Tag: armoede

  • Wat er gebeurde met banen die van Ohio naar Mexico werden verplaatst

    Wat er gebeurde met banen die van Ohio naar Mexico werden verplaatst

    Tien jaar geleden verhuisde Delphi Automotive zijn onderdelenfabriek van Warren, Ohio naar Ciudad Juárez in Mexico. Zo kreeg Berta Alicia Lopez de baan van Chris Wade.

    In het donker steekt Chris Wade zijn hand uit om zijn blèrende wekker tot zwijgen te brengen. 
Het is halfvijf op een ijskoude winterochtend in Warren, Ohio en buiten ligt een verse laag sneeuw. Godzijdank, denkt Wade bij zichzelf. Nu kan hij er met zijn sneeuwschuiver opuit om 
snel een paar dollar te verdienen.

    Vroeger was geld nooit een probleem voor Wade (47). Hij bezat een huis met zwembad in de tijd dat hij voor Delphi Automotive werkte, een fabriek van auto-onderdelen die jarenlang een 
van de grootste werkgevers was in dit bebosWadte stukje in het noordoosten 
van Ohio. Tien jaar geleden besloot Delphi grote delen van de productie naar Mexico en China te verplaatsen. Wade kreeg een afvloeiingsregeling en nu behoren het huis en het zwembad tot het verleden.

    Berta Alicia Lopez (54) is het nieuwe gezicht van Delphi. Op een kille ochtend wordt ze voor dag en dauw wakker en neemt een onverwarmde bus die haar na een uur rijden afzet bij de Delphi-fabriek. Lopez verdient 1 dollar per uur met het in elkaar zetten van kabels en elektronica die uiteindelijk 
in auto’s zullen worden geïnstalleerd – hetzelfde werk dat Wade vroeger voor 30 dollar per uur deed. Als boerendochter uit een verarmd stukje Mexicaans platteland is Lopez trots op haar tweedehands Toyota en haar betonnen flatje. Vaak dankt ze God dat ze werk heeft, ook al is het in een stad die kampt met drugsgeweld en ziet ze weinig kansen op salarisverhoging of promotie.

    Tussen deze twee arbeiders ligt 2500 kilometer en een grens, en ze hebben elkaar nooit ontmoet; maar samen belichamen ze de enorme 
economische verschuiving die de opkomst van de vrijhandel met zich mee heeft gebracht.

    Onlosmakelijk verbonden

    In de Verenigde Staten heeft die verschuiving bijgedragen aan het verlies van de banen die arbeiders ooit in staat stelden om een eigen huis te kopen, een zorgverzekering te betalen en 
hun kinderen naar de universiteit te sturen. In Mexico kwamen er door 
die verschuiving juist banen hij – al brachten die niet de brede welvarende middenklasse die ze ooit in Amerika hadden opgeleverd.

    President Trump heeft gezworen de fabrieken terug te brengen. Maar het zou wel eens te laat kunnen zijn om het krachtige tij nog te keren dat 
bepalend is geweest voor het leven van Wade en Lopez, en voor de ontwikkelingen in twee steden, een Amerikaanse en een Mexicaanse, die op de kaart van de wereldeconomie onlosmakelijk met elkaar verbonden blijven.

    In het verhaal van Trump hebben de vrijhandelsakkoorden en de globalisering duidelijke winnaars en verliezers opgeleverd. Maar Delphi was al jarenlang bezig zijn Amerikaanse personeelsbestand in te krimpen, voordat het bedrijf in 2006 zijn productielijnen naar het buitenland overbracht. ‘Elke keer 
als ik een Delphi zie en andere bedrijven die het land verlaten, wordt die muur een beetje hoger, en hij blijft maar omhoog gaan,’ zei Trump op een 
campagnebijeenkomst in Ohio, een paar dagen voor de verkiezingen. ‘We gaan de strijd aan met Delphi en andere bedrijven en we zeggen: verlaat ons niet, want dat zal gevolgen hebben.’

    Op haar tiende 
haalde haar moeder haar van school: “Waarom zou je verder leren, als je 
toch alleen maar gaat werken en baby’s gaat krijgen?”

    Trump heeft gezworen invoerrechten te zullen heffen op producten uit Mexico en opnieuw te gaan onderhandelen over de North America Free Trade Agreement (NAFTA), het verdrag dat een eind maakte aan de meeste handelstarieven op het continent en waardoor, in de ogen van Trump, Mexico zich heeft verrijkt ten koste 
van Midden-Amerika.

    Maar de werkelijke erfenis van NAFTA, dat van kracht werd in 1994, is gecompliceerder. Niemand zal bestrijden dat het verlies aan maakindustrie pijnlijke littekens heeft achtergelaten in delen van de VS, zoals in de Rust Belt, waar lager betaalde banen in de dienstensector steeds meer de plaats innemen van middenklassebanen in de industrie. Maar volgens veel economen ligt de oorzaak daarvoor eerder bij technologische veranderingen en de concurrentie met China dan bij NAFTA. De scherpe afname van het aantal fabrieksbanen tussen 2000 en 2010, van 17 miljoen naar 11 miljoen, is volgens Gordon 
Hanson, econoom en handelsexpert aan de Universiteit van San Diego, voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de vrije import van goederen die goedkoop in China worden gemaakt en aan het toenemende gebruik van machines die het werk doen dat vroeger door mensen werd gedaan. Ten zuiden van de grens heeft de vrije handel Mexico inderdaad geholpen om te moderniseren; sinds de ondertekening van 
het NAFTA-akkoord zijn in het land 
miljoenen banen gecreëerd, heeft de investeringsstroom een stimulans gekregen en is de Mexicaanse maakindustrie diverser geworden. Mexicaanse arbeiders fabriceren nu allerlei producten, van Whirlpool-wasmachines tot Bombardier-vliegtuigen. Maar de 
lonen zijn laag gebleven, zodat Mexico aantrekkelijk blijft voor fabrikanten 
die anders in de verleiding zouden kunnen komen om zich in China of elders in Azië te vestigen. Sinds NAFTA in werking trad, is er niets veranderd 
in het aantal Mexicanen dat onder de armoedegrens leeft – meer dan de helft.

    Nu Trump bedrijven onder druk zet 
om plannen voor nieuwe fabrieken in Mexico af te blazen en bezweert dat 
hij handelsakkoorden gaat openbreken, doemen er aan de horizon nog meer dramatische veranderingen op. 
Zijn regering heeft voorgesteld om 20 procent invoerrechten te heffen 
op de import van goederen uit Mexico en andere landen waarmee de VS 
een handelstekort hebben. Volgens economen vormt dat plan een reële bedreiging voor Mexico, dat zo’n 80 procent van zijn export naar de VS verscheept en waarvan de nationale munt, de peso, sterk is gedaald als gevolg van de zorgen over wat de 
regering-Trump zal gaan doen.

    Bertha Lopez in haar huis. – © Katie Falkenberg / Los Angeles Times
    Bertha Lopez in haar huis. – © Katie Falkenberg / Los Angeles Times

    Lopez denkt niet na over Trump – zij heeft het te druk voor politiek. Wade zegt dat hij alleen maar wil dat alles weer wordt zoals vroeger. Maar zelfs hij vraagt zich soms af: ‘Is het te laat?’

    De sneeuw blijft vallen, dus Wade 
belt een paar maten met wie hij vaak samenwerkt en start zijn sneeuwschuiver. Zijn eerste klus: de oprit schoonvegen van een industrieterrein dat ooit van Delphi was. ‘Toen waren de tijden nog goed,’ zegt Wade in zijn slepende tongval. ‘Ik kwam hier graag.’

    De geschiedenis van Delphi begint in 1890, toen het bedrijf onder de naam Packard Electric in Warren begon met de productie van gloeilampen. Later kwamen daar auto-onderdelen bij. In 1932 werd het bedrijf onderdeel van General Motors en breidde het zich steeds verder uit, tot het overal in de VS fabrieken had.

    De vestigingen in Warren betaalden middenklassesalarissen en droegen zo bij aan de bouw van een welvarende stad met aantrekkelijke bakstenen gebouwen aan levendige straten. Wades beide ouders werkten voor 
Packard Electric en verdienden genoeg om zomers met het gezin op vakantie te gaan en zich een zwembad in de achtertuin te kunnen veroorloven. Wade groeide op met de verhalen die elke avond aan tafel werden verteld over wat er die dag op de werkvloer in de fabriek was gebeurd. Packard was toen al begonnen met het reduceren van het personeelsbestand in de VS, door delen van de productie over te brengen naar Mexico. Daar kon het bedrijf profiteren van de lagere loonkosten in steden als Ciudad Juárez, dat fabrieken van buitenlandse bedrijven lokte door ze heel weinig belasting te laten betalen. De dreiging dat er nog meer banen naar het buitenland zouden verdwijnen dwong de vakbonden in Ohio tot concessies op het gebied van salarissen en arbeidsvoorwaarden.

    Toen NAFTA toesloeg, veranderde 
Ciudad Juárez van het ene moment op het andere van een woestijnoase die vooral bekendstond om zijn nachtclubs en casino’s, in een uitgestrekt netwerk van betonnen bedrijfsgebouwen langs stoffige zandwegen

    Toch gingen Wades broer en schoonzus na de middelbare school bij de fabriek in Warren werken, en Wade ging ervan uit dat hij dat ook zou doen. Toen het zover was, werkten er nog krap negenduizend mensen bij de vestiging in Warren, tegen dertienduizend tien 
jaar daarvoor. Maar Wade was tevreden met zijn leven. Hij werkte in de avonddienst aan de lopende band en kon elke donderdagavond zijn looncheque gaan verzilveren in de bar aan de overkant van de straat. Op zijn vrije dagen ging hij eenden jagen met zijn chocoladebruine labrador Hunter.

    Aan het begin van deze eeuw, nadat Packard was omgedoopt tot Delphi Automotive Systems en los van General Motors verder was gegaan, bezat Wade zijn huis met zwembad. Zijn vrouw reed in een gloednieuwe Trailblazer 
en hijzelf in een nieuwe Chevrolet pick-up. Hij had geen idee wat hem boven het hoofd hing.

    Lopez groeide op in Bermejillo, een stoffig stadje in de staat Durango, 
waar haar stiefvader hele dagen in de brandende zon werkte op zijn katoen- en meloenakkers. Op haar tiende 
haalde haar moeder haar van school: ‘Waarom zou je verder leren, als je 
toch alleen maar gaat werken en baby’s gaat krijgen?’

    En inderdaad: op haar zeventiende kreeg ze een zoon, de eerste van haar vijf kinderen. De mensen in Bermejillo verdienden al eeuwenlang de kost op hun akkers en Lopez had weinig reden om aan te nemen dat voor haar iets anders weggelegd zou zijn.

    Maar het NAFTA-verdrag maakte het 
de kleine Mexicaanse boeren moeilijk. Zij moesten nu concurreren met de importproducten van reusachtige agrobedrijven uit de VS, die vaak flinke subsidies kregen van de Amerikaanse regering. In plaatsjes als Bermejillo raakte een hele generatie jonge 
mensen werkloos en velen trokken naar het noorden, de VS in. Anderen gingen naar grenssteden zoals Ciudad Juárez.

    Toen NAFTA toesloeg, veranderde 
Ciudad Juárez van het ene moment op het andere van een woestijnoase die vooral bekendstond om zijn nachtclubs en casino’s, in een uitgestrekt netwerk van betonnen bedrijfsgebouwen langs stoffige zandwegen. De bevolking groeide sneller dan de overheid snelwegen, scholen en andere infrastructurele voorzieningen kon bouwen.

    Lopez werkte voor 5 dollar per avond in een café, toen een vrachtwagenchauffeur op doorreis haar vertelde over de nieuwe banen in de fabrieken in het noorden. In 1996 arriveerde ze met haar man en vijf kinderen in Ciudad Juárez. Haar oudste zoon was toen zestien en vond meteen werk in een maquiladora, zoals ze de Amerikaanse fabrieken noemden die zich in hoog tempo aan de Mexicaanse kant van de grens 
vestigden. Dat gold ook voor Lopez, 
die zo nerveus was dat ze op haar eerste dag op het werk aanbood om de toiletten schoon te maken in plaats van op de fabrieksvloer te werken.

    ‘God hielp me,’ vertelt ze nu. ‘We hadden tenminste werk, hoe goed of slecht dat ook was.’ Ze raakte gewend aan het fabriekswerk – roddelde met de andere arbeiders tijdens de pauzes, volgde lessen die na werktijd werden aangeboden en waarmee ze een diploma algemene ontwikkeling behaalde, legde zich neer bij het leven in een grote stad ver van huis. Toen, in 2001, pleegde haar op één na oudste zoon zelfmoord. Na zijn dood was ze zo verslagen dat ze voor het eerst thuisbleef van haar werk.

    Een van haar leidinggevenden kwam haar thuis opzoeken en haalde haar over om weer naar de fabriek te komen. Lopez overwoog vervolgens om naar Durango terug te gaan, maar ze wist dat daar geen goede banen waren. Ze legde zich neer bij het feit dat de Delphi-fabriek waarschijnlijk de beste plek was waar ze ooit zou kunnen werken en dat Ciudad Juárez nu haar thuis was. ‘Zonder die baan had ik niet te eten,’ zegt ze.

    1. Chris Wade werkt ’s zomers als dakdekker 
en ’s winters als sneeuwruimer; 2. Na een dag belt Wade over zijn werkrooster voor de rest van de week. – © Katie Falkenberg / Los Angeles Times
    1. Chris Wade werkt ’s zomers als dakdekker 
en ’s winters als sneeuwruimer; 2. Na een dag belt Wade over zijn werkrooster voor de rest van de week. – © Katie Falkenberg / Los Angeles Times

    Delphi had een notering aan de beurs van New York, maar was nog steeds afhankelijk van zijn grootste klant, General Motors. Toen die in 2004 instortte, raakte ook de transnationale auto-onderdelenfabrikant in een vrije val. Het jaar daarna volgde bovendien een boekhoudfraudeschandaal waarin verscheidene topmanagers werden bestraft, en Delphi stevende af op een faillissement.

