Tag: armoede

  • Argentinië: vervoer lamgelegd door een massale staking

    Argentinië: vervoer lamgelegd door een massale staking

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Overstromingen in Spanje: dodental gestegen naar 95

    » Trump komt in een vuilniswagen naar een rally na opmerking van Biden

    De staking is een protest tegen het beleid van Milei

    Meer dan een miljoen Argentijnse gebruikers werden woensdag getroffen door de sociale beweging die de toenemende armoede en het dereguleringsbeleid van de ultraliberale president Javier Milei, die de nationale luchtvaartmaatschappij Aerolineas Argentinas wil privatiseren, aan de kaak wil stellen.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De belangrijkste vakbonden voor spoor-, luchtvaart-, weg- en riviervervoer hebben zich aangesloten bij de staking, die ook het vrachtvervoer treft. Ambtenaren en studenten hebben ook gehoor gegeven aan de oproep om actie te voeren tegen het verlies van koopkracht, wat kan leiden tot wegblokkades in het hele land. In Buenos Aires organiseerden de truckers een gaarkeuken en kookten ze voor zesduizend mensen, meldt Página 12. ‘Er is ook een middenklasse die maaltijden overslaat’, benadrukten de organisatoren.

    Het bezuinigingsbeleid van Milei heeft geleid tot een ernstige recessie en duizenden ontslagen. De armoede in Argentinië bereikte 52,9 procent van de bevolking in de eerste helft van 2024, een sprong van meer dan 11 procentpunten in zes maanden.

  • Nobelprijs voor Economie gaat naar onderzoek over ongelijkheid tussen landen

    Nobelprijs voor Economie gaat naar onderzoek over ongelijkheid tussen landen

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » NASA-sonde gaat onderzoek doen naar leven op een maan van Jupiter

    » Crisis India-Canada: Ottawa en New Delhi zetten verschillende diplomaten uit

    ‘Toekomstige economen kunnen hierop voortbouwen’

    De Nobelprijs voor de Economie gaat dit jaar naar een onderzoek over ongelijkheden in rijkdom tussen landen. Maandag werd de prijs toegekend aan de Turks-Amerikaanse Daron Acemoglu en de Brits-Amerikaanse Simon Johnson en James A. Robinson.

    ‘Door de verschillende politieke en economische systemen te onderzoeken die door Europese kolonisatoren over de hele wereld werden geïntroduceerd, toonden de Amerikaanse onderzoekers het verband aan tussen de aard van politieke instellingen en welvaart’, legde de jury uit.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Samenlevingen met een slechte rechtsstaat en uitbuitende instellingen genereren geen groei of positieve verandering’, aldus de jury. ‘Het onderzoek van de laureaten vormt een breuk met theorieën die uitgaan van een onvermijdelijke, deterministische weg naar modernisering op basis van de historisch ongebruikelijke ervaringen van West-Europa’, merkte The Economist op.

    ‘Acemoglu, Johnson en Robinson zijn misschien niet in staat geweest om een volledige verklaring te geven waarom sommige landen rijk zijn en andere arm, maar toekomstige generaties economen hebben een solide basis waarop ze kunnen bouwen’, concludeert het tijdschrift.

  • Argentinië: armoedecijfer onder Javier Milei overstijgt de 50 procent

    Argentinië: armoedecijfer onder Javier Milei overstijgt de 50 procent

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Soedan: luchtaanvallen op Khartoem, leger valt posities RSF aan

    » Zelensky en Trump ontmoeten elkaar vandaag in de Trump Tower

    Dit jaar zijn 3,4 miljoen Argentijnen tot armoede vervallen

    De stijging van het armoedepercentage naar 52,9 procent, ‘als gevolg van het bezuinigingsprogramma van de regering’, is ‘een wake-up call voor de libertaire president, wiens populariteit begint af te brokkelen’, aldus Financial Times.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Het cijfer, dat donderdag werd gepubliceerd door het nationale bureau voor de statistiek, ‘is het slechtste in twee decennia en 11,2 procentpunten hoger dan in de tweede helft van 2023, toen het 41,7 procent bedroeg’, merkt de zakenkrant op. Dit betekent dat 3,4 miljoen Argentijnen dit jaar tot armoede zijn vervallen.

  • Hoe we steden weer toegankelijk kunnen maken voor iedereen

    Hoe we steden weer toegankelijk kunnen maken voor iedereen

    Door gentrificatie dreigen steden te vervallen tot bevoorrechte eilanden te midden van zeeën van achterstand. Met het juiste beleid en de juiste investeringen kunnen we steden weer betaalbaar maken voor alle inwoners, schrijven auteurs Ian Goldin en Tom Lee-Devlin.

    Meer dan de helft van de wereldbevolking woont nu in steden. In 2050 zal dat aandeel naar verwachting oplopen tot twee derde. Dat betekent dat de drijvende krachten achter het leven in de stad nu ook de drijvende krachten achter de wereld als geheel zijn. Door de geschiedenis heen zijn steden aanjagers geweest van vooruitgang, omdat ze ons dichter bij elkaar kunnen brengen – iets wat we nu meer dan ooit nodig hebben. Veel van de grootste problemen die we vandaag de dag hebben, kunnen we oplossen door onze steden te hervormen. Maar als we geen actie ondernemen, zullen diezelfde steden de gevaren die voor ons liggen alleen maar groter maken.

    Veel van de populistische politiek die we de afgelopen jaren hebben gezien, wordt gekenmerkt door afkeer tegen wereldsteden als Londen en New York. Deze steden hebben een hoge vlucht genomen, terwijl andere steden juist met grote problemen kampten. De kloof tussen opbloeiende steden en de rest van de wereld is niet alleen gegroeid, de ongelijkheid binnen deze steden is eveneens toegenomen. De ongelijkheid in de meeste metropolen in de Verenigde Staten wordt sinds de jaren tachtig steeds groter – het snelst in grote, welvarende steden zoals New York, San Francisco en Chicago. Daar is de ongelijkheid nu veel hoger dan het landelijke gemiddelde. Hoogopgeleide kenniswerkers verdienen meer dan ooit, terwijl laagopgeleide werknemers in de dienstensector juist minder verdienen. Die kloof wordt nog eens vergroot doordat de kosten van levensonderhoud in deze steden snel stijgen.

    Deze wereldmetropolen hebben steeds meer weg van ivoren torens: de welvaart is sterk geconcentreerd in het centrum, dat wordt bediend door een uitgestrekte, achtergestelde periferie. In stadscentra is de werkgelegenheid toegenomen, de criminaliteit gedaald en zijn openbare diensten aanzienlijk beter gaan functioneren. Pakhuizen en fabrieken van Kings Cross in Londen tot Brooklyn in New York zijn omgebouwd tot luxe appartementen voor hoogopgeleide (en doorgaans witte) professionals. Voormalige arbeiderswijken zijn gerenoveerd of herontwikkeld. Ze staan nu vol met hippe cafés en kroegen, dure sportscholen en biowinkels.

    Exurb

    Deze voormalige betaalbare arbeiderswijken zijn inmiddels aanzienlijk gegentrificeerd. Voor alle duidelijkheid: de bevolkingsgroei in de binnensteden is gering in vergelijking met de suburbanisatie. Er is in feite een nieuwe bevolkingsring ontstaan: de zogenaamde ‘exurb’. De sociaaleconomische samenstelling van deze concentrische cirkels van steden is daarentegen wel veranderd. Vroeger vluchtten rijke stedelingen naar de buitenwijken, nu verhuizen ze veelal juist terug naar de stedelijke kern. De armoede verplaatst zich ondertussen steeds meer naar de buitenwijken. Journalist Alan Ehrenhalt noemt het fenomeen terecht ‘de grote omkering’.

    Stadscentra zijn weer populair en dat is te zien aan de veranderende huizenprijzen binnen de concentrische cirkels van de stad. Uit een onderzoek naar de top twintig steden in de Verenigde Staten blijkt dat er de afgelopen decennia een grote verschuiving heeft plaatsgevonden in de verhouding tussen huizenprijzen en de afstand tot het stadscentrum. De huizenprijzen stegen in 1980 naarmate een woning verder van het centrale zakendistrict af lag, maar in 2010 was dat omgekeerd. De kosten voor woningen in stedelijke centra zijn sindsdien verder gestegen: de gemiddelde huizenprijzen in de vijf binnenste stadsdelen van New York City zijn tussen begin 2010 en begin 2020 vier keer zo snel gestegen als in de rest van de metropool. Tijdens de coronapandemie nam de groei van de huizenprijzen in de voorsteden snel toe, maar die ontwikkeling is inmiddels gestagneerd, waardoor het langetermijnbeeld grotendeels ongewijzigd blijft.

    Waarom verruilen goedbetaalde professionals hun vrijstaande huis met tuin in de buitenwijken voor dichtbevolkte buurten in stedelijke centra? Er spelen veel verschillende factoren mee. Dankzij strengere regulering en de terugloop van vervuilende industrieën zijn steden in rijke landen in de laatste decennia van de twintigste eeuw steeds schoner geworden. De rivier de Theems, die door het hart van Londen stroomt, was lange tijd een bron van afgrijzen voor de inwoners van de stad. In 1858 veroorzaakte de combinatie van industrieel, menselijk en dierlijk afval en warm weer zo’n vreselijke geur dat men sprak van ‘the Great Stink’. De Theems bleef, ondanks latere pogingen om de waterkwaliteit te verbeteren, ernstig vervuild. Het Natural History Museum verklaarde de Theems in 1957 zelfs ‘praktisch gezien dood’. Maar dankzij een schoonmaak- en zuiveringsprogramma dat meerdere decennia heeft geduurd, is de rivier indrukwekkend genoeg hersteld.

    In steden als Chicago vond een vergelijkbare ontwikkeling plaats. Door verbeterde milieuregels, zoals het verbod op lood in brandstof, is de luchtkwaliteit van steden in rijke landen aanzienlijk verbeterd, hoewel er nog veel werk aan de winkel is. De luchtkwaliteit in Londen heeft een lange weg afgelegd sinds in 1952 de zogenaamde ‘great smog’ duizenden levens eiste.

    De afgelopen decennia heeft er bovendien een fundamentele verschuiving plaatsgevonden in onze leefgewoonten. Ook daardoor is het steeds wenselijker geworden om in stedelijke centra te wonen. Vanaf de jaren zestig werden stedelijke centra vooral aantrekkelijk voor mensen die niet leefden volgens gangbare burgerlijke normen. Leden van de lhbtq+-gemeenschap omarmden de binnenstad: het was een plek waar ze konden ontsnappen aan het oordeel van de middenklasse in de voorsteden. In de tweede helft van de twintigste eeuw vond er een aanzienlijke stijging plaats van het aantal immigranten. Er vormden zich in de binnensteden diasporagemeenschappen van etnische minderheden, die een contrast vormden met de overwegend witte buitenwijken. Als gevolg daarvan werden de binnensteden opvallend tolerant en open, in tegenstelling tot de buitenwijken.

    Binnensteden functioneren als een soort huwelijksmarkt

    Een nieuw ontstane, hoogopgeleide elite draagt op esthetisch vlak een bepaalde tegencultuur uit die vermengd is met de economische voordelen die de overgang naar een kenniseconomie met zich meebrengt. Voor deze groep is niet een woning met een dubbele garage in een of andere buitenwijk een teken van succes, maar een woning in een centrale stadsbuurt, omringd door creativiteit, cultuur en comfort. De levenscyclus van gentrificatie volgde de afgelopen decennia een voorspelbaar patroon: als eerste komen de kunstenaars, dan de projectontwikkelaars en daarna de hoogopgeleide kenniswerkers. Dit proces zie je overal terug, van Shoreditch in Londen tot SoHo in New York en Surry Hills in Sydney.

    Gentrificatie is niet bepaald nieuw. In de afgelopen decennia is het proces echter versneld en uitgebreid naar veel buurten die ooit betaalbare woningen boden aan mensen met lagere inkomens, waardoor grote delen van de stad voor hen onbereikbaar zijn geworden. We mogen niet toelaten dat onze steden bevoorrechte eilanden worden te midden van zeeën van achterstand. Gelukkig is met het juiste beleid en de juiste investeringen een betere, inclusievere en duurzamere toekomst mogelijk.

    De groeiende vraag naar woningen in de binnenstad hangt samen met het feit dat millennials volwassen zijn geworden. Stedelijke centra oefenen een sterke aantrekkingskracht uit op mensen die net aan het begin van hun carrière staan, de wereld willen ontdekken en nieuwe ervaringen willen opdoen. Het is de levensfase waarin iemand net (of bijna) financieel onafhankelijk is geworden, maar nog geen grote woonruimte nodig heeft om zijn gezin te huisvesten. Ongehinderd door dergelijke beperkingen trekken deze mensen naar de stad om te genieten van de opwinding die deze biedt.

    Dat proces wordt nog eens versterkt doordat binnensteden functioneren als een soort huwelijksmarkt. Zelfs in dit tijdperk van online daten zijn er maar weinig stellen die hun relatie op de lange termijn volledig virtueel houden. En hoe verder je van drukke, stedelijke centra vandaan woont, hoe kleiner de kans is om een goede match te vinden. Langzaamaan krijgen steeds meer singles een relatie en een gezin, zodat ze meer ruimte nodig hebben en te weinig tijd overhouden om te genieten van het leven in de grote stad. Het resultaat is een exodus: veel ouders met jonge kinderen trekken weg uit de stad.

    Dit cyclische patroon is duidelijk terug te zien in de netto migratiestromen in en vanuit de binnenste stadsdelen van Londen. Hoewel veel tieners na de middelbare school de stad verlaten om naar de universiteit te gaan, keren ze na hun studie terug en brengen ze nog veel meer jongvolwassenen uit het hele land met zich mee. Als gevolg hiervan verandert de netto migratie naar het centrum van Londen onder volwassenen van begin twintig van negatief naar positief. Dat aandeel blijft stijgen tot ze midden twintig zijn – daarna neemt de migratie af. Het aandeel wordt uiteindelijk weer negatief als ze kinderen krijgen en naar de buitenwijken en forensensteden vertrekken.

