Nisharat Kaur Matharu werd als baby achtergelaten op een vuilnisbelt. Nu is 97 en vastbesloten anderen zo lang als ze kan te helpen. Volgens haar dochter is dit exact volgens de Sikh-traditie, die gebiedt altijd behulpzaam te zijn en jezelf weg te cijferen – vooral als vrouw tegenover je man.
In haar kleine, zonovergoten Londense keukentje leeft de 97-jarige Nisharat Kaur Matharu naar haar levensmotto: doe iets voor je medemens zolang je in staat bent om de handen uit de mouwen te steken. Dus zitten haar handen nu onder het meel van het deeg dat ze aan het kneden is in haar kraakschone en keurig geordende werkruimte, waar een sterke geur hangt van versgebakken chapatti’s.
In deze keuken maakt ze sinds 2017 elke week honderden maaltijden voor daklozen: romige linzenschotels, Indiase rijstepap met noten en kardemom, knapperig gebak met komijnzaad. Maaltijden die worden uitgedeeld door Hope for Southall Street Homeless, een buurtinitiatief met een nachtopvang en een inloopcentrum in West-Londen, waar Nisharat al woont sinds ze in 1976 als 54-jarige moeder met vijf kinderen in Groot-Brittannië aankwam.
Daklozen in Londen
Het aantal mensen dat in Groot-Brittannië op straat slaapt, groeit snel. In Londen explodeerde het de laatste jaren. Ook in de betere buurten liggen mensen in slaapzakken op straat.
Veel mensen belanden op straat omdat ze de huur niet meer kunnen betalen. Hulporganisaties luiden de noodklok: ze kunnen de vraag naar opvang niet aan.
Bron: Streets of London
Ze had toen al heel wat grote veranderingen in haar leven achter de rug. Met een brede glimlach maakt dochter Kulwant (67) zich op om het levensverhaal van haar moeder te vertellen – maar eerst vraagt ze haar om een masala chai. ‘De echte Indiase chai (thee), mama.’
Op haar achtste kon ze al een driegangenmaaltijd maken en bakte ze perfecte chapatti’s
‘Mijn moeder is geboren in de Punjab en ze verloor haar moeder toen ze zes maanden oud was,’ vertelt ze. Ze zitten naast elkaar in Nisharats smetteloze witte woonkamer, waar in de hoek een industriële naaimachine staat. ‘Mijn grootvader is vrij snel daarna hertrouwd, wederom een gearrangeerd huwelijk, en toen hij met die vrouw zijn eerste kind kreeg, wilde de stiefmoeder niets meer van haar weten.’
Toen Nisharat twee jaar oud was, werd ze bij het huis van haar familie in Moga buiten aan haar lot overgelaten. Na een paar uur trof een tante van vaderskant haar daar aan op een vuilnishoop, verbrand en rammelend van de honger. Zij nam haar mee naar Nisharats grootouders van vaderskant, die haar aan het werk zetten als huisbediende: ze moest koken, schoonmaken en ander huishoudelijk werk doen. Terwijl zij haar vingers openhaalde bij het snijden van uien, knoflook en pepers, zag ze leeftijdgenootjes naar school of naar het park gaan en vroeg zich af waarom zij dat niet mocht. Maar op haar achtste kon ze al een driegangenmaaltijd maken en bakte ze perfecte chapatti’s.
De twee vrouwen praten door elkaar: Nisharat zit vaak in het Punjabi precies hetzelfde te vertellen wat Kulwant, moeder van drie kinderen en lerares, in het Engels beschrijft. In haar witte salwar kameez, het lange grijze haar keurig in een knotje, torent Kulwant met haar één meter tachtig een eind boven haar moeder uit. Ze zijn niet alleen moeder en dochter, maar hartsvriendinnen.
‘Doe wat je man zegt en geef hem geen grote mond’
Nisharat was veertien toen een vriend van de familie haar koppelde aan een jongen van zestien uit een Indiase familie die in Oost-Afrika woonde. Ze maakte geen bezwaar tegen dat huwelijk, zegt ze, en kan zich er niet veel van herinneren, alleen dat haar vader tegen haar zei: ‘Doe wat je man zegt en geef hem geen grote mond. Doe nooit iets wat een smet op zijn baard kan geven.’ (Ofwel: toon altijd respect.) Ze dept met een tissue een paar tranen weg bij de herinnering.
Een paar jaar later ging ze met haar man mee naar Oost-Afrika. Hij werkte daar als elektricien en zij werd geacht voor zijn familie te zorgen, met name voor zijn vader, die een polioverlamming had. Het leven was er zwaar. Ze woonde daar veertig jaar, bracht er vijf kinderen groot en deed altijd braaf wat haar werd opgedragen. En toen haar oudste kind al zesentwintig was en haar jongste tien, kreeg ze te horen dat ze naar Engeland zouden verhuizen. Haar man had een Brits paspoort omdat zijn vader nog in het Britse leger had gediend, maar hij zou dat kwijtraken als hij in Afrika bleef. Nisharat wilde daar niet weg, maar ze schikte zich, zoals ze zich altijd had geschikt in de beslissingen die hij nam.
Sikh in Londen
De aanwezigheid van het sikhisme in Engeland dateert van 1850, toen de laatste heerser van het Sikh-rijk naar het koninkrijk kwam. In 1911 werd in Londen de eerste Sikh-plaats van aanbidding, een Gurdwara, geopend. Tegenwoordig zijn er zo’n 450.000 Sikh in Groot-Brittannië, waarvan het meerendeel in gemeenschappen in Londen woont.
In Engeland kwamen ze terecht in het huis waar ze nu nog steeds woont, in de Londense wijk Southall, waar inmiddels de grootste sikh-gemeenschap van Londen leeft, alsmede grote aantallen moslims en hindoes. Nisharat kon er maar moeilijk wennen: aan de taal, de cultuur, de eenzaamheid van een stad waar mensen niet zomaar even aanwippen, en het koken op gas in plaats van kolen.
‘Mijn moeder heeft veel te verstouwen gehad,’ zegt Kulwant, die steeds feller gaat praten. ‘Ze had het moeilijk, als vrouw van het Indiase platteland die naar Afrika moest, zonder daar de cultuur te kennen of de taal te spreken. Ze had daar niet alleen de zorg voor mij en haar vier andere kinderen, maar ook voor mijn ooms en tantes. Het oude Indiase liedje: alles komt op de schouders van de moeder neer,’ zegt ze met een meewarige blik.
Strenge eisen
En in Londen werd het er niet makkelijker op. Kulwant verheft haar stem als ze vertelt dat haar vader veel te veel dronk en zijn neus ophaalde voor het eten dat haar moeder had bereid als de chapatti’s niet helemaal aan zijn strenge eisen voldeden. ‘Mijn moeder zei er nooit wat van, ze ging gewoon door met koken. Ze at nooit samen met hem, altijd pas nadat hij gegeten had, en dan zat ze op de vloer.’
Nisharat onderbreekt haar dochter om het verhaal aan te vullen, ze vertelt dat ze nooit iets durfde te zeggen als haar man dronken was. ‘Ik zei daar weleens iets van, maar mijn broers en zussen niet, en ik snap ook wel waarom,’ gaat Kulwant verder. ‘Ik weet nog dat mijn vader een keer stomdronken was en iets naar mijn moeders hoofd gooide. Ik sprong op om hem tegen te houden, het was een grote, zware man. Toen heeft hij me geslagen, want Indiase vrouwen moesten destijds hun mond houden. Hij heeft toen twee jaar lang geen woord meer tegen me gezegd. En ik was altijd zijn oogappel geweest, dus dat hakte er wel in.’
Nisharat valt haar in het Punjabi in de rede om haar kant van het verhaal te vertellen: ‘Ik vond het vreselijk dat hij zoveel dronk. Ik begreep niet waarom hij zich zo gedroeg. Als hij dronken was, werd hij heel boos en agressief.’
‘We waren banger voor mijn moeder dan voor mijn vader, maar zij sloeg ons nooit’
Ondanks de ernst van het onderwerp blijft het gesprek heel opgewekt en gemoedelijk, ze moeten geregeld lachen. Nisharat vertelt dat zij zich tegenwoordig spiegelt aan haar dochter. ‘Ze is een kopie van mij,’ zegt ze. ‘Ik wou dat ik alle dingen had gedaan die zij nu doet: ze helpt arme kinderen in India. Ze heeft daar een school opgezet en vindt het heerlijk om anderen te helpen. Ik ben trots op haar. Ze heeft een zware tijd gehad, ze heeft kanker gehad en is gescheiden, maar ze is altijd sterk gebleven en wil iets terugdoen voor de maatschappij. Het is echt een zegen.’
‘Maak nog eens zo’n lekker bakje masala chai, mama,’ zegt Kulwant dan. Met een glimlach staat Nisharat op en loopt naar de keuken. Dan buigt Kulwant zich naar voren en zegt op vertrouwelijke toon: ‘Het zit gewoon in haar om voor anderen te zorgen. Over haar eigen problemen zet ze zich heen, dat kunnen niet veel mensen. Zo moet een sikh zijn. Ze is bescheiden en oprecht, goudeerlijk en heeft een goede ziel. Ze zal nooit ergens over opscheppen, maar ze heeft alles voor anderen over. Ze gaat met iedereen om als met familie, ze is vol liefde voor iedereen.’
‘Mijn moeder is recht door zee. Ze is hoe ze is. Ik kan me niet heugen dat ze ooit anders geweest is. We waren banger voor mijn moeder dan voor mijn vader, maar zij sloeg ons nooit. En wat ze ook heel goed kon, was ons dingen uitleggen, terwijl ze dat zelf in haar leven altijd heeft moeten missen.’
Popcorn en chai latte
Voordat de coronapandemie uitbrak, spraken ze elke maand af om een ochtend te wandelen en naar de film te gaan, met popcorn en een chai latte. ‘Nu met de lockdown, dat is eigenlijk wel bijzonder, nu zijn we niet meer zo gebonden aan de alledaagse sleur van het werk. Dus kom ik vaker bij mijn moeder langs en dan koken we voor de daklozen,’ vertelt ze. Lachend bespreken ze dan de Indiase tv-series waar haar moeder graag naar kijkt. Ze hebben het gezellig samen. ‘Waar ik vooral van hou, is dat ze zo lief en rustig is, en iedereen onvoorwaardelijke liefde geeft.’
Nisharat komt met de thee uit de keuken. Ze neemt plaats op de bank en pakt haar breiwerkje weer op – een mosterdgele trui. ‘Voor wie is die?’ vraagt Kulwant. Voor jou natuurlijk, voor wie anders, zegt haar moeder. Kulwant lacht: ‘Wist ik wel.’
‘Toen ik kanker had en in scheiding lag, kon ik alleen bij mijn moeder terecht,’ zegt Kulwant. ‘Ik kan haar niet missen. Ze is alles voor me.’ Nisharat kijkt haar aan en zegt in het Punjabi: ‘Mijn dochter is alles voor mij. Ze is een sterke vrouw, ik kijk tegen haar op.’
Team
Het koken voor daklozen heeft hen nader tot elkaar gebracht, zeggen ze allebei. ‘Dat is het hoogtepunt van onze week, we zijn een team,’ zegt Kulwant, en ze voegt eraan toe: ‘Die daklozen hebben allerlei verschillende achtergronden, maar er zitten veel Punjabi bij [Punjab is de bakermat van het sikhisme], en als we met het eten langskomen worden we door hen lachend ontvangen. Ze zeggen altijd dat het ze doet denken aan hoe hun moeders voor hen kookten in India.’
Nisharat staat in de keuken weer chapatti’s te vullen en Kulwant beschrijft hoe ze te werk gaat. ‘Ze kookt aardappelen, laat ze afkoelen, snijdt ze dan in kleine blokjes en brengt ze op smaak met uien, pepers, een theelepeltje komijnzaad, wat gember, verse koriander en een snufje zout. Dan maak je chapatti-deeg, dat rol je uit tot een ronde pannenkoek, je legt dat mengsel in het midden en vouwt de chapatti op. Die leg je in de koekenpan en bak je aan twee kanten in een beetje boter tot ze bruin zijn, en ze zijn heerlijk, zeker met masala chai erbij.’
Nisharat glimlacht. ‘Seva brengt meva,’ zegt ze, wat zoveel wil zeggen als ‘ontbaatzuchtige dienstbaarheid is een goede zaak’. ‘Ik bid tot Waheguru [de sikh-benaming voor God], en het is Zijn zegen die het eten smaak geeft.’
Op basis van de huidige ontwikkelingen zullen vrouwen wereldwijd nog 135,6 jaar moeten wachten – in 2020 leek dat nog 99,5 jaar – om gelijkheid met mannen te bereiken. Maar volgens sommigen kan de crisis ook een kans zijn om de situatie te verbeteren.
Wanneer mensen opgewekt proberen te zijn over sociale afstand en thuiswerken, en opmerken dat William Shakespeare en Isaac Newton een aantal van hunbeste werk schreven terwijl Engeland werd geteisterd door de pest, moeten we één ding niet over het hoofd zien, schrijft Helen Lewis voor The Atlantic: geen van beiden had verantwoordelijkheden voor de kinderopvang. Shakespeare bracht het grootste deel van zijn carrière door in Londen, waar de theaters waren, terwijl zijn familie in Stratford-upon-Avon woonde. Tijdens de plaag van 1606 had de toneelschrijver het geluk gespaard te blijven van de epidemie – zijn hospita stierf op het hoogtepunt van de uitbraak – en zijn vrouw en twee volwassen dochters verbleven veilig op het platteland van Warwickshire.
Just a reminder that when Shakespeare was quarantined because of the plague, he wrote King Lear.
Newton is nooit getrouwd en heeft geen kinderen gekregen. Hij bevond zich tijdens de Grote Plaag van 1665-1666 op het landgoed van zijn familie in het oosten van Engeland, en bracht het grootste deel van zijn volwassen leven door als fellow aan de universiteit van Cambridge, waar zijn maaltijden en huishouding door de universiteit werden verzorgd.
Over de hele wereld betalen vrouwen de prijs voor de sociale en economische gevolgen van de coronapandemie, volgens een rapport van het World Economic Forum (WEF), gepubliceerd in Al-Jazeera. Steeds meer vrouwen zijn werkloos, hetzij vanwege de pandemie zelf, hetzij vanwege de maatregelen die de verspreiding moeten stoppen, doordat in de meest getroffen sectoren (voedselindustrie, handel, detailhandel en amusement) de beroepsbevolking overwegend uit vrouwen bestaat.
De pandemie vertraagt gendergelijkheid met één generatie. Op basis van de huidige ontwikkelingen zullen vrouwen wereldwijd nog 135,6 jaar moeten wachten – in 2020 leek dat nog 99,5 jaar – om gelijkheid te bereiken met mannen, aldus de WEF, die met name heeft gekeken naar ‘economische kansen, niveau van onderwijs, gezondheid (…) en politiek empowerment’.
Eerder publiceerde South China Morning Posteen artikel waarin aan de orde komt hoe de pandemie vooral vrouwen financieel benadeelt. ‘Zonder ambitieus overheidsbeleid zal het moeilijk zijn de trend te keren’, voorspelt ook SCMP.
Sommige economieën richten zich in eerste instantie op de terugkeer naar het werk van mannen
Volgens een recent rapport van de Verenigde Naties zal de coronacrisis het armoedepercentage onder vrouwen naar verwachting aanzienlijk doen toenemen en de kloof tussen mannen en vrouwen die onder de armoedegrens leven, vergroten. Volgend jaar zullen naar verwachting nog eens 47 miljoen vrouwen en meisjes in extreme armoede vervallen (dat wil zeggen: 1,90 dollar of minder per dag te besteden hebben), wat het totaal op 435 miljoen brengt. Volgens hetzelfde rapport zullen we waarschijnlijk pas in 2030 zijn terruggekeerd naar het niveau van voor de pandemie.
Sara Davies, hoogleraar internationale betrekkingen aan de Griffith Universiteit in Australië, gespecialiseerd in vrouwenkwesties en mondiaal gezondheidsbeheer, verwacht dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen dit jaar voor het eerst zal toenemen. Slechts een klein deel van de vrouwen profiteert van de mogelijkheid op afstand te werken, aangezien sommige economieën zich in eerste instantie richten op de terugkeer naar het werk van mannen.
Volgens de academicus zijn vrouwen ook onevenredig zwaar getroffen vanwege het gebrek aan werkgelegenheid in de informele economie, die een substantieel deel van de beroepsbevolking in de regio Azië-Pacific vertegenwoordigt. Volgens een schatting van de Internationale Arbeidsorganisatie werken wereldwijd bijna 510 miljoen vrouwen, of 40 procent van het totaal aantal vrouwen met een baan, in sectoren die ernstig zijn getroffen door de pandemie, terwijl dat percentage bij mannen 36,6 procent bedraagt.
Grimmig globaal beeld
Een recente studie van de Amerikaanse non-profitorganisatie Women in Informal Employment: Globalizing and Organizing (Wiego) schetst ‘een grimmig mondiaal beeld, met werknemers die verklaren tijdens de lockdowns uitgesloten te zijn van de arbeidsmarkt, zonder enig inkomen’.
‘In plaatsen als Ahmedabad in India ontdekten we dat in sommige sectoren bijna 100 procent van de ondervraagden in een steekproef volledig werkloos was, vooral huishoudelijk personeel, straatverkopers en vuilnismannen’, zegt Wiego’s internationale coördinator Sally Roever.
In Indonesië meldt ongeveer 56 procent van de huisvrouwen gestrest, angstig en slapeloos te zijn als gevolg van de pandemie, volgens een onderzoek van Populix, een aanbieder van consumenteninformatie, en Teman Bumil, een mobiele app voor moeders en zwangere vrouwen. Ongeveer 60 procent van de ondervraagden zei ook bezorgd te zijn over hun financiële situatie.
Arbeidsmigranten en vooral huishoudelijk personeel, van wie de overgrote meerderheid vrouw is, zijn hard getroffen; volgens een schatting van de Verenigde Naties is dit jaar 72 procent hun baan kwijtgeraakt. Velen zijn er niet in geslaagd terug te keren naar hun land van herkomst. Zonder geld en zonder noemenswaardige sociale zekerheid, moesten ze hun toevlucht zoeken tot opvangcentra.
Dit is met name het geval een stad als Hongkong, waar veel arbeidsmigranten werken. Degenen die begin 2020 naar huis konden vertrekken, zaten daar vast. Omdat ze niet naar hun werk kunnen terugkeren, kunnen ze niet langer het inkomen ontvangen waarvan ze een gedeelte naar hun gezin stuurden.
De crisis kan ook een kans kan zijn om de gendergelijkheid te verbeteren
Hoewel de covid-crisis onevenredig zwaar op vrouwen weegt, wijzen sommige internationale bedrijfsleiders erop dat de crisis ook een kans kan zijn om de gendergelijkheid te verbeteren. Een van hen is Christine Burrows, Managing Director Business Strategy and Performance for Asia bij Manulife in Hongkong. Ze is van mening dat de opkomst van thuiswerken en het groeiende belang dat wordt gehecht aan digitale technologie, belangrijke huidige trends, ‘een ongelooflijke kans’ vormen om het aandeel vrouwelijke managers in de financiële dienstverlening te vergroten. Dit aandeel is in 2019 wereldwijd gestegen tot 22 procent.
‘De obstakels waarmee vrouwen in het beroepsleven worden geconfronteerd, zijn bekend: ze variëren van bepaalde subtiele vormen van vooringenomenheid tot systematische nadelen die hun professionele vooruitgang kunnen belemmeren’, aldus Burrows.
‘Dit is het moment om het probleem opnieuw te formuleren. Het is niet alleen een vrouwenkwestie, het is groter dan dat. Gezinsgericht beleid, zoals flexibele werktijden of betaald ouderschaps- en adoptieverlof, komt iedereen ten goede.’
Behoefte aan openbaar beleid
Lenovo Asia-Pacific is een van de bedrijven die opkomen voor vrouwenrechten door tijdens de pandemie flexibele werkregelingen in te stellen, zegt CFO Joey Wong. ‘Het lijkt er zelfs op dat de normalisering van thuiswerken nieuwe mogelijkheden biedt. Moeders die bijvoorbeeld niet elke dag op kantoor konden komen, kunnen nu in deeltijd werken.’
Bedrijven zouden volgens Burrows maatregelen moeten nemen ten gunste van hun vrouwelijk personeel, bijvoorbeeld door hen te motiveren, waar mogelijk videoconferenties te organiseren en door werknemers te informeren dat ze ‘beoordeeld zullen worden op hun resultaten’ in plaats van op de tijd die ze achter hun computer doorbrengen.
‘Naast de kwestie van de werkgelegenheid moet meer aandacht worden besteed aan het probleem van huiselijk geweld’
Het vinden van betaalbare kinderopvang blijft echter het ‘struikelblok voor veel vrouwen in hun carrière’. Wanneer de overheid of de werkgever een regeling voor kinderopvang biedt, ‘geeft dat een zekere rust’.
Bij gebrek aan echte hulp van de overheid komen verenigingen uit het maatschappelijk middenveld tussenbeide. Maar volgens academicus Sara Davies is ‘het geen blijvende oplossing om het maatschappelijk middenveld te laten opdraaien voor omstandigheden die te wijten zijn aan falende overheid en een ondermijning van vrouwenrechten’.
In heel Azië, waar de Verenigde Naties een toename van extreme armoede voorspellen als gevolg van de pandemie, moeten regeringen eerst ‘de gendergerelateerde verdeling van economische productie en arbeid in elk land beter begrijpen, en vervolgens een budget ontwikkelen dat rekening houdt met de specifieke financiële gevolgen van de epidemie voor mannen, vrouwen en non-binaire mensen’, aldus de hoogleraar internationale betrekkingen.
Naast de kwestie van de werkgelegenheid moet volgens haar meer aandacht worden besteed aan het probleem van huiselijk geweld en de obstakels die vrouwen moeten overwinnen om tijdens de pandemie toegang te krijgen tot betaalbare of gesubsidieerde seksuele gezondheids- en kraamzorg. Bovendien is het erg belangrijk om scholen open te houden, vooral voor vrouwen die voor gehandicapte kinderen zorgen, benadrukt Sara Davies, omdat ‘de pandemie vooral mensen met een handicap en hun verzorgers treft. En dat zijn vooral vrouwen zijn.’
Vrouwen in de Filippijnen leden het meest onder de quarantainemaatregelen van de overheid. Aimee Santos, plaatselijk hoofd van de afdeling gendergelijkheid van het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties, zei afgelopen september dat de vrouwen die ze geïnterviewd had ‘een zware last op hun schouders voelen. Al het gewicht van huishoudelijke taken… Omdat ze onevenredig veel verantwoordelijk dragen van het welzijn van hun gezin.’
‘Een van de meest irritante gegevens is dat het Westen niet heeft geleerd van de geschiedenis’
‘De pandemie heeft de trends die er al waren, verergerd’, concludeert ook dr. Tara Thiagarajan, oprichter en hoofdwetenschapper van Sapien Labs, een Amerikaanse nonprofitorganisatie die zich toelegt op begrip van de menselijke geest en eerder dit jaar een rapport uitbracht over de impact van de pandemie op geestelijke gezondheid, waarover The New York Times berichtte.
Het rapport werd gebaseerd op gegevens verzameld uit een online anonieme enquête in Australië, Groot-Brittannië, Canada, India, Nieuw-Zeeland, Singapore, Zuid-Afrika en de Verenigde Staten.
Een van de meest irritante gegevens, merkt Lewis op in The Atlantic, is het feit dat het Westen niet heeft geleerd van de geschiedenis: de ebolacrisis in drie Afrikaanse landen in 2014; zika in 2015–2016; en recente uitbraken van SARS, Mexicaanse griep en vogelgriep. Academici die deze episodes bestudeerden, ontdekten dat ze diepe, langdurige effecten hadden op gendergelijkheid.
‘De ebola-uitbraak in West-Afrika beïnvloedde het inkomen van iedereen,’ zegt Julia Smith, een onderzoeker op het gebied van gezondheidsbeleid aan de Simon Fraser University in The New York Times, maar ‘het inkomen van mannen keerde sneller terug naar het niveau van vóór de uitbraak dan het inkomen van vrouwen’.
Deze verstorende effecten van een epidemie kunnen jaren aanhouden, volgens Clare Wenham, een assistent-professor in het mondiale gezondheidsbeleid aan de London School of Economics.
Andere lessen uit de ebola-epidemie waren net zo grimmig. Schoolsluitingen hadden een negatieve invloed op de levenskansen van meisjes, omdat velen het onderwijs stopten. (Een stijging van het aantal tienerzwangerschappen versterkte deze trend.) Huiselijk en seksueel geweld nam toe. En meer vrouwen stierven tijdens de bevalling omdat middelen elders werden ingezet.
‘Er is een verstoring van de gezondheidsstelsels, alles gaat naar de uitbraak’, zegt Wenham, die tijdens de ebolacrisis als onderzoeker naar West-Afrika reisde. ‘Wat geen prioriteit heeft, wordt geschrapt. Dat kan effect hebben op de moedersterfte of de toegang tot anticonceptie.’
De Verenigde Staten hebben op dit gebied al ontstellende statistieken in vergelijking met andere rijke landen, meldt onder andere Vox, en daar hebben zwarte vrouwen twee keer zoveel kans om tijdens de bevalling te overlijden als witte vrouwen.
Vanzelfsprekend
Voor Wenham was de meest opvallende statistiek afkomstig uit Sierra Leone, een van de landen die het zwaarst door ebola werden getroffen. Tijdens de uitbraak van 2013 tot 2016 stierven meer vrouwen aan obstetrische complicaties dan de besmettelijke ziekte zelf. Maar deze sterfgevallen trekken, net als de onopgemerkte zorgarbeid waarop de moderne economie draait, minder aandacht dan de onmiddellijke problemen die een epidemie veroorzaakt. Ze worden als vanzelfsprekend beschouwd.
In haar boek Invisible Women merkt Caroline Criado Perez op dat ten tijde van de zika- en ebola-epidemieën 29 miljoen artikelen werden gepubliceerd in meer dan 15.000 peer-reviewed titels, waarvan minder dan 1 procent te maken had met de gendergerelateerde impact van de uitbraken. Wenham heeft tot dusverre geen genderanalyse gevonden naar aanleiding van de uitbraak van het coronavirus; zij en twee co-auteurs zijn het probleem nu aan het onderzoeken.
‘Hoe we nu handelen, zal van invloed zijn op de levens van miljoenen vrouwen en meisjes bij toekomstige uitbraken’
Net als andere onderzoekers is ze gefrustreerd dat beleidsmakers nog steeds een sekseneutrale benadering van pandemieën hanteren.
‘Hoe grimmig het ook is om je nu voor te stellen, volgende epidemieën zijn onvermijdelijk, en de verleiding om te beweren dat gender een bijzaak is, een bijeffect van de echte crisis, moet worden weerstaan. Hoe we nu handelen, zal van invloed zijn op de levens van miljoenen vrouwen en meisjes bij toekomstige uitbraken’, aldus Lewis.
Ook volgens haar bieden de inzichten een kans. ‘Dit zou de eerste uitbraak kunnen zijn waarbij sekseverschillen en -ongelijkheid worden geregistreerd, en waarbij onderzoekers en beleidsmakers er rekening mee houden. Te lang hebben politici aangenomen dat kinderopvang en ouderenzorg kunnen worden “opgevangen” door particuliere burgers – meestal vrouwen – die daarmee in feite een enorme subsidie aan de betaalde economie verstrekken. Deze pandemie zou ons moeten herinneren aan de ware omvang van deze verstoorde gang van zaken.’
Wenham pleit voor noodvoorzieningen voor kinderopvang, economische zekerheid voor eigenaren van kleine bedrijven en een financiële stimulans die rechtstreeks aan gezinnen wordt betaald. Maar veel hoop heeft ze niet, omdat ze uit ervaring weet dat regeringen op korte termijn denken en reactief zijn.
‘Alles wat is gebeurd, is voorspeld, toch?’ zegt ze. ‘Als academici wisten we collectief dat er een uitbraak zou komen uit China, die laat zien hoe globalisering ziekten verspreidt en financiële systemen lam legt, en toch stond er geen pot met geld klaar, was er geen bestuursplan (…) We wisten dit allemaal, en ze luisterden niet. Waarom zouden ze nu naar dit verhaal over vrouwen luisteren?’
De Mexicaanse socioloog Karina García Reyes interviewde 33 voormalige narco’s om de logica van hun wereldbeeld te kunnen begrijpen. Hiermee wil zijn een nieuw perspectief belichten: dat van de daders. ‘We moeten erkennen dat drugscriminelen onderdeel zijn van onze maatschappij.’
Keuze uit ons archief
Dat verdeeldheid onder neoliberalisme toeneemt, zien we overal gebeuren – nu ook in de politiek. Reyes legde dit gegeven vast in een studie. Ze kreeg de kans te ontsnappen uit een uitzichtloos gebied in Mexico, en besloot te onderzoeken wat ze overal om zich heen had gezien. De drugsbendeleden die ze interviewden zien zichzelf als de ‘anderen’, zij die buiten de maatschappij staan. Ze hebben de individualistische ethiek waarvan de hele (Mexicaanse) samenleving sinds de opkomst van het neoliberalisme doortrokken is, geïnternaliseerd.
Dit artikel verscheen eerder in #174, februari 2020.
Ik kom uit het noorden van Mexico, een gebied dat het zwaarst te lijden heeft van het geweld in de war on drugs. De periode van 2008 tot en met 2012 was de meest onzekere en gewelddadige in de geschiedenis van mijn stad. In het begin waren de confrontaties tussen het leger en de drugskartels, waarbij met scherp werd geschoten, sporadisch, maar algauw werden ze frequent, overal in de stad en op klaarlichte dag.
Ikzelf maakte een keer een vuurgevecht mee op het deel van de universitaire campus waar ik college gaf. We moesten de deuren sluiten en de veiligheidsmaatregelen in acht nemen die voor dit soort situaties golden. En al mijn vrienden en familieleden hebben wel iets dergelijks meegemaakt, sommigen zagen het gebeuren vanuit hun auto en anderen vanuit huis.
