De Turkse president werd onwel tijdens een tv-interview
De Turkse president Recep Tayyip Erdogan heeft zijn verkiezingscampagne tijdelijk stilgelegd. De huidige Turkse leider zal ten minste voor een maand geen fysieke campagneoptredens geven, schrijft Al Arabiya op basis van een verklaring van de AK-partij. Tijdens een interview op de Turkse televisie werd Erdogan onwel, hoewel het voorval niet werd geregistreerd door de camera. De uitzending werd onderbroken en de Turkse president zou vervolgens naar het ziekenhuis zijn gegaan.
Hoewel in sommige media wordt gespeculeerd dat Erdogan een hartaanval heeft gehad, gaat het naar eigen zeggen om buikgriep en was hij daardoor misselijk tijdens het interview. Zijn adviseurs zeggen dat Erdogan, die niet eerder met gezondheidsproblemen kampte, donderdag weer aan het werk zal gaan.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Over enkele weken, op 14 mei, worden in Turkije presidentsverkiezingen gehouden en voor Erdogan, president sinds 2014 en daarvoor elf jaar premier, is het allerminst een uitgemaakte zaak dat hij wordt herkozen. Een brede alliantie aan oppositiepartijen hebben met de vierenzeventigjarige Kemal Kilicdaroglu van de Republikeinse Volkspartij (CHP) een kandidaat naar voren geschoven die er in sommige peilingen beter voor staat dan Erdogan.
Toen in 2016 de eerste golf van antistranswetgeving werd doorgevoerd in de Verenigde Staten, volgden er al snel verschillende sportverboden voor trans atleten. ‘Dit is niet het gevolg van trans atleten die plotseling domineren op de velden. Het komt door de politiek.’
In het voorjaar van 2020 verbood Idaho als eerste staat in de VS transseksuele meisjes en vrouwen om deel te nemen aan vrouwensporten. Inmiddels hebben zeventien staten soortgelijke wetten aangenomen. Trans atleten, en in het bijzonder trans meisjes, staan centraal in de ‘cultuuroorlogen’ die door Amerika razen, nu wetsvoorstellen tegen trans en queer jongeren overal in het land om zich heen grijpen.
Sportverboden hebben al vaker als springplank gediend voor grotere aanvallen op transrechten. In 2021 vaardigden Texas, Florida en Alabama elk een sportverbod uit. Dit jaar heeft Texas stappen ondernomen om trans jongeren de toegang tot genderbevestigende zorg te ontzeggen. Florida heeft discussies op scholen over genderidentiteit en seksuele geaardheid in de lagere klassen verboden. In Alabama werden beide stappen gezet.
‘Trans mensen zijn óf volwaardige leden van de samenleving of we zijn het niet’
‘Trans mensen zijn óf volwaardige leden van de samenleving of we zijn het niet,’ zegt Gillian Branstetter, communicatiestrateeg bij de American Civil Liberties Union (ACLU). ‘Op het moment dat burgerrechten worden voorzien van asterisken, vrijstellingen en uitzonderingen, wordt de deur opengezet voor veel van de zeer vijandige en wrede wetgeving die we inmiddels al ingevoerd hebben gezien.’
De explosie van sportverboden komt niet door een golf van trans student-atleten die plotseling domineren op de velden, zeggen politieke strategen en lhbtq-voorvechters. Het komt door de politiek. Conservatieve groepen en politici realiseren zich dat deze kwestie Republikeinen en potentiële zwevende kiezers in beweging kan brengen, waardoor ze betrokken raken bij bredere culturele debatten over transrechten in de VS. Het zijn gevechten die Republikeinen electoraal gezien meestal goed uitkomen.
Emotionele reacties
Het idee van trans meisjes en vrouwen die het opnemen tegen cisgender vrouwelijke atleten, waarbij wordt ingespeeld op stereotypen over gender en biologie, wekt vaak emotionele reacties op bij mensen die geen trans mensen kennen. De kwestie is ‘een soort opstapje voor mensen om het grotere debat aan te gaan over gender en over wie zichzelf wel of niet vrouw mag noemen’, aldus een conservatief die anoniem wil blijven en die werkt aan Titel IX-kwesties. Titel IX verwijst naar de Amerikaanse federale wet op burgerrechten die discriminatie verbiedt op grond van geslacht in scholen of andere onderwijsprogramma’s die financiering ontvangen van de federale overheid.
De verboden ‘winnen aan kracht om dezelfde reden dat toezicht op verkiezingsuitslagen en verboden op critical race theory het afgelopen jaar aan populariteit winnen,’ zegt Republikeins strateeg Sarah Longwell, criticus van de Republikeinse partij onder Donald Trump. ‘Het zijn pr-campagnes vermomd als wetgeving, en ze zijn ontworpen om de cultuuroorlogen in het middelpunt van aandacht te houden.’
77 procent van de Republikeinen is ertegen dat trans studenten mogen meedoen in teams die corresponderen met hun genderidentiteit
Uit een YouGov-peiling in 2022 blijkt dat 77 procent van de Republikeinen ertegen is dat trans studenten mogen meedoen in teams die corresponderen met hun genderidentiteit, tegenover 24 procent van de Democraten. Net zoals het homohuwelijk aan het begin van deze eeuw als wig werd gebruikt om Republikeinse kiezers aan te spreken, zijn dit de ‘nieuwe wig-kwesties in de cultuuroorlog die het Republikeinse enthousiasme aanwakkeren en, belangrijker nog, Democraten vervreemden van zwevende kiezers zolang ze er niet in slagen met coherente tegenargumenten te komen,’ zegt Longwell. ‘De Republikeinen gaan in de aanval met deze onderwerpen, en het werkt. De Democraten hebben nog steeds geen effectieve verdediging bedacht, laat staan een eigen aanvalsstrategie.’
Terwijl Republikeinse politici beweren dat de verboden zijn ontworpen om ‘vrouwen te beschermen’, in plaats van een kwetsbare groep te discrimineren, beweren lhbtq-voorstanders dat het gaat om oplossingen voor een probleem dat niet bestaat. Landelijk zijn er maar heel weinig voorbeelden van trans atleten die überhaupt proberen mee te doen aan wedstrijden, en degenen die dat wel doen zijn gebonden aan lokaal beleid.
Geen betrouwbare nationale gegevens
Er zijn geen betrouwbare nationale gegevens over deze kwestie, maar bijvoorbeeld in Michigan kijkt de Michigan High School Athletic Association (MHSAA) van geval tot geval of trans atleten mee mogen doen. De MHSAA vertelde de Detroit Free Press dat er gemiddeld twee verzoeken per jaar worden ingediend op een totaal van 180.000 atleten in de staat. Binnen deze context zijn uitgebreide verboden op staatsniveau zowel onnodig als wreed, betoogt Cathryn Oakley. Zij is directeur wetgevende zaken en senior counsel bij de lhbtq-belangengroep Human Rights Campaign, en vocht sportverboden op staatsniveau in de rechtbank aan.
Het kleine aantal trans atleten maakt verboden voor de hele staat niet alleen irrationeel, maar maakt ze misschien ook juist mogelijk. Het gebrek aan zichtbaarheid van transseksuelen in de VS is voor een deel de reden waarom deze wetten worden aangenomen, zegt Sarah Mcbride uit Delaware, de eerste openlijk transseksuele senator in het land. ‘Mensen menen daardoor dat de schade die ze aanrichten bij trans jongeren klein is,’ zegt ze.
85 procent van de trans jongeren zegt dat de debatten over antitranswetten een negatieve invloed hebben op hun geestelijke gezondheid
Maar in werkelijkheid zou het effect van deze wetten op trans jongeren wel eens verwoestend kunnen zijn. In een enquête van 10 januari van het Trevor Project, een lhbtq-organisatie voor zelfmoordpreventie, zegt 85 procent van de trans en non-binaire jongeren dat de recente debatten over antitranswetten een negatieve invloed hebben op hun geestelijke gezondheid.
De opkomst van antitranswetgeving begon in juni 2015, toen het Hooggerechtshof oordeelde dat de Grondwet het recht beschermt van paren van hetzelfde geslacht om te trouwen. Daarmee was die huwelijkskwestie schijnbaar opgelost, en werd genderidentiteit het volgende onderwerp in de strijd om lhbtq-rechten.
Het jaar daarop werd de eerste golf van antitranswetgeving in het land doorgevoerd met besluiten over wc’s. Het beroemdste voorbeeld is de wet HB2 uit 2016 in North Carolina, die het trans personen verbood om gebruik te maken van openbare toiletten die overeenkwamen met het geslacht waarmee ze zich identificeren. Het onmiddellijke verzet was hevig. Bedrijven boycotten de staat massaal en volgens een analyse dreigde 3,76 miljard dollar aan gederfde inkomsten. (De wet werd daarna gedeeltelijk ingetrokken en is nu verlopen.) Gouverneur Pat McCrory, een Republikein, verloor daarna bij de verkiezingen in november zijn zetel. ‘Het werd gezien als een verloren zaak… En dus wilde niemand zijn vingers eraan branden,’ aldus Terry Schilling, voorzitter van de conservatieve belangengroep American Principles Project (APP), die antitransretoriek stimuleert.
Terugschroeven van bescherming
In datzelfde jaar werd Trump gekozen als president met de belofte dat hij een vriend zou zijn voor de ‘lhbt-gemeenschap’. Maar zodra hij aan de macht kwam, begon zijn regering met het terugschroeven van de bescherming voor trans personen, waaronder het beleid van de regering-Obama dat op grond van Titel IX trans studenten beschermde wat betreft toegang tot toiletten, kleedkamers of sportteams in overeenstemming met hun genderidentiteit.
In 2018 wonnen twee trans meisjes high school atletiekwedstrijden in Connecticut. Nieuwszenders in het hele land publiceerden verhalen waarin de lichamen van de twee zwarte trans atleten onder de loep werden genomen en waarin naar hen werd verwezen als voorbeelden van bedreiging voor vrouwensporten. De Connecticut-loopsters werden later genoemd in een rechtszaak die door de conservatieve juridische groep Alliance Defending Freedom werd aangespannen namens vier vrouwelijke cis-loopsters. Ze betogen dat het beleid van Connecticut inzake trans-inclusieve schoolsport oneerlijk is. (De zaak is in behandeling bij het U.S. Second Circuit Court of Appeals.)
In 2019 was de zaak politiek dynamiet geworden. Schilling had gezien hoe conservatieven, waaronder Donald Trump Jr., zich uitlieten over trans atleten op Twitter, en hij begon Republikeinen aan te sporen om zich over de kwestie uit te spreken. APP zegt dat de aan haar gelieerde Super PAC – die financiële lobbymogelijkheden biedt aan een politieke partij – dat jaar in de gouverneursrace van Kentucky ongeveer 600.000 dollar uitgaf aan advertenties. Daarin werd beweerd dat de Democratische kandidaat Andy Beshear een bedreiging was voor de vrouwensport. APP sloot een contract met het databedrijf Evolving Strategies om de impact te meten en schat dat 25.000 kiezers door deze advertenties naar de Republikeinen zijn overgestapt. (Beshear won de verkiezingsrace.)
Ze betoogden allemaal dat de Democraten een bedreiging vormden voor vrouwensport
De zomer daarop meldde Politico dat mensen rond Trump verdeeld waren over de kwestie. Sommigen in het kamp van de toenmalige president waren naar verluidt van mening dat campagne voeren tegen lhbtq-rechten de Republikeinen zou schaden, terwijl anderen Schillings perspectief deelden dat de kwestie de partij juist kon verenigen. ‘Het was een voorgevoel,’ zegt Schilling hierover. ‘We wisten dat het onderwerp populair was, en we dachten dat dit iets was waar politici zich echt over zouden uitspreken.’
APP zegt dat het meer geld begon uit te geven aan het onderwerp, oplopend tot meer dan 5 miljoen dollar. Dit is opgeteld bij wat zijn Super PAC in Pennsylvania, Wisconsin, Michigan en Georgia uitgaf aan advertenties, die allemaal onder meer betoogden dat de Democraten een bedreiging vormden voor vrouwensport.
Twintig wetsvoorstellen
Eind 2020 waren er twintig wetsvoorstellen tegen trans sporters ingediend. In vergelijking met de toilettenwet van North Carolina vier jaar eerder, liepen links en het bedrijfsleven een stuk minder warm om op deze wetten te reageren. Geen enkel groot bedrijf heeft een staat vanwege zo’n wet geboycot en dat heeft Republikeinse politici aangemoedigd om verder te gaan.
Sindsdien zijn verboden voor trans atleten geëxplodeerd in wetgevingen op statelijk niveau en ze beginnen nu het nationale politieke debat te domineren. In de eerste vijf maanden van 2021 had Fox News al meer items over trans atleten uitgezonden dan in de voorgaande twee jaar tezamen, aldus non-profitorganisatie Media Matters. Schillings APP zegt dat het al meer dan 6 miljoen dollar heeft opgehaald voor de komende midterm-campagne die zich zal richten op de sportkwestie.
‘De tijd van politieke effectiviteit en de mogelijkheid voor dit soort wetgeving begint op te raken’
Maar Mcbride, de senator van de staat Delaware, denkt dat de Republikeinen uiteindelijk zullen verliezen in deze kwestie, net als in debatten over lhbtq-rechten in het verleden. ‘Hoe meer het land begrijpt wat de invloed van dit beleid is op trans mensen, hoe meer begrip en kennis er komt over wie en wat trans mensen zijn,’ zegt Mcbride. ‘De tijd van politieke effectiviteit en de mogelijkheid voor dit soort wetgeving begint op te raken.’
Een nieuwe beweging komt met een ander model om te strijden voor de rechten van de meest onzichtbare en gemarginaliseerde groepen binnen de Israëlische maatschappij. Heeft dat kans van slagen?
Sapir Sluzker Amran werkte nog voltijds als advocaat toen ze Dalal Daoud leerde kennen. Dat was in November 2018. Zoals elk jaar was Sluzker Amran op zoek naar een manier om aandacht te besteden aan de komende International Day for the Elimination of Violence Against Women (Internationale Dag voor de Uitbanning van Geweld tegen Vrouwen).
Destijds zat Daoud, een Palestijnse inwoner van Israël, een gevangenisstraf uit van vijfentwintig jaar in Israëls enige vrouwengevangenis, Neve Tirtza, voor de moord op haar man, die haar stelselmatig had mishandeld, verkracht en haar binnenshuis had geketend. Nadat Sluzker Amran had gehoord over Daouds verhaal, en ze haar aan de telefoon had gesproken, stond haar besluit vast: dit jaar zou ze geld inzamelen voor Daoud, zodat ze wat spullen zou kunnen kopen in het gevangeniswinkeltje. Op die manier wilde Sluzker Amran haar duidelijk maken dat er buiten de gevangenis vrouwen waren die zich haar lot aantrokken.
Maar meteen bij hun eerste ontmoeting begreep Sluzker Amran dat geld voor het gevangeniswinkeltje slechts het begin was van hun relatie. Ze besloot een campagne op te zetten om Daoud vrij te krijgen en ging minder werken zodat ze één dag per week kon besteden aan de coördinatie van dit project.
Het werkte. Na enkele maanden campagne voeren kwam Daoud in juni 2019 voorwaardelijk vrij
‘Een kleine groep vrouwen en enkele organisaties sloten zich aan bij de campagne, en alle plannen werden samen met Dalal uitgewerkt,’ vertelt Sluzker Amran aan +972 Magazine. In de campagne werden straatprotesten gecombineerd met breed opgezette acties op social media en aandacht in de traditionele media, en daarnaast werd er gelobbyd in de Knesset – dit alles met de bedoeling om het verhaal van Dalal in een ander perspectief te plaatsen. De nadruk kwam te liggen op haar veerkracht en haar vermogen om zich te handhaven in een onmogelijke situatie.
Het werkte. Na enkele maanden campagne voeren kwam Daoud in juni 2019 voorwaardelijk vrij. Niet alleen had het leven van Daoud een radicale wending genomen, het succes van de campagne betekende ook een keerpunt voor Sluzker Amran nadat ze bijna tien jaar lang had geprobeerd haar radicale activisme te combineren met haar carrière in de advocatuur. ‘Op de dag dat Daoud vrijkwam, besloot ik te stoppen met mijn werk als advocaat omdat ik merkte dat ik op deze manier meer effect kon sorteren,’ zegt ze.
Formule voor succes
Sluzker Amran beschikte over een formule voor succes, maar ze beschikte nog niet over de middelen om die formule ook op grotere schaal toe te passen. Daar had ze een beweging voor nodig, en ze wist precies tot wie ze zich zou moeten wenden om een dergelijke beweging van de grond te krijgen: Carmen Elmakiyes Amos, met wie ze al heel lang samen actievoerde. De beide vrouwen zetten zich in op verschillende terreinen die allemaal te maken hebben met armoede en huisvesting. Ze droomden er allebei van hun activisme naar ‘een hoger plan te tillen en meer te structureren’, zegt Elmakiyes Amos.
En zo zag eind 2019 een nieuwe beweging het licht: Shovrot Kirot (Hebreeuws voor ‘Muren neerhalen’, in de vrouwelijke vorm).
De naam van de beweging is een hommage aan een gedicht van Vicki Shiran – een van de grondlegsters van het Mizrachim-feminisme [Mizrachim zijn Joden die uit Arabische of moslimlanden naar Israël zijn geëmigreerd]. Het gedicht vertelt het verhaal van een Mizrachim-vrouw uit de periferie die de muren waartussen ze gevangen zat neerhaalde en vervolgens wegvloog. De naam is ook bedoeld als een veeg uit de pan naar het traditionele ‘liberale’ feminisme, dat geen oog zou hebben voor racisme en de financiële problemen waar veel niet-witte vrouwen mee worstelen.
‘Wij hebben het over de vrouwen die muren moeten neerhalen voordat ze door welk glazen plafond ook kunnen breken’
‘[Liberale feministen] hebben het altijd over het glazen plafond en over op het schild gehesen, geprivilegieerde vrouwen die een inspiratie voor ons zouden moeten zijn,’ zegt Sluzker Amran. ‘Wij hebben het over de vrouwen die muren moeten neerhalen voordat ze door welk glazen plafond ook kunnen breken – vrouwen die niet eens een huis hebben, of die geen geld hebben om de elektriciteitsrekening te betalen, of die bang zijn te worden vermoord door hun man. Dat zijn de meest inspirerende leiders die we hebben.’
Het verhaal van Sluzker Amran en Elmakiyes Amos begint meer dan tien jaar geleden, in de zomer van 2011. De demonstraties in Israël voor ‘sociale rechtvaardigheid’ hebben zich uitgebreid naar de chique Rothschild Boulevard in Tel Aviv, midden in het financiële district, en in het hele land grijpt de onvrede in razend tempo om zich heen. Honderdduizenden mensen gaan de straat op en slaan tenten op, in reactie op de krapte op de woningmarkt en het onbetaalbare levensonderhoud op het platteland. Ze schreeuwen de bekende leuze die is geïnspireerd op de Arabische Lente: ‘Het volk eist sociale rechtvaardigheid!’
Voor Sluzker Amran, die destijds twintig was, betekende de golf van protesten het begin van haar activistische reis: nadat ze had gelezen over de demonstraties, besloot ze naar de tenten op Rothschild Boulevard te gaan en zich aan te sluiten. Maar wat ze daar aantrof was geen radicale beweging die iets wilde doen aan de benarde omstandigheden van de meest gemarginaliseerde groeperingen binnen de samenleving, maar een groep van voornamelijk Ashkenazi-activisten uit de middenklasse, die op de allereerste plaats probeerden de huren in Tel Aviv naar beneden te krijgen. Gedesillusioneerd keerde ze huiswaarts.
Dezelfde financiële problemen
In het belangrijkste tentenkamp van de demonstranten leek men zich niet bewust van het feit dat niet alle Israëli’s worstelen met dezelfde financiële problemen. De Mizrachim worden al tientallen jaren gediscrimineerd en gemarginaliseerd door het Ashkenazi-Zionistisch establishment, waardoor er binnen de Joods-Israëlische maatschappij een etnische onderklasse is ontstaan. De Mazrachim verzetten zich al sinds de oprichting van de staat tegen hun onderdrukking – van opstanden in de ma’abarot [doorgangskampen] begin jaren vijftig en de rebellie van 1959 in Wadi Salib, een wijk in Haifa, tot de protesten van de Black Panthers begin jaren zeventig. Maar de strijd voor enerzijds een eerlijke herverdeling van de natuurlijke rijkdommen en anderzijds de erkenning van het onrecht uit het verleden, gaat tot vandaag de dag door.
Toen de protesten in 2011 om zich heen bleven grijpen, ging Sluzker Amran met een eigen tent terug naar de protesten en vond aansluiting bij een andere groep mensen, het zogenaamde ‘No Choice’-kamp, bestaande uit mensen die geen enkele andere vorm van onderdak hadden, een groep waarmee ze meer affiniteit voelde. ‘Ik vond niet per se aansluiting bij de studenten of bij mensen van mijn eigen leeftijd, maar veel meer bij de daklozen, de alleenstaande moeders, de mensen die net uit de gevangenis kwamen en een plek moesten hebben om te wonen,’ zegt ze. Geleidelijk vond Sluzker Amran haar weg naar de parallelle tentenkampen die waren opgeslagen in de over het algemeen armere en voornamelijk door Mizrachim bevolkte buurten in het zuiden van Tel Aviv, waar een gemeenschappelijke kennis haar in contact bracht met Elmakiyes Amos.
‘Wij wilden dat er ook gepraat zou worden over allerlei kwesties die als een stuk minder sexy werden beschouwd’
Dat bleek een van de vele bepalende ontmoetingen te zijn tussen Mizrachim-activisten, in die zomer waarin overal de initiatieven uit de grond schoten. De vrouwen vonden elkaar in hun kijk op de mainstream protestkampen. ‘Wij wilden dat er ook gepraat zou worden over armoede, over sociale huisvesting, over kindertoeslagen – over allerlei kwesties die als een stuk minder sexy werden beschouwd,’ zegt Elmakiyes Amos. Zo stak ze op een avond met een groep activisten de koppen bij elkaar en werd er besloten een nieuwe beweging in het leven te roepen, Lo Nechmadim/Lo Nechmadot (‘niet aardig’, zowel mannelijk als vrouwelijk, een ironische verwijzing naar de beschrijving die de toenmalige premier Golda Meir had gegeven van de Israëlische Black Panthers, nadat ze die in de jaren zeventig had ontmoet).
Nadat de mainstream protesten van 2011 weer waren geluwd, bleef Lo Nechmadim/Lo Nechmadot jaren onvermoeibaar strijd leveren voor sociale huisvesting in Israël, samen met een aantal andere grassrootsbewegingen en -organisaties. Deze groeperingen demonstreerden geregeld voor de deur van ministers; in hun ogen waren de privéwoningen van gekozen bestuurders legitieme plekken om te demonstreren als deze politici er verantwoordelijk voor waren dat andere mensen uit hun huis werden gezet. Maar al hun inspanningen leverden frustrerend weinig resultaat op en zowel Sluzker Amran als Elmakiyes begreep dat, zoals de eerste het formuleerde, ‘de manier waarop we ons hadden georganiseerd in het begin prima had gewerkt, maar dat het nu tijd werd voor iets anders’.
Geen enkele link
Terugkijkend op hun ervaringen met ngo’s, en in het besef dat ze niet in staat waren gebleken de gewenste veranderingen binnen de Israëlische maatschappij te realiseren, zagen Sluzker Amran en Elmakiyes Amos een structureel probleem, dat zij de ‘ngo-driehoek’ noemden. Er is geen enkele link, betogen zij, tussen de ‘experts’ die werkzaam zijn binnen mensenrechtenorganisaties; hun cliënten binnen de gemarginaliseerde groepen in de samenleving, die vaak afhankelijk zijn geworden van de steun van de ngo’s; en diegenen die het werk van de ngo’s financieren, meestal grote internationale stichtingen, rijke buitenlandse geldschieters of zelfs buitenlandse regeringen.
Het Shovrot Kirot-model beoogt deze drie categorieën samen te voegen tot één: de ‘cliënten’ zouden zelf het voortouw moeten nemen in de strijd voor hun rechten, goeddeels gefinancierd door kleine donaties die de beweging in staat stellen haar onafhankelijkheid te bewaren. ‘Mensen die ooit dit soort werk hebben gedaan weten precies hoe wezenlijk die vrijheid is,’ zegt Elmakiyes Amos. Na twee jaar zijn de eerste successen van dit model al zichtbaar: ‘We zien vrouwen die een jaar geleden nog door ons werden geholpen, maar die nu partner kunnen worden in de beweging – als donor of als activist – omdat ze het hoofd boven water kunnen houden,’ voegt ze eraan toe.