    Kentering

    De afgelopen twintig jaar is dat patroon echter op twee belangrijke manieren veranderd. Ten eerste is de netto migratie van volwassenen van midden twintig naar het centrum van Londen bijna verdrievoudigd. Ten tweede is de leeftijd waarop de netto migratie omslaat – waarbij er plotseling meer volwassenen vertrekken dan binnenkomen – met wel tien jaar verschoven: van 34 naar 44 jaar. De reden hiervoor ligt in de veranderende demografie. De gemiddelde huwelijksleeftijd is de afgelopen decennia aanzienlijk gestegen. Toen prins Charles en Lady Diana in 1981 trouwden, lag in het Verenigd Koninkrijk de gemiddelde leeftijd van het eerste huwelijk voor vrouwen op 22 en voor mannen op 24 jaar; toen prins Harry en Meghan Markle in 2018 trouwden, was deze leeftijd gestegen tot respectievelijk 30 en 32. In dezelfde periode is de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen in het Verenigd Koninkrijk gestegen van 27 naar 31 jaar. Jonge mensen wachten dus langer totdat ze trouwen en een gezin stichten, waardoor de stedelijke levensstijl langer aantrekkelijk blijft. In steden als Londen wordt wonen steeds minder betaalbaar, waardoor een groeiend aantal jonge mensen de stad uit wordt gedreven. Velen van hen zouden echter liever blijven.

    Deze grote kentering heeft een enorme tol geëist van veel van de meest achtergestelde groepen in de samenleving. Terwijl rijke bewoners zich in de stad vestigen, worden de oorspronkelijke, arme bewoners weggedreven. Voor mensen die toevallig een huis bezitten in een gentrificerende wijk, kan dit een financieel buitenkansje opleveren. Maar jammer genoeg zijn de meest achtergestelde bewoners in deze gebieden vaak huurders, die geconfronteerd worden met snel stijgende woonprijzen. De effecten van gentrificatie zijn minder voelbaar als de buurt in kwestie ooit voornamelijk bestond uit industrieel en commercieel vastgoed. Maar de voorraad van dergelijk vastgoed is in New York, Chicago en Londen al heel snel uitgeput geraakt. Het resultaat is een combinatie van steeds meer geconcentreerde achterstand in een klein aantal binnenstedelijke buurten – zoals de Bronx in New York of Englewood in Chicago – en een algemene trek van armere mensen naar de buitenwijken.

    Vaak komen mensen die door gentrificatie zijn verdrongen in verre buitenwijken terecht. De huizen zijn daar goedkoop, maar er is maar weinig werkgelegenheid. De reistijden naar het stadscentrum zijn slopend, vooral voor mensen die zich geen auto kunnen veroorloven en afhankelijk zijn van het openbaar vervoer. Sheila James, die in de gezondheidszorg werkt, vertelde in een interview met The New York Times dat de vastgoedprijzen in San Francisco haar zo ver buiten de stad hadden gedreven dat haar werkdag om 02:15 uur begon. Tussen 2000 en 2015 is het aantal buitenwijken in de Verenigde Staten met een armoedepercentage van meer dan 20 procent meer dan verdubbeld. De gemiddelde tijd van het woon-werkverkeer neemt in de Verenigde Staten over de hele linie toe, maar stijgt veel sneller onder zwarte en Latijns-Amerikaanse werknemers. Vroeger woonden de meest achtergestelde mensen in arme buurten in de binnensteden, maar nu zitten ze steeds vaker vast in gebieden aan de stadsrand, waar de bevolkingsdichtheid laag is.

    Dat binnensteden worden overgenomen door hoogopgeleide professionals eist duidelijk een hoge tol. Maar het is onduidelijk of het alternatief aantrekkelijker is. In de huidige economie kunnen steden alleen succesvol worden als ze erin slagen om hoogopgeleide kenniswerkers aan te trekken. Deze werknemers willen in trendy stedelijke centra wonen tot ze eind dertig zijn, en misschien zelfs nog langer. Het is geen toeval dat gentrificatie trager verloopt of nagenoeg afwezig is in minder welvarende steden zoals Detroit en Cleveland.

    Hoe kunnen we dit veranderen? Om ervoor te zorgen dat steden toegankelijk zijn voor alle inwoners, en niet alleen voor een gelukkige minderheid, zijn er drie pijlers nodig: eerlijker huisvesting, eerlijker openbaar vervoer en eerlijker onderwijs. Om met het onderwijs te beginnen is het nuttig om te kijken naar rijke landen die erin geslaagd zijn leerlingen, ongeacht hun sociaaleconomische achtergrond, relatief gelijke resultaten te laten behalen. Het Japanse onderwijssysteem staat dan misschien voornamelijk bekend om de hoge eisen die het aan leerlingen stelt, maar het is tevens een van de meest egalitaire systemen ter wereld.

    Tussen het einde van de oorlog en het begin van de jaren tachtig werden er meer dan vier miljoen sociale woningen bijgebouwd

    Het Japanse onderwijssysteem biedt een aantal waardevolle inzichten. Het eerste is dat de financiering van scholen niet langer afhankelijk moet zijn van lokale inkomensstromen. In de Verenigde Staten is bijna de helft van de financiering van scholen afkomstig van lokale overheidsinkomsten, die sterk afhankelijk zijn van de welvaart van een gebied. In Japan daarentegen is de financiering van lerarensalarissen, schoolgebouwen en andere uitgaven voornamelijk afkomstig van nationale en provinciale besturen. Het feit dat heel weinig leerlingen in het lager en lager middelbaar onderwijs in Japan naar privéscholen gaan, betekent ook dat vrijwel iedereen tijdens deze formatieve jaren deelneemt aan hetzelfde onderwijssysteem.

    Het tweede inzicht is dat leraren niet rechtstreeks door scholen moeten worden ingehuurd. In Japan worden leraren ingehuurd door provincies en daardoor komen ze in de loop van hun carrière meestal bij een aantal verschillende scholen te werken. Hierdoor kan de overheid goed presterende leraren naar achterstandsgebieden sturen. Op die manier wordt de sociaaleconomische kloof in schoolprestaties niet vergroot door ongelijke spreiding van de beste leerkrachten.

    Er bestaan veel andere ideeën over hoe we de ongelijkheid in het onderwijs kunnen verminderen – sommige zijn gemakkelijk te realiseren, andere moeilijker. Onderzoek door Roland Fryer, die aan Harvard werkt, heeft aangetoond dat de prestaties van leerlingen op openbare scholen al sterk kunnen verbeteren door schooldirecteuren simpelweg meer training aan te bieden. In Groot-Brittannië heeft de lerarenvakbond ervoor gepleit om een bepaald aantal plekken op goed presterende scholen te reserveren voor kansarme leerlingen van buiten het schoolgebied. In de Verenigde Staten bestaat er een vergelijkbaar concept: de zogenaamde ‘magneetschool’, die tot doel heeft om getalenteerde leerlingen ongeacht hun achtergrond bij elkaar te brengen. Wat voor effect dit heeft op de kansarme leerlingen die niet geselecteerd worden, is echter nog onduidelijk. Betaalbare huisvesting is misschien wel de meest effectieve manier om de verschillen in onderwijsresultaten binnen steden te verkleinen. Zo krijgen armere gezinnen toegang tot de betere scholen in rijkere buurten.

    In de eerste decennia van de twintigste eeuw kwamen er steeds meer zorgen over de levenskwaliteit van arme arbeiders, die zichzelf gedwongen zagen in overvolle en krakkemikkige woningen in binnensteden te wonen. Veel rijke landen leverden daarom grote inspanningen om dergelijke gebieden te ontruimen en de woongelegenheid te vervangen door sociale huisvesting, een proces dat in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog in een stroomversnelling raakte. Groot-Brittannië was hierin bijzonder voortvarend: tussen het einde van de oorlog en het begin van de jaren tachtig werden er meer dan vier miljoen sociale woningen bijgebouwd. Dergelijke initiatieven gingen natuurlijk gepaard met de nodige kritiek. Stedenbouwkundige Jane Jacobs hield in de jaren zestig bijvoorbeeld een krachtig pleidooi tegen de aanpak die in New York City gangbaar was: sloppenwijken werden platgewalst en vervangen door levensloze, slecht ontworpen woonprojecten die ten koste gingen van de lokale gemeenschappen.

    Toch heeft sociale huisvesting een belangrijke rol gespeeld in het verminderen van ongelijkheid in steden, doordat alle inwoners van onderdak worden voorzien. Als sociale woningen door de stad verspreid liggen, helpen ze bovendien om sociaaleconomische segregatie tegen te gaan.

    In Londen werden in de naoorlogse decennia bijvoorbeeld ook sociale woningen gebouwd in welgestelde wijken als Chelsea of Primrose Hill. Een voordeel hiervan was dat achtergestelde gezinnen toegang kregen tot dezelfde scholen en lokale diensten als hun welgestelde buren. Vanaf de jaren tachtig gold echter het neoliberale beleid van onder andere Thatcher en Reagan. Sociale huisvesting raakte in veel landen uit de gratie. Het kooprechtbeleid van Thatcher leidde er in Groot-Brittannië toe dat miljoenen woningen aan huurders werden verkocht, waardoor de staat in de daaropvolgende jaren niet langer mensen in nood kon huisvesten.

    Economen begonnen te pleiten voor een marktvriendelijker model: voor arme gezinnen moesten er directe financiële steun komen in de vorm van huisvestingsvouchers. Als gevolg hiervan nam de sociaaleconomische segregatie in veel steden toe, omdat huishoudens met lage inkomens samenklonterden in buurten waar de huren laag waren. In de afgelopen jaren heeft Groot-Brittannië geprobeerd dit probleem te verhelpen door te eisen dat nieuwe woonwijken boven een bepaalde omvang een bepaald aantal woningen onder de marktprijs aanbieden. Maar zelfs als deze woningen worden meegerekend, is het aantal sociale en goedkopere woningen in Groot-Brittannië sinds de jaren tachtig gestaag gedaald.

    Onbereikbaar

    Steden als Wenen laten zien dat het anders kan. Meer dan 60 procent van de inwoners van Wenen woont in gesubsidieerde huurwoningen – terwijl dat in Londen ongeveer 20 procent is en in New York iets meer dan 5 procent. Ongeveer de helft daarvan is eigendom van de gemeentelijke overheid, de andere helft is in het bezit van gesubsidieerde non-profitcoöperaties. De liberale bovengrens voor een huishoudinkomen om in aanmerking te komen voor gesubsidieerde huisvesting ligt relatief hoog: 53.340 euro voor een alleenstaande bewoner en 79.490 euro voor een stel. Dat betekent dat in deze woonblokken mensen uit een relatief breed sociaaleconomisch spectrum worden samengebracht.

    Door de snelle stijging van de huizenprijzen in veel grote steden is woningbezit – en de rijkdom die dat met zich meebrengt – voor veel mensen steeds onbereikbaarder geworden. De huizenprijzen in Londen, Parijs, New York en Sydney zijn de afgelopen decennia veel sneller gestegen dan het gemiddelde inkomen. Dat maakt het moeilijk om genoeg geld te sparen voor een eerste koophuis.

    Er zijn twee grote boosdoeners die ervoor zorgen dat huizen steeds minder betaalbaar worden. De eerste is dat de rentes jarenlang heel laag zijn geweest, waardoor een hypotheek tot voor kort ongewoon goedkoop was. Mensen die al over het startkapitaal voor een aanbetaling beschikten, konden daarom meer geld inleggen voor een woning, of die nu voor henzelf was of een belegging. Daardoor stegen de prijzen en werd het voor mensen zonder spaargeld moeilijker om een woning te kopen. De recente stijging van de rentetarieven heeft niet geholpen, omdat de kosten van woningkredieten meer zijn gestegen dan de huizenprijzen zijn gedaald. 

    De tweede boosdoener is de langetermijnvertraging in de bouw van nieuwe huizen. Als we de veranderde bevolkingsgrootte in ogenschouw nemen, bouwen rijke landen nu minder dan de helft van het aantal huizen dat ze in 1970 bouwden. Het probleem is vooral nijpend in binnensteden, waar het woningaanbod de afgelopen decennia nauwelijks is gegroeid en de bouwactiviteit vooral is gericht op het opknappen van de al bestaande voorraad. Tussen 2010 en 2019 steeg het totale aantal woningen in de vijf stadsdelen van New York City met slechts 6 procent, terwijl de werkgelegenheid met 21 procent toenam.

    Steden moeten stoppen met uitdijen aan de randen en in plaats daarvan de dichtheid verhogen. Dit hoeft geen eindeloze hoogbouw en vernietiging van erfgoed te betekenen – er kan veel bereikt worden door gebruik te maken van middelhoogbouw en door voormalige kantoren en industriële ruimtes sneller te verbouwen. Aangezien de bevolking in rijke landen vergrijst en jongeren langer alleen wonen, kan het ook helpen om eengezinswoningen sneller op te splitsen in eenpersoonswoningen.

    De laatste pijler voor eerlijkere steden is eerlijker openbaar vervoer. Toegang tot goedkoop vervoer is lange tijd van essentieel belang geweest om de kansarme inwoners van steden toegang te geven tot betaald werk. Toch zijn de bestaande openbaarvervoersystemen in veel grote steden meer dan een eeuw geleden ontworpen en gebouwd, in een tijd waarin armoede heel anders verdeeld was. Naarmate de binnensteden meer gegentrificeerd raken en de armoede zich naar de buitenwijken verplaatst, bestaat het risico dat de infrastructuur in veel steden uiteindelijk de bewoners bedient die haar het minst nodig hebben. De kosten van een maandabonnement zijn in Londen bijvoorbeeld het hoogst voor mensen die van de buitenwijken naar de binnenstad moeten pendelen, terwijl de armoede juist in deze gebieden het snelst toeneemt.

    Ook moet worden nagedacht over hoe het openbaar vervoer gefinancierd wordt. In Londen is meer dan 70 procent van de inkomsten uit het openbaar vervoer afkomstig van kaartjes, twee keer zo veel als in Parijs. Een maandabonnement in Londen voor de zones een tot en met drie – min of meer de binnenste wijken – kost op het moment van schrijven 211 euro. In Parijs kost een metrokaart voor alle zones – waarmee eenzelfde afstand kan worden afgelegd – 84 euro.

