De Verenigde Arabische Emiraten voeren een eindeloze oorlog tegen de Houthi-rebellen in het noorden van Jemen. In plaats van alles in goede banen te leiden, helpen ze het land te gronde te richten. Een reportage vanuit Al Mukalla, een zuidelijke stad in crisis.
Al Mukalla is een afgelegen havenstad in het uiterste zuidoosten van Jemen. De trage witte stad balanceert tussen rotskust en zee en is de laatste pleisterplaats voor een onmetelijke woestijnvlakte die zich uitstrekt tot de grens met Oman. Het leven van de stad speelt zich voornamelijk af op de kustboulevard, net als in de omringende vissersdorpen.
Voordat hij in de oude stad verdwijnt, beschrijft deze boulevard een smalle bocht: daar heeft zich in de ochtend van woensdag 5 september een kleine menigte demonstranten verzameld. Ze protesteren al twee dagen tegen de koersval, afgelopen zomer, van de Jemenitische munt. De rial heeft sinds januari een derde van zijn waarde verloren. Daardoor belandt Al Mukalla, net als het hele land dat het armste van de Arabische wereld is, in een nieuwe crisis. Het maakt ook een eind aan de dromen over autonomie van deze vreedzame regio, die zich al sinds eind 2014 van het in oorlog verkerende Jemen heeft losgemaakt, en ook aan die van de Verenigde Arabische Emiraten die er dankzij het conflict in feite een protectoraat van hebben gemaakt.
De Jemenitische regering van Abd Rabbuh Mansur Al-Hadi, die al in maart 2015 naar de Saoedische hoofdstad Rijad is uitgeweken, lijkt machteloos. Ze heeft al drie jaar geen begroting meer opgesteld. De schaarse inkomsten, afkomstig van olie en in- en uitvoerrechten, zijn onvoldoende om de ambtenarensalarissen te betalen. Om een illusie van stabiliteit in stand te houden laat de regering sinds eind 2016 rials in Rusland drukken. De laatste lading biljetten is in april afgeleverd in de haven van Aden, een andere zuidelijke havenstad die sinds 2015 fungeerde als tijdelijke hoofdstad van Jemen. Maar niemand wil ze meer hebben. In Al Mukalla eisen de verhuurders dat de huur voortaan in Saoedische rials wordt betaald.
Deze crisis is van kapitaal belang voor een land waar de gevechten minder levens eisen dan de ineenstorting van de staat en de economie, die zorgt voor toenemende risico’s van hongersnood en epidemieën. Hoeveel doden eigenlijk? Niemand die het weet. Volgens een hoge VN-functionaris heeft de militaire interventie van een door Saoedi-Arabië geleide coalitie tegen de door Iran gesteunde Houthi-rebellen tussen maart 2015 en augustus 2016 aan meer dan tienduizend burgers het leven gekost. Maar dit cijfer weerspiegelt allang de werkelijkheid niet meer. In het noorden van het land hebben de rebellen de hoofdstad Sanaa in handen. Ze vormen er een rebellenkabinet en controleren de dichtstbevolkte regio’s.
Onontwarbare situatie
De coalitie erkent dat het onmogelijk is de rebellen militair te verslaan. Ze isoleert de belegerde zones door middel van een gedeeltelijke blokkade, waardoor acht miljoen mensen niet meer bereikbaar zijn voor humanitaire hulp en een hongerdood dreigen te sterven. De Saudische hoofdstad Rijad bombardeert het noorden vanuit de lucht, maar zet geen fronttroepen in. De Verenigde Arabische Emiraten, de belangrijkste strijdmacht ter plaatse, vinden dat ze met meer dan honderd doden al te veel verliezen hebben geleden.
Ze kunnen hun Jemenitische bondgenoten in het zuiden er maar niet van overtuigen dat ze het verre noorden, dat hun zo vreemd is, moeten ‘bevrijden’. Maar weinigen zijn bereid om vanwege hun rivaliteit met het sjiitische Iran, dat de Houthi-rebellen van verre en tegen weinig kosten steunt, te sterven voor de soennitische monarchieën in de Perzische Golf. Het is een onontwarbare situatie. De Emiraten wachten geduldig af. Ze spelen een beetje de baas over het zuiden en laten het vaak aan zijn lot over. Ze rivaliseren met de regering van Hadi, die ze incapabel en corrupt vinden en te zeer gelieerd aan de politieke islam van de Moslimbroeders, hun zwarte schapen.
In deze chaos mag Al Mukalla nog van geluk spreken. De regio is decentraal gelegen en solidair. Burgers mogen in de stad geen wapens dragen: een zeldzaamheid in dit land waar een automatisch geweer vaak als een natuurlijk verlengstuk van mannelijkheid wordt beschouwd. Hier kunnen de Emiraten zich tegenover hun grote Amerikaanse bondgenoot beroemen op het succes van hun antiterroristische politiek in Jemen. In de lente van 2016 hebben ze de jihadisten van Al-Qaida op het Arabisch Schiereiland (AQAS), de lokale afdeling van de terroristische organisatie die door Washington als een van de gevaarlijkste ter wereld wordt beschouwd, uit Al Mukalla verdreven. Dankzij de oorlog had AQAS de facto een jaar lang een staat kunnen stichten in de haven en omgeving voordat het zich onder druk van de Emiraten moest terugtrekken.
Moeders en kinderen in het ziekenhuis van al-Khoukha, Jemen. De voorraden van het ziekenhuis zijn op, 40 procent van de kinderen is ondervoed. Door de oorlog zijn vluchtroutes afgesneden. – AP Photo / Nariman El-Mofty
De inwoners waren hun ‘bevrijders’ en beschermers bijzonder dankbaar. Maar nu, bijna twee jaar later, worden ze ongeduldig. ‘Op de lange termijn willen de Emiraten blijven en investeren, maar ze pakken het verkeerd aan’, zegt een treurige Badr Basalmah, een voormalige Jemenitische minister van Transport die afkomstig is uit Al Mukalla. ‘Kijk zelf maar: de regio heeft nog geen cent aan ontwikkelingsgeld ontvangen en ze zijn niet in staat een stabiele regering te vormen. De mensen beginnen hun vlag op straat te verbranden.’ Een reusachtig portret van Mohammed Ben Zayed, de sterke man van de Emiraten, dat op een reclamezuil in Al Mukalla prijkte, is tijdens de betogingen begin september verscheurd.
De Emiraten hebben meebetaald aan het opknappen van de gevangenis van de stad. Ze hebben de kustwacht van snelle boten voorzien die onder hun gezag patrouilleren, en volgens de plaatselijke autoriteiten hebben ze het equivalent van 15,7 miljoen euro voor gezondheidszorg gestort en ook op andere vlakken hulp beloofd. In de haven hebben ze ervoor gezorgd dat de enige sleepboot weer functioneert. Dat is onmisbaar voor de handel, maar de plaatselijke ondernemers schieten er niets mee op.
‘De prijzen zijn te hoog en onze salarissen te laag. Ik kan niet eens meer suiker kopen. We redden het niet meer’
Even voor het middaguur op die vijfde september hebben tientallen leden van de veiligheidstroepen van de stad, sommigen met een bivakmuts, de boze burgers met stokslagen uiteengedreven. Ze hebben op de boulevard pick-uptrucks met zware mitrailleurs opgesteld en nieuwsgierigen verjaagd. Een uur later weigert een honderdtal betogers op een kruispunt tegenover het centrale ziekenhuis zich te verspreiden. ‘De prijzen zijn te hoog en onze salarissen te laag. Ik kan niet eens meer suiker kopen. We redden het niet meer. De autoriteiten hebben ons gezegd dat ze er niets aan kunnen doen, dus zijn we de straat op gegaan’, zegt Anwar Ali (40), die werkt als arbeider in de fabriek voor tonijnconserven in de oude stad en in het ziekenhuis wordt behandeld aan een wond op zijn voorhoofd als gevolg van een stokslag. Aan de te dure benzine is al een tekort: voor de pompen staan wachtrijen van enkele uren.
De volgende dag houden de winkeliers wantrouwig hun rolluiken dicht. Net als elders in het zuiden van het land, in Aden en in de provincies Abiyane en Lahij, beginnen de betogingen opnieuw en de gouverneur van Al Mukalla, Faraj Salmen Al-Bahsani, heeft uiteindelijk zijn steun aan de betogers toegezegd. Voor de microfoon van het plaatselijke radiostation heeft hij de plaatselijke regering gedreigd de volgende levering van ruwe olie vanuit zijn provincie Hadramaout, voorzien voor begin oktober (de regio is met dertigduizend vaten per dag goed voor meer dan de helft van de nationale productie), te zullen blokkeren als er geen serieuze reactie komt op de valutacrisis.
Onhandigheid of onverschilligheid?
In de enorme baai waar het water kalm is, ligt altijd een tiental schepen voor anker. De bemanning moet soms enkele weken wachten voordat ze aan land kan gaan in de haven, een uitgestrekt terrein met twee kades dat door kokende hitte wordt geteisterd en waar het te ondiep is voor schepen met een zeer grote tonnage. Arbeiders doden de verveling in de schaduw van krappe hangars en enkele silo’s.
In januari heeft de coalitie een mobiele hijskraan beloofd, die node wordt gemist op de kades. De coalitie had de ambitie de havens van Al Mukalla en Aden verder te ontwikkelen om het scheepsverkeer in de houthistische zone in het noorden te beperken. Nu de VN er niet in is geslaagd begin september in Genève de vredesonderhandelingen te hervatten, bombardeert de coalitie Hodeida, de grootste haven van het land, en dreigt ze de stad te bestormen. Ondertussen wacht Al Mukalla nog altijd op zijn hijskraan.
Is het onhandigheid of onverschilligheid? Diverse grote importeurs in Al Mukalla geven de coalitie de schuld van de trage toegang tot de haven. Uit vrees voor illegale wapenleveranties aan de Houthi-rebellen moet elke lading vóór het lossen van een blanco volmacht van Rijad zijn voorzien. Sinds kort zouden de Emiraten hetzelfde doen vanaf hun militaire basis op de luchthaven van Al Mukalla, die ze nog steeds niet heropenen voor burgergebruik. Diverse ondernemers hebben zich bij de gouverneur beklaagd over pogingen tot afpersing. ‘We betalen ons blauw’, klaagt Abubaker Mohammad Bajersh, een grote importeur van voedingswaren. ‘Die vertragingen leveren ons boetes van de verzekeraars op. Uiteindelijk zullen ze het enige internationale bedrijf dat ons nog in Al Mukalla wil leveren, de Mediterranean Shipping Company, ook tegen ons in het harnas jagen.’
De Emiraten weigeren dit slechte functioneren voor hun rekening te nemen. ‘In Zuid-Jemen hebben we de pech dat we met een inefficiënte Jemenitische regering moeten samenwerken’, verklaarde een hoge functionaris van de Emiraten afgelopen augustus op doorreis in Parijs. ‘We hebben een politieke oplossing nodig voor het conflict met de houthisten. In de tussentijd gaan we Aden en de Jemenieten niet drijvende houden: dat is een verloren zaak. We hebben de middelen niet om het land te reorganiseren.’
Deze afwachtende houding werkt het uiteenvallen van het land in de hand. In Aden laten de Emiraten hun plaatselijke bondgenoten, gewapende separatisten en salafisten, dromen van de wedergeboorte van een onafhankelijke staat in het zuiden, die in 1990 aan het eind van de Koude Oorlog is verdwenen. In Al Mukalla mikken ze op een regionalistischer sentiment: de provincie wordt de facto autonoom.
Gouverneur Faraj Salmen Al-Bahsani voelt zich verantwoordelijk: hij wantrouwt zowel Sanaa als Aden. Hij noemt zich een legitimist, maar op zijn gouvernementsgebouw wappert geen enkele vlag, noch die van het verenigde land, noch die van het oude zuiden. Dit graatmagere mannetje met holle ogen, wiens wervelkolom wordt geteisterd door slaapgebrek, is een van de weinige Jemenitische bestuurders die niet van corruptie wordt beticht. Als militair koestert hij een instinctief wantrouwen jegens de politiek, die hem in 1994 twintig jaar naar Saoedi-Arabië heeft verbannen aan het eind van een burgeroorlog tussen het noorden en het zuiden. Hij houdt zijn provincie op de been ‘zonder ook maar één cent van de centrale regering te ontvangen’, benadrukt hij. Hij houdt 20 procent van de olie-inkomsten en de havenbelasting van Al Mukalla in.
Voor de toekomst mikt Bahsani vooral op investeringen van degenen die uit zijn regio Hadramaout zijn vertrokken en zich in de middeleeuwen en daarna sinds de achttiende eeuw met succes in de Golfregio en Zuid-Azië hebben gevestigd. Sommigen behoren tot de rijkste families van Saoedi-Arabië, zoals de Bin Ladens en de Bugshans. Deze grote neven spreken hem moed in, maar ze investeren niet: Al Mukalla is niet zeker genoeg. Voorlopig keren er vooral mensen zonder geld terug. Sinds een jaar worden duizenden arbeidsmigranten door de Saoedische autoriteiten het land uitgezet. Zo ook de familie van Faiz Bajaber, een 19-jarige student. Zijn twee ooms en hun gezinnen hebben zich net bij hem gevoegd, na verjaagd te zijn uit Rijad. ‘Mijn vader is nog in Djedda, hij heeft een carrosseriebedrijfje. Maar aan het geld dat hij stuurt hebben we niet genoeg’, zegt hij wanhopig.
De salarissen die arbeidsemigranten aan hun gezinnen overmaken zijn onmisbaar voor Jemen, maar het worden er steeds minder. Bahsani schat dat over een jaar minimaal 500 duizend van hen in het land zullen zijn teruggekeerd. Dat kan een enorme schok veroorzaken. De regering-Hadi in Rijad heeft haar grote beschermheer daarvoor gewaarschuwd, maar zonder succes.
In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.
In Marokko ontbreken openbare kleuterscholen, waardoor kinderen onder de zes jaar vaak zijn aangewezen op privéonderwijs. Dit vergroot de ongelijkheid tussen arm en rijk en tussen steden en het platteland.
Het Marokkaanse nationale onderwijsstelsel, dat tot de eenentwintig zwakste ter wereld wordt gerekend, kent geen openbare kleuterschool voor kinderen jonger dan zes jaar, hoewel die al voor 2004 was aangekondigd. Om de leemte te vullen hebben de private, verenigings- en informele sector het voortouw genomen. Driekwart van de Marokkaanse kinderen kan na afronding van de lagere school niet goed lezen, schrijven of rekenen. En toch wil die openbare kleuterschool er maar niet van komen, hoe sterk het maatschappelijk middenveld er ook op aandringt.
Het ministerie van Nationaal Onderwijs had met steun van diverse economische en sociale actoren en verenigingen een nationaal werkplan voor kinderen (2006-2015) ontwikkeld, getiteld ‘Een Marokko dat zijn kinderen verdient’ (‘Maroc digne de ses enfants’). Op het gebied van kleuteronderwijs is van vooruitgang echter nauwelijks sprake geweest. Het deelnamepercentage is onder het streefcijfer gebleven.
Met name op het platteland bleef die deelname met 41,7 procent onder de maat, zeker bij meisjes: 28,3 procent. Volgens het Marokkaanse nieuwsagentschap (MAP) lag het landelijk gemiddelde in het jaar 2013-2014 rond 64,3 procent. Het agentschap herinnerde aan een noodprogramma voor de periode tussen 2009-2012, genaamd ‘Samen de schouders eronder voor een succesvolle school’ (‘Ensemble pour l’école de la réussite’).
Bij gebrek aan openbare kleuterscholen zijn er particuliere initiatieven. De lessen zijn informeel en worden gehouden in privéwoningen, of door gelovigen in moskeeën. Het aanbod is dus ongestructureerd en ontbeert een gemeenschappelijke visie.
Informele klassen
Sidi Moumen, Casablanca. In deze wijk – een van de meest achtergestelde van Marokko – is de vereniging Umm El Ghait de afgelopen jaren met kleuteronderwijs begonnen. Braaf op hun stoeltjes gezeten, zeggen de kinderen de tafels op in het Frans. ‘We beginnen onmiddellijk met Frans,’ zegt Amal Kadiri Berrada, van Oum El Ghait, ‘want tweetaligheid is erg belangrijk om ongelijkheid te bestrijden.’ In dit gloednieuwe klaslokaal geeft Samira Benali, een gekwalificeerde onderwijzeres, op alle werkdagen van halfnegen tot halfvijf, les aan vierentwintig leerlingen van vier tot zes jaar oud.
‘Het doel van de kleuterschool is om het kind van de moederwereld naar de wereld van de school te begeleiden. Je speelt er, maar leert er vooral wat school is. Volgens mij moet je alleen maar Frans onderwijzen, omdat het kind niet kan spelen en tegelijkertijd Arabisch, Frans en soms zelfs Engels leren,’ zegt Amine Mejjari, directeur van een basisschool in Sidi Moumen.
Scholen die kouttab (ook wel m’sid) heten, bieden informele lessen op grond van ‘oorspronkelijk’ ofwel sterk op islamitische leest geschoeid onderwijs. Volgens overheidsstatistieken waren de kouttab in 2016 goed voor 60,5 procent van het kleuteronderwijs in Marokko. Op het platteland was dit percentage 71,3 procent. In de kouttab staat de islam centraal. De kinderen leren lezen en schrijven aan de hand van boekjes waarin koranverzen worden uitgelegd. Ze moeten zich die eigen maken en opzeggen.
‘Er zijn informele structuren, zoals geïmproviseerde kinderdagverblijven in sloppenwijken, maar ze hebben onvoldoende uitrusting, voldoen niet aan hygiënische normen en zijn over het algemeen overvol. Het onderwijzend personeel is ongeschoold en soms zitten er negentig kinderen in één ruimte,’ zegt Amal voor de school waar zijn vereniging lesgeeft, terwijl ouders hun kinderen komen ophalen. Voor Oujour Hssain, directeur informeel onderwijs bij het ministerie van Nationaal Onderwijs ‘is Marokko zoekende naar een voorschools model dat duurzaam is en dat de staat zou kunnen financieren. Maar eerst moet de lagere school van voldoende niveau zijn om de kleuterschool te kunnen integreren. We hebben nog een lange weg te gaan.’
Toumliline, een klein dorp op ongeveer tien uur rijden van Casablanca, kent wel een lagere school, maar geen kouttab of kleuterschool. Terwijl kinderen op straat in de winterzon spelen, zegt onderwijzeres Raibah dit gebrek aan scholing voor peuters en kleuters te betreuren: ‘Het is heel moeilijk voor een basisschoolleraar om kinderen in de eerste klas te hebben die nog nooit naar school zijn geweest.’
Driehonderd meter verderop, aan de andere kant van de rivier, heeft een vereniging in Aït Daoud een kleuterschool gebouwd, maar daar kunnen de kinderen van Toumliline niet naartoe. Mohamed Gourou, 32, woont in Toumliline en is vader van twee kinderen, van wie een de lagere school van het dorp bezoekt: ‘We willen graag een school voor de jongste, maar dat kan hier niet,’ zegt hij bij de schoolpoort, waar hij op zijn zoontje wacht.
Le Desk, dat in 2015 werd gelanceerd, is een onafhankelijke informatie- en onderzoekssite. Het bedrijfskapitaal is in handen van het team dat de site heeft opgericht en dat voornamelijk uit journalisten bestaat. ‘Een dergelijke structurele economische onafhankelijkheid is vrij zeldzaam in Marokko.’
CONTEXT: 84 %
van de Marokkaanse kinderen zit op scholen waar achtergestelde bevolkingsgroepen dominant zijn. Dat blijkt uit een in 2016 in vijftig landen uitgevoerd onderzoek van PIRLS (Progress in International Reading Literacy Study), een internationaal vergelijkende studie naar de leesprestaties van leerlingen in het basisonderwijs. Volgens het Marokkaanse economisch dagblad L’Économiste is het internationale gemiddelde bijna drie keer zo laag (29 procent). ‘Slechts 8 procent van de Marokkaanse kinderen bezoekt onderwijsinstellingen met een evenwichtige sociale samenstelling; internationaal is dat gemiddeld 33 procent.’
María de Jesús Patricio, ofwel Marichuy, wil president van Mexico worden. De kans dat dat lukt is vrij klein. Belangrijker is dat zij de inheemse bevolking van Mexico weer een stem geeft en de draad oppakt van Subcomandante Marcos en zijn Zapatistische Bevrijdingsleger.
Evenals dat van de oorspronkelijke bewoners, van voor de Spaanse overheersing, is het leven van Marichuy (Chuy voor familie en vrienden) begonnen tussen het maïs. ‘Mijn vader was boer. Overdag werkte ik met hem op het land, ’s middags studeerde ik en ’s avonds hielp ik mijn moeder met de kleintjes.’ We spreken elkaar op het kantoor van de Concejo Indígena del Gobierno (Indiaanse Raad van de Regering) in Colonia Doctores, een wijk in Mexico-Stad. Om ons heen zitten raadsleden te ontbijten voordat de algemene vergadering begint. ’s Middags zal Marichuy haar intensieve rondgang langs de indiaanse gemeenschappen vervolgen, deze keer vertrekt ze richting de Golf van Mexico. Haar man, de advocaat Carlos González, die zich sterk maakt voor het behoud van indiaanse gemeenschapsgrond, luistert respectvol naar haar en komt alleen tussenbeide als zij hem naar een datum of de naam van een organisatie vraagt. Als Marichuys mobiel gaat kijkt ze naar het nummer op haar scherm en vraagt haar man welke deelstaat er belt. ‘Guerrero,’ antwoordt hij zonder blikken of blozen.
Met een natuurlijke vanzelfsprekendheid pareert ze grappen en beantwoordt ze vragen zonder zich te verliezen in een web van woorden. Ik heb haar zien discussiëren tijdens een etentje met intellectuelen, zaken zien regelen bij een notaris, een massabijeenkomst zien bijwonen, ik heb haar zien terugkomen van een lange reis of op het punt staan te vertrekken. Haar natuurlijkheid valt lastig te rijmen met de politiek.
Indiaanse Mexicanen
Marichuy is geboren in Jalisco, geboortegrond van de grote Mexicaanse vertellers Juan Rulfo en Juan José Arreola. Ze spreekt zorgvuldig en zonder omhaal van woorden. Vaak zijn haar toespraken het kortst van alle toespraken tijdens haar campagne, zonder uitzondering door vrouwen gehouden. Ze heeft weinig woorden nodig om uit te leggen dat ze strijdt tegen de onderdrukking van de vrouw en de indiaanse bevolking; en tegen het kapitalisme, dat ervoor zorgde dat de indiaanse gemeenschapsgrond in handen kwam van een handjevol mensen.
Kan een land van onderaf worden veranderd door de allerarmsten, over wie gezwegen wordt in de vaderlandse geschiedenis? Op de lagere school geeft men hoog op van de slimme oorlogvoering van de Azteken en het wiskundig vernuft van de Maya’s, maar noch hun talen, noch hun ontstaansgeschiedenis of hun gewoontes is onderwerp van studie. Het is nog erger: in het moderne Mexico wordt met geen woord over hen gerept, terwijl er meer dan tien miljoen indiaanse Mexicanen zijn.
Hier moet het Zapatistisch Nationale Bevrijdingsleger (EZLN) worden genoemd, dat de wapens oppakte toen de NAFTA van kracht werd, het vrijhandelsverdrag tussen Mexico, Canada en de Verenigde Staten. Op 1 januari 1994 lanceerde president Carlos Salinas het vooruitstrevende idee van belastingvrije handel. De inheemse erfenis werd gezien als een periode die voorafgaat aan de vaderlandse geschiedenis, die thuishoort in musea voor volkenkunde en winkels met ambachtelijke spullen. Maar de Zapatistas keerden het tij en lieten zien dat de indianen wel degelijk bij de moderne tijd horen. ‘Nooit meer een Mexico zonder ons’, was hun leus.
Op 14 oktober 2017 begon Marichuy haar tocht langs de vijf caracoles (schelpen), de autonome regeringscentra van de Zapatistas, waar ze steun kreeg van de Maya’s, de Tzotziles, Choles, Zoques, Tzeltales en de Mames, en de nieuwsgierigheid wekte van indiaanse stammen die zich tot dan toe afzijdig hadden gehouden. In het regenachtige La Garricja, het zonnige Palenque en het mistige Oventic dromden bivakmutsen, strooien hoeden en baseballpetjes samen om naar de indiaanse vrouwen te luisteren. Omdat de Zapatistas ervan overtuigd zijn dat verandering zonder kunst niet bestaat, worden de bijeenkomsten afgesloten met dans, theater en muziekoptredens.
Wat Marichuy doet is nooit eerder vertoond. Niet eerder reisde een indiaanse vrouw, gesteund door 153 gemeenteraadsleden uit 52 indiaanse dorpen, door Mexico. Het land zal nooit meer hetzelfde zijn. ‘De indiaanse stem bestond niet, ze zagen ons alleen als boeren,’ zegt Marichuy. ‘De opstand van de Zapatistas in 1994 en het Nationaal Indiaans Congres van 1996 heeft daar verandering in gebracht.’
Het in 1996 met de Zedillo-regering gesloten Verdrag van San Andrés, dat de autonomie van de indiaanse bevolking zou waarborgen zonder de staatssoevereiniteit in gevaar te brengen, is nooit in wetgeving omgezet. Geen enkele politieke partij nam het voor de indiaanse bevolking op. In 2001 deden de Zapatistas een laatste poging om heel Mexico naar hen te laten luisteren en organiseerden ze een lange mars van Chiapas naar de hoofdstad. In het Mexicaanse Congres pleitte commandant Esther ervoor dat de indianen als deel van Mexico zouden worden beschouwd. Ook Marichuy was een van de spreeksters. Zij drong er eveneens op aan dat het sociale pact waarin alle Mexicanen als gelijken worden beschouwd nieuw leven in geblazen zou worden. Maar hun woorden ketsten af op congresleden die meer oog hadden voor het spekken van hun eigen zakken.
Toen de Zapatistas beseften dat de regering nooit hun eisen zou inwilligen, trokken ze zich terug op hun land, waar ze knokten voor hun dagelijks bestaan. Vanaf dat moment zijn de Zapatistas ‘verdwenen’, zoals het heet. Maar die uitspraak doet tekort aan het werk van Las Juntas de Buen Gobierno (raden van goed bestuur). In de caracoles organiseren ze seminars – die ze zelf liever semilleros (kweekplaatsen) noemen – en festivals, en publiceren ze boeken waarin ze aantonen dat een andere wereld wel degelijk mogelijk is. Een andere wereld die gek genoeg al bestaat in onze wereld.
‘Waarom laat je me de papieren niet zien, misschien heeft de pachtbaas zich wel vergist’
Marichuys strijd tegen onrechtvaardigheid begon toen ze op het platteland tot een aantal inzichten kwam. Haar vader was mediero (pachter die de helft van zijn oogst afstaat aan de landeigenaar). Tot aan de dag van vandaag wordt dit archaïsche systeem van uitbating in Mexico toegepast. ‘Het was een jaar dat de maïsoogst erg goed was. Mijn vader rekende af met de pachtbaas en moest duizend peso bijbetalen. Sowieso hield de landeigenaar zich nooit aan de officiële prijs, maar nu was er wel heel veel maïs geoogst. Ik vond dat oneerlijk,’ vertelt Marichuy, die toen twaalf jaar oud was.