‘Mijn streven is dat niemand hoeft door te maken wat ik heb doorgemaakt’
Daoud is hier een uitstekend voorbeeld van. Nadat ze was vrijgelaten uit de gevangenis sloot ze zich als activist aan bij Shovrot Kirot, en inmiddels geeft ze leiding aan een ‘community’ (de naam die binnen de beweging wordt gebruikt voor een groep activisten die strijden voor een specifiek doel) die zich bezighoudt met gevangenisstraffen en rehabilitatie, specifiek van vrouwen. ‘De mensen buiten de gevangenis hebben geen idee wat zich daar afspeelt,’ zegt Daoud tegen +972. ‘Maar ik weet nu hoe ik mensen kan helpen als ze in de gevangenis zitten, en nadat ze zijn vrijgekomen – met zaken als geld, zorg en opvang. Er zijn wezenlijke dingen die we kunnen doen zodat deze vrouwen een nieuwe start kunnen maken en niet afhankelijk hoeven te zijn. Mijn streven is dat niemand hoeft door te maken wat ik heb doorgemaakt.’
Maar ondertussen blijkt het niet eenvoudig om de beweging gaande te houden met alleen kleine donaties. Elmakiyes Amos legt uit dat het met name bij dit soort projecten moeilijk is om financiering te krijgen. Er zijn namelijk maar weinig mensen die zich hiervoor willen inzetten als ze er niet zelf direct mee te maken hebben gekregen – omdat ze bijvoorbeeld in sociale huurwoningen zitten, de elektriciteitsrekening niet kunnen betalen of zelf ooit hebben vastgezeten. Deze situatie werd nog eens verergerd door de uitbraak van de corona-epidemie kort na het opzetten van hun beweging. ‘We houden het hoofd nog net boven water, maar als we nog langer willen doorgaan, zal ons maandelijkse budget van kleine donaties omhoog moeten,’ zegt Elmakiyes Amos.
‘Dat vrouwen in armoede leven, en dan met name Mizrachim of vrouwen uit Ethiopië, laat de meeste mensen min of meer koud,’ vervolgt ze. ‘Het lijkt erop dat veel mensen die zich mensenrechtenactivist noemen zich niet zo graag bezighouden met onze problemen en onze mensen. Het is echt lastig om mensen ervan te doordringen dat kwesties als armoede, het recht op onderdak en het recht op elektriciteit een onlosmakelijk deel zijn van de strijd voor mensenrechten in Israël, en dat deze kwesties even belangrijk zijn als de strijd tegen de bezetting en de strijd voor democratie. Natuurlijk is die strijd belangrijk, maar er spelen ook nog andere dingen die volkomen uit beeld zijn verdwenen.’
Speerpunt
Voor Shovrot Kirot blijft de strijd voor sociale woningbouw een speerpunt, in navolging van Lo Nechmadim/Lo Nechmadot en andere bewegingen die daaraan voorafgingen. Momenteel staan er in Israël meer dan dertigduizend gezinnen op een wachtlijst voor sociale huurwoningen, terwijl duizenden andere gezinnen zich niet eens kunnen inschrijven vanwege de stringente criteria die de regering heeft opgesteld. En omdat binnen dit systeem arme Mizrachim-vrouwen het sterkst worden uitgebuit, is het een strijd met een uitgesproken feministisch en Mizrachim-karakter.
Nog los van het gebrek aan sociale huurwoningen en het feit dat het ongekend moeilijk is zo’n woning te bemachtigen, hebben de huurders nauwelijks een poot om op te staan als de autoriteiten besluiten ze uit hun huis te zetten, waardoor hun woonsituatie zeer hachelijk is. In de afgelopen jaren is Givat Amal, een buurt in het noorden van Tel Aviv, uitgegroeid tot een krachtig symbool van dit verrotte systeem en van de strijd voor rechtvaardigheid – een strijd waarin Shovrot Kirot weer haar unieke organisatiemodel heeft ingezet.
‘In 2011 gingen mensen de straat op omdat ze het gevoel hadden dat ze geen steun meer kregen van de staat’
‘In 2011 gingen mensen de straat op omdat ze het gevoel hadden dat ze geen steun meer kregen van de staat,’ zegt Ronit Aldouby, die lid is van het actiecomité van Givat Amal, en die in de buurt heeft gewoond totdat in november 2011 de laatste bewoners met geweld uit hun huis werden gezet, waarna de huizen met de grond gelijk werden gemaakt.
Het verhaal van Givat Amal is een verhaal van uitbuiting, verwaarlozing en verbroken beloften. Givat Amal is ontstaan in 1947, oorspronkelijk vanuit een Ashkenazi-Zionistisch establishment dat de Mizrachim beschouwde als ‘menselijk materiaal’ voor de kolonisatie van Palestina. De eerste Joodse inwoners vestigden zich daar om te voorkomen dat de Palestijnse vluchtelingen uit al-Jammasin al-Gharbi zouden terugkeren. Maar het werd de Mizrachim-families wettelijk onmogelijk gemaakt om de panden te kopen waarin ze woonden.
Ondanks veelvuldige beloften dat de inwoners van Givat Amal niet uit hun huis zouden worden gezet zonder volledig te worden gecompenseerd en zonder dat er voor andere woonruimte werd gezorgd, werd het land waarop ze woonden herhaaldelijk doorverkocht. Totdat de huidige eigenaar, onroerend goed tycoon Yitzhak Tshuva, in 2005 uiteindelijk instemde met een grootschalig project waarmee hun uitzetting een feit werd. De inwoners hebben jaren strijd geleverd, wat heeft geresulteerd in een pakket compensatiemaatregelen waarmee de laatst overgebleven inwoners uiteindelijk akkoord zijn gegaan vlak voordat ze zouden worden uitgezet. Maar het geld is blijven steken op het ministerie van Justitie onder Gideon Sa’ar (wiens New Hope-partij tegenwoordig ook het ministerie van Huisvesting in handen heeft).
Sleutelrol
Shovrot Kirot heeft een sleutelrol gespeeld in wat Aldouby de ‘Sisyfusstrijd’ van de inwoners heeft genoemd, een strijd die ze voeren sinds de oprichting van de groep in 2019 – al zijn de oprichters en de activisten al bij de strijd betrokken sinds 2014, het jaar waarin zo’n tachtig gezinnen in deze buurt uit hun huis werden gezet. ‘Die jaren leverden we strijd om een einde te maken aan de uitzettingen, en Carmen en Sapir begeleidden ons bij alle protestacties. Ze waren ook bij de uitzettingen – Sapir is zelfs een keertje opgepakt.’
Tijdens een demonstratie begin februari, mede georganiseerd door Shovrot Kirot, om rechtvaardigheid te eisen voor de bewoners die uit hun huis waren gezet, blokkeerden zo’n honderd actievoerders het drukke kruispunt tussen Givat Amal en het appartement van Gideon Sa’ar – een appartement dat, wrang genoeg, uitkijkt op wat nu de ruïnes van een platgegooide buurt zijn. Met bordjes, megafoons en trommels, en met in hun kielzog tientallen agenten, scandeerden de actievoerders: ‘Criminele regering, maak een einde aan de uitzettingen!’ en ‘We blijven strijden voor compensatie!’ Bij de toegang tot Givat Amal, naast een tiental waxinelichtjes die zo waren neergezet dat ze de woorden ‘We zullen niet vergeven’ vormden, stond een handgeschreven bord met daarop de naam Shovrot Kirot, en als tekst: ‘Het beleid om mensen uit hun huis te zetten is geweld tegen vrouwen.’
Hoewel de vrouwen nog altijd wachten op de door de regering toegezegde compensatie, putten ze er kracht uit dat ze er in ieder geval in zijn geslaagd de regering onder druk te zetten. Het feit dat ze, op instigatie van Shovrot Kirot, nieuwe tactieken hebben ingezet – en vooral het besluit om het juridische strijdperk te betreden, naast het organiseren van demonstraties en het werven van steun via nieuwe én traditionele media – heeft hier ook een rol gespeeld.
‘Carmen en Sapir gingen met andere activisten naar de debatten in de Knesset,’ zegt Aldouby. ‘Ze zitten zelfs in de WhatsAppgroep van het buurtcampagneteam, ontvangen alle updates en denken met ons mee over wat de volgende stappen moeten zijn. Ze staan naast ons, bij alles wat er gebeurt en bij elke beslissing die er wordt genomen.’
Ook hier worden alleenstaande moeders het zwaarst getroffen door het overheidsbeleid
Hoewel Shovrot Kirot zichzelf bestempelt als Mizrachim-feministische beweging, zit de beweging zo in elkaar dat er makkelijk aansluiting kan worden gevonden tussen de strijd van de Mizrachim en de strijd van andere onderdrukte bevolkingsgroepen in Israël – zoals de Palestijnse inwoners. De afgelopen maanden is de beweging steeds actiever geworden in Jaffa, waar als gevolg van een agressieve gentrificatie het leven onbetaalbaar wordt voor de Palestijnen die er na de Nakba zijn blijven wonen. Ook hier worden alleenstaande moeders het zwaarst getroffen door het overheidsbeleid en het feit dat het gemeentebestuur niet in sociale woningbouw investeert.
In november 2021, in de week dat de laatste inwoners van Givat Amal uit hun huis werden gejaagd, besloot Farida Najar, een alleenstaande Palestijnse moeder die al vier jaar op de wachtlijst stond voor een woning, een tent op te zetten in een park in Jaffa, en daar met haar vier kinderen te gaan wonen. Al snel kreeg Najar gezelschap van acht andere moeders met hun kinderen, die ook hun tent opzetten in het park om te protesteren tegen het falende stadbestuur van Tel Aviv-Jaffa, dat geen oplossing had weten te vinden voor hun nijpende situatie. Uiteindelijk werd er een tijdelijke oplossing overeengekomen.
Ohad Amar, een sociaal-advocaat die in de raad van bestuur zit van Shovrot Kirot, ging naar het park om met de moeders te praten, en zette zich vanaf dat moment in om rechtsbijstand voor hen te regelen. ‘Toen ik de vrouwen sprak, werd me duidelijk dat ze geen van allen hebben waar ze recht op hebben, in termen van sociale zekerheid of huisvesting. Ze hebben geen van allen een advocaat, ze hebben niemand die hen kan helpen met het aanvragen van een uitkering,’ zegt hij tegen +972.
‘We proberen een groep vrijwilligers samen te stellen om dat te regelen, want het is ongekend moeilijk voor mensen om hun recht te halen,’ vervolgt hij. Voor de negen vrouwen in Jaffa die op deze manier hulp hebben gekregen is er een tijdelijke oplossing gevonden, en hun bijstandsaanvragen zijn ingediend. Maar, zo zegt Amar, zelfs als dat allemaal is geregeld, ‘leven deze vrouwen nog altijd in armoede’.
Ethiopische vrouwen
Ook Ethiopische vrouwen zijn oververtegenwoordigd in sociale woningbouwprojecten in Israël. Elmakiyes Amos herinnert zich een episode waarin een Mizrachim-vrouw, Rachel Levy, met haar kinderen uit huis werd gezet nadat haar moeder was overleden, omdat ze niet langer voldeed aan de voorwaarden voor een sociale huurwoning. ‘De autoriteiten wezen de woning toe aan een andere Ethiopische vrouw,’ zegt Elmakiyes Amos. ‘Toen zij Rachel zag, die na haar uithuisplaatsing een tent had opgezet in het gras voor de deur, bood ze haar verontschuldigingen aan. Maar Rachel antwoordde: “Jij kunt hier niets aan doen. We zouden niet hoeven te vechten om dit appartement; er zou een appartement voor jou moeten zijn en een appartement voor mij.” Naar mijn idee is dat de essentie van deze tragedie. Toen ik dat zag, werd me duidelijk hoe intrinsiek kwalijk dit beleid is, waarmee verzwakte groepen tegen elkaar op worden gezet. Het illustreert ook perfect de noodzaak voor verzwakte bevolkingsgroepen om samen op te trekken en dit soort verbonden aan te gaan.’
Het bevorderen van solidariteit tussen onderdrukte groepen is zeker een van de ambities van de activisten van Shovrot Kirot, al is het momenteel slechts een neveneffect van hun inspanningen. Voor nu is Amar ervan overtuigd dat er nog altijd spanning bestaat tussen mensen die strijden voor ‘sociale rechtvaardigheid’ en mensen die ‘politieke rechten’ propageren – hoofdzakelijk de Palestijnse strijd.
Een deel van deze spanning is terug te voeren op de aard van de links/rechts-dichotomie in Israël, waarin wat als ‘links’ wordt gezien – en dan met name als ‘zionistisch links’ – grotendeels wordt gelijkgesteld aan de rijkere, voornamelijk Ashkenazi-delen van de samenleving; terwijl dat wat als ‘rechts’ wordt beschouwd van oudsher het armere deel van de samenleving is, voornamelijk Mizrachim.
‘Ik weet niet of we er al aan toe zijn om te zeggen dat er een verband is tussen de rechten van de Palestijnen en het verzet tegen het kapitalisme’
‘We hebben nog niet de basis gevonden om samen op te trekken in alle campagnes en voor alle strijdpunten,’ zegt Amar. ‘Ik weet niet of we er al aan toe zijn om te zeggen dat er een verband is tussen de rechten van de Palestijnen en het verzet tegen het kapitalisme, en of we onze krachten al moeten bundelen. Links Israël kan zich makkelijker verhouden tot de bezette gebieden dan tot mensen die bijvoorbeeld zijn afgesneden van de elektriciteit, waarbij zij zich de vraag moeten stellen: “Tja, wil dat zeggen dat ik meer belasting zou moeten betalen?”’
‘Aan de andere kant,’ vervolgt hij, ‘staat onze gemeenschap open voor het idee van sociale rechtvaardigheid, dus we willen het graag in één en hetzelfde gesprek kunnen hebben over het debat over de rechten van de Palestijnen en het recht op sociale huisvesting. Volgens mij is dat de functie van Shovrot Kirot: mensen meer bewust maken van sociale rechtvaardigheid, zodat we strijd kunnen voeren tegen zowel het kolonialisme als kapitalisme.’
Eigen gemeenschap
Sluzker Amran is ervan overtuigd dat het strategische waarde heeft om je allereerst op de eigen gemeenschap te richten. ‘Niet dat we ons verzet tegen de bezetting opgeven – ik denk dat de Palestijnen een einde zullen maken aan de bezetting,’ benadrukt ze. ‘Maar tegelijkertijd kunnen we ervoor zorgen dat onze eigen gemeenschappen sterker worden. En we kunnen er samen over praten op een manier waar iedereen zich in kan vinden en waarbij we de overeenkomsten benoemen.’
‘Mij staat geen “vredeskamp” voor ogen, waarin de meeste mensen zeer geprivilegieerd zijn en afkomstig uit een milieu dat al behoorlijk links is,’ vervolgt Sluzker Amran. ‘Ik richt me op mensen die weten hoe het is om met politiegeweld te maken te krijgen, mensen die niet verbaasd opkijken als de politie Iyad al-Hallaq vermoordt [een 32-jarige autistische Palestijnse man die werd neergeschoten en gedood door de Israëlische politie toen hij niet stopte bij de controlepost Lions’ Gate in Jeruzalem], of als ze zien hoe de politie zich opstelt tegenover de Bedoeïenen in de Negev-woestijn of bij de vrijdagse demonstraties in het bezette Oost-Jeruzalem. In Givat Amal, maar ook op andere plekken, zien ze de uitzettingen in Sheikh Jarrah en in de Negev-woestijn, ze zien de foto van een oude vrouw die de agenten of de soldaten smeekt om in haar huis te mogen blijven.’
‘Het is niet hetzelfde,’ verduidelijkt Sluzker Amran. ‘Maar mensen zien de gelijkenissen. Dat is niet de reden dat ik dit doe, maar ik heb wel het idee dat ik me op deze manier verzet tegen de bezetting.’
Sivan Tahel, een activist van Shovrot Amran die zich voornamelijk bezighoudt met politiegeweld, ziet er geen meerwaarde in als de beweging zich zou voegen naar traditionele politieke labels. ‘Zeggen dat ik een Mizrachim-vrouw ben is al een politieke stellingname,’ betoogt ze, ‘omdat daarmee de machtsverhoudingen worden benoemd; niet of ik tot het “linkse” of het “rechtse” kamp behoor.’
‘Daarom zijn bewegingen als de onze ook zo belangrijk, want wij hebben eigenlijk geen politieke kleur’
‘Daarom zijn bewegingen als de onze ook zo belangrijk,’ vervolgt ze. ‘Want wij hebben eigenlijk geen politieke kleur. En wat is er zo radicaal aan om binnen het systeem op zoek te gaan naar een politieke kleur? Wij zijn activisten, waar wij naar streven is een verandering van het hele systeem, niet alleen van de mensen aan de top.’
Maar hoewel Tahel de overeenkomsten ziet tussen verschillende gemarginaliseerde groepen die met dezelfde sociale problemen worstelen, waarschuwt ze ook dat de verschillen niet moeten worden uitgevlakt. ‘Door bevolkingsgroepen met elkaar te verbinden, creëer je een mechanisme dat de tactiek van verdeel-en-heers ondermijnt,’ zegt ze. ‘Maar als we ons willen verenigen in de strijd, is het belangrijk om te onderkennen dat elke bevolkingsgroep uniek is.’
Ze licht toe: ‘Het is schadelijk om de Mizrachim-strijd altijd te zien als een poort naar de strijd van een andere gemeenschap die een zwakkere positie zou hebben dan wij, aangezien de Mizrachim meer dan zeventig jaar lang zijn onderdrukt en uitgesloten zonder dat er ook maar sprake is van enige rechtvaardigheid of compensatie. Als Mizrachim moet je constant strijd leveren om je plek op te eisen, en je moet mensen er voortdurend van overtuigen dat je de waarheid vertelt over het feit dat je wordt onderdrukt. Dus de Mizrachim hebben een eigen strijd, die ook gevoerd moet worden. En Shovrot Kirot geeft ons daar de kracht voor.’
Robert Mercer, een computerwetenschapper die banden heeft met Donald Trump, Steve Bannon en Nigel Farage, is de spin in het web van een rechts propagandanetwerk. Zo is hij verbonden aan Cambridge Analytica, een bedrijfje dat kiezers gericht bestookt via Facebook. ‘Het is hersenspoelen. Het is ongekend gevaarlijk.’
Onlangs ontbood Donald Trump leden van de wereldpers, om hen vervolgens voor leugenaars uit te maken. ‘De pers is volkomen dolgedraaid,’ zei hij. ‘De mensen geloven jullie niet langer.’ CNN werd omschreven als ‘nepnieuws… het ene na het andere slechte artikel’. De BBC was ‘al niet veel beter’.
Die avond heb ik twee dingen gedaan. Eerst heb ik ‘Trump’ ingetikt in het zoekvak van Twitter. Op mijn eigen feed viel te lezen dat Trump gestoord was, een gek, dat hij raasde en tierde. Maar niet overal werd het zo geïnterpreteerd. Ik zag een hele reeks berichten met: ‘Go, Donald!!!!’, of met: ‘Zeg ze maar eens flink de waarheid!!!!’ Ik zag emoji’s van de Amerikaanse vlag of opgestoken duimen, ik zag video’s waarin Trump van leer trekt tegen ‘de liegende mainstreammedia met hun NEPnieuws!’
Trump had gesproken en zijn publiek had de boodschap opgepikt. Vervolgens deed ik wat ik nu al tweeënhalve maand doe: ik googelde ‘de mainstreammedia zijn…’ En daar kwam het. Google vulde automatisch aan: ‘de mainstreammedia zijn… dood, op sterven na dood, nepnieuws, nep, afgeschreven.’ Zijn de mainstreammedia inderdaad ten dode opgeschreven, vroeg ik me af? Is het nepnieuws als winnaar uit de strijd gekomen? Zijn wij nu nepnieuws? Zijn de mainstreammedia – wij, ik – op sterven na dood?
Hedgefondsmiljardair
Ik klik op de eerste link die Google geeft. Die leidt me naar een website van CNSnews.com, met daarop het volgende artikel: ‘De mainstreammedia zijn afgeschreven.’ Ze zijn afgeschreven, lees ik, omdat ze – wij, ik – ‘niet te vertrouwen zijn’. Hoe is het mogelijk dat een of andere duistere site waarvan ik nog nooit heb gehoord, Googles zoekalgoritme over dit onderwerp domineert? Onder de ‘Over ons’-knop staat te lezen dat CNS News onderdeel uitmaakt van het Media Research Center, en nog een klik later lees ik dat dit ‘de mediawaakhond van Amerika’ is, een organisatie die zich laat voorstaan op ‘zijn niet-aflatende inzet om een tegenwicht te bieden aan de linkse vooringenomenheid in nieuws, media en populaire cultuur’.
Nog een paar klikken later kom ik tot de ontdekking dat de financiering van de site – en dan gaat het om meer dan 10 miljoen dollar in de afgelopen tien jaar – goeddeels afkomstig is van één enkele bron, en wel de hedgefondsmiljardair Robert Mercer. Voor wie de Amerikaanse politiek volgt zal dit geen onbekende zijn. Robert Mercer is het grote geld achter Donald Trump. Maar vervolgens zal ik tot de ontdekking komen dat Robert Mercer het grote geld is achter nog veel meer. Hij was Trumps belangrijkste geldschieter. Mercer steunde aanvankelijk Ted Cruz, maar toen Cruz zich terugtrok uit de race om het Witte Huis heeft Mercer zijn geld – 13,5 miljoen dollar – in de Trump-campagne gestoken.
Het is geld dat hij heeft verdiend tijdens zijn carrière als briljante maar eenzelvige computerwetenschapper. Hij begon zijn loopbaan bij IBM, waar hij verantwoordelijk was voor ‘revolutionaire’ doorbraken op het gebied van programmeertalen – een vakgebied dat van essentieel belang is gebleken voor de ontwikkeling van de kunstmatige intelligentie zoals wij die nu kennen. Later werd hij een van de CEO’s van Renaissance Technologies, een hedgefonds dat zijn geld verdient met het opstellen van algoritmen voor de handel op de financiële markten. Een van zijn fondsen, Medallion, dat alleen het geld van de eigen werknemers beheert, behoort tot de meest succesvolle ter wereld – tot nog toe heeft het 55 miljard dollar gegenereerd. Sinds 2010 heeft Mercer 45 miljoen dollar gedoneerd aan verschillende politieke campagnes – uitsluitend van Republikeinen – en nog eens 50 miljoen aan non-profitorganisaties – allemaal rechts en ultraconservatief. We hebben het hier over een miljardair die, zoals miljardairs gewoon zijn, probeert de wereld te vormen naar zijn eigen inzichten.
Robert Mercer spreekt zelden in het openbaar en hij spreekt al helemaal nooit met journalisten, dus om een beeld te krijgen van zijn opvattingen moet je kijken waaraan hij zijn geld spendeert: een aantal jachten, allemaal Sea Owl geheten, een modeltreinemplacement van 2,9 miljoen dollar en initiatieven die de klimaatverandering ontkennen (hij financiert een denktank die zich daarmee bezighoudt, het zogeheten Heartland Institute). Tot slot steekt hij geld in wat misschien wel het ultieme speeltje is van de man die zwemt in het geld: het onderuithalen van de mainstreammedia. Hierin wordt hij bijgestaan door zijn bondgenoot Steve Bannon, Trumps campagnemanager en inmiddels chef-strateeg. Het geld dat Mercer schenkt aan het Media Research Center, dat een tegenwicht zou willen bieden aan ‘linkse vooringenomenheid’, is slechts een voorbeeld van zijn inmenging in de media. Er zijn bredere strategieën, die tevens doelgerichter zijn. De stralende ster die hoog aan het Mercer- mediafirmament prijkt, is Breitbart.
Dankzij 10 miljoen dollar van Mercer was Bannon destijds in staat Breitbart in het leven te roepen – een rechtse nieuwssite, die is opgezet vanuit de nadrukkelijke wens een rechtse Huffington Post het licht te doen zien. De site biedt regelmatig een podium aan mensen met een antisemitische of islamofobe visie. Na een campagne van activisten wordt Breitbart inmiddels geboycot door zo’n duizend verschillende merken.