    Er kwam een nieuwe topman, Robert Miller, die klaagde dat de Amerikaanse personeelsleden van het bedrijf te 
veel betaald kregen, waardoor de loonkosten in de VS-vestigingen drie keer zo hoog waren als die van andere 
auto-onderdelenleveranciers. In maart 2006 kondigde Delphi de sluiting van 21 van zijn 29 Amerikaanse fabrieken aan, waarmee 29.000 banen verloren gingen, zo’n twee derde van het totale personeelsbestand. De productie werd overgebracht naar fabrieken in China en Mexico, waar Delphi nu zo’n 70.000 mensen in twintig steden aan het werk heeft.

    De meeste bedrijfsonderdelen in 
Warren bleven wel open, maar met veel minder mensen. Terwijl Miller een vertrekregeling meekreeg die volgens sommigen 35 miljoen dollar waard was, kregen de arbeiders het dringende advies om een afvloeiingsregeling 
te accepteren en werden ze gewaarschuwd dat hun salaris, als ze bleven, gemiddeld van 29 naar 16,50 dollar 
per uur zou dalen.

    Op de dag dat hij Delphi verliet met een vertrekregeling van in totaal 140.000 dollar, was Wade, zoals hij het noemt, ‘laaiend’. ‘De directeuren en 
de mannen aan de top verdienen 
miljoenen, terwijl alle anderen maar nauwelijks overleven,’ zegt hij. ‘Dat deugt niet.’

    in Trumbull County, het vroeger 
fabricage- en staalbastion waar Warren toe behoort, voelde men de ontslagen bij Delphi als een laatste dodelijke dreun. Wades jaren na Delphi waren niet gemakkelijk. Kort na zijn vertrek bij de fabriek maakte hij een scheiding door en hij ontsnapte op een haar na aan gevangenisstraf, nadat hij dronken achter het stuur was aangehouden met in zijn achterbak een paar wapens waarvoor hij geen vergunning bezat. Hij had zijn groot rijbewijs gehaald om vrachtwagenchauffeur te kunnen worden, maar zijn veroordeling voor rijden onder invloed haalde een streep door dat carrièreplan. Hij behaalde een certificaat om verzekeringen te mogen verkopen, maar ook dat werd geen succes.

    Nu werkt hij ’s zomers als dakdekker 
en ’s winters als sneeuwruimer. Na tien jaar verdient hij ongeveer wat hij ook bij Delphi kreeg, maar zonder de zekerheid van een pensioen, doorbetaalde vakanties of een ziektekostenverzekering. Had hij zijn baan bij Delphi behouden, dan had hij over zeven jaar met pensioen gekund.

    Wade wil geen woord horen over de Mexicaanse arbeiders die zijn plaats hebben ingenomen. Hij kookt van woede als hij hoort hoe weinig zij betaald krijgen en windt zich al even erg op over immigranten die illegaal 
in de VS werken.

    Stem aan Trump

    Hij vond het goed dat Trump Mexico op dit onderwerp aanviel. Dat is dan ook de reden waarom Wade, die zijn hele leven Democraat en vakbondslid was geweest, dit keer besloot zijn stem aan Trump te geven. Net als veel 
anderen in Trumbull County, dat bij 
de afgelopen presidentsverkiezingen voor het eerst sinds 1972 in meerderheid Republikeins stemde.

    Vakbondsman Brian Lutz van de bond die ooit ook Wade vertegenwoordigde, zegt dat hij die woede tegen het 
establishment wel begrijpt. ‘Ik hoor voortdurend mensen zeggen: waarom zou ik op een Democraat blijven stemmen, als alle mensen met wie ik heb gewerkt weg zijn en de Democraten niet gedaan hebben waarvoor wij ze hadden gekozen?’ Zijn bond heeft onlangs een cao afgesloten waarin arbeiders een startsalaris krijgen van 13 dollar per uur. Dat is zo’n tien keer zoveel als Lopez nu verdient, na twintig jaar werken bij de Delphi-fabriek 
in Ciudad Juárez.

    Het effect van Trumps waarschuwingen aan bedrijven om hun productie in Amerika te houden, wordt al zichtbaar in de Mexicaanse economie. Autofabrikant Ford had plannen om een fabriek van 1,6 miljard dollar in Mexico te 
bouwen, maar kondigde vorige maand aan daarvan af te zien, na kritiek van Trump via Twitter. In plaats daarvan gaat het bedrijf in Michigan extra mensen aannemen.

    Een arme buurt in Juárez waar veel fabrieksarbeiders wonen.
    Een arme buurt in Juárez waar veel fabrieksarbeiders wonen.

    Maar sommige bedrijven die nu in Mexico hun producten fabriceren, zeggen dat ze zeker niet terug zullen gaan naar de VS. Dat geldt ook voor Delphi. Het bedrijf heeft net een plan aangekondigd voor nieuwe ontslagen in Warren, waar dan nog 1500 medewerkers overblijven.

    Op de Barclay’s Automotive Conference in New York zette Delphi’s financieel directeur Joe Massaro afgelopen december uiteen wat er met Delphi zou gebeuren bij verschillende handelsscenario’s van Trump. Als Trump de grens met Mexico helemaal zou sluiten, zouden ‘alle mensen in 
Michigan en Ohio die op hem hebben gestemd binnen een week zonder werk zitten’, omdat, zo benadrukte Massaro, veel fabrieken in de VS, waaronder autofabrikanten in Detroit, afhankelijk zijn van onderdelen die in Mexico 
worden gemaakt.

    Als de Verenigde Staten zich terugtrekken uit NAFTA en weer invoerrechten gaan heffen voor producten uit Mexico, blijft Delphi in Mexico produceren, 
zei Massaro. Het bedrijf zou de extra kosten dan doorberekenen aan zijn leveranciers of aan de consumenten, 
of op zoek gaan naar een manier om zijn productiekosten te verlagen – wat ontslagen of salarisverlagingen in Mexico zou kunnen betekenen.

    Wat de gevolgen van dit alles voor Lopez en haar gezin zullen zijn, weet ze niet. Drie van haar vier kinderen werken in een fabriek. De afgelopen paar jaar is elke peso die ze kon missen opgegaan aan de universitaire opleiding voor haar jongste zoon, Sergio, 
die computerwetenschappen studeert. Zijn droom is om een eigen softwarebedrijf te starten dat de concurrentie met Amerikaanse bedrijven aankan. Hij heeft gezien hoe het leven van zijn moeder eruitzag en wil meer dan een fabrieksloontje verdienen. ‘Dat is hard werken voor weinig geld,’ zegt hij.

    Auteur: Kate Linthicium
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: © Katie Falkenberg

    Los Angeles Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 657.000

    Meest links georiënteerde van de grote Amerikaanse kranten. Belangrijke nieuwsbron voor de entertainmentindustrie en winnaar van vele Pulitzerprijzen. Eigendom van de Tribune Company in Chicago.

  • Hoe Libische oliesmokkelaars het land leegzuigen

    Hoe Libische oliesmokkelaars het land leegzuigen

    Libische milities smokkelen olie van hun land naar Europa, met steun van de politie en de kustwacht, en in eendrachtige samenwerking met de maffia.

    Sabratah ligt aan de uiterste westkant van de Libische kust. De stad, ooit gesticht door Feniciërs, staat bekend om zijn Romeinse ruïnes. Recent zwaaiden Moeammar Gaddafi, rebellengroepen en de Islamitische Staat (IS) er beurtelings de scepter.

    Nu biedt Sabratah een vrijhaven aan militanten en brandstofsmokkelaars, die dit historische deel van de Noord-Afrikaanse kust tot hun werkgebied hebben uitverkozen.
    ‘Wacht tot het donker is, dan zie je tientallen mannen schepen vullen met brandstof,’ zegt Davide. Dat is niet de echte naam van deze ingenieur uit Noord-Italië van ergens in de vijftig die jarenlang in het westen van Libië heeft gewerkt en om veiligheidsredenen anoniem wil blijven.

    ‘Tientallen schepen, tientallen tankers heb ik in het volle blikveld van de lokale kustwacht vanuit Sabratah zien vertrekken,’ zegt hij. ‘De milities, die het gebied tussen Zawiya en Sabratah controleren, verdelen onderling de zones die voor hen van belang zijn, met medeplichtigheid van de politie en de lokale kustwacht.’

    Hij vertelt dat de brandstof naar havens in heel Europa gaat, ‘onder de ogen van degenen die de kust zouden moeten controleren. Iedereen weet het.’

    Volgens hem beheersen de Hneesh en de Dabbashi, twee van de machtigste clans in het westen van Libië, de brandstofsmokkel en mensenhandel. Geschillen worden meestal gewapenderhand beslecht. ‘De mensen die de regio in de gaten zouden moeten houden worden met de dood bedreigd,’ zegt Davide. ‘Dus als ze iets zien, melden ze dat niet. Het gebied is afhankelijk van brandstofsmokkel, vooral nu contant geld schaars is geworden in Libië. De hele economie valt ten offer aan wetteloosheid en corruptie.’

    Het geld in Libië is nauwelijks meer waard dan het papier waarop het is gedrukt

    Libië heeft grotere toegang tot ruwe oliereserves dan enig ander land in Afrika. De economie van het land is altijd sterk afhankelijk geweest van de brandstofexport. Eind januari werden er 715.000 vaten olie per dag opgepompt: dat was het hoogste niveau sinds 2014, maar nog altijd minder dan de helft van de dagelijkse productie van 1,6 miljoen vaten vóór de revolutie van 2011. Veel van die olie, gewonnen terwijl er chaos in het land heerst, wordt nu weggesluisd door smokkelaars.

    Volgens de Libische autoriteiten hebben deze praktijken het land meer dan een half miljard dinar – ruim 340 miljoen euro – gekost. Om een idee te geven van wat dat betekent: in 2016 werden de Libische begrotingsinkomsten geraamd op 5,4 miljard euro, terwijl de uitgaven bijna 13 miljard euro bedroegen. De Libische staatskas kampt dus met grote tekorten.

    Volgens de Libische politie gebruiken de smokkelaars zowel kleine boten als tankers die wel 40.000 liter geraffineerde brandstof kunnen vervoeren. De lading van de schepen uit Sabratah wordt in Malta, op 160 mijl van de Libische kust, en ook in Sicilië verkocht, voordat ze het Italiaanse vasteland bereikt.

    Een met olie volgeladen tanker arriveert in de haven van Tripoli. Volgens de Libische politie gebruiken de smokkelaars zowel kleine boten als tankers die wel 40.000 liter geraffineerde brandstof kunnen vervoeren. – © HH
    Een met olie volgeladen tanker arriveert in de haven van Tripoli. Volgens de Libische politie gebruiken de smokkelaars zowel kleine boten als tankers die wel 40.000 liter geraffineerde brandstof kunnen vervoeren. – © HH

    Op 27 januari kondigde Sadiq al-Sour, openbare aanklager van de zogeheten regering van Nationale Overeenstemming, een groot onderzoek aan inzake corruptie in de oliesector, gericht op de smokkel van geraffineerde producten van Libië naar Italië, Malta, Cyprus en Griekenland. De macht van de smokkelaars kan echter ver reiken. Op 4 januari beschuldigde Mustafa Sanalla, hoofd van het nationale Libische oliebedrijf, de Bewakers van Petroliumfaciliteiten – een officiële instantie – van corruptie en medeplichtigheid aan de praktijken van binnenlandse en buitenlandse smokkelaars. Het antwoord liet niet lang op zich wachten. Een dag na deze aantijging werd de belangrijkste elektriciteitscentrale van Zawiya, een stad van zo’n 200.000 inwoners, stilgelegd. Het westen van Libië moest het dagenlang zonder stroom stellen.

    ‘Brandstofkartels bestieren het gebied rond Zawiya,’ zegt Davide. ‘Ik heb gehoord van milities die controleposten opzetten, met de bedoeling wegen te blokkeren voor een ongestoorde doorgang van tankwagens naar de haven. In Sabratah vertelt iedereen me dat de Libische milities overeenkomsten hebben gesloten met Siciliaanse maffiafamilies, die de naar Italië gesmokkelde brandstof beheren.’

    Terwijl de smokkelaars zich verrijken, komt aan het lijden van veel Libiërs voorlopig geen einde. Het geld is er nauwelijks meer waard dan het papier waarop het is gedrukt. En hoe armer het land wordt, hoe meer het misnoegen onder de bevolking groeit. In Tripoli belegeren honderden klanten dagelijks de banken. Ze willen toegang tot hun geld. Maar dat is weg: in Libië is bare munt het privilege van de brandstofsmokkelaars en mensenhandelaars, niet van de gemiddelde Libiër.

    Moe

    Nasser is zestig en heeft zeven kinderen: een paar jaar geleden nog verkocht hij auto’s en was hij rijk. Nu heeft hij niet meer over dan een paar duizend dinar bij de bank. En daar gaat Nasser, die uit oogpunt van veiligheid weigert zijn volledige naam te geven, elke ochtend naartoe. En elke ochtend krijgt hij er hetzelfde te horen: er is geen contant geld.

    Nasser is moe. ‘Geen van jullie Europese regeringen wil ons helpen,’ zegt hij. ‘Vanuit het raam zien jullie mensen sterven in zee. Europese regeringen bedrijven propaganda met hun militaire operaties in de Middellandse Zee die ze namen geven als Sophia, Triton of Frontex. Ondertussen worden onze kusten continu geplaagd door zware misdaad, en niemand die probeert dat op te lossen.’

    Tijdens een EU-top op 3 februari verplichtten Europese leiders zich tot uitgaven van 200 miljoen euro om illegale migratie en mensensmokkel vanuit de Noord-Afrikaanse kust in te dammen. Een maatregel die volgt op operatie Sophia, die was bedoeld de mensensmokkel tegen te gaan maar door diverse regeringen als een mislukking is bestempeld.

    Iedereen, zegt Nasser, heeft er voordeel bij – behalve de man in de straat. ‘Niemand probeert er iets aan te doen omdat er op grote schaal van onze energiebronnen wordt geprofiteerd. Europese landen hebben jarenlang geprofiteerd. Nu zijn de Europeanen hier niet langer welkom. Hun aanwezigheid is verworden tot uitbuiting, diefstal.’