Haar vader legde zich angstvallig neer bij wat de baas hem gaf en dronk zijn frustraties weg. Eenmaal dronken reageerde hij zich af op zijn kinderen (‘Hij leefde zich vooral uit op ons, de meisjes,’ aldus Marichuy). Maar toen ze twaalf was durfde ze voor het eerst tegen hem in te gaan: ‘Waarom laat je me de papieren niet zien, misschien heeft de pachtbaas zich wel vergist,’ zei ze tegen haar vader. Haar vader gaf haar de rekening en ze zag dat het de pachtbaas was die duizend peso moest betalen, niet andersom. ‘Ik zei tegen mijn vader: waarom vraagt u de baas niet of hij in maïs uitbetaalt zodat we te eten hebben?’ vertelt Marichuy. ‘De baas ging sputterend akkoord en gaf de maïs terug. Het was het laatste jaar dat mijn vader van hem mocht pachten. Toen realiseerde ik me dat hij zich niet had vergist, maar dat het opzet was geweest.’
Haar vader vond dat ze moest trouwen en verbood haar na de lagere school verder te studeren. Met steun van haar moeder ging ze toch naar de middelbare school en bereidde zich stiekem voor op het toelatingsexamen van de universiteit.
Haar kennismaking met het bisdom Antonio Andrade bleek doorslaggevend. De priester daar verkondigde de bevrijdingstheologie en zei in zijn preek: ‘Het evangelie verspreiden is werken.’ Zijn kerk stond in de maïsvelden en zijn preken strekten verder dan zieltjeswinnerij. ‘Organiseer je en kom op voor je rechten,’ hield hij zijn kerkgangers voor. Andrade werd niet de mond gesnoerd, maar wel overgeplaatst van het bisdom Guzmán naar San Gabriel.
Zijn boodschap viel in vruchtbare aarde. ‘Ik realiseerde me dat we als stieren over de omheining moesten springen,’ glimlacht Marichuy. Haar eerste politieke beweging bestond uit twintig personen, van wie zij de jongste was. ‘We zetten een weg af om te protesteren tegen de maïsprijzen. Al snel groeide onze aanhang uit tot tweeduizend. Zelfs keuterboertjes wilden betere prijzen voor de maïs. Het leger kwam om ons weg te sturen. Een paar mensen wilden zich verzetten, maar wat konden we doen? De militairen waren gewapend. Ze stelden voor een afvaardiging mee te nemen in de helikopter, maar dat wilden we niet. We waren bang dat hen iets zou overkomen.’
Als gevolg van het protest werden de prijzen iets aangepast, maar dat was niet genoeg. Hoe dan ook, het was een teken dat een gezamenlijke actie effect kon hebben.
Boze oog
Marichuy deed als enige van elf broertjes en zusjes toelatingsexamen op de universiteit en ging medicinale plantenkunde studeren. Haar tantes behandelden mensen met geneeskrachtige kruiden, en als kind zag ze hoe ze jonge zilverbladplantjes en munt gebruikten tegen diarree. In Juan Rulfo’s roman Pedro Páramo vindt Juan Preciado zijn moeders foto in een kom met wijnruit. Ik vraag Marichuy wat deze plant, die ik alleen van naam ken, geneest. ‘Mensen met het boze oog,’ zegt Marichuy. ‘De plant bevat veel elektrische lading,’ vult haar man aan. Ik denk aan de foto die het beroemdste personage van de Mexicaanse literatuur in zijn borstzakje draagt, dicht op zijn hart. De foto werd bewaard met planten die het boze oog bestrijden.
‘Veel mensen denken dat het boze oog bijgeloof is,’ aldus Carlos González, ‘maar het boze oog is een maagaandoening, vaak veroorzaakt door stress.’ De symptomen zijn een branderig gevoel in je maag, dat het ene oog kleiner wordt dan het andere, hoofdpijn, een warm hoofd, overgeven, diarree en duizeligheid. Wij stadsmensen, die de mond vol hebben van stress, denken dat het boze oog puur bijgeloof is.
Decennialang heeft Marichuy mensen genezen van hun boze oog, angsten en indigestie. In het merendeel van de gevallen vraagt ze er niets voor. ‘Laat je je dan in natura betalen?’ vraag ik haar, ‘bijvoorbeeld met een kip?’ ‘Oei, nee,’ glimlacht ze, ‘dat is veel te veel! Soms een paar eieren, misschien.’
Haar moeder was haar belangrijkste patiënt. Drie jaar lang was ze invalide, haar artsen hadden haar opgegeven. Marichuy behandelde haar met kompressen, tot ze weer kon lopen. Nu heeft ze zich voor de immense taak gesteld om het land weer op de been te helpen. Om zó’n zieke patiënt beter te maken zal er meer van stal moeten worden gehaald dan de blaadjes van de guamachilboom.
‘Wat ging er door je heen toen het Nationaal Indiaans Congres je verkoos tot woordvoerster?’ ‘Ik dacht dat het een grap was,’ antwoordt Marichuy. ‘Nou, ik niet,’ roept haar man uit.
De vierenvijftigjarige Marichuy heeft veel verantwoordelijkheid op zich genomen. Een aantal maanden geleden zocht een groep Zapatista-vrouwen haar op in de Universidad de la Tierra in San Cristóbal de Las Casas. ‘We weten dat jij het kunt,’ zeiden ze tegen haar. ‘Veel van ons wisten niet eens hoe we moesten spreken, maar gaandeweg hebben we dat geleerd.’ Na deze steun in de rug sprak Marichuy met haar drie kinderen. ‘Dat kun je ons niet aandoen, mamma,’ was het eindoordeel. Ze waren bang dat haar iets zou worden aangedaan. ‘Ze zijn doodsbenauwd dat ik niet terugkom,’ zegt Marichuy, terwijl ze met neergeslagen ogen over haar onderarm krabt.
Hun drie kinderen wonen nu bij familie in Estado de México. Haar man verdeelt zijn tijd tussen de campagnereizen van Marichuy, de bezoeken aan hun kinderen en de rechtszaken die hij voert in Nayarit, Jalisco, Michoacán en andere staten om gemeenschapsgronden terug te vorderen.
Kun je hoop meten? Op 19 februari moet Marichuy 867.000 handtekeningen uit ten minste zeventien staten bij elkaar hebben verzameld, en uit elke staat moet dat 1 procent van de geregistreerde stemgerechtigden zijn. De politieke partijen hebben deze drempel opgeworpen voor onafhankelijke kandidaten. Feitelijk kunnen alleen kandidaten die logistiek hun zaakjes in orde hebben aan die voorwaarden voldoen, en zo krijgen alleen beroepspolitici een tweede kans.
Op 9 november stond de teller bij Marichuy op 25.000 handtekeningen.
In een land waar 81,7 procent van de bevolking slechts drie keer het minimumloon verdient, wil de Kiesraad dat er een maandsalaris naar het kopen van een mobiel gaat
De Indiaanse Raad van de Regering, in wiens burelen het gesprek met Marichuy plaatsvond, werd opgericht om discriminatie tegen te gaan. De paradox is dat de indianen te maken krijgen met discriminerende regelgeving. De Kiesraad heeft een handtekeningenapp ontwikkeld die op een gangbare mobiel (kosten: vijfduizend peso; meer dan drie keer het minimumloon) moet worden gedownload. In een land waar 81,7 procent van de bevolking slechts drie keer het minimumloon verdient, wil de Kiesraad dat er een maandsalaris naar het kopen van een mobiel gaat.
Bovendien gebeurt dit in een land waar niet elke regio beschikt over elektriciteit en een internetaansluiting. De app ‘Ciudadano’ (Burger) is ontwikkeld met technologie waar indianen geen toegang tot hebben. De meedingende partijen gingen akkoord met de voorwaarden, maar de app werkt niet naar behoren. Veel mobiels lopen vast en het duurt wel een half uur om een handtekening te registreren (in plaats van de beloofde vierenhalve minuut). Je hebt een bepaald soort licht nodig en de nummers en letters zijn niet nauwkeurig (de ‘S’ en de ‘5’ worden met elkaar verwisseld en moeten handmatig worden gecorrigeerd, wat weer vergissingen in de hand werkt).
Deze democratie van ontregeling is uitgedacht door een heersende klasse die ver van het volk staat. Een aantal weken geleden zei minister van Onderwijs Aurelio Nuño, die zich voor de PRI (Partido Revolucionario Institucional, de Institutioneel Revolutionaire Partij) wil kandideren voor het presidentschap, dat hij zou willen dat Mexico Zuid-Korea was. Een andere PRI-aspirant-kandidaat, José Antonio Meade (ministerie van Financiën) presenteerde tijdens een lunch van het Colegio Nacional (Instituut voor Wetenschap, Letteren en Kunst) een model dat hij had afgekeken van de Amerikaanse National Football League.
Het zoete vaderland
Kan de toekomst bij de armen liggen? John Berger heeft ooit gezegd dat hoop doet leven voor wie niets heeft. Toen Gandhi protesteerde tegen de zoutbelasting wilde hij laten zien dat armoede hem kracht gaf: hij pakte een handvol zout en zei dat dit de fundamenten van het Brits imperium zou aantasten. Op die lijn zit het idee van de indianenbeweging dat hun zwakte hun kracht is.
‘Vaderland, verkoper van chiazaad’, schreef de dichter Ramón López Velarde. Het gedicht ‘La suave patria’ (Het zoete vaderland) is wonderbaarlijk genoeg uitgekomen: nu het uur van het volk heeft geslagen besluit Marichuy te laten zien wat het zaad waard is.
Auteur: Juan Villoro
Vertaler: Henriëtte Aronds
Villoro (Mexico, 1956) is een van de meest opvallende stemmen in de contemporaine Latijns-Amerikaanse literatuur. Hij schrijft met regelmaat opiniestukken voor Mexicaanse kranten en is vaste medewerker van El País.
CONTEXT
‘De Mexicaanse Revolutie [die in 1910 begon met een opstand tegen het bewind van Porfirio Díaz (president van 1877-1880 en van 1884-1911 ) en eindigde met een nieuwe grondwet in 1917] heeft in het zuiden van Jalisco niet alles veranderd,’ zegt Carlos González. Hij is advocaat en heeft gegevens verzameld om meer inzicht te krijgen in de situatie op het platteland van de regio Guzmán. ‘De mediería is een feodaal systeem waar tijdens de grondwetdebatten in 1917 over werd gesproken. Onder het bewind van Porfirio Díaz kregen grootgrondbezitters de indiaanse gemeenschapslanden in handen. Na de Revolutie wilden de indianengemeenschappen hun land terug. Een deel ging naar de zogeheten ejidos (landbouwcoöperaties), maar een deel ook niet. Bijvoorbeeld het land van de Ayotitlán-indianen, zo’n 500.000 hectare waar ze sinds de landverdeling in 1595 en 1596 recht op hebben, zo staat in het Nationaal Archief. In 1921 werd een procedure gestart om het land terug te vorderen en in 1963 werd bepaald dat 50.000 hectare land van de indianen was en moest worden teruggegeven. Ze kregen slechts 30.000 hectare. De zaak loopt nog steeds en ligt nu bij de Hoge Raad.
Over vier jaar is het honderd jaar geleden dat de zaak aanhangig werd gemaakt. Mexico is een roofstaat en Marichuy heeft zich voorgenomen dat te veranderen.
CONTEXT: Verkiezingen
Tot nog toe zijn er twee serieuze kandidaten voor de presidentsverkiezingen in Mexico op 1 juli. De verkiezingen mogen dan voor de vijfde keer op rij democratisch zijn, maar of het verloop dat ook zal zijn is volgens de meeste peilingen nog zeer de vraag. De reden is koploper Andrés Manuel López Obrador, linkse politicus en presidentskandidaat, beter bekend als AMLO, die met zijn onafhankelijke partij Morena een enorme achterban heeft.
De kwestie is niet zozeer of López Obrador, de voormalige burgemeester van Mexico-Stad, zal winnen, maar veeleer of politieke rivalen en het bedrijfsleven en niet te vergeten de maffiabazen dat zullen toestaan. Het is de derde keer dat hij een gooi naar het presidentschap doet. Twee keer eerder aanvaardde hij de ‘frauduleuze resultaten’ niet.
Het Mexicaanse weekblad Proceso is in 1976 ontstaan door journalistieke beknelling tijdens de regering van de omstreden president Luis Echeverría Álvarez. Echeverría zorgde ervoor dat de in 2015 overleden grand old man van de journalistiek Julio Scherer García destijds ontslagen werd bij het dagblad Excélsior. Dat had hij beter niet kunnen doen. Met de opbrengst van een door bevriende kunstenaars, schrijvers en fotografen georganiseerde veiling startte Scherer Proceso, tot op de dag van vandaag een van de weinige onafhankelijke en kritische weekbladen in Mexico. Proceso werd een broedplaats voor kritische journalisten die de wurggreep op informatie trotseerden, decennialang opgelegd door de heersende Institutioneel Revolutionaire Partij (PRI), en om te beginnen corrupte praktijken van emblematische figuren uit de politiek onthulden. Het succes van het tijdschrift moedigde andere publicaties aan meer onafhankelijk te opereren, wat bijdroeg aan de verkiezingsnederlaag van de PRI in 2000. Elena Poniatowska, een bekende Mexicaanse journalist en schrijver, vroeg zich in een hommage aan Scherer af of het zonder zijn ‘brandstichtende pen’ mogelijk is de realiteit van Mexico te begrijpen.
De Verenigde Staten hebben aangekondigd in 2019 een groot deel van de Salvadoraanse migranten te zullen uitzetten. Maar hun vaderland ziet hen liever niet komen, constateert deze schrijver treurig.
De Verenigde Staten hebben de knoop doorgehakt: ze willen af van de tweehonderdduizend Salvadoranen die een tijdelijke beschermde status (TPS) genieten. Dat betekent dat deze migranten van de ene dag op de andere illegaal zullen worden – zo noemen de Republikeinen mensen zonder verblijfsvergunning. Maar het betekent ook dat El Salvador zich over de terugkeer van deze onderdanen zal moeten buigen en over de manier waarop die weer kunnen worden opgenomen in de samenleving die ze bij gebrek aan perspectief hadden verlaten.
Klagen heeft geen zin, wat gebeurd is, is gebeurd. Wat is de Salvadoraanse regering van plan? En dan bedoel ik op de lange termijn, want ze heeft hun vertrek al achttien maanden weten uit te stellen. Minister van Buitenlandse Zaken Hugo Martínez verklaarde dat de regering erin was geslaagd de TPS te verlengen, terwijl hij in werkelijkheid heeft bereikt – op zichzelf niet niks – dat de tweehonderdduizend Salvadoranen tot september 2019 hebben om hun zaken in de VS te regelen voordat ze moeten vertrekken.
In wat voor land zullen deze Salvadoranen terugkomen? Zolang de leefomstandigheden die duizenden landgenoten hebben doen besluiten El Salvador te verlaten niet verbeteren, riskeren we een nieuwe humanitaire ramp. De geschiedenis heeft de neiging zich te herhalen, vooral wanneer de factoren die een hele generatie in socioculturele wanorde hebben gestort voor de volgende generatie niet veranderen.
Iemand die voor ballingschap heeft gekozen zal moeite hebben zich weer in zijn oude leven te schikken, vooral als hij terugkeert naar een land dat er alleen maar onrechtvaardiger en gewelddadiger op is geworden
Toen de VS aan het begin van deze eeuw begonnen met het terugsturen van migranten uit Centraal-Amerika, die nog maar heel weinig banden hadden met het land van hun ouders, of die zich de geur van hun geboortegrond nog maar nauwelijks herinnerden, was dat een ware tijdbom die zich tegenwoordig manifesteert in de vorm van tientallen criminele bendes. Armoede en sociale ongelijkheid hebben ons de afgelopen jaren in een burgeroorlog gestort die honderden mannen, vrouwen en kinderen het leven heeft gekost. Nu zijn we misschien niet meer in oorlog, maar er vallen nog altijd doden en de ongelijkheid is misschien nog wel groter dan in de jaren tachtig van de vorige eeuw.
Links noch rechts is in El Salvador bij machte geweest oplossingen voor deze sociale problematiek te bieden. Het enige waar het de politici om gaat is op het fluweel te blijven zitten. En onze instituties zijn langzaam maar zeker aangetast door corruptie.
Ik durf me de samenleving niet voor te stellen die we zouden kunnen creëren als El Salvador erin zou slagen duizenden landgenoten op te vangen die gewend zijn aan een andere manier van leven, in een samenleving waar de voordelen van het hebben van vast werk op waarde worden geschat; waar vaklieden het beter zouden krijgen dan hun ouders, terwijl er zich een sociale verandering zou voltrekken die niet alleen maar een verkiezings-belofte was.
Het romantische beeld dat we van deze broeders in ballingschap hebben houdt stand zolang ze in het noorden blijven wonen, maar laten we ons niet vergissen: iemand die voor ballingschap heeft gekozen zal moeite hebben zich weer in zijn oude leven te schikken, vooral als hij terugkeert naar een land dat er alleen maar onrechtvaardiger en gewelddadiger op is geworden.
Aan de andere kant is er het sociale en economische belang van deze migranten. Ze hebben de plaats van de staat ingenomen door hun families te helpen zich in leven te houden in de jungle die ons land geworden is. Als deze particuliere sociale steun wegvalt, hoe zal de staat deze investeringen dan kunnen vervangen? En hoe kan, economisch gezien, deze toestroom van deviezen worden vervangen? Wat hebben ze hier voor kansen? Wat wil de staat hun bieden als ze datgene wat ze in de Verenigde Staten hebben geleerd hier niet eens in praktijk kunnen brengen?
Het is misschien moeilijk om toe te geven, maar de leefomstandigheden van de meeste Salvadoranen zijn hopeloos, ook al zijn we eraan gewend. Het geweld, de armoede, de criminaliteit, het is allemaal om wanhopig van te worden.
Er is een groot gebrek aan sanitaire voorzieningen en scholen in dit land, en daar hebben de regeringen de afgelopen veertig jaar maar weinig aan gedaan. Het militarisme viert nog altijd hoogtij. Jongeren worden dagelijks met intolerantie geconfronteerd. Het leger en de politie wanen zich almachtig. De jongeren vervallen tot criminaliteit omdat het de enige manier is om in opstand te komen. Zonder dat ze weten wat hun te wachten staat.
Noodplan
Bij de families die uitgezet zullen worden zit veel jong talent, tweetalig, gewend om in een rijke samenleving te wonen, en ik weet niet zeker of de Salvadoraanse samenleving klaar is om deze nieuwe socioculturele verandering op te vangen. Aan de andere kant kun je je afvragen hoe ver onze regering zal gaan om de rechten van de Salvadoranen te verdedigen die al die jaren in de Verenigde Staten hebben gewoond. Families zullen uiteen worden gerukt, investeringen en bezittingen dreigen in handen van andere mensen te vallen en voor altijd verloren te gaan als de eigenaars er geen aanspraak op kunnen maken.
Ik betwijfel of de regering zich heeft afgevraagd hoe ze met deze veranderingen moet omgaan. Hoe denkt ze deze onderdanen in de Salvadoraanse samenleving te reïntegreren? Zijn het land, de instituties en de inwoners wel modern genoeg voor de mentaliteitsverandering die deze nieuwkomers teweeg zullen brengen? Zullen de gerepatrieerden kunnen wennen of zullen ze proberen terug te gaan naar het land dat hen niet meer wil, met het risico dat ze zich aan de gevaren blootstellen die ze al eerder hebben gelopen?
Ik weet niet hoeveel tijd de regering nodig zal hebben om met een noodplan te komen, maar waarschijnlijk is het al te laat.
Gelanceerd in 1998, biedt een verscheidenheid aan meningen. Staat bekend vanwege zijn goede onderzoeksjournalistiek.
CONTEXT: Uitwijken naar Canada
Canada moet zich voorbereiden op een mogelijke toevloed van Salvadoraanse asielzoekers die na september 2019 uit de Verenigde Staten zullen worden verdreven en hun tijdelijke beschermde status (TPS) zullen verliezen, waarschuwt de website La Presse (Montreal). ‘We moeten mogelijke asielzoekers duidelijk te verstaan geven dat de Canadese wet niet zomaar iedereen asiel verleent.’ Le Devoir doet er nog een schepje bovenop door te melden dat Canada in de zomer van 2017 werd overspoeld door ‘honderden Haïtianen die dagelijks de grens tussen de VS en Canada overstaken’. Inderdaad zijn ongeveer tienduizend Haïtianen binnen enkele maanden de grens overgestoken om hun toevlucht te zoeken tot Québec, nadat de regering-Trump had aangekondigd de TPS voor Haïtianen in 2019 te beëindigen. De Canadese regering lijkt haar lesje te hebben geleerd en neemt dit keer talrijke initiatieven om de Salvadoraanse gemeenschap in de VS te informeren over de Canadese wet.
De recente moord op de Servische politicus Oliver Ivanovic bevestigt de status van de regio als het ‘zwarte gat van de Balkan’, aldus het Kroatische dagblad Jutarnji List.
We noemen de westelijke Balkan gewoonlijk het ‘zwarte gat’ van Europa. En Kosovo wordt dan weer het ‘zwarte gat van de Balkan’ genoemd, en Noord-Kosovo het ‘zwarte gat van Kosovo’. Toch had het nooit zover mogen komen. Als je Brussel mag geloven, dat zich voorstaat op de succesvolle dialoog tussen Kosovo en Servië, en als je kijkt naar alle hulp die Noord-Kosovo heeft ontvangen, zou dit de meest ontwikkelde regio moeten zijn en eerder het Liechtenstein van de Balkan! Eerlijk gezegd zijn ze nogal royaal geweest voor deze kleine, dunbevolkte regio. De Europese Unie heeft speciale middelen toegekend aan de regio, de regering van Kosovo heeft specifieke projecten voor het noorden, en ook de Servische regering wijst, met toestemming van Pristina en Brussel, speciale middelen toe voor de ontwikkeling van deze regio.
Met al dit geld en al deze projecten voor het noorden van Mitrovica en de aangrenzende gemeenten met in Kosovo wonende Serviërs, zou deze streek dus welvarend moeten zijn. En omdat de veiligheid van de regio een topprioriteit is van KFOR [vredeshandhavingsmissie van de NAVO in Kosovo] en Eulex [civiele missie van de Unie ter bevordering van de rechtsstaat], en de EU zich voorstaat op de succesvolle dialoog over het vrije verkeer in dit deel van het land, zou de veiligheid ook geen probleem mogen zijn.
Rechteloos gebied
Maar dat zijn maar indrukken, want de werkelijkheid is heel anders. Iedereen die in Noord-Kosovo is geweest of die er woont, of in het zuiden van Mitrovica, aan de andere kant van de brug tussen het Albanese deel en het Servische deel van de stad, kan ervan getuigen.
Het is moeilijk in Europa een plek te vinden die zo sterk op een rechteloos gebied lijkt. Kosovo kan niet bogen op veel eerbied voor de wet en het functioneren van de rechtsstaat. Maar de auto’s hebben er tenminste wel nummerborden, de politie patrouilleert er, bekeurt auto’s die te hard rijden, de burgers betalen er hun water- en elektriciteitsrekening en de straatnamen worden aangeduid in het Albanees en het Servisch. Dat is niet het geval in Noord-Kosovo. De auto’s rijden er rond zonder nummerbord of met een Servisch nummerbord. De wetten van Kosovo worden er dus niet nageleefd – ondanks het ‘historische akkoord’ onder auspiciën van Brussel –, net zomin als de wetten van Servië. Feitelijk maakt Servië sinds het einde van de oorlog in 1999 de dienst uit in dit deel van Kosovo, hetzij door de aanwezigheid van zijn politie, waarin de NAVO en de EU stilzwijgend hebben toegestemd, hetzij door zijn steun aan de parallelle machtsstructuren, zoals de ‘bewakers van de brug’.
Hoe is het mogelijk dat de EU dit heeft laten gebeuren en dat zij haar ogen sluit voor deze situatie? Als er zo slordig wordt omgesprongen met de macht, is het niet verbazingwekkend dat niemand weet wie er auto’s van politici in brand steekt, wie er gestolen auto’s verkoopt (zelfs aan de eigenaren van die gestolen auto’s), en nog minder wie er opdracht geeft voor het executeren van politici of wie deze opdrachten uitvoert.
Zo is het waarschijnlijk ook gegaan met de moord op Oliver Ivanovic, een van de belangrijkste en opvallendste Servische politici in Kosovo. Natuurlijk, er worden ook politici vermoord in Zweden, een van de ontwikkeldste en veiligste landen ter wereld. Maar de afgelopen twintig jaar blijven er te veel moorden en aanslagen op politici en journalisten onopgehelderd in Kosovo, zowel in het noorden als in het zuiden. Dit kun je niet alleen de ‘wettelijke Kosovaarse autoriteiten’ aanrekenen, omdat ook de NAVO– en Eulex-functionarissen in Kosovo over de middelen en het juridisch mandaat beschikken om tegen dit soort zaken op te treden.
De internationale gemeenschap heeft deze situatie in Noord-Kosovo zo lang getolereerd omdat het haar om politieke redenen goed uitkwam.
Helaas kan de moord op Oliver Ivanovic politieke consequenties hebben. Ondanks de komst van de internationale gemeenschap en de instelling van een internationaal protectoraat in Kosovo heeft Belgrado Noord-Kosovo feitelijk nog steeds in zijn greep. Met als doel om het land op te delen. Aangetoond moest worden dat Pristina niet in staat was zijn autoriteit te laten gelden in Noord-Kosovo, en dat Pristina zich neer moest leggen bij deze situatie. Dankzij het akkoord van Brussel is er een bijzondere status verleend aan Noord-Kosovo – het is een afzonderlijke entiteit geworden binnen Kosovo, die meer bij Belgrado hoort dan bij Pristina.
Deze situatie is koren op de molen van de criminele groeperingen die er actief zijn. De plaatselijke bevolking kan getuigen van de ‘voorbeeldige’ samenwerking tussen Serviërs en Albanezen op het gebied van de georganiseerde criminaliteit. Volgens de reacties in Belgrado kan de moord op Ivanovic worden gebruikt als bewijs dat noch Pristina, noch de internationale gemeenschap in staat zijn Noord-Kosovo te controleren. En dit ondanks het feit dat Ivanovic een politieke tegenstander was van de Servische regering. Bij de Kosovaarse verkiezingen in 2017 had hij het opgenomen tegen de Lijst Srpska, die gesteund werd door Belgrado. Alle Serviërs die het opnamen tegen deze lijst werden beschouwd als ‘verraders’. Bij de lokale verkiezingen heeft deze Servische lijst in negen gemeenten een meerderheid behaald, waardoor ze de machtigste politieke formatie in Kosovo werd qua aantal gewonnen gemeenten – meer dan de partijen die de Albanese bevolking vertegenwoordigen, die toch in de meerderheid zijn. Belgrado heeft dit succes geïnterpreteerd als een overwinning, maar ook als een signaal aan al degenen die hun eigen lijsten of partijen hadden opgericht. Oliver Ivanovic was een van hen.