    De voorspelling dat binnensteden op grote schaal verlaten zouden worden, is niet uitgekomen

    Een vervoerssysteem zoals dat van Londen, dat meer afhankelijk is van ticketinkomsten dan van algemene belastingen, legt een grotere financiële druk op de armste inwoners van de stad en vergroot het risico dat ze vast komen te zitten in problematischer buurten. Toch is het Londense systeem, ondanks al zijn gebreken, veel beter dan de infrastructuur in Amerikaanse steden als Los Angeles of Atlanta, die volledig is gericht op autorijden. Het gebrek aan openbaar vervoer houdt de inwoners aldaar die zich geen auto kunnen veroorloven arm.

    Door de pandemie zijn steeds meer mensen op afstand gaan werken. Drie jaar later hebben we een duidelijker beeld van wat voor invloed dat op steden heeft gehad. De voorspelling dat binnensteden op grote schaal verlaten zouden worden, is niet uitgekomen: bewoners hechten waarde aan meer dan alleen reistijd. Toch eist de daling van het woon-werkverkeer in de centrale zakenwijken een grote tol: kantoren staan leeg, het openbaar vervoer is onderbenut en de winkels en restaurants die forenzen bedienden, hebben moeite te overleven. De verpaupering van het centrum van San Francisco illustreert dergelijke risico’s. Het langdurig daklozenprobleem waaronder de stad gebukt gaat, wordt verergerd door onbetaalbare huisvesting. Het is tijd voor gedurfd beleid, gebaseerd op een verfrissende, nieuwe aanpak.

    Steden zijn in alle samenlevingen een bron van vernieuwing. Al vijfduizend jaar vormen ze de motor van vooruitgang en stimuleren ze samenwerking, specialisatie en creativiteit: de drijvende krachten achter de ontwikkeling van de mensheid. Vandaag leven er meer mensen in steden dan ooit tevoren. Het is noodzakelijk dat we leren hoe we steden kunnen verduurzamen en toegankelijk kunnen maken voor iedereen, en niet alleen voor die paar gelukkigen.

    Dit is een bewerkt uittreksel uit Age of the City: Why Our Future Will Be Won or Lost Together door Ian Goldin en Tom Lee-Devlin.

  • Waarom leggen Peruaanse demonstranten al twee maanden het land plat?

    Waarom leggen Peruaanse demonstranten al twee maanden het land plat?

    Elke week pluist de redactie van 360 een actuele gebeurtenis voor je uit aan de hand van de internationale pers. Deze week gaan we dieper in op de aanhoudende protesten in Peru, die de grote kloof tussen hoofdstad Lima en de regio blootleggen.

    Hoe zijn de protesten ontstaan?

    De afgelopen weken is de instabiele situatie in Peru steeds verder uit de hand gelopen, schrijft Americas Quarterly. De protesten sinds de afzetting van toenmalig president Pedro Castillo, na zijn mislukte poging om het Congres op 7 december 2022 te ontbinden, zijn geëscaleerd. ‘Achter de onrust en repressie schuilt de kloof tussen de politieke elite in Lima en de publieke opinie in de meer inheemse, landelijke en arme regio’s van het land. De grote onenigheden bieden bovendien kansen aan potentiële autoritaire leiders’, analyseert het tijdschrift.

    Castillo is gearresteerd en wordt vastgehouden in een voorarrest van achttien maanden. Zijn besluit om het Peruaanse parlement te ontbinden werd gezien als poging tot een staatsgreep. De ex-president was verwikkeld in meerdere corruptieonderzoeken en probeerde het Congres illegaal te ontbinden in de aanloop naar een geplande afzettingsstemming. ‘Zijn afzetting vormde de genadeklap in een jarenlange botsing tussen de uitvoerende en wetgevende macht van Peru’, aldus Reuters.

    Dina Boluarte, die na de afzetting van Castillo de eerste vrouwelijke president in de geschiedenis van Peru werd, verklaarde al snel dat zij in functie wilde blijven tot het einde van de ambtstermijn van haar voorganger in 2026. Aanhangers van Castillo beschouwden die wens als verraad. Boluarte had immers als vicepresident altijd volgehouden dat als Castillo zou worden afgezet, zij ook zou vertrekken.

    Het Congres, de meest impopulaire staatsmacht van Peru, aldus AQ, steunde Boluarte, in de hoop langer in functie te blijven en een dure campagne uit te stellen. Inmiddels zijn de verkiezingen vervroegd naar april 2024.

    Dina Boluarte
    De Peruaanse president Dina Boluarte liet op 13 januari in een boodschap aan het land weten dat ze niet denkt aan aftreden. – © Martin Mejia/ AP Photo

    De achterban van Castillo, voornamelijk campesinos (landarbeiders) uit het armere zuiden en de Andes-regio, gaat sindsdien de straat op uit onvrede met de afzetting van de voormalige vakbondsleider én met het langere aanblijven van Dina Boluarte. De protesten worden door Lima met harde hand aangepakt. Bij de demonstraties zijn, volgens cijfers van 5 februari, al negenenzestig mensen omgekomen, rapporteert onlinekrant Infobae.

    De protesten vinden in het hele land plaats, maar het lang gemarginaliseerde, linkse zuiden van Peru is het epicentrum en ook de plaats van het ergste geweld.

    De afgelopen twee maanden van politieke onrust hebben volgens Vox de volgende situatie opgeleverd: ‘demonstranten die gebouwen in brand steken, snelwegen, luchthavens en mijnen plat leggen en te maken krijgen met het gewelddadige optreden van de politie; tientallen doden en nog meer gewonden; en een vastgeroeste politieke klasse die blijkbaar niet bereid of in staat is om in te gaan op de politieke en economische eisen van het Peruaanse volk’.

    In plaats daarvan bevindt Peru zich in een lelijke impasse, schrijft The New York Times, waarbij de regering de demonstranten blijft afschilderen als ‘pionnen van drugshandelaren, illegale mijnwerkers en terroristische groeperingen die chaos willen zaaien’, aldus president Boluarte.

    Wat willen de demonstranten?

    De demonstranten hebben vier duidelijke eisen gesteld: het aftreden van president Dina Boluarte, de ontbinding van het Congres, nieuwe verkiezingen dit jaar en een referendum voor het opstellen van een nieuwe grondwet.

    Gouverneurs in de zuidelijke regio’s in Ayacucho, Arequipa, Puno, Cusco en Apurímac eisen eveneens het aftreden van Boluarte. Veel toegangswegen naar steden in die regio’s, zoals Cuzco en de nabijgelegen toeristische attractie Machu Picchu, worden geblokkeerd door demonstranten. Net als veel regionale luchthavens.

    ‘In Ayacucho, waarde moorden door terroristen [van de communistische guerrillagroep Lichtend Pad] en militairen in de jaren tachtig nog vers in het collectieve geheugen liggen, waren zeven doden door toedoen van militairen op 15 december bijzonder bitter nieuws’, schrijft Americas Quarterly.

    ANP 460408801 1
    Politieagenten bewaken de toegang tot de het vliegveld van Juliaca, in het zuiden van Peru. – © Aldair Mejia / EPA

    Terwijl in vorige Peruaanse regeringen – bijvoorbeeld in 2002 en 2009 – de dood van demonstranten aanleiding gaf tot het aftreden van het kabinet, is dat tot nu toe niet gebeurd. Het Congres lijkt niet bereid terug te krabbelen en algemene verkiezingen te vervroegen in een poging de sociale onrust te verkleinen.

    Sinds Boluarte aan de macht is heeft ze in sommige steden een avondklok ingesteld en een aantal andere burgerlijke vrijheden, zoals het recht op vergadering en vrij verkeer, opgeschort in verband met de aanhoudende onrust. Nu de situatie is geëscaleerd, zeggen sommige Latijns-Amerikaanse politieke leiders en Amnesty International dat Boluarte en de Peruaanse politie hun boekje te buiten zijn gegaan.

    Het gebruik van buitensporig geweld tegen demonstranten heeft de woede tegen de regering van Boluarte aangewakkerd. Mensenrechtengroeperingen beschuldigen de autoriteiten ervan vuurwapens te gebruiken tegen demonstranten en rookbommen te laten vallen vanuit helikopters. Volgens het leger hebben demonstranten wapens en zelfgemaakte explosieven gebruikt, bericht Reuters.

    Het Openbaar Ministerie van Peru zei op 10 januari een onderzoek in te stellen naar Boluarte en leden van haar kabinet op beschuldiging van ‘genocide, moord met voorbedachten rade en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel’ tijdens de protesten.

    Wat zijn de achterliggende oorzaken van de politieke onrust?

    ‘Wat begon als verontwaardiging en verdriet rond de arrestatie van Castillo en de benoeming van zijn vicepresident, Dina Boluarte, tot president, is uitgemond in grootschalige protesten in het Zuid-Amerikaanse land. De onrust weerspiegelt het gebrek aan politieke vertegenwoordiging dat veel Peruanen, vooral buiten de hoofdstad Lima, al tientallen jaren voelen’, schrijft Vox.

    ‘Dat gebrek aan vertegenwoordiging is de afgelopen jaren nog eens verergerd door de economische gevolgen van de pandemie en het gebrek aan toegang tot basisvoorzieningen zoals gezondheidszorg en kwaliteitsonderwijs. Nu is de situatie tot een kookpunt gekomen’, aldus de nieuwssite.

    Deze onrust in het zuiden van Peru heeft diepe wortels. De grotendeels inheemse inwoners staan al eeuwen op gespannen voet met de mestizo en witte bevolking van de hoofdstad, die lange tijd de nationale politiek heeft gedomineerd, aldus Reuters. Hoewel de armoede de afgelopen decennia is afgenomen, blijft er een kloof in levensstandaard bestaan tussen de regio en de hoofdstad. Ondanks de plaatselijke rijkdom aan koper en gas in het zuiden, is de levensverwachting er nog altijd lager dan in Lima, mede door een hogere kindersterfte. 

    ‘De instabiliteit in Peru neemt toe, en ondertussen blijft de politiek verdeeld’, schrijft AQ. Het land zit al enige tijd zonder functionerende politieke partijen, maar de situatie is nog erger geworden. ‘Het ontbreekt Peru niet alleen aan partijen, maar ook aan geloofwaardige politici die effectief kunnen regeren, het volk achter zich kunnen krijgen en bruggen kunnen slaan’, aldus het tijdschrift.

    ANP 459334853
    Een demonstrant in Lima probeert te ontkomen van de traangasgranaten. – © Aldair Mejía / EPA

    Peru heeft een moeilijke politieke periode achter de rug, met meerdere presidenten die de afgelopen jaren uit hun ambt zijn gezet. In 2020 had het land binnen vijf dagen drie presidenten.

    De pandemie heeft aangetoond hoe slecht Peru in staat is om zijn burgers te helpen in tijden van nood, en miljoenen Peruanen verdienen de kost met informeel werk of in de illegale mijnbouw en smokkel. De politieke eisen van deze gemarginaliseerde burgers komen tot uiting in hun steun aan populistische figuren als Pedro Castillo, aldus AQ.

    Castillo begon zijn carrière in de politiek als vakbondsleider. In 2021 werd hij tot president gekozen. Als ‘man uit de arme Andesregio Cajamarca en politiek buitenstaander in de besloten wereld van de politieke elite van Lima’, zoals Vox de afgezette president typeert, bood hij hoop aan arme, landelijke en inheemse Peruanen. Zij verwachtten dat de nieuwe president hen beter zou kunnen vertegenwoordigen en de heersende elites het hoofd zou kunnen bieden, schrijft Reuters.

    Zullen de demonstraties tot politieke veranderingen leiden?

    Na twee maanden van chaos belandt Peru in een spiraal van onbestuurbaarheid. In de jaren negentig kon er te midden van politieke onrust een autoritaire leider opstaan, Alberto Fujimori, met de belofte de orde te herstellen. Wat als er opnieuw een verlangen ontstaat naar een autoritair figuur, vraagt Americas Quarterly zich af.

    ‘De regering van Boluarte laat zien dat er in Lima en onder het establishment van Peru behoefte is aan een beleid met ijzeren vuist. Wat nog moet worden afgewacht is of er een competente, autoritaire figuur zal opstaan die van de situatie zal profiteren’, aldus het kwartaalblad.

    De woede onder de demonstranten gaat nu dieper dan onvrede over wie het land bestuurt. ‘Er is diepgaande frustratie over de jonge democratie in Peru’, schrijft The New York Times. Aanvankelijk streefden de demonstranten vooral naar machtsherstel voor Castillo of naar vervroegde nieuwe verkiezingen. Nu willen ze iets veel groters: een nieuwe grondwet.

    ANP 462137397
    Een vrouw houdt een bord vast met de tekst ‘Wij zijn geen terroristen’ tijdens een demonstratie tegen de regering van de Peruaanse president Dina Boluarte. – © Cris Bouroncle / AFP

    De demonstranten vinden dat het huidige systeem van corruptie, straffeloosheid en wanbeheer te wijten is aan de grondwet uit het Fujimori-tijdperk. Zijn autoritaire bewind zorgde ervoor dat het land in de jaren negentig in rap tempo een neoliberale transformatie onderging.

    De protesten in Chili van 2019, waarmee The Economist de huidige protesten in Peru vergelijkt, hebben inderdaad geleid tot een nieuw verkozen orgaan dat de taak kreeg een nieuwe grondwet op te stellen. Alleen werd deze vorig jaar per referendum weggestemd door het Chileense volk.

    Tot nu toe lijkt het niet waarschijnlijk dat Peru een nieuwe grondwet zal krijgen. Ondanks de roep om nieuwe verkiezingen heeft het Congres van Peru herhaaldelijk het voorstel verworpen om deze te verplaatsen naar december 2023. Op dit moment is er ‘geen zicht op een politiek compromis – en evenmin op een einde aan het geweld’, meent Vox.

