Ook in Japan is pedofilie illegaal en mag kinderporno niet worden verhandeld. Maar een afgeleide daarvan, zoals filmpjes met als schoolmeisjes verklede actrices, is maatschappelijk acceptabel en vaste prik in de erotische mainstream.
In haar vrije tijd heeft ze oogschaduw en lippenstift op, maar nu er gefilmd wordt, arriveert Hikaru Matsuki zonder make-up. ‘Want welke basisschoolleerlinge maakt zich nou op?’ zegt ze op een toon alsof dat vanzelf spreekt. Op de set doet ze niet alleen haar typische schooluniform, een matrozenpakje, aan, maar draagt ze ook gedekte kleuren, omdat Japanse moeders vooral dat soort kleuren uitkiezen voor hun dochters. En voor ze begint, scheert ze zich nog even snel tussen haar benen. Het zijn van die dingen die van een jonge vrouw een meisje maken.
Hikaru Matsuki kan het weten, want op dit gebied is ze een expert. Het is laat op de middag in het westen van het centrum van Tokio, ze is bezig zich voor te bereiden op een scène waarin ze gekneveld wordt. De bar Arcadia, in Kabukicho, de hoerenbuurt, is vandaag extra vroeg opengegaan voor deze rijzende ster aan het Japanse pornofirmament. Gewoonlijk worden in deze AM-kelder pas ’s avonds laat bezoekers toegelaten, maar ze maken graag een uitzondering voor een cameraploeg van een lolicon-film, waarin ‘lolicon’ staat voor lolitacomplex, mannen die zich aangetrokken voelen tot vrouwen die er kinderlijk uitzien. En een kind dat aan de muur wordt vastgebonden? Dat is echt wat bijzonders.
De regisseur, een gezette man van middelbare leeftijd met bril en stoppelbaard, en de manager van Matsuki, een magere adolescent in een pak waarvan hij het jasje heeft uitgedaan, zijn stipt op tijd. Ook de eigenaar van de bar is keurig gekleed, hij rookt een sigaret zonder filter en draagt een zonnebril, zodat niet goed te zien is waar hij naar kijkt. De anderhalve meter grote ster van de dag, Hikaru Matsuki, drinkt gerstthee met een ijsblokje. Er heerst een prettige, losse sfeer op de set. ‘Veel mensen kijken graag naar jonge meisjes die seks hebben,’ zegt Shisui Usuba, de regisseur, terwijl hij de touwen inspecteert die in de muur zijn vastgemaakt.
Spelend meisje
Een zinnetje als dit komt de regisseur makkelijk over de lippen. De bareigenaar, de manager en de regisseur reageren met een flauw knikje, niemand maakt de indruk zich ongemakkelijk te voelen. Usuba richt zich tot zijn opzettelijk onopgemaakte ster: ‘Hikaru-san, ik wil je graag daar voor op de bank hebben. Ga eerst maar eens op je knieën zitten, als een spelend meisje, en dan zien we wel wat er gebeurt. Ongedwongen. Oké?’ ‘Oké!’ roept ze met een hoog stemmetje. ‘Super. Want met je volgende film wil ik je een beetje pushen, snap je?’ ‘Echt? Dank je wel!’
Tot nu toe heeft Hikaru Matsuki vooral in films gespeeld waarin ze als een meisje van een jaar of tien eerst door een volwassen man wordt achternagezeten en vervolgens wordt verleid of beter gezegd, verkracht. Dat soort scènes, met muriyari, dwang, voelen voor haar niet heel vreemd. ‘Van alle genres doe ik die het liefst,’ zegt Matsuki vanaf de bank, ze kijkt er vrolijk bij en gebaart alsof ze een kind wil nadoen dat haar verjaardagscadeautjes zit uit te pakken. ‘Ik heb er vooral schik in als ik een basisschoolleerling speel. Dan mag ik zo heerlijk naïef zijn.’
Meent ze dat echt? In het echte leven is Hikaru Matsuki twintig, is ze nooit verkracht en heeft ze haar schooltijd al lang achter zich. Maar als ze, zonder dat haar ouders het weten, als pornoactrice in de rol van een minderjarige kruipt, verandert er iets. Voor de camera kan ze haar wildste fantasieën uitleven en tegelijk die van de kijker bevredigen. Hoe realistisch het is wat er gefilmd wordt, komt voor haar op de tweede plaats. ‘Ik wil er zo jong mogelijk uitzien. Dat is mijn selling point voor de kijkers.’
Hikaru Matsuki, die er in de ogen van ons westerlingen als een meisje van dertien uitziet, ervaart het als een compliment dat als je naar haar kijkt het verschil tussen fictie en realiteit nauwelijks te zien is.
Van de vijftig tot zestig films per week waarvoor Bambi Promotions de actrices regelt, bestaat ongeveer een derde uit dit soort pseudokinderporno
Aan de overkant steekt Kazuya Mitsui, haar manager, een sigaret op. Tegelijkertijd beantwoordt hij een telefoontje dat over een andere actrice gaat die voor de camera eveneens een jongere indruk maakt dan ze toch al doet. ‘Ja, dat kunnen we doen,’ zegt Mitsui druk gebarend, ‘daar hebben we het nog wel over, oké? Tot later.’
Van de meer dan driehonderd actrices die door Mitsuis werkgever Bambi Promotions worden vertegenwoordigd, speelt ongeveer de helft lolicon-films. Voor Mitsui is daar niets vreemds aan. ‘Er is heel veel vraag naar deze modellen.’ Wat in de westerse wereld een van de allergrootste taboes is en iemands maatschappelijke positie onmiddellijk en voor altijd kan ruïneren, ondervindt in Japan een zeker begrip. Ook hier is pedofilie illegaal en kinderporno mag je niet verhandelen of zelfs maar in bezit hebben. Maar een afgeleide daarvan, zoals seksvideo’s met als kind verklede actrices, is maatschappelijk gezien redelijk geaccepteerd.
Ook in andere landen worden films gemaakt met actrices die eruitzien als kinderen, maar in Japan is het een opvallend populair genre. Seksshops adverteren met schooluniformfilms en met zogenaamde meisjes tijdens de zwemles. Talloos veel manga’s gaan over seks tussen kinderen onder elkaar. Een ander businessmodel biedt ‘tijd met schoolmeisjes’ aan, die klanten al wandelend of met hun hoofd bij een van de dienstverleensters op schoot kunnen doorbrengen.
Zulke dingen, die legaal zijn omdat er geen seks plaatsvindt en de seksuele handelingen niet door echte kinderen worden verricht, behoren in Japan tot de erotische mainstream. Wilde meisjes zijn, na het thema van de ontrouwe huisvrouw, het meest succesvolle pornogenre. Van de vijftig tot zestig films per week waarvoor Bambi Promotions de actrices regelt, bestaat ongeveer een derde uit dit soort pseudokinderporno.
Pseudokinderporno
Shisui Usuba, de regisseur van vanmiddag, zegt dat hij pedofilie verwerpelijk vindt. Maar tezelfdertijd begrijpt hij de opwinding over lolicon-films niet. Hij doet dit werk al jaren, pseudokinderporno is een van zijn lievelingsgenres. En hij vindt dat hij zich nergens voor hoeft te schamen. ‘Natuurlijk zijn er mensen die pedofiel zijn. Die afwijking raken ze ook niet kwijt. Maar misschien kunnen wij met deze films hun behoefte bevredigen.’
Bij een laatste rondgang door de donkere, benauwde bar vol met folterinstrumenten kijkt Usuba nog eens goed naar een partij handboeien en wat maskers. Als hij klaar is gaat hij aan de bar zitten, waar aan het plafond een rek voor AM-speeltjes hangt. Usuba ademt diep uit. ‘Ik geloof dat we met ons werk goede dingen doen.’ Alweer zo’n zin die in westerse oren, met het beeld van een kind op ons innerlijke en op een of andere manier ook op ons echte netvlies, onvoorstelbaar klinkt. Pseudopedofilie als geneesmiddel voor pedofilie?
Het eerste wat in je opkomt, is dat op die manier misdaden worden gebagatelliseerd, en dat in plaats van een duister verlangen te bevredigen misschien juist inspiratie voor toekomstige misdrijven wordt geboden. Want wordt pedofilie niet vooral alledaags en acceptabel gemaakt als je het zo in de winkel kunt kopen? Lokt het laten zien van zulke neigingen niet uit dat iets fictiefs in realiteit wordt omgezet?
Ook Hikaru Matsuki, die vertelt dat de gedachte aan een verkrachting haar inspiratie geeft, begrijpt al het gedoe niet zo, maar de opwinding des te beter. Toen ze twee jaar geleden in de plattelandsprovincie Akita in het noorden van het land haar schoolopleiding had afgerond vertrok ze, omdat ze geïnteresseerd was in mode, naar Tokio. Aanvankelijk werkte ze in een modezaak, maar stiekem was ze altijd al in porno geïnteresseerd. Toen iemand haar op straat aansprak, heeft ze het na enige bedenkingen een keer geprobeerd. ‘Nu ik weet hoe veilig en zorgvuldig er wordt geproduceerd, zie ik er geen enkel probleem in.’
Alleen de omstandigheden waarin wordt gefilmd vindt ze belangrijk, dat het eindproduct niet noodzakelijk veel gemeen heeft met de werkelijkheid maakt haar niet uit, het is tenslotte kunst. In het halfjaar dat Hikaru Matsuki in de branche werkt heeft ze in zo’n veertig à vijftig films meegedaan. ‘Meneer Usuba bedenkt steeds weer iets nieuws.’ Die geeft meteen een paar voorbeelden: ‘De ene keer wordt ze tijdens de spits betast in de metro, een andere keer heeft ze als scholiere een affaire met haar leraar. We gebruiken allerlei story’s.’ De steeds terugkerende logica: de toeschouwer moet in Matsuki een kind zien.
De regisseur was vanaf het eerste moment verliefd op Matsuki. Op een professionele manier natuurlijk, haast hij zich te zeggen. En de actrice die hij in zijn netten heeft verstrikt, giechelt als ze hoort hoe hij haar beschrijft: ‘Ze is op een heel natuurlijke manier kinderlijk. Als ze theedrinkt, houdt ze het glas met twee handen vast. Als ze zit, denk je meteen dat ze zo dadelijk met een blokkendoos zal gaan spelen. Ook lichamelijk past ze met haar kleine borsten goed in het beeld.’
Kazuya Mitsui, haar manager, schiet nog iets te binnen: ‘Hikaru-san praat ook als een klein meisje.’ Ze zit alweer hevig te gesticuleren. ‘Dank je!’
Natuurlijk is dit gegoochel met kinderlijkheid een wankel evenwicht. Wie wat Hikaru Matsuki doet niet alleen schattig maar ook aantrekkelijk vindt, zal dat niet hardop zeggen, ook niet in Japan. Het is eigenlijk als met elke andere fetisj: een privéaangelegenheid die je kunt uitleven zonder je er schuldig over te hoeven voelen. Obsceen? Ja. Afkeurenswaardig? Niet echt.
En de gedachte die Shisui Usuba formuleert, is buitengewoon aantrekkelijk: als pedofielen kinderporno kunnen bekijken terwijl het eigenlijk helemaal geen kinderporno is, is bij de productie daarvan geen kindermisbruik gepleegd. En als het kijken naar deze films bovendien kindermisbruik voorkomt, kunnen de producers zichzelf haast als kinderbeschermers op de borst kloppen. Alleen: is dat wensdenken of werkelijkheid?
Zo’n pak slaag helpt hen om de dag door te komen. Ze voelen zich erdoor bevrijd
Onderzoeksresultaten zijn tot nog toe niet eenduidig. Een onderzoek onder Amerikaanse gevangenen uit 2009 concludeert dat 98 procent van degenen die naar kinderporno kijken ook in werkelijkheid kinderen hebben misbruikt.
Maar een studie uit hetzelfde jaar onder Zwitserse delinquenten laat zien dat het bekijken van kinderporno alleen niet betekent dat ze een risicofactor voor daadwerkelijke handtastelijkheden vormen. Met betrekking tot Japan, waar seksueel getinte afbeeldingen van kinderen makkelijker verkrijgbaar zijn dan in de Verenigde Staten, maar het aantal geregistreerde gevallen van seksueel kindermisbruik aanzienlijk lager ligt, schreef de japanoloog Patrick Galbraith in een artikel: ‘De drang om afbeeldingen van geseksualiseerde meisjes te zien, weerspiegelt niet noodzakelijk de drang van de kijker, en beïnvloedt deze ook niet, om meisjes te misbruiken.’
Wellicht verschilt ook het vermogen om realiteit van fictie te onderscheiden van cultuur tot cultuur. Een bekend voorbeeld zijn de gevolgen van geweld in de popcultuur. In de Verenigde Staten, waar door videospelletjes, films en dergelijke overal geweld te zien is, worden bijvoorbeeld relatief veel mensen gedood door mannen die plotseling doordraaien. In Zwitserland, waar net als in de Verenigde Staten veel gezinnen een vuurwapen in huis hebben en het weergeven van geweld al net zo normaal is, komt dat veel minder voor. Een mogelijke reden daarvoor is dat Zwitsers zich minder dan Amerikanen geneigd voelen om schietpartijen op tv ook in werkelijkheid uit te voeren.
Zo zou het ook met pornografie kunnen zijn. Zo zien ze het in elk geval in Arcadia, onze bar. De eigenaar, Doyoma Tessin, ziet in lolicon zelfs een fetisj in de beste psychoanalytische zin. ‘Het is net als elke avond bij mijn klanten,’ mompelt hij terwijl hij met zijn beringde vingers de as van zijn zoveelste filterloze sigaret tipt. ‘’s Avonds komen de mensen hier om met de zweep te krijgen of om iemand anders er met de zweep van langs te geven. En die zijn heus niet meer of minder gewelddadig dan andere mensen. Maar zo’n pak slaag helpt hen om de dag door te komen. Ze voelen zich erdoor bevrijd.’ Dat kinderporno een vergelijkbare functie heeft, kan Tessin niet bewijzen, maar zijn jarenlange ervaring als SM-meester heeft hem dat geleerd.
De crew gaat de shoot voorbereiden. Kazuya Mitsui maakt met zijn aktetas onder de arm een buiging. Hikaru Matsuki zwaait glimlachend met beide handen en Shisui Usuba steekt me zijn rechterhand toe. Doyoma Tessin geeft me een knikje en blaast nog wat rook uit. Buiten wordt de hemel langzaam donker, de lantaarnpalen en reclames van Kabukicho zijn feller dan de zon. Hier en daar stralen kindergezichten van de muren. Zijn dat echte kinderen, of doen ze maar alsof?
Een snel bezoek aan Akihabara, in het noordoosten, aan de andere kant van het centrum. Daar tekent zich, zeven verdiepingen hoog, M’s Pop Life Adult Department Store, de grootste seksshop van Tokio, af tegen de donkere hemel.
Op deze vrije avond is de winkel vol klanten. Het aanbod gaat van dildo’s in alle mogelijke maten en kleuren via kleding en SM-artikelen tot draagbare vagina’s en latexpoppen. En ook hier weer: video’s die eruitzien als kinderporno. Op de cover jonge actrices met zo te zien nog niet volgroeide borstjes, in schooluniform en ondergoed met polkadots en ruches.
Voor een van de schappen is een door zijn blauwe stofjas als medewerker herkenbare man met dvd’s in de weer. Hij zet ze soort bij soort. Meneer Fujiyoshi, zoals zijn naambordje laat zien, glimlacht vol verwachting naar de bezoeker, alsof hij zich op ieder gesprek over zijn vak evenveel verheugt. ‘Kan ik u ergens mee helpen?’ Op de vraag hoe oud de jongste actrices in de films hier zijn, antwoordt hij zelfverzekerd: ‘Vroeger hadden we nog echte meisjes, die in badpak poseerden. Ze hadden natuurlijk geen seks, en naakt waren ze ook niet, ze waren gewoon sexy. Maar die hebben we helaas niet meer.’
Strengere regels
De regels zijn strenger geworden, waarschijnlijk vanwege de Olympische Spelen in de zomer van 2020, vermoedt meneer Fujiyoshi. Als de hele wereld in Tokio te gast is, wil de regering natuurlijk niet de indruk wekken dat pedofilie hier oké is. Hoe oud de jongste actrices nu zijn?
‘Tegenwoordig moeten ze allemaal minstens achttien zijn.’ Video’s van echte, schaars geklede meisjes zijn nog wel te koop, maar niet meer hier, in de uitstalkasten van een seksshop tussen de echte pornografie.
En deze films, waarin basisschoolleerlingen seks hebben, hoe worden die dan gemaakt? Fujiyoshi moet glimlachen. ‘U bedoelt lolicon? Maar u ziet toch wel dat die actrices in het echt volwassenen zijn? Als u een paar van die films bekijkt, herkent u dat meteen.’ Voor wie echte kinderen wil, is lolicon na een tijdje niet echt spannend meer, zegt meneer Fujiyoshi.
Lil Tay wilde beroemd worden, en koos de weg van de ‘memester’. Ze veranderde van een individu in een merk, een mogelijke bron van inkomsten. Dat betekende plannen, organiseren, netwerken. De juiste tag op de juiste plek op het juiste moment. Tot haar vader er een stokje voor stak met de bedoeling zijn tienjarige dochter te beschermen.
Het sprookje van Lil Tay begint niet met de traditionele woorden ‘Er was eens…’ maar met de woorden: ‘Jullie weten al over wie dit gaat.’
Want wie vorig voorjaar ook maar enigszins actief is geweest op Instagram of internet, zal Lil Tay vermoedelijk wel kennen. Haar wc, zo liet ze weten, kost meer dan jouw moeder aan huur kwijt is. Hetzelfde geldt voor haar kleren, haar bed, haar sieraden – eigenlijk alles om haar heen. Haar keuken is groter dan jouw hele woonkamer. Ze draagt Gucci-ceintuurs als een sjerp over haar borst en om haar middel hangen Louis Vuitton-ceintuurs. Ze heeft vrijwel altijd een pak bankbiljetten in haar hand. ‘En ik ben nog maar negen!’ Niet alleen heeft deze lagereschoolleerling in een Rolls-Royce gereden (oké, niet meer dan anderhalve meter op een parkeerplaats, maar toch), maar ze heeft ook een deuk in een Rolls-Royce getrapt. Ze is, om haar eigen woorden te gebruiken, ‘de jongste flexer van deze eeuw’.
In de wereld van de social media zijn er twee soorten influencers – mensen die op de een of andere manier geld verdienen door volgers te verzamelen. Er zijn mensen die met een bedachtzame blik poseren voor een foto op Instagram, terwijl ze bij kaarslicht gedichten lezen van Rupi Kaur, met een kop thee onder handbereik. Die mensen hopen uiteindelijk te worden betaald om content te leveren voor een wellness-start-up. Hun leven is haast te mooi om waar te zijn – of in ieder geval heeft het iets Gwyneth Paltrow-achtigs.
De tweede groep influencers bewandelt een haast tegengesteld pad, in de geest van Donald Trump en zijn tabloidroem uit de jaren tachtig. Ze zijn meestal jonger en maken eerder naam op YouTube dan op Instagram. Ze kijken recht in de camera en doen uitspraken die enkel en alleen zijn bedoeld om te shockeren. Ze zitten in groep zes maar ze vloeken als een bootwerker. Ze zijn wit maar ze praten alsof ze zwart zijn. Ze laten tatoeages aanbrengen in hun gezicht om op straat aandacht te trekken. Ze herhalen kreten – zoals ‘de jongste flexer van deze eeuw’ – om de kijkers een geheugensteuntje te geven zodat ze maar niet worden vergeten. Ze weten als geen ander hoe ze moeten uitgroeien tot levende memes, echo’s van de populaire cultuur, clipjes van een seconde of tien, of foto’s die viraal gaan. Door zich te verbinden aan een bepaald nummer of een televisieprogramma weten ze de aandacht vast te houden.
Een soort tweede Hollywood
In Los Angeles is een soort tweede Hollywood uit de grond geschoten voor mensen die munt willen slaan uit deze, meestal zeer vergankelijke, roem. In appartementen aan Vine Street of soms, als het geld binnen begint te komen, in de Hollywood Hills, komen hele teams rond een meme star samen. Soms wonen ze met z’n allen in een Mcmansion en delen hun volgers en hun invloed, dit alles met de bedoeling een nog lucratievere hustle te creëren, meestal in de hiphopscene.
Afgelopen jaar april dook Lil Tay op in Los Angeles, alsof ze zo uit haar Instagramfeed de echte wereld in was gestapt. Twee weken na haar komst naar Los Angeles volgde haar grote doorbraak, misschien wel sneller dan bij enige aanstormende ster ooit. Het was op de middag van 15 april, een zondag, in de Americana mall in Glendale (de Grove is niet de plek voor meme stars … nog niet, tenminste) en Lil Tay was daar met Woah Vicky, ook een meme-sensatie, beroemd geworden doordat ze beweert voor een kwart zwart te zijn. Ze liepen Bhad Bhabie tegen het lijf, die inmiddels was uitgegroeid van het meisje dat haar moeder de stuipen op het lijf had gejaagd bij Dr. Phil (typerende uitspraak: ‘Cashmeousside’) tot een respectabele rapper. Een meme-droom, zou je kunnen zeggen.
Zoals het meestal gaat in Hollywood was ook deze ontmoeting van de grote drie geen toeval. De bedoeling: Woah Vivky en Bhad Bhabie moesten voor de camera hun ruzie bijleggen – Woah Vicky had niet lang daarvoor een van Bhad Bhabie’s vrienden een racistische verwensing naar het hoofd geslingerd. Dit moest een van die cruciale momenten worden in het geconstrueerde drama dat de levenscyclus van een meme bepaalt. Memes maken ruzie, memes leggen het bij, memes zetten het allemaal online voor likes en advertentie-inkomsten.
Zoals gewoonlijk is TMZ aan het filmen. Bhad Bhabie doet de openingszet, daagt Woah Vicky uit met de woorden: ‘put your bag down, tough stuff’. Met andere woorden: zet je tas op de grond zodat je je handen vrij hebt om te vechten. Woah Vicky doet dat, maar met een sullig lachje. De harde werkelijkheid is dat zij niet stevig genoeg in haar schoenen staat voor een gevecht, al is het zo’n nepgevecht.
Na vijfentwintig seconden draait de camera en komt Lil Tay in beeld. Ze draagt een blouse van ragfijn kant, heeft geblondeerd haar en is minstens drie koppen kleiner dan alle anderen in beeld. Ze heeft een engelachtig gezicht en blozende wangen, maar haar houding is ijzig: ‘Willen jullie vechten?’ Als je Lil Tay ziet is het alsof je naar een baby met een bouffant kijkt – onbegrijpelijk en grappig.