Veel moorden in Kosovo zijn nooit opgelost. In de meeste gevallen gaat het om liquidaties van Albanese politici die zijn gepleegd in de eerste jaren na de oorlog. Momenteel wordt daar veel over gepraat. Sommige zaken worden aanhangig gemaakt bij het Kosovotribunaal dat is opgericht in Den Haag.
Zelfs bij de EU-missie laten ze doorschemeren dat er in sommige processen van Kosovaarse rechtbanken is gesjoemeld, uit vrees voor de eventuele repercussies voor lopende politieke processen
Tegenwoordig zijn er steeds meer getuigen die er publiekelijk voor uitkomen dat ze lid zijn geweest van criminele organisaties die na de oorlog belast werden met het elimineren van bepaalde personen, hetzij voor het geld, hetzij omdat ze gedwongen werden om de orders van machtige politici uit te voeren. Het is duidelijk dat talloze moorden of aanslagen, of ze nu gepleegd werden om etnische of andere redenen, bewust nooit zijn opgehelderd, omdat de waarheid de politieke stabiliteit dreigde te verstoren. Officieel wordt het ontkend en wordt er geschermd met een ‘gebrek aan bewijs’, maar zelfs bij de EU-missie laten ze doorschemeren dat er in sommige processen van Kosovaarse rechtbanken is gesjoemeld, uit vrees voor de eventuele repercussies voor lopende politieke processen.
Het is duidelijk dat er ook veel gewelddadige incidenten in Noord-Kosovo in de doofpot verdwijnen om de door de EU in Brussel gestarte dialoog niet in gevaar te brengen. De moord op Ivanovic heeft een schok teweeggebracht, temeer daar Kosovo al sinds lange tijd niet te maken had gehad met etnisch gemotiveerd geweld. Deze moord zou ernstige gevolgen kunnen hebben voor de stabiliteit van Kosovo als de internationale gemeenschap niet vastberaden optreedt tegen degenen die ervan zouden kunnen profiteren.
Opgericht na de onafhankelijkheid in 1991. Op een na grootste krant van het land, liberaal georiënteerd en veel ruimte voor columns van nieuw Kroatisch schrijftalent.
VN-rapporteur Philip Alston wil weten waarom 41 miljoen Amerikanen in armoede leven. The Guardian vergezelde hem twee weken lang tijdens een speciale missie naar het donkere hart van het rijkste land ter wereld.
Los Angeles, Californië
‘Je moet een keuze maken, man. Je kunt rechtdoor, naar de hemel. Of je kunt rechtsaf slaan en dáár eindigen.’ We zijn in Los Angeles, in het hart van een van de rijkste steden van Amerika, en de geheel in het zwart gestoken General Dogon is onze gids. Naast hem kuiert een andere lange man, met grijs haar en keurig gekleed in spijkerbroek en colbertje. Professor Philip Alston is een Australische academicus met een officiële titel: speciale VN-rapporteur op het gebied van extreme armoede en mensenrechten. General Dogon, zelf een oudgediende van deze straten in de wijk Skid Row, stapt zonder commentaar over een dode rat heen en omzeilt een lichaam dat in een versleten oranje deken gewikkeld op het trottoir ligt.
De twee mannen passeren het ene na het andere blok van sjofele tenten en geïmproviseerde optrekjes van zeildoek. Ervoor zitten of slapen mannen en vrouwen, soms in groepjes maar meestal alleen, als figuranten in een goedkope griezelfilm.
We komen op een kruispunt, waar General Dogon stopt en zijn gast voor de eerdergenoemde keuze stelt. Hij wijst recht vooruit naar het eind van de straat, waar de glinsterende wolkenkrabbers van het centrum van LA als een belofte van goddelijke rijkdom ten hemel rijzen. Dan draait hij naar rechts, waarbij de Black Power-tatoeage in zijn nek zichtbaar wordt, en leidt onze blik weer naar Skid Row, vijftig blokken van opeengepakte menselijke vernedering. Een nachtmerrie in het volle zicht, in de stad van de dromen.
Zo begint een reis van twee weken naar de schaduwkant van de Amerikaanse Droom. De belangstelling van de VN-rapporteur, die overal ter wereld een onafhankelijk oordeel velt over de mensenrechtensituatie, gaat ditmaal uit naar de VS en bereikt een hoogtepunt met de presentatie van zijn eerste bevindingen in Washington. Zijn feitenonderzoek naar het rijkste land dat de wereld ooit heeft gekend heeft hem naar de kern van de tragedie geleid: de 41 miljoen mensen die officieel in armoede leven. Negen miljoen daarvan hebben geen enkel inkomen – ze ontvangen geen cent overheidssteun.
Van armoede naar armoede
Alstons epische reis heeft hem van kust naar kust gevoerd, van armoede naar armoede. Hij begon in LA en San Francisco, reisde door de koloniale schandvlek Puerto Rico en daarna terug naar de zwaar beproefde kolenstreek van West Virginia, en overal zag hij met eigen ogen de funeste uitwerking van Amerika’s vertrouwen in het vrije ondernemerschap, waarbij publieke hulp uit den boze is.
The Guardian kon de VN-gezant door het hele land volgen, woonde zijn belangrijkste bezoeken bij en was getuige van de extreme armoede waar hij persoonlijk kennis van nam. Zie het als een koekje van eigen deeg. Om met de VN-rapporteur zelf te spreken: ‘Washington wil maar al te graag dat ik de armoede en de slechte mensenrechtensituatie in andere landen aan de kaak stel. Ditmaal ben ik in de VS.’
De reis vindt plaats op een kritiek moment voor Amerika en de rest van de wereld. Hij begint op de dag dat de Republikeinen in de Amerikaanse Senaat voor drastische belastingverlagingen stemmen die de superrijken in de kaart zullen spelen, terwijl veel lage-inkomensgezinnen zich met hogere belastingen geconfronteerd zullen zien. Door de veranderingen zal de inkomensongelijkheid toenemen, die met drie mannen – Bill Gates, Jeff Bezos en Warren Buffet – die samen evenveel bezitten als de helft van het hele Amerikaanse volk, toch al extremer is dan in enig ander geïndustrialiseerd land. Een paar dagen na het begin van het VN-bezoek doen de Republikeinse leiders er nog een reusachtige schep bovenop. Ze kondigen een verdere aanslag aan op de sociale voorzieningen van een toch al tot op de draad versleten verzorgingsstaat.
‘Kijk omhoog! Kijk naar die banken, die hijskranen, die luxeflats die verrijzen!’ roept General Dogon, die vroeger dakloos was in Skid Row en zich nu inzet voor het buurtactiecentrum LACAN. ‘Hier beneden is niks. Je ziet de tenten rug aan rug staan, de mensen kunnen nergens heen.’
Californië is een goed startpunt voor het VN-bezoek. De staat belichaamt zowel de onmetelijke rijkdom die de 0,001 procent aan de techboom heeft overgehouden als de gestegen huizenprijzen die daar het gevolg van zijn en waardoor het aantal daklozen de pan uit rijst. Los Angeles, de stad met veruit de grootste daklozenpopulatie van de VS, worstelt met het aantal crisisgevallen, dat het afgelopen jaar met 25 procent gestegen is tot 55.000.
Ressy Finley (41) is druk doende met het ontsmetten van de witte emmer die ze als toilet gebruikt in haar tent waar ze nu al meer dan tien jaar af en aan woont. Ze houdt haar woonruimte – een hoop versleten matrassen en dekens en een paar andere bijeengeraapte bezittingen – zo schoon mogelijk in een verloren strijd tegen ratten en kakkerlakken. Ook kampt ze met bedwantsen, waar de rode plekken op haar schouder van getuigen. Ze heeft geen officieel inkomen, en wat ze verdient met het inzamelen van flessen en blikjes is bij lange na niet voldoende om zich de gemiddelde huur van 1400 dollar per maand voor een minuscuul eenkamerwoninkje te kunnen veroorloven. Een vriend brengt haar om de paar dagen eten; de rest van de tijd is ze aangewezen op voedselbanken in de buurt.
Ze huilt tot twee keer toe tijdens ons korte gesprek, eenmaal wanneer ze vertelt hoe haar baby door welzijnswerkers uit haar armen werd getrokken vanwege haar drugsgebruik (hij is nu veertien, ze heeft hem nooit meer gezien). De tweede keer is als ze zinspeelt op het seksueel misbruik dat haar als kind op het pad van drugs en dakloosheid bracht.
Bij dat alles is het opmerkelijk hoe positief Finley blijft. Wat vindt ze van de Amerikaanse Droom, het idee dat iedereen het kan maken als hij maar hard genoeg zijn best doet? Ze geeft onmiddellijk antwoord: ‘Ik weet dat ik het ga maken.’
Een vrouw van 41 die op het trottoir in Skid Row woont en het gaat maken?
Zelfs een doorgewinterde armoede-expert als Alston is erdoor van zijn stuk gebracht
Het stukje trottoir naast Finley wordt bezet door Robert Chambers. Hij heeft van houten pallets een gebied rond zijn tent gemaakt dat in Skid Row doorgaat voor een tuintje. Hij heeft een bord neergezet waarop ‘Dakloze Schrijverscoalitie’ staat, de naam van een groep daklozen die hij leidt om ze hun waardigheid te laten behouden tegenover wat hij de ‘animalistische’ aspecten van hun leven noemt. Hij doelt vooral op het gebrek aan openbare toiletten dat mensen dwingt hun behoefte op straat te doen.
Het stadsbestuur van LA heeft meer beschikbare toiletten beloofd – wat hoognodig is, gezien de uitbraak van hepatitis A die zich vanuit San Diego langs de westkust verspreidt en al 21 mensen het leven heeft gekost, voornamelijk als gevolg van het gebrek aan sanitaire voorzieningen in daklozenkampen. ’s Nachts worden de parken met openbare toiletten gesloten om daklozen te weren.
Skid Row telt ’s nachts negen toiletten voor 1800 mensen die op straat leven. Dat is beduidend minder dan de VN voorschrijft voor de kampen voor Syrische vluchtelingen. ‘Het is gewoon onmenselijk, en uiteindelijk zul je er een animalistische levensinstelling aan overhouden,’ zegt Chambers. Hij leeft al bijna een jaar op straat, omdat hij wegens drugsbezit de voorwaarden van zijn voorwaardelijke vrijlating heeft geschonden en uit zijn goedkope appartement is gezet. Hij is niet meer te helpen, zegt hij, van ‘het maken’ is geen sprake meer. ‘Het veiligheidsnet? Daar zitten voor mij te veel gaten in.’
Van alle mensen die het pad van de VN-rapporteur kruisen, is Chambers het negatiefst over de Amerikaanse Droom. ‘Mensen realiseren zich niet dat het nooit beter wordt; mensen zoals wij kunnen er nooit bovenop komen. Ik ben 67, ik heb een hartkwaal, ik zou hier niet buiten moeten wonen. Ik zal het misschien niet lang meer maken.’
Dat is een heleboel ellende om op één dag te verstouwen, en zelfs een doorgewinterde armoede-expert als Alston is erdoor van zijn stuk gebracht. Als speciale VN-rapporteur heeft hij eerder verslag uitgebracht over de erbarmelijke leefomstandigheden in onder andere Saoedi-Arabië en China. Maar Skid Row? ‘Ik was behoorlijk gedeprimeerd,’ vertelt hij The Guardian later. ‘Die eindeloze stroom gruwelverhalen. Op een bepaald moment ga je je afvragen of iemand er wel iets aan kan doen, laat staan ik.’
Dan neemt hij het vliegtuig naar San Francisco, naar de wijk Tenderloin, waar het wemelt van de daklozen, en loopt de St. Boniface-kerk binnen. Wat hij daar ziet is balsem voor zijn ziel.
San Francisco, Californië
Zo’n zeventig daklozen liggen rustig te slapen op banken achter in de kerk, zoals hun op weekdagen elke ochtend is toegestaan, terwijl voor in de kerk de gelovigen eensgezind bidden. De kerk vangt hen op vanuit de katholieke gedachte dat iedereen een helpende hand verdient.
‘Ik vond die kerk heel erg opbeurend,’ zegt Alston. ‘Het was zo’n simpel schouwspel en zo’n voor de hand liggend idee. Ik dacht: als het christendom hier niet over gaat, waarover dan in hemelsnaam wel?’
Het is een zeldzame druppel altruïsme aan de westkust, die het moet opnemen tegen een zee van vijandigheid. Californische steden hebben de afgelopen jaren meer dan vijfhonderd antidaklozenwetten aangenomen. En Ben Carson, de neurochirurg die door Donald Trump tot minister van Huisvesting is benoemd, decimeert het nationale budget voor betaalbare woningen.
Het meest veelzeggende detail is misschien nog wel dat behalve St. Boniface en haar zusterkerk geen enkel gebedshuis in San Francisco daklozen opvangt. Sterker nog, vele hebben, zelfs in dit seizoen van naastenliefde, hun deuren voor iedereen gesloten om de daklozen maar buiten te houden.
Zoals Tiny Gray-Garcia, die zelf op straat leeft, aan Alston vertelt, hebben zij en haar lotgenoten elke dag te maken met wat ze ‘het geweld van het wegkijken’ noemt. Die wrede trek is al sinds de stichting van het land een kenmerk van het Amerikaanse leven. Het afwerpen van het juk van een al te bemoeizuchtige overheid (de Britse monarchie) werd in de ogen van veel Amerikanen synoniem met het individualistische idee dat je het zelf moet maken – een idee dat prima is voor degenen die zo gelukkig zijn dat ze dat kunnen, maar minder voor degenen die aan de verkeerde kant van de spoorlijn zijn geboren.
De New Deal van Franklin Roosevelt en de Great Society van Lyndon Johnson waren strijdig met dit idee en gingen ervan uit dat een samenleving zichzelf moet beschermen tegen de grillen van honger en werkloosheid. Maar de laatste tijd waait de wind sterk in de richting van ‘zoek het zelf maar uit’. Die trend werd in de jaren tachtig gezet door de belastingverlagingen van Ronald Reagan, gevolgd door Bill Clinton die in 1996 besloot de bijstand voor gezinnen met lage inkomens te schrappen, een maatregel waaronder nog steeds miljoenen Amerikanen gebukt gaan.
Als gevolg van deze opeenstapeling van aanvallen op de verzorgingsstaat genieten gezinnen die moeite hebben om rond te komen, onder wie de vijftien miljoen kinderen die officieel in armoede leven, beduidend minder steun dan in enige andere geïndustrialiseerde economie. En nu worden ze misschien wel met de allergrootste dreiging geconfronteerd. Zoals Alston zelf schreef in een essay over het populisme van Trump en de agressieve uitdaging die dat voor de mensenrechten betekent: ‘Dit zijn bijzonder gevaarlijke tijden. Bijna alles lijkt mogelijk.’
Lowndes County, Alabama
Trumps ondermijning van de mensenrechten, gevoegd bij het Republikeinse dreigement om volgend jaar nog verder in de sociale uitkeringen te snoeien en daarmee een deel van de belastingverlagingen te compenseren die nu door het Congres worden gejaagd, zal Afro-Amerikanen disproportioneel hard treffen. Zwarte mensen vormen 13 procent van de Amerikaanse bevolking, maar 23 procent van de mensen die onder de armoedegrens leven is zwart, evenals 39 procent van de daklozen.
Het raciale element van Amerika’s armoedecrisis is nergens zo zichtbaar als in het diepe zuiden, waar de open wonden van de slavernij nog altijd bloeden. De volgende halte van de speciale VN-rapporteur is de ‘Black Belt’, een term die oorspronkelijk naar de rijke donkere grond verwees die in een strook door Alabama loopt, maar die mettertijd gebruikt ging worden voor de Afro-Amerikaanse bevolking die daar de meerderheid vormt.
De link tussen bodemsoort en demografie was niet toevallig. De katoen tierde welig op dit vruchtbare land, wat op zijn beurt tot een levendige handel in slaven leidde om die te oogsten. De afstammelingen van de slaven wonen nog altijd in de Black Belt en behoren nog steeds tot de armsten van het land.
Je kunt de geschiedenis van de Amerikaanse schande, van de slavernij tot het heden, in een reeks eenvoudige grafieken weergeven. De eerste toont de katoenvriendelijke bodem van de Black Belt, de tweede de slavenbevolking, gevolgd door het zwarte woongebied en de extreme armoede van vandaag de dag: allemaal vormen ze precies dezelfde halvemaan die door Alabama loopt.
De huidige erbarmelijke situatie van de zwarte gemeenschap van Alabama zou je op vele manieren kunnen analyseren. De grimmigste is misschien wel het feit dat zo veel gezinnen in de Black Belt nog altijd geen toegang hebben tot sanitaire voorzieningen. Duizenden mensen leven nog steeds tussen open riolen die je normaliter met ontwikkelingslanden associeert.
Als Amerikaanse staatsburgers hebben ze evenveel recht op leven, vrijheid en het streven naar geluk. Alleen worden ze omringd door poelen met uitwerpselen
Vorig jaar onthulde The Guardian dat deze crisis tot een aanhoudende mijnwormepidemie heeft geleid, veroorzaakt door de gelijknamige intestinale parasiet die zich via menselijke ontlasting verspreidt. Deze komt voor in Afrika en Zuid-Azië, maar werd in de VS al jaren geleden als uitgeroeid beschouwd. Maar in de thuisstaat van Trumps minister van Justitie Jeff Sessions doet de worm zich nog altijd tegoed aan het bloed van arme mensen – een ziekte van ontwikkelingslanden die gedijt in het rijkste land ter wereld.
Het openrioolprobleem is vooral nijpend in Lowndes County, een overwegend zwart district dat het epicentrum was van de burgerrechtenbeweging en vanwaaruit Martin Luther King in 1965 zijn mars van Selma naar Montgomery ondernam om voor algemeen kiesrecht te demonstreren. Ondanks de trotse geschiedenis schat Catherine Flowers dat 70 procent van de huishoudens in het gebied zijn uitwerpselen ofwel rechtstreeks op open terrein deponeert, ofwel in gebrekkige septic tanks die niet bestand zijn tegen zware regen. Toen haar organisatie, het Alabama Center for Rural Entreprise (Acre), er bij de plaatselijke overheid op aandrong daar iets aan te doen, investeerde deze 6 miljoen dollar in de uitbreiding van afvalverwerkingssystemen naar voornamelijk blanke bedrijven, terwijl zwarte huishoudens in overgrote meerderheid werden overgeslagen. ‘Dat is een schrijnend voorbeeld van onrechtvaardigheid,’ zegt Flowers. ‘Mensen die zich geen eigen systeem kunnen veroorloven, moeten het zelf maar rooien, terwijl bedrijven die er wel het geld voor hebben van openbare diensten profiteren.’
Walter, een inwoner van Lowndes County die zijn achternaam liever geheimhoudt uit vrees dat zijn watertoevoer wordt afgesneden omdat hij zijn mond heeft opengedaan, leeft met de dagelijkse gevolgen van deze vorm van publieke veronachtzaming. ‘Als het flink hard regent, komt het zo je huis binnen.’ Dat is een beleefde manier om te zeggen dat het rioolwater zijn gootsteen, wastafel en badkuip in gorgelt en een misselijkmakende zoete stank in het huis verspreidt.
Wat vindt hij onder deze omstandigheden van de ideologie dat iedereen het kan maken als hij zijn best maar doet? ‘Als ze de kans kregen, zou dat ze waarschijnlijk wel lukken,’ zegt Walter. Hij pauzeert en voegt er dan aan toe: ‘Maar mensen krijgen de kans niet.’
Zouden zijn rioolproblemen inmiddels wel zijn opgelost als hij blank was geweest? Na weer een pauze zegt hij: ‘Niet om racistisch te zijn, maar ja, ik denk van wel.’
Aan de achterkant van Walters huis komt de ware onrechtvaardigheid van de situatie aan het licht. Overal door de tuin lopen smalle geulen vanaf naburige huizen waar donkere vloeistof doorheen stroomt. De geulen komen samen in stroperige poelen die recht onder de stacaravan zijn gelegen waarin Walters zoon, schoondochter en zestienjarige kleindochter wonen. Het is het ultieme beeld van het lot van Alabama’s verarmde zwarte gemeenschap. Als Amerikaanse staatsburgers hebben ze evenveel recht op leven, vrijheid en het streven naar geluk. Alleen worden ze omringd door poelen met uitwerpselen.
Onlangs sloeg de Black Belt terug. Toen werd er een nieuwe versie van die eenvoudige grafiek toegevoegd, waarop precies dezelfde halvemaan te zien is die door Alabama loopt, alleen was die dit keer niet zwart maar blauw. Die blauwe halvemaan staat voor het leger van Afro-Amerikaanse stemmers dat tegen alle verwachtingen in Doug Jones naar de Amerikaanse Senaat stuurde, de eerste Democraat uit Alabama sinds een hele generatie. Dat betekende een flinke bloedneus voor zijn tegenstander, de van kindermisbruik beschuldigde Roy Moore, en voor Steve Bannon en Donald Trump, van wie hij de marionet is. Dit kan met recht het belangrijkste vertoon van zwarte politieke spierkracht worden genoemd sinds de mars van King in 1965. Waar de eerdere grafieken voor ‘bodem’, ‘slavernij’ en ‘armoede’ stonden, zou bij deze grafiek het onderschrift ‘mondigheid’ moeten staan.
Guayama, Puerto Rico
Dus hoe ziet Alston de rol van VN-rapporteur en zijn bezoek? Zijn volledige rapport over de VS zal in mei verschijnen en aan de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties in Genève worden gepresenteerd. Niemand verwacht er veel van: de raad heeft niet genoeg macht om goed gedrag af te dwingen van recalcitrante regeringen. Maar Alston hoopt dat zijn bezoek de VS zo veel schaamte zal bezorgen dat men nog eens gaat nadenken over de eigen waarden. ‘Het is mijn rol om regeringen ter verantwoording te roepen,’ zegt hij. ‘Als de Amerikaanse regering niet over het recht op huisvesting, gezondheidszorg of voedsel wil praten, dan zijn er nog altijd basale normen voor mensenrechten waaraan moet worden voldaan. Het is mijn taak om daarop te wijzen.’
In zijn eerdere onderzoek naar extreme armoede in landen als Mauritanië wond Alston er geen doekjes om. We mogen dezelfde onzachtzinnige liefde verwachten bij zijn analyse van Puerto Rico, de volgende halte tijdens zijn reis naar de donkere kant van Amerika.
Drie maanden na Maria is de verwoesting die de orkaan op het eiland heeft aangericht genoegzaam bekend. Van zeventigduizend huizen is niets meer over, de industrie is tot stilstand gekomen en de algehele stroomstoring leidt nog steeds tot plunderingen. Maar het treurige lot van Puerto Rico dateert al van ver vóór Maria en is geworteld in de onverschilligheid waarmee het eiland is bejegend sinds het in 1898 als oorlogsbuit in bezit werd genomen.
Bijna de helft van de Amerikanen heeft geen idee dat de drieënhalf miljoen Puerto Ricanen Amerikaanse staatsburgers zijn – des te kwalijker gezien het feit dat het eiland geen eigen vertegenwoordiging in het Congres heeft, terwijl zijn fiscale beleid wordt gedicteerd door een raad van toezicht die door Washington is aangesteld. Hoe zat het ook alweer met dat afwerpen van het juk van een al te bemoeizuchtige overheid?
Evenmin zijn de meeste mensen zich ervan bewust dat het aantal armen op het eiland (44 procent) ruim twee keer zo groot is als dat in de minst welvarende Amerikaanse staten, inclusief Alabama (19 procent). En dat was nog vóór de orkaan, die volgens sommige schattingen het armoedepercentage heeft opgedreven tot 60 procent. ‘Puerto Rico wordt geregeerd door de Verenigde Staten, maar we worden nooit geraadpleegd,’ zegt Ruth Santiago, die als advocaat gespecialiseerd is in gemeenschapsrecht. ‘We hebben geen enkele invloed, we zijn gewoon hun speelbal.’
De VN-rapporteur krijgt een idee van wat het betekent de speelbal van de VS te zijn wanneer hij naar Guayama reist, een stad van 42.000 inwoners in het zuiden, vlak bij de plek waar Maria aan land kwam. Verwoesting alom: gehavende huizen, ontbrekende daken, onheilspellend doorzakkende elektriciteitsleidingen. Boven de stad torent dreigend een kolencentrale uit die is gebouwd door de Puerto Ricaanse tak van AES Corporation, een multinational die zijn hoofdkwartier in Virginia heeft. De schoorsteen van de centrale domineert de horizon, evenals een enorme berg as van de verbrande kolen die oprijst als een reusachtig zandkasteel van ruim twintig meter hoog. De berg is blootgesteld aan de elementen, en de plaatselijke bevolking klaagt dat het gif ervan de zee in lekt en dat de vissers door kwikvergiftiging het brood uit de mond wordt gestoten. Ook is men bang dat het stof dat de berg verspreidt gezondheidsproblemen veroorzaakt, een zorg die wordt gedeeld door plaatselijke artsen die de VN-rapporteur vertellen dat ze veel patiënten hebben met ademhalingsaandoeningen en kanker. ‘De bladeren van mijn mangoboom gaan ervan dood,’ zegt Flora Picar Cruz (82). Ze ligt rond het middaguur in bed en ademt moeizaam door een zuurstofmasker.
Onderzoek van de asberg wijst op gevaarlijke hoeveelheden giftige stoffen zoals arsenicum, broom, chloride en chroom. Desondanks is de regering-Trump bezig het relatief lakse toezicht op de schadelijke emissies ervan nog verder te versoepelen. AES Puerto Rico verzekerde The Guardian dat er geen reden tot zorg is, omdat de centrale een van de schoonste van de VS zou zijn, die met opzet zo is gebouwd dat er geen schadelijke stoffen in de lucht of de zee terecht kunnen komen. Maar daar denken de mensen in Guayama wel anders over. Zij vrezen dat de Amerikaanse kolonisten hen nog meer aan hun lot zullen overlaten dan ze nu al ruim een eeuw lang doen.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat zo veel Puerto Ricanen stemmen met hun voeten; na de orkaan hebben bijna tweehonderdduizend van hen hun koffers gepakt en zijn naar Florida, New York of Pennsylvania vertrokken, waar inmiddels al meer dan vijf miljoen Puerto Ricanen wonen. Dat geeft de Amerikaanse Droom een geheel nieuwe betekenis: iedereen kan het maken, zolang hij zijn familie, zijn huis en zijn cultuur maar in de steek laat en koers zet naar een vreemd en ongastvrij land.
Charleston, West Virginia
‘Jullie zijn kanjers! Al die jaren dat jullie schandalig zijn behandeld gaan we goedmaken, oké? Honderd procent zeker!’ Donald Trumps belofte aan de blanke stemmers van West Virginia werd gedaan in mei 2016, op het moment dat hij de Republikeinse nominatie voor de presidentsverkiezingen binnenhaalde. Zes maanden later beloonde zijn achterban in de staat hem royaal met een verpletterende overwinning.