    Een aanval door IS op ENI, het Italiaanse energiebedrijf dat ook in de ‘donkerste momenten van de burgeroorlog’ in Libië in bedrijf blijft. – © HH
    Een aanval door IS op ENI, het Italiaanse energiebedrijf dat ook in de ‘donkerste momenten van de burgeroorlog’ in Libië in bedrijf blijft. – © HH

    Tegenwoordig is de kustweg van Tripoli naar Sabratah – twee van de grootste steden van Libië – afgesloten vanwege gevechten tussen milities, die dagelijks levens eisen en tot ontvoeringen leiden. En toch blijft ENI, het belangrijkste Italiaanse energiebedrijf, hier op volle kracht werken, zelfs in de donkerste momenten van de burgeroorlog.

    Veel werknemers van Mellitah Olil and Gas, ENI’s Libische dochteronderneming, zeggen na wat lokale bewoners beweren: dat de Dabbashi-stam afspraken heeft gemaakt om de veiligheid van de energiereuzen te waarborgen – afspraken die even vertrouwelijk als winstgevend zijn. In een van augustus 2015 daterende brief, die door een bron binnen de Libische geheime dienst is doorgespeeld naar Middle East Eye, staat dat het ‘bataljon van de martelaar Anas Dabbashi een begin heeft gemaakt met de beveiliging en bescherming van de compound. Het zal aanwezig blijven nabij de compoundingang en de weg die het complex verbindt met de westelijke ingangspoort van Sabratah.’

    De brief is ondertekend, aldus de bron, door vertegenwoordigers van Mellitah en de Dabbashi-clan. Zowel ENI als Mellitah Oil and Gas heeft nog niet gereageerd op vragen van de media.

    ‘Het is een domino-effect. We zijn in de steek gelaten, en nu is het land in chaos. Zo lang Libië zo gevaarlijk blijft, zullen westerse regeringen ons links laten liggen’

    Ook zou de Dabbashi-clan betrokken zijn bij mensenhandel, naast brandstof- en wapensmokkel. Dat hebben Libische geheime diensten Middle East Eye verteld. Vorig jaar heeft de burgemeester van Sabratah de Dabbashi-clan er publiekelijk van beschuldigd de aanwezigheid van IS in het gebied te hebben verheimelijkt, en in 2016 opdracht te hebben gegeven tot ontvoering van vier Italiaanse werknemers.

    Vertrouwelijke bronnen in de Libische regering zeggen dat de milities buitenlandse bedrijven dwingen steekpenningen te betalen om in het gebied te kunnen blijven werken: er kan zowel contant als met brandstof worden afgerekend. Libische bronnen binnen de inlichtingendiensten vertelden Middle East Eye dat de corruptie zo alomtegenwoordig is dat hele eenheden van politie en kustwacht openlijk betrokken zijn bij de criminele handel, met name in de regio Zawiya-Sabratah.

    In Tripoli klaagt Abdrazaq Alshneti, een ambtenaar van het ministerie van Binnenlandse Zaken, over het gebrek aan steun van westerse regeringen. ‘Het is een domino-effect,’ zegt hij ‘We zijn in de steek gelaten, en nu is het land in chaos. Er is hier geen enkele veiligheid. Zo lang Libië zo gevaarlijk blijft, zullen westerse regeringen ons links laten liggen.’

    Volgens Alshneti spelen dezelfde milities die brandstof smokkelen ook een grote rol in de mensenhandel in Tripoli. Er zijn, zo zegt hij, zeker zo’n tien illegale detentiecentra, rechtstreeks onder het beheer van milities. Dezelfde milities die moeten worden beteugeld, wil Libië enige vooruitgang boeken.

    ‘Het is veel meer dan een politiek probleem,’ zegt Alshneti. ‘In Libië is een regering van nationale eenheid ondenkbaar zolang er geen krachtig nationaal leger is.’

    Auteur: Francesca Mannocchi
    Vertaling: Carl Stellweg

    Middle East Eye
    Ver.-Kon. | middleeasteye.net

    Gebeurtenissen in ‘Midwest-Azië’, o.l.v. David Hearst, afkomstig van The Guardian.
  • 3 liter Coca-Cola per dag

    3 liter Coca-Cola per dag

    Zeven van de tien volwassenen en een op de drie kinderen in Mexico zijn te dik. Dat komt door de liters frisdrank die er gedronken worden. Elk glas is goed voor twaalf theelepels suiker. En het is nog spotgoedkoop ook.

    In Mexico, het Latijns-Amerikaanse land met de meeste sterfgevallen door diabetes, is de indiaanse 
bevolking op het platteland het minst bestand tegen de invasie van frisdranken. Ex-colaverslaafde en maïsteler Guadalupe Sánchez heeft sinds kort weer gezonde bloedwaarden. ‘Ik dronk drie flessen cola per dag, anders werd 
ik niet wakker. Meteen bij het ontbijt nam ik mijn eerste glas. En zo ging het de hele dag door.’ Voor de deur van zijn huis pikken kalkoenen met roze lellen hun snavels in de grond. Hij heeft het huis met zijn eigen handen gebouwd voor zijn vrouw, acht kinderen en zeven kleinkinderen. De muren zijn van grijs cement, het dak is nog niet af.

    ‘Hoe voelde u zich toen u zo veel 
frisdrank dronk?’

    ‘Heel slap. Ik kon nauwelijks werken. En omdat het zo heet was op het land dronk ik nog meer cola. Ik begon slecht te zien en het was alsof mijn tong uit mijn mond hing.’

    ‘Hoe kwam u er vanaf?’

    ‘Dat gaat niet zo makkelijk, want als 
je bij iemand langsgaat, bieden ze je een glas frisdrank aan en het is niet netjes om dat af te slaan. Maar de dokter zei dat ik geen cola meer mocht drinken en gaf me pillen. Ik ben ook hoja de burro [blad van een vezelachtige plant] gaan kauwen. Dat helpt om ervan af te blijven.’

    Fles met het rode etiket

    In de indiaanse boerengemeenschap San José del Rincón, een bosrijk dorp met een vochtig klimaat in het westen van Mexico, hebben sommige huizen geen stromend water, maar binnen 
op de eettafel staat steevast de fles frisdrank met het rode etiket. Guadalupe Sánchez is 47 jaar oud. De hoeveelheid suiker in zijn bloed (11,1 mmol/l) overschreed bijna twee keer de toegestane hoeveelheid, net als bij veel andere dorpsbewoners. Bij een bloedwaarde vanaf 7 millimol per liter is er sprake van diabetes.

    ‘Het is gif, het is erg slecht voor ons,’ zegt de 41-jarige Leticia Cruz, net terug van een wandeling met haar kleinkinderen. ‘Als ik op de kinderen pas omdat hun moeder moet werken, mogen ze geen cola drinken.’ Een van de kinderen kijkt omhoog naar zijn oma terwijl hij met zijn tanden een tuinboon pelt die hij onderweg heeft geplukt.
    Studenten Voedingswetenschappen 
van de prestigieuze universiteit Tec 
de Monterrey zijn de hele maand 
september in het dorp om onderzoek te doen. De handen van de achttienjarige José Polo zijn ruw en gerimpeld van het uitladen van vrachtwagens en het opbouwen van marktkramen. Het is de eerste keer dat zijn bloed wordt gecontroleerd. Het lukt de studenten niet om met een gewone naald in zijn getaande huid te prikken. Met een scherpere naald lukt het wel. José Polo had een bloedsuikerwaarde van 
8.3 mmol/l.

    Yaremi Gutiérrez, de universiteitsdocent die de onderzoeken in het dorp coördineert en begeleidt: ‘We hebben te maken met zeer hoge bloedsuikerwaarden [hyperglykemie]. Die zijn recht evenredig met de enorme consumptie van suikerhoudende frisdranken en kant-en-klare producten waar geen goede voedingsstoffen in zitten.’

    Na de Verenigde Staten is Mexico het land met het meeste overgewicht. Op de markt in Xochimilco (Mexico-stad) is het makkelijker frisdrank te kopen dan een fles water. – © Adriana Zehbrauskas / Polaris
    Na de Verenigde Staten is Mexico het land met het meeste overgewicht. Op de markt in Xochimilco (Mexico-stad) is het makkelijker frisdrank te kopen dan een fles water. – © Adriana Zehbrauskas / Polaris

    De indianen in Mexico zijn van een eeuwenoud dieet op basis van (blad)groenten en peulvruchten overge-schakeld op geraffineerd voedsel. 
Het zit hem vooral in de combinatie armoede, isolement en de consumptie van bewerkte producten. Die is 
dodelijk. Gutiérrez: ‘Dit treft vooral kinderen, die een dubbele prijs betalen: ondervoeding en overgewicht.’

    In Mexico voltrekt zich een vet- en 
suikerepidemie. Van elke tien volwassenen hebben er zeven overgewicht, 
bij kinderen is de verhouding een op drie. Na de Verenigde Staten is Mexico het land met het meeste overgewicht. De Wereldgezondheidsorganisatie WHO heeft uitgerekend dat Mexicanen de meeste frisdrank drinken – 163 liter 
per persoon per jaar – én dat van heel Latijns-Amerika in Mexico de meeste mensen sterven aan de gevolgen van suikerziekte.

    Suikerziekte kan een aantal complicaties veroorzaken, zoals blindheid 
(diabetische retinopathie), nierfalen 
of diabetesvoeten. Te veel bloedsuiker kan de bloedvaatjes verstoppen en zenuwen en gewrichten beschadigen. Die laatste aandoening heeft het 
afgelopen jaar geresulteerd in 75.000 amputaties, aldus de Mexicaanse 
Consumentenbond.

    Vroeger hielp de armoede 
een handje omdat de indianen wel 
van het land moesten eten

    ‘Vroeger kreeg je diabetes omdat je erfelijk belast of oud was. De laatste dertig jaar is de ziekte explosief gegroeid. De afgelopen zes jaar zijn 
er maar liefst een half miljoen 
Mexicanen doodgegaan aan suikerziekte,’ zegt Abelardo Ávila van het Nationale Instituut voor Medische Wetenschappen en Voeding Salvador Zubirán. ‘Het kwetsbaarst zijn de 
indianen, zij worden het hardst geraakt. Vroeger hielp de armoede 
een handje omdat de indianen wel 
van het land moesten eten. Vanaf 2010 worden de boerengemeenschappen 
die elektriciteit hebben overspoeld door frisdranktentjes en wordt de 
consumptie van dit soort voedingsmiddelen gefaciliteerd.’

    In de kruidenierswinkeltjes langs 
de dorpswegen kost een liter melk 
– als het er al is – 16 peso [80 cent], 
een drieliterfles Coca-Cola 35 peso, 
en 20 [1 euro] als het om een huismerk gaat. ‘Diabetes is goed te behandelen, maar omdat deze bevolkingsgroep geen toegang heeft tot medische 
zorg wordt ze hard getroffen,’ zegt 
universitair docent Gutiérrez.

    Cocacolaïsering

    Een groep vrouwen is vanaf hun dorp de heuvel afgedaald naar de enige medische post in de regio. Het is een uur lopen en de dokter is niet aanwezig. Het dichtstbijzijnde ziekenhuis ligt op een uur rijden. De dialyse waarmee diabetes onder meer wordt behandeld, wordt niet gedekt door het ziekenfonds, een overheidsdienst waar 
arbeiders zonder contract, zoals de boeren, afhankelijk van zijn. Elke sessie kost tussen de 2000 en 6000 peso.

    Sinds twee jaar werken Idelfonso 
Álvarez en zijn organisatie Concreta samen met de indiaanse gemeenschappen. ‘Je kunt hier makkelijker cola 
krijgen dan medische zorg, stromend water of gezondheidszorg.’ De speciale rapporteur van de Verenigde Naties die het recht op voeding in zijn portefeuille heeft, spreekt van een ‘cocacolaïsering’ van de Mexicaanse eetgewoontes. ‘Vanaf 2017 heeft de nationale gezondheidszorg jaarlijks 5600 miljoen nodig voor de behandeling van diabetes. Dat is het resultaat van het beleid van een overheid, die niet doordrongen was 
van de ernst van het probleem,’ aldus Oliver de Schutter in een recente, door 
Mexicaanse burgerorganisaties 
geproduceerde documentaire.

    Jessica Diaz Torres (18) neemt een flesje cola bij de lunch. – © Adriana Zehbrauskas / Polaris
    Jessica Diaz Torres (18) neemt een flesje cola bij de lunch. – © Adriana Zehbrauskas / Polaris

    De overheid heeft in navolging van 
veel andere landen vorig jaar een 
speciale belasting op suikerhoudende dranken ingevoerd. De maatregel 
heeft de staatskas gespekt, maar de consumptie nauwelijks doen afnemen.

    Tomasa Rodríguez en Hilario Cruz hebben geen stromend water. Ze zijn met z’n vieren en kopen elke week een bidon van twintig liter. Al jaren vragen ze de burgemeester om een waterput, zoals de andere gemeenschappen hebben. Cruz is net ontslagen uit het ziekenhuis. ‘Ik voelde me opgeblazen en kon nauwelijks eten.’ Hij dronk 
frisdrank. ‘En bier en pulque,’ [alcoholische drank gebrouwen van het gefermenteerde sap van de maguey-cactus] zegt zijn vrouw. Zijn darmen werden gespoeld omdat hij ernstige verstoppingen had. Frisdrank en alcohol zijn voortaan verboden. Nu drinkt hij alleen nog water en kauwt hij hoja de burro, of drinkt het als thee.

    Auteur: David Marcial Pérez
    Vertaler: Henriëtte Aronds

    CONTEXT: Hoeveel suiker zit er in frisdrank?