In de volgende scène staan er allemaal mannen om Vicky heen, maar Bhabie springt in beeld en probeert over hun schouders heen een onhandige stomp te geven. De meisjes worden uit elkaar gehaald en terwijl Bhabie zich via de roltrap uit de voeten maakt, staat Lil Tay een verdieping lager op niets af ‘Bitch!’ te schreeuwen. Er waren drie meisjes aan het kijven, maar uiteindelijk is er maar eentje die ertoe doet.
Die ochtend, op weg naar de mall, had Lil Tay zo’n 300.000 volgers op Instagram. Drie dagen later zijn dat er 675.000, een getal dat officieel is bevestigd. In de week erna zal ze de 2,5 miljoen volgers halen en worden haar posts gemiddeld zo’n 15 miljoen keer bekeken. Eind 2018 stond op nummer acht van Google-vragen die beginnen met ‘wie’, de vraag: ‘Wie is Lil Tay?’
Het verhaal van de ontstaansgeschiedenis van Lil Tay, volgens Lil Tay zelf, en geheel in lijn met de eisen van het theater van het absurde, waar de wereld van de memes welbeschouwd op neerkomt: Ze is ‘straatarm’ opgegroeid in Atlanta maar heeft heel hard ‘gebouwd’ aan haar toekomst. Uiteindelijk is ze toegelaten tot Harvard maar gestopt met haar studie. Op zeker moment beweerde ze ‘deels zwart’ te zijn, net als haar vriendin Vicky. Tegenwoordig woont ze in ‘de heuvels’. (Welke heuvels? Dat vertelt het verhaal niet.)
Lil Tay heeft hem belachelijk gemaakt omdat hij drie keer zo oud is als zij en nog altijd op YouTube zit, en ook nog eens veel minder geld op zijn rekening heeft staan dan zij
Eind 2017 is ze dit verhaal gaan delen op Instagram en YouTube: dat ze eigenhandig vanuit de goot is opgeklommen naar weelde. In januari 2018 vonden haar fratsen een publiek. Er is een heel genre YouTubers dat naam maakt door andere mediasterren te roasten en Lil Tay haakte aan bij die traditie door haar pijlen te richten op een éénentwintigjarige Aziatisch-Amerikaanse ster die zich Ricegum noemt en die het voortouw heeft genomen in deze vorm van beledigen, wat hem een opmerkelijke tien miljoen abonnees heeft opgeleverd. Lil Tay heeft hem belachelijk gemaakt omdat hij drie keer zo oud is als zij en nog altijd op YouTube zit, en ook nog eens veel minder geld op zijn rekening heeft staan dan zij. Hij hapte en heeft in reactie op haar snier twee video’s opgenomen; die zijn samen meer dan dertien miljoen keer bekeken.
In maart 2018, zo’n vier maanden nadat ze haar eerste video’s had gepost, zocht Lil Tay de samenwerking met Dooney Battle, mede-oprichter van de managementgroep Tha Lights Global. Battle, die niet reageert op verzoeken voor interviews, is de manager van Lil Pump – de rapper met het kleurrijke haar en de tatoeages in zijn gezicht, die al opdook op verschillende meme-gerichte Instagram-accounts voordat hij muziek uitbracht en uiteindelijk een samenwerking aanging met Kanye West. Tha Lights Global is uitgegroeid tot de belangrijkste managementgroep gespecialiseerd in muzikanten en rappers die hun carrière zijn beginnen met een flitsstart op social media.
En nu komt het: toen Battle en andere managers die met Lil Tay in zee wilden gaan een Instagram-berichten naar haar account stuurden, kregen ze naar eigen zeggen geen antwoord van een negenjarig meisje. Volgens de regels moet iemand sowieso dertien zijn om een account te kunnen openen. Nee, ze kregen antwoord van een zestienjarige jongen, Jason Tian. Je zou dus kunnen zeggen dat een van de antwoorden op de vraag ‘Wie is Lil Tay?’ een tweede vraag is: ‘Wie is Jason Tian?’ Lil Tay is het gezicht en de attitude, maar als dit een casestudy zou zijn van het creëren van faam op social media, dan is Jason, Lil Tay’s halfbroer, het genie achter de schermen.
Jason heeft een eigen verleden op internet. Als Rycie postte hij op YouTube voornamelijk diss raps in de hoop online fights te ontketenen met YouTubers die meer volgers hadden. Maar zijn act was afgekeken van anderen, voegde eigenlijk niets toe en sorteerde dan ook weinig effect. Zodoende bedacht Jason – die naar verluidt is geobsedeerd met internet en de macht van internet om iemand tot een ster te maken – een ander plan. Een meisje dat de dingen zou zeggen die hij dacht – dat was iets nieuws, iets gewaagds, iets wat veel likes zou genereren. En hij wist precies welk meisje hij daarvoor moest hebben.
Lil Tay is zelden te zien zonder stapel bankbiljetten in de hand.
Zo komt Jason met een geheel nieuwe versie van de stage mom: de stage broer. Volgens veel van de managers met wie Lil Tay in Los Angeles tijdelijk heeft gewerkt, schreef Jason de teksten voor Lil Tay en vertelde hij haar hoe zij het moest brengen. Tay heeft zonder meer acteertalent en wilde maar al te graag meedoen. Het woord bitch dat uit haar kleine lijf knalt – een lijf dat ook nog eens is ingeritst in een roze Gap-sweater – was sensationeel genoeg om de aandacht te trekken. En zo werd een meme-ster geboren.
Voordat Lil Tay in zee ging met Battle, had ze via FaceTime en Garageband een nummer opgenomen met een andere muziekproducent, maar Lil Pump was het idool van Jason. Voor hem was Battle het uiteindelijke doel. Maar omdat Jason nog maar zestien was en Tay nog maar negen, was Jasons bewondering niet voldoende voor Battle. Hij had toestemming van de ouders nodig. Jason bracht hem in contact met Angela Tian, de moeder van Jason en Lil Tay.
Lil Tay mag dan stoere verhalen ophangen over hoe ze heeft moeten buffelen om aan de armoede te ontsnappen, in werkelijkheid is ze de dochter van een makelaar in Vancouver. De wc die meer zou kosten dan de huur die jouw moeder betaalt? Het waren allemaal toiletten in de huizen die Angela, die een actieve bijdrage levert aan de carrière van haar kinderen, in de verkoop had. Niet alleen zette Angela haar carrière op het spel door haar nageslacht te laten filmen in die panden, ook leende ze de Mercedes 550 SL van een collega (wat er uiteindelijk toe leidde dat ze ontslag heeft moeten nemen) om er filmpjes mee te kunnen maken.
Battle regelde tickets voor het drietal om naar Los Angeles te komen en erover te praten of hij hen zou vertegenwoordigen, zegt Angela. Hij zou tien nachten hotel voor hen regelen. Toen ze in Los Angeles aankwamen, begin april, zei hij dat hij een contract wilde voor vijf jaar, punt. Maar Angela, met een zwarte pony die bijna net zo onverzettelijk is als de steun voor haar kinderen, wilde daar niets van weten. ‘Ik had helemaal geen kaas gegeten van deze bedrijfstak en Tay was nog heel jong,’ zegt ze. ‘Ik wilde niet de fout begaan om haar voor langere tijd vast te leggen.’
Lil Tay staat op een kruispunt, is niet langer een individu maar een merk, een mogelijke bron van inkomsten
Nu Battle uit beeld was verdwenen trok het gezin in bij Woah Vicky en Josiah Jenkins, die naam had gemaakt op Vine en die op zeker moment het Instagram-account @mom had. Tijdens een late lunch op Melrose kwam het gezin in contact met Vicky’s manager, Harry Tsang. Ze leerden elkaar beter kennen. Tsang sprak Mandarijn, Angela’s moedertaal. Het klikte zo goed dat Lil Tay een paar dagen later met Vicky meeging naar de Glendale mall voor die cruciale ontmoeting met Bhabie. Van de ene op de andere dag was Lil Tay het meest gewilde product in Los Angeles.
Dit is het allesbepalende viral moment dat een keerpunt kan zijn voor aankomende influencers. Lil Tay staat op een kruispunt, is niet langer een individu maar een merk, een mogelijke bron van inkomsten. Om het goed te spelen en eeuwige roem te bereiken (of een platencontract en een agent binnen te halen) is een duidelijke strategie vereist, niet minder dan wanneer je de Super Bowl wilt winnen of moet zorgen dat het publiek Times Square weer verlaat nadat op oudjaar om twaalf uur de bal is gevallen. Dat betekent plannen, organiseren, netwerken. De juiste tag op de juiste plek op het juiste moment.
Jason, die op dat moment zestien was, had het personage bedacht en de scripts geschreven, maar inmiddels was er behoefte aan iemand met ervaring. Een soort Kris Jenner voor Lil Tay’s Kim Kardashian. Maar Lil Tay werd zo snel zo groot dat iedereen zich haar wilde toe-eigenen, en dat ook deed. Het werd er allemaal niet eenvoudiger op doordat het gezin van de ene naar de andere manager ging, bijeenkomsten belegde en over deals onderhandelde zonder ooit een contract te tekenen.
‘Ik heb minstens zes mensen gesproken die beweerden haar manager te zijn,’ aldus Diablo, een producer in Los Angeles die een tijdje met Lil Tay in de studio heeft doorgebracht om muziek op te nemen. Zelfs in dit schimmige wereldje is het ongebruikelijk dat meerdere managers de verantwoordelijkheid opeisen voor een bepaalde klant. Tsang heeft tijdelijk de rol van manager vervuld maar nooit een contract getekend. In vroege interviews wordt ene Alex Gelbard genoemd als manager en consultant van Lil Tay, maar Angela wil niet meer kwijt dan dat hij, op zeker moment, e-mails voor hen heeft beantwoord.
Ondertussen doorliep Lil Tay in sneltreinvaart de rite de passage van aanstormende meme-sterren. Ze dook op in een video met de rapper Chief Keef. Jake Paul, een van de meest bekende YouTubers, heeft haar geïnterviewd. Ze heeft ge-Facetimed met Diplo en hij heeft haar persoonlijke berichten gestuurd: ‘Your [sic] winning Tay’. Ze heeft de superstar rap producer Rick Rubin ontmoet, die met Adele en Jay-Z heeft gewerkt, want zo snel kun je in korte tijd opklimmen. Howard Stern heeft verzocht om een interview met Lil Tay, maar in Jasons ogen kan Stern niet tippen aan Jake Paul. Ze hebben niet eens gereageerd.
Het nummer dat Lil Tay heeft opgenomen voor ze in contact kwam met Battle – ‘Money Way’ – werd geüpload op YouTube door haar allereerste contact binnen de scene, Ousala Aleem, ofwel Prestley Snipes, ofwel Pres. Nadat hij haar video met Chief Keef had gezien, aldus Pres, zocht hij contact met Angela om een afspraak te regelen met Warner/Cappell, de muziek producerende tak van Warner Music Group. Hij schat dat hij destijds een deal voor Lil Tay had kunnen sluiten voor een bedrag met vijf nullen, maar het gezin heeft nooit iets laten horen. Ze hadden hem ontvolgd en zeggen dat ze nooit toestemming hebben gegeven om het nummer te releasen. Ze hebben ook nooit de royalty’s geïnd, zegt Pres, terwijl dat inmiddels toch om een paar duizend dollar gaat.
Eind april waren Jason, Tay en Angela bij Mel’s Drive-In aan Sunset Boulevard, waar ze zagen dat er een milkshake was vernoemd naar de hond-influencer Swaggy Wolfdog (@Swagrman). Lil Tay zou de krachten moeten bundelen met deze swingende hond, dacht Jason. Dus stuurde hij Wolfdog een berichtje op Instagram. De eigenaar van de hond bleek ook Mandarijn te spreken. ‘Ik zag meteen dat ze het spoor bijster waren en dat allerlei mensen misbruik van ze probeerden te maken,’ zegt de eigenaar. Dus bracht hij het gezin in contact met Diomi Cordero, een manager die in het verleden heeft gewerkt voor Beyoncé’s Parkwood Entertainment en Republic Records. Ze besloten hem een kans te geven. In een opmerkelijk gebruikelijke deal binnen de socialmediawereld van Los Angeles, trok Cordero in bij de eigenaar van Swaggy zodat Angela, Jason en Lil Tay in zijn huis konden gaan wonen.
Cordero zegt dat hij is begonnen zonder contract om het gezin duidelijk te maken dat hij te vertrouwen was. Hij wilde een influencerteam opzetten rondom Swaggy Wolfdog, Lil Tay en Victor Garibay, een film- en televisieproducent die, zoals Cordero zegt, een gewoon fortuin heeft, geen aan een merk gebonden fortuin. Influencers die een Lamborghini nodig hebben, lenen die van Garibay. Toen Lil Tay een Rolls-Royce nodig had, kwam ze uit bij Garibay.
Cordero verdiepte zich ook in de mogelijkheden om thuisonderwijs te regelen voor Lil Tay en Jason en hij probeerde Lil Tay’s omstreden filmgedrag een beetje in te tomen. Met andere woorden: hij probeerde zijn roekeloze jonge influencer wat meer mainstream te maken, zodat ze meer grote merken aan zich zou kunnen binden. Dat plan sloeg al snel aan. Hij regelde de opname van een video van Lil Tay samen met de influencer Amande Cerny, voor een goed doel. Hij zorgde voor haar eerste merkdeal, een overeenkomst van twintigduizend dollar voor Tunes-koptelefoons.
Maar intern had hij nauwelijks invloed, zegt Cordero. Zo had hij een celebrity hairstylist weten over te halen om Lil Tay’s haar te blonderen in ruil voor een Instagramtag (een dealtje van achthonderd dollar), maar vervolgens moest hij uren op Jason inpraten om die tag ook echt te posten. Cordero had de indruk dat Jason overbezorgd was en het moeilijk vond om de volgers waar hij zo voor had geknokt, te delen. Maar hij was de enige met toegang tot het @Liltay-account.
Er was ook nog een ander, ernstiger probleem, zegt Cordero. ‘Ze gingen allemaal belangrijke gesprekken aan zonder mij om advies te vragen, en ze werden gewoon genaaid. Ik moest de strijd aanbinden met de manager van Logan Paul, ik moest de strijd aanbinden met de manager van Jake Paul. Ik moest met Atlantic Records in de clinch.’ En het gezin probeerde op haar beurt anderen erin te luizen, zegt hij. ‘Ze gaven iedereen de indruk met hen in zee te willen gaan, om mee uit eten te worden genomen, en dan haakten ze af op de allerlaatste dag voordat de deal officieel zou worden bekrachtigd.’
In een laatste wanhopige poging om alles weer in goede banen te leiden, regelde Cordero een interview voor Lil Tay, haar moeder en haar broer, bij Good Morning America. Hij zei dat Lil Tay in dat interview moest opbiechten dat haar manier van doen een act was, maar Jason weigerde, uit angst om volgers te verliezen.
Het interview is een wat verwarrende balanceer-act.
Het grootste deel van de tijd komt het gezin vrij normaal over. Jason komt in beeld, met zijn karakteristieke hoodie en mondkapje, terwijl hij Lil Tay filmt. Juju Chang, de interviewster, noemt Lil Tay ‘vroegwijs’ en ‘zacht’ en toont ons een wat ingetogen versie van de ster, een versie die meer wegheeft van een meisje van negen. Maar als Lil Tay eenmaal is gaan zitten voor het interview met Angela, geeft ze geen duimbreed toe. ‘Niemand dwingt me hiertoe,’ zegt Lil Tay.
‘Ze waren nog niet klaar voor dit wereldje,’ zegt Cordero nu. Dat geldt met name voor Jason: ‘Hij is een tiener die geobsedeerd is met roem en die niets afwist van de mediawereld.’
Als het gezin zes weken in Los Angeles zit, worden al Cordero’s inspanningen om Lil Tay’s imago op te vijzelen, getorpedeerd. Er lekken beelden uit waarop Lil Tay een waterpijp rookt; op een ander filmpje rookt ze een wortel alsof het een joint is. Zoals het gaat wanneer iemand aandacht krijgt op internet, duiken er ineens filmpjes op van maanden eerder. In een van haar eerste posts, waarin ze haar pijlen richt op Ricegum, zegt Lil Tay: ‘I wear a belt as a sash like I just won a beauty pageant, cuz I slaying all these niggas, bitch.’ (Ik draag een ceintuur als een sjerp alsof ik net een schoonheidswedstrijd heb gewonnen, want al die nigga’s zijn er geweest, bitch).
Verwijderd
Op zondag 3 juni, tweeënhalve maand na haar vliegende start als ster, en de dag voordat ik naar Los Angeles zou vliegen om haar te ontmoeten, verdween Lil Tay. Haar Instagram-account werd verwijderd. Alle foto’s en filmpjes waren verdwenen. En Angela stond me niet toe om rechtstreeks met Lil Tay of Jason te praten.
Chris Hope hoorde over Lil Tay van het hoofd van de lagere school in Vancouver, waar zij stond ingeschreven als Claire Hope. Dat was nog vóór Los Angeles, maar toen de kinderen in Claires klas begonnen te kletsen over haar act, hebben het hoofd van de school en een paar leraren een aantal van haar video’s bekeken. Ze maakten zich zorgen dat de inhoud nadelig zou kunnen uitpakken voor Claires toekomst. Dus namen ze contact op met haar vader.
De ontstaansgeschiedenis van Claire Eileen Qi Hope: ze is de dochter van een Chinese moeder en Canadese vader, geboren op 29 juli 2007. (Voor wie nu driftig begint te rekenen: op het moment dat Tay beweerde negen te zijn, was ze eigenlijk al tien.) Haar ouders zijn nooit getrouwd en zijn al voor Claires tweede verjaardag uit elkaar gegaan. Ze heeft al sinds haar vierde balletles en heeft meegedaan aan balletcompetities van de Royal Ballet Academy. Ze heeft pianoles gehad, zangles, Chinese les, en daarnaast zit ze op schaatsen, zwemmen en tekenen. Ze kan verbijsterend goed dingen uit haar hoofd leren. Ze is slim en gevat. Een van haar lievelingsfilms is La La Land. Claire Hope doet al haar hele leven haar best om uit te groeien tot een ster. Lil Tay was haar vehikel.
Hoewel Chris Hope en zijn ex-vriendin Angela gedeeld ouderschap hebben, was Angela degene die het meest voor Claire zorgde. Chris had het gevoel dat hij weinig kon doen om de creatie van Lil Tay tegen te houden. Pas dagen nadat hij van het bestaan van de meme op de hoogte was gebracht, zegt Chris, vertelde Angela hem dat ze met Claire naar Los Angeles wilde gaan om haar carrière op de rails te zetten. Ze had zijn toestemming nodig om het land te verlaten. Ze zouden ‘maar een paar dagen’ wegblijven, zei Angela, als we Chris moeten geloven. Hij stemde erin toe. Hij dacht dat het tripje Lil Tay de kans zou bieden zich in een meer professionele richting te ontwikkelen, in de richting van dans of acteren, hij wist niet dat het ging om ‘alleen maar een beetje flexen op internet.’
Weken later kreeg hij nog altijd geen duidelijkheid over de vraag wanneer ze weer thuis zouden komen. Zijn dochter miste veel lessen en scoorde uiteindelijk tweeënzeventig absenties voor het hele jaar. Chris zag de beelden van haar tijdens een concert met Chief Keef; de beelden waarop ze childe met volwassenen die weed leken te roken; het Bhad Bhabie-gevecht; de worteljoint. Hij somt het allemaal op, aan de telefoon, met een stem die zacht is van ontzetting, alsof het allemaal minder reëel is als hij zachter praat.
Chris, die advocaat is, begreep al snel dat Los Angeles niet de plek was waar Claire haar horizon zou verbreden. Hij vroeg om een dwangbevel waarin stond dat zijn dochter moest terugkeren naar Vancouver en dat haar account moest worden opgeheven. Op de avond van 3 juni waren Lil Tay en haar entourage terug.
Voorwaarden
Het zal wellicht geen verbazing wekken dat Lil Tay niet blij was om terug te zijn, zegt Angela. Tay verweet haar vader dat hij het haar onmogelijk maakte haar droom te verwezenlijken en ze wilde niet meer naar hem toe.
Hij was de gebeten hond.
Waar het om gaat is dat Chris niet een of andere preutse moralist is die de carrière van zijn dochter dwarsboomt – hij wilde haar alleen maar helpen om een ander soort carrière na te streven. Net als Cordero. Chris verbond een aantal voorwaarden aan Tay’s terugkeer naar LA.
Om te beginnen moest ze een visum en een Amerikaanse werkvergunning aanvragen. Een van de redenen dat Angela in LA nooit een contract had ondertekend, was misschien dat ze daar helemaal niet toe in staat was. Aangezien er sprake was van co-ouderschap, zou Chris ook moeten tekenen om welke overeenkomst dan ook rechtsgeldigheid te verlenen. Zonder visum konden Angela en haar kinderen niet legaal geld in ontvangst nemen.
Chris wilde Lil Tay registreren als merknaam, een domein kopen en management regelen. Ook liet hij vastleggen dat een percentage van haar inkomsten naar een trustfonds zou gaan voor haar toekomst, zoals wettelijk is verplicht in Canada en Californië. Aangezien zijn dochter haar toekomstperspectief wel eens zou kunnen ruïneren door zich zo te laten gaan op internet, kon ze maar beter wat geld achter de hand hebben, redeneerde hij. Ondertussen wilde hij ook dat ze naar school bleef gaan.
En ten slotte wilde hij dat ze, als ze verder zou gaan als Lil Tay, ook iets van artistieke waarde zou toevoegen aan haar repertoire – of dat nou was in vorm van zingen, dansen of acteren. ‘Niet alleen maar een beetje flexen op internet,’ voegt hij er nogmaals aan toe.
Terwijl ze in Vancoucer waren, ver van een groot deel van de meme-scene, neemt een vriend van de familie, die zichzelf Lil Tay’s ‘secretaris’ noemt, contact op met Chris Jones, een promotor die een platenlabel heeft, Genre Bend, en die muziekdeals heeft gesloten met socialmediasterren als Rocco Piazza en Lil Terrio – ook allebei jong. Angela en Jones sloten nog een mondelinge overeenkomst: Hij zou naar Vancouver komen en muziek opnemen met Lil Tay. Haar vader stemde in met dat plan en in september ging Lil Tay achter gesloten deuren de studio in, terwijl haar ouders probeerden tot een meer permanente regeling te komen.
Lil Tay krijgt inmiddels thuisonderwijs omdat ze, hoewel ze maar twee maanden lang twee miljoen volgers heeft gehad, te beroemd is om gewoon naar school te gaan
Het zag er veelbelovend uit. Chris Hope gaf Lil Tay zelfs toestemming om in september een week naar LA te gaan om een rolletje te spelen in Piazza’s video ‘The Ellen Dance,’ die in februari in roulatie zou gaan – een vorm van viral bait, vernoemd naar Ellen Degeneres. Tijdens haar verblijf in LA nam Lil Tay ook nog een paar eigen nummers op met Jones. Hij wachtte met de release tot haar ouders het eens zouden zijn – Lil Tay’s comeback was bijna een feit.