    De grote verliezer van deze politieke impasse is ‘een samenleving die in minder dan zestig dagen negenenzestig levens heeft verloren en die dringend behoefte heeft aan duidelijke antwoorden van de politiek om het land op een vreedzaam en democratisch pad te brengen’, aldus Infobae.

  • Inflatie in Argentinië op hoogste punt in dertig jaar

    Inflatie in Argentinië op hoogste punt in dertig jaar

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Onderzoek naar president Biden na vondst documenten

    » Grote hoeveelheid zeldzame aardmetalen gevonden in Zweden

    Binnen een jaar stegen de prijzen met 95 procent

    De inflatie in Argentinië heeft vorige maand een absolute piek van 95 procent bereikt. Dat meldt het Argentijnse Clarín op basis van regeringsgegevens. Het is voor het eerst in dertig jaar dat de inflatie in het Zuid-Amerikaanse land zo hoog is. Voor veel Argentijnen wordt het steeds moeilijker om rond te komen door de economische crisis in het land.

    De inflatie van 95 procent is in vergelijking met de prijzen een jaar eerder. Ondanks steunplannen van de overheid blijft economische groei uit en blijft de koopkracht afnemen. Ondertussen verhogen veel winkeliers de prijzen van hun producten om zelf het hoofd boven water te houden, waardoor er een vicieuze cirkel ontstaat die de inflatie verder omhoogdrijft.

    Omdat er momenteel een tekort is aan buitenlandse valuta in Argentinië, verwachten experts dat de komende maanden de inflatie nog zal blijven stijgen. Ook het bestaan van parallelle markten, bijvoorbeeld via voordelige koersen van geldwisselkantoor Western Union, zorgt ervoor dat ingrepen van de Centrale Bank van Argentinië, maar zelden effect hebben.

    Lees ook:

  • VN: extreme armoede in Latijns-Amerika gestegen als gevolg van corona

    VN: extreme armoede in Latijns-Amerika gestegen als gevolg van corona

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Europese Commissie gaat Polen korten wegens onbetaalde boete

    » Macron, Scholz en Duda zetten zich samen in om ‘een oorlog in Europa te voorkomen’

    Latijns-Amerika nog kwetsbaarder

    Het aantal inwoners dat in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied in extreme armoede leeft is tussen 2020 en 2021 met ongeveer 5 miljoen mensen is gestegen, meldt de Economische Commissie voor deze gebieden (ECLAC) in haar jaarverslag Social Panorama of Latin America, gepubliceerd door MercoPress. De VN-organisatie pleit voor een steviger stelsel van sociale zekerheid voor deze kwetsbare groep mensen.

    De pandemie woedt nog steeds en Latijns-Amerika en het Caribisch gebied vormen ’s werelds meest kwetsbare regio. Door de langdurige gezondheids- en sociale crisis als gevolg van corona, steeg het extreme armoedecijfer in Latijns-Amerika van 13,1 procent van de bevolking in 2020 naar 13,8 procent in 2021.

    Lees ook:

  • Thomas Piketty: ‘Voer een progressieve erfbelasting in’

    Thomas Piketty: ‘Voer een progressieve erfbelasting in’

    Bij de aanpak van klimaatverandering moet rekening worden gehouden met economische, sociale én genderongelijkheid, schrijft Thomas Piketty naar aanleiding van het Wereld Ongelijkheidsrapport 2022. Hij doet alvast een voorstel: ‘Op zijn minst zouden de fiscale cadeautjes aan de meest vermogenden moeten stoppen.’

    Wat leert ons het nieuwe Wereld Ongelijkheidsrapport 2022 van Oxfam Novib, dat deze week is gepubliceerd? Deze vrucht van de samenwerking van een honderdtal onderzoekers uit alle continenten die om de vier jaar verschijnt, geeft inzicht in de grote ongelijkheidsbreuklijnen op de wereld. Naast de inmiddels welbekende constatering dat de inkomensongelijkheid de afgelopen decennia is gestegen, zijn er drie belangrijke noviteiten aan te wijzen, die betrekking hebben op de ongelijkheid qua vermogensverdeling, gender en klimaat.

    Laten we beginnen met de vermogensverdeling. Dankzij het voorwerk van Luis Bauluz, Thomas Blanchet en Clara Martínez-Toledano hebben de onderzoekers systematische gegevens kunnen verzamelen die het mogelijk maken de vermogensverdeling in alle landen wereldwijd te vergelijken, van de laagste tot de hoogste inkomensklasse. De algehele conclusie is dat de hyperconcentratie van vermogen, die tijdens de pandemie nog eens is verergerd, voor alle regio’s van de wereld geldt. Wereldwijd bezat de armste 50 procent in 2020 amper 2 procent van het totale privé-eigendom (onroerend goed, beroepsactiva en financiële vaste activa, na aftrek van schulden) terwijl de rijkste 10 procent 76 procent van het totaal bezat.

    Latijns-Amerika en het Midden-Oosten spannen qua ongelijkheid de kroon, gevolgd door Rusland en Sub-Saharaans Afrika, waar de armste 50 procent amper 1 procent bezit van alles wat er te bezitten valt, terwijl de rijkste 10 procent tegen de 80 procent aan schurkt. In Europa is de situatie wat minder extreem, maar is er ook geen reden om de vlag uit te steken: de armste 50 procent bezit 4 procent van het totaal, tegen 58 procent voor de rijkste 10 procent.

    Rijkdom verdelen

    Tegen deze constatering kun je op verschillende manieren aankijken. Je kunt geduldig wachten tot groei en marktwerking de rijkdom verdelen. Maar aangezien meer dan twee eeuwen na de industriële revolutie het deel dat in bezit is van de armste 50 procent in Europa nauwelijks 4 procent bedraagt en in de Verenigde Staten 2 procent, moet je daarvoor waarschijnlijk wel erg geduldig zijn. Je kunt ook zeggen dat de huidige situatie de best mogelijke is en dat iedere poging om de rijkdom te verdelen economisch riskant zou zijn. Een weinig overtuigend argument. In Europa bedroeg het deel dat in bezit was van de rijkste 10 procent tot 1914 80 à 90 procent van het totale vermogen. Dat is in ruim een eeuw gedaald tot minder dan 60 procent, voornamelijk dankzij de 40 procent van de bevolking die tussen de rijkste 10 procent en de armste 50 procent in zit. Deze middenklasse is in staat geweest woningen te kopen en bedrijven te beginnen, wat een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de welvaart in de periode tussen het einde van de Tweede Wereldoorlog in 1945 en de oliecrisis in 1973.

    Lees ook:

    Wat kun je doen om deze langzame ontwikkeling in de richting van gelijkheid, die historisch gezien onlosmakelijk verbonden is met een evolutie naar een grotere welvaart, te laten voortduren? Idealiter zou je een herverdeling van het erfgoed moeten overwegen. Op zijn minst zouden de fiscale cadeautjes aan de meest vermogenden moeten stoppen en moet er werk worden gemaakt van een herziening van de grondbelasting, die erg zwaar en onrechtvaardig is voor mensen die hun eerste schreden op de weg naar bezit zetten. Deze belasting zou je moeten omvormen tot een progressieve belasting op het nettovermogen.

    Vrouwen hebben minder toegang tot dezelfde banen en arbeidsuren als mannen

    De tweede les van het Wereld Ongelijkheidsrapport 2022 heeft betrekking op de genderongelijkheid. Dankzij de door Theresa Neef en Anne-Sophie Robillard verzamelde gegevens kunnen we nu meten hoe het aandeel van vrouwen in het totale arbeidsinkomen zich wereldwijd heeft ontwikkeld. We kunnen eruit opmaken hoe groot de ongelijkheid tussen man en vrouw nog altijd is: wereldwijd toucheerden vrouwen in 2020 amper 35 procent van het totale arbeidsinkomen, en mannen dus 65 procent. In 1990 was het aandeel van vrouwen 31 procent en in 2000 33 procent. We zien dus enige vooruitgang, maar het gaat uiterst langzaam. In Europa bedroeg het aandeel van vrouwen in 2020 38 procent, dus bij lange na niet de helft.

    Deze indicator geeft een minder rooskleurig maar juister beeld van de werkelijkheid dan een vergelijking per functie. Hij legt genadeloos bloot dat vrouwen minder toegang hebben tot dezelfde banen en arbeidsuren als mannen, met name vanwege voortdurende vooroordelen en discriminatie en de geringe inspanningen die overheden zich getroosten om banen waarin vrouwen het sterkst vertegenwoordigd zijn (met name in de zorg, de detailhandel en de schoonmaakbranche) beter te structureren. De geringe vooruitgang die de afgelopen decennia wereldwijd is geboekt, weerspiegelt bovendien het groeiende aandeel zeer hoge salarissen – die voor het overgrote deel door mannen worden verdiend – in de totale loonsom. In bepaalde regio’s, zoals China, valt zelfs een verlaging te constateren van het aandeel van vrouwen in het totale arbeidsinkomen. Deze gegevens roepen om veel voortvarender maatregelen dan tot dusver zijn genomen.

    We kunnen constateren dat de armste 50 procent vrijwel overal verantwoordelijk is voor een relatief redelijk uitstootniveau

    De derde noviteit van het Rapport heeft betrekking op de ongelijkheid op klimaatgebied. Maar al te vaak beperkt het klimaatdebat zich tot een vergelijking van de gemiddelde CO2-uitstoot per land en de ontwikkeling daarvan in de loop der tijd. Dankzij het werk van Lucas Chancel beschikken we nu over gegevens over de verdeling van de uitstoot binnen individuele landen en de verschillende regio’s van de wereld. We kunnen constateren dat de armste 50 procent vrijwel overal verantwoordelijk is voor een relatief redelijk uitstootniveau, in Europa bijvoorbeeld van 5 ton per inwoner. Over eenzelfde periode gemeten bedraagt de gemiddelde uitstoot van de rijkste 10 procent 29 ton, en die van de allerrijkste 1 procent 89 ton. De conclusie spreekt voor zich: het klimaatprobleem wordt niet opgelost als we iedereen over één kam scheren. Om de sociale en klimatologische gevaren die haar ondermijnen het hoofd te bieden, zal de planeet meer dan ooit rekening moeten houden met de vele ongelijkheidsbreuklijnen die haar doorkruisen.

    Lees ook:

  • Pandemie leidt tot meer armoede wereldwijd door hogere zorgkosten

    Pandemie leidt tot meer armoede wereldwijd door hogere zorgkosten

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Zuid-Korea: Ex-president Park Geun-hye krijgt gratie

    » Catalonië voert avondklok in vanwege omikron

    In 2020 belandde een half miljard mensen in extreme armoede

    Wereldwijd geraakten vorig jaar een half miljard mensen verder in extreme armoede vanwege de kosten voor gezondheidszorg. De pandemie zal de komende tijd de zaken nog erger maken, zo verwachten de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de Wereldbank. Volgens een gezamenlijke verklaring verstoorde de pandemie de gezondheidszorg wereldwijd en veroorzaakte de ergste economische crisis sinds de jaren dertig, waardoor het voor veel mensen nog moeilijker werd om voor gezondheidszorg te betalen, schrijft Reuters.

    ‘Regeringen moeten onmiddellijk hun inspanningen hervatten en versnellen om ervoor te zorgen dat al hun burgers toegang hebben tot gezondheidszorg zonder angst voor de financiële gevolgen,’ zei WHO-directeur-generaal Tedros Adhanom Ghebreyesus. Tedros drong er bij regeringen op aan om te blijven streven naar universele dekking van de gezondheidszorg. Wereldwijd heeft de pandemie de leefomstandigheden voor veel mensen verergerd. Zo is de vaccinatiegraad voor het eerst in tien jaar gedaald, waardoor het aantal sterfgevallen als gevolg van tuberculose en malaria toenam.

    Lees ook:

  • Na jaren van oorlog en geweld telt Irak vijf miljoen wezen

    Na jaren van oorlog en geweld telt Irak vijf miljoen wezen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Embryo gevonden in Chinees fossiel van dinosaurus-ei gelinkt aan vogels

    » Israël begint met vierde prik om omikron te stoppen

    Vijf procent van het wereldwijde aantal wezen woont in Irak

    In Irak bevinden zich vijf miljoen wezen. Dat aantal staat gelijk aan 5 procent van alle wezen wereldwijd. Bijna hetzelfde aantal jongeren leeft in armoede in het land. Dit blijkt uit gegevens die zijn gepubliceerd in een nieuw rapport van de Iraakse Hoge Commissie voor de Mensenrechten, bericht Middle East Eye.

    Het aantal vermiste burgers sinds 2014, het jaar waarin Islamitische Staat zijn offensief in het land begon, is opgelopen tot achtduizend.

    Lees meer:

  • VK neemt 20.000 Afghaanse vluchtelingen op | Armoede in Mexico neemt toe

    VK neemt 20.000 Afghaanse vluchtelingen op | Armoede in Mexico neemt toe

    Verenigd Koninkrijk neemt 20.000 Afghaanse vluchtelingen op

    De Britse regering kondigde dinsdag een regeling aan om ‘op lange termijn’ 20.000 Afghaanse vluchtelingen op te nemen, waarvan 5000 in het eerste jaar. In een interview met The Telegraph drong de Britse minister van Binnenlandse Zaken, Priti Patel, er bij Europa op aan om ook Afghanen op te nemen die hun land ontvluchtten nadat de taliban de macht hadden gegrepen, waarbij zij betoogde dat het Verenigd Koninkrijk niet ‘alleen kon optreden’.

    Macron waarschuwde maandag tegen ‘ongecontroleerde migratiestromen’ uit Afghanistan

    Het conservatieve dagblad brengt in herinnering dat in Frankrijk president Emmanuel Macron maandag waarschuwde voor ‘ongecontroleerde migratiestromen’ uit Afghanistan en verklaarde dat Parijs, Berlijn en andere Europese hoofdsteden werkten aan een gecoördineerde reactie.

