Een toevallige vondst op een vlooienmarkt in Japan laat zien hoe kinderen de naoorlogse bezetting van het land hebben ervaren.
In een tweet liet Mark Alt weten dat hij een set n een Tweet liet Mark Alt weten dat hij een set karuta (speelkaarten) had ontdekt die stamt uit de tijd van de geallieerde bezetting van Japan, waarschijnlijk net na het einde van de Tweede Wereldoorlog. Hij vertelde Global Voices dat hij de set vond tijdens het browsen op de populaire maandelijkse Kobo-ichi-vlooienmarkt in Kyoto. De kaarten worden gebruikt voor menko, een traditioneel Japans kaartspel dat vooral door kinderen wordt gespeeld.
Centraal in dit dek staat de Amerikaanse soldaat: misschien wel de meest prominente figuur van het dagelijks leven in het vroege naoorlogse Japan. Alt, oorspronkelijk afkomstig uit de Verenigde Staten, is voormalig presentator van Japanology Plus, dat populaire televisieprogramma’s uitzendt over de Japanse popcultuur. Hij is ook auteur van het onlangs verschenen Pure Invention: How Japan’s Pop Culture Conquered the World, en samen met Hiroko Yoda auteur van een populaire serie boeken over Japanse monsters, genaamd Yokai Attack!. Ook hebben Yoda en Alt onlangs meer dan 12.000 pagina’s vertaald uit Doraemon, een van de meest geliefde mangaseries van Japan.
Screenshot van ‘Japan: Our Far East Partner Department of Defense.’ Audiovisueel centrum van het Amerikaanse leger. (ca. 1974 – 15/05/1984). Publiek domein, gehost op YouTube door Nuclear Vault.
Op sommige kaarten stonden opmerkelijke picto- grammen die voor iedereen over de hele wereld herkenbaar zijn.
Na de nederlaag van het land in augustus 1945 werd Japan tot 1952 bezet en bestuurd door geallieerde troepen (de eilanden van Okinawa zouden tot1972 door Amerikaanse troepen worden bestuurd). Het Amerikaanse leger speelde een prominente rol tijdens deze bezetting.
‘Het is met de kinderen van een ander land dat de Amerikaanse soldaat voor het eerst vrienden maakt.’ Een Amerikaanse soldaat deelt snoep uit aan Japanse kinderen aan het begin van de geallieerde bezetting van Japan.
Hoewel de bezettingstroepen aanvankelijk tot doel hadden Japan te demilitariseren, veranderden ze door verwoestingen, hongersnood en sociale onrust in het land al snel in natiebouwers. In een door oorlog verwoest land boden Amerikaanse soldaten chocolade en snoep uit en werden ze alomtegenwoordig onderdeel van het lokale leven. Ze regelden het verkeer, hielden de wacht buiten openbare gebouwen en deelden noodhulp uit.
Dat is waarschijnlijk de reden waarom de bezettingsmacht in dit kaartspel voor kinderen voorkomt, aldus Alt.
Karuta-kaartspellen hebben een eeuwenoude geschiedenis in Japan. Ook de Japanse gamemoloch Nintendo is oorspronkelijk ontstaan uit kaartspellen voor kinderen. Tarin Clanuwat, een onderzoeker en computerwetenschapper gespecialiseerd in karakterherkenning, machine learning en Japanse literatuur (en beter bekend als @tkasasagi op Twitter), plaatste naar aanleiding van Alts bericht een reeks tweets waarin de geschiedenis van Nintendo en speelkaarten werd onderzocht: Er bestaat een uitgebreide collectie van de geschiedenis van kaartspellen in Japan, waar dit spel mogelijk deel van uit zal gaan maken, onder andere in bezit van de voormalige Mitsuke School in Iwata, in de prefectuur Shizuoka.
Global Voices is een internationale gemeenschap van schrijvers, bloggers en digitale activisten die ernaar streven om te vertalen en te rapporteren wat er wereldwijd in de media wordt gezegd. Dit non-profitproject werd opgezet door het Berkman Center for Internet and Society aan de Harvard Law School.
Had voorheen de staat het monopolie op officiële informatie, nu waarschuwen bewoners in Brazilië elkaar via apps of en waar ze veilig over straat kunnen. En niet alleen dat, via hetzelfde medium politieke druk worden uitgeoefend.
Julia Borges was op het verjaardagsfeest van haar twaalfjarige neefje toen ze werd neergeschoten. De zeventienjarige stond op een balkon op de derde verdieping toen een verdwaalde kogel haar in de rug raakte en zich nestelde in de spier tussen haar longen en aorta.
Dat was 8 november 2020. Gelukkig kon Borges snel naar het ziekenhuis worden gebracht en herstelde ze. Dat geldt zeker niet voor iedereen wie dit overkomt. Tot dusver zijn er in 2020 in Rio minstens 106 mensen gedood door verdwaalde kogels.
Een van de gevaarlijkste plekken zijn de smalle straatjes van de favela’s van de stad, waar momenteel meer dan een miljoen mensen wonen. Hier zijn de huizen op elkaar gestapeld en de steegjes die ertussen kronkelen zijn bezaaid met kleine pleintjes. In die steegjes weerklinken regelmatig de geluiden van geweervuur: dagelijks zijn er schietpartijen tussen politie en drugshandelaars, rivaliserende groepen mensenhandelaars of zelfs door de politie gesteunde milities.
Vaak moeten bewoners op de grond gaan liggen of barricades zoeken om zich voor verdwaalde kogels te verbergen, tot het vuren voorbij is. In 2019 waren er in Rio gemiddeld twintig schietpartijen per dag [ter vergelijking: in Nederland zijn dat er twee, red.]. Sinds het begin van de pandemie is het iets rustiger geworden, maar tot eind juni waren er dagelijks nog steeds gemiddeld veertien schietpartijen. Elk jaar worden in het grootstedelijk gebied van Rio ongeveer vijftienhonderd mensen doodgeschoten.
Wie in Rio woont is een ‘gijzelaar van geweld’, zegt Rafael César, die in Cordovil, een buurt ten westen van het centrum, woont.
Zoals veel inwoners is César apps gaan gebruiken om zichzelf te beschermen. Op deze crowdsourced-apps kunnen gebruikers gevaarlijke zones op weg naar huis opzoeken en elkaar waarschuwen welke gebieden ze moeten vermijden.
Een van de populairste apps, Fogo Cruzado (kruisvuur), is opgezet door journalist Cecília Olliveira. Ze was van plan een verhaal te schrijven over slachtoffers van verdwaalde kogels in de stad, maar de informatie die ze nodig had, was niet beschikbaar. Daarom begon ze in 2016 een Google Doc-spreadsheet bij te houden met informatie over schietpartijen: waar en wanneer ze plaatsvonden, hoeveel slachtoffers er waren en meer. Nog datzelfde jaar werd de spreadsheet met hulp van Amnesty International omgezet in een app en een database voor degenen die gewapend geweld in de gaten hielden en erover rapporteerden. De app is meer dan 250.000 keer gedownload en heeft behalve voor Rio ook een versie voor Recife.
Netwerk
Als een gebruiker geweerschoten hoort, kan deze het incident in de app registreren. De informatie wordt geverifieerd en gecontroleerd door het Fogo Cruzado-team, met hulp van een netwerk van activisten en vrijwilligers, en vervolgens geüpload naar het platform, waarmee een melding voor gebruikers wordt gegenereerd. Fogo Cruzado heeft ook een team samengesteld van vertrouwde medewerkers die direct informatie kunnen uploaden, zonder dat eerst een controle hoeft plaats te vinden. Gebruikers kunnen zich aanmelden voor het ontvangen van updates wanneer ze op weg zijn naar een zone die als gevaarlijk wordt beschouwd, zoals een favela waar recentelijk is geschoten of waar een strijd plaatsvindt tussen verschillende bendes.
Fogo Cruzado wordt gebruikt door lokale bewoners die willen controleren of ze veilig naar hun werk kunnen en weer terug, zegt Olliveira.
‘Ik ben Fogo Cruzado gaan gebruiken omdat er regelmatig door de politie werd ingegrepen in een wijk waar ik elke dag doorheen kwam,’ zegt journalist Bruno De Blasi. Omdat in WhatsApp-groepen veel valse berichten over schietpartijen verschenen, besloot hij de app te gebruiken om ‘onnodige angst te vermijden’.
Zoals velen in de stad is ook hij wel eens te dicht in de buurt van een vuurgevecht gekomen. Hij herinnert er zich een in de straat waar hij woont.
‘Het gevoel was vreselijk, vooral omdat die straat werd beschouwd als een van de veiligste en rustigste in de buurt, waar ook het politiebataljon zich bevindt,’ vertelt hij. ‘Ineens moest ik wegblijven bij het raam van mijn eigen kamer vanwege het risico op een verdwaalde kogel.’
Nieuwe kaart
Samen met een aantal andere organisaties werkte Fogo Cruzado ook aan een nieuwe kaart van gewapende groepen in Rio de Janeiro. De kaart, die in oktober 2020 werd gelanceerd, is bedoeld om de inwoners van de stad op de hoogte te houden van de gebieden waar criminele groepen of politiemilities actief zijn.
Er zijn nog meer apps die gegevens over schietpartijen verzamelen, maar Fogo Cruzado is een van de weinige die door het publiek wordt bijgewerkt, vertelt Rene Silva, redacteur van de website Voz das Comunidades (stem van de gemeenschappen) die is gewijd aan het Complexo do Alemão, een grote groep favela’s in Rio. ‘Soms registreert de app bijvoorbeeld schietpartijen die niet in de media komen,’ zegt hij.
De app Onde Tem Tiroteio (waar is de schietpartij) werkt op een vergelijkbare manier. Deze werd oorspronkelijk in januari 2016 door vier vrienden gemaakt als Facebook-pagina. Terwijl Fogo Cruzado zich concentreert op de regio Rio, bestrijkt Onde Tem Tiroteio (OTT) de hele staat – en sinds 2018 ook de staat São Paulo. Een verschil met Fogo Cruzado is dat gebruikers de juistheid van schietrapporten kunnen controleren.
Als je de OTT-app downloadt, kun je kiezen waarover je meldingen wilt ontvangen, of dat nou schietpartijen, overstromingen of demonstraties zijn. Elke anonieme melding wordt beoordeeld door een netwerk van meer dan 7000 vrijwilligers ter plaatse. Pas na bevestiging wordt de melding geüpload naar de app. Ook worden wekelijkse rapporten aan de pers vrijgegeven. Volgens Dennis Coli, een van de medeoprichters van OTT, werd de app vorig jaar door meer dan 4,7 miljoen mensen gebruikt.
‘De belangrijkste missie van OTT-Brasil is om alle burgers uit de buurt te houden van georganiseerde bendes, valse politieacties en verdwaalde kogels,’ zegt hij. Maar de apps hebben ook een politieke invalshoek. Ze houden niet alleen de inwoners van Rio veilig, ook helpen ze onderzoekers en openbare instellingen om patronen van geweld te begrijpen – en om de politici onder druk te zetten.
Ze ‘dienen in de eerste plaats om de aandacht te vestigen op de omvang van het probleem’, zegt Pablo Ortellado, hoogleraar openbaar beleid aan de Universiteit van São Paulo. Voor hem hebben dergelijke apps ‘een heel specifieke sleutelfunctie: het verhogen van de druk op de autoriteiten’.
Dat Recife als de tweede stad voor de Fogo Cruzado-app werd gekozen, was inderdaad niet alleen vanwege de hoge mate van geweld, maar ook omdat, zegt Olliveira, de deelstaatregering was gestopt met het vrijgeven van gegevens en was begonnen met het censureren van journalisten. ‘Vroeger was er uitstekende toegang tot gegevens over de openbare veiligheid, maar de gegevens werden geleidelijk schaarser en het werk van de pers werd steeds moeilijker,’ zegt ze.
Op deze manier kunnen dergelijke apps bijdragen aan het controleren van informatie die overheden verschaffen, zegt Yasodara Córdova, onderzoeker aan de Harvard Kennedy School in Massachusetts.
Monopolie
In het verleden had de staat het monopolie op officiële informatie, maar sindsdien is er het een en ander veranderd, zegt ze. ‘Het is verstandiger om ook databases te onderhouden die worden bijgehouden door actieve gemeenschappen, zodat gegevens worden gecontroleerd en de openbare ruimte transparant blijft.’
Felipe Luciano, een OTT-gebruiker uit São Gonçalo, een stad in de buurt van Rio, beaamt dit. ‘De sleutel is vertrouwen,’ zegt hij. ‘Wat mij motiveerde om OTT te gebruiken is de geloofwaardigheid van de informatie die daar wordt gepost. Het maakt dat ik me veiliger voel.’
Opgericht in 1899 als The Technology Review, voor MIT-alumni. Tegenwoordig is de doelgroep breder en is de aandacht verlegd van enkel technologie naar tevens de commerciële toepassing ervan.
De laatste dictator van Europa, Aleksander Loekasjenka, houdt zijn land al ruim 25 jaar in een wurggreep. Grzegorz Szymanik dook in het onthutsende verleden van de Belarussische president. Hij was ambitieus, licht ontvlambaar en leed aan depressies. Droomde ervan eerste partijsecretaris te worden en vond een nieuw doel toen de Sovjet-Unie uiteen viel: president worden.
Dat Belarus het land van de zon is, is door de staat bekrachtigd. Ongeacht van welke kant je het land binnenrijdt zie je de affiches ‘Welkom in het land waar de zon altijd schijnt’. Vervolgens om de haverklap “Het land van de zon’, ‘Het land van de zon’, ‘Het land van de zon’, meiden tussen het graan, arbeiders met helmen op. Militairen. Allemaal spreken ze glimlachend in de hoofd-etters: ‘IK HOUDVANMIJNLAND’, ‘Belarus – EENFIJNTHUIS’, ‘Belarus – MIJNLIED’.
Dit alles om het gebod ‘eer uw vaderland als uw moeder’ niet te vergeten. Eer uw vader.
Vandaag verdwijnt het land van de zon onder een pak sneeuw. Alle erven zijn eronder bedolven, verdomme, je kunt je stulp niet uit. De koe, nog niet gemolken, loeit in de stal. Een oud vrouwtje fietst over de weg. De wind blaast haar in het gezicht, en blaast haar bijna omver.
‘Waar gaat u heen, omaatje?’
‘Naar de jacuzzi.’
Ah, die mooie jacuzzi die Pappie heeft laten bouwen. Waarom zou hij het zijn streekgenoten niet gunnen? Hij ging hier naar school, hij beheerde een
sovchoz [collectieve boerderij in handen van de staat ten tijde van de Sovjet-Unie]. De makker die met dezelfde melk werd grootgebracht.
Tegenwoordig doen zelfs excursies het gebied tussen Vitebsk en Mohylev aan, waar Sjklov, Kopys en het piepkleine Aleksandrja liggen. Men wil de geboortegrond van de president zien. Hoe is het daar?
Nou, het is er onverbiddelijk. Net als de president zelf. Wie niet naar de grond luistert, zal geen brood hebben. Maar getoonde trouw wordt beloond. Hij is haatdragend. En onveranderlijk.
Zoals Pappie.
‘Hij was al zo toen hij hier woonde,’ zullen de meesten zeggen. ‘Hij was goed, charosjij, hield vast aan discipline.’
‘Hij was al zo toen hij hier woonde’, zullen weinigen zeggen. ‘Een stuk verdriet was hij. Maar wie had gedacht dat hij ons ging vermoorden?’
Waar kwam Aleksander vandaan? Zijn moeder, Katsiaryna Loekasjenka, ging werken in Orsja en kwam met de president in haar buik terug. Wie was zijn vader? Een zigeuner, zeggen ze. De eenogige chauffeur Grisja uit de linnenbewerkingsfabriek, zeggen ze. ‘Mijn vader kwam om in de Grote Vaderlandse Oorlog,’ voegt de president zelf eraan toe. Maar de laatste schoten vielen negen jaar voordat hij werd geboren. Heeft hij zo lang in zijn moeders buik liggen wachten? Een wonder? Het is onbekend.
Wat wel bekend is, is het volgende: Kopys, 1954, augustus.
De 30ste of 31ste augustus? Dat is dan weer onbekend. Vroeger werd het officieel op de 30ste gevierd, maar sinds twee jaar geldt een nieuwe verordening: de president is jarig op 31 augustus, net als zijn jongste zoon Kola.
Hij kreeg de naam Aleksander, de beschermer van de mensheid, en groeide op in het nabije dorp Aleksandrja, aan de andere rivieroever.
‘Ik zat met mijnheer de president samen in de eerste klas van de basisschool,’ zegt Aleksander Aleksijevitsj, leunend tegen een verrot deurkozijn van de veranda, zo verrot dat het elk ogenblik kon omvallen en de ruit doen sneuvelen. Dat wil zeggen als in de ramen van het huis van Aleksander Aleksijevitsj glas zou zitten. Er zit folie in. Aleksander Aleksijevitsj trekt zenuwachtig aan zijn sigaret in een sigarettenpijpje van gedraaid aluminium. ‘Wie had gedacht dat hij president zou worden? Ik voetbalde met hem in de modder. En nu komt hij langs met een auto, chique gekleed, gaat even wandelen. Waarom zou ik hem proberen te benaderen? Wat voor hulp heb ik nodig? Nou ja, ik heb geen verwarming, maar ik stook met hout, het gaat prima.’
‘Maar is het beter als nu Pappie regeert of was het beter onder de Sovjets?’
‘Ik heb hoofdletsel. Wat ik me kan herinneren, herinner ik me.’ Aleksander Aleksijevitsj krabt op zijn hoofd alsof hij dichter bij zijn herinneringen zou willen komen. ‘Om een of andere reden kan ik me dat niet herinneren.’
Nog maar weinigen in het dorp kunnen zich de president herinneren. Allemaal forensen. Een goede plek, ‘de geboorteplaats van presidenten’, er komen steeds meer huizen bij. Ze hebben niet gezien in wat voor armoede Pappie leefde, hoe de jochies aan zijn oren trokken omdat hij geen vader had. Wat kunnen ze vertellen?
Het boerenhuisje, waar de president op een aardappeldieet groeide als kool, is er ook niet meer. Toen hij president werd beval hij het plat te gooien. Op die plek staan er nu een houten wachthuisje, een bank en een tafeltje. Je kunt er even gaan zitten, een slokje thee uit je thermosfles nemen, op een augurkje uit het koninkrijk der augurken knabbelen en een blik werpen op het land van de zon.
Geschiedenisleraar
‘De oude schoolarts zou zich hem kunnen herinneren,’ herinnert Aleksander Aleksijevitsj zich en stopt met krabben aan zijn hoofd. ‘Hij zou iets kunnen vertellen.’
De schoolarts Nikolaj Danilovitsj Jelski: ‘Ik zeg niets! Waarom zijn jullie hier aan het snuffelen? Onze president is een goed mens, hij bevalt ons wel,’ zweert hij en vervolgt: ‘Natuurlijk kan ik het me herinneren! Mijn vrouw Tamara Ivanovna heeft samen met hem gewerkt. ‘Zo was het toch, Tamara Ivanovna?’
Tamara Ivanovna fatsoeneert haar bloemetjeshoofddoek, tikt met haar wandelstok en verdwijnt in een andere kamer.
‘Toen hij hier voor het eerst als president kwam, vroeg hij: “Hoe gaat het met jullie, streekgenoten?” “Goed hoor, Aleksander Grigorjevitsj!” antwoordde ik, waarop de president zei: “Ga dan aan het werk en leef!” En dus werk ik. Ik heb een koe en konijnen. En ik leef. En ik heb het goed. Tamara Ivanovna, zeg eens wat!’
‘Dat interesseert me niets!’
‘Tamara was de mentor van de eerste klassen van de basisschool toen Pappie hier geschiedenisles gaf. Ik heb dertig jaar als arts gewerkt. Mijn pensioen bedraagt zevenhonderdduizend Belarussische roebels. In de winkels is alles te koop, worsten, vleeswaren, ik kan me het veroorloven. We hebben hier ook een zwembad, een sauna, een jacuzzi. Hij heeft een school voor ons laten bouwen, en een sportcomplex en asfaltwegen. O, er reed een auto voorbij! Tegenwoordig heeft hier één op de drie een auto. Er is ook een hotel en een volgende is in aanbouw. Want er komen excursies hierheen uit Minsk en zelfs uit Rusland! Wat bezoeken ze? Er is een museum, een zaal in de oude school waar de president op zat. Ik ga het even laten zien, maar alleen van de straatkant, want anders moet je met een militieagent komen en er toestemming voor hebben. Wie weet, leg je er wel een explosief onder,’ Kola knijpt zijn ogen dicht.
Sasja uit Sjklov
Door de ruit zijn de netjes opgestapelde boeken te zien. Alsof de kleine Sanja, zoon van een melkboerin en een onbekende vader, gisteren nog met de neus in de boeken aandachtig zat te lezen over de kleine Ioseb Besarionis Dze Dzjoegasjvili, zoon van de schoenmaker Vissarion en de wasvrouw Jekaterina.
Hij moest wel van de geschiedenis houden aangezien hij naar Mohylev vertrok om er geschiedenis te gaan studeren.
In het land van de zon, het koningrijk der augurken, opgesloten in een kasteel, woont prinses Halina. De prinses is al met pensioen, maar ze verdient nog wat bij bij een Regionaal Uitvoerings-comité. Ze organiseert de verblijven in de sanatoria. Ze heeft Sasja leren kennen op de basisschool. Vier kilometer legde hij af om bij haar te zijn. Ze was zo gewoontjes en rustig. En ook hij was vroeger zo gewoon. Later niet meer.
Hij vertrok naar Minsk om het land te besturen, zij bleef achter op de boerderij met de koeien. ‘Echtgenotes horen zich niet te bemoeien met de zaken van de staatsambtenaren,’ zei hij. Waarom deed ze het dan? Ze liet aan de journalisten zien hoe ze de koe Milka aan het melken was. Een koe aan de tieten trekken, zoiets hoort toch niet bij de Eerste Dame? Pappie verbood contacten met de pers en sloot de prinses in het kasteel op: om een groen huisje in Rizkovitsje (tegenwoordig een wijk van Sjklov) liet hij een muur bouwen. Er is een controlepost naast geplaatst. Als er iemand stopt en te lang blijft kijken, dan wordt er meteen gecontroleerd: Wie is het? Wat wil hij? Wat voor een verdacht gezicht is dat? Waarom zulke lange armen? Waarom zulke onrustige ogen? Waarom glimlacht hij? Is er iets om te lachen? Voor wie is hij bang? Misschien heeft hij een reden om bang te zijn?
Het zestienduizend inwoners tellende stadje Sjklov nabij Aleksandrja is een koninkrijk der augurken. De hele regio staat bekend om de augurken die er worden verbouwd en verwerkt. De augurk heeft zelfs zijn standbeeld in Sjklov. Manshoog, glimlachend, houdt hij een met augurken gevuld mandje vast. In het plaatselijke museum bevindt zich een wand die aan de president is gewijd. Vanaf de foto’s blinkt het gebit van de president die door de lokale notabelen wordt verwelkomd.
Pappie en augurken zijn de symbolen van Sjklov. Sasja is hierheen gekomen omdat hij geen tractorchauffeur wilde worden zoals de andere jongens van het dorp. Maar hij wist nog niet wat hij wel wilde gaan doen. Hij gaf geschiedenisles, hij probeerde het in het leger als politruk [ambtenaar van de Communistische Partij die is aangesteld om de communistische ideologie te versterken in het leger]. Hij was op zoek naar zijn roeping, naar iets waarin hij goed zou zijn.
Iets aangekruist
‘Je kunt toch geen slechte herinneringen aan de president hebben?’ verbaast Misjka zich in zijn vlakbij Sjklov gelegen huisje, dat beplakt is met sneeuw als dumplings met dikke room. Misjka is eenentwintig jaar oud en gedurende zijn hele jonge leven steunde hij Loekasjenka. Maar de laatste tijd is er bij Misjka een revolutie te bespeuren.
Men zegt dat hij tijdens de presidentsverkiezingen op Sannikau heeft gestemd, degene die in de gevangenis werd gezet.
‘Misja, wat is er gebeurd?’
‘Ik heb op Sannikau gestemd. Of misschien op Niaklajeu? Ik kan het me niet herinneren. Ik had haast toen ze met de stembus langskwamen. Ik heb snel iets aangekruist zonder goed te kijken. Later, toen ze op de televisie lieten zien wat er op het plein in Minsk aan de hand was, de protesten en rellen, toen kreeg ik er spijt van. Zo’n land hebben we niet nodig.’
Want nu, volgens Misja, heerst er vrede en rust, wat wil je nog meer. Hij heeft werk en hij wordt naar de bouwplaats gebracht. Hij verdient vijfhonderd dollar per maand. Nou ja, Misja heeft dat geld nog niet gezien, maar dat werd hem beloofd (Misjka’s moeder, die vroeger in een sovchoz met Loekasjenka werkte, krijgt een salaris van tweehonderd zestigduizend Belarussische roebels, dat wil zeggen negentig dollar). En dan op zondag een sauna en vrienden. Een prima leven. Daarom wordt Misja voorzichtiger bij de volgende verkiezingen.
‘En degenen die niet van hem houden, koesteren zij misschien om een of andere reden wrok tegen hem?’ vraagt Misjka zich af.
Natuurlijk zijn die er ook, zelfs op de presidentiële grond zijn er egoïsten
die hem niet als Vader willen.
‘In het vlakbij Sjklov gelegen dorp Dobrejka woont Pjotr Migoerski. Wat |is hij allemaal niet aan het doen, hoe strijdt hij niet tegen het regime! Een moedige, harde werker. Verbazingwekkend dat hij nog niet is ontslagen,’
vertelt journalist Anatol Gulajeu, de oude kennis van Loekasjenka.
‘Kom, we gaan een glaasje drinken want ik ben vandaag ontslagen,’ zegt Pjotr Migoerski.
Migoerski was ooit leidinggevende, zoals Loekasjenka, maar dan van een kolchoz [collectieve boerderij bestuurd door de boeren zelf ten tijden van de Sovjet-Unie. De kolchoz heette De overwinning. Migoerski dronk wodka met Pappie, ze voetbalden met elkaar. Vandaag de dag is Loekasjenka, oud-directeur van een sovchoz, de president en hij ontslaat op staande voet Migoerski, oud-directeur van een kolchoz, doctor in de economie in Mohylev.
‘De decaan riep me naar zich toe en zei tegen me: “Neem zelf maar ontslag, anders zal ik je moeten ontslaan.” Die decaan is een goede vent, maar hij kan niet anders.’
Waarom? – zo luidt de titel van een vertelling van Tolstoj over de familie Migoerski, de Poolse bannelingen in Siberië. Volgens Migoerski uit Dobrejka gaat het over zijn voorouders. Zijn overgrootmoeder was de maîtresse van de schrijver en daarom had hij over hen geschreven.
‘Waarom?’ vraagt Migoerski nu in navolging van Tolstoj. ‘Waarom werd ik uit mijn werk gegooid?’
Ja, hij geeft een onafhankelijke krant Sjklov Info uit (oplage tot driehonderd exemplaren).
Ja, hij neemt deel aan de beweging Zeg de Waarheid die de informatie over de ware toestand van de Belarussische staat verzamelt en verspreidt.
Ja, hij gaf in de regio leiding aan de campagneteams van Niaklajeu,
Sannikau, Rymasjeuski en Kastoesiou (het kan niet anders, de oppositie is hier te klein om voor elke kandidaat een afzonderlijke team op te zetten).
En het allerbelangrijkste: ja, tijdens de laatste verkiezingen was hij de rechterhand van de kandidaat Niaklajeu.
Hij is schuldig aan zo veel misdrijven. Vanwaar dus die verbazing?
Een verbetering zit er ook niet in: bij Pjotr Migoerski op de zolder bevindt zich “het museum van de oppositie”.
Om de wit-rood-witte vlag van het onafhankelijke Belarus liggen de insignes van het verzet: een bordje met daarop de paus (uit Krakau), de balpen van Sjoesjkievitsj, de handtekening van Milinkievitsj. En een sjaal van Manchester United.
Op Pappies grond zijn er maar weinigen die ‘wrok’ koesteren (zoals Misja het zou hebben gezegd). Het is hier geen Minsk.
Mensen hier houden van dit soort bestuur. Men houdt hier van salarisverhogingen (al worden ze direct opgevolgd door prijsverhogingen; de prijzen worden door de staat gereguleerd en altijd in dezelfde volgorde: eerst stijgen de salarissen, daarna de prijzen, zodat men nooit over te veel geld kan beschikken en zou ophouden met aards denken, maar ook zo dat men niet te veel honger zou lijden om in opstand te komen).
Men houdt van goed bevoorrade winkels (wat maakt het uit dat de prijzen zo hoog zijn, dat de Wit- Russen die vlakbij de Poolse grens wonen voor hun boodschappen naar Polen afreizen, alleen de sigaretten zijn hier goedkoper, maar met tabak eet je je buikje niet rond). Men houdt hier van een stabiele uitbetaling van pensioenen (een hongerpensioen, maar altijd op tijd binnen). Het studeren is gratis (wat maakt het uit dat je het later moet afbetalen door drie jaar lang te werken op het terrein rond Tsjernobyl of in de landbouw). En in geval van een geldtekort in het land, laat Pappie geld bijdrukken.
Yoghurt
De wodka raakt op. Pjotr Migoerski herinnert zich ineens dat hij geen werk meer heeft. Hij haalt de schilderijen van de muur af en wil ze gaan verkopen om brood te kunnen kopen. Hij doet zijn overhemd uit, want naast de kachel is het heet. Met een T-shirt aan met daarop ‘De waarheid overwint’ neemt hij plaats voor het tv-toestel Vitjaz en drukt op de knop.
Klik.
‘…het is nog geen jaar geleden dat de sovchoz Zabielsjin, tegenwoordig Oma’s Binnenplaats, begon winst te maken. De melkproductie in de sovchoz steeg toentertijd …’
Klik.
‘…en acht miljoen ton aardappelen.’
‘Waar zijn die aardappelen, waar is die melk?’ vraagt Migoerski. ‘Er is van alles, ja. Op papier. Ze schrijven er cijfers bij om het mooier te doen lijken. Een lage ambtenaar schrijft er wat bij, een belangrijke chef schrijft er wat bij en ook de minister. Vandaag weet eigenlijk niemand hoeveel graan, aardappelen, melk en vlees we werkelijk produceren. De melkverkoopcijfers zijn een staatsgeheim.’
Klik.
De president is aan het woord! Hij heeft het over yoghurt, een zaak van staatsbelang. Danone wil Belarus bestelen. Hij schreeuwt. De gezichten van de ministers verbleken. Bij al dat geschreeuw staan ze voorovergebogen en verontschuldigen zich.