Maar dit verhaal heeft geen sprookjeseinde compleet met nieuwe muziek van Lil Tay zelf voor de verfilming. Haar ouders hebben een moeizaam verleden: sinds de geboorte van Claire hebben ze al een paar keer in de rechtbank hun meningsverschillen moeten uitvechten. En als we de mensen moeten geloven die in Hollywood met Jason te maken hebben gehad, was hij gefrustreerd dat hij, na alles wat hij voor zijn zus had gedaan, aan de kant werd gezet.
Sterker nog, voordat Jason in juni vertrok uit Los Angeles zou hij volgens Cordero, Tsang en nog een aantal andere managers, de mogelijkheid hebben geopperd om een #Freeliltay T-shirtcampagne op te zetten. Hij wilde spullen verkopen met het gezicht van Lil Tay op een Amerikaanse vlag, om haar af te schilderen als de Amerikaanse Droom die niet kan uitkomen omdat een vader die zelf wil binnenlopen op haar roem, haar de plek waar ze recht op heeft, heeft ontnomen.
Halverwege oktober was het Lil Tay-account ineens weer terug, vermoedelijk als gevolg van een hack. Er verschenen verhalen waarin Chris werd afgeschilderd als een vader die zijn kind verwaarloosde. Er verschenen screenshots van documenten waarin werd stond dat Chris had geweigerd Lil Tay naar balletles te brengen, dat zijn nieuwe vrouw haar uitschold en haar in een kast opsloot, dat hij haar dwong om naar griezelfilms te kijken en dat hij achterliep met de betaling van zijn alimentatie. Deze documenten werden gepresenteerd als officiële bewijsstukken in een rechtszaak, maar Claire Hope werd consequent Lil Tay genoemd, wat nou niet echt de gebruikelijke handelswijze is bij officiële documenten.
Wie er ook achter die posts zat, diegene gaf ook het telefoonnummer vrij van het advocatenkantoor waar Chris werkt, evenals Chris’ e-mailadres, met een oproep om contact op te nemen. Dat leidde tot tienduizenden telefoontjes, Facetimes en appjes, plus honderden mailtjes. ‘Ik werd belaagd, het was echt een vorm van cyberpesten, of hoe je het ook wilt noemen, door de miljoenen mensen die die posts volgen,’ zegt Chris. Toch is hij niet van gedachten veranderd. Hij houdt vast aan zijn overtuiging dat hij de carrière van zijn dochter de richting op wil sturen die hij het beste acht.
Lil Tay krijgt inmiddels thuisonderwijs omdat ze, hoewel ze maar twee maanden lang twee miljoen volgers heeft gehad, te beroemd is om gewoon naar school te gaan. Alle kinderen herkennen haar. Ze kan nauwelijks de deur uit.
Een ster zonder bijbehorende voordelen
Tegen het einde van de zomer gaat Angela met haar kinderen op vakantie. Ze gaan naar een klein plaatsje, Campbell River, zo’n vier uur rijden ten noordwesten van Vancouver. Ze denkt dat het ver genoeg weg is, dat het een rustig plaatsje zou zijn, dat Lil Tay er ongestoord zou kunnen rondlopen. Maar op een avond wordt ze in een restaurant herkend door de serveerster. ‘Ik was stomverbaasd,’ zegt Angela. Ze moeten een strategie bedenken als ze naar de mall willen. Lil Tay wordt belaagd nog voor ze van de parkeerplaats af is.
Het heeft er veel van weg dat Lil Tay het leven van een ster zal blijven leiden, maar dan zonder de bijbehorende voordelen, totdat haar ouders overeenstemming weten te bereiken. Het is de bedoeling dat Angela en Chris in april weer voor de rechter verschijnen, en ondertussen liggen de nummers die Lil Tay met Jones heeft gemaakt te wachten tot ze kunnen worden uitgebracht. Vermoedelijk is dit nog niet het einde van haar verhaal. Ze is afgelopen zomer tenslotte pas elf geworden.
Auteur: Lauren Levy
Vertaler: Nicolette Hoekmeijer
Nieuws over de sterren, de mode en het nachtleven van New York. Altijd op jacht naar schandalen en politieke crises. Deze concurrent van The Village Voice is eigendom van Rupert Murdoch.
Meer dan 5000 moeders sterven elk jaar in Bangladesh bij de bevalling. Vroedvrouwen moeten levens redden – maar ze moeten zich ook verdedigen tegen vooroordelen van artsen en families. Zo worden ze voortrekkers van de emancipatie.
Ze trekt haar witte kiel over haar hoofd, pakt haar stethoscoop in en verlaat de kraamkliniek in Dhaka, Bangladesh. De hete lucht van de hoofdstad waar 8 miljoen mensen wonen waait Afroja Akter tegemoet. Het riekt naar uitlaatgassen en rijpe bananen. Vandaag bezoekt de vroedvrouw een jongetje van zeventien dagen oud. De kelderkamer is donker. De ventilator snort tegen de middaghitte.
‘Zuster, kijk eens,’ zegt Afroja tegen de moeder terwijl ze het gezichtje van de zuigeling streelt. ‘Zijn oogwit is geelachtig. Hij heeft daglicht nodig.’
‘Maar ik kan niet naar buiten,’ zegt de 25-jarige. ‘Buiten zijn zoveel mensen.’
‘’s Morgens tien minuten, dat is genoeg,’ zegt Afroja.
Afroja Akter, 23 jaar oud, in roze hoofddoek en roze gewaad, werkt sinds acht maanden als vroedvrouw. In die tijd heeft ze ongeveer honderd baby’s ter wereld gebracht. Ze geeft zwangere vrouwen voorlichting over geelzucht bij pasgeborenen en helpt moeders bij de borstvoeding. Geboortebegeleiding, preventieve zorg en nazorg – het zijn dezelfde diensten die ook opgeleide vroedvrouwen in Kaapstad, Londen of Hamburg aanbieden.
Het verschil is dat dit beroep in Bangladesh tot acht jaar geleden niet bestond. Afroja Akter behoort tot de pioniersters in deze professie. De wens kwam vanuit de politiek, om de sterfte onder jonge moeders in het land terug te dringen. Maar Afroja is niet alleen aangesteld in de strijd tegen de vermijdbare dood. Haar beroep heeft in het islamitische land een neveneffect: het emancipeert Afroja en haar collega’s – en meteen ook de jonge moeders van de wijk.
Een goed alternatief
Bangladesh heeft de millenniumontwikkelingsdoelstellingen ondertekend, waarvan ook de verbetering van gezondheidszorg voor moeders deel uitmaakt. Het sterftecijfer in het land was sinds de jaren negentig voortdurend gedaald. Maar het streefdoel van de VN – een vermindering van de sterfte met driekwart – haalde het land niet. Per jaar sterven hier meer dan 5000 vrouwen aan complicaties bij de bevalling [ter vergelijking: is Nederland zijn dat er minder dan tien]. De meesten bloeden dood. Voor 2015, zo kondigde de premier Sheikh Hasina toen aan, zouden er 3000 vroedvrouwen aan het werk gaan. Het idee daarachter was simpel: de meeste moeders stierven in de landen met de minste vroedvrouwen.
Maar de praktische uitvoering in het dichtbevolkte Bangladesh was ingewikkelder. Bijna de helft van alle vrouwen bevalt thuis, ondersteund door ongekwalificeerde helpsters. Velen leven verstoken van medische zorg, en zijn moeilijk bereikbaar. Vaak staat de man niet toe dat de vrouw naar het ziekenhuis gaat. Een reden zijn ook de kosten. Het aantal keizersneden ligt in veel privéziekenhuizen in de buurt van 80 procent. En die zijn tienmaal zo duur als een natuurlijke bevalling. Sommige kraamafdelingen hebben wel operatiekamers, maar geen zaal met kraambedden.
Afroja’s vader, een handelaar in fietsonderdelen, wilde dat zijn middelste dochter medicijnen ging studeren. Maar haar schoolcijfers waren niet goed genoeg. ‘Deze opleiding was een goed alternatief,’ zegt ze. De drie jaren waren kosteloos, gefinancierd onder andere door het Britse ministerie van Ontwikkelingssamenwerking. Maar wat een vroedvrouw precies is, begreep Afroja pas toen ze bijvoorbeeld leerde hoe hormonen die de borstvoeding regelen beïnvloed worden door huidcontact.
Ook veel burgers weten niet wat een vroedvrouw precies doet. Familieleden vragen bij de geboorte geïrriteerd waar de dokter blijft, vertelt Afroja. Een keer riep een schoonmoeder uit: ‘Hoe moet dit kleine meisje, ongetrouwd en kinderloos, onze kleinzoon op de wereld brengen?’ Afroja, 1 meter 52 lang en tenger als een dertienjarige, lacht. Intussen is ze er wel aan gewend. ‘Ik leg steeds weer uit dat ik voor bevallingen ben opgeleid.’
Haar kennis van zaken heeft haar zelfverzekerder gemaakt. Tegenwoordig slaat ze haar blik niet meer neer, ook niet wanneer ze argumenten tegen tradities inbrengt of over seks praat. Ze legt families uit dat pasgeborenen geen honing verdragen. Velen geloven dat kinderen daar zoeter van worden.
Als Afroja een vrouw naar het ziekenhuis verwijst omdat ze syfilis vermoedt, zegt ze: neem je man mee. Wat ze niet zegt is dat de echtgenoot, een riksjarijder, het waarschijnlijk bij prostituees heeft opgelopen. Bij een huisbezoek vertrouwt een textielarbeidster, in de vierde maand van haar zwangerschap, Afroja haar angst toe. Ze is bang dat het weer een miskraam wordt. ‘Als ik slaap merk ik dat mijn man aan mijn buik luistert of hij de baby hoort,’ fluistert ze. Maar haar gebrek aan eetlust en haar knagende angst met hem bespreken? Ze houdt haar sjaal voor haar mond. O nee, dat gaat niet. ‘Wij zijn allemaal vrouwen. Je hoeft je niet te schamen,’ zegt Afroja.
Afroja is een stille strijdster voor de rechten van vrouwen. ‘De meesten weten gewoon niet beter,’ zegt ze op weg naar de kraamkliniek. Ze weet dat ze haar taal moet aanpassen. Bovendien heeft ze het vertrouwen van de wijk nodig. Ook daarom wordt ze bij haar visites altijd begeleid door een medewerkster van de gemeente die in de betreffende buurt is opgegroeid.
‘Er bestaat geen eten dat jouw kind bitter of zoet kan maken. Het heeft alleen maar jouw melk nodig’
Afroja werkt zes dagen in de week, ze moet dagelijks drie uur door de chronische verkeersopstoppingen van Dhaka rijden. Ze heeft klem zittende baby’s uit moeders bevrijd, bloedingen gestopt en beslist wanneer de vrouwen naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis moeten. Ze is trots op zichzelf: bij haar is geen moeder gestorven.
Tijdens de nachtdienst slaapt ze in de behandelkamer van het geboortecentrum op de vloer. Ze verdient omgerekend 270 euro per maand; slechts ongeveer een derde meer dan textielarbeidsters. Toch zegt ze: ‘Ik heb mijn doel bereikt.’ Ze is de uitzondering onder haar voormalige vriendinnen uit de klas. Die zijn bijna allemaal getrouwd en hebben geen vak geleerd. De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen trouwen ligt in Bangladesh in de buurt van negentien jaar. Ook daarom moesten de vroedvrouwen zich verplichten, tijdens hun opleiding niet te trouwen. ‘Het huwelijk sluit veel vrouwen op achter de voordeur,’ zegt Afroja.
Statistisch is nog niet na te gaan hoe de vroedvrouwen de sterftecijfers onder moeders in Bangladesh beïnvloeden. Rondi Anderson, de vroedvrouwenspecialiste van het bevolkingsfonds van de Verenigde Naties in Dhaka, hoopt dat dit over ongeveer tien jaar mogelijk is. In totaal had men ongeveer 20.000 vroedvrouwen nodig om alle vrouwen te kunnen bedienen. Tot op heden is slechts een tiende van dat aantal gerealiseerd. Daar komen andere problemen bij. Er zijn geen ervaren collega’s die pas opgeleide vrouwen kunnen instrueren. Veel klinieken zetten de vroedvrouwen weer als verpleegster in, en niet in de ruimte waar de bevallingen plaatsvinden. Bovendien ontbrak het aan medicijnen, vertelt Rondi Anderson: ‘Bangladesh staat nog aan het begin.’
Aangekomen
Maar alleen al in Afroja’s kleine kraamkliniek werden verleden jaar meer dan 500 baby’s geboren. De families lijken er dus voor open te staan, de bevalling zonder artsen en traditionele helpsters te laten plaatsvinden. Ook al is er zeker nog een tweede generatie vroedvrouwen nodig om het beroep ingeburgerd te krijgen – Afroja Akter lijkt door de vrouwen in de wijk geaccepteerd te worden.
‘Jij weet het beste wat goed is voor jouw zoon,’ bemoedigt ze de moeder wiens baby aan geelzucht lijdt. ‘Er bestaat geen eten dat jouw kind bitter of zoet kan maken. Het heeft alleen maar jouw melk nodig.’ Dan zet ze de weegschaal klaar. 3,2 kilo. De zuigeling is aangekomen. De moeder belooft dat ze de volgende dag naar buiten zal gaan. Tien minuten, heel vroeg in de ochtend.
In het Iraakse dorp Al Bu Nahid worden vrouwen en mannen gelijk behandeld, zijn roken en frisdrank in de ban en religieuze twisten verboden.
De provincie Diwaniya in Zuid-Irak is een van de meest verpauperde streken in het land. De meeste mensen werken er op het land, waardoor ze hard werden getroffen door een droogte in april. Zoals bijna overal in Irak worden de straten van de stad Diwaniya gekenmerkt door afval, verstikkende uitlaatgassen en eindeloos getoeter van auto’s.
Maar in het het dorp Al Bu Nahid, net buiten de stad, zijn bewoners bezig een nieuw idee uit te werken over hoe Irak eruit zou kunnen zien. In een land waar ruim 30 procent van de Iraakse mannen lijdt aan ernstig overgewicht, heeft het dorp frisdrank in de ban gedaan en is er jaarlijks een hardloopfestival met duizenden deelnemers. In een land waar olie de economie en politiek stuurt, viert het dorp op 5 juni Wereldmilieudag en ontplooit het milieuvriendelijke initiatieven. In een land waar de benzineprijs 0,63 dollar per liter bedraagt, hebben fietsen in het dorp de voorkeur gekregen boven de auto als vervoermiddel.
Joggen
Deze initiatieven zijn grotendeels het geesteskind van Kadim Hassoun, een ingenieur die een aantal projecten in het dorp begon, nadat hij in Europa en het Midden-Oosten in aanraking was gekomen met ideeën over gezondheid, sociale betrokkenheid en milieu. Na een verblijf van achttien jaar in Dubai keerde Hassoen in 2014 terug naar Irak en probeerde daar, tot ongeloof van zijn dorpsgenoten, aan fitness te blijven doen. ‘Iedereen zag mij als een excentriekeling, maar ik deed er nog een schepje bovenop,’ vertelt hij. Uitgedost in trainingspak en hardloopschoenen jogde hij stug voort op het platteland. ‘Na een maand voegden twee mensen zich bij me, na twee maanden liepen er vijf mee, en eerlijk waar, na zes maanden had ik de meeste dorpsgenoten mee – vooral de tieners en twintigers.’
Naarmate het leger lopers aanzwol, kwamen zij uiteindelijk op het idee een ‘hardlopersfestival’ op te zetten. Elk jaar doen mensen van buiten het dorp, bijvoorbeeld uit de stad Diwaniya, nu mee aan het evenement. Volgens Hassoen zijn er vaak wel drieduizend deelnemers.
Het onverwachte succes van het festival, dat ook de aandacht van de media trok, dreef Hassoen ertoe meer projecten te creëren ter bestrijding van de sociale kwalen die zijn dorp in het bijzonder, en Irak in het algemeen, volgens hem teisteren. Verbodsborden voor toeteren en roken – alomtegenwoordige verschijnselen in Irak – hangen overal in het dorp. Hassoun wil graag benadrukken dat er geen sprake is van autoritaire handhaving. Wel is het zo dat wie de regels overtreedt, het gevaar loopt te worden uitgekotst door de overige dorpelingen, die de veranderingen van harte hebben ondersteund.
De regels (zie onder).
Een klein, vervallen gebouw, ergens bij de rivier, doet dienst als Huis voor de Cultuur. Binnen staan boeken, fictie en non-fictie, over een breed scala aan onderwerpen, en is er schilder- en knutselmateriaal. ‘Ik heb het Huis voor de Cultuur opgericht en ben vervolgens een bibliotheek begonnen – ik heb boeken uit binnen- en buitenland toegestuurd gekregen, zelfs uit Groot-Brittannië, de VS en Zweden,’ zegt Hassoun. ‘Ook hebben de meeste bibliotheken in Bagdad mij boeken gedoneerd.’
Tijdens een rondleiding in het Huis voor de Cultuur toont Hassoun kunstwerken die gemaakt zijn door kinderen uit de buurt. Kort geleden kwam er een kunstenaar uit Bagdad kinderen helpen een schilderij te maken waarin de rol van Unicef wordt geëerd. Portretten van mecenassen van Al Bu Nahid sieren de muren, waaronder dat van de Brits-Iraakse schrijfster Emily Porter, die enkele initiatieven van het dorp financieel heeft gesteund.
‘Ik heb grote waardering voor de nieuwe dingen die in ons dorp gaande zijn,’ zegt Ali Ghanem, een van de 750 inwoners. ‘Kadim heeft echt zijn best gedaan de situatie te verbeteren. We beseften dat sport goed voor ons was, dus hebben we het kampioenschap 200 meter hardlopen opgezet. Ook zijn frisdrank en roken uitgebannen. We wisten dat er iets goeds was aan ons dorp, en nu zien we het met eigen ogen – we zijn getuige van concrete veranderingen.’
‘Wij hebben tegen de mannen gezegd: nee, er is geen verschil tussen jou en haar. Maar dit heeft allemaal tijd nodig’
Als het gaat om de ontwikkeling van zijn ideale gemeenschap, ziet Hassoun twee grote knelpunten: sektarisme en de marginalisering van vrouwen. ‘In het Midden-Oosten komen de grootste problemen en conflicten door religie, omdat de grootste problemen steeds door de bril van religie worden bekeken. Dat doorbreken was een hoofdstreven in dit dorp.’
Sommige mensen zeggen dat Hassoun zich tegen religie keert. ‘Nee, zeg ik dan, ik probeer je religie juist te beschermen. Houd het geloof er alsjeblieft buiten. Ik zeg: als je over religie wilt praten, oké, ga dan eerst naar het Huis voor de Cultuur, neem een boek over de religie mee naar huis en lees het. En kom er dan hier over praten.’
Wat vrouwen betreft was de strijd nog moeilijker, gezien de mentaliteit op het Zuid-Iraakse platteland. Hassoun heeft twee dagen per week het cultuurcentrum voor vrouwen gereserveerd, mannen zijn dan niet welkom. Vrouwen kunnen een groot aantal lezingen bijwonen en sociale, medische en psychologische problemen bespreken met ngo’s.
In veel opzichten is de scheiding tussen de seksen hier minder strikt dan elders in Irak. Hassoun wijst naar het gemeentehuis, een groot, met riet bedekt gebouw aan de ingang van het dorp, en vertelt dat de vrouwen van Al Bu Nahid daar welkom zijn, iets wat in andere dorpen niet vanzelfsprekend is. ‘Wij hebben tegen de mannen gezegd: nee, er is geen verschil tussen jou en haar. Maar dit heeft allemaal tijd nodig.’
Andere dorpen hebben lering getrokken uit het succes van Al Bu Nahid. Nu IS is verslagen, lijkt Irak eindelijk het sektarische geweld en de sfeer van angst en repressie te boven te komen. Nu oorlog en geweld op de achtergrond raken, beginnen Irakezen meer aandacht te krijgen voor de sociale en economische kwalen die hun land plagen. Voor Hassoun is Al Bu Nahid een mogelijke blauwdruk voor hoe Irak zichzelf zou kunnen rehabiliteren, met een opener, gezonder gemeenschapsleven. ‘Het is niet makkelijk,’ zegt hij. ‘Maar ik probeer tenminste wat.’
Auteur: Alex MacDonald
Vertaler: Carl Stellweg
CONTEXT: De regels
Aan de ingang van het dorp stipuleren twee uithangborden – een in het Engels, een in het Arabisch – een aantal (losjes gehandhaafde) regels:
1. Niet roken
2. Geen ruzie om godsdienst
3. Geen getoeter
4. Geen politieke discussies
5. Eerbiediging van verkeersregels
6. Geen bomenkap, want het milieu is onze verantwoordelijkheid
De website Middle East Eye werd in 2014 opgericht en wil de voornaamste nieuwsbron zijn voor het Midden-Oosten. Hoofdredacteur is David Hearst, voormalig buitenlandredacteur van The Guardian. Volgens critici heeft de site banden met de Moslimbroeders.
Klassieke muziek wordt vaak misbruikt, om mensen te verjagen of voor commercials. Daarmee loop je het risico dat het genre mensen gaat tegenstaan, betoogt recensent Theodore Gioia.
Keuze uit het archief
Afgelopen week werden in Duitsland voor het eerst twee muziekstukken uitgevoerd waarvan lange tijd onbekend was wie ze had geschreven. Degene die de manuscripten had onderzocht, was er vrijwel 100 procent zeker van dat Bach de componist was. Hoewel soms de indruk kan ontstaan dat de interesse voor klassieke muziek op zijn retour is, was deze ontdekking toch groot nieuws in de media.
Klassieke muziek is niet alleen geschikt om van te genieten, ze is ook een uitstekend afschrikmiddel, zo blijkt uit dit artikel van Los Angeles Review of Books. Daar zit echter wel een schaduwkant aan: het muziekgenre komt steeds meer in een slecht blaadje te staan, aldus recensent Theodore Gioia.
Bij de Burger King op de hoek van 8th Street en Market Street in San Francisco, ter hoogte van een afgesloten roltrap naar de ondergrondse, klinkt ongewone achtergrondmuziek. Uit een luidspreker in een hoog raam schalt barokke klavecimbelmuziek. Het volume is oorverdovend. De muziek houdt nooit op. Dag en nacht regent het vanaf het Burger King-dak Bach, Mozart en Vivaldi op de lege straten.