Als je bedenkt dat hij hun gouden bergen beloofde, is het niet zo verwonderlijk dat blanke gezinnen in West Virginia positief reageerden op het charmeoffensief van Trump: ‘We gaan zorgen dat de mijnwerkers weer aan het werk komen!’ Getalsmatig is de meerderheid van alle Amerikanen die in armoede leven – 27 miljoen mensen – blank.
Met name in West Virginia hebben blanke gezinnen veel om verbitterd over te zijn. De mechanisering en het sluiten van kolenmijnen hebben tot grote werkloosheid en stagnerende lonen geleid. De overheveling van banen in de kolen- en staalsector naar supermarktketen Walmart heeft ertoe geleid dat de gemiddelde werknemer tegenwoordig 3,5 dollar per uur minder verdient dan in 1979. Wat wel verwonderlijk is, is dat zo veel trotse werkende mensen hun dromen aan een (veronderstelde) miljardair hebben toevertrouwd die zijn onroerendgoedimperium heeft gebouwd op wat zijn vader hem heeft toegestopt.
Voordat hij presidentskandidaat was, toonde Trump maar weinig belangstelling voor de problemen van gezinnen met lage inkomens, blank of anderszins. Nu hij bijna een jaar in het Oval Office zit, zijn er ook weinig tekenen dat hij zich aan zijn campagnebeloftes houdt. Integendeel. Als de VN-rapporteur als laatste halte tijdens zijn rondreis Charleston, West Virginia, aandoet, wordt hij overspoeld door bewijs dat de president juist de mensen die hem hebben gekozen het mes op de keel zet.
‘Het beleid van Trump zal de ongelijkheid doen toenemen, loonstijgingen blokkeren en het moeilijker maken voor gezinnen met lage inkomens om hulp te zoeken’
Diezelfde dag presenteren de Republikeinen in de Senaat en het Congres gezamenlijk hun plannen voor belastingverlaging, waarover de week erna zal worden gestemd. Veel mensen in West Virginia zullen voor zoete koek slikken dat deze veranderingen bedoeld zijn om hen te helpen, omdat aanvankelijk iedereen in de staat minder belasting zal gaan betalen. Maar in 2027, als het begrotingstekort moet worden aangezuiverd, zal de onderste 80 procent van de bevolking méér betalen, terwijl de bovenste 1 procent een meevaller behoudt van 21.000 dollar. ‘Het beleid van Trump zal de ongelijkheid doen toenemen, loonstijgingen blokkeren en het moeilijker maken voor gezinnen met lage inkomens om hulp te zoeken,’ zegt Ted Boettner, lid van de raad van bestuur van het niet-partijgebonden West Virginia Center on Budget and Policy.
Als de riolering het aanhoudende probleem is waarmee de Black Belt kampt, dan is een mond vol rottende tanden en kiezen dat van West Virginia. Artsen van Health Right, een medisch vrijwilligerscentrum in Charleston dat 21.000 werknemers met lage inkomens gratis behandelt, toont de VN-rapporteur een foto van een van hun patiënten. De man is pas 32, maar zodra hij zijn mond opendoet wordt hij een heks uit Macbeth. Zijn paar resterende rotte tanden en kiezen en groenblauwe tandvlees zien eruit als etterende brij in een kokende ketel.
Medicaid [een hulpverleningsprogramma voor mensen met lage inkomens] dekt geen tandheelkundige behandeling van volwassenen, tenzij er sprake is van een noodgeval, en dus doen de mensen wat het meest voor de hand ligt: ze wachten tot hun abcessen knappen, zodat ze naar de spoedeisende hulp moeten. Een vrouw die onlangs de mobiele tandartskliniek van het centrum bezocht, had alleen nog dertig wortels in haar mond, die allemaal behandeld moesten worden.
Ook tijdens zijn andere ontmoetingen krijgt Alston een beeld van de manier waarop het leven van gezinnen met lage inkomens in West Virginia onder druk staat. Waar Lyndon Johnson de armoede de oorlog verklaarde, voert Trump oorlog tegen de armen. Mensen gaan jarenlang de gevangenis in omdat ze, in afwachting van hun proces, de borgtocht niet kunnen betalen; er worden privédetectives ingehuurd om mensen te bespioneren die aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering; zware minimumstraffen wegens drugsbezit zijn weer in de mode; Jeff Sessions schrapt federale reclasseringsprogramma’s voor ex-gedetineerden; huurders van gesubsidieerde huizen leven in voortdurende vrees dat ze uit hun huis zullen worden gezet na de geringste overtreding. En ga zo maar door.
En het resultaat van deze meedogenloze klappen? ‘Mensen raken uiteindelijk met elkaar in de clinch,’ zegt Eli Baumwell, beleidsdirecteur van de American Civil Liberties Union (ACLU) in West Virginia. ‘Je raakt zo geobsedeerd door wat jij bezit en wat je buurman bezit, dat je rancuneus wordt. Dat is wat Trump doet, mensen tegen elkaar opzetten.’
En zo stapt Philip Alston voor de laatste keer in het vliegtuig om in Washington een samenvatting te presenteren van de kwellingen die het Amerikaanse volk ondergaat. Op een gegeven moment tijdens de vlucht zegt Alston dat hij een slapeloze nacht heeft gehad door het piekeren over de verloren zielen die we in Skid Row hebben ontmoet. Hij vraagt zich af hoe iemand anders in zijn positie – ‘Ik ben oud, een man, blank, rijk en ik heb een heel goed leven’ – op zo’n dakloze zou reageren. ‘Hij zou naar hem kijken en hem beschouwen als iemand die smerig is, die zich niet wast, die hij niet in zijn buurt wil hebben.’ Dan krijgt Alston een openbaring. ‘Ik besef dat de overheid hen zo ziet. Maar wat ik zie, is een maatschappelijk falen. Ik zie een maatschappij die zoiets laat gebeuren, die niet doet wat ze moet doen. En dat is heel treurig.’
De rondreis van de speciale VN-rapporteur is ten einde.
De Nederlandse fotograaf Désirée van Hoek werkt al sinds 2007 met tussenpozen op Skid Row in Los Angeles. In 2015 verscheen haar boek Skid Row, met een voorwoord van Skid Row-verslaggever Gale Holland van de Los Angeles Times. Het boek werd in 2016 bekroond als een van de Best Verzorgde boeken van Nederland en Vlaanderen.
Fotografie:
De Nederlandse fotograaf Désirée van Hoek werkt al sinds 2007 met tussenpozen op Skid Row in Los Angeles. In 2015 verscheen haar boek Skid Row, met een voorwoord van LA Times- verslaggever Gale Holland. Het boek werd in 2016 bekroond als een van de Best Verzorgde boeken van Nederland en Vlaanderen. www.desireevanhoek.com
The Guardian”
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
In Liberia is een spannende presidentsrace gaande tussen ex-voetballer George Weah en voormalig vicepresident Joseph Boakai. Daarmee komt binnenkort een einde aan het bewind van Ellen Johnson Sirleaf, Afrika’s eerste vrouwelijke president en winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede. Over haar nalatenschap zijn de meningen verdeeld.
Langs de zandweg waar Anthony Chea staat loopt een rijtje zingende kinderen voorbij, de gezichten beschilderd met witte verf. Niet ver daarvandaan staat een handvol volwassenen in een tent waar traditionele Liberiaanse muziek uit de speakers schalt. Een oudere man danst in zijn eentje. De campagne voor de presidentsverkiezingen op 10 oktober is begonnen, en Chea en zijn dorpsgenoten maken zich op voor het bezoek van Alexander Cummings, een van de kandidaten die de huidige president, Ellen Johnson Sirleaf, hoopt op te volgen.
Chea woont in een klein plaatsje in de provincie Grand Kru. Hoewel het 560 kilometer van de hoofdstad Monrovia ligt, het centrum van de politieke macht, is de staat waarin kleine plaatsjes in het achterland verkeren illustratief voor de gemengde nalatenschap van Liberia’s eerste vrouwelijke president. Chea laat zijn blik dwalen over de zandweg vol kuilen die door het centrum van het dorp loopt, en wijst naar een waterpomp die een paar jaar geleden door een hulporganisatie is aangelegd. Het is een van de weinige waterpompen in het dorp – maar deze is defect.
Chea hoopt dat de volgende president meer kan betekenen voor dorpen als het zijne. Hij en zijn dorpsgenoten zijn van mening dat de huidige regering meer had kunnen doen om de provincie te ontwikkelen. Ze willen betere wegen, scholen, medische voorzieningen, water. Maar Johnson Sirleaf heeft het proces wel in gang gezet, geeft Chea toe. ‘Ze kan het niet in haar eentje afmaken. Nu is het de beurt aan iemand anders om de draad op te pakken.’
Sirleaf legt in januari, na twee ambtstermijnen van zes jaar, haar functie neer. Haar nalatenschap is lastig te duiden. Ze heeft vrouwen vooruitgeholpen, ze heeft wonden verzacht die door de burgeroorlog waren geslagen, maar haar critici vinden dat de politieke vooruitgang ten koste is gegaan van de ontwikkeling op korte termijn, en dat haar bewind wordt gekenmerkt door corruptie en nepotisme.
Had ze het beter kunnen doen? Misschien. Maar ze had het ook veel slechter kunnen doen.
Als eerste democratisch gekozen leider sinds het einde van de bloedige burgeroorlog stond Johnson Sirleaf bij haar aantreden in januari 2006 voor de moeilijke taak de zieltogende economie, de verwoeste infrastructuur en de lamgelegde instituties weer op te bouwen. Na twaalf jaar wordt ze alom geprezen voor het bewaren van de nog altijd kwetsbare vrede, maar veel Liberianen vinden dat ze op andere vlakken niet genoeg heeft gedaan.
Niet dat die kritiek haar raakt.
Op een donderdagavond zit Johnson Sirleaf aan het hoofd van een vergadertafel op de zesde verdieping in het gebouw van het ministerie van Buitenlandse Zaken aan de Tubman Boulevard, de hoofdstraat van Monrovia. Op de muur tegenover haar hangt een geborduurde kaart van het land met daarop, keurig genaaid, alle vijftien provincievlaggen. ‘Ik kan er kort over zijn,’ zegt het 78-jarige staatshoofd luid om de herrie van een nabijgelegen bouwplaats te overstemmen. ‘Ik laat Liberia in veel betere staat achter dan waarin ik het aantrof.’
Het land was er nog slechter aan toe dan ze zich had gerealiseerd, bleek al snel toen Johnson Sirleaf als president was geïnstalleerd – en ze moest haar ambities noodgedwongen terugschroeven. ‘We hebben niet de doelen gehaald die ik voor ogen had.’
Haar ene zoon is bestuurslid van een oliebedrijf en een ander van de centrale bank. De kloof tussen rijk en arm wordt steeds groter: je bent óf rijk óf straatarm. Er bestaat geen middenklasse
De nieuwe president, in de jaren zeventig in de VS als econoom afgestudeerd, richtte zich eerst op de opbouw van de kwijnende economie. Een van haar grootste successen betrof de toekenning van een noodpakket van 4,6 miljard dollar van het Internationaal Monetair Fonds, in 2010. Tijdens de eerste jaren van haar regeerperiode trok de economie geleidelijk aan, met een groei van 6 procent in 2013. Maar in 2014 sloeg het noodlot toe met de uitbraak van het ebolavirus in West-Afrika. Bijna de helft van de meer dan tienduizend doden viel in Liberia. De vooruitgang stagneerde. ‘Investeerders verlieten het land, aannemers, onze eigen inwoners – er was een enorme leegloop. Daarbovenop kwam een scherpe prijsdaling van twee van onze belangrijke exportproducten, rubber en ijzererts,’ vervolgt Johnson Sirleaf, druk gebarend. Hoewel het land langzaamaan weer opkrabbelt, zijn de vooruitzichten op groei voor dit jaar gedaald naar 2 procent.
Maar de president is er stellig van overtuigd dat de vrede haar belangrijkste nalatenschap is, en niet zozeer het overwinnen van de ebolacrisis of de economische ontwikkeling van het land. Vrede was bij al haar beslissingen altijd de hoogste prioriteit, benadrukt ze, zelfs als dat inhield dat haar ontwikkelingsdoelen in gevaar kwamen. Op dat front is Johnson Sirleaf niet tekortgeschoten, en haar leidende rol in het bewaren van de vrede werd in 2011 erkend door het Nobelprijscomité. Samen met landgenoot Leymah Gbowee en de Jemenitische journaliste Tawakkul Karman kreeg ze de Nobelprijs voor de Vrede toegekend voor ‘de vreedzame strijd voor de veiligheid van vrouwen en het recht van vrouwen om volwaardig deel te nemen aan de vredesopbouw’.
Op andere gebieden heeft Johnson Sirleaf minder succes geboekt. Ze had beloofd corruptie uit te roeien, maar liep daarbij tegen een muur aan. ‘De culturele wortels van corruptie heb ik ook zwaar onderschat.’ Het werkte ook niet in haar voordeel dat ze zelf ook van nepotisme werd beticht: in 2012 benoemde ze haar zoon, Robert Sirleaf, tot algemeen directeur van het staatsoliebedrijf National Oil Company of Liberia, en ook twee andere zonen kregen lucratieve baantjes toegeschoven.
Zoals te verwachten was, barstte na Roberts benoeming een storm van kritiek los, niet alleen onder haar tegenstanders maar ook onder een aantal van haar vrienden. Mede-Nobelprijswinnaar Gbowee stapte uit protest uit de Waarheids- en Verzoeningscommissie. ‘Haar ene zoon is bestuurslid van een oliebedrijf en een ander van de centrale bank. De kloof tussen rijk en arm wordt steeds groter: je bent óf rijk óf straatarm. Er bestaat geen middenklasse,’ aldus Gbowee.
Johnson Sirleaf reageerde gepikeerd op de kritiek en beet fel van zich af. ‘Was de benoeming fout? Ik vind van niet, ik sta volledig achter mijn beslissing. Mijn zoon heeft de juiste kwalificaties.’ En ze voegt eraan toe dat ze hoopt dat het onderzoek snel openbaar wordt gemaakt zodat blijkt dat haar zoon ten onrechte van corruptie werd verdacht. Maar ze geeft toe dat de beschuldiging van nepotisme hout sneed. ‘Nepotisme is niet in de haak en we moeten allemaal ons best doen om het tegen te gaan. Maar laten we wel zijn: het komt in veel Afrikaanse landen voor, en echt niet alleen in Liberia. Dus waarom valt iedereen over ons heen? Waarom worden de VS niet op de vingers getikt?’
Vrouw als president
De verkiezing van Johnson Sirleaf in 2005 tot de eerste vrouwelijke president van Liberia, en zelfs de eerste vrouwelijke president in heel Afrika, was een gebeurtenis van grote betekenis. Zowel bij de verkiezingen van 2005 als van 2011 brachten vrouwen in het hele land massaal hun stem op haar uit. Gemobiliseerde marktkoopvrouwen speelden daarbij een belangrijke rol. ‘Ik heb mijn verkiezing aan hun vertrouwen en vastberadenheid te danken,’ zegt Johnson Sirleaf, ‘en een van de pilaren van mijn beleid was dan ook het versterken van de positie van de vrouw en de bevordering van vrouwenparticipatie. Dat is ons gelukt.’
Maar hoewel haar beleid vrouwen ontegenzeglijk vooruit heeft geholpen, is het tegelijkertijd koren op de molen van critici. ‘Ik denk dat we vooral op het gebied van vrouwenproblematiek extra kritisch zijn vanwege haar symbolische functie,’ zegt Lakshmi Moore, de interimdirecteur van ActionAid International in Liberia. Niet dat er geen successen waren: tijdens Johnson Sirleafs presidentschap werd verkrachting voor het eerst strafbaar gesteld, en dit jaar zal in Liberia eindelijk een wet tegen huiselijk geweld van kracht worden.
Maar Moore, en anderen, vinden dat er niet genoeg is gedaan. Er is bijvoorbeeld nog geen verbod op vrouwenbesnijdenis. Ook zijn vrouwenrechtengroepen bezorgd over wat vrouwen te wachten staat als Johnson Sirleaf haar ambt neerlegt. Veel mensen wijten de toestand waarin het land verkeert aan het feit dat de president een vrouw is. ‘Er komt zeker een terugslag, vooral op het gebied van vrouwenrechten. Johnson Sirleaf krijgt als vrouwelijke president allerlei misstanden in de schoenen geschoven,’ zegt Moore.
Die tegenreactie is al merkbaar in het slaperige kustplaatsje Harper, in de zuidoostelijke provincie Maryland. Straatverkoopster Eleano Cooper zit met twee vriendinnen langs de kant van de weg. Achter hen rijst een grote, verlaten villa op – een overblijfsel van Harpers hoogtijdagen tijdens de lange regeerperiode van William Tubman (van 1944 tot 1971), toen de elite strandhuizen in het stadje liet bouwen. Broodwinner Cooper verkoopt geroosterde maïskolven voor 20 à 50 Liberiaanse dollar [15 tot 35 eurocent]. Van haar schamele inkomen kan ze nauwelijks rondkomen.
De kosten van levensonderhoud zijn alleen maar gestegen,’ zegt ze. Het leven als straatverkoper en kostwinner is zwaar, en ze wijt dat aan het feit dat het land wordt geleid door een vrouw. ‘Ik heb liever een man aan het roer,’ antwoordt Cooper als haar wordt gevraagd of ze op een vrouwelijke kandidaat zou stemmen. ‘We hebben nu een vrouw als president en de prijzen rijzen de pan uit – dus geef mij maar een man.’ Ondanks haar frustratie geeft ze toe dat ze zich als vrouw wel gesterkt voelt. Ze voorziet in het onderhoud van haar gezin en heeft het idee dat ze beter is opgewassen tegen haar man.
Niet iedereen deelt Coopers zorgen over vrouwelijke leiders. Op een drukke markt in Monrovia vertelt Rebecca Kaley dat Johnson Sirleaf haar heeft overtuigd. Omringd door andere vrouwen die, net als zij, gedroogd bush meat, kippenbouillonblokjes en zoeteaardappelbladeren verkopen, denkt Kaley terug aan 2005, toen ze voor het eerst hoorde dat een vrouw zich kandidaat had gesteld. ‘Vrouwen zijn niet tegen de taak opgewassen, dacht ik. Ik stemde niet op haar.’ Maar in 2011 was ze van gedachten veranderd en stemde ze voor Johnson Sirleaf. ‘Dankzij Ellens beleid zijn we sterker geworden,’ zegt Kaley trots. ‘Wij vrouwen zijn sterker geworden.’
Opgericht in 1985 als Weekly Mail en in 1990 vlot getrokken door The Guardian in Londen. Sinds 2002 eigendom van de Zimbabwaanse krantenuitgever Trevor Ncube.
Amerika draait niet meer op steenkool. Maar de nalatenschap is onuitwisbaar in Boone County, West Virginia. Het was zwaar. Je werd er hard van. En het verdiende lekker.
Boone County beweert de bakermat van de Amerikaanse steenkoolindustrie te zijn vanwege het vette, overvloedige zwarte gesteente dat bijna driehonderd jaar geleden in de groene heuvels van West Virginia werd ontdekt. Steenkool komt hier in bijna alle namen terug: de rivieren Big en Little Coal, het weekblad Coal Valley News, het wonderbaarlijke Bituminous Coal Heritage Foundation Museum en het West Virginia Coal Festival, dat dit jaar voor de vierentwintigste keer werd gehouden.
Het festival is meer een jaarmarkt dan een viering van steenkool. Er is een kermis en een talentenjacht, en er zijn zeven missverkiezingen (variërend van Little Miss Coal Festival tot Forever West Virginia Coal Queen). Bij het standbeeld van een mijnwerker wordt ieder jaar een kleine herdenkingsbijeenkomst gehouden. Er zijn in totaal vijf slachtoffers, minder dan het aantal Miss Coals op de trap van het neoklassieke provinciehuis, die met hun koolzwarte sjerpen langzaam verpieteren in de hitte. Geen van de directieleden, noch vertegenwoordigers van de eens zo sterke vakbond, hebben de moeite genomen aanwezig te zijn.
In plaats van de bloeiende bedrijfstak die het ooit was, en die nog altijd gevierd wordt met nepdiamanten en praalvertoningen, is de mijnbouw inmiddels eerder een blijvende erfenis. Dat is meteen ook het probleem van het kolengebied en vormt de uitdaging voor de promotors. Want de mijnbouw lijkt niet meer op de indringende beelden van fotograaf Walker Evans; een groot deel van de wereld heeft zich verder ontwikkeld. Maar Boone County niet. Nog niet.
‘We willen ons erfgoed levend houden. We willen niet dat het een stervende bedrijfstak is,’ zegt Delores W. Cook, algemeen directeur van het festival, maar eigenlijk de vorstin van het geheel. ‘Dit is voor de mensen in West Virginia hun leven geweest; jaar in, jaar uit hebben zij voor dit hele land het licht laten branden.’
Cook schikt haar hoge meringuekapsel. Ze is een mijnwerkersdochter, en dat is een ‘onderscheiding’ die bij kennismaking wordt vermeld. Haar overleden echtgenoot Dennis ‘De’ Cook (iedere mijnwerker heeft wel een verkleinwoord) heeft ‘42 en een half jaar’ in de mijnen gewerkt, vertelt zijn weduwe.
Voor- en tegenspoed
Boone County kende voor- en tegenspoed dankzij de mijnen. De regio is nog altijd afhankelijk van deze industrie, omdat er weinig zicht is op een alternatieve inkomstenbron. Afgelopen jaar werkten slechts zevenhonderd inwoners van Boone County in de mijnen. Het schooldistrict is de grootste werkgever. Maar omdat de belastinginkomsten uit steenkoolwinning vorig jaar zo drastisch daalden – minder dan eenvijfde van de inkomsten in 2007 – moesten er honderdvijftig medewerkers worden ontslagen.
Decennia na de hoogtijdagen en ondanks de beschikbaarheid van schonere en meer gebruikte energiebronnen, staat steenkool momenteel weer volop in de belangstelling. In het nationale debat speelt de mijnbouw een grotere rol dan gerechtvaardigd zou zijn als je kijkt naar de consumptie: met 15 procent van Amerika’s energiebronnen produceert het ongeveer eenderde van alle elektriciteit. Het is alsof een discussie over locomotieven opnieuw is aangezwengeld. Fracking, onlangs nog een constante in het nieuws, is naar de achtergrond verschoven. Net als olie.
Omarmd door Donald Trump en als achterhaald weggewuifd door Hillary Clinton domineerde steenkool het energiedebat tijdens de presidentscampagne. ‘We moeten af van steenkool en alle andere fossiele brandstoffen,’ zei de Democratische kandidaat, waarmee ze voor de mensen in dit district meteen een paria werd.
Amerikanen kunnen de mijnbouw moeilijk uit hun hoofd zetten, ook al vonden in 2015 nog geen 66.000 man werk onder de grond. Warenhuisketen Kohl’s heeft meer dan twee keer zoveel mensen in dienst. Maar retail werkt niet in dezelfde mate op de Amerikaanse verbeeldingskracht en levert geen verhalen op, inspireert niet tot muziek en is niet bepalend voor de identiteit. ‘Er werden hele gemeenschappen gesticht om steenkool te winnen,’ zegt Barbara Freese, auteur van Coal: A Human History. ‘Steenkool heeft zijn eigen geografische gebied en cultuur geschapen.’
Het bergdecor van de Appalachen kwam in de schijnwerpers te staan en werd geëxploiteerd door goudzoekende journalisten die zich hadden vergist in Trumps populariteit en de cruciale rol die deze regio in deze verkiezingen zou gaan spelen. J.D. Vances autobiografie Hillbilly Elegy, die werd gezien als een decoder van de cultuur van de Appalachen, heeft bijna een jaar lang de bestsellerlijst aangevoerd.
‘Ik hou nou eenmaal van mijnwerkers,’ zei president Trump in juni, toen hij de Amerikaanse terugtrekking uit het klimaatakkoord van Parijs aankondigde. Trump heeft mijnwerkers en directeuren van kolenmijnen uitgenodigd om, voor het eerst in lange tijd, op de foto te gaan in het Witte Huis, en verklaarde ‘een eind te maken aan de strijd tegen steenkool’, een kreet die door een brancheorganisatie is bedacht in een tijd waarin zelfs het Kentucky Coal Museum overgaat op zonne-energie.
Het zuiden van West Virginia is een plek waar wonderschone natuur en verwoesting naast elkaar bestaan. Dit werd maar al te duidelijk toen bedrijven bergtoppen begonnen op te blazen om met minder mensen brandstof te kunnen delven. ‘We leren nu dat we niet op één paard moeten wedden. We moeten groeien en diversifiëren,’ zegt de Democratische senator Ron Stollings bij de opening van het festival.
Mijnbouw is een traditie die maar blijft rondspoken. ‘Het gaat niet alleen om een industrie die verloren is gegaan, maar ook om een manier van leven, een leven vol verschrikkelijke ontberingen,’ zegt componist Julia Wolfe, die ter herdenking van de mijnwerkers in Pennsylvania het oratorium Anthracite Fields schreef en daarmee de Pulitzer Prize won. ‘De truc is om het leven niet te romantiseren. Er zitten prachtige elementen in de onderlinge afhankelijkheid binnen de gemeenschap, maar is ook afschuwelijk misbruik en verwaarlozing.’ De industrie werd lange tijd gekenmerkt door overmatige wispelturigheid: vol gas tijdens een hausse, en dan weer verwaarlozing: bedrijven die ervandoor gaan onder het mom van faillissement, waardoor pensioenen werden bedreigd en de zekerheid van trotse mannen werd gesloopt. Banen verdampten, maar de heuvels bleven.
‘Er zit nog steeds een hoop steenkool in deze heuvels,’ zegt Cook, voormalig staatsvertegenwoordiger en curator van het eeuwige optimisme. De brandstof raakte niet op, maar de levensvatbaarheid was wel eindig en dat heeft de gemeenschap enorm beïnvloed. De bedrijven waren vaak minder begaan met de mannen dan met hun product, zoals subtiel, zonder wrok of subjectiviteit, duidelijk wordt gemaakt door de voorwerpen in het museum. Mijnwerkers werden geacht gereedschap aan te schaffen bij de bedrijfswinkel. Veiligheid was van ondergeschikt belang. ‘We hadden geen reflecterende uitrusting toen ik in de mijn werkte,’ zegt voormalig mijnwerker (vierde generatie) Tim Spratt, wijzend naar een vitrine, als hij met zijn kleinzoon het museum bezoekt. ‘Dat hadden alleen de opzichters.’
Vroeger waren er geen arme mensen in McDowell County. Nu is dat zo’n beetje het enige wat McDowell wel heeft
Spratt, die zong bij de herdenkingsdienst, moest ooit kolen bikken in een gang van nog geen meter hoog. ‘Dat is heel lastig voor een dikkerd,’ zegt hij. ‘Ik vond de onderlinge camaraderie met mijn ploeggenoten fijn,’ zegt inwoner Rickey Woodrum, die tien jaar ondergronds werkte voordat hij een baan kreeg in een autowerkplaats. ‘Het verdiende lekker. Het was zwaar. Je wordt er hard van. Maar je kinderen kunnen wel studeren.’ Die hoefden de mijn nooit in.