Hier ontstond mijn belangstelling voor de wetenschappelijke studie van het drugsgeweld
Tegelijk met het toenemende geweld begon het kartel Los Zetas de plaatselijke middenstand af te persen. Als de kleine ondernemers geen ‘stageld’ – de eufemistische term voor beschermgeld – betaalden, kregen ze met geweld te maken of werden leden van hun familie ontvoerd.
Geleidelijk aan sloten alle kleine ondernemers hun deuren en groeide de paranoia onder de bevolking vanwege de berichten die de narco’s op sociale media plaatsten. ‘Ga vanavond de deur niet uit, want er wordt geschoten.’ Soms werden die dreigementen nog waargemaakt ook.
In die omstandigheden besloot ik naar het buitenland te gaan om te promoveren. Ik wilde in die onzekere toestand niet verder studeren en ging daarom naar Engeland. Hier ontstond mijn belangstelling voor de wetenschappelijke studie van het drugsgeweld. Dankzij de goede raad van een van mijn professoren was ik in staat om door middel van een proefschrift mijn frustratie uit te leven over de veiligheidspolitiek van Felipe Calderón, die van 2006 tot 2012 president van Mexico was. Ik ben zeven jaar met dit onderwerp bezig geweest.
In mijn proefschrift onderzoek ik het drugsgeweld aan de hand van persoonlijke geschiedenissen. Tussen oktober 2014 en januari 2015 interviewde ik 33 mannen uit de wereld van de drugscriminaliteit. We spraken over hun kindertijd en hun puberteit, over alcohol- en drugsverslaving, vandalisme en hoe ze in de criminaliteit terecht waren gekomen en welke rol ze daarin vervulden. Om begrip te krijgen van de invloed die hun persoonlijke ervaringen hadden op hun intrede in de drugswereld, onderwierp ik hun verhalen aan een discursieve analyse.
Er is tot nog toe geen enkele studie verricht waarvoor meer dan dertig interviews met ex-drugscriminelen werden gebruikt
De geïnterviewden hebben op twee manieren bijgedragen aan het karakter van mijn studie. In de eerste plaats methodologisch, omdat directe interviews met drugscriminelen iets totaal nieuws zijn in de academische wereld. Er is tot nog toe geen enkele studie verricht waarvoor meer dan dertig interviews met ex-drugscriminelen werden gebruikt. Ook opent mijn studie voor de academische wereld een nieuw perspectief, namelijk dat van de daders, dat tot nog toe zowel door onderzoekers als door bestuurders en politici werd genegeerd.
In deze zin werpt de analyse van hun persoonlijke verhalen licht op de mogelijke oorzaken van hun intrede in de drugswereld en verklaart deze de logica van hun wereldbeeld. Dat te begrijpen is cruciaal, niet alleen voor de benadering van zo’n complex fenomeen, maar ook voor het bepalen van beleid om de veiligheid te waarborgen. Tot nog toe werden die maatregelen alleen genomen vanuit de logica van hen die de maatregelen nemen. Geen wonder dus dat ze faliekant mislukten.
Slachtoffers noch monsters
Om te beginnen moeten we erkennen dat drugscriminelen onderdeel zijn van onze maatschappij. Ze zijn onderhevig aan dezelfde normen en waarden en tradities als wij allemaal. Een van de voornaamste problemen in Mexico is dat de overheid ze systematisch discrimineert door het binaire discours van de Verenigde Staten over te nemen: ‘zij’ versus ‘wij’, ‘goed’ versus ‘kwaad’. Behalve dat dit discours een absurde oversimplificatie is, verdoezelt het de rijkgeschakeerde oorzaken van het geweld.
Een analyse van de persoonlijke geschiedenissen van de ex-narco’s doet die schakeringen juist scherp uitkomen. De geïnterviewden zien zichzelf noch als slachtoffers, noch als monsters. Ze rechtvaardigen allemaal hun intrede in de drugswereld als hun ‘enige optie’ om te overleven, een motivatie die door veel wetenschappelijke studies wordt bevestigd. Maar hoewel ze goed van de schaduweconomie konden leven en voor hun gezinnen zorgden, wilden ze toch ‘meer’.
De geïnterviewden zien zich ook niet als de bloeddorstige criminelen die in films worden opgevoerd. Ze omschrijven zichzelf als vrij handelende personen die besloten hebben in het illegaal circuit te opereren, maar tegelijkertijd noemen ze zichzelf ‘niks waard’, ‘wegwerpartikelen’.
Dat gevoel van marginalisering, gevoegd bij de verslavingsproblemen en het ontbreken van een toekomstperspectief, maakt dat ze weinig waarde hechten aan hun leven en dat de dood zelfs als een bevrijding wordt gezien.
Dit laatste is een cruciale factor voor het beleid dat ten aanzien van deze problematiek gevoerd dient te worden. De kernopdracht daarbij is te vermijden dat nog meer kinderen en jongeren zich als ‘niks waard’ gaan beschouwen.
Mijn onderzoek laat zien hoe de participanten het binaire discours van de overheid overnemen. Ze noemen zichzelf de ‘anderen’, zij die buiten de maatschappij staan, ze vinden niet dat ze daar deel van uitmaken. Ze hebben ook de individualistische ethiek overgenomen waarvan de hele Mexicaanse samenleving sinds de opkomst van het neoliberalisme aan het eind van de jaren tachtig doortrokken is. Die ethiek is een tweesnijdend zwaard: ze geven niet de staat of de maatschappij de schuld van hun armoede, maar ze hebben ook geen spijt van hun misdaden. Ze vinden dat ze de ‘pech’ hebben gehad in armoede en in de marge van de maatschappij geboren te zijn en dat hun slachtoffers de ‘pech’ hebben gehad in hun handen te vallen. De logica is simpel: ‘Ieder voor zich.’
Niets te verliezen
Uit de analyse van de interviews kwam een cluster van ideeën en opvattingen naar voren die als vaststaande waarheden werden geponeerd en die ik ‘het narcodiscours’ heb gedoopt.
De betekenis die armoede heeft in het narcodiscours liegt er niet om. Het heet dat arme mensen geen toekomst hebben en daarom ook niets te verliezen. Zoals een van de geïnterviewden (Wilson) zei: ‘Ik wist dat ik tot aan mijn dood in armoede zou leven en het enige wat ik deed was God vragen: waarom ik?’ Armoede wordt gezien als een natuurlijk gegeven, een omstandigheid waar niets aan te doen is en waar niemand verantwoordelijk voor is. Voetstoots wordt aangenomen dat ‘er iemand moet zijn die arm is’ (Lamberto) en ‘dat je er niks aan kunt veranderen’ (Tabo).
Die kijk op armoede impliceert een individualistische kijk op de wereld: het individu is zelf verantwoordelijk voor zijn economische en sociale ontwikkeling. ‘Ik wist dat ik alleen stond, als ik iets wilde, dan moest ik het zelf gaan halen’ (Rigoletto).
De logica van het narcodiscours met betrekking tot armoede is dat iedereen er alleen voor staat en dat dus ‘het recht van de sterkste’ (Yuca) geldt. Zo verklaart ook Cristian het: ‘In mijn wijk wisten we allemaal wat de regel was: als je zit te slapen, verlies je. Dat was de regel. Je moet gewelddadig zijn, door roeien en ruiten gaan, je moet voor jezelf opkomen, want niemand anders zal het doen.’
“Wie kan het leven van een arme drugsverslaafde ene moer schelen?”
In het narcodiscours wordt ervan uitgegaan dat kleine kinderen en tieners onvermijdelijk bendeleden en drugsverslaafden worden. ‘Als je in een arme buurt opgroeit, dan weet je dat je op een bepaald moment aan de drugs verslaafd raakt’ (Palomo). Net zo worden de bendes, die dagelijks geweld en vandalisme plegen, gezien als ‘de enige manier om het geweld van de straat te overleven’ (Piochas). Er wordt dus van uitgegaan dat die jongeren geen toekomst hebben en daarom niks waard zijn: ‘Als je aan drugs verslaafd bent, beschouw je jezelf als een nul, minder dan afval… Wie kan het leven van een arme drugsverslaafde ene moer schelen?’ (Palomo).
Ook de vroege dood van deze jongeren wordt als onvermijdelijk gezien: ‘Als je zo veel van je vrienden door geweld, door overdoses, door politiekogels, ziet omkomen, dan denk je dat dat ook jouw toekomst is’ (Tigre). Op die manier wordt al bij voorbaat aangenomen dat het met de jongeren slecht zal aflopen: ‘Ik dacht altijd dat ik óf aan een overdosis óf door een kogel zou sterven’ (Pancho).
Volgens die logica kun je eigenlijk alleen maar van het leven genieten door de consumptie van luxegoederen, en de enige manier om daaraan te komen is door middel van ‘gemakkelijk geld’ dat het ‘gemakkelijke leven’ je biedt. Het gemakkelijke leven is de drugshandel. Ze weten dat de kick van gemakkelijk geld van korte duur is, maar toch loont die de moeite, omdat je ‘in deze wereld, als je geen geld hebt, niemand bent’ (Canastas). Ze kennen de gevaren. ‘De ene dag kun je nog in een duur restaurant zitten met allemaal mooie vrouwen om je heen, en de volgende dag word je wakker in de bajes’ (Ponciano). Het ‘gemakkelijke leven’ moet dus snel en op de toppen geleefd worden: ‘Mijn opzet was om elke dag te leven of het de laatste was. Ik liet het breed hangen. Ik kocht de duurste SUV’s, de duurste wijnen en ik had de mooiste vrouwen’ (Jaime).
‘Echte man’
In het narcodiscours speelt ook het idee van de ‘echte man’, die agressief en gewelddadig dient te zijn. En een rokkenjager.
De participanten noemden de arme wijken ‘de jungle’, de plaats waar het recht van de sterkste heerst. Lichamelijk geweld is essentieel om te kunnen overleven – letterlijk.
In het narcodiscours komt ook een cruciaal element van geweldpleging tot uitdrukking, namelijk dat het aangeleerd gedrag is. Mensen worden niet gewelddadig geboren, ze worden gewelddadig gemaakt. Zoals Jorge zegt: ‘Als kind werd ik door grotere kinderen geslagen, ze maakten misbruik van me omdat ik alleen was. Ik was niet gewelddadig… maar ik moest wel gewelddadig worden, nog gewelddadiger dan zij. Dat moet als je op straat wilt overleven.’
In ‘de jungle’ moeten mannen ook een reputatie opbouwen om te overleven. Een ‘echte man’, zo is de opvatting, is heteroseksueel, een rokkenjager, ‘een feestbeest met drugs en alcohol’ (Dávila).
Daarnaast komt in het discours naar voren dat ‘echte mannen’, in tegenstelling tot vrouwen, geen angst of emoties of zwakte mogen tonen, en de beste manier om dat te doen is laten zien dat je onder alle omstandigheden sterk en dominant bent: binnen de bende, in gevechten met concurrerende bendes en thuis in het gezin.
In de interviews uitten de participanten vaak de wrok die ze jegens hun vader koesterden. Van de 33 geïnterviewden bekenden er 28 dat ze op zeker moment in hun leven het liefst hun vader zouden hebben vermoord. Huiselijk geweld en geweld tussen mannen en vrouwen horen tot de eerste levenservaringen van deze participanten. Allemaal zijn ze het erover eens dat het dagelijks geweld van hun vaders tegen hun moeders hun als kind het meeste weerzin inboezemde. Het is een constant gegeven in de verhalen die ze vertellen, niet alleen over hun kindertijd, maar ook over drugsverslaving, geweld in het algemeen en hun intrede in de wereld van de misdaad.
Voor een aantal participanten was het verlangen om hun vader te vermoorden of te martelen de belangrijkste motivatie om in de drugscriminaliteit te gaan. Rorro, bijvoorbeeld, vertelde dat hij als kind ‘geen enkele illusie of plannen voor de toekomst had, het enige waar ik aan dacht was mijn vader vermoorden als ik groot was… ik wilde hem aan stukken hakken’. De drugscriminaliteit in gaan verschafte hem die mogelijkheid. Ook Ponciano gaf aan dat hij zich, als hij mensen moest martelen, altijd voorstelde dat het om zijn vader ging, ‘en dan martelde ik ze met genoegen, net zoals hij ons martelde’.
De fantasieën die de participanten hadden over het vermoorden van hun vader lijken allemaal op elkaar, allemaal wilden ze hem laten boeten, niet uit wraak voor wat hij hun had aangedaan, maar voor wat hij hun moeder had aangedaan. Opmerkelijk is dat ze ook geen van allen in staat waren hun voornemen uit te voeren toen ze daar de gelegenheid voor kregen. Facundo verwoordt het zo: ‘Ik had hem kunnen vermoorden als ik wilde. Ik had tientallen huurmoordenaars die voor me werkten. Als ik wilde… ik had hem kunnen laten martelen en toekijken hoe hij crepeerde. Maar ik kon het niet… dus ik zei tegen hem: maak dat je wegkomt, ik wil je nooit meer zien. Als ik je weer zie, vermoord ik je.’
Macho-ideologie
De oorzaken van de criminaliteit en het geweld in Latijns-Amerika zijn vrijwel in alle landen dezelfde. Tussen de verschillende bronnen van het geweld – van drugscriminelen, het leger, de guerrilla of de bendes – zijn er volgens mij twee dwarsverbindingen: de armoede en de giftige macho ideologie*. De dagelijkse ervaringen van de mensen die in armoede leven is de soep waarin alle soorten geweld (huiselijk geweld, bendegeweld, geweld tussen de seksen) gaar koken. En dat alles binnen het kader van het onzichtbare geweld dat zelden onderkend wordt: het structurele geweld van de staat.
Wij moeten allemaal, academici, politici en burgers, deze ervaringen proberen te begrijpen en ervan leren. We kunnen wel erkennen dat armoede de moeder is van alle kwaad, maar we weten niet hoe het is om in armoede te leven. Het terugdringen en voorkomen van geweld kan alleen op lokaal niveau gebeuren. Elke regio, elke wijk heeft zijn eigen specifieke problemen en behoeften. Algemene politieke maatregelen zullen niet helpen. En misschien is dat het grote struikelblok: de geweldsproblemen bij de wortel aanpakken, daar kunnen politici geen goede sier mee maken.
Ook moeten we bedenken dat de dominante macho-ideologie in de Latijns-Amerikaanse landen het geweld niet alleen goedkeurt, maar ook aanmoedigt. In de regio’s worden de problemen onveranderlijk te lijf gegaan met agressie en gemilitariseerde veiligheidsmaatregelen. Geweldloze oplossingen waren tot nog toe geen optie in onze landen, omdat machismo en geweld geïnstitutionaliseerde fenomenen zijn.
Om het geweld aan te pakken moeten we beginnen met het te begrijpen. Waar komt het vandaan? Wie rechtvaardigt het en hoe? Hoe wordt het gepropageerd? Hoe hebben ze het eerder proberen te bestrijden? Om antwoord te geven op die vragen loont het om interdisciplinair te werk gaan en dienen onze overheden bereid te zijn naar ons te luisteren.
Wat eerst moet gebeuren is een verandering van paradigma: de militairen moeten terug de kazerne in, complexe problemen moeten lokaal worden aangepakt (al zal dat de landelijke politiek geen punten opleveren) en we moeten ophouden met het binair discours waarin het heet dat ‘zij’ dood moeten, want daar bereiken we alleen maar mee dat de onverschilligheid van ‘hen’ jegens ‘ons’ toeneemt.
In India worden meisjes vaak uitgehuwelijkt uit economische nood. Omdat ze minder kans hebben op een goed inkomen dan jongens, zijn ze relatief duur voor arme families – vooral nu veel ouders vanwege corona hun inkomsten kwijt zijn.
De vijftienjarige Mitali Sathe stapte, gehuld in een gele sari, naar de ingang van haar huis in de Indiase stad Latur. Haar lichaam was beschilderd met kunstige ornamenten; ze droeg groene glazen sieraden aan de armen. Mitali Sathe was op weg naar haar bruiloft. Haar ouders hadden besloten het meisje na de nationale lockdown in augustus met een vijftigjarige weduwnaar te laten trouwen. Hij had iemand nodig om voor zijn kinderen te zorgen. Mitali’s ouders, die door de coronapandemie geen werk meer hadden, hoopten het door het huwelijk financieel iets makkelijker te krijgen.
Volgens de India Times, die over het geval berichtte, was Mitali Sathe de lokale medewerker van een kinderbeschermingsorganisatie opgevallen vanwege de uitdossing van het meisje. Hij alarmeerde de autoriteiten, die het kindhuwelijk verhinderden. De aanstaande bruidegom werd aangehouden. De ouders van het meisje moesten een verklaring ondertekenen dat ze hun dochter niet voor haar achttiende verjaardag zouden uithuwelijken. In India zijn kindhuwelijken wettelijk verboden.
Miljoenen gevallen in India
Mitali Sathes verhaal staat niet op zichzelf. De ngo Childline India Foundation geeft aan tussen januari en juli 14.775 meldingen te hebben gekregen van pogingen tot, of reeds voltrokken kindhuwelijken. De reeks koppen in de Indiase media lijkt de laatste maanden eindeloos: ’16-jarig meisje in Chennai gered van gedwongen huwelijk’, ‘De stad Mysore registreert 47 kindhuwelijken in twee maanden’, ‘Districtsbestuurders van Coimbatore verhinderen 42 kindhuwelijken in 3 maanden’, ‘91 kindhuwelijken in Dindigul verijdeld.’
Zowel jongens als meisjes worden door hun families uitgehuwelijkt, maar in meer dan 80 procent van de gevallen betreft het meisjes. Meestal worden kinderbeschermingsorganisaties gealarmeerd door onderwijzers. Omdat de scholen tijdens de lockdown in het voorjaar gesloten waren, is dit sociale beschermingsschild weggevallen.
Volgens de ngo Girls Not Brides werd 27 procent van de Indiase meisjes voor hun achttiende verjaardag uitgehuwelijkt. India is het land met de meeste kindbruiden ter wereld. UNICEF, de VN-organisatie voor kinderrechten, schat het aantal minderjarige Indiase meisjes dat al getrouwd is op meer dan 15 miljoen. In het buurland Pakistan zijn er meer dan 1,9 miljoen kindbruiden.
Negen van de tien landen met de hoogste cijfers in kindhuwelijken zijn labiele staten
Buiten Zuid-Azië, waar sociale normen het uithuwelijken van meisjes vaak bevorderen, komen kindhuwelijken vooral in crisisgebieden voor. Negen van de tien landen met de hoogste cijfers in kindhuwelijken zijn labiele staten, de meeste daarvan liggen in sub-Sahara Afrika.
In de laatste twee decennia is het aantal kindhuwelijken afgenomen. Meerdere ngo’s waarschuwen dat gedwongen huwelijken van kinderen wereldwijd nu weer kunnen toenemen vanwege schoolsluitingen en economische onzekerheid. Een bericht van de ngo Save the Children schat dat er in 2020 in vergelijking met de voorgaande jaren een half miljoen meer kindbruiden zullen zijn – dat zou de grootste stijging in kindhuwelijken zijn sinds 25 jaar. Als die schatting klopt, werden er in dat jaar 12,5 miljoen kinderen uitgehuwelijkt.
Philip Jaffé, professor kinderrecht aan de universiteit van Genève en lid van de VN-commissie voor kinderrechten, vindt de schatting van Save the Children eerder aan de voorzichtige kant. Omdat huwelijken in veel landen niet officieel geregistreerd worden, zou het moeilijk zijn om exacte getallen te noemen. Maar berichten uit de betreffende landen zouden toch meer zijn dan slechts toevallige waarnemingen en overeenkomen met de door Save The Children geprognostiseerde trend.
Begeerd als huishoudelijke hulp
In tijden van crisis worden meisjes vaak gedwongen te trouwen om de familie financiële verlichting te bezorgen. Meisjes die in arme huishoudens of in afgelegen landelijke gebieden leven, lopen een bijzonder groot risico om minderjarig uitgehuwelijkt te worden. Philip Jaffé zegt: ‘Voor arme families zijn meisjes duur, omdat ze minder kans hebben op een goed inkomen dan jongens.’ Vaak krijgen de families door het uithuwelijken van hun dochters geld of vee, waarvan ze kunnen leven en de rest van de familie kunnen voeden.
Volgens Jaffé nemen kindhuwelijken bovendien toe omdat veel kinderen door de schoolsluitingen gedwongen zijn te werken. Vooral in India en Pakistan werken meisjes vaak als hulp in de huishouding voor alleenstaande mannen, maar worden dan in feite hun eigendom. Dikwijls nemen mannen een dienstmeisje omdat ze in haar een potentiële echtgenote en moeder zien. ‘Oudere mannen zoeken vooral jonge meisjes omdat ze die zien als een verzekering voor hun oude dag,’ zegt Jaffé.
Daar komt bij dat de vereiste bruidsschat, die de ouders van de meisjes moeten betalen, meestal lager uitvalt naarmate de meisjes jonger zijn. De coronacrisis biedt de ouders daarbij de gelegenheid hun kinderen gunstiger uit te huwelijken omdat grote bruiloftsfeesten bijna overal verboden zijn. Veel meisjes die uitgehuwelijkt worden, komen terecht in een klein wereldje. Zodra ze uitgehuwelijkt worden, verlaten ze de school omdat de echtgenoten schoolbezoek afkeuren. Voortaan zorgen ze voor de man en eventuele kinderen.
In 23 staten nog toegestaan
Volgens studies kunnen kindhuwelijken leiden tot posttraumatische stressstoornissen, depressies, psychosen of zelfs suïcide. ‘Meisjes worden door kindhuwelijken gedwongen tot seksuele betrekkingen voordat ze daar mentaal aan toe zijn,’ zegt Philip Jaffé. Omdat de lichamen van jonge meisjes meestal nog niet volledig ontwikkeld zijn, kunnen er door geslachtsverkeer kwetsuren ontstaan in de genitale zone. Die kwetsuren kunnen blijvend zijn als ze niet medisch behandeld worden, en een negatief effect hebben op een latere zwangerschap en geboorte.
In de afgelopen jaren hebben veel landen een wettelijke minimumleeftijd voor het huwelijk vastgesteld om kinderen te beschermen tegen een vroeg huwelijk. Volgens een studie die wereldwijd wetten over kindhuwelijken heeft onderzocht, zijn kindhuwelijken zonder speciale toestemming in 23 landen toch nog altijd toegestaan.
Naast landen als Afghanistan of Saoedi-Arabië staat ook Groot-Brittannië toe dat kinderen vanaf zestien jaar trouwen. De Britse wet stamt uit het jaar 1929, toen een buitenechtelijke zwangerschap of het samenleven zonder trouwboekje maatschappelijk onaanvaardbaar waren. Sinds oktober beraadt het parlement zich over de vraag of de minimumleeftijd opgetrokken moet worden naar achttien jaar.
In landen die de wettelijke minimumleeftijd om te trouwen hebben vastgelegd op achttien jaar worden nationale bepalingen deels ontkracht door gewoonterecht en religieuze wetten. In 99 landen zijn huwelijkssluitingen voor achttien jaar geoorloofd als de ouders het toestaan. Omdat kindhuwelijken vaak door de ouders worden gearrangeerd, helpen de wetten vaak maar weinig om kindhuwelijken te verhinderen.
Dominic Van Allen heeft werk, een telefoon, een bankrekening met wat geld erop, maar geen huis. Totdat hij besluit een stukje grond te ‘lenen’ van een chique park in Noord-Londen. Geen methlab of moordenaarshol, gewoon zijn eigen ondergrondse bunker.
Voordat het allemaal misging bracht Dominic Van Allen de laatste uren van zijn avonden meestal door in een pub genaamd The Garden Gate. Daar viel hij al drinkend en kletsend niet snel uit de toon en stak hij zelfs keurig af bij de andere gasten, die verschillende gradaties van slonzigheid vertoonden. Honduitlaters kwamen met doorweekte honden aanzetten. Uitgeputte artsassistenten sloften na hun dienst met opgestroopte mouwen naar binnen. Er waren oudere mannen in nette kleding, broos als antieke kapstokken, en nonchalant geklede professionals die in de financiën of het entertainment werkten en dure huizen bezaten in de buurt. ‘En juist die rijke klootzakken,’ verwonderde Van Allen zich, ‘konden het zich veroorloven er het minst verzorgd uit te zien.’ Zelf droeg hij stevige laarzen, een kakibroek en een leren motorjack, en kon hij doorgaan voor een fietskoerier, bouwvakker, misschien een klusjesman uit het nabijgelegen ziekenhuis, waar ze hem in de personeelskantine kenden omdat hij soms bij zonsopgang een kopje koffie met korting kwam kopen.
Die winter van 2017 was Van Allen 44 jaar oud – lang, met kortgeknipt blond haar, blauwe ogen en een licht Yorkshire-accent. Als het te laat werd, dronk hij zijn drankje op en ging naar buiten, waar hij vanuit de pub noordwaarts liep richting een met bomen omzoomde weg langs Hampstead Heath, een enorme open vlakte net boven het centrum van Londen. Elke dag komen er duizenden mensen: hardlopers, natuurzwemmers, toeristen, vogelliefhebbers op zoek naar grasmussen en zwartkoppen in de struiken of putters en torenvalken in de bomen. De zomer brengt zonaanbidders, picknickers en studenten die in kringen bij elkaar zitten, terwijl in de winter in de zeldzame gevallen dat het sneeuwt mensen erheen gaan om te sleeën.
Deze avond, december 2017, was er lichte sneeuw voorspeld. Van Allen liep hard door om snel binnen te zijn.
Hij liep langs de westelijke rand van de vlakte, voorbij het struikgewas waar een wirwar van berenklauw groeide en de braamstruiken groter waren dan hijzelf. Het was bekend dat daklozen soms in dit struikgewas sliepen en hier in het donker tenten opzetten. Van Allen had dit ook wel eens gedaan. Dat hij dakloos was hield hij meestal voor zichzelf. ‘Zou jij dat niet doen dan?’ Hij wist dat er veel mensen waren zoals hij, die losse klussen deden, stamgasten in pubs waren, paspoorten bezaten en telefoons met de juiste opladers, maar geen plek hadden om te wonen. Hij zou waarschijnlijk nooit genoeg verdienen om in Londen te kunnen huren. Sociale woningen waren net buiten zijn bereik. Een hypotheek was volstrekt ondenkbaar. In plaats daarvan had Van Allen een manier gevonden om – onofficieel – nacht na nacht een plekje in deze dure buurt te huren. Aangekomen bij een rij herenhuizen die uitkeken over de vlakte, sloeg hij af en volgde een voetpad door het struikgewas.
Zichtbare onzichtbaren
Sommige aspecten van het verhaal van Van Allen zijn uitzonderlijk. Andere zijn bij lange na niet uitzonderlijk genoeg. Er is nooit een nauwkeurige telling geweest van mensen zoals hij, de zichtbaar onzichtbare daklozen. Hoewel we weten dat er tussen de 55.000 en 60.000 officiële daklozen zijn (dat wil zeggen: mensen die een aanvraag indienen om gebruik te maken van overheidsfaciliteiten) en hoewel er inspanningen worden gedaan om jaarlijks het aantal wildslapers te tellen (waarvoor in de herfst een speciaal team op pad gaat), is er een enorme populatie waarvan de statistici geen weet hebben. ‘Het zou zomaar kunnen dat je naast iemand zit en het niet weet,’ zegt Van Allen. ‘Er bestaat een redelijke kans dat de barman die je vanavond bediende in een schuilplaats of kraakpand slaapt, sofa-surft of nachten doorbrengt in een auto of busje.’ Van Allen zegt dat je op miljoenen uitkomt als we de definitie van daklozen verruimen naar mensen die zo’n onzekere huisvesting hebben dat ze deze binnen een maand, een week, in een oogwenk kunnen verliezen. Liefdadigheidsinstellingen proberen regelmatig de aandacht te vestigen op het gecompliceerde probleem van verborgen dakloosheid, een wereld van overvolle matrassen, bedden in schuren, de achterbank van nachtbussen. Het is juridisch gezien grijs gebied – alles wat zich afspeelt tussen een vast adres en ‘de winkelwagentjesfase’, zoals Van Allen het later zou noemen, toen hij werd gearresteerd en verhoord door de politie.
Halverwege het voetpad slaat hij weer af en dit keer stapt hij de dichte braamstruiken in. Hij volgt een smalle passage die ertussendoor is uitgekapt en komt zigzaggend bij een kleine open plek, waar hij in het donker bukt en op de aarde klopt. Een verborgen luik. Van Allen trekt het met zijn vingers open en daalt af in de aarde, waarna hij het luik weer sluit. Beneden doet hij met een schakelaar het licht aan. Hij hangt zijn jas op.
Commando terrorismebestrijding, hoofdondervrager: ‘Dit klinkt misschien als een domme vraag. Maar waar was het kamp voor?’
Dominic Van Allen: ‘Huisvesting. Geen plek om te wonen.’
CT: ‘(…) Je hebt er een permanente verblijfsplaats van gemaakt door ondergronds te gaan, door te graven … Wanneer was dat?’
Van Allen: ‘Ze zijn, wanneer was het, februari 2018 met bulldozers gekomen? Dus het was [twee jaar daarvoor], de lente van 2016. De laatste dooi had net ingezet… We dachten laten we gewoon blijven. Waarom niet?’
In de bunker was ruimte voor twee veldbedden die tegenover elkaar tegen de muren waren geschoven. In het 1 meter brede gangpad tussen de bedden kon Van Allen comfortabel staan zonder met zijn hoofd het houten dak te raken. De vloer onder hem was in beton gestort. Hij had haken opgehangen voor zijn jas, zijn tas en zijn kookgerei, en er waren planken bij het bed bevestigd om spullen op te zetten. LED-lampjes met drukknoppen waren met tape aan de muren geplakt. Er stond hier beneden een draagbaar gasfornuis, en nu Van Allen binnen was, stak hij het aan en goot een blik soep in een pan. Na het eten waste hij af met natte doekjes. Het afval werd in plastic zakken gestopt, om de volgende ochtend vroeg naar een verre vuilnisbak te worden vervoerd, voordat de parkwachters van de heide hun ronde maakten.