Maar dit concert is ook bedoeld voor lege straten. De playlist is speciaal samengesteld om eventuele toehoorders weg te jagen – namelijk de daklozen die vroeger bivakkeerden voor de deuren van deze eetgelegenheid, de ontmoetingsplek voor de armen uit de buurt. Bij de metro-roltrap was een kampement van winkelwagentjes, slaapzakken en stukken plastic uitgegroeid tot een ware trottoir-sloppenwijk die drommen daklozen en andere straatbewoners aantrok. ‘Vroeger hing hier altijd een hele menigte rond,’ vertelt buurtbewoner David Allen, ‘en nu zie je er hooguit een of twee mensen.’
Het voorstel voor deze tactiek kwam van een organisatie met de cryptische naam Central Market Community Benefit District, een collectief van huiseigenaren uit de buurt. Voor het Burger King-plan heeft CMCBD zich laten inspireren door de Londense ondergrondse. In 2005 ging men daar op 65 metrostations opnames van orkestmuziek draaien, als onderdeel van een plan om ‘antisociaal’ gedrag te ontmoedigen.
Daarvoor was er al vanaf 2003 een pilot gehouden, die een verrassend succes bleek: na anderhalf jaar klassieke muziek was het aantal berovingen in de trein met 33 procent afgenomen, verbaal geweld tegen het personeel met een kwart en vandalisme met 37 procent. Deze opmerkelijke resultaten werden opgepikt door de wereldwijde gemeenschap van wetshandhavers en een internationaal fenomeen was geboren. Sindsdien heeft het gebruik van klassieke muziek als wapen zich over heel Engeland en de rest van de wereld verspreid: politie-eenheden op de hele aardbol gebruiken nu het strijkkwartet als de nieuwste aanwinst in hun arsenaal ter bestrijding van de misdaad en hebben Johann Sebastian gerekruteerd om hun rangen te komen versterken.
Barokmuziek schijnt het meest afschrikwekkend te werken
Volgens deskundigen is de oorsprong van deze praktijk terug te leiden op een miezerig filiaal van 7-Eleven in British Columbia, waar een slimme bedrijfsleider in 1985 buiten de winkel muziek van Mozart liet klinken om hangjongeren van de parkeerplaats te verdrijven. Mozart-op-de-parkeerplaats was zo succesvol in het ontmoedigen van snode tieners dat 7-Eleven het programma bij meer dan honderdvijftig winkelfilialen doorvoerde, en zo werd dit het eerste bedrijf dat vandalisme bestreed met violen. Vervolgens sloeg het idee over naar West Palm Beach in Florida, waar de politie in 2001 een van drugs vergeven straathoek aanpakte door er een luidspreker te installeren waaruit Beethoven en Mozart dreunden. ‘De agenten waren stomverbaasd toen er die avond om tien uur geen levende ziel te bekennen was op die hoek,’ zegt agent Dena Kimberlin. Vanaf dat moment werd de tactiek razendsnel populair bij particuliere ondernemingen en overheidsinstellingen.
Barokmuziek schijnt het meest afschrikwekkend te werken. ‘Afgezien van laatromantische uitzonderingen als Moessorgski en Rachmaninov,’ schrijft recensent Scott Timberg, ‘is de muziek die het meest wordt gebruikt om gespuis te verjagen preromantisch, van componisten uit de barok of de klassieke tijd, zoals Vivaldi of Mozart.’ Over de diepere redenen waarom deze muziek zo effectief is, denken ambtenaren zelden na, maar wel mogen ze graag met openlijke trots de resultaten vermelden. Zoals deze functionaris uit Cleveland: ‘Er is iets met barokmuziek waar macho’s die de gangster willen uithangen een bloedhekel aan hebben.’
Het hoofd van de politie van Tacoma, Washington, komt met eenzelfde logica: ‘Door klassieke muziek te spelen hopen we een onaangename omgeving te scheppen voor criminelen en mensen die graag de gangster uithangen.’ Een geregelde reiziger met de Londense ondergrondse verwoordt het effect van deze strategie in minder parlementaire termen: ‘Die jonge criminelen zeggen gewoon: “Nou, we kunnen hier naar die rotzooi gaan staan luisteren, of we kunnen, je weet wel, ergens anders crimineel gaan wezen.’
Ga ergens anders crimineel wezen, dat zou de ondertitel kunnen zijn bij elke melodie die wordt ingezet door de muzikale misdaadbestrijders. Deze tactiek is in wezen niet bedoeld om een einde te maken aan de misdaad of zelfs om die te verminderen, maar om haar te verplaatsen. Daar komt bij dat winkeliersacties als deze meestal gericht zijn tegen kleinere criminaliteit zoals vandalisme en hinderlijk rondhangen – misdaden die schadelijk zijn voor eigendom, niet voor mensen, en meestal voor het eigendom van de machtigen.
Zo keert muziek terug naar haar oudste evolutionaire functie: het claimen van een territorium. Uit zoölogisch onderzoek blijkt dat vogelgezang oorspronkelijk niet alleen was bedoeld om een partner aan te trekken, maar ook om territoriale rechten vast te leggen. Uit experimenten is gebleken dat vogels meestal wegblijven uit een gebied waarin een band met vogelgezang wordt afgespeeld. Deze agressieve kant van gezang bestond ook bij de vroege mens. Zo denkt primatoloog Thomas Geissmann: ‘Muziek van vroege mensachtigen kan dezelfde functies hebben gehad als het luide roepen van apen […] waaronder het bewaken van het territorium, intimidatie van andere groepen en het afbakenen van ruimtes.’ De liedjes zijn veranderd, maar de melodie is hetzelfde gebleven – verboden toegang: privé-eigendom. Muziek hakt openbare ruimte op in privéterritoria, en markeert middels orkestrale ‘intimidatie’ bepaalde gebieden als verboden terrein voor bepaalde groepen. En geen genre heeft zoveel intimiderende associaties met de hogere klasse als klassieke muziek.
De overwinning van deze symfonische segregatie kan echter betekenen dat de klassieke muziek een nog grotere nederlaag lijdt. Iedereen weet dat muziek mensen aanspreekt onder het niveau van bewust denken, dat muziek ‘fluistert tot onze onbewuste geest’. Wanneer klassieke muziek geassocieerd wordt met ongastvrijheid, als middel tot gentrificatie, ontstaat het risico dat de houding van het grote publiek tegenover deze kunstvorm nog verder verzuurt, van onverschilligheid tot vermijdingsgedrag. De orkestrale intimidatiestrategie zal waarschijnlijk niet alleen een menigte mogelijke misdadigers verdrijven, maar ook generaties mogelijke concertbezoekers. Zo kan het gebeuren dat klassieke muziek zowel jonge delinquenten als jonge liefhebbers afschrikt. Het werkt tegen rondhangen én tegen luisteren.
Misschien hebben we ooit de eeuwigheid gehoord in de symfonische klassieken. ‘De Vijfde Symfonie van Beethoven,’ zo glunderde E.M. Foster, ‘is het meest sublieme geluid dat ooit is doorgedrongen tot het menselijk oor.’ Maar wanneer je Beethoven hoort op de stoep bij de Burger King, klinkt de melodie niet als een aankondiging van het sublieme, maar als een akelige waarschuwing om ‘weg te wezen’.
Commercieel gebruik
Klassieke muziek als wapen – het is een nieuwe stap in het commerciële gebruik van dit genre. De meeste jonge mensen van nu komen niet in aanraking met klassieke muziek als populaire kunstvorm, maar als een aanduiding van klasse. Decennia van cultureel conditioneren hebben het publiek geleerd om de symfonie te herkennen als geluidssteno voor sociale status – en dus ook voor het uitgesloten zijn van die status. De gemiddelde Amerikaan herkent de openingsakkoorden van ‘De Vier Jaargetijden’ niet als het geluid van de lente, maar als het geluid van snobisme. Op onze schermen is barok de achtergrondmuziek voor ‘oud geld’, voor de hogere klassen, en voor arrogantie. In de kern is die muziek er niet om gewaardeerd te worden, maar om geassocieerd te worden – en de associatie is meestal: elitair.
Ooit was klassieke muziek een geliefd onderdeel van de populaire cultuur, maar voor het hedendaagse Hollywood is klassieke muziek de verontrustende aanduiding voor excentrieke genieën, vroegrijpe negenjarigen, en erkende psychopaten. Vioolspelen is een afwijkend trekje van bipolaire detectives en criminele meesterbreinen – geen gezonde gewoonte voor normale mensen.
In het tijdperk van de massamedia komt het grote publiek vooral in aanraking met klassieke muziek via afzonderlijke fragmenten die uit grotere stukken zijn gehaald om hun symbolische kracht aan een commercieel doel te lenen. Kunstenaars en adverteerder ontleden klassieke werken in korte melodietjes en stellen een menu van muzikale motieven samen om hun boodschap de gewenste toon, stemming of associatie mee te geven. Als kunstmatige smaakstof voor het oor geven deze symfonische uittreksels aan scènes de synthetische emotie die ze moeten overbrengen. Een tikje Europese elegantie nodig? Mozart maakt die commercial voor een minibusje opeens aantrekkelijk. Mist je pannenkoekenreclame iets pittigs? Stuur Wagners ‘Walkurenrit’ van Walhalla naar het pannenkoekenhuis.
Carmina Burana leidt een bestaan als permanent muzikaal cliché
De artistieke gevolgen van dit soort praktijken zijn rampzalig. Als je Wagners Walkuren de rol van pannenkoekenverkoopsters geeft, zullen ze in het operatheater minder impact hebben. Sommige muziekfragmenten worden zo vaak geciteerd dat hun afgeleide associaties de oorspronkelijke muziek verdringen en goedkoop maken. Carmina Burana leidt een bestaan als permanent muzikaal cliché. ‘O Fortuna’ van Orff roept alleen maar de gedachte aan kitsch op; hoe kan een luisteraar nog een authentieke ontmoeting hebben met de koorzang van het noodlot?
Zo’n cultuur van hapklare muziekbrokken ontkent de bepalende waarde van klassiek componeren: de lange ontwikkeling van complexe muzikale thema’s. Er is een tweetrapsmechanisme om een melodie ergens uit te halen en naar iets anders over te zetten: haal een thema van 15 seconden uit een symfonie van 45 minuten en plak dat op een heel ander onderwerp. Snij ‘O Fortuna’ los van een Latijnse cantate, zodat het op een Superbowl-spot voor Domino’s pizza’s geplakt kan worden. Deze transplantaties produceren een storend mengsel dat bovendien nóg een afschuwelijke bijwerking heeft: doordat stukjes muziek altijd zonder hun context worden geciteerd, vergeet het publiek dat ze een context hebben.
Een schoolvoorbeeld van de benarde positie die de klassieke muziek inneemt in onze kapitalistische cultuur is Bachs ‘Prelude voor Cello Suite no. 1 in G-Majeur’. Deze twee minuten durende compositie, die door een columnist is omgedoopt tot de ‘Things Just Got Classy Song’ (het nu-wordt-het-chic-lied), is voor een verbijsterend groot scala aan doelen ingezet. In de Internet Movie Database staat het 73 keer vermeld, onder andere met optredens in primetime-series als Smallville en ER, in reclamecampagnes voor diepgevroren broccoli van Healthy Choice en voor hondenvoer van Pedigree, en in bioscoopfilms, variërend van Elysium en The Hangover Part II tot een korte cameo in Mega Shark vs. Giant Octopus. Vreemd genoeg gebruiken creatieve filmmakers en adverteerders van grote bedrijven de associatie van de Prelude met klassenstatus om twee tegenstrijdige gevoelens op te roepen. Enerzijds dient de Prelude in films om de snobistische hypocrisie van de rijken te verbeelden en zo te benadrukken hoe misplaatst de aardige gewone man is in de hogere kringen; anderzijds citeren commercials het stuk om hun oppervlakkige verkooppraatje een elegante toon te geven, en zo het product te verbinden met het stilzwijgende verlangen bij het publiek naar een beter leven. Met andere woorden, de Prelude moet tegelijkertijd de hypocrisie van de hogere klassen aan de kaak stellen en inspelen op het verlangen van het publiek om daarbij te horen.
In een recente commercial voor de Cadillac CTS wordt Bachs Prelude zelfs met name genoemd. In het spotje rijdt een elegant stel door een chique straat en zet de radio aan. ‘Bach Suite no. 1 in G Majeur,’ verklaart de man achter het stuur – hij is blijkbaar een kenner. Dan glijdt de camera naar het interieur van de auto en laat de elektronisch oplichtende titel van het muziekstuk op het dashboard zien. De boodschap is natuurlijk dat je niet alleen een auto koopt, maar ook lid wordt van een sociale elite. Het is een uitnodiging om bij een exclusieve club te komen, om iemand te worden die Bach-suites herkent bij hun naam en nummer. Een paar cellostreken verheffen een doodgewone autoreclame tot een groots visioen van een gelukkiger toekomst: een belofte van transformatie door de kracht van een persoonlijke aankoop.
Wat betekent dit voor de Prelude – en dus voor de klassieke muziek? Bachs ‘Prelude voor Cello Suite no. 1’ heeft vele doelen gediend, van het tot leven wekken van megahaaien tot het verkopen van Cadillacs. Maar één doel dient het zelden: zichzelf. Door de gedwongen dienstverlening aan zo veel buitenstaanders – reclame, film, en politiewerk – verliest de Prelude zijn identiteit als onafhankelijk kunstwerk dat gehoord wil worden voor wat het is.
De Amerikaanse kunstenaar Jean-Michel Basquiat liep vooruit op de digitale cultuur; zijn kunst past bij het levensgevoel van de Instagramgeneratie. Een tentoonstelling in Frankfurt documenteert zijn bliksemcarrière.
Het korte leven van Jean-Michel Basquiat laat zich lezen als een actiestrip: uit een teenager met een spuitbus groeide een superster van de kunstwereld, die op 27-jarige leeftijd stierf aan een overdosis heroïne. Hij schiep in nog geen tien jaar ongeveer duizend werken – waarvan er maar weinig in openbare musea te zien zijn, want al tijdens zijn leven verkocht Basquiat heel goed. Op zijn eenentwintigste was hij de jongste deelnemende kunstenaar tot dan toe van documenta 7 in Kassel en tegenwoordig geldt hij als een van de belangrijkste kunstenaars van onze tijd. In het afgelopen jaar bracht zijn schilderij Untitled (1982) op een veiling 110,5 miljoen dollar op. Waanzinnig.
Toen Jean-Michel Basquiat de eerste golf van roem achter de rug had, was hij nog maar net twintig jaar. Als graffitiartiest had hij onder het pseudoniem SAMO (same old shit) in Manhattan naam gemaakt met cryptisch-poëtische schrifttekens. Vanaf die tijd werd hij steeds opnieuw gefotografeerd, gefilmd, in kranten beschreven – hij was eerzuchtig en werkte onafgebroken, maar behield tegelijkertijd ook zijn jeugdige charme en coolness, waardoor alles zo moeiteloos leek.
De tentoonstelling Boom for Real in de Schirn Kunsthalle Frankfurt toont nu een groot retrospectief dat eerder in Londen te zien was. Het probeert te verklaren waarom de hyperactieve zwarte jongen uit de Brooklynse middenklasse een kunstenaar werd die uitzonderlijk was in zijn tijd.
Want waarom dat zo was, is niet meteen duidelijk. De kunstkritiek heeft zo nu en dan van alles op Basquiat aan te merken: is zo’n komeetachtige carrière als van een popster wel gerechtvaardigd zonder enige formele opleiding? Zijn zijn portretten eigenlijk niet alleen maar neergekwakte pictogrammen? Is die 110 miljoen dollar niet een groteske overwaardering door de kunstmarkt? Is hij misschien alleen maar door zijn vroegtijdige drugsdood een mythe geworden?
Aan de drugs die zijn ondergang betekenden, maakt Boom for Real, ondanks een duidelijk biografisch accent, geen woord vuil. In plaats daarvan komen we veel te weten over de New Yorkse scene rond 1980. In het trappenhuis ontvangt Basquiat de bezoeker op een videowand, trippelend op de muziek van Duke Ellington; in de volgende ruimtes zijn krantenartikelen uit eind jaren zeventig te zien, polaroids met Grace Jones, Madonna, Fab 5 Freddy en andere creatievelingen uit de postpunkunderground. Dan komen de portretten van en met zijn vriend Andy Warhol. De bezoeker wordt geïnformeerd over waar Basquiat ging dansen, wanneer hij Warhol leerde kennen, hoe de uitnodiging voor zijn verjaardagsfeestje eruitzag, hij kan Basquiats brieven, ansichtkaarten, cheques en huurcontracten bekijken. Een hele zaal toont uitsluitend bladzijden uit zijn notitieboekjes.
Brok energie
Hoort een zo gedetailleerde biografische documentatie thuis in een kunsttentoonstelling? Zou de kunst niet voor zichzelf moeten spreken? Misschien niet in het geval van Basquiat, want zijn kunst is een mix van zijn leven, politiek-maatschappelijke invloeden en de samplemethode van de hiphopcultuur die toen ontstond. ‘Hij verslond ieder beeld, ieder woord, ieder snippertje informatie dat op zijn pad kwam’, schreef de auteur Glenn O’Brien na Basquiats dood in 1988. ‘De stortvloed aan informatie waarmee wij leefden veranderde zo in iets dat een verbluffende nieuwe betekenis opleverde.’
Deze hoogbegaafde brok energie zoog alles op, reageerde op elke impuls in zijn omgeving, schijnbaar ongefilterd. Het zelfportret Dos cabezas (1982) met Andy Warhol schilderde hij in twee uur en hij schonk het aan zijn idool terwijl de verf nog nat was. Zelfs de teksten op zijn cornflakesdoos zou hij af en toe verwerkt hebben, steeds omringd door bergen boeken, alsook een tv en een platenspeler die tegelijk aan staan. Zo schilderde hij zich als eerste zwarte de elitaire witte kunstwereld in.
Basquiats schilderijen spiegelen deze permanente toestand van overprikkeling. Ze zijn wild, geïmproviseerd, direct, vol energie en rusteloosheid, elk schilderij als een fragment uit zijn tijdlijn. Hij vermengt citaten met anatomische tekeningen, krantenknipsels met grove verfstreken, hij vervreemdde elementen van Picasso en Leonardo da Vinci, kopieerde en voegde in: een copy-pastekunstenaar. En hij hield van selfies, steeds weer schilderde hij zelfportretten. Je zou kunnen zeggen: hij liep vooruit op de huidige digitale cultuur, waarin veel mensen voortdurend druk zijn met het verwerken van de input die op ze af komt.
Untitled (1982).
Misschien is dat wel de reden waarom Basquiat zo veel mensen bevalt – omdat bij hem uit de synthese van onsamenhangende futiliteiten een nieuwe betekenis lijkt te ontstaan. Het zijn snelle, spontane werken die de thema’s van zijn tijd symbolisch samenvoegen; Basquiat is bovendien de zwarte held tegen een witte achtergrond. Steeds opnieuw toont hij zich in zelfportretten als donkere schedel, omgeven door politiek aandoende slogans, zoals in Famous (1982) of Glenn (1984).
Racisme, politiegeweld, kritiek op het kapitalisme – Basquiats thema’s zijn ook nu nog actueel. Hij verplaatst ze, doordat hij het private en het openbare in elkaar laat overgaan – ook daarin lijkt zijn werk op de huidige digitale cultuur. In Boom for Real is er daarom geen sprake van smetvrees of academische drempels, want het levensgevoel van de Facebook- en Instagramgeneratie lijkt sterk op de directheid waarmee Basquiat werkte.
Zijn grote formaten, zoals Ishtar (1983), bevatten zo veel dat je er moeilijk niet van kunt houden. Basquiat raakt aan alles tegelijk: muziek, wetenschap, politiek, economie, tv. Het zijn schilderijen als overvloedige buffetten, waarin iedereen iets voor zichzelf kan vinden.
Auteur: Carola Padtberg
Vertaler: Piet Meeuse
Tentoonstelling Basquiat. Boom for Real. Schirn Kunsthalle Frankfurt, Frankfurt am Main. Tot 17 mei 2018
Openingsbeeld: Jean-Michel Basquiat met American Football-helm in 1981.
Daar waar Polen net als veel andere Oost-Europese landen weigert Syrische vluchtelingen op te nemen, zijn Aziatische arbeidsmigranten er van harte welkom.
Na de golf economische vluchtelingen uit Oekraïne komt er nu een nieuwe aan – uit het Verre Oosten. Poolse werkgevers hebben steeds meer moeite om aan Oekraïense werknemers te komen – die al even veeleisend zijn geworden als de Polen – en beginnen in exotischer oorden personeel aan te werven.
Volgens gegevens van het ministerie van Gezin, Arbeid en Sociaal Beleid heeft Polen alleen al in 2017 bijna 30.000 werkvergunningen afgegeven aan mensen uit Nepal, India, Bangladesh, Oezbekistan, Pakistan, de Filippijnen en China. Het afgelopen jaar raakte het echt in de mode om mensen uit het Verre Oosten te rekruteren, iets wat Poolse werkgevers tot dusverre nooit hebben gedaan.
Het aantal buitenlandse werknemers in Polen stijgt gestaag: in 2016 zijn 140.000 werkvergunningen afgegeven, een jaar later is dat aantal bijna verdubbeld. Natuurlijk bestaat de meerderheid van hen uit Oekraïners en, in iets mindere mate, Witrussen. Maar na hen worden de meeste werknemers naar Polen gehaald uit… Nepal, gevolgd door India, Moldavië, Bangladesh en Oezbekistan. ‘Qua openheid van de grenzen kunnen we stellen dat we onze verplichtingen ten opzichte van de Europese Commissie meer dan vervuld hebben,’ grapt Andrzej Kubisiak, directeur [van de dienst analyse en communicatie] bij Work Service [het grootste wervingsbureau in Polen]. ‘Maar even serieus, het menselijk potentieel aan onze oostgrens raakt uitgeput. En daarom beginnen de werkgevers en de wervingsbureaus nu andere bronnen te zoeken.’
Een heel ander arbeidsethos
Waarom is Azië plotseling in de mode? Bartosz Cebula, vicedirecteur van een bureau dat gespecialiseerd is in rekrutering van Aziaten, legt uit dat zijn cliënten ‘teleurgesteld zijn in het Oekraïense personeel. Ten eerste stijgen de aanwervingskosten van onze buren almaar. Oekraïners eisen vaak hetzelfde salaris als Polen, en soms meer. Ten tweede zijn Oekraïners, volgens mijn cliënten, vaak minder gemotiveerd. Indiërs en Nepalezen hebben een heel ander arbeidsethos.’
Uit de statistieken van het ministerie blijkt dat het voornamelijk om handarbeiders gaat. In 2017 waren er op een totaal van 250.000 buitenlandse werknemers slechts 30.000 gekwalificeerde krachten, 3000 informatici en 20… artsen. Het gaat hoofdzakelijk over lichamelijke arbeid – in de bouw en de verwerkende industrie. De administratieve rompslomp en de eenmalige kosten die verbonden zijn aan de aanwerving van mensen die van het andere eind van de wereld komen, vormen geen beletsel voor werkgevers die op de salarissen willen besparen.