Het werken in een mijn was de zeldzame baan waarmee een man – altijd mannen – met hoogstens middelbare school in een goed jaar een salaris van 80.000 of 90.000 dollar verdiende, en zo kon opklimmen door af te dalen. Door de inzakkende inkomsten konden veel mannen slecht voor hun gezin zorgen, geen kostwinner meer zijn; nog zo’n hedendaags discours.
‘Het is al sinds de Tweede Wereldoorlog bergafwaarts gegaan met steenkool,’ zegt voormalig mijnwerker Jim Chaney. ‘In Boone County dolf of vervoerde je steenkool, een van de twee.’ Hij gelooft dat ‘het terugkomt, maar het wordt nooit zoals het was’. Dezelfde slotzin weerklinkt overal in het kolengebied.
Opiatenverslaving
West Virginia, dat zich in 1863 van het geconfedereerde Virginia afscheidde, is de enige staat die uit de Burgeroorlog is voortgekomen. (Desalniettemin zijn er nogal wat Confederatievlaggen te zien, waaronder meerdere exemplaren die aan een kermisattractie zijn vastgehecht.) In plaats van slagvelden bracht de staat een palet van mijnwerkersconflicten en rampen voort: Matewan, de Battle of Blair Mountain (van het stadje is nu niet veel meer over dan een gedenkplaat) en Upper Big Branch.
De smerige, dramatische en gewelddadige geschiedenis van de industrie werd gedomineerd door bovenmaatse vakbondsleiders en roofondernemingen die de steenkool en daarmee de welvaart inpikten en stadjes achterlieten die veel weg hebben van filmsets voor films over de Grote Depressie, visueel aantrekkelijk voor documentairemakers en fotografen.
Zestig jaar geleden was McDowell een county met 100.000 inwoners. Vandaag de dag is daar nog maar eenvijfde van over en is de county de armste van West Virginia. In 2015 kreeg het nationale aandacht dankzij de zeer twijfelachtige eer ’s lands hoogste aantal sterfgevallen voort te brengen als gevolg van opiatenverslaving.
Net buiten Welch, een van vele arme stadjes van McDowell, zit Johnny Bishop, 65, gelooide huid, opgevouwen in een wit busje op een lege weg kleding te verkopen, inclusief mijnwerkersuitrustingen met reflecterende strepen. Bishop werkte zestien jaar lang in de mijnen, waarvan twee jaar op zijn knieën in gangen van iets meer dan 70 centimeter hoog. De ergste dag was toen hij een stroomstoot van 480 volt kreeg van een draad die onder spanning stond. Twee dagen later ging deze mijnwerker van de vierde generatie weer aan de slag. ‘Voor een mijnwerker zijn de ploeggenoten als broers,’ zegt hij. Maar het ging niet goed met de mijnen en Bishops gezondheid verslechterde. Hij kreeg pijnstillers voorgeschreven. Hij zegt er nooit aan verslaafd te zijn geraakt en er in één keer mee te zijn gestopt.
Uiteindelijk heeft hij de schachten vaarwel gezegd en is in Virginia in de bouw gaan werken. De steenkoolbedrijven en de leiders van dit land ‘besteedden geen aandacht aan ons’, zegt hij. ‘We hadden hier vroeger zo veel. We hadden steenkool. We hadden aardgas. We hadden hout. Er waren geen arme mensen in McDowell County.’
Nu is dat zo’n beetje het enige wat McDowell wel heeft.
Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.
Een Russische journaliste reist met haar zoontje door Abchazië, en valt van de ene verbazing in de andere. In Europese ogen is het ministaatje in de Kaukasus primitief en straatarm, maar dat lijkt de onverzettelijke bewoners niet te deren. ‘Laten we drinken op de vrijheid.’
‘Geen vuilis weggooien’, staat er in het Russisch op een betonnen muur die langs het strand van Goedaoeta loopt. ‘Kijk, we volgen de Russische wetten bijna naar de letter,’ zegt de Abchazische kunstenaar Nodar Tsvizjba, die een stukje met me meereist. ‘Maar weet je wat onze redding is? Onze spelfouten.’
Tussen het station van Vesjoloje, de grenspost met Rusland, en Soechoemi, het eindstation, rijdt de trein met een slakkengang. In Abchazië kun je maar beter geen haast hebben. De wegen zijn er slecht en er lopen koeien op. Vanuit de trein zie ik statige ruïnes van oude stations voorbijglijden. Gagra, Goedaoeta, Psyrtscha, Novy Afon, als even zovele overblijfselen van een ingestort rijk. Bloemblaadjes van de oleander liggen verspreid tussen de Dorische zuilen, klimop kronkelt in golven over de fijnzinnige reliëfs van art-decolantaarnpalen. De trein baant zich traag een weg door deze welig tierende begroeiing.
‘Geen grotere luilakken dan de Abchazen,’ tiert de conducteur terwijl hij vol afgrijzen naar dit prachtige tafereel kijkt. ‘In de tijd van de Sovjets waren de spoorlijnen netjes, de stations versierd met witte bloembakken. En nu? Ze doen er niets aan!’ Ik voer aan dat het oorlog is geweest. ‘Maar dat is al twintig jaar geleden!’ ‘En daarna kwam de economische blokkade…’
De conducteur wuift alles weg. ‘Het zijn wel de Russische Spoorwegen die dit allemaal financieren! Kijk nou hoe de spoorbaan erbij ligt! Waar is het geld gebleven, vraag ik u!’ Net als elke zichzelf respecterende Rus ziet hij zich als een barmhartige Samaritaan die een horde arme sloebers helpt. Maar zo zit het niet. Het klopt dat de Russische Spoorwegen Abchazië in 2009 een krediet hebben verstrekt. Met dat geld zijn bruggen en spoorlijnen hersteld. Nu moet Abchazië die lening terugbetalen. Maar met de minieme begroting die het land heeft, gaat dat wel even duren. Abchazië betaalt altijd de hoogste prijs. Zowel voor de spoorwegen als voor de eigen onafhankelijkheid, ja eigenlijk voor het hele voortbestaan van het land.
‘Hé adelaartje, hier komen!’ Ljosja Agrba, bij wie we in Novy Afon logeren, weet mijn zoontje Fjodor op straat bij zijn broek te grijpen. Verlegen stribbelt hij tegen, maar Ljosja houdt hem stevig vast. ‘Luister eerst even. Je zag best dat er oudere mensen in de kamer zitten. Je hebt ze niet eens gedag gezegd en je wilde ons ook voorbijrennen zonder iets te zeggen. Dat doe je hier niet…’ Fjodor kijkt hem ondeugend aan, maar lijkt wel sorry te willen zeggen. Twee dagen later volgt hij Ljosja vol bewondering, helpt mee in huis en luistert verzaligd naar zijn preken over hoe je je in Abchazië hoort te gedragen.
De alamys is de traditionele ethische code in Abchazië. Die bepaalt hoe je je moet gedragen tegenover ouderen, bezoek, vijanden, dieren en planten. In Abchazië vreest iedereen twee dingen: dat het land opnieuw onder Georgisch protectoraat komt, en dat de alamys verloren gaat. In beide gevallen zou dat het einde van het land betekenen. ‘Weet u, ik heb nooit aan politiek gedaan,’ zegt Nodar Tsvizjba. ‘Wat heb je daaraan? We moeten zorgen dat onze taal en onze tradities blijven bestaan. We zijn maar een minuscuul eilandje met een heel oude cultuur. We hebben het Abchazisch weten te bewaren zoals dat in de elfde en twaalfde eeuw gesproken werd. Wij hebben bijvoorbeeld geen woord voor “dood”. We zeggen “mijn ziel is geboren”. En voor “ik hou van jou” zeggen we “ik zie je in het echt”. Nu ik hier belangrijk sta te doen, zouden ze van mij in het Abchazisch zeggen dat ik je mijn paard laat zien. Het “ik” is bij ons taboe.’
Door de alamys is de Abchazische samenleving voor Europeanen moeilijk te doorgronden. Hier wordt bijvoorbeeld de traditie van de eremoord nog volop in stand gehouden. ‘Een jongen bedenkt zich wel twee keer voordat hij een jong meisje onteert,’ legt Ljosja Agrba uit, ‘want hij weet dat ze zal worden gewroken. Binnen een half uur of over tweehonderd jaar, maar gestraft zal hij worden. We gaan dan nooit naar de politie. Er is de familie. En die vergeeft niemand.’ In een land waar elk gezin wapens bezit, is deze traditie van bloedwraak heel effectief. Afgezien van wat kleine delicten tegen toeristen is er geen sprake van criminaliteit.
Elke avond onthaalt Ljosja ons gratis op gegrilde vis, zelfgemaakte wijn en uitgebreide verhalen. De eerbied voor tradities lijkt sterker dan de behoefte aan geldelijk gewin
Een ander krachtig afschrikmiddel: de befaamde Abchazische gastvrijheid. Zelfs als een vijand zijn toevlucht zoekt bij een naaste van zijn tegenstander, dan wordt hij een gast en krijgt hij bescherming. Die vervloekte gastvrijheid brengt de Abchazen tegenover toeristen in een netelige situatie. In feite zouden Fjodor en ik de voornaamste inkomstenbron van onze gastheer moeten zijn. Maar elke avond onthaalt Ljosja ons gratis op gegrilde vis, zelfgemaakte wijn en uitgebreide verhalen. De eerbied voor tradities lijkt sterker dan de behoefte aan geldelijk gewin.
Het kernbegrip van de alamys is het geweten. Een Abchaas ‘sterft levend’ door iets te doen wat tegen zijn geweten indruist. En dat brengt de Abchazen vaak in een lastig parket. Als ik naar een vernield gebouw wijs, waarvan je er hier veel hebt, en ik aan mijn gesprekspartner vraag waarom het er zo bij staat, slaat hij zijn ogen neer en zegt dat het door de oorlog komt. Terwijl deze plek helemaal niet door de oorlog is getroffen – de ramen en deuren van dit gebouw zijn tijdens de blokkade gestolen. Deze Abchaas wil niet liegen, maar hij schaamt zich. Pchasjtsjarop wordt dit soort schaamte genoemd die je niet voor jezelf voelt, maar voor je hele volk en je land. Dat maakt de Abchazen tot een volk waarmee het moeilijk vechten is.
Ik vraag aan Nodar om me over de Kaukasusoorlog te vertellen [die duurde van 1817 tot 1864 en leidde tot de annexatie van Ciskaukasië door het Russische keizerrijk]. ‘Dat zal Ljosja Agrba me niet in dank afnemen,’ zegt hij. ‘Het is verkeerd om daar met Russen over te praten.’ Ik blijf zwijgen en doe alsof het me niet echt interesseert. Dan barst Nodar los: ‘Omdat Sjamil [de imam van Dagestan die het verzet van de Tsjetsjenen en de Dagestanen tegen het leger van de tsaar leidde] gecapituleerd heeft. Wij waren de enigen die zich tot het einde toe hebben verzet. De Abchazen en de Oebychen. De Engelsen hadden de Oebychen met artillerie bewapend. Een Russische generaal vroeg aan een Oebychse vorst: “Wat moet je nog met al die artillerie? Je volk is uitgeroeid.” Waarop de prins antwoordde: “Ik snijd zwangere vrouwen de buik open, dan kunnen hun baby’s op jullie schieten.” Wat een haat!’
Toen de laatste Abchazische en Oebychse strijders naar de kust waren teruggedreven, kregen ze het aanbod om zich over te geven of naar Turkije te vluchten. Alle Oebychen en bijna een half miljoen Abchazen [vooral de moslims onder hen – veel Abchazen die oorspronkelijk orthodox waren, hadden zich tijdens de Ottomaanse invasie in de vijftiende eeuw tot de islam bekeerd] kozen er toen voor naar Turkije te gaan. Deze demografische ramp heet hier machadzjirstvo en blijft in Abchazië een pijnlijke episode. Tegenwoordig zijn er nog maar honderdduizend echte Abchazen in Abchazië zelf, maar er wonen er een miljoen in Turkije.
De langzame, vaak geïnstitutionaliseerde verdrijving uit hun eigen land die in de negentiende eeuw begon, is in de twintigste eeuw doorgegaan. In 1931 verloor Abchazië de status van republiek en werd onderdeel van Georgië. Daarna moesten er in de jaren veertig onder het bewind van Stalin duizenden Georgiërs gedwongen verhuizen naar Abchazië. Abchazisch spreken werd verboden, er was veel discriminatie bij het aannemen van personeel, Abchazische scholen werden gesloten… Volgens de bevolkingspolitiek van Stalin moesten minderheidsvolken zich vermengen met grotere volken, die op hun beurt weer moesten opgaan in de nieuwgevormde gemeenschap van het Sovjetvolk. Na Stalins dood was er niemand die een ander beleid wilde. Met als gevolg dat bij dit nog latente etnische conflict de spanningen steeds verder opliepen.
Maar meteen na de val van de Sovjet-Unie kwam het tot uitbarsting. Georgië en Abchazië riepen [in 1991] tegelijkertijd hun onafhankelijkheid uit en kozen elk hun eerste president: Edoeard Sjevardnadze en Vladislav Ardzinba. Georgië tekende meteen protest aan tegen de onafhankelijkheidsclaim van Abchazië. Vervolgens zijn beide landen begonnen aan gecompliceerde en eindeloze onderhandelingen. Op 14 augustus 1992 maakte de Opperste Sovjet van Abchazië zich onder voorzitterschap van Ardzinba op om een ontwerp voor een federale grondwet met Georgië te ondertekenen. Maar diezelfde ochtend vielen Georgische troepen Abchazië binnen en trokken op naar Soechoemi.
In deze oorlog tussen Georgië en Abchazië [die tot eind 1993 heeft geduurd] stond Rusland officieel aan Georgische zijde. En Abchazië, dat soldaten noch wapens bezat, kreeg geen enkele steun uit Moskou. Integendeel. Nadat het als door een wonder de Georgiërs had teruggedreven, heeft het acht jaar lang te maken gehad met een economische blokkade van Rusland. Pas in 2000 is die blokkade weer opgeheven. In augustus 2008 heeft Rusland de onafhankelijkheid van Abchazië erkend. De Abchazen zijn daar enorm dankbaar voor. Maar ook al zeggen ze ‘voor de Russen’ te zijn, de machadzjirstvo, de oorlog en de blokkade vergeten ze niet. Voor Abchazië vloeit de keuze voor Rusland voort uit de geschiedenis. Een lastige keuze is het wel. ‘Ik heb een hele militaire uitrusting thuis. Ljosja ook. We zijn hier allemaal goed bewapend. Mijn kinderen konden al op hun zesde schieten,’ zegt Nodar kalm. Hij lacht. Abchazië staat duidelijk klaar om zijn onafhankelijkheid tegenover wie dan ook te verdedigen. Georgië, Rusland, de Verenigde Staten, voor die jongens daar is het allemaal één pot nat.
Vrijheid: een groot goed
De moderne geschiedenis van Abchazië start met de oorlog tegen Georgië. Maar alles begon al veel eerder, met de voorouders van de Hettieten die drieduizend jaar voor Christus uit Klein-Azië kwamen. Abchazië is een van de zeldzame streken op de wereld waar de oorspronkelijke bevolkingsgroepen zich hebben weten te handhaven.
Abazijnen, Oebychen, Adygeërs, Kabarden en Tsjerkessen: ze zijn allemaal verwant aan de Abchazen. Wanneer die laatsten je beginnen te vertellen over de geschiedenis van hun land, dan wordt het een ware mythologie, of het nu over de moderne tijd of de oudheid gaat. Hun vermogen om uit elke gebeurtenis een tijdloze, universele les te trekken, is iets wat Europeanen irriteert omdat ze er een vorm van propaganda in zien. Toch gaat het hier niet alleen om een verschil in perceptie, maar ook om een andere verhouding tot de tijd. Gebeurtenissen herhalen zich en elk nieuw hoofdstuk in de geschiedenis heeft voor Abchazen hetzelfde gewicht als gebeurtenissen van duizenden jaren her, als je ze tenminste als universeel relaas opvat. Europeanen zien dat als vorm van primitief bewustzijn, terwijl het voor de Abchazen een vorm van wijsheid is die zorgt voor continuïteit van de geschiedenis.
Bij Ljosja Agrba drinken we elke avond zoete wijn in de grote serre van zijn huis. Buiten rommelt de donder en valt er regen. ‘Weet je,’ begint Ljosja ernstig, ‘wij zijn altijd vrij geweest. Hier is nooit sprake van lijfeigenschap geweest, bij ons kon elke boer tegen zijn landheer zeggen wat hij dacht. En de landheren vertrouwden hun kinderen toe aan de dorpelingen, zodat ze opgroeiden met de tradities van hun land.’
Door de hele geschiedenis van Abchazië heen is er vreemd genoeg maar zelden sprake van ambitie. Geen oorlogen – hooguit defensieve – geen pogingen om zich te onderwerpen aan de hoogste bieder of om een uiterst bescheiden economie te versterken. Het gevolg is klip en klaar: in Europese ogen is Abchazië straatarm. Er is hier niets wat oligarchen zou kunnen aantrekken of de interesse van de georganiseerde misdaad kan opwekken. De negen jaar durende economische blokkade heeft de lokale industrie de genadeslag gegeven. De landbouw is het net zo vergaan. Zelfs nu is er voor de thee, tabak en de mandarijnenoogst nog geen goed georganiseerd exportsysteem. ‘Zie je die bergtoppen?’ vraagt Ljosja verbitterd terwijl hij naar een bergketen wijst. ‘Ik heb er vier hectare land. Het paradijs. Ik heb er honderd ananasguaves geplant. En kaki’s, mandarijnen, avocado’s. En dat allemaal voor niets. Alles staat daar weg te rotten. Ik heb hier niemand aan wie ik dat fruit kan verkopen. En hoe krijg ik het naar Rusland? Ik ga het er echt niet zelf naartoe brengen.’
Behalve de Abchazen zelf heeft niemand interesse voor de rijkdommen van dit land: een fantastische flora met meer dan 3500 soorten – waarvan de helft inheems –, een bijzondere fauna, bossen en rivieren vol wild en vissen, en ten slotte ongelooflijk goede grond waarop alles wil groeien, van wortels tot avocadobomen. Maar in deze tijd weegt de rijkdom van de natuur niet meer op tegen de armoede van de overheid. En gek genoeg lijkt niemand zich daar hier druk over te maken.
‘Praktisch gezien lijken we misschien in een wat lastige situatie te zitten,’ geeft regeringswoordvoerder Beslan Goerdzjoea toe, terwijl hij een fles Lychny [wijn] ontkurkt. ‘Maar filosofisch gezien gaat alles goed.’ We zitten in een café aan zee in Soechoemi. Achter ons tekenen zich de spookachtige silhouetten van de haven af met zijn kranen, die gelukkig recentelijk zijn vernieuwd. Oude Abchazen met de hoekige gezichten van bergbewoners wandelen trots over de promenade. ‘Je moet de situatie niet met een Europese blik bekijken,’ vervolgt Goerdzjoea. ‘Neem nu centrale verwarming. Die hebben we niet, dat klopt. Maar de winters zijn hier erg zacht en alle gebouwen hebben elektrische verwarming. Door onze eigen energiebronnen is elektriciteit hier spotgoedkoop.’ Met zijn bergrivieren is Abchazië een paradijs voor energietechnologen. Tegenwoordig kan de waterkrachtcentrale aan de Ingoeri het hele land van licht voorzien en ook nog energie aan Georgië leveren. Bij gebrek aan vraag liggen vier andere centrales stil. Deze economie die zo zwak lijkt, is dankzij de eigen energievoorziening en de landbouwproductie in staat om te overleven, zelfs tijdens de diepste laagconjunctuur.
Het volk heeft het laatste woord
‘Maar er ook een democratisch paradijs van maken, dat kunnen jullie niet. Door de corruptie.’ ‘Dat klopt. Maar wij zien de democratie niet als een paradijs. Voor ons betekent democratie dat het volk het laatste woord heeft. In die zin zijn wij democratischer dan Rusland. Als onze president zich morgen laat omkopen door Poetin en een referendum zou organiseren over aansluiting van Abchazië bij Rusland, dan werd hij binnen twee uur afgezet. De politie zou niet eens hoeven in te grijpen.’
Net als in de hele post-sovjetwereld moet hier politiek behoedzaam worden gemanoeuvreerd. Mocht Rusland besluiten de schaar te zetten in de kaart van Abchazië, dan wordt het oorlog. In dat geval heeft Abchazië de beste kansen. Vooral omdat het beleid van het ministaatje – balancerend tussen respect voor de gemeenschappelijke belangen en een modernisering die niet gericht is op economische slavernij maar op ontwikkeling – laat zien welke kant het op moet.
Tijdens de oorlog leidde Nodar aan het oostfront een patrouille verkenners. Toen de Georgische troepen de grens overkwamen, was dat net in het toeristisch hoogseizoen. De kinderen op de stranden wezen lachend naar de vliegtuigen. Die vliegtuigen waren op weg om de hoofdstad te bombarderen. Binnen amper drie dagen bereikten de Georgiërs Soechoemi en bezetten de stad. Ook Gagra werd ingenomen. Het kleine Abchazië maakte zich onmiddellijk op voor de strijd. De jachtgeweren werden van zolder gehaald. De oorlog heeft aan Abchazische kant vijfduizend doden geëist. Op een totale bevolking van 250 duizend mensen is dat ontzettend veel. En ontzettend is ook het woord dat alle Abchazen gebruiken als dit conflict ter sprake komt.
Nodar steekt een sigaret op en schenkt iedereen nog een rondje van die heerlijke zoete wijn in. ‘Oorlogen beginnen in de grote steden en bij de banken,’ zegt hij terwijl hij zijn glas heft. ‘Daar tellen ze de miljoenen. Hier komen we in opstand, we strijden en we vallen. Daarginds is het niet meer dan een spel, hier is het de werkelijkheid. Je vroeg me naar de zin van die oorlog. Die zit in wat we hebben meegemaakt.’ Hij heft zijn glas. ‘Laten we drinken op de vrijheid!’
Nieuwsmagazine, onderdeel van de Kommersant-groep die ook de grote Russische bladen Expert en Kommersant (beide gericht op ondernemers) uitgeven. Deze publicatie heeft als doelgroep de middenklasse en besteedt extra aandacht aan fotografie.
Boodschappen doen is een dagelijks gevecht in het noodlijdende Venezuela. Een gezin heeft negentien minimuminkomens nodig om in de eerste levensbehoeften te kunnen voorzien. En zelfs dan is het nog maar de vraag of er iets te krijgen is.
De vrouw kijkt met gefronste wenkbrauwen naar de display van de kassa in de supermarkt, terwijl de caissière de boodschappen langs de scanner schuift. Als ze ziet dat het totaalbedrag de 32.000 bolivar (ongeveer 8 dollar) overschrijdt, zegt ze gelaten: ‘Haal de avocado’s er maar af.’ Dat is 6000 bolivar minder, maar dan is ze er nog niet. ‘De appels ook maar.’ Nog eens 5000 eraf. ‘Ja, wat dacht je dan man, dat is peperduur! Leg die olijven ook maar terug,’ zegt een andere klant achter in de rij. Het totaal zakt uiteindelijk naar 17.000 bolivar, ofwel 4 dollar. Boodschappen doen voor het huishouden is een dagelijks gevecht van vergelijken en bezuinigen.
De dagelijkse levensbehoeften werden in maart van dit jaar door Cendas, het centrum voor sociale analyse en documentatie van de Venezolaanse Onderwijsfederatie, op 772.614 bolivar per jaar gesteld. Dat is ongeveer 190 dollar op de zwarte markt (1 dollar is 4000 bolivar), de enige wisselmarkt waar de mensen terecht kunnen, want de officiële (700 bolivar) is alleen voor transacties van het bedrijfsleven en de overheid. Dat cijfer betekent een prijsverhoging van 440 procent ten opzichte van dezelfde maand in het vorig jaar. Uitgaande van het minimumloon zoals in januari van dit jaar vastgesteld, zou een gezin negentien minimuminkomens nodig hebben om in de eerste levensbehoeften te kunnen voorzien.
Bij de McDonald’s kost het goedkoopste menu 8000 bolivar, een vijfde van het minimumloon
De regering van Nicolás Maduro probeert deze lijdensweg enigszins te verzachten met verplichte levensmiddelenbonnen ter waarde van 90.000 bolivar (22 dollar) voor zowel ambtenaren als werknemers in het particuliere bedrijfsleven. Maar die komen niet bij iedereen terecht, omdat de meeste mensen zwart werken. De geprivilegieerden die ze wel ontvangen schieten er echter ook niet veel mee op, want de meeste producten worden tegen exorbitant hoge prijzen verkocht op de zwarte markt, waar die bonnen niks waard zijn.
‘Er is niks. Je moet vijf tot acht uur in de rij staan om iets te bemachtigen. Soms staan we om vier of vijf uur op omdat ze zeggen dat er iets aan staat te komen. Maar dat blijkt dan loos alarm, en dan keren we met lege handen weer terug,’ zegt Carmen Alcalá. En Teresa, een pronte Venezolaanse die geen demonstratie van de oppositie overslaat, vertelt: ‘De officiële prijs van rijst is 3500 bolivar, maar omdat er nergens rijst te krijgen is moet je naar de bachaqueros (verkopers op de zwarte markt), waar je er 5500 tot 6000 bolivar voor moet neertellen.’
Carmen kan zich niet meer inhouden en onderbreekt ons: ‘Natuurlijk, de overheid verstrekt dozen met levensmiddelen [zogeheten ‘solidariteitsdozen’], maar wat voor eten is dat? Rijst, pasta, een beetje olijfolie en een pak suiker. Dat is geen eten,’ zegt ze en telt op haar vingers af: ‘Eten is kaas, eten is vlees, eten is kip.’
De solidariteitsdozen worden verstrekt door de Comités voor Lokale Volksproviandering. Maar je krijgt ze niet cadeau, ze kosten 15.000 bolivar (4 dollar, nieuwe prijs van afgelopen maand) en er zitten weinig essentiële levensmiddelen in.
Andreina woont in West-Caracas, een bolwerk van chavisten. Ze vertelt dat ze verschillende keren solidariteitsdozen heeft gekocht. ‘Er zat een pakje vermicelli-achtige pasta in (voor baby’s), een pakje suiker, wat olijfolie, twee pakjes rijst, twee blikjes tonijn en een pond melkpoeder. Nu komen ze al een tijdje niet meer. De laatste hebben we betaald, maar de doos werd niet geleverd.’ Veel van die dozen komen op de zwarte markt terecht, waar er flink geld mee wordt verdiend. ‘Eén kilo melkpoeder kost daar al 15.000 bolivar,’ zegt ze, ‘dus kun je nagaan hoeveel winst ze maken.’