De vooraanstaande rechtse journalist Andrew Breitbart, die de site heeft opgezet maar in 2012 is overleden, zei destijds tegen Bannon dat ze ‘de maatschappij moesten terugveroveren’. Je zou kunnen zeggen dat Breitbart daarin is geslaagd, al lijkt de Amerikaanse maatschappij slechts het begin. In 2014 ging Breitbart London online, heel bewust vóór de Britse verkiezingen, liet Bannon The New York Times weten. Hij noemde Breitbart London het nieuwste front ‘in onze huidige culturele en politieke strijd’. Hierna zullen Frankrijk en Duitsland volgen.
Cambridge Analytica
Maar de naam Robert Mercer deed bij mij ook nog een ander belletje rinkelen. Mercer is verbonden aan Cambridge Analytica, een klein bedrijfje dat data analyseert. Naar verluidt heeft hij 10 miljoen dollar gestoken in het bedrijf, dat een dochteronderneming is van een groter Brits bedrijf, de SCL Group. Het bedrijf is gespecialiseerd in ‘verkiezingsmanagementstrategieën’ en ‘communicatie- en informatieprocessen’. In de afgelopen 25 jaar heeft het bedrijf in landen als Afghanistan en Pakistan de werkwijze verfijnd. In militaire kringen staan dit soort activiteiten bekend als psyops – psychologische operaties. (Massapropaganda die effect sorteert door in te spelen op de emoties van de mensen.)
Cambridge Analytica werkte voor de Trump- campagne en ook, las ik, voor de Leave-campagne in Groot-Brittannië. Toen Mercer zich achter Cruz schaarde, ging Cambridge Analytica met hem in zee. Toen Robert Mercer zich achter Trump schaarde, ging Cambridge Analytica mee. En waar Mercers geld opduikt, is Steve Bannon meestal niet ver weg: hij schijnt tot voor kort in de raad van bestuur te hebben gezeten.
Afgelopen december schreef ik over Cambridge Analytica in een artikel over de zoekresultaten die Google geeft, en die bij sommige onderwerpen worden aangevoerd door rechtse en extremistische sites. Jonathan Albright, hoogleraar Communicatie aan Elon University in North Carolina, de man die het nieuwsecosysteem in kaart heeft gebracht, was op miljoenen verbindingen gestuit tussen verschillende rechtse sites die de mainstreammedia ‘aanvallen’. Hij vertelde me dat trackers van sites als Breitbart ook kunnen worden ingezet door bedrijven als Cambridge Analytica, om mensen te volgen op hun omzwervingen op internet en om hen vervolgens, via Facebook, te bestoken met advertenties.
Tot mijn verbijstering las ik op de website van Cambridge Analytica dat het bedrijf er prat op gaat over de psychologische profielen te beschikken van 220 miljoen Amerikaanse kiezers, gebaseerd op vijfduizend separate gegevens – hun unique selling point is dat ze deze gegevens kunnen gebruiken om de diepste drijfveren van mensen te achterhalen en hen vervolgens gericht te bestoken. Dit systeem komt feitelijk neer op een ‘propagandamachine’, aldus Albright.
Een paar weken later werd er een brief bezorgd bij The Observer. Cambridge Analytica is nooit ingeschakeld door de Leave-campagne, staat er te lezen. Cambridge Analytica ‘is een in de VS opgericht bedrijf dat is gevestigd in de VS. Het heeft zich niet actief beziggehouden met de Britse politiek.’
Zo kwam het dat ik afgelopen week ineens in een koffietentje in de buurt van Westminster zat, met Andy Wigmore, de innemende man die hoofd Communicatie is van Leave.EU. We kijken naar snapshots van Trump op zijn telefoon. Wigmore is degene die het bezoek van Nigel Farage aan de Trump Tower heeft geregeld – de pr-stunt waardoor Farage als eerste buitenlandse politicus de aanstaande president de hand mocht schudden.
Wigmore scrolt door de foto’s op zijn telefoon. ‘Deze heb ik gemaakt,’ zegt hij, en hij wijst op de inmiddels wereldberoemde foto van Farage en Trump voor de gouden liftdeuren, beiden met een opgestoken duim.
Cambridge Analytica heeft voor hen gewerkt, zegt hij. Het bedrijf heeft hun geleerd hoe ze profielen moeten aanmaken, hoe ze mensen gericht kunnen benaderen en hoe ze allerlei data kunnen genereren op grond van Facebookprofielen.
Facebook was de sleutel tot de hele campagne, vertelt Wigmore. Een like op Facebook, legt hij uit, was hun ‘krachtigste wapen’. ‘Want door gebruik te maken van kunstmatige intelligentie, zoals wij dat hebben gedaan, kom je van alles en nog wat aan de weet over mensen, en kom je erachter met wat voor advertentie je iemand over de streep kunt trekken. En je weet dat er ook andere mensen in hun netwerk zitten die wat zij leuk vinden ook weer leuk vinden, en zo kun je het verbreden. Je volgt al die mensen. De computer gaat continu door met leren en met volgen.’
Klinkt griezelig, zeg ik. “Dat is het ook! Het is doodgriezelig! Daarom zit ik ook niet op Facebook!”
Klinkt griezelig, zeg ik.
‘Dat is het ook! Het is doodgriezelig! Daarom zit ik ook niet op Facebook! Ik heb het op mezelf uitgeprobeerd om te kijken wat het systeem allemaal over me wist, en ik had echt zoiets van: “O, mijn God!” Het enge is dat mijn kinderen dingen op Instagram hadden gezet en dat dat ook was opgepikt. Het systeem wist waar mijn kinderen op school zitten.’
Ze hebben Cambridge Analytica nooit ‘ingehuurd,’ zegt hij. Er is geen geld over tafel gegaan. ‘Ze wilden ons met alle plezier helpen.’
Waarom?
‘Omdat Nigel een goede vriend is van de Mercers. En Robert Mercer heeft ze aan ons voorgesteld. Hij zei: “We denken dat jullie wel iets aan hun diensten kunnen hebben.” Er waren grote overeenkomsten tussen wat zij probeerden te doen in de Verenigde Staten en wat wij hier probeerden te doen. Samen beschikten we over ongekende hoeveelheden informatie. Dus waarom zouden we onze krachten niet bundelen?’ De mensen achter de Trump-campagne en de mensen van Cambridge Analytica waren ‘dezelfde mensen’, zegt hij. ‘Eén grote familie.’
De afgelopen maand hebben eerst Zwitserse en vervolgens Amerikaanse media zich afgevraagd wat Cambridge Analytica precies met al die gegevens van Amerikaanse kiezers doet. Het bedrijf ging niet in op de vraag hoe het psychometrische model tot stand komt, geënt op onderzoek van het Psychometric Centre van de Universiteit van Cambridge, dat weer was gebaseerd op een persoonlijkheidstest op Facebook die viraal is gegaan. Uiteindelijk hebben meer dan zes miljoen mensen de vragenlijst ingevuld, wat een ontstellende schat aan data opleverde. Die Facebookprofielen – met name de ‘likes’ – kunnen worden gelinkt aan miljoenen andere, wat tot griezelig precieze resultaten leidt. Michal Kosinski, die aan het hoofd staat van het wetenschappelijk team van het Psychometric Centre, constateerde dat het centrum met de kennis van honderdvijftig likes meer over iemands persoonlijkheid kon zeggen dan zijn of haar partner. Met driehonderd likes begreep het centrum jou beter dan jij jezelf begrijpt. ‘Computers hebben een duidelijker omlijnd beeld van ons dan wijzelf,’ zegt Kosinski.
Maar wat je met deze data kunt doen, is aan strikte ethische regelgeving gebonden. Had de SCL Group toegang tot het model of tot de data van de universiteit, vraag ik professor Jonathan Rust, de directeur van het centrum. ‘Als ze dat al hadden, dan was het niet via ons,’ zegt hij. ‘Wij hanteren daar heel strenge regels voor.’
Aleksandr Kogan, een wetenschapper die ook aan het centrum is verbonden, is gevraagd een model te ontwikkelen voor SCL, en hij zegt dat hij zijn eigen data heeft vergaard. Professor Rust zegt niet te weten waar Kogan zijn data vandaan heeft. Maar Rust begrijpt als geen ander hoe het soort informatie dat mensen uit eigen vrije wil prijsgeven op social media kan worden gebruikt. ‘Het is duidelijk wat het gevaar is van het ontbreken van regelgeving omtrent het soort informatie dat je van Facebook en dergelijke kunt halen. Met deze gegevens kan een computer psychologisch inzicht verkrijgen, menselijk gedrag voorspellen en dat mogelijk sturen. Het is wat de Scientology Church probeert te doen, maar dan veel krachtiger. Het is de manier om mensen te hersenspoelen. Het is ongekend gevaarlijk.’
‘Het is niet overdreven om te zeggen dat je iemands gedachten kunt veranderen,’ vervolgt Rust. ‘Gedrag kan worden voorspeld en gestuurd. Ik vind het allemaal doodeng, echt. Maar niemand heeft echt goed nagedacht over de mogelijke consequenties. Mensen realiseren zich niet dat het ook voor hen geldt. Zonder dat ze het zich bewust zijn, wordt hun kijk op de dingen beïnvloed.’
Dat Mercer heeft geïnvesteerd in Cambridge Analytica is volgens The Washington Post ‘deels vanuit een overtuiging dat rechts over onvoldoende moderne technologische middelen beschikte’. Maar wat het moederbedrijf van Cambridge Analytica doet, roept in zekere zin nog veel meer vragen op.
Emma Briant, propagandaspecialist aan de Universiteit van Sheffield, schreef over de SCL Group in haar in 2015 verschenen boek Propaganda and Counter-Terrorism: Strategies for Global Change. Cambridge Analytica beschikt over de technologische middelen om veranderingen te bewerkstelligen in zowel denken als gedrag, zegt ze, maar het is SCL dat de technologie in kwestie ook echt strategisch inzet. SCL heeft zich op het hoogste niveau – denk aan de NAVO, het Britse ministerie van Defensie, het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken – gespecialiseerd in het beïnvloeden van het gedrag van grote groepen mensen. Het brengt massapopulaties in kaart en verandert vervolgens hun overtuigingen.
SCL is opgericht door ene Nigel Oakes, die destijds namens Saatchi & Saatchi aan het imago van Margaret Thatcher werkte, aldus Briant. Het bedrijf heeft ‘lange tijd goed verdiend aan de propagandakant van de war on terror. SCL heeft verschillende takken, maar in alle geledingen gaat het om bereik en om de mogelijkheid het debat te bepalen. Men probeert bepaalde politieke narratieven te versterken. En SCL is zeer selectief in voor wie er wordt gewerkt: dit doet men niet voor links.’
Vrijwel de gehele Amerikaanse bevolking
Tijdens de Amerikaanse verkiezingen legde Cambridge Analytica naar eigen zeggen een database aan die vrijwel de gehele Amerikaanse bevolking bestreek – 220 miljoen mensen. The Washington Post schreef onlangs dat SCL bezig is extra personeel te werven voor de vestiging in Washington, en dat het bedrijf op weg is een aantal lucratieve contracten met de regering-Trump in de wacht te slepen. ‘Het lijkt veelzeggend dat een bedrijf dat zich richt op het beïnvloeden van de uitkomst van een politiek proces garen spint bij het resultaat daarvan. Al helemaal wanneer het gaat om het manipuleren, en vervolgens consolideren, van angst,’ zegt Briant.
Het is met name die database, en wat daar vervolgens mee kan gebeuren, die Paul-Olivier Dehaye zorgen baart. Deze Zwitserse wiskundige en data-activist doet al ruim een jaar onderzoek naar Cambridge Analytica en SCL. ‘Hoe gaat dit allemaal gebruikt worden?’ zegt hij. ‘Gaat dit gebruikt worden om mensen te manipuleren in de binnenlandse politiek? Of om conflicten tussen verschillende gemeenschappen aan te wakkeren? In potentie is het allemaal doodeng. Mensen realiseren zich niet hoe machtig deze data zijn, en hoe ze tegen hen gebruikt kunnen worden.’
In theorie kunnen er twee dingen tegelijkertijd plaatsvinden: het manipuleren van informatie op massale schaal, en het manipuleren van informatie op strikt persoonlijk niveau. Dit alles gebaseerd op de nieuwste wetenschappelijke inzichten over hoe mensen in elkaar steken, en mogelijk gemaakt door technologische platforms die zijn bedoeld om ons nader tot elkaar te brengen.
Leven we in een nieuw propagandatijdperk? vraag ik Emma Briant. Propaganda die we niet kunnen zien en die ons in zijn greep heeft op manieren die we niet kunnen bevatten? Waarin we niets anders kunnen, op emotioneel vlak, dan reageren op berichten? ‘Zonder meer. Door de technologie kan men dieper doordringen in ons bestaan, en het vergaren van data en het gebruik ervan gaat geraffineerder in zijn werk dan ooit. Het onttrekt zich volledig aan ons blikveld. Mensen hebben geen idee wat er speelt.’
Zowel de publieke opinie als de politiek doorlopen cycli. Je hoeft geen aanhanger te zijn van complottheorieën, zegt Briant, om te zien dat er een enorme omwenteling plaatsvindt waar het de publieke opinie betreft. Of om te zien dat sommige van de technieken die worden gehanteerd rechtstreeks zijn ontleend aan de werkwijze van het leger of van SCL.
Er zijn steeds meer bewijzen dat onze openbare podia – de social media, waar we onze vakantiekiekjes posten of commentaar leveren op het nieuws – een nieuw strijdtoneel vormen waar, in realtime, de internationale geopolitieke strijd wordt uitgevochten. Het is een nieuw tijdperk van propaganda. Maar wiens propaganda? Rusland heeft onlangs laten weten een nieuwe legereenheid te hebben opgericht: de ‘informatiestrijdtroepen’.
Sam Woolley van de afdeling Computational Propaganda van het Oxford Internet Institute weet me te vertellen dat een derde van al het Twitterverkeer voorafgaand aan het Britse EU-referendum afkomstig was van geautomatiseerde ‘bots’ – accounts die zo zijn geprogrammeerd dat ze lijken op mensen, zich gedragen als mensen, de discussie een bepaalde kant op sturen, bepaalde topics trending maken. En die bots waren allemaal voor Leave. Voorafgaand aan de Amerikaanse verkiezingen waren vier op de vijf bots voor Trump – en daarvan waren er vele Russisch.
Bio-psycho-social profiling, lees ik later, is een van de offensieven in wat wel ‘de cognitieve oorlog’ wordt genoemd. Er zijn nog veel meer offensieven, zoals cognitive casualty – een ‘morele shock’ die een ‘ontwrichtend effect zal hebben op de empathie en op hogere processen zoals het morele oordeelsvermogen en het vermogen tot kritisch denken.’
Hoe verander je de manier van denken van een heel land? Je zou kunnen beginnen met het oprichten van een belangrijk nieuwskanaal om de bestaande mainstreammedia naar de achtergrond te dringen, zoals de website Breitbart. Je zou andere sites kunnen opzetten om bestaande bronnen van nieuws en informatie in diskrediet te brengen met je eigen definities van concepten als ‘vooringenomen linkse media’ – denk aan cnsnews.com. En je zou de overgebleven mainstreammedia, kranten zoals de ‘falende New York Times!’ kunnen geven wat ze willen: verhalen. Want de derde poot van het media-imperium van Mercer en Bannon is het Government Accountability Institute (GAI).
Toen Trump later Mercer en Cambridge Analytica erbij haalde, lagen de kaarten weer even anders. ‘Het draait allemaal om emoties,’ zegt Woolley. ‘Dat is het grote verschil met wat wij deden. Bio-psycho-social profiling wordt dit genoemd. Er wordt gekeken naar allerlei fysieke, mentale en lifestyleaspecten, en op grond daarvan wordt duidelijk hoe mensen in elkaar zitten, hoe ze emotioneel reageren.’
‘Vandaag de dag zul je geen Watergate meer zien, en geen Pentagon Papers, omdat niemand het zich meer kan veroorloven een journalist zeven maanden lang aan een verhaal te laten werken. Wij kunnen dat wel. Wij hebben een ondersteunende taak’
Bannon is een van de medeoprichters van dit instituut, met 2 miljoen dollar van Mercer. Mercers dochter, Rebekah, werd benoemd in het bestuur. Vervolgens werd er geïnvesteerd in dure, diepgravende onderzoeksjournalistiek. ‘De moderne economie van de nieuwsredactie laat geen ruimte meer voor gedegen onderzoeksjournalistiek,’ zei Bannon tegen zakenblad Forbes. ‘Vandaag de dag zul je geen Watergate meer zien, en geen Pentagon Papers, omdat niemand het zich meer kan veroorloven een journalist zeven maanden lang aan een verhaal te laten werken. Wij kunnen dat wel. Wij hebben een ondersteunende taak.’
Zie hier de toekomst van de journalistiek in het tijdperk van het platformkapitalisme. Nieuwsorganisaties zullen beter hun best moeten doen om nieuwe financiële modellen te ontwikkelen. Maar in de gaten die nu vallen hebben een vastberaden plutocraat en een briljante mediastrateeg kansen gezien om de journalistiek naar eigen inzicht te hervormen – en niet alleen hebben ze die kansen gezien, ze hebben ze ook gegrepen.
In 2015 legde Steve Bannon aan Forbes uit hoe het GAI te werk gaat, met behulp van een datawetenschapper die het dark web afspeurt (in het artikel gaat hij er prat op te beschikken over supercomputers ter waarde van 1,3 miljard dollar) om zo materiaal naar boven te halen waar Google niet bij kan. Dat heeft onder meer een New York Times -bestseller opgeleverd: Clinton Cash: The Untold Story of How and Why Foreign Governments and Businesses Helped Make Bill and Hillary Rich, geschreven door Peter Schweizer, die aan het hoofd staat van het GAI. Van het boek is later een filmbewerking gemaakt, die is geproduceerd door Rebekah Mercer en Steve Bannon.
Op deze manier, legde Bannon uit, kun je een narratief naar keuze ‘inzetten als wapen’. Met harde feiten, die zijn gecheckt. Dan kun je meteen doorstoten naar de voorpagina van The New York Times, zoals ook is gebeurd met het verhaal over het geld van Hillary Clinton. Dat bepaalde het nieuws, net als Hillary’s e-mails. En, misschien nog wel belangrijker, het verlegde de aandacht binnen de nieuwscyclus – ook een klassieke psyops-aanpak, het ‘strategisch smoren’ van andere berichten.
Het is een strategisch spel, gericht op de lange termijn, en zonder meer perfect uitgevoerd. In de jaren negentig, aldus Bannon, waren de rechtse media niet in staat Bill Clinton onderuit te halen, omdat ze ‘uiteindelijk alleen maar tegen zichzelf aan het praten waren in een “echokamer”.’
Waarschijnlijkheidsmodellen
En dat geldt nu voor de linkse media, zo blijkt. We zijn uiteengedreven, op onszelf aangewezen, we lopen kriskras door elkaar heen en worden als schietschijven op de korrel genomen. Er ontstaat steeds meer het gevoel dat we tegen onszelf praten. En of het nou komt door de miljoenen van Mercer of door andere factoren, Jonathan Albrights kaart van het nieuws- en informatieecosysteem maakt duidelijk dat YouTube en Google en aanverwanten worden gedomineerd door rechtse sites – sites die stevig bijeen worden gehouden door miljoenen links.
Zit daar een overkoepelend brein achter, vraag ik Albright. ‘Dat kan haast niet anders. Er moet een of andere vorm van coördinatie zijn. Kijk maar naar de kaart, kijk maar hoe het systeem in elkaar zit, dat kan geen toeval zijn. Het wordt duidelijk aangestuurd door geld en politieke belangen.’
De afgelopen maanden is er in de echokamer heel wat afgepraat over Bannon, maar Mercer is degene die heeft gezorgd voor het geld om bepaalde delen van het medialandschap opnieuw vorm te geven. En Bannon mag dan verstand hebben van de media, Mercer heeft verstand van big data. Hij begrijpt hoe het internet werkt. Hij weet hoe algoritmen werken.
Nick Patterson, een Engelse codeur die in de jaren tachtig voor Renaissance Technologies werkte en zich nu aan het MIT bezighoudt met computergenetica, vertelt me dat hij als eerste Mercers talent heeft onderkend. ‘In de jaren tachtig was er een zeer select gezelschap bezig met spraakonderzoek en spraakherkenning, en toen ik bij Renaissance kwam werd me duidelijk dat de wiskundige modellen die wij op de financiële markten probeerden toe te passen, zeer vergelijkbaar waren.’
Patterson noemt Mercer ‘zeer conservatief’. ‘Hij moest echt niets hebben van de Clintons. In zijn ogen was Bill Clinton een misdadiger. En zijn politieke opvattingen komen er volgens mij uiteindelijk op neer dat hij een rechtse libertair is; hij duldt geen enkele inmenging van de overheid.’ Patterson vermoedt dat Mercer zijn briljante computervaardigheden, die hij op de financiële wereld heeft toegepast, nu op een heel ander terrein zal inzetten. ‘Wij ontwikkelen wiskundige modellen voor de financiële markten. Dat zijn waarschijnlijkheidsmodellen, en op grond daarvan proberen we voorspellingen te doen. Ik vermoed dat Cambridge Analytica probeert waarschijnlijkheidsmodellen voor het stemgedrag te ontwikkelen. En vervolgens gaan ze kijken hoe ze dat kunnen beïnvloeden.’
Kwantitatief analisten, ofwel quants, zoeken naar informatievoorsprong. Ze bouwen kwantitatieve modellen om het proces van het aankopen en verkopen van aandelen te automatiseren, en dan gaan ze op zoek naar kleine lacunes in kennis waar ze geweldige bedragen mee binnenhalen. Renaissance Technologies was een van de eerste hedgefondsen die investeerden in kunstmatige intelligentie. Maar wat het daarmee doet, hoe het is geprogrammeerd, dat is volkomen duister.
Johan Bollen, hoogleraar aan de School of Informatics and Computing van Indiana University, vertelt me hoe hij een mogelijke manier om informatievoorsprong te behalen op het spoor is gekomen: hij heeft onderzoek gedaan waaruit is gebleken dat je op grond van Twitter koersschommelingen kunt voorspellen. Je kunt de stemming onder het publiek peilen en vervolgens in kaart brengen. ‘De maatschappij wordt aangedreven door emoties, die collectief altijd lastig te meten zijn. Maar er zijn nu programma’s die teksten kunnen lezen en kunnen taxeren, en die ons een kijkje kunnen geven in die collectieve emoties.’
Het onderzoek bracht nogal wat beroering teweeg bij twee heel verschillende doelgroepen. ‘We kregen heel veel belangstelling van hedgefondsen. Zij zoeken overal naar aanwijzingen, en dit is een zeer interessant signaal. Ik heb de indruk dat hedgefondsen beschikken over deze algoritmen die sociale feeds scannen. De flash crashes die we hebben gezien – waarbij de aandelenkoersen ineens kelderden – duiden erop dat deze algoritmen op grote schaal worden gebruikt. Men is verstrikt in een soort wapenwedloop.’
De andere groep die is geïnteresseerd in Bollens werk, wil niet alleen in kaart brengen wat er onder de mensen leeft, maar wil dat ook veranderen. Bollens onderzoek laat zien hoe dat kan. Kun je de landelijke, of zelfs mondiale stemming doen kenteren? Deze in kaart brengen en vervolgens veranderen? ‘Dat lijkt mogelijk,’ zegt Bollen, ‘en dat baart me zorgen. Er zijn diverse onderzoeken waaruit blijkt dat als je iets maar vaak genoeg herhaalt, mensen het onwillekeurig gaan geloven. En dat kun je inzetten, of zelfs als wapen gebruiken, voor propagandadoeleinden. We weten dat er duizenden geautomatiseerde bots op het net zitten, met precies dat oogmerk.’
De strijd der bots is een van de meest krankzinnige aspecten van de verkiezingen van 2016. Op de afdeling Computational Propaganda van het Oxford Internet Institute laten directeur Phil Howard en onderzoeksleider Sam Woolley me zien op welke manieren de publieke opinie kan worden gemasseerd en gemanipuleerd. Maar is er ook hard bewijs, vraag ik, is het duidelijk wie hierachter zit? ‘Er is zat bewijsmateriaal,’ zegt Howard. ‘Bewijs te over. Kijk zelf maar,’ zegt hij, en hij laat me zien hoe, voorafgaand aan de Amerikaanse verkiezingen, honderden websites zijn aangemaakt enkel en alleen om een paar links het net op te slingeren, links naar pro-Trump-artikelen. ‘Dat wordt gedaan door mensen die verstand hebben van informatiestructuren, mensen die grote hoeveelheden domeinnamen opkopen en vervolgens geautomatiseerd een bepaald bericht verspreiden. Om de indruk te wekken dat Trump brede steun geniet.’