Klik.
De Egyptische meute steekt een papieren gezicht van Moebarak in brand. Wanneer het vuur Moebaraks neus en wangen verorbert, beginnen Migoerski’s ogen te schitteren.
‘Hij is al tachtig. Hij hoort met zijn kleinkinderen te spelen en niet het land te besturen. Dit is een waarschuwing aan de onze,’ zegt Pjotr Migoerski vrolijk.
‘Maar die Egyptische Pappie regeert al dertig jaar lang en onze Pappie pas zeventien jaar’ voegt zijn vrouw Valentina Filipovna somber aan toe.
Aleksander uit de Haradzjets sovchoz ‘wanneer hij een toespraak hield grepen de directeuren, ouderen en oogopgeleiden naar hun hoofd. Maar anderen vonden het leuk,’ vertelt Anatol Goelajeu, journalist uit Minsk, oud-kennis van Pappie uit Sjklov.
Op zijn eerste werkdag in de sovchoz had hij gezegd:
“Ik ben jullie Führer!”
Daar houdt men van met de arm dreigend zwaaien, keihard met de vuist op tafel slaan. En zo was Sasjka uit Sjklov toen hij Aleksander werd, directeur van de Haradzjets sovchoz. Besnord en breedgeschouderd, oude makker, wapperend met zijn armen alsof hij naar Minsk zou willen vliegen.
‘Niemand wilde hem als directeur, maar hij hield voet bij stuk. Hij kreeg die baan omdat men genoeg van hem had’ voegt Goelajeu eraan toe.
‘Mijn vrouw kwam naar me toe en zei: “Er is een nieuwe directeur, hij is jong, belooft weelde en stelt orde op zaken,”‘ herinnert zich Vladimir Olejnikov, bosbouwkundige en voorzitter van het oppositionele Belarussische Volksfront (BNF) in de regio. We warmen onze handen in het houten huisje vlakbij Haradzjets.
‘Ik kreeg toen een baan van de bijenhouder in de sovchoz aangeboden. Aan het begin had ik een goed contact met de president. Maar later verdween mijn honing uit het magazijn. Loekasjenkas glimlach verdween eveneens. Pas toen ik stopte met werken hoorde ik dat de tonnetjes met honing in het kabinet van zijn plaatsvervanger stonden. Mijn vrouw vertelde dat hij op zijn eerste werkdag in de sovchoz had gezegd: “Kameraden, ik ben jullie Führer!” Dat zei hij zonder een valse gedachte erbij.’
Lavon Barsjtsjeuski, schrijver, aanhanger van de oppositie, was in 1990 samen met Loekasjenka gedeputeerde in de Hoogste Raad van de Socialistische Sovjetrepubliek Belarus.
Andere dictators
‘Waarom wordt Stalin door Loekasjenka zo verheerlijkt? Waarom ontkent hij diens misdrijven, waarom bouwt hij voor hem een museum vlakbij Minsk? Een dictator voelt altijd, onderbewust, sympathie voor andere dictators. En hoe ging het met het interview waarin hij het efficiënte beheer van Hitler de hemel in prees? Volgens hem was dat een compliment. Hij dacht dat als hij iets positiefs over een Duitse leider, hetzij Hitler, hetzij een andere, zou zeggen, dat een Duitse journalist als muziek in de oren zou klinken.’
‘Hij hield een piepklein kopje in zijn enorme handpalm. Hij zat bij me in
de keuken en smeekte om hulp,’ herinnert journalist Goelajeu zich. ‘Het was 1988, perestrojka, de verkiezingen voor het Congres van de Volksgedeputeerden van de Sovjet-Unie waaraan hij deelnam. De lokale autoriteiten hinderde hem bij het organiseren van de bijeenkomsten omdat hij zichzelf had gekandideerd.
Toentertijd werkte ik als correspondent voor de Moskouse krant Idyllisch Leven uitgegeven door het Centraal Comité van de Communistische Partij. Oplage van twaalf miljoen. Ik ging op stap langs verschillende dorpen. En ik zag, inderdaad, dat hij werd gehinderd. Ik publiceerde een artikel dat hem enigszins had geholpen, maar de verkiezingen verloor hij alsnog. We werden echter vrienden. Hij kwam me op mijn datsja opzoeken, bracht cognac mee en we dronken. Hij stelde zijn vriendinnen aan me voor. Geen enkele sloeg hij over.
Een jaar later waren er verkiezingen voor de Hoogste Raad van de Socialistische Sovjetrepubliek Belarus. Loekasjenka doet weer mee. En opnieuw komt hij bij Goelajeu langs. Al vanaf de voordeur roept hij: ‘Ik heb niemand geslagen!’
‘Er was in de sovchoz een zekere Vladimir Bandoerkov, een tractor-bestuurder,’ licht Goelajeu toe. ‘Bandoerkov beklaagde zich dat hij van de directeur een behoorlijke rammel had gekregen. Loekasjenka kon er drie tot acht jaar voor krijgen. Dus ging ik bij Bandoerkov langs. Een armoedig huis, vijf kinderen kwamen te voorschijn, het ene nog meer besmeurd
dan het andere. Ik vroeg: Sloeg hij?
“Hij sloeg, smeet me op de grond en schopte. Ik haalde de anderen erbij. Er waren twaalf tractorchauffeurs in de sovchoz. Acht van de twaalf zeiden dat zij door Loekasjenka ook werden geslagen.” “Nou, Sasja, hoe zit dat?” vroeg ik hem. Hij antwoordde: “Wat een smeerlappen! Ik heb zoveel voor hen gedaan en ze kunnen maar niet vergeten dat ik ze een keer op hun bek heb geslagen.”
Maar deze verkiezingen werden door Loekasjenka wel gewonnen. De zaak werd gesloten.
Pak rammel
Pappie vertrok naar Minsk, maar was niets veranderd. De demonstranten
op het plein horen nu ook: ‘Ik doe voor jullie zoveel goeds en moet ik soms, als een vader, jullie een pak rammel geven.’
In het koninkrijk der augurken doet nog een verhaal de ronde. Een zekere Ivan Joesjkievitsj, landbouwkundig mecanicien, blijft met zijn collega’s buiten op het veld lunchen. ‘Wat doet die wodka bij de lunch?’ schreeuwt Loekasjenka. Maar Joesjkievitsj kwam onlangs terug uit Tiumeni in Siberië, waar hij in een kopermijn had gewerkt. Als je daar niet voor jezelf opkomt, dan overleef je het niet. Hij vuurt een scheldkanonnade af richting Loekasjenka. Loekasjenka grijpt Joesjkievitsj bij zijn overhemd. Joesjkievitsj grijpt naar een rubberen buis. De rubberen buis knalt op de rug van Loekasjenka.
Ze kunnen maar niet vergeten dat ik ze een keer op hun bek heb geslagen
Hoe ouder Ivan werd, hoe banger hij was daarover te vertellen. Hij overleed een jaar geleden. Zijn buren uit het koninkrijk der augurken vragen zich af waarom Pappie nooit wraak op Joesjkievitsj had genomen, terwijl de anderen voor kleinere vergrijpen er flink van langs kregen.
Pappie vertrok om het vaderland te besturen, maar de Sovjet mogendheid viel uit elkaar. Men maakte zich zorgen of er geen oorlog zou komen. Nu moest Belarus zichzelf gaan besturen. Helemaal alleen, o, o wat eng. We
kregen een nieuwe vlag, een nieuw embleem en nieuw, Wit-Russich geld met diertjes erop. In de winkels waren tekorten aan alles, terwijl de prijzen als de Sovjet spoetniks recht de hemel invlogen. Er moesten nullen aan het geld worden toegevoegd en er moesten nieuwe bankbiljetten met nieuwe diertjes worden bijgedrukt. Uiteindelijk kwam men diertjes tekort. Er heerste een gigantische chaos: wie was wie, voor wie moest men buigen en voor wie niet? Niemand die het wist.
Maar daar, in het verre Minsk, gaat de directeur van de sovchoz uit Sjklov, een goede gozer, de orde op zaken stellen.
‘Hij was heel ambitieus,’ zegt Lavon Barsjtsjeuski. ‘En we hadden iemand nodig die verstand had van de landbouw. Pas later kregen we het door dat hij er niet veel verstand van had. Maar hij hield ervan om erover te praten. Ook over het feit dat hij adviseur van Gorbatsjov was. Vaak waren we samen aan het voetballen. Hij was spits en schoot keihard, maar de bal vloog meestal langs het doel. Dan werd hij boos en maakte een overtreding. We hielden er niet van om met hem te spelen, want hij schreeuwde en schold zoals hij dat bij zijn onderdanen in de sovchoz deed, terwijl er kinderen langs de kant stonden. Hij leed destijds aan depressie. Hij droomde ervan om de eerste partijsecretaris te worden, maar de Sovjet-Unie viel voor zijn ogen uiteen. Zijn droom spatte uit elkaar. Maar al snel vond hij een nieuw doel: president worden.
En hij werd dat in 1994.
In 1995 introduceert hij een vlag en een embleem die naar het communistische Wit- Rusland verwijzen.
In 1996 wijzigt hij de grondwet, ontbindt de Hoge Raad en vervangt deze door het aan hem ondergeschikte parlement.
‘Een deel van de intelligentsia, zoals Karpienka en Hantsjar, heeft hem geholpen om president te worden,’ aldus Lavon Barsjtsjeuski. ‘Wij wilden geen presidentieel systeem, maar zij hielden voet bij stuk: “We hebben
een sterke president nodig om de hervormingen door te kunnen voeren, we zullen hem begeleiden.” “Jullie zullen nog huilen door voor zo iemand te kiezen,” zeiden we. Maar ze zullen niet eens meer huilen. Ze zijn er niet meer.’
De opgedroogde bloedvlekken en de verlaten auto’s bleven achter
Als eerste werd Hienadz Karpienka vergiftigd. Hij raakte in coma na koffie te hebben gedronken en overleed in april 1999. Zijn begrafenis groeide uit tot een demonstratie van de oppositie.
Daarna waren er geen demonstraties meer. Want er waren geen lichamen om te begraven.
Binnen een paar maanden losten in de Belarussische lucht de belangrijkste oppositieleden op: Joerij Zacharanka (mei 1999), Viktar Hantsjar (september 1999), Anatol Krasouski (september 1999).
In juli 2000 verdween Dzmitrij Zavadski, de persoonlijke cameraman van de president die Pappie had verruild voor de Russische televisiezender ORT.
De opgedroogde bloedvlekken en de verlaten auto’s bleven achter.
‘Ik zeg het eerlijk, er is orde in het land onder Loekasjenka. Hij houdt vast aan discipline. De oppositie is hier niet nodig, noch de chaos zoals in Oekraine’ constateert eenentwintigjarige Misja uit Sjklov en zet zijn pet weer goed. De wind blaast de sneeuw weg die van het huisje verdwijnt als de room van de dumplings.
‘Drie keer kreeg ik van de president een baan aangeboden,’ vertelt journalist Goelajeu. Hij kijkt uit het raam. ‘Drie keer heb ik geweigerd. Ik zou me bezig moeten gaan houden met de sluiting van de krantenredacties. Later ging ik kritische artikelen schrijven over de manier waarop hij met de oude rivalen uit de Sjklov regio was omgegaan. Toen werd hij boos op mij. Omdat ik hem een keer had geholpen dacht hij dat ik dat mijn hele leven lang zou gaan doen.
Aan het begin van zijn presidentschap kreeg ik bezoek van buitenlandse journalisten. Ze wilden een boek schrijven over de relatie met zijn vrouw Halina. Ik wist er veel van. Ze boden me geld aan, maar ik had het geweigerd. Destijds was ik een huisvriend van de Loekasjenka’s, dat zou een schurkenstreek zijn geweest. Ze zijn met niets vertrokken. Binnen de kortste keren verscheen de hoofdredacteur van de krant Sovjet Belarus en zei tegen me: “Aleksander Loekasjenka vroeg om aan u door te geven dat hij niet op u is gesteld, maar dat hij u wel respecteert.”‘
‘Wij, vogelverschrikkers,’ constateert bijenhouder Olejnikov. ‘Men wijst met de vinger naar ons: “Kijk eens hoe die oppositieleden leven.” Maar ik heb de vrijheid leren kennen en ik kan niet meer anders. Vijftien jaar werkte ik in de bossen. Elk jaar werd er een zaak tegen me aangespannen of ik moest voor de rechter verschijnen. Ik heb mijn brood leren verdienen. Ze hebben me met rust gelaten. Binnen de oppositie van ons district is er sprake van een ware pogrom zodat we geen enkele bedreiging voor hen vormen. De mensen van hier zijn als kinderen. Ze hebben een vader nodig. Ongeacht of en hoe erg hij hen zou bedriegen en oplichten, ze zullen hem blijven geloven. Van de vrijheid worden ze misselijk.’
Tijdens de laatste verkiezingen werkte Olejnikov als waarnemer en dus zag hij van alles. ‘We komen langs bij een oud vrouwtje. “Pakt u maar een stembiljet. U kunt wel of niet stemmen, maar pakt u die maar.” Ik zat een uur te wachten en liet niet toe dat iemand anders voor haar ging stemmen. Maar ze was zelf niet in staat om dat te doen. Ze zat te staren naar dat stembiljet, het witte vlak deed pijn aan de ogen. “Ik zelf? Waarom zoveel namen? Konden ze niet maar één kandidaat voorleggen zodat je er niet zo moe van werd?”
De waarheid overwint
In het land van de zon, in het koninkrijk der augurken sneeuwt het. Pjotr Migoerski trekt een warme trui over zijn t-shirt met daarop ‘De waarheid overwint’ en kijkt naar de tv hoe Egypte kookt. Hoe het borrelt en overstroomt. Hij kijkt naar Egypte, maar denkt aan Belarus: zal Loekasjenka de troon afstaan?
‘Nee, dat doet hij niet,’ Lavon Barsjtsjeuski weet het zeker. ‘Tijdens de laatste demonstraties van de oppositie op 19 december was het ijzig koud. Als hij even had gewacht, waren de mensen vanzelf naar huis gegaan. Maar hij is een lafaard. Hij vreest dat men hem Hantsjar en Zacharanka niet zal vergeven en dus liet hij de demonstranten met de knuppel bewerken.’
‘Waarom zou hij de troon afstaan?’ zullen de anderen uit het koninkrijk der augurken vragen, ‘hij is toch een vader voor het leven? Een vader kun je niet veranderen. Alleen ontaarde kinderen breken met hun vader.’
‘Is dat gespuis beter dan Pappie?’ vraagt Nikolaj Danilovitsj Jelski, de dokter uit Aleksandrja. ‘Ik zag de oppositieleden op de televisie: “Als ik president word, dan verzeker ik jullie van alles!” En waar haal je het vandaan, sukkel? “Halasavac za mianie. Ja prezident!” Hij spreekt Wit-Russisch. Wat voor een president. Jij, een stuk ongeluk!’ zegt dokter Jelski boos.
Het oude vrouwtje op de fiets (dat naar de jacuzzi gaat) zet haar nat van de sneeuw geworden muts weer netjes op. ‘Mijn God, Gospodi, ik moest me zo schamen toen ik hen op de televisie zag. Ze kunnen niet praten! Later zag ik hoe in Minsk hun ruggen met de knuppels werden bewerkt. “Harder, harder!” schreeuwde ik zelfs.’
‘Onze Sasjka uit Aleksandrja is niets veranderd,’ zegt dokter Jelski.
‘Het is moeilijk voor de mens om na zijn veertigste nog te veranderen,’ bevestigt journalist Goelajeu. ‘Vergaf hij vroeger niet, dan vergeeft hij nu ook niet. Was hij vroeger onverbiddelijk jegens zijn opponenten, dan is hij dat nu ook. Maar hij is geen beest. Hij is zoals de anderen. Als men aan iemand anders de absolute macht zou geven, wat zou hij dan hebben gedaan? Men vraagt me weleens of Loekasjenka
wijs is. Nee, niet echt. Er bestaat een Wit-Russisch gezegde: dom of niet, maar wel sluw. Om de macht tot elke prijs te behouden is wijsheid niet nodig.
Het is voldoende om geen geweten te hebben.
In het land van de zon, het koninkrijk der augurken, sneeuwt het niet meer. In de verte doemt een kaal geraamte op, een hotel in aanbouw. In het dorp doet de roddel de ronde dat ook de president hier zijn residentie aan het bouwen is. Hij komt voor zijn oude dag terug naar de Dnjepr. Naar het koninkrijk der augurken. Niet meer als Sanja, de zoon van een melkboerin, de jongen aan wiens oren andere jochies trokken, maar als mijnheer Aleksander Ryhoravitsj Loekasjenka, president van de Republiek Belarus. Degene die zelf geen pappie had, Pappie van ons allen.
Grzegorz Szymanik
Journalist Grzegorz Szymanik is verbonden aan de Poolse krant Gazeta Wyborcza.
_Zijn reportage verscheen oorspronkelijk in deze krant in april 2011 onder de titel ‘Kameraden, ik ben jullie Führer!’ (Towarzysze, jestem waszym Führerem!) en is onder de titel ‘Alexanderroman uit het koninkrijk der augurken’ opgenomen in Szymanik’s boek De motoren achter de revoluties (Motory rewolucji, Czarne 2015). _
Forge is opgericht ‘om onze constante strijd te onderzoeken om meer gedaan te krijgen, creatiever te zijn en ook nog eens gelukkig’. Over lifestyle en levenskunst. De leuze luidt: ‘Beat Yesterday’
Een nieuwe, ‘correcte’ taal moet iedere vorm van discriminatie en uitsluiting vermijden. Is dit een goede ontwikkeling, een komische, of is het ronduit gevaarlijk? vraagt FOCUS zich af. Door wie zich niet aan de regels houdt te ‘cancellen’ en door simpele tekens als een duimpje omhoog, is iedere nuance ver te zoeken.
Van de boze ophef die ze veroorzaakte, raakt ze niet meer verlost. J.K. Rowling, schepper van Harry Potter en een van de populairste schrijfsters ter wereld, heeft een tomeloze toorn over zich afgeroepen. En dat omdat de begenadigde taalkunstenares zich uitsprak tegen een bijzondere taalvariant. Ze zou niet meedoen met grillen als gedifferentieerde geslachtsaanduidingen, verklaarde ze, en ze maakte zich bijvoorbeeld vrolijk over de formulering ‘mensen die menstrueren’. Waarom, vroeg ze zich af, zeggen ze niet gewoon, zoals sinds mensenheugenis, ‘vrouw’? Sindsdien wordt ze belaagd door zelfbenoemde taalhervormers en onverbiddelijke opiniebewakers. Rowling zou de kant gekozen hebben van duistere machten. Ze zou transseksuelen discrimineren en sowieso reactionair zijn.
Rowling heeft slechts een paar tweets over dit thema gepost, maar de knuppel der verachting treft haar met volle kracht. Op het internet heeft zich een groep geformeerd die haar onder de hashtag ‘Rust zacht J.K. Rowling’ de dood toewenst. En er gaan filmpjes rond waarin Harry Potterboeken verbrand worden.
‘Correcte’ taal
Uitgestoten worden vanwege een paar zogenaamd verkeerde woorden? Tot persona non grata verklaard worden om een uitspraak die anonieme opiniebewakers niet welgevallig is? Het geval van J.K. Rowling laat zien hoe gevaarlijk het kan zijn om iets schijnbaar onschuldigs te zeggen als je met die uitspraak bepaalde regels overtreedt. Regels die, zo lijkt het althans, de manier van spreken (en daarmee van denken) beïnvloeden en in een bepaalde richting duwen.
De nieuwe, ‘correcte’ taal moet iedere vorm van discriminatie en uitsluiting vermijden. Daarin gelden alle mensen als goed en gelijk. In plaats van gedevalueerde ‘vluchtelingen’ zijn er nu ‘vluchtenden’ onderweg. Het zuiver manlijke ‘inwoners’ moet plaatsmaken voor ‘inwonenden’. De ‘zigeunerschnitzel’ is al even vergiftigd als de ‘negerzoen’ – en Pippi Langkous’ papa wordt nu ‘Zuidzeekoning’ [in plaats van negerkoning].
‘Ze was vroeger een man’ is nu: ‘Ze werd bij de geboorte als mannelijk ingedeeld’
Symbool van deze grote verbale opvoeding is een sterretje – dat aan elk mannelijk wezen een vrouwelijke uitgang hangt. Geslachten zijn sowieso slecht. In tijden van ‘diversiteit’ is elke indeling een last, een belediging en een bedreiging. Een geslachtsverandering verandert in een ‘geslachtsaanpassing’ en de zin ‘Ze was vroeger een man’ is nu uit den boze. Goed is: ‘Ze werd bij de geboorte als mannelijk ingedeeld.’
En migranten? Juist, dat zijn nu ‘mensen met een internationale achtergrond’. Zo staat het in de nieuwe richtlijn van de Berlijnse minister van Justitie voor het gebruik van een ‘diversiteitsgevoelige’ taal in het bestuur van de hoofdstad.
Je kunt zulke ontwikkelingen goed vinden. Of komisch. Maar ook gevaarlijk. Critici van deze nieuwe, moreel zo vlekkeloze woordkeus zien de vrijheid van spreken en van meningsuiting in gevaar komen. Het volk zou gemuilkorfd worden – elke provocatie, elke vorm van brutale en duidelijke taal zou verboden worden. Wie zich niet aan de nieuwe regels houdt, zou veroordeeld worden als verachter van de gelijkheid, als seksist, als racist.
Machtsmiddel
Taal, zo waarschuwde onlangs nog de Neue Zürcher Zeitung, is een ‘machtsmiddel’. Het politiek correcte ‘koeterwaals’ dat aanvankelijk door academische elites in de VS, en nu ook steeds vaker in Europa wordt gepropageerd, zou in ieder geval door bepaalde lagen van de bevolking opgevat kunnen worden als een ‘aanval’ op hun cultuur.
Intussen hebben de nieuwe regels ook de scholen bereikt. Of en in hoeverre ze van kracht zijn wordt beslist door de leraressen (en leraren) zelf. Zo kan in een opstel het ontbreken van het gendersterretje aangegeven worden, maar het hoeft niet fout gerekend te worden.
Heinz-Peter Meidinger, president van de Duitse bond van leraren, tilt niet zwaar aan het schriftbeeld: ‘Ik geloof niet dat een niet-discriminerende of genderneutrale cultuur in de school opgehangen kan worden aan de invoering van het gendersterretje.’ Het zou beslist fout zijn daar een ‘geloofsstrijd’ van te maken.
Maar is deze geloofsstrijd niet al lange tijd bezig? De geringste overtreding kan zware consequenties hebben omdat lezers op het internet de meest terloopse uitspraken opmerken, becommentariëren, beoordelen, veroordelen en verspreiden. De Berlijnse viroloog Christian Drosten bijvoorbeeld is voor heel wat tegenstanders van de coronamaatregelen een mikpunt van haat. Op desbetreffende fora is vrijwel iedere uitspraak van de onderzoeker aanleiding tot woede en verontwaardiging.
Maar wat is dat voor communicatie, als er overal valstrikken staan? Als jan en alleman (of -vrouw) alle mogelijke gevolgen van elke uitspraak van tevoren moet bedenken, alsof hij (of zij) werkt op de protocolafdeling van de diplomatieke dienst? Als iedere vergissing, iedere verspreking, iedere verontschuldiging onmogelijk is? Hoe moet je met elkaar praten als het niet meer op de inhoud, maar alleen nog op de vorm van het gezegde aankomt, en op een omineuze subtekst die deze vorm zogenaamd overbrengt?
Luchtig
Bij het afscheid van de algemeen secretaris van de FDP Linda Teuteberg maakte partijleider Christian Lindner een dubbelzinnig grapje. In de afgelopen vijftien maanden waren Teuteberg en hij ongeveer driehonderd keer samen de dag begonnen, grapte Lindner. En na een korte stilte voegde hij eraan toe: ‘Ik bedoel ons dagelijks telefoongesprek in de ochtend over de politieke situatie. Niet wat u nu denkt.’
Hij had zijn praatje gewoon een beetje luchtig willen houden, benadrukte Lindner later, nadat zijn opmerking ‘viraal ging’. Er was weer eens gebleken wat voor een seksist Lindner was, luidde het vonnis. En in de digitale ruimte was het nu de vraag of ‘zo iemand’ eigenlijk wel geschikt was voor een leiderspositie.
Opvallend is dat de morele oordelen geveld werden door lieden van wie je dacht dat ze progressief waren
Opvallend is dat de hoek van waaruit zulke smaadstormen opsteken intussen een andere is geworden. Dat ervoer ook de literaire wereldster Karl Ove Knausgard. Toen hij in 1998 in zijn vaderland Noorwegen zijn debuutroman Buiten de wereld publiceerde, waarin de liefdesgeschiedenis tussen een leraar en zijn dertienjarige leerlinge op provocerende wijze wordt verteld, werd het boek bejubeld. Maar zeventien jaar later, bij verschijning in Zweden, werd het door critici bestempeld als pornografisch en pedofiel.
‘Het klimaat is totaal veranderd,’ aldus een verbaasde Knausgard. Opvallend daarbij was dat de morele oordelen geveld werden door lieden van wie je dacht dat ze progressief waren.
De popcultuur had van meet af aan iets rebels. Ze richtte zich tegen het establishment, tegen de zedenmeesters en de kleinburgers. Pop was links. Maar nu komen uit dit milieu de hardste sancties tegen vermeende of feitelijke overtredingen van de regels en taboebreuken. Nooit was de spreuk van het satirisch gezelschap Neue Frankfurter Schule toepasselijker: ‘De scherpste critici van de barbaren zijn zij die ’t vroeger zelf waren.’
De controverse rond de Oostenrijkse cabaretier Lisa Eckhart, die ontbrandde naar aanleiding van een gepland optreden op de Hamburger Kiez, vlak bij de legendarisch recalcitrante krakerswijk Hafenstraße St Pauli, past helemaal in dit beeld. Eckhart had er in 2018 in het satirische televisieprogramma Mitternachtsspitzen op gewezen dat de intussen veroordeelde seksmisdadiger Harvey Weinstein een jood was. ‘Altijd zijn we tekeergegaan tegen het vooroordeel dat het de Joden om geld gaat, en nu blijkt plotseling dat het ze helemaal niet om geld gaat, maar om vrouwen,’ zei ze, waarmee ze een cliché ontkrachtte dan wel de grenzen van het politiek correcte moedwillig overschreed – al naargelang je standpunt.
Vage kennis
De organisatoren van het literatuurfestival in Hamburg vreesden in elk geval gewelddadige protesten in de ‘zoals bekend uiterst linkse wijk’ St Pauli, en trokken de uitnodiging aan Eckhart in. Dat is de andere kant van de digitale proteststorm: hij veroorzaakt ook schade in de analoge wereld. Ook daarom is de ‘cancelcultuur’ zo dubieus: de oproep tot boycotten berust vaak op slechts vage kennis van de context waarin de omstreden uitspraak werd gedaan.
Dat satire grenzen overschrijdt, was vroeger vanzelfsprekend. Tegenwoordig wordt een zin uit een satirische context losgerukt, van iedere ironie ontdaan en wordt de afzender ermee om de oren geslagen. Maar is satire, of provocerende kunst in het algemeen, dan nog wel mogelijk? ‘Ik ben bang dat ik me op zeker moment in mijn schrijven niet meer op riskant terrein wagen kan,’ zei Karl Ove Knausgard onlangs in een interview met Die Zeit.
Maar hoe moet je reageren als je te maken krijgt met felle beledigingen? De cabaretier Dieter Nuhr, in wiens uitzending Lisa Eckhart regelmatig optreedt, kiest voor de aanval. Nuhr verdedigt zich op Twitter en YouTube tegen critici die hem een ‘klimaatontkenner’ en een ‘wetenschapsverachter’ noemen. Helaas is het tegenwoordig niet meer voldoende om satire voor zichzelf te laten spreken, klaagt hij.
Maar ironie is van nature ambivalent, en cabaret berust op rollenspel. Wanneer Gerhard Polt in een van zijn beroemdste nummers een racist wordt die zijn Aziatische vrouw Mai Ling opvoert, betekent dat niet dat hij zelf racistisch denkt.
Het publiek beslist
Overigens moet ook gewoon in de gaten worden gehouden of uitspraken strafbaar zijn, of ze bijvoorbeeld beledigingen, Holocaustontkenning of verheerlijking van het nationaalsocialisme bevatten, of racistisch zijn. De klacht dat bepaalde dingen niet gezegd mogen worden is bovendien paradoxaal omdat tegelijkertijd openlijk wordt opgesomd wat allemaal zogenaamd verboden is.
Intussen moet blijkbaar altijd rekening worden gehouden met de omgeving waarin je een mening uit. Het publiek beslist wat mag en wat niet. Toen in de zomer tijdens de protesten na de gewelddadige dood van de Afro-Amerikaan George Floyd de Republikeinse hardliner en Trumpaanhanger Tom Cotton in een gastcommentaar in The New York Times eiste dat er militairen tegen de demonstranten zouden worden ingezet (‘Stuur er troepen heen’), veroorzaakte dat grote ophef bij de redactie en onder de lezers van het liberale blad. Uiteindelijk moest de verantwoordelijke redacteur, James Bennet, het veld ruimen. Een afwijkende mening ter discussie stellen was kennelijk niet te verenigen met de ‘debatcultuur’ van de krant, waarop ze toch zo trots is.
De discussie over het gendersterretje en de binnen-I [bijv. in ‘LehrerInnen’. vgl. in het Nederlands de toevoeging m/v], heeft het taalbewustzijn onder de bevolking zonder meer vergroot. Professionele speechschrijvers constateren in elk geval bij hun opdrachtgevers een vergrote gevoeligheid voor wat taal aan kan richten. ‘En dat,’ zegt de voorzitter van het verbond van Duitse speechschrijvers, Jacqueline Schäfer, ‘ervaren wij in eerste instantie als iets positiefs.’
Taal is iets levends, het taalgebruik laat zien wat dominant wordt – ‘en als dat op zeker moment het gendersterretje is, dan heeft gewoon iedereen wie dat niet bevalt, het nakijken’.
Toch gaat de consensus over ‘wat je nog zeggen kunt’ en wat taboe is wel verloren, volgens Schäfer. ‘Veel grenzen zijn in de voorbije decennia doorbroken, daarmee verdwijnt ook het gevoel voor tact. En dit gat wordt dan steeds vaker opgevuld door een soort taalpolitie.’