Maar Bartosz Cebula is van mening dat ‘het bij ons nog steeds gemakkelijker is dan in Duitsland, waar de aanwerving van buitenlands personeel beperkt blijft tot een lijst met beroepen waarvan officieel erkend wordt dat er een tekort aan geschoold personeel bestaat, bijvoorbeeld wiskundigen, artsen of informatici. En daar wordt buitengewoon streng de hand aan gehouden. Daarom besluiten de Aziaten naar ons te komen. Voor hen is werken in de Europese Unie een droom, ze kunnen meer dan tien keer zo veel verdienen als in hun land van herkomst.’
Het ministerie van Arbeid wil uiterlijk voor de zomervakantie de aanwervingsvoorwaarden voor buitenlandse werkkrachten liberaliseren. Evenals in Duitsland moet er een lijst van beroepen komen, maar degenen die aan de criteria voldoen kunnen dezelfde voorrechten genieten als onderdanen uit zes Oost-Europese landen (Oekraïne, Wit-Rusland, Rusland, Armenië, Georgië en Moldavië); ‘de zes’. Werkgeversorganisaties willen zelfs een tiental landen toevoegen aan de lijst met landen waarvoor gunstiger voorwaarden gelden!
Als dit scenario zich voltrekt staat ons misschien een ware toestroom van goedkope arbeidskrachten uit heel Azië te wachten. In de Poolse wetgeving wordt bepaald dat buitenlandse werkkrachten een minimumsalaris moeten ontvangen en woonruimte moeten krijgen, maar hoe die woonruimte eruit moet zien wordt niet nader gepreciseerd. Het is dus mogelijk dat het net zo zal gaan als nu met de Oekraïners die soms met z’n tienen een appartement delen.
In dat opzicht staat het Poolse recht aan de kant van de werkgevers. Afgezien van de ‘bevoorrechten’ uit ‘de zes’, worden de overige werknemers aangeworven voor een minimumperiode van één jaar. Maar bij voorkeur twee jaar. In die periode mogen ze alleen maar werken voor de onderneming die ze heeft aangemeld bij de arbeidsadministratie en ze mogen dus niet, zoals de Oekraïners, van werk veranderen als iets hun niet aanstaat. De werkgever die een Nepalees laat komen voor de duur van een bouwproject heeft dus de garantie dat hij gedurende het project voor een minimumsalaris voor hem zal werken. Sterker nog, hij gaat niet naar huis tijdens de feestdagen en neemt geen vakantiedagen op. Er is geen directe vlucht tussen Warschau en Kathmandu en vluchten duren met overstappen algauw meer dan twintig uur en kunnen wel vijftienhonderd euro kosten. Een Oekraïner daarentegen die in Lublin [Oost-Polen] werkt, kan voor tien euro met de bus naar zijn geboortestad Lviv.
In de bouwsector worden ook Noord-Koreanen aangeworven. In 2016 hebben de autoriteiten vierhonderd werkvergunningen afgegeven en in 2017 circa honderd
Het is dus helemaal niet verbazingwekkend dat werkgevers hele ploegen Aziatische bouwvakkers laten komen. ‘Deze bouwvakkers hebben nog een voordeel,’ aldus Andrzej Kubisiak. ‘Ze hebben vaak ervaring met grote bouwprojecten omdat ze gewerkt hebben in de Arabische Emiraten of in Qatar. Ook in Azië zelf zijn er enorme bouwprojecten. Helaas kunnen Oekraïense bouwvakkers niet prat gaan op zo’n cv.’
In de bouwsector worden ook Noord-Koreanen aangeworven. In 2016 hebben de autoriteiten vierhonderd werkvergunningen afgegeven en in 2017 circa honderd. Vorig jaar hebben ze in Silezië (Zuid-Polen) gewerkt, terwijl ze twee jaar eerder in Ermland-Mazurië (Noord-Polen) werkzaam waren. Ze worden dus in heel Polen ingezet. Er zou dan ook niets vreemds aan geweest zijn als inmiddels algemeen bekend zou zijn dat het regime-Kim al jarenlang werknemers aan andere landen verkoopt. Vrijwel hun gehele salaris wordt ingehouden en vloeit in de Noord-Koreaanse schatkist. Tegelijkertijd zijn ze gewaarschuwd dat als ze vluchten, hun op het Koreaans schiereiland achtergebleven familieleden de consequenties ervan zullen ondervinden.
Oekraïners en Witrussen spreken al vrij snel Pools. Vaak hebben ze al een basis als ze in Polen aankomen. Hoe communiceren hun superieuren met de Aziaten? Met een Indiër kun je Engels praten, maar het wordt al lastiger met Chinezen, Nepalezen of Filippijnen. De werkgever moet er dus voor zorgen dat iedere ploeg ten minste één persoon bevat die een gemeenschappelijke taal spreekt.
Komt er in Polen een nieuwe boom van buitenlandse werknemers? ‘Naast een stijging van het aantal Aziatische arbeiders moet rekening worden gehouden met een toenemende immigratie uit de landen van de voormalige Sovjet-Unie,’ aldus Grzegorz Sielewicz, hoofdeconoom van Coface Midden-Europa. ‘Hoewel de Russische economie geleidelijk aantrekt, wordt de Poolse arbeidsmarkt een aantrekkelijk alternatief voor mensen uit traditionele emigratielanden als Moldavië, Georgië, Oezbekistan, Tadzjikistan of Kazachstan, die vroeger voor Rusland kozen.’
Wprost (‘Recht op het doel af’) staat in Polen vooral bekend om zijn scoops. In 2014 baarde het blad veel opzien met de publicatie van in het geheim opgenomen gesprekken tussen belangrijke politici.
De inwoners van Myanmar staan bekend om hun buitengewone solidariteit. Alleen geldt die dus niet voor de Rohingya.
De eerste buurt in Yangon waar ik woonde had al vrijwel geen charme toen ik er aankwam. Vlak daarna raakten we het enige wat er nog leuk aan was kwijt toen de gemeenteraad de bomen langs de straat liet kappen om de weg tot zes banen te verbreden. In één klap werd de tot dan toe verwaarloosde straat een drukke verbindingsweg tussen de flats in het centrum en de buitenwijken van de stad in het oosten.
Op een avond zag ik een auto de hoek om slingeren en een man aanrijden die langs de kant van de weg liep. In minder dan een minuut hadden vele tientallen mensen zich rond de plek van het ongeluk verzameld. Twee van hen verzorgden de gewonde man terwijl tien of vijftien anderen het verkeer gingen regelen. Omdat de politie nergens te bekennen was, haakten weer anderen de handen in elkaar om een versperring te vormen en te voorkomen dat de man achter het stuur, die duidelijk dronken was, ervandoor zou gaan. Algauw kwam er een plaatselijke ambulance, bemand door een groep vrijwilligers, die de gewonde man op een brancard van bamboe afvoerden naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis.
Zes cijfers
Ik dacht na over die avond tijdens een recent bezoek aan Phandeeyar, een technologisch centrum in Yangon dat de drijvende kracht is achter Myanmars opkomende, digitale industrie. De afgelopen twee jaar heeft Phandeeyars ‘Accelerator’-programma met succes jonge ontwikkelaars begeleid die op apps gebaseerde bedrijven willen opzetten. In twee van de eerste start-ups worden al investeringen gedaan die tot in de zes cijfers lopen.
Wat vooral opvallend is aan het programma is de maatschappelijke betrokkenheid van de mensen die eraan meedoen. Eén start-up werkt aan de digitalisering van medische dossiers, wat een steunpilaar kan zijn voor de gezondheidszorg in Myanmar, die onder chronische financiële tekorten lijdt. Een ander werkt aan de start van een nationaal recyclingsysteem, dat van de grond af moet worden opgebouwd. De initiatiefnemers ontlenen hun motivatie aan de treurige aanblik van al het vuil waarmee afvoeren en rivieren door het hele land verstopt raken. De oprichters van RecyGlo werken intussen samen met kantoren en privéscholen om het vuilnis in Yangon op te halen – papier wordt verkocht aan plaatselijke bedrijven terwijl andere recyclebare producten in grote hoeveelheden naar China worden verscheept.
‘Dit hoort eigenlijk door de staat te worden gedaan,’ zei RecyGlo’s medeoprichter Yamin Oo. ‘Maar in een ontwikkelingsland kan de staat niet zo veel doen. Daar is een ondersteunend systeem voor nodig.’
Myanmar staat bekend als een van de meest liefdadige landen ter wereld als het om giften en vrijwilligerswerk gaat. Maar het is misschien juister om te zeggen dat de mensen hier gewend zijn geraakt een handje te helpen als de staat daar de middelen niet voor heeft. Nadat ongekende overstromingen in 2015 meer dan honderdduizend dorpelingen uit hun huis verdreven, vormden zich rondom Yangon spontaan liefdadigheidsgroepen die geld vroegen aan automobilisten om voorraden te kopen die ze later zelf naar de opvangkampen reden. Vorig jaar, na wanordelijk verlopen onderhoudswerkzaamheden aan een aantal drukke buslijnen, boden vrijwilligers gestrande reizigers een rit in hun auto aan.
Maar dit verantwoordelijkheidsgevoel jegens de gemeenschap, dat zo vaak een voorbeeld is van Myanmar op zijn best, heeft ook een donkere keerzijde. Het afgelopen jaar heeft het land zich ingegraven als reactie op het massale geweld tegen de Rohingya-minderheid, die nog steeds buiten de grenzen van die collectieve solidariteit valt. Onlineactivisten die Aung San Suu Kyi steunen – de feitelijke leider van het land, wier regering verantwoordelijk is voor de chaotische reactie op de vluchtelingenexodus – hebben geprobeerd om buitenlandse media in diskrediet te brengen en de wereldwijde verontwaardiging over Myanmar af te doen als een samenzwering.
In de staat Rakhine, het epicentrum van de crisis in het afgelopen jaar, hielden inwoners humanitaire hulp aan Rohingya tegen. In één stad beschuldigden inwoners een boeddhistische winkeleigenares ervan dat ze zaken deed met moslims, waarna ze haar kaalschoren en lieten rondlopen met een bord waarop ‘verrader’ stond.
Tot nu toe heeft de regering weinig gedaan om haar burgers in het gareel te houden of om de destructievere instincten een halt toe te roepen. Maatschappelijke organisaties zeggen dat ze worden tegengewerkt. Kundige technocraten die geen banden hebben met de partij van Suu Kyi worden wantrouwig bekeken. Mensen die antimoslimagitatie veroordelen worden bedreigd en kunnen niet rekenen op hulp van de politie of steun van de staat. Of, erger nog, ze worden het doelwit van hinderlijke aanklachten.
Een groot deel van Myanmars recente geschiedenis is een aaneenschakeling van gemiste kansen. Het is moeilijk om het gevoel af te schudden dat we weer zo’n gemiste kans voorbij zien komen.
In 2013 opgericht magazine over politiek, economie, zaken en internationale betrekkingen, vanuit een Aziatisch perspectief. Onderdeel van mediareus Nikkei, onder meer de eigenaar van de Financial Times.
CONTEXT: VN-bezoek
Myanmar gaat in beginsel akkoord met het bezoek van de ambassadeurs van de lidstaten van de Veiligheidsraad van de VN, die op dit moment wordt voorgezeten
door Peru. De internationale vertegenwoordiging gaat op een nog niet vastgesteld tijdstip ook naar Bangladesh, naar de omgeving van Cox’s Bazar, waar zich zevenhonderd- duizend uit Birma gevluchte Rohingya’s bevinden.
De Birmaanse regering had in februari een dergelijk bezoek nog uitgesloten. Nu, begin april, heeft ze haar toestemming gegeven, maar de details over het bezoek zijn nog niet bekend. Daarom is het onduidelijk of de VN-delegatie ook toegang krijgt tot de Birmaanse deelstaat Arakan (tegenwoordig Rakhine), het woongebied van de Rohingya’s.
De Zweedse schrijver en vertaler Ulf Peter Hallberg denkt dat de oplossing voor veel maatschappelijke malaise ligt in kunst en literatuur die openheid en begrip mogelijk maken.
IQ: De maatschappij ziet cultuur vaak als een soort ontspanning, die niets te maken heeft met politiek. Vindt u dat ook?
Ulf Peter Hallberg: Kunst en cultuur staan voor veel meer dan ontspanning. Wij moeten inzien dat kunst, de literatuur, de muziek, alle kunstvormen in verschillende opzichten belangrijk zijn. Dat we er armer van worden als cultuur in het leven van alledag een kleinere rol krijgt toebedeeld door de politiek, omdat die ons in staat stelt het kritisch vermogen te ontwikkelen en niet te vergeten, om verandering te bewerkstelligen.
In mijn boek European Trash, Fourteen Ways to Remember a Father schrijf ik over iemand die zijn vader heeft verloren. De vader was niet geïnteresseerd in rijkdom of macht, hij was 87 toen hij stierf, maar voelde zich 27. Waarom? Omdat hij geld zag als iets wat mensen alleen maar kan vernietigen. Hij had de belangrijkste waarden van zijn leven ontdekt in de kunst. Daar had hij belangstelling voor, hij verzamelde artikelen over kunstwerken en dacht er veel over na. Ook ik wil graag geld hebben en uitgeven, net als iedereen. Maar dat is niet het belangrijkste doel in mijn leven, of mijn grootste drijfveer.
Natuurlijk is hier een verband te leggen met de politiek. Een voorbeeld: de Zweedse Democratische Partij zegt dat het land zich moet ontdoen van alle buitenlanders, dat Zweden blank moet zijn en één natie, een zuivere staat. Hoe je ook op dat soort ideeën reageert, het blijft retoriek. Dan kan het helpen om te bedenken dat het de literatuur of de kunst niet uitmaakt wie jij bent of waar je vandaan komt en wat de kleur van je huid is. Die principes zouden naar mijn idee de leidraad in het leven moeten zijn.
Hoe is de manier waarop de samenleving, of concreter de politieke klasse, naar kunst kijkt, te verbinden met het idee van de populistische natiestaat?
Volgens mij kunnen veel gebeurtenissen vergeleken worden met situaties die in boeken worden beschreven of in beeldende kunst worden afgebeeld. Je kunt je afvragen hoe een bepaald dilemma zou worden opgelost in een roman of een novelle. De literatuur kan in die zin een inspiratiebron zijn. Zelfs al stond het duidelijk in de wet, geen enkele persoon of groep kan alleen maar als goed of alleen maar als slecht worden bestempeld. De lijn die goed scheidt van kwaad, zwart van wit, werkt niet in de kunst.
Politici, vooral degenen die zich laten leiden door een populistische overtuiging, willen de samenleving overtuigen van hun ideeën over gerechtigheid en gebruiken daarvoor simplistische retoriek. De Hongaarse premier Viktor Orbán en de Amerikaanse president Donald Trump zijn daar goed in.
Toch zit het probleem niet zozeer in die retoriek zelf, maar in de middelen die worden ingezet om besluiten te kunnen nemen.
Het bestaan van kunst en literatuur laat zien dat alles in het leven een voortdurende strijd is, een eeuwige zoektocht, waarin doelen worden bereikt en waarden worden gekoesterd en mislukkingen verdoezeld
Wat is de invloed daarvan op de Europese Unie en haar waarden?
Cultuur maakt veel zichtbaar. Ze zorgt voor het behoud van de gevoeligheid in de moderne wereld. De Litouwse filosoof en schrijver Leonidas Donskis en de Poolse socioloog Zygmunt Bauman hebben al eerder vastgesteld dat in de huidige samenleving de cohesie ontbreekt. Er is geen behoefte meer aan wederzijdse banden, geen verbondenheid waardoor de zaak wordt opgeschud, waardoor men wordt uitgedaagd of gedwongen de strijd in te gaan. Donskis en Bauman vonden dat Europa veranderd was en, ze hadden gelijk. Door die transformaties zijn culturele verschijnselen naar de zijlijn gedrongen. De samenleving is een machine geworden die een ‘vloeibare moderniteit’ heeft veroorzaakt, zoals de filosofen het noemen. Dat wil zeggen een plek zonder verbinding, een toneel voor machtsspelletjes. Het verlies van persoonlijkheid en individualiteit is vaak een belangrijk probleem.
Hoe is dat te veranderen? Via de literatuur, de kunst en het theater. Mijn studenten aan de Sorbonne hebben me weleens gevraagd waarom ik hen dwong om te schrijven. Nu begrijpen ze dat schrijven niet alleen een middel is om je gedachten te uiten, maar ook om dialoog uit te lokken, contact te maken met de medemens. Dat idee brengt ons naar de Oudheid, de tijd van Plato, toen alles was geschapen naar de idee dat het leven zich in het hart van het denken bevond.
Dat vergeten we tegenwoordig. De Europese Unie en Brussel worden mechanische apparaten met een zwak hart. In het beleid van die institutiesbestaat geen dialoog, er worden geen banden meer gesmeed. Ik denk dat de kunst en de literatuur terug moeten komen op de politieke agenda van Europa. Er moet een intellectuele blik op die Unie komen. Als er geen dialoog is met de cultuur, is de politiek ook een lege huls.
We kunnen ons alleen tegen zo’n ontwikkeling beschermen door ons ervan bewust te zijn. Het kan soms lastig zijn om door retoriek heen te kijken, maar kritisch nadenken heeft nog nooit iemand kwaad gedaan. We moeten openstaan, nieuwe ideeën toelaten in de samenleving, in je familie, niet bang zijn om vragen te stellen, en de wereld niet verdelen in goed en kwaad. Wat Europa nu nodig heeft, zijn ideeën waarmee we kunnen behouden wat we zijn en die ons beschermen tegen overheersing door de economie en fanatieke demagogen.
In welk opzicht is dat verbonden met de grote rol die nieuwe technologieën in het leven van alledag zijn gaan spelen?
Ik vind het geweldig hoe het internet en de moderne technologie ons de mogelijkheid bieden om met elkaar in contact te komen, te communiceren, informatie te delen, enzovoort. Dat is een formidabel middel om verbinding te scheppen en herscheppen. Maar in mijn eigen land, Zweden, hebben de meeste mensen op Facebook alleen Zweedse vrienden. Mijn eigen netwerk bestaat voor negentig procent uit buitenlanders. En daarom zijn mijn berichten meestal in het Engels. Ik heb belangstelling voor deze communicatie, want zo komen we dichter bij het kosmopolitisme.
Toch, in twintig jaar tijd hebben de nieuwe technologieën onze samenleving enorm veranderd. Je kunt ze verwijten dat ze geen ruimte bieden voor echte discussie en dat ze de mens veranderen in een bron van inkomsten. Die situatie kennen we allemaal. Je hoeft maar ‘Rome’ in te tikken op Google en meteen verschijnen op andere sites die je bezoekt advertenties met reisaanbiedingen naar die stad. Diee kun je allemaal negeren, maar voor mij lijkt het steeds meer op persoonlijke informatielekken.
Daarom sta ik kritisch tegenover de sociale media. Als ik er foto’s tegenkom van kennissen die in bed zitten te ontbijten, dalen zij bij mij toch in aanzien. Ik wil dat helemaal niet zien, ergens heb ik het gevoel dat dat niet hoort. Sommige dingen moeten privé blijven, binnen de intimiteit van je eigen huis, anders worden zulke momenten minder waardevol.
In dat opzicht bieden de literatuur en de kunst een veiliger toevluchtsoord. Studenten leer ik kritisch naar de sociale media te kijken en voorzichtiger te worden met het delen van persoonlijke informatie. Het zou mooi zijn als politici en andere mensen op machtsposities dat ook in gaan zien. Ik ben optimistisch van aard en ik denk dat uiteindelijk iedereen begrijpt wel hoe belangrijk dat is en hoe hoog de prijs zal zijn als we zo doorgaan.
Kosmopolitisme wordt vaak in één adem genoemd met globalisering, open grenzen en vrijheid. Wat betekent het woord voor u?
Ik zou het concept van het kosmopolitisme uitleggen door een parallel te trekken met de band die de kunstenaar onderhoudt met zijn land van herkomst, wanneer hij zich buiten de grenzen daarvan bevindt. Zo iemand gaat een innerlijke strijd aan die wordt gemarkeerd door de vreemde omgeving en zijn land van herkomst. Er zijn talloze schrijvers voor wie dat geldt. Een voorbeeld is de van oorsprong Noorse schrijver Henrik Ibsen, die decennialang in Italië heeft gewoond, maar veel over zijn geboorteland schreef.
Deze kunstenaars krijgen creatieve impulsen doordat hun bestaan en hun identiteit door elkaar worden geschud en ter discussie gesteld. Het jaagt hun productiviteit aan. Ze hebben begrepen dat de concepten van ‘het oude land’ en ‘de natiestaat’ die in deze tijd de basis van alles zijn, niets meer betekenen. Het werk van deze kunstenaars berust op een evenwicht tussen de cultuur en de actuele situatie, op de band met de wereld om hen heen. Al die dingen is Europa nu kwijt, naar mijn idee.
Maar in Vilnius voel ik nog steeds het omgekeerde. Ik heb deze stad drie jaar geleden ontdekt. Het is een levende stad die haar wezenlijke kenmerken heeft behouden: in de straten klinkt meertaligheid, de architectuur is multicultureel. En, niet onbelangrijk, er is genoeg ruimte voor de bewoners van deze stad, de Litouwers, de joodse bevolking en alle anderen.
Men zegt altijd dat elk kind dat geboren wordt een vreemdeling is. Dat is zo, volgens mij. Toch is het mogelijk om banden te scheppen, die te koesteren en zo jezelf en je omgeving vorm te geven. Dat noem ik een kosmopolitische blik hebben op de wereld.
Welk type mensen heeft zo’n kosmopolitische kijk op de wereld?
Veel mensen denken dat het kosmopolitische wereldbeeld van kunstenaars of anderen niets anders is dan een romantische grotestadsblik. Alsof de rest van de mensheid hun ogen alleen richt op het asfalt. Maar dat klopt niet. Het kosmopolitisme onderscheidt zich door een bepaalde opvatting van ruimte en tijd. Het gaat voor kosmopolieten om een bron van creativiteit die hen beveelt om nooit stil te staan.
Nieuwe ideeën worden gevormd op het moment dat je geconfronteerd wordt met een moeilijke of ingewikkelde situatie. Een ziekte bijvoorbeeld, een verlies of een ander probleem dat een schok veroorzaakt. Zulke situaties leren ons iets, maar die lessen vergeten we vrijwel meteen weer. In de kunst gebeurt het omgekeerde, het biedt de kans in het moment te zijn, ergens tussen de dood en het leven.
Wat bedoelt u als u zegt dat Europa wordt geconfronteerd met het verlies van zijn waarden? Wat zijn de gevolgen daarvan?