Midden op de dag is het een drukte van belang in Caracas. Venezolanen houden van eten, veel eten. Maar in de restaurants en cafés zie je niemand. Waar je wel massa’s mensen ziet, is aan de eetkraampjes waar een hotdog 1500 bolivar kost (minder dan een halve dollar) en een hamburger 3000 of 3500. ‘Zo is het altijd tegen de middag,’ zegt Victor, terwijl hij zijn klanten op de Avenida Francisco de Miranda bedient. ‘Allemaal kantoormensen hier uit de buurt. Waarom zouden ze naar een restaurant gaan als daar alles zo duur is?’
Bij de McDonald’s kost het goedkoopste menu 8000 bolivar, een vijfde van het minimumloon. En als je een wat steviger menu wilt, dan betaal je bijna twee keer zoveel: 15.000 bolivar. Je ziet er alleen wat tienerpaartjes, samen aan een frisdrankje, waar ze een eeuwigheid mee doen.
Een andere stressfactor is de schaarste en het eindeloze in de rij staan, vaak tevergeefs. ‘Ga ginds maar eens kijken,’ zegt een medewerkster van een supermarkt als een vrouw haar vraagt om melkpoeder (de enige melk die ze verkopen). ‘O, maar die zijn al lang op,’ zegt een andere medewerkster als een klant bij de schappen komt. Cendas signaleert dat minstens 17 van de 58 levensmiddelen op hun lijst ‘schaarsteproblemen’ opleveren.
De crisis heeft de middenklasse in Venezuela uitgedund en de armoede verergerd. Inmiddels leeft 82 procent van de bevolking in armoede. Araceli heeft pikzwarte ogen en een roodbruine huid. ‘Nu zijn we allemaal gelijk, allemaal arm,’ zegt hij bitter. En hij besluit met een klacht die recht uit zijn hart komt: ‘Een nichtje van me is vier maanden geleden bevallen en haar dochtertje lijdt aan ernstige ondervoeding, omdat ze geen eten voor haar heeft.’
Waarom lukt het China zich aan de armoede te ontworstelen, en veel Afrikaanse staten niet? Die Zeit zocht naar antwoorden in de Centraal-Afrikaanse Republiek.
De president van het armste land ter wereld resideert achter een grote zwarte toegangspoort, die wordt bewaakt door een handvol mannen met machinegeweren. Wie de poort passeert, stuit op een kantoorcontainer met een schotelantenne op het dak. Een achteringang voert naar een met hout betimmerde werkkamer met zware gordijnen, die de middaghitte buiten moeten houden. Daar bezet president Faustin-Archange Touadéra een van de kolossale leren stoelen, waarin hij er op de een of andere manier ietwat verloren uitziet.
Eigenlijk is Touadéra hoogleraar in de wiskunde. Een paar jaar geleden ging hij de politiek in om zijn land te dienen, zegt hij. En vrij snel werd hem duidelijk dat dat ingewikkelder is dan de ingewikkeldste wiskundige vergelijking. Touadéra’s land is namelijk de Centraal-Afrikaanse Republiek.
581 dollar
Als je op een kaart van het Afrikaanse continent ongeveer in het midden een lijn van noord naar zuid trekt en dat ook van oost naar west doet, dan ligt het land nagenoeg op het snijpunt van die lijnen. Eén keer per jaar publiceren de Verenigde Naties een lijst die de landen ter wereld op welvaartsniveau rangschikt. De Centraal-Afrikaanse Republiek staat op de laatste plaats. Slechts 581 dollar bedraagt er het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking – in Duitsland is dat 43.919 dollar.
Hoe komt dat?
Waarom staat de burgemeester van Paderborn een hoger budget ter beschikking dan de president van een land dat twee keer zo groot is als de Bondsrepubliek?
Waarom rollen er in Duitsland jaar in, jaar uit bijna zes miljoen auto’s van de band en in het rijk van Faustin-Archange Touadéra niet een?
Waarom worden Duitsers gemiddeld 81 jaar oud en de mensen in het hart van Afrika maar amper 51 jaar?
Met andere woorden: waarom zijn arme landen arm en rijke landen rijk?
Ontelbare economen hebben zich over die vraag gebogen. Ze hebben de oorzaken van de armoede onderzocht en erover nagedacht waarmee de armen geholpen zouden kunnen zijn. Maar ze zijn met hun ideeën maar nauwelijks doorgedrongen in de zenuwcentra van de internationale politiek.
Door het koele klimaat in Centraal-Europa moesten de mensen zich daar al vroegtijdig wapenen tegen nat en koud weer, terwijl de warmte rond de evenaar in zekere zin uitnodigt tot nietsdoen
Zoals zo vaak in de economie is er niet één maar zijn er vele theorieën waarmee geprobeerd wordt te verklaren waarom arme landen arm zijn. Sommige deskundigen schrijven armoede toe aan de geografische ligging van een land, door te stellen dat de toegang tot de open zee een belangrijke voorwaarde voor economische ontwikkeling is, omdat de handel erdoor wordt vergemakkelijkt. Dat klinkt logisch, maar een land als Zwitserland ligt behoorlijk ver van zee en is toch een van de rijkste landen ter wereld.
Anderen zien het klimaat als een belangrijke oorzaak: door het koele klimaat in Centraal-Europa moesten de mensen zich daar al vroegtijdig wapenen tegen nat en koud weer, terwijl de warmte rond de evenaar in zekere zin uitnodigt tot nietsdoen. Dat verklaart evenwel niet waarom tropische landen als Maleisië relatief rijk zijn geworden.
Weer andere economen betogen dat de armen arm zijn omdat de rijken rijk zijn: het Noorden schermt zijn markten af, waardoor de landen van het Zuiden hun producten daar niet kunnen verkopen. Toch heeft China dat juist wel gedaan en daarmee miljoenen Chinezen een weg uit de armoede geboden.
Tot zover de theorieën van de deskundigen. Maar wat is de visie van Faustin-Archange Touadéra in hoofdstad Bangui, voor wie de armoede net zo bij het dagelijks regeren hoort als het pensioendebat voor Angela Merkel?
‘We hebben praktisch geen regering. We zijn niet in staat de bevolking te beschermen. We moeten dat allemaal weer opbouwen.’
Waar ontbreekt het aan?
‘Vooral de infrastructuur baart ons zorgen. Er zijn nauwelijks wegen en er is te weinig elektriciteit.’
De bewoners van het land waarvan de geschiedenis, net als die van zoveel Afrikaanse landen, tot nog toe weinig aanleiding tot hoop heeft geboden, hebben die hoop gevestigd op Touadéra. Na de laatste coup in 2013 richtten rivaliserende milities bloedbaden aan, waarbij duizenden mensen de dood vonden en honderdduizenden op de vlucht werden gedreven. Touadéra is de eerste president sinds jaren die na min of meer eerlijk verlopen verkiezingen aan de macht is gekomen.
Aan de andere kant zal er vrijwel geen politicus op aarde zijn die zich niet zou beklagen over de staat van de wegen in zijn land. Daarom loont een bezoek aan Jean-Christophe Carret, die veel weet over elektriciteit en wegen, en nog meer over de oorzaken van armoede. Carret is namelijk econoom en hij werkt voor de Wereldbank. De Wereldbank is een halve eeuw geleden opgericht om de armoede op de wereld te verslaan. De bank heeft meer dan tienduizend werknemers in ruim honderdtwintig landen. Het kantoor van Jean-Christophe Carret ligt vlak bij het presidentiële paleis.
Meneer Carret, waarom zijn de mensen hier arm?
‘Stap in, dan zal ik u iets laten zien.’
Eén onderneming
Carret stuurt zijn terreinauto richting het noorden. Hij wordt begeleid door een groep zwaarbewapende blauwhelmen, omdat milities het gebied nog altijd onveilig maken. Het konvooi rijdt door de levendige buitenwijken van Bangui, waar op markten fietsbanden, flessen benzine, ondergoed en een uitgebrande Citroën worden aangeboden. Daarna zijn er alleen nog maar her en der lemen hutten te zien en omzomen schier eindeloze struikgewassen de stoffige weg. Na anderhalf uur rijden wordt het landschap bergachtiger en is het geraas van een enorme waterval te horen.
Carret zet koers naar een fabriekshal. Binnen zet het vallende water vijf turbines in beweging, die generatoren ter grootte van een minibus aandrijven. ‘Dit is hier de enige officiële energiebron, een hoogspanningsleiding transporteert de stroom naar Bangui,’ zegt Carret. ‘We hebben de centrale gerenoveerd. Een stuwdam zorgt ervoor dat er ook in de droge tijd genoeg water is. We kunnen van hieruit de stad van stroom voorzien, maar het is niet voldoende om fabrieken in bedrijf te houden.’
In de hele Centraal-Afrikaanse Republiek is er zegge en schrijve één grote onderneming, een brouwerij in een buitenwijk van Bangui. Die behoort tot het Franse drankenconcern Castel, dat daar een moutbier brouwt en de helft van zijn energiebehoefte op een dure manier moet opwekken met behulp van een eigen generator, een wijdverbreid fenomeen in Afrika. Volgens een onderzoek van consultancybureau McKinsey produceren de 49 landen ten zuiden van de Sahara jaarlijks ongeveer 423 terawattuur elektrische energie. De VS verbruiken iets meer dan het negenvoudige. De slechte stroomvoorziening weerhoudt veel ondernemingen ervan investeringen te doen.
Als er meer stroom was, dan zouden zich dus meer bedrijven in Afrika vestigen – en dat zou helpen in de strijd tegen armoede. Bedrijven spelen daarin namelijk een sleutelrol, zo blijkt uit onderzoek. Dertig jaar geleden was China nog een straatarm land. Toen werden er enorme fabrieken gebouwd, die miljoenen eenvoudige mensen werk bezorgden. Met hun loon konden die mensen zich een betere opleiding voor hun kinderen permitteren, die vervolgens werk kregen als ingenieur of geschoold arbeider. Nu is China de op een na grootste economie ter wereld.
In de afgelopen jaren is het echter enigszins uit de mode geraakt om stuwdammen en krachtcentrales in ontwikkelingslanden te bouwen. Dat komt doordat bij dergelijke grote projecten vaak maar weinig rekening werd gehouden met het milieu en de getroffen mensen. En in plaats van elektrische leidingen en generatoren werden keuterboertjes en kredietverenigingen gefinancierd. Er zijn zelfs deskundigen, zoals Nobelprijswinnaar voor de Economie Angus Deaton, die ontwikkelingshulp radicaal willen schrappen omdat de betalingen alleen maar corrupte regimes in stand houden en in het ergste geval zelfs schade aanrichten. Een regering die bijvoorbeeld regelmatig geld uit het buitenland krijgt voor de staatshuishouding, hoeft er niet voor te zorgen dat de mensen in eigen land genoeg verdienen om belasting te kunnen betalen.
Ongeveer de helft van de gemeentebesturen moet het zien te redden met een budget van nog geen euro – per jaar
Ook Carret heeft zich met dergelijke theorieën beziggehouden. Maar zijn grootste zorg is dat de Centraal-Afrikaanse Republiek in een spiraal van geweld terechtkomt als de bevolking niet het gevoel heeft dat het haar met een democratisch gekozen president ook financieel beter gaat. Daarom financierde hij met Wereldbankgeld de salarissen van de ambtenaren toen de regering daar niet toe in staat was. Daarom liet hij wegen opknappen om arbeidsplaatsen voor de bevolking te creëren. En daarom wil hij ervoor zorgen dat eindelijk ook de turbines worden geïnstalleerd die al jaren op een bouwplaats naast de waterkrachtcentrale liggen. En dat misschien zelfs met hulp van Chinese investeerders een zonne-energiecentrale wordt gebouwd, zodat stroom in Bangui geen schaars goed meer is.
En is het land echt niet meer arm als dat allemaal zou lukken?
Een paar kilometer buiten Bangui bevindt zich een kazerne, beschermd door muren en prikkeldraad. Hier maakt Masse Noudjoutar de dienst uit, commandant van het derde bataljon infanterie van het Centraal-Afrikaanse leger. Zijn soldaten staan in rijen van twee op het exercitieterrein. Het ruikt naar vis, die boven een open vuur wordt gebraden. Merkwaardig is alleen dat vrijwel niemand een wapen draagt.
Commandant Noudjoutar, waarom is het land arm?
‘Kijk om u heen. We zijn met te weinig. We hebben nauwelijks uitrusting, zegt hij. Noudjoutar bouwt met steun van Belgische en Franse militairen het leger van het land op. Zij leren soldaten hoe je controleposten bemand, wat in de strijd is toegestaan en hoe je met gevangenen omgaat. Het probleem daarbij is dat het leger tot nog toe niet meer dan een paar honderd man sterk is – en dat is niet genoeg om de rust in het land te herstellen.
Niet alleen zijn er te weinig soldaten, er zijn ook te weinig politieagenten, te weinig leraren en te weinig belastingambtenaren. Het ontbreekt aan onafhankelijke rechters, ambtenaren op ministeries, accountants. Op papier is de Centraal-Afrikaanse Republiek een keurig geordend staatsbestel met zestien prefecturen en 179 gemeenten. Maar de praktijk ziet er anders uit. Ongeveer de helft van de gemeentebesturen moet het zien te redden met een budget van nog geen euro – per jaar. En dus moeten ze toekijken hoe de in het oosten van het land gewonnen diamanten de grens over worden gesmokkeld, waar ze in de zakken van de militieleiders terechtkomen in plaats van bij de eigen bevolking.
Zelfs als er geld is, wordt het vaak zodanig gebruikt dat het land er meer schade van ondervindt dan baat bij heeft. Daar kan de enige grootindustrieel van het land over meepraten; de directeur van de brouwerij is een zeer actieve Fransman die al meer dan twintig jaar in Afrika werkt. Ooit moest hij tijdens onlusten de werkzaamheden staken omdat de diesel voor de aandrijving van de generatoren was gestolen – samen met ongeveer vijftienduizend flesjes bier. Het grootste probleem zijn echter de autoriteiten, zegt de directeur. Een paar jaar geleden had hij een tiental werknemers moeten ontslaan omdat de zaken slecht gingen. Het ontslag was door de rechtbank goedgekeurd, maar niet veel later door dezelfde rechtbank onrechtmatig verklaard. Hij werd tot een boete veroordeeld, met als motivatie dat de wet was gewijzigd.
Vroeger beschouwden veel ontwikkelingsdeskundigen de overheid als overbodig, als een bureaucratisch apparaat dat de economische groei remde. Tegenwoordig weten ze dat economisch succesvolle landen doorgaans over een sterke overheid beschikken, die ervoor instaat dat privébezit wordt beschermd, dat de maatschappij niet uit elkaar valt, dat scholen en universiteiten functioneren en dat de regels van vandaag ook morgen nog gelden. Een nieuwe fabriek is vaak pas na jaren rendabel. Zonder een minimum aan rechtszekerheid zal geen investeerder er geld in willen steken.
In de meeste Afrikaanse landen is de overheid niet sterk, maar opgeblazen: ze doet zich gelden waar ze niets te zoeken heeft en is afwezig waar ze gewenst is. Zo is het bijzonder ingewikkeld om een bedrijf te registreren, kunnen ondernemingen maar moeilijk nieuwe kredieten krijgen en worden voorschriften geïnterpreteerd zoals het de overheid uitkomt. In een recent onderzoek van de Wereldbank naar de kwaliteiten van hun lidstaten als vestigingsland neemt de Centraal-Afrikaanse Republiek van de 190 landen plaats 185 in. Ook de meest gewiekste ondernemers kunnen onder dergelijke omstandigheden niet groeien en arbeidsplaatsen creëren.
Dat een hogere plaats er niet in zit na de zware onlusten van de afgelopen jaren is niet verwonderlijk, maar het is opvallend dat onder de zakenmensen, ontwikkelingswerkers, politici en militairen in Bangui niemand de geografie verantwoordelijk stelt voor de misère van het land, en nauwelijks iemand zich beklaagt over het klimaat of over het feit dat het Noorden zijn markten afschermt. Voor hen lijkt het belangrijker wat er in het land zelf gebeurt.
Dat sluit aan bij de stelling van economisch onderzoeker Daron Acemoglu van het Massachusetts Institute of Technology. Acemoglu meent dat de welvaart van een land afhangt van de manier waarop dat land zijn zaken regelt. In de meeste arme landen heeft een kleine elite de macht over politieke en economische hulpbronnen en gebruikt ze die om zichzelf te verrijken. Omdat werken niet loont, blijft de vooruitgang uit. Rijke landen zijn daarentegen rijk omdat economische en politieke vrijheidsrechten grenzen stellen aan de uitbuiting van de bevolking, en het overheidsoptreden zich meer richt op het algemeen welbevinden.
Dat gold lang geleden misschien ook wel voor de Centraal-Afrikaanse Republiek. De mensen leefden er in relatief stabiele omstandigheden, tot vanaf de vijftiende eeuw zoals in zoveel landen ten zuiden van de Sahara eerst slavenhandelaren uit Noord-Afrika en vervolgens Europeanen – in dit geval de Fransen – het land teisterden. Uit recente onderzoeken blijkt dat deze rooftochten de bestaande maatschappelijke structuren ontwrichtten, zodat uitbuitende regimes vaste voet konden krijgen. De instituties van de betreffende landen hebben daar nog altijd onder te lijden.
Armoede is geen lot
Maar – en dat is de eigenlijke boodschap van het onderzoek van Daron Acemoglu – armoede is geen lot. Als het bijvoorbeeld zou lukken om in het noorden van Bangui de extra turbines te installeren, als Masse Noudjoutar meer soldaten zou krijgen en als de rechters de wetten zouden interpreteren in plaats van ze te breken, dan zou de Centraal-Afrikaanse Republiek stijgen in de welvaartstabel.
Een dag nadat president Touadéra van achter zijn zwarte poort de wederopbouw van zijn land heeft aangekondigd, komen in het Franse cultureel centrum in Bangui een stuk of twaalf mannen en vrouwen bijeen. Daar vindt een soort grondleggersbazaar plaats; de mensen zijn gekomen om hun ideeën te presenteren. De een is van plan om van oude plastic flessen een soort wegdek te maken, een ander heeft een houten koelkast ontwikkeld die weinig energie zou verbruiken, een derde wil een energiedrankje produceren uit de bladeren van de mierikswortel, die in de tropische gebieden van Afrika op elke hoek groeit. ‘Mijn doel is massaproductie. Ik zou graag een fabriek bouwen,’ zegt hij. Dat is nu precies waar het om gaat.
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.
Honderdduizenden arme Chinezen vonden vanaf de jaren tachtig werk in de afvalrecycling. Sommigen werden er zelfs miljonair mee. Maar door dalende prijzen ligt de sector op zijn gat en zijn de sorteerders weer terug bij af.
In de naargeestige straatjes van Beijing kom je rammelende driewielers tegen die zwaar beladen zijn met allerlei ‘gebruikte spullen’ en getooid met een groot kartonnen bord waarop in onbeholpen karakters ‘Afvalinzameling’ staat.
Ook al kent Beijing al sinds de jaren vijftig afvalscheiding, de bewoners zijn er nog niet aan gewend. Vorig jaar produceerden de huishoudens in Beijing meer dan 7,9 miljoen ton afval en de hoofdstad wordt omringd door meer dan vierhonderd stortplaatsen. Elke dag beklimmen honderden mensen stinkende vuilnisbergen om met bekwame hand het afval te scheiden. Afvalrecycling is in de Chinese hoofdstad bijna volledig afhankelijk van deze bevolkingsgroep uit de provincies, die helemaal onder aan de maatschappelijke ladder staat. Met blote handen wroeten ze in het afval om recycleerbare voorwerpen te vinden die ze vervolgens voor enkele tienduizenden yuans [1 yuan = 0,14 euro] kunnen doorverkopen aan een afvalverwerkings- en behandelingsbedrijf.
Tot dit leger van afvalsorteerders behoort de familie Zhou, afkomstig uit een dorpje in de buurt van Fuyang, in de provincie Anhui in Centraal-China. Twintig jaar geleden vestigde Zhou Shouyi zich op bijna vijftigjarige leeftijd met zijn gezin op een vuilstortplaats aan de zuidelijke rand van Beijing. Omdat hij wees was, kon hij in zijn dorp niet over landbouwgrond beschikken. Hij moest als metselaar werken om zo goed en zo kwaad als het ging zijn brood te verdienen. Eind jaren tachtig werd Shouyi’s linkerbeen verbrijzeld door een val uit een boom op een bouwplaats, zodat hij zijn werk verloor. Daarna, in 1995, verloor hij al zijn bezittingen bij een brand. Hij besloot zijn geluk in Beijing te beproeven.
Shouyi vertrok met zijn vrouw en vier kinderen: zijn tweeling Bingyu en Bingqing, een achtjarige dochter van zijn jongere broer van wie haar ouders vanwege geldgebrek afstand wilden doen, en zijn zoon Bingjie, die op dat moment nog in de buik van zijn moeder zat. Op aanraden van iemand uit het dorp trok de familie Zhou naar het district Xihongmen, ten zuiden van de vijfde rondweg van Beijing, waar zich een immense vuilstort bevindt.
Sloppenwijk
Nadat hij zich had aangesloten bij het leger van afvalsorteerders in de hoofdstad, bouwde Shouyi op de stortplaats zelf een hut van resten plaatijzer, kapotte bakstenen en stukken hout die hij her en der had verzameld, net als al hun meubels en kleren. In dit krot werd hun zoon Bingjie geboren.
De legers van afvalsorteerders streken begin jaren tachtig in de grote steden van China neer. Volgens een studie zou Beijing er wel 160.000 hebben geteld. Het merendeel was afkomstig uit de provincies Sichuan (in het zuidoosten), Henan (in het centrale oosten), Jiangxi (in het oosten) en Anhui. Vervolgens verdeelden deze afvalsorteerders zich op grond van hun geografische herkomst in diverse clans, die elkaar op leven en dood beconcurreren. Sommigen werkten zich dankzij de goudmijn die het afval kan zijn op tot ‘glaskoningen’, ‘plastickoningen’ en ‘ijzer- en aluminiumkoningen’, en werden miljonair. Anderen vestigden zich op grote stortplaatsen aan de rand van de stad, waarvan ze de grond dikwijls huren van productiebrigades van naburige dorpen. De percelen beslaan enkele vierkante kilometers en zijn opgedeeld in ontelbare bedrijfjes waar het afval wordt gescheiden en gerecycleerd.
Van het tiental grote stortplaatsen rond de hoofdstad zijn er maar zeer weinige die over de vereiste vergunningen beschikken of zich tijdig hebben ingeschreven bij de Dienst Handel en Industrie. Deze dienst laat zich betalen voor de locatie en bekommert zich nauwelijks om de bescherming van het milieu. Ondanks het feit dat ze talrijke problemen veroorzaken (verstoring van de openbare orde, milieuvervuiling, vervalsing en het aanlengen van spijsolie), stellen de honderdduizend afvalsorteerders de overheid in staat jaarlijks enkele honderden miljoenen yuans te besparen op het verwerken van afval.
Dankzij het harde werken van deze mensen is China uitgegroeid tot de grootste wereldmarkt voor recycling. Volgens statistieken van de Staatscommissie voor Ontwikkeling en Hervorming was in 2013 bijna de helft van het koper, meer dan de helft van het papier en bijna een derde van het aluminium in het land afkomstig van recycling van uit de Verenigde Staten en Japan geïmporteerd afval. Tussen de afvalkoninkrijken bestaat een strikte onderverdeling, en het zware en vuile werk is geen enkel beletsel om wat dan ook in te zamelen.
Wang Weiping, vicevoorzitter van de Commissie Stedelijke Milieuzaken op het stadhuis van Beijing, houdt zich al meer dan veertig jaar bezig met de afvalverwerking in de hoofdstad. Tijdens de volksvergadering van de gemeente Beijing in 2016 legde hij uit dat de afvalsorteerders zich hebben opgedeeld in dertien clans, die zijn geconcentreerd in 82 ‘kampen’ van ongeveer tweeduizend huishoudens buiten de vierde rondweg. De grootste groep heeft de bijnaam ‘clan van Sichuan’ en bestaat uit ongeveer veertigduizend voormalige inwoners van de stad Bazhong. De tweede is die van Henan (zeventienduizend leden, voor het merendeel afkomstig uit het district Gushi). De samenlevingsregels tussen de verschillende clans zijn zeer strikt, en elke clan heeft zijn eigen werkterrein (glas, plastic, voorwerpen) waarvan niet mag worden afgeweken.
Onderzoek van Wang Weiping heeft uitgewezen dat in 1999, toen Beijing 82.000 afvalsorteerders telde, deze bevolkingsgroep betrokken was bij meer dan 70 procent van de wetsovertredingen in de hoofdstad. ‘Als er niets viel in te zamelen, gingen ze stelen, en als ze niets konden stelen namen ze hun toevlucht tot geweld.’ Alles zamelden ze in: putdeksels, vangrails en zelfs elektriciteitskabels van de metro… ook al werden die nog gebruikt.
Om een eind te maken aan deze chaotische situatie heeft Wang Weiping persoonlijk ontmoetingen georganiseerd met vertegenwoordigers van een tiental van deze clans. Ze kwamen tot de volgende afspraak: de clan van Sichuan zamelt huishoudelijk afval in, die van Henan zamelt voorwerpen in, die van Hebei houdt zich bezig met het recyclen van afval buiten de vierde rondweg en die van Jiangsu zamelt spijsolie in.
Wat hij het meeste vreesde waren de leden van de ordedienst, bestaande uit eenvoudige burgers die in samenwerking met de overheid de openbare orde in de wijken handhaafden
Zhou Shouyi, die zich onder aan de ladder van het systeem bevond, kon alleen maar datgene verzamelen wat de verschillende clans, de officiële diensten of de ongecontroleerde bendes hadden achtergelaten nadat ze eruit hadden gehaald wat er van hun gading was. Omdat hij zich moeilijk kon verplaatsen vanwege zijn geamputeerde linkerbeen, en omdat zijn vrouw aan verschillende kwalen leed, was het arbeidsvermogen van hun huishouden sterk afgenomen ten opzichte van dat van andere gezinnen. De beste oplossing was in de ogen van Shouyi om alleen kleinschalig te werken en geen lawaai te maken, verstopt tussen het afval. Toch schuimde hij soms met zijn bakfiets (nadat hij zijn prothese had aangedaan) woningblokken af om voorwerpen te zoeken die op straat waren gezet. Om toegang te krijgen tot de plekken waar het afval van een bepaald blok werd ingezameld en gescheiden, moest hij elke maand een geldbedrag betalen aan vertegenwoordigers van de plaatselijke reinigingsdienst. Bijna duizend afvalinzamelingsstations voor woonblokken in Beijing zijn volgens contract aan een kleine groep inzamelaars vergeven.
Met de nadering van de Olympische Spelen van 2008 kregen Shouyi en zijn gezin de kans de stortplaats te verlaten, omdat er een woningblok zou worden gebouwd. Er werd hun geld geboden om naar een fatsoenlijker woning te verhuizen. Maar Shouyi weigerde.
