Tag: buitenlandse media

  • Ondergronds leven

    Ondergronds leven

    Dominic Van Allen heeft werk, een telefoon, een bankrekening met wat geld erop, maar geen huis. Waarom, bedacht hij, geen stukje grond ‘lenen’ in een chique park in Noord-Londen dat jaarlijks door zo’n 9 miljoen mensen wordt bezocht? Ideale plek voor een ondergrondse bunker.

    Voordat het allemaal misging bracht Dominic Van Allen de laatste uren van zijn avonden meestal door in een pub genaamd The Garden Gate. Daar viel hij al drinkend en kletsend niet snel uit de toon en stak hij zelfs keurig af bij de andere gasten, die verschillende gradaties van slonzigheid vertoonden. Honduitlaters kwamen met doorweekte honden aanzetten. Uitgeputte artsassistenten sloften na hun dienst met opgestroopte mouwen naar binnen. Er waren oudere mannen in nette kleding, broos als antieke kapstokken, en nonchalant geklede professionals die in de financiën of het entertainment werkten en dure huizen bezaten in de buurt.

    ‘En juist die rijke klootzakken,’ verwonderde Van Allen zich, ‘konden het zich veroorloven er het minst verzorgd uit te zien.’ Zelf droeg hij stevige laarzen, een kakibroek en een leren motorjack, en kon hij doorgaan voor een fietskoerier, bouwvakker, misschien een klusjesman uit het nabijgelegen ziekenhuis, waar ze hem in de personeelskantine kenden omdat hij soms bij zonsopgang een kopje koffie met korting kwam kopen.

    Die winter van 2017 was Van Allen 44 jaar oud – lang, met kortgeknipt blond haar, blauwe ogen en een licht Yorkshire-accent. Als het te laat werd, dronk hij zijn drankje op en ging naar buiten, waar hij vanuit de pub noordwaarts liep richting een met bomen omzoomde weg langs Hampstead Heath, een enorme open vlakte net boven het centrum van Londen. Elke dag komen er duizenden mensen: hardlopers, natuurzwemmers, toeristen, vogelliefhebbers op zoek naar grasmussen en zwartkoppen in de struiken of putters en torenvalken in de bomen. De zomer brengt zonaanbidders, picknickers en studenten die in kringen bij elkaar zitten, terwijl in de winter in de zeldzame gevallen dat het sneeuwt mensen erheen gaan om te sleeën.

    Uitzicht op Londen vanaf een heuvel in het park Hampstead Heath, waar Dominic Van Allen in een ondergrondse bunker woonde. © Unsplash
    Uitzicht op Londen vanaf een heuvel in het park Hampstead Heath, waar Dominic Van Allen in een ondergrondse bunker woonde. © Unsplash

    Deze avond, december 2017, was er lichte sneeuw voorspeld. Van Allen liep hard door om snel binnen te zijn.

    Hij liep langs de westelijke rand van de vlakte, voorbij het struikgewas waar een wirwar van berenklauw groeide en de braamstruiken groter waren dan hijzelf. Het was bekend dat daklozen soms in dit struikgewas sliepen en hier in het donker tenten opzetten. Van Allen had dit ook wel eens gedaan. Dat hij dakloos was hield hij meestal voor zichzelf. ‘Zou jij dat niet doen dan?’ Hij wist dat er veel mensen waren zoals hij, die losse klussen deden, stamgasten in pubs waren, paspoorten bezaten en telefoons met de juiste opladers, maar geen plek hadden om te wonen. Hij zou waarschijnlijk nooit genoeg verdienen om in Londen te kunnen huren. Sociale woningen waren net buiten zijn bereik. Een hypotheek was volstrekt ondenkbaar. In plaats daarvan had Van Allen een manier gevonden om – onofficieel – nacht na nacht een plekje in deze dure buurt te huren. Aangekomen bij een rij herenhuizen die uitkeken over de vlakte, sloeg hij af en volgde een voetpad door het struikgewas.

    Zichtbare onzichtbaren

    Sommige aspecten van het verhaal van Van Allen zijn uitzonderlijk. Andere zijn bij lange na niet uitzonderlijk genoeg. Er is nooit een nauwkeurige telling geweest van mensen zoals hij, de zichtbaar onzichtbare daklozen. Hoewel we weten dat er tussen de 55.000 en 60.000 officiële daklozen zijn (dat wil zeggen: mensen die een aanvraag indienen om gebruik te maken van overheidsfaciliteiten) en hoewel er inspanningen worden gedaan om jaarlijks het aantal wildslapers te tellen (waarvoor in de herfst een speciaal team op pad gaat), is er een enorme populatie waarvan de statistici geen weet hebben.

    ‘Het zou zomaar kunnen dat je naast iemand zit en het niet weet,’ zegt Van Allen. ‘Er bestaat een redelijke kans dat de barman die je vanavond bediende in een schuilplaats of kraakpand slaapt, sofa-surft of nachten doorbrengt in een auto of busje.’ Van Allen zegt dat je op miljoenen uitkomt als we de definitie van daklozen verruimen naar mensen die zo’n onzekere huisvesting hebben dat ze deze binnen een maand, een week, in een oogwenk kunnen verliezen. Liefdadigheidsinstellingen proberen regelmatig de aandacht te vestigen op het gecompliceerde probleem van verborgen dakloosheid, een wereld van overvolle matrassen, bedden in schuren, de achterbank van nachtbussen. Het is juridisch gezien grijs gebied – alles wat zich afspeelt tussen een vast adres en ‘de winkelwagentjesfase’, zoals Van Allen het later zou noemen, toen hij werd gearresteerd en verhoord door de politie.

    Halverwege het voetpad slaat hij weer af en dit keer stapt hij de dichte braamstruiken in. Hij volgt een smalle passage die ertussendoor is uitgekapt en komt zigzaggend bij een kleine open plek, waar hij in het donker bukt en op de aarde klopt. Een verborgen luik. Van Allen trekt het met zijn vingers open en daalt af in de aarde, waarna hij het luik weer sluit. Beneden doet hij met een schakelaar het licht aan. Hij hangt zijn jas op.Commando terrorismebestrijding, hoofdondervrager: ‘Dit klinkt misschien als een domme vraag. Maar waar was het kamp voor?’

    Dominic Van Allen: ‘Huisvesting. Geen plek om te wonen.’

    CT: ‘(…) Je hebt er een permanente verblijfsplaats van gemaakt door ondergronds te gaan, door te graven … Wanneer was dat?’

    Van Allen: ‘Ze zijn, wanneer was het, februari 2018 met bulldozers gekomen? Dus het was [twee jaar daarvoor], de lente van 2016. De laatste dooi had net ingezet… We dachten laten we gewoon blijven. Waarom niet?’

    In de bunker was ruimte voor twee veldbedden die tegenover elkaar tegen de muren waren geschoven. In het 1 meter brede gangpad tussen de bedden kon Van Allen comfortabel staan ​​zonder met zijn hoofd het houten dak te raken. De vloer onder hem was in beton gestort. Hij had haken opgehangen voor zijn jas, zijn tas en zijn kookgerei, en er waren planken bij het bed bevestigd om spullen op te zetten. LED-lampjes met drukknoppen waren met tape aan de muren geplakt. Er stond hier beneden een draagbaar gasfornuis, en nu Van Allen binnen was, stak hij het aan en goot een blik soep in een pan. Na het eten waste hij af met natte doekjes. Het afval werd in plastic zakken gestopt, om de volgende ochtend vroeg naar een verre vuilnisbak te worden vervoerd, voordat de parkwachters van de heide hun ronde maakten.

    Een herenhuis aan Hampstead Heath. © Unsplash
    Een herenhuis aan Hampstead Heath. © Unsplash

    Over het algemeen sliep Van Allen goed. Achter de houten muren zat nog een betonlaag om het grondwater buiten te houden, en samen met de Hampstead-klei dempte deze alle behalve de meest extreme geluiden. (Op vuurwerknacht hoorde hij de knallen, maar niet het geknetter.) Toen hij hier net was komen wonen, maakte Van Allen zich soms zorgen dat hij zich zou verslapen en zette hij een wekker op zijn telefoon. Het was nooit nodig. Hij was al tientallen jaren getraind om op pad te zijn voordat de stad ontwaakte, voordat Londen weer werd bevolkt door bewakers, parkwachters en politieagenten die een van zijn tijdelijke onderkomens zouden kunnen ontdekken en alles zouden verpesten.

    Zelfs naar zijn eigen maatstaven (en Van Allen had een rijke geschiedenis in het bemachtigen van guerrilla-accommodatie) was de bunker waanzinnig. Hij wist dat de uiteindelijke ontdekking ervan onvermijdelijk was. Hij wist ook dat, zolang ze kleine voorzorgsmaatregelen in acht namen, dat moment lang kon worden uitgesteld.

    Geen vuilnis achterlaten dus. Overdag niet bij het luik blijven hangen. En geen opschepperij, niet bij The Garden Gate, niet als klusjesman in de stad. Van Allen was geliefd bij zijn vrienden vanwege zijn zwartgallige humor. Hij vertelde hen dat hij een landhuis had gebouwd. Wat hij er niet bij zei, was dat zijn ranch drie bij vier meter was, ongeveer zo groot als een royale invalidentoilet, en verborgen lag onder een van de drukste openbare parken van het land.

    Die dag in december, zag hij toen hij ’s ochtends wakker werd en zijn hoofd naar buiten stak dat de weersverwachting bleek te kloppen en er ’s nachts enkele centimeters sneeuw op het dak van de bunker was neergedaald. Dankzij de goede isolatie had Van Allen desondanks in een T-shirt kunnen slapen; tevreden, zoals hij meestal was vanwege kleine technische triomfen, sjokte hij in de richting van het ziekenhuis om koffie te halen in de kantine. Hij liet laarsafdrukken achter, maar al snel zouden de rodelaars tevoorschijn komen om op slechts enkele meters van zijn luik de helling af te zoeven en hun eigen sporen achter te laten.

    ‘Dat hij dakloos was hield hij meestal voor zichzelf ’

    Commando voor terrorismebestrijding: ‘Vertel eens iets over jezelf, Dominic.’ Van Allen: ‘Zoals…?’ CTC: ‘Gewoon je geschiedenis, eigenlijk.’Van Allen: ‘Ik ben al 26 jaar dakloos. Ik weet het niet, ik was vroeger podiumbouwer. Ik heb een soort botziekte gekregen…’CTC: ‘Dat was het einde van die carrière?’

    Van Allen: ‘Dat was het einde.’

    Hij werd geboren in 1973, in de buurt van Wakefield, en vertrok op zijn 21ste zuidwaarts richting Londen. Hij werkte als barman, schilder en decorateur, arbeider en vrachtchauffeur op de luchthaven voordat hij een baan vond die hem beviel: podiumbouwer. Van Allen werkte voornamelijk bij muziekconcerten en tv-uitzendingen, en kwam bekend te staan als betrouwbare ‘steigeraap’ omdat hij er nooit moeite mee had wankele steigers te beklimmen om bijvoorbeeld de belichting bij te stellen. Hij plaatste een hekwerk voor U2 in Hyde Park en haalde daar ooit een nacht door om de backstageruimte voor Live 8 neer te zetten. Hij deed klussen voor Channel 4, L’Oréal, de Proms. Het werk paste bij Van Allens levensstijl in die zin dat het achter de schermen plaatsvond, tot laat doorging en inhield dat stadsterreinen moesten worden aangepast aan de specifieke behoeften van het moment.Toen de flat waar hij verbleef te duur werd, ging hij kraken. Tien jaar lang wisselde hij tussen verschillende gemeentelocaties in Londen, tot 2011, toen de wetten voor kraken strenger werden, plekken schaarser werden en er steeds krachtiger ellebogen nodig waren om een ​​slaapplaats te bemachtigen. Van Allens gezondheid was slecht. Toen hij zich tijdens een tv-uitzending een keer verstapte, brak hij een been. Terwijl hij nog met krukken liep, brak hij ook zijn andere been. Toen begon hij zich zorgen te maken. Artsen stelden een botaandoening vast en waarschuwden dat er zich zonder voldoende rust spontane breuken zouden blijven voordoen. Hij moest stoppen met zijn werk en kon de keiharde concurrentie om een ​​plek in een kraakpand niet bijhouden. Hij deed een tijdje zijn best om officieel aan te tonen dat hij (in zijn eigen woorden) de lul was. Ziekenhuizen verwezen hem door naar organisaties, organisaties naar woningcorporaties. Er lagen aanvragen van hem bij de stadsdelen Camden, Hammersmith en Fulham, bij de woningbouwcorporaties Peabody Trust en Guinness Partnership. Er waren wachtrijen. Formulieren. Tests en medische evaluaties. Er waren slechte dagen, in wachtkamers, waarop hij zijn geduld verloor en ruzie maakte met de gestreste medewerkers achter hun beschermglas. Van Allen was niet bijzonder jong of oud, geen verslaafde, geen ouder. Er waren zoveel anderen (mijn woorden) meer de lul. Hij kwam nooit boven aan de lijsten terecht en kreeg uiteindelijk te horen: ‘Het is niet waarschijnlijk dat je in aanmerking komt voor een huis.’Als je er eenmaal over begint, biertje in de hand bij The Garden Gate, kan Van Allen losgaan. ‘We zijn een eiland van, wat is het, 250.000 vierkante kilometer? De bevolking is enorm, groeit en heeft hetzelfde aantal huizen als veertig jaar geleden. Te veel mensen! Te weinig huizen! Ik en de meeste van mijn vrienden, we zitten allemaal in hetzelfde schuitje, een gemeenschap van honderdduizenden mensen. Zijn niet in de goot beland, hebben betaald werk en zijn allemaal de lul – al jaren. Het komt door hoe de wetgeving in elkaar zit… We hebben dit verdomde pad niet gekozen. Dit komt door de huisvestingswet van 1996 en alle onzin die sindsdien is ingevoerd. Het is niet ons pad. Ik heb er jarenlang tegen gevochten en toen heb ik de handdoek in de ring gegooid. Ik zei tegen mezelf: “Fuck it, ik ga kamperen.”’

    Crusoe-instelling

    Hij had een paar duizend op de bank apart gezet, en kon nog steeds werk aannemen als klusjesman, wat planken bevestigen of meubels monteren voor 20 of 30 pond per keer, eenmalige klussen die hij vaak regelde via een app op zijn telefoon. Van Allen was gehavend en moe, maar had nog steeds die Crusoe-instelling die hem nooit helemaal in de steek liet. Hij kocht goede laarzen en een goede tent en verplaatste zijn bestaan naar buiten. Zoals bij veel mensen die dakloos worden, kwam de handigheid stukje bij beetje. Van Allen schoor zijn haar kort, zodat het gemakkelijk met zeep kon worden gewassen. Hij leerde welke zwembaden de goedkoopste eenmalige toegangsprijzen hadden om te kunnen douchen; welke inloophuizen hij als postadres kon gebruiken. Hij kocht grote goedkope hoeveelheden ondergoed en T-shirts online, zodat deze indien nodig konden worden weggegooid. Hij werd een vaste klant in een katholieke kerk waar ze dagelijks een ontbijt voor daklozen bereidden.Bezittingen die niet in zijn vijftienliterrugzak pasten, waren sowieso van tijdelijke aard. Spullen werden gestolen, geconfisqueerd en vernield, dus Van Allen leerde van de essentiële voorwerpen een reserve-exemplaar te bewaren, vooral van tenten. Hij had deze overal onder struiken en op daken verstopt, van Camden in het noorden tot Stratford in het oosten, van Southwark onder de rivier tot Richmond in het westen. Mocht kamperen vanwege het slechte weer niet kunnen, dan had hij aan zijn sleutelbos een bepaald soort sleutel die nooddeuren kon openen, bedoeld voor gebruik door de brandweer. Hij begon zich vertrouwd te voelen in het schaduwrijke Londen, waarbij hij de voorkeur gaf aan plaatsen waar geen andere mensen kwamen: cv-ruimten, achtertrappen, parken in het donker, de daken van flats.In de maanden dat het goed weer was, kampeerde hij in Hampstead Heath, waar hij vertrouwd raakte met het nachtelijke ritme van het park – eerst het moment waarop de parkwachters afhaakten, dan de laatste hondenuitlaters en vervolgens de schemering waarin daklozen tevoorschijn kwamen, samen op banken een ​​biertje dronken of een joint rookten voordat ze naar bed gingen en het park overlieten aan de eksters en de mollen.

    Om één of twee uur ’s nachts kon op het veld een absolute stilte heersen – een stilte die regelmatig werd verstoord door de komst van joyriders, die met hun auto’s over het lege gras raasden om even plotseling als ze waren gekomen weer te verdwijnen. Een helikopter, een militaire, vermoedde Van Allen, vloog vaak rond 5 uur ’s ochtends rond en gaf aan dat het bijna tijd was om op te staan ​​en zijn tent af te breken en te verbergen voordat de parkwachters arriveerden. Na jaren op deze manier te hebben geleefd, begon Van Allen naar iets permanenters te verlangen.

    Kapitale panden aan het water van ‘The Heath’. © Unsplash
    Kapitale panden aan het water van ‘The Heath’. © Unsplash

    Commando voor terrorismebestrijding: ‘Vertel eens wat je weet over dit stuk van Hampstead Heath.’ Van Allen: ‘Ik zit er nu ongeveer zeven jaar … Klinkt stom, om een bunker te graven … [maar] ik word te oud om tenten uit elkaar te halen en onder struiken te schuiven.’Al eeuwenlang hebben allerlei groepen geprobeerd een stuk van het terrein voor zichzelf te annexeren. Mensen die op de vlucht waren voor de pest kampeerden hier in de zeventiende eeuw, evenals evangelisten, reizigers op doortocht en struikrovers (van wie sommigen hier ook zijn opgehangen). In de jaren 1830 probeerde een opgewonden heer van een naburig landgoed die zijn lippen al aflikte bij het idee, een stuk van de vlakte in te sluiten voor privégebruik. Hij werd gedwarsboomd door de rechtbank, en de brutaliteit van die poging droeg eraan bij dat Hampstead Heath in 1879 openbaar bezit werd. Dieren zijn altijd gekomen en gegaan, middeleeuwse wolven, later Keats’ nachtegaal, weer later een zeldzame wallaby, die in de lente van 2019 werd gespot. Tuinmannen mochten hier tijdens de Eerste Wereldoorlog volkstuinen aanleggen, en in de Tweede werden de velden opgeëist voor dreunend luchtafweergeschut. Waarschijnlijk zijn de meest discrete kolonisten van de vlakte – in ieder geval totdat Van Allen met een schop, een zak cement en een Makita-motorzaag aan kwam zetten – altijd de kevers geweest die de verweerde houten palen en hekken bevolken. Van Allen ging niet meteen voor zijn meest ambitieuze plan: de bunker. In de maanden voordat hij een rechthoek vrijmaakte en de eerste spade in de grond stak, bereidde hij zich voor door te oefenen met graven, zijn materiaal uit te proberen en andere, minder groots opgezette ondergrondse plannen uit te voeren. Tussen 2013 en 2015 groef Van Allen samen met een medeplichtige een reeks gaten verspreid over het park. Elk gat had exact de grootte van een afvalcontainer – want daar waren ze voor bedoeld: de containers werden rechtop zodanig begraven dat het deksel nog te gebruiken was, zodat ze ideaal waren voor opslag.

    Zijn medeplichtige was een Poolse arbeider, toen midden dertig, genaamd Marek Wójcik. (Zijn naam is in dit verhaal veranderd. The Guardian heeft geen contact met hem kunnen opnemen om zijn versie van de gebeurtenissen te vernemen.) Volgens Van Allen was Wójcik informeel tewerkgesteld als arbeider op bouwterreinen in Londen. Hij kon timmeren, metselen en fundamenten leggen, vaardigheden die een goede aanvulling vormden op Van Allens eigen improvisatietechnieken, die hij kende van de korte tijd dat hij als podiumbouwer had gewerkt. Met een biertje op een bankje hadden de twee mannen het ambitieuze plan doorgesproken. Wat denk je, vroeg Wójcik, vanavond beginnen? De nachtpatrouille van het park was in de verte langs de normale, voorspelbare route uit zicht verdwenen. Ze zouden pas uren later terugkomen. ‘Prima,’ zei Van Allen, ‘waarom niet?’De plek die hij had voorbereid bevond zich in het struikgewas waar zich altijd al kampeerders schuilhielden, maar dan beter weggestopt. Hij had van een enorme, doornige braamstruik de binnenkant weggesnoeid met behulp van een betonschaar. De site lag dicht bij een cluster van hun ondergrondse opslagbakken, wat handig was omdat de bakken nu diverse gereedschappen en materialen bevatten: voorraden cementpoeder, kunstmest en bijtende soda; een accuboormachine en een elektrische zaag; twee schoppen. Van Allen en Wójcik ontwikkelden een nachtelijke routine, waarbij ze tot ongeveer middernacht wachtten, een biertje dronken voor de energie en dan een uur of langer aan het graven waren.Toen ze de afvalcontainers begroeven was het een hels karwei geweest om boomwortels door te hakken. Nu mengden ze een oplossing van bijtende soda en doordrenkten de grond ermee om alles wat daaronder groeide te verzachten. Stenen moesten met de hand worden uitgegraven. Telkens wanneer het tussen hun nachtelijke opgravingen door regende, moesten ze als ze terugkwamen eerst urenlang natte klei scheppen, wat het werk vertraagde maar er ook voor zorgde dat de bunker uiteindelijk veel groter werd dan bedoeld. Omdat de opgeschepte aarde een ring vormde tussen de braamstruiken, was Van Allen bang dat het terrein van bovenaf zou worden opgemerkt. Door een drone-liefhebber? Of door satellieten die afbeeldingen aan Google Earth leverden? Hij pauzeerde het werk voor de zekerheid om een camouflagenet te kopen.Toen ze eenmaal ongeveer 1 meter 80 diep waren, konden ze beginnen met het installeren van houten stutten. Voor de bunker zouden ze veel hout nodig hebben. Later hield hij vol dat dit afkomstig was van omgevallen boomtakken. Toen ze klaar waren om de muren te versterken en de vloer te gieten, rolde Van Allen in het donker een afvalcontainer naar een van de zwemvijvers van het park. (Eén deel water.) Daarna naar de zanderige parkeerplaats. (Eén deel zand.) Gemengd met vier delen cementpoeder, vormde dit hun beton. Houten latten vormden het dak, dat was voorzien van isolatieschuim en een vlak, scharnierend luik. Terwijl ze wachtten tot het beton was uitgehard, begon Van Allen aan een programma van tactische tuinbouw. Hij ontwortelde meidoornstruiken in zijn geheel en plantte ze opnieuw rond de open plek bij wijze van vestingwerk. Voor het geval iemand daar desondanks doorheen zou komen, begon hij overal compost te verspreiden om de braamstruik aan te moedigen alle kanten op te groeien. Met behulp van vierkante stukken kippengaas, verkregen van weggegooide barbecues en bestrooid met kunstmest en zaad, lieten ze gras groeien op het bunkerdak. Al snel was er geen camouflagenet meer nodig en viel moeilijk te zeggen, tenzij je zelf op dit idee was gekomen, waar de grens tussen de oude vlakte en het bewerkte stukje grond lag. Van Allen had 100 pond gebudgetteerd voor de klus en kwam goedkoper uit. Het had ongeveer twee maanden geduurd. Op een avond namen ze er zonder veel ophef hun intrek.

    Van Allen en Wójcik ontwikkelden een nachtelijke routine, waarbij ze tot ongeveer middernacht wachtten, een biertje dronken voor de energie en dan een uur of langer aan het graven waren

    Commando voor terrorismebestrijding: ‘Zijn er dieren in het wild gedood?’ Van Allen: ‘Nee … we zijn geen Australiërs … ik ben geen man van het land.’CTC: ‘Oké. Wat ik bedoel, is dat er een vuurwapen op je kampeerterrein is gevonden.’Van Allen: ‘We schieten geen wild af… Er is een Marks & Spencer verderop.’Enkele regels voor het bunkerleven anno 2016-18. ’s Nachts geen geritsel in het kreupelhout als je moet plassen. Van Allen bewaarde om deze reden een lege fles bij zijn bed. (Het merk Innocent was het beste. Wijde hals.) Als je een warme maaltijd wilde, verwarmde je soep in de bunker, soms kant-en-klare aardappelpuree of de mildere Thaise curry’s die M&S verkocht, maar geen geuriger voedsel, niets dat een nieuwsgierig dier naar de open plek zou kunnen lokken. ‘Bij elke hond’, luidde een andere regel van Van Allen, ‘hoort een baasje. En Fido kan gevaarlijker voor je zijn dan de buurtwacht.’ Met vossen was het weer anders. Toen steeds dezelfde vos op de open plek verscheen, wist Van Allen dat dit betekende dat de vlakte grotendeels verlaten was en dat hij kon ontspannen. Hij raakte gesteld op het dier en kocht er soms huisdierenvoer voor.Hij had zich nooit zo herkend in het sombere beeld dat door sommige liefdadigheidsinstellingen werd geschetst. Hij was dakloos, maar hij had een reispas, een fiets die bij het ziekenhuis op slot stond, een bankrekening. De bunker voorzag in andere aspecten van een normaal, alledaags leven: het veldbed, planken voor spullen, een plek om hardop naar de radio te luisteren, een plek om zijn hoofd te scheren. Toen ik voor het eerst hoorde dat Van Allen een bunker had gebouwd onder een park dat jaarlijks door zo’n 9 miljoen mensen wordt bezocht, vroeg ik me af waarom hij een plek zo dicht bij de bewoonde wereld had gekozen, op een paar passen van de weg en de huizen. Was het een provocatie? Een statement? Later, toen alles mis was gegaan, gaf Van Allen een meer prozaïsche reden, een reden die makelaars instinctief zouden begrijpen. Betere infrastructuur.Jaren geleden wilde Erno Goldfinger een betonnen flat bouwen op dezelfde locatie. De beroemde architect had een enorm, grijs, hoekig gebouw voor ogen, waar sceptische buren uiteindelijk tegen protesteerden. (Degenen die tegen het plan waren, waren onder meer de schrijver Ian Fleming, die toen aan zijn spionageboeken werkte en in een positie was om Goldfingers naam voor altijd te bedoezelen door hem aan een Bond-slechterik te geven.) Later, in 2017, kocht een vrouw een stuk grond dat aan het park grensde en bouwde er een mooi houten huisje op. Opnieuw werd er protest aangetekend en deze keer slaagden de buurtbewoners erin een sloopbevel te regelen. Dat jaar, terwijl Van Allen ondergronds zat, maakten zijn naaste buren reclame voor hun eigen huis. Zes bedden. Vijf verdiepingen. Een dubbele brede garage net boven het struikgewas. ‘Bieden vanaf 9 miljoen pond.’ Van Allen twijfelde er niet aan dat het aanleggen van zijn bunker in strijd was met de parkregels. Hij was zich ervan bewust dat wat hij beschouwde als wildkamperen door anderen vandalisme zou worden genoemd, en hij accepteerde de mogelijkheid van een boete, misschien een kleine aanklacht, als prijs voor een stabiel onderkomen. De bunker was een experiment. Vertoon van lef. Tegen de tijd dat de sneeuw in december 2017 viel, woonde hij er al langer dan hij ooit had verwacht.

    Van Allen: ‘[We nodigden] af en toe een paar andere daklozen uit, maar echt niet vaak … Eens in de paar maanden … Mensen die we ontmoetten die een beetje in de problemen waren… mensen die de lul waren.’Commando terrorismebestrijding: ‘En waarom …?’Van Allen: ‘Omdat je ze ziet zitten op een bankje. En ze zien er verloren uit. Het is 10 uur ’s avond en ze hebben geen plek om te verblijven… [We] [bieden ze] een sigaret aan en zeggen: “Hé, we zitten daar, vriend.”’Hij was een bekende geworden van de parkwachters, ze groetten elkaar hartelijk. Van Allen noemde ze ‘Parky’ – allemaal. Hij vroeg zich af hoe achterdochtig Parky was geworden. ‘Ik was er altijd op verdachte tijden,’ zei hij later tegen de autoriteiten. ‘Zonder een hond om uit te laten.’ De parkwachters wisten het en wisten het niet. Lange tijd werden wildslapers in het park gewoon weggejaagd, liefst over de gemeentegrenzen heen, zodat ze het probleem van iemand anders werden. Meer recent, vertelt een boswachter me, was er een beleid van ‘vriendelijk beheer’ aangenomen. Deze methode betekende geduld, wachten op het juiste moment om een ​​proactief duwtje in de rug te geven, zodat de dakloze die ze in het vizier hadden zelf hulp zou zoeken.Vaak wachtten de parkwachters tot de winter om dit te doen, als er minder begroeiing was en de tenten makkelijker te ontdekken waren. De winter was ook een periode om zwerfafval op te ruimen en andere verrassende achtergebleven items – buggy’s, winkelwagens, oude wapens, lege flessen champagne. In de loop der jaren hadden ze lichamen ontdekt in het park, slachtoffers van moord en zelfmoord. Toch kwam het als een verrassing, vertelt een parkwachter me, toen ze een plek tegenkwamen waar stoom opsteeg uit wat solide grond had moeten zijn.

