oplossing zijn. Reizen voorziet in een essentiële behoefte – waarvan je je net als bij de liefde pas goed bewust bent als het er ineens niet meer is. Juist nu is het verlangen heftig: nog maar net ingeënt trekken waarschijnlijk massa’s mensen binnenkort de wijde wereld in. De prijsvechters breiden hun vloot al uit.

    Maar hoe zou het toerisme er na de gevreesde post-coronaparty dan wel moeten uitzien? Ik maak afspraken met een trendonderzoeker, een avonturier, een toerisme-expert en een klimaatdeskundige – mensen van wie ik antwoorden hoop te krijgen op vragen als: hoe zullen we over vijf of tien jaar op reis gaan? Mag dat eigenlijk nog wel? Hoe kunnen we onze wereld verkennen zonder een verschroeide aarde achter te laten?

    Wie in de toekomst kijkt, moet eerst weten waar hij staat. Daarom vraag ik Nikolaj Koch: Welk effect heeft een jaar met veel reizen zoals dat van mij, op het klimaat? De 38-jarige Koch is klimaatexpert bij Arktik in Hamburg, een organisatie waar je je eigen CO2-uitstoot kunt berekenen en compenseren.

    Koude douche

    Kochs conclusie blijkt een nog koudere douche dan ik al vreesde. Met mijn CO2-voetafdruk heb ik veel weg van een bankier bij Lehman Brothers kort voor het begin van de financiële crisis – het type tot wie nog niet is doorgedrongen hoe megafailliet hij eigenlijk is. Tijdens de 5800 kilometer die ik in 2019 achter het stuur zat, stootte mijn Volvo volgens Kochs berekeningen ongeveer 1300 kilo broeikasgas uit. Hierbij vergeleken vielen mijn 2500 treinkilometers met 90 kilo aan broeikasgassen in het niet. Maar de elf vliegreizen deden het pas echt: het stedentripje naar Porto, mijn vakantietrips naar de Lofoten en Griekenland, samen met een paar businessvluchten binnen Duitsland, veroorzaakten – zo rekende Koch mij voor – bij elkaar een wolk van circa 6800 kilogram CO2. Al met al had ik dus in de loop van het jaar onze klimaatzieke planeet met ruim acht ton kooldioxide opgezadeld – alleen al door mijn mobiliteit. Vanuit klimaatoptiek bezien sta ik sindsdien diep in het rood. ‘Acht ton is meer dan dubbel zoveel als waar een aardbewoner jaarlijks recht op heeft,’ zegt klimaatexpert Koch. En wat nog veel erger is: de mede door mij geproduceerde kooldioxide zal nog in de atmosfeer aanwezig zijn als ik mij allang niet meer aan een of andere vertrekgate meld maar in plaats daarvan voor het avondeten in het verzorgingshuis. Toeristen mogen dan graag bagatelliseren dat het vliegverkeer verantwoordelijk is voor slechts 3 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot – als we eerlijk het staartje aan condensstrepen, zwavel- en stikstofoxiden en het effect daarvan meerekenen, valt de bijdrage van het vliegverkeer aan de opwarming van de aarde minimaal tweemaal zo hoog uit. Die 6 procent CO2-last weegt nog weer zwaarder als we ons realiseren dat maar ongeveer 5 à 10 procent van de wereldbevolking überhaupt vliegt.

    Wij, de piepkleine minderheid van wereldwijde topverdieners, hebben dus een uiterst sterke hefboom in handen die in de toekomst voor de resterende 90 procent van de wereldbevolking een merkbaar verschil kan maken. ‘Onze huidige uitstoot van kooldioxide zal negatief uitwerken op de leefomstandigheden van honderden miljoenen mensen,’ zegt Volker Quaschning, hoogleraar hernieuwbare energiesystemen aan de Hogeschool voor Techniek en Economie in Berlijn. Hij onderzoekt hoe onze energiehuishouding eruit zou moeten zien, willen we het klimaat op aarde niet volkomen ruïneren. In het kort komt dat hierop neer: het moet radicaal anders. ‘Overstromingen, droogte, voedselgebrek, gezondheidsschade en andere gevolgen van onze klimaatverandering zullen generaties na ons nog treffen,’ waarschuwt professor Quaschning.

    Electrofuels

    Bieden de zogeheten electrofuels waarmee de luchtvaartindustrie op een dag klimaatneutraal hoopt te worden, dan misschien een oplossing? De expert in hernieuwbare energiebronnen heeft er weinig fiducie in. Weliswaar kunnen zulke synthetische vliegtuigbrandstoffen inderdaad via wind- of zonnestroom en daarmee CO2-neutraal geproduceerd worden, maar de productie ervan vergt helaas extreem veel energie – meer dan 80 procent daarvan gaat onderweg verloren – en is acht à negen keer zo duur als de productie van conventionele kerosine. Quaschning: ‘Er gaan nog heel wat jaren overheen voor electrofuels inzetbaar en betaalbaar zijn, als dat ooit al het geval zal zijn. Tot dat moment is en blijft het vliegtuig het schadelijkste transportmiddel voor het klimaat’. 

    En compenseren? Dat levert te weinig op. Dus besluit ik ter plekke tot een eigen aanpak. In plaats van voor stedentrips het vliegtuig te nemen, ga ik voortaan vaker met de trein en op de fiets; verplaats ik zakenafspraken van de ochtend naar de middag om niet met de ochtendvlucht maar met de trein te kunnen komen. En mijn volgende vakantie naar Italië maak ik met een van de nachttreinen die de Oostenrijkse spoorwegen net als vroeger door Europa laten rollen. In de toekomst moeten dat er duidelijk meer worden: met de Franse en Duitse collega’s werken de Oostenrijkers aan een netwerk van snelle treinverbindingen dat voor het eind van dit decennium een flink aantal Europese metropolen met elkaar moet verbinden.

    Langzamer, milieuvriendelijker, minder – zou de komende jaren weleens mainstream kunnen worden

    Langzamer, milieuvriendelijker, minder – al die oude reisadviezen zouden de komende jaren weleens mainstream kunnen worden. Want de nood groeit – en het bewustzijn ook: het hoeft niet noodzakelijkerwijs af te doen aan ons plezier wanneer we op onze weg door de wereld wat meer verantwoordelijkheid op ons zouden nemen. Het vereist alleen wat meer denkwerk. Maar dat leidt meteen tot de volgende ongemakkelijke vraag: wat leveren al die inspanningen op als we gewoon met te veel mensen zijn?

    De toerist ‘vernietigt wat hij zoekt door het te vinden,’ stelde schrijver Hans Magnus Enzensberger droogjes vast. Geen wonder dat ze ons op veel plaatsen niet meer willen, in elk geval niet in de hoeveelheden die goedkope luchtvaartmaatschappijen, cruiseschepen en busondernemingen neerkiepen bij de poorten van de hotspots. Bewoners vluchten voor maandhuren die als gevolg van het toerisme onbetaalbaar zijn geworden, hun manier van leven bezwijkt onder de massa’s. Waar lokale toerismemanagers vroeger zoveel mogelijk betalende gasten naar hun bestemming probeerden te lokken, willen ze ons nu zo efficiënt mogelijk spreiden. De fraaie aansporing van de bestseller 1000 Places to See Before You Die heeft op termijn als neveneffect dat de ‘plaatsen die je gezien moet hebben’, langzaam sterven.

    In Barcelona, waar het aantal van 1,7 miljoen bezoekers in 1990 explosief steeg naar dertig miljoen in 2019, worden al geruime tijd geen nieuwe hotels in de binnenstad meer toegestaan en aan de ooit wild voortwoekerende Airbnb-business worden boetes tot wel 30.000 euro opgelegd. Bergen beknot het aantal cruiseschepen dat deze Noorse havenstad mag aandoen, Venetië strijdt nog over een oplossing voor de plaag van drijvende SUV‘s. Amsterdam probeert de toeristische stortvloed van 18 miljoen bezoekers per jaar om te leiden naar minder belaste gebieden, bijvoorbeeld door het 30 kilometer verderop gelegen Zandvoort om te dopen tot Amsterdam Beach.

    Met zulk soort maatregelen kan lokaal mogelijk de grootste stormloop het hoofd worden geboden. Maar wat wanneer de groeiende middenklasse in China, Rusland, India en Brazilië haar koffers pakt en op reis gaat – miljoenen mensen met net zoveel recht op het San Marcoplein, het noorderlicht en het strand van de Cycladen als wij? In China is slechts 10 procent van de bevolking in het bezit van een paspoort maar dit minieme aandeel correspondeert wel met zo’n honderd miljoen potentiële Venetië-gangers.

    Om het groeiende concentratierisico van toeristen van zijn scherpe kantjes te ontdoen, is er duidelijk meer nodig dan wat onbeholpen inreisbeperkingen. Een man die aan zulk soort alternatieve ideeën knutselt, is Guido Sommer, hoogleraar toerismemarketing aan de Hogeschool van Kempten. En een oplossing heeft hij al in zijn zak zitten.

    BayernCloud

    Opgewekt blikt Sommer me op een ochtend via het Zoom-venster op mijn laptop tegemoet. ‘Ziet u dit hier?’ vraagt de 47-jarige wetenschapper terwijl iets uit zijn broekzak frommelt. ‘Het zou weleens een oplossing voor het probleem van het overtoerisme kunnen betekenen.’ Hij houdt zijn iPhone voor de camera. Onze smartphones, zo licht hij toe, wacht een grote carrière in het toerisme. Van een simpel communicatiemiddel waarmee we onderweg hotelprijzen, weersverwachting, alternatieve routes en openingstijden bijeen googelen ontwikkelt het mobieltje zich tot reisgids, reisbureau en risicomanager ineen. Dat wordt mogelijk dankzij een nieuw soort databanken waarin meteorologische diensten, hoteliers, skiliftexploitanten en andere ondernemers in de toeristenbranche voortaan in realtime hun data invoeren. Zo’n centraal informatiebureau is de BayernCloud die momenteel aan Sommers hogeschool wordt ontwikkeld. Al vanaf de zomer van 2022 moet het als een alwetende datawolk boven Beieren zweven. Soortgelijke datacentra ontstaan momenteel op allerlei plaatsen op aarde omdat ze immers een duidelijke meerwaarde te bieden hebben: alle voor toeristen relevante informatie in één enkele, uiterst actuele databron die afgetapt kan worden via één enkele app en een klein apparaatje dat ieder van ons gemiddeld 80 maal per dag ter hand neemt.

    ‘U vindt dat weinig spectaculair klinken?’ vraagt Sommer die mijn licht ontnuchterende blik kennelijk niet ontgaan is. ‘Het is wel degelijk revolutionair.’ Want met kunstmatige intelligentie gevoerde data-aggregators, zoals de BayernCloud, bieden reizigers twee niet te overtreffen voordelen: ze verklappen ons niet alleen de actuele omstandigheden op onze bestemming maar ook de situatie in de nabije toekomst. En nog fascinerender: ze kunnen die toekomst zelfs in positieve zin voor ons veranderen.

    Met slimme reisbegeleiders zullen we intelligenter en ontspannener, maar ook duidelijk zichtbaarder onderweg zijn

    ‘Neem mij bijvoorbeeld,’ zegt Sommer. Hij vertelt over zo’n typische zaterdagochtend in de winter als hij vanuit zijn woonplaats Kempten in de auto stapt om te gaan skiën in de Allgäuer Alpen. Helaas doen op zonnig-koude zaterdagen met verse sneeuw veel Kemptenaren dat. Niet zelden staat Sommer daarom korte tijd later al in de file, geïrriteerd dat hij toch niet vroeger is vertrokken, en verdoet hij op de plaats van bestemming kostbare minuten met het zoeken van een parkeerplaats om tegen het middaguur op het Oberjoch of de Fellhorn zijn eerste bochtjes te draaien. Dan is hij al een typische toerist; zo eentje die opgefokt is van te veel mensen die hetzelfde willen als hij.

    Maar volgend jaar winter zou dat heel anders kunnen zijn. Met zijn gedownloade BayernCloud kan Sommer al aan de ontbijttafel de voorziene drukte op de parkeerplekken en de rijen voor de skiliften zien – en wel op het moment dat hij denkt aan te komen. Als de sensoren onder de parkeerterreinen en bij de skiliften een cruciale belasting aangeven doet zijn app, nog voor hij in zijn auto is gestapt, al voorstellen voor minder volle alternatieven. ‘Smart assistents als deze zullen ons’ volgens Sommer ‘in de toekomst van onze eerste plannetjes tot aan de ervaring ter plekke op elke fase van onze reis begeleiden’.

    Hoe meer de algoritmes hierbij leren over onze favoriete activiteiten en doelen, hoe preciezer ze een ons passend aanbod kunnen doen. Als de skipistes rond Oberstdorf naar verwachting overvol worden, kunnen ze multisporter Sommer een weinig geboekte skitocht voorstellen of een cursus deltavliegen in het nabije Sonthofen, vanwaar de meteorologische dienst op de app juist een fantastische thermiek en een paar vrije startplaatsen heeft gemeld. Het zou de redding zijn voor zijn zaterdag en ook voor het skigebied – dat zo een overvloed aan mensen bespaard blijft.

    ‘Natuurlijk hebben dergelijke services een prijs,’ zegt Sommer. ‘Voor dat alles betalen we met onze data’. Met slimme reisbegeleiders zullen we in de toekomst niet alleen intelligenter en ontspannener, maar ook duidelijk zichtbaarder onderweg zijn. Willen we dat echt? Tegenvraag: wie wil de voordelen ervan missen?

    Transport naar behoefte

    Want op pad met digitale helpers kunnen we niet alleen betere alternatieven ontdekken maar die zelfs zelf creëren. Verondersteld dat naast Guido Sommer ook andere Kemptenaren in datzelfde weekend belangstelling hebben voor hetzelfde skigebied, dan zou het algoritme van de app voor de betreffende dag een busdienst kunnen activeren die de skiërs één voor één ophaalt en afzet bij het dalstation. ‘Het achterhaalde principe van star streekvervoer met vaste routes kan vervangen worden door het principe van MOIA – individueel transport naar behoefte,’ zegt de toerisme-onderzoeker. Weekendskiërs hoeven dan niet meer naar een vrije parkeerplek te zoeken, ze hoeven helemaal niet meer te zoeken. En mocht de vraag naar een bepaald skigebied, wandelroute of bezienswaardigheid naar verwachting te groot worden, dan schakelt de app ogenblikkelijk over op de methode Galapagos: op die eilandengroep in de Grote Oceaan worden geen nieuwe toeristen meer toegelaten, zodra de aanvaardbare hoeveelheid bezoekers wordt overschreden. Zo zouden ook in Oberstdorf en elders nieuwe gasten vroegtijdig gewaarschuwd en met zachte hand omgeleid kunnen worden voordat ze de toegangswegen en ingangen versperren.

    Op die manier kunnen digitalisering en datawolken een kernprobleem van het moderne toerisme – te veel mensen willen op hetzelfde moment hetzelfde – helpen ontwarren. Bezoekersstromen kunnen er zo mee worden gestuurd dat gedrang en reisfrustratie uitblijven.