Over het algemeen sliep Van Allen goed. Achter de houten muren zat nog een betonlaag om het grondwater buiten te houden, en samen met de Hampstead-klei dempte deze alle behalve de meest extreme geluiden. (Op vuurwerknacht hoorde hij de knallen, maar niet het geknetter.) Toen hij hier net was komen wonen, maakte Van Allen zich soms zorgen dat hij zich zou verslapen en zette hij een wekker op zijn telefoon. Het was nooit nodig. Hij was al tientallen jaren getraind om op pad te zijn voordat de stad ontwaakte, voordat Londen weer werd bevolkt door bewakers, parkwachters en politieagenten die een van zijn tijdelijke onderkomens zouden kunnen ontdekken en alles zouden verpesten.
Zelfs naar zijn eigen maatstaven (en Van Allen had een rijke geschiedenis in het bemachtigen van guerrilla-accommodatie) was de bunker waanzinnig. Hij wist dat de uiteindelijke ontdekking ervan onvermijdelijk was. Hij wist ook dat, zolang ze kleine voorzorgsmaatregelen in acht namen, dat moment lang kon worden uitgesteld.
Geen vuilnis achterlaten dus. Overdag niet bij het luik blijven hangen. En geen opschepperij, niet bij The Garden Gate, niet als klusjesman in de stad. Van Allen was geliefd bij zijn vrienden vanwege zijn zwartgallige humor. Hij vertelde hen dat hij een landhuis had gebouwd. Wat hij er niet bij zei, was dat zijn ranch drie bij vier meter was, ongeveer zo groot als een royale invalidentoilet, en verborgen lag onder een van de drukste openbare parken van het land.
Die dag in december, zag hij toen hij ’s ochtends wakker werd en zijn hoofd naar buiten stak dat de weersverwachting bleek te kloppen en er ’s nachts enkele centimeters sneeuw op het dak van de bunker was neergedaald. Dankzij de goede isolatie had Van Allen desondanks in een T-shirt kunnen slapen; tevreden, zoals hij meestal was vanwege kleine technische triomfen, sjokte hij in de richting van het ziekenhuis om koffie te halen in de kantine. Hij liet laarsafdrukken achter, maar al snel zouden de rodelaars tevoorschijn komen om op slechts enkele meters van zijn luik de helling af te zoeven en hun eigen sporen achter te laten.
Commando voor terrorismebestrijding: ‘Vertel eens iets over jezelf, Dominic.’
Van Allen: ‘Zoals…?’
CTC: ‘Gewoon je geschiedenis, eigenlijk.’
Van Allen: ‘Ik ben al 26 jaar dakloos. Ik weet het niet, ik was vroeger podiumbouwer. Ik heb een soort botziekte gekregen…’
CTC: ‘Dat was het einde van die carrière?’
Van Allen: ‘Dat was het einde.’
Hij werd geboren in 1973, in de buurt van Wakefield, en vertrok op zijn 21ste zuidwaarts richting Londen. Hij werkte als barman, schilder en decorateur, arbeider en vrachtchauffeur op de luchthaven voordat hij een baan vond die hem beviel: podiumbouwer. Van Allen werkte voornamelijk bij muziekconcerten en tv-uitzendingen, en kwam bekend te staan als betrouwbare ‘steigeraap’ omdat hij er nooit moeite mee had wankele steigers te beklimmen om bijvoorbeeld de belichting bij te stellen. Hij plaatste een hekwerk voor U2 in Hyde Park en haalde daar ooit een nacht door om de backstageruimte voor Live 8 neer te zetten. Hij deed klussen voor Channel 4, L’Oréal, de Proms. Het werk paste bij Van Allens levensstijl in die zin dat het achter de schermen plaatsvond, tot laat doorging en inhield dat stadsterreinen moesten worden aangepast aan de specifieke behoeften van het moment.
Toen de flat waar hij verbleef te duur werd, ging hij kraken. Tien jaar lang wisselde hij tussen verschillende gemeentelocaties in Londen, tot 2011, toen de wetten voor kraken strenger werden, plekken schaarser werden en er steeds krachtiger ellebogen nodig waren om een slaapplaats te bemachtigen. Van Allens gezondheid was slecht. Toen hij zich tijdens een tv-uitzending een keer verstapte, brak hij een been. Terwijl hij nog met krukken liep, brak hij ook zijn andere been. Toen begon hij zich zorgen te maken. Artsen stelden een botaandoening vast en waarschuwden dat er zich zonder voldoende rust spontane breuken zouden blijven voordoen. Hij moest stoppen met zijn werk en kon de keiharde concurrentie om een plek in een kraakpand niet bijhouden. Hij deed een tijdje zijn best om officieel aan te tonen dat hij (in zijn eigen woorden) de lul was. Ziekenhuizen verwezen hem door naar organisaties, organisaties naar woningcorporaties. Er lagen aanvragen van hem bij de stadsdelen Camden, Hammersmith en Fulham, bij de woningbouwcorporaties Peabody Trust en Guinness Partnership. Er waren wachtrijen. Formulieren. Tests en medische evaluaties. Er waren slechte dagen, in wachtkamers, waarop hij zijn geduld verloor en ruzie maakte met de gestreste medewerkers achter hun beschermglas. Van Allen was niet bijzonder jong of oud, geen verslaafde, geen ouder. Er waren zoveel anderen (mijn woorden) meer de lul. Hij kwam nooit boven aan de lijsten terecht en kreeg uiteindelijk te horen: ‘Het is niet waarschijnlijk dat je in aanmerking komt voor een huis.’
Als je er eenmaal over begint, biertje in de hand bij The Garden Gate, kan Van Allen losgaan. ‘We zijn een eiland van, wat is het, 250.000 vierkante kilometer? De bevolking is enorm, groeit en heeft hetzelfde aantal huizen als veertig jaar geleden. Te veel mensen! Te weinig huizen! Ik en de meeste van mijn vrienden, we zitten allemaal in hetzelfde schuitje, een gemeenschap van honderdduizenden mensen. Zijn niet in de goot beland, hebben betaald werk en zijn allemaal de lul – al jaren. Het komt door hoe de wetgeving in elkaar zit… We hebben dit verdomde pad niet gekozen. Dit komt door de huisvestingswet van 1996 en alle onzin die sindsdien is ingevoerd. Het is niet ons pad. Ik heb er jarenlang tegen gevochten en toen heb ik de handdoek in de ring gegooid. Ik zei tegen mezelf: “Fuck it, ik ga kamperen.”’
Crusoe-instelling
Hij had een paar duizend op de bank apart gezet, en kon nog steeds werk aannemen als klusjesman, wat planken bevestigen of meubels monteren voor 20 of 30 pond per keer, eenmalige klussen die hij vaak regelde via een app op zijn telefoon. Van Allen was gehavend en moe, maar had nog steeds die Crusoe-instelling die hem nooit helemaal in de steek liet. Hij kocht goede laarzen en een goede tent en verplaatste zijn bestaan naar buiten. Zoals bij veel mensen die dakloos worden, kwam de handigheid stukje bij beetje. Van Allen schoor zijn haar kort, zodat het gemakkelijk met zeep kon worden gewassen. Hij leerde welke zwembaden de goedkoopste eenmalige toegangsprijzen hadden om te kunnen douchen; welke inloophuizen hij als postadres kon gebruiken. Hij kocht grote goedkope hoeveelheden ondergoed en T-shirts online, zodat deze indien nodig konden worden weggegooid. Hij werd een vaste klant in een katholieke kerk waar ze dagelijks een ontbijt voor daklozen bereidden.
Bezittingen die niet in zijn vijftienliterrugzak pasten, waren sowieso van tijdelijke aard. Spullen werden gestolen, geconfisqueerd en vernield, dus Van Allen leerde van de essentiële voorwerpen een reserve-exemplaar te bewaren, vooral van tenten. Hij had deze overal onder struiken en op daken verstopt, van Camden in het noorden tot Stratford in het oosten, van Southwark onder de rivier tot Richmond in het westen. Mocht kamperen vanwege het slechte weer niet kunnen, dan had hij aan zijn sleutelbos een bepaald soort sleutel die nooddeuren kon openen, bedoeld voor gebruik door de brandweer. Hij begon zich vertrouwd te voelen in het schaduwrijke Londen, waarbij hij de voorkeur gaf aan plaatsen waar geen andere mensen kwamen: cv-ruimten, achtertrappen, parken in het donker, de daken van flats.
In de maanden dat het goed weer was, kampeerde hij in Hampstead Heath, waar hij vertrouwd raakte met het nachtelijke ritme van het park – eerst het moment waarop de parkwachters afhaakten, dan de laatste hondenuitlaters en vervolgens de schemering waarin daklozen tevoorschijn kwamen, samen op banken een biertje dronken of een joint rookten voordat ze naar bed gingen en het park overlieten aan de eksters en de mollen. Om één of twee uur ’s nachts kon op het veld een absolute stilte heersen – een stilte die regelmatig werd verstoord door de komst van joyriders, die met hun auto’s over het lege gras raasden om even plotseling als ze waren gekomen weer te verdwijnen. Een helikopter, een militaire, vermoedde Van Allen, vloog vaak rond 5 uur ’s ochtends rond en gaf aan dat het bijna tijd was om op te staan en zijn tent af te breken en te verbergen voordat de parkwachters arriveerden. Na jaren op deze manier te hebben geleefd, begon Van Allen naar iets permanenters te verlangen.
Commando voor terrorismebestrijding: ‘Vertel eens wat je weet over dit stuk van Hampstead Heath.’
Van Allen:‘Ik zit er nu ongeveer zeven jaar … Klinkt stom, om een bunker te graven … [maar] ik word te oud om tenten uit elkaar te halen en onder struiken te schuiven.’
Al eeuwenlang hebben allerlei groepen geprobeerd een stuk van het terrein voor zichzelf te annexeren. Mensen die op de vlucht waren voor de pest kampeerden hier in de zeventiende eeuw, evenals evangelisten, reizigers op doortocht en struikrovers (van wie sommigen hier ook zijn opgehangen). In de jaren 1830 probeerde een opgewonden heer van een naburig landgoed die zijn lippen al aflikte bij het idee, een stuk van de vlakte in te sluiten voor privégebruik. Hij werd gedwarsboomd door de rechtbank, en de brutaliteit van die poging droeg eraan bij dat Hampstead Heath in 1879 openbaar bezit werd. Dieren zijn altijd gekomen en gegaan, middeleeuwse wolven, later Keats’ nachtegaal, weer later een zeldzame wallaby, die in de lente van 2019 werd gespot. Tuinmannen mochten hier tijdens de Eerste Wereldoorlog volkstuinen aanleggen, en in de Tweede werden de velden opgeëist voor dreunend luchtafweergeschut. Waarschijnlijk zijn de meest discrete kolonisten van de vlakte – in ieder geval totdat Van Allen met een schop, een zak cement en een Makita-motorzaag aan kwam zetten – altijd de kevers geweest die de verweerde houten palen en hekken bevolken.
Van Allen ging niet meteen voor zijn meest ambitieuze plan: de bunker. In de maanden voordat hij een rechthoek vrijmaakte en de eerste spade in de grond stak, bereidde hij zich voor door te oefenen met graven, zijn materiaal uit te proberen en andere, minder groots opgezette ondergrondse plannen uit te voeren. Tussen 2013 en 2015 groef Van Allen samen met een medeplichtige een reeks gaten verspreid over het park. Elk gat had exact de grootte van een afvalcontainer – want daar waren ze voor bedoeld: de containers werden rechtop zodanig begraven dat het deksel nog te gebruiken was, zodat ze ideaal waren voor opslag.
Van Allen en Wójcik ontwikkelden een nachtelijke routine, waarbij ze tot ongeveer middernacht wachtten, een biertje dronken voor de energie en dan een uur of langer aan het graven waren
Zijn medeplichtige was een Poolse arbeider, toen midden dertig, genaamd Marek Wójcik. (Zijn naam is in dit verhaal veranderd. The Guardian heeft geen contact met hem kunnen opnemen om zijn versie van de gebeurtenissen te vernemen.) Volgens Van Allen was Wójcik informeel tewerkgesteld als arbeider op bouwterreinen in Londen. Hij kon timmeren, metselen en fundamenten leggen, vaardigheden die een goede aanvulling vormden op Van Allens eigen improvisatietechnieken, die hij kende van de korte tijd dat hij als podiumbouwer had gewerkt. Met een biertje op een bankje hadden de twee mannen het ambitieuze plan doorgesproken. Wat denk je, vroeg Wójcik, vanavond beginnen? De nachtpatrouille van het park was in de verte langs de normale, voorspelbare route uit zicht verdwenen. Ze zouden pas uren later terugkomen. ‘Prima,’ zei Van Allen, ‘waarom niet?’
De plek die hij had voorbereid bevond zich in het struikgewas waar zich altijd al kampeerders schuilhielden, maar dan beter weggestopt. Hij had van een enorme, doornige braamstruik de binnenkant weggesnoeid met behulp van een betonschaar. De site lag dicht bij een cluster van hun ondergrondse opslagbakken, wat handig was omdat de bakken nu diverse gereedschappen en materialen bevatten: voorraden cementpoeder, kunstmest en bijtende soda; een accuboormachine en een elektrische zaag; twee schoppen. Van Allen en Wójcik ontwikkelden een nachtelijke routine, waarbij ze tot ongeveer middernacht wachtten, een biertje dronken voor de energie en dan een uur of langer aan het graven waren.
Toen ze de afvalcontainers begroeven was het een hels karwei geweest om boomwortels door te hakken. Nu mengden ze een oplossing van bijtende soda en doordrenkten de grond ermee om alles wat daaronder groeide te verzachten. Stenen moesten met de hand worden uitgegraven. Telkens wanneer het tussen hun nachtelijke opgravingen door regende, moesten ze als ze terugkwamen eerst urenlang natte klei scheppen, wat het werk vertraagde maar er ook voor zorgde dat de bunker uiteindelijk veel groter werd dan bedoeld. Omdat de opgeschepte aarde een ring vormde tussen de braamstruiken, was Van Allen bang dat het terrein van bovenaf zou worden opgemerkt. Door een drone-liefhebber? Of door satellieten die afbeeldingen aan Google Earth leverden? Hij pauzeerde het werk voor de zekerheid om een camouflagenet te kopen.
Toen ze eenmaal ongeveer 1 meter 80 diep waren, konden ze beginnen met het installeren van houten stutten. Voor de bunker zouden ze veel hout nodig hebben. Later hield hij vol dat dit afkomstig was van omgevallen boomtakken. Toen ze klaar waren om de muren te versterken en de vloer te gieten, rolde Van Allen in het donker een afvalcontainer naar een van de zwemvijvers van het park. (Eén deel water.) Daarna naar de zanderige parkeerplaats. (Eén deel zand.) Gemengd met vier delen cementpoeder, vormde dit hun beton. Houten latten vormden het dak, dat was voorzien van isolatieschuim en een vlak, scharnierend luik.
Terwijl ze wachtten tot het beton was uitgehard, begon Van Allen aan een programma van tactische tuinbouw. Hij ontwortelde meidoornstruiken in zijn geheel en plantte ze opnieuw rond de open plek bij wijze van vestingwerk. Voor het geval iemand daar desondanks doorheen zou komen, begon hij overal compost te verspreiden om de braamstruik aan te moedigen alle kanten op te groeien. Met behulp van vierkante stukken kippengaas, verkregen van weggegooide barbecues en bestrooid met kunstmest en zaad, lieten ze gras groeien op het bunkerdak. Al snel was er geen camouflagenet meer nodig en viel moeilijk te zeggen, tenzij je zelf op dit idee was gekomen, waar de grens tussen de oude vlakte en het bewerkte stukje grond lag. Van Allen had 100 pond gebudgetteerd voor de klus en kwam goedkoper uit. Het had ongeveer twee maanden geduurd. Op een avond namen ze er zonder veel ophef hun intrek.
Commando voor terrorismebestrijding: ‘Zijn er dieren in het wild gedood?’
Van Allen: ‘Nee … we zijn geen Australiërs … ik ben geen man van het land.’
CTC: ‘Oké. Wat ik bedoel, is dat er een vuurwapen op je kampeerterrein is gevonden.’
Van Allen: ‘We schieten geen wild af… Er is een Marks & Spencer verderop.’
Enkele regels voor het bunkerleven anno 2016-18. ’s Nachts geen geritsel in het kreupelhout als je moet plassen. Van Allen bewaarde om deze reden een lege fles bij zijn bed. (Het merk Innocent was het beste. Wijde hals.) Als je een warme maaltijd wilde, verwarmde je soep in de bunker, soms kant-en-klare aardappelpuree of de mildere Thaise curry’s die M&S verkocht, maar geen geuriger voedsel, niets dat een nieuwsgierig dier naar de open plek zou kunnen lokken. ‘Bij elke hond’, luidde een andere regel van Van Allen, ‘hoort een baasje. En Fido kan gevaarlijker voor je zijn dan de buurtwacht.’ Met vossen was het weer anders. Toen steeds dezelfde vos op de open plek verscheen, wist Van Allen dat dit betekende dat de vlakte grotendeels verlaten was en dat hij kon ontspannen. Hij raakte gesteld op het dier en kocht er soms huisdierenvoer voor.
Hij had zich nooit zo herkend in het sombere beeld dat door sommige liefdadigheidsinstellingen werd geschetst. Hij was dakloos, maar hij had een reispas, een fiets die bij het ziekenhuis op slot stond, een bankrekening. De bunker voorzag in andere aspecten van een normaal, alledaags leven: het veldbed, planken voor spullen, een plek om hardop naar de radio te luisteren, een plek om zijn hoofd te scheren. Toen ik voor het eerst hoorde dat Van Allen een bunker had gebouwd onder een park dat jaarlijks door zo’n 9 miljoen mensen wordt bezocht, vroeg ik me af waarom hij een plek zo dicht bij de bewoonde wereld had gekozen, op een paar passen van de weg en de huizen. Was het een provocatie? Een statement? Later, toen alles mis was gegaan, gaf Van Allen een meer prozaïsche reden, een reden die makelaars instinctief zouden begrijpen. Betere infrastructuur.
Jaren geleden wilde Erno Goldfinger een betonnen flat bouwen op dezelfde locatie. De beroemde architect had een enorm, grijs, hoekig gebouw voor ogen, waar sceptische buren uiteindelijk tegen protesteerden. (Degenen die tegen het plan waren, waren onder meer de schrijver Ian Fleming, die toen aan zijn spionageboeken werkte en in een positie was om Goldfingers naam voor altijd te bedoezelen door hem aan een Bond-slechterik te geven.) Later, in 2017, kocht een vrouw een stuk grond dat aan het park grensde en bouwde er een mooi houten huisje op. Opnieuw werd er protest aangetekend en deze keer slaagden de buurtbewoners erin een sloopbevel te regelen. Dat jaar, terwijl Van Allen ondergronds zat, maakten zijn naaste buren reclame voor hun eigen huis. Zes bedden. Vijf verdiepingen. Een dubbele brede garage net boven het struikgewas. ‘Bieden vanaf 9 miljoen pond.’
Van Allen twijfelde er niet aan dat het aanleggen van zijn bunker in strijd was met de parkregels. Hij was zich ervan bewust dat wat hij beschouwde als wildkamperen door anderen vandalisme zou worden genoemd, en hij accepteerde de mogelijkheid van een boete, misschien een kleine aanklacht, als prijs voor een stabiel onderkomen. De bunker was een experiment. Vertoon van lef. Tegen de tijd dat de sneeuw in december 2017 viel, woonde hij er al langer dan hij ooit had verwacht.
Van Allen: ‘[We nodigden] af en toe een paar andere daklozen uit, maar echt niet vaak … Eens in de paar maanden … Mensen die we ontmoetten die een beetje in de problemen waren… mensen die de lul waren.’
Commando terrorismebestrijding: ‘En waarom …?’
Van Allen: ‘Omdat je ze ziet zitten op een bankje. En ze zien er verloren uit. Het is 10 uur ’s avond en ze hebben geen plek om te verblijven… [We] [bieden ze] een sigaret aan en zeggen: “Hé, we zitten daar, vriend.”’
Hij was een bekende geworden van de parkwachters, ze groetten elkaar hartelijk. Van Allen noemde ze ‘Parky’ – allemaal. Hij vroeg zich af hoe achterdochtig Parky was geworden. ‘Ik was er altijd op verdachte tijden,’ zei hij later tegen de autoriteiten. ‘Zonder een hond om uit te laten.’ De parkwachters wisten het en wisten het niet. Lange tijd werden wildslapers in het park gewoon weggejaagd, liefst over de gemeentegrenzen heen, zodat ze het probleem van iemand anders werden. Meer recent, vertelt een boswachter me, was er een beleid van ‘vriendelijk beheer’ aangenomen. Deze methode betekende geduld, wachten op het juiste moment om een proactief duwtje in de rug te geven, zodat de dakloze die ze in het vizier hadden zelf hulp zou zoeken.
Vaak wachtten de parkwachters tot de winter om dit te doen, als er minder begroeiing was en de tenten makkelijker te ontdekken waren. De winter was ook een periode om zwerfafval op te ruimen en andere verrassende achtergebleven items – buggy’s, winkelwagens, oude wapens, lege flessen champagne. In de loop der jaren hadden ze lichamen ontdekt in het park, slachtoffers van moord en zelfmoord. Toch kwam het als een verrassing, vertelt een parkwachter me, toen ze een plek tegenkwamen waar stoom opsteeg uit wat solide grond had moeten zijn.
Thuis kan een simpele kwestie van afbakening zijn. Dat alles voor jullie allemaal! Dit kleine beetje voor mij
Op de sneeuw volgde dagenlang zware regen. Van Allen werd door vocht uit de bunker verdreven en verbleef enige tijd in een opvangcentrum in de buurt van Bloomsbury, tot het weer droog zou zijn. Bij zijn terugkeer, op een nacht, klom hij door de braamstruik en zag dat er een geplastificeerd briefje bij het luik was achtergelaten. De parkwachters hadden hun moment gekozen. In het briefje werd hij aangemoedigd om het park te verlaten en de gemeente of een woningbouwvereniging te benaderen voor hulp bij huisvesting. Toen hij het las, dacht Van Allen wrang: ‘Ja. Dat zal vast helpen.’
Hij vond een aantal bezittingen terug en verplaatste deze naar de containers die vlak bij nog onverstoord onder het struikgewas zaten ingegraven. Hij zou het veldbed moeten achterlaten; dat was vervelend. Maar verder was Van Allen niet sentimenteel en hij verliet de bunker zonder nog eens om te kijken. Dagen later brak een minigraafmachine de plek open. Met het dak eraf, vertelt een parkwachter me, was het alsof je neerkeek op de fundamenten van iemands huis.
Vier muren. Een dak. Een deur in een gemeenschappelijke gang of een hek met een degelijke grendel aan het einde van een oprit – of dus een luik in de modder. Dit zijn de fundamenten van een huis, en ze isoleren en beschutten, ze zorgen voor een beetje privacy en stellen onze lievelingsspullen veilig. Thuis kan een simpele kwestie van afbakening zijn. Dat alles voor jullie allemaal! Dit kleine beetje voor mij. Zonder duidelijke drempel wordt alles gecompliceerd en gecompromitteerd: veiligheid, toevluchtsoord, een gevoel van geworteldheid en controle. Van Allen had lang geleden geleerd dat hij, zonder legale scheidingswanden of grenspalen rond zijn schuilplaatsen, altijd bezittingen kon verliezen waar hij blij mee was of die hij nodig had. Hij had niet verwacht dat hij op een dag zou moeten discussiëren over het bezit van spullen waar hij niets mee te maken wilde hebben.
Als hij het advies in het geplastificeerde briefje had opgevolgd en het park had verlaten, zou dat het einde van deze fase van Van Allens leven kunnen zijn geweest. Hij zou ergens in zijn schaduwstad ronddwalen. Maar hij en Wójcik sloegen hun tenten op in het struikgewas bij hun containers. Van Allen rouwde niet om de verloren bunker, maar werd steeds onvoorzichtiger. Het kamp begon zich uit te breiden. Ze lieten het zwerfafval slingeren (sommige van de weggooi-T-shirts van Van Allen werden later in de braamstruiken gevonden) en namen meer risico’s. Van Allen en Wójcik raakten een weekend in september 2018 overmoedig toen ze probeerden een enorme nieuwe container te begraven zonder de grond eerst met bijtende middelen zachter te maken. Het was geen klus die in één nacht kon worden geklaard, en omdat ze de bak nergens konden verbergen, lieten ze hem halfbegraven liggen, zodat hij gedeeltelijk zichtbaar was vanaf het pad. Een paar nachten later, na zijn gebruikelijke biertje in The Garden Gate, liep Van Allen in het donker de heuvel op en kwam terecht op een plaats delict.
Van Allen: ‘Jullie moeten een hoop spullen van me, [mijn] kleding, in de struiken hebben gevonden?’
Commando voor terrorismebestrijding: ‘Klopt.’
Op de parkeerplaats van het park stonden politiebusjes, en agenten in uniform hadden een lang, slingerend cordon gevormd dat zijn kamp omsingelde. Later zou de politie blauw-gele forensische tenten opzetten en honden, rechercheurs in burgerkleding en rechercheurs in overalls en regenlaarzen binnenbrengen. Van Allen liep naar het cordon en veranderde zijn accent, Hampstead-stijl, om te vragen wat er aan de hand was. Hij zag dat er agenten waren uit naburige stadsdelen, veel meer dan nodig waren om eigenwijze daklozen te vervoeren. ‘Je kunt hier niet doorheen,’ kreeg Van Allen te horen. Hij keerde op zijn schreden terug en stak de donkere vlakte over naar de zwemvijver, waar hij Wójcik op hun gebruikelijke bank aantrof. ‘Wat is er allemaal aan de hand?’ Ze waren het erover eens dat het er niet best uitzag. Ze deelden nog een laatste biertje samen. Van Allen had andere plaatsen waar hij kon slapen. Een met tapijt beklede hoek in een openbaar gebouw, waar een sympathieke conciërge hem liet slapen. De pompruimte van een flat. Terwijl hij tussen deze plaatsen heen en weer ging, bleef hij de hele herfst nadenken over al die ophef op de plaats delict.
Breaking Bad
Van Allen vertelde een vriend, een man genaamd Keong Lim, dat hij er niets van begreep. Al die politie voor een paar begraven afvalcontainers? Zijn schop en afgedankte T-shirts? Lim werkte in de katholieke kerk waar ze het gratis ontbijt serveerden. Hij was gesteld op Van Allen en was hem dankbaar voor het repareren van allerlei dingen in de kerk. Op een dag, herinnert Lim zich, vroeg Van Allen hem te helpen om meer te weten te komen over wat er in het park was gebeurd. Ze zochten het online op en vonden een verhaal in de plaatselijke krant, de Hampstead & Highgate Express, dat was overgenomen en uitgebreid door verslaggevers van The Sun, Mirror en Evening Standard. In Hampstead Heath was een ‘Breaking Bad-achtig provisorisch crystal meth-lab’ ontdekt, lazen ze. ‘Bosrijk gebied … Containers gevonden … Afzettingen aangebracht.’ Van Allen wendde zich tot Lim en zei: ‘Wel verdraaid. Dit gaat over mij.’
Hij vroeg zich af of ze zijn voorraad witte, korrelige bijtende soda hadden gevonden en die voor iets duisters hadden aangezien. Nieuwskanalen vanuit de VS en Australië hadden het verhaal van het methlab in Hampstead gebracht, meestal met een illustratie erbij van de acteur Bryan Cranston als scheikundige alias drugsbaron Walter White. Van Allen had Breaking Bad niet gezien. Hij keek liever naar de zender BBC Parliament en geloofde – met reden – dat het leven raar genoeg was zonder fictie. Maar hij begreep het idee. Hij besloot zich gedeisd te houden.
In februari 2019 nam de politie contact met hem op. Toen de onderzoekers het kamp uitkamden, hadden ze een gewatteerde envelop in het struikgewas gevonden. Die kwam van een bouwbedrijf waar Van Allen soms online bij winkelde. Op de oude envelop stond zowel zijn naam als het adres van een inloophuis dat hij voor post gebruikte. Onderzoekers hadden zijn telefoonnummer getraceerd en nu vertelden ze Van Allen dat ze met hem wilden praten over het provisorische kamp. Oprecht nieuwsgierig vroeg Van Allen: ‘Waarom nu pas?’ Het was inmiddels maanden later. Sindsdien was hij niet meer in het park geweest.
Zonder dat Van Allen het wist was het onderzoek sinds die fantasievolle krantenberichten over een drugslaboratorium veranderd. Bij het opgraven van het kamp had de politie een zelfgemaakt wapen gevonden, een in elkaar geflanst geweer, ongeveer met de grootte en vorm van een fietspomp, dat ondiep was begraven naast een van zijn containers. De zaak was overgedragen aan agenten van het commando terrorismebestrijding. Van Allen kreeg te horen dat hij zelf niet in de problemen zat; maar zou hij willen afspreken om te praten? Hij stelde een McDonald’s voor, niet ver van het park, in de veronderstelling dat de zaak in een kwartiertje zou zijn afgehandeld.
Commando voor terrorismebestrijding: ‘Dus we hebben je vandaag bij McDonald’s ontmoet… En toen je begon te praten over wat je onder de grond verborgen had … besloten we je te arresteren, toch?’
Van Allen: ‘Mm-hm.’
CT: ‘We wilden je gewoon de kans geven om op band met ons over de situatie te praten.’
Van Allen: ‘Mm-hm.’