    Een blikje cola van 355 ml bevat 12 
koffielepeltjes suiker, een Jumexsapje van 450 ml 17, net zo veel als een 
Lipton Ice Tea. Bedrijven breiden hun assortiment uit met minder calorierijke producten. Cola-Cola Mexico laat weten: ‘We voelen ons verantwoordelijk voor de ontwikkeling en het welzijn van de Mexicanen. Daarom zijn we dit jaar acties gestart die een positief verschil zullen maken voor de volgende generaties. In vrijwel alle winkels in het land kan de consument kiezen voor een drankje zonder calorieën, water met een smaakje en suikervrije frisdranken. Daarnaast is er originele cola met minder dan 100 calorieën te verkrijgen.’

    El País
    Spanje | dagblad | oplage 397.000

    Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers. Opgericht na de dood van Franco en politiek links georiënteerd, maar kritisch ten opzichte van de Spaanse socialisten. Eind 2012 raakte de krant in financiële moeilijkheden en werd de redactie met een derde ingekrompen.

  • En de Rus, hij dronk voort

    En de Rus, hij dronk voort

    Door de crisis kopen de Russen steeds minder (dure) wodka. Maar in plaats daarvan drinken ze nu zelfgestookte of farmaceutische alcohol. De autoriteiten maken zich zorgen.

    Twee nieuwsberichten, een goed en een slecht, zoals het hoort. Laten we met het goede beginnen: alles wijst erop dat de inwoners van de Russische Federatie bezig zijn om te stoppen met drinken. Volgens de stedelijke statistieken is in Moskou de verkoop van sterke drank tussen januari 2015 en januari 2016 met 23 procent gedaald. En in Sint-Petersburg, Rostov aan de Don, Sebastopol en heel wat andere steden idem dito. Een kwart van de verkoop in één jaar, dat kun 
je met recht een belangrijke daling noemen. Een terugblik leert dat de Russische fabrieken in 2007 twee 
keer zo veel sterke drank hebben geproduceerd en verhandeld als in 2015. De regionale statistieken laten zelfs zien dat zich in de provincie 
een volstrekt ongehoord fenomeen begint te manifesteren; geheel nuchtere kleine gemeenten.

    In 2015 hebben de Russen tussen de 150 en 180 miljoen liter farmaceutische lotion gedronken

    En nu het slechte nieuws: in 2015 is 
de suikerverkoop met 25 procent 
gestegen! Een stijging die ook bij de verkoop van gemodificeerde farmaceutische alcohol wordt waargenomen. Die is helaas niet bestemd voor het 
vervaardigen van conserven of cosmetische producten. Het gaat opnieuw om alcoholisme. Experts zien sinds 
vier jaar een daling van de legale consumptie ten gunste van de illegale. Volgens het Russische Centrum voor Regionaal en Federaal Onderzoek 
naar Alcoholgebruik (Cifrra) bestond in 2015 65 procent van de alcoholconsumptie van de Russische bevolking uit meidoornsiroop, komkommerlotion (voor de huid), samogon (zelfgestookte alcohol) en zelfgemaakte likeuren op basis van medicinale alcohol.

    Specialisten schatten het aantal Russen dat sterkedrank vervangt door surrogaten of zelfgemaakte wodka momenteel op 30 miljoen. Een op de zeven mensen dus. ‘Vorig jaar hebben de Russen tussen de 150 en 180 miljoen liter farmaceutische lotion gedronken en bijna 400 miljoen liter alcoholproducten voor industrieel gebruik. Maar ook maar liefst tussen de 100 en 150 miljoen liter zelfgemaakte wodka en 200 miljoen liter gesmokkelde wodka,’ somt Vadim Drobiz, de directeur van Cifrra, op.

    Verkooprecords

    In januari 2015 bedroeg de officiële prijs voor een halve liter wodka 220 roebel (2,88 euro), terwijl een 100 ml-flacon lotion met 40 procent alcohol van de apotheek maar 27 roebel kostte. Sinds 2002 breken geneesmiddelen 
die alcohol bevatten de verkooprecords, terwijl de goedkoopste lotions de belangrijkste inkomstenbron zijn geworden voor fabrikanten van cosmetica, namaakproducten inbegrepen. Verder kan men op internet moeiteloos maximaal 120 liter pure alcohol aanschaffen voor een bedrag dat schommelt tussen de 120 en 200 roebel per liter, zonder ook maar enig officieel document over te hoeven leggen.

    Ook de productie van samogon schiet omhoog. Onderzoek van de sociologische en politicologische faculteit van de Financiële Universiteit van Rusland wijst uit dat de steden Krasnodar, 
Rostov aan de Don en Voronezj koplopers zijn, op de voet gevolgd door Moskou. In het zuiden van het land, 
in Krasnodar of Rostov aan de Don, kent iedereen wel iemand die samogon produceert en deze knowhow verspreidt zich steeds verder naar het 
oosten (Novosibirsk, Perm, Omsk) en naar de rest van Rusland. ‘Vroeger 
produceerden mensen samogon voor eigen gebruik; tegenwoordig is de productie steeds vaker voor verkoop bestemd,’ constateert Alexej Zoebets, directeur van de sociologische en politicologische faculteit.

    Drie mannen drinken wodka terwijl ze zich verplaatsen op een lorry, een populair vervoermiddel in de afgelegen Oeralregio.  – © Reuters
    Drie mannen drinken wodka terwijl ze zich verplaatsen op een lorry, een populair vervoermiddel in de afgelegen Oeralregio. – © Reuters

    Monopolie

    Eind 2015 kreeg Igor Tsjoejan, de directeur van Rosalkogol, het orgaan dat de markt voor alcoholhoudende dranken reguleert, er flink van langs van Valentina Matvijenko, de voorzitter van de Russische Federatieraad. Volgens de laatste zou de crisis in de sector – ineenstorting van de marges en het failliet van talrijke kleine provinciale producenten – zijn uitgelokt door de stijging van de smokkelhandel, waarvoor ze de verantwoordelijkheid bij het reguleringsorgaan legt. Deze instelling, die in 2008 is opgericht, heeft twee tegenstrijdige opdrachten: het bestrijden van de plaag van het alcoholisme en het op peil houden van de inkomsten van de wodkaproductie voor de staat. Valentina Matvijenko heeft het gebrek aan efficiëntie van 
het orgaan publiekelijk aan de kaak gesteld en geopperd dat het Comité voor Corruptiebestrijding zich maar eens over ‘mogelijke connecties tussen Igor Tsjoejan en de industriëlen van 
de sector’ moest buigen. In januari 2016 is Rosalkogol gecontroleerd door het ministerie van Financiën en heeft de Federale Veiligheidsdienst (FSB) grondige huiszoeking verricht in de burelen van de Status Group, een belangrijke wodkaproducent en exclusieve distributeur van het staatsbedrijf Rosspirtprom.

    Eind 2015 schatten sommige experts het aandeel van Rosspirtprom in de Russische markt voor alcoholhoudende dranken op 64 procent, terwijl 20 procent eveneens bij de staat berustte via andere staatsbedrijven, zodat er voor de particuliere markt maar 16 procent overbleef. Het openbare onderzoek door het ministerie van Financiën en het vooruitzicht van nieuwe huiszoekingen zouden erop kunnen wijzen dat het beleid op het gebied van alcoholproductie in Rusland een radicale verandering ondergaat. Met de oprichting van een reguleringsorgaan in 2008 wilde de regering de sector voor alcoholhoudende dranken op de Finse leest schoeien. In Finland heeft de staat niet het monopolie op de productie van alcohol, maar wel op de verkoop ervan: de accijnzen zijn hoog, reclame is verboden en de verkoopuren zijn beperkt.

    De regering is een bewustwordingscampagne gestart en alcoholreclame is volledig verboden

    Rusland is in 2008 begonnen met een accijnsverhoging – van 110 roebel per liter tot 500 roebel op dit moment. In 2015 is een bewustwordingscampagne gestart en alcoholreclame volledig verboden. Vooralsnog hebben deze maatregelen Rusland niet de verhoopte extra inkomsten opgeleverd. De accijnsinkomsten zijn in deze periode weliswaar verviervoudigd (300 miljard roebel in 2014 tegen 73,1 miljard in 2008, waar nog bijna 50 miljard aan btw bovenop komt), maar in 2015 zijn deze indicatoren met 10 procent gedaald. Gegeven het feit dat de smokkelhandel de legale markt inmiddels overtreft, is het niet verwonderlijk dat deze situatie de autoriteiten zorgen baart.

    Behalve een monopolie op de verkoop staan ook nationalisering van de productie van alcoholhoudende dranken en een verbod op samogon op het
 programma. Momenteel hebben de Russen nog het recht om samogon te produceren, en op de verkoop ervan staat een simpele boete. Omdat de 
productie van alcoholhoudende dranken toch al vrijwel geheel door de staat wordt beheerst, rest er nog maar één stap naar een monopolie. Het voorbeeld van de inkomsten die de alcoholverkoop de Sovjet-Unie opleverde fungeert vaak als argument. ‘In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw stond de verkoop van alcohol voor 5 à 6 procent van de inkomsten van de Sovjet-Unie,’ brengt Vadim Drobiz in herinnering. In 2015 vertegenwoordigt de verkoop van alcoholhoudende dranken nauwelijks meer dan 1 procent van de staatsinkomsten.

    Auteur: Ilja Datsjkovski
    Vertaler: Peter Bergsma

    Kommersant-Dengi
    Rusland | weekblad | oplage 65.000

    Economisch weekblad van de Kommersant-groep. Het moderne weekblad legt de consument uit wat zijn rechten zijn, en bedient de ondernemer met specifieke informatie en analyses, maar ook goede reportages.

  • 4. IS verslaan?

    4. IS verslaan?

    Bombarderen of niet bombarderen? Daarover gaat de discussie in het Westen als het IS betreft. Maar volgens de Libanese nieuwssite Now hebben militaire acties geen zin. Alleen door te proberen Irak nu eens écht te begrijpen, kunnen we een begin maken met een oplossing.

    Op dit moment heeft Amerika twee opties om IS te bestrijden, en die zijn geen van beide militair van aard. De eerste, een noodoplossing die in de toekomst wel eens contraproductief zou kunnen werken, houdt in dat het evenwicht tussen soennieten en sjiieten in Irak en de hele regio wordt hersteld. Daarvoor is het noodzakelijk dat Washington zich krachtig opstelt tegenover Iran, maar dat is een politiek die Obama zichtbaar tegenstaat. Dit ondanks het feit dat een nucleair akkoord met Teheran naar zijn eigen zeggen de VS de vrijheid zou bieden om zich zonder angst voor een nucleaire countdown te kunnen concentreren op de destabilisatiepolitiek van Iran.

    De tweede optie is Irak écht begrijpen – iets waar de Amerikanen niet voor openstaan, zoals Obama veelvuldig heeft herhaald. Amerika moet het idee loslaten een natie op te bouwen, en er juist voor zorgen dat het hele Midden-Oosten zich ontwikkelt tot een regio waarin gerechtigheid het wint van het recht van de sterkste.

    Pech gehad

    Om IS te ontmantelen moet Amerika eerst begrijpen wat de oorzaken zijn geweest voor het ontstaan van deze organisatie. Helemaal omdat Washington grotendeels verantwoordelijk is voor de situatie waaruit deze ergste terroristische groepering op aarde 
uiteindelijk is voortgekomen.

    Als u een Iraakse man bent die begin jaren zeventig geboren is, zoals geldt voor de meeste leiders van IS, dan hebt u vermoedelijk rond uw negende het uitbreken van de oorlog met Iran 
meegemaakt. In de jaren tachtig ging het op de Iraakse televisie alleen maar over dit conflict en werden de hele 
dag vaderlandslievende liederen en items met het laatste nieuws van het front uitgezonden. Tijdens deze oorlog werden de Irakezen voortdurend geconfronteerd met de dood van tientallen jonge mensen – ouders, vrienden, buren, naasten. In die tijd behoorden verdriet, sterfgevallen en begrafenissen tot de dagelijkse realiteit.

    Irakezen werden voortdurend geconfronteerd met de dood van ouders, vrienden, naasten

    In 1991 zou een Iraakse man die begin jaren zeventig geboren was rond de twintig zijn. Op dat moment viel Irak Koeweit binnen, dat vervolgens naar het stenen tijdperk werd teruggebombardeerd door de luchtaanvallen van een coalitie van veertien landen die 
de hele infrastructuur vernietigden 
en het Iraakse leger totaal uiteensloegen om het uit Koeweit te verdrijven.

    Dat was het moment waarop Washington de sjiieten in het zuiden en de Koerden in het noorden aanmoedigde om hun lot in eigen handen te nemen en tegen Saddam Hoessein in opstand te komen. Maar nadat de dictator de rebellen verpletterend had verslagen, was de enige reactie van Amerika: ‘pech gehad’.


    Vervolgens kregen de Irakezen ook nog een zwaar VN-embargo te verduren dat bijna tot hongersnood leidde. Door hyperinflatie daalde de dinar sterk in waarde, waarna de Iraakse regering geen andere keuze had dan het voedsel te rantsoeneren, en dat wordt tot op de dag van vandaag volgehouden.

    Net als Obama volgde ook oud-president Bill Clinton dezelfde beleidslijn – zich niet langer in de situatie ter plaatse mengen, maar wel de sancties hand‑
haven – met als enig resultaat dat de Iraakse bevolking nog verder verzwakte. Saddam en zijn handlangers hadden uiteraard geen last van het embargo 
en hebben het zelfs gebruikt om het weinige wat het land nog kon voortbrengen te plunderen. De rest van de bevolking leed armoede.

    De door de Amerikanen beloofde vrijheid was alleen voor de sjiieten weggelegd

    Om de internationale sancties te overleven begonnen Irakezen die dicht bij de grens woonden te smokkelen. Na 2003 bleken de zo ontstane netwerken ook heel geschikt om mensen, geld en wapens te leveren voor een opstand die aan meer dan vierduizend Amerikanen het leven heeft gekost. Deze netwerken bestaan nog steeds en maken IS tot een goed geoliede organisatie, ondanks allerlei financiële sancties die door Amerika en de rest van de wereld zijn opgelegd.