Wat tot dan toe normaal was, wordt zo tot overtreding van de regels verklaard – zoals het woord ‘dakloze’, dat een paar jaar geleden werd ingevoerd als vervanging voor ‘zwerver’ en dat mettertijd een negatieve bijklank kreeg. ‘Maar het verbetert niets voor hen als je deze mensen als “woningzoekenden” aanduidt,’ zegt Schäfer, ‘integendeel: het kan zelfs een banaliserend effect hebben.’
Alice Schwarzer hechtte altijd al aan duidelijke, provocerende taal. In de afgelopen jaren viel de feministische activiste steeds opnieuw het ook in Duitsland merkbare en invloedrijke islamisme aan. En ze uitte zich kritisch over vluchtelingen uit islamitische landen. Toen ze berichtte over de misdaden in de oudejaarsnacht van 2015 in Keulen, waarbij tientallen vrouwen door rellende vluchtelingen (of vluchtenden) op het Domplein werden aangevallen en enkelen zelfs werden verkracht, kwam ze zelf op de radar van de deugdpolitie.
Op het internet werd ze zwartgemaakt als een racistische ophitser – bijvoorbeeld op het zogenaamd feministische en antiracistische forum ‘#ausnahmslos’. Schwarzer zelf kan zulke belasteringen wel aan, maar in haar nieuwe boek Lebenswerk waarschuwt ze voor de gevolgen van een ‘verkeerde tolerantie’ tegenover andere culturen. De slachtoffers zouden genegeerd worden en de daders veracht. ‘Want hoe moeten die ooit de kans krijgen te veranderen en vreedzaam met ons te leven als we ze hier in ons land gewoon door laten razen?’
Taalreguleerders
Prominenten krijgen de kracht van de nieuwe taalreguleerders snel te voelen. In het openbaar gesproken woorden worden meteen veroordeeld. Daarbij houden de critici van de vaak onbeduidende uitglijers zich zelf aan geen enkele fatsoensregel. Op het internet wordt schaamteloos gescholden, beledigd, gesmaad, gedreigd, zodat de grote sociale media hele cohorten controleurs in dienst nemen om hun platforms enigszins schoon te houden.
Sinds de opkomst van communicatiediensten als Twitter en Facebook, nog maar vijftien jaar geleden, is een alternatieve publieke ruimte ontstaan die zich onttrekt aan de traditionele regulering. Waar mediabedrijven met veel moeite het waarheidsgehalte van wat gepubliceerd wordt checken, jagen we met zijn allen zonder te checken en doorgaans ongestraft haatboodschappen en nepnieuws het internet op.
Aanhangers van welke idiote leer ook treffen hier gelijkgezinden met wie ze zonder enige tegenspraak van gedachten kunnen wisselen. Hier mogen ze eindelijk zonder problemen zeggen waarvoor ze ergens anders, meestal terecht, ter verantwoording zouden worden geroepen. De toenemende democratisering die de grondleggers van het internet beloofden heeft geleid tot een versplintering van de openbare ruimte.
Nu spreekt iedereen in zijn eigen niche met gelijkgezinden. Luisteren, of zelfs over opiniegrenzen heen van gedachten wisselen, dat wil niemand meer. Zo spreken ontelbare miljoenen op het net elkaar alleen nog over opvattingen en meningen en argumenten die ze toch al hadden. Ze voeren feitelijk eindeloze gesprekken met zichzelf – in het gunstigste geval worden hun oordelen en voorstellingen bevestigd. In het ongunstigste geval wordt hun blik vernauwd en worden hun opvattingen steeds verstokter en radicaler. Net als hun taal.
De zogenaamd sociale media zijn vergiftigd door haat, bedreigingen, verachting, woede en geweldfantasieën. Mateloosheid is de maat van alle dingen, ze garandeert aandacht, verspreiding en likes. Het internet is volgestort met woorden waar geen woorden voor zijn.
Klaus-Dieter Hartleb moet zich dag in dag uit blootstellen aan deze virtuele excessen. De vijftigjarige hoofdofficier van Justitie uit München is sinds het begin van dit jaar verantwoordelijk voor de afdeling ‘hatespeech’ van de Beierse justitie en jaagt op verbale radicalen die met hun posts of pamfletten de grenzen van het toelaatbare overschrijden.
Strafbaar feit
In 80 procent van de onderzochte gevallen, zegt Hartleb, gaat het om het strafbare feit van opruiing. Gediscrimineerd, beledigd en bedreigd worden in het bijzonder Joden, vluchtelingen en politici die zich inzetten voor het toelaten van vluchtelingen. De als doelwit gekozen groepen moeten, zo eisen veel haatverspreiders, ‘teruggestuurd worden naar het oerwoud’, ‘tegen de muur gezet’ of ‘vergast’ worden.
Juist daders die het voor het eerst doen en betrapt worden, tonen zich ‘langdurig onder de indruk’ wanneer er plotseling opsporingsambtenaren voor de deur staan. Velen zien hun schuld ook in, wat beslist aan te raden is gezien de dreigende straffen (hoge geldboetes of zelfs celstraf).
Het argument dat de strafbaar geachte haatpassages toch als ironie en een subjectieve mening beschouwd moeten worden, hoort de opsporingsambtenaar steeds weer. De vrijheid van meningsuiting, aldus Hartleb, is inderdaad een ‘zeer groot goed’, maar hij is ‘geen censor’ en geen taalbewaker. Hij houdt uitsluitend de strafrechtelijke grenzen in het oog die op het internet worden overschreden.
Duizendvoudig, elke minuut. Alleen al in de eerste drie maanden van het jaar 2019 wiste Facebook in Duitsland 160.000 uitspraken die het bedrijf als ongeoorloofde haatberichten beoordeelde. Verbazingwekkend: in het hele jaar 2019 werden door het Bundeskriminalamt (BKA, de Duitse federale recherche) maar ongeveer 1500 onderzoeken ingesteld wegens het verspreiden van ‘hatespeech’. De typ- en klikmisdadigers die Facebook zelf ontmaskert, beschermt het bedrijf tegen de politie. Rechtshulpverzoeken van Duitse opsporingsambtenaren laat het concern vaak onbeantwoord of het blokkeert ze met het argument dat de servers in de VS staan, waar andere wetten gelden.
Al vervolgt de Duitse justitie intussen doelgericht ‘hatespeech’-delicten met speciale officieren van justitie en al moet een aanscherping van ‘internetwetgeving’ de platformexploitanten tot aangifte dwingen – een aanzienlijk aantal verbale strafbare daden blijft tot op heden voor de daders zonder consequenties. Maar voor de vrijheidslievende samenleving zijn de gevolgen enorm. En er moeten dringend uitgangspunten gevonden worden om allemaal weer zonder conflicten en vooroordelen met elkaar te kunnen spreken.
In de universiteitsstad Tübingen ligt aan de centrale Wilhelmsstrasse een betonnen bunker voor geesteswetenschappelijk onderzoek. Het gebouw is genoemd naar Bertold Brecht, van wie je veel kunt zeggen, maar zeker niet dat hij een moraalridder was. Hier onderzoekt het in 1963 door Walter Jens opgerichte Seminar für Allgemeine Rhetorik het Duitse taalgebruik.
‘Politieke correctheid,’ zegt de professor retorica Olaf Kramer, ‘is aanvankelijk ontstaan vanuit de wens om bepaalde ethische en sociale standaards in te stellen voor begrippen en erop te wijzen dat taal discriminatoire processen in de maatschappij kan versterken.’
‘Politieke correctheid kan ertoe leiden dat de samenleving nog sterker polariseert’
Subjectieve ervaring
Bijvoorbeeld wanneer in de publieke discussie bepaalde begrippen worden gebruikt die iemand als beledigend ervaart. Of wanneer een subtiele uitsluiting plaatsvindt omdat over bepaalde beroepen steeds alleen in de mannelijke vorm wordt gesproken, alsof daarin geen vrouwelijke representanten te vinden zijn. Het beslissende criterium is dus de subjectieve ervaring.
‘Maar wanneer de motieven niet goed uitgelegd worden,’ zegt Kramer, ‘kan politieke correctheid ertoe leiden dat de samenleving nog sterker polariseert, want bepaalde groepen vatten die op als een spreekverbod en hebben dan het gevoel niet aan het woord te komen. Zo groeit de verontwaardiging.’
Democratie heeft echter vrijheid van meningsuiting nodig, want, zo schrijft de plaatsvervangende voorzitter van de FDP Wolfgang Kubicki in zijn juist verschenen boek Meinungsunfreiheit. Das gefährliche Spiel met der Demokratie, ‘de beste oplossing is vrijwel nooit die welke je thuis in je eentje hebt bedacht, maar die welke in discussie met anderen ontwikkeld is.’
Openheid
Maar dat veronderstelt de bereidheid om te luisteren, zonder dat andersdenkenden monddood gemaakt worden. ‘Ontbreekt deze menselijke openheid ten aanzien van andere meningen,’ schrijft Kubicki, ‘dan ontbreekt ook de voorwaarde om de vrede bij ons te bewaren en onze vrijheid te behouden.’
De retoricaprofessor Kramer wil daarom nieuwe regels voor digitale communicatie. Belangrijk is enerzijds het ‘pedagogische uitgangspunt dat al op school gevoeligheid voor de omgang met anderen wordt aangekweekt en de consequenties duidelijk worden gemaakt’. Anderzijds zouden de platforms van de sociale media ook technische oplossingen moeten ontwikkelen. ‘De zuiver emotionele deelname aan een discussie met “duimpje omhoog” of “duimpje omlaag” is niet geschikt voor gecompliceerde politieke kwesties,’ zegt Kramer. ‘Als in plaats van een simpel teken alleen goed geformuleerde commentaren mogelijk waren, zou dat de kans op een complexere gedachtewisseling verhogen.’
Onmisbaar acht hij strenge juridische consequenties voor ‘hatespeech’ op het internet, ook al zou het in strijd zijn met het oorspronkelijke idee van het internet als een volledig vrije, open en ongecontroleerde ruimte. ‘Men zou – internationaal – kunnen afspreken dat handelingen op het internet dezelfde consequenties hebben als in de reële wereld. Misschien zou het internet dan weer het fantastische platform worden waarop iedereen met iedereen echt in gesprek kan komen.’
En misschien zouden sociale media dan hun charme weer terug kunnen krijgen omdat men daar met prominenten als J.K. Rowling, Lisa Eckhart of Dieter Nuhr van gedachten kan wisselen over hun denkbeelden, verhalen en wie weet over hun provocaties. In plaats van ze met vervloekingen te bestoken.
Focus (geschreven als FOCUS) is een Duitstalig nieuwsmagazine dat wordt uitgegeven door Hubert Burda Media. Het werd in 1993 opgericht als alternatief voor het wekelijkse nieuwsmagazine Der Spiegel en heeft sinds 2015 haar hoofdkantoor in Berlijn. [Naast Spiegel en Stern is Focus een van de drie meest verspreide Duitse weekbladen. Het idee van FOCUS is afkomstig van Hubert Burda en Helmut Markwort. De huidige hoofdredacteur van Focus sinds maart 2016 is Robert Schneider.
Donald Trump beschreef de QAnon-groepering, die bekendstaat om de complottheorieën die ze uitdraagt, nog als een groep mensen die ‘gewoon staan voor goede politiek’. Bellingcat dook in de ontstaansgeschiedenis van deze beweging zoals alleen zij dat kunnen.
Keuze uit het archief
Ex-president van de VS Donald Trump meldde zich donderdag bij de federale rechtbank in Washington om de viervoudige aanklacht te horen die tegen hem is ingebracht. Een van die vier aanklachten betreft zijn betrokkenheid bij de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021, toen hij een schare fans ophitste en opriep om de zetel van de democratische regering te bezetten. Onder deze aanhangers waren ook leden van QAnon, een groepering die bekend geworden is dankzij haar extreme denkbeelden en samenzweringstheorieën. Dit artikel gaat terug naar de wortels van deze beweging en zoekt uit hoe zij zo invloedrijk geworden is.
Op 6 januari brak chaos uit in Washington toen aanhangers van president Trump het Capitool bestormden. In de consternatie wist QAnon-adept van het eerste uur ‘de Q-sjamaan’ de senaatszaal te bereiken en plaats te nemen op het spreekgestoelte. Hij was zeker niet de enige QAnon-aanhanger onder de aanwezigen: een andere leidde de bestorming. Opnieuw staat deze gevaarlijke en eclectische groep samenzweerders in de schijnwerpers: een hele prestatie voor een beweging die pas drie jaar geleden op een onlineforum het licht zag.
Op 28 oktober 2017 zag een anonieme gebruiker op het /pol/-gedeelte van 4chan, [pol is een afkorting van ‘politically correct’] een notoir alt-right imageboard, het volgende bericht staan: ‘op maandagochtend 30 oktober zal Hillary Clinton tussen 7:45 en 8:30 uur worden gearresteerd’, en besloot te reageren.
Deze gebruiker zou later de naam ‘Q Clearance Patriot’ aannemen (al snel afgekort tot ‘Q’). Q hintte dat hij een legerofficier was uit de naaste omgeving van de president. Dit paste goed in de cultuur van het forum, waar ‘live action role playing’ (LARP) een speciale betekenis had aangenomen: een LARP’er is iemand die suggereert zich in welingelichte kringen te bevinden.
De teksten van deze anonymous – tot dusver bijna vijfduizend berichten – markeerden het begin van de QAnon-samenzweringstheorie. Zijn eerste bericht (of ‘Q drop’ zoals zijn volgelingen ze noemen) wordt vaak genoemd als het ontstaansmoment van de QAnon-beweging. Toch klopt dat om twee redenen niet helemaal.
De ene is triviaal: Q werd pas bekend na een latere reeks berichten; zijn eerste ontboezemingen bleven aanvankelijk onopgemerkt en werden pas op 11 november door 4chan-gebruikers herontdekt. De tweede reden gaat dieper: Q’s oorsprong valt niet los te zien van de heersende cultuur op /pol/: een allegaartje van racisme, antisemitisme en (hier het meest relevant) extreemrechtse samenzweringstheorieën. QAnon ontsproot aan deze cultuur, die al veel langer op /pol/ heerste. Ideeën als die van Q waren er gemeengoed en hij vond er zijn inspiratie.
Cultuur
Wil je dus het ontstaan van Q begrijpen, dan moet je je eerst over de cultuur op /pol/ buigen. De kern van de QAnon-mythe is deze: samen met een kleine groep militaire inlichtingenofficieren, genaamd het Q-team (waar de auteur van de berichten bij hoort), voert president Donald Trump een geheime oorlog tegen een kliek satanvererende, kinderetende pedofielen die samenzweren om hem te dwarsbomen en af te zetten. Het leger werkt aan het plan om hen massaal gevangen te zetten, in een operatie genaamd ‘de Storm’.
Dat Q’s profetieën zelden uitkwamen was geen probleem, want ‘desinformatie is noodzakelijk’
Aanvankelijk heette het dat dit geheime genootschap vooral ‘politici’ onder zijn leden telde. Een maand later waren er ook ‘celebrities’ bij die ‘HRC [Human Rights Campaign, een lhbt-belangenvereniging] hadden gesteund’. Een paar maanden later waren het er te veel om in Guantánamo Bay te passen; nog weer later schenen er drie andere ‘detentiecentra’ voor hen te zijn ‘opgezet’. Iedereen die het waagde [voormalig] president Trump tegen te werken of te ergeren moest haast wel lid zijn van het genootschap, naast uiteraard voor de hand liggende figuren als belegger en filantroop George Soros.
Militaire tribunalen zullen deze baby-etende verraders na de Storm laten executeren of op zijn minst levenslang opsluiten. Het verschrikte publiek zal, geconfronteerd met het overweldigende bewijs van het bestaan van het genootschap, treuren, in woede ontsteken en zich tot slot achter Trump scharen, waarna een gouden tijdperk van patriottisme en welvaart aanbreekt. In deze korte samenvatting ontbreken nog de wildere QAnon-theorieën (bijvoorbeeld dat Noord-Korea onder leiding stond van de CIA maar nu door Trump en het Q-team is bevrijd).
Ook een ander belangrijk aspect van het QAnon-wereldbeeld is nog niet genoemd, dat elke publieke daad of uitspraak van Trump of een verondersteld lid van het genootschap verborgen boodschappen kan bevatten, voor QAnon-gelovigen gemakkelijk te doorschouwen. En dan is er nog de slagzin: ‘desinformatie is noodzakelijk’, die je kunt zien als een prachtig excuus voor al Q’s niet uitgekomen voorspellingen, met als bijkomend voordeel dat de gelovigen alleen die onderdelen van de theorie hoeven te omarmen die hen aanspreken.
Vanuit deze bescheiden en excentrieke aanvang maakte QAnon een explosieve groei door. Aanvankelijk beperkte die groei zich tot 4chan, waar Q op /pol/ furore maakte. Niet veel later begon een stel 4chan-moderatoren samen met een samenzweringstheoreticus Q’s boodschappen op YouTube onder de aandacht te brengen van een breder publiek. Dit plan had een onverwacht groot succes. Zo’n tien procent van alle Amerikaanse volwassenen gelooft momenteel op zijn minst in sommige QAnon-theorieën, zo bleek vorig jaar uit een enquête van het Pew Research Center.
Die uitkomst komt overeen met die van een ander onderzoek uit 2020, door de Britse ideële organisatie HOPE not hate. Politicoloog Joe Uscinski, die de steun voor QAnon bij een eerdere gelegenheid ‘eerder diep dan breed’ had genoemd, constateerde desalniettemin dat tussen de vijf en de tien procent van de Amerikaanse volwassenen QAnon steunden. Hoe je het ook wendt of keert, miljoenen Amerikanen hechten op zijn minst enig geloof aan QAnon. Maar liefst vijftig procent van Trumps aanhang is het eens met de bewering dat ‘leidende democraten betrokken zijn bij een netwerk van seksuele slavernij’.
Waandenkbeeld
QAnon vond al lang voor de bestorming – of couppoging zoals velen het noemen – zijn weg naar het Capitool. De pasverkozen Republikeinse afgevaardigde Marjorie Taylor Greene, een ‘toekomstige Republikeinse ster’ in de woorden van Trump, schreef dat ‘kindermisbruik, satanisme en occulte praktijken geassocieerd zijn met de Democratische Partij’. Ook nam Greene filmpjes op waarin zij Q omschreef als een ‘patriot’ die ‘zich inzet voor de goede zaak (…) en goede contacten heeft in hogere kringen’. Volgens haar bood hij ‘een buitenkans om dit wereldwijde genootschap van satanisten en pedofielen uit te schakelen’.
Wat maakt QAnon zo aantrekkelijk dat mensen zulke uitzinnige theorieën uitdragen? Lang vóór Q verscheen, stonden er al threads op /pol/ waaruit blijkt dat veel ‘anons’ (zoals 4chan-habitués zichzelf noemen) toen al centrale elementen uit zijn verhaal omarmden. Eén gebruiker legde er al voordat Q over satanisme begon (en zelfs voordat Q de anons was opgevallen) de vinger op: ‘grappig dat iedereen die de /pol/lers niet moeten stiekem lid heet te zijn van een grote joodse samenzwering van kindermisbruikers en duivelaanbidders, die pas aan het licht komt nu steeds meer mensen D (Trump) bedreigen.
Is dat niet gewoon een waandenkbeeld?
En Trump een idioot die impeachment boven het hoofd hangt? Maar 4chan was nu eenmaal dol op uitzinnige beweringen en samenzweringstheorieën: in het jaar voordat Q van zich deed horen werd de Pizzagate-samenzweringstheorie, verreweg de meest directe voorganger van QAnon, alleen al op /pol/ 45.027 keer genoemd.
Duisternis
In de QAnon-folklore begint de Storm met ‘tien dagen van duisternis’, zoals Q een week na zijn eerste bericht schreef. Q’s volgelingen kijken ook nu nog vol spanning uit naar het aanbreken van deze tijd. Direct daarna zal het nieuws vol zijn van ‘onthullingen’ (waarin de regering schokkende feiten zal onthullen die ze tot dan toe verborgen hield). Deze berichten krijgt de burger via speciaal ingelaste uitzendingen op radio en televisie te horen.
Onthuld wordt niet het bestaan van buitenaards leven, maar wel de vergaande verdorvenheid van het genootschap. Tegelijkertijd zullen de laatste verzetshaarden van het genootschap vermorzeld worden en de massale arrestaties onverminderd doorgaan. Deze massa-arrestaties worden live op televisie uitgezonden. Ze leiden de ‘bevrijding van de planeet aarde van de machten der duisternis’ in.
QAnon borduurt voort op Pizzagate; met als verbindende schakel een groep threads onder de naam /HTG/ [Human Trafficking General]. Pizzagate verwierf scharen volgelingen omdat het het juiste doel uitkoos, de juiste beschuldigingen uitte, en tenminste aan het begin, openstond voor de inbreng van deelnemers.
Anons overboden elkaar bij het vinden van ‘bewijzen’ van kindermisbruik, gevonden in gehackte e-mails van het Democratisch Nationaal Comité [het hoogste bestuursorgaan van de Democratische Partij]. Maar die creatieve energie kon niet eeuwig blijven duren: de door te spitten e-mails raakten op, net als het aantal ‘codewoorden’ dat erin viel te ontdekken. Al gauw leverde onderzoek naar Pizzagate weinig spannends meer op en werd het een verzameling ideeën die de anons naar believen konden omarmen of verwerpen.
Zo’n tien procent van alle Amerikaanse volwassenen gelooft momenteel op zijn minst in sommige QAnon-theorieën
De /HTG/-threads die erop volgden werden nooit zo populair als Pizzagate. Toch namen ze precies dezelfde personen in het vizier, uitten dezelfde beschuldigingen en beschikten over een schier oneindige hoeveelheid bronmateriaal, aangeleverd door anons die vanuit hun huiskamer allerlei plekken in de echte wereld ‘onderzochten’. /HTG/ miste echter twee essentiële ingrediënten: een verhaallijn en een verteller. Het ontbrak aan een goed narratief dat de anons konden volgen. En al was dat er wel geweest: het ontbrak ook nog eens aan een begenadigd auteur om het goed over te brengen. Ook namen mensen van buiten de /HTG/-threads voortdurend op de hak.
‘Normies’
Waarom slaagde Q waar zo veel anderen hadden gefaald? Eén verklaring is dat Q precies op het juiste moment met het juiste idee kwam. Bovendien had hij een aansprekende stijl: zijn teksten begonnen vaak met een groot aantal vragen. Andere LARP’ers erkenden dat ruiterlijk – in 2017 schreef MegaAnon, op het moment dat Q op het toneel verscheen misschien wel de meest succesvolste actieve LARP’er, dat Q ‘veel beter een hoop details in een /pol/-vriendelijke vorm weet te verpakken’ dan zij ooit had kunnen doen.
Waarschijnlijk was dit artikel nooit geschreven als Q’s invloed zich had beperkt tot de wereld van /pol/. Maar de mysterieuze auteur wist binnen een paar dagen aan de nauwe grenzen van 4chan te ontsnappen, dankzij een kleine, vastbesloten groep fans die QAnon ook elders op internet onder de aandacht bracht. Zo konden ‘normies’, zoals de anons niet-ingewijden noemen, ook met Q kennismaken.
Waarom slaagde Q waar zo veel anderen hadden gefaald?
Voor sommigen smaakte dat naar meer. Normies – tenminste fanatiek Trumpgezinde, voor samenzweringstheorieën ontvankelijke normies – bleken net zo open te staan voor een vervolg op Pizzagate als de gebruikers van 4chan. Al snel ontstond een gemeenschap op meerdere platforms die veel weg had van /HTG/: een hechte groep volgelingen die, met een geheel eigen werkwijze en bewijsvoering, pedofielen ‘ontmaskerde’, ongehinderd door het uitblijven van resultaten in de echte wereld. Ondertussen produceerde Q aan de lopende band nieuwe teksten, gretig gefileerd door de anons, die zelfs geloof hechtten aan de meest uitzinnige, barokke beweringen. Het feit dat Q’s profetieën zelden uitkwamen was geen probleem, want ‘desinformatie’, zoals Q uitlegde, ‘is noodzakelijk’.
Misschien is dit geen geheel bevredigend antwoord op de vraag wat Q zo succesvol maakte. Het komt erop neer dat ‘Q een handige LARP’er was die zijn publiek slim naar de mond praatte, ideeën uit eerdere LARP-berichten opwarmde en meteen vanaf het begin werd geholpen door een schare fans die zijn teksten buiten 4chan verspreidde’.
Maar hoe het ook zij, de opkomst van Q had enorme, soms tragische, reële consequenties. De QAnon-beweging verwoestte het leven van vele families over de hele wereld – de subreddit QAnonCasualties inventariseert de door QAnon aangerichte schade. En alhoewel de meeste QAnon-volgelingen waarschijnlijk zelf nooit geweld zouden gebruiken, wordt het er politiek wel acceptabeler door. Nog in december beschreef Trump QAnon als een groep mensen die ‘gewoon staan voor goede politiek’.
Drie jaar geleden legde Q op een van de donkerste hoekjes van het internet de basis voor een breed gedragen systeem van overtuigingen. Puttend uit rechtse mediaschandalen, racistische samenzweringstheorieën en de LARP’s van weleer, creëerde hij iets dat groter was dan de som der delen. En daarmee hebben we het alleen nog over de aanbodkant van het fenomeen QAnon gehad, maar het werkelijke probleem ligt aan de kant van de vraag. Om daarop in te gaan moet je diepe breuklijnen in de Amerikaanse maatschappij blootleggen – en oog krijgen voor de gevaarlijke aantrekkingskracht van samenzweringstheorieën.
De Faeröer, een eilandengroep gelegen in de driehoek Schotland- Noorwegen-IJsland, telt 652 besmettingen met het covid-19-virus, waarvan er inmiddels 644 hersteld zijn en er één coronadode is gevallen sinds de pandemie begon. Toch hanteren de Faeröer kleur- code oranje, waarbij alleen noodzakelijke reizen toegestaan zijn. De archipel is een autonoom onderdeel binnen het Koninkrijk Denemarken dat niet bij de Europese Unie hoort.
Actuele gebeurtenissen wereldwijd, in woord, beeld en citaat.
Frankrijk
Michelinster voor Frans veganistisch restaurant
Voor het eerst heeft een veganistisch restaurant in Frankrijk een Michelinster gekregen. Michelin gaf de ster aan restaurant ONA, dat staat voor Origine Non-Animale, ofwel diervrije oorsprong. Het restaurant in Arès, nabij Bordeaux, werd in 2016 opgericht door chef-kok Claire Vallée, een 41-jarige voormalige archeologe die veganist werd na een reis naar Thailand.
Michelin kende weliswaar al eerder sterren toe aan veganistische restaurants in andere landen, maar nog nooit in Frankrijk. Naast de Michelinster won ONA ook een groene ster, voor deugdelijke ethische praktijken.
Het succes kwam Vallée en ONA niet aanwaaien. Eerste verzoeken om een lening werden afgewezen door traditionele Franse banken, die sceptisch stonden tegenover zowel de locatie als het veganistische menu. ‘De toekomst van veganisme en plantaardig voedsel was volgens hen te onzeker,’ aldus Vallée. Met crowdfunding en een lening van Le Nef, een bank die ethische projecten financiert, startte ze haar restaurant. ‘Deze ster bewijst dat niets onmogelijk is,’ aldus Vallée na de toekenning.
Architectuurstudio Rael San Fratello kreeg voor de roze wippen die in de grensmuur van de Verenigde Staten en Mexico kunnen worden geschoven, de prijs Design of the year. Het project, dat de naam Teeter-Totter Wall meekreeg, heeft maar 40 minuten dienst gedaan in juli 2019.
De boodschap die het ontwerp moest uitdragen was dat zelfs een akelige scheiding van twee landen, een politieke splijtzwam, kan zorgen voor verbinding en eenheid. Virginia San Fratello en Ronald Rael werden zowel winnaar in de categorie Vervoer als winnaar van de Beazley Designs of the Year awards, die elk jaar worden georganiseerd door het Londense Design Museum. Een vijfkoppige jury kwam tot haar besluit tijdens de presidentsverkiezingen.
De uitslag werd bekend-gemaakt één dag voor de inauguratie van president Joe Biden en het vertrek van muurbouwer Trump.
(Dezeen)
Italië
Italiaanse burgemeester misbruikt voedselhulp
Michela Rosetta, lid van de radicaal-rechtse Liga van Matteo Salvini en burgemeester van de Noord-Italiaanse gemeente San Germano Vercellese, is onder huisarrest geplaatst. Ze wordt beschuldigd van verduistering, samen met gemeenteraadslid en oud-wethouder Giorgio Carando, locoburgemeester Maurizio Bosco en twee gemeenteambtenaren. Het vijftal wordt beschuldigd van het uiten van onwaarheden in het openbaar door overheidsambtenaren, ambtsmisbruik en vernietiging van bezittingen.
De voedselhulp bedoeld om verlichting te brengen in de noodsituatie, gebruikte het gezelschap overheidsgeld uit naam van de Piemontese gemeente. Met dat geld werden voedselpakketten aangeschaft en verdeeld, geheel naar eigen inzicht van de gearresteerden. Zo kwamen garnalen, sint jakobsschelpen en ander hoogwaardige producten terecht bij eigen kinderen en familieleden. ‘Verliezers’, zoals hulpbehoevende ouderen en migrantenfamilies, kregen voedselpakketten van belabberde kwaliteit toebedeeld.
(Corriere della Sera, Turijn)
Pakistan
Rolschaatscommando’s voor Karachi
Met een notoir corrupte politiemacht, bendeoorlogen, etnisch, sektarisch en politiek geweld is de vijftien miljoen inwoners tellende Pakistaanse stad Karachi een van de moeilijkste steden in Azië wat betreft ordehandhaving. Karachi huisvest de belangrijkste aandelenbeurs en is het belangrijkste transportcentrum van het land en levert zowel het leeuwendeel van belastinginkomsten als de zwaarste criminelen.
De autoriteiten hopen dat een nieuwe rolschaatsmacht van twintig commando’s, bestaande uit tien mannen en tien vrouwen, de misdaadcijfers zal helpen verlagen en het imago van Karachi zal verbeteren.
‘Ik ben trots deel uit te maken van deze rolschaatsploeg,’ aldus Anila Aslam van de Speciale Veiligheids-eenheid, die in 2010 werd opgericht om VIP’s te beveiligen. Volgens Aslam, die als beste uit de bus kwam op het politietrainingscentrum, zijn er maar weinig vrouwen uit haar dorp ooit bij de politie terechtgekomen, maar willen meisjes met wie ze naar school en universiteit is gegaan nu haar voorbeeld volgen.