Zijn vrouw en hij hadden geen tijdelijke woonvergunning voor Beijing, en ze hadden meer kinderen dan volgens de geboortebeperkingsregels was toegestaan; ze stonden dus niet ingeschreven bij de gemeente en Shouyi was bang dat ze zouden worden teruggestuurd naar hun geboortedorp als men daarachter kwam. Maar wat hij het meeste vreesde, net als de andere afvalsorteerders, waren de leden van de ordedienst, bestaande uit eenvoudige burgers die in samenwerking met de overheid de openbare orde in de wijken handhaafden. Zij deelden lukraak boetes uit van soms wel enkele honderden yuans, vooral tijdens de periode van ‘zware repressie’ die aan de Olympische Spelen voorafging.
Wat hem ook zorgen baarde, was dat hij ‘werkloos’ zou kunnen raken als hij op een aangenamer plek ging wonen. Voor Shouyi ging er niets boven de smerige en stinkende stortplaats waar hij discreet kon leven en een karige boterham kon verdienen. Het was hun fort.
Toch is de schoolopleiding van de kinderen altijd een grote zorg voor de familie Zhou geweest. Shouyi zelf kent maar enkele karakters, terwijl zijn vrouw volledig analfabeet is. Maar hoe moesten ze schoolgeld betalen als ze met het sorteren van afval maar net de touwtjes aan elkaar konden knopen? Bovendien waren ze niet welkom in Beijing.
In 2002 stond geen van hun vier kinderen bij de burgerlijke stand ingeschreven, zodat ze nog steeds niet naar school konden gaan, terwijl hun oudste (geadopteerde) dochter vijftien was, hun tweeling negen en hun zoon zeven. Drie jaar later besloot hun oudste dochter werk te gaan zoeken. Iemand had haar aangeraden naar de provincie Hebei te gaan. Waar precies? Om wat voor werk te doen? Haar familie had geen idee. Sinds haar vertrek hoorden ze nooit meer iets van haar. Ze probeerden de autoriteiten te waarschuwen, maar omdat hun dochter niet was ingeschreven bij de burgerlijke stand, werd hun aangifte niet in behandeling genomen.
De tweeling, met alleen maar een basisschoolopleiding, was gedwongen om zwaar, gevaarlijk en slecht betaald werk te accepteren. In november 2011 kregen ze hun eerste officiële baantje als kwaliteitscontroleurs in een fabriek voor elektrische materialen in het district Daxing. De fabriek stond in een afgelegen gebied en werd in de winter niet verwarmd. De twee zusjes werkten twaalf uur per dag, met soms nachtdiensten, voor een salaris van 1600 yuan [220 euro], een schamele beloning voor alles wat ze te verduren kregen.
Toen de tweeling jonger was, was een van hen, Bingqing, gewond geraakt aan haar rug doordat een vriendje op de basisschool een stoel naar haar had gegooid. Omdat ze in haar nieuwe baan twaalf uur achter elkaar keihard moest werken, kreeg ze vreselijke rugpijn. Toen ze niet meer kon, ging ze naar het ziekenhuis, waar röntgenfoto’s werden gemaakt die haar 3000 yuan [410 euro] kostten. Maar die foto’s alleen vond de arts nog niet genoeg; hij gelastte een MRI-scan. Bingqing, die beducht was voor de kosten, probeerde hem om te praten. ‘Dat kan ik echt niet betalen. Zijn die foto’s niet genoeg?’ Maar de arts bleef onverbiddelijk en uit angst te veel uit te geven staakte Bingqing uiteindelijk de behandeling, wat haar bitter stemde.
Bingyu moest ondertussen elke dag aandachtig naar de passerende onderdelen kijken. Korte tijd later kreeg ze een oogaandoening. De zusjes hielden het ondanks alles drie jaar vol en verlieten de fabriek pas in 2014, toen ze het werk fysiek niet meer aankonden.
Zhou Shouyi, die momenteel 68 is, heeft zelf ook steeds vaker gezondheidsproblemen: hij is al diverse keren flauwgevallen tijdens het afval sorteren. De gezondheid van zijn vrouw is nog sneller achteruitgegaan; ze heeft het vaak benauwd en valt ook regelmatig flauw. Omdat haar gezichtsvermogen achteruit is gegaan, zitten haar handen vol littekens van brandwonden, veroorzaakt door kokend water dat ze eroverheen heeft gekregen. Maar ze weigert naar de dokter te gaan, omdat ze net als haar dochter bang is dat ze veel geld voor de geneesmiddelen moet betalen.
Ontmanteling
Vorig jaar, vóór het Chinees Nieuwjaar, nam Bingqing een dag vrij om haar vader te helpen tijdens zijn laatste afvalinzamelingsronde. Na een dag werken hadden ze nog geen 100 yuan [14 euro] verdiend, en Shouyi begreep dat hij zo niet langer door kon gaan. Tussen de SARS-epidemie van 2003 en de Olympische Spelen van 2008 kende hij in zijn beroep een gouden tijd, maar de laatste jaren was de overheid begonnen met de ontmanteling van grote recyclinglocaties. Bovendien nam in 2015 de vraag aanzienlijk af door de crisis in de maakindustrie en kelderden de afvalprijzen. ‘Wij staan helemaal onder aan de industriële ladder. Nadat we alles hebben gegeven, kunnen we ophoepelen!’ constateert een bittere Shouyi.
De situatie is nog erger voor andere sorteerders, zoals die uit Gushi, concurrenten die Shouyi altijd erg benijdde. Terwijl hij voor zijn woning in een rij barakken in Dongxiaokou staat, kijkt meneer He, een inzamelaar, naar het braakliggende terrein dat zich voor hem uitstrekt en vraagt zich af of hij Beijing, waar hij toch meer dan tien jaar heeft gewoond, niet moet verlaten.
Dongxiaokou ligt buiten de vijfde rondweg van Beijing en stond bekend als het ‘afvaldorp’, vooral bewoond door mensen uit Gushi in de provincie Henan. In de gouden tijd werd er afval ingezameld en gescheiden op een immens terrein van meer dan 33 hectare, waar enkele tienduizenden mensen elektronische en elektrische apparaten verwerkten die door Beijing waren afgedankt.
In alle jaren dat hij in Dongxiaokou woont, heeft meneer He de activiteit zien afnemen. Vroeger bedroeg de maandelijkse huur voor een locatie 5000 yuan [690 euro] en kon je wel 10.000 yuan [1370 euro] per maand verdienen, maar tegenwoordig verdien je hooguit 3000 yuan [410 euro] als magazijnbediende in het naburige dorp, dat nog niet met de grond gelijk is gemaakt. Volgens meneer He ‘ligt de sector volledig op zijn gat’.
Op hun drieëntwintigste hebben Bingyu en Bingqing allebei een vriendje (bezorgers van thuismaaltijden). Maar hoeveel ze ook van hen houden, ze zijn niet van plan met hen te trouwen
De familie Zhou weet heel goed dat de afvalprijzen zijn gedaald: de prijs van een plastic waterfles (3 eurocent) is gedaald tot eenderde; glas brengt minder dan 20 yuan [2,75 euro] per 50 kilo op, terwijl de prijs van polyester met een hoge dichtheid is gekelderd tot 2 yuan [28 cent] per kilo, tegen vier keer zoveel vroeger.
Maar Wang Weiping van de Commissie Stedelijke Milieuzaken is bang dat door het vertrek van deze kleine sorteerders uit Beijing de particuliere afvalinzamelingsbedrijfjes failliet zullen gaan, dat de plastic-, staal- en papierfabriekjes in de naburige provincie Hebei hun deuren zullen sluiten en dat de hoeveelheid te verwerken afval van Beijing aanzienlijk zal toenemen en voor ernstige problemen zal zorgen.
Zoals Bingqing al lang geleden besefte, kon haar vader vroeger nog een klein beetje geld verdienen door vuile handen te maken als sorteerder, maar zal dat voor haar generatie niet langer weggelegd zijn. Beide zusjes hebben inmiddels een baan gevonden bij een fastfoodrestaurant in het district Changping, ten noorden van Beijing, op 80 kilometer van hun ouders. Ze verdienen er een mager salaris en hebben het zo druk dat ze vaak maar één keer per dag kunnen eten. Bingjie is toegelaten op een middelbare school in Beijing en zijn zusjes hebben maar één doel voor ogen: genoeg geld verdienen om zijn schoolgeld van 16.000 yuan [2200 euro] per jaar te kunnen betalen.
Op hun drieëntwintigste hebben Bingyu en Bingqing allebei een vriendje (bezorgers van thuismaaltijden). Maar hoeveel ze ook van hen houden, ze zijn niet van plan met hen te trouwen. Want als ze een huwelijk sluiten met iemand die in dezelfde financiële omstandigheden zit als zijzelf, zullen ze nooit het maximale kunnen doen om hun kleine broertje te helpen. En waar zouden hun kinderen moeten wonen en naar school gaan? Ze willen er liever niet aan denken.
Auteur: Zhao Han
Vertaler: Peter Bergsma
(Op verzoek van de betrokkenen zijn de namen van de familie Zhou gefingeerd.)
Steden van Zweden tot India streven naar een volledig cashloze maatschappij. Maar als steeds meer winkels en vervoersmaatschappijen aandringen op elektronische betaling, hoe moet het dan met de kleinste zelfstandigen en de armste inwoners?
Toen ik afgelopen Kerst door mijn onlinebankafschriften scrolde, merkte ik tot mijn verbazing dat ik al ruim vier maanden geen contant geld meer had gepind. Dankzij de alom aanwezige elektronische betalingssystemen is het steeds makkelijker geworden om je onder begeleiding van een koor van goedkeurende piepjes door Londen te bewegen.
Naarmate meer winkels en vervoersmaatschappijen overstappen op contactloze kaarten en touch-and-gotechnologie, wordt contant geld in veel grote wereldsteden naar de tweede rang verdrongen. Velen van ons gebruiken graag hun kaartje of mobieltje om op een bus te stappen, een koffie te kopen of boodschappen te betalen, maar het spiegelt een toekomst voor waarin we helemaal geen contant geld meer op zak hebben. Geen kleingeld meer voor de straatmuzikant, de dakloze die snakt naar iets warms om te drinken, de marktkoopman, de collectebus.
Sommige deskundigen vrezen inmiddels voor een tweedeling in de stedelijke maatschappij, waarbij de laagste inkomens worden buitengesloten van het gangbare commerciële verkeer door hun afhankelijkheid van traditionele betalingswijzen.
Rechtstreeks en eenvoudig
‘Het mooie van contant geld is dat het een rechtstreekse en eenvoudige transactie tussen allerlei verschillende mensen mogelijk maakt, hoe arm of rijk ze ook zijn,’ zegt financieel schrijver Dominic Frisby. ‘Als je op cashloosheid begint aan te dringen, zet dat je onder druk om een bankrekening te nemen en je aan te sluiten bij een financieel systeem, en veel van de allerarmsten zullen waarschijnlijk buiten dat systeem blijven. Dus er is een reëel gevaar voor uitsluiting.’ Ajay Banga, CEO van Mastercard, heeft gesproken over het toenemende wereldwijde risico van ‘het creëren van eilandjes waar mensen zonder bankrekening alleen nog maar onderlinge transacties uitvoeren’.
In India is de vraag hoe de allerarmsten aansluiting kunnen vinden bij de gedigitaliseerde wereld van de middenklasseconsument uiterst relevant geworden. Afgelopen november kondigde premier Narendra Modi aan dat de biljetten van 500 en 1000 roepie uit omloop zouden worden genomen, een van de pogingen om zijn land op te stoten in de cashloze vaart der volkeren. Modi’s regering gelooft dat het beperken van contant geld en het aandringen op elektronische betaling zullen helpen om de corruptie aan te pakken en India’s ‘zwarte’ economie te reguleren.
Saurabh Shukla, de in Delhi gevestigde hoofdredacteur van NewsMobile Asia, zegt dat hij de afgelopen twee maanden veel kleine winkeliers heeft zien overstappen op kaartlezers en Paytm, een mobiel betalingsplatform. ‘Maar aan het eind van de werkdag of -week willen ze alles toch weer in contanten omzetten. Het zal een geleidelijke aanpassing vergen.’
De regering-Modi moedigt steden aan om smart cities te worden door hun openbare dienstverlening te koppelen aan de nieuwste onlinetechnologie. Ambtenaren streven ernaar om van Chandigarh, ontworpen door de modernistische architect Le Corbusier, India’s eerste cashloze stad te maken door erop aan te dringen dat alle overheidsrekeningen elektronisch worden betaald. En de regering van Goa probeert haar hoofdstad Panjim cashvrij te maken door korting te geven op digitaal aangeschafte diensten als treinkaartjes, en door kleine zelfstandigen onderricht te geven in e-paymenttechnologie.
Maar sommige arme straatverkopers kunnen zich geen kaartlezer permitteren en hebben moeite met Paytm-betalingen op hun mobiele telefoon.
Aires Rodrigues, een mensenrechtenadvocaat in Goa, zegt dat de kleinste zelfstandigen zwaar onder de situatie lijden. Riksjabestuurders en visverkopers op de markt kunnen geen betalingen meer ontvangen van middenklasseconsumenten die inmiddels geneigd zijn alles digitaal te doen. ‘Het is zinloos om te proberen iedereen cashloos te laten worden,’ zegt Rodrigues. ‘De regering lijkt geen oog meer te hebben voor de situatie van de gewone man.’
Waar de stedelingen in India gedwongen zijn een digitale shocktherapie te ondergaan, is dat bij veel van hun Europese evenknieën een stuk geleidelijker verlopen. Consumenten zijn op hun gemak gesteld. Overheden zijn op fiscale transparantie gesteld. En winkeliers zijn op de kostenbesparing gesteld die het afschaffen van cash met zich meebrengt.
Volgens een recent rapport van Fung Global Retail & Technology bevinden negen van de vijftien meest gedigitaliseerde landen zich in Europa. Het voorspelt dat Zweden de eerste volstrekt cashloze maatschappij ter wereld zou kunnen worden. Niklas Arvidsson van het Koninklijk Technologisch Instituut KTH in Stockholm denkt dat dat in 2030 het geval kan zijn.
Maar zelfs Zweden heeft een enthousiasmekloof zien ontstaan, die voornamelijk langs demografische lijnen loopt. Oudere mensen in het rurale noorden, die het minst op hebben met technologie, nemen aanstoot aan de economische macht van Stockholm en Göteborg, waar contant geld vrijwel geheel is afgeschaft. De Nationale Bond van Gepensioneerden is een belangrijke speler in de ‘Cashopstand-coalitie’ die campagne voert om ervoor te zorgen dat het voor oudere Zweden mogelijk blijft om bij hun bank contant geld te storten of op te nemen.
‘Ik ben een optimist, maar we hebben echt slimme mensen bij de techbedrijven nodig om met een eenvoudige, passende oplossing te komen die voor iedereen werkt’
Maar welstand blijft de belangrijkste factor om te bepalen wie geheel achterop dreigt te raken in de zich ontwikkelende digitale economie. De allerarmsten in de rijkste Europese steden zijn soms al op een zijspoor beland.
In Amsterdam hebben daklozen die de krant Z! verkopen moeite om klanten te vinden die nog contant geld op zak hebben. Z! deed in 2013 een proef met kaartbetalingen door een tiental verkopers een iZettle-lezer te geven, maar dat initiatief was tot mislukken gedoemd. ‘Na een paar weken zeiden onze verkopers: “Dit is me veel te ingewikkeld”,’ zegt hoofdredacteur Hans van Dalfsen. ‘Het was veel te onhandig en tijdrovend voor de verkoper om tegelijkertijd met zijn kranten, de kaartlezer en zijn met Bluetooth verbonden mobiele telefoon te hannesen – handelingen die allemaal nodig waren voor de transactie.’
Van Dalfsen zegt inmiddels in gesprek te zijn met een grote telecommaatschappij om een eenvoudiger manier te vinden waarop dakloze verkopers betalingen kunnen accepteren met alleen hun mobiele telefoon, misschien in combinatie met de unieke QR-code op hun badge.
‘Net als in Scandinavië hebben we in Amsterdam bijna helemaal geen contant geld meer,’ zegt hij. ‘Ik ben een optimist, maar we hebben echt slimme mensen bij de techbedrijven nodig om met een eenvoudige, passende oplossing te komen die voor iedereen werkt. We kunnen niet toestaan dat mensen van het stadsleven worden afgesneden.’
Zoals veel van de allerarmsten hebben Amsterdamse daklozen veelal geen bankrekening. Dus zelfs als ze een mobiele telefoon bezitten, zijn de meesten aangewezen op contant geld. Kenia kan hier misschien als een lichtend voorbeeld fungeren, omdat het een manier heeft gevonden om burgers zonder bankrekening toegang te verschaffen tot de cashloze maatschappij via een goedkope mobiele telefoon. Het in 2007 gelanceerde M-Pesa is uitgegroeid tot het belangrijkste mobiele geldplatform ter wereld; het stelt miljoenen gebruikers in staat geld naar elkaar over te maken via een sms’je en tegoeden digitaal op te slaan zonder een conventionele bankrekening te openen.
Uitdaging
In Zimbabwe heeft de liquiditeitscrisis van vorig jaar tot hernieuwd wantrouwen jegens de banken geleid en mobiele geldplatforms uit de grond doen schieten als een alternatieve manier om zaken te doen – eerst in de hoofdstad Harare, daarna op het platteland. EcoCash, de populairste sms-gestuurde betalingsdienst van het land, heeft inmiddels meer dan zes miljoen gebruikers. ‘Er is een enorme explosie van cashloze betalingen geweest, tot de armste straatverkopers aan toe, die gebruikmaken van mobiele betaaloplossingen,’ zegt Nigel Gambanga, een technologieanalist uit Harare. ‘Iedereen is zich gaan realiseren: als ik dit niet oplos, ben ik morgen misschien brodeloos. Mensen passen zich aan.’
Dave Birch, innovatiedirecteur van het Britse bedrijf Consult Hyperion, denkt dat het dwaas zou zijn om vast te houden aan het gebruik van contant geld ten behoeve van de armen. ‘Als je mensen gevangen houdt in een casheconomie, laat je ze voor alles hogere prijzen betalen, laat je ze moeite houden om krediet te krijgen en maak je ze kwetsbaarder voor diefstal,’ zegt hij. ‘We gaan cash vervangen door elektronische platforms. Ik geloof niet dat armoede of het niet hebben van een bankrekening een obstakel hoeft te zijn, omdat iedereen een telefoon heeft. Met de beschikbare technologie kunnen we nieuwe manieren ontwikkelen om digitaal geld rond te pompen, zelfs met de eenvoudigste telefoons.’
Het is dus de uitdaging voor banken en techbedrijven om platforms te creëren die voor iedereen toegankelijk zijn. Als we geen gemeenschappelijk ecosysteem voor betalingen kunnen ontwikkelen, zullen we misschien door verdeelde steden dwalen, gescheiden door het geluid van piepjes en het schuiven met kille, harde contanten.
Auteur: Adam Forest
Vertaler: Peter Bergsma
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
CONTACTLOOS BEDELEN
Er is één bevolkingsgroep die rechtstreeks nadeel zou kunnen ondervinden van het toenemend gemak van het alledaags betalingsverkeer: de dak- en thuislozen in grote steden die voor een deel afhankelijk zijn van giften. Naarmate het kleingeld uit de circulatie verdwijnt, dreigt voor hen deze bron van inkomsten op te drogen.
In Rotterdam en Amsterdam wordt op initiatief van een reclamebureau een proef genomen met een nieuwe manier van ‘bedelen’. Een groepje dak- en thuislozen is uitgerust met een jas waarin een contactloze terminal is verwerkt. De goedgeefse voorbijganger kan die terminal met zijn contactloze pinpas activeren, waarbij hij één euro doneert.
De ontvanger krijgt aan het eind van de dag evenwel nooit in ‘harde euro’s’ de beschikking over het bedrag dat hij of zij in de loop van de dag op deze wijze heeft vergaard. Het saldo is slechts inwisselbaar in erkende onderkomens voor dak- en thuislozen tegen een slaapplaats, een maaltijd of een douche. Ook bestaat de mogelijkheid om het bedrag te besteden aan een opleiding of een cursus door de dagelijkse opbrengst op een gecontroleerde spaarrekening te zetten.
Volgens de initiatiefnemers zijn de eerste resultaten van de proef redelijk positief. Zo ervaren gevers en hulpverlening het als groot voordeel dat de gift louter aan ‘nuttige doeleinden’ kan worden besteed en niet onmiddellijk wordt uitgegeven aan drugs of drank.
Dat paradijselijke eilandenrijk de Malediven is verre van paradijselijk voor de lokale bevolking. Sterker nog. Ze noemen het een hel. ‘Male’ telt het hoogste aantal Syriëgangers per hoofd van de bevolking. De doodstraf is heringevoerd, de sharia geformaliseerd en voor het stelen van een mango staat een lange celstraf.
‘Het zijn goede vechters, hè?’ zegt de taxichauffeur trots als ik hem vertel dat ik uit het Midden-Oosten kom en journalist ben. Praat in Parijs, in Brussel, in Tunis met moslims over de jihadisten van IS en ze zeggen allemaal beschaamd, bijna verontschuldigend: Ze zijn knettergek. Op de Malediven zeggen ze: Het zijn helden.
Veel westerse toeristen beseffen niet eens dat het een islamitisch land is. De Malediven zijn evenwel het niet-Arabische land met het hoogste aantal Syriëgangers per hoofd van de bevolking. Circa tweehonderd, op vierhonderdduizend inwoners. De regering ontkent het. Maar iedereen heeft wel een broer of een neef in Syrië. Toen de hele wereld in augustus naar de Olympische Spelen keek, keken ze hier allemaal naar de strijd om Aleppo. En moedigden ze Al-Qaida aan.
In theorie zijn de Malediven een archipel van 1192 eilanden. Maar voor de Malediviërs is er maar één eiland: Male. De hoofdstad. Op de eilanden hebben ze maar een paar winkels, en een school. Een voetbalveldje. Soms is er niet eens elektriciteit. Voor alles moet je naar Male. Male lijkt een stad als duizenden andere, maar beslaat slechts 5,8 vierkante kilometer en heeft officieel honderddertigduizend inwoners, al wonen er in werkelijkheid twee keer zo veel: in Male is ieder hoekje en gaatje bewoond.
In een van de hoofdstraten, de Buruzu Magu, sla ik een heel smal steegje in dat uitzicht biedt op een stukje ansichtkaart: een blauw, een groen en een geel huis. Aan het einde een wenteltrap. Achter de eerste deur rechts wonen ze met zijn vijven, achter de eerste links met zijn negenen, en achter de tweede zijn ze allemaal immigrant, ze komen uit Bangladesh, wonen met zijn achttienen in één kamer en slapen bij toerbeurt. In het huis daarna staat achter een deur een tafel van halfverrot multiplex, moeder en dochter zitten in het donker te kletsen en naast hen, op een versleten mat, zit een eveneens versleten oude vrouw te reutelen, haar dorre grijze haar uitstaand als de draden van een doorgebrande gloeilamp. Ze wonen er met zijn zestienen, te midden van vodden en schoenen met gaten, met jute en stukken golfplaat opgelapte muren, de stank van lichamen. De keuken is een butagasstel. In de kamers staan geen tafels of stoelen, er is helemaal niets, ook geen ramen, alles ligt door elkaar op de grond, de was hangt aan het plafond te drogen. Aan de muur hangt een plasmatelevisie, gekregen bij de laatste verkiezingen, in ruil voor een stem. Maar een gemiddeld inkomen hier is 8000 rufiyaa, 470 euro: net genoeg voor een elektriciteitsrekening. De huur voor drie kamers is 20.000 rufiyaa.
Kinaan is in zo’n huis opgegroeid. Met z’n zessen in één kamer, ouders die voortdurend ruziemaakten. De zee was hun douche. Nu is hij eenendertig, en de bekendste en meest gevreesde misdadiger van Male. Als je met hem op pad bent, maakt iedereen ruim baan. Male is verdeeld tussen een dertigtal gangs, elke heeft tussen de vijftig en de vijfhonderd leden. We hebben het hier over een tiende van de bevolking, in de hoogste schatting: een vijfde van alle jongeren. In de eerste en laatste studie over straatgeweld, uit 2009, zei 43 procent van de ondervraagden dat ze zich zelfs in hun eigen huis niet veilig voelden. Kinaan is op zijn vijftiende voor het eerst in de gevangenis beland, omdat hij had gevochten. Hij is sinds zijn zeventiende verslaafd aan heroïne en alcohol. En hij verkoopt nog steeds drugs om te overleven. ‘Want niemand biedt je hier een tweede kans,’ zegt hij. ‘Ik ben bereid elk soort werk te doen, maar niemand heeft me ooit willen aannemen. Zelfs niet als losser in de haven. Vroeg of laat worden we allemaal gearresteerd, allemaal vanwege drugs, want als je met z’n tienen in een kamer woont, leef je in feite op straat. Male is een hel, je hebt er geen toekomst, niks, en alcohol is verboden: heroïne kost veel minder dan wodka. En onzinnig genoeg zijn de straffen erg streng. Als je een mango steelt, riskeer je een jaar gevangenisstraf en ben je voor het leven getekend. Maar tegelijkertijd is er sprake van totale tolerantie: we worden namelijk ingehuurd door politici. Tegen vaste tarieven, twaalfhonderd dollar voor het ingooien van een etalage, zestienhonderd voor het molesteren van een journalist. De opdrachten variëren van flyeren tot iemand overhoopsteken. Dus als ze willen, als je van nut bent, halen ze je uit de gevangenis.’ Kinaan is twee keer veroordeeld, maar heeft zijn straf nooit uitgezeten. Net zomin als zijn vriend Dhonko. ‘En wat doe jij dan voor werk?’ vraag ik hem. Hij lacht. ‘Ik zit vijfentwintig jaar gevangenisstraf uit.’
Kinaan probeert al tien jaar lang zijn leven te veranderen. En dus heeft hij besloten om nu op eigen houtje een tweede kans te creëren: hij heeft besloten naar Syrië te gaan. ‘Het is niet moeilijk. Niemand houdt je tegen. Ze hebben er allemaal belang bij zich van ons te ontdoen: we hebben al hun misdrijven gepleegd, we kennen al hun geheimen. En we willen hier allemaal weg. Alles is beter dan Male.’
‘Als ik in Syrië word gedood, is het in elk geval om een goede reden.’
Voor velen hier is Syrië een economische en morele kans: een vorm van verlossing. Het enige wat Kinaan nog weerhoudt is dat hij wil proberen zijn broer Humam te redden. Na een moratorium van zestig jaar wordt de doodstraf weer uitgevoerd. En Humam staat boven aan de lijst: hij is beschuldigd van het neersteken van een gedeputeerde. Hij heeft zijn bekentenis ingetrokken en verklaard dat hij door de politie onder druk is gezet, en bovenal vertoont hij, volgens Amnesty International, vaak tekenen van geestelijke instabiliteit. Maar hoe het ook zij, hij blijft de dader van een duidelijk politieke moord. Afrasheem Ali was presidentskandidaat, en Maumoon Abul Gayoom, die dertig jaar lang, van 1978 tot 2008, president was van de Malediven en ook nu nog wordt beschouwd als de vader des vaderlands, had verklaard dat zijn partij de kandidaat zou steunen met de sterkste geloofsbrieven inzake de islam. Afrasheem Ali dus, en niet Abdulla Yameen, de huidige president.