    Afgezien van de wijdverspreide armoede en de werkloosheid moesten de Irakezen ook nog leven in de greep van een megalomane leider die steeds wreder werd naarmate zijn machts‑
basis verder afbrokkelde. Alsof deze optelsom van armoede, werkloosheid, geweld en economisch isolement nog niet genoeg was, bleven Amerika en zijn bondgenoten Irak bestoken op 
het punt van zijn programma voor massavernietigingswapens, ook al 
was dat inmiddels stopgezet. Van tijd tot tijd bombardeerden westerse 
jachtvliegtuigen Bagdad of andere delen van het land. Operatie Desert 
Fox in 1998 is daar een voorbeeld van.

    Operatie Wraak

    Als u een Iraakse man bent die begin jaren zeventig geboren is, en u hebt twee verwoestende conflicten, een VN-embargo, armoede, werkloosheid en de dictatuur van Saddam overleefd, dan hebt u dus de Operatie Iraqi Freedom in 2003 meegemaakt. Maar de door de Amerikanen beloofde vrijheid was alleen voor de sjiieten weggelegd. Was u soenniet, dan was 2003 het jaar dat u er opeens onterecht van werd beschuldigd ofwel een Baath-aanhanger ofwel een terrorist te zijn. Zo raakten de vele duistere gevangenissen uit de tijd van Saddam langzaam vol met soennieten.

    Tegenwoordig zijn de Amerikanen en de rest van de wereld ervan overtuigd dat het een grove vergissing van Washington is geweest om de oorlog tegen Irak te beginnen, want dat gebeurde op grond van verkeerde inlichtingen van de onlangs overleden Ahmed Chalabi. Maar dat is enkel het topje van de ijsberg. Chalabi, van wie later duidelijk werd dat hij voor [de Iraanse] generaal Qasem Soleimani werkte, heeft de Verenigde Staten gevoed met valse inlichtingen, niet alleen voorafgaand aan, maar vooral na de oorlog. Onder invloed van Chalabi, dus in feite onder invloed van Iran, is Operatie Iraqi Freedom omgebogen in Operatie Wraak van Iran. De nieuwe Iraakse leiders – voornamelijk uit 
ballingschap teruggekeerde sjiieten 
en getrouwen van Teheran – hebben de Amerikaanse macht gebruikt om 
de fanatieke Saddam-aanhangers, maar tegelijk ook alle soennieten, 
volledig uit te schakelen.

    Auteur: Hussein Abdul Hussein
    Vertaler: Tess Visser

    Now
    Libanon | now.mmedia.me

    Arabische en Engelstalige nieuwssite sinds 2007, aanvankelijk geconcentreerd op Libanees nieuws. In 2012 werd de focus verlegd naar het gehele Midden-Oosten.

  • 3. Het wonder van Ogden, de meest egalitaire stad van Amerika

    3. Het wonder van Ogden, de meest egalitaire stad van Amerika

    Terwijl de kloof tussen arm en rijk in Amerika toeneemt, wordt ze in Ogden (Utah) juist kleiner. En dat terwijl de voormalige spoorwegstad in de jaren negentig volledig aan de grond zat. Hoe hebben ze ’m dat geflikt?

    Uit het archief

    Ongelijkheid staat de laatste jaren hoog op de politieke agenda, nu de kloof tussen arm en rijk wereldwijd onhoudbaar is geworden. Recente televisieprogramma’s, zoals Sander en de kloof van journalist Sander Schimmelpenninck en de HUMAN-serie Klassen, tonen aan dat ongelijkheid in het zogenaamd egalitaire Nederland ook groeiende is. De Amerikaanse stad Ogden (Utah) laat zien hoe het anders kan: zelfs het bedienend personeel van restaurants koopt er huizen. Een inspirerend voorbeeld voor de rest van de wereld.

    Tom Christopulos stuurt een zwarte Nissan Armada door de rechthoekige stratenblokken van Ogden, Utah, een historische metropool zo’n vijftig kilometer ten noorden van Salt Lake City, aan de voet van de hoog oprijzende Wasatch Mountains. Huis voor huis inspecteert hij de verschillende buurten, terwijl hij ondertussen hardop de nummers opnoemt. Al rondrijdend bestudeert hij het gebied gretig, bijna dwangmatig, en elk detail dat hij ziet, slaat hij op in zijn geheugen – een ritueel dat hij nu al bijna tien jaar lang uitvoert. ‘Ik ken elk huizenblok in deze stad, elk huis,’ zegt hij. ‘Zie je die huizen daar aan 
Jefferson Avenue? Jaren geleden waren die opgesplitst in appartementen – goedkope huurkamers eigenlijk. Wij hebben ze opgekocht, gerenoveerd en er weer eengezinswoningen van gemaakt.’

    Tien jaar geleden zag het er hier somber uit. Nu rijzen wolkenkrabbers op uit de afgebrokkelde infrastructuur

    Christopulos is geboren en getogen in Ogden en heeft de afgelopen acht jaar keihard gewerkt als hoofd van het gemeentelijk bureau dat verantwoordelijk is voor economische ontwikkeling in de wijken. Langzaam en met grote moeite is hij erin geslaagd om nieuwe welvaart te halen uit verlaten spoorwegemplacementen, oude slachthuizen en bouwvallige gebouwen, in een poging de middenklasse terug te brengen in Ogden. ‘Het is echt heel hard werken geweest,’ zegt hij.

    Nu heeft Ogden, met zijn 86.000 inwoners, een naam opgebouwd in het hele land: in een tijd dat de Verenigde Staten – net als veel andere gebieden in de rest van de wereld – worstelen met de schadelijke gevolgen van de steeds groter wordende welvaartsongelijkheid, is Ogden tot veler verbazing een baken van egalitarisme geworden. Volgens het vijfjaarlijkse nationale statistisch onderzoek door het U.S. Census Bureau kent de stad, samen met zijn buurgemeenten, de smalste kloof tussen rijk en arm van alle grote stedelijke gebieden van Amerika.

    Iets meer dan tien jaar geleden zag de toekomst er hier somber uit. De hoofdstraten van Ogden waren verlaten, de winkelgebieden lagen in puin en het centrum werd bevolkt door drugshandelende zwervers. Op een online forum in 2009 werd geklaagd over de stedelijke woestenij van Ogden en over de reputatie van de stad als ‘een verlopen, door bendes beheerst gebied’, en daar werd wanhopig aan toegevoegd: ‘Helaas, is de Ogden-mentaliteit zo diepgeworteld’ dat pogingen om de stad nieuw leven in te blazen werden tegengewerkt en dat ‘velen zich stoorden aan het streven naar verandering’.

    Nieuwe kantoorgebouwen getuigen van de wedergeboorte van de stad.
    Nieuwe kantoorgebouwen getuigen van de wedergeboorte van de stad.

    Al meerijdend met Christopulos en zijn economische team afgelopen zomer, kon ik alleen maar onder de indruk zijn van de schoonheid van dit stukje land aan de westelijke rand van de Rocky Mountains. Voor ons lagen vervallen spoorbanen, een wrede herinnering aan het glorieuze handelsverleden 
van de stad. Maar nu rijzen er wolkenkrabbers van staal en glas op uit de verroeste, afgebrokkelde infrastructuur, als symbolen van het nieuwe landschap. Hoe Ogden zo ver is gekomen, is een waardevolle les voor een land dat grote moeite heeft om de kloof tussen de haves en de have-nots te overbruggen.

    Geen eerlijke kaarten

    De notoir libertair en voormalig hoofd van de Federal Reserve Alan Greenspan, de eigenzinnige miljardair Warren Buffett en de diverse presidentskandidaten zijn de afgelopen jaren allemaal tot dezelfde conclusie gekomen: gewone Amerikanen krijgen tegenwoordig geen eerlijke kaarten meer toebedeeld. In de nasleep van de financiële crisis van 2008 beschreef Greenspan de opkomst van twee verschillende Amerika’s – ‘heel fundamenteel, twee afzonderlijke soorten economie’ – een waarin de rijken een ‘duidelijk herstel’ hadden doorgemaakt, en een waarin het grootste deel van de Amerikaanse beroepsbevolking financieel op een dood spoor bleef zitten.

    De Republikeinse presidentskandidaat Jeb Bush noemde dit jaar, met zijn gebruikelijke retoriek, de groeiende kloof ‘de belangrijkste kwestie van onze tijd’. ‘Meer Amerikanen dan ooit zitten vast op hun inkomensniveau,’ zei hij. Over de oorzaken van deze trend wordt eindeloos gediscussieerd, maar de statistieken liegen niet. Sinds 1979 zijn de reële salarissen met 17 procent gestegen, volgens het Economic Policy Institute, een non-profit, niet-partijgebonden denktank in Washington. Die langzame groei maakt het voor de meeste Amerikanen moeilijk om de rekeningen 
te betalen, laat staan enige rijkdom te vergaren.

    In Ogden koopt zelfs het bedienend personeel van restaurants huizen

    Maar wanneer Amerikanen hun televisie aanzetten, zien ze hun minister van Financiën, Jack Lew, juichen over de indrukwekkende economische groei, die hij onlangs een van de enige ‘lichtpunten’ in de wereld noemde. Zo’n gebrek aan verbinding kan ontwrichtend werken, zegt Joseph Stiglitz, hoogleraar economie aan Columbia University en winnaar van de Nobelprijs voor economie, omdat ‘voor velen het leven van de middenklasse niet langer binnen bereik ligt.’

    De gevolgen voor de samenleving gaan verder dan dollars en centen. Onderzoek naar de wisselwerking tussen economische en sociale patronen is nog relatief nieuw, maar toont volgens Stiglitz toch aan dat ‘steeds meer mensen patronen van sociaal disfunctioneren vertonen’ – ze stellen zaken als trouwen, een huis kopen en kinderen krijgen uit, zijn vaker alleenstaande ouder. Vroeger hoorden dit soort gedragspatronen, zegt Stiglitz, bij gezinnen ‘die zich op of onder de armoedegrens bevonden’, nu gelden ze voor iedereen die niet rijk is.

    Volgens Stiglitz is de groeiende ongelijkheid niet zozeer het gevolg van 
de natuurlijke krachten van het kapitalisme, maar van wat hij een ‘ersatz’-kapitalisme noemt, waarin een ‘roofzuchtige’ minderheid aan de top meer moeite doet om ‘een groter stuk van de economische taart van het land te 
krijgen dan om die taart zelf groter 
te maken’, voor iedereen.

    Het historische centrum van Ogden. – © Steve Kepple
    Het historische centrum van Ogden. – © Steve Kepple

    Mochten de ultrarijken denken dat dit hen niet zal raken, recent onderzoek van Barry Cynamon en Steven Fazzari in samenwerking met het Institute for New Economics toont aan dat de groeiende inkomensongelijkheid misschien wel de belangrijkste reden is waarom de economie van het land zich zo traag herstelt. Zij wijzen op een daling van 
17 procent in de consumentenvraag, vergeleken met voor de crisis.

    Mondiaal gezien dreigt de ongelijkheid ‘de strijd tegen de armoede tientallen jaren terug te zetten’ door meer rijkdom in minder handen te concentreren, zegt de internationale anti-armoede organisatie Oxfam. Als de huidige trends zo doorgaan, verwacht Oxfam dat de rijkste 1 procent van de wereldbevolking in 2016 meer dan 50 procent van de totale rijkdom op de wereld zal bezitten. Eerder dit jaar heeft ook paus Franciscus geklaagd over wat hij ‘de economie van uitsluiting’ noemde.

    Rijkste 0,1 procent

    Emmanuel Saez, hoogleraar economie aan de University of California en directeur van het daaraan verbonden Center for Equitable Growth, en Gabriel Zucman, assistent-hoogleraar aan de London School of Economics, laten in een baanbrekende studie van het National Bureau of Economic Research zien wanneer de ongelijkheid in de VS is begonnen te groeien: in 1978.

    Saez en Zucman hebben een hele eeuw aan belastinggegevens doorgespit – de enige cijfers over de lange termijn die in de VS consequent zijn bijgehouden – en zij ontdekten dat de groeiende welvaartskloof in de VS niet zozeer moet worden toegeschreven aan de bovenste 1 procent als wel aan de bovenste 0,1 procent – zo’n 160.000 families met een netto bezit van meer dan twintig miljoen dollar. (De welvaartskloof en de inkomensongelijkheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar ze zijn niet hetzelfde; in dit onderzoek is ‘rijkdom’ gedefinieerd 
als de huidige marktwaarde van al 
het bezit dat huishoudens hebben na aftrek van schulden.)

    De gemiddelde reële groei aan rijkdom per Amerikaanse gezin lag tussen 1986 en 2012 op 1,9 procent, maar dat getal werd scheefgetrokken door de rijkste 160.000 van het land, die tussen 1986 en 2012 hun reële rijkdom met 5,3 procent per jaar zagen groeien. De onderste 90 procent in de VS kende daarentegen helemaal geen groei in rijkdom.

    Een man op een mountainbike in de bergen rondom de stad. Ogden staat bekend als buitensportcentrum. – © Ben Girardi
    Een man op een mountainbike in de bergen rondom de stad. Ogden staat bekend als buitensportcentrum. – © Ben Girardi

    Dit is een scherpe omkering van de welvaartstrend waarin de onderste 90 procent van de Amerikaanse verdieners in de jaren twintig 20 procent van de rijkdom van het land bezat en dat aandeel zag groeien tot het halverwege de jaren tachtig was gestegen tot 35 procent, volgens Saez en Zucman. Na 2012 is de onderste 90 procent teruggevallen tot een aandeel van slechts 23 procent.

    Ondertussen hebben de 160.000 rijkste families van Amerika hun aandeel in de welvaart van het land meer dan verdrievoudigd, van 7 procent in 1978 tot 22 procent in 2012, een niveau dat niet meer is voorgekomen sinds 1916 en 1929, de piekjaren van ongelijkheid. ‘Het is een zeer zorgwekkende trend,’ zegt Marjorie Wood, die als adviseur verbonden is aan het Global Economic Project van het Institute for Policy 
Studies. Deze denktank in Washington richt zich op sociale rechtvaardigheid. Wood ziet de huidige welvaartskloof als een tweede ‘Gilded Age’ (de periode aan het eind van de negentiende eeuw in Amerika, waarin de kloof tussen arm en rijk ook enorm was, Gilded Age is een term van Mark Twain), met dit verschil dat de tegenwoordige rijkdom vaak niet echt in het oog springt. ‘In het verleden waren er veel meer protesten onder de bevolking, omdat de rijkdom toen zo veel zichtbaarder was.’