(Arab News, Karachi)
Groot-Brittannië
Rechtse nieuwszenders voor Groot-Brittannië
De Britse televisiebons John McAndrew werkt aan een van de meest ambitieuze nieuwsprojecten ooit in Groot-Brittannië: GB News. Hij zoekt momenteel naar presentatoren voor een 24-uurskanaal dat de eerste helft van dit jaar gelanceerd moet worden. Dat zullen mensen moeten zijn met een regionale tongval, scherpe meningen en andere eigenschappen waarmee GB News zich wil gaan onderscheiden van McAndrews voormalige werkgevers BBC, ITN en Sky News. Sterpresentator wordt in ieder geval Andrew Neil, voorheen BBC-coryfee politieke interviews.
Met uitgesproken meningen en strijdlustige programmering wil GB News een conservatief, provinciaal publiek bedienen dat zich genegeerd zou voelen door het bestaande liberale en grootstedelijke Britse tv-nieuws. GB News vecht naar verluid niet alleen de status quo van het televisienieuws aan, maar ook de lang gekoesterde definitie van onpartijdigheid. En het is niet de enige die het op een dergelijke ‘Fox-manier’ wil aanpakken. Rupert Murdoch, eigenaar van het winstgevende rechtse Amerikaanse netwerk Fox News, is bezig met News UK, een rivaliserend Brits tv-nieuwskanaal.
Mediawatchers vrezen dat de strijd om de kijkcijfers tussen de twee rechtse concurrenten tot extremere programmering zal gaan leiden. GB News zegt inmiddels zo’n 67 miljoen dollar aan financiering te hebben binnengehaald. Een groot deel daarvan is afkomstig van vermogende zakenmensen die ervaring hebben met publieksbeïnvloeding. Volgens Patrick Barwise, hoogleraar management aan de London Business School, komt veel geld uit het buitenland.
Rijke Nigerianen kopen staatsburgerschap in het buitenland
Jaarlijks ontvluchten talloze Nigerianen de armoede en onrust in hun thuisland. Ze zoeken een weg naar Europa via gevaarlijke routes door de Sahara en over de Middellandse Zee. Inmiddels sluit een groeiend aantal rijke Nigerianen zich bij hen aan, maar dan wel op een veiliger manier. De rijken maken gebruik van een zogenoemd ‘gouden paspoort’, dat voor hen steeds gemakkelijker verkrijgbaar is.
Slechts 26 landen laten Nigeriaanse paspoorthouders visumvrij toe, maar inmiddels staat een recordaantal van 92 landen over de hele wereld toe dat rijke individuen ingezetene of staatsburger worden in ruil voor bedragen die uiteenlopen van honderdduizend tot meerdere miljoenen dollars. Zo kan op Malta het staatsburgerschap worden verkregen voor een investering van minimaal achthonderdduizend dollar.
De stormloop op gouden paspoorten door rijke Nigerianen begon al voordat gewelddadige protesten in oktober uitbraken tegen een nieuwe politie eenheid, de SARS. Bij het in Londen gevestigde Henley & Partners, een van ’s werelds grootste adviesbureaus op het gebied van burgerschap, stegen de aanvragen van Nigerianen met 185 procent in de eerste acht maanden van vorig jaar, waarmee ze na Indiërs de grootste nationaliteit zijn die een dergelijke regeling aanvraagt. Alleen al dit jaar heeft een recordaantal van meer dan 1000 Nigerianen via Henley & Partners navraag gedaan naar staatsburgerschap in een ander land.
Investeren in een buitenlands staatsburgerschap is niet illegaal voor Nigerianen, maar dat rijke burgers hun bezittingen naar het buitenland verplaatsen, ligt gevoelig in Nigeria. Volgens de Nigeriaanse belastingdienst gaat elk jaar zo’n 15 miljard dollar verloren aan belastingontduiking. Veel van dat geld vindt zijn weg naar het Caribisch gebied, zoals in 2016 duidelijk werd uit de Panama Papers.
Sinds de coronacrisis zijn rijke Nigerianen volgens experts nog serieuzer gaan kijken naar staatsburgerschap in het buitenland, en de verwachting is dan ook dat het aantal aanvragen van gouden paspoorten verder zal toenemen.
(Al Jazeera, Qatar)
Wat zei zeggen over… de arrestatie van Aleksej Navalny
Manfred WeberEVP-leider in het EU-parlement
‘Het is onaanvaardbaar dat het Russische leiderschap korte metten maakt met de protesten door duizenden demonstranten te arresteren. De ministers van Buitenlandse Zaken van de EU mogen dit niet nogmaals uit de weg gaan en volstaan met wat algemene oproepen. De EU moet het Poetin-systeem raken waar het echt pijn doet, oftewel financieel. De EU moet daarom financiële transacties met getrouwen van Poetin annuleren. Het dreigement de Nord Stream-pijplijn stop te zetten moet worden gehandhaafd.’
Jean-Yves Le DrianFrans minister van Buitenlandse Zaken
‘Zijn vergiftiging is een moordaanslag, gepleegd in Rusland, met een Russische chemische stof, op een Russische burger. Het lijkt me dus normaal dat er een onderzoek wordt ingesteld, maar de Russische autoriteiten ontkennen de werkelijkheid. Er zijn al eerder sancties opgelegd aan Rusland. We zijn vastberaden om met Rusland in gesprek te blijven, maar ook buitengewoon vastberaden tegenover de autoritaire stroming die we waarnemen.’
Andrzej Dudapresident van Polen
‘Het primaat van het internationaal recht is fundamenteel, want zolang het wordt nageleefd, is er geen oorlog. Maar als het wordt overtreden is het effect altijd een conflict. De enige manier om naleving van het internationaal recht af te dwingen zonder gebruik van geweren, kanonnen en bommen, is via sancties. We zijn klaar om te helpen bij het opbouwen van consensus daarover. Er is geen ander vreedzaam middel om druk uit te oefenen op een staat die de regels van het internationaal recht overtreedt.’
Ontwerpresolutievan leden van het Europees Parlement
‘Wij verzoeken de Russische autoriteiten een einde te maken aan het lastigvallen, intimideren en onderdrukken van onafhankelijke en dissidente tegenstanders door korte metten te maken met de heersende straffeloosheid die al vele journalisten, activisten en oppositiepolitici het leven heeft gekost, en erop toe te zien dat zij hun legitieme werkzaamheden kunnen uitvoeren zonder te hoeven vrezen voor hun leven of dat van hun gezinsleden of vrienden.’
Het is toeval, ook al bestaat dat volgens een x-aantal toevalontkenners vast niet, maar in deze 192ste editie zetten mannen de toon.
Althans, artikelen over hoe mannen zich, ieder op eigen wijze manifesteren: Pappie Loekasjenka, collega-dictator Hafez en Bashar al-Assad, Lord Migraine en, gelukkig, als comic relief en hekkensluiter de immer vermakelijke tekenaar Colonel Baxter. En dat zijner nog maar een paar. Duitsland ontbreekt bijvoorbeeld, waar Angela Merkel opgevolgd gaat worden door een man of een man? Om over eigen land maar niet te spreken, waar een regeringsleider met een slagveld van gevallen ministers fluitend aan de macht wil blijven.
Deden ze hun werk goed, was er niks op aan te merken, dan zouden we deze dienaars op het schild hijsen voor goed gedrag. We zouden ze bewieroken, immense, in goudverf gedompelde sculpturen maken. Met gevouwen handen bij hun foto neerknielen, wijsheden prevelend die zij ons leerden. Maar voor wie buigen wij nog met ideologische overtuiging, aan wie vertrouwen wij het landsbelang nog toe, sterker nog, aan wie vertrouwen wij het wereldbelang nog toe, nu iedereen in een handomdraai, een vingerknip middels sociale mediakanalen anderen de maat zal nemen? Eén verkeerd woord, en je ligt eruit. En wie ‘erin blijven’ zijn meestal niet de meest vredelievende kleurenblinden onder ons.
Ooit zal de geschiedenis Aleksej Navalny gelijk geven
De laatste machthebber die niet om macht gaf, moet de president van Uruguay geweest zijn.José Mujica, Pepe, of El Viejo in de volksmond liep op sandalen, introduceerde belangrijke wetten en legaliseerde het homohuwelijk, abortus en de wietteelt. Voorts gaf hij het grootste gedeelte van zijn salaris weg. Of hij nou de nieuwe ideale leider was voor wie we elke dag een kaarsje willen aansteken, kan moeilijk gezegd worden; Mujica regeerde maar vijf jaar en trok zich onlangs terug uit de politiek. In Latijns-Amerika werd zijn eigenzinnigheid aan alle kanten van het politieke spectrum gerespecteerd, door het ene kamp uiteraard meer dan door het andere. Maar eigenzinnigheid van mannen op politieke sleutelposities zegt op zich niks en kan net zo goed een hoop ellende veroorzaken. We hebben weer een Nelson Mandela nodig.
Een betrouwbare heldin of een held. Zoals Aleksej Navalny, die het met gevaar voor eigen leven en dat van anderen, durft op te nemen tegen de grootste en gevaarlijkste dictator: Poetin. Ooit zal de geschiedenis Navalny gelijk geven, schreef Ruslandkenner Derk Sauer deze week. Het is te hopen dat we daar niet ook 27 jaar op moeten wachten. Anders is de kans groot dat het in ieders hoofd hamert, rinkelt en bromt.
Toen een Britse plantenverzamelaar in 1818 een doos vol exotische planten vanuit Brazilië naar Engeland verscheepte, was dat het startpunt van de ‘orchideeëngekte’. Inmiddels speuren obsessieve verzamelaars overal ter wereld naar zeldzame soorten en is er een snelgroeiende en destructieve onlinehandel ontstaan.
In zijn boek Orchid Fever: A Horticultural Tale of Love, Lust and Lunacy (2000) geeft de Amerikaanse reisauteur Erik Hansen een levendig verslag van de complexe wereld van obsessieve bloemverzamelaars, onversaagde jagers en hebberige plantensmokkelaars.
Hansen begint zijn boek in de jungle van Borneo, een gebied dat bijzonder rijk is aan orchideeën. Hij fungeert er, samen met leden van de seminomadische Penan-stam, als gids voor twee Amerikaanse orchideeënkwekers. Het tweetal wil dolgraag de Paphiopedilum sanderianum fotograferen, een zeldzame orchideesoort die endemisch is op het eiland. Deze soort is volgens Hansen ‘de heilige graal onder de orchideeën, een bloem die slechts enkele tientallen botanici ooit in het wild hebben gezien’.
Orchideeëngekte
De orchideeëngekte begon in 1818 in Engeland, nadat de Britse plantenverzamelaar William Swainson een doos vol exotische planten, waaronder orchideeën, uit Brazilië naar Engeland had verscheept. Niet lang daarna trotseerden obsessieve verzamelaars aanvallen van tijgers en werden ze soms gedood of levend verbrand in de verste uithoeken van de aarde, waar de gewilde plant te vinden was.
Twee eeuwen later is Zuidoost-Azië nog steeds een van de topbestemmingen voor orchideeënliefhebbers. In Azië heeft Indonesië er, met meer dan ruim vierduizend endemische soorten, waarschijnlijk het meest, gevolgd door Maleisië, waar meer dan drieduizend soorten vandaan komen. De Filipijnen kennen elfduizend soorten en Myanmar 1040, volgens een inventarisatie van botanisch tijdschrift PhytoKeys uit 2020.
Destructief aspect
Nieuw Maleisisch onderzoek werpt nu ook licht op een minder bekend, maar zeer destructief aspect van deze botanische interesse: de verborgen, snelgroeiende onlinehandel in zeldzame wilde orchideeën.
‘Het internet heeft het toch al dramatische verlies aan biodiversiteit nog verder versneld,’ vertelt orchideeënexpert Rexy Prakash Chacko, een van de oprichters van de organisatie Penang Hills Watch, die de ontbossing op het Maleisische eiland Penang boekstaaft. Prakash Chacko publiceerde onlangs samen met botanist Santhi Velayutham Orchids of Penang Hill, een boek over de orchideeën in het natuurpark Penang Hills op het eiland. Het tweetal wil hiermee de diversiteit tonen van de wildeorchideeënflora, maar ook alarm slaan over de illegale handel in deze planten.
De publicatie van het geïllustreerde boek komt precies op het moment dat Penang Hills een aanvraag deed om te worden aangemerkt als Unesco Biosphere Reserve: een natuurgebied met internationaal beschermde status. De interesse van botanici voor het gebied is overigens niet nieuw. Al in 1894 beschreven de Britten Charles Curtis en Henri Ridley in een eerste catalogus van de orchideeën in het gebied negentig verschillende soorten, een aantal dat in 2017 was opgelopen tot 144.
‘Omdat wij merkten dat deze lijst nog verre van compleet was, besloten we zelf een inventarisatie te gaan doen, en daaruit kwam het idee voor een geïllustreerd orchideeënboek voort,’ vertelt Velayutham.
Het doel van de auteurs is om de natuurlijke diversiteit van Penang Hills te bevorderen, en natuurliefhebbers en wandelaars te stimuleren om de bloemen te herkennen en te beschermen. ‘Meer in het oog springende wilde orchideeën als P. barbatum, ook wel bekend als het venusschoentje, vind je al een hele tijd niet meer, dus richten verzamelaars zich nu op alle andere orchideeën die ze kunnen vinden,’ aldus Prakash Chacko. ‘Via Facebookgroepen over orchideeën vinden ze klanten uit het hele land. Regulering is er nauwelijks en tegen de bulkverkoop van planten wordt niets ondernomen.’
Een Miltassia Shelob-orchidee genaamd ‘Tolkien’. Het is een hybride van twee Zuid-Amerikaanse orchideeën. – Laura Ockel / Unsplash
De Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, die de meeste Zuidoost-Aziatische landen respecteren, kent strenge regels ter beperking van de handel in maar liefst 35.000 soorten, waarvan ten minste 70 procent orchideeën zijn. Maar het blijkt erg moeilijk om digitale transacties op sociale media op te sporen en tegen te gaan.
‘In Maleisië verkopen verzamelaars op Facebook orchideeën vaak voor maar 5 ringgit (1 euro) per stuk, wat kan oplopen tot 100 ringgit voor de zeldzamere exemplaren, vertelt Prakash Chacko. Milieuorganisatie Mongabay beschreef in 2018 hoe orchideeënsmokkelaars via eBay een grote internationale groep kopers bedienen. Zo was zes maanden na de ontdekking in 2010 van de nieuwe orchideeënsoort P. canhii in Vietnam deze zeldzame soort al bijna uitgestorven door stroperij, aangejaagd door een sterke vraag op internet.
De bedreiging die dit vormt voor orchideeën is onmiskenbaar: Ruth Kiew van het Forest Research Institute Malaysia (FRIM) vertelde vorig jaar aan nieuwswebsite The Malaysian Insight dat veel van de wilde orchideeënsoorten in het land de komende vijf tot tien jaar zullen uitsterven als de illegale oogst niet aan banden wordt gelegd.
Het district Noming in Putao, in Myanmar, is de enige plek ter wereld waar P. wardii groeit, beter bekend als de zwarte orchidee
‘Orchideeën kun je makkelijker beschermen als ze in nationale of provinciale parken groeien, of in wildreservaten. Ook helpt het om bossen alleen met toestemming vooraf toegankelijk te maken en een vergunning verplicht te stellen om levende planten te verzamelen,’ zegt orchideeënexpert Ong Poh Teck van FRIM. Volgens Teck is de kans dat de planten illegaal worden meegenomen het grootst als ze in onbeschermde gebieden groeien die te uitgestrekt zijn om te surveilleren.
De orchideeënstroperij breidt zich nu ook uit naar minder ontwikkelde delen van Zuidoost-Azië, zoals Myanmar. In dit land is de orchideeënflora nog vrij onbekend, als gevolg van het langdurige politieke isolement.
De meest unieke orchideeën van Myanmar zijn te vinden in de afgelegen streek Putao in de staat Kachin, 1500 kilometer ten noorden van Yangon, ingeklemd tussen de Indiase deelstaat Arunachal Pradesh, de autonome Chinese regio Tibet en de noordwestelijke provincie Yunnan. Putao ligt aan de voet van de Hkakabo Razi, met 5881 meter de hoogste bergtop van Zuidoost-Azië. Voordat het onlangs door een nieuwe weg werd ontsloten, was het gebied alleen door de lucht bereikbaar.
Het district Noming in Putao is de enige plek ter wereld waar P. wardii groeit, beter bekend als de zwarte orchidee, vanwege zijn kastanjebruine bloemen. Hij groeit tussen de rotsen en draagt de naam van de Britse botanicus Frank Kingdon-Ward, die in 1914 onderzoek deed naar de orchideeën van Kachin.
Hoe uniek deze plant ook is, bedreigd is hij nog niet, aangezien de lokale bevolking hem niet intensief verzamelt. Hij wordt wel gebruikt in traditionele medicijnen en zo nu en dan verkocht als souvenir aan het handjevol vasthoudende toeristen op de markten in Putao. Althans, voordat covid-19 plotsklaps een einde maakte aan het toerisme in de streek.
Toeristengids Japha Se uit Putao, eigenaar van reisbureau Icy Myanmar, vertelt dat er op sociale media al wel een levendige handel is ontstaan in de zwarte orchidee. ‘Maar nog populairder dan orchideeën zijn medicinale planten en lichaamsdelen van dieren. Die handel is lucratiever en er is meer vraag naar bij Chinese handelaars,’ vertelt hij. ‘Maar ik ben bang dat er vroeg of laat ook veel belangstelling zal komen voor onze wilde orchideeën.’
Wapen
Volgens de Wildlife Conservation Society, een internationale organisatie voor natuurbehoud uit New York die samenwerkt met het Myanmarese ministerie voor Bosbeheer, zijn er in de streek meer dan tweehonderd verschillende soorten orchideeën te vinden.
Helaas staat het plan om het Hkakabo Razi National Park op de Werelderfgoedlijst van de Unesco geplaatst te krijgen sinds december 2017 door hevige lokale protesten in de ijskast. Het zou het natuurbehoud in de streek vergemakkelijken, ‘omdat het een wapen is tegen de schurken die nu de levende en niet-levende natuur van het park plunderen,’ aldus Se.
De zeldzame orchideeën staan ook elders in Myanmar onder druk, zoals in de heuvelgebieden Chin en Naga, langs de grens met de Indiase staten Manipur en Nagaland. Daar verzamelt de lokale bevolking de planten en verkoopt die door op markten en aan kopers over de grens.
‘Doordat het wegennet er is verbeterd, is het veel makkelijker geworden voor handelaars om orchideeën en dierlijk materiaal over de grens te brengen,’ vertelt Se. ‘Daarom ben ik nog het meest bezorgd dat onze orchideeën daar snel zullen gaan uitsterven.’
De Zuid-Aziatische Chila Kumari Singh Burman versierde in opdracht van Tate Britain de neoklassieke gevel van het museum. Het werd een vrolijke installatie, die samenviel met Diwali, het hindoefeest van duizend lichtjes. ‘Achter elke decoratie zit een reden.’
Chila Kumari Singh Burman, wier ouders uit de Punjab kwamen, maar geboren is in Liverpool, verkent al meer dan veertig jaar haar Brits-Indiase achtergrond, plus wat zij beschrijft als ‘de ervaringen en esthetiek van Aziatische vrouwelijkheid’. Haar uitbundige werk omvat schilderijen, prints, collages, fotografie en performances: Bollywood-bling ontmoet popart, met uitbundige kleuren, glitter en een uitdagende weigering om zich te laten beperken tot één enkele benadering of interpretatie. Burman was in de jaren tachtig lid van de Britse Black Art-beweging en een van de eerste Zuid-Aziatische vrouwen die politieke kunst maakte in het Verenigd Koninkrijk. Haar werk is nog steeds doordrenkt met boodschappen over vrouwelijk empowerment en de wens om meerdere culturele verbanden en identiteiten te verkennen, zoals te zien is in haar huidige werk op de gevel van het Tate Britain. Ze heeft het gebouw gehuld in kaleidoscopische referenties, van Indiase mythologie tot George Orwell, via de negentiende-eeuwse ‘Warrior Queen’, de vrijheidstrijdster Jhansi ki Rani, en de horentjes die Burmans vader vanuit zijn ijscowagen verkocht.
Wat is de gedachte achter uw Tate Britain-opdracht?
‘Het zou mooi zijn als mensen zeggen: “Wow, is dat echt het Tate Britain?” Maar ik wil het ook hebben over mijn positie als Zuid-Aziatische vrouw die opgroeide als een Punjabi uit Liverpool, mijn interpretatie laten zien van de traditionele en populaire Indiase cultuur, de neoklassieke façade van het museum doorbreken en alles door elkaar mengen. Chaos in de orde brengen. Of het nu met fotomontages, collages, schilderijen, delen van mijn etsen of tekeningen op de iPad zijn.
Er zitten allerlei elementen uit mijn verleden in: de neonreclame van de Bengaalse tijger die op de ijscowagen van mijn vader stond, een pauw zoals die in hindoetempels rondlopen en ikzelf die een Shotokan-vechtsportsprong maak. Samen met Britannia bovenaan het fronton van het Tate heb ik een figuur van een Bollywood-actrice met geheven vuist gezet, die op het omslag van Mukti komt, een tijdschrift voor Zuid-Aziatische vrouwen dat ik in de jaren tachtig mede heb opgericht. Zij is mijn versie van Kali, de godin van de schepping en de vernietiging, en daar heb ik de woorden “I’m a Mess” aan toegevoegd, die ik ooit op een badge zag staan – want het is een puinhoop in Groot-Brittannië op dit moment, nietwaar?
Langs het fries van de voorgevel staan de woorden ‘Remembering a Brave New World’. Waarom heeft u die titel gekozen?
‘Omdat het suggereert dat er inspiratie gevonden kan worden in het verleden, en het biedt ook een gevoel van hoop voor de toekomst en geloof in een heerlijke nieuwe wereld. Het heeft een dubbele betekenis omdat Aldous Huxleys Brave New World (Heerlijke nieuwe wereld) een dystopische, totalitaire staat was waarin iedereen in de gaten werd gehouden. Ik weet dat sommige mensen misschien vragen: waarom citeer je dit witte manspersoon uit de upper class dat op Eton heeft gezeten? Maar Huxley was zijn tijd zo ver vooruit; hij was een verstandige man.’
De opdracht valt samen met Diwali, het hindoefeest van de duizend lichtjes.
‘De datum van Diwali verschilt elk jaar en toevallig viel het net in de tijd waarin ik de opdracht van het Tate moest uitvoeren. Dus dat gaf me de geweldige gelegenheid om Diwali in het landschap van de westerse kunstwereld te plaatsen. Het festival gaat over het licht aan het einde van de tunnel, over goed boven kwaad. Dus daar heb ik Lakshmi aan toegevoegd, de belangrijkste godin van Diwali, van rijkdom, fortuin en luxe, en ik heb er de god Ganesha een plaats in gegeven, die dan ook aanbeden wordt en geluk en voorspoed brengt. In mijn jeugd hadden we geen kunst aan de muren, maar wel kalenders met goden en goeroes erin. Ik heb het Tate Britain een beetje op een moderne tempel laten lijken, zonder dat die veel met religie te maken heeft.’
U beschrijft uw werk als ‘een en al bling met een vlijmscherp politiek bewustzijn’.
‘Het toont een overvloed aan decoratie en verfraaiing. Ik maak gebruik van versiering, maar met een boodschap. Achter elke decoratie die ik in het Tate Britain heb gebruikt, zit een reden. Op twee van de pilaren staan afbeeldingen van mijn Punjabi Rockers-prints – de titel en de inhoud vormen een combinatie van mij als Punjabi met mijn liefde voor alle soorten muziek, of het nu hippie, punk, reggae is, of de bhangra- en Bollywood-filmmuziek waar mijn ouders thuis naar luisterden. De centrale pilaren zijn gehuld in Indiase vuurwerkverpakkingen met Lakshmi en Ganesha erop die verwijzen naar Diwali. Op de andere pilaren staan bloemen en details uit mijn Jelly Handcuffs-serie. Op de trappen liggen mijn kaleidoscopische iPad-tekeningen, die verwijzen naar Indiaas vuurwerk, en precies in het midden boven de hoofdingang staat het hindoesymbool “aum”.
Toen ik nog klein was, gingen we elke zondag naar de hindoetempel, en ik weet zeker dat ik daar mijn gevoel voor kleur vandaan heb. Ik vond het altijd heerlijk om me mooi aan te kleden om naar de tempel te gaan; sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw heb ik de ervaringen en esthetiek van Aziatische vrouwelijkheid verkend, en in die context speelde ik vaak met traditioneel ‘meisjesachtige’ accessoires – bindi’s, beha’s, bloemen, juwelen en make-up – om gender en ras te onderzoeken. Ik vind het leuk om het idee van arte povera en gerecyclede materialen één feministische stap verder te voeren door goedkope, mooie rommel te gebruiken die men normaal gesproken geen blik waardig zou keuren.’
U bent naar de kunstacademie gegaan om te ontkomen aan een gearrangeerd huwelijk, en later raakte u nauw betrokken bij de Britse Black Arts-beweging. Hoe was het om in die tijd kunstenaar te zijn?
‘Ik mocht van mijn ouders nooit uitgaan en ik had geen vriendje tot ik in 1979 naar Leeds Polytechnic ging. Het was een fantastische tijd om kunstenaar te zijn, want het was de periode van punk en Rock Against Racism, en er was telkens meer belangstelling voor performance en marxistische, feministische kunst. Ik speelde in een vrouwelijke punkband die Delta 5 heette – het was een en al seks en drugs en rock-’n-roll. In de jaren tachtig zat ik op een kunstacademie, de Slade, en dat was een heel experimentele, politiek beladen tijd. Politiek, kunst en muziek waren sterker verbonden met ideeën rondom ras, klasse en gender. Toen ik later van de Slade af ging, raakte ik betrokken bij een groep Zuid-Aziatische vrouwen die Mukti hebben opgericht, een Aziatisch, feministisch tijdschrift dat in zes talen uitkwam.
Ik sloot me aan bij een aantal activistische groepen en werd curator van Curation for Liberation in de Brixton Art Gallery en van Artists Against Apartheid in de Royal Festival Hall met Darcus Howe. Ik ontwierp toen ook de antiracistische Southall Black Resistance-muurschildering met Keith Piper. We dachten allemaal dat we ons “eigen ding” moesten doen, omdat de witte kunstwereld ons niet zou zien staan. Ik ben altijd activist en artiest geweest – er was nooit een tekort aan dingen om commentaar op te geven.’
In 1988 schreef u uw inmiddels baanbrekende essay ‘There Have Always Been Great Black Women Artists’ in reactie op Linda Nochlins ‘Why Have There Been No Great Women Artists?’ Heeft u het idee dat de situatie erop vooruit is gegaan?
‘Er hebben grote veranderingen plaatsgevonden – het bestaan van onze kunst wordt meer erkend – maar er is nog veel meer te doen. Heel veel kunstenaars buiten de dominante cultuur – en vooral kunstenaars uit de diaspora in Groot-Brittannië – ontbreken nog in de grote kunstverzamelingen, en er zijn niet genoeg monografieën, retrospectieven
of selecties voor opdrachten en internationale tentoonstellingen. Daarom is het zo fantastisch dat ik nu in het Tate Britain te zien ben.
‘Bachan Singh, mijn vader, kwam in het begin van de jaren vijftig naar Engeland en werkte eerst voor Dunlop in Liverpool, maar daarna kocht hij een ijscowagen. Hij werkte tevens als goochelaar die vuur, scheermesjes en verbrijzelde gloeilampen doorslikte. Ook had hij een vaste act in de Seaman’s Club en was hij een ervaren kleermaker die maatwerk leverde.
Hij verkocht meer dan dertig jaar lang ijsjes op Freshfield Beach vanuit een grote bestelbus met bovenop een Bengaalse tijger. In de jaren zeventig hielp ik hem altijd in de bus, die ik elke avond na school schoonmaakte. Er was geen tijd voor huiswerk, maar ik mocht zoveel ijs eten als ik maar wilde en werd ondergedompeld in een wereld van kleur, smaak en materialen.
‘Dit zwart-witbeeld van politieagenten, bedekt met een rood raster over een naaipatroon voor een kledingstuk, is er een van zes unieke prints die een reactie vormden op de rellen in de jaren tachtig. Ik deed mijn Master of Arts aan de Slade en woonde op dat moment in Brixton, en mijn partner werd door de politie in de gevangenis gegooid omdat hij een zijstraat in rende tijdens de rellen in Leeds.
De prints zijn gemaakt met de meester-graficus Stanley Jones op de grafische afdeling van de Slade, die erom bekendstond dat er met uiteenlopende technieken werd geëxperimenteerd, en hierop combineer ik etsen met zeefdrukken en lithografie. Ik vind het leuk om dingen door elkaar te mengen en ik volg de regels niet, zelfs niet als het om grafiek gaat. Dit is een plaat waarop de agenten gasmaskers dragen, maar die heb ik in een zuurbad gelegd zodat er stukjes af zouden breken en er zitten ook gaten in. Ik had het niet zo op de politie op dat moment, dus beeldde ik een Amerikaanse agent af en stopte hem ook in een zuurbad, en daaroverheen legde ik dat papieren patroon met uitsparingen erin. De spanning en de scheiding in de gelaagdheid en de gefragmenteerde beelden weerspiegelen het geweld en het conflict van het onderwerp.’
Sinds 1990 onderscheidt deze titel zich in de kunstwereld met serieuze artikelen en grondige onderzoeken. Niet voor niets staat The Art Newspaper aan de wieg van vele primeurs.
Het aantal openbare seksespecifieke scholen is de afgelopen twee decennia enorm gestegen. Voorstanders van gescheiden onderwijs voor jongens en meisjes houden vol dat hun hersenen fundamenteel anders in elkaar zitten. Dergelijke overtuigingen versterken niet alleen verraderlijke genderstereotypen, maar ook raciale.
Op een heldere herfstochtend in 2017 begaven de ervaren biologieleraar Mary Bozenmayer en haar collega’s zich naar de kantine van hun middelbare school in New Jersey voor een professionele ‘ontwikkelingssessie’, die de hele dag zou duren. De spreker betrad het podium, glimlachte opgewekt en legde uit dat hij er was om hen te vertellen hoe verschillend jongens en meisjes denken.
Bozenmayer was sceptisch. Door haar biologieopleiding wist ze dat de meeste theorieën over seksegerelateerde hersenverschillen al lang geleden waren ontkracht. Toch probeerde ze open te staan voor het verhaal van de trainer, die werkzaam was voor een organisatie genaamd het Gurian Institute, en die de leraren vertelde dat meisjes het beste leren door rustig te zitten en aanwijzingen op te volgen, terwijl jongens competitie en fysieke activiteit nodig hebben om moeilijke concepten onder de knie te krijgen. ‘Mannen kunnen trivia (zoals sportstatistieken) beter opslaan dan vrouwen, en voor een langere periode’, stond op een van de kaarten die hij liet zien. Op een andere stond: ‘Jongens hebben meer tijd nodig om emoties te verwerken dan meisjes, waardoor ze over het algemeen emotioneel kwetsbaarder zijn.’ Moderne klaslokalen, zei de trainer, spelen in op de leerstijl van meisjes – met als gevolg, concludeerde hij, dat meisjes op school slagen terwijl jongens gevaarlijk achterop raken.