Maar toen hij op een avond op weg was naar huis, is Afrasheem Ali vermoord.
In het nieuwe wetboek van strafrecht is niet alleen de doodstraf heringevoerd, maar is een jaar geleden ook voor de eerste keer de sharia geformaliseerd. Op de Malediven is de islam altijd politiek geweest, en niet louter religie. Toen Gayoom aan de macht kwam, waren de Malediven nog gewoon een archipel van primitieve vissers. Want in werkelijkheid is het er helemaal geen paradijs: ze hebben er niet eens een zoetwaterbron. Gayoom had in Caïro aan de Al-Azhar-universiteit gestudeerd: voor de Malediviërs uit die tijd was zijn woord niet dat van een president, maar het woord van God. Het was Gayoom die de resortformule ontwikkelde, het toerisme van vijfduizend dollar per nacht.
Het was dé manier om het land te moderniseren, maar ook om het onder controle te houden, door de bevolking op Male te concentreren en vooral door elk contact met andere culturen te verbieden. Van de 1192 eilanden zijn er slechts 199 bewoond, en 111 zijn resorts, maar er is geen enkele interactie. Ook niet in de resorts. Buiten werktijd is het de werknemers verboden er rond te blijven hangen.
En dan zijn de resorts ook nog eens gebouwd door buitenlandse ondernemers. De wet gebiedt wel dat die een Maledivische partner hebben – over het algemeen een Malediviër die goed bevriend is met een politicus. Of die zelf politicus is. Op de Malediven bezit 5 procent van de bevolking 95 procent van de rijkdom.
Zelfs de tsunami in 2004 is geïnterpreteerd als een straf van God. In allerlei filmpjes is te zien hoe het water op een van de eilanden alles wegvaagt, behalve de moskee
Daar komt bij dat elke tegenstander niet alleen maar een tegenstander is: hij is een ongelovige. Shadindha Ismail, 38 jaar en hoofd van het Democracy Network, de belangrijkste organisatie voor de mensenrechten, zegt hierover: ‘Ze hebben het geloof gepolitiseerd en de politiek gesacraliseerd.’
Zelfs de tsunami in 2004 is geïnterpreteerd als een straf van God. In allerlei filmpjes is te zien hoe het water op een van de eilanden alles wegvaagt, behalve de moskee.
Het resultaat is dat er nu veel, heel veel jongens zijn als Ali. Klaar om naar Syrië te vertrekken.
Ali is 22 en ziet er bescheiden, bijna ascetisch uit. Hij is mager, draagt slippers, jeans en een overhemd met een mao-boord dat een beetje op een tuniek lijkt. Drie, vier centimeter baard. Het is een zwijgzame, verlegen jongen. En hij is er bovenal klaar voor: hij heeft de drieduizend dollar voor de reis bijna bij elkaar gespaard – door hasj te verkopen. Hij is nog nooit buiten de Malediven geweest, maar inmiddels heeft hij een mobieltje met alle kaarten van Turkije en weet hij alles van het front. Hij weet minder over Syrië. Over de complexheid ervan. De gevechten tussen de rebellen, de plunderingen, de smokkel – eigenlijk gaat hij ook niet naar Syrië, want, zegt hij: ‘Ik ga naar het paradijs.’
‘Wat denk je er te vinden?’ vraag ik.
Hij twijfelt geen moment. ‘Broederschap.’ Een nieuw leven. Een ander leven. ‘Een samenleving waarin we allemaal mensen zijn, en geen gieren of kadavers, zoals hier, waar iedereen van elkaar profiteert. Jij mag dan denken dat je nergens in gelooft,’ zegt hij, ‘maar je gelooft wel, je gelooft in de wereld zoals die is. Je gelooft net zo veel als ik.’
Van de islamitische staat waarin hij zou willen wonen weet hij vooral wat het niet moet zijn. Maar Husham lacht als ik hem vertel dat bij ons wordt gezegd dat Syriëgangers niet echt weten wat de islam inhoudt, als ik hem vertel over de Engelse jongen die op het vliegtuig een shariahandboek kocht. ‘Geen enkele moslim zou zichzelf een islamdeskundige durven noemen, of het moet een imam zijn,’ zegt hij. ‘Maar de Koran begint met: “Lees”.’ Dan kijkt hij me aan en zegt: ‘Net als Kant, toch? Sapere aude.’ Hij is twintig, en ziet eruit als wat hij is: een student, en een briljante ook, jeans, poloshirt en schoudertas. Shariafaculteit.
Onder de Malediviërs
‘Islam is rechtvaardigheid. We zouden een tweede Zwitserland kunnen zijn, ware het niet dat alles hier een kwestie van gunsten is. Als je ziek wordt, klop je op de deur van de president en betalen ze je behandeling in het buitenland. Dat is ook de reden dat niemand in opstand komt. Iedereen hier lost zijn problemen zo op. We zijn geen burgers: we zijn bedelaars.’ Maar waarom begint hij dan niet met de Malediven, vraag ik hem. ‘We zijn moslims. We zijn één gemeenschap. En Syrië heeft simpelweg prioriteit. Als we met vijfhonderdduizend doden eerder aan onszelf zouden denken dan aan Syrië, zou dat raar zijn.’
Zijn rolmodel, na Mohammed, is Malcolm X.
En toch zou op de Malediven genoeg voor hem te doen zijn. Alleen moslims kunnen hier burgers zijn, op school is de islam het belangrijkste vak en vijf keer per dag sluiten de winkels voor het gebed, al blijven de werknemers dan binnen zitten koffiedrinken. Ze gaan niet naar de moskee. Het is net als met alcohol: het is verboden, maar wordt verkocht in de bar van het Island Hotel, naast het vliegveld. Als je maar betaalt. Zelfs de minister van Islamitische Zaken is gefilmd in gezelschap van twee prostituees.
Toeristen krijgen hier echter helemaal niets van mee. Ook niet de toeristen die voor een verblijf in een guesthouse kiezen, een recent idee van Mohamed Nasheed, die Gayoom in 2008 heeft opgevolgd bij de eerste democratische verkiezingen in de geschiedenis van de Malediven. Anders dan de resorts bevinden de guesthouses zich op de bewoonde eilanden. En dus leveren ze niet alleen wat salaris op, maar doorbreken ze ook het culturele isolement: in de guesthouses ben je in theorie onder de Malediviërs.
Het eerste is geopend in Maafushi, twee uur met de veerboot vanaf Male. Vier Napolitanen dwalen verloren over dat wat op de bordjes wordt aangeduid als Bikini Beach, het strand voor buitenlanders. Ze zijn hier sinds gisteren, twee gescheiden ondernemers, een met zijn twee twintigjarige zoons. Ze hadden geen idee dat de Malediven islamitisch waren. En het is ook een schuilplaats van IS, zeg ik. ‘Jezus,’ roept Andrea met grote ogen uit. Dan zegt hij tegen zijn vriend: ‘Gast, hoor je dat? IS zit hier. Naar vrouwen kunnen we fluiten.’
In feite is er helemaal niets in Maafushi. In 2012 is Nasheed met een staatsgreep afgezet, en de huidige regering tracht de guesthouses alleen maar tegen te werken: ze betalen dezelfde belastingen als de resorts, waar een tweepersoonskamer echter geen honderd, maar duizend dollar per nacht kost, en er wordt helemaal niets in de eilanden geïnvesteerd. Naast het strand heeft Maafushi alleen maar een paar cafés. ’s Avonds is het enige vertier de krabbenrace, zegt Andrea. ‘Je betaalt voor de naam en dat is het. Alleen om te zeggen dat je op de Malediven bent geweest.’ Een van de twee jongens dwaalt bij zonsondergang met ontbloot bovenlijf door de minimarket, hij checkt elk flesje vruchtensap in een wanhopige zoektocht naar een biertje. Hij heeft nog niet ontdekt dat er wel degelijk bier is: er ligt een boot voor de kust waar alcohol wordt verkocht. Maar in Maafushi verkoopt niemand het, en dus wordt de Koran geëerbiedigd. We staan voor de moskee. De mannen werpen hem een boze blik toe. Hij snapt wat ik denk. ‘Het is warm,’ zegt hij. ‘Mijn huid is helemaal zout, mijn T-shirt plakt eraan vast.’ Er komt een vrouw in een niqaab voorbij, ze wendt zich gegeneerd af. ‘Doorlopen, gedrocht dat je bent,’ zegt hij. ‘Wie wil jou nou?’ Hij kijkt naar haar man. ‘Hou ’r maar lekker.’
‘Als je uit een rijke familie komt, ga je in het buitenland studeren. Anders ga je naar Syrië’
Heel veel vrouwen dragen een niqaab. Helemaal bedekt. Helemaal in het zwart. ‘Maar deze extreme soort islam is geen traditie, het is innovatie,’ zegt Mariyath Mohamed, dertig jaar, journaliste. ‘Net als in Gaza. Net als in Bagdad. Dertig jaar geleden droeg niemand een hoofddoek.’ De islam hier is geënt op het boeddhisme. Het nationale museum mag dan in 2012 bestormd zijn en de beelden die er stonden kapotgeslagen, je hoeft maar een van de oudere moskeeën binnen te gaan om te zien dat het ooit tempels waren. De gebedsrichting naar Mekka werd pas later diagonaal op de vloer aangegeven.
Maar toen kwam Gayoom. En hij niet alleen. ‘Een paar jaar later kwamen ook alle seculiere Arabieren hier die na 1967, na de zesdaagse oorlog en de nederlaag van Nasser in Saoedi-Arabië waren gaan studeren. Voor Gayoom, voor zijn ideologische monopolie, vormden zij een gevaar. En dus werden ze allemaal in de gevangenis gegooid. Ze werden gemarteld. Gedood. En tot helden gemaakt. Voor velen vertegenwoordigden ze niet alleen de islam, maar ook het verzet tegen een regime.’ En toen, zegt ze, kwam de tsunami. En nu ‘is de volgende tsunami Syrië’.
Maar voor de regering bestaat het fundamentalisme niet. Bij het nieuws van de eerste twee Malediviërs die waren gedood in Syrië, in 2014, wees president Yameen elke verantwoordelijkheid af. ‘We hebben onze landgenoten in het buitenland altijd verzocht zich netjes te gedragen,’ verklaarde hij.
‘De regering gaat de confrontatie min of meer uit de weg, en in wezen onderschrijft ze bepaalde denkbeelden. Zoals iedereen,’ zegt Nazeer. Hij is 23 en een van de bekendste dissidenten. Hij is zich aan het specialiseren in mensenrechten. Maar hij is ook de neef van Ali. Ze zijn erg close, maar toch probeert hij hem niet tegen te houden. ‘Ik kan geen oordeel vellen over zijn keuze. Voor mij is het simpelweg een verloren strijd,’ zegt hij.
Het is dus niet een verkeerde oorlog op zich: voor Nazeer is het alleen een verkeerde oorlog omdat die gedoemd is tot een nederlaag te leiden. Hij zoekt een promotieplaats in Europa. ‘Hier kun je niet studeren. Letterlijk: de toeristen hebben een heel eiland voor zich, en wij hebben niet eens een rustig hoekje om ons op een boek te concentreren. En dan gaan ze af en toe ook nog pal voor je huis van boord en fotograferen je ellende onder het mom dat het folklore is. Maar kijk eens waar we zijn,’ zegt hij. We zijn op het strand van Male. Het is een kunstmatig strand – ook nog eens vervuild door afval van het ziekenhuis. ‘We hebben zelfs geen zee meer. Wat hebben we voor alternatieven? Als je uit een rijke familie komt, ga je in het buitenland studeren. Anders ga je naar Syrië.’
Kinaan is klaar om te vertrekken. Om de onderdrukten te helpen, preciseert hij. Niet om ongelovigen uit te roeien. ‘Een van de gangs heet Bosnië. Wie weet hoeveel er ooit Aleppo zullen heten.’
Francesca Borri (1980) studeerde journalistiek in Florence en Pisa en werkte vervolgens in het Midden-Oosten en de Balkan. Haar eerste boek, uit 2008, ging over het conflict in Kosovo, in 2010 gevolgd door een publicatie over het Israëlisch-Palestijnse conflict. In 2012 richtte zij zich op de Syrische Burgeroorlog en versloeg vooral de strijd om Aleppo. Haar boek daarover, Onze vrouw in Aleppo, verscheen in Nederlandse vertaling bij De Geus. Borri schrijft voor onder meer de Italiaanse tijdschriften Il Fatto Quotidiano,Internazionale en voor de Engelstalige website over het Midden-Oosten, Al-Monitor.
Geïnspireerd door het Franse weekblad Courrier International startte hoofdredacteur Giovanni di Mauro in 1993 het Italiaanse equivalent, Internazionale. Het weekblad – de grote broer van 360 – kiest de beste verhalen uit de wereldpers en maakt artikelen toegankelijk die anders ontoegankelijk zouden zijn gebleven voor een lezerspubliek dat overwegend weinig andere talen dan het Italiaans spreekt. Internazionale besteedt veel aandacht aan fotografie en deinst niet terug voor lange longreads. Voorts heeft het blad zijn eigen buitenlandse columnisten, gerenommeerde namen als Nathalie Nougayrède, Paul Mason en Bernard Guetta. Allemaal journalisten die hun pen onafgebroken inzetten voor een gezonde parlementaire democratie.
Elk jaar organiseert Internazionale een festival in Ferrara aan de spoorlijn van Bologna naar Venetië, waar giornalisti di tutto il mondo drie dagen lang de wereldproblematiek bespreken.
In de mortuaria van Zuid-Afrika blijven jaarlijks duizenden personen ongeïdentificeerd. Niet alleen uit het land zelf, maar ook uit de rest van het continent.
Een op de tien personen die in de mortuaria van de provincie Gauteng belanden, blijft ongeïdentificeerd. Hun lichamen liggen maandenlang weg te kwijnen in overvolle en slecht geoutilleerde centra voor forensische pathologie: het vlees begint langzaamaan te rotten, omdat de koeling het onvermijdelijke verval niet tot in de eeuwigheid kan tegengaan. Uiteindelijk, als niemand hen komt ophalen en het onverantwoord is ze nog langer in het mortuarium te houden, worden ze en masse afgevoerd naar een openbare begraafplaats en naamloos, zonder rouwenden, begraven. Zodra ze eenmaal onder de grond liggen, slinken hun kansen om alsnog te worden opgegraven en geïdentificeerd tot nagenoeg nul. En zo ook de kans om de familie te verwittigen en de verantwoordelijke partij – als die er is – voor het gerecht te brengen.
Dr. Ericka L’Abbé, forensisch patholoog van de Universiteit van Pretoria, houdt een schedel omhoog die voor leerdoeleinden in de collectie van de universiteit is opgenomen en al geruime tijd geen huid meer heeft. Ze wijst op de verbrijzelde plekken op de schedel, die met lijm is gerepareerd. ‘Ze hebben zijn hersenpan ingeslagen. Alleen al op zijn hoofd heeft hij minsten tien klappen gekregen, dus er is sprake van ernstig letsel, en daarnaast hebben ze zijn handen verbrijzeld.’ L’Abbé zucht en kijkt op. ‘Maar we zullen nooit weten wie deze persoon is. En als je niet weet wie het slachtoffer is, zul je ook nooit weten wie de dader is. In dit land kun je eenvoudig wegkomen met moord, gewoon het lijk ergens in een veld – of in dit geval een rioolbuis – dumpen en klaar. Het enige wat je nodig hebt is een baksteen. Het is hartverscheurend dat niemand naar hem op zoek is.’
Alleen al in Gauteng worden jaarlijks 1300 tot 1600 lijken, oftewel drie per dag, bijgeschreven op de lange lijst van ongeïdentificeerde personen die Zuid-Afrika rijk is. En dan hebben we het nog maar over één provincie. ‘Dit speelt niet alleen in Gauteng,’ zegt dr. Jeanine Vellema, hoofd van de afdeling Medisch Forensisch Onderzoek van Gautengs acht mortuaria. Van de andere provincies zijn alleen geen gegevens beschikbaar. ‘Ongeïdentificeerde lijken zijn een groot probleem in Zuid-Afrika. Dat geldt overigens voor het hele continent.’
De reis naar een anoniem einde begint in een mortuarium, oftewel een ‘gerechtelijk geneeskundig laboratorium’ of een ‘centrum voor forensische pathologie’, zoals Vellema het liever noemt, om aan te geven dat ze deel uitmaken van het gerechtelijk systeem.
In het centrum voor forensische pathologie in Hillbrow, Johannesburg, is het op alle maandagen even druk. In de schaduw van het Constitutioneel Hof, dat het recht op leven en menselijke waardigheid bewaakt, liggen dertig tot veertig lichamen op autopsie te wachten. De koelcellen, die al bijna uitpuilen, kunnen de hoeveelheid lichamen nauwelijks aan. Afgelopen jaar werden meer dan drieduizend lijken het centrum met de bladderende gele muren, een van de drukste van het land, binnengedragen. Dit jaar zal het waarschijnlijk niet anders zijn.
De medewerkers van het gerechtelijk geneeskundig laboratorium moeten onderzoeken hoe iemand is gestorven, niet wie de dode is – dat is de taak van politie. Maar omdat de lichamen zich blijven opstapelen, zoeken ze naar manieren om de niet-aflatende stroom te kunnen bedwingen. De forensische experts fotograferen gezichten en verzamelen vingerafdrukken, en dragen deze informatie over aan de verantwoordelijke rechercheur van de Zuid-Afrikaanse politiedienst (SAPS). Als niemand zich na een paar dagen meldt om het lichaam te identificeren, vergelijkt de politie de vingerafdrukken met de gegevens van plaatselijke strafregisters en de nationale database. Als dat geen resultaat oplevert, worden de vingerafdrukken naar het ministerie van Binnenlandse Zaken gestuurd. Iedere Zuid-Afrikaanse staatsburger boven de zestien jaar moet vingerafdrukken afstaan voor een identiteitsbewijs, dus als de database van Binnenlandse Zaken niets oplevert, gaat men ervan uit dat de overledene een buitenlander is.
‘Ik denk niet dat wij, Zuid-Afrikanen, beseffen wat onze mede-Afrikanen moeten doorstaan. Het is in- en intriest’
‘Ik denk niet dat wij, Zuid-Afrikanen, beseffen wat onze mede-Afrikanen moeten doorstaan. Het is in- en intriest,’ zegt Candice Hansmeyer, forensisch patholoog van het gerechtelijk geneeskundig laboratorium in Hillbrow. ‘Ze komen met lege handen, op zoek naar een beter bestaan, en vervolgens sterven ze hier – en niemand die naar hen taalt. Maar ze doen er wel toe: het gaat om iemands kind, iemands dochter, iemands moeder, iemands echtgenote.’
Het is onmogelijk te schatten hoeveel buitenlanders zich onder de onbekende doden bevinden, omdat we domweg niet weten wie ze zijn. We weten niet eens hoeveel buitenlanders Zuid-Afrika telt, laat staan Gauteng. Volgens de officiële telling uit 2011 zijn er in totaal 2,2 miljoen, maar het werkelijke getal ligt waarschijnlijk vele malen hoger. Volgens de VN telt Zuid-Afrika van alle landen bezuiden de Sahara het grootste aantal buitenlanders. Wat de zaak compliceert is dat veel Afrikanen illegaal in Zuid-Afrika verblijven. De kwestie van het grote aantal ongeïdentificeerde lijken, en dus vermisten, omspant het hele continent. Mensen trekken grenzen over, maar data niet. Er is geen continentale of regionale database voor vermisten, of voor gevonden lichamen. In sommige landen is er niet eens een fatsoenlijk bevolkingsregister.
Zuid-Afrika vormt hierop een uitzondering: het heeft een solide forensisch systeem, een Bureau Vermiste Personen, nationale databanken, zowel bij de politie als bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, universiteiten waar forensische geneeskunde wordt gedoceerd en gekwalificeerd, ervaren personeel. Maar de enorme aantallen doen het systeem in zijn voegen kraken: Gauteng krijgt jaarlijks te maken met 15.000 tot 16.500 personen die een onnatuurlijke dood zijn gestorven, en identificatie vereist onderzoek. Een op de tien wordt uiteindelijk nooit geïdentificeerd.
Blamage
De politie is zich bewust van de omvang van het probleem. Generaal-majoor Charles Johnson, districtshoofd van de recherche, vaardigde in september 2016 een strikte richtlijn uit met betrekking tot ongeïdentificeerde doden. Johnson stelde dat er ‘veel’ klachten waren binnengekomen over het feit dat ongeïdentificeerde stoffelijke overschotten zonder degelijk onderzoek werden begraven, ‘wat een blamage is, een smet op het blazoen van de politie en in het bijzonder van de recherche’.
Hansmeyer stopt met het doorbladeren van de dossiers van die dag – in de autopsiekamer beneden liggen vier lichamen op haar te wachten – en kijkt op. Haar lippen vormen een strakke streep. ‘De politie geeft prioriteit aan de levenden. Ik wil niet met een beschuldigend vingertje wijzen, want we lopen allemaal tegen hetzelfde aan: we zijn overbelast en slecht uitgerust. De politie kampt ook met burn-outs en oververmoeidheid. Er zitten niet genoeg uren in een dag en niet genoeg dagen in een jaar om overal aan toe te komen. Je moet wel prioriteiten stellen,’ zegt ze.
In 2015-2016 werden in Zuid-Afrika 18.673 moorden gepleegd, een stijging van 4,9 procent ten opzichte van 2014-2015. In de samenleving klinkt de roep om maatregelen, en de politie moet simpelweg kiezen tussen criminelen opsporen of wegrottende lijken identificeren. Een complete en betrouwbare lijst van vermiste personen zou al een stap in de goede richting zijn, maar zo’n lijst is er niet. Familieleden willen vaak niet naar voren treden of iemand als vermist opgeven. Maar er zijn nog andere redenen waarom er drie kisten in één enkel graf worden neergelaten op Doornkop, de nieuwste begraafplaats waar ongeïdentificeerde en niet-opgeëiste doden worden begraven.
Pas na 23 verzoeken in een tijdspanne van achttien maanden slaagden we erin een officieel interview met de politie te regelen. Uit de reacties, variërend van een oorverdovend stilzwijgen tot een botte, ongemotiveerde ‘nee’, bleek duidelijk dat de politie liever niets over de kwestie wilde loslaten – totdat er opeens, geheel uit het niets, groen licht werd gegeven.
Brigadier Helena Ras staat aan het hoofd van het Slachtoffer Identificatie Centrum (VIC) van de Zuid-Afrikaanse politie in Pretoria en heeft, onder andere, de afschuwelijke taak om massadoden af te wikkelen. Een massadood betreft een incident met meer dan vijf doden. Dit soort incidenten komen in Zuid-Afrika zo vaak voor dat ze in het radionieuws niet eens onder het hoofdnieuws worden geschaard en zelden de voorpagina’s van nationale kranten halen: een minibustaxi botst op een personenauto, een brand breekt uit in een krottenwijk, een gebouw stort in. Zodra het stof is neergedaald moet iemand de wrakstukken en het puin doorzoeken, alle lichamen proberen te identificeren en de families op de hoogte brengen.
Neem alleen al de N1 op het traject tussen Johannesburg en Beitbridge, aan de grens met Zimbabwe. In de vroege ochtend van 13 augustus 2015 botste een minibus tegen een vrachtwagen, het busje vloog in brand met aan boord twaalf passagiers, als ratten in de val; op 2 mei 2016 vielen er negen doden toen een taxi tegen een verongelukte vrachtwagen aanreed en in vlammen opging. ‘Bij zulk soort ongelukken ontploft de brandstoftank en blijven er alleen verkoolde lichamen over,’ zegt Ras in het hoofdkantoor in Pretoria. Eén wand van haar werkkamer gaat volledig schuil achter dozen met dossiers. ‘Anders dan bij bussen of vliegtuigen houden taxi’s geen passagierslijsten bij.’
Op het genoemde snelwegtraject, dat Zimbabwe verbindt met de steden van Gauteng, vol economische kansen, reist een onevenredig groot aantal migranten. Vanwege het ernstige lichamelijke letsel bij zware ongelukken is het vaak lastig om een gezichtsreconstructie van het slachtoffer te maken. Het VIC neemt DNA-monsters af, maar zolang zich geen bloedverwanten melden, is er geen vergelijkingsmateriaal.
Mensen denken dat hun familielid nog leeft, dat ze in Johannesburg een bestaan hebben opgebouwd, dat ze hard werken, nieuwe vrienden maken, verliefd worden
Azwidowi Nevondo droomt van lijken als ze lang vrij heeft. ‘Dan weet ik dat het weer tijd is om aan de slag te gaan.’ Nevondo is al tien jaar forensisch medewerker bij het gerechtelijk geneeskundig laboratorium in Hillbrow, lang genoeg om patronen te herkennen. ‘Het soort lichamen dat wordt binnengebracht beweegt mee met de seizoenen. In de zomer komen bijna dagelijks stoffelijke overschotten in verre staat van ontbinding binnen, omdat het vlees sneller vergaat als het warm is. In de winter zie je veel verkoolde lijken, vanwege de branden die in sloppenwijken om zich heen grijpen terwijl mensen liggen te slapen.’
Eens per maand komt een door de lokale autoriteiten aangestelde begrafenisondernemer langs om de lichamen op te halen die niet langer bewaard kunnen worden, soms wel zeventig in één keer. Een klein deel daarvan is ‘niet-opgeëist’, wat wil zeggen dat het slachtoffer bekend is, maar niet door de familie wordt opgeëist. Een kleiner aantal, dat overigens groeiende is, zijn de armlastigen: in dit geval kan de familie zich geen begrafenis veroorloven, zodat de staat de kosten op zich neemt. Maar het leeuwendeel van de lichamen die het centrum verlaten is ongeïdentificeerd.
Volgens de wet moeten stoffelijke overschotten minstens een maand worden vastgehouden, maar manager Ina Botes doet haar best de lichamen zo lang mogelijk in het mortuarium te houden, in de hoop dat de familie wordt getraceerd. ‘Ik lig er ’s nachts wakker van dat mensen in een naamloos graf verdwijnen. Ergens is er een moeder; haar zoon is vermist, en zij denkt dat hij nog leeft.’
Dit is iets wat speelt in heel Zuid-Afrika, op het hele continent. Mensen denken dat hun familielid nog leeft, dat ze in Johannesburg een bestaan hebben opgebouwd, dat ze hard werken, nieuwe vrienden maken, verliefd worden. Maar in plaats daarvan is hun hersenpan met een baksteen ingeslagen en zijn hun handen verbrijzeld terwijl ze zich probeerden te beschermen. Ze worden gemummificeerd teruggevonden in een rioolbuis, en nu ligt hun schedel op een plank in de verzameling van een hoogleraar aan de universiteit.
Opgericht in 1985 als Weekly Mail en in 1990 vlot getrokken door The Guardian in Londen. Sinds 2002 eigendom van de Zimbabwaanse krantenuitgever Trevor Ncube. De duidelijk links georiënteerde krant ijvert voor een toleranter Zuid-Afrika.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.