In mijn ogen heeft de redevoering die Winston Churchill in 1948 in Den Haag hield de basis gelegd voor de Europese beweging. Hij sprak toen over de tragedie van Europa. Hij waarschuwde dat de tijd kon opraken, dat zelfs als de strijd was opgehouden en de kanonnen zwegen, het gevaar bleef bestaan. Hij verdedigde het Europa dat gefundeerd was op de waarden van het christendom, de cultuur, de filosofie, de wetenschap en de geschiedenis. Met het vergroten van de Europese gemeenschap, in een streven naar een vrije markt, zijn veel van die waarden verloren gegaan.
De literatuur en de beeldende kunst plaatsen vraagtekens, maar hun doel is niet om één waarheid vast te stellen. Je kunt het vergelijken met de filosofie: die stelt vragen die we niet kunnen beantwoorden
De culturele waarden zijn onlosmakelijk verbonden met mensenrechten en met democratische waarden. De politiek besteedt er volgens u weinig aandacht aan. Welke lessen kunnen we daaruit leren?
De literatuur en de beeldende kunst plaatsen vraagtekens, maar hun doel is niet om één waarheid vast te stellen. Je kunt het vergelijken met de filosofie: die stelt vragen die we niet kunnen beantwoorden. Het bestaan van kunst en literatuur laat zien dat alles in het leven een voortdurende strijd is, een eeuwige zoektocht, waarin doelen worden bereikt en waarden worden gekoesterd en mislukkingen verdoezeld.
Tegenwoordig is het waardensysteem van de Europese Unie behoorlijk uitgehold. Wij kunnen het niet meer goed voelen. Elke man en elke vrouw op straat begrijpt dat. En als de waarden ons teleurstellen, nemen we er afstand van en gaan we op zoek naar nieuwe.
Maar succes leert ons niets, mislukkingen zijn onze beste leraren. Zij stuwen ons naar voren. Daarom moeten we niet bang zijn onze mislukkingen te erkennen, er conclusies uit te trekken en nog harder ons best te doen.
Ik denk dat de toekomst van de politiek afhankelijk is van de cultuur. Tegenwoordig is alles wat op Facebook, in de politiek of in Hollywood gebeurt identiek, veel staat in het teken van de zoektocht naar populariteit. Toch is cultuur altijd de kracht en de ware identiteit van Europa geweest. Jarenlang hebben verschillende volken naast elkaar geleefd, hadden verschillende talen en verschillende wereldbeelden elk hun eigen plaats.
Nu moeten we veel te vaakhet Amerikaanse circus tot ons nemen, in plaats van Aristoteles, Charles Dickens, Dante en de anderen.
Auteur: Kotryna Tamkuta
Vertaler: Annemie de Vries
IQ The Economist verschijnt sinds 2010 in samenwerking met het Britse weekblad The Economist. Het maandblad biedt veel vertaalde artikelen, maar ook journalistieke verhalen en commentaren geschreven door Litouwse persoonlijkheden. De slogan van de Litouwse editie luidt: ‘De traditie van intellectuele journalistiek’.
Ulf Hallberg
Schrijver Ulf Hallberg is geboren in Malmö, Zweden en woont sinds 1983 in Berlijn. Hij heeft onder anderen Georg Büchner, Bertolt Brecht en Frank Wedekind vertaald. Aan de Ateliers d’écritures van de Sorbonne doceert hij creatief schrijven en vertalen. In 2009 publiceerde hij het boek European Trash, Fourteen Ways to Remember a father, dat in 2012 in Engelse vertaling verscheen.
Aalsmeer is het epicentrum van de wereldwijde bloemenhandel. In een gigantisch gebouw worden dagelijks 27 miljoen bloemen verhandeld. El País kreeg een rondleiding door een labyrint van rozengeur en maneschijn.
Het is elf uur ’s ochtends als een koelwagen achteruitrijdt en zich vasthaakt aan laad- en losdock nummer 17. De chauffeurs stappen uit, openen de containers en er komen 48.250 rozen tevoorschijn. De rozen komen uit Soria [Spanje], waar ze twee dagen eerder zijn geplukt, waarna ze via Frankrijk en België in twintig uur tijd naar Aalsmeer zijn vervoerd. Hier, in dit gigantische gebouw van 1,3 miljoen vierkante meter met 443 identieke laad- en losdocks waar dagelijks 27 miljoen bloemen de ruimte binnengaan en weer verlaten, wordt de lading gelost. Binnen vindt de transactie tussen verkopers en kopers plaats. Op de grootste bloemenveiling ter wereld gaan de bloemen van de teler naar de groothandel, worden vraag en aanbod samengebracht en de prijs bepaald. De bloemen en planten worden verwerkt volgens een uitgekiend logistiek proces in het gebouw. Dit proces begint met de komst van een vrachtwagen met volle stapelwagens die door loodsmedewerkers worden uitgeladen.
De rozen uit Soria komen in bossen van tien. In elke rechthoekige emmer is plaats voor tachtig rozen, in elke stapelwagen passen er 1500. De rozen worden naar een koelcel gebracht met een temperatuur van vier graden boven nul, waar een laatste inspectie plaatsvindt. De beste rozen, van het type A1, met stelen van bijna een meter lang en dikke, openspringende knoppen, worden verfraaid met een kartonnen verpakking, waardoor de biedprijs wellicht hoger uitvalt.
‘Deze komen uit Ecuador, en die daar, dat zijn Afrikaanse rozen.’ Henk Lammers zit al 35 jaar in het vak en herkent de bloemen van de concurrent van veraf. Jaren geleden werkte hij als veilingkoper; daarna, in de jaren tachtig, opende hij in Madrid een groothandel en nu is hij in Nederland verantwoordelijk voor de transacties van Aleia Roses, een Spaans bedrijf dat in 2016 in de bloemenhandel is gestapt. Aleia Roses heeft in Soria een enorme kas waar de Red Naomi wordt geteeld, een van de meest gewilde rozen. Elke dag worden er honderdduizend rozen geoogst die bijna allemaal naar veilinghuis Aalsmeer worden getransporteerd, waar het bedrijf een eigen kantoor en koelcel heeft.
Lammers is onze gids in dit gebouw. We volgen zijn kindjes in deze enorme machinerie in Aalsmeer. Vele kilometers leggen we af in een labyrint van gangen en ijskoude ruimtes, waar het altijd ruikt naar een tuin in de vroege ochtend.
Jaaromzet 4,7 miljard
Royal Flora Holland, de coöperatie die eigenaar is van de Aalsmeerse bloemenveiling, draait een jaaromzet van 4,7 miljard euro (dat is twee keer de omzet van de Spaanse boekenbranche). De geschiedenis van het veilinghuis gaat terug tot het einde van de negentiende eeuw en is onderwerp van het proefschrift ‘The Making of Dutch Flower Culture’ (later bewerkt tot het boek Holland Flowering) waar de Amerikaanse antropoloog Andrew Gebhardt in 2014 op promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Van de zes veilinghuizen (nu zijn dat er nog vier) die eigendom zijn van Flora Holland werken tienduizend personen per dag via Aalsmeer,’ schrijft Gebhardt in zijn onderzoek. ‘Dit is de grootste van allemaal. Het veilinghuis bedient de lokale, de regionale en de wereldmarkt. Zowel in Nederland als daarbuiten is Aalsmeer het gezicht van de bloemenindustrie, en in Aalsmeer vond de allereerste veiling van tuinbouw- producten plaats.’
Gebhardt vertelt dat de plaatselijke passie voor bloemen is geboren in de zeventiende eeuw, de Nederlandse Gouden Eeuw. Toen richtten de Nederlanders de blik naar buiten, hielden ze zich bezig met wetenschappelijk onderzoek en deden allerhande uitvindingen, koloniseerden ze gebieden én vochten ze tegen de Spanjaarden. De nouveaux riches importeerden exotische goederen en raakten geïnteresseerd in nieuwe vormen van vrijetijdsbesteding, zoals tuindecoratie. Er ontstond zelfs een run op tulpen uit Turkije, de zogeheten tulpenmanie, die aan de wieg stond van een van de eerste financiële zeepbellen. De prijzen van tulpenbollen schoten omhoog en er werd druk geïnvesteerd en gespeculeerd. Je kunt het vergelijken met de bitcoineuforie van nu. Maar in 1637 spatte de bloembollenzeepbel uit elkaar en zagen veel middenklassers hun spaargeld verdampen.
Het was de opkomst van het protestantisme, van het kapitalisme en de markteconomie. Twee eeuwen later, toen de Aalsmeerse bloementelers hun eerste kassen bouwden (de eerste kas voor rozenteelt dateert uit 1896), besloten ze zich te verenigen in een coöperatie. Door hun oogst dagelijks op een veiling te verkopen konden ze tegenwicht bieden aan de machtspositie van de koper. Het veilinghuis Aalsmeer is in 1911 opgericht. Gebhardt: ‘Zonder veiling en zonder coöperatie zou de markt gedomineerd worden door de kopers.’ De in een coöperatie verenigde telers konden rekenen op een minimumprijs voor hun product, ze deelden het belang om een goed product te verkopen voor een redelijke prijs én ze waren immuun voor financiële zeepbellen: de snijbloem is een beperkt houdbaar product. Naarmate er minder oorlog werd gevoerd in Europa, de koopkracht steeg en de consumptiemaatschappij en globalisering zich consolideerden, groeide dit lokale initiatief.
Momenteel is Nederland de op vier na grootste bloemenproducent ter wereld (na de Verenigde Staten, China, Japan en India), maar omgerekend per hoofd van de bevolking is de sector kolossaal.
De bloemenindustrie bedraagt maar liefst 5 procent van het bbp. Nederland heeft 43 procent van de wereldwijde bloemenexport in handen en is daarmee met gemak marktleider. De omzetcijfers van 2016 van Flora Holland, de coöperatie die bijna alle veilingen in Nederland heeft opgeslokt, waren verpletterend. In dat jaar verkochten de vier veilingen samen 3,3 miljard rozen, 2 miljard tulpen, 1,2 miljard chrysanten en 1 miljard Afrikaanse margrieten. Een fors deel van die bloemen werd verhandeld via Aalsmeer. Nogal wat bloemen komen uit Kenia, Ecuador, Ethiopië en Colombia, na Nederland de grote exportlanden. Van daaruit vertrekken ze naar grootverbruikers als Duitsland, Groot-Brittannië en Frankrijk, waar snijbloemen een alledaags product zijn dat je in de supermarkt kunt kopen, legt Lammers uit, terwijl we nog steeds in de koelcel staan, die nu is volgeladen met zo’n zeventigduizend bloemen.
Voordat hij begint, loopt hij graag nog even de koelruimte in, om “te kijken en te voelen”: “Emoties sturen deze handel aan”
Snijbloemen blijven een week of drie goed. Daarom moet de veilinglogistiek snel en nauwkeurig verlopen en mag het koelen niet onderbroken worden. Onmiddellijk na het lossen verschijnt er een elektrisch wagentje, zo eentje waar gemakzuchtige golfers in rijden, dat zich vasthaakt aan de 31 stapelwagens met de rozen uit Soria, en zo vormen ze, vastgekoppeld aan elkaar, een tientallen meters lange bloementrein die langzaam het gebouw in rijdt. Tijdens de rit kruist het treintje andere bloementreinen die allemaal een frisse, zoete geur verspreiden. Daarnaast zijn er fietsen waarmee je gemakkelijk de afstanden in de veiling kunt overbruggen.
De rozen uit Soria worden naar een nieuwe koelcel gebracht, het voorportaal van de veiling – een ruimte die zo groot is dat je er een potje zou kunnen voetballen als er geen stellages met bloemen zouden staan en als de automatische deuren niet zomaar zouden openspringen om de zigzaggend door elkaar heen rijdende stapelwagens door te laten. In deze koelruimte staan alleen maar rozen, de rest van de snijbloemen gaan naar soortgelijke ruimtes. Hier blijven de rozen staan tot morgenochtend zes uur, wanneer de veiling begint. Om vijf uur ’s ochtends, een uur voor aanvang van de veiling, loopt een man langs de rijen rozen uit verschillende continenten. Hij staat stil, pakt een bos, betast de rozenblaadjes, zet de rozen terug in hun emmer en loopt door. Aan het eind van de rij slaat hij de hoek om en begint opnieuw. Een andere man zegt in zijn mobiele telefoon in het Frans ‘30 centimeter’, daarbij doelend op de stengel (hoe langer de stengel, hoe duurder de roos, want dan blijft de roos langer goed). Het zijn de kopers. Voordat de veiling begint inspecteren ze de bloemen. Een aantal jaren geleden, toen iedereen fysiek aanwezig was bij de veilingen, was het in deze ruimte net een mierenhoop. Nu wordt het merendeel van de bloemen via internet verhandeld. Maar veilingmeester Erik Wassenaar komt bijna altijd kijken. Hij draagt een jack en een spijkerbroek. Vandaag moet hij 1200 stapelwagens (vier miljoen rozen, vlak voor Valentijnsdag loopt dat aantal met 50 procent op) verkopen. Voordat hij begint, loopt hij graag nog even de koelruimte in, om ‘te kijken en te voelen’: ‘Emoties sturen deze handel aan.’
Red Naomi, Mystic Blue
Even voor zessen loopt Wassenaar naar de koffieruimte, waar hij een paar geintjes maakt met zijn collega’s. Daarna loopt hij in zijn eentje zijn onpersoonlijke kantoor binnen en verruilt zijn nette schoenen voor een paar sneakers met platte zool. Zo kan hij het pedaal waarmee hij de veilingcontroles ijkt goed voelen. Op zijn tafel staan een toetsenbord met vreemde tekens en twee beeldschermen. Op het ene scherm staat een grote cirkel met een schaalverdeling van 1 tot 100, een voor elke eurocent. Dit is de veilingklok. Verkopen via de veilingklok is een Nederlandse uitvinding. De veilingmeester noemt een startprijs, laten we zeggen één euro. Daarna, als een digitale secondewijzer, telt de klok razendsnel cent voor cent af. In plaats van de prijs op te drijven, drukken de kopers aan de andere kant van het web op een knop als ze de juiste prijs te pakken hebben. Een angstaanjagend spel: je moet wachten tot de prijs zover is gezakt dat je zo min mogelijk hoeft af te rekenen, maar wacht je te lang, dan is een andere koper je voor. Dit vak vereist zelfbeheersing en stalen zenuwen.
‘Laten we het zo stellen: het is niet handig om de avond ervoor een paar biertjes gedronken te hebben,’ glimlacht onze gids. Dan klinkt er ineens een Japanse gong. De veilingmeester zet zijn koptelefoon op zijn hoofd en zegt: ‘Ladies and gentlemen! Pure Roses…’ Wat volgt gaat in het Nederlands, in korte zinnen: ‘minimale afname…, steel 50 centimeter…’ Onderwijl tikt Wassenaar op zijn toetsenbord en draait het bolletje rond en volgt de ene na de andere transactie. Tot zijn kantoortje dringen vaag de stemmen van de andere veilingmeesters door die in identieke veilingzalen zitten. Zo nu en dan neemt hij een slok koffie en prijst hij een partij aan op een speciale toon: ‘Red Naomi, Mystic Blue,’ zegt hij geheimzinnig in de microfoon. Na achttien minuten is Aleia Roses uit Soria aan de beurt. Hij pauzeert even om de spanning op te voeren, en daar gaan de partijen. In 3 minuten en 16 seconden worden er 41.320 eenheden verkocht, dat is 210 rozen per seconde. Die van de hoogste kwaliteit gaan voor 81,3 cent de deur uit, 15 procent duurder dan de vorige keer.
Intussen treedt er buiten zijn kantoor een machinerie in werking. In de koelcel worden de geveilde bloemenkarren op een rail getrokken en als onbemande spookhuiswagentjes door de ruimte geleid, richting de distributiehal. Dit is het kloppende hart van de markt: een hoge ruimte waar geen einde aan komt en waar zenuwslopende muzak klinkt, terwijl een wirwar van behendig bestuurde elektrische wagentjes de stapelwagens naar een volgende plek rijden, waar de bloemenpartij op een nieuwe stapelwagen wordt geladen en door andere elektrische wagentjes naar buiten worden gereden. In vijf uur tijd worden er vijftigduizend transacties gesloten; dat zijn 166 bewegingen per minuut. Aan boord van een van de elektrische wagentjes leidt de baas van het distributiecentrum, David Otten, ons de drukke werkvloer op waar men vlak langs elkaar rijdt en je getrakteerd wordt op een concert van gepiep, gezoem en gekletter. Otten zegt dat er 270 elektrische wagentjes rijden en dat het bij 284 link wordt. Elke bestuurder draagt een koptelefoon met een voice-systeem dat de instructies in zijn oor lispelt. Het is een vrouwenstem tegen wie de bestuurders terugpraten. ‘Vaak,’ zegt hun baas, ‘fantaseren ze dat ze met een bloedmooie vrouw spreken.’ Een bijenkorfbrein dat een leger elektrische wagentjes aanstuurt. Otten wijst naar een poster met daarop de slogan ‘Samen vullen wij de wereld met bloemen’. Hij wil dat de werknemers trots zijn op wat ze doen. ‘Wij zorgen ervoor dat honderdduizenden cadeaus hun bestemming bereiken; wij vullen de wereld met emoties.’ Aangestuurd door kunstmatige intelligentie wordt er een regenboog vol dromen, beloftes, dood en teleurstellingen, liefkozingen, geboortes, relaties, leugens, hoop en prestaties de wereld in gestuurd.
Het complete spectrum wordt bestreken, van rozen voor één euro tot die van de chique bloemist.
Evenals in andere branches hebben digitalisering en globalisering bepaalde taken overbodig gemaakt; het personeel is in vijf jaar tijd met driehonderd man (zo’n 10 procent) gekrompen. Ook kalft de positie van Nederland als zenuwcentrum af: in 2005 was het land goed voor 50 procent van de wereldwijde export, dat is 7 procent meer dan tegenwoordig. Maar het totale volume is toegenomen: er worden meer bloemen gekocht dan tien jaar geleden. En Aalsmeer is cruciaal. ‘De prijs in Aalsmeer is bepalend voor de rest van de wereld,’ legt Lambert van Horen uit, bloementeeltanalist bij de Rabobank. ‘Iedereen kijkt naar Aalsmeer, want het is de grootste veiling ter wereld. Net zoals een graankoper de markt in Chicago in de gaten houdt. Aalsmeer helpt de teler bij het nemen van zijn beslissingen: hier wordt bepaald welke kleuren en bloemen het goed gaan doen. Maar één ding is zeker: in de toekomst is deze fysieke ruimte overbodig.’ Van Horen legt uit dat veel bloemen niet meer naar Aalsmeer zullen komen. Een scherpe foto met de specificaties die de kopers online kunnen bekijken volstaat. Nog maar een van de veertien veilingen in Aalsmeer wordt fysiek bezocht. De volledig in bedrijf zijnde veiling houdt het midden tussen een saaie collegezaal en de controlekamer van een ruimtevaartagentschap. De kopers, zonder uitzondering mannen, zitten zwijgend op een tribune achter hun beeldscherm. Het is een steriel proces geworden. Vroeger konden ze de bloemen zien, ruiken en voelen.
De koningin
Ruud Haak (53) koopt al drie decennia lang bloemen, de laatste twintig jaar heeft hij zich toegelegd op de roos, ook wel de koningin van de bloemen-industrie genoemd (omzet in Nederland: 1,2 miljard euro). Je zou hem de rozenbroker van distributeur Hilverda De Boer kunnen noemen. Hij werkt vanuit de vestiging van het meer dan honderd jaar oude bedrijf aan de overkant van de weg. Elke ochtend van zes tot tien neemt Haak plaats in een donkere zaal vol beeldschermen en ergonomische stoelen, samen met een dozijn andere kopers, als ruimteverkeersleiders opgesteld in een halve cirkel. Hij heeft die ochtend voor aanvang van de veiling een kijkje genomen in de koelcel. Het aanbod viel tegen. Dan is het zaak de prijs niet te ver te laten zakken: snel reageren, anders blijf je met lege handen achter. Hij weet nog dat hij op Valentijnsdag zijn duurste rozen ooit heeft gekocht, ze liepen tegen de vier euro. ‘Voor dit soort soort werk bestaat geen opleiding – je hebt het of je hebt het niet,’ zegt Haak terwijl zijn vingers razendsnel over het toetsenbord vliegen om op de prijs te bieden die op het scherm wordt afgeteld.
Na afloop toont hij de distributie-|afdeling waar alle bestellingen van die ochtend worden afgehandeld. In een doos ligt een bos rozen uit Soria, klaar voor transport naar bloemist Le Jardin des Fleurs in Rennes (Frankrijk). Een aantal andere emmers gaat naar de winkel van Ernst van Woerkom, vlak in de buurt. Al zijn bloemen komen uit Aalsmeer. Terwijl hij de doorns van de stelen afhaalt en de rozen op een houten tafel zet vertelt hij wat bloemen doen: ‘Bloemen maken emoties los. Ze kunnen je in een andere stemming brengen, ze spreken zonder iets te zeggen, ze kunnen een intens verdrietige gebeurtenis een beetje opfleuren.’ Stukje bij beetje vertelt deze bloemendecorateur, niet bloemist’ wat bloemen voor hem betekenen, een band die teruggaat tot zijn kindertijd, en over het door hem gemaakte bloemstuk dat elk jaar in Amsterdam aan Sinterklaas wordt aangeboden en, niet te vergeten, over de bloemendecoratie voor de koninklijke bruiloft van Letizia en Felipe in de Kathedraal van Madrid. Op de toonbank vouwt hij het bewijs open: knipsels uit het tijdschrift Hola. En daarnaast iets wat de aandacht trekt: twee rozen in de knop met zorg in een vaas geschikt. Te koop voor achtenhalve euro.
Een groep IJslandse parlementariërs heeft een wetsvoorstel ingediend om het besnijden van jongens te verbieden. Moeten andere Europese landen dit voorbeeld volgen?
NEE
Onder de morele scherpslijpers van Europa is het de laatste jaren een cause célèbre geworden om de besnijdenis van jongetjes uit te bannen en religieuze vrijheden te demoniseren. Onlangs diende een groep IJslandse parlementariërs, met steun van 422 dokters, een wetsvoorstel in om joodse en islamitische ouders te verbieden hun pasgeboren zoontjes te besnijden.
Voor joodse mensen is de besnijdenis altijd een integraal onderdeel geweest van hun religie en identiteit, en dat is het nog steeds. De huidige kruistocht tegen besnijdenis komt elke jood met een minimum aan historisch besef dan ook voor als een afgezwakte variant van de aloude pogingen hun hun identiteit te ontnemen en te dwingen net als andere mensen te worden.
Leidster van de IJslandse antibesnijdeniscampagne is het parlementslid van de Progressieve Partij Silja Dögg Gunnarsdóttir. Haar recente uitlatingen laten zien dat ze absoluut niet beseft welke consequenties haar plannen hebben voor de vrijheid van joden en moslims om hun godsdienst vrijelijk uit te oefenen. Zij vond het ‘niet nodig’ om joodse en islamitische groepen over dit gevoelige thema te raadplegen. Want, zei ze; ‘ik zie het niet als een religieuze kwestie.’