    Dat ik ooit omhoog zou blikken naar een geanimeerde noorderlichtversie kan ik me maar moeilijk voorstellen

    Maar er is ook al een visie die nog verder gaat. De gerenommeerde Zwitserse econoom Bruno S. Frey komt met een noodoplossing die bepaald radicaal is. Zijn idee voorziet in een reeks origineelgetrouwe kopieën van publiektrekkers zoals Salzburg, Venetië of Vaticaanstad, een soort golfbrekers die een deel van de last van de hotspots kunnen opvangen. Op dat denkbeeld kwam Frey – niet onverwachts – tijdens een totaal verpeste vakantie in Venetië. Naar zijn mening zouden zulke kunstmatige tweelingen reizigers zelfs een intensere vakantie-ervaring kunnen bieden dan hun echte voorbeeld: ‘Bezoekers van een Venetië-kloon zou bijvoorbeeld een multimediapresentatie over kunstgeschiedenis aangeboden kunnen krijgen of een carnaval waarin ze echt kunnen participeren.’

    Maar hoe goedbedoeld zulke afleidingsmanoeuvres ook zijn – dat ik ooit omhoog zou blikken naar een geanimeerde noorderlichtversie aan een kunstmatige Lofotenhemel, kan ik me maar moeilijk voorstellen. Ook voor een wandeling langs het strand van een Santorini-kloon schiet mijn fantasie tekort.

    Dat leidt tot de volgende wezenlijke vraag: wat zijn mijn verwachtingen als ik ergens arriveer? En waar in hemelsnaam vind ik die? Die vraag stel ik aan een man die in de loop van zijn leven al een behoorlijk stuk van onze aardbol heeft verkend.

    Alastair Humphreys fietste na een lichtvaardige aankondiging tegenover kroegvrienden in vier jaar en drie maanden 74.000 kilometer rond de wereld. Te voet doorkruiste hij de grootste zandwoestijn op aarde, hij was National Geographic Adventurer of the Year en één van de vier gekken die in 2012 in een piepklein roeibootje de Atlantische Oceaan overstaken.

    Microavontuur

    Maar zijn grootste prestatie volbracht Humphreys thuis achter zijn bureau. De Engelse vrijbuiter en schrijver wist het wijdverbreide idee over vrijheid en avontuur op zijn kop te zetten. Hij deed dat door ideeën over even onopzienbarende als verrassende ondernemingen in de nabije omgeving op papier te zetten, er een boek van te maken en dat alles van een duidelijke titel te voorzien: Microadventures.

    ‘Toen ik aan mijn microavonturen begon, heb ik telkens naar het waarom gevraagd: Waarom zou ik als dertiger in mijn voortuin gaan slapen? Moet ik als robuust avonturier geen robuuste dingen maken?’ vertelt Humphreys, die met zijn gezin in een dorp in het zuiden van Engeland woont. ‘Maar een klein avontuur is beter dan geen avontuur.’ Hymphreys definieert een microavontuur als een kleine vlucht in de naaste omgeving die iedereen ’s avonds of in het weekend kan ondernemen. Bijvoorbeeld door tussen twee heel gewone kantoordagen in een nacht in een slaapzak in het bos door te brengen. Door een wandeling van de verst gelegen tramhalte terug naar huis of door een uitstapje met een zelf getimmerd vlot op de rivier die je tot nog toe alleen vanuit het autoraampje kent. Dat alles volgens de formule: weinig voor nodig, minimale voorbereiding, intensieve ervaring.

    Nu zou je daartegen in kunnen brengen dat een man die de halve wereld al over is getrokken gemakkelijk een loflied op eigen land kan zingen. Maar Humphreys was er helemaal niet op uit om een nieuw reisconcept te bedenken – als vader van twee kleine kinderen zocht hij simpelweg naar manieren om zijn drang naar verre landen en lust in avontuur af te kunnen stemmen op zijn gezinsverplichtingen.

    En het werkt. Ik kan er zelf over meepraten. Na de dag dat ik Humpreys Microadventures in handen kreeg sliep ik verschillende nachten in een hangmat in het bos en bracht ik diverse dagen door met eigen miniwandeltochten. Enkele zomers geleden leende ik met vrienden waterdichte zakken en supboards en liet die te water in het mij tot dan toe volstrekt onbekende Feldberger Seenlandschaft. Vier dagen achtereen gleden we van het ene meer naar het andere en hoewel het hoogzomer was, peddelden we vrijwel ongestoord door het glinsterende water. Rond ons bossen van een soort die we eerder in New England of Finland zouden verwachten. ’s Avonds schoven we onze supboards door de rietkraag op de oever en fileerden we forellen die we onderweg hadden gekocht bij een visser. En inderdaad, op de Krüselinsee schoot vlak naast ons een visadelaar het water in om vervolgens met zijn spartelende buit weer op te stijgen.

    ‘Door microavonturen hervond ik mijn geestelijke gezondheid’

    De Krüselinsee ligt op drie uur rijden van mijn stadsappartement in Hamburg, maar toen ik daar op de avond van de vierde dag nat van het zweet mijn supboard uitlaadde, leek het alsof ik terugkwam uit een andere wereld. In die vier dagen had ik meer meegemaakt en meer ervaren dan in alle voorgaande georganiseerde vakanties bij elkaar. Op het verlangen naar verre reizen hebben microavonturen hetzelfde effect als een proteïnerijk tussendoortje op stevige trek: ze zijn geen vervanging voor de gewone maaltijd maar ze vullen die aan door in korte tijd een intensieve ervaring te bieden. Tenslotte is het oneindig veel opwindender om voor jezelf een slaapplaats in het bos te zoeken dan dat je je in een hotel te ruste legt in een vers opgemaakt bed.

    Van zo’n concept profiteren waarschijnlijk niet alleen wij reizigers, maar ook de vakantieregio’s in eigen land. Die kunnen zich zo op een gemakkelijke manier in de markt zetten – en zich laten ontdekken. En het beste is nog dat ze er geen bezoekerscentra voor hoeven in te richten, attractieparken aan te leggen of infrastructuur op te bouwen – alle benodigdheden voor een microavonturier zijn er immers al.

    ‘Door microavonturen hervond ik mijn geestelijke gezondheid want ze zorgden voor een dosis wildernis, stilte en fysieke inspanning in mijn leven,’ vertelt Alastair Humphreys. Zelf besefte ik na mijn trip naar het Feldberger Seenlandschaft dat ik voor onvergetelijke momenten geen vliegticket, verleend jaarlijks verlof of touroperators nodig heb. Vereist zijn eerder fantasie, wat durf en waterdicht schoeisel.

    Resonantie

    Als we Verena Muntschick mogen geloven, maak ik daarmee deel uit van een trend. De Frankfurter toekomstonderzoeker en haar team wijdden zich enige tijd terug aan de vraag hoe we in de toekomst gaan reizen en wat we in een vakantie zullen zoeken. De belangrijkste trend die Muntschick en haar collega’s bij het Frankfurter Zukunftsinstitut blootlegden, vatten zij samen in de term ‘resonantie’. Achter dit lastig te doorgronden begrip schuilt volgens Muntschick de ‘behoefte om op reis ervaringen op te doen die je bijblijven, die verdergaan dan het serviceaanbod, de bezienswaardigheden en de beloofde uren zonneschijn’. Met andere woorden: we reizen weer om het echte leven te ontdekken en daarbij ook meteen onszelf. Voortekenen van die trend zijn bijvoorbeeld de pelgrims naar Santiago de Compostella, de couchsurfers of de stellen die na jarenlang hotelvakanties nu een Volkswagenbusje kopen om op eigen houtje de wijde wereld in te trekken.

    ‘Natuurlijk zijn dat allemaal nog niches,’ geeft Muntschick toe, ‘maar die niches worden wel gestaag groter’. De Corendons en de all-in-concepten zullen altijd wel blijven bestaan en ook het massatoerisme zal niet verdwijnen omdat een paar mensen op een sup in eigen land vakantie houden in plaats van met een surfplank op Bali. Maar jongere reizigers zijn opgegroeid met een heel andere gevoeligheid voor de ecologische en sociale gevolgen van onze reisactiviteit. En daarmee stellen ze ook hogere eisen aan de toeristenbranche: ‘Mensen willen niet meer als economisch object behandeld worden maar als vriend van een gemeenschap.’

    Liever een handvol echte ervaringen dan duizend overvolle places to see

    De vraag is alleen: is dat echt de toekomst? Feldberg klinkt nu eenmaal minder aanlokkelijk dan Faro, Brandenburg saaier dan de Balearen. Zijn we echt verstandig en bereid genoeg om van dat alles af te zien?

    Op den duur ligt de toekomst ook helemaal niet in de keuze tussen het een of het ander, maar in een eerlijke mix. Voor mij betekent dit dat ik naar de Cycladen of het noorderlicht zal kunnen blijven gaan, maar misschien niet meer zo vaak als vroeger en niet per vliegtuig maar met veerboot en trein. Wel zou ik, zelfs als je royaal tijd voor het inchecken meerekent, meer dan tweemaal zolang naar mijn bestemming onderweg zijn. Maar als er iets is wat vakantiegangers in de toekomst hebben, dan is het wel tijd.

    Sinds het opkomen van de naoorlogse reisgolf in 1950 is onze levensverwachting met gemiddeld vijftien jaar gestegen. Dat zijn vijf uren per dag die wij meer ter beschikking hebben dan onze grootouders. Elke dag weer. Anders dan zij, die ook nog eens zes dagen per week zwaar werk verrichtten, hoeven wij onze reizen niet in een paar vakantiedagen te persen. De oude drieklank van het leven – school, werk, oude dag – kunnen we vervangen door een meer ontspannen soundtrack. De tijd speelt voor ons. We kunnen hem nemen. Altijd krijgen we te horen dat de toekomst ligt in levenslang leren. Ik zou dat willen aanvullen: ze ligt in levenslang reizen.

    Dat is niet in het minst te danken aan een neveneffect van corona: door de pandemie is ook de laatste scepticus ervan overtuigd geraakt dat zeker kantoormedewerkers probleemloos vanaf diverse plekken met elkaar samen kunnen werken, vooropgesteld dat er WLAN en elektriciteit aanwezig is. En juist dat zullen veel van ons na de pandemie ook willen. Waarom niet vanuit een bergboerderij inloggen bij een Zoom-bijeenkomst? Waarom dat nieuwe idee niet uitwerken op een wandeltocht met collega’s?

    Werkverblijf

    ‘Het concept van de “mooiste weken van het jaar” waarin we bij moeten komen van de met werk gevulde rest van het jaar, is momenteel zienderogen aan het verdwijnen,’ zegt Claudia Brözel, hoogleraar economie van het toerisme (afdeling duurzame ontwikkeling) aan de Hogeschool van Eberswalde. In de toekomst zou bijvoorbeeld een reeks microavonturen gecompleteerd kunnen worden met een maandenlang werkverblijf aan de Middellandse Zee, een tuinierproject in een naburig dorp met een lange sabbatical waarin we door half Afrika trekken. Onder het motto: liever een handvol echte ervaringen dan 1000 overvolle places to see. Niet langer ‘meer’, maar ‘indringender’. Beleven in plaats van bereizen.

    Dit volslagen andere idee van wat een vakantie dient te zijn en wat hij ons moet brengen, zou weleens de sterkste veranderingskracht voor het toerisme kunnen blijken. Niet uitgesloten dus dat we ons op een dag het jaar 2019 herinneren als het jaar waarin we op een heel nieuwe manier begonnen te reizen.

    We zullen veel in de natuur zijn omdat we het digitale ‘always on’ moe zijn

    De visionair Bernd Neff, initiator van het Berlin Travel Festival en voormalig marketingmanager van Design Hotels, voorspelt een trend naar een luxe en groene vakantie. Historisch gezien werden pandemieën altijd gevolgd door fases van verhoogde levenslust en luxe. Nadat de pest was overwonnen gingen de mensen overal in Europa trouwen en zetten ze kinderen op de wereld; op de Spaanse griep volgden de roaring twenties. Wij zullen in de post-coronajaren een tijd van luxereizen meemaken. Maar het zal een nieuwe, minder materieel bepaalde vorm van luxe zijn. We zullen in kleinere groepen op vakantie gaan en veel in de natuur zijn omdat we het digitale always on moe zijn. Overal zullen nederzettingen met tiny houses ontstaan of zoals in Italië, albergi diffusi: goed voorziene hideaways in de buurt van steden. In Berlijn ontwikkelt een start-up onder de naam Raus momenteel zo’n mix van boutique-hotel, boshut en smart loft. Wilde tuinen, workshops en wellness maken deel uit van het concept. Wat verdwijnen gaat is dat zinledige snel-maar-ergens-heen-vliegen. Net als ecofashion en veganisme zal bewustzijn van de gevolgen van al ons reizen gemeengoed worden. We zullen weer waardering krijgen voor wat lokaal is, per slot van rekening was het nogal saai om van Tokio tot aan Quebec dezelfde restaurantketens en merken aan te treffen. Reizen zal inspirerender worden. ‘Nachttreinen in plaats van budgetvluchten, drie maanden in een work-away-hotel in plaats van een driedaags stedentripje. Voor mij is dat de echte luxe.’

    De veelsporige Monisha Rajesh reisde ‘de wereld rond in tachtig treinen’ en schreef er een boek over. Die goeie ouwe trein heeft de toekomst, voorspelt de Britse schrijfster. ‘Als treinreiziger houd je steeds een gevoel voor ruimte en tijd – in tegenstelling tot bij een vliegreis. Je kunt met een kopje thee in bed liggen, samen eten, werken en de wereld aan jezelf voorbij zien trekken. Ik ben er vast van overtuigd dat het reizen per trein – ook vanwege de gunstige CO2- balans – een grote toekomst wacht. In Azië, Afrika en Latijns-Amerika is de trein ook nog eens een relatief goedkoop transportmiddel. De beste ter wereld zijn in mijn ogen de Japanse. Met de Shinkansen kun je binnen een paar uur bijna het halve land doorkruisen. Op het eindstation voltrekt zich een ‘zevenminutenwonder’: schoonmaakpersoneel bestormt de trein, draait de zittingen om, maakt tafeltjes en vloeren schoon, voert afval af en zeven minuten later springt het weer naar buiten en kunnen er nieuwe gasten instappen.

    In Europa wordt reizen per trein lastig zodra we de grens overgaan. Elk land heeft zijn eigen spoorwegmaatschappij, er is geen centrale website of een aanbieder die alle verbindingen bestrijkt. Mocht er een Europese spoorminister komen en ik zou die baan krijgen, dan zijn mijn eerste maatregelen: invoering van extra nachttreinverbindingen, prijsdalingen van tickets en opbouw van een centraal boekingssysteem voor heel Europa.’