‘De opkomende wetenschap van man-vrouwverschillen’
Dat ging Bozenmayer te ver. Ze stak haar hand op en vroeg: ‘Als jongens het zo moeilijk hebben, waarom zien we dan nog steeds dat vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in het Congres, en in Fortune 500-bedrijven?’ De trainer reageerde door zijn punten te herhalen. ‘Ik voelde mijn bloeddruk stijgen,’ herinnert Bozenmayer zich. ‘Ik had zoiets van: dit is gewoon te scheef.’ Maar toen ze de ruimte rondkeek, zag ze veel van haar mannelijke en vrouwelijke collega’s instemmend knikken, ijverig de kaarten doornemen en aantekeningen maken.
Het idee dat jongens en meisjes aangeboren kenmerken hebben waardoor ze anders leren, is het afgelopen decennium in een stroomversnelling geraakt. Het Gurian Institute zegt dat het 60.000 leraren heeft opgeleid in 2000 schooldistricten – voor een bedrag van maar liefst 10.000 dollar per sessie. Een andere prominente pleitbezorger van naar geslacht gedifferentieerd onderwijs, psycholoog Leonard Sax, biedt een populaire tweedaagse workshop aan voor scholen over ‘de opkomende wetenschap van man-vrouwverschillen’. Op de Boy Brains & Engagement-conferentie scoren honderden leraren onderwijscredits door te luisteren naar uitleg over de leerstijlen van jongens en meisjes. ‘Wetenschappers hebben ongeveer 100 typische geslachtsverschillen in de hersenen ontdekt,’ aldus de brochure.
De ideeën vonden ook aansluiting bij beleidsmakers. De in 2002 door president George W. Bush ondertekende No Child Left Behind-wet moedigt aparte klaslokalen voor jongens en meisjes aan. Hoewel de regering-Obama zich tegen dat idee heeft verzet, hebben wetgevers op staatsniveau de zaak opgepakt: de gouverneur van Florida, Rick Scott, heeft in 2014 een wet ondertekend die ‘genderspecifieke klaslokalen’ toestaat; Californië heeft in 2017 een soortgelijke wet aangenomen. Het aantal openbare seksespecifieke scholen is de afgelopen twee decennia explosief gestegen, van een handvol begin 2000 tot een paar honderd vandaag.
Achter de beweging die scholen ‘gendervriendelijker’ wil maken, schuilt de angst dat ons onderwijssysteem vooral jongens achterstelt. Een reeks bestsellers over hoe jongens worstelen met leren liet duidelijk zien dat ze achterblijven op het gebied van cijfers, toetsscores en afstudeerpercentages. ‘Het bewijs dat jongens achterop raken stapelt zich op,’ schreef de New York Times-columnist David Brooks in 2012. ‘Dit is een uitgemaakte zaak.’ In een opinieartikel uit 2015 in The Washington Post, getiteld ‘Waarom scholen onze jongens in de steek laten’, schreef een ouder (een moeder): ‘Het gebrek aan beweging en de rigide beperkingen in het moderne onderwijs doden de ziel van mijn zoon.’ Sommige schrijvers zien de zogenaamde jongenscrisis als een gevolg van het feminisme. In een National Review-artikel uit 2017 getiteld ‘De vervrouwelijking van alles gaat ten koste van onze jongens’, beschuldigt conservatief expert David French ‘de gefeminiseerde school, compleet met zijn zerotolerancebeleid, dodelijke angst voor alles wat ook maar enigszins martiaal is, en de niet-aflatende nadruk op medeleven en zorg in plaats van verkenning en avontuur (tenzij de avonturier een vrouw is).’
De stereotypen van meisjes als van nature ijverige huiswerkmakers en jongens als verkeerd begrepen rebellen bieden een handig kader om de matige schoolprestaties van sommige jongens te verklaren. Maar er is één probleem: overweldigend bewijs toont aan dat onze culturele verwachtingen van gender een minstens even grote rol spelen als de zogenaamd kernachtige verschillen in de leerstijlen van jongens en meisjes. Hoewel sommige studies van een paar jaar geleden lieten zien dat meisjes het wat leren betreft beter doen dan jongens, suggereert recenter onderzoek dat deze bevindingen verre van universeel zijn: de genderkloof in schoolprestaties varieert enorm per afkomst, klasse en geografische locatie.
‘Het gebrek aan beweging en de rigide beperkingen in het moderne onderwijs doden de ziel van mijn zoon’
En zelfs als meisjes een voorsprong hebben op school, is de oorzaak misschien niet biologisch: toonaangevend hersenonderzoek trekt het idee van consistente en significante hersenverschillen tussen meisjes en jongens in twijfel, en onderwijsonderzoekers hebben ontdekt dat seksegedifferentieerd onderwijs geen studievooruitgang garandeert. Integendeel, onze vooroordelen over hoe meisjes en jongens leren en zich gedragen, beïnvloeden juist hun schoolervaringen en versterken genderstereotypen. En het meest verontrustende is dat neurologisch onderzoek erop wijst dat deze stereotypen de hersenen van de leerlingen misschien zelfs vórmen.
Bescheiden overwinning
Bozenmayer deelde haar zorgen over de koers van haar school met het schoolhoofd en zijn superieuren. Toen ze geen actie ondernamen, nam ze contact op met Galen Sherwin, een senior advocaat bij de American Civil Liberties Union (ACLU), die leiding geeft aan de ‘Teach Kids, Not Stereotypes’-campagne. De ACLU betoogt dat het scheiden van jongens en meisjes op school bijna altijd oneerlijk is – en in veel gevallen kan het illegaal zijn volgens Title IX, de federale wet die discriminatie op grond van geslacht in het onderwijs verbiedt. Tot dusver heeft de ACLU seksegescheiden onderwijs in vijftien staten betwist, wat heeft geleid tot de sluiting van 36 programma’s. Nadat de ACLU in 2018 contact had opgenomen met het kantoor van de procureur-generaal van New Jersey voor burgerrechten, stopte het district van Bozenmayer met de trainingen.
Sherwin noemt het een bescheiden overwinning.
Maar nieuwe openbare single-sex-scholen blijven opduiken, meestal in arme gemeenschappen van kleur, waar ze volgens haar niet alleen verraderlijke genderstereotypen versterken, maar ook raciale. Uit een Education Week-rapport uit 2017 bleek dat openbare single-sex-scholen bestaan uit een onevenredig groot aantal leerlingen van kleur – ongeveer 90 procent, vergeleken met ongeveer 50 procent door het hele land. Meer dan driekwart van de leerlingen op single-sex-scholen komt daarbij uit arme gezinnen, tegen ongeveer de helft in het hele land.
Voor leraren die worstelen met discipline, overvolle klaslokalen en ondergefinancierde scholen, kan het argument voor leerverschillen tussen jongens en meisjes overtuigend zijn. Zoals Rebecca Bigler, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Texas, Austin, die onderzoek doet naar de genderrolontwikkeling bij kinderen, opmerkt: ‘Het biedt een eenvoudige oplossing voor een in werkelijkheid complex probleem.’
The Wonder of Boys
Deze manier van leren is natuurlijk niet nieuw. Het werd ooit als ongepast beschouwd dat meisjes en jongens samen zouden leren. Toen ik in de jaren negentig naar een middelbare meisjesschool ging, was de heersende gedachte dat jongens de klasgesprekken domineerden en meisjes zich niet van hun slimme kant durfden te laten zien. Maar de overheersende onderwijsfilosofie voor jongens en meisjes die in deze eeuw is ontstaan, is minder gericht op het vergroten van de macht van meisjes dan op het redden van jongens.
In 2006 publiceerde auteur en zelfbenoemd ‘sociaal filosoof’ Michael Gurian The Wonder of Boys, waarin hij betoogt dat de mannelijke hersenstructuur, samen met de ontbinding van traditionele maatschappelijke structuren, jongens vatbaar heeft gemaakt voor ‘bende-activiteiten, seksueel wangedrag en misdaad’. Critici prezen het boek als het mannelijke antwoord op Reviving Ophelia van Mary Pipher, de bestseller uit 1994 over worstelende tienermeisjes. Van The Wonder of Boys zijn meer dan 400.000 exemplaren verkocht en het is vertaald in 17 talen. Op zijn site beweert Gurian het Congres over zijn werk te hebben ‘ingelicht’. In 1996 richtte hij het Gurian Institute op, dat schooldistricten helpt om aparte klaslokalen voor mannen en vrouwen in te richten en sommige ertoe heeft overgehaald om seksegescheiden scholen op te richten.
Gurian, die geen certificaten heeft in onderwijs, psychologie of neurowetenschappen, heeft zijn ‘op de natuur gebaseerde theorie’ over gender in meer dan twee dozijn boeken uitgewerkt. In The Minds of Boys: Saving Our Sons From Falling Behind in School and Life trekt Gurian van leer tegen een onderwijssysteem dat is afgestemd op volgzame, goed opgevoede meisjes, maar dat onstuimige, competitieve jongens achterstelt en buitensluit. ‘Ouders die hun zonen naar hun eerste dag op de kleuterschool brengen, zullen in toenemende mate merken dat ten minste een van hun jongens uiteindelijk een onderwijscrisis krijgt te doorstaan,’ schrijft hij.
Om dit tegen te gaan, zegt Gurian, moeten we klaslokalen en onderwijsstrategieën speciaal voor jongens inrichten. Dit zou moeten beginnen op de kleuterschool, waar leraren in plaats van geweld te verbieden ‘agressiezorg’ moeten onderwijzen, zodat jongens elkaar kunnen slaan en schoppen in plaats van woorden te gebruiken. ‘Gezien de hormonale en neurale samenstelling van mannen,’ schrijft hij, ‘geldt voor jongens (en mannen) vaak dat agressieve gebaren net zo vormend zijn als woorden, en voor net zo veel binding zorgen als een knuffel.’ (Sax, de eerdergenoemde psycholoog, beaamt deze ideeën en raadt slaan aan als straf voor jongens, maar niet voor meisjes.) Gurian stelt een reeks strategieën voor waarvan hij beweert dat ze het leren van jongens op alle niveaus zullen verbeteren: leraren mogen jongens niet in de ogen kijken – het mannelijke brein raakt gefrustreerd door direct oogcontact. Het licht moet altijd fel blijven, want bij weinig licht kunnen jongens ‘zich gaan misdragen’. Om jongens tot lezen te verleiden stelt hij voor om ze handleidingen, businessboeken en strips aan te bieden in plaats van To Kill a Mockingbird of Romeo en Julia.
Gurian stelt dat jongens zeer geschikt zijn voor het soort lessen dat ze een paar eeuwen geleden zouden hebben gekregen: jagen, boer worden of een vak leren bij een ervaren ambachtsman. Hij geeft de Industriële Revolutie de schuld van de ondergang van dat type onderwijs. Amerikaanse scholen, zegt hij, zijn ontwikkeld om leerlingen op te leiden voor fabriekswerk. Gurian, die ook romanschrijver is, verwerpt de moderne nadruk op lezen en verbale taken, waar meisjes, zo beweert hij, van nature beter in zijn. ‘Omdat jongenshersenen van nature niet geschikt zijn voor klaslokalen die de nadruk leggen op lezen, schrijven en complexe woordvorming, ontstaan in elke cultuur die sterk afhankelijk is van die vaardigheden problemen bij de jongens.’ Bovendien, zegt hij, zijn jongens van nature minder veerkrachtig dan meisjes – dus een slecht cijfer kan hun kwetsbare ego’s beschadigen. ‘Het mannelijke lerende brein is meer van porselein dan het vrouwelijke; het vrouwelijk lerende brein is meer van staal.’
Geslachtsmozaïek
Meer dan tien jaar geleden merkte Lise Eliot op dat ouders vaak verwezen naar zogenaamd aangeboren verschillen in hoe jongens en meisjes denken. Dat klonk aannemelijk, vond Eliot, een neurowetenschapper aan de Rosalind Franklin University in Chicago die de plasticiteit van de hersenen bestudeert – het vermogen van onze geest om zich te ontwikkelen en aan te passen. Dus besloot ze er een onderzoeksproject van te maken, waarbij ze een schat aan gegevens vergaarde uit brain imaging- onderzoek van kinderen en volwassenen.
‘Het mannelijke lerende brein is meer van porselein dan het vrouwelijke; het vrouwelijk lerende brein is meer van staal’
Eliot verwachtte consistente verschillen te zien in de structuren van mannelijke en vrouwelijke hersenen, dus ze was perplex toen de beelden iets heel anders onthulden. Sommige kenmerken kwamen inderdaad vaker voor in de hersenen van één geslacht. Bij vrouwen is de buitenste laag van de hersenen, die bekendstaat als de hersenschors, bijvoorbeeld dikker; de hippocampus, een regio die geassocieerd wordt met het geheugen, is bij mannen verhoudingsgewijs vaak groter dan bij vrouwen. Toch ontdekte ze dat individuele hersenen een mix van eigenschappen bevatten die als ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ worden beschouwd. In feite vond ze slechts één consistent verschil tussen mannelijke en vrouwelijke hersenen dat voor alle leeftijden gold: mannelijke hersenen zijn ongeveer 11 procent groter dan vrouwelijke hersenen. Maar dat leek niet echt veelzeggend, aangezien alle mannelijke organen iets groter zijn, wat in verhouding staat tot de grotere lichaamsomvang van mannen.
Toen Eliot en haar collega’s naar beelden en studies van de hersenen van kinderen keken, zagen ze nog minder consistente verschillen tussen mannen en vrouwen. ‘Ik stond versteld,’ herinnert ze zich. ‘Mensen beweren dat als we ons anders gedragen, er ook iets anders moet zijn aan de hersenen. Maar dat is aan de grote hersengebieden of zenuwbanen zeker niet te zien.’ Daphna Joel, hoogleraar psychologie en neurowetenschappen aan de universiteit van Tel Aviv, beschrijft het algehele effect als een ‘geslachtsmozaïek’ – elk brein heeft een ‘specifieke configuratie’ van ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ kenmerken.
Toen Eliot zich begon te verdiepen in psychologische onderzoeken viel haar iets soortgelijks op. Over het algemeen waren verschillen in gedrag op basis van geslacht bij zowel kinderen als volwassenen statistisch klein. Bij zeer jonge kinderen bestonden ze vrijwel niet, terwijl ze bij tieners en volwassenen iets aanweziger waren: meisjes hadden de neiging om iets op jongens voor te lopen in hun verbale taken, en jongens werden over het algemeen iets beter in ruimtelijke en wiskundige problemen. Tussen de vroege kinderjaren en het einde van de adolescentie ontdekten onderzoekers van de Emory-universiteit dat de voorsprong van jongens op meisjes bij ruimtelijke taken verdrievoudigde, van ‘klein’ tot ‘gemiddeld’. Er is een statistisch significante genderkloof te zien bij leestoetsen die aan Amerikaanse leerlingen worden gegeven, waarbij meisjes hoger scoren, vooral op de middelbare school. Maar zoals een rapport van de Brookings Institution opmerkt, is deze kloof kleiner geworden en kleiner dan de kloof tussen witte en zwarte leerlingen, tussen leerlingen in de stad en leerlingen uit voorsteden, en tussen leerlingen met verschillende sociaaleconomische achtergronden. En deze genderkloof verdwijnt op volwassen leeftijd.
Eliot wist vanuit haar vakgebied dat het menselijk brein uitzonderlijk goed is in zich aanpassen en veranderen als reactie op prikkels van buitenaf. Dat bracht haar ertoe te onderzoeken of we onbedoeld de hersenen van onze kinderen vormgeven volgens genderstereotypen. Hiervoor zijn goede bewijzen te vinden. Wetenschappers hebben bijvoorbeeld ontdekt dat het gebied van Broca, een hersengebied dat verantwoordelijk is voor verbale verwerking, groter is bij meisjes en vrouwen. Toch is aangetoond dat ouders de taalvaardigheid van hun jonge kinderen kunnen verbeteren door met hen te praten – en dat moeders meer met babymeisjes praten dan met babyjongens, wat de ontwikkeling van deze regio zou kunnen stimuleren. ‘Hoe,’ vraagt Joel zich af in haar recente boek Gender Mosaic: Beyond the Myth of the Male and Female Brain (dat ze samen met Luba Vikhanski schreef), ‘kunnen we dan zien of de superieure verbale vaardigheden van de meisjes inderdaad het gevolg zijn van hun geslacht, of dat ze worden beïnvloed door de genderspecifieke zorg die ze krijgen?’ Ze haalt een onderzoek uit 2014 aan, waarin wetenschappers de hersenactiviteit bij ouders van zuigelingen analyseerden. Bij heteroseksuele koppels waren er consistenties langs geslachtslijnen – de vrouwenpatronen wezen de ene kant op, de mannenpatronen de andere kant. Maar bij homoseksuele paren, waar de opvoedingsrollen minder geslachtsgebonden zijn, vertoonden beide ouders typisch mannelijke én vrouwelijke patronen in de hersenactiviteit. Dit, schrijft Joel, roept een interessante vraag op: ‘Zijn dergelijke verschillen voorgeprogrammeerd in onze biologie, of worden ze gedicteerd door de rollen die vrouwen en mannen in onze samenleving krijgen toebedeeld?’
De invloed van onze sociale omgeving op de vorming van ons lichaam, beperkt zich niet tot de hersenen. Terwijl Gurian en Sax beweren dat een overvloed aan testosteron ervoor zorgt dat jongens competitief zijn, kan het omgekeerde ook het geval zijn: studies tonen aan dat competitie zelf tijdelijk de testosteronniveaus verhoogt bij zowel jongens als meisjes.
Essentialistisch denken
Als ik vrienden en kennissen vertel wat ik heb geleerd over het gebrek aan bewijs voor consistente op geslacht gebaseerde hersenverschillen, krijg ik vaak opmerkingen als: ‘Dat kan onmogelijk waar zijn! Ik heb mijn kinderen en hun vriendjes bestudeerd, en vanaf de peuterleeftijd leggen de meisjes de speelgoedtrucks als baby’s in bed en veranderen de jongens poppen in geweren.’ Dat is misschien zo, zegt Joel tegen mij, maar we weten niet hoeveel hiervan te wijten is aan de manier waarop stereotypen onze kinderen vormen. Als mensen hebben we een opmerkelijk vermogen om onze waarnemingen te filteren op informatie die onze overtuigingen versterkt. We zullen dus eerder de kleine meisjes opmerken die de vrachtwagens vertroetelen, dan degenen die het verschil kunnen zien tussen een shovel en een graafmachine. En zodra we gedrag opmerken dat overeenkomt met onze vooroordelen, hebben we de neiging dit te versterken. ‘Is die vrachtwagen jouw baby?’ vragen we het meisje bijvoorbeeld. ‘Wil je hem een flesje geven?’
Studies tonen aan dat competitie zelf tijdelijk de testosteronniveaus verhoogt bij zowel jongens als meisjes
Zulke stereotypen sluipen het klaslokaal binnen. Bigler, de psycholoog, heeft ontdekt dat het simpelweg gebruiken van de termen ‘jongens’ en ‘meisjes’ op school (en elders) de manier kan veranderen waarop kinderen over gender denken. Zelfs de schijnbaar onschadelijke begroeting ‘Goedemorgen, jongens en meisjes!’ bevordert wat psychologen essentialistisch denken noemen – het idee dat mensen in verschillende categorieën ‘op grote, ingrijpende manieren anders zijn’, zegt Bigler. Kinderen worden sterk beïnvloed door de houding van hun ouders en leraren – en, zegt Bigler, volwassenen verwerpen het ‘gendervooroordeel’ van kinderen gewoonlijk als schattig of onschadelijk. Bigler vroeg ooit een klas met basisschoolleerlingen om hun favoriete en minst favoriete klasgenoten te noemen. Veel van de jongens zeiden dat ze niet slechts vijf kinderen konden noemen die ze niet leuk vonden – ze vonden alle meisjes stom. Wanneer Bigler me dit verhaal vertelt, lach ik. ‘Ik vertel deze anekdote al dertig jaar en iedereen lacht,’ zegt Bigler. ‘Maar het is niet grappig. Het probleem is dat als kinderen zulke dingen zeggen, volwassenen er niet tegen ingaan.’
Deze vicieuze cirkel van stereotypeversterking vindt Eliot kwalijk. ‘Als je wilt dat jongens en meisjes meer hetzelfde denken, moet je ze een vergelijkbaardere opleiding geven,’ vertelt ze. ‘Alles wat we weten over de hersenen ondersteunt dit.’ Het is één ding wanneer ouders de gendervooroordelen van hun kinderen beïnvloeden; het is iets anders wanneer die vooroordelen niet alleen weerspiegeld worden, maar bovendien worden gepromoot op onze openbare scholen.
Toch is Gurian niet onder de indruk van de groeiende wetenschappelijke consensus omtrent het sekseneutrale brein – hij verzet zich zelfs vaak tegen de wetenschappers die dit hebben aangetoond. Toen Eliot Gurian op Twitter tagde om zijn bewering te bekritiseren dat vrouwelijke hersenen beter uitgerust zijn voor verbale taken, tweette Gurian terug: ‘Je bent net een klimaatontkenner: een wetenschapper die de wetenschap ontkent.’ (‘Laat me de gegevens zien,’ stuurde ze terug, Gurians misleidende argumentatie rechttrekkend. Hij reageerde niet.)
Grabbelton
Toen ik contact opnam met Gurian was zijn eerste opmerking: ‘Als je achter Lise Eliots ideeën staat, ben ik niet geïnteresseerd in een gesprek.’ Haar onderzoek staat volgens hem te ver af van het klaslokaal om van belang te zijn voor het onderwijs. Hij beweert dat zijn werk ter bevordering van naar geslacht gedifferentieerd onderwijs en single-sex-scholen is gebaseerd op ‘meer dan 1000 onderzoeken naar mannelijke en vrouwelijke hersenen’. De bronnen die op zijn site worden vermeld, zijn op zijn zachtst gezegd een grabbelton: recentere, peer-reviewed studies worden afgewisseld met tientallen jaren oude artikelen met titels als ‘IJsconsumptie, de neiging tot overmatig eten en persoonlijkheid’ en ‘Vrouwelijke voorkeur voor aantrekkelijke make-up veroorzaakt veranderingen in hun testosteron’, en een boek uit 1999 genaamd Why Men Don’t Iron. (Toen ik contact met hem opnam om toelichting te vragen over zijn bronnen, wilde hij geen commentaar geven.)
In tegenstelling tot wat Gurian beweert, wezen de experts met wie ik sprak op recent onderzoek waaruit blijkt dat de genderstereotypering van leraren zichzelf kan versterken. In een studie uit 2014 analyseerde Sarah Theule Lubienski, hoogleraar wiskunde aan de Indiana-universiteit, de manier waarop leraren van basisschoolleerlingen gedrag en leercompetentie beoordeelden. Ze ontdekte dat meisjes even goed in wiskunde konden zijn als ze door leraren werden gezien als hardwerkender en gretiger dan jongens. In een volgende studie toonde Lubienski aan dat de verwachting dat meisjes gehoorzaam zijn, hen ervan weerhoudt het gedurfde, creatieve, probleemoplossende denken te ontwikkelen dat vereist is voor wiskunde op een hoger niveau. Dat zou kunnen verklaren waarom meisjes over het algemeen gelijke tred houden met jongens bij gestandaardiseerde wiskundetoetsen, ook al zijn er onder de toppresteerders onevenredig veel jongens. ‘We leren meisjes om een goede leerling te zijn,’ zegt Lubienski. ‘In plaats daarvan zouden we hen moeten helpen strategieën te ontwikkelen om onbekende problemen op te lossen. Laten we leerlingen belonen als ze moedig zijn in hun denken.’
Onderzoek toont aan dat single-sex-scholing de beweringen van Gurian niet waarmaakt. In 2010 onderzochten Bigler en een team van onderzoekers van de Universiteit van Texas een openbare middelbare school voor meisjes in het zuidwesten. Op papier was de school een lichtend voorbeeld van het succes van gescheiden onderwijs voor jongens en meisjes: de leerlingenpopulatie was divers en de toetsscores waren hoog. Maar toen de onderzoekers dieper in de gegevens doken, ontdekten ze dat de meisjes die werden toegelaten via een zogenaamd willekeurige loting al beter presteerden dan hun leeftijdsgenoten op andere gemengde scholen – terwijl meisjes aan wie de toelating werd geweigerd, lagere scores haalden. De leerlingen van de meisjesschool deden het niet beter op gestandaardiseerde toetsen dan hun leeftijdsgenoten op een gemengde school. In 2014 hebben onderzoekers in een meta-analyse, gepubliceerd door de American Psychological Association, 184 studies van 1,6 miljoen leerlingen over de hele wereld doorgekamd. Niet-gemengde scholen bleken ‘weinig of niets’ voor te hebben op gemengde scholen, waarbij werd opgemerkt dat die bevindingen de veronderstellingen over biologische verschillen tussen jongens en meisjes ondergraven.
Om te zien hoe het er in het single-sex-onderwijs aan toegaat, reis ik naar een van de gebieden waar voor- en tegenstanders een harde strijd voeren. In 2014 diende de ACLU een klacht in bij het ministerie van Onderwijs tegen het schooldistrict Hillsborough County in Tampa, Florida, met het argument dat de betreffende scholen de rechten van leerlingen op grond van Title IX schonden. Het district, zo beweerde de klacht, had bijna 100.000 dollar uitgegeven aan trainingen door het Gurian Institute, Sax en anderen. (Een van die sessies heette Busy Boys, Little Ladies.) Daarop werden in achttien scholen klaslokalen voor jongens dan wel meisjes ingericht, waar leraren op gender gebaseerde instructiestrategieën implementeerden, zoals meisjes een vleugje parfum op hun polsen geven voor het correct uitvoeren van een taak, terwijl jongens die zich goed gedroegen elektronica mee naar school mochten nemen. Dat programma werd uiteindelijk geschrapt. Maar in 2011 werden in het district opnieuw twee niet-gemengde middelbare scholen geopend: Ferrell Girls Preparatory Academy en Franklin Boys Preparatory Academy, die beide zijn benoemd tot Gurian Institute Model School.
Vermoedelijk vanwege de ACLU-klacht heeft Tampa er alles aan gedaan te zorgen dat de single-sex-scholen niet in strijd waren met Title IX, dat over het algemeen verbiedt om kinderen volgens gender of geslacht te scheiden, terwijl het genderspecifieke scholen onder bepaalde omstandigheden toestaat. Zo is geen enkele leerling uit Tampa verplicht naar een jongens- of meisjesschool te gaan – het zijn programma’s waar gezinnen zelf voor moeten kiezen.
Meisjes kregen een vleugje parfum op hun polsen voor het correct uitvoeren van een taak, terwijl jongens die zich goed gedroegen elektronica mee naar school mochten nemen
Franklin Boys Preparatory Academy bevindt zich in een buurt met lage inkomens aan de oostkant van Tampa. Leerlingen zijn gemiddeld armer dan op de meeste scholen in de buurt. Ongeveer 75 procent van de 530 leerlingen krijgt een gratis lunch of lunch met korting. Driekwart van de leerlingen is zwart of van Latijns-Amerikaanse afkomst, vergeleken met 57 procent in de rest van de wijk. Senior beheerder Kathy Wasserman leidt me rond in de school en wijst op de kenmerken die speciaal voor jongens zijn ontworpen. Bij de ingang staat een trofeekast met in het midden een grote beker. Die, vertelt ze, behoort toe aan de winnende afdeling van vorig jaar – de jongens zijn à la Harry Potter verdeeld over drie afdelingen, elk gestructureerd als een bedrijf, met hoofdmonitors die optreden als ‘directeur’. Door resultaten, sport en goed gedrag kunnen de afdelingen punten verzamelen, die elke twee weken worden opgeteld. Het afdelingssysteem, legt Wasserman uit, is een hoeksteen van de school. ‘Jongens gedijen bij concurrentie,’ vertelt ze me.
De gangen worden in tweeën gedeeld door geel met zwart gestreepte lijnen. Wasserman vertelt dat de school tweebaansverkeer heeft ingesteld omdat ‘jongens gedijen bij structuur’. Dat is de sleutel van de aanpak van de school. ‘Alles wat we doen gaat volgens een bepaalde structuur en een bepaalde procedure.’ In een taalvaardigheidsles wijst Wasserman erop dat de bureaus in traditionele rijen zijn gerangschikt – omdat, zegt ze, jongens informatie het beste kunnen assimileren als ze recht vooruit kijken. Een assistent-leraar laat me een timer zien en vertelt dat deze elke 12 minuten afgaat, waarna de jongens naar de drinkfontein in de hal mogen gaan. ‘Jongens reageren heel goed op die timer,’ zegt Wasserman. ‘Schema’s, timers, al deze dingen liggen vast.’
Als ik vraag wat ze denkt van het idee dat traditionele scholen het jongens moeilijk maken, zegt ze na even nadenken: ‘Meisjes zijn goed in zitten en stil zijn en doen wat ik zeg. Ik denk dat onderwijs vaak op dat principe is afgestemd. Maar wij zijn ingesteld op jongens, op beweging. We zijn luidruchtig. We hebben energie. We zorgen dat er tijdens de lunch genoeg tijd is om de jongens naar buiten te laten gaan.’
Maar zelfs de schoolpauzes hier voelen bijna militaristisch aan in hun nadruk op structuur. Tijdens de lunch in de kantine vertelt Wasserman: ‘Als je naar het toilet moet, gaat dat volgens protocol. Als je water wilt, gaat dat volgens protocol. Als je je vork bent vergeten, gaat dat volgens protocol. En het loopt op rolletjes.’
Het Gurian Institute promoot seksuele voorlichting als onderdeel van de oplossing voor de specifieke uitdagingen waarmee jongens van kleur worden geconfronteerd, zoals hoge schooluitval en de gang van-school-naar-de-gevangenis. De aanpak van het instituut wordt gepresenteerd door de lens van de veronderstelde jongenscrisis. ‘De meeste mannelijke problemen, inclusief de problemen waarmee jongens van kleur worden geconfronteerd, houden verband met het onvermogen van onze samenleving om de aard van mannen te koesteren,’ schrijft Gurian. Een recente aflevering van zijn podcast heet: ‘We kunnen raciale en sociaaleconomische hiaten niet oplossen zonder de genderkloof te verhelpen.’