Soms beschuldigen antireligieuze activisten ouders die kinderen opvoeden met een religie zelfs van kindermishandeling
Het feit dat zij het uitbannen van zo’n fundamenteel religieus ritueel niet als ‘religieuze kwestie’ beschouwt, getuigt van diepgaande culturele en historische naïviteit. De simpele waarheid is namelijk dat een eventueel verbod het joden onmogelijk zou maken om hun godsdienst nog langer in IJsland uit te oefenen.
Het voornaamste argument van de IJslandse antibesnijdeniskruisvaarders is dat ouders niet het recht hebben hun zoons te besnijden zolang die daar zelf niet expliciet mee akkoord gaan. Zij zeggen op te komen voor de rechten van deze kinderen en hen te beschermen tegen hun ouders. Maar zo’n verbod zou vaders en moeders de autoriteit ontnemen die hun toekomt.
Het gaat de IJslandse activisten om besnijdenis, maar hun bewering dat ze kinderen tegen hun ouders willen beschermen heeft implicaties voor alle moeders en vaders. Ouders krijgen steeds vaker het verwijt van zogenaamde kinderrechtenactivisten dat ze hun kinderen religieuze waarden zouden ‘opleggen’. Kinderen gaan er in deze optiek niet mee ‘akkoord’ katholiek te worden, of zich aan te sluiten bij een evangelisch kerkgenootschap. Soms beschuldigen antireligieuze activisten ouders die kinderen opvoeden met een religie zelfs van kindermishandeling.
Maar er bestaat niet zoiets als kinderrechten. Als je mensen rechten toekent, veronderstelt dat dat zij in staat zijn om die uit te oefenen. Kinderen zijn daar echter te jong voor, dus moeten welwillende buitenstaanders die rechten dan maar opeisen uit hun naam. Uiteraard kregen mensen als Gunnarsdóttir nooit toestemming van deze kinderen om uit hun naam te spreken, dus is de obsessie die de antibesnijdenisactievoerders hebben met toestemming, ongegrond.
Frank Furedi is emeritus hoogleraar Sociologie aan de Universiteit van Kent. Hij werd internationaal bekend met zijn studie Culture of Fear (1997) en schrijft geregeld voor Spiked en The Guardian.
1. Frank Furedi; 2. Ian Dunt.
JA
Toen bekend werd dat IJsland overwoog de besnijdenis van jongetjes te verbieden, werden zoals verwacht meteen de loopgraven betrokken. Voor islamofoben biedt zo’n verbod welkome munitie. Het stelt ze in staat om religieuze scheidslijnen te benadrukken en de islam als barbaars voor te stellen. Aan de andere kant zijn joodse en islamitische groepen oprecht woedend over het idee dat deze traditie ooit verboden zou kunnen worden.
Omdat besneden mannen zelden klagen, hebben progressieve politici het onderwerp jarenlang kunnen vermijden. Maar de waarheid is dat besnijdenis van jongetjes minder onschuldig is dan het lijkt.
Er is weinig onderzoek naar het onderwerp gedaan, maar een studie uit 1999 bekritiseerde het gebrek aan aandacht in de bestaande medische literatuur voor het ‘genot en de dynamiek van beweging, gevoel en lubricatie’ die de voorhuid ‘tijdens masturbatie, voorspel en geslachtsgemeenschap’ oplevert. Het artikel vervolgde: ‘Er is geen wetenschappelijke grond voor de aanname dat mannen die als kind besneden zijn daar tevreden mee zijn of er geen nadelige effecten van ondervinden.’ Ofwel: die aanname klopt niet, maar we praten er niet over.
Als het geen vrije keuze is, heeft de overheid de plicht om kinderen te beschermen, zelfs tegen hun eigen familie
Besneden mannen vermijden het onderwerp meestal liever. ‘Voor een man is het erg moeilijk om erover te klagen,’ vertelt antibesnijdenisactivist Richard Duncker. ‘Ten eerste gaat het over zijn geslachtsdeel. Dan moet hij ook nog eens vraagtekens plaatsen bij de keuze van zijn ouders. Verder trekt hij zijn cultuur en de waarden van zijn religieuze gemeenschap in twijfel. En tot slot wordt hij vaak belachelijk gemaakt als hij erover begint.’
Een Deens onderzoek concludeerde dat besneden mannen niet zelden moeite hebben om een orgasme te bereiken. Bij andere enquêtes klaagden mannen over zichtbare littekens, een te korte penishuid om een prettige erectie te beleven, en pijn.
Een kind geeft voor deze ingreep geen toestemming. Het joodse geloof vereist immers dat de besnijdenis op de achtste dag na de geboorte wordt uitgevoerd; bij moslims moet het op de zevende dag gebeuren. Wanneer je je ermee bemoeit, wordt dat gezien als een onacceptabele aantasting van de religieuze vrijheid. Maar hoe zit het met de religieuze vrijheid van een kind om zelf zijn spirituele identiteit te bepalen?
Zodra iemand er uit vrije wil mee akkoord gaat, heeft de overheid er niets mee te maken. Maar als het geen vrije keuze is, heeft de overheid de plicht om kinderen te beschermen, zelfs tegen hun eigen familie. Wanneer iemand zonder goede medische noodzaak om het even welke andere chirurgische ingreep op een baby zou uitvoeren, zouden we geschokt zijn. Maar alleen omdat deze ingreep als religieuze traditie vermomd is, vinden we het acceptabel. Dat is het geenszins. Het zou dus mooi zijn als IJsland het voortouw neemt en als eerste Europese land de besnijdenis van jongetjes verbiedt.
Ian Dunt is hoofdredacteur van Politics.co.uk en auteur van het boek Brexit: What The Hell Happens Now? Hij schrijft voor verschillende kranten en weekbladen.
De Britse sandwichindustrie is goed voor 8 miljard pond per jaar. Maar dat is niet genoeg, als het aan de gepassioneerde ‘sandwichmensen’ ligt, die over het product praten als over een literair meesterwerk. Er zijn nog nieuwe belegcombinaties mogelijk, en belangrijker: nieuwe dagdelen te veroveren.
De gekoelde, verpakte sandwich, een onderdeel van het moderne Britse leven dat zo algemeen, zo veelsoortig en altijd zo dichtbij is dat je er op dit moment waarschijnlijk een zit te eten, werd precies zevenendertig jaar geleden uitgevonden. Zoals zoveel rond de sandwich klinkt ook dit misschien onwaarschijnlijk. Maar het is waar. In het voorjaar van 1980 gingen bij Marks & Spencer, de grootste warenhuisketen van het land, voor het eerst verpakte sandwiches over de toonbank. Niet veel bijzonders. Zalm met komkommer. Ei met tuinkers. Driehoekjes wit brood in een plastic doosje, op de afdeling etenswaren, naast alle andere producten. De prijs: 43 pence.
Nu de sandwichindustrie inmiddels goed is voor 8 miljard Britse ponden per jaar, lijkt het onvoorstelbaar dat dit nooit eerder was geprobeerd, maar het was wel zo. Groot-Brittannië was in 1980 een land van formica toonbanken, fluorescerend licht en in jus gedrenkt middageten. Sandwiches werden thuis van kliekjes in elkaar geflanst, voor je neus belegd in een rokerig café of ze waren iets treurigs met opgekrulde hoeken in de British Rail-restauratie.
Andrew Mackenzie, de man die indertijd de voedselafdeling van M&S-filiaal Edinburgh leidde – een van de eerste vijf filialen die de nieuwe, chique, kant-en-klare sandwiches verkochten – probeert me duidelijk te maken hoe nieuw dat toen was. ‘Vergeet niet,’ zegt hij, ‘Het bestond nog niet, dat idee.’
Het had op zijn minst iets exotisch. Wie wilde er betalen voor iets dat je net zo makkelijk thuis kon klaarmaken? ‘We vonden het allemaal een beetje raar indertijd,’ zegt Mackenzie. Maar hij volgde de instructies van het hoofdkantoor op en transformeerde een opslagruimte tot een miniproductielijn, met roestvrijstalen werkbladen en een vroege bebotermachine. De eerste M&S-sandwiches werden door winkelpersoneel klaargemaakt in geïmproviseerde keukens en kantines. ’s Nachts lagen de garnalen te ontdooien op dienbladen en voor dag en dauw begon een vijfkoppige ploeg aan het bereiden van de sandwiches voor die dag.
En wat verkochten ze goed! De sandwiches gingen zo snel over de toonbank dat het experiment werd uitgebreid naar 25 filialen en vervolgens naar 105. Al snel moest Mackenzie in Edinburgh meer sandwichmakers aannemen. In het filiaal in Croydon stond een ploeg van zeven medewerkers honderd sandwiches per uur te maken. De eerste officiële M&S-sandwich was zalm met tomaat, maar in werkelijkheid lag er niets echt iets vast. De voorraad raakte zo snel uitverkocht dat het personeel de broodjes belegde met wat er ook maar voorhanden was. In Cambridge maakten ze sandwiches met haring, en ook die wilden de klanten.
In al haar bescheidenheid bleek de verpakte sandwich prima te passen in heel nieuwe manier van leven en werken. Binnen een jaar was de vraag zo groot dat M&S drie leveranciers benaderde om het proces te industrialiseren. (Een van de eerste sandwichfabrieken ter wereld was een provisorische houten keet op het terrein van de Telfer’s vleespasteifabriek in Northampton.) In 1983 bracht Margaret Thatcher een bezoek aan de M&S flagshipstore op de Londense Marble Arch en zij noemde de sandwich met garnalensalade ‘verrukkelijk’.
Elke supermarkt stortte zich op de trend. In het hele land hielden chefs en bakkers en lieden van allerlei pluimage op met wat ze aan het doen waren en begonnen op een industrieterrein hun eigen sandwichmakerij. De sandwich was niet langer bijzaak, of een hap bij gebrek aan beter, ze werd de brandstof van een dynamisch, avontuurlijk bestaan. ‘Bij Amstrad beginnen de medewerkers vroeg en werken ze tot laat door. Niemand neemt lunchpauze – misschien krijgen ze een sandwich op hun bureau gegooid,’ aldus zakenmagnaat Alan Sugar in 1987 tegen een publiek op City University. ‘Er wordt niet over koetjes en kalfjes gepraat, het is een en al actie.’ In 1990 was de Britse sandwichindustrie een miljard Britse pond waard.
In die tijd werd de sandwich-ectie van M&S geleid door een jonge econoom, Roger Whiteside. Als inkoper was Whiteside met het idee gekomen om een setje van vier gepelde sinaasappelen te verkopen, om klanten tijd te besparen. Hij had gelezen dat er in New York appartementen zonder keuken werden gebouwd en hij begreep welke kant het op zou gaan. ‘Heb je tijdgebrek en heb je geld, dan is het eerste wat je doet eten kopen dat al voor je is klaargemaakt,’ zegt hij. ‘Waarom zou je nog gaan koken, tenzij dat je hobby is?’
Als hoofd sandwiches liet hij iedere week nieuwe prototypes maken en ontwikkelde hij een heel schema, dat uiteindelijk onpraktisch zou blijken, om elke ochtend in West-Londen stokbroodjes te laten bakken en die, nog knapperig, bij winkels in de hele hoofdstad te laten afleveren. Stokbrood wordt zacht in de koeling, een van het verrassend grote aantal technische problemen rond sandwiches. Whiteside verdiepte zich in vragen over ‘dragers’ (brood), ‘afsluiters’ (boter, mayonaise), ‘insluitingen’ (wat er in het brood zit), ‘proteïnen’ (tonijn, kip, bacon) die soms bijna filosofisch werden. ‘Wat is het belangrijkst, de drager of het beleg?’ vroeg hij zich af. ‘Hoe zwaar mogen de garnalen meewegen in de prijs? Hoeveel prikkels hebben mensen nodig?’
Begin jaren negentig ontwikkelde Whiteside bij M&S in Manchester de eerste speciale ‘food to go’-afdeling, met eigen kassa en uitgang. Deze innovatie werd een voorbeeld voor de meeste hedendaagse supermarkten, en was enorm succesvol. Maar niet succesvol genoeg voor Whiteside. Hij begreep niet waarom er nog mensen in het centrum van Manchester waren die niet naar M&S kwamen om zijn lunchpakketje te kopen.
Aan het eind van de twintigste eeuw werkten er meer Britten in de productie en de verkoop van sandwiches dan in de landbouw
Op een dag ging hij een filiaal van Boots aan de overkant van de straat binnen. Zoals bijna elke grote retailketen was deze apotheker het voorbeeld van M&S gevolgd en in de sandwichverkoop gestapt. (Boots zette in 1985 als eerste een landelijk distributiesysteem op, waardoor het in al zijn vestigingen dezelfde sandwiches kon verkopen, en was de eerste die met de complete meal deal kwam.) Maar Whiteside was ervan overtuigd dat de sandwiches van Boots minder lekker waren dan die van M&S, en dat de meeste klanten dat ook wisten. Hij sprak de mensen aan die in hun lunchpauze bij Boots in de rij stonden en vroeg hen waarom ze niet naar zíjn winkel kwamen. ‘Ze zeiden: “Tja, ik heb geen zin om de straat over te steken,”’ vertelt hij.
Dat antwoord trof Whiteside als een mokerslag. Kennelijk veroorzaakte de massaproductie van een maaltijd die je zonodig op straat kon openscheuren en opeten een verandering in het gedrag van mensen. ‘Onmiddellijke bevrediging, absoluut gemak en aanwezigheid,’ zei Whiteside. ‘Ben je niet aanwezig, dan gaan ze niet naar je op zoek.’ Hij keerde uit Manchester terug naar Londen en probeerde M&S ertoe te bewegen om honderden stand alone-sandwichshops in Londen te openen. ‘Het was zo’n overduidelijke kans.’ M&S voelde niet voor het idee, maar Whiteside wist zeker dat de toekomt was aan degene die op elke straathoek stond te verkopen. Hij zag Pret en Starbucks en Costa en Subway van verre aankomen. In de jaren negentig verdrievoudigde de sandwichindustrie in omvang. Aan het eind van de twintigste eeuw werkten er meer Britten in de productie en de verkoop van sandwiches dan in de landbouw.
Zat je een gekochte sandwich te eten terwijl je dit las, dan is die nu waarschijnlijk wel op. Volgens een schatting van de bedrijfstak kost het ongeveer drieënhalve minuut om zo’n sandwich op te eten. Maar niemand weet het precies, want niemand let er echt op. De grote kracht van de sandwich door de eeuwen heen was altijd dat ze zich zo onopvallend in ons leven voegt, door te zorgen dat we kunnen lopen, lezen, de bus nemen, werken, dromen, onze mobiele apparaten scannen en tegelijkertijd kunnen eten met een paar kleine draaiende bewegingen van pols en vingers. Het vastpakken bij de hoek. Het wegvegen van de kruimels.
Maar als iets simpel of intuïtief lijkt wil dat nog niet zegen dat het dat ook is. De opkomst van de gekoelde Britse sandwich in de afgelopen veertig jaar is een weloverwogen, verbijsterende, bijna krankzinnig arbeidsintensieve prestatie. De carrières van mensen als Roger Whiteside bestonden uit een miljoen kleine stapjes: van de zoektocht naar minder natte tomaten en naar manieren om bacon knapperiger te maken; van diepgaand onderzoek naar de moleculaire structuur van brood en de compressie-eigenschappen van sla. De openingetjes binnen de krullen van ijsbergslabladeren – waardoor luchtzakjes ontstaan – heten binnen de branche ‘kaboutergrotjes’. Een ‘druiper’ is het onaangename verschijnsel dat het beleg naar de bodem van het sandwichpakje – oftewel de skillet (koekenpan) – zakt. De sandwichmarkt is bezeten van perfectie en marktaandeel en vormt dan ook een wereld van constante en meedogenloze concurrentie. Elke week kopen concurrerende sandwichontwikkelaars elkaars producten, plukken die uit elkaar, wegen de verschillende ingrediënten en zetten ze weer in elkaar. ‘Het is een absolutie passie,’ zegt een voormalige M&S-leverancier. ‘Voor iedereen. Dat moet het wel zijn.’
De alledaagsheid van de sandwich heeft haar buitengewone effectiviteit als commercieel product altijd weten te maskeren. In 1851 berekende de sociaal geëngageerde journalist Mayhew dat er in Londen per jaar 436.800 sandwiches op straat werden verkocht, allemaal met ham. Dat lijkt misschien veel, maar supermarktketen Sainsbury’s, dat tegenwoordig 4 procent van de Britse food to go-markt voor zijn rekening neemt, verkoopt dat aantal nu gemiddeld in anderhalve dag. ‘Het is soms moeilijk te zeggen hoeveel er veranderd is in onze sandwichconsumptie, omdat we er zelf zo’n nostalgisch gevoel over hebben,’ zegt culinair journalist Beel Wilson. ‘Maar het feit dat veel mensen nu vijf dagen per week, of zelfs zeven dagen per week sandwiches eten, dát is de verandering. De sandwich is overal in ons leven doorgedrongen.’
En toch is de sandwich nog niet tevreden. Je zou denken dat in een land waar er al zo’n 4 miljard per jaar worden verkocht, en waarin velen zich stuk beter voelen sinds hun besluit om minder brood te eten, de markt misschien verzadigd zou raken of zelfs iets zou afnemen. Maar dat is niet het geval. Volgens de British Sandwich Association (BSA) groeit het aantal verkochte sandwiches gestaag met 2 procent – oftewel 80 miljoen sandwiches – per jaar. De sandwich blijft de motor van de 20 miljard pond omvattende Britse food to go-branche, die de grootste en meest geavanceerde van Europa is en waarop de mensen die er werken bijzonder trots zijn. ‘Wij zijn de rest van de wereld lichtjaren vooruit,’ zegt Jim Winship, hoofd van de BSA.
Britse sandwichmakers zijn in heel Europa gewild en worden door bedrijven uit Rusland en het Midden-Oosten uitgenodigd om over alle aspecten te adviseren, van verpakking en productielijnen, tot ‘mondgevoel’ en waterkers. ‘In Saoedi-Arabië zijn ze dol op het verhaal van earl Sandwich, de boef,’ zegt een fabriekseigenaar. En in de weken dat ik aan dit artikel werkte ben ik niet één persoon tegengekomen die er niet van overtuigd was dat het lange hoogtij nog jaren zou aanhouden. ‘Het is groot. We doen het allemaal. En we doen het vaak. Dat is onze marktanalyse,’ zegt Martin Johnson, topman van Adelie Foods, een grote leverancier aan koffiezaken en universiteiten.
Een van de grote drijfveren van de industrie is het gekmakende gegeven dat we zoveel sandwiches zelf huis blijven klaarmaken – naar schatting 5 miljard per jaar. ‘Het grote gat in de markt zijn nog steeds de mensen die niet kopen,’ zei Johnson. Het doel dat in 1980 zo onwaarschijnlijk leek – de industrialisatie van zoiets gewoons als de sandwich – is nu bijna een provocatie aan mensen die zich wijden aan het food to go-concept.
Per slot is elke sandwich die jij thuis klaarmaakt er één die zij niet verkopen. Mensen in de bedrijfstak zeggen altijd dat gewone mensen niet genoeg in huis hebben en daardoor niet genoeg variatie kunnen aanbrengen in beleg en brood. Zij zijn zich er ook van bewust dat mensen die eenmaal beginnen met onderweg eten, dat blijven doen, zolang er geen verandering in onze omstandigheden optreedt (rond 2009, na de financiële crisis, was er een korte maar merkbare daling in de verkoop van sandwiches in winkels).
Als ik bij de productontwikkelingskeuken van Sainsbury’s langsga, ligt daar een sandwich met gerookte ham en cheddar van Oakwood op tafel – een van de bestverkopende van deze supermarkt. ‘Twintigduizend mensen per dag maakten vroeger thuis een sandwich met ham en kaas klaar,’ zegt manager productontwikkeling Patrick Crease. ‘Nu is dít hun sandwich met ham en kaas.’ Ik weet niet of hij het zo bedoelt, maar op de een of andere manier klinkt dit diepzinnig en onomkeerbaar; ‘Er zijn twintigduizend varianten die niet meer bestaan.’
‘Sandwiches hebben ons bevrijd van de vork, de eettafel, de vaste etenstijd. In zekere zin hebben ze ons bevrijd van de maatschappij zelf’
Belangrijker nog is dat de sandwich bewezen heeft dat ze zich op een unieke manier in ons gehaaste, laatkapitalistische bestaan weet te voegen. In haar boek over sandwiches uit 2010 schrijft Wilson dat de beste manier om de sandwich te begrijpen was om haar niet te zien als voedsel met brood eromheen, maar als een manier van eten – functioneel en kortstondig – die weerspiegelt hoe wij nu leven. ‘Sandwiches hebben ons bevrijd van de vork, de eettafel, de vaste etenstijd,’ schrijft Wilson. ‘In zekere zin hebben ze ons bevrijd van de maatschappij zelf.’
Sandwichmensen willen meer over ons weten dan we over onszelf weten. Ze besteden evenveel tijd aan nadenken over onze gewoonten en zwakheden als aan nadenken over wat wij willen eten. Starbucks weet dat je op maandag waarschijnlijk kiest voor een salade en op vrijdag voor een tosti ham-kaas. Sandwichfabrieken weten dat onze goede nieuwjaarsvoornemens standhouden tot de derde week van januari, als de BLT-bestellingen weer omhoog gaan. Volgens Clare Clough, directeur voedingswaren van Pret a Manger, kan haar bedrijf jaren vooruit voorspellen wat de drukste dag zal zijn voor ontbijtsandwiches: de laatste vrijdag voor Kerstmis – de ochtend van de kater na de kerstborrel, die dit jaar op 15 december viel. ‘We kunnen je van tevoren vertellen hoeveel we er zullen verkopen,’ zegt ze.
Dagdelen
Het duidelijkste – en meest ambitieuze – streven van de bedrijfstak is om ons zover te krijgen dat we de hele dag door sandwiches eten. Het is me opgevallen dat mensen in dit vak het nooit over ontbijt, lunch of avondeten hebben. Zij praten over ‘dagdelen’, ‘gelegenheden’ en ‘missies’, en die zijn allemaal goed voor een sandwich. In 2016 voerde het Britse publiek naar schatting vijf miljard food to go-‘missies’ uit en die worden steeds gelijker verdeeld over de dagdelen. De belangrijkste ontwikkeling in de sandwichbranche van de laatste jaren is de succesvolle manier waarop het ontbijt is aangepakt. (het bestverkopende beleg van de afgelopen twaalf maanden was bacon). En het volgende doel, zo dicteert de logica, is het avondeten – of, zoals iemand bij Adelie Foods het noemt, ‘de fragmentatie van de avondgelegenheid’.