    ‘Niet zo lang geleden nam ik samen met een vriend spontaan de trein richting Slowakije. Een geweldig avontuur’

    Anselm Pahnke fietste 414 dagen door vijftien landen in Afrika. Hij is filmmaker, schrijver (Von Anderswo und anderen Orten) en een van de oprichters van Terran e.V. voor reizen zonder vliegtuig. ‘Het is waar, zelf heb ik de wereld kunnen ontdekken en mijn reishonger uitvoerig kunnen stillen. Ik heb ook een vaag vermoeden van wat het succes van mijn film aan reizen naar Afrika heeft veroorzaakt. Daarom zou het absurd zijn om nu anderen moreel de les te lezen over vliegen. Maar voor mij moeten reisdoel en reistijd wel met elkaar in overeenstemming zijn. Drie weken naar Thailand staan in geen verhouding tot de kostbare reis. Steeds meer beroepen en bedrijven zullen in de toekomst een sabbatical kennen waarin mensen een deel van de wereld kunnen leren kennen zonder hectisch heen en weer terug te moeten vliegen. Althans dat hoop ik. Bij mij duurde het vijf maanden voor ik me in Afrika op mijn gemak begon te voelen.

    Sinds ik weer in Freiburg woon, ben ik veel met de fiets, de trein en te voet op pad, Naar Denemarken of in de Alpen. Dat geeft absoluut niet de exotische kick die Afrika mij gaf, maar het voelde ook in geen enkel opzicht als minder. Niet zo lang geleden nam ik samen met een vriend spontaan de trein richting Slowakije. Na twintig uur kwamen we daar aan. Een geweldig avontuur. Om eerlijk te zijn: het is opwindender om onvoorbereid op een trein richting Oost-Europa te stappen dan voor een georganiseerde safari naar Kenia te vliegen.’ 

    Technoloog Marta Kwiatkowski Schenk, wetenschappelijk onderzoeker aan het Gottlieb Duttweiler Institut in Rüschlikon (Zwitserland) vertrouwt de reisleiding al gauw toe aan digitale assistentie. ‘Reizen betekent kiezen. Huur ik een auto of beschikt mijn hotel over fietsen? Biedt het restaurant glutenvrije maaltijden en kan ik die wandeling ook met een slechte knie maken? Al die informatie moeten we moeizaam bijeengaren. En daarna moeten we beslissen. Reizen betekent daarom altijd ook stress. Dat zullen slimme assistenten ons binnen enkele jaren uit handen nemen. Zij zullen ons als privéreisbureau, navigator, reisgids en ticketshop vergezellen en helpen bij de besluitvorming. We zullen er ook geen extra apparaat voor aan te hoeven schaffen. De assistentietechnologieën zullen verwerkt zitten in onze polshorloges, koelkasten, auto’s en misschien zelfs wel in kledingvezels. Onopvallend op de achtergrond zullen zij hun werk verrichten. We noemen dat calm tech. Dankzij kunstmatige intelligentie zullen zij ons alleen voorstellen doen voor belevenissen die relevant voor ons zijn. Zij kennen ons immers omdat zij ons voortdurend begeleiden.

    Het zal sommigen van ons doen denken aan de sciencefictionfilm Her en inderdaad vormde deze film van Spike Jonze een inspiratiebron voor ons onderzoek. Maar digitale assistentie is geen sciencefiction, het maakt al deel uit van onze werkelijkheid, zij het ook nog niet zo uitontwikkeld als het ooit zal zijn en alles op zijn kop zal zetten.’

  • Reizen na corona

    Reizen na corona

    Zal ons reisgedrag weer terugspringen naar hoe het was? Foreign Policy kijkt in een kristallen bol.

    Nu we de eerste zomer van pandemie nieuw stijl – met een gedeeltelijk gevaccineerde bevolking – ingaan, is er een aarzelende versoepeling van de reisbeperkingen begonnen. In juni heropenden de landen van de Europese Unie hun binnengrenzen en zij zijn van plan om in de loop van juli reizigers van buiten het blok toe te staan. Singapore en China zijn begonnen met het toelaten van onderlinge essentiële reizen, maar alleen voor passagiers die negatief testen op het coronavirus en een app gebruiken die hun contacten traceert. IJsland laat wel toeristen toe, maar iedereen moet verplicht op de luchthaven worden getest.

    Het internationale langeafstandsverkeer is zo goed als dood

    De luchtvaartmaatschappijen voeren hun zomerdienstregeling op, hoewel het aantal vluchten slechts een fractie zal zijn van het aantal van voor de pandemie. Luchthavens zijn nog steeds spooksteden (sommige zijn zelfs overgenomen door wilde dieren), en het internationale langeafstandsverkeer is zo goed als dood, schrijft het Amerikaanse tijdschrift.

    Overal ter wereld heeft de ineenstorting van de toeristische economie hotels, restaurants, busondernemingen en autoverhuurbedrijven failliet doen gaan – en naar schatting 100 miljoen mensen werkloos gemaakt.

    Niemand weet hoe snel het toerisme en het zakenverkeer zich zullen herstellen, of we nog evenveel zullen vliegen en hoe de reiservaring eruit zal zien zodra de nieuwe gezondheidsmaatregelen van kracht zijn. Eén ding is zeker: tot die tijd zullen er nog veel vakanties, zakenreizen, weekendjes weg en familiereünies worden geannuleerd.

    Al kruipt het bloed waar het niet gaan kan, is het geen verspilde moeite om verder te kijken dan de zomer en na te denken hoe de de manier waarop we reizen permanent zal of moet veranderen.


    Reizen zou onbetaalbaar kunnen worden

    ‘Ongeacht ons inkomensniveau, zal reizen een groter deel van ons besteedbaar inkomen opeisen’, stelt Elizabeth Becker, buitenlandcorrespondent.

    ‘Van de ene op de andere dag ging een groot deel van de wereld van een situatie van overtoerisme naar geen toerisme. Sindsdien hebben de plaatselijke bewoners gezien hoe hun leven is verbeterd zonder die krankzinnige drukte: heldere luchten, een drastische vermindering van zwerfvuil en afval, schone oevers en kanalen, en een terugkeer van de wilde dieren.

    Maar het ene bedrijf na het andere ging failliet zonder die toeristen, waaruit blijkt hoezeer de wereldeconomie afhankelijk is van non-stop reizen. Die economische verwoesting zal betekenen dat veel minder mensen het zich kunnen veroorloven om te reizen. Wat ons inkomensniveau ook is, reizen zal een groter deel van ons besteedbaar inkomen in beslag nemen.

    Veel gezondheidsmaatregelen zullen permanent worden

    Wees dus voorbereid op twee dramatisch verschillende trends. Sommige nationale en lokale overheden zullen hun toerismestrategieën herontwerpen om de drukte te beperken, meer geld in de lokale economie te houden en de lokale regelgeving te handhaven, waaronder die ter bescherming van het milieu. Veel gezondheidsmaatregelen zullen permanent worden.

    Andere regeringen zullen concurreren om het krimpende aantal toeristische dollars door de reisindustrie zichzelf te laten reguleren, hoge kortingen te gebruiken om hotels en vliegtuigen te vullen en overtoerisme nieuw leven in te blazen.

    Slimme reizigers zullen minder reizen en langer op één plek blijven

    Slimme reizigers zullen vertrouwen hebben in plaatsen met een goed bestuur en goede gezondheidssystemen. Ze zullen minder reizen en langer op één plek blijven. Zij zullen deze pandemie zien als een voorbode van wat ons nog te wachten staat met de klimaatcrisis. Zij zullen zich gedragen als verantwoordelijke burgers en als gepassioneerde reizigers.’


    Vergaderen via Skype of Zoom is de norm geworden

    ‘Onze zakelijke bijeenkomsten, familievakanties en vrijetijdsbestedingen zullen zich steeds meer naar virtuele werelden verplaatsen’, aldus Vivek Wadhwa, techondernemer en bedrijfskundige.

    ‘De afgelopen maand heb ik met meer CEO’s gesproken dan ik normaal in een jaar zou doen. Ze waren ontspannen, betrokken en aandachtig. We konden brainstormen over ideeën waarmee ze hun bedrijven opnieuw konden uitvinden zonder dat poortwachters of nee-zeggers de discussies torpedeerden. Dit waren de meest productieve gesprekken die ik met bestuurders uit de hoogste echelons heb gevoerd, en zoals je misschien al geraden hebt, gebeurde dit allemaal vanuit huis.

    Twee maanden geleden zou het ondenkbaar zijn geweest om via Skype of Zoom te vergaderen; nu is het de norm. (…) We beseffen het misschien niet, maar de videoconferentietechnologieën die we gebruiken, komen regelrecht uit sciencefiction. Herinnert u zich de TV-serie The Jetsons? We hebben nu de videofoons die George en Judy gebruikten.

    De volgende sprong voorwaarts zal virtual reality zijn

    De volgende sprong voorwaarts zal virtual reality zijn, die zich in een razend tempo ontwikkelt en ons zal verrassen. Onze zakelijke vergaderingen, gezinsvakanties en vrijetijdsactiviteiten zullen zich steeds meer naar virtuele werelden verplaatsen.’


    We vergaten hoezeer reizen bij het moderne leven hoorde

    ‘Wat er verloren kan gaan door een lange onderbreking van die gemakkelijke wereldwijde verbindingen, wordt nu pas duidelijk’, schrijft James Fallows, redacteur bij The Atlantic.

    ‘Omdat reizen vaak zo routineus en vervelend was, concentreerden mensen in het tijdperk vóór de pandemie zich zelden op de vraag hoe fundamenteel reizen – grootschalig, snel, relatief goedkoop menselijk verkeer – was voor de idee van modern wereldburgerschap.

    Studenten beschouwden het als vanzelfsprekend dat zij een academische opleiding konden volgen in een andere regio, een ander land of een ander continent, en toch nog terug konden gaan om hun familie te bezoeken. Mensen die permanent waren geëmigreerd, of hun land hadden verlaten voor een paar jaar werk of avontuur, wisten dat hun thuisland nog steeds relatief snel bereikbaar was. Kinderen zagen hun grootouders van dichtbij. Families konden bijeenkomen voor bruiloften, geboorten, diploma-uitreikingen, begrafenissen. Zakenmensen uit afgelegen plaatsen gingen naar conventies en conferenties om zaken te doen en plannen te coördineren. De culturele en toeristische attracties van de wereld werden toegankelijk voor mensen uit alle hoeken van de wereld.

    Door de commercialisering van reizen konden mensen met een normale beurs een ‘bucket list’ samenstellen

    Voor Amerikanen waren vliegreizen en internationale contacten ooit zo’n zeldzaamheid dat de nu zo absurd klinkende term ‘jetset’ echt iets betekende toen die in de jaren vijftig werd bedacht. Door de commercialisering van reizen konden mensen met een normale beurs een ‘bucket list’ samenstellen van bezienswaardigheden die ze wilden zien – en ervan uitgaan dat ze dat ook zouden kunnen.

    Vóór de lockdown was het gemakkelijk om alle schade op te sommen die massareizen hadden aangericht, van de drommen die Venetië of Machu Picchu overspoelden tot de standaardisering van het hotel- en luchthavenleven wereldwijd. Wat er verloren kan gaan door een lange onderbreking van die gemakkelijke wereldwijde verbindingen, wordt nu pas duidelijk.’

  • Onze angst om te lijden. Waarom moderne maatschappijen niet kunnen omgaan met pijn

    Onze angst om te lijden. Waarom moderne maatschappijen niet kunnen omgaan met pijn

    Een dik jaar pandemie heeft een van de pathologische trekken van de westerse samenleving blootgelegd: de pijnfobie van een geïnfantiliseerde burgerij. Nu de noodtoestand voorbij is, ontstaat er nieuwe onrust: zullen we in staat zijn deze fase onbevreesd het hoofd te bieden?

    Dat een jeukende wond duidt op genezing weten we omdat het ons als kind almaar is voorgehouden. En ook dat je de korst er niet af moet krabben maar hem moet laten zitten tot hij vanzelf losraakt, want dan ontstaat gezonde littekenvorming. Maar tegenwoordig klinkt zelfs het woord korst al een beetje obsceen, een beetje lelijk, of eigenlijk niet op zijn plaatst. De korst valt niet af want hij krijgt de kans niet eens om zich te vormen, en dus kun je niet langer op het schoolplein opscheppen dat de dreun die je tijdens het spel opliep geheeld is en je weer helemaal in vorm bent. 

    We zijn verleerd spontaan te praten over pijn en tegenslag en reageren verontrust op pijn ‘nu de mortuaria zijn veranderd in supermarkten’, ‘nu we de vierde golf in India op televisie meemaken zonder de onze te hebben gezien’, ‘nu we de morele plicht hebben positief te zijn en in de sociale media een geslaagd leven uit te venten, of dat nu reëel is of niet, dat maakt niet uit’. Toch is pijn een van de grote leermeesters, misschien wel de enige, want op den duur helpt de sensatie ons om een inzichtelijker bestaan te leiden.

    Het mandaat van het geluk

    Lijden, en het vermogen het als iets onvermijdelijks tegemoet te treden en te leven zonder er zo ontzettend bang voor te zijn, heeft aan prioriteit ingeboet in het raderwerk dat onze identiteit uitmaakt. De citaten hierboven komen van diverse denkers uit de hele wereld die hun licht hebben laten schijnen op het laatste boek van een van de opzienbarendste filosofen sinds tijden. 

    De Koreaanse filosoof Byung-Chul Han noemde onze samenleving een decennium geleden al die van ‘vermoeidheid en transparantie’. Nu, nog midden in een pandemie, waarschuwt hij ons dat we ook De palliatieve samenleving (uitgeverij Herder) zijn, een samenleving die pijn afzwakt en uit de weg gaat, die bang is haar zogenaamde comfortzone kwijt te raken en is gezwicht voor het mandaat van het geluk en het rendement, die niets wil weten van de lering – welke lering? – die je uit echte tegenslag kunt trekken.

    Je wordt er met wat goede wil beslist wijzer van. ‘Pijn scherpt je waarneming. Pijn profileert het ik en geeft het contouren’, schrijft Han. Intussen stelt deze intellectueel dat ‘overal’, van de huiselijke kring tot op het dorpsplein, ‘de pijnvrees, de pijnfobie, een algehele angst voor lijden heerst’. 

    Op emotioneel vlak ‘is zelfs liefdesverdriet verdacht’

    Op emotioneel vlak ‘is zelfs liefdesverdriet verdacht’. Op het politieke ‘neemt de druk om schikkingen te treffen toe’. We voegen ons in palliatieve zones die ons onze vitaliteit ontnemen. We leven maar half. Of, zoals Byung-Chul-Han zegt: ‘Het leven wordt opgeofferd in ruil voor aangenaam overleven.’

    Nu er een einde is gekomen aan de noodtoestand, brengt dat weer een nieuwe onzekerheid met zich mee: zullen we de nieuwe fase ingaan zonder de angst om te lijden?

    Een kleine revolutie

    ‘Niet pijn is zinloos, maar overleven om leven te vermijden,’ stelt de schrijver Fabrizio Andreella vanuit Italië, waar de Koreaanse denker een kleine revolutie heeft veroorzaakt. ‘Als je pijn afwijst, wijs je het leven af, dan leef je zo min mogelijk om maar niet het risico te lopen dat je op pijn stuit.’ Andreella heeft het over een zekere ‘agressie van het goede, het geluk en het positivisme die ons, doordat we de keerzij ontkennen, afsnijdt van iets heel belangrijks, te weten pijn.’ 