    Kapitale panden aan het water van ‘The Heath’. © Unsplash
    Kapitale panden aan het water van ‘The Heath’. © Unsplash

    Op de sneeuw volgde dagenlang zware regen. Van Allen werd door vocht uit de bunker verdreven en verbleef enige tijd in een opvangcentrum in de buurt van Bloomsbury, tot het weer droog zou zijn. Bij zijn terugkeer, op een nacht, klom hij door de braamstruik en zag dat er een geplastificeerd briefje bij het luik was achtergelaten. De parkwachters hadden hun moment gekozen. In het briefje werd hij aangemoedigd om het park te verlaten en de gemeente of een woningbouwvereniging te benaderen voor hulp bij huisvesting. Toen hij het las, dacht Van Allen wrang: ‘Ja. Dat zal vast helpen.’Hij vond een aantal bezittingen terug en verplaatste deze naar de containers die vlak bij nog onverstoord onder het struikgewas zaten ingegraven. Hij zou het veldbed moeten achterlaten; dat was vervelend. Maar verder was Van Allen niet sentimenteel en hij verliet de bunker zonder nog eens om te kijken. Dagen later brak een minigraafmachine de plek open. Met het dak eraf, vertelt een parkwachter me, was het alsof je neerkeek op de fundamenten van iemands huis. Vier muren. Een dak. Een deur in een gemeenschappelijke gang of een hek met een degelijke grendel aan het einde van een oprit – of dus een luik in de modder. Dit zijn de fundamenten van een huis, en ze isoleren en beschutten, ze zorgen voor een beetje privacy en stellen onze lievelingsspullen veilig. Thuis kan een simpele kwestie van afbakening zijn. Dat alles voor jullie allemaal! Dit kleine beetje voor mij. Zonder duidelijke drempel wordt alles gecompliceerd en gecompromitteerd: veiligheid, toevluchtsoord, een gevoel van geworteldheid en controle. Van Allen had lang geleden geleerd dat hij, zonder legale scheidingswanden of grenspalen rond zijn schuilplaatsen, altijd bezittingen kon verliezen waar hij blij mee was of die hij nodig had. Hij had niet verwacht dat hij op een dag zou moeten discussiëren over het bezit van spullen waar hij niets mee te maken wilde hebben.Als hij het advies in het geplastificeerde briefje had opgevolgd en het park had verlaten, zou dat het einde van deze fase van Van Allens leven kunnen zijn geweest. Hij zou ergens in zijn schaduwstad ronddwalen. Maar hij en Wójcik sloegen hun tenten op in het struikgewas bij hun containers. Van Allen rouwde niet om de verloren bunker, maar werd steeds onvoorzichtiger. Het kamp begon zich uit te breiden. Ze lieten het zwerfafval slingeren (sommige van de weggooi-T-shirts van Van Allen werden later in de braamstruiken gevonden) en namen meer risico’s. Van Allen en Wójcik raakten een weekend in september 2018 overmoedig toen ze probeerden een enorme nieuwe container te begraven zonder de grond eerst met bijtende middelen zachter te maken. Het was geen klus die in één nacht kon worden geklaard, en omdat ze de bak nergens konden verbergen, lieten ze hem halfbegraven liggen, zodat hij gedeeltelijk zichtbaar was vanaf het pad. Een paar nachten later, na zijn gebruikelijke biertje in The Garden Gate, liep Van Allen in het donker de heuvel op en kwam terecht op een plaats delict.

    Thuis kan een simpele kwestie van afbakening zijn. Dat alles voor jullie allemaal! Dit kleine beetje voor mij

    Van Allen: ‘Jullie moeten een hoop spullen van me, [mijn] kleding, in de struiken hebben gevonden?’ Commando voor terrorismebestrijding: ‘Klopt.’Op de parkeerplaats van het park stonden politiebusjes, en agenten in uniform hadden een lang, slingerend cordon gevormd dat zijn kamp omsingelde. Later zou de politie blauw-gele forensische tenten opzetten en honden, rechercheurs in burgerkleding en rechercheurs in overalls en regenlaarzen binnenbrengen. Van Allen liep naar het cordon en veranderde zijn accent, Hampstead-stijl, om te vragen wat er aan de hand was. Hij zag dat er agenten waren uit naburige stadsdelen, veel meer dan nodig waren om eigenwijze daklozen te vervoeren. ‘Je kunt hier niet doorheen,’ kreeg Van Allen te horen. Hij keerde op zijn schreden terug en stak de donkere vlakte over naar de zwemvijver, waar hij Wójcik op hun gebruikelijke bank aantrof. ‘Wat is er allemaal aan de hand?’ Ze waren het erover eens dat het er niet best uitzag. Ze deelden nog een laatste biertje samen. Van Allen had andere plaatsen waar hij kon slapen. Een met tapijt beklede hoek in een openbaar gebouw, waar een sympathieke conciërge hem liet slapen. De pompruimte van een flat. Terwijl hij tussen deze plaatsen heen en weer ging, bleef hij de hele herfst nadenken over al die ophef op de plaats delict.

    Breaking Bad

    Van Allen vertelde een vriend, een man genaamd Keong Lim, dat hij er niets van begreep. Al die politie voor een paar begraven afvalcontainers? Zijn schop en afgedankte T-shirts? Lim werkte in de katholieke kerk waar ze het gratis ontbijt serveerden. Hij was gesteld op Van Allen en was hem dankbaar voor het repareren van allerlei dingen in de kerk. Op een dag, herinnert Lim zich, vroeg Van Allen hem te helpen om meer te weten te komen over wat er in het park was gebeurd. Ze zochten het online op en vonden een verhaal in de plaatselijke krant, de Hampstead & Highgate Express, dat was overgenomen en uitgebreid door verslaggevers van The Sun, Mirror en Evening Standard. In Hampstead Heath was een ‘Breaking Bad-achtig provisorisch crystal meth-lab’ ontdekt, lazen ze. ‘Bosrijk gebied … Containers gevonden … Afzettingen aangebracht.’ Van Allen wendde zich tot Lim en zei: ‘Wel verdraaid. Dit gaat over mij.’Hij vroeg zich af of ze zijn voorraad witte, korrelige bijtende soda hadden gevonden en die voor iets duisters hadden aangezien. Nieuwskanalen vanuit de VS en Australië hadden het verhaal van het methlab in Hampstead gebracht, meestal met een illustratie erbij van de acteur Bryan Cranston als scheikundige alias drugsbaron Walter White. Van Allen had Breaking Bad niet gezien. Hij keek liever naar de zender BBC Parliament en geloofde – met reden – dat het leven raar genoeg was zonder fictie. Maar hij begreep het idee. Hij besloot zich gedeisd te houden.In februari 2019 nam de politie contact met hem op. Toen de onderzoekers het kamp uitkamden, hadden ze een gewatteerde envelop in het struikgewas gevonden. Die kwam van een bouwbedrijf waar Van Allen soms online bij winkelde. Op de oude envelop stond zowel zijn naam als het adres van een inloophuis dat hij voor post gebruikte. Onderzoekers hadden zijn telefoonnummer getraceerd en nu vertelden ze Van Allen dat ze met hem wilden praten over het provisorische kamp. Oprecht nieuwsgierig vroeg Van Allen: ‘Waarom nu pas?’ Het was inmiddels maanden later. Sindsdien was hij niet meer in het park geweest. Zonder dat Van Allen het wist was het onderzoek sinds die fantasievolle krantenberichten over een drugslaboratorium veranderd. Bij het opgraven van het kamp had de politie een zelfgemaakt wapen gevonden, een in elkaar geflanst geweer, ongeveer met de grootte en vorm van een fietspomp, dat ondiep was begraven naast een van zijn containers. De zaak was overgedragen aan agenten van het commando terrorismebestrijding. Van Allen kreeg te horen dat hij zelf niet in de problemen zat; maar zou hij willen afspreken om te praten? Hij stelde een McDonald’s voor, niet ver van het park, in de veronderstelling dat de zaak in een kwartiertje zou zijn afgehandeld.

    Giancarlo Neri, een voormalig voetballer, ontwierp in 2005 ‘The Writer’ voor Parliament Hill. – © Wikimedia
    Giancarlo Neri, een voormalig voetballer, ontwierp in 2005 ‘The Writer’ voor Parliament Hill. – © Wikimedia

    Commando voor terrorismebestrijding: ‘Dus we hebben je vandaag bij McDonald’s ontmoet… En toen je begon te praten over wat je onder de grond verborgen had … besloten we je te arresteren, toch?’Van Allen: ‘Mm-hm.’CT: ‘We wilden je gewoon de kans geven om op band met ons over de situatie te praten.’

    Van Allen: ‘Mm-hm.’

    Hij werd gearresteerd en voor verhoor meegenomen naar het politiebureau van Colindale, waar hij uitvoerig sprak over het kamp in het struikgewas. Weinig onder de indruk van de tekening die een agent had gemaakt van de plek die hij zelf had gecreëerd en met zorg had ingericht (‘Dit is een belabberde schets,’ zei hij tegen de politie), leende Van Allen een potlood en bracht verbeteringen aan. Vragen over het handgemaakte pistool beantwoordde Van Allen met een ‘vierkante ontkenning’, zoals de ondervragers in hun aantekeningen noteerden. Hij zei tegen hen: ‘Ik zit daar al zeven jaar en heb het daar niet geplaatst. Het heeft niets met mij te maken.’ Later kreeg hij te horen dat er enkele sporen van zijn DNA op het wapen waren gevonden. Van Allen kreeg van zijn advocaat het advies om niets meer te zeggen, althans niet op zijn gebruikelijke nonchalante manier. In plaats daarvan kwam hij met een tweede, schriftelijke ontkenning.Van Allens proces voor het bezit van een vuurwapen vond plaats in de Blackfriars Crown Court in de zomer van 2019. Zijn juridische team vond dat het driedaagse proces al met al redelijk goed was verlopen. De eigen deskundige van de aanklager, een DNA-specialist, had toegegeven dat er geen manier was om te achterhalen of Van Allens DNA zich op het vuurwapen bevond door middel van primaire dan wel secundaire overdracht – dat wil zeggen, of hij het ooit fysiek had aangeraakt. De advocaat van Van Allen had de jury over een andere mogelijke verdachte verteld en stond erop dat ze niet konden uitsluiten dat iemand Van Allens kleding had gebruikt om het wapen af ​​te vegen voordat het werd begraven. Toch besloten de juryleden na de beraadslaging dat hij schuldig was. De rechter veroordeelde Van Allen tot vijf jaar.Hij werd overgeplaatst van HMP Pentonville naar HMP Thameside, weer zo’n doos van beton. Hij wilde er niks van weten dat zijn nieuwe situatie beter zou zijn dan dakloosheid. Vrijheid was vrijheid, waar je ook verbleef.

    Droomhuis

    Niet lang nadat Van Allen was veroordeeld, liep ik regelmatig de pub The Garden Gate uit, over de weg langs Hampstead Heath, het struikgewas in. Het kostte wat moeite om door de braamstruiken te komen, die bezaaid waren met blikjes en hondenballen, maar uiteindelijk lukte het: een gebleekte open plek in het kreupelhout was alles wat er over was van zijn oude bungalow. De parkwachters hadden stapels takken neergelegd om de gaten van de containers te bedekken. Eén keer scharrelde er een rat ter grootte van een hardloopschoen over de open plek. Muggen zoemden in de rondte, gestoord door mijn aanwezigheid. Ik had sterk het gevoel dat ik een indringer was. Achteraf vertelde een parkwachter dat sinds Van Allen vertrokken was, een andere dakloze de plek had ingepikt. De parkwachter had rode wangen nadat hij de hele ochtend bezig was geweest met het wegkappen van de braamstruiken die over het pad kropen. Hij legde uit hoe snel de braam groeide en hoe heftig hij zich verzette tegen een snoeibeurt – alsof, dacht ik, de grond onder ons ook een opstandige geest had en zich niet liet vertellen waar hij voor diende.In de gevangenis had Van Allen een nieuwe advocaat gekregen en werkte hij toe naar een hoger beroep. Degenen die met hem spraken, zeiden dat hij een opgeruimd humeur had. Zijn gevoel voor humor, zwart als een nachtje in een bunker, was een zegen. Als onderdeel van zijn herintegratie werd hij gevraagd deel te nemen aan een zelfverbeteringscursus, waarin onder andere werd ingegaan op zijn huisvestingsbehoeften. Had hij er na zijn vrijlating over gedacht om een aanvraag in te dienen bij een woningcorporatie? Van Allen zag er de lol wel van in.Ook tijdens zijn proces was er ruimte voor lol. Verdachten, politie, advocaten, leden van de jury – allemaal grinnikten ze samen om Van Allens verwoordingen terwijl hij werd ondervraagd. Op een gegeven moment had hij weemoedig over de oude bunker gesproken: ‘Mijn absolute droomhuis’ noemde Van Allen die. ‘Gewoon de ideale plek. Je had het treinstation, je had een café, je had een Starbucks, je had het ziekenhuis, je had bus 168, de 24, de 46… Je kon niet naar binnen kijken vanaf het pad. Het was verdomme briljant.’

    Auteur: Tom Lamont

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 134.000 Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

  • Moeder Renee

    Moeder Renee

    De Amerikaanse ontwikkelingswerker Renee Bach begint in Oeganda een gezondheidscentrum voor ondervoede kinderen. Velen van hen sterven daar. Als gevolg van, of ondanks de behandeling? Twee families dagen Bach nu voor de rechter. Maar het gaat om veel meer dan alleen de vraag of ze schuldig is.

    Ziriya Namutamba (42) is boerin. Ze vertelt: ‘Toen de chauffeur kwam, wist ik dat Twalali dood was. De andere vrouwen hadden mij gewaarschuwd: als hij je komt halen, is de jongen gestorven. In de kliniek wilde ik Twalali zien, maar ik kreeg noch het lijk van het kind, noch een arts te zien. Ik was radeloos en huilde. Later kwam buiten voor het gebouw Renee voorbij, over wie ik had gehoord dat ze arts is. Ze droeg Twalali’s lichaam, gewikkeld in een linnen doek, en legde hem in de kofferbak van een terreinwagen. Het was dezelfde wagen waarmee haar medewerkers Twalali en mij een week eerder uit ons dorp hadden opgehaald.

    De kleine, magere vrouw leeft met haar man en vijf kleinkinderen in een hut met een strodak tussen groene heuvels en velden. Haar dochter en diens man kregen jong kinderen, ze bezitten geen land en werken in het westen van Oeganda. Ziriya Namutamba zorgt voor de kinderen. Twalali, het derde kind, stierf op 16 juli 2013 op tweejarige leeftijd. Hun dorp ligt een uur rijden met de auto van het volgende dorp, waar levensmiddelen te krijgen zijn, maar geen school is, en geen arts. Naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis in Jinja, met 76.000 inwoners de op drie na grootste stad van het land, is het ongeveer twee uur rijden. Als je een auto hebt.

    Boerin Ziriya Numutamba: ‘Ze waren allemaal woedend op me: de ouders van Twalali, mijn man en de imam. Ze vroegen naar papieren van de kliniek. Maar niemand gaf een verklaring over wat er gebeurd was.’

    Vervloeking

    Een derde van de kinderen in Oeganda lijdt als gevolg van ondervoeding aan groeistoornissen, de helft van de kinderen onder vijf jaar aan bloedarmoede. De bodem van Oeganda, dat als de graanschuur van Afrika geldt, is vruchtbaar, ook in het oosten van het land, waar Ziriya Namutamba woont. Dat veel kinderen desondanks te weinig voedingsstoffen krijgen, ligt onder andere aan gebrek aan kennis. Mais en maniok, de voornaamste voedingsmiddelen in de streek, die ook groeien rond de hut van Namutamba, bevatten koolhydraten maar niet genoeg eiwit. Traditionele genezers verbreiden bovendien de boodschap dat de symptomen van ondervoeding – gezwollen buik, uitgedroogde ledematen of ook hongeroedeem – duiden op een vervloeking.

    Als de ondervoede kinderen geen uitgebalanceerd dieet krijgen, sterven ze vaak. Aan uitputting of aan een longontsteking, aan diarree of malaria. Twalali werd een week voor zijn dood in Jinja positief getest op malaria, in het verpleeghuis van de hulporganisatie Serving His Children, opgericht door de Amerikaanse Renee Bach. Van haar kleinkind heeft Ziriya Namutamba nu alleen nog een zwart-witfoto die Bachs ngo voor de dood van het jongetje gepost had op Instagram: met draden aan Twalali’s uitgeteerde lichaam, op zijn hoofd een grote pleister, de ogen wijd opengesperd en leeg, terwijl hij gevoerd wordt met een lepel.

    Ziriya Namutamba: ‘Vijf jaar na Twalali’s dood kreeg ik bezoek van twee mensen uit de stad. Ze zeiden dat Renee Bach helemaal geen arts is en haar kliniek geen echte kliniek. Ik werd zo woedend! Ze had me bedrogen! Twalali had het zeker overleefd als ik hem naar een echte dokter had gebracht! De vrouw en de man uit de stad stelden me voor om een proces te beginnen tegen de witte. Ik vroeg me af: als ik zo’n misdaad zou begaan onder witte mensen, zou ik daar dan ongestraft mee wegkomen? Mijn man en ik vergaderden met de dorpsgemeenschap en samen besloten we om Renee aan te klagen.’

    De vrouw die vanuit Jinja naar Ziriya Namutamba kwam, heet Olivia Alaso, een Oegandese die samen met de Amerikaanse Kelsey Nielsen de hashtag #Nowhitesaviors (‘Geen witte redders’) heeft bedacht. Door deze slogan werd Namutamba’s dorp aan de rand van de heuvels het middelpunt van een wereldwijd debat over de aanmatiging van witte ontwikkelingswerkers in landen als Oeganda, en de schade die ze aanrichten.

    ‘Toen ik over deze neparts hoorde, besloot ik dat de wereld moest weten waartoe witte mensen in Afrika in staat zijn’

    Olivia Alaso (35) is een sociaal werker: ‘Toen ik over deze neparts hoorde, besloot ik dat de wereld moest weten waartoe witte mensen in Afrika in staat zijn. Ik legde contact met een van Renee Bachs voormalige medewerkers. Hij bracht mij bij enkele families die hun kinderen hadden verloren, ook bij Ziriya Namutamba. Samen zijn wij naar een advocate gegaan. Ik wil gerechtigheid. Ik wil dat zoiets nooit weer gebeurt in mijn land.’

    Primah Kwagala, de advocate die pro deo voor de slachtoffers optreedt, diende op 21 januari 2019 een aanklacht tegen Renee Bach en haar ngo Serving His Children in bij de rechtbank in Jinja. De familie van Twalali is een van de drie klagende partijen, naast de moeder van een ander dood kind en de organisatie Women’s Probono. In de aanklacht staat: ‘De aangeklaagden hebben de kinderen van de klaagsters fatsoenlijke medische zorg onthouden en het doen voorkomen alsof ze medische diensten aan konden bieden.’ Bach zou hebben gedaan alsof ze arts was en onbevoegd infusen en transfusies hebben toegediend. Het gaat in de aanklacht niet om de vraag of deze ingrepen de kinderen schade hebben toegebracht, maar om het feit dat de families hun kinderen niet aan de hoede van echte artsen hadden toevertrouwd omdat ze dachten dat Bach een echte arts was.

    Primah Kwagala (34) is advocate in de hoofdstad Kampala: ‘De staat heeft te weinig geld. Vooral in de gezondheidszorg is er gebrek aan alles. Vaak springen ngo’s bij. Helaas ontbreken de middelen om regelmatige overheidscontroles uit te voeren op deze organisaties. Veel witte mensen doen wat ze willen. Het gebeurt zelden dat een benadeelde Oegandees opstaat en zegt: mij is onrecht aangedaan! Daarom heeft het lang geduurd voordat iemand iets tegen deze vrouw heeft ondernomen.’

    Papayasmoothies

    Renee Bach, nu 31, uit Virginia in het oosten van de VS, richtte meteen na haar middelbare school, toen ze 18 was, Serving His Children op. Eerst deelde ze rijst en bonen uit in een armenwijk van Jinja. Vanaf 2009 verpleegde ze ook ondervoede kinderen. Tot aan het moment dat ze zes jaar later, in maart 2015, haar Rehabilitation Center na een inspectie van de autoriteit voor gezondheidszorg moest sluiten, stierven daar 105 kinderen.

    Jinja, waar Renee Bach en haar ngo actief waren, is een aangename stad. Een favoriete bestemming van avontuurlijke toeristen vanwege het reusachtige tropische woud, en voor vrijwilligers die hun diensten aanbieden vanwege de reusachtige ellende. Talrijke hulporganisaties zijn in de stad actief; enkele daarvan zijn opgericht door jonge Amerikanen.

    Renee Bach in een promotiefilmpje voor Save His Children. – © YouTube
    Renee Bach in een promotiefilmpje voor Save His Children. – © YouTube

    Dat heeft te maken met de dertigjarige missionaris Katie Davis, die in 2008 het opleidings- en gezondheidscentrum Amazima Ministries oprichtte en een bestseller schreef over haar ervaringen: Kisses from Katie. Dat boek lokt tot op heden adolescenten uit het milieu van de evangelicals in de VS naar Jinja, op zoek naar het zogeheten juiste leven in een zogeheten foute wereld. De hemel boven de stad licht abrikooskleurig en babyblauw op, de Nijl ontspringt hier, de cafés serveren papaya smoothies en cappuccino. Aan de noordkant van de hoofdstraat leeft de inheemse bevolking, in het zuiden, dichter bij de rivier, wonen de ngo-medewerkers en toeristengidsen.

    Olivia Alaso, de sociaal werker, zegt: ‘Ik ben opgegroeid in Jinja. Zoals de meesten hier dacht ik dat alle witte mensen alleen maar goeds brachten en dat ze beter waren dan wij. Zij zaten in de mooie cafés en woonden in de mooie huizen. Vaak kwamen ze in mijn school en gaven ons snoep en speelgoed, en wij zongen voor ze. Later ben ik opgeleid voor sociaal werk en heb ik gewerkt voor internationale ngo’s. Op het laatst voor twee jonge witte Amerikanen met wie ik eigenlijk heel goed kon opschieten. Maar toen namen ze een wit, nog jonger meisje in dienst, dat ons Oegandezen heen en weer commandeerde en beweerde dat we te veel verdienden en te weinig uitvoerden. Ik zei tegen mijn leidinggevenden dat die vrouw ons niet zo kon behandelen. Ze hebben er niets aan gedaan, dus ben ik vertrokken. Ik kon dat doen omdat mijn man goed verdient. De meeste Oegandezen durven niet over misstanden te spreken. Ze hebben het werk nodig omdat hun familie daarvan leeft. De onzekerheid over werk is groot in dit land.’

    @Nowhitesaviors

    Een van de leidinggevenden voor wier ngo Olivia Alaso in 2015 niet meer wilde werken was Kelsey Nielsen. Maar drie jaar later werkten Alaso en Nielsen toch weer samen – verenigd in de kritiek op zulke ngo’s. In augustus 2018 startten ze het Instagramaccount @Nowhitesaviors en begonnen daar de westerse hulpindustrie te bekritiseren: bijvoorbeeld vrijwilligers die zonder bijzondere kwalificaties in Afrika willen helpen en zich bovendien graag op de sociale media vertonen – arm in arm met zwarte mensen die zonder hen zogenaamd hulpeloos zouden zijn. Het begrip ‘white savior’ slaat op witte mensen die zwarte mensen redden uit een noodsituatie, een topos dat ook uit films bekend is. Een voorbeeld is de premiejager King Schulz in Quentin Tarantino’s Django Unchained, die de slaaf Django bevrijdt, die vervolgens een veldtocht begint om zich te wreken.

    Kelsey Nielsen (30), sociaal werker: ‘Op mijn twintigste kwam ik voor het eerst in Oeganda. Ik deed vrijwilligerswerk in het weeshuis Amani Baby Cottage. Twee jaar later richtte ik met een vriendin het Abide Family Center op. Zoals veel jonge oprichters geloofde ik dat God me had geroepen. Ik was een evangelisch christen. Onze ngo heeft overigens wel wat zinvols gedaan: wij hielpen kinderen in hun families te blijven doordat we bijvoorbeeld hun schoolgeld betaalden. De ouders van de meeste zogenaamde wezen in Oeganda leven namelijk wel, maar hebben geen geld om voor hun kinderen te zorgen, of ze denken dat witte mensen dat beter kunnen.

    Als ik mijn blogbijdragen van toen lees, zie ik wel dat ik toch aan het “white savior”-complex leed. Ik verwarde mijn behoefte om nodig te zijn met mijn geloof dat ik nodig was. Het heeft even geduurd tot ik me bewust werd van mijn rol en begreep wat racisme werkelijk betekent. Toen Olivia ontslag nam, heeft ze mij een duwtje in de juiste richting gegeven. We hebben veel gediscussieerd. Ik heb boeken gelezen: James Baldwin, Toni Morrison, Audre Lorde. Ik herkende mijn fouten, mijn arrogantie en mijn onwetendheid, en de fouten van de andere witten. Ook die van Renee.’

    Het Instagramaccount van Kelsey Nielsen en Olivia Alaso trok de aandacht van journalisten uit de VS. Eerst berichtte Medium eind september 2018: ‘Amerikaanse missionaris speelt voor dokter, kinderen sterven. Wanneer zal er gerechtigheid zijn?’ Na een op 19 juni 2019 gepubliceerd videobericht van een half uur van Al Jazeera, pikten veel grote media het verhaal op. In maart 2020 heeft @Nowhitesaviors meer dan 760.000 volgers [in maart 2019 waren dat er nog 300.000].

     Een derde van de kinderen in Oeganda lijdt als gevolg van ondervoeding aan groeistoornissen. © Unsplash
    Een derde van de kinderen in Oeganda lijdt als gevolg van ondervoeding aan groeistoornissen. © Unsplash

    Renee Bach verklaarde in een persbericht van 24 juni 2019: ‘Helaas sterven er elk jaar 3,1 miljoen kinderen aan ondervoeding, wat de noodzaak van organisaties als Serving His Children glashelder aantoont.’ Bach bevestigde dat ze geen medische opleiding heeft en dat in haar instelling 105 kinderen gestorven zijn. Maar ze wees elke verantwoordelijkheid voor hun dood af. Ze zou nooit beweerd hebben arts te zijn.

    De Süddeutsche Zeitung (SZ-Magazin) beschikt over haar verweer tegen de aanklacht. Daarin geeft Bach alleen toe dat ze te laat is geweest met het aanvragen van verlenging van de vergunning voor het runnen van een gezondheidscentrum.

    ‘Bach deed dingen waar ze geen verstand van had, zoals bij extreem ondervoede kinderen levensnoodzakelijke infusen aanleggen’

    Na veel e-mails van het SZ-Magazin aan de advocaten van Renee Bach meldde zich eind 2019 haar moeder Lauri, directeur van Serving His Children in de VS. Aan de telefoon zei ze dat haar familie diep geraakt was; de verwijten van de klagers en de persberichten noemde ze onjuist. Renee was niet beschikbaar voor een interview. Ook de medewerkers van haar hulporganisatie, die nog steeds actief is in Oeganda, zouden getraumatiseerd zijn door de beschuldigingen. Het gebouw van twee verdiepingen waarin Renee Bach het gezondheidscentrum runde, waar de kinderen stierven, ligt in een buitenwijk van Jinja, naast een krottenwijk met golfplaathutten waarin de armsten van de stad wonen, mensen die vluchtten voor de burgeroorlog die tot 2006 woedde in het noorden van het land. Na de onafhankelijkheid van Groot-Brittannië braken in het land steeds weer gevechten uit, de ene gewelddadige heerser volgde de andere op. De autoritair regerende president Yoweri Museveni is sinds 1986 aan de macht.

    Kelsey Nielsen, sociaal werker: ‘Ik heb Renee in maart 2015 samen met andere witte ngo-medewerkers bij de politie in Jinja aangegeven. De verpleegster Jacqueline Kramlich had me verteld dat Bach dingen deed waar ze geen verstand van had, zoals bij extreem ondervoede kinderen levensnoodzakelijke infusen aanleggen. Jacqueline en haar man hadden een contract voor twee jaar bij Serving His Children getekend, maar na twee maanden ontslag genomen. Hoe vaak ze er ook met Bach over gesproken hadden, ze hield niet op met deze ingrepen. Ze nam zelfs meer medische taken op zich. Een Amerikaanse die indertijd bij haar werkte, vertelde me later dat ze na onze aangifte met Renee Bachs zus alle documenten van Serving His Children doornam en zag dat minstens tachtig procent van alle patiëntendossiers Renees handtekening droegen. Renee en ik waren ooit goede bekenden, we hadden dezelfde vrienden en zagen elkaar op de bijbelkring.

    Dat veranderde in januari 2014, toen een jongen die Sharifu heette in ons centrum stierf aan een hartinfarct, hij was drie jaar oud. Een paar maanden voor hij bij ons kwam had Renee hem onder haar hoede gehad. Ze had hem dik en gezond gevoerd – en toen naar huis gestuurd. Ondervoeding bij kinderen gaat vaak gepaard met verwaarlozing, de ouders hebben geen geld en geen opleiding. Je moet zulke gezinnen langdurig begeleiden en ze laten zien hoe ze hun kinderen met de juiste groente, peulvruchten, vlees en vis kunnen helpen. Na de dood van Sharifu confronteerde ik Renee met het feit dat haar werk niet duurzaam was. Zij deed toch niet aan noodhulp, maar leidde een hulporganisatie die pretendeert het leven van de mensen op de lange termijn te verbeteren. Ik stelde haar medeverantwoordelijk voor de dood van Sharifu.’

    Nadat Nielsen en haar medestanders Renee Bach hadden aangegeven, werd Bachs centrum gesloten door een vertegenwoordiger van de Oegandese Autoriteit voor Gezondheidszorg. Bach vertrok voor een jaar naar haar ouders in de VS. In juni 2017 opende ze weer een afdeling voor ondervoede kinderen, deze keer in samenwerking met de Oegandese regering, in een gezondheidscentrum van de overheid in Kigandalo, een gemeente op anderhalf uur rijden ten oosten van Jinja, waar het aantal ondervoede kinderen bijzonder hoog is.

     De helft van de Oegandese kinderen onder de vijf jaar lijdt aan bloedarmoede. © Unsplash
    De helft van de Oegandese kinderen onder de vijf jaar lijdt aan bloedarmoede. © Unsplash

    Kelsey Nielsen: ‘Ik ken Oegandezen die met Bach gewerkt hebben in de nieuwe afdeling in Kigandalo. Ze hebben geprobeerd met haar te praten. Maar ook daar ging ze op dezelfde voet verder.’

    Kort na de opening van Bachs nieuwe gezondheidsinstelling deden zeven Oegandese werknemers hun beklag in een brief aan Bach, dat de witte medewerkers boven hen stonden en dat de Oegandezen in vergelijking te weinig verdienden. Ze werden alle zeven ontslagen. Drie van hen ondersteunden later de aanklacht van de families tegen Renee Bach met plechtige verklaringen die inhielden dat ze zelf lang geloofd hadden dat Bach een arts was, want ze had vaak een witte jas aan en een stethoscoop om de hals gedragen.

    Kelsey Nielsen: ‘De advocate heeft slechts twee gedupeerde families in de aanklacht opgenomen omdat ze voor elke klager geld moest betalen aan de rechtbank. Wij hopen dat op de civiele procedure een strafproces volgt, zodat recht gedaan wordt aan alle getroffen families. Daarvoor moet de recherche eerst onderzoek doen. Maar de politie heeft nauwelijks middelen. Olivia en ik ondersteunen de beambten, we brengen ze in contact met de moeders van de gestorven kinderen en geven ze documenten die we verzameld hebben.’

    Geen bewijs

    Nog meer moeders hebben Renee Bach en Serving His Children aangegeven nadat ze door de activistes bezocht zijn. Zo ook Kakai Gorreti, wier negenjarige zoon Massai door behandelingen van Bach een geestelijke stoornis zou hebben opgelopen. Het is een uur rijden naar de lemen hut van de familie vanaf de dichtstbijzijnde verharde weg. Gorreti’s zeven kinderen spelen in het zand. Massai lacht vaak luid en ongecontroleerd, werpt zich op de grond of brabbelt met een lege blik. Zijn linkerhand is verstijfd en staat haaks op zijn onderarm. Zijn moeder zit gehurkt bij hem en staart naar de grond. Haar man verstopt zich in het maisveld achter de hut.