Verontrustende raciale boventonen
Hoewel deze inspanningen worden gedreven door oprechte bezorgdheid over de raciale kloof in prestaties, maakt Sherwin, de ACLU-advocaat, zich zorgen dat het op geslacht scheiden van leerlingen van kleur ‘berust op het stereotiepe idee dat deze kinderen zo weerbarstig en onbeheerst zijn dat jongens en meisjes zich niet samen in één klaslokaal kunnen bevinden’. Dit is bijzonder verontrustend in het licht van de recente geschiedenis van het openbaar onderwijs voor jongens en meisjes in de Verenigde Staten. Juliet A. Williams, hoogleraar genderstudies aan de University of California, Los Angeles, is nagegaan welke schooldistricten leerlingen in het verleden scheidden op basis van geslacht, in opdracht van witte ouders die in opstand kwamen tegen het idee dat hun witte meisjes samen met zwarte jongens werden onderwezen. Ideeën over op sekse gebaseerde verschillen, zegt ze, ‘kunnen een verontrustende racistische ondertoon hebben en het vooroordeel uitdragen dat zwarte en latinojongens chaotischer, onhandelbaarder en onbeheerster zouden zijn’.
Zelfs de schoolpauzes hier voelen bijna militaristisch aan in hun nadruk op structuur
Seksegescheiden schoolprogramma’s worden steeds vaker aangeboden als alternatief voor lokale scholen en ingekaderd als een onderdeel van de schoolkeuzebeweging die door minister van Onderwijs Betsy DeVos wordt gepromoot. Bijgevolg heeft de organisatie van Sax, de National Association for Single Sex Public Education, haar naam veranderd in de National Association for Choice in Education. ‘De realiteit is dat ouders beperkte onderwijskeuzes hebben,’ zegt Bigler. ‘En misschien is een school voor één geslacht in sommige gemeenschappen de beste optie, omdat die meer middelen heeft.’ Het is veelzeggend, benadrukt Sherwin, dat de trend onder elitescholen naar gemengd onderwijs neigt. ‘Als single-sex zo goed zou werken, zou je zien dat het overal werd toegepast, niet alleen in arme minderheidsdistricten.’ Een meta-analyse uit 2014 van dit type onderwijs heeft geen bewijs gevonden dat het arme leerlingen van kleur vooruithelpt.
Ondanks het gebrek aan bewijs, houden de voorstanders van single-sex-onderwijs voet bij stuk. De National Association for Choice in Education heeft in 2011 haar openbare lijst van seksegescheiden klaslokalen en scholen geschrapt om de ‘intimiderende aanpak van ACLU’ te belemmeren. In 2017, twee jaar nadat ACLU een klacht had ingediend tegen een overwegend door latinokinderen bezochte middelbare school in Los Angeles die leerlingen naar geslacht scheidde, hebben wetgevers in Californië een wet aangenomen die de oprichting van zulke scholen legaal maakt. In 2018 verloor ACLU een zaak over de middelbare seksegedifferentieerde scholen in Austin, het schooldistrict met het grootste aantal latinoleerlingen van Texas. Het is niet duidelijk wat de volgende stap in de juridische strijd zal zijn. Tot dusver heeft de Trump-regering geen beleid uitgevaardigd over openbare scholen voor één geslacht, maar de trend lijkt te zijn om schooldistricten maximale speelruimte te geven.
55 procent van de scores van de Ferrell-meisjes in 2018 kwalificeerde zich als bekwaam, tegen 40 procent van de Franklin-jongens
Ik sprak met een lerares Engels uit een groot, veelal arm en niet-wit schooldistrict in Texas, die zich had beklaagd dat ze van de onderwijsinspecteur een training moesten volgen op basis van het werk van Gurian en Sax, waarna haar middelbare school zich enkel nog op jongens richtte. Maandenlang verzette ze zich tegen wat zij zag als een schoolcultuur gebaseerd op valse stereotypen over mannelijkheid – die schadelijk was voor een kwetsbare populatie jongens. Ze maakte zich vooral zorgen over het feit dat een groep homoseksuele leerlingen werd gepest en dat een beginnende lerares seksueel werd lastiggevallen door leerlingen. Haar klachten bleven grotendeels onbeantwoord en aan het einde van het schooljaar werd ze zonder toelichting ontslagen.
Zo’n 3 kilometer van de Franklin Boys Preparatory Academy hangt er in de Ferrell Girls Preparatory Academy, waarvan de leerlingen demografisch vergelijkbaar zijn met die van Franklin, een heel andere sfeer. Hier geen timers, stroken in de gang of bureaus in rijen. Het is er niet zozeer chaotisch maar wel een beetje vriendelijker. En dat is geen toeval. De tegenhanger van Wasserman, Lori Bartholomew, vertelt me dat haar leraren de nadruk leggen op samenwerking en inclusiviteit, en uitzoeken hoe het emotionele leven van meisjes hun leren beïnvloedt. Het is gebruikelijk, zegt ze, dat leraren met de les beginnen met de vraag wat er bij de meisjes speelt. Net als bij Franklin worden de leerlingen verdeeld over verschillende afdelingen, maar hier ligt de focus op samenwerking, niet op concurrentie.
Bartholomew noemt veel generalisaties waarvan ik vermoed dat ze het bloed van Lise Eliot zouden doen koken. Ze wijst erop dat een leraar een ‘zachte toon’ gebruikt omdat ‘meisjes erg gevoelig zijn voor geluid’. De toegewezen zitplaatsen in de kantine worden om de twee weken vervangen omdat de vriendschapsgroepen van meisjes ‘als beton zijn, en je een sloophamer nodig hebt om ze uit elkaar te halen’. Ze vertelt me dat meisjes gevoeliger zijn voor emoties dan jongens. ‘Veel daarvan heeft te maken met moederen en verzorgen,’ zegt ze. ‘Ze zeggen zelfs dat vrouwen oxytocine aanmaken als ze een baby horen huilen, want dat is hun instinct.’
Het resultaat van dit alles is pervers genoeg een educatieve omgeving die echt lijkt te werken. Ik zie hoe de leraar in een wiskundeles meisjes uitdaagt om samen te werken en creatief na te denken. Op een gegeven moment verdeelt ze de klas in verschillende groepen om erachter te komen hoe het concept van absolute waarde zich zou kunnen verhouden tot de echte wereld. Na een paar minuten de koppen bij elkaar te hebben gestoken, delen de meisjes hun ideeën. ‘Als je loopt, loop je nooit negatieve afstanden,’ zegt een meisje. De anderen knikken. Later in de les moedigt de leraar de meisjes aan om samen te werken aan een oefening in grafieken tekenen. ‘Communiceer met je buren. Kijk of ze dezelfde soort grafiek hebben als jij,’ zegt ze. ‘Zo niet, help ze dan.’
Sociaal-emotioneel leren
Het soort onderwijsstrategieën dat ik bij Ferrell heb gezien, legt de nadruk op wat bekendstaat als sociaal-emotioneel leren: kinderen helpen hun emoties te uiten en te beheersen, zelfrespect te ontwikkelen, relaties aan te gaan en empathie te ervaren. Onderzoek toont aan dat sociaal-emotioneel leren de schoolprestaties kan verbeteren. In 2011 analyseerde de nonprofitorganisatie Collaborative for Academic, Social and Emotional Learning meer dan 200 schoolprogramma’s en ontdekte dat hoogwaardige sociaal-emotionele leerprogramma’s correleerden met een sprong van 11 percentiel in de lees- en rekenscores van leerlingen. Uit een vervolgonderzoek in 2017 bleek dat de voordelen van deze programma’s jarenlang aanhielden.
Bij gestandaardiseerde toetsen presteerden Ferrell-meisjes in elk vak beter dan Franklin-jongens. Het verschil was het grootste in wiskunde: 55 procent van de Ferrell-meisjes in 2018 scoorde een ruime voldoende, tegen 40 procent van de Franklin-jongens. Deze kloof tussen mannen en vrouwen op single-sex-scholen in Tampa duidt op een grote ironie: naar geslacht gedifferentieerd onderwijs moest de ‘jongenscrisis’ in het onderwijs oplossen, maar de meeste experts die ik heb gesproken, zijn bang dat precies het tegenovergestelde gebeurt. ‘We leren jongens soms dat het niet oké is om hun emoties te uiten, en dat kan voor hun leerproces verstikkend zijn,’ zegt Justina Schlund, de coördinator veldonderzoek van de Collaborative for Academic, Social and Emotional Learning. Ze is bezorgd dat stereotypen over emotioneel afstandelijke mannelijke hersenen docenten zouden kunnen ontmoedigen om belangrijke lessen te geven die jongens nodig hebben om te slagen: ‘Jongens moeten leren dat ze empathische wezens zijn, dat ze lid van een klas zijn, een gezin, een gemeenschap. Dit zijn cruciale lessen in het echte leven, maar ook in de klas.’
Het bevorderen van kwetsbaarheid
Een onderdeel van het sociaal-emotionele leerplan is het stimuleren van kwetsbaarheid – de bereidheid om mislukkingen te accepteren en om hulp te vragen. Edward Morris, een socioloog van de University of Kentucky, onderzoekt hoe de verwachtingen van mannelijkheid het leven van jongens bepalen. In zijn uitgebreide observatie van middelbareschoolklassen stelde hij een patroon vast van onwil bij jongens om leraren om hulp te vragen als ze iets niet begrijpen. ‘Jongens worden gesocialiseerd om geen zwakte te tonen,’ zegt hij. Die mentaliteit is van grote invloed: niet alleen de schoolprestaties van jongens kunnen erdoor worden belemmerd, ook hun loopbaan en relaties kunnen eronder lijden. ‘Deze beperkende visie op mannelijkheid levert mannen aan de oppervlakte macht op, maar is uiteindelijk vooral schadelijk voor hun eigen welzijn en de gezondheid van de samenleving in het algemeen.’
Tijdens mijn rondleiding in de middelbare jongensschool stoppen we bij het mediacentrum. Een schildering van inspirerende leiders – allemaal mannen – siert de muur. Onder het toeziend oog van Martin Luther King Jr., Benjamin Franklin en Abraham Lincoln zitten twee jongens aan een tafel huiswerk te maken. Wasserman vraagt hen om op te staan en de schoolbelijdenis te reciteren, die de leerlingen elke ochtend in koor opzeggen. De jongens schuifelen zonder te glimlachen overeind.
‘Ik zal een verantwoordelijke, respectvolle, eerlijke en integere man worden,’ zeggen ze. ‘Vertrouwen, doorzettingsvermogen, hoffelijkheid, beoordelingsvermogen en sportiviteit. Zo’n man zal ik worden.’
Wasserman glimlacht en gebaart de jongens weer te gaan zitten. ‘Dank u, heren.’
Kiera Butler
Mother Jones Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 190.000Mary Harris Mother Jones (1837-1930) was een belangrijke Amerikaanse socialiste die het immer opnam voor de underdog en lid was van Industrial Worker of the World. Door middel van intelligente, onbevreesde journalistiek, die onder andere wordt mogelijk gemaakt door totale onafhankelijkheid, wilt de krant zijn bijdrage leveren aan de democratie. Sinds kort heeft dit blad een Digital-first verdienmodel.
Als de werkelijkheid niet meer bevalt biedt virtual reality tal van mogelijkheden. Misschien ontmoeten we elkaar daar in de toekomst, nu er in de fysieke wereld (tijdelijk) niet meer zo veel te beleven valt. Die virtuele realiteit wordt bovendien steeds echter. ‘Hier worden je zintuigen zo geprikkeld dat mijn lichaam de rest gewoon invult.’
Het maakt allemaal een nogal onschuldige indruk. Een zonnestraal komt precies voor mijn voeten terecht, hij heeft een lange reis achter de rug, ook al bestaat hij eigenlijk niet echt. De zonnestraal heeft zich een weg gebaand door het dikke pak wolken buiten, is meegereisd op de piepkleine regendruppeltjes uit de hemel, tot hier bij mij. Zachtjes en warm kietelt hij mijn voet op de parketvloer. Ik kijk om me heen: de ruimte heeft de vorm van een kubus, aan drie zijden begrensd door enorme glazen wanden. De vierde muur is vrijwel over de hele breedte bedekt door een reusachtig scherm waarop een film speelt. Een paar lachende mannen staan ernaar te kijken.
Waar ben ik? Ik ben in de toekomst. En tegelijk ben ik in het hier en nu. Ik ben in de realiteit. En tegelijkertijd in iets heel anders, iets dat wel wat weg heeft van een droom. Ik ben in de virtuele realiteit. Ze zeggen dat virtual reality onze toekomst is en dat we elkaar over een jaar of tien, twintig hier zullen ontmoeten, in plaats van verre reizen te maken om onze geliefden te zien. Nu zijn er nog maar weinig mensen op pad in deze wereld, die eigenlijk nog niet echt bestaat, ook al ziet hij er voor mij op dit moment verdomd echt uit.
Andere wereld
In de niet-virtuele werkelijkheid heb ik nu een grote koptelefoon en een enorme virtualrealitybril op die in het begin zwaar aanvoelde, en sta ik in mijn eigen woonkamer. Maar wat is nou echt: zodra ik me bevind in de kubusvormige ruimte met de glazen wanden die alleen in mijn bril bestaat, verdwijnt de andere realiteit. De headset voel ik niet meer, ik sta niet meer in mijn woonkamer, ik ben in deze met licht overgoten ruimte met het grote scherm tegen de muur. Als ik op de vloer van mijn woonkamer een stap zet, ga ik ook in de virtuele ruimte een stap naar voren. Buig ik mijn hoofd, dan doet mijn avatar, in wiens lichaam ik de andere wereld beleef, dat ook.
Ik draai een rondje en ben verbaasd hoe echt het allemaal lijkt: boven, onder, links, rechts, waar ik ook kijk, de illusie is zo perfect dat mijn woonkamer en daarmee de hele andere wereld verdwijnt. Ik verbaas me over de bomen achter het raam die wiegen in de wind, net als echte bomen, ervoor loopt een beekje dat uitkomt bij een waterval. Als ik dichter bij de uitgang kom, hoor ik het beter, net als het getsjilp van de vogels en het ruisen van de bladeren, terwijl het gesprek van de mannen op de achtergrond zachter wordt. Dit hier is de ‘Hang out area’. Op het menu heb ik deze gekozen omdat het klinkt naar vrije tijd, gezelligheid, smalltalk, mensen leren kennen, relaxen. Ik voel de zon op mijn huid, ook al kan dat eigenlijk niet. Hier worden je zintuigen zo geprikkeld dat mijn lichaam de rest gewoon invult. Er komt een rust over me waarvan ik niet weet of die misschien ook alleen virtueel is.
Opeens wordt de zonnestraal verduisterd en staat er een grote, rode man voor me. Ik heb hem niet zien aankomen, maar nu hoor ik hem hijgen, vlak bij mijn oor, veel te dichtbij. Hier klopt iets niet. Zijn hand komt dichterbij, ik kijk omlaag, zie mijn blauwe jurk en zijn hand op mijn borst. Ik heb een vrouwelijke avatar gekozen, was dat misschien verkeerd? Mijn avatar heeft een wespentaille en ziet er verder uit als een kleine robot, met ronde, lege oogkassen die oplichten als je spreekt. Mijn vrouwelijke avatar heeft de man ertoe verleid om mij te grijpen. Ik wil schreeuwen. Maar wie zal me horen? In welke wereld komt mijn kreet terecht? De rode man staat voor me, breedgeschouderd, met agressief flitsende groene ogen, hij betast me en zegt niets. Hij kijkt me recht in de ogen, alsof hij zich afvraagt hoe ver hij kan gaan. Grijnst hij? Verlustigt hij zich aan mijn hulpeloosheid? Wil hij zien wat er nu gaat gebeuren, als een klein kind? In dit gezicht kun je van alles menen te zien. Het voelt shit. Ik wil een stap achteruit doen, maar daar is een trap. Wat als ik struikel? Zijn het echte treden? Of beweeg ik me over de vlakke vloer van mijn woonkamer in de andere wereld?
Ik probeer tegen mezelf te zeggen dat het allemaal niet echt is. Als door drijfzand banen de gedachten zich een weg door mijn hoofd. Deze ruimte lijkt te echt. Maar wat is nu echt? In mijn echte handen heb ik twee controllers, zwarte ringen ter grootte van een armband. Die brengen mijn bewegingen over naar de virtuele wereld. Daar heb ik dus geen handen met vingers, maar twee ringen. Ik probeer de man weg te duwen, maar de controllers gaan dwars door hem heen. ‘Look!’ roept hij naar opzij, ‘kijk!’ Er komt nog een man aan, even rood, even enorm. Nu staan ze daar allebei te lachen. Ik hoor ze ademhalen, de een bij mijn rechter- en de ander vlak bij mijn linkeroor, de ene lacht zo hard dat hij moet hoesten. Het komt allemaal mijn hoofd in alsof er echte mensen naast me staan. En ze zijn echt. Deze mannen staan net als ik ergens op de wereld in een woonkamer, ze hebben precies dezelfde stem, hoesten in werkelijkheid ook en grepen zojuist een vreemde vrouw bij haar borsten alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Hun avatars hebben metalen blinddoeken voor, die oplichten als ze praten. Anders dan ik hebben ze wel handen: in plaats van een controller gebruiken ze een techniek die de bewegingen van hun echte handen en vingers filmt en overbrengt naar de virtuele werkelijkheid. De tweede man geeft een teken: met wijsvinger en duim maakt hij een rondje en steekt de wijsvinger van zijn andere hand erdoor. ‘Neuken’, betekende dat vroeger bij ons op school. Ik draai me om.
Het is niet zo dat ik niet gewaarschuwd ben. In talloze gesprekken met ontwikkelaars, filosofen en psychologen heb ik vooral één ding steeds opnieuw gehoord: virtual reality is echt heel realistisch, bijna té. Gamers vertellen over veel te gewelddadige killergames, sommigen van hen hebben problemen een virtuele moord te verwerken, andere waarschuwen: in deze realiteit voelt misbruik zo echt dat mensen er trauma’s van kunnen krijgen en die meenemen naar de echte wereld. Weer anderen vertellen enthousiast over de mogelijkheden voor sociale interactie, net als in het echte leven. Onderzoekers garanderen me: in de toekomst, als deze technologie geschikt is gemaakt voor de grote massa, gaan we echt niet alleen driedimensionale computergames spelen. Mensen die te ver van elkaar af wonen om elkaar te ontmoeten, kunnen in de virtuele wereld samen avonturen beleven, musiceren, een film kijken of gewoon een beetje praten. Ruimte en tijd worden overwonnen. Ik moet bij zulke gesprekken altijd denken aan mijn vriendin in Nieuw-Zeeland of aan mijn broer in Brazilië, met wie ik weinig contact heb omdat ik, als we bellen, e-mailen of chatten, altijd iets mis. Social virtual reality, het klinkt als een mooie droom.
Toekomst
Hoe zou die toekomst voelen? Ik ga op zoek en vind AltspaceVR, tot nu toe de grootste chatroom van de virtual reality. Nog klein, maar vervuld van een groot optimisme. Optimisme niet alleen bij de eerste gebruikers, maar vooral bij Amerikaanse verstrekkers van durfkapitaal. De virtuele werkelijkheid lijkt hen een superinvestering voor hun in het geheel niet-virtuele geld. Via een forum zoek ik gebruikers van AltspaceVR en vraag hun: waar is hier de toekomst? Niemand van hen wil me in het echte leven ontmoeten. Een van hen schrijft: ‘Als je wilt weten waar de toekomst is, moet je absoluut met Crystal kennismaken! Ze is echt een beroemdheid in de community.’ Crystal, de toekomst, het klinkt geheimzinnig. Ik neem me voor Crystal te vinden en ga op reis in deze ver verwijderde, andere wereld.
De dagen daarna zijn ontzettend opwindend. Ik ben weer kind, met iedere dag nieuwe speelkameraadjes. We verkennen allemaal verschillende ruimtes in Altspace, de ‘Welcome area’, een taveerne, we ontdekken wat we allemaal met onze avatars kunnen doen, beamen, vliegen, we zwerven door een labyrint en houden zwaardgevechten, die ook in het echt een beroep doen op alle spieren in je lijf. Want als ik met mijn zwaard zwaai, zwaai ik ook in de werkelijkheid van mijn woonkamer met mijn arm en de controller. Als een andere strijder door mijn dekking breekt, duik ik weg op de vloer van de woonkamer die voor mij op dat moment niet bestaat, ik zit immers op de krakende vloer van de taveerne. Gelukkig staat er in de echte wereld niemand naar me te kijken, denk ik af en toe als de herinnering aan mijn andere leven even opkomt.
Sommige gebruikers zijn zo enthousiast over de nieuwe techniek, over wat ze kunnen en wat er in virtual reality mogelijk is, dat ze alle grenzen overschrijden. Ze rennen tussen andere gebruikers door, wapperen met hun handen voor het gezicht van andere gebruikers of bepotelen vreemde vrouwen.
Ik word beter in het mezelf wegbeamen, dat is de nooduitgang uit de virtuele realiteit. Ik hoef alleen maar met mijn controller naar een plaats in de ruimte te wijzen en op een knop te drukken en dan land ik precies op die plek.
Dat kan gevaarlijk zijn: op een dag heb ik me samen met mijn nieuwe speelkameraden op een rots gebeamd, pal voor mijn voeten gaat het honderden meters omlaag. Beneden zie ik de piramide die gisteren nog enorm en onoverwinnelijk voor me stond, nu is hij piepklein, de mensen die erop staan lijken luizen. Ik kijk voorzichtig achterom; achter me niets dan rots, geen mogelijkheid om weg te komen. Ik sta te trillen, kan me niet bewegen, denk even aan de andere wereld die zo ver weg is, en waar ik op de solide vloer van mijn woonkamer sta. Of niet? De gedachte stelt me niet gerust. Dit hier voelt te echt. Ik verstijf, mijn lichaam signaleert: gevaar!
Ook dat wist ik en desondanks kon ik het niet geloven. Veel gamers en psychologen waarschuwden me al voor dat effect. Ontelbare keren heb ik het zinnetje gehoord: ‘Het lijkt zó echt, dat kun je je niet voorstellen.’ En ik moet zeggen: dat klopt. Maar tegelijk creëert juist datgene wat mij tot de grens brengt van wat ik aankan – hoewel ik in het echte leven niet erg bang ben uitgevallen – voor andere mensen enorme mogelijkheden. Zo kunnen er in de toekomst therapieën ontwikkeld worden voor allerlei angststoornissen. De eerste experimenten lopen al en de resultaten zijn veelbelovend. Mensen met hoogtevrees oefenen om in een virtuele afgrond te kijken.
Mensen met ruimtevrees zitten in virtuele liften en rijden door tunnels, patiënten met sociale fobie kunnen virtuele mensen ontmoeten en leren met hen om te gaan. De therapie van de toekomst.
Ik heb een vrouwelijke avatar gekozen, was dat misschien verkeerd?
Maar ik ben niet op zoek naar de therapie van de toekomst, en niet naar avonturen en games van de toekomst, ik zoek het sociale leven van de toekomst! Waar zit die Crystal? Hoe kan het dat ik haar in al die uren die ik al in de andere wereld heb doorgebracht nog niet ben tegengekomen? Alleen haar naam klinkt al veelbelovend. Zou zij me duidelijkheid kunnen geven, me helpen in de kristallen bol te kijken? Is zij iemand die nu al leeft zoals wij dat in de toekomst zullen doen?
Verschillende culturen
Op een avond zit ik naar een virtuele hemel te kijken, naar dikke wolken met gerafelde omtrekken waar ik allerlei fantasiefiguren in zie, net als bij echte wolken. De zon schijnt door de open plekken in het wolkendek. Hier en daar staan groepjes mensen te praten. Een paarse vrouw haalt me uit mijn dromerige stemming. Haar ronde ogen lichten zachtroze op als ze zich voorstelt als Sana en me vraagt wie ik ben. Ze heeft een zachte, warme stem. Ook al kan ik haar gezicht niet zien, ik heb het gevoel dat ze naar me glimlacht. Ze spreekt langzaam en bedachtzaam, kleine signalen waardoor ze een vriendelijke indruk maakt. Haar hoofd een beetje voorover, de knikjes die uit de echte wereld naar de virtuele wereld worden overgebracht, het nauwelijks hoorbare ‘hm’. Ik hoor dat ze uit Egypte komt, een gelovige moslima is en iedere dag na het vasten van de echte naar de virtuele wereld reist. En jij? Aha, een Duitse. Aanvankelijk had ze vooroordelen tegen Duitsers, tegen Europeanen, eigenlijk tegen westerlingen in het algemeen. ‘Je hoeft je niet aangevallen te voelen,’ zegt ze beleefd, ‘maar ik heb lang gedacht dat westerlingen geen manieren hadden, dat ze zich onbehoorlijk gedroegen, gewelddadig waren en overal rommel lieten liggen. Maar hier heb ik veel aardige Europeanen leren kennen.’
Dat kan de virtuele werkelijkheid ook: mensen uit verschillende culturen bij elkaar brengen. Onder avatars heerst grote tolerantie, noodgedwongen. Er is immers maar een beperkt aantal modellen voor onze virtuele lichamen, je kunt zelf alleen de kleur kiezen, dus uiterlijk zijn we allemaal min of meer gelijk. Pas in een gesprek en vooral door de stem komt de echte mens achter de avatar tevoorschijn. Verbazend snel vergeet ik dat de mensen met wie ik hier praat, eruitzien als robots.
‘Kom, ik laat je mijn ruimte zien,’ zegt Sana.
Gebruikers van AltspaceVR kunnen zelf hun eigen ruimte vormgeven. Soms zijn ze heel creatief, afhankelijk van hoeveel programmeerervaring en zin om te experimenteren ze hebben. De ruimtes zijn open voor iedereen, je kunt ze niet afsluiten. Ik kies in mijn menu ‘Sana’s time machine’, de computer heeft een paar seconden nodig en dan sta ik in een grote ruimte met een open haard, waar een gezellig houtvuur knappert, aan de muren hangen schilderijen en foto’s met Arabische letters, een scene uit een sprookje en zwart-wit foto’s van twee kleine kinderen met grote, donkere ogen. Sana is er al, ze vraagt of ik op het balkon kom. ‘Welkom in mijn domein, kijk gerust rond.’ De hemel is paars, haar lievelingskleur, er zweven lichtbolletjes door de lucht, sterren zo groot als sneeuwvlokjes, de hele tijd vliegt er een tussen ons door. Het is bijna een beetje romantisch. Voor het eerst hier in Altspace heb ik het gevoel dat ik tot rust kom. Sana’s tijdmachine vormt een tegenwicht tegen de hectiek in de andere ruimtes, het onafgebroken gamen in de taveerne en het labyrint, en tegen de korte, oppervlakkige gesprekjes met al die verschillende gebruikers.
Evildoer
Ik wil meer over Sana te weten komen. Maar ze is opeens erg zwijgzaam. Haar leeftijd wil ze niet vertellen. ‘De mensen hier hebben snel hun oordeel klaar, iedereen boven de dertig vinden ze stokoud.’
Ze vertelt wel dat ze niet werkt. ‘In onze godsdienst kan dat niet. Nu heb je vast je oordeel klaar. Maar waarom zou ik werken? Ik vind het niet leuk.’ We praten wat over verschillende culturen, hoe het haar vergaat, haar vrienden hier. Opeens staat er een grote, zwarte avatar met neongroene ogen in de deuropening naar het terras. ‘Hé, Evildoer,’ roept Sana, ‘dit is Eva, ze is journalist. En dit is Evildoer, een goede vriend van me. Hij heeft mijn hemel geprogrammeerd. Hij kan alles!’ De zwarte man knippert vriendelijk met zijn neongroene ogen en zegt verlegen: ‘Nou ja, ik vind het nu eenmaal leuk om te doen.’
‘Het lijkt zó echt, dat kun je je niet voorstellen’
Sana legt uit dat zijzelf het vuur niet kan zien. Ze heeft een andere virtualrealitybril dan ik en ziet alleen de houtblokken. ‘Maar Evildoer is ermee bezig.’ Haar stem klinkt zacht en een beetje wee-moedig. Voor Sana is hij niet iemand die ‘kwaad doet’, zoals de letterlijke vertaling van zijn naam is, integendeel, hij doet juist goede dingen. Hij versiert Sana’s ruimte met kunstwerken. Als hij voor een muur staat verschijnt daar opeens een nieuw schilderij: de wijzerplaat van een klok, het lijkt of hij op de zeebodem ligt en vanuit de diepte goud oplicht. Sana en ik lopen over haar groene retro bloemen-tapijt naar Evildoer, die voor het kunstwerk staat. Sana leest het Arabische schrift: ‘Mijn gedicht,’ zegt ze nadenkend. Wat staat er?
‘Dat is moeilijk te zeggen, omdat deze symbolen in het Engels niet bestaan,’ zegt Sana. De strekking luidt: ‘De wijzers van de klok vallen omlaag en steken me als een schorpioen. Het gif blijft in mijn lichaam zitten.’
Gedachten schieten door mijn hoofd: tijd, tijdreizen… In Sana’s ruimte gaat het over een of ander thema dat ik nog niet begrijp. Ik durf er niet naar te vragen, het lijkt me te persoonlijk gezien onze recente kennismaking. In plaats daarvan vraag ik, onschuldiger: ‘Waarom heet je ruimte de tijdmachine?’ ‘Och, ik ben een boekenwurm en ik hou van tijdreizen.’ ‘Sciencefiction?’ ‘Nee, alleen tijdreizen.’
In de loop van de avond komt er meer bezoek. Sana zegt tegen iedereen vriendelijk: ‘Welkom in mijn ruimte.’ Ze vraagt iedereen naar welke tijd hij wil reizen en waarom. Veel bezoekers gaan meteen weer weg, zulke vragen zijn ze in Altspace niet gewend. Sommigen kijken alleen in stilte rond, reageren niet op Sana’s woorden en verdwijnen geluidloos weer, als geesten. ‘Wacht, blijf nog even!’ roept ze hen achterna, ze klinkt bedroefd. Met de paar die blijven heeft ze filosofische gesprekken, over de zin van tijdreizen, of je beter naar de toekomst of naar het verleden kunt gaan, en of het toegestaan zou moeten worden om in het verleden dingen te veranderen.
Evildoer heeft geen rust, voortdurend is hij op zoek naar plekken in de ruimte die hij kan verfraaien. Laat op de avond komt ook hij tot rust. We staan voor een ander kunstwerk dat hij zojuist heeft geprogrammeerd. ‘Wie ben je in het echt?’ vraag ik hem. Maar veel wil hij niet kwijt. Zijn echte naam is Eric, hij komt uit Canada en heeft als freelancer met computers gewerkt, zijn leeftijd doet er niet toe.