    Zijn we eenmaal gewend aan de oppervlakte te leven, dan ‘sterven ook het avontuur en de ontdekkingslust’, wat Han betitelt als ‘sterk verminderd gevoel te leven’, een houding die de psycholoog José Carrión, lid van het psychologisch lab Cinteco in Madrid, als volgt beschrijft: ‘We kijken van opzij naar de werkelijkheid. Maar wanneer we er frontaal naar kijken of zij klopt op onze deur, wordt alles gecompliceerd. Dan komt het gebeurde extra hard aan, omdat we geen idee hadden dat het nog bestond en zo bedreigend was. We dachten dat de pijn ver weg was, dat de pijn in de verte was opgelost…’

    ‘In tijden van pandemie,’ lees je in De palliatieve samenleving, ‘lijkt het lijden van de anderen ons nog verder weg. Het valt uiteen in een aantal gevallen. De mensen sterven eenzaam op de IC’s, verstoken van alle persoonlijke genegenheid. Nabijheid betekent besmetting. De sociale afstand verscherpt het verlies aan empathie.’

    ‘We consumeren pijn als nooit tevoren, maar als een soort schouwspel, als vermaak, alsof het om een serie gaat’

    Een bestaan als zombie, zijdelings, zonder je ergens in te willen verdiepen maar alles eruit flappend via TikTok of Instagram. ‘Eerder dan verdoofd, zijn we een frivole, weinig fiere samenleving, en het lukt ons maar niet de nodige pijn te accepteren die hoort bij de commerciële wereld, de gevoelswereld, de rechtskundige, de academische…’ betoogt Javier Moscoso, als onderzoeker en docent Geschiedenis en Filosofie verbonden aan de Hoge Raad voor Wetenschappelijk Onderzoek (CSIC).

    In 2011 publiceerde hij al een van de grootste handboeken over de kwestie: Culturele geschiedenis van de pijn (uitgeverij Taurus). Inmiddels is Moscoso van mening dat het idee van pijn als iets vreemds en als iets wat zich ver weg afspeelt, een nog ernstiger scenario verhult: ‘We consumeren pijn als nooit tevoren, maar als een soort schouwspel, als vermaak, alsof het om een serie gaat, terwijl we met de eigen pijn een heel andere relatie hebben, de drempel ligt elders. We consumeren onbeschaamd andermans pijn, als een soort pornomisère, wat bijna een terugkeer naar de middeleeuwse esthetiek betekent.’

    Hij geeft een actueel voorbeeld: ‘Wat nu in India gebeurt met de vierde golf en waarvan hier nog niets in het nieuws is doorgedrongen.’ Nog een: ‘De verhalen over pijn, in de journalistiek bijvoorbeeld, worden verteld door een getuige wie niets is overkomen, die op het punt stond een bepaald vliegtuig te nemen of op het punt stond het slachtoffer te worden van een aanslag maar overleefde.’ Dat impliceert een visie die feitelijk tegengesteld is aan pijn, een waarbij we ‘ons inleven in de ander om ons te verheugen over onze eigen overleving’. 

    Veerkracht als kernwoord

    De professor stelt dat wij met name het idee van fysieke pijn niet verdragen: ‘Wij achten het ons recht om niet te lijden, wij zijn overgegaan van een wereld waarin men van opvatting was dat je je moest stalen tegen de ergste pijn, de middeleeuwse, naar de wereld van de negentiende eeuw, waarin pijn een functie en een nobel doel had, ook al was men uit op zo min mogelijk noodzakelijke pijn, naar een wereld, die van nu, waarin men zo weinig mogelijk pijn wil lijden.’

    Alle drie, Han, Andreella en Moscoso, zijn overigens van mening dat veerkracht hier fungeert als kernwoord. Het idee is dat we sterker uit een tegenslag tevoorschijn komen. Voor Han is het een ‘kapitalistisch mandaat’, voor Andreella ‘een modewoord dat onze relatie met pijn symboliseert’ en voor Mocoso ‘een van de merkwaardigste verschijnselen die zich in het Spanje van de laatste tijden heeft voorgedaan’.

    ‘De rehabilitatie van de veerkracht in Spanje heet verzet, denk aan het #saldremosmasfuertes (we komen hier sterker uit) van de regering. Pedro Sánchez schrijft zijn memoires en noemt ze Handboek van het verzet, het pandemielied was ‘Resisteré’… (Ik zal me verzetten). Camilo José Cela zei het al om Spanje te kenschetsen: ‘Wie zich verzet, wint’. We krijgen te horen: ‘Verzet je nu maar, want er zit niets anders op’.

    ‘Tegenwoordig huilt iedereen. Er is geen nuchterheid. Er is geen schaamte. Volgens de regels van de sociale etiquette voel je niet als je niet huilt’

    Deze ‘pijnfobie’ en ‘lofrede op het verzet’ worden gestut door andere fenomenen van onze tijd: ‘Als je de werkelijkheid ziet als conflictueus dualisme tussen goed en kwaad, zoals we in de westerse cultuur deden, is het logisch dat men er vroeg of laat toe komt het bestaan van pijn te ontkennen of af te zwakken. Voeg hieraan toe het narcisme en de genotscultus, niet om te genieten van het leven maar als vlucht, en de pijnvrees wordt evident.’

    Moscoso wijst ook op ‘een zekere onbeschaamdheid en overdaad aan expressiviteit’. ‘Daarom ben ik het maar deels eens met Byung-Chul Hans idee dat we een verdoofde samenleving zijn, want de ontlading van emoties gaat alle perken te buiten. Tegenwoordig huilt iedereen. Er is geen nuchterheid. Er is geen schaamte. Volgens de regels van de sociale etiquette voel je niet als je niet huilt.’

    Psycholoog Carrión is milder: ‘De term veerkracht behoeft verfijning. In de middeleeuwen begroef je een dode met dezelfde spa waarmee je aardappels rooide. Honger, kou en armoede waren normaal. Ook nu moeten we ziekte accepteren, omdat de malaise deel uitmaakt van het herstel. We moeten rekening houden met pijn als iets dat mogelijk is, en zorgen dat de angst ons niet verlamt.’

    Baas over ons leven

    Het zijn gevoelens die sterk leven sinds in maart 2020 de noodtoestand intrad. Lucía Fernández, eveneens psycholoog, zegt dat het laatste jaar het aantal personen, met name jongeren, dat therapeutische hulp zoekt is toegenomen. ‘In een moeilijke, eentonige situatie ontstaat vanzelf het diepe verlangen om op te knappen, te overleven, om alles te doen wat nodig is om de negatieve ervaring zin te geven.’

    Moscoso pleit er daarentegen voor ‘de noodzakelijke pijn, die bij het leven hoort, [te] accepteren, de niet-noodzakelijke [te] bestrijden.  

    Hij wijst er ten slotte op dat ‘uitmaken welke pijn noodzakelijk is en welke niet een politiek, filosofisch en economisch vraagstuk vormt’. ‘Een van de politieke hoofdvragen van de twintigste eeuw was of degenen die klagen ook recht hebben om te  klagen, of ze zich aanstellen of echt zorg nodig hebben. En daar hebben we nog altijd mee te maken.’

  • Waarom we niet bang moeten zijn voor eenzaamheid

    Waarom we niet bang moeten zijn voor eenzaamheid

    De mens heeft contact met anderen nodig om te kunnen overleven. Toch is het allesbehalve nutteloos om soms alleen te zijn, zegt Maggie Jackson. ‘Laat die inktzwarte uitgestrektheid en oneindige stilte op je inwerken en bezin je daarop.’

    Halverwege zijn eerste ruimtewandeling voelt astronaut John Herrington zich plots onvoorstelbaar alleen. Het is twee dagen voor Thanksgiving in 2002, en hij is bezig apparatuur aan de achterzijde van het Internationale Ruimtestation (ISS) te controleren. ‘Ik ben aan het eind, aan de rand van het ruimtestation,’ zegt hij. ‘Ik kan mijn collega-ruimtewandelaar niet zien, hij is ergens anders bezig. Ik ben alles wat er is.’

    Zich vastklampend aan een vaartuig dat zich ruim 380 kilometer boven de aarde bevindt en er met een snelheid van ruim 28.000 kilometer per uur omheen cirkelt, is Herrington op dat moment de meest vooruitgeschoven menselijke post in het universum. Hij heeft net een boutenstelsel op de draagconstructie ‘P1’ getest. En dan draait hij zich om en ziet hij niet de aarde, maar de oneindigheid die zich voorbij die aarde uitstrekt. En beseft, zo weet hij later nog: ‘Er zit niets tussen mij en wat het ook mag zijn wat daar nog meer is’.

    ‘Laat die inktzwarte uitgestrektheid en oneindige stilte op je inwerken en bezin je daarop’

    Momenten van schrikbarende eenzaamheid overvallen astronauten vaak op hun ruimtewandelingen. Ze verscherpen het bewustzijn, roepen nieuwsgierigheid, opwinding en soms vrees op. Juist dan dringen de adembenemende nieuwe perspectieven van een verblijf in de ruimte zich het meest op, zo zeggen ze. 

    Herrington vertelde me dat hij er een punt van had gemaakt om op dat soort momenten even iedere activiteit te staken, zodat hij alles in zich kon opnemen. Hij deed dat op advies van een mentor, een astronaut die zeven shuttlevluchten op zijn naam had staan. Ervaren astronauten drukken het nieuwe collega’s dikwijls op het hart, soms schrijven ze het hun ondergeschikten zelfs voor: zet dat moordende, perfectionistische NASA-werktempo een minuutje of twee van je af, laat die inktzwarte uitgestrektheid en oneindige stilte op je inwerken en bezin je daarop. 

    Tegenwoordig klampen we ons vast aan technologieën die veel meer doen dan ons ondersteunen in onze dagelijkse bezigheden. Onze apparaten versplinteren onze tijd en onze geest. Ze eisen onze aandacht op met verleidelijke, verslavende, gokautomaatachtige uitbarstingen van meldingen, uitnodigingen en likes. De gelijktijdigheid van ‘zijn’ en ‘doen’ die uitvinders in het onheuglijke tijdperk van telefoon en pc bewerkstelligden, heeft plaatsgemaakt voor een luidruchtige verscheidenheid en de ongekende nieuwe mogelijkheid dat we eenzaamheid volledig uit ons leven kunnen bannen. 

    Alleen zijn, en dan vooral met onze gedachten, is nooit erg gemakkelijk geweest voor een sociaal dier als de mens, dat contact met anderen nodig heeft om te kunnen overleven. Maar als we die momenten van alleen zijn afdoen als nutteloos of als iets waarvoor je wel of niet kunt kiezen, begaan we een dure fout. Eenzaamheid is de bakermat van het bezinningsproces.

    Digitale detox

    Enkele jaren geleden onderwierp ik een aantal studenten van een grote Amerikaanse universiteit een paar dagen lang aan een experiment dat destijds nieuw was: een digitale detox van 24 uur. De iPhone bestond nog maar een paar jaar, maar jongeren van rond de twintig waren toen al zo’n acht uur per dag ingelogd, en vaak op meerdere apparaten tegelijk. De meeste studenten faalden in hun opdracht, soms al na enkele uren, en zaten daar vaak niet eens mee. Velen die ik sprak voegden mij koeltjes toe dat technologie een niet weg te denken plaats innam in hun leven. Wat me het meest opviel was hoezeer ze van streek raakten als ze ook maar heel even niet verbonden waren. Dan voelden ze zich kwetsbaar en onbeschermd: als ze opstonden, over de campus liepen, naar een lezing luisterden of gingen slapen. ‘Ik had niets te doen, niemand om mee te praten,’ zei een student over een half uurtje offline autorijden.

    Toch vingen sommigen wel een glimp op van een andere wereld achter de flikkering en het kabaal van hun eigen universumpje. Mike, een ouderejaars, vertelde me dat hij een ochtend in zijn eentje aanvankelijk weliswaar als ‘griezelig’ ervoer, maar dat die hem toch de gelegenheid bood om orde te scheppen in de chaos van zijn gedachten over de vraag of hij wel of niet moest intrekken bij zijn vriendin. ‘Ik kon de positieve en negatieve kanten van de situatie goed op een rij zetten en afwegen.’ 

    In de klas merkte student Brian op dat hij tijdens de opdracht kon horen wat er in zijn hoofd omging. Dat was wel anders wanneer hij aan het gamen was of muziek speelde. De docent hoorde dit met verbazing aan. Later begaf ik me naar een deel van de campus waar men bezig was een stiltetuin aan te leggen. ‘Nu zo veel mensen overvolle agenda’s hebben en de wereld een beetje brozer lijkt, is het moeilijk de tijd – laat staan een plek – te vinden om na te denken,’ stond op een flyer die ik daar vond. T.S. Eliots’ klacht uit zijn Four Quartets kwam in me op: ‘We had the experience but missed the meaning.’ (‘We hadden de ervaring maar misten de betekenis.’)

    ‘Zware multitaskers’ hebben moeite om dingen te onthouden, al is het maar voor even

    In dit tijdperk van jagen en jachten nemen we niet alles meer goed in ons op. Diepgang schiet er vaak bij in. Veel over het effect van technologie op het denken is nog onbekend, maar er begint zich wel een groeiende wetenschappelijke consensus te vormen. ‘Door ons op al die moderne apparaten te verlaten, leren en onthouden we minder van onze ervaringen,’ zo luidt de recente conclusie van cognitief wetenschapper Jason Chein en collega’s. Degenen die moderne mediaconsumptie met hun dagelijkse routine verweven – die bijvoorbeeld tijdens hun werk naar een wedstrijd kijken of sms’en – zijn minder goed in staat om afleiding weg te filteren en te herkennen wat relevant is in hun omgeving, dan mensen die niet meer dan een of twee dingen tegelijk doen. 

    ‘Zware multitaskers’ hebben ook moeite om dingen te onthouden, al is het maar voor even – waarschijnlijk komt dat door voortdurende verlies van aandacht, zo menen veel wetenschappers tegenwoordig. Met andere woorden: het is niet zo dat mensen die veel ballen in de lucht houden zich op sommige zaken beter kunnen concentreren dan op andere. Ze houden geen enkele bal goed in de gaten. Het leven raast grotendeels ongemerkt aan hen voorbij.

    Achter de drukke werkzaamheden bevindt zich echter geen leegte, maar een kwetsbare ruimte die door eenzaamheid wordt beschermd en gekoesterd. Een ruimte waar een hogere vorm van denken de kans heeft te ontkiemen. Probeer je eens in te denken hoe het zou zijn als je je telefoon uitzette, de deur achter je sloot, een wandeling ging maken, deel werd van je omgeving en jezelf daarmee de kans gaf om door je eigen gedachten te waden.

    Dit is het soort fysiek alleen zijn dat we meestal gelijkstellen aan eenzaamheid. Maar dat is niet het hele verhaal.