    Kakai Gorreti (32), boerin: ‘De witte vrouw heeft ons uit het gezondheidscentrum in Nakhupa gehaald. Daar was Massai nog normaal. Ze heeft hem niet goed behandeld, dat weet ik, omdat mijn kind gestoord is teruggekomen uit haar kliniek. Dokter Renee heeft Massai’s handen en hersenen beschadigd. Ik heb haar aangegeven omdat ik wil dat ze eindelijk verantwoording af moet leggen. Ze moet zijn medicijnen betalen en instaan voor zijn maandelijkse verzorging. Ik wil dat ze ons elke maand een miljoen shilling geeft voor zijn onderhoud.’

    Dat is minder dan € 250. Renee Bach heeft verklaard dat ze Kakai Gorreti en haar zoon Massai nooit heeft gezien. Inderdaad was Massai nooit bij haar in Jinja, maar alleen in de latere afdeling in het gezondheidscentrum van Kigandalo, waar Bach aantoonbaar zelden was. Ook Constance Milech, een verpleegster van Serving His Children, spreekt Kakai Gorreti tegen: Massai was al voor de behandeling in de ziekenafdeling niet normaal ontwikkeld voor zijn leeftijd.

    ‘Hoe vaak ze er ook met Bach over gesproken hadden, ze hield niet op met medische ingrepen’

    Er is geen bewijs dat Massai’s gezondheid door de behandeling van Serving His Children geschaad is – en ook niet dat Renee Bach hem ooit persoonlijk heeft behandeld. Primah Kwagala, de advocate in het civiele proces tegen Renee Bach, schudt haar hoofd als ze wordt aangesproken over een mogelijk strafproces in het geval van Massai. Ook al moedigden de activistes van @Nowhitesaviors de moeder aan om aangifte te doen, het is niet na te gaan of een kind als Massai verkeerd behandeld is door Renee Bach. Het gaat haar alleen om Bachs zich voordoen als arts, met ernstige gevolgen. Dat voor de rechtbank bewijzen is al moeilijk genoeg. De recherche in Kampala en de politie in Jinja verklaren tegenover SZ-Magazin dat er geen onderzoek gedaan wordt naar de nieuwe aangiften tegen Bach; ze zouden in het proces geen rol spelen.

    Peter Waiswa (48), arts en professor Gezondheidsmanagement in Kampala: ‘Toen ik voor het eerst op tv hoorde van de beschuldigingen tegen de Amerikaanse, was ik ervan overtuigd dat het verhaal opgeblazen was. Het kan hier makkelijk gebeuren dat mensen voor geld bepaalde klachten indienen. Ik wilde mezelf een beeld vormen, dus heb ik haar afdeling voor ondervoede kinderen in het gezondheidscentrum in Kigandalo bezocht. En ik was onder de indruk van wat daar tegenwoordig gepresteerd wordt. Daarop belde ik de advocate Primah Kwagala en zei haar dat ze beter onderzoek moest doen. Ze nodigde mij uit om haar materiaal te komen inzien. Inderdaad vond ik in de oudere documenten van Bachs instelling veel gebreken. De patiëntendossiers waren niet goed bijgehouden, vaak was geen ordentelijke diagnose vermeld, er ontbrak een stringent verslag van de behandeling. Bovendien had Bach bijna alle overlijdensaktes zelf ondertekend. Dat mogen in Oeganda alleen artsen doen.

    In de praktijk is het natuurlijk helaas gebruikelijk dat formulieren slordig worden ingevuld en dat niet-medisch personeel medische taken overneemt. Maar wanneer iemand schade oploopt kom je daar niet mee weg – ook al maken anderen dezelfde fouten. Nu is de publieke interesse groot, en de opwinding op de sociale media ook. Het gaat niet meer alleen om de vraag wat Renee Bach fout gedaan heeft, maar om de vraag wat er allemaal misgaat in ons gezondheidssysteem.’

    Op 21 januari 2020 begint bij de rechtbank in Jinja het proces tegen Renee Bach. Hoe spectaculair de aanklacht is, omdat het de eerste is in Oeganda die gericht is tegen de praktijken van een buitenlandse ngo, is in de zaal waar het zich afspeelt niet te merken. De vrouwelijke rechter verklaart dat beide partijen twee maanden de tijd hebben om er zonder tussenkomst van de rechter uit te komen. Dan sluit ze de zitting. Pas eind februari stuurt Primah Kwagala, de advocate van de families, haar voorwaarden aan de vertegenwoordigers van Bach: ze moet zich schriftelijk verontschuldigen en de families van de dode kinderen schadeloos stellen met in totaal 500 miljoen shilling, omgerekend 120.000 euro.

    Naast het team van SZ-Magazin is er een schrijfster van het Amerikaanse tijdschrift The New Yorker aanwezig bij de opening van het proces. Ze heeft Renee Bach en haar familie meerdere malen ontmoet. De collega uit de VS overtuigt de Bachs dat ook de Duitse verslaggeefster te vertrouwen is. Ten slotte gaan de Bachs in februari 2020 akkoord met een ontmoeting in hun vaderland in Bedford County, Virginia.

     Nielsen: ‘De ouders van de meeste zogenaamde wezen in Oeganda leven namelijk wel, maar hebben geen geld om voor hun kinderen te zorgen.’ – © Phillips Career School International / Unsplash
    Nielsen: ‘De ouders van de meeste zogenaamde wezen in Oeganda leven namelijk wel, maar hebben geen geld om voor hun kinderen te zorgen.’ – © Phillips Career School International / Unsplash

    Renee Bach (31), directeur en oprichter van Serving His Children: ‘Ik was in de zomer van 2018 op weg naar Los Angeles om met mijn zussen mijn dertigste verjaardag te vieren, toen mijn moeder belde. Ze zei dat een vliegtuig met journalisten bijna op onze schuur was neergestort; ze hadden foto’s gemaakt van ons huis. Ze zou nu gaan inpakken, want thuis waren ze niet meer veilig. Ik begreep er niets van. Toen vertelde ze dat mijn verhaal in het nieuws was, nationaal en internationaal, overal. Op het internet vond ik toen al die artikelen over mij. Ik zat op de luchthaven en voelde me zo bloot, zo weerloos. Ik had het gevoel alsof iedereen me aankeek: een moordenares die vrij rondloopt! Toen ik na twee dagen terugvloog naar Virginia, wezen inderdaad wildvreemde mensen naar me en fotografeerden me. Ik wilde me alleen nog maar verstoppen.’

    Lauri Bach (58), de moeder van Renee en directeur in de VS van Serving His Children: ‘Wij voelden ons machteloos. Mensen bediscussieerden op het internet zelfs of Renee zich had schuldig gemaakt aan genocide! Mijn man Marcus en ik gingen naar de sheriff. Vroeger sloten wij ons huis nooit af, zelfs niet als we langer weggingen. Maar op advies van de sheriff hebben we nu een slot aan onze poort gehangen en meerdere bewakingscamera’s geïnstalleerd.’ De Bachs leven op een kleine boerderij in het zuiden van Virginia, met twee buren in hun blikveld, niet ver van de kleine stad Bedford, in een heuvellandschap waar meer evangelische kerken dan restaurants te vinden zijn en in de voortuinen uitsluitend reclameborden voor Trump. Moeder Lauri is huisvrouw. Haar vijf kinderen heeft ze thuis onderwijs gegeven en van jongs af aangespoord om zich in te zetten voor de gemeenschap, zegt ze. Renee heeft als meisje levensmiddelen uitgedeeld aan armen en geestelijk gehandicapte jongeren op paarden rondgereden op het familie-erf.

    Tom Wilmoth (58), redacteur van de Bedford Bulletin Newspaper: ‘Wij werden gebombardeerd met mails. De inhoud was steeds hetzelfde: weet u dat deze vrouw uit uw gemeente deze erge dingen doet? Daarachter zat de groep @Nowhitesaviors. Via hun Instagram hadden ze opgeroepen om deze e-mails naar de lokale media te sturen en ze hadden ook ons adres gepubliceerd. Ik ken de familie Bach al heel lang. Ik wist dat het niet waar kon zijn, dat het een gemene aanval was. Maar de meeste media publiceerden de aanklacht van de families uit Oeganda. Het was steeds hetzelfde verhaal, er zat nauwelijks variatie in.’

    Wel oké

    Renee Bach: ‘Toen ik in september 2007 naar Oeganda kwam, had ik in elk geval dat white-savior-complex: ik wilde beslist helpen in het buitenland, maar had geen idee van Oeganda en kende niemand die er geweest was. Ik was nooit buiten de States geweest, alleen een keer in Canada, en had niet eens een paspoort. Toen ik aankwam, was ik behoorlijk ontdaan, maar daarna begon ik van de mensen en het land te houden, en het werk in een kindertehuis gaf me veel voldoening. Terug in de VS wilde ik absoluut weer terug naar Oeganda. Dus ik bad of ik een manier mocht vinden om de nood van de mensen in Jinja te lenigen. Eerst deelde ik tweemaal per week in een achterbuurt middageten uit aan ongeveer duizend kinderen. Na een poosje vroeg de leidster van een afdeling voor ondervoeding in het ziekenhuis van Jinja of ik een paar kinderen bij mij kon opnemen. Ik verklaarde dat wij niet gespecialiseerd waren in ondervoede kinderen. Dat was wel oké, antwoordde ze, de kinderen hadden gewoon een schone en rustige plek nodig, waar ze goed te eten kregen. Zo begonnen wij.’

    Constance Milech (54), verpleegster bij Serving His Children: ‘Er waren al snel heel veel kinderen. Renee kon zich niet met allemaal bezighouden. Na een poosje begonnen wij met artsen te werken. Ze bekeken het resultaat van ons werk en schreven op welke medicamenten een kind nodig had.’ Als je spreekt met Milech en anderen die indertijd met Renee Bach hebben gewerkt, krijg je de indruk dat het team van Serving His Children onder een voortdurende overbelasting heeft gewerkt. Alsof de vraag of iemand bevoegd was om een infuus aan te leggen nooit was opgekomen omdat er iedere dag te veel infusen aangelegd moesten worden. Iedereen die daar was, hielp. En Renee Bach, de leidinggevende, was er meestal.

    De verantwoordelijke kinderarts in het Nalufenya kinderziekenhuis in Jinja (anoniem): ‘Onze openbare ziekenhuizen zijn volkomen overbelast en hebben gebrek aan alles. Daar is alleen plaats voor zwaar ondervoede kinderen en zodra het ze wat beter gaat worden ze weggestuurd om plaats te maken. Dat is een leemte in het systeem en die heeft Renee Bach hier in Jinja opgevuld.’ Constance Milech is sinds 2010 in dienst bij Serving His Children. Kort daarvoor had ze ontslag genomen in een ziekenhuis in Jinja; de stress was haar teveel geworden.

    De verantwoordelijke kinderarts in het Nalufenya-kinderziekenhuis in Jinja (anoniem): ‘Bach kwam in een vicieuze cirkel terecht. Ons zorgpersoneel is onderbetaald en overwerkt. Patiënten lijden aan de ziekte armoede. Er is veel hartstocht voor nodig om je daarmee in te laten.’

    ‘In openbare ziekenhuizen is alleen plaats voor zwaar ondervoede kinderen en zodra het ze wat beter gaat worden ze weggestuurd om plaats te maken. Dat is een leemte in het systeem en die heeft Renee Bach hier in Jinja opgevuld’

    Constance Milech, verpleegster bij Serving His Children: ‘Soms brachten moeders kinderen in kritieke toestand rechtstreeks naar ons, en niet naar een hospitaal. Die verwezen wij naar het ziekenhuis. Maar voor het transport moesten wij ze een beetje stabiliseren. En in die procedure zijn er meerdere gestorven.’

    Renee Bach:‘Tot maart 2015 heb ik nooit iets gemerkt van argwaan jegens mij. Op die dag kwam de medewerker van de Autoriteit Gezondheidszorg. Hij zwaaide met een papier en riep dat ik me als arts uitgaf, dat ik 800 kinderen had gedood, dat mijn instelling geen vergunning had en geen medisch personeel. Hij gaf mij een officieel document waarin stond dat iedereen die zich na 17 uur op het terrein zou bevinden, gearresteerd zou worden. Er waren 18 kinderen bij ons. Drie in kritieke toestand. Twee hadden zuurstoftoevoer nodig, een pasgeborene woog minder dan een kilo. De moeders gingen voor mij op de knieën. Ik wilde ze niet wegsturen, maar op dat moment dacht ik dat ik geen keus had.

    Wij brachten de kinderen naar het ziekenhuis. Later hoorde ik dat de man van de Autoriteit onze post helemaal niet had mogen sluiten, hij had een politiebevel nodig gehad. Ik heb mezelf zoveel verwijten gemaakt! Acht van de 18 kinderen zijn binnen 72 uur gestorven.’ Een week later gaf de Autoriteit Gezondheidszorg Bach toestemming om haar instelling weer te openen. Enige voorwaarde: ze moest de vergunning als Health unit verlengen. In 2014 had Bach deze licentie voor het eerst aangevraagd. Tot dan toe stond slechts een ‘revalidatiecentrum’ geregistreerd. Veel moeders van kinderen die daar zijn gestorven zeggen dat ze de instelling aanzagen voor een kliniek, maar in de brief van de Autoriteit na de tussentijdse sluiting van Bachs instelling heet het dat er geen bewijs is gevonden dat Bach zich uitgaf als arts.

    De verantwoordelijke kinderarts van het Nalufenya-kinderziekenhuis in Jinja zegt: ‘Wij zouden haar nog goed kunnen gebruiken. Om mensen te adviseren over voedingsvraagstukken en eten uit te delen hoef je niet per se een medische opleiding te hebben.’

    Renee Bach: ‘Het nieuws dat mijn instelling was gesloten ging in 2015 in Jinja heel snel rond. Ik ontdekte wie er achter de beschuldigingen zat: Kelsey Nielsen. Ik wist dat ze mij niet erg mocht. Ongeveer een jaar eerder was in haar centrum een jongen gestorven en ze hield mij verantwoordelijk voor zijn dood, omdat hij twee maanden eerder bij ons was geweest. Een paar mannen uit de ouderlingenraad van de kerk waar ik destijds lid van was, boden aan tussen ons te bemiddelen. Ze zeiden dat het niets zou opleveren als ik rechtstreeks met Kelsey zou spreken, ze was woedend. De mannen bedoelden het goed, maar ze vreesden ook dat ze eveneens slachtoffer van zulke aanvallen zouden kunnen worden. Alle witten in Jinja waren onzeker geworden en bang om partij te kiezen. In het begin dacht ik dat de zaak na een paar weken zou zijn opgelost. Maar het werd een eindeloze kwelling en deze vrouw maakte het steeds gekker. De andere missionarissen raadden ons aan onze instelling pas weer te openen als we het conflict hadden bijgelegd. Dus besloten wij een pauze in te lassen en de tijd te benutten om onze missie te overdenken.

    We hadden altijd zoveel te doen gehad dat we er helemaal niet aan toe waren gekomen om eens even te stoppen en ons af te vragen: hoe kunnen we effectiever werken? Heeft ons werk duurzaam effect? Het werd mij duidelijk dat er dingen misgegaan waren. Onze hoop dat de ouders van onze patiënten in hun dorpen informatie zouden geven over de ware oorzaken van de ondervoeding, was niet in vervulling gegaan. Ze vertelden de andere getroffen families niet dat ze zelf iets konden doen. Wanneer ze aan een kind de symptomen ontdekten, stuurden ze de ouders in plaats daarvan direct naar ons in Jinja toe.’

    Verinnerlijkt

    Wendy Lubega (27), medewerkster van de campagne @Nowhitesaviors: ‘In Oeganda wordt nog altijd onderwijs gegeven met een koloniaal leerplan! Wij leren dat de Britten kwamen om ons te redden. Het schoolsysteem in Oeganda voedt ons op tot de overtuiging dat wij zwarten slechter en minder bekwaam zijn dan de witten. Wij hebben de onderdrukking verinnerlijkt. Wij denken dat het normaal is dat wij minder zijn dan de witten. Veel mensen kunnen het zich helemaal niet veroorloven om vragen te stellen bij het gedrag van de witten. Die brengen immers het geld.’

    Wendy Lubega, wier vader een steenbakkerij bezit en die ethiek en mensenrechten studeert, werkte in een café in Kampala waar Kelsey Nielsen en Olivia Alaso elkaar vaak troffen. Toen ze ontdekte dat die twee achter het Instagramaccount zaten, vertelde ze hun dat ze aanhanger was en de vrouwen vroegen haar of ze mee wilde doen.

    Renee Bach: ‘Een jaar nadat we ons centrum gesloten hadden, werden we gevraagd of we een afdeling voor ondervoede kinderen wilde inrichten in een klein gezondheidscentrum. In juni 2017 begonnen wij in Kigandalo patiënten op te nemen. Niet veel later overhandigden werknemers mij een brief. Ze klaagden dat wij hun niet goed behandelden, dat onze Amerikaanse medewerkers betere arbeidsvoorwaarden hadden en meer verdienden en dreigden dat er erge dingen zouden gebeuren als ik niet reageerde.

    Jinja is een populaire bestemming voor avontuurlijke toeristen vanwege het reusachtige tropische woud, en voor vrijwilligers die hun diensten aanbieden vanwege de reusachtige ellende. – © Unsplash
    Jinja is een populaire bestemming voor avontuurlijke toeristen vanwege het reusachtige tropische woud, en voor vrijwilligers die hun diensten aanbieden vanwege de reusachtige ellende. – © Unsplash

    In de twee jaar na de sluiting hadden we hun het volledige salaris doorbetaald, hoewel ze maar een dag per week werkten: ze moesten boeren voorlichten over de oorzaken van ondervoeding. Ze waren aan het goede leven gewend geraakt. Dat kan ik wel begrijpen. Ik ben toen naar de ambtenaar voor arbeidsrechtelijke kwesties in Jinja gestapt. Die raadde me aan alle werknemers te ontslaan en een schadeloosstelling te betalen. Ik bood toen iedereen aan ze te helpen bij het zoeken van een baan. Ik dacht dat we goed uit elkaar waren gegaan.’

    Constance Milech, verpleegster bij Serving His Children: ‘Sinds 2015 gingen die geruchten over Renee rond. Maar pas nadat de anderen zich van ons hadden afgewend, werd het een grote kwestie. Ook zij begonnen Renee nu erge dingen te verwijten. Ze waren woedend omdat zij ze ontslagen had. Ze stuurden journalisten op ons af die ons ongevraagd filmden. Later zag ik beelden van mij op tv, waarbij een stem verklaarde: ‘Renee laat op haar afdeling nog steeds ongekwalificeerd personeel werken.’ Dat was heel pijnlijk om te zien. Ik heb lang gestudeerd, ik ben verpleegkundige en vroedvrouw, en elk jaar vernieuw ik mijn beroepsvergunning.’

    Renee Bach: ‘Een vriendin liet mij in juli 2018 het Instagramaccount Nowhitesaviors zien. Ze hadden beelden gepubliceerd van een vriendin van ons, een Amerikaanse, die net een baby had geadopteerd. Ze schreven dat het voor Afrikaanse kinderen niet gezond was om op te groeien in een witte familie. Kort daarop verscheen de eerste post over mij. Ik stuitte plotseling overal op Kelsey en Olivia, op de gekste plekken. Ik kocht een keer iets in een van de vele kleine kunstnijverheidswinkeltjes aan de hoofdstraat, toen Kelsey uitgerekend dit winkeltje binnenkwam. Na de posts op Nowhitesaviors begonnen mensen op het internet doodsbedreigingen tegen mij uit te spreken.’ In 2015 heeft Renee Bach haar eerste dochter geadopteerd; Selah uit Oeganda is nu elf jaar. Toen in de herfst van 2018 voor het eerst een foto van Bach opdook op het @nowhitesaviors account, plande Bach juist de adoptie van haar tweede dochter in de VS. In oktober 2018 wilde Bach daarvoor naar huis vliegen.

    Lauri Bach, haar moeder: ‘Tussen de posts over Renee ontdekten we op een avond alarmerende commentaren: wij nemen de zaken zelf ter hand. Wij weten waar ze woont. Wij weten haar te vinden. Zulke dingen. Toen heeft mijn man Renee opgebeld en gezegd: je moet meteen naar huis komen!’

    ‘Onze jongen, die had kunnen werken en ons had kunnen ondersteunen, is dood’

    Renee Bach: ‘Het was negen uur ’s avonds. Mijn dochter zat juist met vrienden in de tuin te eten en een vriendin met liefdesverdriet lag uit te huilen op mijn bed. Eerst probeerde ik mijn vader gerust te stellen, maar toen werd ik zelf bang. Ik boekte onze tickets voor de herfst om naar de volgende ochtend. Nog voor zonsopgang verlieten we het huis richting vliegveld.’

    Jane Amali (29) boerin: ‘Kort nadat ik in het nieuws de berichten over Renee had gezien, werd ik bezocht door twee van haar voormalige medewerkers, samen met twee advocates. Ze drongen erop aan dat ik bekend zou maken wat ik had gezien. Ze wilden dat ik zou zeggen dat Renee kinderen doodde, dat ze mijn dochter verminkt had. Ik was heel verrast. Tante Renee heeft Patricia altijd geholpen. Ik zei: ik ga niet liegen! Later hebben mensen mijn dorpshoofd geld gegeven om te zeggen dat die vrouw een moordenares is.’

    Feit is dat Jane Amali’s dochter Patricia, nu negen jaar oud, in oktober 2011 bij Serving His Children in Jinja werd opgenomen. Op haar rechterwang draagt Patricia een groot litteken. Voormalige werknemers van Renee Bach verklaren dat dit het resultaat is van mislukte behandelingen van Renee Bach persoonlijk. Een bloedtransfusie waarvoor ze niet de (verplichte) toestemming van de familie zou hebben gevraagd, zou misgegaan zijn. Maar Jane Amali zegt dat de fout bij de behandeling in een ziekenhuis in Kampali is gebeurd.

    Jane Amali: ‘Ik heb nooit gezien dat Renee ook maar de geringste fout heeft gemaakt. Ze heeft geen injecties gegeven en geen slangen aangebracht, dat hebben verpleegsters gedaan. Renee heeft ons alleen naar het ziekenhuis gereden en alle behandelingen en medicamenten betaald die mijn dochter nodig had.’

    Hoe geloofwaardig zijn de uitspraken van Jane Amali die niets kwaads van Renee Bach wil horen? Op haar blog Serving His Children in Oeganda publiceerde Renee Bach op 28 oktober 2011 een bijdrage over Amali’s dochter Patricia: ‘Ik diende de baby zuurstof toe, legde een intraveneus infuus aan, controleerde haar bloedsuiker, testte haar op malaria.’ Bach schrijft weliswaar niet over een bloedtransfusie, die haar voormalige medewerkers haar verwijten, maar ze heeft Patricia dus inderdaad rechtstreeks behandeld. Ze verklaart daarover dat Patricia op een zondag in haar centrum was aangekomen, toen er slechts een noodbezetting aanwezig was; daarom moest ze zelf komen. Maar ook in zulke situaties zou ze zich niet als arts hebben voorgedaan. Hoe ze zich in zulke situaties dan wel presenteerde en of de moeders van de door haar behandelde kinderen de indruk moesten krijgen dat zij een arts was, is waarschijnlijk niet meer te achterhalen.

    Karaktermoord

    David Gibbs III, advocaat van Serving His Children en een van de invloedrijkste evangelicals in de VS: ‘De mensen achter @Nowhitesaviors zijn voor mij karaktermoordenaars. Ik wil verhinderen dat hun aanvallen mensen ervan weerhouden om hulp te verlenen. Uiteindelijk brengen deze mensen schade toe aan de behoeftigen van de wereld, degenen die profiteren van de hulp van organisaties als Serving His Children. Ze doen juist diegenen pijn die ze voorgeven te helpen. Ze verscherpen het racisme. Ze laten de wereld geloven dat de mensen in Oeganda te dom zijn om in te zien dat Renee Bach geen arts is.’

    Lauri Bach, de moeder: ‘Sinds de berichten in de media krijgen we nauwelijks nog donaties. Driekwart van ons budget haalden we op via sociale media. Daar kunnen we niets meer over ons werk publiceren, we worden meteen aangevallen. Het is nog net voldoende om onze werknemers in Kigandalo de verzorging van ondervoede kinderen te laten voortzetten. Maar we kunnen onze medewerkers nog maar twee in plaats van drie maaltijden per dag bieden en ze geen reiskosten meer vergoeden. Renee en ik hebben al meer dan een jaar geen salaris meer gekregen.’

    De eerste tijd terug thuis leefden Renee Bach en haar geadopteerde dochter op de boerderij bij haar ouders. Een half jaar geleden, zegt Renee Bach, zijn ze drie kilometer verderop gaan wonen, in de uitgebouwde garage van een bejaarde vriendin van de familie. Bach betaalt geen huur maar zorgt elke middag, als de verzorgster pauzeert, voor de 95-jarige. Een baan heeft ze niet gevonden. In de zomer van verleden jaar had ze bijna een baantje in een tehuis voor daklozen gekregen. Maar na nieuwe berichten in de media had het tehuis niets meer van zich laten horen.

    De mediatie buiten de rechter om zal eind maart zoals te voorzien is mislukken. Advocaat David Gibbs verklaart dat de Bachs het lot van de moeders zeer betreuren, maar geen schadeloosstelling zullen betalen, noch een verontschuldiging uitspreken. Ze zouden immers geen fouten gemaakt hebben.

    Renee Bach: ‘Ik hoop dat ik ooit nog eens de diepere zin van deze geschiedenis zal begrijpen, dat ik uiteindelijk meer kan meevoelen en me beter in de levensomstandigheden van anderen kan verplaatsen. Andersom wens ik dat ook. Ik verwacht niet dat wie dan ook mij als een engel beschouwt. Ik ben gewoon een mens.’

    Oegandese moeders krijgen les over gezonde voeding. © Stephan Gladieu / World Bank / CC
    Oegandese moeders krijgen les over gezonde voeding. © Stephan Gladieu / World Bank / CC

    Ziriya Namutamba, de boerin: ‘Ik verwacht een schadeloosstelling. Onze jongen, die had kunnen werken en ons had kunnen ondersteunen, is dood.’

    Peter Waiswa, arts en professor gezondheidsmanagement in Kampala: ‘Ik weet zeker dat ze wilde helpen. Mogelijk zouden die baby’s toch gestorven zijn. De sterftecijfers van kinderen met ondervoeding zijn bij ons heel hoog. Bach schijnt van haar fouten geleerd te hebben. In Kigandalo levert haar organisatie goed werk. En toch doen zich daar onder omstandigheden ook sterfgevallen voor. Voor mij is de belangrijkste les uit deze zaak: buitenlanders die naar ons toe komen, moeten weten dat de tijden veranderen. De mensen kennen tegenwoordig de wet, ze volgen wat er in de sociale media gebeurt, ze zijn zich duidelijk meer bewust van veel dingen dan vroegere generaties. Je moet erg oppassen, controleerbaar werken en je aan de regels houden.’

    Primah Kwagala, advocate: ‘Het is een strategische zaak. Het gaat niet alleen om de moeders, het gaat om de strijd tegen racisme. Dit geval kan de samenleving wakkerschudden.’

    Wendy Lubega, medewerkster van de campagne @Nowhitesaviors: ‘Wie wil helpen, moet eerst luisteren. Je mag niet denken dat je al weet wat het beste is voor de mensen die je wilt helpen. Ze weten zelf het beste hoe ze hun problemen kunnen oplossen. Ze hebben ondersteuning nodig om hun eigen ideeën te verwerkelijken en initiatieven van de grond te krijgen.’

    Wake-up call

    Primah Kwagala, advocate: ‘Als er een witte komt, geloven wij automatisch dat die vooruitgang brengt. Deze zaak is een wake-up call. We mogen ons niet meer laten beheersen.’

    Wendy Lubega, medewerkster van de campagne #Nowhitesaviors: ‘Witten moeten ook van de zwarte mensen willen leren. De wereld wordt alleen rechtvaardiger wanneer we de individuele mens achter het stereotype zien.’

    In wezen lijkt het in het proces dat op 2 april in afwezigheid van Renee Bach zal beginnen niet zozeer te gaan om de vraag of Bach haar bevoegdheden te buiten is gegaan en of de moeders een schadeloosstelling moeten krijgen. De zaak is veeleer een aantasting van het systeem dat Bach en de moeders beiden belichamen. Een systeem waarin witte mensen menen de wereld te moeten redden en zwarten dat niet ter discussie stellen. Waarin een witte die zich bekommert om zwarte kinderen automatisch competent lijkt. En waarin kinderen van zwarte families niet als patiënten maar als slachtoffers worden behandeld. Een systeem dat de akelige omstandigheden in landen als Oeganda echter niet verandert.

    Veronica Frenzel en Anne Ackermann, de verslaggeefster en de fotografe, hadden een wagen met vierwielaandrijving gehuurd, maar bleven op hun ritten naar de betreffende families desondanks meermalen in de modder steken. Toen ze de weg zochten naar Twalali’s grootmoeder vroeg een boer met een blik op de twee vrouwen aan hun tolk Jolley Semei: ‘Komen die geld brengen?’

    Ngo’s in Oeganda

    Sinds 1989 werden meer dan 14000 hulporganisaties in Oeganda aangemeld.

    In de zomer van 2019 heeft de Oegandese regering alle hulporganisaties verzocht hun registratie te vernieuwen. Het grootste deel ervan was helemaal niet meer actief; iets meer dan 3000 organisaties gaven gehoor aan het verzoek.

    2000 organisaties hebben aan de formele verplichtingen voldaan, 400 daarvan zijn in het buitenland gevestigd. Het Oegandese ministerie van Binnenlandse Zaken laat weten dat de regering zo het werk van de ngo’s beter wil controleren.

    De advocate Primah Kwagala interpreteert het verzoek om hernieuwde registratie als een reactie op de aanklacht tegen Renee Bach en Serving His Children. Maar mensenrechtenactivisten klagen ook dat de registratie-actie onwelgevallige ngo’s moet tegenhouden, bijvoorbeeld die welke zich inzetten voor LHBTI-rechten of die welke het werk van de regering bekritiseren.

    Advocaten van Renee Bach hebben inmiddels een schikking getroffen zonder aansprakelijkheid toe te geven. Haar organisatie Serving His Children zal volgens het vonnis de moeders achtduizend euro betalen.

    Auteur: Veronica Frenzel

    Süddeutsche Zeitung Magazin
    Duitsland | weekblad | oplage 494.544

    Het vrijdagsupplement van de SZ, en daarmee een van de grootste tijdschriften van Duitsland, samen met dat van Die Zeit. Veel interviews en veel (populaire) cultuur.