    Amerikaanse droom

    Dat de ongelijkheid stijgt is op zichzelf al veel Amerikanen een doorn in het oog, omdat het ingaat tegen de Amerikaanse droom en het breed levende idee dat dit een land van gelijke kansen is. Toch kennen Amerikaanse onderzoekers het probleem al jaren. In 2011 – het jaar waarin Greenspan de opkomst van twee Amerika’s signaleerde – toonde Miles Corak, hoogleraar economie aan de Graduate School of Public and International Affairs van de University of Ottawa, de problematische relatie aan tussen ongelijkheid en sociale mobiliteit, in zijn artikel ‘Inequality From Generation to Generation’. Later werd dit verschijnsel door het Witte Huis ‘the Great Gatsby Curve’ genoemd.

    Uit Coraks onderzoek bleek dat wat een kind in de toekomst gaat verdienen, sterk wordt beïnvloed door het gezin waarin het wordt geboren. Op zijn internationale ranglijst van de landen met de slechtste intergenerationele mobiliteit stonden Chili, het Verenigd Koninkrijk, Italië en de Verenigde Staten (in die volgorde). Landen met de beste intergenerationele mobiliteit waren Denemarken, Noorwegen en Canada. Daar tussenin vielen Spanje, Japan, Duitsland en Nieuw-Zeeland. ‘Er is een discrepantie tussen hoe Amerikanen zichzelf zien en hoe de economie en samenleving in werkelijkheid functioneren,’ schreef hij. ‘Veel Amerikanen blijven geloven dat hard werken de manier is om vooruit te komen, maar in werkelijkheid is het veel moeilijker om vooruit te komen dan het lijkt.’

    Dit jaar heeft Janet Yellen, voorzitter van de Federal Reserve, ook haar steentje bijgedragen aan de discussie. ‘We weten dat het gezin de plek is waar zowel kansen als barrières voor economische mobiliteit worden bepaald,’ zei ze, en ze riep op tot meer onderzoek naar dit onderwerp.

    Yellen heeft heel wat over zich heen gekregen van critici die vinden dat de Fed zich niet met zaken als inkomensongelijkheid moet bemoeien, omdat dat volgens hen te politiek is. Zij verwierp die kritiek: ‘De Federal Reserve houdt zich al lang bezig met economische ongelijkheid’ en die ongelijkheid is ook een steeds grotere zorg voor Amerikanen.

    Helaas zijn er geen makkelijke oplossingen. Pogingen om van bovenaf de ontwikkeling om te buigen zijn nog weinig succesvol geweest. Deskundigen zoals de Amerikaan Stiglitz, de Franse econoom Thomas Piketty en de Britse wetenschapper Anthony Atkinson hebben voorstellen gedaan om geld van de rijken over te hevelen naar de minder rijken, via diverse constructies, bijvoorbeeld via successierechten, het instellen van een ‘erfenis voor iedereen’, publiek gefinancierde ‘universele sociale vangnetten’ en het garanderen van banen in de publieke sector tegen een minimumloon voor mensen die anders werkloos zouden zijn.

    In een artikel in The New York Review of Books schreef Piketty goedkeurend over het voorstel dat Atkinson deed in zijn recente boek Inequality: What Can Be Done? om terug te keren naar een progressief mazenvrij belastingstelsel waarin de rijken meer moeten gaan betalen en de werkende klasse minder. ‘Het spectaculair verlagen van de belastingtarieven voor de hoogste inkomens heeft sinds de jaren tachtig sterk bijgedragen aan de groei van de ongelijkheid, zonder daarbij voordelen voor de samenleving als geheel op te leveren,’ schreef Piketty. In Amerika zal zo’n verschuiving in ieder geval niet snel plaatsvinden. Integendeel: het belastingplan van Bush wil 
de hoeveelheid belastingen die topverdieners in Amerika betalen verminderen.

    Nu er in de VS weer verkiezingen aankomen, horen de Amerikanen presidentskandidaten van beide kanten weer dezelfde sussende woorden uitspreken als in eerdere rondes. Wel probeert Democratisch koploper Clinton het oplossen van de ongelijkheid tot een hoeksteen van haar campagne te maken, door te verklaren dat ‘degenen aan de top nog steeds de beste kaarten krijgen.’ ‘Tegenwoordig is de kans groter dat je arm blijft, als je arm geboren bent’, erkende ook Bush onlangs.

    Senator Bernie Sanders uit Vermont, die lang onafhankelijk was en nu een gooi doet naar de Democratische nominatie, stelde de welvaartskloof van het land al aan de kaak in de dagen dat Nixon nog president was. Hij schreef toen dat 2 procent van de Amerikanen meer dan een derde van de rijkdom van het land in handen had: ‘Een handvol mensen bezit bijna alles, en bijna iedereen bezit niets.’ Dat was in 1973. Korter geleden heeft hij gepleit voor een minimumloon van vijftien dollar per uur in 2020 (dat ligt nu op 7,25 dollar), maar andere kandidaten hebben nog geen steun voor dat voorstel uitgesproken.

    De onderlinge strijd en het gebrek aan consensus zijn frustrerend geweest, ook voor de kandidaten. Clinton kreeg in september de mantel uitgeveegd door Republikeins kandidaat Donald Trump omdat haar lijst met sponsoren meer voordeel zou opleveren voor de superrijken dan voor gewone Amerikanen. Sanders zei op Twitter: ‘De in snel tempo groeiende ongelijkheid in inkomen en rijkdom is niet alleen grotesk en immoreel, hij is ook economisch onhoudbaar.’

    Als die ongelijkheid zo enorm groot blijft en de onderste 30 procent niet in staat is om weer rijkdom te vergaren (vergeet niet dat hun welvaart tussen 1986 en 2012 vrijwel niet is gestegen), zal de ongelijkheid die daarvan het gevolg is, tientallen jaren vooruitgang tenietdoen,’ waarschuwen Saez en Zucman. ‘Dat wil zeggen dat over tien of twintig jaar alle democratisering van de welvaart die sinds de New Deal en de jaren na de oorlog is bereikt, verloren kan zijn. De rijken zijn dan extreem rijk, terwijl gewone gezinnen vrijwel niets verdienen en schulden hebben die bijna even groot zijn als hun bezittingen.’

    Dit alles roept de duivelse vraag op: 
stel dat het ongelijkheidsprobleem zo groot is dat geen enkele leider – of team – het kan oplossen, wat dan? In plaats van eindeloos over dit probleem te blijven discussiëren is het misschien nuttiger om te kijken naar een gemeenschap, liefst van een behoorlijke omvang, die veel van deze problemen al heeft meegemaakt en succesvol heeft opgelost.

    Voor dit artikel heeft Newsweek gekeken naar de laatste welvaartsgegevens uit de vijfjaarlijkse enquête van het U.S. Census Bureau in grote stedelijke gebieden met minstens 300.000 
inwoners. Volgens die gegevens is de grootste welvaartskloof in Amerika te vinden in drie steden in Connecticut: Bridgeport, Stamford en Norwalk – dé hedgefondsregio van Amerika vanwege de vele miljonairs en miljardairs die zich er hebben gevestigd en die vaak 
in het nabijgelegen Greenwich werken. Op de tweede plaats kwam Naples, 
Florida, waartoe ook het chique Immokalee-Marco Island behoort. Op de derde plaats stond het gebied dat New York City, Newark en Jersey City in New Jersey omvat.

    Hoe staat het met Ogden, vergeleken met hedgefondsland Connecticut? 
De rijkste 20 procent van de huishoudens in Ogden bezit ongeveer 40 procent van het inkomen van de stad. Maar als je ook Bridgeport, Stamford en Norwalk tot de metropool rekent, bezit de rijkste 20 procent bijna 60 procent van het inkomen. Ogden heeft niet alleen de smalste welvaartskloof, deze middenklasse-oase biedt zijn inwoners ook hogere lonen en lagere kosten voor levensonderhoud dan het landelijk gemiddelde, en is een van de steden met de laagste werkloosheid en grootste banengroei in het land.

    Het is een van de plekken waarvan de meeste Amerikanen dachten dat ze ergens 
tussen Studio 54 en ‘Reaganomics’ in een wolk van cynisme waren verdwenen.

    Mark Muro van het prestigieuze onderzoeksbureau Brookings schreef in juni een rapport waarin hij Ogden noemde als een van de ‘vijftien belangrijkste steden voor hoogwaardige industrie,’ een stad die hard zijn best heeft gedaan om werkgelegenheid in groeisectoren aan te trekken. Dankzij het feit dat Ogden zich richt op technische banen en op beroepsopleidingen voor niet-universitaire studenten is de stad een centrum voor banen in onderzoek, technologie, techniek en wiskunde geworden, volgens Muro.

    De 160.000 rijkste families van de Amerika hebben hun aandeel in de welvaart van het land meer dan verdrievoudigd

    Terwijl academici in Ogden minder dan de helft van de volwassen bevolking uitmaken, heeft de stad op scholen en op een speciaal college, Weber State University, veel programma’s ingevoerd waarmee studenten en volwassenen meer werkgelegenheidskansen krijgen in de hightechindustrie. En het trainen van technische kennis begint al op de kleuterschool, zegt Terrence Bride, 
die in Ogden verantwoordelijk is voor het aantrekken van bedrijvigheid. Zo kunnen mensen die van een opleiding komen, beter betaalde banen vinden, zonder eerst vier jaar naar de universiteit te hoeven.

    Daardoor hoeven ze ook minder schulden te maken en krijgen ze uiteindelijk de kans om vermogen op te bouwen.
    ‘Ik ben vanuit Californië hierheen ge‑
komen met mijn man, die luchtvaarttechnicus is,’ vertelt Carrie Vondrus, eigenares van een winkel in vintage kleding in het centrum van Ogden. ‘Dankzij de lage kosten voor levens‑
onderhoud hier kon ik thuis blijven om voor mijn kinderen te zorgen, wat niet mogelijk was geweest waar we vroeger woonden. Nu heeft mijn zoon van vijfentwintig een huis met vijf slaapkamers in de stad gekocht. Hij is bedrijfsleider bij Dick’s Sporting Goods en het is zijn eerste huis. Hij en zijn vriendin betalen het helemaal zelf.’

    Dit soort verhalen hoor je veel in Ogden, waar de gemiddelde leeftijd dertig is en zelfs het bedienend personeel van restaurants huizen koopt – voor velen de eerste stap naar het opbouwen van vermogen. Het gemiddelde inkomen in de stad ligt met 35.844 dollar nog onder het nationaal gemiddelde, maar stijgt, aangedreven door de hightechbanensector, waarin het gemiddelde jaarsalaris volgens Brookings op 60.580 dollar ligt.

    Ommekeer

    De ommekeer begon in 2002, met de verkiezing van de achtentwintigjarige Matthew Godfrey, in die tijd een van de jongste burgemeesters van de VS, die in het decennium daarop gebouwen afbrak, het centrum van de stad opnieuw opbouwde – vaak ondanks protesten – en bedrijven verleidde om zich te vestigen in Ogden, dat hij nieuwe allure probeerde te geven als het mekka voor hightechtalent. ‘Ik was zo jong en we hadden zulke grootse plannen, de meeste mensen verwachtten denk ik niet dat we het voor elkaar zouden 
krijgen,’ zegt hij.

    ‘Aanvankelijk was er totaal geen belangstelling. Onze tech-industrie bestond nauwelijks. We waren alleen maar een smerige, verlopen oude spoorwegstad,’ vertelt Godfrey, die nu 45 is. ‘Bedrijven kwamen kijken en 
verhuisden dan naar Salt Lake City, 
of zoiets. Dus lieten we de hightech‑
bedrijven maar zitten en gingen we er alles aan doen om outdoor-bedrijven binnen te halen. En toen die rond 2008 verschenen, waren de hightechbedrijven ineens wel geïnteresseerd. Opeens waren we die hippe, coole, buitensportstad.’

    Christopulos, die zowel onder Godfrey als onder diens opvolger, Caldwell, heeft gewerkt, was ondertussen begonnen met het opkopen van vervuilde grond, oude bedrijfsgebouwen en verkrotte wijken, waarvoor hij alle fondsen bij elkaar schraapte die de stad maar kon opbrengen. ‘Mijn team en ik zetten onze eigen geheime project op, om de fondsen bij elkaar te brengen die we nodig hadden, via federale en staatssubsidies, leningen, aannemers en milieuregelingen,’ vertelt hij.

    In 2007 begonnen hun inspanningen om commerciële huurders te vinden voor de gerenoveerde historische gebouwen van Ogden, hun vruchten af te werpen. Het leverde de stad miljoenen dollars op in de vorm van extra belastingen, huren en omzetbelasting, die gebruikt konden worden voor investeringen in andere verbeterprojecten. Tot nu toe heeft de stad meer dan vier miljard aan nieuwe belastinginkomsten gegenereerd.

    Van levensbelang voor het masterplan was een levendig stadscentrum. Nadat hij tientallen jaren had staan wegrotten, werd Ogdens historische 25th Street, waar Al Capone ooit illegaal alcohol verhandelde, uitgeroepen tot een van de mooiste doorgangswegen in Amerika, vanwege zijn amfitheater, zijn festivals en straatkunst (volgens Christy McBride, hoofd planning van de stad, vinden er in het centrum, dat nu voor 95 procent bezet is, zo’n 650 evenementen per jaar plaats, waar tienduizenden mensen op af komen.)

    Afgezien van Albuquerque, New Mexico, was Ogden de enige grote stedelijke agglomeratie in het westen die banengroei kende in 2009, toen in de rest van het land de recessie nog steeds woedde. Het was in datzelfde jaar een van de eerste steden in het land waar de productie terug was op zijn oude niveau van voor de recessie. En vóór de recessie was het aantal banen in de hightechsector in Ogden tussen 2002 en 2007 met 12,6 procent gestegen. Nu biedt Ogden onderdak aan een diverse groep groeiende, geavanceerde bedrijven, die samen goed zijn voor zo’n 26.500 banen, volgens Brookings. Onder de werkgevers bevinden zich Northrop Grumman, Rossignol, Universal Cyces, Mercury Wheels, US Foods, Amer Sports, Comerstone Research, Home Depot, Hart Skis ConAgra Foods en Hershey’s.