    Mentale opschoning

    Stel je de geestelijke toestand voor die je nodig hebt om je volledig te kunnen wijden aan een lastig probleem of om heel even door een hemelbestormend inzicht te worden getroffen. Een toestand die ik cognitieve eenzaamheid noem, en die voortvloeit uit een mengeling van concentratie, doorzettingsvermogen en ‘bereidheid’, of wat de filosoof John Dewey wholeheartedness noemt, een soort onvoorwaardelijke overgave. Het resultaat is een mentale opschoning die de weg vrijmaakt voor het spel van verdiepend denken.

    Misschien stelt deze toestand ons in staat ‘te vinden wat er in onze gedachten sluimert’, en daarop voort te borduren, zegt filosoof Nathan Ballantyne, auteur van Knowing Our Limits. Mensen kunnen niet alleen goed werken in een lawaaierig café omdat ze een tafeltje in een stil hoekje hebben uitgezocht, of omdat ze in die omgeving anoniem kunnen zijn, maar ook omdat ze bereid zijn alleen te zijn met hun gedachten. Een arts die in de operatiekamer op een probleem stuit, houdt vaak haar handen even stil en maant haar team tot kalmte, zodat ze haar geest volledig op het probleem kan richten. Alleen door periodes van fysieke en cognitieve eenzaamheid in ere te houden, kunnen we blijvend betekenis ontlenen aan de onrust en verwarring die onze dagen tekenen.

    Kort na de opwindende tijden van het Apollo-programma in de jaren zestig kwamen bemande ruimtemissies onder vuur te liggen. Robots konden het werk wel doen, stelden velen. Astronauten waren veredelde reparateurs en vlaggenplanters, aldus critici. Maar de astronauten zelf betoogden met passie dat de wereld een diepgevoelde en doordachte menselijke kijk op het universum nodig had en dat ze tijd in de ruimte benutten om tot dergelijke bezinningsmomenten te komen. ‘Ze realiseren zich dat ze zich in een unieke situatie bevinden en willen daar gebruik van maken’, zegt Frank White, auteur van The Overview Effect: Space Exploration and Human Evolution. ‘Ze bekijken de hele kosmos op een andere, nieuwe manier.’ Het is een zienswijze die velen binnen de NASA zijn gaan respecteren. 

    John Herringtons geplande terugkeer naar de aarde werd vertraagd door lage bewolking die de spaceshuttle drie dagen in een baan om de aarde hield. Zo kreeg hij een onverwachte vakantie in de ruimte. Elke dag ging hij, nu zijn taken waren volbracht, in zijn eentje naar het vliegdek van de shuttle, deed de lichten uit, zweefde, keek naar de aarde en sterren en verwonderde zich over een kosmos die de mens nog maar net is begonnen te verkennen. Momenten dat er niets is tussen ons en ons gedachtenuniversum zijn schaars en kortstondig. Is het niet zonde om daarvoor te vluchten?

    Maggie Jackson is de auteur van Distracted: Reclaiming Our Focus in a World of Lost Attention. Dit essay verscheen oorspronkelijk in het voorjaarnummer van het tijdschrift Phi Kappa Phi Forum.

  • Generatie corona. Hoe nu verder?

    Generatie corona. Hoe nu verder?

    In plaats van de wereld te verkennen, zaten Europese jongeren thuis. In plaats van verliefd te worden, hielden ze afstand. De pandemie heeft hun een heleboel dingen afgepakt die horen bij jong zijn. Hoe pakken ze de draad weer op? Zesentwintig getuigenissen.

    Onze laatste zorgeloze zomer is algauw twee jaar geleden. Als je jong bent, lijkt dat wel een half leven. Die zomer hadden we nog nooit gehoord van besmettingsaantallen. We lagen op het gras, op het strand of bij het zwembad, samen op een badhanddoek en zo dicht bij elkaar als nu verboden is. We wisselden blikken met mensen die we nog niet kenden en die we leuk vonden. We trokken het ene biertje na het andere open, speelden volleybal, voetbalden, omhelsden elkaar na elk doelpunt en na een tijdje gingen we ergens anders heen, tot diep in de nacht. We waren nog niet gearriveerd, natuurlijk niet, we waren pas net op zoek.

    Bij volwassen worden hoort dat je nog niet hoeft te weten wie je bent en wie je wilt worden, dat je de plek waar je thuishoort nog mag vinden. Maar wat als de zoektocht al voorbij is voor je de kans hebt om ergens aan te komen?

    Uitgerekend in de fase van je leven dat je alles het liefst samen doet, voelden wij ons vooral heel alleen. Erger nog: in de steek gelaten

    De pandemie heeft alles wat volwassen worden is, veranderd in het tegendeel: in plaats van dichter bij elkaar te komen, moesten we afstand houden. Grenzen respecteren in plaats van overschrijden, thuis blijven in plaats van de wereld in te trekken. De eerste zoen, voor het eerst alleen met vrienden op vakantie, de eerste stage: allemaal uitgesteld. Voor onbepaalde tijd. En dat kunnen we nooit allemaal inhalen: als je op je achttiende verjaardag thuis zat, kun je een jaar later niet met vrienden en vriendinnen gaan vieren dat je meerderjarig bent geworden. Als je tijdens de pandemie eindexamen hebt gedaan, kun je met je klasgenoten niet meer maanden later proosten op het begin van het nieuwe leven. En als je een studie bent begonnen, kun je waarschijnlijk niet gaan dansen op het introductiefeest.

    In plaats van eindelijk rond te kijken in de wereld zaten wij, scholieren, studenten en mensen die voor het eerst gingen werken, weer bij onze ouders aan tafel te luisteren hoe zij zich moed inspraken door herinneringen op te halen aan de goede oude tijd. Terwijl wij jongeren nog amper herinneringen hadden. Uitgerekend in de fase van je leven dat je alles het liefst samen doet, voelden wij ons vooral heel alleen. Erger nog: in de steek gelaten.

    Gedesillusioneerde jeugd

    Het is een collectief gevoel, dat in heel Europa wordt ervaren. Dat blijkt uit een gezamenlijk enquête van Süddeutsche Zeitung, The Guardian, La Stampa, Le Monde en La Vanguardia. Honderden jongeren hebben in deze enquête verteld hoe het afgelopen jaar hen heeft veranderd, met name in Duitsland, Groot-Brittannië, Italië, Frankrijk en Spanje. De enquête is niet representatief, maar geeft een beeld van een gedesillusioneerde jeugd. In de antwoorden, waarvan we hier een selectie laten zien, is sprake van een verloren jaar, van een leven in vliegtuigmodus. Veel jongeren hebben het afgelopen jaar de hoop verloren dat ze door de politiek worden gezien, en al helemaal dat ze serieus worden genomen.

    ‘Wij zijn degenen die zogenaamd de regels overtreden en stiekem feestjes houden,’ zegt er een. ‘Dat we alleen thuis zitten, met de last van school of universiteit op onze schouders, maar zonder dat we als compensatie iets van een leven mogen hebben, daar horen we politici niet over.’ Een ander: ‘Ik ben zwaar teleurgesteld en verbijsterd hoe consequent allerlei beslissingen eerst te laat en dan verkeerd worden genomen.’ Nog iemand: ‘Mijn doel is zonder blijvende geestelijke schade uit deze crisis te komen.’

    Psychische gezondheid

    Een onderzoek van het academisch ziekenhuis van Hamburg-Eppendorf, waarvoor tussen half december 2020 en half januari 2021 meer dan duizend kinderen en jongeren zijn ondervraagd, laat zien dat bijna een derde van de jongeren ‘psychologisch opvalt’. In de loop van de pandemie is hun psychische gezondheid steeds verder achteruitgegaan: veelvoorkomende symptomen zijn depressie en psychosomatische gevolgen als maag- en hoofdpijn. Vergelijkbare resultaten geeft een onderzoek van de Donau-Universität Krems in Oostenrijk van dit voorjaar, dat bij meer dan de helft van de drieduizend ondervraagde jongeren symptomen van depressie heeft geconstateerd en bij de helft angststoornissen. Ongeveer 16 procent had regelmatig suïcidale gedachten, een enorme toename vergeleken met de laatst beschikbare cijfers.

    Heeft de pandemie van ons, de jonge mensen die de hele tijd ‘weinig risico’ liepen, te veel gevergd? Is de samenleving, die solidariteit van ons eiste, misschien onvoldoende solidair met ons geweest? Tenslotte moesten scholen en universiteiten sluiten, terwijl veel bedrijven juist open mochten blijven. Tenslotte lijken kinderen en jongeren de laatsten te zijn die door een vaccinatie terug kunnen keren naar een vrij leven. 

    Antwoorden zijn er haast nog niet, wel voortdurend nieuwe vragen. 

    Inhaalprogramma om te leven

    De belangrijkste vraag is misschien wel: hoe heeft de pandemie ons toekomstbeeld beïnvloed? Wat gaan we doen als alles eindelijk echt voorbij is? Blijven we thuis op de bank zitten, omdat we niet weten dat het ook anders kan? Berusten we, en laten we de politiek de politiek? Of gaan we de straat op om te vechten voor een betere toekomst, voor ons recht om mee te doen, mee te beslissen? 

    Ook daar is nu nog geen antwoord op te gegeven, maar één reactie heb ik al. Een reactie op het ‘inhaalprogramma’ waartoe de regering onlangs heeft besloten, om met miljarden euro’s de leerachterstanden van de afgelopen maanden in te halen. We hebben geen inhaalprogramma nodig om te leren. We hebben een inhaalprogramma nodig om te leven.

    Een inhaalprogramma voor een jaar van gemiste kansen en gemiste vriendschappen. Drukke cafés en feestjes waar je over de hoofden kunt lopen, dat is wat we nodig hebben. We hebben een quotum nodig van dagen dat we mogen spijbelen, van school, van de universiteit, van ons werk, omdat we in plaats van leren en werken nu eerst eens naar het zwembad moeten. Allemaal tegelijk naar het strand, een bergwandeling maken, of gewoon de hele zomer op een picknickdeken liggen, heel dicht bij elkaar. We hebben niet alleen de middagen nodig, of de zomervakantie, maar ook de ochtenden om elkaar te zien en te lachen en eindelijk weer onze armen om elkaar heen te kunnen slaan. Als er één inhaalslag is die we moeten maken, dan echt alleen die ene: leren om weer zorgeloos te zijn.

    Antje Fischbach, 23, studente osteopathie in München

    ‘Ik mis het ongedwongene. Ik mis het uitgaan, onder de mensen zijn, een beetje aangeschoten voor een club hangen met vrienden. Iets idioots doen en er achteraf samen om lachen. Als ik vroeger ontevreden was over mijn leven, veranderde ik iets. Dat kan nu niet. Dit jaar ben ik volwassener geworden, wat niet alleen positief bedoeld is. Ik vind het heel erg dat we voor de politiek geen enkele rol spelen. Wij zijn degenen die zogenaamd de regels overtreden en stiekem feestjes organiseren. Maar dat we in ons eentje thuis zitten, met de last van school of universiteit, zonder enige compensatie waardoor we toch iets van een leven hebben, daar hoor je de politiek niet over. Je hebt het gevoel dat er niet naar je geluisterd wordt en dat je niet serieus wordt genomen. Daar word ik soms echt boos en wanhopig van. Vaak stel ik me voor hoe het is als het leven weer echt begint. Net zoiets als een fantastische vakantie, waar je je al maanden tevoren op verheugt. Maar dan nog beter. Alleen al iedere keer dat je je armen om iemand heen slaat, voelt het een beetje als zomer. 

    In geloof dat we onderschatten hoeveel kracht deze tijd ons later zal geven. Ik bedoel: nu deze shitpandemie ons niet klein heeft gekregen, kunnen we alles aan. Ooit zijn we er weer, onder de mensen, met harde muziek. Ik weet zeker dat we dan op een gegeven moment allemaal even stilstaat en denken: Fuck, ik heb het gered. Ook al wist ik soms niet of ik het wel aan kon. En nu sta ik hier. Tussen een massa mensen, aan de vooravond van een leven dat nog afwisselender en opwindender zal zijn dan hiervoor.’

    Tijdens de crisis heb ik alles wat ik wilde doen ter discussie gesteld en ontdekt dat ik een andere weg wil kiezen

    Matthieu Baubry, 19, student vreemde talen in La Roche-sur-Yon, Frankrijk

    ‘Ik heb de indruk dat we hier nooit uit zullen komen. Het lijkt me een utopie dat we over tien jaar geen mondkapje meer dragen. Ik ben bang dat vandaag of morgen alles voorbij is. En ik ben niet eens boos: tenslotte is het niemands schuld. Ik leg me er gewoon steeds meer bij neer. Tijdens de crisis heb ik alles wat ik wilde doen ter discussie gesteld en ontdekt dat ik een andere weg wil kiezen. Volgend jaar wil ik taal en literatuur gaan studeren om later journalist te worden, gespecialiseerd in videogames. Online wereldkampioenschappen kijken vind ik echt helemaal te gek. Bovendien is het internet een terrein met grote toekomstmogelijkheden, dan hoef ik me geen zorgen te maken of ik wel werk vind.

    In elk geval heb ik van de zomer een baan. Ik ga in de bediening werken in een restaurant aan de westkust, aan het strand, bij Saint-Jean-de-Monts in de Vendée. Ik blijf gewoon bij mijn ouders in Challans wonen, maar dat gaat wel lukken omdat ik niet meer 24 uur per dag thuis ben. En als ik werk, staat er eindelijk weer geld op mijn rekening. Tijdens de tweede lockdown ben ik mijn baan in de supermarkt kwijtgeraakt, en ondanks dat ik een beurs had kon ik de huur niet meer betalen. Zonder mijn ouders stond ik op straat.’

    Sandra Birner, 26, kinderverpleegkundige in München

    ‘Wat ik enorm mis, is dansen. Je laten gaan in de roes van het ritme en één zijn met de menigte om je heen. Mensen ontmoeten, ook partners, want ik ben single en heel open over mijn seksleven. Ik prijs me gelukkig dat ik als kinderverpleegkundige kan blijven werken, dat ik iets te doen heb en in mijn levensonderhoud kan voorzien. Toch is het moeilijk om zo vaak alleen te zijn, in een flatje van 24 vierkante meter, zonder balkon, zonder man, zonder medebewoners. Daardoor ben ik gaan roken. Op een vrije dag is roken voor mij de enige reden om op te staan. Afgelopen winter was ik zwaar depressief, ik moest bijna aan de medicijnen, ik at niet meer en deed niets meer. Waarom zou ik? Des te dankbaarder ben ik voor mijn vrienden, we steunen elkaar geweldig in deze moeilijke tijden. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit weer in een disco zal staan, of in een bar of een biertent en kan dansen en zoenen en lachen. Misschien moet ik een poes nemen, want als je voor corona geen partner had, vind je er nooit meer een.’

    Joy 1 1
    © Tommaso Ausili / Contrasto

    Digital natives

    Dalila Regesta, 19, uit Imperia, Italië, student economie in Straatsburg, Frankrijk

    ‘Ik ben een van de weinigen die kan zeggen dat het afgelopen jaar positief is geweest. Tijdens de pandemie heb ik begrepen wat echt belangrijk voor me is. Dichtbij mijn vrienden en familie zijn bijvoorbeeld. En ik heb het afgelopen jaar daadwerkelijk weer oude vriendschappen kunnen oppakken. De sociale media hebben daarbij echt geholpen, omdat je over allerlei grenzen heen contacten kunt leggen, al is het maar in een video call of via een story op Instagram. Als ik naar de toekomst kijk, is mijn grote zorg dat er niet naar ons wordt geluisterd. Wij zijn digital natives, en vergeleken met de vorige generatie maken de sociale media voor ons van alles mogelijk. Maar dat betekent nog niet dat er aan de andere kant van het scherm automatisch iemand naar je luistert.’ 