  • Wereldbeeld: Boerenwelzijn

    Wereldbeeld: Boerenwelzijn

    Ook in India protesteren boeren tegen de landbouwhervormingen. De regering van premier Modi wil af van de vastgestelde garantieprijzen voor graan en rijst. Het zou meer mogelijkheden moeten bieden om producten te verkopen, maar de boeren zijn bang dat zij zo een speelbal worden van de vrije markt. Tijdens het Kisan Kalyan of ‘Boerenwelzijnevenement’, keken duizenden boeren, hindoes, sikhs en moslims naar een toespraak van de premier, die zei dat politieke partijen boeren niet moeten misleiden over de nieuwe hervormingen. Bijna alle oppositiepartijen steunen de protesten, al was het alleen maar om de hindoenationalistische regering dwars te zitten.

    © Epa / Sanjeev Gupta
    © Epa / Sanjeev Gupta
  • Wereldnieuws | Nummer 191

    Wereldnieuws | Nummer 191

    Actuele gebeurtenissen wereldwijd, in woord, beeld en citaat.

    © Still van lokale zender
    © Still van lokale zender

    PERU | Peruaanse landarbeiders eisen hogere lonen

    Bij protesten door werknemers van landbouwexportbedrijven in Peru, begin december, viel een dode en strandden honderden bussen en vrachtwagens met vers voedsel door wegblokkades. Die demonstraties stopten nadat het Congres besloot een oude landbouwwet in te trekken. Landarbeiders vonden dat die wet grote landbouwbedrijven voortrok, waardoor hun dagloon op slechts 39 sol, 9 euro, uitkwam. Het Congres is er echter niet in geslaagd een consensus te bereiken over een nieuwe wet, die hogere basissalarissen zou betekenen. Daarom zijn honderden boeren nu opnieuw de straat op gegaan en is onder meer de Pan-Amerikaanse weg geblokkeerd.

    Na mijnbouw is agrarische export de afgelopen jaren de grootste bron van deviezen voor Peru geworden. Het land is ’s werelds grootste exporteur van bosbessen en is ook een belangrijke exporteur van druiven, asperges en avocado’s naar China, de VS en Europa.

    (MercoPress, Montevideo)

    spice and barley enter projects asia bangkok dezeen 2364 col hero

    THAILAND | Schuimend rotan

    In Bangkok werd in december een spectaculaire lounge geopend. In de Spice and Barley Riverside (uitzicht op rivier de Menam) rijzen spiraalvormige rotan sculpturen van tientallen meters hoog uit de grond. Handig om pijpen en ventilatieapparatuur achter te verbergen en een passende verwijzing naar het schuim van het assortiment Belgische bieren dat het restaurant serveert. Patrick Keane, de directeur van de Thaise firma, gebruikte 3D special effectssoftware om de vloeiende geometrische vormen te kunnen modelleren. Het goud op de constructies is een knipoog naar de royaal vergulde tempels in het land. Rotan, een soort liaan, is een duurzaam natuurproduct. Dit project heeft twee rotanfabrieken van sluiting gered.

    (360, Amsterdam)

    ZWEDEN | Zweden wijst deelname van Huawei aan 5G-netwerk af

    Bezorgd om mogelijke spionage door China liet Zweden in oktober weten het Chinese bedrijf Huawei uit te willen sluiten bij de aanleg van zijn 5G netwerk. Het leidde tot protesten op hoog niveau, maar recentelijk noemde het Zweedse Hof van Beroep het besluit terecht. Overigens namen onder meer Australië, Nieuw-Zeeland, de VS, Japan en Groot-Brittannië al eerder een soortgelijk besluit.Huawei geeft nog niet op en zegt nog de resultaten van een andere gerechtelijke procedure af te wachten. De Chinese ambassadeur in Stockholm liet ondertussen weten op ‘niet-discriminerende’ omstandigheden voor Chinese bedrijven in Zweden te hopen en wuifde zorgen over veiligheid weg. Hij heeft de Zweedse opinie echter tegen. In een opiniepeiling zei slechts 20 procent dat China welkom is bij de aanleg van Zweedse 5G infrastructuur. Mensenrechten en democratische hervormingen in China moeten daarentegen de hoogste beleidsprioriteit zijn, vindt 82 procent.(SCMP, Hongkong)

    © AP /Domenico Stinellis
    © AP /Domenico Stinellis

    ITALIË | Ophef in de WHO om Italië

    Francesco Zambon, Italiaans epidemioloog en veldcoördinator van de Wereldgezond- heidsorganisatie WHO in Italië tijdens de eerste coronagolf, schreef in mei mee aan een WHO-rapport dat Italiës beleid onderzocht aan het begin van de pandemie. Bedoeld als voorbereiding voor andere landen veroorzaakte het rapport ophef met de conclusie dat Italië werkte met een verouderd pandemieplan. Daardoor waren de eerste maatregelen ‘geïmproviseerd, chaotisch en creatief’. De WHO trok het rapport onmiddellijk in, hetgeen leidde tot woede en suggesties dat de Italiaanse regering werd gespaard. Zambon zegt dat hij onder druk is gezet door Ranieri Guerra, assistent-directeur-generaal bij de WHO en aanspreekpunt voor de Itali- aanse regering. Guerra wilde dat Zambon de opmerking dat Italië zijn pandemieplan sinds 2006 niet meer had bijgewerkt, zou ‘corrigeren’. Zambon weigerde en diende een interne ethische klacht in bij de WHO. Sindsdien is hij ‘professioneel geïsoleerd’, zegt hij, ook al volgde hij nauwgezet alle WHO-richtlijnen om wangedrag te melden.(AP News, Rome)

    VERENIGDE STATEN | Stormy Daniels wil casino Trump opblazen

    Eind januari zal een voormalig casino van Donald Trump in het Amerikaanse Atlantic City worden opgeblazen. Het Trump Plaza-casino, dat opende in 1984, werd in 2014 gesloten en raakte in zo’n staat van verval dat sloop noodzakelijk werd. Eerder dit jaar begonnen de eerste sloopwerkzaamheden en op 29 januari 2021 wordt het resterende deel van het complex opgeblazen. Burgemeester Marty Small wil de sloop van deze plek gebruiken om geld in te zamelen voor een goed doel. Daarom is nu een inzamelingsactie gestart voor de Boys & Girls Club van Atlantic City, die voorziet in recreatie-, onderwijs- en loopbaanprogramma’s voor kinderen en tieners uit de stad. De burgemeester hoopt met de actie meer dan 1 miljoen dollar op te halen.Een professioneel bedrijf begeleidt een veiling die de hoogste bieder het recht geeft om in januari op de knop te mogen drukken. Die hoogste bieder zou wel eens Stormy Daniels kunnen zijn, de pornoster die werd betaald om te zwijgen over haar ontmoetingen met Trump. Op de site GoFundMe is daartoe een campagne gelanceerd. ‘Help geld in te zamelen om Stormy Daniels Trump Plaza op te laten blazen,’ aldus ene Bedell op de campagnepagina. ‘Ik woon zelf in St. Louis maar zal Stormy nomineren om de sloop te voltooien als we winnen. Ze heeft interesse getoond!’ Op Twitter liet Daniels weten inderdaad tot de actie bereid te zijn: ‘Ik wil het echt doen … en we weten allemaal dat ik goed ben in het indrukken van knoppen. LOL #teamstormy.’ Op 19 januari wordt de winnaar van de veiling bekendgemaakt.(NJ.com, New Jersey)

     © Unsplash
    © Unsplash

    AZIË | Miljoenen klimaatvluchtelingen verwacht

    Door klimaatverandering werden al ruim 18 miljoen mensen in Zuidoost-Azië gedwongen te migreren. Dat aantal zal meer dan verdrievoudigen als de opwarming van de aarde met de huidige snelheid doorzet, zo waarschuwen ActionAid International en Climate Action Network South Asia in een rapport. Binnen dertig jaar zullen zo’n 63 miljoen mensen in de regio uit hun huizen worden verdreven doordat de stijgende zeespiegel complete dorpen opslokt of omdat gewassen verdorren door aanhoudende droogte. Het grootste aantal mensen zal in 2050 migreren binnen India, naar schatting ruim 45 miljoen. De sterkste stijging van klimaatmigranten staat Bangladesh te wachten, waar een zevenvoudige toename wordt verwacht. Volgens Harjeet Singh van ActionAid zijn dit conservatieve schattingen, want gedwongen migratie door plotselinge rampen als overstromingen en wervelstormen is niet ingecalculeerd.Singh voorspelt ‘catastrofale’ situaties. Veel mensen zullen in stedelijke sloppenwijken terechtkomen, die vaak ook kwetsbaar zijn voor overstromingen en waar de kansen op bestaanszekerheid beperkt zijn. ‘Beleidsmakers in het rijke Noorden en het Zuiden realiseren zich de omvang van het probleem niet,’ aldus Singh. Hij dringt er bij rijke landen op aan om hun inspanningen te verdubbelen om hun CO2-uitstoot te verminderen. Daarnaast zullen ze meer financiering moeten verstrekken aan Zuid-Aziatische landen om zich verder te kunnen ontwikkelen met schone energie en zich te kunnen aanpassen aan nieuwe klimatologische omstandigheden. Als regeringen wereldwijd het overeengekomen doel halen om de opwarming van de aarde te beperken tot 2 graden, kan het aantal mensen dat dreigt te worden verdreven in India, Bangladesh, Pakistan, Sri Lanka en Nepal, halveren in 2050.(Thomson Reuters Foundation, Barcelona)

    WAT ZIJ ZEGGEN OVER… 2021

    Joe Grady redacteur The Irish Mirror

    Hoe je het ook bekijkt, 2021 wordt een jaar van enorme veranderingen. Op dit eiland van ons zou dit het jaar moeten zijn waarin we gedurfde stappen zetten op weg naar hereniging. Dit wordt het jaar om een serieus gesprek te beginnen over een Ierland met 32 county’s. Want de Britten staan op het punt uit de EU te crashen, de Schotten kijken uit naar een nieuw onafhankelijkheidsreferendum en het lijkt erop dat veel unionisten in het noorden eindelijk zien hoe volkomen nutteloos hun leiders zijn.’

    Donata Riedel economieredacteur Handelsblatt

    2021 wordt het jaar van de hausse. Als de winter voorbij is en massale vaccinaties beginnen, zal de economische opleving niet langer worden vertraagd. Duitsland wordt nu geconfronteerd met een winter van aanhoudende lockdowns. Ze vertragen het begin van de economisch opleving, maar voorkomen die niet. Dat kan alleen maar door virusmutaties waartegen de nieuwe vaccins niet effectief zijn. In dat, maar dan ook alleen in dat geval worden Duitsland en de rest van de wereld daadwerkelijk bedreigd door een lange en diepe recessie.’

    Wajahat Ali columnist The New York Times

    Als ik vrienden hoor over hoe het nieuwe jaar en het presidentschap van Joe Biden onze collectieve gebeden zullen beantwoorden en ons collectief zullen reinigen van de niet-aflatende pijn en ellende in 2020, kan ik niet anders dan sceptisch zijn. Als we willen dat 2021 beter wordt, zullen we het zelf moeten doen. Laten we ons voornemen om in 2021 te vechten voor wetenschap, feiten, democratie en mededogen en om alles te herstellen wat in 2020 verloren is gegaan. Na zo’n jaar wordt 2022, misschien – heel misschien, beter.’

    Heather Mallick columnist Toronto StarZeg “compassie”. Sinds 2016 fluister ik dit tegen mezelf voordat ik aan een column begin. Het beschermt, soms tevergeefs, tegen het neerhalen van anderen. In 2020 liep het uit de hand. Voortdurend gedroe- gen mensen zich opzettelijk slecht, weigerden ze een mondkapje te dragen, werd winkelpersoneel lastiggevallen. We zullen allemaal betere mensen zijn in 2021, want eerlijk gezegd hebben velen van ons zich in 2020 zo slecht gedragen dat de enige weg nog omhoog is. 2021 wordt het jaar waarin we allemaal wijzere, zachtere mensen werden.’

  • Autonomie

    Autonomie

    Missionarissen die het woord zo veel mogelijk willen verspreiden en tegelijkertijd een helpende hand uitsteken, worden niet meer zo vriendelijk ontvangen op het Afrikaanse continent als voorheen. Deze ‘barmhartige’ tak van de katholieke kerk heeft lange tijd ongemoeid kunnen opereren, omdat men ervan uitging dat een missionaris niets anders in de zin heeft dan naastenliefde. Voor de meeste is dat vast zo, laten we daar gemakshalve van uitgaan. Toch werd twee jaar geleden een organisatie in het leven geroepen die dit heilige huisje omverwierp.

    ‘We zijn het zat om genegeerd te worden,’ schrijven de oprichters van de site van No White Saviours. En zij waren blijkbaar niet de enige die gehoord wilden worden over de misstanden in het ontwikkelingswerk. In een mum van tijd telde de beweging tweehonderdduizend sympathisanten. Niet dat hulp overbodig zou zijn geworden, integendeel, alleen de schrijver Teju Cole begon er in 2012 al over.

    Snoeihard veroordeelde hij de volgens hem snelst groeiende industrie van wat hij het wittereddercomplex noemde. Reddende witte ridders die voornamelijk hun eigen emotionele behoefte aan het bevredigen zijn. Belangrijker is dat westerse steun uitgaat van de autonomie en kracht van degene die geholpen moet worden, in plaats van de eigen zo te applaudisseren hulpbereidheid. Of Renee Bach medische kennis via Gods ondoorgrondelijke wegen heeft doorgekregen, zonder daar ooit voor geleerd te hebben, weet niemand. Het ligt ingewikkelder.

    De partijen die haar aanklaagden stellen de achteraf moeilijk te beantwoorden vraag of zij hun kinderen wel aan haar organisatie Serving His Children (SHC) zouden hebben toevertrouwd als zij geweten hadden dat Bach de eed van Hippocrates nooit heeft afgelegd. Het draaide uit op een schikking. Met een belangrijke voetnoot waarin nadrukkelijk staat vermeld dat de organisatie geen aansprakelijkheid op zich neemt maar in overeenstemming met de families bereid is financiële steun te betalen.

    Belangrijker is dat westerse steun uitgaat van de autonomie en kracht van degene die geholpen moet worden, in plaats van de eigen zo te applaudisseren hulpbereidheid

    Misschien is dat meteen ook de beste vorm van ontwikkelingshulp. Met contant geld kan de ontvanger zelf beslissen wat het hardst nodig is.

    De ontvangers van cash besteden het geld vaak heel anders dan traditionele hulporganisaties, volgens de Cash Learning Partnership. Dat geldt, maar dan ietsje anders, bijvoorbeeld ook voor bedrijven in Nigeria die gerund worden door vrouwen. Van oudsher wordt er nauwelijks genderneutraal geïnvesteerd. Net zoals in het ontwikkelingswerk moet dat gebaseerd zijn op een aanname die niet meer van deze tijd is.

    Want, zo weten wij dankzij onderzoek naar de hersens van jongens en van meisjes, die verschillen niet significant. Het zijn de vooroordelen die stereotypen het meest beïnvloeden.

  • Hoe een ultrakatholiek netwerk wereldwijd de politieke besluitvorming beïnvloedt

    Hoe een ultrakatholiek netwerk wereldwijd de politieke besluitvorming beïnvloedt

    Wat verbindt een weelderig herenhuis in São Paulo, een majestueus kasteel in Frankrijk en een pand in de historische wijk Kazimierz in Krakau met elkaar? Het antwoord: TFP, een ultrakatholieke organisatie die wereldwijd steeds meer politieke invloed krijgt. Journalistiek collectief Vsquare deed een onthullend en onthutsend onderzoek.

    Diepgravend onderzoek van Vsquare

    Recentelijk publiceerde het onderzoeksjournalistieke collectief Vsquare, dat samenwerkt met media in de Visegradlanden Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije, de resultaten van een diepgravend onderzoek naar de financiering van extreemrechtse katholieke organisaties en hun politieke invloed wereldwijd.

    Het onderzoek van Vsquare richt zich op TFP en Ordo Iuris, naar eigen zeggen een Poolse stichting ‘die academici en beoefenaars van juridische beroepen samenbrengt met als doel een rechtscultuur te bevorderen die gebaseerd is op respect voor de menselijke waardigheid en rechten’.

    De stichting omarmt middeleeuwse tradities en steunt ultraconservatieve campagnes in Polen en daarbuiten. Ze richt zich vooral op de strijd tegen homoseksuele relaties, buitenechtelijke relaties, echtscheiding en abortus, maar ook voor een lobby tegen antidiscriminatieonderwijs op scholen draait de organisatie haar hand niet om.

    Ook subsidieert ze de rechts-katholieke organisatie Traditie, Familie, Privé-eigendom (TFP) in Brazilië en het Château du Jaglu in Frankrijk, de thuisbasis van een vooraanstaande TFP-activist.

    Ordo luris is inmiddels het Poolse rechtssysteem binnengedrongen met een meedogenloos streven om onder andere abortus onder alle omstandigheden te verbieden.

    Het is januari 2018. Tijdens de March for Life, een anti-abortusdemonstratie in Washington, wordt een grote vlag gedragen met daarop de kaart van Litouwen, zo schrijft Vsquare. Op de vlag is het logo te zien van een Litouwse organisatie die wordt gefinancierd met Pools geld. Hij is gedrukt door een Amerikaanse instelling, net als andere spandoeken die worden meegedragen met daarop teksten als: ‘Abortus is een klap in het gezicht van de liefhebbende Schepper’ of: ‘Nederland zegt NEE tegen abortus!’ Dat laatste exemplaar werd vervaardigd voor een Nederlandse organisatie die eveneens wordt gefinancierd met Pools geld en die onder toezicht staat van Braziliaanse oprichters.

    De ontstaansgeschiedenis van deze spandoeken weerspiegelt perfect de complexiteit van de beweging Traditie, Familie en Privé-eigendom (TFP), die wereldwijd een ultraconservatieve agenda voert.

    De TFP-beweging werd in de jaren zestig opgericht door Plinio Corrêa de Oliveira, een vrome katholiek en anticommunist. In de loop der jaren groeide TFP uit tot een wereldwijd netwerk van organisaties die ultraradicale katholieke waarden promoten en zich verzetten tegen homoseksuele relaties, echtscheiding, anticonceptie en het recht op abortus. Het TFP-netwerk bleek de afgelopen jaren bijzonder effectief in Centraal-Europa en in andere postcommunistische landen die tot 1989 deel uitmaakten van de Sovjet-Unie.

    Vsquare: ‘Jarenlang was er weinig bekend over de financiële structuur van deze internationale beweging van katholieke radicalen. Uit ons onderzoek blijkt nu dat er financiële steun wordt geleverd vanuit het operationele en financiële centrum in Krakau. Dat hanteert een fondsenwervingsmodel gebaseerd op een concept dat in Brazilië werd ontwikkeld en later is uitgebreid in Frankrijk, en dat nu wordt toegepast in Centraal-Europese landen.’

    Ook volgens Victor Gama, historicus aan de Pauselijke Katholieke Universiteit in Brazilië, heeft TFP een internationaal netwerk van verenigingen opgezet. ‘In veel landen vinden mensen afbeeldingen van heiligen in hun brievenbus, met een schrijven waarin ze worden gevraagd geld te geven voor religieuze doeleinden. Ze denken dat ze lokale katholieke instellingen steunen, maar hun geld voedt de wereldwijde TFP. Dat geld wordt vervolgens doorgesluisd naar mensen die bij de beweging en het hoofdkantoor zijn betrokken, die vervolgens nieuwe leden werven, vooral jonge mensen,’ aldus Gama. 

    Het onderzoek van Vsquare legt voor het eerst het functioneren van dit netwerk van aan TFP gekoppelde organisaties bloot en licht per locatie de activiteiten van het netwerk toe.

    São Paulo

    Higienópolis is een van de welvarendste buurten van São Paulo, het financiële hart van Zuidoost-Brazilië en een favoriete hotspot voor lokale beroemdheden en politici. Het Plinio Corrêa de Oliveira-instituut (IPCO) is gehuisvest in een charmant herenhuis dat wordt omgeven door exotische tuinen. Het terrein is alleen toegankelijk voor leden van de organisatie. Hoewel er alleen in het weekend een mis in de kapel wordt gehouden, horen de bewoners elke dag een bel die oproept tot gebed.

    Het is een mannenclub, vrouwen kunnen er geen lid van worden

    Voordat deze villa het hoofdkantoor van IPCO werd, diende het statige gebouw lange tijd als locatie voor bijeenkomsten van de Braziliaanse Vereniging voor de Verdediging van Traditie, Familie en Privé-eigendom (TFP).

    Toen TFP-oprichter Plinio Corrêa de Oliveira in 1995 overleed, kwamen de oude garde en ‘machtshongerige’ jongeren tegenover elkaar te staan. De ouderen vormden de Association of TFP Founders; zij richten zich nu op het uitbreiden van hun invloed in de Braziliaanse politiek. De jongeren, die zichzelf ‘Herauten van het Evangelie’ noemen, richten zich op religieuze activiteiten en hebben het recht verworven om zichzelf in Latijns-Amerika TFP te noemen, zodat ze Oliveira’s nalatenschap kunnen voortzetten.

    IPCO is de derde organisatie die ontstond als gevolg van de splitsing. Caio Xavier da Silveira is er de spilfiguur. ‘Help ons Brazilië bevrijden van abortus, de homoseksuele agenda en het communisme!’ is de boodschap die wordt gebruikt voor fondsenwerving. Het is een mannenclub, vrouwen kunnen er geen lid van worden.

    Hoewel de hoogtijdagen van de ultrakatholieke beweging in Brazilië voorbij zijn, is de invloed van de groeperingen er nog steeds groot. Zo heeft Dom Bertrand de Orléans e Bragança, een van de IPCO-directeuren, eenvoudig toegang tot kringen rond de Braziliaanse president Jair Bolsonaro, inclusief diens zoon Eduardo. Op de G20-top in juli 2019 citeerde Bolsonaro uitspraken van Dom Bertrand, die de klimaatverandering in twijfel trekt.

    Vsquare stelt vast dat de organisatie tussen 2004 en 2019 grotendeels kon blijven bestaan dankzij steun vanuit het Poolse Krakau.

    Krakau 

    Vsquare heeft de hand weten te leggen op een e-mail die Slawomir Olejniczak, medeoprichter van de Poolse tak van TFP, in mei 2019 schreef aan leden van TFP. Deze tak heet de Piotr Skarga Stichting en houdt hoofdkantoor in de historische wijk Kazimierz in Krakau. 

    ‘Beste heren, Salve Maria! Jarenlang hebben we, geleid door de goede wil en het vertrouwen van alle leden van de Stichting, op verzoek TFP-organisaties in Brazilië en vele andere landen financieel ondersteund. In totaal loopt onze financiële steun van de afgelopen jaren in de miljoenen euro’s. Dankzij deze steun zijn TFP-organisaties opgericht of verder ontwikkeld in landen als Australië, Estland, Kroatië, Slowakije, Litouwen, Nederland en Ecuador. In Polen hebben we het instituut Ordo Iuris en het pro-life Centrum voor Leven and Familie opgericht.’

    Deze laatste twee organisaties speelden volgens Vsquare een belangrijke rol in de pogingen om een vrijwel volledig abortusverbod in Polen in te voeren. De mail vermeldt verder nog financiering van TFP-activiteiten in Canada en Zuid-Afrika.

    Machtsstrijd

    Vsquare stelt vast dat de mail van Olejniczak alles te maken heeft met een machtsstrijd binnen de mondiale miljoenenorganisatie. Olejniczak was net door de raad van toezicht ontslagen uit het bestuur van de Poolse Skarga Stichting. Voorzitter van de raad is de eerdergenoemde Braziliaan Caio da Silveira: oprichter en sleutelfiguur van de TFP-beweging in Europa en tevens hoofd van de Franse Fédération Pro Europa Christiana. Da Silveira had Olejniczak opdracht gegeven om toezicht te houden op de ontwikkeling van de beweging in Polen en Centraal-Europa. 

    De vete tussen Olejniczak en Caio da Silveira begon na conflicten over geld en andere activa omtrent de Skarga Stichting, die gaandeweg de financieringsbron werd voor het gehele netwerk van TFP-organisaties. Olejniczak verkondigde bijvoorbeeld: ‘De grootste last voor ons [de stichting] is de deelname aan de vaste kosten van het onderhoud van de organisaties in Brazilië en Frankrijk van 2004 tot nu. Dat betreft jaarlijks ongeveer 500.000 euro.’

    Vsquare heeft documenten in handen die suggereren dat Skarga tussen 2009 en 2019 meer dan 9,3 miljoen euro naar het buitenland heeft overgemaakt; geld dat afkomstig is van Poolse katholieken die gretig rozenkransen, afbeeldingen van Onze-Lieve-Vrouw van Fatima, boeken, kalenders en andere ultrakatholieke parafernalia bestellen bij Skarga. Dit ‘bedrijfsmodel’, dat ook in veel andere landen is overgenomen van het TFP-netwerk, bleek bijzonder lucratief in het katholieke Polen. 

    Frankrijk en België

    Een niet onaanzienlijk deel van het geld uit Polen belandt in Château du Jaglu, bij de eerdergenoemde Caio da Silveira, die met een aantal geloofsgenoten op het kasteel woont en van daaruit toezicht houdt op de activiteiten van organisaties in heel Europa. ‘Frankrijk was de eerste plek in Europa waar TFP zich vestigde’, aldus het rapport ‘Modern-Day Crusaders in Europe’ van het Europees Parlementair Forum voor seksuele en reproductieve rechten (EPF), dat eerder dit jaar verscheen. ‘Dit land diende als basis van waaruit TFP zich kon verspreiden naar andere Europese landen; zo werden satellietorganisaties gecreëerd in Duitsland, Oostenrijk en Polen.’ 

    De jaren negentig waren de gouden jaren voor TFP in Frankrijk. De Franse tak van TFP begon grootschalige mailcampagnes om donaties van leden van de katholieke kerk in te zamelen. Politici werden bestookt met brieven. In 1997 leidden dergelijke inspanningen ertoe dat sponsors van de Gay Pride hun steun introkken.

    In 1995 nam een parlementaire onderzoekscommissie TFP op in een register van sekteachtige bewegingen

    De tienduizenden verzoeken om donaties deden ondertussen bij de autoriteiten de alarmbellen rinkelen. In 1995 nam een parlementaire onderzoekscommissie TFP op in een register van sekteachtige bewegingen. Tussen 1999 en 2006 probeerden onderzoekers van de commissie voor sekten herhaaldelijk de werkelijke omvang en het doel van de fondsenwervingsactiviteiten van de organisatie vast te stellen, maar zonder succes. 

    Terwijl de Franse autoriteiten TFP probeerden aan te pakken, breidde de beweging haar internationale activiteiten en financieringsbronnen alleen maar verder uit. Zo werd ze onafhankelijk van lokale Franse donoren. En in de eerste jaren van deze eeuw was TFP niet langer alleen actief in Frankrijk, maar ook in Duitsland, Oostenrijk, Italië, Polen en Portugal. Daar werden allerlei religieuze campagnes gevoerd en christelijke verenigingen of anti-abortusgroepen opgericht. 

    Een nieuwe generatie

    Het Château du Jaglu is niet het enige eigendom van de organisatie. Het officiële hoofdkantoor van Fédération Pro Europa Christiana is Villa Notre-Dame de la Clairière in Creutzwald, een landgoed in het oosten van Frankrijk, met een park van 3,5 hectare. Daarnaast huurde de organisatie tot de zomer van 2019 ook een kantoor in Brussel voor lobbyactiviteiten bij EU-instellingen.

    Geld van de Skarga Stichting in Krakau is lange tijd gebruikt voor het ondersteunen van deze onderkomens en tientallen andere organisaties over de hele wereld, waarvan de meeste worden bestuurd door Da Silveira. Uit documenten die Vsquare in bezit heeft, blijkt dat tussen 2009 en 2019 meer dan 6,8 miljoen euro is overgemaakt aan organisaties die Da Silveira onder zijn hoede heeft. 

    TFP European Summer School

    In augustus 2020 kwamen TFP-leden uit Frankrijk, Italië, Nederland, Polen en Wit-Rusland naar Frankrijk voor de TFP European Summer School, die in de villa in Creutzwald werd georganiseerd. Caio da Silveira was nog steeds het middelpunt, maar de vraag is voor hoelang nog. Zijn oud-studenten uit Krakau lijken in de machtsstrijd met hem aan de winnende hand te zijn. Zij waren het die het nieuwe netwerk van ultrakatholieke organisaties bouwden, financierden en uiteindelijk overnamen, en zij oefenen steeds meer invloed uit op het beleid in Centraal-Europese samenlevingen.

    ‘Over het algemeen gaat de oude TFP in Frankrijk, Duitsland en Italië meer om geld verdienen dan om ideologie. Ze biedt financiële stabiliteit. Maar de nieuwe generatie die uit Polen komt, is erg ambitieus en professioneel,’ liet Neil Datta van het rapport ‘Modern-Day Crusaders in Europe’ aan Vsquare weten.

    Die nieuwe generatie is bovendien zeer succesvol. Eind oktober werd door hun toedoen de weg naar legale abortus in Polen drastisch bemoeilijkt. Het Centraal-Europese netwerk is nu bezig zijn ultrachristelijke waarden te verdedigen bij het komende constitutionele referendum in Estland.

    Polen

    Aangestuurd door de Piotr Skarga Stichting uit Krakau is in Centraal-Europa een netwerk van organisaties ontstaan dat wordt gevoed met honderdduizenden euro’s van individuele donaties. Na de lancering van ultraconservatieve organisaties in Litouwen, Estland, Slowakije, Kroatië en Hongarije heeft de Poolse stichting haar fondsenwervingsmodel ook in deze landen geïmplementeerd. 

    Tegenwoordig is Centraal-Europa het belangrijkste slagveld voor TFP. De invloed van haar aanhangers, die middeleeuwse waarden terug willen brengen naar Europa, neemt gestaag toe.

    De Piotr Skarga Stichting werd in 2001 in Krakau opgericht om het christelijke geloof te verspreiden en om ‘traditionele’ waarden te verdedigen, geheel in lijn met de TFP-principes. De mannen erachter zijn Caio Xavier de Silveira, de Braziliaan die in Frankrijk woont, en Matthias von Gersdorff, een in Duitsland woonachtige Chileen. Beiden zijn nog altijd lid van de raad van toezicht van de stichting.

    De stichting ontstond twee jaar na de lancering van de Piotr Skarga Vereniging voor Christelijke Cultuur. Beide organisaties werden vanaf het begin geleid door drie studievrienden uit Krakau: Slawomir Olejniczak, Slawomir Skiba en Arkadiusz Stelmach. De oprichters uit Latijns-Amerika zorgden voor startfondsen en deelden kennis over effectieve campagnes waarmee geld kon worden ingezameld bij de katholieke gemeenschap in Polen.