    Lees ook:


    De armoede in Mexico is toegenomen

    Eind vorig jaar leefde bijna 44 procent van de 126 miljoen Mexicanen in armoede, zo blijkt uit officiële gegevens van de overheid. Vorig jaar duikelden 3,8 miljoen Mexicanen onder de officiële armoedegrens en daarmee kwam het totaal op 56 miljoen armen, bericht MercoPress.

    De armoedegrens in Mexico is bepaald op 111 dollar (94,50 euro) per maand voor plattelandsbewoners en 170 dollar (145 euro) voor stedelingen. De kwalificatie ‘extreme armoede’ geldt voor degenen die onvoldoende verdienen om een maandelijkse basishoeveelheid voedsel te kunnen kopen ter waarde van 63 dollar in plattelandsgebieden en 88 dollar in steden. Extreme armoede groeide vorig jaar van 7 procent tot 8,5 procent en treft nu bijna 11 miljoen Mexicanen.


    Bacon-donateur is boos op museum

    Barry Joule, klusjesman en voormalige vriend van de wereldberoemde Britse kunstenaar Francis Bacon (1909-1992), schonk een archief van de kunstenaar aan de Tate Gallery, maar dreigt de gift terug te trekken omdat het museum de werken volgens hem niet prominent genoeg exposeert, schrijft kunstsite ArtForum.

    Joule suggereert dat zijn donatie misschien beter wordt gewaardeerd in Frankrijk

    Joule, die Bacon aan het eind van de jaren zeventig leerde kennen, schonk in 2004 ruim 1200 schetsen, foto’s en documenten met een geschatte waarde van bijna 24 miljoen euro. Volgens Joule slaat de Tate de werken slechts op en hij suggereert dat zijn donatie misschien beter wordt gewaardeerd in Frankrijk.

    Tate zegt zich aan het schenkingscontract te houden en daarmee aan de plicht de werken te catalogiseren en te exposeren. Sinds 2004 is de collectie publiekelijk toegankelijk in het archief en items werden in 2019 tentoongesteld in Tate Britain, hoewel ze in 2008 ontbraken op de grote Bacon-tentoonstelling. Joule zegt juridische stappen te zullen ondernemen ‘als er geen bevredigende conclusie wordt bereikt in oktober 2021’.

  • De Iraakse jeugd eist verandering. ‘Niemand vertegenwoordigt ons’

    De Iraakse jeugd eist verandering. ‘Niemand vertegenwoordigt ons’

    De jonge betogers in het olierijke Irak zijn na de val van Saddam Hoessein opgegroeid met corruptie en parlementsleden die hun privileges misbruiken. Religieuze partijen domineren de politiek en veel burgers leven in grote armoede.

    Dossier De straat op

    Overal ter wereld zijn gefrustreerde burgers de afgelopen jaren straat op gegaan om hun politieke of economische eisen kracht bij te zetten. In de meeste landen is men woedend over de ongelijkheid en de schaamteloze corruptie van de politieke klasse, terwijl met name de jongere generatie met moeite het hoofd boven water kan houden. De coronapandemie heeft de sociale tegenstellingen – maar ook de urgentie om hier iets aan te veranderen – alleen maar vergroot.

    Dit artikel verscheen eerder op 14 november 2019 in nummer 169 van 360 Magazine.

    In het Al-Ummapark in het centrum van Bagdad, het ‘park van de natie’, discussieert een groepje mannen en twee vrouwen onder oude eucalyptusbomen over de beste manier om de eisen tot uitdrukking te brengen van de betogers die deze maand met duizenden de straat op gaan in de steden van Irak.

    ‘Legertrucks verbranden zal ons niet helpen, dat helpt alleen de regering om ons van vandalisme te beschuldigen,’ zegt een jongeman. ‘Als ik jou een raketwerper geef en je schiet dat gebouw in brand, in hoeverre zijn onze eisen daar dan bij gebaat?’

    Een andere man roept op tot omverwerping van de regering. Terwijl er zich een groepje luisteraars om hem heen verzamelt, roept iemand: ‘Wie heeft jou woordvoerder gemaakt?’

    Dit spoort de rest van de menigte ertoe aan los te barsten in de slogans ‘Niemand vertegenwoordigt ons!’ en ‘Weg met Iran!’, als protest tegen de regerende islamitische partijen in Irak en hun Iraanse helpers.

    ​Che Guevara-baretten

    Het karakter van de discussie is, net als de demonstraties die buiten het park plaatsvinden, chaotisch, onbesuisd en stuurloos. De meeste deelnemers zijn in de twintig, maar er staan ook twee oude communisten bij met Che Guevara-baretten.

    Uiteindelijk is de menigte het eens over een lijst eisen, die vanaf de trap van het Vrijheidsmonument van de stad wordt voorgelezen door een jongeman met een baard en een bril: ‘Aftreden van de regering, nieuwe verkiezingen, verandering van de kieswet en – het allerbelangrijkste – berechting van alle overheidsfunctionarissen.’

    De menigte juicht, mobieltjes worden in de lucht gestoken en er wordt opgeroepen tot een demonstratie op het Tahrirplein.

    De laatste protestgolf in Irak brak los op 1 oktober [2019] na een demonstratieoproep op Facebook. Directe aanleiding was het ontslag van een populaire generaal die zich had onderscheiden in de oorlog tegen Islamitische Staat, maar de betogingen werden ook gemotiveerd door een diepere onderstroom van woede jegens een corrupte religieuze oligarchie, een verrot bureaucratisch systeem en het onvermogen van de Iraakse premier Adel Abdul-Mahdi om na een jaar regeren ook maar één van zijn campagnebeloftes in te lossen.

    Ik heb bij de Hashd gevochten, ik ben zelfs in Syrië gaan vechten, maar wat krijg ik van deze regering?

    Voor een jonge generatie die is opgegroeid in de zestien jaar na de val van Saddam Hoessein zijn verkiezingen en representatieve democratie synoniem geworden met corruptie en parlementsleden die hun privileges misbruiken. Religieuze partijen, veelal gesteund door Iran, domineren het politieke landschap en hoewel het olierijke Irak honderden miljarden dollars per jaar binnenkrijgt, leven veel burgers in omstandigheden die vergelijkbaar zijn met die in een straatarm Afrikaans land: werkloosheid, een instortende gezondheidszorg en een gebrek aan publieke dienstverlening.

    Toen de betogingen op 5 oktober op stoom kwamen, balanceerde Bagdad op het randje. Een tiener in een geel T-shirt, een korte broek en teenslippers liep langzaam onder een viaduct door op een kilometer van het Tahrirplein terwijl een politieagent hem zwaaiend met zijn kalasjnikov probeerde weg te jagen. Dunne zwarte rookpluimen kronkelden hemelwaarts en een menigte tieners en jongemannen begon op te rukken in de richting van het plein.

    De politie, die toezicht hield, schoot in de lucht maar de menigte trok verder, zwaaiend met Iraakse en sjiitische vlaggen. Autobanden werden in brand gestoken, terwijl geweervuur onafgebroken begon te ratelen en het geluid van afgevuurde traangasgranaten allengs toenam; wit gas vermengde zich met de zwarte dampen van brandend rubber.

    Te midden van het bloedbad baanden tientallen driewielige tuktuks zich een weg door de menigte om gewonden af te voeren. Achter in een geel karretje zat een onderuitgezakte man, niet in staat om adem te halen.

    Een kleine, dunne jongeman met een getrimd rossig baardje maande de mannen om door te lopen. ‘Wat staan jullie daar nou te teuten?’ En tegen de mannen die gehurkt achter de balustrade van de brug zaten: ‘Wie niet verder wil, moet naar huis gaan.’

    De jongeman, die zich voorstelde als Jawdat, zei dat hij een voormalige strijder was van de paramilitaire groepering Hashd al-Shaabi, opgericht in 2014 om tegen IS te vechten. Hashd al-Shaabi wordt gesteund door Iran, onder andere met training. Jawdat zei dat zijn broer als officier was gesneuveld in de oorlog tegen IS. ‘Ik heb bij de Hashd gevochten, ik ben zelfs in Syrië gaan vechten, maar wat krijg ik van deze regering? Niks, terwijl die politici in de Groene Zone [in Bagdad] elke poging dwarsbomen om de staat te hervormen.’

    Ambulances raceten heen en weer met doden en gewonden; alleen bij de betoging op 5 oktober kwamen al twintig mensen om het leven. Tijdens de zes dagen durende betogingen verscheen premier Abdul-Mahdi elke avond op tv om met zachte stem te beloven dat hij zou zorgen voor banen en goedkope huisvesting en de corruptie zou uitroeien.

    Dreigtelefoontjes

    Maar intussen werden er jonge, ongewapende mannen gedood terwijl ze hun toevlucht zochten achter betonnen blokkades of met vlaggen stonden te zwaaien op straat. In minstens één geval namen scherpschutters die op daken waren geposteerd deel aan de moordpartij.

    Activisten en journalisten werden geïntimideerd en tientallen van hen ontvluchtten Bagdad na dreigtelefoontjes. Mediabedrijven en tv-stations werden gesloten. Agenten in burger zwierven door ziekenzalen en hielden gewonde demonstranten aan. ‘Toen er agenten het ziekenhuis binnenkwamen op zoek naar demonstranten, verbonden de artsen alleen mijn wond en zeiden dat ik moest maken dat ik wegkwam,’ zei een jongeman vanuit zijn bed met een wond die nog altijd bloedde nadat hij drie dagen eerder was neergeschoten in een straat in de buurt van het Tahrirplein.

    De omvang van de betogingen aan het begin van de maand was niet abnormaal, maar de felheid waarmee werd gereageerd was schokkend. Volgens veel Iraakse waarnemers was het geweld te wijten aan de schrik die het regime had bevangen. Anderen suggereerden dat het tekenend was voor de vrees van de pro-Iraanse milities in het land dat het protest in werkelijkheid tegen Teheran was gericht.

    ‘Iran duldt niet dat zijn positie hier wordt bedreigd en daarom was de reactie zo heftig,’ zei een functionaris van de Iraakse inlichtingendienst.

    Militieleden zijn geïnfiltreerd in de geheime diensten en hebben een belangrijke rol gespeeld bij het neerslaan van de betogingen. De milities zijn een mikpunt geworden van de woede van de betogers, omdat eruit blijkt dat Iran de lakens uitdeelt in Irak.

    Op een van de protestavonden ging een lange, gladgeschoren, ongewapende legerofficier voor een menigte jongemannen staan en smeekte dat ze zich verspreidden. ‘Ik kan jullie naar het Tahrirplein laten gaan,’ zei hij, wijzend op de opstijgende rookzuilen. ‘Maar ik zweer bij Allah dat de militie en de scherpschutters jullie zullen doden.’ De menigte reageerde met boze anti-Iraanse leuzen.

    Onlangs begon er een tweede golf betogingen. De menigte zwaaide met Iraakse vlaggen en scandeerde ‘Onze ziel, ons bloed offeren we op voor Irak’. In twee dagen kwamen er minstens 74 mensen om en vielen er honderden gewonden. Het dodental bedraagt sinds het begin van de maand [oktober 2019] inmiddels meer dan 250.

  • De overheid bemoeit zich al niet meer met deze Colombiaanse barrio

    De overheid bemoeit zich al niet meer met deze Colombiaanse barrio

    De enige wet die in Altos de Cazucá, Colombia, geldt is de ley de silencio – de wet van het zwijgen. De delincuentes, zoals ze door de plaatselijke bevolking worden genoemd, hebben de wijk in hun greep en bedreigen de bewoners. Sinds corona is hun speelruimte enkel vergroot. Luz Mary, en andere burgers met haar, bieden de enige vorm van verzet die mogelijk is.

    Altos de Cazucá, Soacha – Halverwege maart, als Colombia in lockdown gaat om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, weet Luz Mary wat haar te doen staat. Het is niet de eerste keer dat ze thuis zit opgesloten. De snel pratende moeder van twee kinderen doet de deur op slot, vanaf dat moment speelt haar leven zich af in de kamers van haar huis.

    Toen Luz Mary zich in het verleden in huis opsloot, was dat vanwege een andere doodsdreiging. De gewapende mannen die de dienst uitmaken in haar wijk hadden er geen doekjes om gewonden: als ze niet tijdelijk uit beeld zou verdwijnen, zou ze weleens voorgoed kunnen verdwijnen.

    ‘Er zijn dagen en weken geweest dat ik het huis niet uit kon,’ vertelt ze. ‘Je leert scherp observeren – aan de manier waarop mensen zich gedragen zie je of er iets broeit in de wijk.’

    Delincuentes

    Luz Mary is actief binnen de gemeenschap – sommige Colombianen zouden haar een ‘maatschappelijk leider’ noemen. Haar werk richt zich op de kinderen in de verpauperde wijk. Ze leidt een programma, Semillas y Raíces (Zaden en wortels) om kinderen kennis te laten maken met muziek en toneel en ze ondertussen enige basiskennis bij te brengen op het gebied van gedragsregels en hygiëne.

    Semillas y Raíces doet meer dan de deelnemers instrueren. Het programma biedt ook een veilige haven. Het huis van Luz Mary kijkt uit over een steile helling zonder verharde wegen en uit de onverharde paadjes tussen de groepen huisjes steekt her en der een waterleiding. 

    Delincuentes, zoals ze door de plaatselijke bevolking worden genoemd, hebben de wijk in hun greep en bedreigen de bewoners. Volgens de bewoners hebben deze bandieten banden met nationale drugskartels. Luz Mary zegt dat ze haar als een kwelgeest zien omdat zij de jongeren opvangt die zij proberen te ronselen – jongens en meisjes van soms nog geen negen jaar oud, die de delincuentes gebruiken om op de uitkijk te staan of om kleine klusjes te doen, in ruil voor eten of spullen die de ouders van de kinderen zich niet kunnen veroorloven.

    Semillas y Raíces is ‘een manier om van de straat te blijven en weg te blijven van de drugs,’ zegt een tienermeisje in Luz Mary’s geïmproviseerde theater op het dak. ‘Als ik niet hier zou zijn, zou ik op straat rondhangen.’