Hij werd gearresteerd en voor verhoor meegenomen naar het politiebureau van Colindale, waar hij uitvoerig sprak over het kamp in het struikgewas. Weinig onder de indruk van de tekening die een agent had gemaakt van de plek die hij zelf had gecreëerd en met zorg had ingericht (‘Dit is een belabberde schets,’ zei hij tegen de politie), leende Van Allen een potlood en bracht verbeteringen aan. Vragen over het handgemaakte pistool beantwoordde Van Allen met een ‘vierkante ontkenning’, zoals de ondervragers in hun aantekeningen noteerden. Hij zei tegen hen: ‘Ik zit daar al zeven jaar en heb het daar niet geplaatst. Het heeft niets met mij te maken.’ Later kreeg hij te horen dat er enkele sporen van zijn DNA op het wapen waren gevonden. Van Allen kreeg van zijn advocaat het advies om niets meer te zeggen, althans niet op zijn gebruikelijke nonchalante manier. In plaats daarvan kwam hij met een tweede, schriftelijke ontkenning.
Van Allens proces voor het bezit van een vuurwapen vond plaats in de Blackfriars Crown Court in de zomer van 2019. Zijn juridische team vond dat het driedaagse proces al met al redelijk goed was verlopen. De eigen deskundige van de aanklager, een DNA-specialist, had toegegeven dat er geen manier was om te achterhalen of Van Allens DNA zich op het vuurwapen bevond door middel van primaire dan wel secundaire overdracht – dat wil zeggen, of hij het ooit fysiek had aangeraakt. De advocaat van Van Allen had de jury over een andere mogelijke verdachte verteld en stond erop dat ze niet konden uitsluiten dat iemand Van Allens kleding had gebruikt om het wapen af te vegen voordat het werd begraven. Toch besloten de juryleden na de beraadslaging dat hij schuldig was. De rechter veroordeelde Van Allen tot vijf jaar.
Hij werd overgeplaatst van HMP Pentonville naar HMP Thameside, weer zo’n doos van beton. Hij wilde er niks van weten dat zijn nieuwe situatie beter zou zijn dan dakloosheid. Vrijheid was vrijheid, waar je ook verbleef.
Droomhuis
Niet lang nadat Van Allen was veroordeeld, liep ik regelmatig de pub The Garden Gate uit, over de weg langs Hampstead Heath, het struikgewas in. Het kostte wat moeite om door de braamstruiken te komen, die bezaaid waren met blikjes en hondenballen, maar uiteindelijk lukte het: een gebleekte open plek in het kreupelhout was alles wat er over was van zijn oude bungalow. De parkwachters hadden stapels takken neergelegd om de gaten van de containers te bedekken. Eén keer scharrelde er een rat ter grootte van een hardloopschoen over de open plek. Muggen zoemden in de rondte, gestoord door mijn aanwezigheid. Ik had sterk het gevoel dat ik een indringer was. Achteraf vertelde een parkwachter dat sinds Van Allen vertrokken was, een andere dakloze de plek had ingepikt. De parkwachter had rode wangen nadat hij de hele ochtend bezig was geweest met het wegkappen van de braamstruiken die over het pad kropen. Hij legde uit hoe snel de braam groeide en hoe heftig hij zich verzette tegen een snoeibeurt – alsof, dacht ik, de grond onder ons ook een opstandige geest had en zich niet liet vertellen waar hij voor diende.
In de gevangenis had Van Allen een nieuwe advocaat gekregen en werkte hij toe naar een hoger beroep. Degenen die met hem spraken, zeiden dat hij een opgeruimd humeur had. Zijn gevoel voor humor, zwart als een nachtje in een bunker, was een zegen. Als onderdeel van zijn herintegratie werd hij gevraagd deel te nemen aan een zelfverbeteringscursus, waarin onder andere werd ingegaan op zijn huisvestingsbehoeften. Had hij er na zijn vrijlating over gedacht om een aanvraag in te dienen bij een woningcorporatie? Van Allen zag er de lol wel van in.
Ook tijdens zijn proces was er ruimte voor lol. Verdachten, politie, advocaten, leden van de jury – allemaal grinnikten ze samen om Van Allens verwoordingen terwijl hij werd ondervraagd. Op een gegeven moment had hij weemoedig over de oude bunker gesproken: ‘Mijn absolute droomhuis’ noemde Van Allen die. ‘Gewoon de ideale plek. Je had het treinstation, je had een café, je had een Starbucks, je had het ziekenhuis, je had bus 168, de 24, de 46… Je kon niet naar binnen kijken vanaf het pad. Het was verdomme briljant.’
Uit ons archief: VN-rapporteur Philip Alston wil weten waarom 41 miljoen Amerikanen in armoede leven. The Guardian vergezelde hem twee weken lang tijdens een speciale missie naar het donkere hart van het rijkste land ter wereld.
Dit stuk verscheen eerder op 12 januari 2018, in #132
‘Je moet een keuze maken, man. Je kunt rechtdoor, naar de hemel. Of je kunt rechtsaf slaan en dáár eindigen.’ We zijn in Los Angeles, in het hart van een van de rijkste steden van Amerika, en de geheel in het zwart gestoken General Dogon is onze gids. Naast hem kuiert een andere lange man, met grijs haar en keurig gekleed in spijkerbroek en colbertje. Professor Philip Alston is een Australische academicus met een officiële titel: speciale VN-rapporteur op het gebied van extreme armoede en mensenrechten. General Dogon, zelf een oudgediende van deze straten in de wijk Skid Row, stapt zonder commentaar over een dode rat heen en omzeilt een lichaam dat in een versleten oranje deken gewikkeld op het trottoir ligt.
De twee mannen passeren het ene na het andere blok van sjofele tenten en geïmproviseerde optrekjes van zeildoek. Ervoor zitten of slapen mannen en vrouwen, soms in groepjes maar meestal alleen, als figuranten in een goedkope griezelfilm.
We komen op een kruispunt, waar General Dogon stopt en zijn gast voor de eerdergenoemde keuze stelt. Hij wijst recht vooruit naar het eind van de straat, waar de glinsterende wolkenkrabbers van het centrum van LA als een belofte van goddelijke rijkdom ten hemel rijzen. Dan draait hij naar rechts, waarbij de Black Power-tatoeage in zijn nek zichtbaar wordt, en leidt onze blik weer naar Skid Row, vijftig blokken van opeengepakte menselijke vernedering. Een nachtmerrie in het volle zicht, in de stad van de dromen.
Zo begint een reis van twee weken naar de schaduwkant van de Amerikaanse Droom. De belangstelling van de VN-rapporteur, die overal ter wereld een onafhankelijk oordeel velt over de mensenrechtensituatie, gaat ditmaal uit naar de VS en bereikt een hoogtepunt met de presentatie van zijn eerste bevindingen in Washington. Zijn feitenonderzoek naar het rijkste land dat de wereld ooit heeft gekend heeft hem naar de kern van de tragedie geleid: de 41 miljoen mensen die officieel in armoede leven. Negen miljoen daarvan hebben geen enkel inkomen – ze ontvangen geen cent overheidssteun.
Alstons epische reis heeft hem van kust naar kust gevoerd, van armoede naar armoede. Hij begon in LA en San Francisco, reisde door de koloniale schandvlek Puerto Rico en daarna terug naar de zwaar beproefde kolenstreek van West Virginia, en overal zag hij met eigen ogen de funeste uitwerking van Amerika’s vertrouwen in het vrije ondernemerschap, waarbij publieke hulp uit den boze is.
The Guardian kon de VN-gezant door het hele land volgen, woonde zijn belangrijkste bezoeken bij en was getuige van de extreme armoede waar hij persoonlijk kennis van nam. Zie het als een koekje van eigen deeg. Om met de VN-rapporteur zelf te spreken: ‘Washington wil maar al te graag dat ik de armoede en de slechte mensenrechtensituatie in andere landen aan de kaak stel. Ditmaal ben ik in de VS.’
‘Hier beneden is niks. Je ziet de tenten rug aan rug staan, de mensen kunnen nergens heen’
De reis vindt plaats op een kritiek moment voor Amerika en de rest van de wereld. Hij begint op de dag dat de Republikeinen in de Amerikaanse Senaat voor drastische belastingverlagingen stemmen die de superrijken in de kaart zullen spelen, terwijl veel lage-inkomensgezinnen zich met hogere belastingen geconfronteerd zullen zien. Door de veranderingen zal de inkomensongelijkheid toenemen, die met drie mannen – Bill Gates, Jeff Bezos en Warren Buffet – die samen evenveel bezitten als de helft van het hele Amerikaanse volk, toch al extremer is dan in enig ander geïndustrialiseerd land.
Een paar dagen na het begin van het VN-bezoek doen de Republikeinse leiders er nog een reusachtige schep bovenop. Ze kondigen een verdere aanslag aan op de sociale voorzieningen van een toch al tot op de draad versleten verzorgingsstaat.
‘Kijk omhoog! Kijk naar die banken, die hijskranen, die luxeflats die verrijzen!’ roept General Dogon, die vroeger dakloos was in Skid Row en zich nu inzet voor het buurtactiecentrum LACAN. ‘Hier beneden is niks. Je ziet de tenten rug aan rug staan, de mensen kunnen nergens heen.’
Californië is een goed startpunt voor het VN-bezoek. De staat belichaamt zowel de onmetelijke rijkdom die de 0,001 procent aan de techboom heeft overgehouden als de gestegen huizenprijzen die daar het gevolg van zijn en waardoor het aantal daklozen de pan uit rijst. Los Angeles, de stad met veruit de grootste daklozenpopulatie van de VS, worstelt met het aantal crisisgevallen, dat het afgelopen jaar met 25 procent gestegen is tot 55.000.
Ressy Finley (41) is druk doende met het ontsmetten van de witte emmer die ze als toilet gebruikt in haar tent waar ze nu al meer dan tien jaar af en aan woont. Ze houdt haar woonruimte – een hoop versleten matrassen en dekens en een paar andere bijeengeraapte bezittingen – zo schoon mogelijk in een verloren strijd tegen ratten en kakkerlakken. Ook kampt ze met bedwantsen, waar de rode plekken op haar schouder van getuigen. Ze heeft geen officieel inkomen, en wat ze verdient met het inzamelen van flessen en blikjes is bij lange na niet voldoende om zich de gemiddelde huur van 1400 dollar per maand voor een minuscuul eenkamerwoninkje te kunnen veroorloven. Een vriend brengt haar om de paar dagen eten; de rest van de tijd is ze aangewezen op voedselbanken in de buurt.
‘Ik weet dat ik het ga maken’
Ze huilt tot twee keer toe tijdens ons korte gesprek, eenmaal wanneer ze vertelt hoe haar baby door welzijnswerkers uit haar armen werd getrokken vanwege haar drugsgebruik (hij is nu veertien, ze heeft hem nooit meer gezien). De tweede keer is als ze zinspeelt op het seksueel misbruik dat haar als kind op het pad van drugs en dakloosheid bracht.
Bij dat alles is het opmerkelijk hoe positief Finley blijft. Wat vindt ze van de Amerikaanse Droom, het idee dat iedereen het kan maken als hij maar hard genoeg zijn best doet? Ze geeft onmiddellijk antwoord: ‘Ik weet dat ik het ga maken.’
Een vrouw van 41 die op het trottoir in Skid Row woont en het gaat maken? ‘Tuurlijk, zolang ik er maar in blijf geloven.’
Het stukje trottoir naast Finley wordt bezet door Robert Chambers. Hij heeft van houten pallets een gebied rond zijn tent gemaakt dat in Skid Row doorgaat voor een tuintje. Hij heeft een bord neergezet waarop ‘Dakloze Schrijverscoalitie’ staat, de naam van een groep daklozen die hij leidt om ze hun waardigheid te laten behouden tegenover wat hij de ‘animalistische’ aspecten van hun leven noemt. Hij doelt vooral op het gebrek aan openbare toiletten dat mensen dwingt hun behoefte op straat te doen.
Het stadsbestuur van LA heeft meer beschikbare toiletten beloofd – wat hoognodig is, gezien de uitbraak van hepatitis A die zich vanuit San Diego langs de westkust verspreidt en al 21 mensen het leven heeft gekost, voornamelijk als gevolg van het gebrek aan sanitaire voorzieningen in daklozenkampen. ’s Nachts worden de parken met openbare toiletten gesloten om daklozen te weren.
Skid Row telt ’s nachts negen toiletten voor 1800 mensen die op straat leven. Dat is beduidend minder dan de VN voorschrijft voor de kampen voor Syrische vluchtelingen. ‘Het is gewoon onmenselijk, en uiteindelijk zul je er een animalistische levensinstelling aan overhouden,’ zegt Chambers. Hij leeft al bijna een jaar op straat, omdat hij wegens drugsbezit de voorwaarden van zijn voorwaardelijke vrijlating heeft geschonden en uit zijn goedkope appartement is gezet. Hij is niet meer te helpen, zegt hij, van ‘het maken’ is geen sprake meer. ‘Het veiligheidsnet? Daar zitten voor mij te veel gaten in.
Van alle mensen die het pad van de VN-rapporteur kruisen, is Chambers het negatiefst over de Amerikaanse Droom
Van alle mensen die het pad van de VN-rapporteur kruisen, is Chambers het negatiefst over de Amerikaanse Droom. ‘Mensen realiseren zich niet dat het nooit beter wordt; mensen zoals wij kunnen er nooit bovenop komen. Ik ben 67, ik heb een hartkwaal, ik zou hier niet buiten moeten wonen. Ik zal het misschien niet lang meer maken.’
Dat is een heleboel ellende om op één dag te verstouwen, en zelfs een doorgewinterde armoede-expert als Alston is erdoor van zijn stuk gebracht. Als speciale VN-rapporteur heeft hij eerder verslag uitgebracht over de erbarmelijke leefomstandigheden in onder andere Saoedi-Arabië en China. Maar Skid Row? ‘Ik was behoorlijk gedeprimeerd,’ vertelt hij The Guardian later. ‘Die eindeloze stroom gruwelverhalen. Op een bepaald moment ga je je afvragen of iemand er wel iets aan kan doen, laat staan ik.’
Dan neemt hij het vliegtuig naar San Francisco, naar de wijk Tenderloin, waar het wemelt van de daklozen, en loopt de St. Boniface-kerk binnen. Wat hij daar ziet is balsem voor zijn ziel.
San Francisco, Californië
Zo’n zeventig daklozen liggen rustig te slapen op banken achter in de kerk, zoals hun op weekdagen elke ochtend is toegestaan, terwijl voor in de kerk de gelovigen eensgezind bidden. De kerk vangt hen op vanuit de katholieke gedachte dat iedereen een helpende hand verdient.
‘Ik vond die kerk heel erg opbeurend,’ zegt Alston. ‘Het was zo’n simpel schouwspel en zo’n voor de hand liggend idee. Ik dacht: als het christendom hier niet over gaat, waarover dan in hemelsnaam wel?’
Het is een zeldzame druppel altruïsme aan de westkust, die het moet opnemen tegen een zee van vijandigheid. Californische steden hebben de afgelopen jaren meer dan vijfhonderd antidaklozenwetten aangenomen. En Ben Carson, de neurochirurg die door Donald Trump tot minister van Huisvesting is benoemd, decimeert het nationale budget voor betaalbare woningen.
Het meest veelzeggende detail is misschien nog wel dat behalve St. Boniface en haar zusterkerk geen enkel gebedshuis in San Francisco daklozen opvangt. Sterker nog, vele hebben, zelfs in dit seizoen van naastenliefde, hun deuren voor iedereen gesloten om de daklozen maar buiten te houden. Zoals Tiny Gray-Garcia, die zelf op straat leeft, aan Alston vertelt, hebben zij en haar lotgenoten elke dag te maken met wat ze ‘het geweld van het wegkijken’ noemt.
Die wrede trek is al sinds de stichting van het land een kenmerk van het Amerikaanse leven. Het afwerpen van het juk van een al te bemoeizuchtige overheid (de Britse monarchie) werd in de ogen van veel Amerikanen synoniem met het individualistische idee dat je het zelf moet maken – een idee dat prima is voor degenen die zo gelukkig zijn dat ze dat kunnen, maar minder voor degenen die aan de verkeerde kant van de spoorlijn zijn geboren.
De New Deal van Franklin Roosevelt en de Great Society van Lyndon Johnson waren strijdig met dit idee en gingen ervan uit dat een samenleving zichzelf moet beschermen tegen de grillen van honger en werkloosheid. Maar de laatste tijd waait de wind sterk in de richting van ‘zoek het zelf maar uit’. Die trend werd in de jaren tachtig gezet door de belastingverlagingen van Ronald Reagan, gevolgd door Bill Clinton die in 1996 besloot de bijstand voor gezinnen met lage inkomens te schrappen, een maatregel waaronder nog steeds miljoenen Amerikanen gebukt gaan.
Als gevolg van deze opeenstapeling van aanvallen op de verzorgingsstaat genieten gezinnen die moeite hebben om rond te komen, onder wie de vijftien miljoen kinderen die officieel in armoede leven, beduidend minder steun dan in enige andere geïndustrialiseerde economie. En nu worden ze misschien wel met de allergrootste dreiging geconfronteerd. Zoals Alston zelf schreef in een essay over het populisme van Trump en de agressieve uitdaging die dat voor de mensenrechten betekent: ‘Dit zijn bijzonder gevaarlijke tijden. Bijna alles lijkt mogelijk.
Lowndes County, Alabama
Trumps ondermijning van de mensenrechten, gevoegd bij het Republikeinse dreigement om volgend jaar nog verder in de sociale uitkeringen te snoeien en daarmee een deel van de belastingverlagingen te compenseren die nu door het Congres worden gejaagd, zal Afro-Amerikanen disproportioneel hard treffen. Zwarte mensen vormen 13 procent van de Amerikaanse bevolking, maar 23 procent van de mensen die onder de armoedegrens leven is zwart, evenals 39 procent van de daklozen.
Het raciale element van Amerika’s armoedecrisis is nergens zo zichtbaar als in het diepe zuiden, waar de open wonden van de slavernij nog altijd bloeden. De volgende halte van de speciale VN-rapporteur is de ‘Black Belt’, een term die oorspronkelijk naar de rijke donkere grond verwees die in een strook door Alabama loopt, maar die mettertijd gebruikt ging worden voor de Afro-Amerikaanse bevolking die daar de meerderheid vormt.
De link tussen bodemsoort en demografie was niet toevallig. De katoen tierde welig op dit vruchtbare land, wat op zijn beurt tot een levendige handel in slaven leidde om die te oogsten. De afstammelingen van de slaven wonen nog altijd in de Black Belt en behoren nog steeds tot de armsten van het land.
Je kunt de geschiedenis van de Amerikaanse schande, van de slavernij tot het heden, in een reeks eenvoudige grafieken weergeven. De eerste toont de katoenvriendelijke bodem van de Black Belt, de tweede de slavenbevolking, gevolgd door het zwarte woongebied en de extreme armoede van vandaag de dag: allemaal vormen ze precies dezelfde halvemaan die door Alabama loopt.
De huidige erbarmelijke situatie van de zwarte gemeenschap van Alabama zou je op vele manieren kunnen analyseren. De grimmigste is misschien wel het feit dat zo veel gezinnen in de Black Belt nog altijd geen toegang hebben tot sanitaire voorzieningen. Duizenden mensen leven nog steeds tussen open riolen die je normaliter met ontwikkelingslanden associeert.
Eerder dit jaar onthulde The Guardian dat deze crisis tot een aanhoudende mijnwormepidemie heeft geleid, veroorzaakt door de gelijknamige intestinale parasiet die zich via menselijke ontlasting verspreidt. Deze komt voor in Afrika en Zuid-Azië, maar werd in de VS al jaren geleden als uitgeroeid beschouwd. Maar in de thuisstaat van Trumps minister van Justitie Jeff Sessions doet de worm zich nog altijd tegoed aan het bloed van arme mensen – een ziekte van ontwikkelingslanden die gedijt in het rijkste land ter wereld.
Het openrioolprobleem is vooral nijpend in Lowndes County, een overwegend zwart district dat het epicentrum was van de burgerrechtenbeweging en vanwaaruit Martin Luther King in 1965 zijn mars van Selma naar Montgomery ondernam om voor algemeen kiesrecht te demonstreren. Ondanks de trotse geschiedenis schat Catherine Flowers dat 70 procent van de huishoudens in het gebied zijn uitwerpselen ofwel rechtstreeks op open terrein deponeert, ofwel in gebrekkige septic tanks die niet bestand zijn tegen zware regen. Toen haar organisatie, het Alabama Center for Rural Entreprise (Acre), er bij de plaatselijke overheid op aandrong daar iets aan te doen, investeerde deze 6 miljoen dollar in de uitbreiding van afvalverwerkingssystemen naar voornamelijk witte bedrijven, terwijl zwarte huishoudens in overgrote meerderheid werden overgeslagen. ‘Dat is een schrijnend voorbeeld van onrechtvaardigheid,’ zegt Flowers. ‘Mensen die zich geen eigen systeem kunnen veroorloven, moeten het zelf maar rooien, terwijl bedrijven die er wel het geld voor hebben van openbare diensten profiteren.’
Walter, een inwoner van Lowndes County die zijn achternaam liever geheimhoudt uit vrees dat zijn watertoevoer wordt afgesneden omdat hij zijn mond heeft opengedaan, leeft met de dagelijkse gevolgen van deze vorm van publieke veronachtzaming. ‘Als het flink hard regent, komt het zo je huis binnen.’ Dat is een beleefde manier om te zeggen dat het rioolwater zijn gootsteen, wastafel en badkuip in gorgelt en een misselijkmakende zoete stank in het huis verspreidt. Wat vindt hij onder deze omstandigheden van de ideologie dat iedereen het kan maken als hij zijn best maar doet? ‘Als ze de kans kregen, zou dat ze waarschijnlijk wel lukken,’ zegt Walter. Hij pauzeert en voegt er dan aan toe: ‘Maar mensen krijgen de kans niet.’
Zouden zijn rioolproblemen inmiddels wel zijn opgelost als hij wit was geweest? Na weer een pauze zegt hij: ‘Niet om racistisch te zijn, maar ja, ik denk van wel’
Zouden zijn rioolproblemen inmiddels wel zijn opgelost als hij wit was geweest? Na weer een pauze zegt hij: ‘Niet om racistisch te zijn, maar ja, ik denk van wel.’
Aan de achterkant van Walters huis komt de ware onrechtvaardigheid van de situatie aan het licht. Overal door de tuin lopen smalle geulen vanaf naburige huizen waar donkere vloeistof doorheen stroomt. De geulen komen samen in stroperige poelen die recht onder de stacaravan zijn gelegen waarin Walters zoon, schoondochter en zestienjarige kleindochter wonen. Het is het ultieme beeld van het lot van Alabama’s verarmde zwarte gemeenschap. Als Amerikaanse staatsburgers hebben ze evenveel recht op leven, vrijheid en het streven naar geluk. Alleen worden ze omringd door poelen met uitwerpselen.
Onlangs sloeg de Black Belt terug. Toen werd er een nieuwe versie van die eenvoudige grafiek toegevoegd, waarop precies dezelfde halvemaan te zien is die door Alabama loopt, alleen was die dit keer niet zwart maar blauw. Die blauwe halvemaan staat voor het leger van Afro-Amerikaanse stemmers dat tegen alle verwachtingen in Doug Jones naar de Amerikaanse Senaat stuurde, de eerste Democraat uit Alabama sinds een hele generatie. Dat betekende een flinke bloedneus voor zijn tegenstander, de van kindermisbruik beschuldigde Roy Moore, en voor Steve Bannon en Donald Trump, van wie hij de marionet is. Dit kan met recht het belangrijkste vertoon van zwarte politieke spierkracht worden genoemd sinds de mars van King in 1965. Waar de eerdere grafieken voor ‘bodem’, ‘slavernij’ en ‘armoede’ stonden, zou bij deze grafiek het onderschrift ‘mondigheid’ moeten staan.
Guayama, Puerto Rico
Dus hoe ziet Alston de rol van VN-rapporteur en zijn bezoek? Zijn volledige rapport over de VS zal in mei verschijnen en aan de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties in Genève worden gepresenteerd. Niemand verwacht er veel van: de raad heeft niet genoeg macht om goed gedrag af te dwingen van recalcitrante regeringen. Maar Alston hoopt dat zijn bezoek de VS zo veel schaamte zal bezorgen dat men nog eens gaat nadenken over de eigen waarden. ‘Het is mijn rol om regeringen ter verantwoording te roepen,’ zegt hij. ‘Als de Amerikaanse regering niet over het recht op huisvesting, gezondheidszorg of voedsel wil praten, dan zijn er nog altijd basale normen voor mensenrechten waaraan moet worden voldaan. Het is mijn taak om daarop te wijzen.’
In zijn eerdere onderzoek naar extreme armoede in landen als Mauritanië wond Alston er geen doekjes om. We mogen dezelfde onzachtzinnige liefde verwachten bij zijn analyse van Puerto Rico, de volgende halte tijdens zijn reis naar de donkere kant van Amerika.
Drie maanden na Maria is de verwoesting die de orkaan op het eiland heeft aangericht genoegzaam bekend. Van zeventigduizend huizen is niets meer over, de industrie is tot stilstand gekomen en de algehele stroomstoring leidt nog steeds tot plunderingen. Maar het treurige lot van Puerto Rico dateert al van ver vóór Maria en is geworteld in de onverschilligheid waarmee het eiland is bejegend sinds het in 1898 als oorlogsbuit in bezit werd genomen.
Bijna de helft van de Amerikanen heeft geen idee dat de drieënhalf miljoen Puerto Ricanen Amerikaanse staatsburgers zijn – des te kwalijker gezien het feit dat het eiland geen eigen vertegenwoordiging in het Congres heeft, terwijl zijn fiscale beleid wordt gedicteerd door een raad van toezicht die door Washington is aangesteld. Hoe zat het ook alweer met dat afwerpen van het juk van een al te bemoeizuchtige overheid?
Evenmin zijn de meeste mensen zich ervan bewust dat het aantal armen op het eiland (44 procent) ruim twee keer zo groot is als dat in de minst welvarende Amerikaanse staten, inclusief Alabama (19 procent). En dat was nog vóór de orkaan, die volgens sommige schattingen het armoedepercentage heeft opgedreven tot 60 procent. ‘Puerto Rico wordt geregeerd door de Verenigde Staten, maar we worden nooit geraadpleegd,’ zegt Ruth Santiago, die als advocaat gespecialiseerd is in gemeenschapsrecht. ‘We hebben geen enkele invloed, we zijn gewoon hun speelbal.’
De VN-rapporteur krijgt een idee van wat het betekent de speelbal van de VS te zijn wanneer hij naar Guayama reist, een stad van 42.000 inwoners in het zuiden, vlak bij de plek waar Maria aan land kwam. Verwoesting alom: gehavende huizen, ontbrekende daken, onheilspellend doorzakkende elektriciteitsleidingen. Boven de stad torent dreigend een kolencentrale uit die is gebouwd door de Puerto Ricaanse tak van AES Corporation, een multinational die zijn hoofdkwartier in Virginia heeft. De schoorsteen van de centrale domineert de horizon, evenals een enorme berg as van de verbrande kolen die oprijst als een reusachtig zandkasteel van ruim twintig meter hoog. De berg is blootgesteld aan de elementen, en de plaatselijke bevolking klaagt dat het gif ervan de zee in lekt en dat de vissers door kwikvergiftiging het brood uit de mond wordt gestoten. Ook is men bang dat het stof dat de berg verspreidt gezondheidsproblemen veroorzaakt, een zorg die wordt gedeeld door plaatselijke artsen die de VN-rapporteur vertellen dat ze veel patiënten hebben met ademhalingsaandoeningen en kanker. ‘De bladeren van mijn mangoboom gaan ervan dood,’ zegt Flora Picar Cruz (82). Ze ligt rond het middaguur in bed en ademt moeizaam door een zuurstofmasker.
Onderzoek van de asberg wijst op gevaarlijke hoeveelheden giftige stoffen zoals arsenicum, broom, chloride en chroom. Desondanks is de regering-Trump bezig het relatief lakse toezicht op de schadelijke emissies ervan nog verder te versoepelen. AES Puerto Rico verzekerde The Guardian dat er geen reden tot zorg is, omdat de centrale een van de schoonste van de VS zou zijn, die met opzet zo is gebouwd dat er geen schadelijke stoffen in de lucht of de zee terecht kunnen komen. Maar daar denken de mensen in Guayama wel anders over. Zij vrezen dat de Amerikaanse kolonisten hen nog meer aan hun lot zullen overlaten dan ze nu al ruim een eeuw lang doen.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat zo veel Puerto Ricanen stemmen met hun voeten; na de orkaan hebben bijna tweehonderdduizend van hen hun koffers gepakt en zijn naar Florida, New York of Pennsylvania vertrokken, waar inmiddels al meer dan vijf miljoen Puerto Ricanen wonen. Dat geeft de Amerikaanse Droom een geheel nieuwe betekenis: iedereen kan het maken, zolang hij zijn familie, zijn huis en zijn cultuur maar in de steek laat en koers zet naar een vreemd en ongastvrij land.
Charleston, West Virginia
‘Jullie zijn kanjers! Al die jaren dat jullie schandalig zijn behandeld gaan we goedmaken, oké? Honderd procent zeker!’ Donald Trumps belofte aan de witte stemmers van West Virginia werd gedaan in mei 2016, op het moment dat hij de Republikeinse nominatie voor de presidentsverkiezingen binnenhaalde. Zes maanden later beloonde zijn achterban in de staat hem royaal met een verpletterende overwinning.
Als je bedenkt dat hij hun gouden bergen beloofde, is het niet zo verwonderlijk dat witte gezinnen in West Virginia positief reageerden op het charmeoffensief van Trump: ‘We gaan zorgen dat de mijnwerkers weer aan het werk komen!’ Getalsmatig is de meerderheid van alle Amerikanen die in armoede leven – 27 miljoen mensen – wit.
Met name in West Virginia hebben witte gezinnen veel om verbitterd over te zijn. De mechanisering en het sluiten van kolenmijnen hebben tot grote werkloosheid en stagnerende lonen geleid. De overheveling van banen in de kolen- en staalsector naar supermarktketen Walmart heeft ertoe geleid dat de gemiddelde werknemer tegenwoordig 3,5 dollar per uur minder verdient dan in 1979. Wat wel verwonderlijk is, is dat zo veel trotse werkende mensen hun dromen aan een (veronderstelde) miljardair hebben toevertrouwd die zijn onroerendgoedimperium heeft gebouwd op wat zijn vader hem heeft toegestopt.