‘Daar is geld voor nodig, en er is een organisatie voor nodig. En als je maar genoeg bots en mensen inzet, en die op een slimme manier met elkaar verbindt, krijg je vanzelf bestaansrecht. Dan creëer je de waarheid.’
Je kunt een bestaand trending topic nemen, zoals nepnieuws, en dat dan als wapen gebruiken. Je kunt het inzetten tégen de media die het aan het licht hebben gebracht. Vanuit een bepaald perspectief is nepnieuws een bomgordel in het hart van ons informatiesysteem. En die is om óns lichaam gegord – het levende lichaam van de mainstreammedia.
Een van de dingen die Howard nog het meest verontrusten, zijn de honderdduizenden ‘slapende’ bots die ze hebben aangetroffen. Twitteraccounts die slechts een of twee tweets hebben verzonden en die nu in stilte wachten op een trigger: een of andere crisis die hen tot leven wekt, waarna ze met zijn allen alle andere informatiebronnen kunnen verdringen.
Als zombies?
‘Als zombies.’
Alternatieve werkelijkheid
Veel van die technieken zijn geperfectioneerd in Rusland, zegt Howard, en vervolgens naar elders geëxporteerd. ‘We hebben het over ongekende propagandamiddelen die tot ontwikkeling zijn gekomen onder een autoritair bewind en zich dan ineens in een vrijemarkteconomie begeven, in een regelgevingsvacuüm.’
Dit is de wereld waarin we ons dagelijks bewegen, op onze laptop en onze smartphone. Dit is het slagveld waar de ambities van landen en ideologen de strijd met elkaar aanbinden – en daar gebruiken ze ons voor. Wij zijn de buit: onze social media-feeds, onze gesprekken, onze emoties en meningen. Onze stemmen. Bots beïnvloeden trending topics en trending topics hebben een krachtig effect op algoritmen, legt Woolley uit, op Twitter, op Google, op Facebook. Wie in staat is de informatiestromen te manipuleren, is in staat de realiteit te manipuleren.
We leven nog niet echt in de alternatieve werkelijkheid waarin het echte nieuws ‘NEPnieuws!!!’ is geworden. Maar het scheelt niet veel.
The Observer
Verenigd Koninkrijk | zondagskrant | oplage 449.000
Oudste kroonjuweel van de Britse kwaliteitspers. Uit dezelfde groep als The Guardian maar met liberale signatuur.
Ook de Nederlandse politicus Thierry Baudet keek bij zijn succesvolle campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen goed naar de methodes van Cambridge Analytica, vertelde hij onlangs.
‘We doen het net als Trump,’ verklaarde hij nog tijdens de verkiezingsrace tegen website Follow the Money. Later zei hij in de Volkskrant: ‘Cambridge Analytica werkte niet voor ons, maar we hebben wel hun methode gebruikt. Die methode gaat uit van de informatie die Facebook heeft over gebruikers en die heel nuttig is bij het vinden van potentiële kiezers. Laat ik een voorbeeld geven. Bij Forum hebben wij een standpunt over de transportsector. We vinden dat er sprake is van uitbuiting van vrachtwagenchauffeurs en dat valse concurrentie moet worden tegengegaan. Vroeger zou je een advertentie met die boodschap in een magazine over de transportsector zetten. Nu richt je je op Facebook direct op mensen die in de transportsector actief zijn. Dat is heel effectief.’
Veel van het fake nieuws dat werd verspreid in de Amerikaanse verkiezingscampagne kwam uit Veles, een voormalig industriestadje in Macedonië.
‘Komt u voor Trump?’ vraagt de manager van een hotel in Veles met een raadselachtige glimlach. ‘Niemand zal iets loslaten.’ Sinds de eerste berichten in de wereldpers over de IT-piraten uit Veles en het geld dat ze ermee hebben opgestreken, heerst de omertà in deze stad. De zwijgplicht houdt in dat er niet wordt gesproken over Trump en de ‘rol’ die jongeren van Veles gespeeld zouden hebben bij de verkiezing van de nieuwe president van de Verenigde Staten. Ze zijn beroemd geworden sinds het Amerikaanse webportal BuzzFeed een opmerkelijke concentratie websites signaleerde (meer dan honderdvijftig) in dit arme stadje met amper vijftigduizend zielen. De specialiteit van al deze sites: nepnieuws dat verband houdt met de Amerikaanse verkiezingen.
De moderne tijd lijkt aan Veles te zijn voorbijgegaan: een biljet van 100 euro wisselen is een heksentoer. Dan moet je naar het casino. Gevels waarvan de pleisterlaag heeft losgelaten, stapels afgedankte huishoudelijke apparaten op amper 50 meter van het stadscentrum, cevapcici [gehaktworstjes, een Balkanspecialiteit] worden per stuk verkocht [voor 10 denari ofwel 0,16 euro]: dit is de stad die het politieke leven in Amerika heeft doen ‘kantelen’!
Het voormalige industriecentrum lijkt nu een verwaarloosd monument van arbeiderszelfbestuur. Het apocalyptische postindustriële beeld van Veles – het vroegere Titov, de laatste stad in het voormalige Joegoslavië die de verwijzing naar de naam van de maarschalk heeft geschrapt, in 1996 – wordt gecompleteerd door de verkiezingsposters [voor de parlementsverkiezingen in december 2016] waarop benadrukt wordt dat het gaat om ‘de belangrijkste verkiezingen sinds de onafhankelijkheid van Macedonië’.
Tante Google
De westerse media hebben schande gesproken van de bemoeienis van hackers uit Veles met de Amerikaanse verkiezingen. Toch moet je het woord hacker tussen aanhalingstekens zetten. De jongeren uit de stad hadden gewoon algauw door dat de advertenties van Google (AdSense) een goudmijn waren.
Ze zetten Engelstalige websites op met als doel er nieuwtjes over Trump op te zetten die in de VS een maximum aantal clicks zouden genereren. Dan hoefden ze maar te wachten totdat Google het geld overmaakte. Ze braken zich er niet het hoofd over of dat gevolgen zou hebben voor de verkiezingen.
Er wordt gezegd dat sommige jongeren tijdens de campagne wel tussen de 50.000 en 60.000 euro hebben verdiend. Google stuurde hun betalingsopdrachten die zij dan incasseerden bij de bank. Omdat er geen transparante regelgeving bestaat voor internettransacties en om gedoe met de belastingen te vermijden, gaven ze als reden op ‘schenking van een tante in het buitenland’. Of iets anders wat even creatief was. Tante Google maakte het geld naar haar neven in Veles over tot afgelopen herfst. In Veles kende iedereen deze ‘bizness’ met Google. De lange wachtrijen voor de banken op sommige dagen spraken voor zich…
Een zelfverzekerde jongeman van rond de dertig, met een zonnebril op – hoewel het medio december is – en een mobieltje in de hand, is naar onze afspraak gekomen in een prachtige wagen. ‘Hallo, volg mijn auto maar,’ zegt hij door het raampje. Blijkbaar wil hij vermijden dat hij gezien wordt met journalisten. ‘Mensen die met journalisten praten worden gezien als verraders,’ zo vertrouwt hij ons toe. ‘Dat zijn de jongens die “gezongen” hebben om op te scheppen over de bedragen die ze hebben verdiend. Dat is echt overdreven, zo veel geld hebben we er nu ook weer niet mee verdiend. Maar een enkeling wel,’ geeft hij toe.
‘Aanvankelijk heb je de indruk op een goudmijn te zijn gestuit,’ zo vertelt hij. ‘Alles begon in mei, toen Trump presidentskandidaat van de Republikeinen werd. Veles is een dorp … geruchten verspreiden zich snel. Iemand begon ermee en toen verspreidde het verhaal zich als een epidemie. Je hoefde alleen maar wat basiskennis van webdesign en programmeren te hebben om te beginnen. Een kind kan de was doen. Je neemt een artikel van een Amerikaanse portal en verandert de kop. Vaak heeft het niks met de tekst te maken, je moet er gewoon iets boven zetten wat de aandacht trekt, om een maximaal aantal clicks te krijgen.’
Onze gesprekspartner vindt het overdreven dat er wordt gesproken over honderden sites in Veles. ‘Het waren er tussen de honderdvijftig en tweehonderd, maar slechts een stuk of twintig maakten er serieus werk van. Je hoefde alleen maar een tekst te publiceren en hem op Facebook te laten circuleren. Het was ongelooflijk. Normaal gesproken verdien je op iedere 10 dollar die je investeert in Facebook 2 dollar terug. Maar met Trump verdienden we op iedere 10 dollar wel 30 dollar.’
‘Amerikanen zijn niet als wij, ze klikken op alles’
‘Amerikanen zijn niet als wij, ze klikken op alles,’ vervolgt hij. ‘Tijdens de campagne onderhandelden de adverteerders over de tarieven van de advertenties. Elke cent die in de campagne geïnvesteerd werd leverde een aardige winst op… totdat BuzzFeed [zie pag. 14-15] zich ermee bemoeide. Eén tekst was genoeg om het systeem onderuit te halen. In de meeste gevallen werden de rekeningen van AdSense voor ons geblokkeerd. Sommige van ons hadden zelfs geen tijd meer om een factuur in te dienen,’ voegt hij er teleurgesteld aan toe.
‘Toen Trump de Amerikaanse verkiezingen had gewonnen begonnen ze te zoeken naar de oorzaken van zijn verkiezingszege. Sommigen zeiden dat het kwam door de propaganda die was verspreid via Facebook. Alsof wij hadden bijgedragen aan de overwinning van Trump, hou toch op! Wij zeiden voor de grap dat we nog meer stemmen hadden kunnen winnen als Trump ons had gefinancierd. We hebben niks met Trump, we hebben geen bijzondere redenen om voor hem te zijn.’
Voor de IT-piraat van Veles was het ‘gewoon een kwestie van wat geld verdienen’.
Globus heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van onderzoeksjournalistiek in Kroatië, door aandacht te besteden aan privatisering, geweld tegen etnische Serviërs en andere beladen onderwerpen die in de mainstream media niet aan bod komen.
Dat politici liegen, dat waren we wel gewend. Maar de schaamteloze manier waarop Trump en Poetin het doen is nieuw, schrijft de Russische intellectueel Peter Pomerantsev. ‘We leven in een maatschappij waarin het politici en media niet meer uitmaakt of ze de waarheid vertellen of niet.’
Keuze uit het archief
De ongekende verkiezingswinst van de PVV in Nederland past in een patroon dat over de hele wereld zichtbaar is: extreemrechtse en populistische leiders grijpen de macht nadat het politieke midden geen oplossingen kon vinden voor de vele crises. Eerst waren het de VS, Brazilië, Italië, Slowakije en Argentinië, nu is Nederland aan de beurt.
Een reden voor de populariteit van het populisme is volgens Peter Pomerantsev in een artikel in Granta uit 2016 dat we in een tijdperk en maatschappij leven waarin feiten er niet meer toe doen. ‘Je kunt nu alle gekte die je voelt eruit gooien en dan is het prima. En een publiek dat al een decennium zonder feiten leeft, kan zich nu koesteren in een volledig anarchistische bevrijding van de geloofwaardigheid’, aldus Pomerantsev. Woorden die tot nadenken stemmen na een verkiezingscampagne in Nederland die volgens alle deelnemers over ‘de inhoud’ moest gaan, maar waarin vooral feiten, cijfers en woorden van anderen verdraaid werden. Tot zover ‘het eerlijke verhaal’.
Terwijl zijn leger schaamteloos de Krim annexeerde, verscheen Vladimir Poetin op de televisie en vertelde de wereld doodleuk dat er geen Russische soldaten in Oekraïne waren. Dat was natuurlijk een leugen, maar hij zei er vooral mee dat de waarheid niet belangrijk is. Wanneer Donald Trump zomaar beweert dat hij duizenden moslims in New Jersey heeft zien juichen toen de Twin Towers omlaag kwamen, of dat de Mexicaanse regering met opzet ‘slechte’ immigranten naar de VS stuurt, en bedrijven die zich met het controleren van feiten bezighouden 78 procent van zijn uitspraken als onwaar aanmerken, maar hij toch kandidaat voor het presidentschap van Amerika wordt, dan lijkt het erop dat feiten er niet meer veel toe doen in the land of the free.
Het is duidelijk dat we in een ‘post-feiten’ of ‘post-waarheid’-maatschappij zonder waarheid leven. Een maatschappij waarin politici en media niet alleen liegen – dat hebben ze altijd gedaan – maar waarin het ze ook niet uitmaakt of ze de waarheid vertellen of niet.
Technologie
Hoe heeft het zover kunnen komen? Komt het door de technologie? Door economische globalisering? Is het de culminatie van de geschiedenis van het denken? Er schuilt een puberaal genot in om de last van feiten van je af te schudden – die zware symbolen van opleiding en gezag, die ons herinneren aan onze plaats en onze beperkingen – maar waarom doet deze rebellie zich juist nu voor?
Velen geven de schuld aan de technologie. Het informatietijdperk heeft niet gezorgd voor een nieuwe tijd waarin de waarheid wordt gesproken, maar maakt juist mogelijk dat leugens zich razendsnel verspreiden in wat techneuten ‘digitale bosbranden’ noemen. Tegen de tijd dat een factchecker een leugen heeft ontdekt, zijn er alweer duizenden nieuwe gecreëerd, en door de enorme omvang van de ‘cascades van desinformatie’ is de onwaarheid niet meer te stuiten. Het enige wat telt is dat de leugen clickable is en dat wordt bepaald door de mate waarin die leugen inspeelt op bestaande vooroordelen van mensen. Algoritmen die zijn ontwikkeld door bedrijven als Google en Facebook zijn gebaseerd op eerdere zoekopdrachten en clicks, dus met elke nieuwe zoekopdracht en elke volgende klik ziet men de eigen vooroordelen bevestigd. Sociale media, die nu voor de meeste Amerikanen de belangrijkste bron van nieuws vormen, lokken ons in echokamers van gelijkgestemden en geven ons alleen wat we aangenaam vinden – of dat nu waar is of niet.
Misschien heeft de technologie ook subtielere invloeden op onze verhouding met de waarheid. De nieuwe media met hun talloze schermen en streams maken de realiteit zo gefragmenteerd dat deze niet meer te bevatten is, en zo stuwen ze ons, of laten ze ons ontsnappen, naar virtuele realiteiten en fantasieën. Door deze fragmentatie, in combinatie met de desoriëntatie van de globalisering, gaan mensen verlangen naar een veiliger verleden, en zo ontstaat nostalgie. ‘De eenentwintigste eeuw wordt niet gekenmerkt door de zoektocht naar nieuwe mogelijkheden,’ schreef de overleden Russisch-Amerikaanse filoloog Svetlana Boym, ‘maar door de toename aan nostalgie (…) nostalgische nationalisten en nostalgische kosmopolieten, nostalgische natuurbeschermers en nostalgische metrofielen [liefhebbers van steden] wisselen pixelvuur uit in de blogosfeer.’
Zo verkopen de legers internettrollen van Poetin dromen over de herrijzenis van het Russische Rijk en de Sovjet-Unie; Trump twittert over ‘Make America Great Again’; Brexiteers hunkeren op Facebook naar een verloren Engeland; de virale gruwelvideo’s van IS verheerlijken een mythisch kalifaat. Zoals Boym betoogde: restauratieve nostalgie streeft er ‘met paranoïde vastberadenheid’ naar om het verloren vaderland opnieuw op te bouwen, ziet zichzelf als ‘waarheid en traditie’, heeft een obsessie voor indrukwekkende symbolen en ‘vervangt kritisch denken door emotionele binding’. ‘In extreme gevallen kan deze nostalgie een schijnvaderland creëren, waarvoor mensen bereid zijn te sterven of te doden. Ondoordachte nostalgie kan monsters baren.’
Als alle feiten zeggen dat je geen economische toekomst hebt, waarom zou je dan feiten willen horen?
De vlucht in technofantasieën heeft veel te maken met economische en sociale onzekerheid. Als alle feiten zeggen dat je geen economische toekomst hebt, waarom zou je dan feiten willen horen? Als je in een wereld leeft waarin een kleine gebeurtenis in China leidt tot verlies aan banen in Lyon, waarin je regering kennelijk geen macht heeft over de gebeurtenissen, dan verdwijnt het vertrouwen in oude gezagsinstituties – politici, wetenschappers, de media. En dat leidt tot de bewering van Brexit-leider Michael Gove dat de Britten ‘genoeg hebben van deskundigen’, tot Trumps tirades tegen de ‘lamestream’-media en tot de bloei van sites voor ‘alternatief nieuws’ op internet.
Paradoxaal genoeg blijk uit een onderzoek van Northeastern University dat mensen die de ‘mainstream’-media niet vertrouwen, meer geneigd zijn onjuiste informatie te geloven: ‘Het is verrassend dat consumenten van alternatief nieuws, die juist proberen de “massamanipulatie door mainstreammedia” te vermijden, het meest ontvankelijk zijn voor valse beweringen.’ Gezonde scepsis eindigt in een zoektocht naar onwaarschijnlijke complotten. Poetins door het Kremlin gecontroleerde televisie ziet achter alles een Amerikaanse samenzwering, en volgens sommige elementen in de Brexit-campagne was er sprake van een Duits-Frans-Europees complot tegen Groot-Brittannië.
‘Objectieve verslaggeving bestaat niet,’ beweren Dmitri Kiseljov en Margarita Simonyan, die aan het hoofd staan van Poetins propagandanetwerken, als hen wordt gevraagd om de redactionele uitgangspunten te verklaren waarbinnen aan samenzweringstheorieën evenveel waarde wordt gehecht als aan wetenschappelijk onderzoek. RT, de internationale zender van het Kremlin, beweert dat het ‘een alternatief standpunt’ biedt, maar in de praktijk betekent dit dat de hoofdredacteur van een uiterst rechts blaadje een even geloofwaardige studiogast wordt gevonden als een onderzoeker van de universiteit, en zo wordt een leugen even geschikt bevonden voor uitzending als een feit. Donald Trump speelt eenzelfde spel door ongefundeerde geruchten voor te stellen als redelijke, alternatieve meningen, en door verzinsels, zoals dat Obama moslim is of dat Ted Cruz in het geheim een Canadees paspoort heeft, te brengen onder de dekmantel van ‘veel mensen zeggen dat…’
Dit gelijkstellen van waarheid en vervalsing wordt gevoed door een alomtegenwoordig laat-postmodernistisch relativisme dat de afgelopen dertig jaar van de wetenschappelijke wereld is doorgesijpeld naar de media en vandaar naar de rest van de wereld. Hierin wordt het credo van Nietzsche, ‘Er bestaan geen feiten, alleen interpretaties’, zo opgevat dat elke versie van gebeurtenissen gewoon een ander verhaal is, waarin leugens verontschuldigd kunnen worden als ‘een alternatieve kijk’ of ‘een mening’, omdat ‘alles betrekkelijk is’ en ‘iedereen zijn eigen waarheid heeft’ (en op internet is dat ook zo).
Volgens Maurizio Ferraris, een van de oprichters van de beweging New Realism en een van de meest overtuigende critici van het postmodernisme, maken we nu de culminatie mee van twee eeuwen denken. De Verlichting streefde er oorspronkelijk naar het onderzoeken van de wereld mogelijk te maken door het recht om de werkelijkheid te definiëren weg te halen bij een goddelijke autoriteit en over te dragen aan de individuele rede. Het ‘Ik denk dus ik ben’ van Descartes plaatste de zetel der kennis in de menselijke geest. Maar als het enige wat je kunt kennen je geest is, dan ‘is de wereld mijn voorstelling’, zoals Schopenhauer stelde.
Aan het eind van de twintigste eeuw gingen de postmodernisten nog verder, door te beweren dat ‘er niets is buiten de tekst’ en dat al onze ideeën over de wereld komen van de machtsstructuren die ons zijn opgelegd. Dit heeft geleid tot een syllogisme dat Ferraris zo formuleert: ‘Alle realiteit blijkt een constructie van macht te zijn, en dat maakt die realiteit zowel verwerpelijk (wanneer we met “Macht” de macht bedoelen die ons overheerst) als kneedbaar (wanneer we met “macht” bedoelen “in onze macht”).’
Het postmodernisme zag zichzelf oorspronkelijk als emanciperend, een manier om mensen te bevrijden van de onderdrukkende vertellingen waaraan ze waren blootgesteld. Maar, zegt Ferraris, ‘de komst van het mediapopulisme toonde een afscheid van de realiteit dat helemaal niet emanciperend was’. Als de realiteit oneindig kneedbaar is, dan kon Berlusconi, die zo veel invloed op Poetin heeft gehad, terecht zeggen ‘Snap je dan niet dat iets – een idee, een politicus of een product – niet bestaat als het niet op televisie is?’ Dan kon de regering-Bush een oorlog die gebaseerd was op onjuiste informatie legitimeren. ‘Als we handelen, scheppen we onze eigen werkelijkheid,’ zei een adviseur van Bush, waarschijnlijk Karl Rove, tegen The New York Times in een citaat dat Ferraris als voorbeeld neemt, ‘en terwijl jullie die werkelijkheid bestuderen – op jullie eigen, grondige wijze – zullen wij weer handelen, en zo weer nieuwe werkelijkheden scheppen.’
‘De Remain-campagne kwam steeds met feiten, feiten, feiten, feiten, feiten. Dat werkt gewoon niet. Je moet emotioneel contact leggen met mensen’
En wat nog erger is: door te zeggen dat alle kennis (onderdrukkende) macht is, nam het postmodernisme de basis weg van waaruit je tegen de macht kon redeneren. Het poneerde dat ‘omdat rede en intellect vormen zijn van overheersing, bevrijding gezocht moet worden via gevoelens en het lichaam, die van nature revolutionair zijn’.
Het verwerpen van op feiten gebaseerde argumenten en kiezen voor emoties wordt een onderwerp op zichzelf. De politieke echo hiervan kunnen we horen in de redenering van Arron Banks, de oprichter van de campagne om de EU te verlaten: ‘De Remain-campagne kwam steeds met feiten, feiten, feiten, feiten, feiten. Dat werkt gewoon niet. Je moet emotioneel contact leggen met mensen. Dat is het succes van Trump.’ Ferraris ziet de wortel van het probleem in het antwoord van filosofen in de achttiende eeuw op de opkomst van de wetenschap. Naarmate de wetenschap het interpreteren van de werkelijkheid overnam, werd de filosofie antirealistischer, om zo een ruimte te houden waarin ze nog een rol kon spelen.
Koude Oorlog
In mijn pogingen de wereld te begrijpen waarin ik ben opgegroeid en waarin ik leef – een wereld die in mijn geval werd bepaald door Rusland, de EU, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten – hoef ik niet zo ver terug te gaan om een tijd te vinden waarin feiten ertoe deden. Ik weet nog dat feiten verschrikkelijk belangrijk leken tijdens de Koude Oorlog. Zowel Sovjet-communisten als westerse democratische kapitalisten vertrouwden op feiten om te bewijzen dat hun ideologie de juiste was. Vooral de communisten hadden er een handje van de feiten in hun voordeel te draaien – maar uiteindelijk verloren ze toch, omdat ze hun verhaal niet langer konden volhouden. Als ze op een leugen werden betrapt, reageerden ze woedend. Het was belangrijk om als consciëntieus beschouwd te worden.
Waarom waren feiten voor beide partijen belangrijk? Allebei probeerden ze, ten minste officieel, het bewijs te leveren voor een idee van rationele vooruitgang. Ideologie, verhaal en het gebruik van feiten gingen hand in hand. Des te meer, zoals mediaondernemer en activist Tony Curzon Price me heeft uitgelegd, omdat gezag en leiderschap in oorlogstijd belangrijk zijn voor je veiligheid. Je kijkt tegen leiders op vanwege – en zij overtuigen je met – de feiten.
Toen kwamen de jaren negentig. Er was geen vooruitgang meer om naar te streven, er viel niets meer te bewijzen. Feiten raakten gescheiden van politieke verhalen. Dat verschafte wel een zeker geluk: het was een tijd van hedonisme en ecstasy, van een lichthoofdigheid waarin we de feiten van onze bankrekening konden negeren en zo veel schulden konden maken als we wilden. Zonder feiten en ideeën werden de nieuwe meesters van de politiek spindoctors en politieke technologen.