Wat bevalt hem hier? Sana’s ruimte inrichten. En het sociale. ‘In het echte leven ben ik heel verlegen, ik heb niet veel vrienden. Mijn avatar is een soort masker, hier ben ik meer op mijn gemak en heb ik vrienden gemaakt.’ Op het schilderij waar we voor staan, zijn carnavalsmaskers in het zand afgebeeld, ze maken al een beetje een verweerde indruk. Ernaast staan Arabische letters. ‘We verstoppen ons allemaal achter ons masker, omdat we allemaal iets meedragen dat stuk is gegaan,’ leest Sana voor. ‘Sommigen geven het toe, anderen verdringen het, omdat datgene wat stuk is, pijn doet.’ We zwijgen. ‘Tja, ik ben een zwaarmoedig mens,’ zegt Sana.
Wat maakt haar zo bedroefd?
De volgende dag zit de melancholie van die avond als een breedgerande hoed op mijn hoofd. De melancholie schermt me af van de oppervlakkige stralen van de realiteit. Ik denk aan mijn nieuwe vriendin en aan haar wereld, die ze in de virtuele wereld heeft opgebouwd en die ze blijkbaar verkiest boven de echte wereld. Ik probeer te gissen wat er bij haar stuk zou kunnen zijn, wat haar ertoe brengt zich achter een masker te verbergen. Maar, doet ze dat eigenlijk wel? In haar virtuele wereld maakt ze een heel oprechte indruk. Ze is uit haar dagelijkse bestaan geëmigreerd, een bestaan dat haar wellicht zwaar valt. Als je kon tijdreizen, was ze misschien al lang weg geweest, ergens naar het verleden. Tot het zover is, lijkt de virtuele wereld haar toevluchtsoord te zijn.
Ik zet mijn melancholiehoed af en mijn virtual-realitybril op om afleiding te zoeken in de Welcome area van Altspace. Voor de afwisseling heb ik geen bezwaar tegen wat onschuldige smalltalk. Ik ontmoet een Duitser die in een hoekje staat en in opdracht van Altspace in de gaten houdt dat niemand zich ongepast gedraagt. Een zogenaamde moderator. Ik vertel hem over mijn ontmoeting met de rode man op mijn eerste dag. ‘Hier in de Welcome area is altijd iemand van ons aanwezig,’ zegt hij.
‘We zorgen ervoor dat zulke mensen er onmiddellijk uitvliegen! Kom de volgende keer hiernaartoe.’ Dit is zijn eerste virtuele baan, altijd ’s ochtends, als Amerika nog slaapt. Virtuele banen, ook die zijn in de toekomst nodig: virtuele uitsmijters, virtuele politieagenten. ‘Zero tolerance’ is het devies in Altspace als het om racisme en seksisme gaat. Gebruikers die de regels overtreden worden er zonder waarschuwing uitgezet, een volgende keer wordt hun voor 48 uur de toegang ontzegd en een derde keer wordt hun account gewist.
Het schijnt een moeizame strijd te zijn. ‘De raadselachtige aantrekkingskracht van het dubbele X-chromosoom,’ zegt de Duitse politieagent geheimzinnig. Hij schat het aandeel vrouwen in Altspace op twintig procent. ‘En die staan niet allemaal open voor een avontuurtje.’ Een probleem voor mannen die op een avontuurtje uit zijn. Vooral jonge vrouwen zijn er niet veel, ‘en als ze er al zijn, zijn ze net zo opgefokt als Crystal’. Mijn hart slaat over: dé Crystal? Ik wil meer vragen, maar zijn dienst zit erop. In het echte leven heeft hij een afspraak.
Na de eerste week maak ik de balans op. Ik ben oververzadigd door de honderden, zo lijkt het wel, vergelijkbare gesprekjes. Wie ben je? Waar kom je vandaan? Wat doe je hier? Welk apparaat gebruik je? Ik blijf een paar dagen offline, trek me terug in mijn echte leven en denk na over hoe het verder moet. Ik zou graag relaties aanknopen, met een paar bezoekers intensiever omgaan. Als dat lukt, is dat toch de toekomst! Ik besluit Sana te gaan zoeken. Ik ga een paar keer naar haar ruimte, maar ze is er niet. Ik zou wel een berichtje voor haar willen achterlaten, maar daar is in Altspace niet in voorzien. Hier bestaan geen post-its, geen prikbord en ook geen telefoon.
‘Missen jullie hier niet een level? Iemand kunnen omhelzen bijvoorbeeld?’
Of je komt iemand tegen, of niet. Een vriendschap onderhouden is in de virtuele wereld helemaal niet eenvoudig. Ik wen me aan om ’s avonds altijd even te kijken welke gebruikers online zijn. Dat is heel makkelijk, via de app op mijn telefoon, ik hoef niet eens zelf in de virtuele wereld te zijn. Ik voel me net een spion als ik ’s avonds de lijst uit de andere wereld doorkijk. Als Sana’s naam opduikt, zet ik vlug mijn headset op en klik op haar naam. Ik land direct naast haar, onder een boom aan de rand van de Welcome area.
Liefde
Sana herkent me meteen. ‘Hé, welkom terug, wat fijn dat je er weer bent!’ Ze zit te praten met haar vriendin Lun uit Kroatië. Luns avatar is helemaal roze, die van Sana paars, de mijne blauw. We praten over het echte en over het virtuele leven, over mannen die eeuwige trouw beloven en zich nooit meer laten zien. We lachen, omdat Lun vertelt dat ze dat zelfs hier heeft meegemaakt met iemand die absoluut haar nieuwe verkering wilde worden. Daarna verdween hij. ‘En sindsdien wacht Lun tot hij terugkomt,’ giechelt Sana.
Evildoer schiet me te binnen, de man die Sana’s wensen van haar gezicht lijkt te kunnen aflezen, die zelfs het vuur in haar haard wil aansteken nu ze dat zelf nog niet kan. En ook omdat Sana en Lun zo moeten giechelen over Luns aanbidder, voel ik dat ze het al vaker over dit onderwerp hebben gehad.
Als ons sociale leven in de virtuele wereld moet gaan plaatsvinden, dan moet daar ook liefde bestaan. Dan schiet me een vraag te binnen die me al bezighoudt sinds ik hier ben: ‘Missen jullie hier niet een level? Iemand kunnen omhelzen bijvoorbeeld?’ Lun en Sana kijken elkaar aan, ze twijfelen. ‘Misschien,’ zegt Lun zachtjes.
Op dat moment weet ik nog niet dat Crystal me binnenkort zachtjes over mijn wang zal strelen.
Ons paars-roze-blauwe vrouwengroepje aan de rand van de Welcome area valt nogal op. Steeds weer komen er mannen die ons gesprek onderbreken, ze stellen de bekende ‘wie zijn jullie en wat doen jullie hier’-vragen, een van hen wil weten of we zussen zijn. Als er hier al zo weinig vrouwen zijn, dan is een groepje vrouwen helemaal uniek. Lun vertelt over haar twee kleine kinderen, die nu liggen te slapen en over haar man, een zeiler, die al maanden op zee is. Het lijkt er steeds meer op dat de virtuele wereld er vooral is voor mensen die op dit moment in het echte leven niets beters te doen hebben, die niet gewoon kunnen uitgaan. Lun met haar kleine kinderen en haar man die er nooit is. Sana met haar strenge islamitische geloof.
Maar wat heb ík eigenlijk in deze virtuele realiteit te zoeken? Na ieder bezoek voel ik me leger. Het is leuk om al die gekke games uit te proberen; Altspace met al zijn details is met veel liefde geprogrammeerd.
Het is leuk om hier met iedereen een beetje te kletsen. Maar aan het eind van de dag, als ik mijn headset afdoe, dringt zich toch de vraag op: wat dóe ik hier met al die onbekenden? Een gevoel van leegte volgt me uit de virtuele naar de echte. Ik voel me eenzaam. Terwijl ik in de onvirtuele wereld toch echte vrienden heb! Die ik verwaarloos vanwege dit virtuele avontuur. Dit kan niet de toekomst zijn.
Ik geniet van een dagje offline. Maar dan mis ik Sana een beetje en stuur ik haar een mail: ‘Kunnen we morgen afspreken?’ Het antwoord komt meteen: ‘Graag. Ik ben er ’s avonds, na het vasten.’
Ik vind Sana in haar tijdmachine, ze is alleen en staat peinzend naar de muur met tekeningen uit een kinderboek te kijken. Er staan een jongen en een meisje op met hun armen om elkaar heen, maar voor elk plaatje lijkt een net van prikkeldraad te zijn gespannen.
Opeens staat daar Evildoer, Sana knikt, alsof ze op hem heeft gewacht. Op zijn karakteristieke manier glijdt hij als het ware door haar ruimte en bekijkt de muren uit alle hoeken. ‘En?’ vraagt hij uiteindelijk als hij naast Sana staat en met zijn hoofd naar de muur knikt. ‘Is goed geworden,’ zegt Sana met haar zachte stem. ‘Wat heb je erbij geschreven?’ vraagt hij met een blik op de Arabische letters. ‘Een verhaal over mensen die zijn weggegaan,’ leest Sana voor, ‘en hoe we op hen blijven wachten, ook al komen ze nooit meer terug.’
Helaas heeft Sana geen echte tijdmachine die haar naar de mensen kan brengen die zijn weggegaan en nooit meer terugkomen. Er is kennelijk iemand die ze zó erg mist dat de virtuele realiteit voor haar een steun is om de echte realiteit te kunnen verdragen. Voor haar opent die wereld hier de mogelijkheid om een tweede leven te hebben, een virtueel leven dat alles goedmaakt. Iets wat in de werkelijkheid niet voor haar is weggelegd. Of om dingen te vergeten die in de echte wereld misgegaan zijn. Ik ga er stilletjes vandoor en ben blij dat Evildoer bij haar is. Hij lijkt haar alleen al door zijn aanwezigheid te kunnen troosten.
Ondanks de verdrietige ontmoeting ben ik de volgende dag tevredener dan eerder in deze twee weken. Voor mijn innerlijk oog vormen de puzzelstukjes langzaam een geheel: onze virtuele toekomst. Wellicht biedt die toekomst een nieuwe ruimte voor iedereen en alles, voor dromen en visioenen. Voor mensen die alleen willen gamen. En voor anderen die hier een sociaal leven opbouwen omdat ze dat in de realiteit niet lukt. Op een of andere manier is het een troostrijke gedachte. Dan zit er in mijn postvak een mailtje van de voorlichtingsdienst van Altspace: ze zijn blij dat ze me in contact kunnen brengen met een van hun powerusers voor een interview. Ze is ’s avonds altijd online: Crystal uit Las Vegas! De vrouw van de toekomst! Opgewonden reken ik vlug uit: negen uur tijdverschil, acht uur ’s avonds in Las Vegas is vijf uur ’s ochtends bij mij.
Crystal
Als de grote dag daar is, voel ik me moe. In mijn echte wereld slaapt iedereen nog als ik mijn headset opzet en Crystal ontmoet. Ze lijkt wel dolgedraaid en haar snelle Amerikaans-Engels komt in een spraakwaterval: ‘Hé Eva, how are you, nice to see you, kom, ik laat je alles zien, het is hier zo prachtig, ik heb enorm veel lol, het is net als in het echte leven, maar dan beter, ik heb waanzinnig veel vrienden hier en ik kan haast niet wachten tot het weer weekend is en ik weer een party kan organiseren. Die zijn altijd waanzinnig vol, daarom hebben we nu een wachtlijst.’
Pas als ik weer boven kom uit haar woordenvloed en Crystal beter bekijk, valt me op dat ze er precies zo uitziet als Sana. Ook zij heeft de elegante paarse avatar met de wespentaille gekozen. Maar verwarring is uitgesloten. In tegenstelling tot Sana kan Crystal niet stilzitten, ze huppelt om me heen, lacht, praat luid en raakt steeds buiten adem. Haar energie is aanstekelijk, zodat ik helemaal vergeet dat ik op dit moment eigenlijk te moe ben voor dit soort gesprekken. Ik hoor dat ze in het echt ook Crystal heet, 26 jaar is en in Las Vegas werkt als doktersassistente. Ze brengt hier al haar avonden en het hele weekend door. ‘Dit is mijn sociale leven,’ zegt ze, ‘het is net de echte wereld.’ Wat zeggen haar echte vrienden, die uit de andere wereld, daarover? ‘In het echte leven heb ik geen vrienden,’ zegt ze met een ontwapenende openheid. Ze heeft een probleem met nabijheid, een angststoornis. ‘Als ik iemand tegenover me heb, sta ik te trillen en te zweten, daar kan ik niet tegen.’ ‘En hier?’ ‘Hier is het makkelijker. In geval van nood draai ik me om of beam mezelf weg.’
‘Mis je het niet dat je mensen niet kunt aanraken?’ vraag ik. Ze komt dichterbij en streelt met haar wijsvinger zachtjes over mijn wang. Ze gebruikt dezelfde techniek als de grote rode man die me bij mijn borsten greep: een camera die de bewegingen van haar echte handen overbrengt naar de virtuele realiteit. ‘Maar dat voel je toch niet!’ protesteer ik. ‘Ik voel het wel,’ zegt ze. Daarna neemt Crystal me mee op een wilde tocht door Altspace. We beamen onszelf hierheen en daarheen en opeens staan we onder een adembenemende sterrenhemel. Mijn hoofd tolt van zo veel input op de vroege morgen. ‘Welcome to the campsite,’ staat op een affiche te lezen, daarnaast brandt een kampvuur. ‘Dit heeft een vriend geprogrammeerd voor mijn laatste party,’ zegt Crystal. Haar party’s duren altijd twee dagen, zodat al haar vrienden uit verschillende tijdzones erbij kunnen zijn. ‘Ze kunnen op de camping slapen.’ Hoe bedoel je, slapen? ‘Ga maar liggen.’ Ik ga op de grond liggen, in de ene wereld op de vloer van mijn woonkamer, in de andere op het malse gras van het kampeerterrein, en door mijn bril zie ik sterren, kometen, de Melkweg. Ik wil nooit meer opstaan, zo mooi is deze hemel. Maar hoe kun je nu feesten als je in werkelijkheid alleen thuis bent? ‘Ik maak altijd wat te eten en zet drankjes klaar. We drinken met zijn allen! Ik bedoel, anderen gaan naar een club om alcohol te drinken. En dit is mijn club.’
Tijdmachine
Als ik mijn bril afzet, schijnt buiten de zon. In het park voor mijn huis zijn eersteklassertjes op weg naar school. Zo heerlijk onschuldig, de echte wereld. Het is acht uur. Voor vandaag heb ik wel weer genoeg meegemaakt.
Een paar uur later krijg ik een mailtje van Sana: ‘Hallo, lieve vriendin, ben je er vanavond? Laat het me weten, dan kom ik ook.’
Als ik die avond in Sana’s tijdmachine arriveer, is ze er nog niet. Ik slenter wat door de ruimte en kijk plotseling in de vertrouwde neongroene ogen van Evildoer. Hij staat voor het schilderij met de kinderen die elkaar omhelzen. ‘Wie zijn die kinderen?’ vraag ik. ‘Vraag maar aan Sana, ik weet niet of ze het wil vertellen.’
Is ze een goede vriendin? Evildoer aarzelt. Dan fluistert Sana opeens zachtjes in mijn oor: ‘Dat is het magische van de virtuele realiteit, de mensen voelen hier zo dichtbij.’
Ze is thuisgekomen en omhelst me ter begroeting, het voelt als warm gekriebel.
Buiten rommelt het onweer en plenst de regen uit de paarse hemel, binnen knappert het haardvuur.
‘Ik kan het vuur nu ook zien!’ zegt Sana. Ze klinkt erg gelukkig. Vanavond praten we over God en over de wereld. Of je je kinderen godsdienstig moet opvoeden of dat je de keuze aan hen moet laten. Dat ze haar puberdochter heeft gedwongen een hoofddoekje te dragen en daar nu spijt van heeft. Evildoer luistert meestal alleen en knikt af en toe instemmend, op zeker moment is hij zonder iets te zeggen weggegaan.
Laat op de avond, als we helemaal alleen zijn, vraag ik aan Sana: ‘Waar wil je met je tijdmachine naartoe?’ ‘Ik zou graag terugreizen naar de tijd dat mijn man nog leefde. Ik mis hem zo erg.’ Ik zou haar graag in mijn armen nemen. Maar zij zit in Egypte, ver weg en helemaal alleen. Virtueel is de realiteit nog moeilijker te verdragen dan in het echte leven.
Eva Wolfangel
Reportagen Zwitserland | 6 x per jaar | oplage 16.000
Bij Reportagen geen breaking news, maar berichten uit de Nebenschauplätze, verteld vanuit een ongewoon perspectief door een ongewoon goeie pen. Ter plaatse onderzocht, persoonlijk en buiten de gebaande paden. ‘Vroeger was het kampvuur de plek waar de opwindendste verhalen werden verteld. Vandaag zijn er reportages.’
Afrika mag dan het hoogste aantal vrouwelijke ondernemers ter wereld hebben, slechts 2 procent van de durfinvesteringen gaat naar vrouwen. Als het aan het Alitheia Identity Fund ligt, komt daar verandering in.
Als Tokunboh Ishmael door de straten van Lagos, de economische hoofdstad van Nigeria, liep, zag ze overal waar ze keek vrouwen zaken doen. Ze dreven kraampjes waar ze donuts frituurden of vleesspiesjes roosterden. Ze toverden achter naaimachines eigen ontwerpen tevoorschijn en liepen door de beruchte Nigeriaanse verkeersopstoppingen, waar ze de gefrustreerde automobilisten luchtverfrissers of opblaasbare zwembadspeeltjes verkochten. Maar binnen, in de glanzende, airconditioned kantoren waarin zij als bankmedewerker en later als vermogensbeheerder werkte, zag ze een heel ander beeld.
Afrika mag dan het hoogste aantal vrouwelijke ondernemers ter wereld hebben, er bestaat op het continent een investeringskloof van zo’n 42 miljard tussen mannelijke en vrouwelijke ondernemers, volgens cijfers van de African Development Bank. Zo ontvingen Afrikaanse startups in 2018 zo’n 725 miljoen dollar aan kapitaal van durfinvesteerders. Daarvan ging maar 2 procent naar ondernemingen van vrouwen.
Van en voor vrouwen
Ishmael maakt deel uit van een groeiende groep vrouwelijke investeerders in Afrika die hierin verandering probeert te brengen door welbewust te investeren in bedrijven van en voor vrouwen. Ze is directeur van vermogensbeheerder Alitheia Capital en richtte in 2016 het Alitheia Identity Fund op, dat tot doel heeft die verandering te bewerkstelligen. Tot nu toe heeft het fonds zo’n 70 miljoen dollar binnengehaald. Dat is in moreel opzicht belangrijk en nodig, zeggen investeerders als Ishmael, omdat vrouwen hiermee toegang krijgen tot de bolwerken waarin de beslissingen worden genomen maar die voor hen altijd gesloten bleven. Maar het is ook gewoon een kwestie van verstandig zakendoen.
‘Wij opereren in een gebied waar geld onbenut bleef en we zagen een kans,’ zegt Ishmael. Ze kende de cijfers: bedrijven van vrouwen groeien sneller, gaan efficiënter met geld om en maken meer winst dan bedrijven van mannen. Meer in het algemeen maakt diversiteit bedrijven creatiever en innovatiever. ‘Ik wil dat Nigeria het beste uit zichzelf haalt, en dat Afrika het beste uit zichzelf haalt, en dat lukt onmogelijk als ze het potentieel van vrouwen niet ten volle benutten.’
Het probleem bestaat niet alleen in Afrika. In de Verenigde Staten gaat zo’n 2 procent van de financieringen door durfinvesteerders naar vrouwelijke startup-teams. In het Verenigd Koninkrijk zweeft dat getal rond de 1 procent. En het probleem speelt nog meer bij vrouwen van kleur: in de VS krijgen zwarte vrouwelijke starters maar 6 van elke miljoen geïnvesteerde dollars.Het probleem is volgens deskundigen dat vrouwen op geen enkel niveau toegang hebben tot investeringskapitaal, vermogensbeheer of zelfs meer traditionele vormen van lenen en investeren zoals bankleningen.
Hordes
‘Financiering is geen genderneutraal terrein,’ zegt Sharon McPherson, die al jaren in Afrikaanse bedrijven investeert en aan de businessschool van de universiteit van Kaapstad doceert. ‘Vrouwelijke investeerders en vrouwen met bedrijven die investeerders zoeken, begeven zich op een terrein dat nooit voor hen bedoeld was. Ze zwemmen tegen de stroom in, terwijl mannen met de stroom mee drijven.’Vrouwen moeten allerlei hordes nemen om in die wereld mee te kunnen doen, zegt ze.
Op microniveau bekeken heeft maar 37 procent van de Afrikaanse vrouwen een bankrekening, vergeleken met 48 procent van de mannen, en die kloof wordt steeds groter, zelfs nu vrouwen meer toegang tot financiering krijgen. Vrouwen zien er vaak van af om geld te lenen, niet alleen omdat ze worden ontmoedigd door degenen die het geld uitlenen, maar ook doordat het hun ontbreekt aan financiële kennis.Kijk je naar het niveau van startups die financiering zoeken en gevestigde bedrijven die privaat kapitaal zoeken, dan zie je dat het vrouwen nog steeds moeite kost om serieus genomen te worden met hun ideeën, als gevolg van bewuste en onbewuste sekse-vooroordelen.
Zo bleek bij een Harvard onderzoek in 2014 dat een pitchvoorstel gepresenteerd door een vrouwenstem minder kans maakte bij mogelijke investeerders dan een voorstel gepresenteerd door een mannenstem – ook al was de inhoud hetzelfde.
‘Wij opereren in een gebied waar geld onbenut bleef en we zagen een kans’
Uit een ander onderzoek, in 2017, bleek dat vrouwelijke oprichters veel vaker ‘preventieve’ vragen over hun onderneming kregen, dat wil zeggen vragen over hun verlieskansen. Mannen kregen daarentegen meer ‘promotie’-vragen, over de ‘sterke kanten en winstmogelijkheden’ van hun onderneming, een type vragen dat gemiddeld zes keer zoveel aan investeringen opleverde.
Veel investeerders komen ook uit door mannen beheerste sectoren als technologie, mijnbouw en landbouw en zijn meer geneigd om daarin te investeren dan in ondernemingen voor producten of diensten gericht op vrouwen, zoals zwangerschapszorg, menstruatieproducten of make-up. En het netwerken dat nodig is om uiteindelijk zo’n deal te krijgen speelt zich nog steeds af in informele omgevingen waar vrouwen niet bij kunnen zijn of niet voor worden uitgenodigd, zoals golfwedstrijden en borrels na het werk.
‘Vrouwen stuiten op onzichtbare barrières die mannen niet zien of waar mannen geen last van hebben,’ zegt ontwikkelingseconoom Nthabiseng Moleko, vicevoorzitter van de Commission for Gender Equality in Zuid-Afrika.Daar kunnen investeringsfondsen als Alitheia IDF van Ishmael een rol spelen, door te zorgen dat geld welbewust naar bedrijven van en voor vrouwen gaat.
In Ghana heeft Alitheia geïnvesteerd in Innovative Microfinance, een bedrijf dat kleine leningen verstrekt aan mensen op het Ghanese platteland die geen bankrekening hebben, voornamelijk vrouwen met een klein bedrijf zoals een marktkraam. En in Nigeria financierde Alitheia een door vrouwen gerunde tomatenpastafabriek, Tomato Jos. Zo’n 30 procent van de tomatenproducenten die aan het bedrijf leveren zijn nu vrouwen, volgens oprichter Mira Metha, en het bedrijf probeert dat getal omhoog te krijgen, onder andere omdat vrouwen meer zekerheid blijken te bieden.
‘Wij zien dat onze vrouwelijke landbouwers met hun winst grotere investeringen doen in hun gemeenschap’ dan de mannen, vertelt ze. Zo gebruiken ze hun geld bijvoorbeeld voor onderwijs aan kinderen en voor medische zorg. En wat betreft het verbouwen zelf zegt Metha dat de vrouwen met wie haar bedrijf werkt altijd de beste oogsten hebben: ‘Ze doen het gewoon elke keer weer beter dan de mannen.’
Christian Science Monitor Verenigde Staten | website | csmonitor.comNa meer dan een eeuw is deze krant uit Boston in 2009 gestopt met de printversie en verdergegaan op internet. Heeft nog wel een wekelijkse printeditie. Niet religieus, dankt zijn naam aan de financier: de Christian Science Church.
De wereldwijde vraag naar plexiglas is booming. Doorzichtige barrières stellen ons in staat naar ‘een schijnbaar vertrouwd dagelijks leven’ te kijken. Ze stralen tijdelijkheid uit, zoals een opgestoken paraplu, en schijnbare veiligheid, al decennialang.
Schoolkinderen buigen zich in plexiglazen hokjes over leerboeken. Receptionisten begroeten patiënten van achter acrylplaten en wijzen naar het handontsmettingsmiddel en de extra formulieren die tegenwoordig aan een doktersbezoek vooraf moeten gaan. Plastic schermen scheiden ons van kassamedewerkers die onze boodschappen scannen, van stellen die naast ons zitten te eten op het caféterras en van weekendkrijgers die zich naast ons afbeulen op crosstrainers in de sportschool. (Dat wil zeggen, als sportscholen überhaupt open zijn.) Zelfs de dealer aan de baccarattafel zit achter een doorzichtige afscheiding.
Toen begin september de rechtszaken werden hervat in Greenbelt in de staat Maryland, was de rechtszaal in de woorden van The Washington Post in een ‘labyrint van plexiglas’ veranderd, waar wanden binnen andere wanden OM van verdediging scheidden, advocaten van cliënten, getuigen van juryleden en de rechter van iedereen. Sprekers droegen plastic gezichtsmaskers zodat de aanwezigen hun gezichtsuitdrukkingen konden zien en hun lippen konden lezen.
Veiligheidsarchitectuur
Een vergelijkbare vorm van veiligheidsarchitectuur was te zien tijdens het vicepresidentiële debat, waar plexiglasschermen in de vorm van palladiaanse vensters Kamala Harris en Mike Pence van elkaar scheidden. Hoewel Pence in contact was geweest met ambtenaren die kort tevoren nog positief op covid-19 hadden getest, nam zijn team Harris’ verzoek om veiligheidsmaatregelen niet al te serieus. Diverse epidemiologen vonden de schermen ook lachwekkend, omdat ze niet hoog genoeg waren om overdracht via de lucht te verhinderen (ventilatie is belangrijker dan fysieke barrières). Wanneer de camera’s tijdens het debat op een van beide kandidaten focusten, werd het meesmuilende of grimassen trekkende gezicht van zijn of haar tegenstander in het plexiglas weerspiegeld; en die reflecties kwamen weer door op de elektronische schermen van de kijkers, in een wereld van retorische projectie en vervorming. Om een opiniestuk in The Washington Post te citeren: ‘Je kunt de barrières van plexiglas symbolisch noemen voor de manier waarop de roekeloosheid en incompetentie van deze regering ons van elkaar gescheiden heeft. Ze beschermen misschien niemand, maar ze laten ons nooit vergeten wat Trump het land heeft aangedaan.’Sinds half maart, toen de Wereld-gezondheidsorganisatie het gebruik van zulke barrières aanbeval om te voorkomen dat het nieuwe corona-virus zich verspreidde via aerosolen – en om de schaarste aan persoonlijke beschermingsmiddelen te compenseren – is de vraag naar plexiglas razendsnel toegenomen. De markt groeide al enkele jaren gestaag, vooral dankzij het gebruik van plexiglas in de bouw en toepassingen in de detailhandel, voor informatieborden en displays. Maar Craig Saunders, voorzitter van de International Association of Plastics Distribution, zei afgelopen juli op de Amerikaanse radio dat ‘de wereldwijde vraag in één etmaal was verviervoudigd ten opzichte van vorig jaar’. Fabrikanten hadden grote moeite de vraag bij te benen en klanten werden met maandenlange wachttijden geconfronteerd. Tegelijkertijd realiseerden leveranciers zich dat de hausse maar tijdelijk zou zijn; anders dan mondkapjes en rubber handschoenen zijn schermen van plexiglas duurzame producten. Bovendien kan, zelfs als de crisis voorbijgaat en de schermen worden verwijderd, plexiglas anders dan veel andere plasticsoorten tot nieuwe plexiglasproducten worden gerecycled.
Nepomhulsels
De nieuwe beschermingsarchitectuur die in allerijl in de door de mens gebouwde omgeving is geïnstalleerd, streeft ernaar ons veilig en zuiver te houden. Dat doet ze niet door zich op de virusoverdracht te richten door middel van een vaccin of het creëren van sociale afstand (en nog veel minder door een herwaardering van de relaties tussen mensen, dieren, habitatverlies en milieugezondheid), maar eerder door de covid-19-wereld onbewoonbaar te maken door middel van minimale, nauwelijks zichtbare inbreuken op onze vertrouwde levenssfeer. Antiviraal plexiglas wordt toegepast om redenen van preventie en conservatie, een middel om de sociale en biologische orde te bewaren, die op haar beurt epidemiologische en economische veerkracht belooft. Maar de schermen en kappen van plexiglas zijn weinig meer dan de architectonische equivalenten van hydroxychloroquine, keurig in capsules en medicijnflesjes verpakte onzin, provisorische nepomhulsels, zodat we kunnen blijven werken en consumeren en doen alsof de sociale ruimte niet langs zijn langdurig verdiepte breuklijnen is opengespleten; alsof de werknemer aan gene zijde van het scherm daar niet de godganse dag gevaar loopt. Deze doorzichtige barrières stellen ons in staat naar een schijnbaar vertrouwd dagelijks leven te kijken en de noodzaak van aanpassingen voor de lange termijn te ontkennen. Ze zijn een tijdelijke voorziening, zoals een paraplu, die kan worden opgeborgen als de zon weer gaat schijnen.