    Conor Spielberg, 23, journalist in Dublin, Ierland

    ‘Net als veel jonge mensen hier in Dublin woon ik bij mijn ouders, en het ergste is dat ik op mijn drieëntwintigste financieel nog steeds van hen afhankelijk ben. Ik schrijf recensies over stripverhalen, maar dat levert niet echt veel op. Ik kan gewoon geen ander werk vinden. Het afgelopen jaar heb ik in elk geval heel veel geschreven, maar voor een baan met het minimumloon zou ik een moord doen. Het moeilijkste aan de lockdown vond ik dat ik tegenover vrienden nu eenmaal veel opener ben dan tegenover mijn familie. Het is best vreemd dat ik in een camera kan kijken of in een headset kan zeggen: “Ik ben verdomd ongelukkig” en het tegelijk onvoorstelbaar vind om dat tegen iemand te zeggen die tegenover me zit. Het enige goede aan dit verschrikkelijke jaar is, dat we nu het duidelijke bewijs hebben wat er gebeurt als je de wetenschap negeert omwille van de winst. Hopelijk gaan we daardoor anders denken over klimaatverandering. Grote bedrijven en regeringen hebben dat probleem decennialang genegeerd, en ik ben echt verbijsterd dat er nog steeds mensen zijn die proberen te voorkomen dat we een oplossing vinden voor de klimaatcrisis.’

    ‘De grootste uitdaging voor mijn generatie is om al het geld terug te krijgen dat nu wordt uitgegeven om te voorkomen dat bedrijven failliet gaan’

    Mariska Faassen, 17, scholier in Nederland

    ‘Het gaat er niet om dat ik wil feesten of met mijn vrienden rondhangen. Het gaat me er vooral om dat het niet eerlijk is: ieder bedrijf en ieder restaurant dat dicht ging, heeft geld gekregen van de staat. En nu mogen wij, de jongeren, in de toekomst een kapitaal aan belasting gaan betalen. Onze toekomst staat op het spel, en wij hebben er niets over te zeggen. Ik ben heus bereid mijn stem te laten horen, maar ik zou niet weten hoe. We leven in een democratie, maar beslissingen die extreem veel invloed op ons dagelijks leven hebben, worden zonder enige discussie met de burgers genomen. De burgers in ons land zijn de slachtoffers van de fouten van het kabinet, zoals bij het vaccinatieprogramma en de capaciteit van de ziekenhuizen. De grootste uitdaging voor mijn generatie is om al het geld terug te krijgen dat nu wordt uitgegeven om te voorkomen dat bedrijven failliet gaan.’

    Sara-Besme Shabib, 21, scholier in München

    ‘Tot voor kort zat ik op het mbo, maar door corona heb ik de hoop mijn examen te halen opgegeven en ben ik ermee opgehouden. Terwijl het mijn grootste wens was om scheikunde te studeren. Maar in de huidige omstandigheden kan ik dat niet aan. Het hoogtepunt van de week is mijn uurtje therapie. Mijn therapeut zie ik vaker dan wie ook. Dat is een constante waaraan ik kracht ontleen, omdat ik er het huis voor uit moet. Bovendien is me duidelijk geworden dat ik mijn sociale contacten niet als vanzelfsprekend mag beschouwen, en ben ik dankbaar voor elke minuut die ik met mijn vrienden kan doorbrengen. Over de regering hoef ik het niet te hebben, neem ik aan? Economie voor, economie na, het komt me mijn oren uit. Ik krijg voortdurend het gevoel dat ik in het beeld moet passen dat de maatschappij van ons jongeren heeft. Maar veel jongeren zijn aan het eind van hun Latijn. Toch verwachten ze van leerlingen dat ze studeren, bijblijven en examen doen. En daarna liefst meteen solliciteren of met een opleiding of een studie beginnen. “Jullie zijn de toekomst,” laat me niet lachen. Niemand helpt ons. Ze zouden iedereen die nu van school komt gelijk een tegoedbon voor een burn-outkliniek bij moeten geven.’

    Bang voor de toekomst

    Volgens een enquête van de Bertelsmann Stiftung vreest 65 procent van de vijftien- tot dertigjarigen in Duitsland dat de politiek geen oog heeft voor hun zorgen over de pandemie. Krap de helft van de zevenduizend ondervraagden is bang voor de toekomst.

    Benoît Frimon-Richard, 25, uit Égly, Frankrijk, studeert farmacie in Parijs

    ‘Voor de pandemie had ik eigenlijk besloten om naast mijn studie farmacie in Parijs ook een master in bestuurskunde te gaan doen om ooit bij een instantie in de gezondheidszorg te gaan werken. Maar toen de pandemie begon, ben ik teruggegaan naar mijn ouders in Égly, in de provincie, in het zuiden van het departement Essonne. Van daaruit studeer ik nu online en daarnaast werk ik parttime in een apotheek. Ook al maak ik grappen dat ik leef als een monnik: sinds ik terug ben op het platteland slaap ik beter, eet ik beter, drink ik helemaal geen alcohol meer en doe ik meer aan sport. Ik heb zelfs spieren gekregen! Ik verdien geld en geef praktisch niets uit omdat ik thuis woon. Ondertussen zijn mijn toekomstpannen radicaal veranderd en heb ik besloten dat ik liever in een apotheek op het platteland werk dan op een kantoor. In het contact met mensen voel ik me nuttiger. Mijn plan is al tamelijk concreet: over twee jaar neem ik vermoedelijk een apotheek over, in de gemeente Angervilliers met vijftienhonderd inwoners.’

    Matthias Montesano, 21, barkeeper in Turijn, Italië

    ‘Ik ben barkeeper en heb lang helemaal niet kunnen werken. Thuis heb ik geprobeerd mijn cocktails te verbeteren en nieuwe technieken uit te proberen. Maar het viel niet mee om me te concentreren. Ik geloof dat de politiek in Italië al met al goed heeft gereageerd, ook al zijn er natuurlijk fouten gemaakt. Waarom waren bijvoorbeeld kerken wel open, terwijl musea en theaters dicht moesten blijven? Waarom was het ja tegen godsdienst en nee tegen cultuur? In allebei die sectoren kunnen ze toch dezelfde veiligheidsmaatregelen nemen? Dan zou het allemaal veel beter zijn gegaan. Het virus heeft ons natuurlijk ook volkomen onverwachts overvallen. Misschien moeten we het allemaal als een waarschuwingssignaal zien. We moeten onze levensstijl veranderen en onze extreme consumptiedrift afremmen. Nadenken over wat echt belangrijk is. Deze pandemie heeft ons te veel afgenomen om het allemaal gewoon achter ons te laten zonder het ook als een kans op verandering te zien. Ook wat betreft mijn familie: ik heb gemerkt dat je die in moeilijke momenten om je heen wilt hebben. In het gewone leven wil je dat nog wel eens vergeten.’

    ‘Ik wil gewoon dat alles weer normaal is. Ook al kan ik me niet voorstellen hoe dat normaal eruitziet’

    Lucas Hoorn, 23, leerling-docent aardrijkskunde en sociale studies in Dresden

    ‘Tijdens de pandemie heb ik veel tijd voor allerlei beeldschermen doorgebracht. Ik heb er eigenlijk geen moeite mee om alleen te zijn, maar zoveel eenzaamheid doet pijn. Mijn medebewoners en -bewoonsters helpen geholpen, maar steeds vaker voel ik me vanbinnen leeg. Gewoon niets. Op een ander moment ben ik van binnen des te impulsiever, mijn internetbubble maakt dat ik steeds bozer word op wappies en coronaontkenners, maar ook op onze politieke leiders. In wezen ben ik heel dankbaar dat we in een echte democratie leven, en waardeer ik ons federalisme. Eigenlijk was ik er ook van overtuigd dat we hier in Duitsland ondanks allerlei democratische hindernissen snel en efficiënt kunnen handelen. Maar blijkbaar mankeert het ons aan daadkracht. Ik ben zwaar teleurgesteld dat beslissingen constant eerst te laat en daarna verkeerd genomen worden. Het gevoel in de steek gelaten te zijn, geeft dat heel goed weer. Ik wil gewoon dat alles weer normaal is. Ook al kan ik me niet voorstellen hoe dat normaal eruitziet.’

    Niet systeemrelevant

    Lena Iris Brendel, 25, student muziek in Stuttgart

    ‘Het afgelopen jaar zou mijn jaar zijn. Ik studeer muziek en zat in mijn buitenlandsemester, klaar om de wereld te veroveren. In plaats daarvan zat ik weer in mijn kinderkamer en moest ik ook nog toekijken hoe mijn beroep verdween. Opeens moest ik me afvragen: ‘Waarom zou ik nog oefenen? Zeven jaar keihard studeren, de allerbeste cijfers. Waarvoor? Opeens was ik bezig op internet te zoeken naar “beroepen voor zij-instromers”, “bedrijfseconomie online” en “met welke opleidingen verdien je het meest?” Wat me daarvan het meest op de zenuwen werkt? Vaak vraag ik andere mensen wat hun leven de moeite waard maakt. Het antwoord is nooit “De winst van mijn bedrijf” of “Het bruto binnenlands product”. Maar: festivals, concerten, film, theater. En wie maakt die hele zooi? Wij, die niet systeemrelevant zijn.

    Wat wel heel mooi was: ik heb nog nooit in mijn leven zoveel tijd met mijn vader doorgebracht. Opeens waren we lotgenoten: thuiswerker en thuisstudent. Samen wandelen, samen koffiepauze. Voor het eerst in mijn leven had ik gelegenheid veel over mezelf te vertellen en hij was veel beter in staat begrip te hebben voor zijn gekke kunstenaarsdochter. Als ik ooit iets over deze tijd zou moeten vertellen, zou ik me alleen nog herinneren hoe fijn het was dat ik zo veel met mijn vader was.’

    Alba Fernandez, 24, verpleger in Madrid, Spanje

    ‘Ik ben verpleegster in een ziekenhuis in Madrid. In de afgelopen veertien maanden heb ik het leed en de eenzaamheid van heel dichtbij meegemaakt. En het sterven. Het was afschuwelijk. Niemand is op zoiets voorbereid. Onze gezondheidszorg kon het niet aan, en wij konden van achter onze gezichtsbescherming amper met onze patiënten communiceren. We glimlachten dan en raakten ze aan, ook al was het met latexhandschoenen. Maar wij in de Spaanse ziekenzorg hebben elkaar geholpen, en veel levens gered.’

    Phoebe Hanson, 19, uit Staffordshire, Engeland, studeert politiek in Lancaster

    ‘Mijn hele leven speelt zich af in en rond mijn studentenhuis. Mijn relatie, vrienden, werk, studie, vrije tijd, slaap. Ik voel me net als in een Big Brotherhuis, hermetisch afgesloten van de buitenwereld. Mijn geestelijke gezondheid heeft eronder geleden. Ik was voor het eerst weg van mijn familie in Staffordshire, kon maandenlang niet naar ze toe. In die periode hebben mijn ouders ook nog corona gekregen en zijn ze ziek geworden. En ik kon niets doen. Dat was zwaar.

    Door de pandemie heb ik me gerealiseerd hoe afhankelijk wij mensen ervan zijn dat we elkaar zien. Als ik nu een keer naar huis bel, eindigt dat inmiddels altijd met zwijgen, omdat er niets meer is waar we het over kunnen hebben. We zitten allemaal de hele dag thuis. De pandemie heeft me in elk geval laten zien met wie ik plichtmatig verbonden ben en met wie uit oprecht verlangen om dingen te delen. Mijn vriendschappen van school bijvoorbeeld zijn allemaal voorbij.

    Echt teleurgesteld ben ik over de politiek en het onderwijssysteem. Eerst zouden de examens gewoon doorgaan, toen weer niet, toen weer wel. Totale chaos. Ik heb het gevoel dat die negenduizend pond collegegeld dit jaar gewoon weggegooid geld is. En na onze studie staan we voor de afgrond: mensen hebben ongelooflijk hoge verwachtingen van afgestudeerden: we moeten jaren ervaring meenemen, maar we kunnen ons in deze crisis absoluut niet permitteren onbetaald stage te lopen of tijdrovend vrijwilligerswerk te doen. Mijn carrière is nu voor mij dan ook het belangrijkste.’

    Om de tijd de verdrijven hielp het erg dat de Bundesliga doorspeelde

    Leonard Strickler, 24, werkzaam in Freiburg

    ‘Ik (…) merk in gesprekken met mensen van boven de veertig dat ze me vaak proberen op te vrolijken. Terwijl ik helemaal niet het gevoel heb dat ik opgevrolijkt hoef te worden. Ik heb het geluk dat ik al veel heb beleefd en daar met vrienden met veel plezier herinneringen aan kan ophalen. De hele zaak doet kinderen en jongeren duidelijk meer kwaad. Om de tijd de verdrijven hielp het erg dat de Bundesliga doorspeelde. In het weekend voetbal ik zelf een beetje met een paar vrienden, hoewel 80 procent van mijn sociale contacten de afgelopen maanden online verliep. Mijn gameconsole was een verbazingwekkend zinvolle investering van mijn zestienjarige ik. In plaats van mezelf tijdens een zoomconferentie achter mijn laptop op een fles wijn te trakteren, kon ik met vrienden op mijn Playstation spelen. Alcohol heb ik alleen ’s maandags gedronken wanneer ik met mijn pubquizmaten had afgesproken voor een online quiz. Dat was best geinig, maar er gaat niets boven afspreken in levende lijve. Pas toen dat echt niet meer kon, werd me duidelijk hoe belangrijk het kan zijn om af en toe naar het café te gaan.’

    Michela Petrini, 21, student in Bra, Italië

    ‘Ik zou graag hoop uitstralen, maar eerlijk gezegd ben ik door de pandemie verbitterd geraakt. Inmiddels neem ik niets meer als vanzelfsprekend aan, ook vriendschappen niet. Tijdens de eerste lockdown namen maar weinig vrienden de moeite iets van zich te laten horen. Veel van die oppervlakkige contacten heb ik uiteindelijk beëindigd. Ik geloof dat de regering-Conte heeft gedaan wat mogelijk was; want met een crisis in de gezondheidszorg als deze heeft nog nooit iemand te maken gehad. Maar ik denk steeds vaker dat de regering-Draghi niet doet wat ze zou kunnen. Misschien verliezen wij jongeren nu de hoop, en dat mag eigenlijk niet gebeuren. We moeten vertrouwen hebben in ons land, al is het maar omdat er geen alternatief is. Nu moeten we op de zak van onze ouders teren en die zijn door de pandemie even aangeslagen als wij en hebben moeite om rond te komen.’