In Rusland werd de traditie van het tsarisme en de KGB om politieke marionettenbewegingen te vormen gecombineerd met westerse pr-trucs, en zo ontstond een Potemkin-democratie waarin het Kremlin alle vertellingen en alle partijen manipuleerde, van uiterst links tot uiterst rechts. Dit begon in 1996, toen neppartijen en nepnieuws werden gebruikt om president Jeltsin te redden, en het werd vervolgens een model van ‘virtuele politiek’ dat in heel Eurazië werd nagevolgd (Paul Manafort, de spindoctor van Trump, werkte in 2005 in de wereld van het Kremlin om Poetin-adept president Janoekovitsj van Oekraïne te helpen kneden).
In Groot-Brittannië werd het zichtbaar in de spectaculaire carrière van Alastair Campbell, een niet-verkozen persvoorlichter, die zo invloedrijk werd geacht dat de meest succesvolle politieke satire van die tijd hem de vertegenwoordiger van de macht in het land maakte. In de VS begon het met de Eerste Golfoorlog, door Baudrillard beschreven als een pure media-uitvinding, vervolgens kwam het gedoe rond Bill Clinton en daarna de Tweede Golfoorlog en het legendarische ‘Wij scheppen de werkelijkheid’ van Rove.
Maar hoe cynisch ze ook waren, de spindoctors en politieke technologen probeerden tot dan toe nog steeds een illusie van de waarheid te geven. Hun verhaal moest geloofwaardig zijn, ook al waren de feiten mager. Toen de werkelijkheid ze inhaalde – het publiek kreeg de illusie van Moskou door, de verhalen over Irak bleken niet waar en de aandelenmarkten stortten in – was één reactie om de hakken in het zand te zetten, te ontkennen dat feiten er überhaupt iets toe doen, je op de borst te kloppen omdat je niets om die feiten geeft.
Dit heeft veel voordelen voor heersers – en is een opluchting voor kiezers. Poetin hoeft geen overtuigender verhaal te hebben, hij hoeft alleen maar duidelijk te maken dat alle anderen liegen, het morele gezag van zijn tegenstanders te ondermijnen en zijn mensen te laten geloven dat er geen alternatief voor hem is. ‘Wanneer Poetin schaamteloos liegt, wil hij dat het Westen erop wijst dat hij liegt,’ zegt de Bulgaarse politiek wetenschapper Ivan Krastev (zie 360 Magazine #104). ‘Dan kan hij terugwijzen en zeggen: Maar jullie liegen ook.’ En als iedereen liegt dan mag het, of het nu over je persoonlijke leven is of over een invasie in een ander land.
Dit is een (duister) genoegen. Je kunt nu alle gekte die je voelt eruit gooien en dan is het prima. Het enige wat Trump doet is mensen het plezier gunnen om vuil te mogen spuiten, het genot van pure emotie, vaak woede zonder enige redelijkheid. En een publiek dat al een decennium zonder feiten leeft, kan zich nu koesteren in een volledig anarchistische bevrijding van de geloofwaardigheid.
Feiten lijken er steeds minder toe te doen in het politieke debat. Zowel de Brexit-campagne als de Amerikaanse voorverkiezingen stonden bol van overdrijving, aanvechtbare beweringen en aperte leugens. Maar is het werkelijk zo veel erger dan vroeger? Vox zocht het uit.
Na het referendum over de Britse uittreding uit de Europese Unie wordt door velen in het Verenigd Koninkrijk en daarbuiten niet alleen getreurd om de breuk in de Europese eenheid, maar ook om de teloorgang van de waarheid. Aan feiten en deskundig commentaar lieten de voorstanders van Brexit zich niets gelegen liggen. Hoewel economen massaal waarschuwden dat uittreding de Britse economie blijvende schade zou toebrengen, besloot 52 procent van de kiezers dat ze de EU wilden verlaten.
En waarom negeerden die kiezers de feiten? Omdat ze over hun eigen ‘feiten’ beschikten. Pro-Brexit-politici konden in de campagne kwistig met valse informatie strooien en praktisch ongestraft de meest grove leugens verkondigen. Neem UKIP-leider Nigel Farage, die de ochtend na het referendum al meteen op zijn woorden terugkwam. De officiële Leave-campagne had voorgespiegeld dat een Brexit 350 miljoen pond per week zou opleveren, die dan in het Britse zorgstelsel konden worden gestoken. In zijn eigen onafhankelijke campagne had Farage nooit kanttekeningen gezet bij die belofte. Maar zodra op vrijdagochtend de stemmen waren geteld, erkende hij dat de officiële Leave-campagne luchtkastelen had beloofd en ontkende hij dat hij die belofte ooit had ondersteund – terwijl dat aantoonbaar wel zo was.
‘Welkom in de feitenvrije democratie’ luidde een lezersreactie in de Financial Times op de uitslag van het referendum. En voor de politiek aan onze kant van de Atlantische Oceaan geldt eigenlijk hetzelfde. Ook de lopende Amerikaanse verkiezingscampagne staat bol van overdrijving, aanvechtbare beweringen en aperte leugens. Dat roept de vraag op: leven we nu echt in een tijd waarin de feiten geen rol meer spelen? Wordt dat door de feiten gestaafd? Ik vroeg politicologen, professionele factcheckers en filosofen naar hun mening over onze omgang met feiten.
Elk “feit” dat je zoekt, kun je op internet wel ergens vinden
Is er tegenwoordig meer desinformatie dan ooit?
Om te beginnen: het is verrassend lastig te zeggen of er in de politiek tegenwoordig meer desinformatie en leugens worden verspreid dan vroeger. Brendan Nyhan, hoogleraar politicologie aan Dartmouth College, wijst erop dat we niet beschikken over goede langetermijngegevens met betrekking tot de vraag of het ‘oprekken’ van de waarheid tegenwoordig vaker voorkomt dan bijvoorbeeld tijdens de oorlog in Vietnam, bij de inval in Irak in 2003 of in de door de Amerikaanse schandaalpers opgehitste Spaans-Amerikaanse oorlog aan het eind van de negentiende eeuw. Als men zegt dat we nu leven in het tijdperk van de feitenvrije democratie, wordt daarmee gesuggereerd dat er ooit een gouden tijdperk was waarin politiek alleen om feiten draaide. ‘En ik denk niet dat er ooit zo’n tijd is geweest,’ zegt Nyhan. Anderzijds zegt hij ook: ‘Ik denk dat er altijd veel valse informatie in omloop is geweest, over allerlei onderwerpen – maar de manier waarop is wel veranderd.’
En inderdaad, door internet en sociale media is valse informatie toegankelijker, beter zichtbaar en moeilijker te onderscheiden van onweerlegbare feiten. En dat kan op drie manieren bijdragen aan de verspreiding van politieke desinformatie.
1) Mensen hebben toegang tot een onmetelijke hoeveelheid data, en dat kan verwarring in de hand werken.
Volgens Michael Lynch, hoogleraar filosofie aan de University of Connecticut en auteur van het boek The Internet of Us: Knowing More and Understanding Less in the Age of Big Data, raken we gemakkelijk de weg kwijt in alle informatie die we tegenwoordig binnen handbereik hebben. ‘Hoe meer informatie mensen tot hun beschikking hebben, ook al is dat juiste informatie, hoe meer ze ertoe neigen hun eigen kennis te overschatten,’ zegt hij.
Elk ‘feit’ dat je zoekt, kun je op internet ook wel ergens vinden. Maar doordat er zo veel feiten beschikbaar zijn, denken we dat we meer weten dan we eigenlijk doen, legt Lynch uit. Terwijl lang niet al die informatie nuttig of zelfs maar waar is. ‘Dat er meer ís, wil niet zeggen dat je ook meer wéét. Het moet goede en betrouwbare informatie zijn,’ zegt Lynch. ‘En de duivel mag weten of er daarvan nu meer of juist minder is.’
2) We kunnen selectiever zijn met de informatie die we wel en niet tot ons nemen.
Met zo’n overvloed aan informatie moet je wel gaan schiften en selecteren. ‘Ons onlineleven is zo selectief als een museum,’ zegt Lynch. ‘We kiezen zelf uit wat we aan de muur hangen, op welke bronnen we ons baseren. Dat kan er ook toe leiden dat ons hele wereldbeeld ineens op zijn kop komt te staan – zoals bij de tegenstanders van Brexit die wakker werden en ineens tot het besef kwamen dat Brexit een feit was.’
Het maakt misschien vooral verschil bij politiek geëngageerde mensen, zeker in deze tijd van polarisatie. Tim Lee schreef op Vox al over onderzoek waaruit blijkt dat linkse gebruikers op Facebook sneller linkse artikelen in hun nieuwsoverzicht tegenkomen, terwijl conservatieve gebruikers meer conservatieve berichten te zien krijgen. ‘Niet alleen zijn de politieke partijen en hun ideologieën sterker gepolariseerd, hun aanhang is ook uniformer geworden,’ zegt Nyhan. ‘Dus in Amerika zijn Democraten zijn nu vaker links en Republikeinen eerder rechts, en ze gaan vooral om met gelijkgestemden, zodat alternatieve informatie minder tot hen doordringt.’
Dat wordt nog versterkt door het feit dat de traditionele poortwachters van informatie (grote kranten, tv-journaals) aan invloed verliezen. ‘Politici springen daarop in,’ zegt Nyhan, ‘door hun doelgroep direct te benaderen via blogs en campagnes op sociale media. Dat draagt ertoe bij dat we in onze vooroordelen en overtuigingen worden gesterkt en ons afsluiten voor andere denkbeelden – en daardoor misschien ook makkelijker te misleiden zijn.’
3) Desinformatie is nu zichtbaarder.
De laatste jaren is de vindbaarheid van onjuiste informatie wel degelijk toegenomen. ‘Desinformatie die altijd al bestond maar niet altijd even makkelijk te vinden was, komt dankzij sociale media en internet nu sneller bovendrijven,’ zegt Nyhan. ‘Er zijn tegenwoordig meer beweringen over zogenaamde feiten die publiek toegankelijk zijn.’ Zo was het in de jaren zestig niet zo eenvoudig om de hand te leggen op nieuwsbrieven van de John Birch Society, de extreemrechtse groepering die paranoïde samenzweringstheorieën verspreidde over vermeende communistische infiltratie. ‘Desinformatie die vroeger in kleine kring circuleerde, onttrok zich vaak aan het zicht van mensen daarbuiten,’ zegt Nyhan. Maar nu is alles op internet te vinden.
Anderzijds worden ook de leugens beter zichtbaar door de opkomst van websites die beweerde feiten controleren, zegt Bill Adair. Hij is behalve hoogleraar journalistiek aan Duke University is ook de oprichter van de Amerikaanse onderzoekssite PolitiFact, die in 2009 met een Pulitzer Prize werd bekroond. Van 2015 tot 2016 is het aantal sites dat feiten natrekt naar zijn schatting wereldwijd met 60 procent gestegen, van 44 naar 105. Dus of er nu meer wordt gelogen of niet, we worden er in ieder geval vaker op attent gemaakt.
12 procent van de uitlatingen van Hillary Clinton worden gekwalificeerd als “onwaar” tegenover 61 procent van die van Trump
Factcheckers kunnen de verspreiding van desinformatie afremmen, maar Nyhan wijst op eigen onderzoek waaruit blijkt dat feitencontrole ook een averechts effect kan hebben: het kan ertoe leiden dat mensen zich nog dieper ingraven in hun eigen gelijk, zeker bij omstreden kwesties. Toch blijft feiten controleren een van de beste manieren om valse kennis te bestrijden.
‘Soms heeft het natrekken van feiten een averechts effect, zeker bij mensen die sowieso niet openstaan voor andere informatie,’ zegt ook Jason Reifler, hoogleraar politicologie aan Exeter University. Maar hij voegt eraan toe: ‘Uit ander onderzoek blijkt dat het publiek wel degelijk baat heeft bij controle van de feiten.’ Zo kwam uit onderzoek van hem en Nyhan naar voren dat politici die bang zijn voor reputatieschade als ze door factcheckers op een leugen worden betrapt, minder snel geneigd zijn onwaarheden te verkopen.
Reifler denkt zelfs dat het gebrek aan prominente controleurs in het Verenigd Koninkrijk heeft bijgedragen aan het succes van de Leave-campagne. ‘In Groot-Brittannië bestaat er eigenlijk niets met een vergelijkbare invloed als PolitiFact of de onderzoeksredactie van The Washington Post in de VS,’ zegt hij.
De aperte leugens van de Leave-campagne waren ook voorafgegaan door jarenlange anti-Europese stemmingmakerij in de Britse media, vaak zonder enig tegengeluid of pogingen om beweringen op hun feitelijkheid te controleren. ‘Feiten moeten worden nagetrokken om te voorkomen dat kleine leugentjes uitgroeien tot grote leugens,’ zegt Reifler. ‘Voorkomen is beter dan genezen. Dus feiten controleren om de verspreiding van desinformatie te voorkomen – en politici een prikkel te geven om geen leugens meer te vertellen – moet de gouden standaard zijn.’
Daar wordt ook werk van gemaakt wordt bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Daarin kunnen volgens PolitiFact 12 procent van de uitlatingen van Hillary Clinton worden gekwalificeerd als ‘onwaar’ of zelfs als ‘regelrechte leugens’, tegenover 61 procent van de uitlatingen van Trump.
Bill Adair: ‘Ik durf gerust te zeggen dat geen enkele belangrijke Amerikaanse politicus ooit dat niveau heeft benaderd.’
Vox (Media) is een Amerikaanse algemene nieuwssite, opgericht in 2014 door Ezra Klein, tot dan toe politiek columnist voor The Washington Post.De site richt zich op ‘huishoudens met een inkomen van zes cijfers, met aan het hoofd iemand jonger dan 35 jaar’. Volgens de jongste cijfers gaat het een heel eind die kant op: Vox heeft 54 miljoen unieke bezoekers, van wie 41 procent tussen de 18 en 34 jaar oud.
In de Amerikaanse context is Vox een liberale verspreider van ‘verklarende journalistiek’. Het onderwerp van Kleins allereerste column voor Vox had dan ook als titel ‘How politics makes us stupid’. Klein en zijn staf van twintig mensen, voor een deel afkomstig van de WP, maken zich druk om ‘linkse’ zaken als Obamacare. Vox is eigendom van Vox Media, een onderneming waaronder verschillende gespecialiseerde websites vallen, zoals The Verge (technologie), SB Nation (sport), Polygon (games) en Racked (mode), samen goed voor 1 miljard dollar.
We leven in het feitenvrije tijdperk, zeggen deskundigen. Politici als Trump, Poetin en Nigel Farage liegen er lustig op los, zonder dat het hun aanhang veel lijkt te kunnen schelen. Is het werkelijk zo veel erger dan vroeger? Hoe kan dat dan? En wat is er zo aantrekkelijk aan een leider die spot met de waarheid?
Donald Trump heeft een neus voor de woede die voortkomt uit de pijn van de in de steek gelaten werkende klasse. Gevaarlijk, volgens _New Yorker_-journalist George Packer. Loze beloften kunnen het cynisme alleen maar verergeren. Klinkt als…
De afgelopen week [4 mei] werd Donald Trump leider van de Republikeinse partij. Hij elleboogde zich een weg naar de top doordat hij zag wat veel intelligente mensen totaal niet zagen: de afbraak van Amerikaanse instituties en gebruiken, van Wall Street en de Senaat tot kabel en Twitter, plaveide niet alleen de weg naar de kandidatuur van een beroemde protofascist die zijn driften niet kan beteugelen, maar maakte die in bepaalde opzichten onvermijdelijk.
Het had geen verrassing hoeven zijn. Een eerste rimpeling deed zich voor in 2008 in de persoon van Sarah Palin, die Trump eerder dan bijna elke andere top-Republikein haar steun betuigde. Met haar minachting voor diploma’s en haar onbekommerde onbenulligheid was ze een avatar van Trump. Veel Republikeinen, onder wie veel vrouwen, herkenden zich in deze kleinsteedse vrouw-van-de-straat; veel mannen beschouwen de miljardair die geen blad voor de mond neemt als voorbeeld. Palin maakte met haar aanstellerij de gang van de politiek naar reality-tv, terwijl Trump brallerig de omgekeerde weg bewandelde. Samen sleten ze een pad uit dat al zowat gewoon is geworden.
Trump begreep bovendien wat de Republikeinse elite nog steeds moeite kost om te bevatten: de ideologie die hun partij sinds het eind van de jaren zeventig in haar greep heeft – antiregeringsgezind, probedrijfsleven, in naam godvruchtig – spreekt weinigen van de miljoenen gewone Republikeinen aan. De basis van de partij, de blanke werkende klasse van middelbare leeftijd, heeft minstens zo veel als elke andere bevolkingsgroep te lijden van globalisering, vrijhandel en immigranten die werken voor lage lonen. Trump had een neus voor de woede die uit die pijn oplaaide en gebruikte hem als brandstof voor zijn campagne. De conservatieve orthodoxie, die al door haar eigen extremisme was uitgehold – de laatste, minst aansprekende vaandeldrager was Ted Cruz – heeft een verbijsterende interne nederlaag geleden. En met Trump is er iets veel gevaarlijkers voor in de plaats gekomen: de politiek van de blanke identiteit.
De Democratische partij heeft een merkwaardige verstandhouding tot de blanke werkende klasse. Bernie Sanders richt zich tot haar en komt voor haar op, niet omdat ze blank is, maar omdat ze het slachtoffer is van de economie. Sanders hield zijn campagne de afgelopen week in Indiana vooral in leven doordat hij op elke laaggeschoolde stem voor Clinton er twee voor zichzelf wist te winnen. De berichtgeving over Sanders richt zich op de steun die hij geniet onder jonge of progressieve kiezers, maar hij doet het ook beter dan Clinton bij de blanke werkende klasse. Ook al verliest hij, Sanders laat zien dat een kandidatuur die op economisch populisme is gestoeld kiezers kan trekken die de Democratische Partij allang vaarwel hebben gezegd. Het valt moeilijk uit te maken of die kiezers, nu ze voor de keuze tussen Clinton en Trump staan, zich tot de Republikeinen zullen wenden, thuis zullen blijven of zullen stemmen voor een Democraat die tot nu toe geen idee had hoe hij hen kon bereiken.
Identiteitspolitiek van een ander slag dan dat van Trump wint aan belang onder het progressieve deel der natie. In sommige gevallen gaat die gepaard met een aversie jegens, of zelfs verachting voor, blanke en noodlijdende mede-Amerikanen. Een abstracte sympathie voor de werkende klasse als economische entiteit ligt voor de hand, maar die kan zomaar in rook opgaan als gevolg van daadwerkelijk contact met iemand die tot die klasse behoort en vaak verontrustende ideeën of hevige haatgevoelens koestert. Het zijn geen mensen die eruitzien of klinken als iemand die je als progressieve stedeling wilt kennen. Het privilege van de blanke man bestaat in Amerika nog altijd, maar het begrip klinkt tegenwoordig wrang en is misschien zelfs om woest van te worden als je als man van zestig uit Zuid-Ohio voor je werk klanten bij de Walmart verwelkomt. Het steeds grotere belang van identiteitspolitiek ter linkerzijde drijft de blanke werkende klasse, die soms terecht is gehekeld om haar onverdraagzaamheid, des te sneller in de armen van Trump.
‘Ze mogen dan het voorrecht van hun huidkleur genieten, dat is dan ook het enige privilege dat ze hebben’
Afgelopen jaar publiceerden twee economen van Princeton een onderzoek waaruit blijkt dat sinds de eeuwwisseling steeds meer blanke Amerikanen van middelbare leeftijd sterven, vooral de laagopgeleide. Dat geldt voor geen enkele andere leeftijds- of etnische groep in de Verenigde Staten. De belangrijkste oorzaken zijn alcohol, opiaten en zelfmoord: het is een epidemie van de wanhoop. In een artikel dat vervolgens in The Washington Post verscheen viel te lezen dat de crisis vooral hard toeslaat onder blanke vrouwen van middelbare leeftijd in plattelandsgebieden. In eenentwintig provincies in het zuiden en het Middenwesten is het sterftecijfer van deze vrouwen sinds het begin van deze eeuw zelfs verdubbeld. Anne Case, een van de coauteurs van het Princetononderzoek, zei: ‘Ze mogen dan het voorrecht van hun huidkleur genieten, dat is dan ook het enige privilege dat ze hebben.’
Volgens de Post zijn die regio’s waar de blanke werkende klasse de pijn van de crisis voelt de regio’s waar Trump veel aanhang geniet. Deze Amerikanen weten dat de economie en de cultuur hen in de steek laten. Ze voelen de onverschilligheid en de minachting van de winnaars aan de welvarende kusten en in de innovatieve steden, en die zijn wederzijds. Trump heeft de Republikeinse nominatie in de wacht gesleept door zondebokken te vinden voor de economische moeilijkheden en de verwoeste levens van de werkende blanke klasse, terwijl hij deze kiezers de geruststellende maar valse belofte doet dat ze weer tot het centrum van het Amerikaanse leven zullen gaan behoren. Hij speelt in op hun gevoel dat ze ergens recht op hebben, maar die loze belofte zal hun cynisme uiteindelijk alleen maar verergeren.
De Democraten hebben waarschijnlijk niet de stemmen van de blanke werkende klasse nodig om dit jaar te winnen. Demografische trends vallen in het voordeel van hun partij uit, evenals het opgeblazen en hatelijke ego van de Republikeinse voorkeurskandidaat. Niettemin kan de Democratische genomineerde het zich niet permitteren deze Amerikanen politiek of moreel af te schrijven. Zij hebben behoefte aan een politiek die eerlijke antwoorden geeft op hun legitieme klachten en die voorkomt dat ze nog verder naar zelfvernietiging afglijden.
Met zijn parels van reportages, politieke analyses, fictie en essayistiek, factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht.
Wie zijn toch de aanhangers van Donald Trump, die het Republikeinse establishment tot wanhoop drijven? Volgens The Washington Post vind je ze vaak in achtergebleven gebieden waar zich zelden een presidentskandidaat vertoont.
Lowell, Massachusetts – Dit oude industriestadje is vooral bekend om wat het ooit was, toen textiel fabrieken aan de oever van de Merrimackrivier werk boden aan duizenden immigranten uit Ierland, Rusland en Griekenland. Dat Lowell bestaat allang niet meer en nu vecht een nieuwe stad voor zijn bestaan. Ondanks de aanwezigheid van de University of Massachusetts- campus, heeft maar een op de vijf inwoners hier een universitaire opleiding. Het gemiddelde jaarinkomen per huishouden ligt rond de 49.500 dollar en dat blijft ver achter bij het gemiddelde van de staat en van het land. Negentien procent van de honderdduizend inwoners van de stad leeft in armoede.
Dit is het soort stad waar miljardair Donald Trump in zijn campagne voor het presidentschap graag zijn verkiezingsbijeenkomsten houdt, en waar zijn boodschap de meeste weerklank lijkt te vinden. De luidruchtige evenementen die het kenmerk en de drijvende kracht van Trumps campagne zijn geworden, zijn meestal niet zijn verkiezingsbijeenkomsten in staten als Iowa en New Hampshire, waar de verkiezingen vroeg plaatsvinden. Hij krijgt juist steeds meer een gezicht door de bijeenkomsten in steden waar zich zelden een presidentskandidaat vertoont. Het zijn vaak ook plaatsen die het moeilijk hebben: Mobile, Alabama, waar het werkloosheidscijfer hoger is dan gemiddeld in het hele land en in de staat zelf; Springfield, Illinois, waar de industrie nog niet over de recessie heen is; en Beaumont, Texas, dat zich zorgen maakt over de lage brandstofprijzen.
Hij krijgt staande ovaties voor zijn beloften dat hij banen uit het buitenland terug zal halen en een muur langs de zuidgrens zal bouwen
Deze stadjes – en veel andere die Trump tijdens zijn campagne heeft aangedaan – blijven op een aantal fronten achter bij de rest van het land en van hun eigen staat. Het gemiddelde inkomen per huishouden is lager, er is vaak minder eigen huizenbezit en er zijn minder inwoners met een universitair diploma. In de meeste van deze steden wonen veel minderheden, maar het publiek op Trumps bijeenkomsten is vrijwel geheel blank.
En bij dat publiek overheerst het gevoel dat het nog steeds niet goed genoeg gaat met de economie – en dat het misschien ook nooit beter zal worden dan het nu is, tenzij er een dramatische omslag plaatsvindt.