    Bedrijfsmodel

    ‘Je kunt de wereld niet redden als je de huur niet kunt betalen.’ En: ‘De grootste kracht in de politiek is morele verontwaardiging.’ Als hij over fondsenwerving spreekt, verwijst Slawomir Olejniczak van de Piotr Skarga Stichting graag naar deze principes, die werden geformuleerd door de Amerikaan Morton Blackwell.

    Blackwell is een prominente Republikeinse politicus, die met zijn Leadership Institute trainingen verzorgt ‘voor campagnes, fondsenwerving, grassroots-organisaties, jeugdpolitiek en communicatie. Het instituut leert conservatieven van alle leeftijden hoe ze kunnen slagen in de politiek, bij de overheid en in de media’, aldus de website.

    Blackwell heeft inmiddels meer dan 220.000 conservatieven opgeleid in de VS en de rest van de wereld. Hij heeft goede contacten met de leiders van de Amerikaanse TFP via de Foundation for a Christian Civilization, de organisatie die de buitenlandse vlaggen en spandoeken voor de March for Life vervaardigde, en met de Braziliaanse oprichters van TFP. Volgens Benjamin Arthur Cowan van de University of California San Diego ‘werd Blackwell zelfs een soort van spil in de wereldwijde uitbreidingscampagne van de Braziliaanse TFP’. Op het Leadership Institute hebben diverse TFP-leiders, onder wie Caio da Silveira, Mathias von Gersdorff en Jose Ureta, lezingen gegeven en hun ervaringen gedeeld.

    De Skarga-groep uit Krakau nam het ‘bedrijfsmodel’ van het Leadership Institute (zie kader) over en ontwikkelde dit verder. Ook deze groep stuurt goedkope medaillons, bidprentjes met de afbeelding van Onze-Lieve-Vrouw van Fatima en andere heiligen, boeken en rozenkransen naar honderdduizenden mensen, voorzien van een smeekbede om donaties.

    Het succes van deze operatie zit hem vooral in de schaal. In de loop der jaren hebben pakketjes van de Skarga Stichting miljoenen huishoudens in heel Polen bereikt. Alleen al in 2018 heeft de Stichting meer dan 1 miljoen huis-aan-huisfolders en honderdduizenden enveloppen met kalenders, medailles en brochures verstuurd.

    Het levert jaarlijks zo’n 8,4 miljoen euro op. De Skarga-groep exploiteert inmiddels ook het tweemaandelijkse tijdschrift Polonia Christiana en de website PCH24.pl en financiert grote campagnes, zoals het recente protest tegen de toestemming die priesters kregen om gelovigen de communie in de hand te geven in plaats van in de mond, in verband met corona.

    Op basis van deze succesvolle operaties begon de Skarga Stichting de ultraconservatieve agenda ook buiten Polen te verspreiden. De groep zette een netwerk op van satellietorganisaties in Centraal-Europa, die werden gesteund met honderdduizenden euro’s. Uit documenten die Vsquare heeft geanalyseerd, blijkt dat het netwerk in 2017 uit veertig organisaties bestond die financieel werden bijgestaan door de Skarga Stichting. Bijna de helft van dat TFP-netwerk bevindt zich in Midden- en Oost-Europese landen als Litouwen, Estland, Slowakije, Hongarije en Kroatië.

    Litouwen

    Op 11 november 2020 loopt Šarunas Pusčius in de Litouwse stad Kaunas naar een standbeeld van Vytis, de ridder te paard die ook het wapen van Litouwen siert. Bij het standbeeld begint hij een toespraak waarin hij zijn steun uitspreekt voor de Poolse Onafhankelijkheidsmars, een jaarlijks evenement van Poolse nationalisten dat wordt gekenmerkt door gewelddadig machtsvertoon van extreemrechts.

    ‘Wij feliciteren u en laten u weten dat uw strijd, de strijd voor de katholieke beschaving, tegen de barbaren, tegen de liberaal-communisten die uw kerken verwoesten en uw ongeboren kinderen willen vermoorden (…) dat uw strijd, waarin u meer dan 200.000 handtekeningen verzamelde tegen homoparades in Polen, een aanmoediging is voor alle katholieke naties,’ aldus Pusčius.

    Met de oproep om in Polen een ‘katholieke contrarevolutie’ te beginnen presenteert Pusčius zich als de pr-manager van het Instituut voor Christelijke Cultuur (Krikščioniškosios Kulturos Institutas, KKI), een Litouwse ngo die is opgericht en wordt beheerd door de Skarga Stichting uit Krakau. In drie jaar tijd heeft Skarga meer dan 280.000 euro geïnvesteerd in uitbreiding in Litouwen. Zo werd onder meer een radicaal-rechts platform tegen de lhbti-gemeenschap gefinancierd en werd inkomen beschikbaar gesteld voor ten minste twee TFP-medewerkers, zo onthulde Vsquare.

    De definitie van ‘christelijke cultuur’ waarmee KKI zich op Facebook presenteert, gaat veel verder dan de gangbare begrippen. Naast herhaalde beweringen dat ‘liberaal-communistische barbaren’ Polen proberen over te nemen, verspreidt KKI complottheorieën over covid-19, roept het op tot een verbod op ‘homopropaganda’ en begon het zelfs een kruistocht tegen de ‘satanistische’ viering van Halloween.

    KKI drukte 18.000 brochures met de titel ‘Waarom homoseksuele verbintenissen geen huwelijk zijn’, waarvan een deel onder Litouwse scholen werd verspreid

    KKI werd al in 2003 opgericht, maar kwam pas in beeld in 2018, toen het met de extreemrechtse Litouwse organisatie Pro Patria opriep tot protest tegen het nieuwe management van de nationale omroep van Litouwen. Een groep demonstranten verzamelde zich voor het hoofdkantoor van tv en beschuldigde de omroep van globalistische propaganda.

    Het personeelsbestand van KKI groeide schijnbaar uit het niets van drie naar zeven personen. De vier nieuw aangestelde ‘managers’ bleken allemaal banden te onderhouden met Pro Patria. Martynas Katelynas, een van de vier die in 2017 werden aangesteld, werd in 2019 gekozen in de gemeenteraad van het Litouwse stadje Varena.

    In 2018 verstrekte Skarga 115.000 euro aan KKI, in 2019 137.000 euro. KKI meldt in 2019 meer dan 91.000 euro aan salarissen te hebben uitbetaald, vijf keer zoveel als in 2017. Een deel van dat geld ging naar twee Braziliaanse medewerkers van TFP: Renato William Murta de Vasconcelos, die werkt als ‘hr-adviseur’, en Jorge Vicente Saidl, die is aangenomen als ‘pr-adviseur’. 

    Uit de financiële rapportage van KKI blijkt dat Skarga nog steeds de belangrijkste inkomstenbron is, maar dat donaties van particulieren significant zijn gestegen. In 2017 waren de inkomsten van KKI uit particuliere donaties nog onbeduidend, maar in 2018 bedroegen die al meer dan 15.000 euro en in 2019 werd een voorlopig record genoteerd van 58.000 euro. ‘We werken eraan om het aantal te verhogen; momenteel hebben we 18.000 donateurs,’ zegt Karols Stankevičius, het hoofd van KKI.

    KKI zegt in 2019 vijfduizend Fatima-rozenkransen te hebben ‘geschonken’ en achttienduizend ‘366 dagen met Maria’-kalenders te hebben verspreid. De organisatie drukte ook achttienduizend brochures met de titel ‘Waarom homoseksuele verbintenissen geen huwelijk zijn’, waarvan negenhonderd exemplaren aan niet nader genoemde Litouwse scholen werden uitgedeeld.

    Estland

    Net als hun Litouwse geloofsgenoten reisden Varro Vooglaid en Markus Järvi uit Estland in 2012 naar Krakau om een fondsenwervingstraining te volgen. Een paar maanden eerder hadden ze de Estse Stichting voor de Bescherming van Familie en Traditie (SAPTK) opgericht. Bij de training van de Skarga Stichting in Krakau leerden ze individuele donaties werven.

    Als vrome katholieken begonnen Vooglaid, een advocaat, en Järvi, een in Rome opgeleide theoloog, in 2011 met SAPTK, uit verzet tegen de ratificatie van de wet op geregistreerd partnerschap in Estland, die het samenwonen van mensen met hetzelfde geslacht regelt. 

    Het idee om met SAPTK te beginnen werd hun aangedragen door aan TFP gelieerde personen, onder wie mogelijk Olejniczak uit Krakau. Olejniczak werd tijdelijk lid van de SAPTK-raad om de organisatie ‘beter te beschermen tegen binnenlandse aanvallen’.

    In mei 2013 gaf Olejniczak als SAPTK-vertegenwoordiger commentaar op de eerste succesvolle campagne van de organisatie, toen er 38.000 handtekeningen werden verzameld tegen het wetsontwerp inzake het homohuwelijk. ‘De petitiecampagne was de grootste en succesvolste handtekeningenactie ooit tegen een voorgestelde wetswijziging’ in dit land met 580.000 huishoudens, aldus Olejniczak.

    Twee keer per jaar betalen duizenden donateurs een klein bedrag, dat gezamenlijk resulteert in een jaarinkomen van 400.000 euro

    De Skarga Stichting stuurde drie keer geld naar de Estse organisatie: 40.500 euro in 2012 om SAPTK op te richten, 105.779 euro in 2013 voor campagnes en publicaties, en 13.000 euro in 2016. SAPTK is er trots op een van de meest onafhankelijke organisaties in Estland te zijn, dankzij de donateurs.

    De ontvangen donatiegelden zijn vergelijkbaar met die van de grootste politieke partijen in het land. Twee keer per jaar betalen duizenden donateurs een klein bedrag, dat gezamenlijk resulteert in een jaarinkomen van 400.000 euro. Volgens SAPTK zijn de meeste donoren ‘gewone mensen uit de arbeidersklasse, hoewel er ook enkele bedrijven en rijkere donateurs bij zijn’. 

    Sinds de oprichting heeft SAPTK gestreden tegen abortus, stripclubs, de acceptatie van buitenlandse homohuwelijken en verschillende huwelijkswetten. Het beheert de site objektiiv.ee, die een sterk traditionele agenda promoot en de Hongaarse en Poolse regering ondersteunt. De Estse organisatie is van plan om dit jaar uit te breiden met de aanschaf van een kantoor, een nieuwe mediastudio en de start van een conservatieve academie voor jonge mannen.

    Maar als eerste wil SAPTK een Estse tak van Ordo Iuris oprichten voor lobby-activiteiten en het voeren van strategische rechtszaken. Dit in navolging van het succes van het Poolse Ordo Iuris, mede opgericht door de Skarga Stichting in Krakau, dat met zijn campagnes tegen abortusrechten het Poolse Constitutionele Hof dusdanig heeft weten te beïnvloeden dat abortussen in Polen nu nagenoeg onmogelijk zijn.

    Het tijdschema voor de lancering van deze nieuwe tak in Estland is zorgvuldig gekozen: in het voorjaar van 2021 komt er een referendum over een wijziging van de Estse grondwet inzake het huwelijk. Conservatieve activisten pleiten ervoor de definitie van het huwelijk in de grondwet op te nemen als een band tussen een man en een vrouw. Ze zijn ervan overtuigd dat ze het succes van Ordo Iuris in Polen kunnen herhalen.

    Slowakije, Kroatië, Hongarije

    Gestimuleerd, gesteund en onderwezen door Skarga uit Krakau volgen organisaties als Slovakia Christiania uit Slowakije en Vigilare uit Kroatië dezelfde succesvolle route als hun ultrarechtse katholieke broeders elders in Oost-Europa. Het model voor fondsenwerving werkt en de bidprentjes en kalenders belanden ook hier in menige brievenbus, zo blijkt uit het internationale onderzoek door Vsquare. 

    In Hongarije, waar de regering van premier Viktor Orbán zelf al het ultraconservatisme heeft omarmd, is er te veel concurrentie

    Eigenlijk is Hongarije het enige land in de regio waar het niet echt wil vlotten. Skarga zette er in 2015 een Hongaarse tak van TFP op, die in 2016 een anti-abortusbijeenkomst organiseerde voor de Poolse ambassade in Boedapest. De militante extreemrechtse organisatie Betyársereg zag toe op de veiligheid. De Hongaarse TFP organiseerde ook een lezing (‘De crisis van de westerse beschaving en de katholieke oplossing’) waarbij José Antonio Ureta inging op het proefschrift van Alexandr Dugin, de ideoloog van Poetin en het Kremlin. 

    Geregistreerd op naam van de Skarga Stichting werd in 2020 de website Pannonia Christiana gelanceerd, die probeert donaties te werven. Maar in tegenstelling tot de andere leden van het wereldwijde netwerk is de Hongaarse organisatie er niet in geslaagd om aanzienlijke bedragen op te halen. Volgens waarnemers zijn er te veel directe concurrenten in Hongarije, waar de regering van premier Viktor Orbán en zijn partij Fidesz zelf al het ultraconservatisme hebben omarmd. 

    De breuk

    Volgens financiële gegevens die Vsquare heeft geanalyseerd, hebben organisaties die banden hebben met de Skarga-groep in Krakau in 2019 meer dan 2 miljoen euro ingezameld in vier landen (Litouwen, Estland, Kroatië en Slowakije). Daarnaast haalde de Skarga Vereniging zelf ruim 6,3 miljoen euro op aan donaties in Polen.

    ‘De Poolse TFP-organisaties lijken de leiding te hebben genomen binnen de beweging, aangezien ze de franchise hebben uitgebreid naar Kroatië, Estland, Nederland, Slowakije en Zwitserland. Deze nieuwe TFP-organisaties zijn belangrijke actoren geworden, en soms leiders, in allerlei anti-gendercampagnes in Europa’, aldus Neil Datta in het rapport ‘Modern-Day Crusaders in Europe’ dat vorig jaar verscheen. 

    Desondanks werden Olejniczak en de rest van het bestuur van de Skarga Stichting mei vorig jaar dus ontslagen door Xavier Caio da Silveira en Matthias von Gersdorff. Het bestuur werd vervangen door trouwe TFP-militanten, zoals Fernando Antunez, lid van de Braziliaanse TFP en als activist verbonden aan het Plinio Corrêa de Oliveira-instituut in São Paulo. 

    Inmiddels hebben Olejniczak en zijn Krakau-groep zich afgesplitst van het wereldwijde TFP-netwerk. De Krakau-groep heeft Poolse activa, inclusief eigendommen en de database met donorgegevens, overgeheveld van de Skarga Stichting naar de Skarga Vereniging, die nog steeds onder controle staat van het oude bestuur, de groep rond Olejniczak dus. 

    Afroming

    Sindsdien heeft de Vereniging ook de ondersteuning van het Europese netwerk overgenomen. In die hoedanigheid stuurde ze in 2019 296.425 euro aan steun naar satellietorganisaties, waaronder KKI in Litouwen en Vigilare in Kroatië. Volgens documenten die door Siena.lt zijn geanalyseerd, blijkt het conflict tussen de Brazilianen van TFP en hun voormalige kameraden in Polen inderdaad uit de veranderde eigendomssituatie van KKI in Litouwen. 

    ‘We werden hiertoe aangespoord door de wens om de contrarevolutionaire missie in Polen en Oost-Europa te redden van buitensporige en potentieel gevaarlijke financiële afroming door Caio da Silvera en Fernando Antunez’, schrijft Olejniczak in een e-mail aan TFP-leden, die in bezit is van Vsquare. Als verantwoordelijke voor het nu autonome post-TFP-netwerk sluit hij zijn mail af met de katholieke tekst ‘In Jesu et Maria’.

  • ‘Mijn zoon zal zijn vader alleen van foto’s kennen’

    ‘Mijn zoon zal zijn vader alleen van foto’s kennen’

    De oorlog in Nagorno-Karabach doet een trauma onder de Armeniërs herleven. Boven op de militaire nederlaag komt het gevoel weer eens in de steek te zijn gelaten door de rest van de wereld.

    Op het altaar in de hoek van de koude huiskamer branden kaarsen. Op de ingelijste foto staat voor het rood-blauw-oranje van de Armeense vlag Arman Arzoemanian, vader van acht kinderen, een potige man met een strakke blik. Rondom de foto liggen zijn dienstpasjes, oorkonden en een icoon van Jezus in goud en zilver; verder een paar pakjes sigaretten en twee rollen verband. ‘Dat zat nog in zijn zakken toen ze hem vonden,’ zegt zijn weduwe Gaiane. ‘Veel meer is er niet van hem over.’

    Op de bank zit haar oudste zoon, de 21-jarige Azat. Eigenlijk had hij moeten vechten in de oorlog tegen Azerbeidzjan. Nu is hij als hoofd van het gezin plotseling verantwoordelijk voor zijn moeder en zijn zeven broertjes en zusjes. Hier in Armenië is er geen toereikend nabestaandenpensioen; vooral voor grote gezinnen zijn de betalingen volstrekt onvoldoende. Maar niet alleen de economische nood maakt zijn moeder verdrietig en woedend: ‘Mijn jongste zoon van twee jaar zal zijn vader alleen van foto’s kennen.’

    Waarom, zo vraagt ze, hebben ze al die mannen laten sterven, terwijl al vroeg in de oorlog duidelijk werd dat de Armeense strijdkrachten zwaar in de minderheid waren in de confrontatie met de oude vijand uit Azerbeidzjan? ‘Ik zal mijn kinderen moeten uitleggen dat het lichaam van hun vader is opgeblazen om het land waarvoor hij streed aan onze vijanden te geven.’

    Ze waren nog altijd niet aangesloten op het riool, maar hadden wel ruimte voor een paar dromen

    Voor de bevolking van Armenië zijn de laatste maanden van 2020 uitgelopen op een dubbel trauma. Velen hebben familieleden en vrienden verloren in de oorlog. Boven op de militaire nederlaag komt het gevoel weer eens in de steek te zijn gelaten door de rest van de wereld.

    Bovendien hadden de Arzoemanians juist hoop geput uit het uitbreken van de oorlog. Vijftien jaar lang hadden ze in een hut van golfplaten gewoond, in hun dorp ten noorden van de hoofdstad Jerevan, toen de regering een jaar geleden een stenen huis voor hen betaalde. Binnenkort zou ook de pas gebouwde stal van tufsteen een dak krijgen. Ze waren nog altijd niet aangesloten op het riool, maar hadden wel ruimte voor een paar dromen, vertelt Gaiane, die na de dood van haar man haar meisjesnaam Sjachnazarian weer wil gaan gebruiken. ‘We dachten dat we binnenkort niet alleen voor onszelf zouden kunnen zorgen, maar ook wat meer op de markt zouden kunnen verkopen. Eieren, melk, wol,’ zegt ze.

    Derde oorlog

    Op 27 september vervlogen deze dromen. Azerbeidzjaanse troepen, massaal gesteund door Turkse soldaten en Syrische milities, vielen de door Armeniërs bevolkte deelrepubliek Nagorno-Karabach aan. Het was het begin van de derde oorlog om het kleine gebied in het zuiden van de Kaukasus sinds de val van de Sovjet-Unie. Maar deze keer lagen de machtsverhoudingen wezenlijk anders.

    Niet alleen kreeg het land van de Azerbeidzjaanse president Ilham Alijev hulp van zijn broedervolk in Turkije, ook had de dictator jarenlang miljarden oliedollars in de modernste wapensystemen geïnvesteerd, vooral in drones. Bij de bloedige oorlog na de val van de Sovjet-Unie in de jaren negentig waren de Armeniërs na zware verliezen nog als overwinnaars uit de strijd gekomen. Ze hadden niet alleen Nagorno-Karabach maar ook omliggende Azerbeidzjaanse gebieden bezet. Volkenrechtelijk hoorden al deze gebieden nog altijd toe aan de Azeri’s, de bewoners van Azerbeidzjan. Die zonnen al bijna drie decennia op wraak.

    Aan het einde van de zomer in het pandemiejaar waren de omstandigheden gunstig voor de tegenaanval. Niet alleen waren veel landen door de coronacrisis op zichzelf gericht, ook de verkiezingen in de Verenigde Staten trokken veel aandacht, vooral van de Amerikanen. De Turken en de Azeri’s hadden zwakke plekken in de Armeense defensie vastgesteld en hielden gezamenlijke militaire oefeningen, die een dekmantel boden om oorlogsmaterieel naar Azerbeidzjan over te brengen.

    Alleen gelaten en omringd door vijanden: de realiteit beantwoordde opnieuw aan het zelfbeeld van de Armeniërs, die ernstig getraumatiseerd zijn. De volkerenmoord in 1915, begaan maar nooit erkend door de Turken, is haast evenzeer een element van hun identiteit als het christelijke geloof. Zo heeft de jonge Azat tijdens het gesprek naast de foto van zijn gesneuvelde vader een T-shirt aan dat herinnert aan de honderdste verjaardag van de genocide. Het symbool daarvoor is een bloem, een vergeet-mij-nietje. 

    ‘We zijn het aan onze voorouders verplicht, we mogen dit land nooit opgeven’

    Vader Arman was in de eerste oorlog tegen het buurland als zestienjarige ten strijde getrokken, en teruggekeerd als een held. De overwinning op het veel grotere Azerbeidzjan en de verovering van de al vele eeuwen door hun landgenoten bevolkte gebieden hielpen de Armeniërs zich enigszins te bevrijden van de slachtofferstatus en zich ook een keer overwinnaar te voelen. Tegelijkertijd kreeg Nagorno-Karabach nog meer betekenis door het destijds vergoten bloed – wat andersom natuurlijk ook voor de Azeri’s gold. 

    ‘We zijn het aan onze voorouders verplicht, we mogen dit land nooit opgeven,’ zegt Gaiane. Zoals de meeste Armeniërs gebruikt ze de Armeense aanduiding voor Nagorno-Karabach: ‘In Artsach verdedigen we onze families en ook het Westen.’

    Artsakh Occupation Map 1

    Op de tiende dag van de oorlog raakte Arman verzeild in een droneaanval. Vier dagen lang gold hij als vermist, toen werd zijn lichaam geborgen. Omdat het gezin te arm was om de opbaring in de afscheidszaal van de gemeente te betalen, stond de kist in de huiskamer. Buren, vrienden en familie namen afscheid. Tegen Armeens gebruik in bleef het deksel van de kist gesloten. ‘Ik durfde er eerst niet in te kijken,’ zegt Gaiane, ‘maar toen ’s nachts iedereen weg was, heb ik toch gekeken. Alleen aan zijn voeten kon ik hem herkennen.’

    De overlevende Armeense soldaten maakten na de oorlog melding van bijna aanhoudende beschietingen. Van enorme troepenmachten die tegen hen het strijdperk in werden gestuurd. Van de bijna geluidloze killers in de lucht. Behalve over Turkse drones hadden de Azeri’s ook de beschikking over ‘kamikazedrones’ van Israëlische makelij. Tegelijkertijd werd de Armeense burgerbevolking in Stepanakert, de hoofdstad van Nagorno-Karabach, en in andere plaatsen bestookt met artillerie en clustermunitie. De Armeniërs schoten terug, ook hun projectielen kostten burgers het leven.

    In de eerste week van november werd in Stepanakert al getwijfeld aan een goede afloop. David Babaian, adviseur van Arajik Haroetjoenian, de president van Nagorno-Karabach, eiste in de eetzaal van hotel Armenia onomwonden ‘ernstige consequenties’ voor de eigen gelederen, terwijl hij met zijn vuist op tafel sloeg: ‘De vijand zal nu kennismaken met de ware strijdlust van Artsach. Elk gebouw hier verandert in een vesting!’

    ‘Wij zullen overwinnen’

    Op hetzelfde moment kwamen in het nabijgelegen ziekenhuis steeds meer zwaargewonden binnen uit Sjoesja, dat de Armeniërs Sjoesji noemen. In het stadje op de rotsen, in de dichte, met zwarte kruitdampen vermengde mist, woedde de beslissende slag om Nagorno-Karabach. ‘De granaten sloegen steeds weer een paar meter naast ons in, de lucht was bezaaid met drones, de eskadrons van de vijand kwamen van alle kanten, we waren kansloos,’ vertelde een van de verdedigers van het stadje een paar dagen later.

    Laat op de maandagavond deelde de Armeense premier Nikol Pasjinian zijn volk mee dat het voorbij was. Samen met de leider van Artsach had hij ingestemd met een verdrag, dat weliswaar door bemiddeling van de Russische president Vladimir Poetin tot stand was gekomen, maar zich meer liet lezen als een dictaat van Ilham Alijev en de Turkse president Recep Tayyip Erdogan. Bovendien liet het de uitgangspunten van het in de voorbije jaren multilateraal gevoerde vredesproces vrijwel geheel buiten beschouwing: onmiddellijke stationering van een Russische vredesmacht voor minstens vijf jaar, gefaseerde teruggave van omvangrijke gebieden in Nagorno-Karabach en omgeving, en bovendien een Azerbeidzjaans-Turkse corridor over Armeens grondgebied tot in de exclave Nachitsjevan. De status van Nagorno-Karabach bleef ongedefinieerd. 

    Pasjinians verklaring werd door veel Armeniërs opgevat als een onvoorwaardelijke capitulatie. Nog diezelfde nacht bestormden demonstranten de regeringszetel op het Plein van de Republiek en het parlement in Jerevan. Op de reclameschermen in de stad stond op dat moment nog altijd de leus ‘Wij zullen overwinnen’.

    Aan die kreet is niets veranderd, ook al zijn er steeds meer doden van het slagveld teruggebracht en is de militaire begraafplaats Jerablur twee keer zo groot geworden. Pasjinian moet zich nu vooral verantwoorden voor zijn communicatie en voor het miserabele verwachtingsmanagement. 

    Een gevolg van dit alles zou kunnen zijn dat Armenië zich van het Westen afkeert, terwijl het land met de ‘Fluwelen Revolutie’ van 2018 juist een weg richting de vrijheid was ingeslagen en daarvoor vele warme reacties van Europese machthebbers had geoogst. De teleurstelling over de democratische landen is momenteel groot in Armenië.

    Schouderklopje

    Ook bij Baroe Jambazian, een man met een borstelige sik, een platte pet en een bril. Hij is de leider van de christelijke hulporganisatie Diaconia. Zijn levensverhaal is kenmerkend voor iemand uit de Armeense diaspora: geboren in Libanon, als kind gevlucht voor de burgeroorlog, opgegroeid in het Duitse Wetzlar. Toen hij tegen de dertig was, kwam hij naar Jerevan. De hoofdstad van Armenië was destijds nog heel traditioneel. ‘Hier heb ik mijn wortels en mijn identiteit ontdekt,’ zegt Jambazian in accentloos Duits.

    Het gevoel van verbondenheid met Duitsland, het land van zijn kinderjaren en jeugd, is gebleven, ook al heeft het een lelijke knauw gekregen. ‘Twee jaar geleden gaven ze ons allemaal een schouderklopje, maar waar waren die mensen de afgelopen zes weken?’ zegt hij. De westerse regeringen hadden op zijn minst de inzet van huurlingen en het gebruik van verboden wapens aan de kaak moeten stellen, vindt Jambazian.

    Rusland was tenminste duidelijk geweest in de communicatie: ‘Als de Azeri’s ons op ons grondgebied hadden aangevallen, dan hadden ze er gestaan.’ Daarom zouden alle Armeniërs er nu eerst eens heel goed over moeten nadenken ‘op wie ze zich in de toekomst willen richten. Want uiteindelijk komt onze veiligheid op de eerste plaats.’

    Maar oorlog heeft natuurlijk consequenties op alle niveaus. Door de pandemie was het land al in een recessie beland en inmiddels loopt het aantal besmettingen uit de hand. De economische kosten van de oorlog waren enorm, de menselijke gevolgen zijn nauwelijks te becijferen. Officieel was er sprake van circa 1400 oorlogsslachtoffers, maar er gaan geruchten dat dat wel eens het drievoudige zou kunnen zijn. ‘Elke familie in het land heeft wel een slachtoffer te betreuren en elke Armeniër kent op zijn minst wel een van de gesneuvelden,’ zegt Jambazian.

  • Is New Orleans veilig?

    Is New Orleans veilig?

    Tien jaar na Katrina is de hamvraag of New Orleans bestand is tegen een nieuwe superstorm. De staat Louisiana heeft een masterplan bedacht om de stad te beschermen. Maar dat gaat vele miljarden dollars kosten.

    Deze stad heeft altijd een ander ritme gehad. Totaal anders dan dat van New York. Het schijnt dat iemand ooit een havenarbeider heeft horen zeggen: ‘Red je het niet in The Big Easy, dan red je het nergens’, en die kreet werd gemeengoed, eerst in de zwarte gemeenschap, vervolgens in Newsweek en van daaruit in de rest van het land. Tientallen jaren waren de jonge ambitieuze mannen en vrouwen hier verknocht aan hun stad, maar gingen ze er toch weg, terwijl nieuwkomers een plek voor zichzelf vonden in de bestaande huizen, zich er nestelden en de stad in hun hart sloten.

    De orkaan Katrina, deze maand tien jaar geleden, heeft veel veranderd. De essentie van de stad – zijn ritme en zijn geuren – heeft de storm overleefd, ook al lijkt het er nu meer op Disneyland dan ooit. Maar het is ook een dynamische plek geworden. Na de storm kwamen tienduizenden hierheen om de stad weer op te bouwen; duizenden, vaak jonge mensen, zijn gebleven. Zij kwamen niet om zich in bestaande ruimtes te nestelen: ze kwamen om ruimte voor zichzelf te maken, niet te vinden, om een nieuwe Amerikaanse stad te scheppen.

    Dankzij hun energie, plus 71 miljard dollar overheidsgeld voor Louisiana, waarvan het grootste deel voor de hoofdstad New Orleans, is veel veranderd. Tot verbazing van degenen die de stad kennen is die niet alleen springlevend, maar trekt hij ook jong talent aan. In 2014 had New Orleans volgens zakenblad Forbes het snelst groeiende aantal afgestudeerden van het land, en in 2013 was het de stad waar de meeste werkende Amerikanen naartoe verhuisden. Ook het ondernemersklimaat is hier volgens het blad het beste van het land, onder andere dankzij de jaarlijkse Entrepreneur Week, waar dit jaar tienduizend deelnemers op afkwamen.

    De armoede en criminaliteit zijn gebleven, maar in New Orleans heerst nu ook een klimaat van kansen en mogelijkheden dat tien jaar geleden ondenkbaar was. Er is één vraag over de toekomst die steeds maar blijft hangen: hoe veilig is deze stad?