Voordat hij presidentskandidaat was, toonde Trump maar weinig belangstelling voor de problemen van gezinnen met lage inkomens, wit of anderszins. Nu hij bijna een jaar in het Oval Office zit, zijn er ook weinig tekenen dat hij zich aan zijn campagnebeloftes houdt. Integendeel. Als de VN-rapporteur als laatste halte tijdens zijn rondreis Charleston, West Virginia, aandoet, wordt hij overspoeld door bewijs dat de president juist de mensen die hem hebben gekozen het mes op de keel zet.
Met name in West Virginia hebben witte gezinnen veel om verbitterd over te zijn
Diezelfde dag presenteren de Republikeinen in de Senaat en het Congres gezamenlijk hun plannen voor belastingverlaging, waarover de week erna zal worden gestemd. Veel mensen in West Virginia zullen voor zoete koek slikken dat deze veranderingen bedoeld zijn om hen te helpen, omdat aanvankelijk iedereen in de staat minder belasting zal gaan betalen. Maar in 2027, als het begrotingstekort moet worden aangezuiverd, zal de onderste 80 procent van de bevolking méér betalen, terwijl de bovenste 1 procent een meevaller behoudt van 21.000 dollar. ‘Het beleid van Trump zal de ongelijkheid doen toenemen, loonstijgingen blokkeren en het moeilijker maken voor gezinnen met lage inkomens om hulp te zoeken,’ zegt Ted Boettner, lid van de raad van bestuur van het niet-partijgebonden West Virginia Center on Budget and Policy.
Als de riolering het aanhoudende probleem is waarmee de Black Belt kampt, dan is een mond vol rottende tanden en kiezen dat van West Virginia. Artsen van Health Right, een medisch vrijwilligerscentrum in Charleston dat 21.000 werknemers met lage inkomens gratis behandelt, toont de VN-rapporteur een foto van een van hun patiënten. De man is pas 32, maar zodra hij zijn mond opendoet wordt hij een heks uit Macbeth. Zijn paar resterende rotte tanden en kiezen en groenblauwe tandvlees zien eruit als etterende brij in een kokende ketel.
Medicaid [een hulpverleningsprogramma voor mensen met lage inkomens] dekt geen tandheelkundige behandeling van volwassenen, tenzij er sprake is van een noodgeval, en dus doen de mensen wat het meest voor de hand ligt: ze wachten tot hun abcessen knappen, zodat ze naar de spoedeisende hulp moeten. Een vrouw die onlangs de mobiele tandartskliniek van het centrum bezocht, had alleen nog dertig wortels in haar mond, die allemaal behandeld moesten worden.
Ook tijdens zijn andere ontmoetingen krijgt Alston een beeld van de manier waarop het leven van gezinnen met lage inkomens in West Virginia onder druk staat. Waar Lyndon Johnson de armoede de oorlog verklaarde, voert Trump oorlog tegen de armen. Mensen gaan jarenlang de gevangenis in omdat ze, in afwachting van hun proces, de borgtocht niet kunnen betalen; er worden privédetectives ingehuurd om mensen te bespioneren die aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering; zware minimumstraffen wegens drugsbezit zijn weer in de mode; Jeff Sessions schrapt federale reclasseringsprogramma’s voor ex-gedetineerden; huurders van gesubsidieerde huizen leven in voortdurende vrees dat ze uit hun huis zullen worden gezet na de geringste overtreding. En ga zo maar door.
En het resultaat van deze meedogenloze klappen? ‘Mensen raken uiteindelijk met elkaar in de clinch,’ zegt Eli Baumwell, beleidsdirecteur van de American Civil Liberties Union (ACLU) in West Virginia. ‘Je raakt zo geobsedeerd door wat jij bezit en wat je buurman bezit, dat je rancuneus wordt. Dat is wat Trump doet, mensen tegen elkaar opzetten.’ En zo stapt Philip Alston voor de laatste keer in het vliegtuig om in Washington een samenvatting te presenteren van de kwellingen die het Amerikaanse volk ondergaat. Op een gegeven moment tijdens de vlucht zegt Alston dat hij een slapeloze nacht heeft gehad door het piekeren over de verloren zielen die we in Skid Row hebben ontmoet. Hij vraagt zich af hoe iemand anders in zijn positie – ‘Ik ben oud, een man, wit, rijk en ik heb een heel goed leven’ – op zo’n dakloze zou reageren. ‘Hij zou naar hem kijken en hem beschouwen als iemand die smerig is, die zich niet wast, die hij niet in zijn buurt wil hebben.’ Dan krijgt Alston een openbaring. ‘Ik besef dat de overheid hen zo ziet. Maar wat ik zie, is een maatschappelijk falen. Ik zie een maatschappij die zoiets laat gebeuren, die niet doet wat ze moet doen. En dat is heel treurig.’
De rondreis van de speciale VN-rapporteur is ten einde.
De Nederlandse fotograaf Désirée van Hoek werkt al sinds 2007 met tussenpozen op Skid Row in Los Angeles. In 2015 verscheen haar boek Skid Row, met een voorwoord van LA Times-verslaggever Gale Holland. Het boek werd in 2016 bekroond als een van de Best Verzorgde boeken van Nederland en Vlaanderen.
China moet de gapende kloof tussen platteland en stad dichten, wil het land werkelijk welvarend worden en niet in een middle-income trap vallen, schrijft correspondent Goh Sui Noi.
Sinds maart zijn de huizen van duizenden boeren in de Chinese provincie Shandong kort na kennisgeving door de overheid gesloopt. De reden: de bewoners krijgen nieuwe, moderne woningen.
Klinkt mooi, maar wie weigerde de sloopovereenkomst te ondertekenen, werd ingerekend. De sloop voltrok zich bovendien nog vóór de verhuizing, de nieuwe woningen waren nog niet af, en mensen moesten in afwachting van de oplevering zelf maar tijdelijke woonruimte zien te vinden. Sommige ontheemden, die nergens terecht konden, bouwden provisorische onderkomens aan de rand van hun erf.
De Shandong-affaire is een extreem voorbeeld van de wijze waarop China zijn moderniseringspolitiek van het platteland aanpakt. Onderdeel daarvan is de bouw van nieuwe, grotere gemeenschappen voor boeren, zodat publieke goederen efficiënter kunnen worden geleverd en er tegelijkertijd meer land vrijkomt voor landbouw en ander gebruik. Maar dit beleid kent ook nadelige effecten.
Omdat de vergoeding voor de sloop van hun huis meestal laag is en de nieuwe woningen duur zijn, steken boeren zich vaak diep in de schulden om kleine appartementen te betrekken, waar ze hun landbouwgereedschap niet kwijt kunnen. Sommigen komen zo ver van hun boerderij te wonen dat ze het boeren helemaal eraan moeten geven en gedwongen zijn elders een baan te zoeken. Ouderen worden volledig afhankelijk van hun pensioentje of van het geld dat hun kinderen die in de steden werken overmaken.
De ellende van de boeren in Shandong is kenmerkend voor de problemen op het platteland, die de Chinese overheid al tientallen jaren met weinig succes probeert op te lossen. In de afgelopen zeventien jaar zijn de sannong wenti – de drie plattelandskwesties: landbouwproductie, plattelandsontwikkeling en het boereninkomen – onderwerp geweest van het zogeheten Centraal Document nr. 1. Daarmee is het belang wel aangegeven. Dat plattelandsproblemen al zeventien jaar op rij de topprioriteit van de overheid zijn, toont aan hoe hardnekkig ze zijn en, zo stellen sommigen, hoezeer het regeringsbeleid tekortschiet.
De afgelopen veertig jaar heeft China honderden miljoenen mensen uit de klauwen van de armoede bevrijd, ook boeren. De kloof tussen platteland en stad blijft echter groot. Dit jaar zal de Chinese overheid waarschijnlijk de overwinning uitroepen in haar strijd tegen absolute armoede. Daarnaast zal ze verkondigen dat het doel om een redelijk welvarende samenleving op te bouwen is verwezenlijkt.
Waarnemers vinden echter nog steeds dat China de gapende kloof tussen platteland en stad doeltreffender moet dichten, wil de droom van een verjongd land uitkomen, en wil China niet in de middle-income trap vallen, dat wil zeggen een middeninkomensland blijven in plaats van werkelijk welvarend te worden.
China’s transformatieproces van een geplande naar een markteconomie begon in 1978 op het platteland, toen nooddruftige boeren in een dorp heimelijk hun gezamenlijke landbouwgrond in kaveltjes verdeelden om hun eigen voedsel te kunnen verbouwen. Daarmee was het systeem van ‘huishoudelijke verantwoordelijkheid’ geboren, een hervorming van het platteland die boeren in staat stelde hun eigen lapje grond te bewerken en de producten die ze overhielden op particuliere markten te verkopen, nadat ze aan de overheidsquota hadden voldaan.
De eerste groep Chinezen die ‘rijk’ werden waren boeren in de jaren tachtig. Dankzij de eerste hervormingen nam de armoede op het platteland duidelijk af, al bleven de inkomens er nog steeds lager dan in de steden.
In de jaren negentig kwam er een kentering, toen versnelde economische hervormingen vooral gericht waren op industriële ontwikkeling en ondernemerschap. Stedelijke centra aan de kust vergaarden op die manier rijkdom. Er waren ook wel hervormingen op het platteland, maar die hielden geen gelijke tred met die in de steden. De ontwikkelingskloof leidde tot een grotere welvaartskloof. In 1990 bedroeg het jaarlijks beschikbaar inkomen per hoofd van de stedelijke bevolking iets meer dan het dubbele van het plattelandsinkomen: 1.510 tegen 686 yuan. In 2000 was die factor gestegen tot 2,78 en in 2010 was het stedelijk inkomen 3,23 keer zo hoog als het plattelandsinkomen.
De kloof verkleinde in 2018 tot 2,68, met een stedelijk inkomen van 39.251 yuan tegen een plattelandsinkomen van 14.617 yuan. Maar dit was inclusief het overgemaakte geld door arbeidsmigranten in de steden, dat 90 procent van het totale beschikbare inkomen op het platteland vertegenwoordigde. Geschat wordt dat het inkomen op het platteland sinds 2014 is gedaald, de overmakingen van arbeidsmigranten niet meegerekend.
Collectief bezit
Er zijn tal van redenen te bedenken voor deze kloof: problemen rond landbezit, het hukou-systeem van persoonsregistratie dat de bewegingsvrijheid van plattelanders beperkt en het gebrek aan toegang tot onderwijs, gezondheidszorg, pensioenen en andere sociale voorzieningen, ten opzichte van stadsbewoners.
De vroege Chinese plattelandshervormingen leidden tot het systeem van huishoudelijke verantwoordelijkheid, waarbij vrijwel al het te bebouwen land aan individuele huishoudens werd toegewezen. Al dat land blijft echter collectief bezit: boeren hebben alleen gebruiksrechten. Naarmate de industrialisatie en verstedelijking versnelden en de druk op land toenam, begonnen lokale overheden boeren hun land af te nemen, omdat ze dat wilden herbestemmen voor woningbouw en bedrijven. Deze overheden maakten vervolgens winst uit de verkoop van landgebruiksrechten. Boeren kregen geringe of zelfs helemaal geen financiële compensatie, ontwikkelaars kregen gepeperde rekeningen toegestuurd.
In 2015 waren zo’n 120 miljoen boeren hun land kwijtgeraakt
In 2015 waren zo’n 120 miljoen boeren hun land kwijtgeraakt. Velen trokken noodgedwongen naar de steden om werk te zoeken, al waren er ook veel boeren die hun land niet verloren maar toch voor een leven in de stad kozen.
Ondertussen konden de boeren met hun kleine lapjes grond hun opbrengst en dus hun inkomen moeilijk verhogen. Aan de andere kant lag er veel grond braak: de vroegere gebruikers waren naar de stad getrokken, waar ze laagbetaalde fabrieksarbeiders werden of in de informele sector terechtkwamen. Dit leverde doorgaans nog altijd meer op dan op het platteland blijven ploeteren.
Dankzij veranderingen in de landwetten door de jaren heen konden boeren de grond van hun buren huren om hun boerderij uit te breiden. Ondertussen werd het platteland geconfronteerd met een leegloop van jongeren, waardoor vooral ouderen en jonge kinderen achterbleven.
President Xi Jinping presenteerde in 2017 een plan om plattelandsgebieden nieuw leven in te blazen. Bedoeling was om de komst van grote, efficiëntere, moderne boerenbedrijven te stimuleren. In gebieden waar dergelijke hervormingen zijn doorgevoerd, krijgen boeren aandelen voor hun kavels. Lokale collectieven verhandelen deze grond namens hen.
Boeren met grotere bedrijven hebben echter niet altijd genoeg aan een contract voor een dertigjarig gebruiksrecht op landbouwgrond. Voor perzikboeren zijn bomen bijvoorbeeld een investering die vijftig jaar loopt.
Het valt nog te bezien hoe gunstig de hervormingen zullen uitpakken. Afgezien van de problemen met land heeft het hukou-systeem van persoonsregistratie Chinese boeren ook economisch belemmerd. Dit systeem, dat uiteindelijk verblijfsvergunningen regelt, verdeelt de Chinese bevolking in plattelands- en stadsbewoners; deskundigen zijn van mening dat het de plattelandsbevolking discrimineert.
Het stelsel werd in 1958 ingevoerd om plattelandsbewoners te beletten naar de stad te verhuizen. Dankzij een versoepeling in de jaren tachtig konden boeren in stedelijke centra gaan werken, omdat de vraag naar arbeidskrachten daar toenam.
Zonder permanente verblijfsvergunning kunnen dergelijke arbeidsmigranten echter nauwelijks aanspraak maken op de sociale uitkeringen waar andere stedelingen wel recht op hebben. Daardoor is het voor hen moeilijk en duur om toegang te krijgen tot huisvesting, gezondheidszorg en onderwijs voor hun kinderen. Velen laten hun kinderen daarom achter bij grootouders in de dorpen.
Alle veranderingen door de jaren heen ten spijt, staan arbeidsmigranten nog altijd bloot aan sociale discriminatie.
In 2016 werd een nieuw beleid doorgevoerd om rond dit jaar honderd miljoen arbeidsmigranten een verblijfsvergunning in de stad te verlenen. Doel is de stadsbevolking een impuls te geven en de middenklasse te laten groeien, aangezien China de transitie wil maken van een exportgerichte naar een consumptiegerichte economie. Eerder dit jaar zijn er nog meer hukou-hervormingen beloofd.
Middelbaar onderwijs
Tot nu toe zijn vooral in kleine steden beperkingen opgeheven, in de hoop dat arbeidsmigranten daarnaartoe trekken. Maar veel arbeiders verhuizen liever naar of blijven graag wonen in de grote steden, waar banen zijn, en waar het niveau van voorzieningen als gezondheidszorg en onderwijs hoger is.
Onderwijs is een andere reden waarom plattelandsbewoners het nog altijd slechter hebben dan hun landgenoten in de stad. Volgens de Amerikaanse ontwikkelingseconoom Scott Rozelle van de Stanford-universiteit, die de armoede en ongelijkheid in China onderzoekt, is slecht middelbaar onderwijs een probleem op het platteland: amper de helft van de kinderen gaat naar de middelbare school, tegen 90 procent in grote steden. Nog geen 5 procent van de studenten aan elite-universiteiten komt van het platteland. Ook het leren zelf moet je leren, en die vaardigheid bezitten veel plattelandsjongeren niet, zegt Rozelle. ‘Ze zullen niet kunnen profiteren van de economische kansen die nieuwe technologie in China inmiddels biedt.’
Met name op arbeidsmigranten heeft dit een verwoestend effect, aangezien het aantal beter betaalde banen in de industriële sector afneemt naarmate fabrieken automatiseren of zich in het buitenland vestigen. Zelfs laagbetaalde banen in de dienstensector zijn niet voor hen weggelegd. En wie als professionele boer in een groot landbouwbedrijf wil werken of een eigen bedrijf wil beginnen, heeft eerst toegang tot beter onderwijs nodig om de benodigde vaardigheden op te doen.
De overheid moet de kwaliteit en beschikbaarheid van plattelandsscholen verbeteren en de kinderen die daar wonen aanmoedigen om meer dan de verplichte negen jaar onderwijs te volgen, aldus analisten.
Het volgende vijfjarenplan omvat waarschijnlijk nog meer hervormingen die tot doel hebben het inkomen en de koopkracht van huishoudens op het platteland en van arbeidsmigranten te verhogen.
Volgens een rapport van de bank HSBC over het nieuwe vijfjarenplan wordt de landhervorming versneld om plattelandshuishoudens een groter deel van de winst uit herwaardering van land te gunnen. Dit als onderdeel van het streven om consumptieve bestedingen onder de 551 miljoen Chinezen op het platteland te verhogen.
De verwachting is ook dat de hervorming van het hukou-systeem wordt versneld, om de 290 miljoen arbeidsmigranten toegang te geven tot stedelijke sociale voorzieningen. Dit zal waarschijnlijk leiden tot een vermindering van hun spaargeld uit voorzorg, het ‘appeltje voor de dorst’ dat het dubbele bedraagt van dat van gemiddelde stedelijke huishoudens, en hen aanmoedigen om meer uit te geven.
Het is nog maar de vraag of deze hervormingen, die ook toegang tot beter onderwijs betreffen, ingrijpend genoeg zullen zijn om de welvaartskloof tussen platteland en stad te verkleinen. Net als de boeren die ze wil helpen, moet de overheid eerst zaaien, in de wetenschap dat er bij beleidsplanning, net als in de landbouw, vaak een kloof zit tussen wens en resultaat.
Van Paul McCartney moest hij zijn kop dicht houden en luisteren. De ‘goat’ – greatest of all time – leerde de Britse rapper drie akkoorden, bruikbaar bij elk willekeurig nummer. Fenomenaal. Maar Stormzy heeft veel meer in zijn mars.
De meeste mensen die in Stormzy’s lommerrijke straat wonen, hebben geen idee dat de rapper daar ook een huis heeft. Er staat een hek omheen en hij is nogal op zichzelf. Een van de kamers wordt geheel in beslag genomen door een speciaal voor Stormzy gemaakte pokertafel. En wat nog wel het meest in het oog springt, is de glazen vitrinekast vol prijzen: van de zes Mobo’s tot de prestigieuze Ivor Novello die hij kreeg voor zijn debuutalbum, Gang Signs & Prayer. De twee Brit Awards die hij in februari in ontvangst heeft genomen, waaronder die voor beste mannelijke soloartiest, staan waarschijnlijk ergens anders.
We nemen plaats in de lounge en zijn vriendin Maya Jama, de tv-presentatrice, laat ons alleen. Ik zie pizzadozen en ik hoor piepjes van de magnetron – hier wonen duidelijk jonge mensen. Hij is vijfentwintig, zij vierentwintig. Stormzy’s stem galmt door een kale kamer die nog ingericht moet worden en terwijl hij het geluid van MTV op de reusachtige televisie dimt, zie ik in de gauwigheid een boek over dieren, een boek over Alex Ferguson en de Bijbel.
Stormzy [1993] is een indrukwekkende verschijning, met zijn 1 meter 96. Vandaag draagt hij streetwear, met een petje, dat hij steeds op- en afzet, en een sigaret achter zijn oor. Hij is een geweldenaar die kan terugkijken op een hectisch jaar, dat voor de helft in het teken stond van muziek en voor de helft in het teken van filantropie. Op een bepaald moment vertelt hij heel gedreven over zijn plannen om jonge zwarte Britten te helpen, terwijl op MTV twee danseressen met hun billen schudden, aan weerszijden van zijn hoofd. Het is surrealistisch, en het is de enige keer dat ik even ben afgeleid van ons gesprek.
Want wauw, zodra Stormzy – wiens echte naam Michael Omari luidt – begint te praten, vergeet hij bijna adem te halen. De woorden vliegen je om de oren. Hij is een rapper, dus zo gek is dat natuurlijk ook weer niet. Terwijl zijn zinnen over elkaar buitelen, buigt hij steeds naar voren, is hij met zijn volle aandacht bij het gesprek. Het is intens, als een Mastermind-finale, maar dan eentje waarbij hij zichzelf net zoveel vragen stelt als ik.
We beginnen met een vrolijk onderwerp: Paul McCartney. Afgelopen zomer waren we allebei aanwezig bij een gig van de Beatle in de Abbey Road Studios. ‘Sick,’ zegt hij (voor niet-ingewijden: dat betekent ‘te gek’). Toen ik Paul McCartney een dag na het optreden sprak, zei hij dat hij Stormzy piano had leren spelen. Dus ik vraag de leerling hoe de ontmoeting met de meester hem is bevallen.
OG
‘Ik vond het wel wat, hoor, om advies te krijgen van een van de echt groten – ik kan nog heel wat leren van een OG [original gangster] zoals hij,’ zegt Stormzy. ‘Ik weet heel goed dat je als rapper een bepaald stigma hebt, dus heb ik gezegd dat ik songwriter ben. “Kunt u me iets leren?” Hij liep naar de piano en het enige wat ik dacht was: Kop dicht en luisteren. Wat hij me leerde was fenomenaal. Hij zei: “Gebruik deze drie akkoorden, voor willekeurig welk nummer.” En ik had iets van “Krijg nou wat!”’
We kijken elkaar glimlachend aan. Het was me de gig wel. Stormzy noemt McCartney ‘goat’ – greatest of all time. Terwijl McCartney de gelederen aanvoert binnen de popmuziek is Stormzy nu al goat binnen zijn eigen domein: grime, de snelle, Britse rapstijl. Hij heeft er een vermogen mee verdiend. Maar hij ontleent zijn status niet alleen aan zijn muziek, aan het feit dat hij rap een nieuw aanzien heeft weten te geven door met behulp van r&b en gospel de grenzen van het genre open te breken; hij heeft met name veel respect vergaard doordat hij zich de laatste tijd op het pad van de filantropie begeeft.
Om te beginnen heeft hij laten weten dat hij zwarte studenten gaat steunen om een studie aan Cambridge te voltooien. Ten tweede heeft hij #Merky Books opgezet, een imprint van Penguin, om op zoek te gaan naar nieuw schrijftalent, voornamelijk jong en zwart. Zijn autobiografische Rise Up zal de eerste titel van Merky zijn. Stormzy’s belangstelling voor de uitgeefwereld is ingegeven door het feit dat hij in zijn jeugd geen zwarte schrijvers kende, behalve Malorie Blackman en Benjamin Zephaniah.
Een paar jaar geleden ontmoette hij Jude Yawson, van wie hij online enkele essays had gelezen. Yawson, die uit hetzelfde deel van Zuid-Londen komt als Stormzy, maakte een verpletterende indruk op hem. Maar op de vraag of hij zijn passie als werk beschouwde, antwoordde Yawson dat dat voor mensen zoals hij niet gebruikelijk was. ‘Het was alsof de bliksem insloeg,’ zegt Stormzy. Hij vroeg Yawson mee te schrijven aan Rise Up. ‘Waarom zou je geen schrijver kunnen zijn die wordt uitgegeven? Waarom zou dat zo raar zijn? Overal in Engeland worden heel veel jonge zwarten geconfronteerd met een structurele, psychologische valse noot – ik noem het een valse noot omdat het een valstrik is.’
Wie heeft die valstrik dan gezet, wil ik weten. ‘De wereld. Door alles wat er over ons wordt uitgestort, krijgen zwarte jongeren het idee dat er geen einddoel is. Velen weten niet dat je premier kan worden, of ingenieur. Dat is mensen echt niet duidelijk, want ze zien geen zwarten op die posities. Maar er is zonder meer een verandering gaande. Daar spelen acteurs duidelijk een rol bij – John Boyega, Daniel Kaluuya, Letitia Wright. Die vonk is ongekend krachtig, als je kijkt naar wat dat betekent voor de gemeenschap. Misschien realiseren mensen zich nog niet helemaal hoe sterk dat doorwerkt.’
Alles grijpt in elkaar. Stormzy en Corbyn; Stormzy en May. Stormzy bij Labour Live
Bestaat het gevaar dat mensen zullen proberen hem te imiteren? ‘Entertainment is maar één ding. We kunnen ook ingenieur worden, of arts – er is een heel spectrum. Dat moeten we allemaal uitdragen. We moeten het beeld zien te keren.’ Kunnen er dan ook #Merky-scholen komen? ‘Zeker weten.’ #Merky-ruimtevaart? ‘Ja! Het kan allemaal. Het lijkt me geweldig als mensen #Merky als platform gaan gebruiken. Echt sick.
Waar ik trots op ben, ook qua muziek, zijn de dingen die ik voor vrienden of familie heb gedaan, dus stel je voor dat over drie jaar, na de Stormzy-beurzen, zo’n jongere doorpakt en een Nobelprijs voor de vrede krijgt. Dat is sicker dan alle shit die andere mensen doen.’ Hij lacht breed, met stralend witte tanden, eentje zilver. Hij is enthousiast, opgetogen. Het werkt aanstekelijk. Heeft hij zelf een rolmodel gehad? Hij denkt even na, zegt dingen als: ‘Nee, gek genoeg, nee.’ Hij glimlacht, laat vele antwoorden door zijn drukke hoofd gaan.
Hij trommelt met zijn vingers op tafel. ‘Op een gekke manier – en ik ben huiverig om het te zeggen omdat het zo’n cliché is – voelt het alsof dit zo heeft moeten zijn. Het klinkt heel kumbaya en vrede op aarde en alles, maar ik weet gewoon wat voor muziek ik wil maken. Maar dan ben je heel erg met jezelf bezig. Dus ja, de volgende stap is dat je moet begrijpen waar je vandaan komt. En dat is lastiger voor mijn zwarte broeders en zusters. Dus dan gaat het erom dat ik iets doe met mijn succes, hè? Als het publiek iemand op een podium plaatst, dan…’
Hij verontschuldigt zich. Zijn gedachten schieten een andere kant op, wat geregeld gebeurt – naar iets wat zijdelings met het onderwerp te maken heeft. Hij maakt zich heel druk over hoe hij overkomt. ‘Jezus man,’ zegt hij luidkeels lachend, ‘ik klink alsof ik de weldoener van het jaar wil worden. Maar als ik iemand zag met tien miljoen, dacht ik altijd al – wat ga je met dat geld dóén? Serieus, man.’
Grime
Grime is ontstaan in de arme delen van Londen en de teksten gaan over het harde bestaan op straat en over gefnuikte levens – een wereld die de rappers van binnenuit kennen. Het zijn het soort gewelddadige teksten die leiden tot makkelijke verontwaardiging over steekincidenten, zonder dat er voldoende maatregelen worden genomen om de problemen aan te pakken waaraan die lyrics zijn ontsproten. In Rise Up schrijft Yawson over een leraar die zijn leerlingen vertelt wat ze moeten doen als er iemand wordt neergestoken. ‘Ik heb moeite met de mentaliteit die wij allemaal hadden,’ schrijft hij. ‘We namen genoegen met minder.’ Stormzy heeft de keren dat hij werd neergestoken afgedaan als niet meer dan een ‘momentopname’ in zijn verhaal.
Ja, beaam ik, er moet iets worden gedaan aan de opvatting dat het normaal zou zijn om een mes bij je te hebben. Stormzy knikt, en begint weer over de valse noot. Hij is het ‘honderd procent’ met me eens, zegt hij, maar hij moet erkennen dat hij zelf pas inzag dat er ook een andere manier van leven was toen hij buiten zijn gemeenschap trad om een projectmanagementopleiding te gaan volgen in de Midlands.
‘Het was in Tipton,’ zegt hij onverwacht. ‘Daar waren we naartoe gegaan om het werk te doen van de mensen die we moesten managen, lassers, en er zaten zeventien witte kinderen in het lokaal. Op een dag zetten we onze veiligheidshelm af. Ik had een litteken op mijn hoofd, en iemand zegt: “Wat is er gebeurd?” Waarop ik zeg: “O, ik ben gestoken.” Ik zal het nooit vergeten. Ik liet het zien: “Ik ben hier gestoken, en daar, en daar…”’ Hij wijst drie verschillende plekken op zijn lijf aan. ‘Ze keken me vol afgrijzen aan – en op dat moment begon het me te dagen. Het is gestoord, waar ik vandaan kom. Natuurlijk is het schokkend dat ik ben gestoken. Natuurlijk zou dat niet normaal mogen zijn.’
Hij pakt zijn iPhone en zegt dat er elk moment een vriend kan bellen om te vertellen dat er iemand dood is. ‘We leven in een verwrongen beeld van de realiteit, en dat is niet onze schuld. Het is niet onze schuld,’ zegt hij, met nog meer vuur dan anders. In Rise Up schrijft hij dat de overheid het laat afweten. Hoezo? ‘Tja, hoezo?’ antwoordt hij laconiek, met opgetrokken wenkbrauwen. ‘Geloof me, voor ons is die shit allemaal moeilijker. We moeten van alles en nog wat ontmantelen. Het is echt wel een strijd. Wat moet gebeuren, moet gebeuren.’
Stormzy kreeg bekendheid in alle lagen van de bevolking toen hij rapte: ‘Theresa May, waar blijft het geld voor Grenfell?’ Dat veroorzaakte zo veel ophef dat de premier zich gedwongen zag zichzelf te verdedigen – wat duidelijk maakt hoeveel invloed Stormzy heeft. Was hij blij dat May reageerde? ‘Het liet me koud,’ zegt hij, op een toon die deels somber is en deels gelaten. ‘Het gaat om de resultaten, hè?’
Een paar jaar eerder had Stormzy gezegd dat hij een bewonderaar was van Jeremy Corbyn, wat leidde tot de tenenkrommende #Grime4Corbyn hashtag en een handvol ongemakkelijke fotomomenten. Maar in Rise Up zegt Akua Agyemfra, de manager van de band: ‘Waarom zou Stormzy het gezicht moeten worden van een politieke beweging?’ Dat brengt mij er weer toe hem te vragen waarom hij dat níét zou willen. Wat volgt zijn met zorg gekozen woorden.