‘Ik zie hoeveel moeite mensen hebben om de basisbehoeften in het leven te betalen,’ zegt Alexis Arondson, 36, die geboren is in Lowell en voor [kabelgigant] Comcast werkt. Ze is van plan om zich als kiezer te registreren zodat ze op Trump kan stemmen. ‘Volgens mij is er de afgelopen jaren niets veranderd. Mensen zijn gewoon immuun geworden voor hoe het met de economie gaat. Iedereen heeft zich er maar bij neergelegd.’
Slimme underdog
In deze onbekende stadjes trekt Trump duizenden en duizenden bewonderaars die uren in de zinderende hitte of ijzige kou staan te wachten om hem te horen spreken. Hij doet zich voor als een soort underdog die met zijn boerenverstand het systeem heeft weten te verslaan, en hij wordt vaak het hardst toegejuicht wanneer hij tekeergaat tegen Democraten, het Republikeinse establishment, de media, graaiende bedrijven of elke andere instelling waardoor mensen zich in de steek gelaten voelen. Hij krijgt staande ovaties voor zijn beloften dat hij banen uit het buitenland terug zal halen en een muur langs de zuidgrens zal bouwen om illegale immigranten, terroristen en drugs buiten de deur te houden.
Volgens Trumps campagneleider Corey Lewandowski, die in Lowell is opgegroeid, heeft de campagne ‘heel, heel zorgvuldig’ de locaties voor verkiezingsbijeenkomsten uitgekozen. Er is speciaal gezocht naar plaatsen waar inwoners kansen hebben gemist en waar Trumps boodschap in goede aarde zou vallen. Lewandowski wees erop dat veel plekken die Trump aandoet, geen conservatieve bolwerken zijn waar Republikeinse presidentskandidaten het meestal goed doen. Trump kiest juist vaak steden met een ontevreden Democratische en Republikeinse arbeidersbevolking die het gevoel heeft niet te worden gehoord.
Zelf wijst Trump de suggestie dat hij zich op een bepaald type gemeenschap richt van de hand: ‘Nee, volgens mij gaan we overal heen.’
Trump stopt wel verwijzingen naar plaatselijke omstandigheden in zijn toespraken – in Michigan heeft hij het over auto’s, in Illinois over tractors, in Texas over olie – maar houdt grotendeels dezelfde speech, in welke staat hij ook is. Hij heeft voor deze verkiezingsbijeenkomsten kriskras door het land gereisd, maar de zorgen van het publiek zijn vrijwel overal gelijk.
Neem die 47-jarige man in Springfield die reuzenraden maakt en het gevoel heeft dat dat het laatste is wat nog in Amerika wordt gemaakt. Neem de 37-jarige spoorwegbeambte op een verkiezingsbijeenkomst in Worcester, Massachusetts, die zijn vakbond verwijt dat die hem onder druk heeft gezet om twee keer op Obama te stemmen. De 55-jarige voormalige restaurantbedrijfsleider uit West-Oklahoma die al langer dan een jaar geen werk meer heeft nu daar op steeds minder plekken olie wordt gewonnen en de steden leeglopen. En neem Kevin Steinke uit een voorstad van Grand Rapids, Michigan, die zegt dat hij niet weet hoe hij van zijn ongeregelde inkomen als consultant elke maand de zorgverzekeringspremies moet betalen.
‘Soms is zijn retoriek wel een beetje heftig, maar ik denk dat hij de spijker op zijn kop slaat en mensen raken gefrustreerd door het idee dat we niet vooruitkomen als land. Veel van ons hebben het gevoel dat we achteruit gaan,’ zegt Steinke, 53, die met zijn twee zoons naar een verkiezingsbijeenkomst van Trump in Grand Rapids is gekomen. ‘Hij zegt vaak wat mensen denken, en dat komt aan… We hebben in dit land een CEO nodig, geen opperpoliticus.’
Geen toekomst zonder Trump
Onder het publiek hier in Lowell is ook een 56-jarige kapper die zegt dat de economie volgens haar en haar klanten is vastgelopen. Er zijn twee broers van begin twintig in Lowell die zich aangetrokken voelen tot Trumps mentaliteit, in tegenstelling tot hun Democratische ouders, die zich zorgen maken om de veiligheid van hun zoons op de verkiezingsbijeenkomst. En er is een elfjarig meisje uit een voorstad van Boston met een zelfgemaakt T-shirt waarop staat: ‘Ik heb een toekomst gepland, maar zonder Trump is er geen toekomst.’
‘Ik hou van Trump omdat hij geen politicus is,’ zegt Heather Laine, 32, die al haar hele leven in Lowell woont, kleuteronderwijs geeft en ook op de bijeenkomst is. ‘Iedereen belooft altijd weer hetzelfde, behalve hij… Ik vind het goed dat hij altijd voor het oog van de natie zegt wat iedereen elke avond onder het eten thuis zegt.’
Laine zegt dat ze blij is met de diversiteit in Lowell, waar een kwart van de bevolking in het buitenland is geboren. Maar ze zegt ook dat sommige immigranten niet hard genoeg werken en te zwaar op de overheid leunen. ‘Ik ben er helemaal voor als mensen naar dit land willen komen en voor hun brood willen werken, maar dat willen ze niet. Ze willen alles voor niks krijgen,’ zegt Laine, die vertelt dat zij en haar man bij familie inwonen omdat ze zich geen eigen huis kunnen veroorloven. ‘De Amerikaanse droom, het lijkt wel of die niets meer voorstelt.’
Laine staat geregistreerd als Democraat, maar is van plan dat te veranderen en op Trump te gaan stemmen.
Backstage heeft Trump privéontmoetingen met supporters, plaatselijke leiders en politiemensen, met wie hij geanimeerd praat en bereidwillig op de foto gaat. Voor dat soort dingen heeft deze kandidaat alle tijd, want hij hoeft zich niet bezig te houden met het plezieren van rijke geldschieters. Tijdens deze meet-and-greets, waar geen pers wordt toegelaten, vertoont Trump volgens zijn medewerkers zijn talent voor kleinschalige politiek; hij gaat persoonlijke banden aan met stemmers in het hele land die zijn boodschap weer kunnen overbrengen aan hun vrienden, familieleden, collega’s en buren.
Toen Trump aankondigde dat hij in Lowell een verkiezingsbijeenkomst zou houden in het Tsongas Center – vernoemd naar een vroegere Democratische senator uit Lowell en voornamelijk gebruikt voor ijshockeywedstrijden – dachten sommige mensen in de stad dat het een grap was. Tientallen demonstranten zijn naar de bijeenkomst gekomen en staan buiten in de sneeuw met borden waarop boodschappen staan als ‘Jij, de KKK en Poetin willen Trump als president. Hoe voelt dat?’
‘Lowell is een smeltkroes van immigranten en wat Trump gelooft is volgens mij tegen immigranten,’ zegt Tooch Van (40), een immigrant uit Cambodja die als mentor op de gemeentelijke school in Lowell werkt en tegen Trumps verkiezingsbijeenkomst demonstreerde. ‘Ik begrijp er niets van.’
Trump houdt vol dat zijn publiek niet alleen maar uit nieuwsgierigen bestaat en dat zijn populariteit deel uitmaakt van een beweging die allerlei soorten kiezers bijeenbrengt, niet alleen de arbeiders.
‘Er is zo veel liefde in deze zalen – hier, in Dallas, overal waar ik kom’
‘Er is zo veel liefde in deze zalen – hier, in Dallas, overal waar ik kom,’ zegt Trump in Lowell, waar de sporthal volgepakt is met meer dan het maximale bezoekersaantal van 7800 mensen. ‘We zijn nu in Massachusetts, we gaan naar New Hampshire, we gaan naar Iowa, we gaan naar South Carolina, we gaan naar Nevada… We waren in Florida, waar het ongelooflijk was, in Texas, het is overal hetzelfde. Het is liefde. Het is liefde.’
Auteur: Jenna Johnson
Vertaler: Annemie de Vries
Jenna Johnson doet voor The Washington Post verslag van de presidentscampagnes 2016.
The Washington Post Verenigde Staten | oplage 700.000
Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.
Peter Wehner is een volbloed conservatief die voor drie Republikeinse regeringen werkte. Maar mocht Donald Trump het tot presidentskandidaat schoppen, dan zal hij niet op hem stemmen.
Keuze uit het archief
Afgelopen weekend werd beheerst door de moordaanslag op de Republikeinse presidentskandidaat Donald Trump, die hij op een haar na overleefde. De aanslag laat de grote verdeeldheid zien binnen de VS, waar sommige mensen met Trump weglopen en anderen hem tot op het bot verafschuwen.
In dit artikel van de NYT van begin 2016 zet de – nota bene – Republikein Peter Wehner de redenen uiteen waarom hij hoe dan ook nooit op Trump zal stemmen. Hoewel het artikel ruim acht jaar oud is, doet dat niets af aan zijn argumentatie. Ook dit jaar is de kans immers zeer aanwezig dat Trump in het Witte Huis zal komen, en het lijkt er niet op dat Trumps opvattingen en persoonlijkheid de afgelopen acht jaar zijn veranderd.
Te beginnen met Ronald Reagan heb ik sinds 1980 bij elke presidentsverkiezing Republikeins gestemd. Ik heb voor de regering van Reagan en voor die van George H.W. Bush gewerkt en ben in het Witte Huis speechschrijver en adviseur voor George W. Bush geweest. Ik heb ook meegewerkt aan Republikeinse verkiezingscampagnes. Ondanks – maar voor een groot deel ook dankzij – deze voorgeschiedenis zal ik niet op Donald Trump stemmen als hij de Republikeinse nominatie krijgt. Mochten Trump en mevrouw Clinton de Republikeinse en Democratische kandidatuur bemachtigen, dan stem ik liever op een redelijke, andere partij; is die mogelijkheid er niet, dan ga ik gewoonweg niet stemmen.
Hij zou de minst gekwalificeerde president uit de Amerikaanse geschiedenis zijn
Ik vermoed dat dit voor veel Republikeinen geldt. Er zijn veel redenen om niet op Trump te gaan stemmen als hij genomineerd wordt. Om te beginnen het feit dat hij de minst gekwalificeerde president uit de Amerikaanse geschiedenis zou zijn. Al onze vierenveertig presidenten tot nu toe hadden bestuurlijke of militaire ervaring opgedaan voor ze werden beëdigd. Vastgoedmagnaat en voormalig reality-tv-ster Trump heeft geen dag van zijn leven in een openbare functie of bij de strijdkrachten gediend. In de loop van zijn campagne heeft hij herhaaldelijk laten zien hoe groot zijn onwetendheid is als het gaat om basale zaken van nationaal belang – over de drie manieren waarop de Verenigde Staten kernbommen kan afvuren (vanaf land, vanuit zee, of vanuit de lucht), over het verschil tussen de Quds-strijdkrachten in Iran en de Koerden ten westen daarvan, en over de kernproeven van Noord-Korea.
Trump heeft geen zin om kennis te nemen van de meeste kwesties, laat staan om ze zich eigen te maken. Nooit eerder heeft een belangrijke presidentskandidaat zo veel minachting getoond voor kennis, zo’n gebrek aan interesse voor cijfers, en zo weinig gêne over zijn eigen achterlijkheid. Vandaar dat veel van de meest bejubelde uitspraken en beloften van Trump – om snel en ‘menselijk’ 11 miljoen immigranten het land uit te zetten, om Mexico te dwingen de muur die hij langs onze zuidgrens zal bouwen te betalen, om Islamitische Staat ‘heel snel’ te verslaan en vervolgens als extraatje de olie van die organisatie in beslag te nemen, om moslims de toegang tot de Verenigde Staten te weigeren – nativistische luchtkastelen en public relations-stunts zijn.
Wat Trump nog minder geschikt voor het ambt maakt, is zijn temperament. Hij is onberekenbaar, inconsequent en principeloos. Hij bezit een grofheid en wreedheid die zich manifesteerden in de manier waarop hij een gehandicapte Time-journalist nadeed, senator John McCain belachelijk maakte om zijn vroegere krijgsgevangenschap, een opmerking maakte over ‘bloed’ met de bedoeling een vrouwelijke journalist te vernederen en een van zijn tegenstanders vergeleek met een kinderverkrachter.
Het legendarische narcisme van de heer Trump zou grappig zijn als het in iemand die naar het hoogste ambt van het land streeft niet zo gevaarlijk was – zoals hij liet zien toen hij de wrede, anti-Amerikaanse president van Rusland, Vladimir Poetin, uitbundig prees, in antwoord op Poetins bewonderende uitspraken over hemzelf. ‘Het is altijd een grote eer,’ zei Trump vorige maand, ‘om zo’n mooi compliment te krijgen van een man die in zijn eigen land en daarbuiten zo hoog wordt geacht.’
Trumps giftige mix van onwetendheid, emotionele labiliteit, demagogie, kletspraat en wraakzucht zou meer teweegbrengen dan een mislukt presidentschap; die zou heel goed tot een nationale ramp kunnen leiden. Bij elke Amerikaan zou een rilling over de rug moeten lopen bij het vooruitzicht van Trump als opperbevelhebber.
Zijn nominatie zou de Republikeinse Partij en het conservatisme ernstiger bedreigen dan Hillary ooit zou kunnen
Voor Republikeinen is er nog een extra reden om niet op Trump te stemmen. Zijn nominatie zou de Republikeinse Partij en het conservatisme ernstiger bedreigen dan Hillary ooit zou kunnen. Want mevrouw Clinton kan de Republikeinse Partij misschien een nederlaag toebrengen, ze zou die partij nooit kunnen herdefiniëren. Trump kan dat wel, als hij de Republikeinse kandidaat wordt. Zijn deelname in de race om de nominatie in 2016 heeft al zeer schadelijke gevolgen gehad, maar die vallen nog in het niet bij wat er zou gebeuren als hij de Republikeinse vaandeldrager werd. De genomineerde is per slot van rekening de leider van de partij; hij geeft die vorm en betekenis. Onder aanvoering van Trump zal de Republikeinse Partij niet langer een conservatieve partij zijn; het zal een boze, racistische, populistische partij zijn. Trump zou een dramatische breuk vertegenwoordigen met de beste tradities van de partij en een fundamentele aanval daarop.
In de loop der jaren hebben we al de voorboden van het huidige trumpisme gezien, zowel qua onderwerpen als qua stijl – bijvoorbeeld tijdens de campagnes voor het presidentschap van Pat Buchanan in de jaren negentig, met de opkomst van Sarah Palin binnen de partij, en in de nietsontziende retoriek van mensen als [politiek commentator] Ann Coulter aan de rechtervleugel. De sentimenten die deze individuele leden drijven, hebben de partij beïnvloed en die invloed is de afgelopen jaren steeds verder gegroeid. Maar ze hebben nooit overheerst en ze zijn zeker nooit bepalend geweest. Daar zou verandering in komen met de nominatie van Trump.
Wordt Trump genomineerd, dan wordt de Grand Old Party de partij van de anti-rede. Ik zal nog verder gaan: ons regeringssysteem is bedoeld om juist het soort man als Trump te vermijden, het type leider dat onze stichters vreesden – een demagogische figuur die zichzelf niet ziet als onderdeel van ons constitutionele bestel, maar als alternatief daarvoor. Ik weet dat wij die in de politiek zitten wel vaker niet de genomineerde krijgen die we willen, maar dan scharen we ons toch achter de kandidaat die de nominatie van onze partij krijgt. Dat was in mijn ogen altijd zoals het hoorde.
Grens aan partijloyaliteit
Tot nu toe. Donald Trump heeft de politieke vanzelfsprekendheden veranderd omdat hij de morele vanzelfsprekendheden heeft veranderd. Voor deze levenslange Republikein is hij tenminste onaanvaardbaar. Er is een grens aan partijloyaliteit. Er zijn nog geen stemmen uitgebracht, voorverkiezingen zijn onvoorspelbaar en vaak overwint uiteindelijk de nuchterheid, dus Trump is niet de gedoodverfde Republikeinse genomineerde. Maar verbijsterend genoeg is dat op dit moment wel degelijk voorstelbaar. Als dit scenario uitkomt, komen veel Republikeinen terecht in een situatie die ze altijd ondenkbaar hebben geacht: dat ze weigeren de presidentskandidaat van hun eigen partij te steunen, omdat dat het beste is wat ze kunnen doen voor hun partij en voor hun land.
Ooit werd Frankrijk bestierd door tweehonderd families. In de VS gebeurt nu iets soortgelijks: uit onderzoek van The New York Times blijkt dat 158 superrijke families bijna de helft van al het campagnegeld bijeen hebben gebracht.
Het zijn in overgrote meerderheid rijke, oudere blanke mannen in een natie die in toenemende mate wordt gevormd door jonge kiezers, vrouwelijke kiezers en kiezers met een kleurtje. In dit onmetelijk grote land wonen zij vooral in een kleine archipel van exclusieve rijke wijken verspreid over een handjevol steden. En in een economie waarin miljardairs van oudsher fortuin maakten in een onafzienbare reeks verschillende industrieën, danken zij hun rijkdom grotendeels aan slechts twee sectoren: financiële dienstverlening en energie. Met hun enorme rijkdom hebben ze nu de politieke arena betreden. Bijna de helft van al het campagnegeld van de Democratische en Republikeinse kandidaten is van hen afkomstig. Uit onderzoek van The New York Times blijkt dat 158 families, deels via bedrijven die geheel of gedeeltelijk in hun handen zijn, nu al 176 miljoen dollar aan de campagnes hebben bijgedragen. Sinds Watergate is het niet meer gebeurd dat zo’n klein aantal mensen en bedrijven in zo’n vroeg stadium van de verkiezingen zo veel geld heeft ingebracht. Overwegend via kanalen die pas wettelijk zijn toegestaan sinds het Hooggerechtshof met het Citizens United-arrest vijf jaar geleden de weg vrijmaakte voor super-PAC’s [zie kader onderaan dit artikel]
De samenstelling van deze groep donateurs weerspiegelt de veranderende samenstelling van Amerika’s economische elite. Er zitten betrekkelijk weinig mensen bij met oud geld of uit het traditionele bedrijfsleven. De meesten hebben zelf een bedrijf opgebouwd en zijn rijk geworden met een combinatie van lef en talent: door het oprichten van een hedgefonds in New York, door het opkopen van onderschatte olievelden in Texas of door kassuccessen in Hollywood. Meer dan een dozijn van deze donateurs is niet geboren in de VS maar in Cuba, de voormalige Sovjet-Unie, Pakistan, India of Israël.
Maar hoe ze hun geld ook hebben verdiend, in hun politieke voorkeur neigen de grootste donateurs aan de verkiezingscampagnes naar rechts. Ze hebben al tientallen miljoenen gedoneerd aan Republikeinse kandidaten die paal en perk beloven te stellen aan regelgeving en overheidstoezicht, aan de belastingtarieven op inkomen, vermogenswinst en erfenissen en aan subsidies en sociale voorzieningen. Allemaal beleidskeuzes die hun eigen rijkdom beschermen, maar die ze om andere redenen zeggen te omarmen: volgens hen leidt dit tot economische groei en behoud van een stelsel dat ook anderen in staat stelt rijk te worden.
‘Veel families die op eigen kracht rijk zijn geworden, vinden dat kleine ondernemingen last hebben van het woud aan regelgeving,’ zegt Doug Deason, een belegger uit Dallas die vijf miljoen in de campagne van de Texaanse gouverneur Rick Perry had gestoken. (Nu Perry zich heeft teruggetrokken, dingen veel andere kandidaten naar zijn gunsten.) ‘Zij hebben goed geboerd. En ze gunnen het andere mensen om ook goed te boeren.’
Het zijn razend succesvolle ondernemers die gewend zijn bergen te verzetten, en graag tegen de stroom inroeien
Tegenwicht voor demografie
Met al dat geld voor Republikeinse kandidaten bieden deze rijke donateurs financieel tegenwicht aan de demografische ontwikkeling. Die levert juist steeds meer electorale steun op voor de Democraten en hun economische beleid. Uit een peiling van The New York Times en CBS News bleek in juni dat twee derde van alle Amerikanen voorstander is van een hoger belastingtarief voor wie meer dan een miljoen per jaar verdient. Zes op de tien is voorstander van actiever overheidsbeleid om de kloof tussen arm en rijk te dichten. En volgens het Pew Research Center is bijna zeven op de tien Amerikanen voor behoud van ons huidige uitkeringen- en ziektekostenstelsel.
Republikeinse kandidaten hebben moeite om stemmen te winnen onder latino’s, vrouwen en zwarte kiezers. Maar in deze campagne blijken de Republikeinen een grote voorsprong op de Democraten te hebben in de wereld van de zogenaamde super-PAC’s. Voor donaties aan het campagneteam van een kandidaat geldt een strikte limiet, maar aan zo’n ‘onafhankelijk’ political action committee mag iedereen zo veel geven als hij wil. De meeste donaties vloeien dan ook daarheen. Tot 30 juni hadden de 158 grootste donateurs in de campagne ieder al minstens 250.000 dollar bijgedragen, zo blijkt uit gegevens van de Federale kiescommissie en andere bronnen. En nog eens 200 andere families gaven ieder meer dan 100.000 dollar. Bij elkaar opgeteld waren deze twee groepen verantwoordelijk voor meer dan de helft van al het campagnegeld tot nu toe, en het leeuwendeel daarvan ging naar Republikeinen. ‘Het stelsel voor campagnefinanciering werkt nu als tegenkracht tegen de feitelijke ontwikkeling van het electoraat en het beleid dat kiezers willen,’ zegt Ruy Teixeira, een politicoloog van het linkse Center for American Progress.
In hun politieke voorkeur neigen de grootste donateurs naar rechts
Eigen klasse
Zoals de meeste superrijken treden de nieuwe donateurs niet graag naar buiten. De meeste families die wij benaderden, wilden ons niet te woord staan over hun campagnebijdragen of hun politieke denkbeelden. Veel donaties waren afkomstig van bedrijfsadressen of postbusnummers, of ze liepen via brievenbusfirma’s of trustfondsen. Allemaal nieuwe methoden die mogelijk zijn gemaakt door het Citizens United-arrest, dat bedrijven veel meer speelruimte geeft om verkiezingscampagnes te financieren. Sommige donateurs staan vanwege hun privacy of om belastingtechnische redenen niet ingeschreven als eigenaar van het huis waar ze wonen. Dat maakt het nog moeilijker de sociale verwevenheid en de familiebanden van deze kleine groep te achterhalen.
Maar uit interviews en onderzoek in openbare bronnen – zoals kiezersregistraties, bedrijfsgegevens en data van de federale kiescommissie – komt een beeld naar voren van een heel eigen klasse die geografisch, sociaal en economisch sterk samenklit. De wijken waar ze wonen, zouden samen bijna allemaal binnen de stadsgrenzen van New Orleans passen. Maar nog geen vijfde van de totale bevolking van die wijken bestaat uit minderheden, en praktisch niemand is zwart. De bewoners verdienen er vierenhalf keer zo veel als de gemiddelde Amerikaan en de kans dat ze een universitaire opleiding hebben genoten is tweemaal zo hoog. De meeste families wonen in slechts negen steden, vaak vlak bij elkaar in buurten zoals het chique Bel Air en Brentwood in Los Angeles of River Oaks in Houston, een wijk die vooral in trek is bij topmannen van energiebedrijven. Of Indian Creek Village, een particulier eiland bij Miami met een eigen beveiligingsdienst, 35 villa’s en een 18 holes-golfbaan. Soms zijn ze, Republikeinen zowel als Democraten, donateur van dezelfde musea, symfonieorkesten of hulpprogramma’s voor achterstandskinderen. Ze doen samen zaken, ze trouwen met elkaar en zitten soms in hetzelfde pokerclubje. Meer dan vijftig leden van deze families staan in de Forbes 400-lijst van de rijkste miljardairs van het land. Ze zijn zo rijk dat zelfs een campagnebijdrage van een miljoen dollar voor hen een kleinigheid is.
Neem hedgefondsmiljardair Kenneth C. Griffin uit Chicago: volgens de gegevens die zijn vrouw indiende in hun echtscheidingszaak, bedraagt zijn besteedbaar inkomen 68,5 miljoen dollar per maand. Hij heeft in totaal 300.000 dollar aan lobbygroepen van Republikeinse presidentskandidaten gegeven. Dat lijkt een enorm bedrag, maar gemeten naar zijn jaarinkomen is het evenveel als 21,17 dollar voor een gemiddeld Amerikaans huishouden (uitgaande van cijfers over het gemiddeld besteedbaar inkomen van het Congressional Budget Office [de Amerikaanse rekenkamer]).