    © The Historic New Orleans Collection / David G. Spielman
    © The Historic New Orleans Collection / David G. Spielman

    In Nederland zijn steden beschermd tegen een 10.000-jarige storm

    100-jarige storm

    Die vraag gaat niet over criminaliteit, een ernstig, maar oplosbaar probleem. De kwestie is: zal de oceaan de stad verslinden – kan de stad blijven bestaan? Het antwoord daarop is lastig en ook belangrijk voor andere steden, waaronder New York. New Orleans heeft een nieuw systeem dat overstromingen tegen moet gaan. Het systeem dat er vóór Katrina was, faalde als gevolg van fouten van de Army Corps of Engineers [die in de VS de rol speelt van een soort militaire Rijkswaterstaat], maar dit nieuwe systeem moet wél zijn werk doen. Het biedt bescherming tegen een zogenaamde 100-jarige storm, ofwel een storm die eens in de honderd jaar voorkomt – het soort bescherming dat ook New York wil, maar nog niet heeft.

    Maar er zijn drie problemen: die norm van ‘eens in de honderd jaar’ zelf, de geologie en zeespiegelstijging, en de politiek. De eerste twee kunnen opgelost worden, het derde zou wel eens ongeneeslijk kunnen zijn. Bescherming tegen een storm die eens in de honderd jaar voorkomt klinkt veilig, maar is het niet. Het betekent dat de stad beschermd is tegen een storm waarvan de kans dat hij in een bepaald jaar toeslaat 1 procent is; de kans dat de gemiddelde inwoner tijdens zijn leven minstens één storm zal meemaken die even krachtig is als de norm, of krachtiger, is echter meer dan 50 procent. De 100-jarige norm is in 1973 vastgelegd in het National Flood Insurance Program en diende oorspronkelijk alleen voor verzekeringsdoeleinden. Hij is nooit bedoeld geweest als veiligheidsnorm.

    Vóór 1973 legde het Army Corps of Engineers stormvloedkeringen aan die de stad moesten vrijwaren van de ergste overstroming die zou kunnen optreden. Dat was de norm in de jaren dertig, toen na een overstroming van de rivier de Mississippi in 1927 – die rampzaliger was dan Katrina – dijken en afvoerkanalen werden aangelegd langs de benedenloop van de rivier. Dat was maar goed ook, want in 1937, 1973 en 2011 kwam het water bij de benedenloop van de Mississippi ook hoger dan het 100-jarige record, maar richtte het weinig schade aan, dankzij de dijken en afvoerkanalen. Daarentegen zijn delen van het land met dijken van vóór de 100-jarige norm herhaaldelijk overstroomd. Voor New Orleans, dat altijd afhankelijk is geweest van de goede wil van vreemden, is het dom om zichzelf op de borst te kloppen over die 100-jarige bescherming; voor het rijke New York is het idioot om naar die 100-jarige norm te streven. Toen Katrina aan land kwam, werd het water opgestuwd tot de hoogte van een 400-jarige storm; Sandy had op sommige plekken de kracht van een 200- tot 500-jarige storm.

    In Nederland zijn steden beschermd tegen een 10.000-jarige storm; dat is financieel onhaalbaar aan de Golf van Mexico en aan de oostkust, die met veel zwaardere stormen te maken krijgen dan de Nederlanders. Maar de norm moet hoger zijn dan die honderd jaar; vijfhonderd jaar zou het minimum moeten zijn. Dat is zeker bereikbaar in New York, gezien de draagkracht van die stad. Is het ook haalbaar in New Orleans?

    Nieuw Atlantis

    Om die vraag te beantwoorden moeten we ons realiseren dat de hele kust van Louisiana gevormd is door sedimentafzettingen die zijn aangevoerd door de rivier de Mississippi. Het sediment sloeg neer op het moment dat de rivier de oceaan bereikte, vormde eerst zandbanken, en daarna, toen daar planten op gingen groeien, stevig land – 20.000 vierkante kilometer land dat zich uitstrekt tot aan Texas in het westen. Mensen hebben in dit natuurlijke proces ingegrepen en sinds 1932 is zo’n 5000 vierkante kilometer – een gebied zo groot als Delaware – van de kust van Louisiana verdwenen. Dat land vormde ooit een buffer tegen stormvloeden.

    Het landverlies gaat voort in zo’n tempo dat een gebied ter grootte van Manhattan in achttien maanden verdwenen kan zijn. Wordt er de komende vijftien jaar niets aan gedaan, dan verdwijnt nog eens 700 tot 1300 vierkante kilometer van Louisiana – en gaat het verlies verder tot New Orleans een Nieuw Atlantis wordt, met muren van dijken die de zee tegenhouden.

    Toch heeft New Orleans wel een kans om te overleven, om twee redenen. Om te beginnen heeft de stad het concept van ‘leven met water’ omarmd – al is er weinig gedaan om dat ook werkelijk door te voeren – bijvoorbeeld door huizen op palen te bouwen. Ten tweede, en dat is veel belangrijker, zouden dezelfde natuurkrachten die de kust hebben gevormd, ook dienst kunnen doen om de kust die er nog is te bewaren, zodat de kuststreken van Louisiana een kans krijgen op een duurzame toekomst. Wat verdwenen is kan niet meer worden hersteld, en er zal nog steeds land verdwijnen, maar zelfs met de komende zeespiegelstijging kan, als er genoeg sediment en zoet water wordt aangevoerd, op strategische plekken nieuw land worden gevormd om de bevolking te beschermen.

    De werkelijke kosten van het masterplan zullen meer dan 100 miljard dollar bedragen

    Het is nu zelfs zo dat het dijkensysteem van New Orleans de stad waarschijnlijk zal beschermen tegen een eens in de vijfhonderd jaar voorkomend ‘stil hoogwater’, ofwel een stijging van het water zonder golven. Golven verspreiden zich over land, dus het opnieuw opbouwen van een landbuffer kan de veiligheid van de stad aanzienlijk vergroten. De Mississippi geeft New Orleans en Louisiana dus een kans, en duidelijk een veel betere dan bijvoorbeeld Miami, Tampa of Houston hebben, die geen beroep op de Mississippi kunnen doen.

    Masterplan

    Zal dit gebeuren? De staat heeft er een ‘masterplan’ voor ontwikkeld. Het grootste technische probleem is het sediment, dat met 50 procent is afgenomen, waardoor de technici minder hebben om mee te werken dan vroeger. De staat hoopt het sediment te verspreiden via pijpleidingen of ‘omleidingen’: openingen in dijken om natuurlijke stromen na te bootsen. Maar hoe lastig de techniek ook is, de politiek is nog lastiger. De meeste deskundigen zien het omleiden van het water als de enige mogelijkheid om op de lange termijn land te laten aangroeien. Nu al zijn oesterkwekers daar echter een campagne tegen gestart, omdat oesterbedden er volgens hen door vernietigd worden terwijl er geen land zal worden opgebouwd, en maakt de scheepvaartsector zich zorgen om veranderingen in het vaargebied.

    En het gevecht om de omleidingen is nog maar het begin. De strijd zal pas echt losbarsten wanneer mensen buiten de beschermde gebieden beseffen dat hun gemeenschap zal verdwijnen, of als de staat het voorstel aanneemt – waarvan veel deskundigen voorstander zijn – om een nieuwe riviermonding te creëren, waardoor een deel van de staat wordt afgesneden. Nu al zijn er in een regio felle protestacties gaande, omdat het voorstel kan betekenen dat mensen moeten verhuizen uit gebieden met ‘zware, herhaaldelijke overstromingen’. Dan is er natuurlijk nog de kwestie van het geld.

    Officieel zal het masterplan voor de hele staat 50 miljard dollar kosten. Ongeveer een vijfde daarvan is bestemd voor de 500-jarige bescherming van New Orleans. Maar volgens een onderzoek van de Yulane University zullen de werkelijke kosten van het masterplan meer dan 100 miljard dollar bedragen. En zelfs die begrote 50 miljard kan de stad al bij lange na niet opbrengen.

    Oliemaatschappijen

    De politieke realiteit is dat de belastingbetalers van het land heus niet tientallen miljarden dollars naar Louisiana zullen sturen, zeker niet zolang de politici van Louisiana zelf geen maatregelen nemen tegen een andere belangrijke oorzaak van het verlies aan land.

    Olie-, gas- en pijpleidingmaatschappijen hebben naar schatting 15.000 kilometer aan kanalen door het kustgebied gegraven. Het zoute water dat daardoor het land in kon stromen, was dodelijk voor planten, en zonder de wortels daarvan kalfde het land af. Bovendien hebben bedrijven zo veel stoffen uit de grond gehaald dat het oppervlak is verzakt. Toch gaat niemand serieus de discussie aan over de rol van het bedrijfsleven in het landverlies. Zelfs een onderzoek dat werd gefinancierd door de Louisiana Mid-Continent Oil and Gas Association, de brancheorganisatie van grote oliemaatschappijen, kwam tot de conclusie dat activiteiten van het bedrijfsleven ‘de grootste oorzaak’ waren voor landverlies in gebieden waar dat verlies het ernstigst was. Volgens een onderzoek van de staat Louisiana komt 76 procent van het landverlies in diezelfde gebieden voor rekening van energiebedrijven. Een onderzoek onder leiding van de Amerikaanse geologische dienst, waaraan ook wetenschappers uit de bedrijfstak meededen, schreef 36 procent van het verlies over een groter stuk van de kust toe aan het bedrijfsleven.

    Een herdenkingsbijeenkomst voor de orkaan Katrina in New Orleans. - © Lee Celano / Reuters
    Een herdenkingsbijeenkomst voor de orkaan Katrina in New Orleans. – © Lee Celano / Reuters

    Dijkraad

    Voor de meeste activiteiten van het bedrijfsleven waren vergunningen afgegeven, en daarin stond steeds specifieker de vraag om de schade zo veel mogelijk te beperken. In 1980 eiste de staat expliciet dat aangetast gebied ‘in zijn oude staat hersteld’ zou worden. Bedrijven hebben daar maar heel zelden aan voldaan. Een voorbeeld: in 1982 kreeg een bedrijf een vergunning van de staat, met daarin de eis om een kanaal ‘binnen negentig dagen af te sluiten; achttien jaar later had het bedrijf er echter niets aan gedaan en betaalden de belastingbetalers 5 miljoen dollar voor de afsluiting.

    Sindsdien zijn nog tientallen miljoenen dollars aan belastinggeld uitgegeven aan het herstellen van dit soort schade waarbij het bedrijfsleven in gebreke is gebleven. Als olie-, gas- en pijpleidingmaatschappijen het geld zouden bijdragen dat nodig is om gebieden in hun oude staat te herstellen, zou daarmee een groot deel van het masterplan kunnen worden gefinancierd – misschien wel het hele plan.


    Maar olie heeft lang de boventoon gevoerd in de politiek van Louisiana. De staat en de federale overheid hebben geen eisen gesteld aan het bedrijfsleven. Dat deed de Southeast Louisiana Flood Protection Authority East twee jaar geleden wel. Deze dijkraad, die na Katrina door hervormers werd ingesteld, en die verantwoordelijk is voor het grootste deel van de regio New Orleans, daagde 97 bedrijven voor de rechter wegens het doen toenemen van stormvloeden.

    Een van de leden van deze raad is voorzitter van een panel van de National Academy of Science over het verkleinen van risico’s aan de kust, en was daarvoor voorzitter van de American Society of Civil Engineers, waarin waterbouwkundigen en overstromingsexperts samenwerken. (Ik heb zelf zes jaar in de raad gezeten.) De raad hoopte met deze rechtszaak te bewerkstelligen dat in de hele staat regelingen konden worden getroffen ter financiering van het masterplan, hetzij via aanvullende gerechtelijke uitspraken, hetzij via belasting op het bedrijfsleven.

    Twee buurgemeenten van New Orleans spanden inderdaad een proces aan, maar de burgemeester van de stad, Mitchell J. Landrieu, heeft dat niet gedaan, ook al heeft hij ooit gezegd dat de industrie ‘haar eigen rotzooi moest opruimen’ en zou hij met het winnen van zo’n zaak de ‘leven met water’-benadering kunnen financieren. Ondertussen reageerde het grootste deel van de gevestigde politici en ondernemers met verbijstering en woede. De Republikeinse gouverneur, Bobby Jindal, probeerde de raad de nek om te draaien, bijvoorbeeld door een nationaal erkend overstromings-expert, die hoofdingenieur was bij de aanleg van 2300 kilometer aan federale dijken in Californië, te vervangen door een lobbyist die de financiële man is van de stichting van Jindals vrouw.

    Het parlement van de staat stelde oliemaatschappijen zelfs boven de wet en nam wetgeving aan die de rechtszaak van de raad met terugwerkende kracht onmogelijk maakte (die wetgeving is door een gerechtshof ongrondwettelijk verklaard). De voorstemmers hadden maar een krappe meerderheid, dus zei Chris John, hoofd van de organisatie van oliemaatschappijen, waarvan het eigen onderzoek zijn leden schuldig had verklaard aan het landverlies, dat hij ‘deze keer meer geld dan ooit zou besteden’ aan de staatsparlementsverkiezingen in 2015.

    300-jarig bestaan

    Wat betekent dit allemaal voor New Orleans? Op dit moment is de situatie beter dan vóór Katrina, maar echt veilig is de stad nauwelijks, en het gevaar wordt met de dag groter. Toch kan de veiligheid wel verbeterd worden, zelfs nu we geconfronteerd worden met een stijgende zeespiegel. De staat heeft het geld om zelf een programma te starten, ook al heeft het bij lange na niet genoeg om het noodzakelijke werk voort te zetten, laat staan af te maken, als de BP-regeling [de schadevergoeding die BP moet betalen voor de olievervuiling na de ramp met de Deep Horizon in de Golf van Mexico, in 2010] eenmaal opgebruikt is. Er is een ongelukkig precedent. Na orkaan Betsy in 1965 begon de federale overheid met de aanleg van de orkaanbescherming van de stad. In 2005, toen Katrina toesloeg, waren die waterwerken nog niet voltooid.

    Op de tiende verjaardag van Katrina zullen er veel felicitaties zijn voor alles wat de stad heeft bereikt. Burgemeester Landrieu heeft verklaard dat de herbouw klaar is, en wil nu van New Orleans een internationaal pronkstuk gaan maken voor het 300-jarige bestaan van de stad in 2018. Als de stad en de staat zich concentreren op de enige echt ernstige bedreiging waarvoor ze staan, kan New Orleans een duurzame toekomst tegemoet gaan. Maar als ze hun aandacht verspreiden, als de politiek daadwerkelijke maatregelen tegenhoudt, is dat 300-jarige bestaan hoogstwaarschijnlijk het laatste eeuwfeest dat de stad zal vieren.

    Zoals T.S. Eliot schreef, wordt de kracht van water ‘vaak vergeten / door de bewoners van steden – maar hij is onverbiddelijk / kent zijn seizoenen en zijn woedes, vernietiger, die herinnert aan / wat de mens wil vergeten. Niet geëerd, niet verzoend /… maar hij wacht, kijkt toe en wacht.’

    John M. Barry

    John M. Barry (1947) is een Amerikaanse auteur en historicus. Hij schreef voor zo’n beetje alle grote Amerikaanse bladen en publiceerde verschillende boeken over natuurrampen uit de geschiedenis van de Verenigde Staten.

  • Catalaanse toestanden

    Catalaanse toestanden

    In de Spaanse autonome regio Catalonië heerst – niet voor het eerst – chaos. De verkiezingen van 27 september worden een soort referendum over onafhankelijkheid.

    ‘Leg me eens uit wat er aan de hand is in Catalonië,’ vraagt een vriend van mij uit Madrid. Ik wil hem niet vermoeien met de allerlaatste strategische zetten en geef hem een ruwe samenvatting. Onder invloed van de crisis die heel Zuid-Europa in zijn macht heeft, is er in de autonome regio Catalonië een verwoede interne machtsstrijd losgebarsten. Partijen vallen uiteen, de brokstukken liggen verspreid over de regio en er heerst grote verwarring. De ‘nieuwe orde’ zal nog lang op zich laten wachten.

    Het is in zekere zin een terugkeer naar de jaren tachtig, leg ik hem uit. De overgang naar democratie na de dood van Franco begon in Catalonië met een zeer sterk links front in de regio Barcelona. De vakbonden waren sterk. De socialisten en communisten concurreerden met elkaar en vormden een op het oog onverslaanbare tweekoppige draak, totdat er in 1980 vanuit de midden-klasse in het binnenland tegenstand kwam, waarmee de weg werd opengelegd voor een lange periode van gezonde frictie en evenwicht.

    Vooral de georganiseerde arbeiders en de jonge stedelingen die werkzaam waren in de sectoren die belangrijk waren voor de zich ontplooiende verzorgingsstaat, genoten bescherming van de linkse vleugel. Hun grote moment was het succes van de Olympische Spelen in Barcelona [de hoofdstad van Catalonië]. Tegenover dit front – dat uiteindelijk werd aangevoerd door de socialisten – bevonden zich de kleine en middelgrote ondernemers, de middenstanders, de professionals en de ambtenaren die niets ophadden met links; zij vestigden hun hoop op de na de dood van Franco opnieuw geïnstalleerde Generalitat de Catalunya, de Catalaanse deelregering. Jordi Pujol, de machtigste Catalaanse politicus uit de periode van de overgang naar democratie, vlocht die losse eindjes in elkaar en verbond ze met het politieke midden en de verlichte centrum-rechtse krachten uit Barcelona. Als president van de Generalitat (van 1980 tot 2003) gaf Pujol Catalonië de nodige structuur.

    Een man gehuld in ‘estaladavlag’ tijdens een onafhankelijksbetoging op het Plaza Catalunya in Barcelona (oktober 2014). – © Joan Valls / Hollandse Hoogte
    Een man gehuld in ‘estaladavlag’ tijdens een onafhankelijksbetoging op het Plaza Catalunya in Barcelona (oktober 2014). – © Joan Valls / Hollandse Hoogte

    Links creëerde ondertussen een sterke sociaal-democratische achterban in de belangrijkste steden. En in de zomer van 1998 stortte Pasqual Maragall zich als kandidaat van de socialistische partij in een lange, hevige verkiezingsstrijd om het presidentschap; deze werd nog op het nippertje gewonnen door Pujol, maar in 2003 kwam Maragall alsnog aan de macht.

    Ontwrichting

    Vijfendertig jaar na het linkse front van 1980 zorgen de economische crisis, een financiële impasse in de Generalitat, slijtage van de raderen van de macht plus de generatiekloof voor ontwrichting. In 2012, zes jaar na de socialistische regeringsperiode van Maragall en zijn driepartijencoalitie, heerst er bij de CiU (Convergència i Unió), de in 1978 gevormde federatie van de CDC (Convergència Democràtica de Catalunya) en de UDC (Unió Democràtica de Catalunya), opnieuw angst. Oorzaak daarvan is de crisis. De partij besluit zich niet te laten kisten door het neocentralisme van de PP (Partido Popular), en ook niet door de onverzettelijkheid van premier Mariano Rajoy, de puinhoop in de Generalitat, de sociale protesten, de generatiekloof, de corruptie en de onrust in de wereld.

    De huidige president van de Generalitat, Artur Mas, de beschermeling van Pujol, omarmt definitief het onafhankelijkheidsstreven, voordat datzelfde streven – populair onder de gewone man én de hipster, in de provincie en in Barcelona – hem boven het hoofd groeit en verplettert.

    We gaan verder. Artur Mas stelt voor om voor de verkiezingen van september 2015 een zogenaamde lista cívica of civiele lijst op te stellen (een lijst die niet gelieerd is aan enige politieke partij en die slechts de onafhankelijkheid van Catalonië beoogt), en koestert daarmee de ambitie om twee miljoen kiezers op de been te krijgen en zodoende een klinkende overwinning te behalen waarmee een onderhandeling met de Spaanse staat kan worden afgedwongen. Verder zijn zijn plannen erop gericht te voorkomen dat zich net als in 1980 een links front vormt, dat in dit geval gevoed zou worden door de nieuwe grootstedelijke stroming die de motor is achter de jonge partij Podemos. Dat de linkse politica Ada Colau in mei 2015 burgemeester van Barcelona is geworden, is in die context veelzeggend.

    De ‘nieuwe orde’ zal nog lang op zich laten wachten

    Nu het huwelijk met de UDC is stuk-gelopen, blijkt de CDC bereid zichzelf volledig uit elkaar te halen, om aan de andere kant van de spiegel weer te verrijzen als een grote, leidende partij. Dat is wat ze gaat proberen, maar daarbij neemt de partij twee ernstige risico’s: het gevaar bestaat dat de top van de CiU uit elkaar valt en dat de verkiezingsdag van 27 september uitmondt in een surrealistisch avontuur, waarin zal blijken dat een groot deel van de Catalanen geen risico’s meer wil nemen. Griekenland verhit niet alleen de gemoederen. Griekenland wakkert ook de angst aan. ‘Ik geloof dat ik het begrijp,’ zegt mijn vriend. ‘Het is een strijd tussen Genovezen.’


    ‘Hoe bedoel je?’ vraag ik.

    ‘Nou, je weet wel, een typisch mediterraan conflict.’

    Enric Juliana schrijft voor verschillende 
Spaanse kranten en is gespecialiseerd 
in binnenlandse politiek, waarover hij 
ook enkele boeken publiceerde.

  • Weer bij stem

    Weer bij stem

    De muziekscene van New Orleans heeft zich de afgelopen jaren knap hersteld. Dankzij de terugkeer van uitgeweken muzikanten én de instroom van nieuw talent is ze volgens lokale legende Branford Marsalis zelfs dynamischer dan ooit.

    Het is een prachtige ochtend in New Orleans, en ik zit op een bankje in het hart van de Musicians’ Village. De straten zijn leeg, op een enkele auto na die langzaam rondjes rijdt door de buurt, als in een film. Als de auto voor de derde keer langskomt, stapt de chauffeur uit en loopt naar me toe. ‘Neemt u mij niet kwalijk,’ zegt hij. ‘Ik ben op zoek naar het eerste huis dat ze hier na Katrina hebben gebouwd.’

    De Musicians’ Village, in de Upper Ninth Ward van de stad – een van de gebieden die het ergst is getroffen door de orkaan Katrina – is een gemeenschap van 72 betaalbare huizen voor muzikanten die door de storm hun huis zijn kwijtgeraakt (of daarvóór in slechte huizen hebben gewoond) en na de storm ontheemd zijn gebleven. De wijk werd gebouwd door duizenden vrijwilligers, onder wie de man die voor mij staat. Ik kan hem niet helpen bij zijn speurtocht, maar hij is vastbesloten het huis te vinden.

    ‘Ik wil gewoon even kijken,’ zegt hij. Zijn stem trilt nu van emotie en trots. ‘Ik ben hier na Katrina als vrijwilliger gekomen en heb geholpen dat huis te bouwen. Ik was niet van plan te blijven, maar ben van de stad gaan houden en heb hier sindsdien gewoond.’

    Dit voelt pas echt als een film – een perfect geformuleerde zin waaruit niet alleen blijkt hoe de stad is herbouwd, maar waaruit ook de liefde naar voren komt die deze stad oproept, en de reden waarom – tien jaar na Katrina – tienduizenden mensen hierheen zijn verhuisd en trots zijn om New Orleans hun thuis te mogen noemen. De Musicians’ Village werd een week na Katrina bedacht door de in New Orleans opgegroeide musici Harry Connick Jr. en Branford Marsalis, toen ze vanuit de stad naar Houston reden voor een benefietconcert. ‘Het idee was om muzikanten te helpen die onze carrière mogelijk hebben gemaakt,’ zegt Marsalis. ‘Als zij er niet waren geweest, zouden wij niet zijn wie we zijn en zou de stad niet zijn wat hij is. Het was een manier om dank je wel te zeggen tegen de mensen die vertegenwoordigen wat New Orleans zo bijzonder maakt.’

    Saxofonist Branford Marsalis (m) met Brass Band bij een herdenkingsoptocht voor 
de orkaan Katrina. 
© Lee Celano / Reuters
    Saxofonist Branford Marsalis (m) met Brass Band bij een herdenkingsoptocht voor 
de orkaan Katrina. 
© Lee Celano / Reuters

    Als de muzikanten niet waren teruggekeerd, was dat een ramp geweest voor het toerisme

    Muzikaal erfgoed

    Muziek is zó belangrijk voor de cultuur van New Orleans, dat sommigen hebben gesteld dat het een ramp zou zijn geweest voor het toerisme als de muzikanten niet waren teruggekeerd – een reële angst, onmiddellijk na zo’n ramp – en de stad zijn muzikale erfgoed zou zijn kwijtgeraakt, omdat bezoekers zich de stad eenvoudigweg niet kunnen voorstellen zonder muziek. Marsalis is het hier tot op zekere hoogte mee eens, maar zegt: ‘Ik wist dat de muzikanten terug zouden komen, omdat ze nergens anders heen konden. Ik kan me niet voorstellen dat de Olympia Brass Band voorgoed in Phoenix zou zijn gebleven. Je zult in Phoenix nooit een school tegenkomen die zegt: “Ons basketbalteam is kampioen geworden! Laten we een fanfare uitnodigen en een straatoptocht organiseren!” Dat gebeurt in New Orleans, maar nergens anders. New Orleans is anders dan welke Amerikaanse stad ook.’

    In het hart van de Musicians’ Village staat het Ellis Marsalis Center for Music, vernoemd naar de vader van Branford (en zijn broer Wynton), de patriarch van de beroemdste muzikale familie van de stad. Het voornaamste doel is de tradities van deze unieke muzikale stad in leven te houden door middel van onderwijs en ontwikkeling in de lokale gemeenschap. Er is ook een opnamestudio die door plaatselijke musici kan worden gebruikt (om aan inkomsten te komen), en een indrukwekkende concertzaal waar kaartjes voor een doorsneeconcert op de dinsdagavond slechts 3 dollar kosten. Als ik het centrum verlaat, vraag ik aan een van de muziekdocenten of het project uit publieke middelen wordt gefinancierd.


    ‘Nee!’ roept ze. ‘En dat is de reden dat het werkt!’

    Jazz Market

    Ik denk niet dat ze een sneer wilde uitdelen aan mijn volgende tussenstop, de nieuwe New Orleans Jazz Market, maar als dat wel het geval is, was het een schot in de roos. Het gebouw is het nieuwe onderkomen van het New Orleans Jazz Orchestra, onder leiding van trompettist Irvin Mayfield, die ook de oprichter en uitvoerend directeur is. Het werd in april geopend, in de wijk Central City, maar een maand later was het al verwikkeld in een corruptieschandaal rond Mayfield – een veelvoudig winnaar van Grammy Awards en een van de poster boys van de stad – en zijn zakenpartner. Bedacht door Mayfield als ‘een monument voor de grootste prestatie die New Orleans ooit heeft geleverd: de schepping van de jazz’, is het een zeer ambitieus en indrukwekkend project.

    Er is een mooie open bar, vernoemd naar jazzpionier Buddy Bolden, aan de muren hangen 25 iconische, onmiddellijk herkenbare originele zwart-witfoto’s van de beroemde Herman Leonard, en er is een concertzaal met 440 stoelen, een van de weinige ter wereld die qua akoestiek zijn afgestemd op een jazzorkest en niet op een symfonieorkest – en er is zelfs een bar en een kleine dansvloer achter in de zaal. Toch zijn er op de donderdagavond dat ik de grote bar bezoek slechts vijf anderen die naar de pianist luisteren.

    Komt dat door het zich nog steeds voortslepende schandaal, of staat het gebouw alleen maar in het verkeerde deel van de stad? Alle slechte publiciteit heeft zeker niet geholpen, en het zou een tragedie zijn als dit toekomstgerichte project, dat bovendien de arme maar historisch belangrijke buurt weer op gang zou moeten helpen, een mislukt prestigeproject zou worden, met een zweem van ouderwetse zuidelijke corruptie – precies datgene waar de stad berucht om was, maar waar men na Katrina van af probeerde te komen. En zelfs al is de Jazz Market op dit moment the talk of the town, dat kan zo weer voorbij zijn in een stad waar de muziek vrijwel overal waar je rondloopt zo verdomd goed is, of, zoals Branford Marsalis het fraai uitdrukt: ‘een mate van opwinding teweegbrengt die je nergens anders zult voelen, en een hoeveelheid energie voortbrengt die een dj eenvoudigweg niet voor elkaar zal krijgen.’

    Het is allemaal zo droomachtig dat ik het gevoel heb dat ik in een film zit

    Frenchman Street

    De grootste concentratie muziekclubs bevindt zich in Frenchman Street, net buiten het French Quarter, een uitgaansstraat die door de stad is gepromoot en sinds Katrina in de lift zit. Als je zorgvuldig kiest, kun je er iedere avond naar blues, funk en jazz van wereldklasse luisteren in clubs als Cafe Negril, DBA, The Spotted Cat en de Blue Nile, en dat allemaal zonder te betalen. De clubeigenaren hebben Katrina aangegrepen om te versoberen en er is, net als in andere sectoren, sprake geweest van een instroom van nieuwelingen. Net als muziekliefhebbers zien jonge muzikanten New Orleans als een heilige graal, en velen zijn blij als ze hier voor een fooi mogen spelen – wat betekent dat de oudere lokale muzikanten, die altijd de fakkel hebben gedragen, minder betaald krijgen.

    Een van de favoriete clubs van Branford Marsalis is Snug Harbor, de oudste club in Frenchman Street en de eerste die na Katrina weer openging. Het is bovendien een van de twee clubs die nog steeds entree heffen. Het is een heerlijk intiem zaaltje met een uitmuntende geluidskwaliteit, waar mensen niet komen om feest te vieren maar om naar de beste jazzmusici van de stad te luisteren, waaronder de vader en broers van Branford. De grote angst is dat Frenchman Street zal verworden tot een tweede Bourbon Street, de met alcohol doordrenkte, Disneylandachtige Mardi Gras-straat van New Orleans.

    Als je zorgvuldig kiest, kun je er iedere avond naar blues, funk en jazz van wereldklasse luisteren

    De eigenaar van Snug Harbor, Jason Patterson, zegt: ‘Frenchman Street is ten dode opgeschreven als ze er een voetgangersgebied van maken, zoals met Bourbon Street, waar iedereen alleen maar op straat staat te drinken en niet meer de clubs binnen gaat om naar de muziek te luisteren.’ Maar al is de roem van Frenchman Street tanende, er is hier zo veel geweldige muziek dat die beslist elders haar toevlucht zal zoeken… zelfs als dat gewoon op straat is.