    Luz Mary’s werk is onbezoldigd – het programma levert haar niets op en ze bekostigt het zelf, met geld dat ze bijeensprokkelt met losse baantjes, het inleveren van afgedankte, herbruikbare materialen, en zo nu en dan een bescheiden gift. Het werk is ook gevaarlijk. Ze is talloze keren met de dood bedreigd. Toen ze dat meldde bij de autoriteiten, haalden die slechts hun schouders op, zegt ze. Dus probeert ze goed en zo kwaad als het gaat voor haar eigen bescherming te zorgen. Kinderen van het programma waarschuwen Luz Mary als ze ergens in de buurt dreigende woorden opvangen, en Luz Mary heeft van haar spaargeld camera’s laten plaatsen bij haar huis. ’s Avonds laat ligt ze vaak naar de wazige zwart-witbeelden te kijken en durft niet te gaan slapen. Ze moet er niet aan denken de kinderen in haar programma aan hun lot over te laten, maar ze speelt elke dag met de gedachte Altos de Cazucá te verlaten.

    Activisten kunnen niet hun huis verlaten om bedreigingen of aanslagen te melden bij de politie, en vaak beschikken ze niet over de mogelijkheid om dat via internet te doen

    Het bijzondere verhaal van Luz Mary doet de ronde door heel Colombia. Overal in het land zien we maatschappelijk leiders, zowel in stadswijken als in dorpen – ze leveren vaak diensten en komen op voor rechten waar de overheid het laat afweten. Activisten en organisatoren nemen zo’n belangrijke positie in binnen de maatschappij dat ze een plek hebben gekregen in het historische vredesakkoord tussen de overheid en de guerrillabeweging FARC (de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia), waarin is vastgelegd dat ze overheidsbescherming zullen krijgen. Ook is in het akkoord vastgelegd dat er ingrijpende hervormingen zullen worden doorgevoerd om ongelijkheid tegen te gaan en te voorkomen dat gemeenschappen ten prooi vallen aan geweld.

    Maar waar een zekere mate van bescherming is beloofd, zijn veel maatschappelijk leiders zoals Luz Mary sinds 2016 alleen maar geconfronteerd met nog meer dreiging. De afgelopen vier jaar heeft een golf van geweld meer dan 415 maatschappelijk leiders het leven gekost. De coronapandemie heeft die trend alleen nog maar versterkt. Door een landelijke lockdown van zes maanden zitten mensen als Luz Mary als weerloze slachtoffers thuis. Activisten kunnen niet hun huis verlaten om bedreigingen of aanslagen te melden bij de politie, en vaak beschikken ze niet over de mogelijkheid om dat via internet te doen. De beleidsmakers, die toch al vaak de ogen sluiten voor de benarde situatie op plekken als Altos de Cazucá, worden nu goeddeels in beslag genomen door de crisis in de gezondheidszorg.

    Luz Mary is bij toeval uitgegroeid tot maatschappelijk leider nadat ze was verhuisd naar een sloppenwijk op een heuvel in Soacha, een stad ten zuiden van Bogotá, zonder te weten in wat voor ellende ze daar zou belanden. Inwoners zeggen dat ze wel begrijpen dat Soacha zo’n sterke aantrekkingskracht uitoefent op drugshandelaren, milities en guerrilla’s – je hoeft alleen maar naar de kaart te kijken. De snelweg die de stad in tweeën snijdt is de voornaamste verbinding tussen de hoofdstad en het zuiden van Colombia, met de grote havenstad Buenaventura. Wat nog een extra aantrekkingskracht uitoefent op criminelen, zijn de poreuze, meanderende grenzen tussen de verschillende wijken van Soacha en Bogotá zelf. De politie houdt de hoofdweg in de gaten, maar niemand controleert de stroom mensen en goederen die overal de ongemarkeerde gemeentegrens overgaat die door glooiende heuvels vol geïmproviseerde huisjes loopt.

    ‘Er is hier sprake van een juridisch en administratief vacuüm,’ zegt een jonge leider die aan de grens woont. ‘Deze buurt is van niemand.’

    Iedereen weet wie ze zijn en wat ze doen – ze persen ondernemers af en rekenen af met inwoners die zich verzetten tegen hun illegale macht

    In 1990 beschouwde het oostelijke front van de FARC de corridor Soacha-Bogotá als een essentieel onderdeel van de strategie om de hoofdstad te omsingelen. De FARC stationeerde strijders op plekken als Altos de Cazucá. Vervolgens mengden paramilitaire groepen van de andere kant zich in de strijd. Deze rechtse milities, een buitengerechtelijke strijdmacht die is gelieerd aan de staat, deden rond 1997 hun intrede in Soacha, omdat zowel zij als de regering de guerrilla’s uit Bogotá wilden verdrijven en wilden voorkomen dat de FARC haar doel zou bereiken.

    Vanaf dat moment is Altos de Cazucá een broeinest van geweld. Tussen 2003 en 2006 zijn duizenden paramilitairen gedemobiliseerd, maar volgens de inwoners van veel buurten in Soacha zijn ze nooit echt vertrokken. De namen zijn veranderd maar de structuren zijn ongewijzigd, en dat geldt met name voor de hiërarchieën die zijn verbonden met de illegale economie. Vandaag de dag lopen er geen geüniformeerde mannen meer door de straat, zoals de paramilitairen ooit deden. Maar de delincuentes hoeven geen gevechtstenue te dragen om de bevolking angst in te boezemen. Iedereen weet wie ze zijn en wat ze doen – ze persen ondernemers af en rekenen af met inwoners die zich verzetten tegen hun illegale macht.

    Net als in de tijd van de guerrilla’s en paramilitairen, zijn de wijken van Soacha nog altijd belangrijke corridors, met name voor drugs maar ook voor wapens en andere smokkelwaar, en voor illegale immigranten. Cocaïne, crack en marihuana gaan naar Bogotá, de rijkste binnenlandse afzetmarkt. Grondstoffen en andere producten die nodig zijn voor de bereiding van cocaïne, gaan Bogotá uit. De autoriteiten hebben cocapasta in beslag genomen, maar ook bewerkte cocaïne, wat erop duidt dat er in Soacha vermoedelijk drugslaboratoria zijn gevestigd die waarde – en winsten – toevoegen aan de aangevoerde smokkelwaar.

    De wetteloosheid die de hellingen van Soacha zo lucratief maakt voor de drugshandel maakt diezelfde hellingen betaalbaar voor de vele arbeiders die werken in Bogotá maar zich de hoge huren daar niet kunnen veroorloven. Plaatselijke overheden noemen Soacha ‘een vat vol slachtoffers’ omdat een groot deel van de bevolking naar Soacha is getrokken na van huis en haard te zijn verdreven in een binnenlandse strijd die al meer dan een halve eeuw woedt. De afgelopen jaren zijn er ook tienduizenden Venezolaanse immigranten naar het gebied getrokken. Officieel telt Soacha 645.000 inwoners, maar Crisis Group heeft van de inwoners zelf en van het stadsbestuur begrepen dat het bevolkingsaantal in werkelijkheid de miljoen is gepasseerd. De mensen leven – vaak dicht opeengepakt – in niet meer dan 200.000 onderkomens, waarvan vele worden bedreigd door aardverschuivingen of overstromingen.

    De sloppenwijken van Soacha staan lokaal bekend als invasiones omdat vele zijn gebouwd op privéterrein, of op land dat met geweld is ingenomen. Daarbij wordt telkens hetzelfde patroon gevolgd: tierreros, machtige makelaars met banden met de georganiseerde misdaad – delincuentes ofwel corrupte politici – leggen beslag op stukken land om er ondermaatse huizen te bouwen. Vervolgens verkopen de tierreros die aan straatarme mensen, die zelfs een lening krijgen aangeboden om de aankoop te kunnen bekostigen. Om de zoveel jaar verkopen de makelaars hetzelfde stuk land weer door en zetten de bewoners uit, die geen juridische hulp kunnen inschakelen.

    Lokaasmethode

    Luz Mary is maar al te bekend met deze lokaasmethode. Zij en haar man konden zich geen huis permitteren in Bogotá, maar een terriero wist hen ervan te overtuigen dat ze in Altos de Cazucá wel een eigen huis konden kopen. Omdat de verkopers zeiden dat de grond binnen een aantal jaar zou worden gelegaliseerd, sloten ze een lening van enkele duizenden dollars af om het huis te kunnen betalen. Ze hebben hun schuld nog lang niet afbetaald, maar inmiddels is duidelijk dat het stukje grond nooit hun bezit zal worden.

    Soacha kent een aantal overheidsvoorzieningen en de clandestiene handelaren proberen overal van te profiteren, van het openbaar vervoer tot aan de watervoorziening, waardoor de armlastige inwoners het alleen nog maar zwaarder krijgen. Veel winkeliers betalen een ‘vaccin’-belasting aan lokale groepen die beweren voor bescherming te zorgen. Die groepen maken zich schuldig aan afpersing en wie niet meewerkt, wordt daar meedogenloos voor gestraft. Door mensen te vermoorden die hun het hoofd bieden, geven ze een duidelijke boodschap af wie er de baas is.

    Toen Luz Mary nog klein was, ging ze met haar moeder mee naar Bogotá, op de vlucht voor paramilitair geweld in een klein plaatsje niet ver van Manizales, in het westen van het land. Daarvoor woonden ze in Suba, een arbeiderswijk in het noordwesten van Bogotá. Luz Mary vertelt: ‘We gingen naar de stad in de hoop op een beter leven, maar we werden geconfronteerd met nog grotere problemen.’ Haar jeugd is getekend door armoede, onveiligheid en misbruik.

    Tegen de tijd dat ze een jonge vrouw is, moet Luz Mary de grootste moeite doen om de eindjes aan elkaar te knopen in Suba. Als ze net zwanger is, verhuist ze met haar man naar Altos de Cazucá, in de hoop op een nieuw begin. Binnen enkele weken nadat ze hun intrek hebben genomen in het huisje van twee verdiepingen dat een tierrero hun heeft verkocht, wordt hun hoop getemperd. Ze komt tot de ontdekking dat er twee drugverkooppunten – ollas – in hun huizenblok zijn, eentje iets hoger op de heuvel en eentje vlak naast hun huis. De hogergelegen olla wordt gedreven door een paramilitaire groep; de lagergelegen olla wordt naar verluidt gerund door ‘guerrilla’s’. Haar buren zijn verslaafd aan crack. Luz Mary leert haar kinderen hun handen voor hun ogen te houden en hun oren dicht te stoppen, om ze af te schermen van de afschuwelijke beelden en geluiden in de buurt.

    Langzaam krijgt Luz Mary een beeld van wat er om haar heen gebeurt. Lokale bendes drijven de drugverkooppunten en persen plaatselijke winkeliers af. Maar het zijn niet zomaar boefjes die hun kans schoon zien. Zoals de buren uitleggen maken deze groepen deel uit van groter en doelgerichter geheel. De staatsombudsman van Colombia, die tot taak heeft de mensenrechtensituatie in beeld te brengen, noemt deze opzet tercerización. Het is een soort piramide-achtige bedrijfsstructuur waarin gewapende, kartelachtige groepen de macht over een bepaalde buurt uitbesteden aan plaatselijke milities. De grotere groepen betalen de voetsoldaten meestal uit in drugs, die de laatsten weer doorverkopen om in hun levensonderhoud te voorzien. De overkoepelende organisatie wast de handen in onschuld aangezien het de delincuentes zijn die geweld gebruiken om hun macht te behouden.

    Geleidelijk, maar gaandeweg steeds sneller, vallen Luz Mary en haar man ten prooi aan een depressie – ze zitten gevangen in een turbulente situatie door de schuld die ze zijn aangegaan nadat ze zonder het te weten een stuk gestolen land hebben gekocht.

    Muziek

    Op een wel heel troosteloze dag pakt de man van Luz Mary, gezeten op hun geel met bruine bank, zijn oude gitaar en begint te zingen. De muziek raakt hen, en op dat moment realiseren ze zich dat ze twee keuzes hebben. Ze kunnen blijven hangen in hun situatie of ze kunnen, om de woorden van Luz Mary te gebruiken ‘afrekenen met het idee dat ze slachtoffer zijn’ en iets dóén. Ze zijn allebei geschokt dat voor veel kinderen in de buurt geweld de gewoonste zaak van de wereld is. ‘Het is onvoorstelbaar waar kinderen allemaal aan wennen,’ zegt Luz Mary.  Dat is het moment waarop ze besluit op zoek te gaan naar een manier om die kinderen te helpen.

    Luz Mary en haar man zien muziek als de beste manier om jonge mensen te bereiken. Maar eerst moeten ze de kinderen zo ver zien te krijgen dat ze zich aansluiten bij een gestructureerd programma. De delincuentes delen eten uit om de jongeren te paaien, dus besluiten zij hetzelfde te doen.

    Luz Mary herinnert zich de eerste kinderen die haar huis binnen kwamen stommelen en nieuwsgierig om zich heen keken, op zoek naar een reden om te blijven. In het begin komen er maar een paar kinderen, later zijn dat er tientallen. Luz Mary begrijpt dat ze zullen moeten beginnen bij de basis. ‘De kinderen die kwamen, stonken verschrikkelijk,’ zegt ze. ‘Ze wasten zich niet en ze hadden een grote mond, want de mentaliteit die ze meekrijgen is dat ze toch niets voorstellen.’ Als ze één ding kon bereiken, dacht ze, dan was dat om die jongeren een ander zelfbeeld te geven.

    Het programma dat ze samen met haar man opzet, Semillas y Raíces, bestaat uit muziekles, kleinschalige toneelvoorstellingen en kleine buurtprojecten, In de begintijd van Semillas y Raíces laat het staatswaterleidingbedrijf de inwoners weten dat ze gratis water krijgen als ze een eigen aquaduct bouwen. Luz Mary en de kinderen gaan aan de slag, storten beton en leggen een voor een de leidingen. 

    Bij het uitbreken van de pandemie komt de overheidssteun traag op gang en verdwijnen allerlei baantjes. Semillas y Raíces schraapt alles bij elkaar om ouderen en hulpbehoevenden in de buurt eten te kunnen geven. In september en oktober zijn de kinderen en andere inwoners weken in de weer om een steile lokale weg te plaveien zodat de regen niet de huizen binnen stroomt.