De rijkdom van deze families is deels een gevolg van de enorme groei van de financiële dienstverlening en de hausse in de olie- en gasindustrie, twee ontwikkelingen die de Amerikaanse economie in de afgelopen decennia ingrijpend hebben veranderd. De families profiteren bovendien van de politieke en economische ontwikkelingen die ten grondslag liggen aan de groeiende kloof tussen arm en rijk. Terwijl het aandeel van de middenklasse in het nationaal vermogen en het nationaal inkomen is gekrompen, is dat van deze families juist gegroeid.
Zoals de meeste superrijken treden de nieuwe donateurs niet graag naar buiten
De vermogensgroei is vooral hard gegaan in de hogere echelons op Wall Street. Waar beleggers voorheen vooral het geld van anderen beheerden, werden ze steeds vaker zelf schatrijk. Eén tiende procent van de Amerikaanse belastingbetalers werkt in de financiële sector, en volgens één onderzoek is hun aandeel in het nationaal inkomen sinds 1979 vervijfvoudigd. Van de hier besproken families zijn er 64 rijk geworden in de financiële sector. Dat is de grootste subgroep onder de superdonateurs in deze verkiezingsrace. De meeste hebben zich daarbij niet omhooggewerkt binnen een gevestigd bedrijf als Goldman Sachs of Exxon. Ze hebben, al dan niet in samenwerking met anderen, eigen ondernemingen opgezet. In de financiële sector beheerden ze hedgefondsen en andere risicovolle beleggingsfondsen die profiteerden van het gunstige belastingklimaat voor schulden en beleggingen, en van de aantrekkende beurzen en lage rentetarieven van de laatste tijd. In de energiesector gaat het onder meer om avonturiers die als eersten profiteerden van de nieuwe boortechnieken en de hoge energieprijzen die de winning van schaliegas in North Dakota, Ohio, Pennsylvania en Texas rendabel maakten. Anderen maakten fortuin door die pioniers te voorzien van pijpleidingen, vrachtwagens en apparatuur om te ‘fracken’.
In beide sectoren kan een succesvol bedrijf in korte tijd enorme winsten opleveren – in tegenstelling tot sectoren waar het kapitaal vastzit in investeringen. En als ze niet worden gehinderd door aandeelhouders of een raad van bestuur, hebben deze ondernemers alle vrijheid om met dat geld hun politieke passie uit te leven. Meer dan de helft van het geld van de 158 grootste donateurs komt uit deze twee sectoren. ‘Als ik die families zie: dat zijn razend succesvolle ondernemers die gewend zijn om bergen te verzetten, en die graag tegen de stroom in roeien,’ zegt David McCurdy, vroeger Congreslid voor Oklahoma en nu voorzitter van de Vereniging van Amerikaanse Aardgasbedrijven.
Grote beursgenoteerde bedrijven laten zich doorgaans niet in met super-PAC’s, vanwege de negatieve publiciteit over de invloed van het grote geld op de campagnes. Maar deze zelfstandige ondernemers stoppen er rustig miljoenen in. En ze zetten hun geld soms op kandidaten waar het partijestablishment en traditionele donateurs de neus voor ophalen. Neem de drie families die tot nu toe de grootste campagnebijdragen hebben gedoneerd: de familie Wilks uit Texas, die miljarden heeft verdiend met vrachtwagens en boorapparatuur voor de schaliegasvelden; de familie Mercer uit New York, van hedgefondsbelegger Robert Mercer; en Toby Neugebauer, een private equity-belegger uit Texas. Allemaal steunen zij de Texaanse senator Ted Cruz, de uiterst conservatieve Tea Party-hardliner die slecht ligt bij de Republikeinse partijtop.
‘Veel geld inzetten op iets waar anderen nog niets in zien. Dat is de overeenkomst tussen het succes in die twee sectoren, energie en beleggingen,’ zegt Tim Phillips. Hij is de voorzitter van Americans for Prosperity, een conservatieve lobbygroep gelieerd aan de Republikeinse geldschieters Charles G. en David H. Koch.
Sommige families zitten in netwerken van ideologisch gedreven partijdonateurs die, zowel op links als op rechts, fundamentele invloed proberen uit te oefenen op de koers van hun partij. Zo zijn meer dan een dozijn donateurs of hun familieleden ook betrokken bij Koch Seminars, de tweejaarlijkse conferentie van de gebroeders Koch, die via diverse lobbygroepen onder meer ijveren voor afschaffing van de Export-Import Bank [een bank van de federale overheid, die kredieten verstrekt om de export van Amerikaanse goederen te bevorderen. Het rendement hiervan is omstreden en rechts-conservatieven zoals de gebroeders Koch beschouwen dit als een ongewenste vorm van staatsinmenging in de economie]. Dat geldt bijvoorbeeld voor bovengenoemde Deason en zijn vrouw, voor beleggingspionier Charles Schwab, wiens vrouw Helen veel aan de partij doneert, en voor Karen Buchwald Wright, van de familie die compressoren voor de winning en het transport van aardgas maakt. ‘De meeste deelnemers aan de conferentie zijn ondernemers die hun bedrijf helemaal zelf, van de grond af, hebben opgebouwd,’ zegt Deason, die alle vormen van subsidies en sociale uitkeringen wil afschaffen, ook als zijn eigen investeringen ervan profiteren.
Anderen, zoals hedgefondsbelegger George Soros en zijn zoon Jonathan, hebben juist banden met de Democracy Alliance, een netwerk van linkse partijdonateurs die willen dat de Democratische partij veel meer doet aan klimaatbeleid en een progressief belasting- stelsel. Deze groep geldschieters, die hun rijkdom veelal te danken hebben aan Hollywood of Wall Street, hebben miljoenen in de campagne van Hillary Clinton gestoken.
Veel op het spel
Tot op zekere hoogte doneren deze families geld omdat ze persoonlijke, regionale of professionele banden hebben met de kandidaten die ze steunen. De vader van Jeb Bush heeft zijn geld verdiend in de olie en Jeb Bush heeft zelf miljoenen verdiend op Wall Street. Sommige kandidaten die door de superrijken worden gesteund, hebben een politiek ambt bekleed in Florida of Texas, de twee staten waar de meeste families op de lijst van 158 wonen. Maar dat deze families de mogelijkheden van het Citizens United-arrest ten volle uitbuiten, is vooral een teken dat er voor hen ook veel op het spel staat, juist in de financiële dienstverlening en de energiesector. De regering Obama, de Democraten in het Congres en zelfs Jeb Bush zijn voorstander van regelgeving en belastingmaatregelen die een fikse lastenverhoging voor durfkapitaal- en private equity-fondsen kunnen betekenen. Hedgefondsen kenden van oudsher weinig regelgeving, maar zijn sinds 2010 gebonden aan de regels van de Dodd-Frank-wet [848 pagina’s aan financiële regulering die in juli 2010 werden doorgevoerd ter bestrijding van de financiële crisis]: verschillende Republikeinse kandidaten hebben beloofd om die terug te draaien, terwijl Clinton hem juist wil handhaven.
En de schaliegashausse heeft in korte tijd weliswaar heel veel geld opgeleverd, maar ook geleid tot overproductie van olie, waardoor de prijzen nu dalen. Binnen de industrie bestaat brede steun voor opheffing van het veertig jaar oude verbod op de export van olie, om Amerikaanse olieproducenten een nieuwe afzetmarkt te geven, en voor de aanleg van de omstreden Keystone XL-oliepijpleiding [vanuit Canada naar de VS. Olie-raffinaderijen, milieuactivisten en enkele leden van het Amerikaanse Congres spanden rechtszaken aan die de bouw moesten dwarsbomen]. ‘Ze vragen geen hulp van de overheid, ze willen alleen graag olie exporteren, en de meesten willen ook de Keystone-pijpleiding,’ zegt T. Boone Pickens, belegger en voorstander van aardgaswinning, over zijn collega’s in de energiesector. ‘De olie- en gasindustrie heeft wonderen verricht voor dit land. Ze betalen zich krom aan belasting, en toch blijven de mensen je aanvallen,’ vervolgt Pickens, die 125.000 dollar heeft gedoneerd aan steuncomités voor Jeb Bush of Carly Fiorina. ‘Het zijn ondernemers, en ze hebben overal een mening over.’
Nicholas Confessore, Sarah Cohen en Karen Yourish
Kader: Wat zijn super-PAC’s?
Amerikaanse presidentskandidaten krijgen in hun campagnes vaak bijval van zogenaamde political action committees (PAC’s), lobbygroepen die in naam onafhankelijk zijn, maar in feite actie voeren voor (en vooral ook tegen) specifieke kandidaten. Net als de financiering van campagneteams is die van PAC’s aan strikte regels gebonden: donaties mogen niet anoniem plaatsvinden en niet meer bedragen dan 5000 dollar per persoon. Maar twee uitspraken van het Hooggerechtshof in 2010, waaronder het Citizens United-arrest, hebben de weg vrijgemaakt voor zogenaamde super-PAC’s. Daaraan mogen particulieren en bedrijven zo veel geld doneren als ze willen. Officieel mogen de super-PAC’s niet met een kandidaat of zijn campagneteam overleggen over de te volgen koers, maar in de praktijk spelen hun publiciteitscampagnes al sinds 2012 een grote rol in de verkiezingen.
Sinds zijn hatelijke tirades tegen Mexicaanse immigranten, heeft el señor Trump voor de jeugd uit de latinogemeenschap het imago van een schurk uit een superheldenstrip.
Latinokinderen hebben een hele hoop monsters en spoken om van te griezelen. Neem La Llorona, die haar dode kinderen beweent [er bestaan vele versies van het verhaal, maar het gaat altijd om een moeder die haar kinderen heeft vermoord, waarna ze ‘s nachts huilend naar hen op zoek gaat]. Of de iets jongere legende van de Chupacabra, die zich voedt met het bloed van geiten, maar desnoods ook met stoute, kleine kinderen. En nu kunnen we een nieuwe boeman toevoegen aan het Latijns-Amerikaanse arsenaal van enge verhalen voor het slapengaan. Die boeman heet ‘de Donald’.
Sinds Donald Trump zijn campagne voor het Republikeinse kandidaatschap begon met een hatelijke tirade tegen Mexicaanse immigranten heeft hij in de latinogemeenschap een imago als van een schurk in superheldenstrips. De boeman met het fletse pompadoerkapsel die met dreigementen en beledigingen strooit is inmiddels in ieder latinogezin een begrip. Kinderen zien hem op tv of horen aan tafel hun ouders over hem praten.
In Lynwood, een overwegend door latino’s bevolkte arbeiderswijk in Los Angeles, is het niet moeilijk om kinderen te vinden die van el señor Trump hebben gehoord. Hugo, zeven jaar en klein van stuk, is de zoon van Mexicaanse immigranten. Hij is nog te jong om te snappen wat Trump bedoelt als hij Mexicaanse immigranten voor ‘verkrachters’ uitmaakt, en vat diens boodschap kernachtig samen als ‘Mexicanen zijn lelijk’.
‘Zijn woorden raken ons latino’s in de ziel’
Als Trump Mexicanen weer eens publieke- lijk voor moordenaars uitmaakt, raken zijn woorden ons latino’s in de ziel. We zijn beledigd, we zijn gekwetst en we zijn boos. ‘Ik ben bang dat iemand hem iets zal aandoen,’ zei mijn dochter van tien laatst. En je kunt Trump nu al een symbolisch pak slaag geven: aan de andere kant van de grens, in Tijuana, gaan Trump-piñata’s als warme broodjes over de toonbank.
Trumps campagne speelt in op de grootste angst van gezinnen zoals dat van Hugo: de kans dat Hugo van zijn ouders gescheiden wordt. Hugo is in de VS geboren [en daarmee automatisch Amerikaans staatsburger], maar zijn vader en moeder zijn tien jaar geleden uit Mexico gekomen.
‘We hebben hem verteld dat wij niet over dezelfde papieren beschikken als hij,’ zegt Hugo’s vader. ‘En we hebben hem moeten uitleggen dat er mensen zijn die ons hier niet willen, zoals Donald Trump en Arpaio.’ Hij doelt op sheriff Joe Arpaio van Maricopa County in Arizona. Die was in juli aanwezig op Trumps verkiezingsbijeenkomst in Arizona en staat bekend om zijn harde beleid tegen illegale immigranten. In gedachten noem ik hem altijd onze Cucuy (naar de boeman uit volks- verhalen, ook wel El Cuco genoemd, die kinderen ontvoert). Presentator Bill O’Reilly van Fox News is voor mij El Cadejo (een boze geest met scherpe tanden) en de conservatieve commentator Ann Coulter een Llorona die ¡Adiós, América! krijst – de titel van haar laatste anti-immigratieboek, waarin ze Mexico een ‘derdewereld-hel’ noemt.
Maar het is vooral ‘de Donald’ die tegenwoordig in de belangstelling staat. Met zijn ongegeneerde vreemdelingenhaat ligt hij in het versnipperde Republikeinse kamp ineens op kop. Net als sommige politici destijds in de Weimarrepubliek heeft hij een ideale zondebok gevonden in een groep die zich moeilijk kan verdedigen en waar een flinke minderheid van het electoraat graag op afgeeft.
‘Wij latino’s worden sterker en dat zint hem niet’
En zijn schimpscheuten spoken ook de allerkleinsten door het hoofd. ‘Hij zei dat Mexicanen slecht zijn, dat ze drugs willen verkopen,’ zegt de negen jaar oude Alexandra Rubalcava. ‘Hij wil de Mexicanen het land uit schoppen en hier alleen met Amerikanen wonen. Dat vind ik niet netjes. Iedereen moet eerlijk zijn, we moeten allemaal netjes behandeld worden.’ Alexandra is met haar vader en haar twee zusjes in Plaza México, een winkelcentrum in Lynwood dat de Mexicaanse identiteit uitdraagt met replica’s van Olmeekse beelden, een standbeeld van Pancho Villa en de gevel van een koloniale kerk. Ik vraag waarom ze trots is op Mexicanen. ‘Omdat ze heel hard werken voor geen geld,’ zegt ze.
Anderen zien in Trumps agressie een teken van zwakte. ‘Wij latino’s worden sterker en dat zint hem niet,’ zegt Irene Huerta, een studente van 24. ‘Hij kan ons wel uitschelden, maar steeds meer latino’s gaan studeren en willen daarin uitblinken. Ik in ieder geval wel.’ En Trump is dus alleen maar een extra aansporing. Dat krijg je als je een hele bevolkingsgroep aanvalt: je wordt een hoofdstuk in hun verhaal over de obstakels die ze hebben moeten overwinnen.
Fabeltje
‘Mijn broer heeft me een filmpje laten zien,’ zegt Damaris, op de draaimolen in Plaza México. ‘Hij zegt heel verkeerde dingen over Mexicanen.’ Een meisje van tien zoals Damaris ziet ‘de Donald’ op de roltrap in zijn Trump Tower. Of ze ziet hem in Texas bij de grens, een wit petje op zijn hoofd met de tekst ‘Make America Great Again’. En ze begrijpt niet precies wat hij zegt, maar ze voelt dat haar ouders en haar grote broer boos en bezorgd zijn. En zo leert ze van ‘de Donald’ onbedoeld diezelfde waardevolle les die de essentie is van alle griezelverhalen: pas op, want er zijn mensen in de wereld die je kwaad kunnen doen.
Maar wees niet bang, niños. Monsters zijn uiteindelijk maar een fabeltje. En je kunt er altijd een piñata van maken en daar net zo hard op slaan tot het papier scheurt en er snoep uit valt.
Populisten zoeken eenvoudige antwoorden op ingewikkelde problemen. Hun no-nonsens-retoriek appelleert aan diep ontgoochelde mensen die het idee hebben dat hun iets is afgepakt. Maar, schrijft George Packer, ze rekken ook de grenzen van het debat op en zorgen uiteindelijk voor belangrijke veranderingen.
Thomas E. Watson, een populist uit Georgia met een lange, allengs demagogischer loopbaan in de Amerikaanse politiek, schreef in 1910: ‘Het schuim der schepping wordt bij ons gedumpt. Enkele van onze belangrijkste steden zijn eerder buiten- lands dan Amerikaans. De gevaarlijkste, verderfelijkste hordes van het Avondland overspoelen ons. De zedeloosheid en de misdaad waarmee ze ons confronteren, zijn misselijkmakend en angstaanjagend. Wat brengt deze Goten en Vandalen naar onze kust? Vooral de industriëlen treft blaam. Zij wilden goedkope arbeid en het kon ze geen moer schelen dat hun harteloze beleid onze toekomst zou kunnen schaden.’
Het voorwerp van Watsons gal waren de Italianen, de Polen, de Joden en andere Europese immigranten die destijds de Verenigde Staten binnenstroomden. Een eeuw later, in de populistische zomer van 2015, juichen sommige van hun achterkleinkinderen Donald Trump toe wanneer die de jongste generatie immigranten hekelt in bewoordingen die opvallend veel lijken op die van Watson.
Bernie en Trump
De geschiedenis van het Amerikaanse populisme is complex en Watson belichaamde de paradoxen ervan. Hij besloot zijn loopbaan als senator met het aanwakkeren van de haat van het blanke, protestantse volksdeel jegens zwarten, katholieken en Joden. Maar aanvankelijk drong hij er als leider van de People’s Party (‘Volkspartij’) bij zwart en blank op aan de handen ineen te slaan om een door ‘de macht van het geld’ gedomineerde economische orde omver te werpen. Watson eindigde als een soort Trump, maar begon als een soort Bernie Sanders, de huidige presidentskandidaat en zelfverklaarde ‘democratische socialist’. Dat Watson tekeerging tegen die ene procent van de bevolking die aan het einde van de negentiende eeuw bijna alles bezat, zou Sanders met trots hebben vervuld. Een paar van Watsons vroege ideeën – zoals gratis postbezorging op het platteland – werden uiteindelijk gerealiseerd.
De wispelturige aard van het populisme kan de vonk tot hervormingen zijn, maar ook tot conservatisme, tot idealisme of de zoektocht naar een zondebok.
Populisme is eerder een instelling en een bepaald soort retoriek dan een ideologie of een reeks standpunten
Het komt tot bloei in tijden als die van Watson en die van onszelf, waarin talloze burgers die zichzelf als de ruggegraat van Amerika beschouwen (destijds de ‘handwerklieden’, tegenwoordig de ‘middenklasse’) het gevoel hebben dat ze aan de verliezende hand zijn. Het zijn bepaald niet de verschoppelingen der aarde: Sanders trekt hoogopgeleide stedelingen, Trump kleinsteedse zakenlui. Het zijn mensen die het idee hebben dat hun iets wordt afgepakt, die een visioen hebben van een Amerika van weleer dat onder vuur ligt en waarin alles beter was.
Populisme is eerder een instelling en een bepaald soort retoriek dan een ideologie of een reeks standpunten. Het spreekt van een strijd tussen goed en kwaad en eist eenvoudige antwoorden op ingewikkelde problemen. (Trump: ‘De handel? Gaan we regelen. Gezondheidszorg? Gaan we ook regelen.’) Het wantrouwt het gebruikelijke handjeklap en gepolder dat bij democratisch bestuur komt kijken. (Tijdens politieke redevoeringen geeft Sanders zelden hoog op van de successen die hij boekt als voorzitter van de uit beide partijen samengestelde senaatscommissie voor veteranenaangelegenheden.) Populisme is zowel samenzweerderig als apocalyptisch van aard: het is het geloof dat het land, of althans een flinke meerderheid, door toedoen van een bepaalde groep boosdoeners (Mexicanen, miljardairs, Joden, politici) op de ondergang afstevent.
Trump: ‘De handel? Gaan we regelen. Gezondheidszorg? Gaan we ook regelen’
Bovenal vertolkt én behaagt het populisme de authentieke stem van het volk. Zowel de aanhangers van Sanders als die van Trump prijzen hun kandidaat omdat ze, anders dan de politici, durven zeggen wat gewone mensen denken. ‘Ik ben het dan misschien niet met alles eens wat Bernie zegt, maar ik denk dat hij ergens voor staat, dat hij daaraan vasthoudt en ons niet zal voorliegen,’ zei zijn aanhanger Liam Dewey tegen ABC News. Dat Sanders net zo monotoon speecht als een spreker tijdens de Conferentie voor Socialistische Wetenschappers van rond 1986 – die overigens door 27.000 deelnemers werd bezocht – maakt zijn geloofwaardigheid er alleen maar groter op. Hij is de onwaarschijnlijke lieveling van een ten diepste ontgoocheld publiek. Wat Trump betreft: zijn retoriek is zo bot en impulsief dat zijn fans zich er voortdurend van verzekerd weten dat die authentiek is.
De fenomenen Trump en Sanders reageren op hetzelfde politieke klimaat en lijken oppervlakkig gezien op elkaar. Allebei staan ze niet bekend om hun trouw aan de partij, wat hun imago als man van de straat juist ten goede komt: ze ontlenen hun autoriteit aan de rechtstreekse band met hun aanhangers, zonder tussenkomst van een of andere institutie. Ze gaan allebei tekeer tegen buitenlandse-handelsovereenkomsten, geven af op het officieuze werkloosheidscijfer en steken hun minachting voor politici en het foute geld dat ze ophalen om aan de macht te blijven niet onder stoelen of banken. Eind augustus had Trump zelfs geen goed woord over voor de maas in de wet die investeringsmanagers de kans biedt de belasting op hun winst te omzeilen (een favoriet mikpunt van links). ‘Al gaan ze over lijken, die hedge- fondsgasten gaan vrijuit,’ zei hij tegen CBS News. ‘Ze schuiven alleen maar papier heen en weer en worden er beter van.’
Maar het verschil tussen Sanders en Trump is groot en fundamenteler dan het verschil tussen hun persoonlijke stijl en hun plaats in het politieke spectrum. Sanders, die het merendeel van zijn loopbaan een buitenstaander binnen het politieke systeem was, gelooft heilig in de politiek. Hij beschouwt die als een klassenstrijd (meer nog dan Elizabeth Warren lijkt hij de rijken écht te haten), maar gelooft dat dat conflict met verkiezingen en wetten kan worden opgelost. Wat Sanders een politieke revolutie noemt, zijn eerder ingrijpende maar begrijpelijke hervormingen. Hij stelt een belasting op financiële transacties en de opheffing van grote banken voor, maar vraagt niet om nationalisatie van de bankensector. Zijn opvattingen jagen Wall Street misschien op de kast, ze vallen binnen de grenzen van de rationele overtuiging.
Wat Trumps overtuigingen verder ook mogen zijn, hij speelt het spel van de antipolitiek. Van George Wallace tot Ross Perot: antipolitiek is een constante factor in de recente Amerikaanse geschiedenis. Uiteenlopende presidents- kandidaten als Jimmy Carter, Ronald Reagan en Barack Obama zijn president geworden doordat het leek alsof ze de verguisde politiek-bestuurlijke sector afwezen dan wel erboven stonden. Trump voert dat spel door tot in het demagogisch extreme. In het vocabu- laire van zijn verkiezingstoespraken is geen vuiger woord denkbaar dan ‘politicus’. Hij voedt de verachting van zijn publiek voor alleen al het idée dat problemen met politieke middelen kunnen worden opgelost. China, IS, immigranten, werkloosheid, Wall Street: laat het maar aan Trump over, hij bouwt gewoon een muur, deporteert die elf miljoen illegalen, herschrijft de grondwetparagraaf over burgerrechten, schept banen, doodt terroristen. Elk voorstel draait louter om hemzelf, de leider die de ondergang van het land afwendt puur dankzij de kracht van zijn persoonlijkheid. Toen hij onlangs sprak in Mobile, in Alabama, vroeg hij zich zelfs af of er wel een evenredige volksvertegenwoordiging nodig was. Nadat hij op zijn voorsprong in de verschillende peilingen had gewezen, vroeg hij de dertigduizendkoppige menigte: ‘Waar hebben we verkiezingen voor nodig? Nergens voor.’ Wanneer Trump zijn ogen tot spleetjes knijpt en zijn onderlip naar voren duwt, is hij een showman die doet alsof hij een sterke man is.
Er zijn in de Amerikaanse geschiedenis niet veel voorbeelden van populistische sterke mannen te vinden (selfmade man Huey Long, de in het interbellum actieve ‘dictator van Louisiana’, is een van hen). Daarvoor zijn we te zeer gehecht aan de democratie, zo niet aan haar instituties en belangrijke vertegenwoordigers. Er zijn meer voorbeelden van populisten die zonder de presidentsverkiezingen te winnen de grenzen van het debat hebben opgerekt en uiteindelijk voor belangrijke veranderingen hebben gezorgd (onder wie Robert M. La Follette Sr.). Hoewel populisten zelden tot president worden gekozen, kunnen ze – zoals de jonge én de oude Tom Watson – de politieke lucht klaren dan wel bezoedelen.