‘Weet je wat het is met al dat gedoe?’ begint hij. Corbyn, May enzovoort? ‘Yeah. Weet je, black culture is een heel ernstige zaak, dus ik moet verstandig zijn, want mijn woorden kunnen invloed hebben. Wat ik zeg en hoe dat wordt gebruikt – daar heb ik geen invloed op. Alles grijpt in elkaar. Stormzy en Corbyn; Stormzy en May. Stormzy bij Labour Live. Weet je wat er is gebeurd? Ik ben heus niet zo stoer dat ik niet zou durven toegeven dat ik op het gebied van politiek misschien soms wat naïef ben.’
Is hij nu voorzichtiger? ‘Reken maar.’ Maar in Rise Up schrijft hij dat hij het als zijn verantwoordelijkheid ziet om zich uit te spreken. Met welk doel? Zou hij zich, bijvoorbeeld, moeten uitspreken over de brexit? Daar geeft hij niet direct antwoord op. In plaats daarvan zegt hij, heel stellig: ‘Als ik heel eerlijk ben, zijn er veel dingen die me geen fuck interesseren.’ Dan dwaalt hij af, volgen zijn gedachten een zijspoor, om even later weer bij het onderwerp zelf uit te komen, af te dwalen, weer terug te keren.
Politiek krachtenveld
‘Goed,’ zegt hij plompverloren, alsof het een toverwoord is om zijn onstuimige hoofd tot rust te brengen. ‘Ik kijk er op verschillende manieren tegen aan. Maar ik begrijp inmiddels ook wel dat als je op het podium staat, je er niet aan ontkomt te worden meegetrokken in een politiek krachtenveld. Je kunt niet ‘Corbyn’ scanderen en dan verbaasd zijn dat je met hem in verband wordt gebracht. Dat is naïef, Stormz. Maar goed, aan de andere kant, als ik eerlijk ben – en het klinkt misschien kinderachtig – kan het me niets schelen hoe mensen het interpreteren.
Dus als ik zeg: ‘Yo, waar blijft het geld voor Grenfell?’, dan kan het me niet schelen wat jullie daar allemaal van maken, zoals “Stormzy vs. May” of zo. Het zal allemaal wel. Jullie doen maar. Het gaat mij om dat ene, en dat mogen mensen naïef vinden, maar nu geldt meer dan ooit dat ik het net zozeer mijn taak vind om me bepaalde dingen aan te trekken, als om me er geen reet van aan te trekken.’
We zitten nu al meer dan een uur te praten, over de meest uiteenlopende zaken, zoals de vraag of hij gestopt is met Twitter vanwege de negatieve pers die Jama kreeg door zijn oude tweets (‘Nee, ik heb mijn account gedeactiveerd om me op mijn muziek te richten’), en over die andere belangrijke aanwezigheid in zijn leven: God. ‘God is me genadig geweest,’ zegt hij. Voelt hij zich uitverkoren? ‘Nee. We zijn allemaal uitverkoren.’
Ondertussen zegt hij over zijn nieuwe album, de opvolger van Gang Signs & Prayer, dat gepland staat voor 2019, dat het een ‘krankzinnige mengeling van van alles en nog wat’ wordt. Naarmate de uren wegtikken en het buiten begint te schemeren, geeft de rapper, die in zichzelf gelooft zonder zelfingenomen te zijn, zich iets meer bloot. Hij wordt introspectief. Ineens lijkt hij misschien niet echt angstig, maar dan toch op zijn minst bezorgd. Het is het enige moment waarop hij lijkt samen te vallen met zijn absurd jonge leeftijd – iemand die meedoet aan een dictee en als de dood is om in de fout te gaan.
Een zware last
Stormzy haalt zijn vingers door zijn haar. Petje op, petje af. Het enige licht lijkt afkomstig van MTV, dat nog altijd aanstaat. ‘Al die dingen waarmee ik in verband word gebracht,’ begint hij, terwijl de wereld om ons heen steeds kleiner lijkt te worden. ‘Het is een dubbel gevoel, want ik weet dat ik een bepaalde rol op me heb genomen, en ik ben er klaar voor. Maar ik moet me ook nog heel erg ontwikkelen als mens.
Ik heb mijn tekortkomingen. En al werk ik daaraan, vijf, zes van de zeven dagen per week, er zijn ook dagen waarop je als mens ook niet alles kunt. Op sommige dagen denk ik fuck de media. Maar op andere dagen heb ik iets van: “Stormz, we leven in een rare wereld, en de mensen hebben podia nodig.” Ik weet dat dit mijn zegen en mijn kracht is, maar het is een zware last.’ Er staat een taxi voor, dus ik ga nog snel even naar de wc, waar hij een ingelijste cd heeft hangen van zijn rap op een single van Little Mix, plus een citaat uit Jeremia 29:11: ‘Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de Heer. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk.’
We huggen zo’n beetje als ik wegga, en ik moet lachen dat deze zo uitgesproken, indrukwekkende man, kan worden gekenschetst door een bezoekje aan zijn wc, waar hij een muziekaward naast een Bijbelcitaat over hoop heeft hangen. Vlak voor ik de deur uit loop, stelt hij nog een retorische vraag: ‘Weet je wat het is?’ Ik zwijg en hij gaat verder. ‘Ik weet wat me te doen staat, maar tegelijkertijd weet je dat je een mens bent, en kwetsbaar. Ik moet gewoon nog een heleboel uitzoeken, denk ik.’
The Sunday Times
Verenigd Koninkrijk | zondagskrant | oplage 1.300.000
In 1864 opgericht en* in 1981 opgekocht door mediamagnaat Rupert Murdoch,* die o.a. ook The Times bezit. Staat bekend om zijn goede research, bijlagen en bijdragen van populaire auteurs. Schotland en Ierland kennen een eigen editie.
De snelle verspreiding van technologische ontwikkelingen heeft Afrikaanse landen de kans gegeven een sprong vooruit te maken. Maar daar is nog altijd deugdelijk bestuur voor nodig.
Kotiogo Ng’usilo kan zich nog levendig herinneren dat hij voor het eerst een auto zag. Het was in de jaren vijftig en Ng’usilo, een jager-verzamelaar van de Ogiek-stam in het Mau-woud in Kenia, dacht dat het een ‘bewegend huis’ was. Inmiddels 86 jaar oud probeert hij met het verzamelen van honing en het vangen van een klipdas hier en daar nog vast te houden aan zijn oude levensstijl, maar verder is hij meegegaan met de vaart der volkeren. Hij draagt westerse kleren, koopt voedsel op de markt en gebruikt, net als zijn jongere familieleden, een mobiele telefoon. Terwijl hij boven een kalebas heilig honingbier over vroeger vertelt, wordt hij continu onderbroken door getjirp, niet van vogels maar van telefoontjes met nieuws uit de stad.
De snelle opkomst van mobiele technologie in de derde wereld – met name in Afrika, dat bij Azië en Latijns-Amerika achterblijft in het dichten van de inkomenskloof met het Westen – heeft geleid tot de kikkersprongtheorie. Volgens deze theorie, zo staat geformuleerd in een studie van de Wereldbank, kunnen landen een ‘snelle economische groeisprong maken’ door technologische innovatie te omarmen.
Sommigen zien in de kracht van technologie een verbluffende potentie om problemen op te lossen die veel regeringen, vooral in Afrika, niet adequaat aanpakken: slechte gezondheidszorg, slechte scholen, een gebrekkig wegennetwerk, gebrekkige elektriciteitsvoorziening en een tekort aan banen. Afgelopen zomer riep Alibaba-oprichter Jack Ma nog een prijs van 10 miljoen dollar in het leven voor jonge Afrikaanse techondernemers die ‘de weg plaveien voor een betere toekomst’.
Technologie
De opkomst van mobiele en digitale technologie wordt gezien als de sleutel tot de kikkersprong. Volgens schattingen van de GSMA, de mondiale brancheorganisatie van de telecomsector, telden landen bezuiden de Sahara in 2017 in totaal 444 miljoen mobieletelefoongebruikers, een penetratiegraad van 44 procent, tegen een wereldwijd gemiddelde van 66 procent. In Zuid-Afrika en Nigeria, waar 9 van de 10 inwoners een abonnement heeft, zijn mobieltjes net zo gewoon als in de VS, blijkt uit onderzoek van de Amerikaanse denktank Pew Research Center.
Met de prijsdaling van mobiele telefoons is de verwachting dat de kloof tussen het merendeel van de 50 Afrikaanse landen en de rest van de wereld geleidelijk zal worden gedicht. In Ethiopië produceert het Chinese bedrijf Transsion Holdings al toestellen die niet meer dan 10 dollar kosten. ‘Inmiddels is toegang tot mobiele telefoons bijna universeel,’ zegt de Zimbabweaanse neurowetenschapper Precious Lunga, oprichter van Baobab Circle, een techbedrijf dat kunstmatige intelligentie gebruikt om patiënten in Kenia en Zimbabwe consulten te geven. ‘Er zijn plekken waar geen stromend water is, maar waar je wel een video kunt streamen,’ zegt ze.
De verspreiding van smartphones, die een derde uitmaken van alle mobiele telefoons in Afrika, opent nieuwe perspectieven, jubelen techadepten. Een deel van de elite in bruisende steden als Lagos in Nigeria of Dar es Salaam in Tanzania, die beide tot de snelst groeiende steden ter wereld behoren, gebruikt taxiapps als Uber of Taxify en bestelt maaltijden en kleding online. In Ivoorkust heeft bankengroep Standard Chartered haar eerste louter digitale consumentenbank opgericht, als proef voor digitale diensten wereldwijd. Nog belangrijker voor de kikkersprongtheorie is de impact die mobiele technologie heeft op het platteland, waar zes van de tien Afrikanen leven. Op vrijwel het hele Afrikaanse continent voltrekt zich een revolutie op het vlak van financiële inclusie.
Kenia was in 2007 voortrekker met de lancering van M-Pesa, de mobiele betaaldienst van telefoonbedrijf Safaricom. Tientallen miljoenen mensen die voordien zonder bankrekening door het leven gingen, zoals Ng’usilo, kunnen nu met een paar vingerbewegingen geld naar familieleden overmaken of inkopen doen. De doorbraak van mobiel geld, dat volgens de GSMA inmiddels door ongeveer 690 miljoen mensen wordt gebruikt, van wie de helft Afrikaans is, vormt de ruggengraat voor tal van andere diensten. In steden en middelgrote plaatsen kunnen kleine ondernemingen online adverteren en mobiele betalingen ontvangen.
Op het platteland is er een snelle groei van pay-as-you-go-zonnestroom waarbij klanten met mobiel geld voor luttele bedragen als 50 cent per dag elektriciteit kunnen kopen. De panelen worden op afstand gedeactiveerd wanneer de betaling stopt. In het dorp Sahabevava in het noordoosten van Madagascar, op een paar uur rijden van de dichtstbijzijnde stad en ver verwijderd van het dichtstbijzijnde elektriciteitsnetwerk, woont boerin Lydia Soa. Ze is de trotse bezitter van een zonnepaneel, dat genoeg stroom opwekt om haar huis mee te kunnen verlichten – handig voor wanneer de kinderen huiswerk maken – een boombox te laten werken en, natuurlijk, om haar mobiele telefoon op te laden.
Er zijn plekken waar geen stromend water is, maar waar je wel een video kunt streamen
Afrika is goed voor 16 procent van de wereldbevolking maar heeft slechts 2,8 procent van de mondiale capaciteit voor stroomopwekking. Slechts 37 procent van de Afrikanen ten zuiden van de Sahara heeft toegang tot elektriciteit, wat betekent dat zo’n 600 miljoen mensen zonder stroom leven. Maar in 2017, bleek uit een brancherapport, hadden 73 miljoen huishoudens bezuiden de Sahara al toegang tot zonne-energie. Deze snelle toename, die ervoor gezorgd heeft dat afgelegen delen van Afrika in één klap van geen stroom naar groene stroom zijn gegaan, is een schoolvoorbeeld van de kikkersprongtheorie.
Als technologie over grenzen, het bankwezen en elektriciteitsnetwerken kan ‘springen’, zeggen enthousiastelingen, dan zal ze zeker een weerslag hebben op alle industrieën én alle levensterreinen. Keun Lee, hoogleraar economie aan de Nationale Universiteit van Seoul, heeft bestudeerd hoe technologische ontwikkelingen vooruitgang kunnen aanzwengelen. ‘Bij de opkomst van een nieuwe technologie of paradigma begint iedereen op hetzelfde punt; laatkomers lopen niet achter,’ zegt hij. ‘Voorlopers zijn de laatsten die op nieuwe technologieën overstappen,’ voegt hij eraan toe.
Lee, die de regering van Rwanda adviseert over haar ambities om van het kleine centraal-Afrikaanse land een digitale hub te maken, zegt dat technologische verschuivingen landen als India, Brazilië en een aantal Afrikaanse economieën de kans geven een sprong vooruit te maken. ‘Afrikaanse landen, waar men voorheen voor verlichting op kerosinelampen was aangewezen, kunnen in één keer overgaan op zonne-energie, zonder de tussenstap van een traditioneel elektriciteitsnet.’
Weinigen zullen betwisten dat landen in Afrika en elders door gebruikmaking van technologieën die in het Westen zijn ontwikkeld of van eigen innovaties, zoals mobiel geld, het ontwikkelings-proces kunnen bekorten. Groot-Brittannië deed er 150 jaar over om, via een industriële revolutie die draaide om water, wind en stoomkracht, van een landbouweconomie tot een geavanceerde economie uit te groeien. Japan deed er korter over, en landen als Singapore, Taiwan, Zuid-Korea en China maakten de sprong naar de positie van een land van midden- en hoge inkomens in een paar generaties.
Fonkelnieuwe apps
De kikkersprongadepten zijn in hun definitie van technologie geneigd om te focussen op de digitale revolutie en de transformerende kracht van ‘fonkelnieuwe apps’, zoals Lunga van Baobab Circle het uitdrukt. Robert Gordon, econoom aan de Northwestern University in Chicago, zegt echter dat de grootste productiviteitsgroei niet zozeer te danken is aan het internet of mobiele telefoons maar aan technologieën die we nu als vanzelfsprekend beschouwen: sanitaire voorzieningen, wegen en stoomkracht.
Als Gordon gelijk heeft, dan zou Afrika door die ontwikkelingen over te slaan en direct aan te haken bij wat men in 2016 op het World Economic Forum in Rwanda ‘de vierde industriële revolutie’ noemde, de belangrijkste productiviteitsstijging mislopen – en dus ook economische groei. Inderdaad kunnen de groeicijfers van Afrika, omgerekend per hoofd van de bevolking, zelden worden uitgedrukt in bedragen van twee cijfers voor de komma, zoals wel het geval is in Noordoost-Azië, waar de levensstandaard omhoog is geschoten.
Bill Gates zegt dat de voornaamste technologieën die in Afrika levens veranderen in het verleden zijn ontwikkeld en nu pas in de verste uithoeken van de wereld doordringen. ‘Ik heb het over technologie in de vorm van een injectie door de plaatselijke arts, of een pil die dorpelingen kunnen slikken of een zaadje dat ze kunnen planten,’ zegt hij. Gates, wiens Bill & Melinda Gates Foundation miljarden dollars bijdraagt aan het bevorderen van zulke ontwikkelingen, zegt dat het relatieve gemak van de verspreiding landen in staat stelt om sneller op de rest van de wereld in te lopen, vooral op het gebied van de volksgezondheid. ‘Wat vaccineren betreft zijn we aardig op weg om alle kinderen op de hele wereld te bereiken.’
Solutionism
Sommige claims van de kikkersprongadepten zwemen naar ‘solutionism’: het idee dat technologie zelfs de lastigste problemen kan oplossen. Volgens sceptici toont Afrika net zo goed de beperkingen van technische oplossingen bij de afwezigheid van fatsoenlijk bestuur en een basisinfrastructuur. Ontwikkelingen op gebied van landbouw en volks-gezondheid laten zowel het potentieel als de tekortkomingen van technologie zien. Neem de landbouw, waarin meer dan de helft van de volwassen bevolking van Afrika werkzaam is.
In heel Afrika probeert men het probleem van de lage productiviteit door middel van technologische oplossingen te lijf te gaan. In Ghana stuurt CocoaLink cacaoboeren via sms praktische informatie en de actuele marktprijzen. In Kenia gebruikt de onlinemarktplaats Twiga Foods technologie om duizenden groothandelaren een directe afzetmarkt te bieden en boeren een transparante markt te garanderen. Volgens Twiga-topman Grant Brooke biedt de mobiele technologie boeren meer zekerheid, waardoor ze hun opbrengst kunnen verhogen. Maar fonkelende apps kunnen niet de waarheid verdoezelen. Afrikaanse boeren zijn bleven steken in de 19de eeuw.
Het merendeel van de boerderijen heeft geen irrigatie, geen gesubsidieerde zaden of kunstmest, geen toegang tot de markt en onzekere eigendomsrechten. Boeren nemen niet de moeite gewassen te verbouwen die, bij gebrek aan een koelsysteem, gaan rotten voordat ze de consument bereiken. Slechts 44 procent van de rurale bevolking in Kenia en 32 procent van de Ethiopiërs woont op twee kilometer afstand van een weg die het hele jaar begaanbaar is, een gegeven dat de Ethiopische oud-premier Meles Zenawi zwaarder vond wegen dan het bbp om te bepalen hoe zijn land ervoor stond.
Of neem de medische zorgvoorziening. In heel Afrika proberen technologen een fundamenteel probleem op te lossen: het gebrek aan goede, betaalbare gezondheidszorg. Babyl Health Rwanda, de dochteronderneming van Babylon, een Britse maker van een dokter-in-je-zakapp, biedt dorpelingen die op grote afstand van een kliniek wonen onlineconsulten. ‘Technologie kan wel degelijk een gat vullen,’ zegt Lunga, die met haar Baobab Circle teleconsulten biedt aan diabetespatiënten en mensen met bloeddrukproblemen.
‘Er zijn te weinig artsen, er zijn te weinig verpleegsters,’ zegt ze. ‘Met behulp van kunstmatige intelligentie kun je dat probleem in één klap verhelpen.’ Maar net als bij de landbouw lijken deze vernieuwingen in de gezondheidszorg eerder lapmiddelen voor een falend systeem. Veel Afrikaanse regeringen zijn te arm, te slecht georganiseerd of te druk bezig met het vullen van eigen zakken om de bevolking fatsoenlijke gezondheidszorg te leveren. De enige kikkersprongen op zorggebied zijn die van rijke Afrikanen die voor een behandeling uitwijken naar het buitenland en hun eigen gebrekkige zorgvoorziening laten voor wat het is.
‘Niemand kan beweren dat goede technologie een substituut is voor goed bestuur,’ zegt Bill Gates. ‘Ik maak me geen illusie dat je geholpen bent met een gratis computer als je malaria hebt, of als er geen leraren of zelfs geen klaslokalen zijn.’ Calestous Juma, de vorig jaar overleden hoogleraar internationale ontwikkeling aan de Harvard Kennedy School, geloofde heilig in de kracht van technologie om levens in Afrika te veranderen, maar hij waarschuwde voor de valse voorstelling van zaken dat Afrika met één grote sprong in de diensteneconomie zou kunnen belanden zonder eerst een industriële basis te leggen. ‘Geen kikkersprong kan op tegen slecht leiderschap.’
Om een einde te maken aan de felle protesten van de gelehesjesbeweging, presenteerde Emmanuel Macron een pakket(je) ad-hocmaatregelen die de laagbetaalden in Frankrijk tegemoet moeten komen.
Of zonnekoning Macron de boze geest weer in de fles krijgt, is zeer de vraag, schrijven commentatoren in de internationale pers.
De hoogtijdagen van Emmanuel Macron lijken geteld. Valt het massale protest hem aan te rekenen? En is hij in staat het tij te keren? De twijfels stapelen zich op.
Keuze uit het archief
In Frankrijk gaan betogers massaal de straat op om te demonstreren tegen de pensioenhervorming van de regering. De woede richt zich vooral op president Macron, die niet naar het volk zou luisteren. Voor Macron is het niet de eerste keer dat hij het doelwit is van betogers: in 2018 waren het de gele hesjes die hun pijlen op hem richtten. Dit artikel van Die Zeit uit datzelfde jaar legt uit waarom.
Het is op zijn minst een poging waard om de wereld door de ogen van de Franse president te bekijken. Emmanuel Macron is in de diepste crisis van zijn ambtsperiode beland, op de Champs-Élysées staan barricaden in brand. Hoe heeft het zover kunnen komen? Macron wordt ’s ochtends wakker in een van de 365 kamers van het Élysée, te midden van prachtige meubels in Lodewijk XV-stijl. Als hij omhoog kijkt, ziet hij kroonluchters aan het plafond hangen. Het porselein is onlangs voor 50.000 euro vernieuwd, maar in de koperen pannen in de keuken is nog voor Napoleon gekookt. Zijn omgeving laat niet na hem duidelijk te maken: jij schrijft geschiedenis.
Als Macron ergens verschijnt, zoals onlangs in de Duitse Bondsdag, dan wijkt vóór hem de mensenmassa uiteen. Niemand verspert hem de weg. Om hem heen voeren de mensen een ballet uit zodat hij ongestoord de ene voet voor de andere kan zetten. Het is zijn ervaring van de afgelopen jaren: niemand verzet zich tegen hem. Dat hebben de gele hesjes wel gedaan. Het protest van de mensen in de veiligheidshesjes is ongeordend, onstuimig, ongedisciplineerd. Anders gezegd zijn ze alles wat Macron haat. Met protesten tegen zijn beleid had hij beslist rekening gehouden, een krachtmeting op straat, met de vakbonden, met weerbarstige ambtenaren die op hun privileges staan.
Maar de gele hesjes zijn anders. Ze zijn bijna apolitiek en zeggen niet veel meer dan: ons leven wordt zo duur dat we het ons niet meer kunnen permitteren. Ze zijn niet rechts en niet links. Ze hebben geen leidersfiguur. Ze hebben geen duidelijke eisen, maar vooral gevoelens. Ze zijn de grootste uitdaging voor een man die zo analytisch denkt als Macron. Hij heeft dus iemand nodig die hem uitlegt wat er aan de hand is. Die hem vertelt hoe het is als je niet meer uit je woorden komt van woede. Iemand die hem erop wijst dat mensen die bang zijn te verarmen geen nieuwe auto kopen en dat een subsidie van 4000 euro voor een elektrische auto, zoals de regering heeft voorgesteld, de gele hesjes niet kalmeert, maar nog kwader maakt.
Maar zo iemand is er niet in Macrons omgeving. Macron heeft het centralistische systeem van Frankrijk nog een beetje centralistischer gemaakt. In wezen zijn er vier personen, met inbegrip van hemzelf, die over het beleid gaan. Om precies te zijn: vier mannen. Allemaal begin of midden veertig. Vier mannen die vlug van begrip zijn en vrijwel altijd succes hebben gehad in het leven. Allereerst is daar Édouard Philippe, de premier van Macron, 48 jaar oud, afgestudeerd aan twee elite-universiteiten, de Sciences Po en de École Nationale d’Administration.
De gilets jaunes zijn niet rechts en niet links. Ze hebben geen leider. Ze hebben geen duidelijke eisen, maar vooral gevoelens
Dan is er Benoît Ribadeau-Dumas, bijgenaamd BRD, het hoofd van het kabinet van de premier en diens rechterhand, 46 jaar oud en eveneens afgestudeerd aan twee elite-universiteiten. De vierde van de Macron-boys is Alexis Kohler, eveneens 46 jaar oud en natuurlijk ook afgestudeerd aan twee elite-universiteiten. De twee laatsten werken op operationeel niveau uit wat de president en de premier bedenken. Ze bereiden de ontmoetingen tussen Macron en Philippe voor, in het bijzonder de wekelijkse lunch waarbij de twee zelf ook aanschuiven. In de woorden van BRD: ‘Wij zorgen dat het gesmeerd loopt.’
Zelfs in hun slanke verschijning lijken ze op elkaar. Ze dragen pakken van een onopvallende elegantie en hechten verder weinig waarde aan uiterlijk vertoon. Het gemiddelde intelligentiequotiënt in het Élysée ligt enorm hoog, aldus een medewerker. Maar Macrons crisis duurt nu al weken.
De open vraag is dus of hoogbegaafd zijn en je met hoogvliegers omringen volstaat om een land te regeren. Of doet te veel intelligentie of in elk geval te veel soortgelijke intelligentie afbreuk aan goed bestuur?
Macron heeft de Socialistische Partij ondergraven, Philippe heeft zijn partij, de conservatieven, in een existentiële crisis gestort toen hij zonder zichtbare aarzeling Macrons aanbod aanvaardde om diens premier te worden. De partij is sindsdien verdeeld en Philippe zelf is geen lid meer. Daarin zijn hij en Macron eensgezind: partijfamilies en andere sentimentaliteiten zijn niet veel waard.
Er is nog een overeenkomst: Philippe zou een extreem grote zelfbeheersing hebben. Zijn discipline gebruikt hij vooral om zelfs maar niet de indruk te laten ontstaan dat er tussen hem en de president een concurrentieverhouding bestaat. Elke maandag verlaat Édouard Philippe rond het middaguur zijn werkkamer in Hôtel de Matignon op de linkeroever van de Seine voor een bezoek aan het nabijgelegen Élysée. Het omgekeerde, Macron die langsgaat bij Philippe, is ondenkbaar. ‘De president is de baas,’ zegt een hooggeplaatste medewerker van de premier. ‘Matignon is een soort logistiek centrum dat ervoor zorgt dat de treinen op tijd aankomen.’
Wanneer de twee mannen tijdens de lunch ruim anderhalf uur lang de dienstregeling bespreken, zouden ze voor grote ergernis zorgen als ze elkaar bij de achter- of zelfs voornaam zouden noemen. ‘Monsieur le Président’ en ‘Monsieur le Premier Ministre’ zijn de correcte en enige acceptabele aanspreektitels. De medewerker van de premier wijst thuis zelfs zijn kinderen terecht als ze het over ‘Macron’ hebben. ‘Dat getuigt niet van respect,’ zegt hij. ‘Le Président is juist. Le PR mag ook.’
Wie wil begrijpen waarom het voor Macron – een liberaal die zich inzet voor vrouwenquota, multilateralisme en maatschappelijke deelname – zo belangrijk is om zich alleen te omringen met gelijken moet zich nog eens Macrons politieke werdegang voor de geest halen. Macron is zonder hulp in het Élysée terechtgekomen, tegen alle verwachtingen in. Vrijwel al zijn medewerkers hebben ook campagne voor hem gevoerd. Zij geloofden in hem toen de kranten nog schreven dat die jongeman in een bubbel leefde en het nooit zou redden.
En nadat Macron tot president was gekozen, schreven ze dat hij geen meerderheid in het parlement zou krijgen. Hij behaalde de absolute meerderheid. Het is dus niet vreemd als Macron nu denkt: zijn de mensen tegen ons, dan doen we iets goed. Als er al een gevoel is dat Macron zich permitteert, dan is het een zekere koppigheid. ‘Macron spreekt zelden iemand tegen. Hij kiest daarentegen een ander perspectief en doet er alles aan om zijn gesprekspartner van dat standpunt te overtuigen,’ zo vertelt de onlangs afgetreden minister van Binnenlandse Zaken Gérard Collomb.
Een van de adviseurs van Macron drukt het sterker uit: ‘Als Macron een vergissing maakt, dan gedraagt hij zich als een goede leerling die je op een fout hebt betrapt. Achteraf komt hij met een rationele verklaring om niet te hoeven toegeven dat hij het mis had.’
Hun doel voorbij
Op dinsdag richtte Macron zich voor het eerst tot de gele hesjes. Zij kwamen in protest omdat de prijzen van benzine en diesel door een ecobelasting vanaf januari volgend jaar met 2,9 cent respectievelijk 6,5 cent per liter zullen stijgen. Macron kwam met een reactie, alleen op een hoger niveau. De mensen maken zich zorgen dat ze aan het eind van de maand geen geld meer hebben? Macron maande de Fransen voor ogen te houden dat het einde van de wereld nabij was als er niets zou veranderen, als Frankrijk niet geleidelijk aan zijn door de jaren heen opgebouwde milieuschuld zou aflossen.
Het staat buiten kijf dat hij de argumenten aan zijn kant heeft, maar ze schieten hun doel voorbij. Temeer omdat er vragen zijn die openblijven. Waarom slaagt Macron er niet in om de demonstranten duidelijk te maken dat hij ze heeft begrepen? Waarom worden er geen maatregelen getroffen waarvan de laagste inkomensgroepen verschoond blijven en die de levensstijl van de beter gesitueerden raken? Waarom herziet Macron zijn plan niet?
‘Controle’ is een woord dat vies klinkt en in de entourage van Macron niet wordt gebruikt. Daar heeft men het over ‘coherentie’. ‘Ik vind het prettig als de zaken goed georganiseerd zijn, de coherentie,’ aldus Alexis Kohler, secretaris-generaal van het Élysée. Hij wordt ook wel ‘de schaduw’ genoemd. ‘Als de president zich omdraait, dan staat Kohler daar,’ zegt een socialistische parlementariër. Macron en Kohler leerden elkaar kennen op het ministerie van Economische Zaken, waar ze nauw samenwerkten. Iemand uit hun omgeving karakteriseert de relatie tussen de twee als volgt: ‘Macron kan hem vertrouwen en Kohler is iemand die zo’n beetje woont in zijn kantoor.’
Op het ministerie van Economische Zaken vonden hun belangrijke ontmoetingen diep in de nacht plaats. Tegenwoordig gaat Kohler ’s ochtends om 8.45 uur achter zijn altijd opgeruimde bureau pal naast het kantoor van de president zitten en besluit de dag tegen drie uur ’s ochtends. Slapen is iets voor normale mensen. Ook Macron zou volgens sommige mensen die rechtstreeks met hem in contact staan diep in de nacht nog sms’jes versturen en de volgende ochtend weer heel vroeg aan de slag gaan. Hij maakte de afgelopen tijd een vermoeide indruk en er wordt gezegd dat enkele fouten mede door uitputting zijn gemaakt.