    ‘We roeien met de riemen die we hebben en we werken ons uit de naad,’ zegt Luz Mary. ‘We krijgen geen enkele hulp. We recyclen en we verkopen van alles en nog wat om aan geld te komen. We krijgen eten dat anders weggegooid zou worden.’

    Momenteel zijn er meer dan honderd kinderen die geregeld bij Luz Mary over de vloer komen en die zijn uitgegroeid tot een soort broertjes en zussen van haar eigen kinderen. De kinderen hoeven niets te betalen, al dragen sommige ouders bij wat ze maar kunnen missen. Sommige kinderen komen zonder dat hun ouders het weten, soms omdat hun vader of moeder lid is van de gewapende groepering. Om die kinderen te beschermen, maakt Luz Mary een afspraak met hen. Als ze elkaar op straat tegenkomen, doen ze of ze elkaar niet kennen.

    ANP 359045489 1 1 1
    © Joaquin SARMIENTO / AFP

    De bedreigingen beginnen zodra duidelijk wordt dat Semillas y Raíces effect sorteert. Het aquaductproject van Luz Mary valt slecht bij sommige bewoners die zelf de watertoevoer in de hand hadden willen houden om zo weer andere bewoners te kunnen afpersen. Later komt Luz Mary erachter dat een van de mannen die zich benadeeld voelt een huurmoordenaar in de arm heeft genomen – een man van eenentwintig die al tientallen moorden op zijn naam zou hebben staan. Ze is bang dat er nog altijd een prijs op haar hoofd staat.

    Dan volgen de berichtjes op haar telefoon. De eerste keer leest Luz Mary het berichtje niet eens – meestal is het reclame, of onzin. Als ze er toevallig wel een keer een blik op werpt, raakt ze in paniek door de mengeling van gedetailleerde dreigementen en beledigingen. Er wordt een ultimatum gesteld: ze krijgt twintig dagen om uit Soacha te vertrekken en anders komen ze haar vermoorden, staat er. Ze is van mening dat haar ‘vergrijp’ tweevoudig is. Om te beginnen heeft haar programma de vijver drooggelegd van jonge rekruten voor de bendes. Ten tweede heeft het programma met behulp van kleine giften genoeg geld bij elkaar weten te sprokkelen om T-shirts te laten drukken – wat leidt tot geruchten dat Semillas y Raíces geen armoedig clubje is, maar een rijke organisatie die geld probeert te verdienen.

    Doodsbang daalt Luz Mary de helling af in de hoop op hulp van de autoriteiten in het centrum van Soacha. Rondom het plein, daterend uit de koloniale tijd, staan overheidsgebouwen, waar merendeels overwerkte ambtenaren de rijen mensen te woord staan die zich dag in dag uit melden met hun problemen. Luz Mary vertelt dat ze naar de officier van justitie is gegaan om een aanklacht in te dienen. Ze zegt dat ze ook naar het politiebureau en de ombudsman is gegaan om melding te maken van de doodsbedreigingen. De dagen verstrijken en ze hoort niets. ‘Ik stond weer met beide benen op de grond,’ zegt ze. ‘Ik begreep dat niemand me te hulp zou komen.’

    De buren raden haar aan zich een tijdje gedeisd te houden. Als ze ophoudt met haar werk, zeggen ze, zullen de bedreigingen ook wel ophouden. Ze weet nog dat ze op het gemeentehuis hetzelfde advies kreeg, toen ze daar maanden later aan de bel trok. ‘Ik vertelde mijn verhaal, maar ze zeiden dat ik zelf verantwoordelijk was voor de situatie, gezien de plek waar we wonen.’

    Wanneer maatschappelijk leiders op een dergelijke manier worden bedreigd, moeten volgens de Colombiaanse wet de plaatselijke overheden als eerste reageren. Maar hoewel Soacha elk jaar tijdelijk andere huisvesting regelt voor een beperkt aantal mensen dat met vergelijkbare bedreigingen te maken krijgt, schiet de reactie van de overheid vaak te kort en dan kunnen de maatschappelijk leiders eigenlijk nergens meer terecht. Luz Mary hoopt in aanmerking te komen voor het beschermingsprogramma van het ministerie van Binnenlandse Zaken, dat grofweg zo’n vijfduizend maatschappelijk leiders in heel Colombia helpt met kogelvrije vesten of zelfs bodyguards.  Ze is maanden bezig om de vereiste papieren bij elkaar te krijgen en het ingewikkelde aanvraagformulier te doorgronden, dat ze uiteindelijk ingevuld en wel afgeeft op een politiebureau. Dit jaar alleen al hebben bijna zevenduizend leiders hulp gevraagd bij deze instantie – slechts zestien procent van de aanvragen is gehonoreerd.

    Inmiddels vertrouwt Luz Mary voor haar veiligheid niet langer op de overheid, maar op het netwerk dat ze met Semillas y Raíces heeft opgebouwd. Meer dan eens is ze door kinderen uit gezinnen die banden hebben met de gewapende bandieten gewaarschuwd dat hun ouders het over haar hadden. Dat is voor haar het teken om zich binnenshuis op te sluiten, met als enige gezelschap haar beveiligingscamera’s. Ze registreert alles wat zich op straat afspeelt, tot diep in de nacht, en als er echt iets gebeurt hoopt ze dat haar camera’s het allemaal hebben vastgelegd. 

    Zoals ook elders in Colombia zien gewapende groepen in Altos de Cazucá corona als een uitgelezen kans om hun greep op de buurt te verstevigen

    Door de pandemie is alles anders. Zoals Luz Mary zegt: ‘Alle problemen die in onze gemeenschap spelen komen nu naar de oppervlakte – en ineens zijn het er drie keer zoveel.’

    Zoals ook elders in Colombia zien gewapende groepen in Altos de Cazucá corona – en de lockdown om de verspreiding van het virus een halt toe te roepen – als een uitgelezen kans om hun greep op de buurt te verstevigen. Omdat er maar weinig lokale autoriteiten zijn om de lockdown af te dwingen, hebben de delincuentes hun eigen beperkingen aan de bewegingsvrijheid ingesteld. In augustus meldt de ombudsman dat er bepaalde groepen in Soacha zijn die bepalen welke winkels wel of niet open mogen om bevoorraad te worden, waarmee ze duidelijk laten zien wie de macht in handen heeft in Altos de Cazucá. De enige wet die hier geldt is de ley de silencio – de wet van het zwijgen. Wie een bedreiging meldt of in het geweer komt tegen de intimidatie wordt bestempeld tot sapo, informant. Wie de gewapende groeperingen ook maar een strobreed in de weg legt, loopt gevaar. Alleen al het melden van een misdaad kan beteken dat je tot vijand wordt bestempeld. Luz Mary zegt dat er tijdens de lockdown twee mensen zijn vermoord, maar dat ‘niemand zijn mond open heeft gedaan’.

    De toekomst voor maatschappelijk leiders zoals Luz Mary ziet er grimmig uit, maar een toekomstbeeld zonder hen is nog grimmiger

    De scholen in Colombia zijn sinds maart gesloten vanwege de pandemie, wat de gewapende groeperingen nieuwe kansen biedt om de kinderen los te weken van hun gezin. De meeste kinderen in Soacha volgen geen virtuele lessen; in plaats daarvan krijgen ze opdrachten mee die een zekere mate van ouderlijke supervisie vereisen – en dat is voor veel gezinnen domweg te hoog gegrepen. In juni heeft de inspecteur-generaal melding gemaakt van een toenemend aantal kinderen dat wordt gerekruteerd in stedelijke gebieden zoals Soacha, waar jongeren zich aansluiten bij de plaatselijke bendes of zelfs bij gewapende groeperingen verspreid over het hele land. Maatschappelijk leiders die het ergste proberen te voorkomen moeten nog meer moeite doen dan voorheen om die kinderen een veilige omgeving te bieden.

    Onlangs heeft Luz Mary haar buurtgenoten bij elkaar geroepen voor een toneelles – in de nieuwe realiteit van corona. ‘De enige manier om op dit soort plekken les te geven is door een interactieve school op te zetten,’ zegt ze. Een man gekleed in een vuilniszak en met een geschminkt gezicht loopt met gespreide armen van de ene kant van de straat naar de andere. Hij doet alsof hij een vliegtuig is dat het virus van het ene land naar het andere brengt. Hij ‘infecteert’ iedereen die hij aanraakt.

    De toekomst voor maatschappelijk leiders zoals Luz Mary ziet er grimmig uit, maar een toekomstbeeld zonder hen is nog grimmiger. ‘Er gebeuren hier de meest vreselijke dingen,’ zegt ze. ‘Er komt geen einde aan de dreigementen. Soms heb ik het gevoel dat ik het niet langer aankan. Maar dan vraag ik me af: als ik het niet meer doe, wie moet het dan doen? (…) Er gebeuren veel afschuwelijke dingen in het leven. Mijn bijdrage aan deze wereld is dat ik deze kinderen iets leer.’ 

  • Latijns-Amerika snakt naar échte democratie

    Latijns-Amerika snakt naar échte democratie

    In vrijwel alle Latijns-Amerikaanse landen verzet de bevolking zich tegen ongelijke verdeling van welvaart en macht. Een op het oog kleine maatregel kan een massa op de been brengen.

    DOSSIER DE STRAAT OP

    Overal ter wereld zijn gefrustreerde burgers de afgelopen jaren straat op gegaan om hun politieke of economische eisen kracht bij te zetten. In de meeste landen is men woedend over de ongelijkheid en de schaamteloze corruptie van de politieke klasse, terwijl met name de jongere generatie met moeite het hoofd boven water kan houden. De coronapandemie heeft de sociale tegenstellingen – maar ook de urgentie om hier iets aan te veranderen – alleen maar vergroot.

    Dit artikel verscheen eerder in nummer 171, december 2019.

    Latijns-Amerika is het zat. Zo zat dat het bloed van de demonstranten ervan door hun aderen kolkt en de straten in de steden ervan zinderen. Zat zijn ze het, omdat er al sinds het begin van deze eeuw institutioneel noch economisch iets aan de problemen is gedaan. Nul komma nul. Daarom gaan de mensen – met name in Uruguay, Bolivia, Chili, Ecuador en Haïti – weer de straat op om te laten zien hoe zat ze het nog steeds zijn, en om de discussie aan te zwengelen over de structurele problemen van de maatschappij, die door hun regeringen worden verdoezeld, uit de weg gegaan en gerelativeerd.

    In 2001 gingen in Argentinië miljoenen burgers de straat op om te protesteren tegen de economische en sociale crisis onder de leuze ‘Dat ze allemaal oprotten!’ In 2011 demonstreerden duizenden studenten in Chili voor meer toegang tot het hoger onderwijs. In 2013 kwam de Braziliaanse bevolking in opstand tegen de verhoging van de tarieven in het openbaar vervoer en de verspilling van miljoenen dollars aan de voorzieningen voor het wereldkampioenschap voetbal. Maar tot nog toe zijn de regeringsleiders erin geslaagd de diffuse macht van het protest te neutraliseren, door middel van beloften die uiteindelijk niet worden nagekomen of door hervormingen die niet meer dan pleisters op de wonden zijn, of anders door pure onderdrukking.

    De onvrede onder de bevolking uit zich op zichtbare wijze – demonstraties – en op onzichtbare wijze – in 2010 gaf 30 procent van de bevolking nog aan tevreden te zijn over de economie, terwijl dat cijfer in 2018 was gezakt naar 16 procent; over diezelfde periode zakte de tevredenheid over de democratie van 61 procent naar 48 procent. De paradox is: de landen die in 2018 het meest tevreden waren over hun economie, Chili en Ecuador (30 procent), zijn uitgerekend de landen waar de meeste demonstraties tegen de ongelijkheid werden gehouden – de grief was dat de economische ontwikkeling uitsluitend ten goede komt aan een klein deel van de bevolking.

    Woede

    In Haïti eisen demonstranten al maanden het aftreden van een president die geen bevredigende verklaring heeft kunnen geven voor de grote armoede in het land en die geen weerwoord heeft op de aantijgingen van corruptie. Honduras maakt een ernstige politieke crisis door, en ook daar eisen de demonstranten het aftreden van de president, die wordt verdacht van banden met de georganiseerde criminaliteit. Ecuador beleefde woelige dagen na een verhoging van de brandstofprijzen. De opstand, waarbij ten minste zeven doden vielen, brak uit nadat de regering een akkoord had gesloten met het Internationaal Monetair Fonds. In Bolivia is een politieke crisis uitgebroken omdat er werd getwijfeld aan de geldigheid van de verkiezingen.

    Al die conflicten komen voort uit de specifieke omstandigheden in de individuele landen, maar allemaal draaien ze om dezelfde onderliggende thema’s: ontevredenheid met en wantrouwen tegen de regering, concentratie van rijkdom bij een kleine minderheid, waardoor de structurele ongelijkheid en de sociale uitsluiting worden versterkt.

    Van begin deze eeuw tot 2015 is de regio er qua economische groei en kwaliteit van leven op vooruitgegaan. De indicatoren voor sociale inclusiviteit in de gezondheidszorg, het onderwijs en de infrastructuur zijn significant verbeterd, evenals de indicatoren voor werk en inkomen. Veel factoren hebben aan deze vooruitgang bijgedragen, en die verschillen van land tot land; maar fundamenteel hebben ze te maken met overheidsmaatregelen om de ongelijkheid terug te dringen en met een periode van economische groei die het gevolg was van een stijging van de grondstofprijzen op de internationale markt.

    De landen in Latijns-Amerika zijn weliswaar verschillend, maar wat ze gemeen hebben is dat in de afgelopen jaren de armoede in de hele regio is toegenomen. In een rapport van de Economische Commissie voor Latijns-Amerika van de Verenigde Naties (CEPAL) uit 2019, getiteld Economische perspectieven van Latijns-Amerika, staat dat de armoede tussen 2015 en 2018 in de hele regio met 1,7 procentpunt is gestegen en de extreme armoede met 2,5 procentpunt. Dat wil zeggen dat drie op de tien personen in de regio onder de armoedegrens leven en een op de tien in extreme armoede.