De democraat Bernie Sanders, die Hillary Clinton in de peilingen begint te naderen, is na Donald Trump de meestbesproken Amerikaanse presidentskandidaat van dit moment. En de meest onwaarschijnlijke. De wat norsige senator uit Vermont is een openlijk socialist, die het hele politieke systeem op zijn kop wil zetten.
De allereerste vraag op de allereerste campagne bijeenkomst van Bernie Sanders in Iowa komt van een jonge knul met een baard en een superheldenshirt. Hij wil weten wat Sanders’ plannen zijn voor de regelgeving rond onlinepoker.
‘Om heel eerlijk te zijn: dat is niet iets waarover ik al veel heb nagedacht,’ zegt de 73-jarige senator van Vermont ronduit. Hij zwijgt even en mompelt dan: ‘Een van mijn kinderen pokert best veel, geloof ik. Als de vraag is: mogen bedrijven pokerspelers een poot uitdraaien, dan is het antwoord nee. Ziet u, mensen, dat is iets wat je als senator leert: iedereen snijdt wel een probleem aan.’
Sanders heeft opvallend wit haar en zijn bruuske manier van praten en zijn zware Brooklyn-accent doen denken aan de komiek Larry David. Of om precies te zijn: aan Larry Davids imitatie van de barse honkbalclubvoorzitter Steinbrenner in Seinfeld. ‘Er is al meer geschreven over mijn haar dan over mijn plannen voor de infrastructuur of het hoger onderwijs, dat is zeker,’ klaagt Sanders later tegen me. Deze donderdagavond in mei houdt hij een toespraak op St. Ambrose University, een kleine katholieke universiteit in Davenport. De Republikein Rick Santorum is toevallig ook in de stad voor de lancering van zijn eigen campagne. Volgens de regionale krant The Des Moines Register werd Santorums bijeenkomst bijgewoond door tachtig mensen. Sanders trekt er circa zevenhonderd, meer dan alle andere kandidaten in Iowa dit seizoen.
Socialist
Het is bij de Democraten onderhand bijna een ritueel: de plotse opkomst in de eerste voorverkiezingen van een kandidaat die linkser is dan de grote favoriet. Bill Bradley in 2000, Howard Dean (net als Sanders uit Vermont) in 2004 en Barack Obama in 2008. Maar Sanders is nog linkser dan die vorige outsiders. Zijn tegenstander in de voorverkiezingen, Hillary Clinton, kan Amerika’s eerste vrouwelijke president worden. Sanders zou de eerste openlijk socialistische president zijn. Als je vraagt wat dat in de praktijk zou betekenen, wijst hij naar Europa, met name naar Scandinavië: ruimhartige sociale voorzieningen die iedereen een bestaansminimum garanderen, georganiseerd door een robuuste, activistische regering, die dat financiert met hogere belastingen voor rijken en bedrijven en bezuinigingen op zaken zoals de onnodige, 2 biljoen dollar verslindende oorlog in Irak.
Sanders is ervan overtuigd dat er veel steun bestaat voor zulke ideeën, niet alleen in de linkse marge maar in de hele arbeidersklasse, zelfs in overwegend Republikeinse staten. Toch zijn progressieve bewegingen door het establishment de afgelopen jaren naar de marge gedrongen (Howard Dean, de Occupy-beweging) of, zoals met de steun voor Obama’s plannen, een loze belofte gebleken. Maar door te blijven hameren op economisch populisme denkt Sanders een kans te maken, al is het een kleine.
‘Als je de sociale vraagstukken zoals abortus, homorechten en wapenbezit links laat liggen en je concentreert op de economische kwesties,’ zegt hij, ‘dan is er veel meer consensus dan de commentatoren inzien.’ In Davenport weet Sanders de aandacht van zijn publiek inderdaad bijna twee uur vast te houden met een fel, onvermoeibaar en af en toe zeer gedetailleerd verhaal over zijn politieke agenda. Dat is een soort nieuwe New Deal à la Oslo of Helsinki: een federaal banenprogramma (in vijf jaar tijd 1 biljoen dollar investeren in infrastructuur om daarmee 13 miljoen banen te creëren en onze luchthavens, bruggen, wegen en spoorlijnen op te knappen); een federaal minimumloon van 15 dollar per uur; het opknippen van grote banken die too big to fail zijn geworden; een grondwetswijziging om paal en perk te stellen aan de sponsoring van verkiezingscampagnes door het bedrijfsleven; afschaffing van het collegegeld voor alle openbare universiteiten; rijken meer belasting laten betalen en mazen in de wet dichten waardoor bedrijven belasting ontwijken; een belasting op CO2-uitstoot om het gebruik van fossiele brandstoffen terug te dringen en gebruik van alternatieve energie-bronnen te stimuleren; gratis kinderopvang voor iedereen; een ziekenfonds voor iedereen; betaald ziekteverlof en minstens twee weken betaald verlof voor alle werkenden. Er is nog meer, maar dit zijn de hoofdpunten van zijn betoog.
Als spreker is Sanders een stuk ongepolijster dan senator Elizabeth Warren, met wie hij het meest wordt vergeleken. Maar hij slaagt er heel goed in om van het begrip ‘inkomensongelijkheid’ (wat door al te frequent gebruik al net zo’n loze kreet dreigt te worden als ‘hoop en verandering’) niet alleen een heel schrijnend beeld te schetsen, maar er ook een prangende ethische kwestie van te maken. Hoe heeft het rijkste land in de geschiedenis het zover laten komen dat de rijkste 0,1 procent van de bevolking evenveel bezit als de armste 90 procent? Hoe bestaat het dat het inmiddels niet alleen mogelijk, maar zelfs volkomen vanzelfsprekend is dat één enkele familie (de gebroeders Koch, via een door hen aangestuurd politiek donornetwerk) meer geld aan de komende verkiezingen zal besteden dan de Democratische of de Republikeinse partij zelf? En nog fundamenteler: moet het kapitalisme echt alleen maar blijven streven naar groei ten koste van alles?
Het klinkt allemaal niet als materiaal voor filmpjes die viral zullen gaan op internet, maar toch weet Sanders met zijn drammerige antistijl een publiek in zijn ban te houden. Soms maakt hij een gebaar alsof hij tussen duim en wijsvinger iets heel kleins en onzichtbaars te pakken heeft dat zijn pleidooi onderstreept. Als hij naar een vragensteller luistert, tuit hij zijn lippen en steekt zijn kin naar voren, zijn gezicht staat dan ernstig en loopt soms rood aan. Waar alle andere kandidaten Amerika om het hardst ophemelen, zegt Sanders ijskoud: ‘Op dit vlak zijn we in Amerika zo ontzettend dom bezig, het is onvoorstelbaar. Nou ja, we zijn op een helebóél vlakken dom bezig…’ In Davenport zegt hij later: ‘Weet je wat ik mijn Republikeinse collega’s zou willen zeggen?’ Dan zwijgt hij, en bij Sanders is zo’n stilte meteen geladen: heel even verwachten we dat hij nu schuttingtaal gaat uitslaan. Dat beseft hij maar al te goed, dus hij rekt die stilte nog even en buldert dan: ‘Ik ben het niet met u eens.’ Maar omdat die gedachte aan schuttingtaal nog in de lucht hangt, klinkt zijn gespeelde beleefdheid meer als: ‘Go fuck yourselves!’ Het publiek gaat uit zijn dak.
Het is bij de Democraten onderhand een ritueel: de plotse opkomst van een kandidaat die linkser is dan de favoriet
Als je Sanders lang genoeg hoort spreken, merk je dat een handjevol uitdrukkingen steeds terugkeren en de aandachtige luisteraar waarschuwen dat er weer een harde waarheid aankomt: ‘in mijn ogen’, ‘kun je je dat voorstellen?’, ‘laat ik daar heel eerlijk over zijn’, ‘geloof het of niet’, ‘laat ik heel duidelijk zijn’, ‘en hoe komt dat nou?’ Het is opzwepend, die gefundeerde minachting van Sanders en het feit dat hij die niet verbloemt. ‘Mijn vrouw zegt altijd dat ik iedereen de put in praat.’ Dat is een grapje, maar niet helemaal. Zijn norsheid maakt hem op een bepaalde manier authentiek.
Er is al vaker opgemerkt dat hij verrassend populair is op de sociale media, en dat zijn grootvaderlijke gemopper op de stand van zaken lijkt aan te slaan bij twintigers, een moeilijk bereikbare groep kiezers. Juist omdat Sanders het tegendeel is van een BuzzFeed-kop, is hij misschien wel de ideale BuzzFeed-kop. Het is bijna onwerkelijk, die schurende, agressieve toon en openlijke minachting voor de conventies van het moderne campagne voeren. En het onderstreept nog eens hoe inhoudsloos en gekunsteld de optredens van de andere kandidaten zijn, hoe afgezaagd hun voorgekauwde teksten.
Sanders waakt ervoor om een rooskleurig portret van zichzelf te schilderen als grote redder die de boel wel even zal veranderen. Hij praat überhaupt niet veel over zichzelf. Als je het soort kandidaat bent voor wie presidentiële politiek vooral theater is, wil je een verhaal ophangen waarin jij de hoofdpersoon bent. Een massapubliek bereik je met verhalen van strijd en overwinning en een held of heldin die enerzijds zo gewoon is als je eigen broer of zus en anderzijds zo uitzonderlijk als, nou ja… als Amerika zelf, landgenoten!
Op de vijf verkiezingsbijeenkomsten in Iowa en New Hampshire die ik bijwoon, doet Sanders dat allemaal niet. In Davenport zegt hij: ‘Laat ik even wat over mezelf vertellen, vrienden.’ En dan volgen er welgeteld drie zinnen, waarin hij vertelt dat hij eerst burgemeester en lid van het Huis van Afgevaardigden is geweest voordat hij senator werd. Dat zijn vader een immigrant was die de kost verdiende met het verkopen van verf. En dat hij in zijn jeugd heeft ‘geleerd wat geld, of geldgebrek, voor een gezin kan betekenen, als je ruzie krijgt over elk dubbeltje dat wordt uitgegeven.’ (En om zelf thuis geen ruzie te krijgen wijst hij ook zijn vrouw Jane in de zaal aan en vertelt dat ze net 27 jaar getrouwd zijn.)
Halverwege twee interviews, als we het al hebben gehad over het banenverlies in de Amerikaanse industrie, de funeste invloed van internationale handelsovereenkomsten en de invloed van het bedrijfsleven op de Democratische partij, komen we te praten over zijn eerste politieke ambt, als burgemeester van Burlington. Ik vraag hoe hij, als geboren Brooklyner, in Vermont is beland. ‘Dus dit wordt weer zo’n verhaal dat vooral over mijn persoon gaat, in plaats van over wat ik wil bereiken?’ zegt hij geërgerd.
Toen Sanders in april officieel aankondigde dat hij het tegen Clinton wilde opnemen, werd hij meteen weggezet als een marginale figuur. De Columbia Journalism Review houdt dat precies bij: ABC Evening News besteedde achttien seconden aan zijn aankondiging (waarvan vijf voor een welkomsttweet van Clinton), CBS Evening News één zinnetje en The New York Times een stukje van zevenhonderd woorden op pagina 21.
Vergelijk dat eens met de bekendmaking van de kandidatuur van senator Ted Cruz. Blijkbaar is die minder ‘marginaal’ dan Sanders, al heeft hij openlijk begrip getoond voor complotdenkers die zeker weten dat Obama legeroefeningen in Texas laat houden omdat hij er de noodtoestand wil afkondigen. Cruz’ kandidatuur haalde de voorpagina van The New York Times, met een prominent artikel dat tweemaal zo lang was als dat over Sanders. Maar toen Sanders in Iowa veel publiek bleek te trekken, steeg de aandacht exponentieel. Niet omdat de media ineens dachten dat hij een serieuze kans maakt tegen Clinton, maar omdat ze verslaafd zijn aan het wedstrijdelement waar Sanders juist zo’n hekel aan heeft.
Winstkansen
Toch zegt Sanders dat hij zich niet alleen kandidaat heeft gesteld om een daad te stellen of om als een soort Democratische Tea Party Clinton verder naar links te trekken. ‘Ik had geen zin in een campagne die alleen bedoeld is om aandacht voor onze standpunten te krijgen, weet je, en hij ook niet,’ zegt zijn vrouw Jane op een tuinfeest in West Branch, bij Iowa City. ‘Ik lag dwars, ik gaf steeds allerlei redenen waarom hij het vooral níét moest doen. Ik voerde elk argument aan dat ik kon bedenken, inclusief de vraag: Kunnen we winnen? Ja, we willen de inhoud van het debat beïnvloeden. Maar dat doe je omdat je mensen wilt mobiliseren. En als ze de echte feiten horen, zullen ze anders stemmen.’
Ze wijst op Sanders’ tegenstander in de Senaatsverkiezingen van 2006: Richard Tarrant, een van de rijkste mensen in Vermont, die 7 miljoen dollar in zijn campagne stak en toch met een marge van 33 procentpunt verloor. ‘Als je alleen met veel geld een serieuze kandidaat kunt zijn,’ zegt ze, ‘dan had hij zelfs nooit burgemeester kunnen worden.’
Als Sanders een week na Davenport de vergaderkamer van zijn kantoor in Washington binnenstormt, is hij gejaagder en feller dan anders. Hij moet het vliegtuig naar Burlington halen, maar eerst moet hij nog tegen een defensiebegroting stemmen. In hoog tempo lopend én pratend, als een personage in een politieke dramaserie, begeeft hij zich naar de ondergrondse monorail tussen de Senaatskantoren en het Capitool. ‘Succes, senator,’ roept een jonge liftbediende hem na. In het Capitool stapt hij uit het treintje, een soort minimetro, beent naar de Senaatskamer, laat daar zijn stem registreren en staat in een mum van tijd al weer buiten. ‘Dat is democratie,’ zegt hij droog, en hij loopt naar een deur waar alleen senatoren door mogen. ‘Ik heb assistenten bij me,’ wuift hij de beveiliger weg, die wat beduusd kijkt maar ons niet tegenhoudt.
Buiten staat een auto te wachten. Sanders is bang om zijn vlucht te missen en kijkt onder het praten voortdurend op zijn horloge, onderbreekt het gesprek zelfs af en toe om de chauffeur aanwijzingen te geven. De vraag of hij kans maakt om president te worden is in veel opzichten totaal niet interessant. Hoeveel kans maakt hij nou tegen een buitengewoon slimme en gedreven tegenstander met 100 procent naamsbekendheid, met meer ervaring in het Witte Huis dan enige andere kandidaat in de geschiedenis en een obscene hoeveelheid geld (Clintons campagneteam belooft 2 miljard dollar bijeen te brengen) – plus natuurlijk de stimulans dat zij kiezers de kans biedt om wéér geschiedenis te schrijven, door de allereerste vrouwelijke president te kiezen? Vrij weinig kans, zou ik zeggen!
Als je niet bang bent om naïef of simplistisch te klinken en net als Sanders wilt geloven dat je het hele systeem kunt veranderen door je achterban te mobiliseren – wie weet wat er dan mogelijk is
Maar volgens Sanders gaat dat alleen op als de huidige electorale werkelijkheid niet verandert: een extreem lage opkomst, meer aandacht voor de persoon dan voor de inhoud, en de verderfelijke invloed van het grote geld. Dus de volgende vraag is veel interessanter: maakt Sanders kans om iets te veranderen aan de inmiddels breed geaccepteerde fundamenten van de moderne campagnevoering? Als je niet bang bent om naïef of simplistisch te klinken en net als Sanders wilt geloven dat je het hele systeem kunt veranderen door je achterban te mobiliseren – wie weet wat er dan mogelijk is.
Zeven jaar geleden brak Barack Obama alle records wat betreft kleine particuliere campagnebijdragen en de kiezersopkomst van Afro-Amerikanen. Sanders neemt vooral een voorbeeld aan de werknemers in de fastfoodsector die ijveren voor een minimumloon van 15 dollar: een eis die door de elite eerst nauwelijks serieus werd genomen, maar die uiteindelijk wel van beslissende invloed is geweest op de nationale discussie over het bestaansminimum (en in grote steden als Los Angeles, San Francisco en Seattle nu zelfs wettelijk is vastgelegd). Daarom wil Sanders in het door ego’s gedomineerde verkiezingscircus zijn eigen ego zo veel mogelijk buiten beeld houden. Hij wil alle aandacht die hij krijgt gebruiken om kiezers te verleiden met de nooit eerder geboden mogelijkheid van echte radicale verandering.
‘De Amerikaanse politiek is uitgegroeid tot een miljardenindustrie die de kiezers wijsmaakt dat de regering niets voor je kan doen en dat je je hoop moet vestigen op Wall Street en het bedrijfsleven,’ zegt Sanders in een van onze gesprekken. ‘Ik zeg vaak: Bedenk nou eens waarom de gebroeders Koch een miljard dollar in deze campagne willen steken. Als zij politiek zo belangrijk achten, kun jij dat misschien beter ook doen.’
Sanders is opgegroeid in Flatbush, een arbeidersbuurt in Brooklyn met een gemengde etnische samenstelling (Italianen, Ieren, Joden). Zijn vader Eli, een Poolse immigrant, en zijn moeder Dorothy, de in Amerika geboren dochter van Poolse Joden, woonden daar met hun twee zonen.
Sanders wil niet veel kwijt over zijn jeugd, maar makkelijk kan die niet geweest zijn. Zijn vader had een groot deel van zijn familie in de Holocaust verloren en zijn moeder overleed toen Sanders nog maar negentien was. Hij zat samen met zangeres Carole King op de James Madison High School (waar hij aanvoerder van het atletiekteam werd). Met zijn eerste vrouw, die hij op de universiteit had leren kennen, kocht hij in 1964 een lap grond (35 hectare voor 2500 dollar) in Vermont, in Middlesex. Hij hield altijd al van het platteland, zegt hij, en in 1968 vestigde hij zich voorgoed in die staat.
Het landelijke Vermont trok destijds zo veel ‘terug naar de natuur’-types aan dat gouverneur Deane Davis in 1971 zelfs een persverklaring over ‘de toestroom van zogenaamde hippies’ uitvaardigde: hij wilde bezorgde burgers verzekeren dat ‘de overgrote meerderheid van deze jonge passanten net als de meeste mensen rustig haar eigen gang gaat, volstrekt vreedzaam en zonder iemand lastig te vallen, ook al zijn hun uiterlijk en hun gewoonten misschien niet altijd naar onze smaak’.
Sanders had lang haar en kon zich helemaal vinden in de politieke overtuigingen van de tegencultuur, maar volgens vrienden was hij geen hippie. Hij kluste hier en daar als timmerman en maakte een documentaire over de socialistische vakbondsleider (en vijfvoudig presidentskandidaat) Eugene V. Debs. (Sanders sprak ook een deel van de voice-over in. ‘Als jij zo’n gemiddelde Amerikaan bent die veertig uur per week tv kijkt,’ zegt hij met een voice-overstem, ‘dan heb je vast weleens gehoord van belangrijke figuren als Kojak en Wonder Woman. Maar gek genoeg heeft niemand je ooit verteld over Gene Debs, een van de belangrijkste Amerikanen van de twintigste eeuw.’)
Nadat zijn huwelijk eind jaren zestig op de klippen was gelopen, probeerde hij als socialistische kandidaat vergeefs gekozen te worden tot senator en gouverneur. Zijn goede vriend en huisgenoot Richard Sugarman haalde hem in 1981 over mee te doen aan de burgemeestersverkiezingen van Burlington. ‘Ronald Reagan was net gekozen en ik zei: Kijk Bernard, in een land waar Reagan president kan worden, moet jij toch zeker burgemeester van Burlington kunnen worden!’ aldus Sugarman, die inmiddels een leerstoel aan de universiteit van Vermont bekleedt als specialist in het werk van de joodse existentialistische filosoof Emmanuel Levinas. Als volslagen onbekende en onafhankelijke kandidaat moest Sanders het opnemen tegen een Democraat die al vijfmaal was herkozen. Hij maakte geen schijn van kans. Maar hij won toch, met tien stemmen verschil.
Politieke aardverschuiving
‘Dat was een van de grootste politieke aardverschuivingen in de geschiedenis van Vermont, en onze staat is al meer dan tweehonderd jaar oud,’ vertelt Sanders me: voor het eerst klinkt hij bijna opschepperig. Sanders voldeed nooit aan de makkelijke karikatuur van de typische linkse politicus, daarvoor was zijn beleid veel te pragmatisch. In Burlington zorgde hij vooral dat de gemeente beter ging sneeuwruimen, hij ontwikkelde stadsparken en het havengebied, liet wegen opknappen en onderhandelde bij kabelaanbieders over een lager tarief voor consumenten (al bracht hij ook een bezoek aan de socialistische Nicaraguaanse president Daniel Ortega en riep daar een ‘zusterband’ uit tussen Burlington en Puerto Cabezas).
In het Huis van Afgevaardigden wist hij meer amendementen aangenomen te krijgen dan enig ander lid tussen 1995 en 2005, en hij benutte zijn positie als onafhankelijk kandidaat om met beide partijen samen te werken. (Die politieke behendigheid heeft Sanders nog steeds: de ultraconservatieve senator en klimaatontkenner James Inhofe omschreef hem onlangs als zijn ‘beste vriend’ in de Senaat.)
Wat betreft wapenbezit is Sanders’ stemgedrag zelfs veel rechtser dan dat van Hillary Clinton. Vermont is pro-wapenbezit, en in zijn boek Outsider in the House betreurde Sanders al in 1997 dat hij in het begin van zijn carrière veel stemmen van ‘arbeiders’ had verspeeld doordat ‘we dom zijn omgesprongen met de wapenkwestie’.
Hij heeft zijn carrière als Congreslid zelfs gedeeltelijk aan de National Rifle Association te danken: in de verkiezingen van 1990 werd zijn tegenstander, de zittende Republikeinse Afgevaardigde, doelwit van een serie tv-spotjes van de NRA omdat hij het wapenbezit aan banden wilde leggen. In 2013 zei hij enkele maanden na de schietpartij op een school in Sandy Hook tegen het lokale weekblad Seven Days: ‘Al neem je morgen de strengst mogelijke wapenwet aan, ik denk niet dat dat veel zou uitrichten tegen de tragedies waarvan we getuige zijn geweest.’
‘Ik weet dat hij al vrij lang met de gedachte speelde om zich verkiesbaar te stellen voor het presidentschap,’ zegt Sugarman. ‘Ik voorzag dat het hem zwaar zou vallen, en volgens mij merkt hij dat nu ook. Als presidentskandidaat moet je je vaak enorm inhouden. Maar hij raakte er steeds meer van overtuigd dat iemand het moest doen. Had hij het liever iemand anders zien doen? Dat denk ik wel. Ik denk dat hij in het begin hoopte dat Elizabeth Warren het zou doen. Maar hij heeft de handschoen opgepakt.’
Sugarman geeft toe dat zijn vriend ook wel van zijn openbare optredens geniet. ‘Hij vindt het heerlijk om rond te rijden en de kleinste plaatsjes in Vermont af te gaan,’ zegt hij. ‘Ik zei een keer tegen hem: Bernard, waarom laat je de mensen niet even met rust? Toen zei hij: Nee, ze willen dat ik kom luisteren naar wat ze willen. Ik zei: Misschien willen ze alleen maar dat ze eens een dagje met rust gelaten worden.’
Maar overschat hij de Amerikaanse behoefte aan revolutie niet? Al marcheren straks een miljoen van zijn aanhangers naar Washington, komen er dan niet evenveel Tea Party-aanhangers om het tegen hem op te nemen? ‘Goeie vraag,’ zegt Sanders. (Ook zo’n stopwoordje van hem.) ‘Het zal heel, heel moeilijk worden. En misschien is het wel onmogelijk. Niemand heeft mij ooit horen zeggen dat het makkelijk wordt.’
Auteur: Mark Binelli
Rolling Stone
VS | tweewekelijks tijdschrift | oplage 1,5 miljoen
Meest gelezen muziektijdschrift van de VS, gelanceerd in 1967. Oprichter Jann Wenner is nog altijd hoofdredacteur. Behandelt ook cultuur en politiek. Door The Guardian werd Rolling Stone omschreven als ‘De bijbel van de Sixties en de tegencultuur’.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.