    De Musicians Village: betaalbare huizen voor muzikanten die door 
de storm hun huis waren kwijtgeraakt.  
© Mario Tama
    De Musicians Village: betaalbare huizen voor muzikanten die door 
de storm hun huis waren kwijtgeraakt. 
© Mario Tama

    Straatmuzikant

    Op mijn laatste avond, als ik in de kleine uurtjes door het French Quarter loop, sta ik plotseling stokstijf stil als ik het spookachtige, prachtige geluid hoor van een eenzame straatmuzikant die op zijn metalen Resonator-gitaar tokkelt. Het is onmogelijk om zijn muziek in een hokje te plaatsen, maar deze is zo rijk dat de zwoele lucht erdoor gevuld wordt alsof er een orkest aan het spelen is.

    Een stelletje is aan het dansen en zweeft over het plaveisel, een man ligt op straat te genieten van de muziek, terwijl een ander net als ik tot tranen toe geroerd is. Een mooie jonge zangeres vraagt of ze een paar bekende liedjes mee mag zingen. De naam van de gitarist is Chris Christy, een verlegen autodidact uit Los Angeles. Als je geluk hebt, tref je hem ’s avonds laat aan in Decatur Street. Het is allemaal zo droomachtig dat ik, niet voor het eerst deze week, het gevoel heb dat ik in een film zit – een film die alleen maar in New Orleans gemaakt zou kunnen worden. De stad is sinds Katrina in rap tempo veranderd – en in positieve zin, volgens vrijwel iedereen die ik ben tegengekomen. Maar tegen welke prijs?

    Welkome toevoeging

    Hoewel de meeste muzikanten zijn teruggekeerd, zijn vele duizenden van hun buren uit de oude zwarte gemeenschappen, waar de muziek zich ontwikkelde, in andere Amerikaanse steden achtergebleven. Velen zijn uitgeweken naar het conservatieve Texas, dat in cultureel opzicht het tegenovergestelde is van het losse en liberale New Orleans, maar betere scholen en hogere lonen biedt. Dat, in combinatie met de grote instroom van mensen van buiten, heeft geleid tot de angst dat het erfgoed van de stad zal verloren zal gaan.

    Noch Christy, noch Grace – de jonge zangeres die, enigszins onvermijdelijk, hiernaartoe is gekomen om een band te vormen en een plaat op te nemen – komt uit New Orleans. Maar zou de instroom van talent niet gewoon een welkome toevoeging aan de muzikale gumbo kunnen zijn?

    Branford Marsalis denkt van wel: ‘Er zijn hier allerlei soorten mensen, en dat is niet slecht. De jazzscene is nu veel dynamischer dan toen ik jong was. Ze nemen allemaal hun eigen ding mee en mengen dat met de traditionele muziek van New Orleans.’ Laten we hopen dat hij gelijk heeft. Want ik kan me niet voorstellen dat de magische taferelen uit deze stad ook maar ergens anders zouden kunnen plaatsvinden.

    Gavin McOwan

    Gavin McOwan schrijft voor _ The Guardian_ als o.a. reisredacteur.

  • Vermeer in Manhattan

    Vermeer in Manhattan

    Johannes Vermeer inspireerde de Amerikaanse dichter Michael White niet alleen tot poëzie en proza, maar bracht hem ook weer bij zinnen na een destructieve scheiding.

    Keuze uit het archief

    Afgelopen week maakte het Mauritshuis in Den Haag bekend dat het zich afvraagt of het nog schilderijen aan de Verenigde Staten wil uitlenen. Vanwege de bezuinigingen die de regering-Trump doorvoert in de kunstsector en Trumps kritiek op het narratief dat sommige kunstmusea verspreiden, is directeur Martine Gosselink bang dat ze de schilderijen die ze uitleent niet zo snel terug zal krijgen.
    Het zou erg jammer zijn als de Hollandse meesters niet meer in musea in de VS te zien zijn. De Amerikaanse dichter Michael White kan daarover meepraten. In dit artikel van The Paris Review uit 2015 vertelt hij wat de schilderijen van Johannes Vermeer voor hem betekenen.

    ‘Stel je voor dat je alles kwijtraakt wat voor jou werkelijk van belang is, en daarna heb je een droom, en in die droom kom je erachter dat je het niet echt bent kwijtgeraakt, omdat het je niet afgenomen kan worden. Dat gevoel geeft Vermeer me.’

    De dichter Michael White probeerde me uit te leggen hoe hij geobsedeerd was geraakt door Johannes Vermeer – met zijn psychologisch geladen interieurs en mysterieuze vrouwelijke figuren. Michaels fascinatie ontstond door een toevallige ontmoeting met het werk van de kunstenaar in Amsterdam, waar hij naartoe was gegaan om bij te komen van een scheiding die zo destructief was dat hij er totaal gedeprimeerd van was geraakt en die hem het gevoel had gegeven dat hij de rest van zijn leven alleen zou blijven.

    Hoewel ik met hem samenwerkte aan een universiteit in North Carolina, kende ik hem in die tijd niet goed genoeg om de emotionele ellende die hij doormaakte te begrijpen. Ik wist ook niet dat zijn ervaring in het Rijksmuseum met Vermeers onnadrukkelijk dubbelzinnige beelden hem ertoe had gebracht de hele wereld over te reizen om alle schilderijen van de meester te zien.

    Dat werd me allemaal pas duidelijk toen ik zijn nieuwe boek Travels in Vermeer: A Memoir las, dat deels een reisverslag is en deels bestaat uit overpeinzingen over de betekenis van kunst. Het lezen van Travels in Vermeer maakte Vermeers schilderijen in emotioneel opzicht voor mij zo levensecht, dat ik het gevoel had dat ik ze kende toen ik het boek uit had – alsof ze personages waren in een prachtige roman over verloren liefde, verlangen en genezing. Ik denk bijvoorbeeld aan de eerste keer dat Michael Het meisje met de parel ziet: ‘Ik voel een briesje, een rilling over mijn rug als ik binnenkom, en daarom draai ik me om… Ik kijk over mijn linker-schouder naar haar. Zij staart me rechtstreeks aan over haar eigen linker-schouder. Ze is, als een schilderij dat kan zijn, een adembenemende ontmoeting.

    Dat iemand, alleen met wat verf, iets kon maken dat zo lichtgevend en zo prachtig was

    Johannes Vermeer, Slapend meisje
    Johannes Vermeer, Slapend meisje

    Rondleiding

    ‘Liefde: hoe kan ik dat gevoel zijn vergeten? De ogenblikkelijke, gepassioneerde blik die me begrijpt en waarin beschuldiging noch vergiffenis ligt. De lieftallige genegenheid in haar lichtbruine iris, de verrukkelijke erotiek van haar lippen, haar mond.’


    Het probleem was dat ik nog nooit een Vermeer in het echt had gezien. Michael was bereid me rond te leiden langs de schilderijen die in New York hangen. Er zijn er acht: drie in de Frick Collection en vijf in het Metropolitan Museum of Art. We gingen ze allemaal bekijken. We begonnen in de Frick Gallery met De soldaat en het lachende meisje, waarop een militair in uniform en een jonge vrouw aan een kleine tafel in de hoek van een kamer bij een raam zitten. Michael legde uit dat dit waarschijnlijk bedoeld was als een tafereel in een bordeel, een genre dat populair was in de tijd van Vermeer. Hij wees op de uitgestrekte hand van de vrouw die op tafel rust, open alsof ze op betaling wacht. En toch past het schilderij niet echt in die context. De vrouw draagt een keurige, witte, linnen muts die haar haren bedekt, en haar gezicht gloeit duidelijk op in het flauwe, indirecte licht dat door het raam valt. Haar ogen zijn op de soldaat gericht en haar uitdrukking is kalm maar intens gelukkig.


    ‘Kijk haar toch,’ zei Michael. ‘Ze is verliefd.’ De soldaat is evenmin de vrolijke pierewaaier die je op een typisch schunnig schilderij zou verwachten. Hij neemt de voorgrond in beslag, zit met zijn rug naar de kijker toe en streelt met één hand over zijn kin – ingetogen en niet op zijn gemak. Hij lijkt het meisje in te schatten, of misschien schat hij zijn eigen plannen met haar in. ‘Het is bijna alsof hij een vervanger voor de kunstenaar is,’ zei Michael. ‘De kunstenaar die twijfelt aan zijn recht om de vrouw te schilderen.’ Een beeld van een bordeel dat weigert een beeld van een bordeel te zijn, emoties die niet voldoen aan de verwachtingen die we ervan hebben, die zich vermengen en ronddwarrelen – allemaal doortrokken van het meest verfijnde, donker opgloeiende licht: dit was de Vermeer die ik me herinnerde uit Michaels boek, maar dan met de vreemde kracht van een beeld dat voor je aan de muur hangt. Toen ik voor De soldaat en het lachende meisje stond, leek het me onmogelijk dat iemand, alleen met wat verf, iets kon maken dat zo lichtgevend en zo prachtig was.

    Het schilderij als een vraag gehuld in rust 
en stilte

    We liepen naar het volgende schilderij, Onderbreking van de muziek. De vrouwelijke figuur zit aan een tafel waarop een citer ligt, een luitachtig instrument. Er staat een man naast haar, met één hand op de rugleuning van haar stoel, zijn blik gericht op een brief in haar hand. Ze is met haar aandacht niet meer bij de muziek: ze kijkt de toeschouwer direct aan met een heel dubbelzinnige uitdrukking op haar gezicht waarin een of andere vorm van emotionele herkenning ligt. ‘Ze lijkt precies te begrijpen wie ik ben,’ zei Michael. ‘Maar wie is dat? Wat ben ik voor haar? Een vriend? Een minnaar? Een vertrouweling? Soms denk ik dat ik er bijna achter ben, maar nooit helemaal.’


    We verlieten de Frick en liepen over Fifth Avenue naar het Metropolitan Museum of Art, waar we alle vijf de Vermeers die er hangen bekeken. Het schilderij dat indruk op me maakte, was Slapend meisje, waarop een rijk gekleed meisje alleen aan een tafel zit met een glas wijn. Haar ogen zijn dicht, ze laat haar hoofd op haar hand rusten. Meteen achter haar leidt een halfopen deur naar een lege binnen-kamer die op een of andere manier iets raadselachtigs heeft, een gevoel dat wordt versterkt door de sleutel die in het slot steekt. ‘Er waren een man en een hond in de kamer,’ zei Michael. ‘Die heeft hij weggeschilderd.’ Die afwezigheid weergalmt en vult het schilderij, dat aanvoelt als een vraag gehuld in rust en stilte, een moment van het leven dat perfect is waargenomen, maar zich verzet tegen interpretatie. Is ze werkelijk dronken, zoals het tafereeltje suggereert? Slaapt ze wel echt? En zo ja, waarom liggen haar vingers dan zo perfect, actief gebogen op het tafelblad?


    ‘Ze zou wakker kunnen zijn,’ opperde ik. ‘Maar neerslachtig.’ ‘Of ze zou net kunnen doen of ze slaapt,’ zei Michael – misschien voor de man die niet meer bestond op het schilderij. Of voor de kijker. ‘Vermeers werk bevat allemaal fascinerende verhaallijnen, maar het blijven altijd slechts lijnen.’

    Johannes Vermeer, De soldaat en het lachende meisje
    Johannes Vermeer, De soldaat en het lachende meisje

    Cupido

    De manier waarop Vermeer een verhaal tegelijkertijd suggereerde en ondergroef, was een van de bronnen van psychische geladenheid in zijn werk. Voor Michael gingen die verhalen telkens over romantisch verlies en hernieuwde hoop. Terwijl ik zwijgend naast hem stond, herinnerde ik me een passage uit Travels in Vermeer over de eerste 
keer dat hij in Amsterdam voor een Vermeer stond: ‘Plotseling begrijp ik het: Vermeers verstomde helderheid richt zich tot mij, is voor mij terwijl ik hier sta.

    Wat ik heb doorgemaakt, waar ik in mijn scheiding mee te maken heb gekregen, is absoluut verlies. Ik dacht dat ik daar alles van afwist toen mijn eerste vrouw Jackie aan kanker was gestorven – maar deze keer had ik het vertrouwen verloren. Het is niet alleen dat ik niet geloof in liefde; ik weet niet eens zeker of ik wel ergens in geloof. Maar nu ik naar deze schitterende 
doeken kijk – onbereikbaar maar toch vertrouwd – komt het weer in me op… Het is alsof die voorstellingen er zijn om me bij zinnen te brengen door me teruggehaalde beelden uit een vroeger leven te laten zien.’

    We bleven nog een poosje staan en daarna wees Michael naar de linkerbovenhoek van het doek, waar achter de vrouw een schilderij hangt. Alleen de onderkant ervan is zichtbaar, en we zien slechts het blote voetje van een kind. ‘We weten dat het schilderij aan de muur Vermeers eigendom was. Het verschijnt op nog twee doeken van hem, één halverwege zijn carrière en één aan het einde. Het is een voorstelling van Cupido, hoewel we hier alleen zijn voet zien. Het zal nog vijftien jaar duren voor we eindelijk de hele Cupido te zien krijgen, op Staande virginaalspeelster. Mijn gevoel daarbij is: ja, hij is er altijd geweest, de hele tijd, zich voorbereidend op zijn verschijning. De kracht van de liefde is altijd aanwezig, hoewel het een heel leven kan kosten om die in zijn geheel te zien.’

    Robert Anthony Siegel schreef twee romans, All the Money in the World en All Will Be Revealed. Zijn korte verhalen en essays zijn verschenen in onder meer The New York Times, de Los Angeles Times, Tin House en de Oxford American.
    Robert Anthony Siegel schreef twee romans, All the Money in the World en All Will Be Revealed. Zijn korte verhalen en essays zijn verschenen in onder meer The New York Times, de Los Angeles Times, Tin House en de Oxford American.

  • Zwart New Orleans heeft niet zo veel te juichen

    Zwart New Orleans heeft niet zo veel te juichen

    Onder de zwarte bevolking van New Orleans leeft veel wrok over de reactie van de autoriteiten op Katrina en de veranderingen die de stad sindsdien heeft ondergaan. Kunstenaars vertolken deze gevoelens van onvrede, en proberen de lokale tradities in ere te houden.

    New Orleans is een stad die onuitwisbaar getekend is door blanke suprematie. Reusachtige monumenten gewijd aan ‘helden’ van de Geconfedereerden, zoals Robert E. Lee, Jefferson Davis en P.G.T. Beauregard, zijn zowel geestelijk als geografisch lelijke littekens in de stad. Maar New Orleans is ook een zwarte stad. Een plek waar een cultuur van verzet is ontstaan tegenover de blanke minderheidsklasse. De tradities van de stad vinden hun oorsprong in de diaspora van Afrikanen die elkaar ontmoetten op Congo Square en daar kunst en magie uitwisselden, en in de oorspronkelijke indiaanse bevolking die in Louisiana leefde voordat het een kolonie werd. Deze ontmoeting en uitwisseling van Afrikaanse en indiaanse volkeren vormt de kern van de cultuur van het New Orleans dat ik ken.


    In 1977 werd Ernest ‘Dutch’ Morial tot burgemeester van New Orleans gekozen en daarmee werd een tijdperk van zwarte burgemeesters ingeluid dat tot 2010 zou duren, toen Mitch Landrieu aan de macht kwam. Landrieu, de eerste blanke burgemeester in dertig jaar, werd in 2014 herkozen voor een tweede termijn. De bevolking van de stad was radicaal veranderd. De orkaan Katrina, die duizenden mensen het leven had gekost, had ook gezorgd voor de gedwongen verhuizing van zwarte inwoners. De zwaar getroffen ‘Ninth Ward’ zag in de eerste tien jaar na Katrina zijn zwarte bevolking met 50 procent afnemen, terwijl in dezelfde buurt de blanke bevolking met meer dan 20 procent toenam.

    Geesten

    Er waren nog wel steeds veel geesten rond. Van onze voorouders, die vanuit de westkust van Afrika en later Haïti arriveerden, tot de slachtoffers van grote en kleine opstanden, waaronder de grootste Amerikaanse slavenopstand in 1811. In de dagen na Katrina werd Henry Glover vermoord door de politie van New Orleans, werd zijn lijk weggehaald van de moordplek en later door weer andere agenten verbrand. Zijn schedel is nooit teruggevonden. En dan de ernstigste gebeurtenis van allemaal: de autoriteiten van New Orleans, een van de grote steden in Amerika, hadden besloten tot een verplichte evacuatie, maar de 25 procent van de mensen die geen vervoer had, werd achtergelaten. Er waren geen bussen, geen treinen die de stad uit reden. Het zou vijf dagen duren voor er extra vervoer werd geregeld en de federale overheid ingreep, en toen gebeurde dat meteen ook onder bedreiging van vuurwapens.

    Het verhaal van een ‘nieuw’ Orleans is een macaber verhaal geworden

    In New Orleans leven we nog steeds met het trauma van die vijf dagen en de vele dagen die erop volgden. Om in de stad te blijven wonen moest je snel herstellen, vergeten zonder te rouwen. De waarheid bleef onder tafel, en je kreeg geen schadevergoeding voor wat je was kwijtgeraakt, voor wat je was afgenomen. Nooit werd toegegeven wat we allemaal weten: dat de ergste gevolgen van de orkaan Katrina niet 
de schuld waren van Moeder Natuur.

    Twee leden van The Max Band, een van de vele schoolfanfares in New Orleans. © Jamie James Medina / HH
    Twee leden van The Max Band, een van de vele schoolfanfares in New Orleans. © Jamie James Medina / HH

    Zwarte middenklasse

    Nooit zijn er meer blanke mensen en non-profitorganisaties nodig geweest om het tekort aan leraren en naschoolse programma’s op te vullen. Tegenwoordig is het leerlingenbestand in New Orleans voor 90 procent zwart. In 2005 was bijna 75 procent van de leraren ook zwart. Maar in 2013 zou volgens gegevens van het Cowen Institute van de Tulane-universiteit ongeveer 54 procent van de leraren aan charter schools – openbare scholen, maar onder onafhankelijk bestuur, tegenwoordig voor de meeste ouders in New Orleans de enige keuze – uit de zogenaamde ‘minderheden’ afkomstig zijn. Dat heeft tot veel onenigheid geleid tussen docenten, ouders en leerlingen, en ook kwamen er studentendemonstraties tegen het tekort aan zwarte onderwijzers dat steeds verder oploopt in de stad.


    Het massaontslag van 7500 onderwijzers, vooral zwarten, in december 2005 maakte de weg vrij voor de ontmanteling van het traditionele systeem van openbare scholen en het begin van het eerste schooldistrict in het land met alleen maar charter schools. Die ontslagen onderwijzers vormden een groot deel van de zwarte middenklasse van New Orleans, en velen van hen hebben sindsdien geen vergelijkbaar werk kunnen vinden. Een ‘prachtig’ sociaal experiment heeft de onafhankelijke, artistieke en politiek bewuste zwarte mensen in het nauw gebracht, mensen die New Orleans wereldwijde bekendheid verschaffen. In de bijna tien jaar na Katrina is het verhaal van een ‘nieuw’ Orleans een vertrouwd maar macaber verhaal geworden.

    We overleven en houden vol, gewoon omdat dat de traditie is

    Schone lei

    Het Downtown Development District – het bureau dat plannen maakt voor de ontwikkeling van de binnenstad – hangt in het zakenkwartier van de stad spandoeken op met de tekst: ‘Welkom op een schone lei’. Een verhaal waarin het leed en de dood van zwarten een onvermijdelijk en niet te betreuren gevolg is van de ‘vooruitgang’ wordt voor zoete koek aangenomen. Dat verhaal vertelt dat het ‘nieuwe’ New Orleans een plaats is waar creatieven en innovatieven van elders massaal naartoe trekken, een plaats die ‘diverser’ is dan ooit.

    Het verhaal van het ‘nieuwe’ New Orleans vertelt de nieuwkomers niets over de zwarte en Vietnamese wijken waar ik ben opgegroeid. Of over de avonden waarop we enkel indianen op straat zagen, geen enkele blanke. De tijd dat we recht hadden op onze identiteit en we niets tegenover iemand van buiten hoefden te bewijzen. Toen we elke gelegenheid te baat namen om uitbundig feest te vieren, en onze waardigheid en identiteit wisten te behouden.

    Maar het vermogen om te creëren in de woelige nasleep van een gedwongen verhuizing is ouder dan het rampenkapitalisme en onlosmakelijk verbonden met de cultuur van New Orleans. De orkaan Katrina is niet de eerste ramp die onze cultuur heeft overleefd.

    Succesvol toneelschrijver, artiest en sjamaan Geryll ‘Dr. G Love’ Robinson is zo’n kunstenaar die onze cultuur niet verloren laat gaan. Robinson heeft, samen met een groep die Category 5 Arts heet, na de verwoestingen van Katrina helende mandala’s gemaakt voor de stad. Robinson is ook een voorbeeld van iemand die gebruikmaakt van de traditie van de collectiviteit die vanuit Afrika over de oceaan naar New Orleans was meegenomen en ook bij de indiaanse volkeren van Noord- en Zuid-Amerika leefde.

    Het is een traditie die nog steeds springlevend is. Die vind je terug in Spirit House, een toneelstuk geschreven door Robinson en kunstenares en activiste LaKeesha J. Harris, in samenwerking met de Greater New Orleans Housing Foundation en de Cripple Creek Theatre Company. Met behulp van spirituele elementen zoals de orisha’s – bovennatuurlijke wezens afkomstig uit verschillende Afrikaanse religies – behandelt het toneelstuk de discriminerende huisvestingspolitiek en de huurpraktijken waar de zwarte inwoners van New Orleans zo veel last van ondervinden.

    Zwarte kunstenaars in New Orleans maken nog steeds kunst, zoals ze altijd hebben gedaan, creëren een nieuwe connectie met de diaspora en houden de oude drie-eenheid in ere: het optreden, de ceremonie en de traditie, die al sinds lange tijd de basis vormen van de cultuur van het zwarte New Orleans.

    Spirit House brengt de gedwongen verhuizing van de zwarte inwoners van New Orleans in verband met het patroon van verjagen en landjepik dat zo onlosmakelijk met de uitbreiding van de Verenigde Staten is verbonden. Het huis waar Spirit House zich afspeelt is de woning van Mama Celeste en Joe, en een groep pensiongasten die er voor korte of lange tijd verblijven en lijden onder de woningnood in New Orleans. De eigentijdse spanning komt vooral voort uit het feit dat Celeste en Joe uit hun woning gezet dreigen te worden vanwege een niet betaalde onroerendgoedbelasting. Er hangt een bittere ironie over dit conflict. Tremé is de oudste zwarte wijk van het land, opgebouwd en bewoond door vrije gekleurde mensen en later door bevrijde zwarten. Katrina heeft de economie van die wijk volledig ontwricht. Joe is een Mardi Gras-indiaan, afstammend van de oorspronkelijke inwoners van Louisiana. Ondanks die geschiedenis, zijn band met het land en het repressieve verleden van ons land, kan hun belastingschuld niet worden kwijtgescholden.

    De orkaan Katrina is niet de eerste ramp die onze cultuur heeft overleefd

    Recht op leven

    In Spirit House worden alle verliezen gecompenseerd door de vreugde die wordt ontleend aan het behoud van het gemeenschapsritueel en de wetenschap dat als mensen worden verjaagd, ze nog niet dood zijn. Het valt niet mee om je weer op te richten en te gaan creëren na zo’n heftige verwoesting, maar het gebeurt in New Orleans. Het verzet, de ceremonie, de traditie en de schoonheid blijken niet onverenigbaar in het werk dat wordt geproduceerd, die bijten elkaar niet, en dat doen wij ook niet. We werken samen in een gemeenschap om ervoor te zorgen dat het New Orleans dat we kennen in ere wordt gehouden. Zwarte kunstenaars laten zien dat er een recht op leven bestaat, en op het ervaren van vreugde los van het lijden. Het verlangen naar vreugde en het putten uit het machtige potentieel ervan vormt een krachtig onderdeel van het werk dat door zwarte kunstenaars in deze stad wordt verricht. We herdenken de doden en leiden in hun schaduw een groots leven, en we komen voor onszelf op in een tijd waarin niet wordt gerouwd om de moord op onze mensen. Het is een drastische keuze van ons om door te zetten, maar we komen uit New Orleans, en daar overleven we en houden we vol, gewoon omdat dat de traditie is.

    Guernica

    Verenigde Staten, guernicamag.com
    Tweewekelijks tijdschrift dat in 2004 in New York werd opgericht door twee 
vrienden met een hartstochtelijke belangstelling voor literatuur en journalistiek. 
In de afgelopen tien jaar slaagden zij erin een stevige reputatie op te bouwen bij lezers in meer dan honderd landen.

  • Vier simpele manieren om maar twee uur per dag te hoeven werken

    Vier simpele manieren om maar twee uur per dag te hoeven werken

    Noah Charney is een Amerikaans schrijver met een jaloersmakende productie. Hieronder geeft hij vier tips om meer te doen in minder tijd.

    Twee jaar geleden schreef ik anderhalf boek, gaf ik drie cursussen en schreef ik 66 stukken (waarvan er 62 werden gepubliceerd), plus de 52 afleveringen van mijn wekelijkse serie over schrijven. En dat terwijl ik in april van dat jaar ook nog eens mijn eerste kind had gekregen, zodat de helft van mijn agenda in beslag werd genomen door de zorg voor de kleine en aanverwante huiselijke beslommeringen.

    Sinds de geboorte was ik niet meer op alle fronten zo actief als ik wel zou willen: ik las niet half zoveel boeken als het jaar ervoor, en van films kijken, voor de buis hangen en languit op de bank een blaadje lezen kwam bedroevend weinig terecht. Maar het schrijven ging me op de een of andere manier vlotter af dan dan ooit. Ik kreeg zo veel verbaasde en belangstellende reacties van vreemden en vakgenoten dat het me een goed idee leek om eens uit te zoeken wat die ‘een of andere manier’ eigenlijk was. Hoe had ik het voor elkaar gekregen, en wat is mijn recept?

    Welaan, hier volgt mijn persoonlijke methode om meer te doen in veel minder tijd. Mijn complete ‘plan voor de twee-urige werkdag’ (of elementen daaruit) is geschikt voor iedereen die zijn tijd efficiënter wil besteden, en in het bijzonder voor mensen zoals ik die mobiel werken (d.w.z. op een laptop) en iets creatiefs doen (dus geen data invoeren of zoiets). Geen nood voor wie gewoon op kantoor werkt, in zijn normale kloffie en niet – zoals ik vaak doe – in zijn pyjama. Mijn methode is even goed te gebruiken voor andere vormen van arbeid. Dus stroop de spreekwoordelijke mouwen op (al heb ik zelf vaak een T-shirt aan bij mijn pyjamabroek) en ga aan de slag – maar met mate.

    Beloon jezelf: drink een kop koffie, eet een fruitbeertje of kijk een filmpje van een kat die van tafel lazert

    Verdeel je tijd in behapbare porties

    Mijn schrijfwerk valt grofwerk uiteen in boeken en artikelen. Een non-fictieboek is in feite niets anders dan een lang uitgevallen artikel, of een serie artikelen met een duidelijke rode draad. Waar het om gaat is dat je je werk in porties verdeelt: in blokken met een tijdsduur die je elke dag redelijkerwijs kunt halen en waarin je je zonder farmaceutische hulpmiddelen kunt concentreren.

    Mijn systeem werkt niet voor fictie, tenminste niet in mijn geval. Fictie schrijven kan ik alleen als ik voor langere tijd alleen kan zijn, liefst zonder limiet, zodat ik helemaal kan opgaan in de wereld die ik schep.

    Dan heb ik een prinses-op-de-erwtachtige behoefte aan rust, plus sloten koffie, een waterpijp of een elektronische peuk, en mijn Peruaanse naakthond aan mijn voeten. Maar voor non-fictieboeken en artikelen werkt het prima. En je hoeft geen schrijver te zijn om de vruchten van aan deze aanpak te plukken. Je kunt elke klus, van data invoeren tot belastingaangifte doen, in mootjes hakken zodat je je productiever voelt (doordat je meer hokjes kunt afvinken, al staan die hokjes dan voor delen van een groter project) en er minder tegenop ziet (zes kilometer hardlopen lijkt een hele toer, maar zes keer een kilometer is goed te doen). Doe als Pavlov met zijn conditioneringstheorie en geef jezelf na elke portie een beloning: drink een kop koffie, eet een fruitbeertje, kijk een YouTubefilmpje van een kat die van een tafel lazert. Het werk valt je lichter als je weet dat er na afloop iets leuks in het verschiet ligt.

    Je productiviteit daalt als je de hele dag op dezelfde plek zit

     © Gregor Schuster/ Getty Images
    © Gregor Schuster/ Getty Images

    Door de zorg voor het kind en het huishouden kan ik meestal maar hooguit twee uur achter elkaar werken. Daarom splits ik mijn non-fictieprojecten meestal op in porties ter grootte van een artikel. Een boek telt doorgaans 80.000 tot 100.000 woorden, wat neerkomt op zo’n zestig tijdsblokken van twee uur à 1500 woorden. Natuurlijk gaat er in een boek altijd meer tijd zitten dan je denkt (je moet research doen, een opzet maken, mensen interviewen en schaven, schaven en nog eens schaven), maar dat doet niets af aan het basisprincipe: je deelt het schrijven van de kladversie op in een x-aantal porties van twee uur, zoals je dat ook doet met artikelen of andere mobiele klussen om ze behapbaar te maken.

    Aan de ruwe versie van mijn meest recente boek, Kunstvervalsing, heb ik twee maanden lang twee uur per dag gewerkt. Bij het maken van de opzet had ik de inhoud in hapklare brokken van 1500 woorden verdeeld, die ik in korte sessies zou kunnen schrijven. Zelf gebruik ik dit systeem voor mijn schrijfwerk, maar het leent zich evengoed voor andere bezigheden, en ook de duur van het tijdsblok kan naar believen worden aangepast. Zelfs iets als data invoeren kun je in porties verdelen die makkelijker te behappen zijn: duizend cijferreeksen intikken lijkt een heidens karwei, maar tien keer honderd is best haalbaar, zeker als je pauzes inlast als beloning voor je noeste arbeid.

    Kun je meer dan twee uur per dag aan je werk besteden, des te beter. En het geeft ook niet als je geen twee maar acht uur doet over de kladversie van een stuk, of wat voor klus ook. Het gaat niet om hoe snel of hoelang je werkt, maar om het principe dat je het werk opdeelt in tijdsblokken waarin je scherp en geconcentreerd kunt blijven. Voor mij blijkt dat twee uur te zijn; daarna dwalen mijn gedachten onherroepelijk af en móét ik Twitter checken, pinda’s eten, Hubert van Eyck uitlaten (zo heet mijn Peruaanse naakthond) of voor de tigste keer dat kattenfilmpje kijken.