    Claire-Lyse Thomann, 18, middelbare schoolstudent in Rennes, Frankrijk

    ‘Begin dit jaar heb ik mijn achttiende verjaardag gevierd. Ik dacht altijd dat ik dan eindelijk naar een nachtclub mocht! Mooi niet. Dat kan ik nooit meer inhalen. En ik ben bang voor de toekomst. Ik vraag me bijvoorbeeld steeds vaker af of het wel een goed idee is om kinderen op deze wereld te zetten. Ik heb het er met vriendinnen over gehad of we kinderen willen of niet. Ik was de enige die het niet wilde of die het in elk geval niet zeker wist. Wat hebben mijn kinderen eraan om in een tijd van klimaatverandering in de ene crisis na de andere te leven? Ik weet dat er als vrouw van je wordt verwacht dat je kinderen krijgt. Maar dat het kan, betekent nog niet dat het moet.’

    Egoïsme

    Chloé Lassel, 22, rechtenstudent in Versailles, Frankrijk

    ‘Toen ik alleen nog maar thuis zat, is me duidelijk geworden dat ik al een tijdje niet meer zo enthousiast ben over mijn studie rechten. In het weekend help ik altijd in een boekwinkel hier in de buurt. Die kant wil ik op. Ik wil iets anders, ik hou ervan onder de mensen te zijn, om klanten boeken aan te raden. Ook tijdens de pandemie kwamen er veel mensen in de boekwinkel, om iets te kopen en om een praatje te maken. Al wilden sommige geen mondkapje opdoen of hun handen desinfecteren. Als ik dat dan vriendelijk vroeg, begonnen ze te betogen dat ze jeuk kregen van het desinfectiemiddel, of dat ze last hadden van het mondkapje. We moeten ons afvragen hoe we met dat soort egoïsme willen omgaan. Tenslotte zitten we allemaal in hetzelfde schuitje, en alleen komen we daar niet uit. De crisis heeft veel dingen zichtbaar gemaakt, ook dingen die we eigenlijk niet willen zien.’

    Lara Oreiro, 24, student in A Coruña, Spanje

    ‘Jong zijn is nooit makkelijk geweest, ook tegenwoordig niet. Mijn generatie moet vechten tegen het stigma dat ze “altijd alles had”. Maar op het ogenblik hebben we weinig en verliezen we een heleboel. Dit zou het jaar zijn dat ik volwassen werd. Ik zou mijn studie afronden en gaan werken. Ik wilde groeien, persoonlijk en in mijn beroep. Die droom heb ik ondertussen laten varen. Veel jonge mensen hier in La Coruña zitten vol opgekropte woede. We lijden aan slapeloosheid en voelen ons machteloos en onrustig. We denken dat het ergste leed geleden is, maar we moeten onszelf niets wijsmaken. Het ergste moet nog komen, zodra we met de nawerkingen van de coronacrisis worden geconfronteerd. Wanneer we proberen een baan met een fatsoenlijk salaris te vinden om zelf een onafhankelijk bestaan op te bouwen. We zullen moeten vechten zoals al heel lang geen jong mens meer heeft hoeven vechten.’

    Risico op depressie

    64 procent van de 18- tot 34-jarigen in de Europese Unie loopt het risico een depressie te ontwikkelen. Dat blijkt uit een enquête uit het voorjaar van 2021 van Eurofound, een agentschap van de Europese Unie. In dezelfde periode in 2020 was dat 53 procent.

    Ana Carrasco, 23, student communicatiewetenschappen in Sevilla, Spanje

    ‘Toen de lockdown begon, kreeg ik paniekaanvallen door het bombardement van cijfers over aantallen besmettingen en doden. Ik ben opgehouden met mijn onlinecursussen en heb de tv uitgezet. In plaats daarvan heb ik de radio aangezet, alleen om naar muziek te luisteren, en ben ik boeken gaan lezen, maar alleen als ze goed aflopen. Ik heb Trivial Pursuit gespeeld met mijn vader, liedjes gezongen met mijn zus en films gekeken met mijn moeder. We aten tussen de middag en ’s avonds altijd met zijn vieren en hebben elkaar op moeilijke momenten gesteund. Zo is het ons gelukt in balans te blijven. Nu ga ik beginnen aan een master journalistiek in Barcelona en heb ik weer zin om te studeren.’

    Paula Mols, 23, student maatschappelijk werk in Münster

    ‘Omdat ik sinds het begin van de pandemie van mijn partner af ben, moest ik eerst uitzoeken wie ik was zonder hem. Dat heeft voor mij de pandemie, stom gezegd, draaglijker gemaakt. Toen ik weer klaar was om andere mensen te leren kennen, voelde het toch oneerlijk dat ik mijn singlebestaan niet kon uitleven. Kortgeleden heb ik via Tinder mijn nieuwe vriend leren kennen. Op onze eerste date gingen we samen wandelen. Wat moet je anders. Nu breng ik de meeste tijd met hem door en helpt hij me door deze moeilijke maanden heen.

    Voor de pandemie vond ik politieke onderwerpen taai, maar inmiddels begrijp ik altijd wat er aan de hand is en blijf ik op de hoogte door de corona-update met Christian Drosten en de Tagesschau. Ik moet zeggen dat ik heel teleurgesteld ben over onze regering en het idee heb dat ze gefaald heeft. Het coronajaar heeft me zo uitgeput dat ik haast lethargisch ben. Het liefst zou ik naar bed gaan en slapen tot de pandemie eindelijk voorbij is!’

    ‘Ik geef de politiek en de regering bijvoorbeeld niet de schuld. Integendeel, zij hebben hun best gedaan’

    Greta Carosso, 18, scholier in Bra, Italië

    ‘Vroeger had ik nooit veel haast om bepaalde ervaringen op te doen. Inmiddels is dat anders geworden en vind ik het belangrijk zodra een gelegenheid zich voordoet die te benutten. Voor mij is niets vanzelfsprekend meer. Een paar van mijn vrienden en ik zijn inmiddels onder behandeling bij een psycholoog. We zijn vanbinnen ontzettend kwaad en weten niet wat we daarmee aan moeten. Ik geef de politiek en de regering bijvoorbeeld niet de schuld. Integendeel, zij hebben hun best gedaan. Wij jongeren moeten nu gewoon weer energie vinden.’

    Francesco Piacentini, 20, student in Ferrara, Italië

    ‘De laatste drie jaar van het gymnasium heb ik op een militaire school gezeten. Tijdens de pandemie was ik gedwongen al mijn tijd daar door te brengen. Toen heb ik gemerkt dat wat ik in het leven echt wil, niets met het leger te maken heeft. Ik wil liever proberen een onbezorgd en vreedzaam leven te leiden, een leven waarin ik anderen kan helpen. Op school heb ik nooit problemen gehad, maar nu ik op de universiteit zit, staat het water me aan de lippen. Eerlijk gezegd geloof ik dat de mensen de coronatijd het liefst zo snel mogelijk willen vergeten. Vooral de arbeidersklasse, die het zwaarst getroffen is. Daarom geloof ik ook dat er uiteindelijk niets verandert, en ik denk ook niet dat dat nodig is.’

    Ruaidhrí Ó Conaill, 24, docent sport en Ierse taal in Cork, Ierland

    ‘Door mijn werk als leraar heb ik geleerd hoe groot de behoefte aan een reorganisatie van het Ierse onderwijssysteem is. Een voorbeeld: alles is gericht op één eindexamen in het laatste schooljaar, het Leaving Cert. Na de catastrofe van het afgelopen jaar toen het centrale eindexamen gewoon doorging, wat zelfs tot processen heeft geleid, is het echt de hoogste tijd om de leerlingen continuer te toetsen.

    Een ander probleem: sommige scholieren werken sinds het begin van de pandemie alleen nog op hun smartphone, terwijl we tegelijkertijd proberen de smartphoneverslaving van deze generatie te bestrijden. Ook al wordt Ierland steeds liberaler, de regering heeft de laatste tijd het contact met de jonge mensen verloren. Dat zou wel eens de reden kunnen zijn dat zoveel jonge Ieren nog steeds weg willen. Wat me ook bezighoudt: met het oog op de klimaatverandering moeten we onze manier van leven aanpassen. Hoe we eten, reizen, wat voor kleren we dragen, bijna alles in ons leven moet anders. Kortom: het kapitalisme moet verdwijnen en worden vervangen door een meer bewuste, groenere en meer holistische levenswijze. Had u me tien jaar geleden verteld dat de wereld ten onder zou gaan, dan had ik u voor gek verklaard. Nu beaam ik het.’

    Geen student, maar een robot

    Victor Volmer, 20, student jazz in Berlijn

    ‘In september ben ik naar Berlijn gegaan, een compleet vreemde, grote stad, om aan mijn muziekstudie te beginnen. Ik wilde andere musici ontmoeten, in plaats daarvan zat ik opgesloten op mijn veel te dure kamertje en deed ik ongelooflijk mijn best om de virtuele lessen leuk te vinden. Muziek moet het tenslotte hebben van het samen spelen met anderen. Ik heb een tot nog toe onbekend potentieel aan agressie in mezelf ontdekt, wat ik verklaar uit mijn algehele ontevredenheid. 

    Ik geloof dat de grote uitdaging voor mij is de hedonist in mezelf uit te schakelen ten bate van de ander en tegelijk in de gaten te houden dat het met mij ook goed blijft gaan, vooral mentaal. Daarin een balans vinden is echt heel moeilijk. Jezelf niet helemaal isoleren, maar ook niet naar een feestje van een vriend of een vriendin gaan waar ook nog tien anderen zijn uitgenodigd. Mijn doel is in elk geval om zonder blijvend geestelijk letsel uit deze crisis te komen.’

    Isabelle Koch, 22, uit Freiburg, studeert management in München

    ‘Het voelt alsof je het belangrijkste stuk van je leven gewoon overslaat. De hoorcolleges aan de technische universiteit in München, te midden van studiegenoten en vrienden, zijn veranderd in studie op afstand: in mijn eentje thuis achter mijn laptop. Ik heb mijn kamer in de woongroep, waar ik zoveel heb gefeest, opgezegd en woon weer bij mijn ouders in de buurt van Freiburg, op het platteland. Ik voel me geen student meer, maar een robot. Ik ben dankbaar dat we in deze crisis nog kunnen studeren. Toch heb ik het gevoel dat we door de regering zijn vergeten. Over studenten hebben ze het nooit. Voor de pandemie zou ik gezegd hebben dat het de grootste uitdaging voor mijn generatie is om tot een besluit te komen. Omdat voor ons bijna te veel mogelijkheden open liggen en we zo veel kansen hebben die we moeten benutten. Tijdens de pandemie is dat veranderd. Ons grootste probleem nu is het gebrek aan perspectief. Ik hoop dat dat snel verandert.’

    Fotoreeks van Tommaso Ausili

    De Itialaanse fotograaf Tommaso Ausili maakte een reeks portretten van jongeren tijdens de lockdown, die hier te bekijken is. ‘De psychologische gevolgen van de pandemie werden vooral opgemerkt bij adolescenten’, aldus de fotograaf op de pagina. ‘In deze levensfase beleeft de persoon een groeiproces, de ontwikkeling van zijn eigen persoonlijkheid en de ontdekking van zichzelf. Adolescenten streven naar een cognitieve en emotionele band met de sociale omgeving en omgeving. Een van de belangrijkste doelstellingen van adolescenten is het bereiken van autonomie, wat een innerlijke reis vereist langs zekerheid en verwarring, tevredenheid en onvrede. (…) De meeste adolescenten ervoeren gevoelens van angst en ontmoediging die hun dagelijkse levensstijl sterk beïnvloedden.’


  • Hoe de pandemie het populair futurisme veranderde

    Hoe de pandemie het populair futurisme veranderde

    Speculatieve non-fictie was lange tijd vooral gericht op de beperkte perspectieven en doelstellingen van het bedrijf – en dus op het verdienen van geld. Mede door de pandemie kunnen we het populaire genre mogelijk aanwenden voor een betere toekomst.

    De pandemie, die in veel opzichten vreemder is dan sciencefiction, heeft veel discussie uitgelokt over de rol van speculatieve fictie bij onze toekomstvoorstellingen. Waar sommigen in de mogelijkheden die zulke verhalen voorspiegelen antwoorden zien op onzekere tijden, vragen anderen zich af waar deze dystopische visioenen eindigen. Maar misschien is het net zo relevant om ons weer eens in de speculatieve non-fictie te verdiepen, een zich constant ontwikkelend genre dat we als ‘populair futurisme’ zouden kunnen betitelen.

    Wat zijn de kenmerken van een ‘populair-futuristisch’ boek? Het schetst mogelijke toekomstperspectieven, belicht nieuwe belangwekkende trends en belooft manieren waarop zelfs niet-gespecialiseerde lezers deze inzichten op hun eigen leven en werk kunnen toepassen. Zo’n boek heeft waarschijnlijk een fascinerend omslag, in een stijl die dateert van het werk dat met recht en reden een pionier in dit genre kan worden genoemd en nog altijd toonaangevend is: Toekomstshock van Alvin Toffler. Dit boek, dat het concept ‘futurisme’ populair maakte in de mainstreamcultuur en in de zakenwereld en kortgeleden zijn vijftigste verjaardag vierde, verscheen in de meest veelkleurige versies, zodat het als een neonregenboog in het oog zou springen vanuit de schappen van de boekwinkels. Andere titels hebben een kinetische belettering die je vanaf de pagina tegemoet vibreert alsof ze zich met hoge snelheid verplaatst. De toon van de boeken houdt meestal het midden tussen start-uppitch en zelfhulpmantra en straalt het profetische zelfvertrouwen uit van de teruggekeerde tijdreiziger.

    Wat er komen gaat

    Hoewel hun inhoud mee verandert met de tijdgeest, blijft datgene wat ons in populair-futuristische boeken aantrekt hetzelfde: we willen allemaal weten wat er komen gaat. Ze boren de oeroude kracht van de toekomst aan om ons te boeien en bang te maken, op zo’n manier dat onze hedendaagse angsten erdoor worden gesust en aangewakkerd. Zoals alle populair-wetenschappelijke of zelfhulpteksten beloven ze signaal van ruis te scheiden en geven ze ons wat geruststellende (zij het illusoire) controle in een chaotische wereld. Ze laten zien wat de toekomst ons brengt, ook al oogt het heden nog als zo’n warboel.

    Maar de belangrijkste belofte die ten grondslag ligt aan de canon waarvan Toekomstshock de eersteling is, is dat lezers zich met de juiste vooruitziende blik niet alleen kunnen voorbereiden op wat komen gaat, maar er ook van kunnen profiteren. Deze onschuldige vorm van handelen met voorkennis stelt de toekomst voor als een bulkgoed, als een oefening in tijdsbeoordeling waarbij kennis van nieuwe ontwikkelingen financieel voordeel oplevert. Het is geen toeval dat de auteurs van zulke boeken traditioneel een wit, mannelijk en kapitalistisch wereldbeeld hebben; velen van hen werken als in de toekomst gespecialiseerde consultants in het grijze gebied tussen zakenwereld, overheid, technologie, reclame en sciencefiction. 