Historica Barbara Tuchman schreef een boek over John F. Kennedy en zijn omgeving, met als titel The March of Folly. From Troy to Vietnam. Hierin schetst ze hoe een groep begaafde, ontwikkelde jongelingen met open ogen de grootste ramp uit de recentere Amerikaanse geschiedenis voorbereidde: de oorlog in Vietnam. ‘Hardheid was de basiseigenschap en ondanks de verschillen in karakter en aanleg sloeg die over op alle leden van Kennedy’s team, zoals dat ook te verwachten zou zijn aan het hof in de entourage van een koning of in een werkgroep waarvan de leden hun benoeming te danken hebben aan een dominante leider.’
Dat was in de jaren zestig van de vorige eeuw en de jongelingen en ook Kennedy waren oorlogsveteranen. In Macrons entourage is de verbindende eigenschap niet hardheid, maar het onverwoestbare geloof in zichzelf. Macron karakteriseert de elite van nu en zet die af tegen hen die nu in Frankrijk de straat op gaan. Wie schreeuwend een geel veiligheidshesje aantrekt, gelooft niet meer dat louter doorzettingsvermogen volstaat om het leven ongeveer in de richting te laten verlopen die je je had voorgesteld. De protestbeweging heeft geen structuur, maar de deelnemers worden verenigd door hun overtuiging dat er onoverkomelijke problemen zijn, en door de ervaring dat hun banksaldo aan het eind van de maand ondanks alle inspanningen negatief is.
De Franse volkspartijen liggen op apegapen. Bijna drie kwart van de parlementsleden van Macrons eigen partij zijn nieuw in de parlementaire wereld – onervaren mensen die de president dank verschuldigd zijn voor hun nieuwe status. De president heeft de speelruimte van zijn ministers beperkt, wat ertoe leidt dat ervaren, zelfbewuste kandidaten helemaal niet meer in aanmerking komen voor die posten. Twee weken had Macron nodig om na het aftreden van Collomb een nieuwe minister van Binnenlandse Zaken te vinden.
In theorie heeft Macron een efficiënte manier van regeren gevonden. In de praktijk steken mensen in gele hesjes de stoelen voor de cafés op de Champs-Élysées in brand.
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt grote politieke analyses. Die Zeit heeft vanaf de oprichting een liberale koers gevaren, met soms een lichtelijk rechtse, maar vaker een wat linkse inslag.
Radicale krachten verkneukelen zich over de problemen waarmee Emmanuel Macron momenteel wordt geconfronteerd. Waar ze op hopen is een politieke omwenteling bij de verkiezingen voor het Europees parlement in mei.
Omwille van Europa heeft Emmanuel Macron onze steun nodig – niet onze hoon of haat. Een jonge, reformistische Franse president die een ‘Europese renaissance’ heeft beloofd, staat in zeer zwaar weer aan het roer van een land dat in hoog tempo lijkt af te glijden naar de positie van ‘De zieke man van Europa’. Het was veelzeggend dat de relschoppers afgelopen weekend het gelaat kapotsloegen van het beeld van Marianne – symbool van de Republiek – onder de Arc de Triomphe in Parijs.
Nog geen drie weken geleden waren wereldleiders daar samengekomen om met Macron te vieren dat er honderd jaar geleden een einde was gekomen aan de Eerste Wereldoorlog. Als de gevoelens van verbittering waar Macron al vele malen voor heeft gewaarschuwd echt voet aan de grond krijgen in Frankrijk, dan zal dat gevolgen hebben voor het hele continent – niet alleen voor de politieke carrière van één iemand.
Radicale groeperingen in heel Europa verkneukelen zich over de hachelijke positie waarin Macron zich bevindt met de gele hesjes. Van de hardline Brexiteers in Engeland (zowel in het linkse als in het rechtse kamp) tot aan Matteo Salvini, de extreemrechtse sterke man in Italië, om nog maar te zwijgen van de propagandamachine van Poetin: allemaal smullen ze ervan. Onlusten en chaos in liberale democratieën, daar gedijen deze extremisten bij. Waar ze op hopen is een politieke omwenteling bij de verkiezingen voor het Europees parlement in mei. Wat we nu in Frankrijk zien is een veeg teken, met consequenties die zich tot ver over de landsgrenzen uitstrekken.
Terechte grieven
Nog niet zo heel lang geleden heeft Macron zichzelf vol trots uitgeroepen tot de aartsvijand van zowel Salvini als de Hongaarse Viktor Orbán, twee leiders die hun politieke pijlen vooral richten op migranten, de oppositie en het rechtsstelsel. Macron is verzwakt, wordt in de verdediging gedrongen en raakt meer en meer geïsoleerd.
De taferelen in Frankrijk van de afgelopen twee weken doen veel mensen denken aan de opstanden van mei 1968, maar welbeschouwd is een vergelijking met 6 februari 1934 meer op zijn plaats. Op die dag bestormden groepen extreemrechtse nationalisten de Franse hoofdstad, waarop een gewelddadige confrontatie met de politie volgde, met vijftien doden als gevolg. De gebeurtenissen van die dag zijn uitgegroeid tot een ontstaanslegende voor een bepaalde generatie extreemrechts in Frankrijk.
Macron heeft zonder meer fouten gemaakt. De meeste demonstranten hebben terechte grieven, al geven ze daar niet erg coherent uiting aan. Ze zien zichzelf als de ‘onzichtbare burgers’ die met minachting worden behandeld door de Parijse elite, en nu zijn ze maar al te zichtbaar met hun lichtgevende vestjes. Ze hebben de publieke opinie achter zich.
Een van de meest welbespraakte vertegenwoordigers van deze groep is Ingrid Levvasseur, een jonge verpleegster met twee kinderen, uit Normandië. Vorige week was ze op de televisie te zien en vertelde op aangrijpende wijze over de moeite die het haar kost om de eindjes aan elkaar te knopen, en over haar diepgewortelde gevoel van onrecht: ‘Sommige mensen zijn kwaad dat we de wegen blokkeren, maar je hoort ze niet klagen als ze uren in de file staan op weg naar de wintersport,’ zei ze met zachte stem.
Veel Fransen hebben het gevoel dat ze in werkelijkheid niet krijgen waar ze recht op hebben
Maar de onderstroom van de Franse crisis is nog grimmiger en wordt verwoord door een andere vertegenwoordiger van de gele hesjes, Christophe Chalençon, een smid uit de zuidelijke Vaucluse-regio. Chalençon is openlijk tegen moslims en hij heeft opgeroepen tot de installatie van een militair bewind – ‘want wat we nodig hebben is een echte bevelhebber, een generaal, een sterke man’. Ondertussen proberen extreemrechtse groeperingen als Action Française weer voet aan de grond te krijgen.
De toezegging dat de belastingen uiteindelijk toch niet zullen worden verhoogd, komt waarschijnlijk ook te laat. Frankrijk kampt met drie grote zorgen. Er is de angst om in te boeten aan macht en aanzien; de angst voor de economische gevolgen van de globalisering en de angst om de ‘nationale identiteit’ te verliezen. Het land heeft ook te kampen met diepe, interne breuklijnen en het lijkt te veel gevraagd van een president om die in nog geen anderhalf jaar te repareren.
Sociale groepen hebben het gevoel dat ze tegen elkaar worden uitgespeeld: jong versus oud, werkenden versus werklozen, platteland versus stad, ongeschoold versus geschoold. Dergelijke verschillen bestaan in vele landen, maar in Frankrijk nemen ze existentiële proporties aan als gevolg van het ideaal van gelijkheid dat al vele eeuwen met de Republiek wordt geassocieerd. Veel Fransen hebben het gevoel dat ze in werkelijkheid niet krijgen waar ze recht op hebben.
Vaffanculo-dagen
Toen Macron zich in 2017 verkiesbaar stelde, beloofde hij ‘een revolutie’ (het was zelfs de titel van zijn campagneboek) om tegemoet te komen aan een breed gevoelde noodzaak tot vernieuwing en de behoefte om het Franse prestige nieuw leven in te blazen, niet in de laatste plaats op het Europese toneel.
Inmiddels lijkt de president in het binnenland krachteloos, en zijn plannen voor Europa kunnen elk moment de laatste sacramenten toegediend krijgen. Zoals de verzwakte Angela Merkel weinig kon uitrichten om het Europese project weer vlot te trekken, zal een verzwakte Macron op het hele continent extremisten en populisten in de kaart spelen. De Le Pens, Orbáns en Salvini’s staan al te trappelen in de coulissen. Als we niet met oplossingen komen, bestaat er de kans dat de Europese verkiezingen in Frankrijk uitlopen op een referendum tegen Macron.
De Franse president is niet langer een vaandeldrager van liberalen en pro-Europeanen
De Franse president is niet langer een vaandeldrager van liberalen en pro-Europeanen. Maar het is onvoorstelbaar gevaarlijk om dat te zien als een gunstige ontwikkeling voor Europa en de democratie in het algemeen. Het is alsof je hoopt op een zwaar treinongeluk omdat er dan een paar wagons kunnen worden vervangen. De sociale onvrede in Frankrijk is reëel en moet onder ogen worden gezien. Maar de krachten die garen zullen spinnen bij een algehele ravage en geweld op straat, zijn uitgerekend die krachten die ons in het ravijn zullen storten. Kijk maar naar de doodsbedreigingen aan het adres van de gele hesjes die hebben gezegd bereid te zijn met de regering om tafel te gaan zitten.
Een paar jaar terug had een uitgeput en gespannen Italië zijn vaffanculodagen van protesten (met als boodschap aan het establishment: sodemieter op) waar de populistische Vijfsterrenbeweging zo sterk uit tevoorschijn is gekomen. Wat is er sindsdien gebeurd? Dit jaar is Italië in de greep gekomen van extreemrechts. De vaffanculodagen die Frankrijk nu doormaakt zullen tot een soortgelijk scenario leiden als er niet een paar nuchtere mensen opstaan om Macron op de een of andere manier te helpen iets van het vertrouwen te herwinnen. Het Europese democratische project en sociale rechtvaardigheid kunnen niet bestaan zonder een Europees, democratisch Frankrijk. Mariannes gelaat moet worden hersteld.
Natalie Nougayrède was directeur van Le Monde en werkt nu voor The Guardian. Verder is ze werkzaam geweest voor de krant Libération en de BBC.
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
Amerikaanse openbare scholen promoten onderwijs met beeldscherm. In welgestelde gezinnen is persoonlijk contact juist een nieuwe luxe. Want hoe moet een kind later solliciteren als het niet geleerd heeft een normaal gesprek te voeren?
Keuze uit het archief
Ging een aantal decennia geleden de ‘digitale kloof’ tussen arm en rijk nog om toegang tot technologie, nu smartphones alomtegenwoordig zijn draait de digitale kloof meer om inperking van het gebruik. De begeleiding die kinderen ontvangen om op een verantwoordelijke manier met technologie om te gaan is volgens The New York Times in dit artikel uit 2018 namelijk nogal ongelijk verdeeld. Een probleem dat steeds groter wordt naarmate socialemediaplatforms als TikTok en Snapchat verslavender en algoritmen gewiekster worden. Helemaal nu bovendien AI-tools de verspreiding van nepnieuws makkelijker maken, is een gedegen digitale opvoeding van levensbelang voor de samenleving.
De ouders in Overland Park waren het zat. Ze wilden hun kinderen van hun beeldscherm af krijgen, maar dat konden ze niet alleen. Ten eerste omdat je als ouder niet wilt dat jouw kind als enige dat rare buitenbeentje zonder smartphone is. En ten tweede omdat het gewoon heel, heel moeilijk is om een scholier zijn mobieltje af te nemen. ‘We begonnen onze bijeenkomsten met de constatering: dit is lastig, het is onontgonnen terrein.
Wie kan ons hierbij helpen?’ zegt Krista Boan. Zij heeft in Kansas City de leiding over een programma genaamd START, wat staat voor ‘Stand Together And Rethink Technology’. ‘Dit is iets waarover we onze moeder niet om raad kunnen vragen.’ In Overland Park, een voorstad van Kansas City, komen zo’n honderdvijftig ouders daarom al zes maanden lang ’s avonds bijeen in schoolbibliotheken om over maar één ding te praten: hoe ze hun kinderen kunnen losweken van hun mobiel.
Zonder beeldschermen
Nog niet zo lang geleden was de grootste zorg dat rijke leerlingen veel vroeger in aanraking kwamen met internet, waardoor ze een technische voorsprong opbouwden die tot een digitale tweedeling zou leiden. Scholen vragen leerlingen om hun huiswerk online te doen, terwijl ongeveer eenderde van de Amerikanen thuis geen internet heeft.
Maar nu ouders in Silicon Valley zich steeds grotere zorgen maken over de impact van technologie op hun kinderen en steeds meer streven naar een huishouden zonder beeldschermen, groeit de vrees voor een nieuwe digitale kloof. Het zou zomaar kunnen dat kinderen in arme en modale gezinnen worden grootgebracht met beeldschermen, terwijl het kroost van de elite in Silicon Valley juist terugvalt op houten speelgoed en de luxe van persoonlijk contact.
Je ziet dat nu al gebeuren. In rijke wijken zijn ouderwetse, op fysiek spelen gerichte kleuterscholen in zwang. Anderzijds heeft de overheid in Utah juist een onlineonderwijs- programma voor kleuters gefinancierd dat circa tienduizend kinderen bereikt. De organisatie heeft al aangekondigd dat dit digitale kleuteronderwijs in 2019 met federaal overheidsgeld wordt uitgerold naar vijf andere staten.
Volgens onderzoek van Common Sense Media, een onafhankelijke mediawaakhond, besteden tieners uit armere milieus per dag gemiddeld 8 uur en 7 minuten aan beeldschermvermaak, tegen 5 uur en 42 minuten voor leeftijdgenoten uit rijkere milieus. (In dit onderzoek werd elk beeldscherm apart meegeteld: één uur append voor de tv hangen telde dus als twee uur beeldschermtijd.) In twee studies waarbij ook de etnische achtergrond werd meegenomen, bleek het beeldschermgebruik bij blanke kinderen beduidend lager dan bij kinderen uit Afro-Amerikaanse en latinogezinnen.
En ouders constateren zelf ook een groeiende tweedeling tussen openbare en particuliere scholen binnen dezelfde wijk. Op de particuliere Waldorf School of the Peninsula, zeer in trek bij het hogere kader van Silicon Valley, wordt beeldschermgebruik bijvoorbeeld vermeden. Een eindje verderop adverteert de openbare Hillview Middle School juist met zijn iPad-onderwijs.
De psycholoog Richard Freed schreef een boek over de risico’s van beeldschermgebruik voor kinderen en hoe je hen weer in contact kunt brengen met de echte wereld. Hij verdeelt zijn tijd tussen lezingen voor volle zalen in Silicon Valley en zijn praktijk met minder bemiddelde gezinnen in San Francisco. Bij die laatste is hij vaak de eerste van wie ouders horen dat beperking van het beeldschermgebruik de concentratie- en gedragsproblemen van hun kind kan helpen verminderen. ‘Ik ga van lezingen in Palo Alto [een schatrijke stad in Silicon Valley] naar consulten in Antioch [een arme gemeente die zwaar werd getroffen door de huizencrisis], waar ik de eerste ben om ze op die gevaren te wijzen’, zegt Freed.
Wat hem vooral zorgen baart, is het werk van collega-psychologen die techbedrijven helpen hun apps zo waanzinnig verslavend te maken. Zij zijn doorkneed in de technieken van persuasive design, oftewel het bespelen van beeldschermgebruikers. Een paar voorbeelden: de autoplay-functie van YouTube, de teller met ‘likes’ op Instagram die oploopt als een fruitautomaat, het ‘snapreeks’-icoontje op Snapchat.
Smartphones in de ban
‘Eerst ging de digitale kloof over gebrek aan toegang tot technologie. Nu iedereen er toegang toe heeft, draait de digitale kloof meer om inperking van het gebruik’, aldus Chris Anderson, oud-redacteur van het blad Wired. In het hele land maken ouders, artsen en leerkrachten zich hier sterk voor. ‘De bedrijven hebben de scholen voorgelogen en nu liegen ze de ouders voor’, zegt Natasha Burgert, een kinderarts
in Kansas City.
‘We worden allemaal in het ootje genomen’, vindt ze. ‘We onderwerpen onze kinderen, de mijne ook, aan een van de grootste sociale experimenten die we in lange tijd hebben gezien. Hoe moet het straks met mijn dochter, als ze geen normaal gesprek kan voeren onder het eten? Hoe moet ze dan aan de man komen? Hoe kan ze op sollicitatie gaan?’
‘Ik heb nu gezinnen die er helemaal van af willen’, zegt Burgert. ‘Die zeggen: het is welletjes, we kappen ermee.’ Zoals in huize Brownsberger. Smartphones waren daar al lang in de ban gedaan, maar nu heeft ook de tv met internetaansluiting het veld geruimd. ‘We hebben de tv van de muur gehaald en ik heb het kabelabonnement opgezegd’, zegt Rachael Brownsberger (34), moeder van twee zoons van elf en acht.
‘Hoe krankzinnig dat ook klinkt.’ Zij en haar man, eigenaar van een bedrijf in sierbeton, hebben hun kinderen nooit een smartphone gegeven. Maar ze merkten dat zelfs de geringste blootstelling aan beeldschermen al een slechte invloed had op hun gedrag. Haar oudste zoon, die ADHD heeft, werd vaak boos als de tv uit moest, zegt ze. Dat vond ze verontrustend. En zijn verlanglijstje voor Kerst bestond uit een Wii, een PlayStation, een Nintendo, een MacBook Pro en een iPhone. ‘Ik heb gezegd: die krijg je dus niet, jongen’, zegt Brownsberger. ‘Ja, dan ben ik de kwaaie pier.’
Ouders maken zich steeds grotere zorgen over de impact van technologie op hun kinderen
Maar één ding maakt het gemakkelijker: dat andere ouders in hun buurt hetzelfde doen. ‘Je moet dit met een hele gemeenschap doen’, zegt Brownsberger. ‘Ik had het er gisteravond nog over met mijn buurvrouw: ben ik soms zo’n slechte moeder?’ Krista Boan heeft in Overland Park drie proefprojecten met elk zo’n veertig ouders die samen naar goede methoden zoeken om hun kinderen af te krijgen van mobieltjes en andere beeldschermen.
De Kamer van Koophandel steunt het project en de gemeente wil in het komende beleidsplan ook een paragraaf opnemen over ‘digitaal welzijn’. ‘De gemeente en de Kamer van Koophandel zeiden: we zien de gevolgen voor onze stad’, zegt Boan. ‘We willen dat onze jongeren opgroeien tot zelfstandige burgers die verstandig met hun apparaten omgaan, maar daar moeten we ze wel toe in staat stellen.’
Ook in Silicon Valley maken sommigen zich zorgen over de groeiende tweedeling wat betreft beeldschermtijd. Kirstin Stecher en haar man, die bij Facebook werkt, voeden hun kinderen bijna volledig beeldschermvrij op. ‘Is dat omdat we goed geïnformeerd zijn en veel van de technologie weten?’ zegt ze. ‘Of is het omdat we bevoorrecht zijn en makkelijker zonder beeldscherm kunnen?’
‘Er heerst een gedachte dat je kind wordt achter- gesteld en in een andere dimensie opgroeit als het geen beeldschermtijd krijgt’, zegt Pierre Laurent, voormalig manager bij Microsoft en Intel en nu bestuursvoorzitter van de Waldorf School in Silicon Valley. ‘Maar die gedachte slaat in deze contreien niet meer zo aan’, meent hij. ‘Hier snappen de mensen dat het in die bedrijven vooral draait om big data, om AI, en dat is niet iets waarin je zelf heel bedreven wordt doordat je al vanaf je tiende een mobieltje hebt.’
‘Vaardigheden voor de toekomst’
Al krijgen de werknemers in deze sector steeds meer bedenkingen, de markt voor beeldschermtoepassingen voor kinderen groeit intussen als kool. Apple en Google proberen om het hardst hun producten aan scholen te slijten en leerlingen zo jong mogelijk aan zich te binden, als ze merkentrouw beginnen te worden. Google heeft onderzoeksresultaten gepubliceerd van zijn project in het schooldistrict Hoover City in Alaska.
Daar wil Google de leerlingen naar eigen zeggen ‘vaardigheden voor de toekomst’ bijbrengen. Chromebooks en Google-tools hebben volgens het bedrijf levens veranderd: ‘De leiding van het schooldistrict wil de leerlingen opleiden voor succes door ze de vaardigheden, kennis en gedragingen bij te brengen die ze nodig hebben om verantwoordelijke burgers in de wereldgemeenschap te worden.’
Maar volgens Richard Freed wordt bij kinderen uit armere milieus te snel naar deze technologische middelen gegrepen. Hij constateert die kloof iedere dag opnieuw in zijn werk met aan technologie verslaafde kinderen van ouders met modale en lagere inkomens. ‘Veel kinderen in Antioch zitten op scholen die geen geld hebben voor naschoolse activiteiten’, zegt hij, ‘en een kinderoppas kunnen hun ouders niet betalen.’
De kenniskloof over de gevaren van de nieuwe technologie is volgens hem enorm. Met tweehonderd andere psychologen heeft hij een open brief ondertekend waarin ze hun beroepsvereniging oproepen tot het veroordelen van de medewerking van psychologen aan persuasive design in apps gericht op kinderen. ‘Zodra die technologie eenmaal grip op een kind heeft, wordt het heel moeilijk het daar nog van te bevrijden’, zegt Freed.
In Moldavië kan je tien maanden per jaar een speld horen vallen. Pas in de zomer keren duizenden Moldaviërs terug naar hun familie, die ze vaak noodgedwongen hebben achtergelaten om elders geld te verdienen. Tijd om de barricaden op te gaan. ‘Așa sună democrația!’, roept de aanzwellende massa in de straten van Chisinau. ‘ Zo klinkt democratie’.
_ Dit is een bijdrage van AWE, een Nederlands non-profitmediacollectief, opgericht voor en door jonge Europeanen._
De democratie in Moldavië wordt ernstig bedreigd. Het armste land van Europa, met de minste toeristen, gaat gebukt onder grootschalige corruptie, chronische werkloosheid en – het belangrijkst – massale emigratie.
Moldavië is het snelst krimpende land ter wereld. Naar verwachting zal de bevolking in 2100 zijn gehalveerd, waarmee de toekomst van het land op het spel komt te staan. Jongeren zouden daarom prioriteit moeten krijgen, maar de meeste hervormingen worden gedwarsboomd door chronische corruptie en een haperende economie. De EU en Rusland lonken vanwege de betere carrièrekansen. Dus nu staan jonge Moldaviërs voor de keuze: weggaan of blijven?
Hoewel velen hebben gekozen voor een toekomst in het buitenland, voelen zij zich momenteel genoodzaakt weer terug naar huis te gaan, omdat de democratie zo onder vuur is komen te liggen. Ze sluiten zich – al dan niet tijdelijk – aan bij de strijd voor democratie. Hoe slecht de economie er ook voor staat, ze hebben hun land nog niet opgegeven.
40%
van de jonge Moldaviërs had in 2014 geen regulier onderwijs, opleiding of werk.
80%
van de Moldaviërs zegt nauwelijks of geen vertrouwen te hebben in de overheid en het rechtssysteem. Vooral politici, rechters, openbaar aanklagers en de politie worden als corrupt gezien.
73%
van de Moldaviërs geeft aan dat hun inkomen niet of nauwelijks toereikend is om in de eerste levensbehoeften te voorzien.
6%
van de jongeren neemt deel aan demonstraties, waaruit blijkt hoe weinig maatschappelijke betrokkenheid er is onder de jonge Moldaviërs.
Gestolen Stemming
In juni 2018 werd Andrei Nastase democratisch gekozen als burgemeester van de Moldavische hoofdstad Chisinau. Nastase is leider van de grootste oppositiepartij, Waardigheid en Waarheid. Het nationaal hof verklaarde zijn overwinning nietig. Nastase postte op de verkiezingsdag een livefilmpje op Facebook om mensen op te roepen toch vooral te gaan stemmen – niet per se voor hem. Het hof bestempelde het filmpje als een vorm van campagnevoeren, wat niet is toegestaan op de dag van de verkiezingen.
Het besluit van het hof leidde tot diverse golven van protest tegen wat in Moldavië bekend is komen te staan als de ‘Gestolen Stemming’.
Occupy Guguta
Occupy Guguta is een permanente protestbeweging die deze zomer opkwam in reactie op de Gestolen Stemming. De jonge leden van de beweging willen dat Moldavië een echte democratie wordt, die waakt over mensenrechten en zich inzet voor de bevolking. Het is een open beweging, zonder hiërarchie of officieel vastgelegde structuur. De naam is afgeleid van een koffietentje, Guguta, in het Stefan cel Mare-park in Chisinau. In 2009 leidde de onwettige privatisering ervan tot grote woede onder de bevolking, want het café was een geliefde plek voor veel inwoners van de stad. Guguta groeide uit tot een symbool van illegaal geprivatiseerde openbare plekken door het hele land. Tegenwoordig is het terras van Guguta de plek waar de beweging samenkomt.
Vitali, de pianist
Vitali (31) probeert vanuit Moskou, zijn thuisbasis, Moldavië nieuw leven in te blazen met behulp van alles wat hij in het buitenland heeft geleerd.
‘Moldavië is een klein land. De hele bevolking past op het Grote Nationale Assembleeplein [het centrale plein in Chisinau]. Als alle Moldaviërs daarnaartoe komen, zal de overheid wel moeten luisteren naar wat de bevolking heeft te zeggen’, aldus Vitali.
Als concertpianist zit Vitali geregeld in vliegtuigen en hotelkamers. Hij heeft net 1000 kilometer afgelegd van Moskou naar Chisinau om aanwezig te kunnen zijn bij een demonstratie, waar hij met duizenden anderen te hoop loopt tegen de Gestolen Stemming. Het is niet voor het eerst dat Vitali grote afstanden aflegt om zich sterk te maken voor veranderingen in zijn vaderland. Toen in juni dit jaar de lokale verkiezingen plaatsvonden, kwam hij helemaal terug vanuit Nieuw-Zeeland. ‘Ik ben het er niet mee eens dat één stem niets zou uitmaken. Ik wil dat mijn stem meetelt.’
We zitten in een gezellig restaurantje in het centrum van Chisinau. Het duurt niet lang of de piano in de hoek lokt Vitali. Hij neemt plaats op de kruk en legt zijn vingers op de toetsen. Even later klinkt er een melancholieke melodie.
In 2006 verliet Vitali zijn vaderland Moldavië om aan het conservatorium van Moskou te gaan studeren. Zijn enige kans om een pianist van wereldfaam te worden was om naar Moskou te gaan, vertelt hij. ‘Het is een van de beroemdste conservatoria ter wereld. Alle piano-opleidingen, ook die in Chisinau, hebben nauwe banden met de Russische opleidingen.’ Ook dat bevestigt dat er sterke culturele en economische banden zijn tussen Moldavië en ‘Moedertje Rusland’. In Vitali’s geval is het duidelijk een goede zet geweest om naar Moskou te verhuizen: sinds zijn afstuderen heeft hij opgetreden in uitverkochte concertzalen in vijftien verschillende landen.
‘Ik ben het er niet mee eens dat één stem niets zou uitmaken. Ik wil dat mijn stem meetelt’
Hoewel Vitali veel reist, keert hij geregeld terug naar het land waar hij is opgegroeid. Telkens wanneer hij in zijn vaderland komt, merkt hij dat de situatie is verslechterd. ‘Het onderwijs gaat in snel tempo achteruit’, zegt hij. ‘Om nog maar te zwijgen van het culturele leven.’ De grote armoede onder brede lagen van de bevolking betekent dat mensen geen kaartje kunnen kopen voor een klassiek concert. De andere kant van diezelfde medaille is dat musici geen fatsoenlijke boterham kunnen verdienen. Vitali is ervan overtuigd dat een gezonde economie en goed onderwijs van cruciaal belang zijn voor een bloeiende cultuur. Als zelfbenoemd lid van de gestaag groeiende diaspora van Moldaviërs die in het buitenland wonen en werken, levert Vitali een bijdrage aan het herstel van de culturele sector in zijn vaderland: ‘We doen ons best om iets terug te geven, om de Moldaviërs te laten delen in wat wij hebben geleerd, om betrokken te zijn.’
De Moldavische economie is voor een onthutsend groot deel afhankelijk van overboekingen uit het buitenland: elke maand maakt de diaspora 100 miljoen dollar over op rekeningen in Moldavië. In 2016 kwam dat neer op maar liefst een kwart van het Moldavische bnp. ‘Iedereen weet hoe groot de bijdrage is die wij leveren’, zegt Vitali. ‘Er komt jaarlijks een miljard uit de diaspora. Een gestolen miljard, feitelijk. En we blijven maar geld sturen, zelfs als we weten dat het geld vermoedelijk weer gestolen zal worden.’
Maar Vitali’s activisme gaat verder dan alleen het overmaken van geld. In 2011 hielp hij met de organisatie van een festival voor klassieke muziek, dat de symbolische naam Home had en bestond uit een performance gebaseerd op Prométhée ou le poème du feu, een radicaal meesterwerk van de Russische componist Alexander Skrjabin, begeleid door een volledig orkest bestaande uit buitenlandse musici die Vitali had uitgenodigd. En dit jaar gaf hij gratis pianolessen aan de Rachmaninov-muziekschool – de school waar hij zelf als kind op heeft gezeten. ‘Het was geweldig om er nu terug te keren als docent, om met de kinderen te werken en ze wat adviezen te kunnen geven’, zegt hij met een glimlach.
Op de vraag waarom hij zich achter dergelijke initiatieven schaart, geeft hij een simpel antwoord: ‘Uit liefde.’ Liefde voor zijn familie, maar ook voor zijn land. ‘Het feit dat ik ben teruggekomen voor de protesten, is geen politieke daad. Het gaat om maatschappelijke betrokkenheid. Ik wil een land dat functioneert’, zegt hij.