    Elke stad is anders en zelfs de beste groeistrategieën zullen niet overal 
toepasbaar zijn, maar wat in Ogden is gebeurd kan elders ook gebeuren. Volgens een van de meest vooraanstaande economen ter wereld, Raj Chetty van Harvard University, kunnen beleidsoplossingen op staats- of federaal niveau weliswaar economische groei bevorderen (bijvoorbeeld door te zorgden dat meer mensen een universitaire opleiding volgen), maar heeft iemands geboortestad de grootste invloed op zijn kansen om vooruit te komen.

    In het kader van het Equality of Opportunity-project bekeek Chetty samen met een groep onderzoekers de cijfers van steden in de hele VS en hij ontdekte dat de stad waar een kind geboren is enorme invloed heeft op zijn of haar kansen om vooruit te komen in het leven. Volgens de data van het project, die eerder dit jaar werden gepubliceerd, zou een kind uit een gezin met een laag inkomen in Ogden op zijn 26ste jaarlijks 2.440 dollar oftewel 9 procent, meer verdienen dan het nationaal gemiddelde. Uit dezelfde onderzoeksgegevens blijkt ook dat in Weber County, waar Ogden toe behoort, de inkomensmobiliteit groter is dan in 76 procent van alle county’s in de VS. ‘Denken op lokale schaal is van groot belang, want ik denk dat er binnen een beperkt gebied meer beleidsoplossingen mogelijk zijn,’ zegt Chetty. ‘Beleid van de federale of de staatsoverheid zal niet alles kunnen oplossen, want de problemen per plaats verschillen en er is dus maatwerk nodig.’

    Nieuwe welvaart

    Door als gemeenschap aan het vergroten van de welvaart te werken, heeft Ogden de discussie onder economen over de verdeling van de bestaande welvaart al achter zich gelaten. De stad kan zich nu richten op het aantrekken van nieuwe welvaart, door bedrijven aan te trekken die hogere salarissen bieden aan zijn inwoners en zo ‘de taart groter te maken’ zoals Stiglitz het noemt.

    Hogere salarissen in combinatie met lagere kosten voor levensonderhoud leidt tot meer sparen en het vergaren van rijkdom. Misschien is deze periode niet het eind van de Amerikaanse droom, zegt Christopulos, maar wordt die droom nu opnieuw gedefinieerd. ‘Filosofisch gezien zouden we best een manier kunnen vinden om welvaart te creëren en het niveau van alle inkomens te verhogen,’ zegt hij. ‘Dat heeft meer te maken met economische mogelijkheden dan met een kloof tussen rijk en de arm.’

    Terwijl hij door het centrum van Ogden rijdt, werpt Christopulos veelzeggende blikken op een volgende rij huizen die hij zou willen strippen, opnieuw inrichten en weer teruggeven aan de buurt. ‘We proberen economische instrumenten te gebruiken om sociale veranderingen te bewerkstelligen, maar dat is moeilijk,’ zegt hij. ‘Anders dan Uncle Sam kan ik de geldvoorraad niet vergroten. Wij hebben dat soort beheersinstrumenten niet. Elke situatie is anders en heeft veel aspecten. Er is geen oplossing die overal past.’

    Hoe de oplossing voor Amerika er ook uitziet, Christopulos is er aardig zeker van dat die niets te maken zal hebben met politiek – en zeker niet met partijpolitiek die de werkelijke scheidslijn verhult: financiële ongelijkheid.
    ‘Ik ben Republikein geweest en Democraat,’ zegt Christopulos. Nu ben ik communitarian – een man van de gemeenschap.’

  • 2. De gezondheidsladder

    2. De gezondheidsladder

    Willen we meer gelijkheid dan moeten we twee dingen doen, stelt Michael Marmot: de zorg voor ouders en kinderen verbeteren en de hoeveelheid mensen met onvoldoende inkomen verminderen.

    De levensverwachting van een jongen die in het armste deel van Westminster, Glasgow, Baltimore of Washington woont, is twintig jaar korter dan die van een 
jongen in het rijkste deel; voor meisjes ligt het iets gunstiger. Maar de meeste mensen wonen niet in het armste deel van een stad en kunnen dus gerust zijn dat dit voor hen niet opgaat. Ze hebben ongelijk. Die gerustheid is niet op zijn plaats.

    Er is een opmerkelijk nauw verband tussen je plek op de sociaaleconomische ladder en je gezondheid – hoe hoger op de ladder, hoe beter de gezondheid. Ik noem dat de sociale gezondheidscurve. U en ik, die niet tot de rijksten of de armsten behoren, zullen naar verwachting korter leven dan de rijksten en langer dan de armsten. De gemiddelde Brit zal acht jaar korter in gezondheid leven dan degene boven aan de ladder. Ongezond zijn betekent dat je vroeger sterft en dat nog tijdens je leven de greep van je hand verzwakt, je mobiliteit achteruitgaat, net als je geheugen en je andere cognitieve vermogens, en dat je verschillende ziektes krijgt. Hoe lager je in de sociale hiërarchie staat, hoe sneller deze dingen gebeuren. Wie zich in het midden bevindt, is niet immuun. Wij maken allemaal deel uit van de sociale gezondheidscurve. En de schaal van het probleem is enorm.

    We moeten streven naar het verhogen van het niveau voor iedereen

    Er zouden elk jaar zo’n 202.000 minder voortijdige sterfgevallen zijn als iedereen in Groot-Brittannië een even laag sterftecijfer had als degenen met een academische opleiding (die minder dan 10 procent van de bevolking uitmaakten toen de mensen die vandaag sterven de studentenleeftijd hadden). Dat is zo’n 500 sterfgevallen per dag. Een mogelijke calamiteit voor ons allemaal, en een tragedie voor het land. Als een vervuilende fabriek zo’n hoge tol eiste, zouden mensen de straat opgaan en maatregelen eisen.

    We zouden ook maatregelen moeten eisen. De oorzaak is ongelijkheid in de omstandigheden waaronder mensen worden geboren, opgroeien, leven, werken en oud worden, én de ongelijke verdeling van macht, geld en hulpbronnen waardoor deze ongelijkheid wordt veroorzaakt.


    Lakmoesproef

    Het goede nieuws is dat we nu weten hoe we dit aantal voortijdige sterfgevallen kunnen verminderen en gezond kunnen leven. Om te beginnen leren ervaringen over de hele wereld dat het verband tussen iemands plaats op de sociale ladder en zijn slechte gezondheid 
weliswaar overal bestaat, maar dat 
de omvang van het probleem sterk varieert. Sommige landen doen al wat nodig is. Ook weten we nu wat er gedaan kan worden. We zullen ons minder moeten richten op de zorgen over de druk op de National Health Service of over ongezonde levensstijlen, en meer op de oorzaken van slechte gezondheid. Dat begint met de aard van vroege ontwikkeling van kinderen, gaat verder in de schooltijd en het werkende leven, en eindigt met de omstandig‑
heden waarin oudere mensen in de laatste fase van hun leven verkeren.

    De curve verandert alles. Stel je even voor dat het probleem van ongelijkheid in gezondheid beperkt bleef tot een slechte gezondheid voor de armen. 
Dat zou een lakmoesproef kunnen zijn. Als we een bepaald type rechtse rakker waren, vonden we misschien dat de armen de architecten van hun eigen ongeluk zijn, nietsnutten, en zouden we dus weinig sympathie voelen voor de ongelijkheid in gezondheid die gerelateerd is aan armoede: als arme mensen goede gezondheid willen, moeten ze worden als wij, harde werkers. Elders op het politieke spectrum zou het ons misschien wel kunnen schelen, een beetje. Maar nog steeds stellen we onszelf dan gerust met het idee dat ‘zij’ het zijn, de armen, die lijden; ‘wij’ hebben geen last van sociale achterstelling.

    Leerlingen van de King Edward VI High School in Birmingham, een van de topscholen in Engeland. Zij zullen gemiddeld acht jaar langer leven dan hun minder gefortuneerde landgenotes.
 –  © Christopher Furlong / Getty Images
    Leerlingen van de King Edward VI High School in Birmingham, een van de topscholen in Engeland. Zij zullen gemiddeld acht jaar langer leven dan hun minder gefortuneerde landgenotes.
 – © Christopher Furlong / Getty Images

    Maar de curve betekent dat iedereen die onder de top zit de handen ineen zou moeten slaan om de omstandig
heden te scheppen voor een goede gezondheid. Er is een duidelijke sociale curve in metingen van vroege ontwikkeling van kinderen: hoe armer het gezin, hoe lager de scores op cognitieve, sociale en gedragsontwikkeling. Ja, de armen hebben de laagste scores. Maar in het midden van de sociale schaal bereikte slechts 52 procent van de kinderen het niveau dat nodig is om klaar te zijn voor school. We moeten voor de hele sociale curve actie ondernemen. Onze samenleving moet twee dingen doen: de zorg voor ouders en kinderen verbeteren – het is geen goed idee om Sure Start-kindercentra te sluiten – en de hoeveelheid mensen met onvoldoende inkomen verminderen. De Joseph Rowntree Foundation hanteert het criterium van een minimum levensstandaard in het Groot Brittannië van nu. Daarbij horen voedsel, kleding en onderdak. Maar ook dat je genoeg hebt om te kunnen profiteren van de kansen en keuzes die nodig zijn om in de samenleving te participeren. In 2010 zat 31 procent van de huishoudens met kinderen onder dat minimum. Drie jaar later was dat percentage gestegen naar 39 procent. Aandacht besteden aan die onderste 39 procent gaat om veel meer mensen dan alleen ‘de armen’.

    Het probleem is dat werken niet genoeg geld oplevert

    Werk zou natuurlijk een manier moeten zijn om het minimum
inkomen te verwerven dat nodig is om aan de samenleving deel te nemen, maar is dat niet. In maar 19 procent van de tweeoudergezinnen die in 2013 onder het inkomensminimum zaten, werkte geen van beide partners. In meer dan 80 procent van de huishoudens met een laag inkomen werkte minstens een van de partners. Het probleem is niet dat uitkeringen te genereus zijn en ook niet dat mensen hun best niet doen. Het probleem is dat werken niet genoeg geld oplevert. Net zo min als uitkeringen. Uit onder‑
zoek in Europa blijkt dat in landen waar de uitkeringen hoger zijn, de gezondheid beter is en de ongelijkheid op het gebied van gezondheid kleiner. Interessant is ook dat in landen met hogere uitkeringen de werkgelegenheidssituatie ook beter is.


    Ik heb in rijke en arme landen in‑spirerende voorbeelden gezien van de manier waarop landen actie ondernemen om het leven van hun inwoners te verbeteren en ongelijkheid in gezondheid te verkleinen. 
De belangrijkste factoren zijn sociale cohesie en emancipatie. In plaats van de samenleving te verdelen in twee grote klassen – ofwel die van Marx ofwel die van de nietsnutten en de harde werkers uit een andere politieke taal – kunnen we beter denken aan curves. We moeten streven naar het verhogen van het niveau voor iedereen. Het is niet onredelijk om te zeggen dat alle sociale groepen de goede gezondheid zouden kunnen hebben van de rijkste groep. Maar daarvoor is actie nodig, gebaseerd op nuchtere feiten, voor de hele samenleving.

    Auteur: Michael Marmot
    Vertaler: Annemie de Vries

    Michael Marmot is schrijver van 
The Health Gap: The Challenge of 
an Unequal World, uitgegeven bij Bloomsbury.

  • 1. Aan ongelijkheid en armoede is iets te doen

    1. Aan ongelijkheid en armoede is iets te doen

    Volgens econoom Anthony Atkinson heeft de inkomenskloof niets onvermijdelijks. Hij komt met voorstellen waardoor de ongelijkheid afneemt én de economie verbetert.

    President Barack Obama heeft de stijgende inkomensongelijkheid ‘de belangrijkste uitdaging van onze tijd’ genoemd. Paus Franciscus roept overheden op om de armen te laten delen in de rijkdom, in een nieuwe geest van gulhartigheid.

    Zelfs IMF-baas Christine Lagarde heeft gezegd dat ongelijkheid de stabiliteit van de wereldeconomie bedreigt.
    Maar wat deze wereldleiders niet hebben gezegd is wat ze daaraan wilden doen. Om op die vraag antwoord te geven heb ik het boek geschreven dat in 2015 is verschenen: Inequality: What can be done?


    Positief geluid

    Er heerst een klimaat van kommer en kwel: een gevoel dat er weinig tegen de economische ongelijkheid te doen valt. Ik wil een positiever geluid laten horen. De belangrijkste boodschap is dat huidige omvang van de ongelijkheid en armoede niet onontkoombaar is. We kunnen stappen ondernemen om de ongelijkheid en armoede te verkleinen. Die zijn niet gemakkelijk en er hangt een prijskaartje aan. We zouden sterke economische en politieke overtuigingen moeten loslaten. Maar het is mogelijk.

    De eerste stap is het herstellen van de verzorgingsstaat. Sinds 1980 is in de OESO-landen de herverdelingspolitiek afgebouwd, en dat heeft geleid tot het tegengestelde van inkomensspreiding. Dit is een van de redenen waarom in Canada, waar een op de acht mensen op een laag inkomen leeft, het armoede‑
cijfer zo hardnekkig hoog blijft. Het is een van de redenen waarom de ongelijkheid in Canada groter is dan in Frankrijk, Duitsland of Japan.