    Na dagen van protesten en een golf van geweld in Chili heeft president Sebastián Piñera de maatregel ingetrokken die de aanleiding vormde voor het conflict: de prijsverhoging van een metrokaartje met 30 peso (ongeveer 4 eurocent). Hij dacht misschien dat daarmee de protesten zouden ophouden, zoals enkele weken eerder in Ecuador was gebeurd, toen president Lenín Moreno het decreet had ingetrokken waarmee de subsidie op fossiele brandstoffen werd afgeschaft. Maar dat gebeurde niet. Integendeel: de protesten namen toe. Op straat hadden de mensen een simpele leuze voor de politieke klasse die er blijkbaar niets van begreep: ‘Het zijn geen 30 peso, het zijn 30 jaar’.

    Die simpele leuze drukt uit hoezeer de bevolking de ongelijkheid zat is. Latijns-Amerika is de meest ongelijke regio ter wereld, niet alleen in termen van inkomen, maar ook in termen van toegang tot het recht. Het economisch herstel (met een terugval in 2015) bracht wel een verbetering van het armoedepercentage, maar zorgde niet voor structurele veranderingen. De mensen die de armoede zijn ontstegen vormen een kwetsbare opkomende middenklasse wier positie onzeker is en die, omdat ze niet kunnen sparen of zelfs tot over hun oren in de schulden zitten, constant het gevaar lopen opnieuw in armoede te vervallen.

    Volgens het eerder geciteerde rapport van de CEPAL uit 2019 bevindt 40 procent van de bevolking in de hele regio zich in deze situatie, met slecht betaald, laaggeschoold werk en weinig of helemaal geen sociaal vangnet. De vooruitgang stagneert, omdat alles structureel bij het oude blijft.

    Voor de ongelijkheid zijn weliswaar meerdere oorzaken aan te wijzen, maar de wortels ervan reiken diep in het productiesysteem van de hele regio. De productie in Latijns-Amerika kent weinig diversificatie en is zeer ongelijksoortig, met een concentratie van 50 procent van het laaggeschoold werk in de kwetsbare sectoren die onder de macro-economische groeicijfers blijven. Bovendien steunt de economie historisch op de winning van grondstoffen. Die afhankelijkheid heeft op alle fronten negatieve gevolgen: de concurrentiekracht ten opzichte van andere regio’s in de wereld is uitzonderlijk laag en er is geen enkel perspectief op duurzaamheid. Bovendien brengt de winning van grond-stoffen zowel de natuur als de samenleving onherstelbare schade toe.

    Maar het zijn niet alleen materiële factoren die de ongelijkheid veroorzaken. Het koloniale verleden heeft de regio met een culturele erfenis van privileges opgezadeld die een tweede natuur is geworden. In de collectieve verbeelding heeft zich het idee vastgezet dat sommige mensen rechten hebben en andere niet. Zo heeft een inheems meisje op het platteland veel meer kans op een leven in armoede, zonder toegang tot schoon drinkwater of goed onderwijs, dan een jongetje uit de grote stad. En het zijn niet alleen sociaal-economische factoren die de rechten van het individu bepalen, maar ook parameters als het geslacht, de etniciteit en de geografie. Gelijkheid in de zin van volledige aanspraak op alle mensenrechten, ongeacht de omstandigheden, is voor Latijns-Amerika een stip op een zeer verre horizon.

    Maar de cultuur van privileges betekent niet dat de ongelijkheid zomaar passief wordt geaccepteerd. Integendeel: dat is de soep waarin de sociale opstand gaar kookt. Ongelijkheid is om te beginnen al een hinderpaal voor sociale integratie. De scherpe scheiding tussen de maatschappelijke klassen komt op velerlei niveaus tot uiting: van de segregatie in de stad in het onderwijs en de huisvesting tot aan de levensverwachting toe.

    Naarmate de economie groeit, worden grote delen van de samenleving in de marge gedrukt, en dat roept spanningen op, vooral als de mensen zien dat de privileges berusten op overgeërfde posities, of op vriendjespolitiek of regelrechte corruptie. Dat ondergraaft de legitimiteit van de instituties en genereert onbehagen en maatschappelijke instabiliteit die uiteindelijk leiden tot massale protesten.

    Uitsluiting

    Als we kwesties onder de loep nemen, zoals de gezondheidszorg, de voedselvoorziening, de toegang tot schoon drinkwater, huisvesting en vast werk, zien we duidelijk de realiteit van het dagelijks leven achter de macro-economische variabelen. Zo is de toegang tot schoon drinkwater, een voorziening die door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 2010 werd erkend als een van de rechten van de mens, lang niet altijd gegarandeerd.

    40% van de Latijns-Amerikanen loopt het risico om in armoede te vervallen door onzeker werk en gebrek aan een sociaal vangnet.

    In 2015 beschikte 65 procent van de Latijns-Amerikanen over een betrouwbare watervoorziening en was slechts 22 procent aangesloten op riolering. Vooral de plattelandsbevolking heeft van dit gebrek te lijden. Aan de andere kant leeft een kwart van de bevolking in de stedelijke gebieden in armoedige omstandigheden. En ten slotte zijn er, volgens een rapport van de Inter-nationale Arbeidsorganisatie, in de regio 140 miljoen mensen zonder vast werk. Dat is de helft van de werkzame bevolking.

    De statistieken over de hele regio laten de omvang van de uitsluiting zien, en de nationale en lokale cijfers brengen de ongelijkheid aan het licht. Beide tonen de realiteit van een regio die, ondanks alle vooruitgang, nog steeds moeite heeft de structuren te ontmantelen die verhinderen dat de hele bevolking in staat wordt gesteld haar volledige sociale, politieke, economische en culturele rechten uit te oefenen.

    Privéonderwijs

    In 2011 gingen in heel Chili studenten de straat op om te demonstreren voor openbaar en inclusief onderwijs. Die protesten brachten aan het licht hoe exclusief het hoger onderwijs is, hoe het alleen toegankelijk is voor een klein segment van de bevolking dat het kan betalen, terwijl de rest zich diep in de schulden moet steken om te kunnen studeren. Maar tegelijk barstte daarmee de discussie los over de maatschappelijke ongelijkheid en de toegang tot basisvoorzieningen als zorg en onderwijs. Binnen het huidige model, dat is gebaseerd op accumulatie van macht, rijkdom en prestige, leidt een systeem van privéonderwijs onherroepelijk tot een consolidatie van de ongelijkheid, die bovendien nog wordt gerechtvaardigd door een cultuur van privileges.

    In alle landen van Latijns-Amerika vind je privéscholen en privé-universiteiten, en wat openbaar onderwijs wordt genoemd is in feite staats-onderwijs. Veel onderwijsinstellingen van de staat hebben een hoog niveau en genieten veel aanzien, maar voor vele geldt dat ook niet, en de kwaliteitskloof in het onderwijs, tussen en binnen landen, is nog steeds erg groot. Daarom spreken we van staatsonderwijs in plaats van openbaar onderwijs, want een openbare voorziening dient voor iedereen dezelfde kwaliteit te hebben en op dezelfde wijze bij te dragen aan de waardigheid van de burger.

    De helft van de werkzame bevolking in Latijns-Amerika zit zonder vast werk

    Bernardo Toro, een Colombiaanse filosoof en lid van de Fundación Avina, een ngo die zich inzet voor duurzame ontwikkeling in Latijns-Amerika, zegt dat ‘wanneer het onderwijs van verschillende kwaliteit is, het niet leidt tot de ontplooiing maar tot de afbrokkeling van de maatschappij’.

    In Latijns-Amerika zal een proces van integratie pas mogelijk zijn als er wordt afgerekend met een situatie waarin sommigen beter onderwijs krijgen dan anderen. Dat impliceert dat de bijl aan de wortel van het systeem moet worden gezet om gelijke kansen voor iedereen te creëren, en dat betekent ingrijpen in alle sectoren van de samenleving: gezondheidszorg, vervoer, veiligheid en openbare ruimte. Om de ongelijkheid te verminderen moeten er meer openbare voorzieningen komen en dat vereist een transitie naar een nieuw model dat, in tegenstelling tot het huidige, zorg voorop stelt en alle lagen van de bevolking en alle nationale staten achter hetzelfde doel verenigt: het creëren van voorwaarden om iedereen een waardig leven te gunnen.

    Bezet de politiek

    De instelling van nieuwe democratische instituties en de versterking en uitbouw van hun sociale en politieke bevoegdheden zullen ervoor zorgen dat de machtsverhoudingen verschuiven en er meer ruimte komt voor participatie in alle geledingen van de democratie. Een voorbeeld is de consolidatie van politieke actiegroepen zoals Ocupar la Política [Bezet de Politiek] in Brazilië, Mexico en Colombia, die niet alleen politiek en beleidsmatig aan de knoppen willen draaien, maar ook bereid zijn actie te ondernemen voor de invulling en implementatie van hervormingen in het democratisch bestel. Die nieuwe actiegroepen bieden een platform voor andere stemmen en andere segmenten van de bevolking die traditioneel werden buitengesloten van de macht.  

  • ‘Dit zijn dorpen met vrouwen zonder baarmoeder’

    ‘Dit zijn dorpen met vrouwen zonder baarmoeder’

    In de droge Beed-regio in India is zo moeilijk aan werk te komen, dat vrouwen massaal hun baarmoeder laten verwijderen om aan de eisen van hun werkgevers te voldoen.

    ‘U zult in deze dorpen nauwelijks vrouwen met een baarmoeder vinden. Dit zijn dorpen met vrouwen zonder baarmoeder’, zegt Manda Ugale met sombere blik in de ogen. Ze zit in haar kleine huisje in Hajipur, in het door droogte geteisterde Beed-district van de Marathwada-regio van Maharashtra [het gebied ten Oosten van Mumbai landinwaarts]. Het kost haar duidelijk moeite om over het onderwerp te praten.

    In Vanjarwadi, waar ze vandaan komt, is het voor vrouwen ‘de norm’ om de baarmoeder te laten verwijderen nadat ze twee of drie kinderen hebben gekregen. Vijftig procent van hen heeft een zogeheten hysterectomie gehad.

    De meerderheid van deze vrouwen trekken tijdens het suikerrietseizoen naar het suikergebied van westelijk Maharashtra; naarmate de droogte toeneemt, neemt het aantal migranten ook toe. ‘De mukadam (aannemer) heeft graag vrouwen zonder baarmoeder in zijn groep rietkappers’, vertelt SatyaBhama, een andere van de vrouwelijke werknemers.

    Echtparen uit de regio trekken tussen oktober en maart beide naar het gebied, en krijgen van de aannemer gezamenlijk één contract. Daarin staat onder andere dat als de man of de vrouw een dag pauze wil nemen van het intensieve werk, het paar elke keer een boete van 500 Indiase roepie [ca. € 5,60] aan de werkgever moet betalen.

    ‘We hebben een doel waaraan moet worden voldaan, en daarbij kunnen we vrouwen die menstrueren niet gebruiken’

    Ook menstruaties belemmeren het werk en brengen dus boetes met zich mee. Volgens werkgevers willen vrouwen tijdens de menstruatie meestal een of twee dagen pauze, zodat het werk wordt onderbroken.

    ‘Na een hysterectomie is er geen kans op menstruatie. En dus worden er tijdens het kappen geen pauzes meer genomen. We kunnen het ons niet veroorloven om zelfs maar een roepie te verliezen’, zegt SatyaBhama.

    ‘We hebben een doel te behalen binnen een beperkt tijdsbestek, en daarbij kunnen we vrouwen die tijdens het kappen van suikerriet menstrueren niet gebruiken’, aldus Dada Patil, een werkgever. Patil houdt vol dat hij en andere werkgevers de vrouwen niet dwingen een operatie te ondergaan; de keuze wordt gemaakt door hun families.

    Maar volgens de vrouwen betalen werkgevers een voorschot voor een operatie, waarna het geld wordt ingehouden op hun loon.

    Ernstige impact

    Achyut Borgaonkar van Tathapi, een organisatie die hier onderzoek naar heeft gedaan, weet te vertellen: ‘In deze kringen wordt menstruatie als een probleem beschouwd en een operatie gezien als de enige manier om ervan af te komen. Maar die heeft een ernstige impact op de gezondheid van de vrouwen. Ze raken hormonaal uit balans, krijgen geestelijke gezondheidsklachten, komen aan et cetera. We zien dat zelfs jonge meisjes van vijfentwintig deze operatie ondergaan.’

    Bandu Ugale, echtgenoot van Satyabhama en zelf ook rietkapper, rekent het voor. ‘Een paar krijgt ongeveer 250 Indiase roepie [€ 2,80] na het kappen van een ton suikerriet. Op een dag kappen we ongeveer drie tot vier ton suikerriet en in een heel seizoen van vier tot vijf maanden kappen we samen ongeveer 300 ton suikerriet. Wat we tijdens het seizoen verdienen, is ons jaarlijkse inkomen, want als we terugkomen van het riet kappen hebben we geen werk’, zegt Ugale. ‘We kunnen ons dus geen dag pauze veroorloven. We moeten werken, zelfs als we gezondheidsproblemen hebben. Er is geen rust. Voor menstruatie is geen tijd’, aldus Ugale.

    Vilabai, een oudere vrouw, noemt het leven van een ‘rietkappersvrouw’ een hel. Ze laat doorschemeren dat er herhaaldelijk sprake is van seksuele uitbuiting van vrouwen door werkgevers en hun mannen.

    ‘Rietkappers moeten in suikerrietvelden of in een tent bij de suikermolens leven [een suikermolen is een grote pers met draaiende rollen waartussen vers gekapt suikerriet wordt gebroken om er het sap uit te persen]. Er zijn geen badkamers of toiletten. Onder deze omstandigheden is het voor een vrouw al helemaal geen doen als ze menstrueert’, vertelt ze.

    Ook vertellen de vrouwen dat artsen al een hysterectomieoperatie voorschrijven als ze zelfs maar klagen over buikpijn of afscheiding.