Ana, de activist
Ana (26) is onlangs teruggekeerd naar Moldavië en sindsdien uitgegroeid tot een gedreven activist. Nu staat ze voor de keuze: weggaan of blijven?
‘Mijn band met Moldavië is altijd sterk geweest’, zegt Ana, die haar vingers door haar korte, bruine pony haalt. Ze zit op een tweepersoonsbed in een kamer in het appartement van haar ouders in het centrum van Chisinau, met haar kinderdeken over haar benen. Na jaren in het buitenland te hebben gewoond, is ze teruggekeerd naar huis om te strijden voor de democratie in Moldavië. In ieder geval voorlopig. ‘Ik ben hier geboren, maar eind jaren negentig, net na de kleuterschool, ben ik met mijn ouders verhuisd naar Iasi, in het noorden van Roemenië.’ Ana ging elke week met haar ouders en haar jongere broer de grens over om haar grootouders in Moldavië op te zoeken.
Hoewel Ana is opgegroeid in Roemenië – dat nooit deel heeft uitgemaakt van de Sovjet-Unie – wordt haar identiteit nog altijd in sterke mate bepaald door de Russische cultuur, die in elke voormalige Sovjet-republiek nog zeer sterk voelbaar is. Haar ouders hebben het grootste deel van hun leven onder het Sovjetbewind geleefd, zoals de ouders van de meeste Moldaviërs van Ana’s generatie.
‘Het eerste wat mijn ouders deden toen ze in Roemenië waren, was de televisie aansluiten op de satelliet, zodat ze toegang hadden tot de Russische kanalen’, zegt Ana. Haar lach galmt door het appartement. Ze heeft haar hele puberteit naar Russische talkshows gekeken, over politiek en cultuur. Elk jaar zat het hele gezin met Oud en Nieuw voor de buis om naar Sovjetfilms te kijken. Zelfs het eten dat op tafel kwam, was doortrokken van politiek, want haar moeder maakte borsjtsj en boekweit – exotisch eten naar Roemeense maatstaven.
Toen de kinderen naar het buitenland emigreerden, keerden Ana’s ouders terug naar Moldavië. Haar vader woont momenteel in West-Oekraïne, de enige plek waar hij een baan kon vinden. Haar moeder heeft een baan bij het openbaarvervoerbedrijf, waar ze volgens Ana bitter weinig verdient.
Laten we onze aandacht richten op wat ons bindt, niet op wat ons verdeelt
Er zijn velen zoals Ana’s ouders: afgaande op cijfers van de Verenigde Naties leeft meer dan 14 procent van de Moldaviërs onder de armoedegrens (4,3 dollar per dag) en de werkloosheidscijfers zijn de afgelopen jaren de hoogte in geschoten, tot maar liefst 60 procent. Zodoende worden velen gedwongen hun heil in het buitenland te zoeken. ‘Toen ik op de middelbare school zat, zei mijn moeder altijd: “Wanneer vertrek je? Ga hier weg! Ga weg en maak iets van je leven”’, zegt Ana.
Uiteindelijk is dat precies wat Ana heeft gedaan. Op haar achttiende is ze van Roemenië naar Polen verhuisd om politieke wetenschappen te studeren, een mengeling van sociologie, filosofie en antropologie. Door te studeren ging ze meer van de wereld begrijpen en zo veranderde ook geleidelijk de manier waarop ze tegen haar eigen identiteit aankeek. ‘Als ik met mensen praatte, vroegen ze me altijd naar Moldavië. Ik wist nooit goed wat ik moest zeggen. Meestal zei ik maar gewoon dat de situatie zeer somber was en dat er maar weinig gebeurde’, zegt ze.
Langzaam maar zeker werd door de belangstelling van anderen haar eigen nieuwsgierigheid aangewakkerd. Ze begon het nieuws over Moldavië te volgen en ging geleidelijk inzien met hoeveel uiteenlopende problemen het land kampt. Wat was haar relatie met het land en hoe kon zij helpen?
Dit besef betekende een keerpunt. Langzamerhand groeide bij Ana het idee om terug te gaan naar haar vaderland. ‘Hoe meer ik me realiseerde hoe slecht het land eraan toe was’, zegt ze, ‘des te meer het me ging interesseren.’ Uiteindelijk deed ze zelfs een casestudy naar het maatschappelijk middenveld in Moldavië, als onderdeel van haar masterthesis.
Maar de passieve kant van onderzoek doen is niets voor haar. ‘Ik kan niet tegen onrechtvaardigheid.
Permanente protestbewegin
Als ik van mijn familie hoor hoe slecht het land eraan toe is, roept dat bij mij de vraag op: wat kunnen we daaraan doen?’ Nadat ze afgelopen juli haar master haalde, besloot Ana terug te keren naar haar familie, naar huis. Bij toeval raakte ze direct verzeild in de rumoerige politieke ontwikkelingen die de democratie van het land op haar grondvesten doen schudden. Nadat oppositieleider Andrei Nastase op 3 juni democratisch werd gekozen tot burgemeester van Chisinau, greep het nationale hof in en verklaarde het de uitslag nietig op grond van een onzinnige aanklacht.
In de daaropvolgende maanden ontstond een permanente protestbeweging, Occupy Guguta, die honderden mensen, onder wie Ana, verenigt in één doel: de roep om democratie. Als hartstochtelijk deelnemer aan de demonstraties en de maatschappelijke projecten van de beweging is Ana zeer met dit doel begaan: ‘Ik zie heel veel potentieel in deze beweging en de mensen die de beweging dragen, omdat er een nieuwe visie uit spreekt. In een stad als Chisinau kom je dat niet vaak tegen.’
Ana vindt dat Occupy Guguta een spilfunctie moet vervullen – een plek waar mensen hun problemen kunnen delen en oplossingen kunnen vinden. ‘Een sociale ambulance’, zegt ze. ‘We wonen tenslotte allemaal in Chisinau, we hebben dezelfde problemen. Het maakt niet uit of je Oekraïner of Bulgaar bent. De wegen zijn slecht, het onderwijssysteem stelt niets voor… Laten we onze aandacht richten op dat wat ons bindt, niet op dat wat ons verdeelt.’
Victor, de kunstenaar
Victor (38) is een in Chisinau woonachtige kunstenaar, die deel uitmaakt van Occupy Guguta.
In de herfst van 1987 krijgt een zevenjarige jongen op een lagere school in Macaresti, een pittoresk plaatsje in het oosten van Moldavië, een potlood van zijn tekenleraar. Een uur later heeft hij het Kremlin in Moskou getekend, versierd met ballonnen en vlaggen, en met het woord mir – ‘vrede’ in het Russisch – op de gevel.
Het is de eerste keer dat Victor een potlood op papier zet. Op dat moment wordt de kunstenaar tot wie hij zal uitgroeien geboren. Al vanaf zijn tiende smeekt Victor zijn ouders om hem naar de kunstacademie in de hoofdstad Chisinau te laten gaan. Zijn ouders stribbelen tegen, maar met behulp van zijn broers weet hij ze uiteindelijk over te halen.
Het brandende verlangen om te schilderen is niet de enige reden waarom Victor naar de stad wil: heimelijk hoopt hij ook te ontsnappen aan het leven van zware fysieke arbeid dat hem wacht op het platteland. ‘Ik zag mezelf niet tot in lengte van dagen op het land werken’, zegt hij.
Na zijn afstuderen aan de kunstacademie in Chisinau verhuist Victor naar Roemenië om zich verder te bekwamen in keramiek, schilderen en beeldhouwen. Eind jaren negentig keert hij terug naar zijn vaderland, voornamelijk gedreven door een verlangen zijn vrienden te zien. ‘Mijn besluit was niet echt ingegeven door vaderlandsliefde. Het was meer een kwestie van toeval’, zegt hij. ‘Ik denk dat ik me op de een of andere manier een vreemdeling voelde, en ik had het nodig me ergens thuis te voelen.’
‘Ondanks de protesten zal alles bij het oude blijven’
Maar thuis treft hij een land aan dat wordt geteisterd door corruptie, een land waar democratische waarden worden uitgehold. Wanneer hij hoort over de opkomst van Occupy Guguta hoeft hij niet lang na te denken en sluit hij zich aan. ‘Met veel van de mensen die bij de beweging zijn betrokken, was ik al bevriend. We deden veel dezelfde dingen en gingen naar dezelfde cafés. Op een bepaald moment voelden we dat het goed zou zijn om onze energie te bundelen. Door een paar dingen die gebeurden, was de maat vol. En toen was er ook nog de Gestolen Stemming. Dat was de druppel.’
De Gestolen Stemming was een keerpunt in het democratiseringsproces van Moldavië, sinds het land in 1991 onafhankelijk was geworden van de Sovjet-Unie. Het legde de corruptie en het quasi-autoritarisme bloot die het land sindsdien in de greep houden. ‘Dit land schreeuwt al langer om een beweging zoals die van ons’, zegt Victor.
VC: Hoe zou je de situatie in Moldavië omschrijven?
Victor: ‘Vernederend. Een onophoudelijke vernedering – de situatie wordt steeds nijpender.’
Wat verwacht je van de protesten?
‘Ik heb geen enkele verwachting. Ik geloof niet dat de protesten ook maar iets zullen veranderen.’
Waarom doe je het dan?
‘Het is belangrijk vanuit een langetermijnperspectief. Maar ondanks de protesten zal alles bij het oude blijven.’
Wat versta je onder een langetermijnperspectief?
‘Over drie of vier maanden, misschien na de volgende parlementsverkiezingen, zal er iets veranderen. Mogelijk verandert er ook niets tot aan de verkiezingen en zal de bevolking na de verkiezingen nog gefrustreerder zijn, nog teleurgestelder. Dan zullen de mensen het niet langer pikken en massaal de straat op gaan.’
En komt er weer een protestbeweging, bedoel je?
‘Na de verkiezingen, denk ik, en dan veel ingrijpender. Want onze beweging wordt nu nog ernstig beperkt door een gebrek aan middelen en invloed.’
Aliona, de patriot
Terwijl anderen het land verlieten, bleef Aliona (28) achter om zich in te zetten voor een betere toekomst.
‘Wat mij betreft is iedereen die het land verlaat een verrader’, zegt Aliona zachtjes. Ze veegt de vloer van een van de twee flexwerkruimtes die ze beheert in het centrum van Chisinau. Het licht dat door de ramen naar binnen valt, strijkt langs de afbladderende verf van de muren van het oude kantoorgebouw. Met een snelle beweging maakt ze de ruimte schoon. Haar stijlvolle outfit en haar retromoderne bobkapsel passen perfect in het sjofel-chique interieur. ‘Ik begrijp niet dat mensen vertrekken. Als je over bepaalde talenten beschikt, moet je die inzetten waar ze het hardst nodig zijn, vind ik.’
Voor Aliona is dat in Moldavië. Ze heeft zich nog nooit afgevraagd of ze er wel goed aan heeft gedaan om in haar vaderland te blijven. ‘Ik heb het naar mijn zin in Moldavië. Dit is de plek waar ik de meest waarachtige en authentieke versie van mezelf kan zijn, dit is de plek waar ik me begrepen voel’, zegt ze.
In tegenstelling tot andere mensen van haar leeftijd ziet Aliona Moldavië als een land van mogelijkheden – een land waar jonge mensen kunnen experimenteren zonder een al te hoge prijs te hoeven betalen voor hun vergissingen. Zij is daar het levende bewijs van: als medeoprichter en manager van twee flexwerkruimtes heeft zij haar droom van een eigen onderneming weten te verwezenlijken.
Maar haar vrienden hebben soms moeite te begrijpen waarom zij per se in het snelst krimpende land ter wereld wil blijven wonen. ‘“Waarom verdoe je je tijd?” vragen ze me. Maar voor mij dient het een hoger doel – om mijn ouders hier te kunnen zien’, zegt ze.
‘Als je over bepaalde talenten beschikt, moet je die inzetten waar ze het hardst nodig zijn’
Aliona is niet de prototypische patriot; op haar dertiende liep haar band met Moldavië een ernstige deuk op, toen haar beide ouders het land verlieten om elders te gaan werken. ‘Dat was een pijnlijk moment.’ Haar stem breekt. Destijds gingen Aliona’s ouders naar het buitenland om het geld terug te verdienen dat ze verschuldigd waren na een mislukte landbouwonderneming. ‘Mijn ouders hebben keihard gewerkt om hun zaak op te zetten. Ze zijn er niet rijk van geworden. Uiteindelijk moesten ze naar het buitenland om geld te verdienen voor schulden die ze niet op een andere manier konden aflossen’, zegt ze.
Aliona is niet het enige kind in Moldavië dat zonder ouders is opgegroeid. Meer dan 150.000 Moldavische kinderen leven alleen of worden opgevoed door oudere broers of zussen, of door hun grootouders. Sommige groeien op in eenoudergezinnen. De ouders in het buitenland zorgen voor hen door geld over te maken.
Dat Aliona zo toegewijd is aan Moldavië, wil niet zeggen dat ze haar ogen sluit voor de problemen van haar vaderland. Toen de uitslag van de lokale verkiezingen ongeldig werd verklaard, en daarmee dus ook de stem van de bevolking, had ze het gevoel dat ze geen lucht meer kreeg. ‘We konden alles verliezen’, zegt ze. ‘Hoop en democratie.’
Samen met een groot deel van haar vrienden sloot ze zich aan bij een protestbeweging, Occupy Guguta – vernoemd naar een populair café dat illegaal was geprivatiseerd.
Sindsdien heeft ze geholpen met het organiseren van bijeenkomsten, het schilderen van protestborden en het mobiliseren van de leden van de beweging op social media. ‘We willen de overheid laten weten dat we zien waar ze mee bezig is, dat we haar volgen en dat we haar niet zomaar haar gang laten gaan.’
Belofte
Onafhankelijkheidsdag
Nadat duizenden mensen in Chisinau hebben gedemonstreerd tegen hun corrupte regering, brengen Ana, Victor en Aliona de nacht door in de buurt van het standbeeld van Stefanus III de Grote, een middeleeuwse vorst die in Moldavië wordt vereerd als een nationale held. Samen met andere demonstranten van Occupy Guguta wachten ze op de dageraad van Onafhankelijkheidsdag – de dag waarop het land viert dat het in 1991 onafhankelijk werd van de Sovjet-Unie.
De dag breekt aan. Als de demonstranten weigeren het plein te verlaten, worden ze met geweld verwijderd door de oproerpolitie. Deze plaatst hekken om hen te scheiden van de Moldavische regeringsvertegenwoordigers die bloemen komen leggen bij het standbeeld. ‘Weg met de regering, weg met de maffia!’ scandeert de menigte. De stemmen worden langzaam overstemd door een naderend fanfarekorps van het leger. ‘Ineens werden we omringd door honderden agenten, drie rijen dik’, vertelt Victor later. ‘Alleen al het enorme aantal agenten was intimiderend.’
*Vermoorde onschuld *
Op hetzelfde moment ontruimen gewapende troepen het Occupy Guguta-bolwerk in het park, een paar honderd meter verderop, hoewel de beweging een demonstratievergunning heeft, geldig tot december. ‘Er werd gehuild, iedereen was woedend; het was heel intens’, zegt Aliona. Voor haar maakt het onwettige optreden van de politie duidelijk dat de strijd voor hervormingen nog lang niet voorbij is.
De overheid speelt de vermoorde onschuld. ‘Als mensen zich niet aan de wet houden, heeft de politie het recht om in te grijpen. Het optreden van de politie was legitiem’, zegt Andrian Candu, woordvoerder van het parlement.
Ondertussen laten oppositieleiders Maia Sandu en Andrei Nastase, die ook van het plein zijn verwijderd, weten dat ‘het verzet niet is gebroken’. ‘De vrijheid van Moldavië mag niet in handen liggen van dictators – die behoort toe aan de mensen die met hun bloed, zweet en tranen dit land hebben opgebouwd’, aldus Nastase.
Belofte
Zal die belofte ooit worden ingelost? De geschiedenis heeft keer op keer aangetoond dat wezenlijke democratische hervormingen tijd kosten en zelden van de ene op de andere dag worden bereikt. Hoewel de protesten van augustus in veel opzichten een succes waren, is Moldavië daarmee niet als bij toverslag van alle plagen verlost.
En terwijl jonge Moldaviërs nog steeds worstelen met de cruciale vraag of ze moeten blijven of vertrekken, maakt hun betrokkenheid duidelijk dat er nog altijd voldoende mensen zijn die bereid zijn hun stem te verheffen en te vechten voor verandering. Hun stem en strijd kunnen van doorslaggevend belang zijn bij de komende parlementsverkiezingen, in februari 2019.
Tekst : Victoria Colesnic
Vertaler: Nicolette Hoekmeijer
Fotografie : Ramin Mazur
Are We Europe
Stichting Are We Europe (AWE) is opgericht als platform voor Europese storytelling. In Europa heerst toenemende onvrede en onzekerheid. Grenzen gaan dicht, en tegelijkertijd groeit er een generatie op die geen grenzen kent. AWE verzamelt en vertelt hun verhalen.
Op het Chinese platteland worden tussen de zestig en honderd miljoen kinderen min of meer aan hun lot overgelaten door hun ouders die naar de stad vertrekken, vaak ver weg, om de kost te verdienen. Ander vermaak dan gamen op een smartphone is er niet.
Zodra de zomervakantie begint, gaat de middelbare scholier uit de oostelijke provincie Hebei – we zullen hem hier Yang noemen – in de ‘gamemodus’: de zon staat al hoog aan de horizon als hij nog met zijn mobieltje in bed ligt om ‘forten te verwoesten’. Rond het middaguur werkt hij in een paar happen zijn maaltijd naar binnen, om vervolgens snel weer te proberen ‘kip te eten’, een Chinese uitdrukking die waarschijnlijk afkomstig is van het Engelse winner winner chicken dinner en die de beloning is als je de game wint.
Om twee of drie uur in de ochtend zit Yang nog hoog te paard en slaat hij woest om zich heen met zijn zwaard tijdens het spelen van Wangzhe Rongyao, een onlinegame die ook bekend is onder de naam King of Glory. Zelfs als hij van de slaap bijna met zijn neus op zijn mobieltje valt, wil Yang ‘blijven vechten tot de laatste druppel bloed’.
School is niet te harden
Omdat hij momenteel geen schoolverplichtingen heeft en zijn ouders ver weg werken, in Beijing, is Yang volledig vrij om te doen en laten wat hij wil en de jeremiades van zijn grootmoeder die voor hem moet zorgen te negeren. (‘Ik ben oud, echt te oud om hem nog de baas te kunnen!’) Zijn ouders hebben ook geprobeerd hem mee te laten gaan naar Beijing, maar omdat ze geen tijd hadden om bij hem te blijven, was het resultaat min of meer hetzelfde.
‘Wat kan ik anders doen dan gamen?’ zegt Yang, zonder zelfs maar op te kijken van het mobieltje waarmee hij in de weer is. Het valt inderdaad niet mee om een aantrekkelijker bezigheid te vinden in zijn dorp, waar geen plek is om te gaan zwemmen, waar geen enkele activiteit wordt georganiseerd, waar hij niet in bomen mag klimmen en waar ouderlijk toezicht ontbreekt.
Onlinegames zijn langzaam maar zeker bezig het platteland te verslinden. Talloze pubers zijn nonstop aan het gamen en vinden zichzelf heel modern. Maar veel plattelandskinderen gaan langzaam maar zeker kapot aan de games op hun mobieltje. ‘Wat ik leuk vind, is de opwinding die je voelt, waardoor je hart sneller gaat kloppen’, zegt een middelbare scholiere in het dorp Guan Cun, in de provincie Guangdong. Alleen met gamen kan ze ‘uit haar dak gaan’, terwijl de realiteit in haar ogen eentonig en oninteressant is: ‘School is niet te harden. Je verveelt je er dood!’
Vroeger spijbelden jongeren om in internetcafés te gaan gamen, maar tegenwoordig nemen de meeste leerlingen hun toevlucht tot hun smartphone, een veel praktischer oplossing.
Antiverslavingssystemen verslaan
Om obstakels te overwinnen en de onmetelijke wereld van deze games te ontdekken, dienen ze eerst de fijne kneepjes onder de knie te krijgen. Om te beginnen moeten ze de antiverslavingssystemen ‘verslaan’. Sommige games eisen bijvoorbeeld dat hun gebruikers zich identificeren en zien erop toe dat minderjarigen niet meer dan twee uur per dag kunnen spelen. Waarom zou je je op internet dan niet uitgeven voor een volwassene? Je geeft gewoon een nummer op van een identiteitskaart waarvan de houder ouder is dan achttien, compleet met voor- en achternaam. Dan ben je van alle gedonder af als je je moet registreren of identificeren. Yang is behoorlijk trots op zichzelf: al sinds de basisschool gebruikt hij dit soort procedures als hij sites bezoekt die eisen dat hij zich identificeert.
Zodra de zomervakantie is begonnen, moet het hoofd van de basisschool in Guan Cun een enorm aantal jongeren wegjagen die van zijn wifi gebruik komen maken om te gamen. De school is een van de weinige plekken in het dorp die over wifi beschikken. In het begin dromden kinderen die niet op de school zaten samen voor de deur van zijn kantoor. Na diverse ‘offensieve en defensieve acties’ houden ze zich nu op bij de ingang van de school, waar de zinderende hitte van deze julimaand hen er niet van weerhoudt zich uit te leven op hun mobieltjes. De beschikbare wifispots in het dorp zijn plekken die ‘fel bevochten’ moeten worden. Het kunnen huizen van klasgenoten met een internetverbinding zijn, de minisupermarkt in het dorp of de omgeving van de lerarenkamer.
De echte ‘strijd’ met de leraren begint in feite als de school weer begint. De meeste kinderen uit het dorp gaan intern als ze eenmaal op de middelbare school in de stad zitten, vanwege de afstand en om veiligheidsredenen. Vóór de vakantie woonde Yang dus in het districtsinternaat, waar mobieltjes verboden zijn op straffe van inbeslagname. De scholieren zullen hun lust om te spelen moeten onderdrukken, of het in elk geval stiekem moeten doen. Als er een onverwachte controle wordt gehouden door leraren of surveillanten, verstoppen ze hun mobieltje gauw in de toiletten, in hun schoenen of op een andere geschikte plek. ’s Avonds zorgen ze ervoor dat een van hen de wacht houdt en fluit als er een surveillant komt inspecteren. Omdat er in het internaat geen stopcontacten zijn om de mobieltjes op te laden, moeten ze naar de minisupermarkt om ‘elektriciteit te kopen’ voor 2 yuan [ca. 25 eurocent] per keer.
Uit een onderzoek in een arm district in de Autonome Yi Prefectuur Chuxiong is gebleken dat kleine winkels die in de buurt van scholen gelegen zijn, niet alleen elektriciteit verkopen maar ook smartphones die de leerlingen op krediet kunnen aanschaffen om op te gamen. ‘Dat is een enorme business geworden, de meeste middelbare scholieren komen op die manier aan een mobieltje, zonder dat hun ouders en hun leraren het weten. De kinderen van tegenwoordig zijn gewiekst’, verzucht Sun Aiying, de moeder van Yang, een tikje schuldbewust.
Alleen maar spelen
In het begin wilde ze geen mobieltje voor haar zoon kopen, ‘maar iedereen heeft er een en hij zeurde me elke dag de oren van het hoofd. En het moest nota bene ook nog een smartphone zijn’, zegt ze. Omdat ze denkt dat haar zoon lijdt onder haar veelvuldige afwezigheid, heeft ze uiteindelijk toch maar een telefoon voor hem gekocht voor ongeveer 700 yuan [ca. 88 euro]. Dat heeft niet goed uitgepakt: vanaf dat moment zijn de schoolresultaten van haar zoon allengs slechter geworden en zijn haar man en zij op school ontboden omdat Yang met zijn smartphone had gespeeld. ‘Zijn grootouders mopperen op hem en slaan hem, maar het zal hem een zorg zijn, hij denkt alleen maar aan spelen.’
Zelf komt ze hooguit om de drie à vier maanden naar het dorp. ‘Als ik terugkom, heb ik zelfs geen tijd om hem te vertroetelen’, laat staan dat ze zin heeft om hem de les te lezen. Ze heeft wel geprobeerd zijn mobieltje af te pakken, maar na een woede-uitbarsting van haar zoon, die bovendien weldra terug moest naar het internaat, heeft ze het hem toch maar weer teruggegeven. ‘Ik ben altijd een beetje ongerust, en als hij geen telefoon heeft, kan ik hem niet bereiken als hij weer op school zit.’
Liu Chengliang van de Universiteit van Huazhong heeft na onderzoek in zes districten en gemeenten van de provincies Guangxi en Yunnan geconstateerd dat het gebruikelijk is dat plattelandskinderen een mobiele telefoon hebben, omdat hun ouders ver weg werken en hun grootouders vanwege hun hoge leeftijd of hun slechte gezichtsvermogen niet in staat zijn goed voor hen te zorgen. Deze jongeren zijn vaak zo verslingerd aan Whangzhe Rongyao dat ze ‘er niet meer mee kunnen stoppen’.
Volgens het Rapport over de verslaving van jongeren en adolescenten, opgesteld op basis van een gehouden online-enquête over de gezondheidsgevolgen van het gedrag van deze groep, blijkt dat kinderen die door hun in de stad werkende ouders op het platteland worden achtergelaten, veel meer tijd met gamen doorbrengen dan andere kinderen. De percentages zijn met name hoger bij kinderen die er vier à vijf uur per dag mee bezig zijn (18,8 tegen 8,8 procent) en kinderen die er meer dan zes uur aan besteden (18,8 tegen 8,2 procent).
‘Hoewel het veel ouders in het rurale milieu zorgen baart als ze hun kind met hun mobieltje zien spelen, zijn er ook heel wat die de smartphone als een “elektronische oppas” beschouwen. Door hun kind een mobieltje te geven, weten ze dat het lief zal spelen zonder lawaai te maken of God weet waar naartoe te rennen.’ Zhang Haibo, directeur van het Centrum voor Onderzoek naar het Mediagedrag van Kinderen van de China National Youth Palace Association (CNYPA), legt uit dat, anders dan in de steden, ouders op het platteland om diverse redenen, die vooral met hun opleidingsniveau te maken hebben, niet begrijpen hoe gevaarlijk een verslaving aan smartphones en games voor hun kind kan zijn. ‘Sommigen denken dat het geen enkel kwaad kan om ze te laten spelen; anderen menen dat het hooguit niet goed is voor hun ogen.’
Vaak zijn het de scholen die de educatieve verplichtingen op zich moeten nemen die plattelandsouders laten versloffen. Maar ook zij staan machteloos tegenover de mobiele games. Een onderwijzer in Guan Cun vertrouwt ons toe dat de kinderen daar na schooltijd niet kunnen gaan zwemmen of in bomen klimmen, en dat er ook geen avondcursussen zijn, of een bibliotheek of een speelterrein. Wat moeten de leerlingen buiten schooltijd dan doen?
Niveauverschil
De laatste jaren is men zich steeds meer gaan interesseren voor educatieve zaken als vermindering van de schooldruk, vrij onderwijs en spelend leren. Maar volgens Liu Chengliang leven deze ideeën alleen nog bij de avant-garde, terwijl er op het platteland, vooral in de minst ontwikkelde regio’s, intensieve steun nodig zou zijn om die zaken te verwezenlijken: ‘Het platteland kan zich niet meten met de steden. In de steden worden talrijke pedagogische ideeën toegepast en genieten kinderen de bescherming van zowel de samenleving, hun familie als de school. In rurale gebieden zijn de omstandigheden volstrekt verschillend, vooral in de arme regio’s. Als er bijvoorbeeld voor toelating tot het middelbaar onderwijs minder belang wordt gehecht aan de behaalde cijfers op de basisschool, wie zal zich dan nog druk maken over de schoolresultaten van de kinderen en over het niveau van hun verworven kennis?’
In een district dat naar nationale maatstaven gemeten arm is, heeft Chengliang onderzoek gedaan bij 3164 leerlingen uit groep zes van achttien basisscholen: 737 leerlingen in de hoofdstad en 2427 op vijftien dorpsscholen. In de stad had 88,6 procent van de leerlingen een gemiddelde kennis van het Chinees, tegen 54,3 procent van de leerlingen van het platteland; voor wiskunde waren de percentages respectievelijk 71,6 procent en slechts 27,4 procent.
‘Behalve het afpakken van de mobieltjes van de leerlingen en hun een standje geven, zijn er weinig andere doeltreffende maatregelen die leraren kunnen nemen’, constateert Wu Qifa, leraar op een middelbare school in de provincie Hubei, in Centraal-China. ‘Bovendien kampen jonge plattelandskinderen vaak met een gebrek aan affectie, vooral door de afwezigheid van hun ouders, zodat ze heel makkelijk verslaafd raken aan games – zo erg zelfs dat veel leerlingen in het lager en middelbaar onderwijs langzamerhand alle belangstelling voor lezen verliezen.’
Liberale’ staatskrant die i.s.m. de Communistische Jeugdliga wordt gemaakt. Veel aandacht voor veranderingen in de Chinese samenleving.
CONTEXT: Een massaal fenomeen
Volgens statistieken van de Chinese regering, overgenomen in een artikel in de South China Morning Post, leven meer dan negen miljoen minderjarige kinderen op het Chinese platteland zonder hun ouders, die ver van hun dorp werken. In de provincies Anhui, Henan en Sichuan, goed voor de meeste arbeidsmigranten, doet dit fenomeen zich het sterkst voor. Maar liefst 44 procent van de kinderen zou er zonder moeder of vader opgroeien, beduidend meer dan het nationale gemiddelde, dat op 35,6 procent ligt. ‘Het voortijdige verlies van de gezinsstructuur kan psychische stoornissen veroorzaken, zoals depressie, angstgevoelens of zelfmoordneigingen’, aldus een door de krant geciteerd rapport van de ngo Shang Xue Lu Shang en de Beijing Normal-universiteit.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.