    Om dit te veranderen moet de belasting omhoog. Niet gemakkelijk, maar ik stel een reeks belastingmaatregelen voor die de ongelijkheid moeten verkleinen, met als uitgangspunt de terugkeer van de progressieve inkomstenbelasting. Aan de uitgavenkant pleit ik ervoor de kindertoeslagen te verhogen en werkloosheidsverzekeringen nieuw leven 
in te blazen. Ik denk zelfs aan de mogelijkheid van een basisinkomen voor iedereen, een radicaal idee, maar het heeft steun gevonden bij Nobelprijswinnaars van zeer uiteenlopende 
signatuur: Milton Friedman ter rechterzijde en James Tobin op links.

    Herstel de verzorgingsstaat

    De ongelijkheid verkleinen is echter niet alleen een kwestie van belastingen en uitgaven. Veel van mijn voorstellen hebben te maken met de marktverdeling van inkomen: wat mensen ontvangen aan loon, rente en andere vormen van kapitaalinkomen. Dit betekent in de eerste plaats dat de werkloosheid moet worden aangepakt en dat de vermindering van werkloosheid dezelfde prioriteit moet krijgen als het beheersen van de inflatie. Banen zijn echter maar een deel van het verhaal. Het salarisniveau is belangrijk. Slechts de helft van de werklozen in de EU verdient als ze een baan vinden genoeg om hun gezin boven de armoedegrens te houden. Armoede onder werkende mensen is een groot probleem.

    Hoe zit het met rijkdom? De zeer grote ongelijkheid in de verdeling van de rijkdom blijkt uit het feit dat de bovenste 10 procent in Canada meer dan 40 procent van het bruto nationaal inkomen verdient. Ik stel dan ook een grote nieuwe vermogensoverdrachtbelasting voor, die gebaseerd is op het bedrag dat iemand gedurende zijn leven ontvangt in de vorm van legaten en giften. Zo’n belasting zou bijdragen aan het scheppen van gelijke kansen en de eerlijker verdeling zou nog versterkt worden als de opbrengst van die belasting op vermogensoverdracht gebruikt werd om iedereen op zijn achttiende verjaardag een minimum-erfenis te geven.

    Voedselbank in Waterloo, Ontario – © Feed My Starving Children /  Flickr Creative Commons
    Voedselbank in Waterloo, Ontario – © Feed My Starving Children / Flickr Creative Commons

    Zo denk ik aan een reeks voorstellen om de ongelijkheid te verkleinen en armoede aan te pakken. Er valt natuurlijk over te discussiëren. Sommigen zullen zeggen dat door deze uitruil tussen billijkheid en efficiency het nationale inkomen en de groei daarvan zullen afnemen. Ik zou daarop antwoorden dat dit bezwaar voornamelijk afhangt van de manier waarop je de werking van een moderne economie ziet. Als je kijkt naar de onvolmaakt‑
heden van de markteconomie, wordt duidelijk dat er omstandigheden bestaan waarin we zowel qua vermogen als qua efficiency vooruitgang kunnen boeken. Het tegengaan van de ongelijkheid zou wel eens hand in hand kunnen gaan met het verbeteren van de economische performance.


    Mensen zullen misschien zeggen dat ‘in een geglobaliseerde economie, een land niet in zijn eentje een koers kan volgen die tot minder ongelijkheid leidt’. Maar landen zijn niet alleen maar passieve deelnemers op het wereldwijde speelveld. Het effect op de herverdeling van inkomen hangt af van de manier waarop nationale overheden inspelen op een veranderende wereld.

    De derde tegenwerping is dat ‘we het ons niet kunnen veroorloven.’ Inderdaad moeten er harde keuzes gemaakt worden. Willen we werkelijk de ongelijkheid verkleinen en de armoede aanpakken, dan moeten we de belastingen verhogen en de manier heroverwegen waarop marktinkomens worden bepaald.

    Maar we kunnen niet zeggen dat er niets aan te doen is.

    Auteur: Anthony B. Atkinson
    Vertaler: Annemie de Vries

    Anthony B. Atkinson is als senior 
onderzoeker verbonden aan het Nuffield College, Oxford en als professor aan de London School of Economics. 
Hij schreef Inequality: What can be done?, 
Harvard University Press, 2015.

    (Foto boven: Denise Corley (46) en haar dochter Aniya Hall (9) moet alle zeilen bijzetten om rond te komen. Haar man werkt bij McDonalds. – © Rene Cle)

    Toronto Star
    Canada, dagblad, oplage 400.000
    Grootste krant van Canada. Een van de weinige titels die een plechtige ‘principeverklaring’ in ere houdt, te vinden op de site. Daarin staat als kerntaak van de krant ‘het publiek te wijzen op misstanden en de mogelijke oplossingen daarvoor’.

  • Sloppenwijken vinden hun eigen toekomst uit

    Sloppenwijken vinden hun eigen toekomst uit

    Nieuwe vormen van muziek die zich wijd verspreiden, maar ook het ontwikkelen van een systeem om afvalwater te zuiveren: naast alle misère barsten de Afrikaanse sloppenwijken ook van creativiteit en zelfredzaamheid.

    In een van de uitzendingen van 
A Richer World van de BBC sprak de gerenommeerde Zweedse statisticus Hans Rosling over hoe West-Afrika de uitbraak van ebola heeft weten te bedwingen. Zijn fascinerende presentatie toonde onder meer aan hoe de loop der dingen in een Afrikaanse sloppenwijk een drastische wending kan nemen. Soms pakt het slecht uit, zoals in het geval van ebola. Andere keren gaat het juist goed, bijvoorbeeld als het cultuur betreft. Neem semba, het soort aanstekelijke muziek dat zelfs de schuchterste toeschouwers de dansvloer opdrijft. Het 
is een mengeling van opzwepende Afrikaanse ritmen, samba en Caraïbische zouk die zijn naam dankt aan 
het enkelvoud ‘masemba’, wat ‘buikcontact’ betekent.

    Vernieuwingsdrift

    Semba ontstond in het begin van de jaren zestig in de sloppenwijken of musseques van Luanda, de hoofdstad van Angola. Dankzij hervormingen in het koloniale beleid zagen de inwoners hun dagelijkse leven verbeteren en overal in de stad ontstonden nieuwe culturele centra. Semba, een lokale vorm van populaire stadsmuziek, was een boegbeeld van deze positieve ontwikkelingen. Sterker nog: als je het over hedendaagse Angolese muziek wilt hebben, kun je niet om semba heen. Ook buiten Angola is semba immens populair, vooral in de Portugeestalige landen en in West-Afrika.

    Dat bewijst maar weer dat je niet altijd op een eerste indruk kunt afgaan: zo op het eerste gezicht springen namelijk vooral de erbarmelijke omstandigheden van de Afrikaanse sloppenwijken in het oog. Kijk je echter verder, dan tref je er een vitaliteit, bezieling en vernieuwingsdrift aan die je nergens anders in de stad vindt. Bovendien hoor je er alle belangrijke muziekgenres, waaronder semba, die ontsproten in de uitdijende nederzettingen van werkzoekenden aan de rand van Afrikaanse steden. En tegen de verdrukking in ontstaan hier nog altijd nieuwe genres. In Zuid-Afrika begon de ondergrondse muziekcultuur met marabi, een muziekstijl uit de townships met Amerikaanse ragtime- en bluesinvloeden, meestal uitgevoerd op een keyboard.

    Alle grote dansorkesten hebben marabi omarmd en die swingstijl bracht weer mbaqanga voort, de meest karakteristieke vorm van Zuid-Afrikaanse jazz. In sommige sloppenwijken bestaat de artistieke expressie uit geschilderde teksten en kleurrijke muurschilderingen die de wijk een compleet andere aanblik kunnen geven. Zo maken jongeren in de sloppenwijk Korogocho van Nairobi muurschilderingen vol hoop waarmee ze de gemeenschap willen inspireren. Graffiti voor vrede is ook een groot succes in Kiberia, Nairobi’s grootste krottenwijk, en dat culmineerde in Kiberia Walls for Peace, een kunstproject voor jongeren.

    Dit project moest in de aanloop naar de presidentiele verkiezingen van 2013 eenheid en samenwerking tussen de verschillende etnische en politieke groepen bevorderen. Het resulteerde in een trein met tien wagons die beschilderd met positieve boodschappen en vredestekens door de sloppenwijken rijdt – wellicht de eerste trein in Afrika met graffiti die van hogerhand is goedgekeurd. Kunst uit de krottenwijken wordt steeds meer gewaardeerd en geïnstitutionaliseerd.

    Zo put het sloppenfestival van Kampala, in Oeganda, uit het lokale creatieve talent. Het festival richt zich op de meest kansarme groepen in meer dan tien stadswijken. De bewoners worden één dag per jaar getrakteerd op een openluchtfestival met exposities, muziek, poëzie, films en workshops. Ook het jaarlijkse Slum Film Festival 
in Kenia, begonnen in 2011, is een ode aan de creativiteit. Een week lang zijn er openluchtvoorstellingen met films van en over sloppenwijkbewoners. Het festival dient twee doelen: het biedt een platform aan lokaal creatief talent, en daarnaast krijgen deze gemeenschappen die slechts beperkt toegang tot bioscopen hebben de mogelijkheid om een verscheidenheid aan films te zien.

    Kunst uit de krottenwijken wordt steeds meer gewaardeerd en geïnstitutionaliseerd

     Een catwalk georganiseerd door de Miss Koch beauty and talent contest in de sloppenwijken van Nairobi. – © Thomas Mukoya / Reuters. (r) Het Orkest Ghetto Classics, eveneens in Nairobi. De optredens laten jongeren kennismaken met klassieke muziek. –
    Een catwalk georganiseerd door de Miss Koch beauty and talent contest in de sloppenwijken van Nairobi. – © Thomas Mukoya / Reuters. (r) Het Orkest Ghetto Classics, eveneens in Nairobi. De optredens laten jongeren kennismaken met klassieke muziek. –

    Proeftuin

    Dit soort initiatieven laat zien dat in Afrikaanse sloppenwijken voortdurend vernieuwing plaatsvindt, en dat geeft de inwoners de gelegenheid mee te werken aan de verandering van hun omgeving van binnenuit, waarbij de sloppen een proeftuin worden voor een aantal van de meest ongelofelijke programma’s van stadsvernieuwing. In Dakar, Senegal, hebben inwoners van de sloppenwijk Yoff de handen ineengeslagen met een ngo die werkzaam is op het gebied van milieu en ontwikkeling om een duurzaam afvalwatersysteem te ontwerpen en te bouwen. Yoff, een stedelijk gebied dat aan de Atlantische Oceaan grenst, heeft in de afgelopen jaren te maken gekregen met een enorme migratie waar de infrastructuur niet tegen bestand bleek.

    Omdat watertrucks de nauwe straatjes niet in konden om het afvalwater op te halen, loosden de inwoners van Yoff het direct op het strand. In het systeem dat door de inwoners is ontworpen, wordt het afvalwater eerst in kleine bezinkbassins opgevangen waarna het naar grotere verzamelbassins wordt afgevoerd, waar het met behulp van waterplanten wordt gezuiverd. Het gezuiverde water – een waardevol goed in een gebied waar water schaars is – wordt vervolgens gebruikt voor irrigatie, stadslandbouw en toiletsystemen. De gemeenschap heeft een commissie in het leven geroepen om het systeem te beheren en er zijn pictogrammen ontworpen om anderen duidelijk maken hoe het gebruik ervan in zijn werk gaat.

    man

    Een andere veelbelovende innovatieve stap werd gezet in Khayelitsha, de 
op één na grootste township in Zuid-Afrika. Hoewel hier nauwelijks sprake is van enige stadsplanning, openbare voorzieningen of een herkenbaar stadscentrum, heeft The CiTi (Cape Innovation and Technology Initiative) hier kortgeleden een broedplaats voor start-ups geopend, geënt op het model van de populaire incubator Bandwidth Barn in Kaapstad. Bandwidth Barn biedt met name ondersteuning op het gebied van technologische innovaties om zo lokale problemen op te lossen en banen te scheppen. The Barn Khayelitsha wil verschillende programma’s opzetten voor het ontwikkelen van ict-vaardigheden gericht op algemene bedrijfsontwikkeling, in het bijzonder voor vrouwelijke ondernemers, jongeren, kleine boeren en ondernemers in de toeristensector.

    Ten slotte vervullen sloppenwijken in sommige landen een cruciale rol. Van oudsher bestaan sloppenwijken naast de officiële stad en helpen ze ondanks de overduidelijke beperkingen mee aan haar groei.


    Neem bijvoorbeeld Makoko, de Nigeriaanse krottenwijk op palen in de lagune van Lagos, al meer dan honderd jaar bewoond door een trotse, traditionele vissersgemeenschap. Hoewel de regering hen dreigt met herhuisvesting elders, wil het merendeel van de vissers, markthandelaren en visrokers het liefst op het water blijven wonen. Elk huishouden bezit een kano. De grote kano’s worden gebruikt op open zee en de kleinere in de lagune. De gemeenschap voorziet de inwoners van Lagos van vis. Op de Asejere-markt, de bekendste in Makoko, wordt de vangst – barracuda’s, garnalen en krabben – tegen lage prijzen verkocht.

    Culturele smeltkroes

    Aan de andere kant van het continent, in Kigali, ligt Nyamirambo, een sloppenwijk ‘in overgang’: de wijk wordt inmiddels meer als voorstad dan als sloppenwijk beschouwd, hoewel de infrastructuur en de veiligheid in delen van Nyamirambo nog veel te wensen overlaten. Vijftig jaar geleden was het nog een doodgewoon Rwandees dorp maar in korte tijd vestigden zich er veel migranten en kwam het bekend te staan als een bruisend maar gevaarlijk deel van de stad, lokaal bekend onder de naam ‘Gangster Paradise’. Het is een culturele smeltkroes met inwoners afkomstig van het hele continent en het heeft een grote moslimgemeenschap. Het nachtleven is er bruisend, met winkeltjes die zeven dagen per week geopend zijn, vierentwintig uur per dag. Nyamirambo wordt beschouwd als de bakermat van het Kinyarwanda-slang (naast het Engels en het Frans de derde officiële taal van Rwanda), de taal waarin het merendeel van de lokaal geproduceerde muziek wordt opgenomen. De wijk vormt een levendig muziekcentrum met tal van studio’s zoals Touch Record, F2K, Super Level en Top5sai.