    Ik heb sowieso om de twee uur pauze nodig om acute oververhitting van de hersenpan te voorkomen, dus dan kan ik net zo goed helemaal stoppen en later verdergaan in een nieuw tijdsblok van twee uur. Die tijdsblokken kun je zo lang of kort maken als je prettig vindt – of wat praktisch is. Advocaten die kwartier-tarieven hanteren gaan hun werk op den duur vanzelf in kwartieren opknippen. Deze methode werkt twee kanten op: behalve een groot project in kleine brokken hakken kun je ook alert zijn op loze momenten en die vervolgens zo nuttig mogelijk besteden. Wat kun je doen als je ineens een half uurtje over hebt? Ben je bijvoorbeeld secretaresse en schrijf je in je schaarse onbezoldigde uren een roman, beschouw dan elk vrij kwartiertje als een mooie meevaller en haal eruit wat erin zit.

    Ben ik klaar met een taak, dan vink ik meteen het hokje af

    Zorg voor een aparte werkplek

    Een aparte werkplek is een must, of je nu thuis werkt of op kantoor. Ik heb een tijd weinig uit mijn handen gekregen omdat ik thuis zat te tikken met een half oog op de baby en dus zowel mijn werk als de kleine tekortdeed. Nu ga ik voor mijn twee-urige werksessies naar een café of zonder me af in een andere kamer met een koptelefoon op mijn knar. Ik houd van afwisseling qua werkplek en verkas zelfs binnen een en dezelfde kamer (van de bank naar de eettafel) als ik aan een nieuw tijdsblok begin.

    In veel moderne kantoren, vooral in de ITC-sfeer, is er rekening mee gehouden dat je productiviteit daalt als je de hele dag op dezelfde plek zit. Daarom zijn er geen vaste werkplekken: je krijgt een bureau, maar er zijn ook luie stoelen, lekkere banken en andere mogelijkheden om van plaats te verwisselen. Als je iets dergelijks als thuiswerker ook kunt doen, zul je merken dat je steeds met een frisse blik naar de dingen kijkt. De essentie is dat je je werktijd en -plek weet te scheiden van ontspanning, sociale verplichtingen en je gezinsleven.

    Ga je ’s ochtends naar kantoor, dan lukt dat vanzelf (werken doe je immers op je werk). Maar anders moet je jezelf strenge regels opleggen. Als ik aan het werk ben, wil ik me daar voor de volle honderd procent op kunnen storten, zodat ik als ik níét werk er ook voor de volle honderd procent ben voor mijn gezin (of voor de volle honderd procent op de bank kan hangen met een bak pinda’s). Laat je je werk, gezin en ontspanning in elkaar overvloeien, dan heeft alles daar uiteindelijk onder te lijden.

    © Getty Images
    © Getty Images

    Maak lijstjes

    Stel dat je per week maar tien tijdsblokken hebt waarin je echt ongestoord kunt werken (liever meer, maar als er tijd bijkomt is dat mooi meegenomen), dan moet je structuur aanbrengen in je activiteiten. Dat kan in verschillende gradaties van dwangmatigheid, maar mijn methode is redelijk relaxed. Aan het begin van elke week pak ik mijn Moleskine-weekplanner (ik doe dit klusje liever analoog dan digitaal) en maak een lijstje van wat ik allemaal moet doen. Voor elke taak zet ik een hokje.

    Pas als ik alle hokjes heb afgevinkt, mag ik van mezelf de bladzijde om-slaan en het lintje verleggen; zo dwangmatig ben dan weer wél. Ben ik klaar met een taak, dan vink ik meteen het hokje af en noteer in het zevendagenoverzicht wat ik heb gedaan, inclusief het aantal woorden als het om een schrijfopdracht gaat. Zo kan ik mijn werk in cijfers uitdrukken en in één oogopslag zien hoe productief ik ben, en dat is goed voor het moreel. Als ik op termijn een aantal artikelen af moet hebben, teken ik alvast hokjes voor een paar weken vooruit, met aparte hokjes voor de kladversie en de eindversie.

    Ik maak ook hokjes voor deadlines, afspraken en andere bezigheden buiten de deur. Hoe meer hokjes om af te vinken, hoe beter. Op deze manier kun je precies zien hoeveel werk je verzet en daar rekening mee houden in je planning. Voor Kunstvervalsing had ik een lijstje gemaakt van zo’n veertig boekdelen ter lengte van een artikel waarvoor ik research moest doen (een hokje) en die ik vervolgens moest schrijven (een tweede hokje). Zo kon ik steeds precies zien hoe ik vorderde en wat er nog openstond.


    Ik vind dit een geweldig systeem. Het is niet alleen de ideale planningtool, ook mentaal werkt het beter om veertig keer tien pagina’s te schrijven die je elke keer kunt afvinken dan aan te hikken tegen een gapend gat van vierhonderd pagina’s dat je moet zien te vullen. En ook dit principe is algemeen toepasbaar – het hele huis schoonmaken een helse opgave, maar zes kamers in elk tien minuten? Dat valt reuze mee.

    Blijf je e-mail de baas

    Een groot deel van de werkdag, zowel thuis als op kantoor, gaat heen met mailen en internetten. Dat is geen nieuws, maar ik krijg zo veel complimenteuze en soms ronduit jaloerse reacties van vrienden, vreemden en collega’s die mijn e-mailhandtekening hebben gelezen dat ik mijn methode toch maar uit de doeken doe. Onder de meeste mails die ik verstuur, staat de mededeling dat ik ‘maar twee keer per week mijn mail bekijk en beantwoord’, met excuses voor het geval ik wat laat reageer en een verwijzing naar een e-mailadres voor dringende zaken. Het idee om je e-mail de baas te zijn in plaats van andersom spreekt mensen enorm aan in deze tijd dat iedereen permanent geacht wordt online te zijn. Als ik met administratieve dingen bezig ben (mailen, factureren, bellen en dergelijke) kan ik mijn hoofd meestal niet zo een-twee-drie in de ‘creatieve stand’ krijgen die nodig is om te kunnen schrijven. Daarom probeer ik aparte momenten in te plannen voor dit soort klusjes, zodat ze niet ten koste gaan van mijn echte werk, het schrijven.

    Maar ik begrijp heus wel dat niet iedereen het zich kan permitteren om maar twee keer per week zijn mail te checken. De meeste mensen moeten voor hun werk immers voortdurend bereikbaar zijn. Toch zijn er manieren om je niet door je e-mail te laten ondersneeuwen zonder dat je compleet van de radar verdwijnt. Wat prima werkt, is om meerdere e-mailadressen aan te maken, die je op verschillende manieren checkt en voor verschillende toepassingen gebruikt. Eén adres reserveer je voor dringende zaken (noodgevallen, deadlines, e-mails van je baas), en omdat je deze berichten snel moet kunnen zien, zet je dit mailaccount op je telefoon. Maar je geeft het adres niet aan Jan en alleman, anders word je gek van het geping in je broekzak. Daarnaast kun je een of meer adressen aanhouden voor werkgerelateerde zaken die geen haast hebben en die je maar één keer per dag (of twee keer per week) hoeft te checken.

    Dit artikel, van welgeteld 
2386 woorden, heeft me exact 
205 minuten gekost

    Zorg ervoor dat je sociaal mailverkeer, zoals berichtjes van je tante Gertrude of een oude studievriend, ergens anders onderbrengt, zodat je niet constant wordt bestookt met privéberichtjes (of die overhaast afhandelt om snel door te kunnen werken). Zelf gebruik ik voor privézaken liever een chatdienst en houd ik de e-mail alleen aan voor werk. Tegenwoordig kun je je berichten ook door één enkel e-mailaccount laten sorteren. Gmail bijvoorbeeld splitst je binnenkomende mails automatisch uit naar ‘primair’, ‘sociaal’ en ‘reclame’, en desgewenst ook nog andere categorieën. Dat is mooi, maar het nadeel is dat je die categorieën niet op verschillende apparaten kunt laten binnenkomen. Zelf heb ik drie e-mailadressen. Nummer een, voor urgente zaken, zit op mijn telefoon. Nummer twee, voor de gewone werkcorrespondentie, komt via Outlook binnen op mijn laptop; dit zijn de mails die ik zo’n twee keer per week afhandel. En nummer drie is voor dingen die geen haast hebben en waar ik dus maar eens in de week naar hoef te kijken, en dat doe ik via webmail.

    Verder voer ik al mijn e-mailcorrespondentie terwijl ik offline ben. Dat wil zeggen dat ik op een icoontje moet klikken om mails te kunnen ontvangen en versturen, en dan weer offline ga om ze te lezen en beantwoorden. Zo bespaar ik me de ellende dat er vijf nieuwe mails binnenploppen terwijl ik mijn inbox leeg probeer te krijgen. Want ik ben wel zo’n neuroot dat ik elke binnenkomende mail meteen moet lezen en beantwoorden, dus deze aanpak is echt mijn redding. Net als met hokjes afvinken en je werk in blokken van twee uur hakken is ook dit een kwestie van de dingen goed indelen, zodat je meer kunt doen in minder tijd.

    Dit artikel, van welgeteld 2386 woorden, heeft me exact 205 minuten gekost, oftewel twee blokken van twee uur. Zo, nu snel een hokje afvinken in mijn Moleskine-planner en dan met een zak fruitbeertjes binnen handbereik fijn een kattenfilmpje kijken.

    Noah Charney

    Noah Charney is op 24 september te gast bij het John Adams Instituut in Amsterdam. In De Duif aan de Prinsengracht gaat hij in gesprek met Pieter van Os over zijn boek Kunstvervalsing, dat onlangs verscheen bij uitgeverij Terra Lannoo. 
Aanvang: 20.00 u
    Noah Charney is op 24 september te gast bij het John Adams Instituut in Amsterdam. In De Duif aan de Prinsengracht gaat hij in gesprek met Pieter van Os over zijn boek Kunstvervalsing, dat onlangs verscheen bij uitgeverij Terra Lannoo. 
Aanvang: 20.00 u
  • Aziatische uitvaarten zijn gouden handel

    Aziatische uitvaarten zijn gouden handel

    Van Japan tot Singapore wordt de bevolking grijzer en rijker. Daarmee groeit de behoefte aan uitvaartdiensten op maat. Voor begrafenisondernemers is niets te gek om aan de buitenissige wensen van hun klanten te voldoen.

    Keuze uit het archief

    Afgelopen week werd bekend dat de Indonesische hoofdstad Jakarta Tokio voorbijgestreefd is als grootste stad ter wereld. Een van de redenen waarom het inwoneraantal van de Japanse hoofdstad nauwelijks of niet groeit, is de vergrijzing waarmee Japan al jaren te kampen heeft.
    Als gevolg daarvan hebben begrafenisondernemers hun handen vol, getuige dit artikel van tien jaar geleden. Ze sparen kosten noch moeite om aan de wensen van hun klanten te voldoen. Hier geldt wel heel letterlijk: de een zijn dood is de ander zijn brood.

    De teint van geelzucht, afzichtelijke kogelwonden, gebroken botten als gevolg van auto-ongelukken op hoge snelheid: geen zee gaat de verfspuit van Lee Jonglan te hoog.

    ‘U ziet dat de rechterkant van haar gezicht er normaal uitziet,’ zegt Lee, terwijl haar tengere model met moeite haar ogen dichthoudt. ‘Maar links ziet het er een beetje gezwollen uit omdat we zo veel foundation hebben aangebracht.’

    Het is niet perfect, stelt Lee vast. Maar ze streeft dan ook niet naar perfectie. Ze streeft naar troost voor de nabestaanden. ‘Kijk eens hoe mooi ze eruitziet,’ zegt ze. Het model, herrezen uit de dood, glimlacht. De omstanders verdringen zich rond haar, visitekaartjes in de aanslag.

    Een make-updemonstratie op de Aziatische Uitvaart- en Begrafenisbeurs in Macau. © Tyrone Siu / Reuters
    Een make-updemonstratie op de Aziatische Uitvaart- en Begrafenisbeurs in Macau. © Tyrone Siu / Reuters

    Kunstdiamanten van as

    Lee, in Zuid-Korea dé topvisagiste voor doden, was zichtbaar in haar element, en niet alleen vanwege haar tv-sterrenglimlach. Ze was de koning te rijk toen ruim honderd begrafenisondernemers, fabrikanten, ambtenaren en zakenlui in mei de jaarlijkse Aziatische Uitvaart- en Begrafenisbeurs en -Conferentie bezochten, die werd gehouden in Macau, een semiautonome bestuurlijke regio aan de Zuid-Chinese kust.

    Drie dagen lang wisselden deelnemers – uit alle windstreken, van het nabijgelegen Hongkong tot helemaal uit Bolivia – handdrukken en contactgegevens uit. Ze hadden afspraken met Mongoolse begrafenisondernemers, Maleisische begraafplaatsontwikkelaars, Chinese doodskistenmakers en strak in het pak gestoken Nederlandse zakenlui die na een crematie fonkelende kunstdiamanten maken van de as, zodat vermogende nabestaanden de overblijfselen van hun geliefde bij zich kunnen dragen. De expobezoekers luisterden onder een kristallen kroonluchter in een weelderige conferentiezaal naar lezingen met titels als ‘DNA zit in het DNA van de begrafenissector’ en ‘Lessen uit ebola’.

    ‘De Aziatische uitvaartsector verschilt totaal van die in het Westen,’ zegt Kenny Lo, directeur van Vertical Expo Services, het in Hongkong gevestigde bedrijf dat de beurs organiseert. ‘Hier in Azië is die zeer behoudend, vooral in China. Heel traditioneel. En tot op zekere hoogte – hoe zal ik het zeggen – nogal gesloten, niet erg transparant.’

    Een Chinese ondernemer gaf 770.000 dollar uit om afscheid te nemen van zijn moeder

    Regels zijn er nauwelijks, zegt hij. Het overheidsbeleid is vaak stroperig en star. Een hele reeks tradities ‘maakt alles er erg ingewikkeld op, zelfs in één land’.

    Maar voor wie in Azië de weg weet, zijn uitvaarten gouden handel. De bevolking in de regio, van Japan tot Singapore, wordt grijzer en rijker. Rond 2050 is naar verwachting een op de vier Oost-Aziaten ouder dan 65. Intussen raken hun kinderen steeds vertrouwder met de moderne technologie en komen steeds vaker in contact met de rest van de wereld. Ze willen uitvaartdiensten die bij hun status passen en dagen begrafenisondernemers uit nieuwe manieren te bedenken om klanten te lokken.

    Nergens ontwikkelt de sector zich zo snel als in China, de grootste economie in de regio, waar families van oudsher afscheid van hun dierbaren nemen met offerandes als namaakgeld, kleren en gereedschap. Eeuwenlang beschouwden Chinezen extravagante uitvaarten als noodzakelijk om de doden te behagen.

    ‘Het idee dat de doden op de een of andere manier blijven voortbestaan wanneer het fysieke leven is afgelopen, is in China oeroud,’ zegt Michael Szonyi, een hoogleraar Chinese geschiedenis aan Harvard. ‘Dat gaat terug tot nog voor het confucianisme en het taoïsme, en ruim voor het boeddhisme.’

    Maar Mao Zedong, die van 1949 tot 1976 over het land heerste, deed traditionele begrafenisrituelen af als ‘feodaal bijgeloof’ en verving ze door uitvaarten in socialistische stijl, zogeheten herdenkingsbijeenkomsten. Socialistische begrafenissen eindigden met een soort korte toespraak door de voorman van de arbeidseenheid van de overledene, waarin diens bijdrage aan het socialisme werd gememoreerd. De meeste begrafenissen duurden niet langer dan een kwartier.

    Na die tijd heeft China zich echter ontwikkeld tot een economische supermacht, met na de Verenigde Staten het hoogste aantal miljonairs ter wereld, en sindsdien maken buitenissige begrafenissen een grootschalige comeback, ondanks pogingen van hogerhand ze de kop in te drukken.

    In de afgelopen jaren hebben rijke nabestaanden de krantenkoppen gehaald met uitvaartceremonies een keizer waardig. In 2011 gaf een ondernemer in de Oost-Chinese stad Wenling 770.000 dollar uit om met enorme LED-schermen, een honderdkoppig orkest, een rij goudkleurig geschilderde kanonnen en een vloot Lincoln-limousines afscheid te nemen van zijn moeder.

    Uitvaartbeurs

    In april traden overheidsfunctionarissen met harde hand op tegen twee grootscheepse begrafenissen in de provincies Hebei en Jiangsoe, waar de dorpelingen exotische danseressen hadden ingehuurd om een grote menigte op de been te brengen.

    Het zal geen verbazing wekken dat de toestroom naar de uitvaartbeurs elk jaar is toegenomen sinds Lo’s bedrijf het evenement is gaan organiseren.

    In een hoekje van de beurshal heeft een Chinees bedrijf een stand ingericht met voorbeelden van dodenoffers, voornamelijk grote papier-machébeelden van buitenverblijven en dure auto’s, waarvan het de bedoeling is dat ze bij wijze van geschenk aan de overledene in ovens op de begraafplaats worden verbrand.

    Het bedrijf maakt papieren modellen van alles wat je in het hiernamaals nodig zou kunnen hebben

    Aan de overkant van het gangpad haalt Han Dingyu van het concurrerende, bijna tien jaar oude Taiwanese bedrijf SKEA, een acroniem van Spectacular Kind of Elysium Accessories [‘Spectaculair soort hemelse toebehoren’], zijn spullen uit de verpakking. ‘Eersteklas vakmanschap,’ zegt Han terwijl hij allerlei handgemaakte papierminiaturen tevoorschijn haalt, waaronder een prachtig stuk vlees, een dienblad met cupcakes en een assortiment kleurige macarons ter grootte van een muntje.

    Het bedrijf maakt papieren modellen van alles wat je in het hiernamaals nodig zou kunnen hebben, zegt hij: afleiding, eten en onderdak. ‘Jonge mensen geven elkaar vaak (miniatuur-)iPhones,’ voegt hij eraan toe. ‘Als mensen iets aan een meisje offeren, dan is het vaak make-up of zijn het kleren. Oude mensen, het voorgeslacht, zijn degenen die huizen krijgen.’

    Papieren modellen van bedienden, waarvan men gelooft dat overledenen ze gebruiken. – © Tyrone Siu / Reuters
    Papieren modellen van bedienden, waarvan men gelooft dat overledenen ze gebruiken. – © Tyrone Siu / Reuters

    Bestemming: ‘home’

    Hij bladert door de glimmende catalogus van het bedrijf, waarin maquettes van huizen met een scala aan luxueuze extra’s worden aangeprezen: dakterrassen, binnentuinen en ramen van vloer tot plafond. In het zwembad achter een postmoderne ‘droomvilla in Ibiza-stijl’ ligt een jacht afgemeerd.

    En de geest van verandering waait tot ver buiten China. Ongeveer vijf jaar geleden kwam de marktleider van de Singaporese uitvaartsector, de 103 jaar oude Ang Chin Moh-groep, met Flying Home, een dienst waarmee het samen met luchtvaartmaatschappijen en ambassades pas overledenen repatrieert. Niet ver van Lee’s stand met uitvaartmake-up delen vertegenwoordigers van Flying Home bagagelabels uit met het logo van het bedrijf en folders die op instapkaarten lijken (maatschappijcode: ‘FH’, bestemming: ‘home’).

    Singapore is een van de belangrijkste bestemmingen van expats in Azië. Grace Hung, assistent-marketing-manager van Flying Home, zegt dat de zaken voor de wind gaan. ‘Singapore loopt voorop in dingen als financiën, accountancy en recht,’ zegt ze. ‘Maar niet als het gaat om de dood.’

    Haar bedrijf probeert dat te veranderen. Ze zegt dat haar collega’s een groot aantal talen spreken – Indonesisch, Maleis, Engels, Spaans, Frans – en gemiddeld veertig jaar oud zijn, ongeveer tien jaar jonger dan het gemiddelde in de sector als geheel. ‘We doen ook repatriëringen náár het buitenland,’ zegt ze. ‘Singapore is een medische hotspot. Mensen laten zich hier behandelen en komen daar soms bij te overlijden.’

    In de conferentiezaal beneden spreekt de Chinese ondernemer Wang Dan, een 34-jarige ingenieur die in 2012 een rouwcentrum in Beijing begon, een publiek van enkele tientallen mensen toe, van wie de meesten goedgeklede mannen. ‘Social media zijn belangrijk in onze bedrijfstak,’ zegt hij. ‘Wat kunnen we doen, wanneer er iemand overlijdt, om de herinneringen die familieleden en vrienden aan de overledene hebben te laten voortleven? We kunnen filmpjes maken en foto’s nemen, en die op het internet zetten. Ik vind dat een uitstekend idee.’

    Hij zegt dat zijn bedrijf, ‘De Overkant’, met standaardprijzen werkt en ze online zet, terwijl de meeste Chinese begrafenisondernemers rekenen wat ze denken dat hun klanten kunnen betalen. De Overkant biedt betaalbare adviesgesprekken aan waarin het nabestaanden helpt contact te leggen met rouwverwerkingsinstanties en chique begraafplaatsen; het bedrijf heeft de handen ineengeslagen met een Amerikaans bedrijf dat as van overledenen de ruimte in schiet.

    ‘Ik denk dat de maatschappij ingrijpend verandert,’ zegt Dan. ‘Jonge mensen kijken heel anders tegen de wereld aan dan wij. En als wij vakmensen niet meebewegen, lopen we een achterstand op.’

    Jonathan Kaiman

  • Sloppenwijken vinden hun eigen toekomst uit

    Sloppenwijken vinden hun eigen toekomst uit

    Nieuwe vormen van muziek die zich wijd verspreiden, maar ook het ontwikkelen van een systeem om afvalwater te zuiveren: naast alle misère barsten de Afrikaanse sloppenwijken ook van creativiteit en zelfredzaamheid.

    In een van de uitzendingen van 
A Richer World van de BBC sprak de gerenommeerde Zweedse statisticus Hans Rosling over hoe West-Afrika de uitbraak van ebola heeft weten te bedwingen. Zijn fascinerende presentatie toonde onder meer aan hoe de loop der dingen in een Afrikaanse sloppenwijk een drastische wending kan nemen. Soms pakt het slecht uit, zoals in het geval van ebola. Andere keren gaat het juist goed, bijvoorbeeld als het cultuur betreft. Neem semba, het soort aanstekelijke muziek dat zelfs de schuchterste toeschouwers de dansvloer opdrijft. Het 
is een mengeling van opzwepende Afrikaanse ritmen, samba en Caraïbische zouk die zijn naam dankt aan 
het enkelvoud ‘masemba’, wat ‘buikcontact’ betekent.

    Vernieuwingsdrift

    Semba ontstond in het begin van de jaren zestig in de sloppenwijken of musseques van Luanda, de hoofdstad van Angola. Dankzij hervormingen in het koloniale beleid zagen de inwoners hun dagelijkse leven verbeteren en overal in de stad ontstonden nieuwe culturele centra. Semba, een lokale vorm van populaire stadsmuziek, was een boegbeeld van deze positieve ontwikkelingen. Sterker nog: als je het over hedendaagse Angolese muziek wilt hebben, kun je niet om semba heen. Ook buiten Angola is semba immens populair, vooral in de Portugeestalige landen en in West-Afrika.

    Dat bewijst maar weer dat je niet altijd op een eerste indruk kunt afgaan: zo op het eerste gezicht springen namelijk vooral de erbarmelijke omstandigheden van de Afrikaanse sloppenwijken in het oog. Kijk je echter verder, dan tref je er een vitaliteit, bezieling en vernieuwingsdrift aan die je nergens anders in de stad vindt. Bovendien hoor je er alle belangrijke muziekgenres, waaronder semba, die ontsproten in de uitdijende nederzettingen van werkzoekenden aan de rand van Afrikaanse steden. En tegen de verdrukking in ontstaan hier nog altijd nieuwe genres. In Zuid-Afrika begon de ondergrondse muziekcultuur met marabi, een muziekstijl uit de townships met Amerikaanse ragtime- en bluesinvloeden, meestal uitgevoerd op een keyboard.

    Alle grote dansorkesten hebben marabi omarmd en die swingstijl bracht weer mbaqanga voort, de meest karakteristieke vorm van Zuid-Afrikaanse jazz. In sommige sloppenwijken bestaat de artistieke expressie uit geschilderde teksten en kleurrijke muurschilderingen die de wijk een compleet andere aanblik kunnen geven. Zo maken jongeren in de sloppenwijk Korogocho van Nairobi muurschilderingen vol hoop waarmee ze de gemeenschap willen inspireren. Graffiti voor vrede is ook een groot succes in Kiberia, Nairobi’s grootste krottenwijk, en dat culmineerde in Kiberia Walls for Peace, een kunstproject voor jongeren.

    Dit project moest in de aanloop naar de presidentiele verkiezingen van 2013 eenheid en samenwerking tussen de verschillende etnische en politieke groepen bevorderen. Het resulteerde in een trein met tien wagons die beschilderd met positieve boodschappen en vredestekens door de sloppenwijken rijdt – wellicht de eerste trein in Afrika met graffiti die van hogerhand is goedgekeurd. Kunst uit de krottenwijken wordt steeds meer gewaardeerd en geïnstitutionaliseerd.

    Zo put het sloppenfestival van Kampala, in Oeganda, uit het lokale creatieve talent. Het festival richt zich op de meest kansarme groepen in meer dan tien stadswijken. De bewoners worden één dag per jaar getrakteerd op een openluchtfestival met exposities, muziek, poëzie, films en workshops. Ook het jaarlijkse Slum Film Festival 
in Kenia, begonnen in 2011, is een ode aan de creativiteit. Een week lang zijn er openluchtvoorstellingen met films van en over sloppenwijkbewoners. Het festival dient twee doelen: het biedt een platform aan lokaal creatief talent, en daarnaast krijgen deze gemeenschappen die slechts beperkt toegang tot bioscopen hebben de mogelijkheid om een verscheidenheid aan films te zien.

    Kunst uit de krottenwijken wordt steeds meer gewaardeerd en geïnstitutionaliseerd

     Een catwalk georganiseerd door de Miss Koch beauty and talent contest in de sloppenwijken van Nairobi. – © Thomas Mukoya / Reuters. (r) Het Orkest Ghetto Classics, eveneens in Nairobi. De optredens laten jongeren kennismaken met klassieke muziek. –
    Een catwalk georganiseerd door de Miss Koch beauty and talent contest in de sloppenwijken van Nairobi. – © Thomas Mukoya / Reuters. (r) Het Orkest Ghetto Classics, eveneens in Nairobi. De optredens laten jongeren kennismaken met klassieke muziek. –

    Proeftuin

    Dit soort initiatieven laat zien dat in Afrikaanse sloppenwijken voortdurend vernieuwing plaatsvindt, en dat geeft de inwoners de gelegenheid mee te werken aan de verandering van hun omgeving van binnenuit, waarbij de sloppen een proeftuin worden voor een aantal van de meest ongelofelijke programma’s van stadsvernieuwing. In Dakar, Senegal, hebben inwoners van de sloppenwijk Yoff de handen ineengeslagen met een ngo die werkzaam is op het gebied van milieu en ontwikkeling om een duurzaam afvalwatersysteem te ontwerpen en te bouwen. Yoff, een stedelijk gebied dat aan de Atlantische Oceaan grenst, heeft in de afgelopen jaren te maken gekregen met een enorme migratie waar de infrastructuur niet tegen bestand bleek.

    Omdat watertrucks de nauwe straatjes niet in konden om het afvalwater op te halen, loosden de inwoners van Yoff het direct op het strand. In het systeem dat door de inwoners is ontworpen, wordt het afvalwater eerst in kleine bezinkbassins opgevangen waarna het naar grotere verzamelbassins wordt afgevoerd, waar het met behulp van waterplanten wordt gezuiverd. Het gezuiverde water – een waardevol goed in een gebied waar water schaars is – wordt vervolgens gebruikt voor irrigatie, stadslandbouw en toiletsystemen. De gemeenschap heeft een commissie in het leven geroepen om het systeem te beheren en er zijn pictogrammen ontworpen om anderen duidelijk maken hoe het gebruik ervan in zijn werk gaat.

    man

    Een andere veelbelovende innovatieve stap werd gezet in Khayelitsha, de 
op één na grootste township in Zuid-Afrika. Hoewel hier nauwelijks sprake is van enige stadsplanning, openbare voorzieningen of een herkenbaar stadscentrum, heeft The CiTi (Cape Innovation and Technology Initiative) hier kortgeleden een broedplaats voor start-ups geopend, geënt op het model van de populaire incubator Bandwidth Barn in Kaapstad. Bandwidth Barn biedt met name ondersteuning op het gebied van technologische innovaties om zo lokale problemen op te lossen en banen te scheppen. The Barn Khayelitsha wil verschillende programma’s opzetten voor het ontwikkelen van ict-vaardigheden gericht op algemene bedrijfsontwikkeling, in het bijzonder voor vrouwelijke ondernemers, jongeren, kleine boeren en ondernemers in de toeristensector.

    Ten slotte vervullen sloppenwijken in sommige landen een cruciale rol. Van oudsher bestaan sloppenwijken naast de officiële stad en helpen ze ondanks de overduidelijke beperkingen mee aan haar groei.


    Neem bijvoorbeeld Makoko, de Nigeriaanse krottenwijk op palen in de lagune van Lagos, al meer dan honderd jaar bewoond door een trotse, traditionele vissersgemeenschap. Hoewel de regering hen dreigt met herhuisvesting elders, wil het merendeel van de vissers, markthandelaren en visrokers het liefst op het water blijven wonen. Elk huishouden bezit een kano. De grote kano’s worden gebruikt op open zee en de kleinere in de lagune. De gemeenschap voorziet de inwoners van Lagos van vis. Op de Asejere-markt, de bekendste in Makoko, wordt de vangst – barracuda’s, garnalen en krabben – tegen lage prijzen verkocht.

    Culturele smeltkroes

    Aan de andere kant van het continent, in Kigali, ligt Nyamirambo, een sloppenwijk ‘in overgang’: de wijk wordt inmiddels meer als voorstad dan als sloppenwijk beschouwd, hoewel de infrastructuur en de veiligheid in delen van Nyamirambo nog veel te wensen overlaten. Vijftig jaar geleden was het nog een doodgewoon Rwandees dorp maar in korte tijd vestigden zich er veel migranten en kwam het bekend te staan als een bruisend maar gevaarlijk deel van de stad, lokaal bekend onder de naam ‘Gangster Paradise’. Het is een culturele smeltkroes met inwoners afkomstig van het hele continent en het heeft een grote moslimgemeenschap. Het nachtleven is er bruisend, met winkeltjes die zeven dagen per week geopend zijn, vierentwintig uur per dag. Nyamirambo wordt beschouwd als de bakermat van het Kinyarwanda-slang (naast het Engels en het Frans de derde officiële taal van Rwanda), de taal waarin het merendeel van de lokaal geproduceerde muziek wordt opgenomen. De wijk vormt een levendig muziekcentrum met tal van studio’s zoals Touch Record, F2K, Super Level en Top5sai.