    Deze zakelijke benadering is tot nu toe dominant in het populair futurisme, maar dat zou wel eens kunnen veranderen. Het afgelopen jaar is er een verbazingwekkend groot aantal nieuwkomers aangetreden, wat gek genoeg voor de hand ligt in een tijd waarin grote onzekerheid heerst over wat er morgen zal gebeuren, om over het komende decennium nog maar te zwijgen. Kan zo’n traditioneel zelfgenoegzaam genre nog enige troost bieden, laat staan deugdelijke inzichten?

    De confrontatie met een tsunami van veranderingen maakte de meeste mensen angstig, gedesoriënteerd en ontregeld

    Om die vraag te beantwoorden moeten we terug naar Toekomstshock. Hoewel de titel ons tegenwoordig nog maar vagelijk bekend voorkomt, werd het boek na zijn publicatie in juli 1970 algauw wereldberoemd. Het ging in miljoenen exemplaren over de toonbank, er werd een door Orson Welles ingesproken documentaire van gemaakt en de titel inspireerde Curtis Mayfield tot een song [Future Shock]. Het boek gaf mede aanzet tot een genre dat nog altijd bloeit en bezorgde Toffler een decennialange carrière als auteur, deskundige en consultant. Herlezing van Toekomstshock toont aan dat het boek niet alleen de kiem heeft gelegd voor de powerpointprofetieën van de TED Talk-cultuur en een hele bedrijfstak van toekomstconsultants heeft gecreëerd, maar ook onze toekomstvisie heeft vormgegeven.

    Ook als fysiek object was het opvallend. Het was zo’n vijfhonderd pagina’s dik, het omvangrijke register niet meegerekend. Het was kleurrijk en, nou ja, futuristisch, tot het ronde maar robotachtige lettertype van de titel aan toe, dat was gebaseerd op het MICR-font [Magnetic Ink Character Recognition], ontworpen om door zowel mensen als machines te kunnen worden gelezen. Futurist Scott Smith herinnert zich dat hij als jongen de lijvige paperback op het nachtkastje van zijn ouders zag liggen en deze er zowel eng als verleidelijk vond uitzien; half grappend zegt hij dat hij er zijn beroepskeuze aan dankt.

    Alvin Toffler, de auteur wiens naam in onuitwisbare letters op het omslag prijkt, was een journalist uit Brooklyn die in het begin van zijn carrière samen met zijn vrouw Heidi schreef over progressieve politiek en de arbeidersbeweging. Ze werkten samen aan een trilogie waarvan Toekomstshock het eerste deel was, maar Heidi werd pas in een later boek officieel erkend als auteur. Dat zelfs een toekomstgericht powerkoppel in dit opzicht verbazingwekkend ouderwets was, bewijst maar weer eens dat we allemaal bevattelijk zijn voor de blinde vlekken van onze tijd, net als Toekomstshock.

    Het kernbetoog van het boek is wellicht herkenbaar, misschien omdat Toffler het zo overtuigend beargumenteerde dat het een cliché is geworden: de wereld veranderde in een exponentieel toenemend tempo, waardoor mensen in ‘shock’ raakten en worstelden om het hoofd boven water te houden. In elk geval in de westerse landen onderging de maatschappij een ingrijpende historische verandering toen de industriële revolutie plaatsmaakte voor de informatie-economie; die verandering werd op haar beurt versneld door nieuwe technologieën op het gebied van massacommunicatie. De confrontatie met een tsunami van veranderingen maakte de meeste mensen angstig, gedesoriënteerd en ontregeld. Het boek probeerde deze nieuwe toestand te doorgronden, de ‘bronnen en symptomen’ ervan bloot te leggen en mogelijke manieren te bedenken om de effecten te verzachten.

    Hij maakt van de toekomst de meest spectaculaire show op aarde, en je zou wel gek zijn als je wegkeek

    De belangrijkste strategie om de toekomstshock te bestrijden, aldus Toffler, was om zich met extra kracht op de toekomst zelf te richten. Hij riep overheidsinstanties op om grootschalige toekomststudies te financieren, sciencefictionauteurs om meer methodische toekomstvoorspellingen in hun boeken op te nemen en Amerikaanse scholen om toekomstgerichte lessen te geven (als tegenwicht tegen geschiedenislessen). ‘Om zulke beelden in het leven te roepen en daarmee de impact van een toekomstshock te verzachten,’ schreef hij, ‘moeten we allereerst zorgen dat speculeren over de toekomst iets respectabels wordt.’

    Dit was geen nieuwe uitdaging; ook H.G. Wells had zich moeite getroost te benadrukken dat de systematische poging om mogelijke toekomsten te projecteren op basis van hedendaagse gegevens een vorm van wetenschap zou kunnen zijn, en niet alleen maar waarzeggerij. Maar dankzij Tofflers boek werd het futurisme een mainstreamfenomeen, dat zich niet beperkte tot militair gebied (zoals de nucleaire scenario’s die de RAND Corporation als eerste uitwerkte), maar ook op de ‘zachte’ sectoren van het dagelijks leven toepasbaar was, van ‘politiek en speelplaatsen tot skydiven en seks’.

    Maar behalve door zijn inhoud vond Toekomstshock ook veel weerklank door zijn stijl. Naar het voorbeeld van de Canadese mediatheoreticus Marshall McLuhan, wiens vermogen om grote ideeën in pakkende soundbites te presenteren onmiskenbaar een inspiratiebron was, maakte Toffler van het medium de boodschap. Zijn toon is evenzeer gealarmeerd als energiek, professoraal als ademloos. Hij spreekt van een ‘vuurstorm van verandering’, van het ‘zinderende schokeffect’ van nieuwe ideeën, van ‘pijlsnel groeiende’ populaties; zijn taalgebruik wedijvert met de voortstuwingssnelheid die hij beschrijft. Hij gebruikt pakkende termen als ‘ad-hoccratie’; hij maakt van de toekomst de meest spectaculaire show op aarde, en je zou wel gek zijn als je wegkeek.

    Zelfs wanneer Toffler de potentiële gevaren van versnelde verandering schildert, zoals ongelukken op boorplatforms of besluitvormingsalgoritmen, en de noodzaak van regelgeving benadrukt, gelooft hij dat oplossingen gelegen zijn in een grondige oriëntatie op toekomstige transformaties. ‘De kracht van de technologische ontwikkelingsdrang is te groot om door vooruitgangssceptici te worden gestopt,’ schrijft hij, en ondanks de soms waarschuwende toon definieert het boek op een bedwelmende manier de voorwaarden voor zijn eigen wereldbeeld. ‘Is dit allemaal overdreven?’ luidt zijn beroemde vraag. ‘Ik denk het niet.’

    Optimaliseren

    Zoals de krachtige stijl van Toekomstshock een bestseller heeft gemaakt, zo heeft het succes van het boek de weg gebaand voor een heel genre dat met de beslommeringen van elk navolgend tijdperk is mee veranderd. Eén subgenre van populair-wetenschappelijke boeken die snel na Toekomstshock verschenen, was sterk gericht op het voorspellen van consumentengedrag, te beginnen in 1982 met Megatrends van John Naisbitt en eindigend in 1991 met The Popcorn Report van de nestrix van de trendspotters: Faith Popcorn.

    Met de eerste dot.com-boom werd technologie een algemener thema, ongetwijfeld geholpen door het zelfbeeld van Silicon Valley als de plek waar de toekomst haar beslag krijgt. Deze nieuwe fase van het genre gaf de prioriteit aan innovaties op hardware- en softwaregebied, en sommige titels begonnen de wildste technologische grenzen op te zoeken, zoals The Age of Spiritual Machines (1999) van Ray Kurzweil en Physics of the Future (2011) van Michio Kaku. Maar of hij nu zakelijk banaal of cybergnostisch is, de klassieke populair-futuristische canon vooronderstelt een publiek dat industrieën wil ontmantelen met behoud van de status quo. Zelfs futuristen als Kurzweil, een van de herkenbaarste hedendaagse auteurs en een erfgenaam van Toffler, presenteren ideeën die revolutionair lijken – de uniciteit, de mogelijkheid van onsterfelijkheid – in een taal die wordt beperkt door individualistisch ondernemersdenken. Alles is doordesemd van de logica van het optimaliseren van alles en iedereen, zelfs van onze ziel.

    Gedurende het grootste deel van hun geschiedenis hebben deze boeken zich vooral op de beperkte perspectieven en doelstellingen van het bedrijfsmatige futurisme gericht. Vaak onder invloed van de agenda van haar klanten, concentreert de toekomstbranche zich op het oplossen van de problemen waarvoor ze is ingehuurd. Omdat ze zijn voortgekomen uit organisatieadviesbureaus en oververhitte start-ups, zijn futuristen meer geïnteresseerd in, en kunnen ze zich gemakkelijker een voorstelling maken van ruimtekolonies en het eeuwige leven – voor sommigen een rechtstreekse weg naar winst – dan van een kwestie als het afschaffen van gevangenissen.

    (Een nieuwe ster aan Tofflers toekomstversnellingsfirmament, maar zonder zijn weloverwogen zorgen te delen, is The Future Is Faster Than You Think van Peter Diamandis en Steven Kotler, waarin ademloos wordt beschreven hoe nieuwe technologieën zoals kunstmatige intelligentie ertoe zullen leiden dat de mensheid ‘een grotere omwenteling zal meemaken en meer rijkdom zal creëren dan in de afgelopen honderd jaar’. Wie met de omwenteling wordt geconfronteerd en naar wie de rijkdom gaat is niet moeilijk te raden. Problemen als klimaatverandering, stelt het boek, kunnen te lijf worden gegaan met zich steeds verder ontwikkelende gadgets, zoals goedkopere zonnepanelen en brandweerdrones.)

    Kathedraaldenken

    Maar terwijl de regels en de definitie van het ‘toekomstdenken’ veranderen en zich verspreiden via andere stemmen, geografieën en ideologische structuren, verandert het populair-futuristische boek mee – en treedt het soms uit Tofflers voetsporen, als het al niet een geheel nieuwe weg inslaat.

    Vorig jaar verscheen After Shock, een officiële hommage aan Toekomstshock. De bundel bevat lovende maar zeker ook kritische woorden van de hand van meer dan honderd hedendaagse futuristen en denkers. Het boek How to Future: Leading and Sense-Making in an Age of Hyperchange van Scott Smith en Madeline Ashby staat voor een stap in een andere richting en beschrijft strategieën voor het begeleiden en creëren van verandering in verschillende contexten, die zich lang niet altijd beperken tot het commerciële en technologische domein. Het is een bewonderenswaardige poging om tot een ‘toekomsthandleiding’ voor verschillende doelgroepen en doelstellingen te komen, geïllustreerd met de toepassing van bijvoorbeeld scenarioplanning, een in de Koude Oorlog door militairen ontwikkelde methodologie, op terreinen als non-profitmanagement en gezondheidszorg. De casestudy’s en procesbeschrijvingen zijn verhelderend, al gaat de gedetailleerdheid soms te ver voor de niet-academische lezer die het in de naaste toekomst niet als handboek zal gebruiken.

    Ook het veelgenoemde idee van ‘langetermijndenken’ duikt in diverse recente boeken op als een cruciaal middel om een andere existentiële dreiging te lijf te gaan: de klimaatcrisis. In De goede voorouder roept filosoof Roman Krznaric kalm op tot een heroriëntering op de toekomst, niet ten bate van onszelf (zoals typerend is voor het populair-futuristische boek), maar van onze verre nazaten. Hij gebruikt de term ‘kathedraaldenken’ voor reusachtige projecten die niet tijdens ons eigen leven zullen worden afgerond, maar waarmee nu wel hoognodig een begin moet worden gemaakt, vergelijkbaar met het werk van verschillende generaties aan de middeleeuwse kathedralen die hun achterkleinkinderen pas voltooid zouden zien.

    Waar in boeken als Toekomstshock de toekomst wordt beschreven als een reusachtige golf die onontkoombaar en verpletterend op ons af raast, is de centrale metafoor in het boek van Krznaric (dat soms leest alsof je door een stil bos dwaalt) de eikel. Het gaat erom dat je bijvoorbeeld niet alleen maar bomen plant (al wordt herbebossing letterlijk een cruciaal langetermijnproject genoemd), maar ook het belang en het potentieel van het huidige moment benadrukt, hoe gebrekkig ook, om de toekomst te beïnvloeden.

    Interactieve kaartspellen zijn misschien wel beter dan een boek in staat de vreemde, veranderlijke manieren te belichamen waarop de toekomst zich ontvouwt

    Het meest inventief wordt dit thema misschien wel onderzocht in populair-futuristische projecten die de grenzen van het boek volledig overschrijden. Een daarvan is Afro-Rithms from the Future, een digitaal kaartspel dat spelers uitdaagt toekomstscenario’s te bedenken met een expliciete focus op zaken als sociale rechtvaardigheid en ongelijkheid. Tot het team dat het spel heeft ontwikkeld behoren futurist, acteur en kunstenaar Ahmed Best en Lonny Brooks, universitair hoofddocent Communicatie aan de California State University. Het spel maakt gebruik van afrofuturistische denkwijzen en kunstvormen om radicale visies op een rechtvaardiger wereld te stimuleren en groepsdiscussies uit te lokken over het veranderen van de huidige situatie om zover te komen. De kosmische, bontgekleurde kaarten zijn uitnodigend en in scherp contrast met het beeld van blauwe lasers dat maar al te vaak de standaardesthetiek van de ‘toekomst’ vormt. Interactieve kaartspellen en collectieve verhaalprojecten zijn misschien wel beter dan een lineair boek in staat de vreemde, veranderlijke, participatieve manieren te belichamen waarop de feitelijke toekomst zich ontvouwt.

    Ook voordat de coronapandemie begin 2020 over de wereld begon te razen, hadden de catastrofale vooruitzichten voor de planeet – klimaatverandering, opkomend nationalisme, systemische ongelijkheid, technologie die meer problemen veroorzaakt dan oplost – iedere hoop op een stabiele toekomst al de bodem ingeslagen. Maar een heel klein lichtpuntje is misschien dat dit het jaar kan worden waarin we het duidelijkst beseffen dat we op een geheel nieuwe manier over de toekomst zullen moeten praten, als we die rechtvaardig en duurzaam willen maken voor iedereen. Net als in 1970 wordt de toekomst momenteel gevormd door ingewikkelde interacties van mensen, systemen, gemeenschappen en materiële en milieuomstandigheden – en door de verhalen waardoor die interacties worden beïnvloed.

    Dit nieuwe hoofdstuk van populair futurisme toont zijn blijvende aantrekkingskracht als een vertrouwd dialect, ook al is de boodschap die het genre brengt nu van een andere urgentie. Misschien kan het nog altijd nieuwe toekomstperspectieven voor een gezondere wereld bieden, maar die moeten dan wel net zo levendig en onweerstaanbaar overkomen als Toekomstshock vijftig jaar geleden. Waar Toffler en zijn volgelingen de versnelde, door winstbejag gedreven toekomst duizelingwekkend maakten, probeert de volgende generatie denkers deze paradox op te heffen en tragere, meer op herstel en gemeenschapszin gerichte toekomsten te verzinnen, die even onweerstaanbaar zijn.