Glas is een culturele spiegel, en plexiglas is dat ook
Plexiglas, of liever gezegd Plexiglas®, is een van de verschillende merknamen voor acrylaat, steno voor polymethylmethacrylaat, een thermoplastische stof die bij hoge temperaturen plooibaar is maar hard wordt bij afkoeling. Het transparante, breuk- en slagvaste lichtgewichtmateriaal wordt gemaakt van aardgas en is eind jaren dertig van de vorige eeuw ontwikkeld als veiligheidsglas voor auto’s, een alternatief voor glas op basis van siliciumdioxide. De Duitse scheikundigen Otto Röhm en Walter Bauer registreerden een versie onder de merknaam Plexiglas® acrylaat; de Britse scheikundigen Rowland Hill en John Crawford van Imperial Chemical registreerden hun product onder de naam Perspex; en het Amerikaanse E.I. du Pont de Nemours and Company introduceerde Pontalite, later omgedoopt tot Lucite. Acrylaat bleek nuttig voor tal van oorlogstoepassingen, waaronder periscopen voor onderzeeërs, ramen en cockpits voor vliegtuigen en geschutskoepels. Bovendien bleek acrylaat na de oorlog geschikt voor vele commerciële doeleinden: kogelvrij ‘glas’, ‘glas’ voor inlijstwerk, wanden voor ijshockeyvelden, aquariumwanden, niesschermen voor saladebars, chirurgische instrumenten, tochtdeuren, verf, sieraden, kunstgebitten en huishoudelijke artikelen met opwindende vouwen en welvingen. Acrylstaven werden ‘kristallen’ kandelaars en handdoekrekken en standaards voor schaalmodellen. Acrylbuizen werden omgebogen tot verkoopdisplays, decoratief meubilair en snackbarautomaten.
Net glas
Dankzij zijn helderheid en vervormbaarheid is plexiglas net glas, maar dan beter: minder spiegelend en (iets) meer lichtdoorlatend. Glas faciliteert het zicht terwijl het geluid, geur en aanraking tegenhoudt; het creëert continuïteit tussen binnen- en buitenkanten. De architectonische toepassingen hebben het moderne materiële en zintuiglijke universum opnieuw ingericht. Zoals architect Annette Fierro uitlegt, heeft glas tot nieuwe soorten gebouwen geïnspireerd – van de Parijse winkelgalerijen tot International Style-torens – en blijft het tegengestelde betekenissen uitdragen: gewicht en gewichtloosheid, aanwezigheid en afwezigheid, plooibaarheid en breekbaarheid. De lichtdoorlatendheid ervan, en daarmee de geschiktheid als omhulsel of drager van verlichting, suggereert orde en controle, terwijl de reflexiviteit ‘zowel psychoanalytische als filosofische vragen absorbeert die door de spiegel worden opgeworpen’.Ook kan plexiglas de symbolische kracht van de spiegel versterken, zoals door het vangen van de gezichtsuitdrukkingen van Harris en Pence. Afhankelijk van de productiewijze kan het krasbestendiger zijn dan glas, wat betekent dat het onder ideale omstandigheden nog minder visuele aandacht op zichzelf zal vestigen als barrière of medium. Door het lichtere gewicht en de grotere duurzaamheid kan plexiglas zonder omvangrijke omlijsting worden geplaatst, bijvoorbeeld op een toonbank of schooltafeltje. Veel smetteloos viruspreventiemateriaal op polymeerbasis streeft er zelfs naar om te verdwijnen en voornamelijk aanwezig te blijven als buffer tegen geluid of het circuleren van aerosolen. Tegelijkertijd moeten deze doorzichtige wanden een geruststellende werking hebben als symbolen van veiligheid en sociale betrokkenheid. Glas is een culturele spiegel, en plexiglas is dat ook.Verder is het ook van symbolische waarde dat plexiglas plastic is. Plastic staat tenslotte nog meer bekend om zijn plooibaarheid dan glas. Bovendien heeft het steeds meer een aura van kunstmatigheid gekregen. In het bedrijfsblad van DuPont werd in 1938 betoogd dat plastics meer waren dan alleen een vervanging voor natuurlijke materialen; ze waren ontworpen ‘door de mens volgens zijn eigen specificaties’, in nieuwe vormen en texturen en met levendige kleuren.Halverwege de vorige eeuw leek het erop, zoals Roland Barthes schreef in zijn Mythologieën (1957), dat ‘de hele wereld geplastificeerd kan worden’. Barthes beschrijft plastic als ‘meer dan een substantie’; plastic, zo schrijft hij, symboliseert ‘het idee van zijn oneindige transformatie’ en ‘snel veranderende kunstvormen’. Zoals historicus Jeffrey Meikle opmerkte, gaf het nieuwe polymerische universum tijdens het interbellum ook vorm aan verstrekkende ideologieën. Plastic werd in brede kring beschouwd als een ‘opstap naar gecontroleerde sociale stabiliteit. Goedkope plastics (…) zouden tot een ware democratisering van de samenleving leiden doordat ze een einde maakten aan de door schaarste ontketende strijd en die zouden vervangen door universele materiële overvloed.’ Daarna, na de oorlog, werd plastic gezien als een ‘middel om veranderingen en continue transcendentie teweeg te brengen’. We zien deze oriëntaties samenkomen in het antivirale plexiglas, dat dient om de sociale en economische orde te handhaven en tegelijkertijd epidemiologische transcendentie belooft.
Plastic werelden
Ontwerpers in het naoorlogse tijdperk creëerden inderdaad nieuwe plastic werelden als prototype. Neem de Necklace Domes (1949) van Buckminster Fuller, koepels gemaakt van canvas-, vinyl- of acrylpanelen; het van glasvezel vervaardigde House of the Future (1956) van Alison en Peter Smithson, het Monsanto House (1957) van Marvin Goody en Richard Hamilton in Disneyland, eveneens opgetrokken uit glasvezel, en de opblaasbare architectonische experimenten en hygiënische ‘bubbels’ uit de jaren zestig en zeventig. Lydia Kallipoliti omschrijft dergelijke projecten als ‘gesloten werelden’, kunstmatige omgevingen die een scala van motieven en fantasieën realiseren, zowel utopisch als dystopisch: ‘van militaire ideeën om de soevereiniteit van de mensheid op nieuwe, niet in kaart gebrachte grondgebieden te garanderen tot alternatieve manieren om een autonoom stadsleven te leiden, nostalgie naar de Amerikaanse pionierscultuur, en ecologisch toerisme en milieukapitalisme’. Het project van de Smithsons, legt Beatriz Colomina uit, was een ‘koppig verzet tegen de gevaarlijke buitenwereld’, met luchtsluizen en airconditioning die giftige stoffen op afstand moesten houden.
De opblaasbare Clean Air Pod (1970) van Ant Farm probeerde ondertussen de aandacht op luchtvervuiling te vestigen door mensen in een plastic bubbel uit te nodigen waar ze op hun gemak konden ademhalen. We zien zulke opvouwbare en opblaasbare vormen terug in de pvc-tenten die nu op stadstrottoirs worden neergekwakt, waar ze een afgesloten micro-omgeving creëren waarin buiten kan worden gedineerd in de wintermaanden (en die tegelijkertijd publieke ruimte in-nemen voor particulier gewin).Cultuurtheoreticus Heather Davis stelt dat ‘plastic het beste als afdichting fungeert (…) en ook in de behoefte aan ondoordringbaarheid voorziet, zodat de discretie van voorwerpen, lichamen en persoonlijkheden verzekerd is en categorieën’ – gezond en ziek, vriend en vijand, binnen en buiten – ‘zich niet hoeven te mengen’. Met andere woorden, plastic is altijd synoniem geweest voor een aanzienlijke mate van hybris. Vooral plexiglas beloofde al in een vroeg stadium kogels te weren en levens te redden; nu wordt het, zoals al decennialang gebeurt, gebruikt om immuniteitszones te creëren. Maar in de sociale acrylarchitectuur wordt bescherming beloofd door middel van doorlatende beschermende afdichtingen. Anders dan bijvoorbeeld huishoudfolie of een Tupperwaredeksel (of de luchtbel-achtige koepel van een gevechtsvliegtuig) wordt plexiglas in de dagelijkse stedelijke omgeving geplaatst om zuiverheid en veiligheid te cultiveren door middel van doorlaatbare verbindingen.
Vertrouwen
Van oudsher worden in schermen van plexiglas dikwijls openingen aangebracht: vensters, gleuven of luiken waardoor klanten creditcards of pakjes kunnen aanreiken. Deze gecontroleerde openingen hebben specifieke bedieningsprotocollen en lichaamshoudingen nodig gemaakt: hoe ver moeten we onze hand erin steken? Kunnen onze vingers elkaar aanraken? Zulke inschattingen worden extra belangrijk tijdens de pandemie. ‘Tijdens de lockdown,’ legt Kallipoliti uit, ‘zijn we ons voor het eerst op een zeer heftige manier bewust van ons lichaam in de ruimte: van ons lichaam ten opzichte van andere lichamen, ten opzichte van voorwerpen die door vreemde handen zijn aangeraakt. (…) De angst voor een inbreuk’ – een schending van de codes voor het gebruik van de opening – ‘is een levendige illustratie van de poreusheid van ons lichaam en geeft een nieuwe weerklank aan de proxemics-theorie van Edward T. Hall’ – over de manieren waarop bevolkingsdichtheid ons ruimtegebruik beïnvloedt – ‘en aan het begrip “afstand houden”,’ aldus Kallipoliti. Dat afstand houden wordt opgelegd en geregeld door het scherm van plexiglas. Plexiglas paart visuele toegankelijkheid aan fysieke afstand om een uitwisseling mogelijk te maken: het overhandigen van geld of goederen, het serveren van voedsel, het verifiëren van identiteit en het bevestigen van handelingen, het overbrengen van boodschappen (zij het via enigszins gedempte stemmen en wazige gezichtsuitdrukkingen).
Plexiglas paart visuele toegankelijkheid aan fysieke afstand
Dankzij de aanwezigheid van plexiglas kunnen we onze angst voor besmetting opschorten tijdens noodzakelijke transacties. Het vertrouwen dat het geeft, ook al is er deels sprake van ‘veiligheidstheater’, kan belangrijke culturele en economische functies dienen: het zorgt ervoor dat we kunnen blijven winkelen, uit eten gaan, naar school gaan, politieke bijeenkomsten bijwonen. Maar ook is plexiglas decennialang door Amerikanen gebruikt om sociale spanningen en burgerlijke onrust tegemoet te treden.
Gezag
Afgelopen lente, toen er in winkels en op scholen schermen en koepels begonnen te verschijnen om ons tegen rondvliegende ziektekiemen te beschermen, werden we in parken en op straathoeken met andere acrylvormen geconfronteerd, schijnbaar bedoeld om gemeenschappen tegen militante indringers te beschermen. Oproepen tot raciale gerechtigheid lokten een reactie uit van gemilitariseerde politiemensen, die vreedzaam protesterende menigten vaak bestookten met rubber kogels, traangas en anti-oproerschilden van plexiglas, zowel offensieve als defensieve wapens die demonstranten als criminelen aanmerken. Wetshandhavers staan aan de ene kant van deze barrières, wetsuitdagers aan de andere. Hier blijkt dat het plexiglazen scherm, in plaats van een wederzijdse uitwisseling te faciliteren, slechts in één richting doorlatend is, door het gezag van de ene partij over de andere mogelijk te maken.Een soortgelijke dynamiek zien we in gevangenissen, waar opgesloten individuen hun bezoekers begroeten van achter wanden van plexiglas; de staat bepaalt wie aan welke kant van het scherm zit, en dat scherm bepaalt hoe de partijen elkaar zien en met elkaar spreken. Ook in veel stedelijke gemeenschappen speelt plexiglas al lange tijd een rol in het concretiseren van sociale grenzen. Kasbedienden, pandjesbazen en medewerkers van fastfoodrestaurants in arme buurten bedienen hun clientèle dikwijls vanuit forten van kogelwerend glas. Natuurlijk, de meeste bedrijven hanteren een strikte scheidslijn; slechts weinig banken of stomerijen of openbare nutsvoorzieningen laten cliënten toe achter de balie of toonbank. Bij de loketten voor rijvaardigheidsbewijzen, werkloosheidsuitkeringen of paspoortcontrole impliceren barrières van plexiglas bureaucratische verveling en frustratie; ze instrueren het publiek het loket met enige schroom te benaderen en zijn een voorbode van hooghartigheid en ondervraging. Maar vooral bij kleine bedrijven in probleemwijken dient plexiglas een ander, subjectiever doel; het merkt klanten aan als verdachten. Hier steunt plexiglas niet op de macht van de staat, maar wordt het vooral aangebracht als verdediging tegen een reële of veronderstelde dreiging. Buiten de gevangenis garandeert een cel van plexiglas eigenaars en hun personeel controle en wordt een plek om zaken te doen in een ‘verdedigbare ruimte’ veranderd.
Gemilitariseerde grenzen
Volgens stedenbouwkundige Fallon Samuels Aidoo ‘hebben deze “beschermingsmiddelen” van plexiglas zich ontwikkeld tot een normale kostenpost voor het zakendoen met arme mensen’. De stedelijke onlusten aan het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw brachten veel winkeliers en restauranthouders ertoe ‘zich te verschansen achter bunkerachtige, relbestendige gevels’. Die onlusten kwamen voornamelijk voort uit raciale conflicten en vooroordelen. ‘Zowel misdaad als angst werd expliciet met zwarten geassocieerd,’ legt geograaf Brandi Thompson Summers uit, ‘en het criminaliseren van deze mensen resulteerde in een angst voor alles wat zwart was. Het gevolg was dat er “anti-oproerarchitectuur” werd toegepast, voornamelijk in arme zwarte wijken.’Deze historische dynamiek wordt niet alleen versterkt door bebouwde ruimten die de erfenis van het raciale beleid symboliseren, maar is ook aanwezig in de hedendaagse verbeelding. Zoals literatuurwetenschepper Caroline H. Yang beschrijft, portretteren populaire programma’s als The Wire de plexiglasarchitectuur van buurtwinkels dikwijls als gemilitariseerde grenzen tussen Aziatische winkeliers en hun zwarte clientèle, tussen een oase binnen en een oorlogsgebied buiten. Psycholoog Naa Oto A. Kwate is het daar in haar studie van de slijterij in de zwarte metropolis mee eens: ‘Klanten die een drempel moeten oversteken die op een oorlog berekend lijkt en hun transacties moeten afsluiten via kogelvrije scheidingswanden, krijgen daarmee te verstaan dat de winkel bestaat om een gevaarlijke zo niet dodelijke bevolkingsgroep geld af te troggelen.’De barrière van plexiglas zet zulke klanten op een overzichtelijke manier te kijk; wat dat betreft is er niet veel verschil met het ‘dikke, onzichtbare maar gruwelijk tastbare vensterglas’ dat volgens W.E.B. Du Bois zwarte mensen apart zet als ‘opgesloten zielen (…) gehinderd in hun natuurlijke beweging, expressie en ontwikkeling’. Zoals Thompson Summers uitlegt, gebruikt de stad van oudsher talrijke technieken om zwarte mobiliteit te beperken: ‘rondhangverboden, meer gevangenissen en opsluitingen, meer surveillance’. Natuurlijk staan klanten van buurtwinkels technisch gesproken buiten de kooi van plexiglas. Maar die sluit ook hen op. Hoewel ze vrij zijn om de winkel in en uit te lopen en rond te kijken als ze eenmaal binnen zijn, legt het plexiglas hun vrije keus en hun mogelijkheden zowel onmiddellijke als historische, systemische obstakels in de weg. Dat gebeurt vooral in arme gekleurde wijken, waar niet alleen de kassa door een wand van plexiglas wordt afgeschermd maar ook alle koopwaar. In zulke winkels zou de winkelier het steenkoud hebben vanwege de koeling en de hoge luchtvochtigheid die vereist zijn voor verse producten – een van de vele redenen waarom het assortiment voornamelijk bestaat uit houdbare waar: ‘ramen-noedels, conservenblikjes, snacks, frisdrank en snoep’. In steden als Baltimore verkopen zulke winkels de minste gezonde producten van de hele stad. Deze beperkingen zorgen voor ongezonde eetgewoonten en een gebrek aan zintuiglijke waarneming. Omdat ze hun aankopen niet kunnen aanraken, ruiken of inspecteren wordt klanten de mogelijkheid ontnomen empirische observaties te doen en weloverwogen keuzes te maken wat hun consumptie betreft.
Symbool
In december 2017 nam de gemeenteraad van Philadelphia een voorstel aan om het gebruik van kogelwerend glas in broodjeszaken aan banden te leggen. ‘We willen niet dat er alleen in bepaalde buurten eten via barrières van plexiglas wordt geserveerd,’ aldus gemeenteraadslid Cindy Bass. De maatregel zal pas in 2021 ingaan, maar veel winkel-eigenaars weigeren nu al eraan mee te werken. Zoals Rich Kim verklaart in The Temple News: ‘Het is niet eerlijk om te zeggen: “Hé, breek die wand waarachter je veilig bent maar af.”’ Bovendien, zegt Kim, worden vooral Aziatisch-Amerikaanse winkeliers door de verordening getroffen. Summers heeft een soortgelijke ontwikkeling waargenomen in Washington, D.C., waar Afrikaanse en Aziatische winkeliers weigerden hun veiligheidshekken en kogelwerend glas te verwijderen in het kader van de ‘revitalisering’ – lees: yuppificatie van de buurt. Voor hen staan deze beschermingsmiddelen symbool voor hun eigen veiligheid.
Plastic slaagt er niet in een invasie te voorkomen, en is zelf invasief
Zuiverheid en veiligheid zijn in de regel duidelijk waarneembaar: de aanblik van een heldere MRI-scan of een glanzende gedesinfecteerde operatiezaal; het geluid van een geactiveerd inbraakalarm; de geur van ziekte versus die van een ontsmettingsmiddel; de smaak van bedorven eten in vergelijking met de verkwikkende bitterheid van geneesmiddelen; de gewelddadige of genezende aanraking. Pas geïnstalleerd en nog smetteloos plexiglas voorziet in de visuele connectie en de fysieke scheiding die momenteel nodig zijn voor een veilig contact. De doorzichtigheid ervan impliceert immuniteit, ook al maken de onopvallendheid en doorlatendheid mensen kwetsbaar. Ondertussen zijn de plexiglazen verschansingen in buurtwinkels, Chinese afhaalrestaurants en lommerds, dikwijls bekrast en vergeeld door decennia van gebruik en misbruik, hooguit op een schimmige, onpersoonlijke, vervreemdende manier doorschijnend, terwijl ze tegelijkertijd hun absolute ondoordringbaarheid voor geluid, geur en aanraking uitstralen – met name hun bestendigheid tegen (veronderstelde) kogels en stelende handen, drankadem en rokershoest. Maar in al deze gevallen legitimeren de plastic wanden onze neiging om lichamen en waren in verdedigbare zones af te zonderen en de geografie en logica van quarantaine en opsluiting tot de dagelijkse ruimte uit te breiden.Maar een perfecte afsluiting bestaat niet. Als reactie op de barrières van plexiglas tijdens het vicepresidentiële debat twitterde New York Times verslaggever Astead Herndon: ‘Denken ze nou echt dat die stukjes plastic het virus zullen tegenhouden?’ Recent onderzoek door de University of Pittsburgh heeft aangetoond dat aerosolen door de plexiglazen intubatieboxen heen kunnen dringen die over het hoofd en de schouders van covid-19-patiënten worden geplaatst. Openbare voorzieningen van plexiglas kunnen weliswaar grote druppels tegenhouden, maar ze zijn niet bestand tegen kleinere rondvliegende deeltjes, reden waarom in de gezondheidszorg door velen wordt gepleit voor een gelaagde benadering: gezichtsmaskers plus afstand houden plus plastic schermen en ventilatie.
Residuen
Plastic slaagt er niet in een invasie te voorkomen, en is zelf invasief. Doordat het alomtegenwoordig is, kan plastic makkelijker ons lichaam binnendringen. Er is microplastic ontdekt in menselijke organen; er zijn plastic zakken aangetroffen in de diepste geulen van de oceaan; polymeren zijn met rotsen versmolten tot nieuwe kunstmatige vormen. De fabricage van acrylvezel vergt, zoals die van de meeste plastics, het gebruik van fossiele brandstoffen en kankerverwekkende chemicaliën. Naarmate we meer plexiglazen barrières aanbrengen om onze eigen zuiverheid en veiligheid te waarborgen, verlengen we ook de gebruiksduur van plastic.De residuen van ons plastic tijdperk zullen nog honderden jaren in het milieu achterblijven, en tegen die tijd zijn onze eigen lichamen wellicht bezweken aan een nieuwe pandemie of aan de klimaatcrises die het gevolg zijn van de plastificering en carbonisatie van onze wereld. Zolang we op zulke existentiële dreigingen reageren door ons liever achter (letterlijke en figuurlijke) schilden van plexiglas te verschuilen dan dat we systemische veranderingen doorvoeren, is het vrijwel zeker dat de microben en de milieuvervuiling waartegen we ons proberen te wapenen steeds meer verstrengeld zullen raken met het menselijk leven. In elk geval kunnen we de afbraak duidelijk waarnemen, via het scherm.
Shannon Mattern
Places Journal Verenigde Staten | website | placesjournal.orgBetrouwbare bron voor wie geïnteresseerd is in architectuur, landschap en urbanisme.
Renee Bach ging met een christelijke opvoeding en de beste bedoelingen naar Oeganda om kinderen te redden van de hongersnood. Haar missie kreeg internationale belangstelling toen zij werd aangeklaagd omdat er onder haar bewind opvallend veel kinderen stierven. Was zij verantwoordelijk?
De toekomst van de ontwikkelingshulp
The New Humanitarian, een mediaorganisatie gefinancierd door de Verenigde Naties, vroeg aan vooraanstaande figuren in de ontwikkelingssector en daarbuiten – van beleidsmakers tot mensen die ervaring hebben met crisissituaties – om hun visie voor de toekomst te schetsen. 360 selecteerde enkele in het oog springende antwoorden.
‘De staten moeten ervoor zorgen dat oorlogsmisdadigers worden berecht,’ aldus Nobelprijswinnaar Nadia Murad. De jezidische mensenrechtenactivist Nadia Murad kreeg in 2018 de Nobelprijs voor de Vrede voor haar strijd voor vrouwenrechten in gewapende conflicten. Ook in haar bijdrage spreekt ze zich uit tegen het gebruik van seksueel geweld als oorlogswapen.
‘Tot de tweede helft van de twintigste eeuw werd er gesproken over seksueel en ander geweld tegen vrouwen alsof dat nou eenmaal bij oorlog hoort,’ schrijft Murad. Pas in de jaren negentig is dit door het Internationaal Strafhof erkend als oorlogsmisdaad. ‘We hebben nu het wettelijke precedent om conflictgerelateerd seksueel geweld serieus te nemen en te vervolgen, maar we zien nog steeds een gebrek aan bereidheid van de internationale gemeenschap om de daders ter verantwoording te roepen,’ aldus Murad. IS’ers die seksueel geweld hebben gepleegd tegen jezidi-vrouwen en -meisjes zijn nog niet berecht.
Klimaatverandering vraagt om verandering van aanpak
‘Als we willen voorkomen dat we overweldigd worden door de crises die op ons afkomen, moeten we onze aanpak veranderen,’ aldus ontwikkelingshulp- adviseur Paul Knox Clarke.
‘Klimaatverandering leidt en zal leiden tot enorme en onge- kende humanitaire crises die bijna onvermijdelijk zijn,’ schrijft Knox Clarke. ‘Om op deze crises te kunnen reageren, zullen humanitaire organisaties strategieën, vaardigheden en operationele benaderingen nodig hebben om crises, zoals bosbranden en hittegolven, het hoofd te kunnen bieden,’ aldus Knox Clarke.
‘Hoewel het systeem van crisishulp veel sterke punten heeft,’ vervolgt hij, ‘is verandering daar niet een van. Ondanks dertig jaar van serieuze discussies over participatie, lokalisatie, paraatheid, en de samenhang tussen hulpverlening en ontwikkeling, is er nog maar weinig echte, transformatieve verandering tot stand gebracht. Mensen moeten dringend nadenken over zowel het “wat” als het “hoe” van de verandering die we moeten doorvoeren om de dreigende klimaatcrisis het hoofd te bieden.’
Contant geld werkt beter
‘Hulp in de vorm van contant geld is een van de belangrijkste veranderingen van de afgelopen twee decennia,’ aldus beleidscoördinator Sophie Tholstrup.‘Het geven van contant geld in plaats van goederen stelt de ontvangers in staat om te beslissen wat ze nodig hebben, ondersteunt de lokale economieën en is efficiënter,’ aldus Tholstrup, die werkt bij de organisatie Cash Learning Partnership. ‘Contant geld is uniek omdat het de beslissingsbevoegdheid verschuift van hulporganisaties naar de mensen die zelf door de crisis worden getroffen. Er is aangetoond dat mensen slimme keuzes maken en dat de ontvangers het geld vaak aan heel andere dingen uitgeven. Traditionele hulp is vaak slecht afgestemd op de wensen van de ontvangers.’
‘Ontwikkelingshulp zal alleen veranderen als de mensen aan de ontvangende kant een stem krijgen,’ zegt Arbie Baguios, oprichter van Aid Re imagined.‘Veranderingen in het verleden zijn te veel afhankelijk geweest van interne hervormers in machtsposities,’ schrijft de uit de Filippijnen afkomstige Baguios. ‘De hervorming van ontwikkelingshulp is veel te sterk gebaseerd op interne mechanismen. Maar ook externe druk is noodzakelijk. Maar degenen die echt een belang hebben – mensen en gemeenschappen die hulp ontvangen – worden gemarginaliseerd. Pas als zij de facto macht krijgen, kan er een evenwicht ontstaan.’Baguios ziet een oplossing in een vakbond van hulpontvangers. ‘Hulpontvangers kunnen zich vereni- gen om eisen te stellen aan een sector die zijn beloften al zo lang niet is nagekomen.’ Hij vervolgt: ‘Ik kan me een entiteit als Organisers zonder Grenzen voorstellen die als doel heeft hulpontvangers te mobiliseren voor een breed maar gemeenschappelijk doel (bijvoorbeeld om betere dienstverlening van internationale hulporganisaties te eisen). Tijdens een crisis zou een Organisers zonder Grenzen hulpontvangers kunnen samenbrengen om kwalitatief hoogstaande hulp te eisen en om organisaties verantwoordelijk te houden.’
Lokaal neemt de leiding
‘Lokale organisaties zijn het eerst ter plaatse tijdens een crisis,’ zegt Themrise Khan, onafhankelijk onderzoeker en beleidsanalist.Er moet volgens Khan meer waardering en aandacht komen voor lokale organisaties. ‘Het internationale humanitaire systeem begrijpt niet dat crisishulp al deel uitmaakt van de contextuele structuur van landen. Het bestaat al generaties lang via filantropische, religieuze, etnische en zelfs klassenlijnen,’ aldus Khan.‘Lokale organisaties worden vertrouwd, kennen de situatie en weten hoe dingen kunnen worden geregeld. Deze organisaties, vaak uit de gemeenschap zelf, zijn niet afhankelijk van de komst van externe hulp voordat ze op een crisis reageren. Hun reactie is onmiddellijk en onafhankelijk van externe hulp. Ze blijven de getroffen gemeenschappen bijstaan, lang nadat internationale organisaties zijn vertrokken,’ zegt Kahn.De beleidsanalist breekt een lans voor een humanitaire sector waarin inheemse actoren de leiding hebben. ‘Een toekomstig humanitair systeem zal worden geleid door actoren die inheems zijn in de regio of de gemeenschap in crisis, terwijl alle anderen volgen. Inheems betekent niet de lokale tak van een internationale ngo; het betekent waarden die historisch geworteld zijn in het land van herkomst en zijn bevolking. Deze waarden moeten door de externe organisaties worden erkend voor hun komst.’
‘Wij Afrikanen moeten onze eigen toekomst vormgeven’
‘Het wordt tijd dat we niet meer afhankelijk zijn van internationale solidariteit en een afbrokkelende wereldorde,’ aldus Lynne Muthoni Wanyeki, regiodirecteur Afrika van Open Society Foundations.‘Lokale innovatie vult de leegte op die de internationale gemeenschappen in de nasleep van de pandemie hebben achtergelaten.’ Wanyeki beschrijft de positieve verandering die ze nu in Afrika ziet gebeuren: ‘Mensen zetten directgeldprogramma’s voor medeburgers op, beginnen adopteer- een-familie-initiatieven, houden buurtcollectes. Dit komt boven op de vele informele sociale vangnetten die altijd al bestonden, ondanks dat er vanuit de diaspora nu minder geld wordt gestuurd.’
‘Ook de creativiteit, de innovatie, het onderzoek en de ontwikkeling en productiecentra zijn lokaal: er is een goedkoop test- en vaccinonderzoek opgezet door een onderzoeksalliantie van Afrikaanse universiteiten, lokale hulporganisaties en kleding- fabrikanten maken beschermingsmiddelen, en jonge knappe koppen ontwerpen beademingsapparaten om bezig te blijven nu universiteiten zijn gesloten,’ zegt Wanyeki.‘Dat is de toekomst van noodhulp. We willen geen stukje van de taart meer. We willen zelf de taart bakken. Als we dat doen, zijn we klaar om een echte gelijkwaardige relatie aan te gaan met de rest van de wereld.’
Humanitaire hulp is geen oplossing zonder duurzame vrede
‘Echte verandering kan alleen worden bereikt door politieke oplossingen voor de crises die de vluchtelingenstromen veroorzaken,’ zegt Filippo Grandi, Hoge Commissaris voor vluchtelingen bij de VN.‘De grote crises van het afgelopen decennium hebben aangetoond dat humanitaire actie slechts een gedeeltelijke reactie kan zijn op de omvang en de complexiteit van de huidige situaties waarin mensen gedwongen worden om te vluchten,’ aldus Grandi.‘Hoewel noodhulp het lijden helpt te verlichten, kan geen enkele hoeveelheid humanitaire hulp een oplossing bieden voor de benarde situatie van degenen die gedwongen moeten vluchten,’ zegt Grandi. ‘Oplossingen voor ontheemding zijn fundamenteel afhankelijk van een succesvolle oplossing van het conflict en van investeringen in het handhaven en opbouwen van vrede – en van het vermogen van staten om de eensgezindheid te vinden die nodig is om met dit doel samen te werken.’
Een rol voor bedrijven
Tara Nathan, uitvoerend vicevoorzitter digitale ontwikkelingsoplossingen bij Mastercard, pleit voor een grote rol voor het bedrijfsleven.‘De private sector is waarschijnlijk het meest geschikt om een crisisinterventie van begin tot eind te beheren, en toch worden bedrijven vaak gedegradeerd tot leverancier of verkoper,’ zegt Nathan. Ze heeft een betere samenwerking tussen bedrijven en hulporganisaties voor ogen. ‘Bedrijven en humanitaire organisaties zouden naast elkaar, elk voor zich, hun talenten kunnen inzetten: lokale gemeenschappen en ngo’s kunnen de behoeften in kaart brengen, internationale ngo’s de wereld- wijde middelen en netwerken activeren en bedrijven kunnen hun expertise op het gebied van oplossingsinnovatie inzetten. Samen zouden we ontelbare bedragen en ontelbare levens kunnen redden.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.