Whiteside, de voormalige sandwichbaas van Marks & Spencer, is ervan overtuigd dat de bedrijfstak de avond kan veroveren. Hij is in 1999 na twintig jaar bij M&S weggegaan, en was een van de oprichters van onlinesupermarkt Ocado. In 2013 werd hij algemeen directeur van Greggs, de grootste gebaksketen van het Verenigd Koninkrijk, waar hij leiding gaf aan een radicale uitbreiding en versimpeling van het bedrijf. Er werden honderden nieuwe winkels geopend en het bedrijf begon met speciale ‘drive-through’-zaken en een eigen bezorgdienst.
Whiteside ziet de warme sandwich als de sleutel om Greggs ‘aantrekkelijker te maken in het avonddagdeel’. Als je wilt dat mensen onderweg naar huis een sandwich eten, geef ze dan iets warms. We zitten in een kleine vergaderkamer op de eerste verdieping van het hoofdkantoor van Greggs, aan de rand van Newcastle. ‘Denk er eens over na,’ zegt Whiteside. ‘Een burger is een warme sandwich, toch?’ Hij is duidelijk in zijn element: aan het begin van de verovering van een nieuw dagdeel. ‘Sandwiches zitten nooit stil.’
‘1745: Na vier jaar koortsachtig werken is hij ervan overtuigd dat hij op de drempel van het succes staat. Hij toont de andere edelen twee plakken kalkoen met een plakje brood ertussen’
De revolutionaire mogelijkheden van de sandwich zijn altijd goed verborgen gebleven, juist doordat ze zo gewoon is. De beste geschiedenis, die in 1966 werd geschreven door Woody Allen, is een verhaal over de reis de vierde earl of Sandwich tweehonderd jaar daarvoor zou hebben gemaakt. ‘1745: Na vier jaar koortsachtig werken is hij ervan overtuigd dat hij op de drempel van het succes staat. Hij toont de andere edelen twee plakken kalkoen met een plakje brood ertussen. Iedereen wijst zijn werk af, behalve David Hume, die iets groots ziet opdoemen en hem aanmoedigt om door te gaan.’
Pogingen van wetenschappers om het exacte moment van haar ontstaan vast te leggen – de eerste keer dat dit stapeltje brood met beleg werd gemaakt – lezen over het algemeen ook als parodieën. Er bestaat een theorie rond ‘trenchers’, dikke hompen brood die in de middeleeuwen dienstdeden als bord, er zijn uitgesponnen interpretaties van verwijzingen bij Shakespeare naar ‘brood met kaas’, en natuurlijk kent iedereen de lange geschiedenis van de platte, gevulde broden in het Middellandse Zeegebied en het Midden-Oosten. Daarom is er grote interesse voor de reis die de earl als jonge man in 1738-1739 heeft gemaakt. Maar in het uitgebreide dagboek dat na zijn dood werd gepubliceerd, heeft hij het helaas nergens over het pitabrood of de calzone.
De eerste zekere vermelding van een sandwich is te vinden in de dagboeken van Edward Gibbon, die op 24 november 1762 dineerde bij de Londense Cocoa Tree Club, op de hoek van St James Street en Pall Mall. ‘Die eerbiedwaardige gelegenheid biedt elke avond een waarlijk Engels aangezicht,’ schreef hij. ‘Twintig of dertig van de hoogstgeplaatste mannen van het koninkrijk (…) die aan tafeltjes hun avondmaal gebruiken (…) met een stukje koud vlees, of een Sandwich.’ Een paar jaar later kwam een Franse reisschrijver, Pierre-Jean Grosley, met de legende – die sindsdien zeer geliefd is onder marketingmensen – dat de earl verzocht om ‘een stukje rundvlees, tussen twee plakken geroosterd brood’ om hem op de been te houden tijdens een 24 uur durende gokpartij. Daarmee was de roem van deze geniale snack gevestigd.
Het bewijs hiervoor rammelt echter nogal. In zijn definitieve biografie, The Insatiable Earl (De onverzadigbare earl), die in 1994 werd gepubliceerd, komt N.A.M. Rodger tot de conclusie dat Sandwich altijd slecht bij kas was en nooit veel weddenschappen aanging voor een man van zijn stand. De earl, een grote, onhandige man, die een gevaar vormde voor serviesgoed, fungeerde in totaal elf jaar als minister van Marine, en volgens de meeste verhalen niet al te best. Hij woonde alleen nadat zijn vrouw in 1755 krankzinnig was geworden. Bezoekers aan zijn huis beklaagden zich over de slechte kwaliteit van het eten. ‘Sommige van de gerechten bij hem zijn ofwel miezerig of volkomen uit de tijd,’ aldus zijn vriend, lord Denbigh. De waarheid is waarschijnlijk dat de gehele toekomst van de sandwich – haar symbiotische relatie met werk, het feit dat ze een meer bedachtzame, ontspannen en sociale manier van eten links laat liggen – al aanwezig was bij haar ontstaan. In de hogere kringen van het achttiende-eeuwse Engeland werd de belangrijkste maaltijd van de dag rond vier uur ’s middags geserveerd, en dat botste met de taken van de earl op het ministerie. Waarschijnlijk heeft hij de sandwich met rundvlees bedacht om aan zijn bureau te kunnen eten.
Al snel was de trend niet meer te stoppen. Louis Eustache Ude, de chef-kok van de earl van Sefton, erkende de voordelen van deze nieuwigheid in zijn kookboek uit 1813. ‘Een royale schaal sandwiches, met kip, met ham, kalf, tong &tc, enkele schalen gebak en hier en daar op de tafel een mand fruit’ – met andere woorden: het schoolvoorbeeld van een food to go-maaltijd – zou de kosten van de diner dansant met driekwart verminderen. Maar hij vond het gerecht ook beneden zijn waardigheid. Chef Ude deed wat hij kon om de sandwichrage nog enige verfijning te geven, door bechamelsaus te voor te stellen als beleg en aan te dringen op ‘buitengewone zorg’ voor het aanmaken van de sla, maar je voelt in zijn woorden de frustratie dat hij kennelijk zo diep gezonken is dat hij dit moet doen. ‘Van alle dingen in de wereld hebben sandwiches de minste uitleg nodig,’ schreef hij. ‘Iedereen weet hoe je ze maakt, min of meer.’
Je moet een bepaald type geest hebben om met een echte innovatie tussen de sneetjes brood te kunnen komen. Isabelle ‘Mrs’ Beeton schijnt in 1861 de eerste avant-gardesandwich te hebben bedacht met haar ‘Toast Sandwich’, een sneetje geroosterd brood, op smaak gebracht met zout en peper, tussen twee gewone sneden brood – maar voor het grootste deel van de negentiende en twintigste eeuw was de sandwich wat ze was. Smalle reepjes zonder korst voor de rijken; ‘mondscheurders’, zoals ze in een kookboek werden genoemd, voor de armen. Vooral in het naoorlogse Groot-Brittannië werd de sandwich – uitgedroogd brood na uren op een toonbank, treurige smurrie ertussen – het symbool van een soort culinaire hopeloosheid. ‘De sandwich die de Britten op zaterdag tussen de middag in de plaatselijke pub eten is waarschijnlijk een boetedoening voor een of andere nationale zonde,’ schreef Douglas Adams in 1984.
De uitvinding van M&S brak door in winkelstraten waar tot dan toe vooral onopvallende broodjeszaken huisden. Slome bediening. Bakken beleg van onbestemde ouderdom. ‘Het was een ellendige toestand,’ zegt Julian Metcalfe. ‘Negentig procent van die tenten was heel deprimerend.’ Metcalfe opende in de zomer van 1986 het eerste filiaal van Pret a Manger, op Victoria Street 75b in Londen. Hij was zesentwintig jaar. Voor die tijd had hij een delicatessenwinkel gerund in Putney, maar daar was geen keuken en Metcalfe gruwde van de producten die hij er moest verkopen. ‘We kregen koolsla aangeleverd die zestien dagen mee moest gaan,’ herinnert hij zich. ‘Ik weet nog dat ik dacht: Hemel.’ Met een vriend uit zijn studietijd, Sinclair Beecham, besloot Metcalfe een delicatessen- en sandwichzaak te openen in Westminster.
De eerste Pret was een allegaartje van salades, vleeswaren, kaas en sandwiches die Metcalfe achter in de zaak klaarmaakte. Als ik hem vraag waarom hij zich uiteindelijk heeft beperkt tot sandwiches, zegt hij: ‘Omdat die beter verkochten dan ham. Ham snijden duurde een eeuwigheid.’ Metcalfe is zelf een man van weinig geduld en streefde ernaar om klanten in een minuut of nog sneller te helpen. ‘We begonnen met het verkopen van de bekende sandwiches,’ zegt hij. ‘Met kaas. Maar ik dacht, waarom kunnen we er geen lamsvlees met munt op doen?’
Nu was voor hem het hek van de dam. Vaak stond Metcalfe nog tot één uur ’s nachts kippen te braden, waar hij met zijn handen het vlees vanaf trok. Een leverancier liet hem een kleine zoetwaterkreeft, oftewel rivierkreeft, proberen. Hij was dol op raketsla. In een Pret a Manger-sandwichreceptenboek uit 1996 zie je de uitgelaten sfeer van die experimenteerfase terug: lamsvlees, rode-bessengelei en aubergine; geitenkaas, roze peperkorrels, tomaten. De formule was geen instant succes. Het duurde vier jaar voor Metcalfe en Beecham hun tweede zaak konden openen, op Bishopsgate in de Londense City. Toen het eindelijk zover was, serveerden ze hun sandwiches met operamuziek op volle sterkte. ‘Het was idioot,’ zegt Metcalfe. ‘Maar het werkte.’
Twee deuren van de oorspronkelijke Pret lag vroeger nog een andere sandwichzaak, French Franks, die zich vooral richtte op de gevulde croissant – op zichzelf al een gedurfd concept in die tijd. Frank Boltman, die overigens niet Frans is, keek verbaasd wat de jongens van Pret deden. ‘Het was zes klaarmaken, zes verkopen. Weinig, maar vaak. Zo werkt het nu ook,’ zegt hij. ‘Ze verkochten voortdurend vers klaargemaakt eten, prachtig.’
Sammies
Begin jaren negentig had Boltman negen French Franks-filialen, maar het tempo van Pret a Manger kon hij niet bijbenen. Pret opent volgend jaar zijn vijfhonderdste filiaal en heeft op dit moment een geschatte waarde van 1,4 miljard pond. (Metcalfe heeft het grootste deel van zijn aandelen in 2008 verkocht.) Maar Boltman is wel degelijk een expert op dit terrein. Deze kleine man met zijn hese stem en grote snor die hij onder het praten gladstrijkt, werd tussen 2009 en 2012 vier jaar achter elkaar uitgeroepen tot Sandwichdesigner of the Year, bij de uitreiking van de felbegeerde ‘Sammies’.
‘Vijf nieuwe sandwiches opschrijven, dat is voor mij een vorm van ontspanning,’ zegt hij als we elkaar spreken bij zijn laatste geesteskind, een hipsterachtige zaak die Trade heet, aan Essex Road in Noord-Londen. De zoektocht van deze sandwichuitvinder gaat zelden over rozen. De bedrijfstak heeft zijn eigen 80:20-regel: 80 procent van de verkoop komt van 20 procent van de smaken. Dit wordt ‘de core’ genoemd – de eiersalade, de BLT, de kipsalade – en ze zijn zo vertrouwd als maar kan. De top 3 van bestverkopende Pret-sandwiches (allemaal stokbroodjes: kip met Ceasarsalade en bacon; tonijn met komkommer; cheddar met zuur) is al zeven jaar onveranderd. De sandwich garnalensalade staat bij M&S al 36 jaar op nummer één.
Boltman laat zich hierdoor niet ontmoedigen. Hij begint met het kiezen van brood en ingrediënten uit wat hij al op het menu heeft staan. De kunst van de sandwichontwerper is om naar binnen te denken, variaties te vinden binnen een bekend en beperkt domein. ‘Het is een kwestie van vasthoudendheid, kennis, ervaring, flair,’ zegt Boltman. Gesprekken in de bedrijfstak gaan vaak over mogelijke nieuwe combinaties – de rivierkreeft met raketsla van Pret; de Wensleydale and carrot chutney van M&S – alsof het over de Midsummer Night Dream van Peter Brook gaat of over de Romeo and Juliet van Zeffirelli. Alsof er een nieuw verhaal wordt bedacht. iemand een nieuwe schaakzet ontdekt.
Ook in dit vak kun je showman zijn. Boltman vertelt over de sandwich met kip en broccoli die hij in de jaren tachtig maakte. ‘Op een speciaal tarwebroodje met pitjes,’ zegt hij. ‘Ongelooflijk.’ Terwijl we zitten te praten maakte de keuken Boltmans versie van de Reuben voor me klaar, die hij in zijn zaken voor £ 8,50 verkoopt. Ik heb niet ontbeten en de sandwich is belegd met een royale hoeveelheid pastrami, die een week lang in de pekel heeft gelegen. De smaak van karwijzaadjes in het roggebrood blijft op mijn gehemelte hangen. ‘Proefde je de geheime saus erdoorheen?’ vraagt hij.
Boltman is een oude rot in het vak. Hij heeft een tijdje een McDonalds-franchise gehad. Sandwiches mogen dan fungeren als snelle hap om ons drukke, haastige leven mogelijk te maken, volgens hem geven ze mensen ook een kostbaar moment om even in hun eentje te ontsnappen. ‘Mensen willen eten,’ zegt hij, terwijl hij zich naar me toe buigt. ‘Ze willen troost. Ze willen verlichting. Ik heb een kloteochtend gehad, ik heb ruzie gemaakt met mijn baas. De reis hierheen was afschuwelijk. Dus ik heb niet genoeg aan een klef mengsel van sla en nog wat in een plastic bakje. Ik wil een kop thee en een chocoladekoek en eigenlijk gewoon een potje janken. Ik ga verdomme een sandwich halen.’
Na de snelle groei van de jaren tachtig en negentig stabiliseerde de sandwichmarkt zich. Toepasselijk genoeg bestaat die uit twee kanten: de specialistische ketens zoals Subway, Greggs en Pret a Manger, waar de etenswaren ter plaatse vers worden klaargemaakt; en het netwerk van fabrieken, ooit gestart door M&S, die de hele nacht doorwerken en aan supermarkten, koffiebars in winkelstraten, gevangenissen, luchtvaartmaatschappijen, ziekenhuizen en alle anderen leveren. Bij de sandwichketens is het de grotere merken – met schaalgrootte en de beste locaties – voor de wind gegaan. De Amerikaanse gigant Subway, die in 1996 zijn eerste Britse vestiging opende in Brighton, heeft nu 2500 filialen en is de grootste versbereider van het land, met Greggs als goede tweede.
Aan de fabriekskant heeft er een golf van fusies en overnames plaatsgevonden, omdat bedrijven voldoende productiecapaciteit zochten om aan Tesco of Waitrose te kunnen leveren. Tegenwoordig torenen twee firma’s, Greencore en 2 Sisters, boven de rest uit: zij leveren samen meer dan de helft van de fabrieksmatig geproduceerde sandwiches in het VK – misschien een miljard per jaar. Greencore en 2 Sisters slepen meestal de technische prijzen van de BSA in de wacht voor innovaties in het ontdooien van garnalen of het wassen van sla. Geen van beide bedrijven wilde mij ontvangen. (2 Sisters Group was onlangs onderwerp van een onderzoek door The Guardian en ITV naar de manier waarop het bedrijf kip voor de supermarkt verwerkt.)
‘De Britten moeten dit gaan doen. Het is de sandwich. Daar zouden ze trots op moeten zijn’
Grootschalig sandwiches maken is verschrikkelijk gecompliceerd en de winstmarges zijn klein. Als gevolg daarvan doet de bedrijfstak geheimzinnig. ‘Het is volkomen idioot,’ zegt Rachel Collinson, de vroegere commercieel directeur van een fabriek in Northampton die in 2011 door Greencore werd overgenomen. Collinson was een van degenen die de kartonnen verpakking doorvoerden die in 1999 voor Pret was ontworpen en in de jaren 2000 de hele bedrijfstak veroverde. Elke ochtend krijgt haar bedrijf achthonderd verschillende ingrediënten binnen, die het dan aan het begin van de middag heeft verwerkt tot 250.000 sandwiches. ‘Ik heb in bijna elke voedselbranche gewerkt,’ zegt ze. ‘Niets is te vergelijken met sandwiches. Het is supersnel, supervers. Het is de top op dit gebied.
Op een grauwe ochtend mag ik de productielijnen komen bekijken bij Adelie – een food to go-fabrikant met een omzet van 300 miljoen pond – in het Noord-Londense stadsdeel Wembley. Zoals veel groothandelaars noemt Adelie liever geen namen van afnemers, uit angst de illusie te verstoren dat de meeste supermarkten en dure merken zelf hun sandwiches maken. Het hoofd van de productieafdeling is Azzedine ‘Abdul’ Chahar, een achtenveertigjarige voormalige politieman uit Algiers, die in 1993 de burgeroorlog in zijn land ontvluchtte. Chahar heeft sindsdien altijd sandwiches gemaakt, al wordt hij wel eens raar aangekeken als hij vrienden thuis vertelt wat voor werk hij doet. Net als veel mensen over de hele wereld beschouwen Algerijnen de sandwich als minderwaardig fastfood, omdat ze koud is. ‘Zelfs nu nog,’ schokschoudert hij. Hij probeert zijn tienerdochter over te halen om op school een fatsoenlijke maaltijd te eten, maar ze laat hem bijna elke ochtend onderweg naar school een sandwich voor haar kopen. ‘Het is een snelle lunch. Oppakken en wegwezen,’ zegt Chahar, ‘Er is geen tijd in het VK. Dat weet je.’
We trekken kaplaarzen aan, een witte jas en een haarnetje en wassen drie of vier keer onze handen. Je aankleden om een sandwichfabriek binnen te gaan is een beetje alsof je je voorbereid op het opereren van een paard. Chahar toont me de lange rijen hoog opgestapelde kratten met speciaal bruin brood (dat perfect vierkant moet zijn), een koelruimte met voor zes dagen aan kaas, en een ruimte met tweeëntwintig verschillende salades. In 2010 introduceerde Raynor Foods, een klein familiebedrijf in Chelmsford, de Intenso, een pruimtomaatje met dikkere celwanden waardoor het zijn vocht beter vasthoudt. Inmiddels is het de standaardtomaat in de bedrijfstak.
Dankzij de Intenso, die oorspronkelijk door een dochtermaatschappij van het Duitse farmaceutische bedrijf Bayer was ontwikkeld voor pizza’s, is het soppig worden van sandwiches spectaculair afgenomen. Maar de tomaatjes zijn soms lastig te krijgen. Chahar ziet een krat staan. ‘De leveranciers hadden vorige week moeite om ze te vinden,’ moppert hij.
In de grootste productiehal, met een rode vloer en een zoemend luchtverversingssysteem – dat de temperatuur op 10 graden Celsius houdt – staan enkele honderden medewerkers aan zeven lopende landen. Chahar neemt me mee naar het midden van de hal, waar een stuk of tien vrouwen bezig zijn met de productie van een van de nieuwste producten van Adelie, een kip-tikka met ui-sandwich, die populair is onder studenten. De band heeft een tempo van 33 sandwiches per minuut, dus de vrouw heeft bij elke stap – het neerleggen van de 40 gram kip, het opscheppen en smeren van de bha-pasta, het erop strooien van 3 gram koriander – minder dan twee seconden de tijd voor de sandwich voorbij is. Vervolgens legt de medewerker die de ‘stapelaar’ wordt genoemd, twee sandwiches op elkaar en schuift die in de ultrasone Grote AC60-snijmachine. Chahar en ik komen dichterbij. Een heel zacht gekreun klinkt op uit het titanium mes, dat met 20.000 trillingen per seconde perfecte driehoeken snijdt. ‘Ultrasone snijmachines zijn ooit ontworpen om zonder beschadigingen door chocola en kaas te snijden. Dat gaat overal doorheen,’ fluistert Chahar. ‘Je zult de pijn niet eens voelen, geloof me maar.’
In de loop der jaren heeft Chahar geprobeerd werkloze Britten zover te krijgen dat ze zijn sandwichproductielijnen kwamen bemannen. ‘Dan komen ze hier. Ze werken een halve dag. En komen nooit meer terug,’ zegt hij. (Adelie heeft al even vruchteloze proeven gedaan met ex-gevangenen.) Het werk is te koud en te eentonig. Het salaris bij de fabriek in Wembley begint bij £7,50 per uur. Het gevolg is dat de meeste sandwichfabrieken al minstens tien jaar afhankelijk zijn van het werk van immigranten; in 2014 leidde het nieuws dat Greencore in Hongarije mensen wierf tot een beruchte kop in de Daily Mail, met de vraag: ‘Is er niemand meer in Groot-Brittannië die een sandwich kan maken?’ Volgens de BSA komt zo’n 75 procent van het personeel in de sandwich- en cafébranche in de hoofdstad uit het buitenland; in de rest van het land is dat 40 procent. Voor Chahar, die ervan droomt om de sandwich in Algerije te introduceren, is dat verbijsterend. ‘De Britten moeten dit gaan doen. Het is de sandwich,’ zegt hij. ‘Daar zouden ze trots op moeten zijn.’
Het besluit om de EU te verlaten is dan ook uiterst onhandig voor de Britse nationale cuisine. De versbereide sandwichsector van Groot-Brittannië is qua technologie en expertise de beste ter wereld en zou in theorie in staat moeten zijn zich succesvol over de hele wereld uit te breiden. Maar sinds afgelopen juni wordt de sector belaagd door stijgende voedselprijzen en verontrustende vragen over wie – of wat – die verdomde dingen in de toekomst zal gaan maken. ‘Brexit heeft alles verpest,’ zei een directeur, wiens bedrijf zwaar op Oost-Europese arbeid leunt. ‘Op de dag na het referendum, op die vrijdag, kwamen mensen me vragen: “Moet ik nu naar huis?” Dat zijn de mensen die ons uit de brand hebben gered toen de oorspronkelijke bevolking het liet afweten.’
Treurig beeld
Jim Winship van de BSA schetst een treurig beeld van de aanstaande ineenstorting van de nationale sandwichindustrie. ‘Neem de arbeidskrachten weg en de Costa’s van deze wereld kunnen niet langer functioneren,’ zegt hij. ‘Als die verdwijnen, zal dat grote invloed hebben.’ De sandwichindustrie, zo legt Winship uit, zorgt niet alleen voor honderdduizenden banen, ze levert de hele economie ook miljarden ponden extra op. ‘Dankzij de sandwich kunnen mensen hun lunchpauze doorwerken,’ zegt hij.
Martin Johnson, ceo van Adelie, die in het verleden bij BMW en Ford heeft gewerkt, is wat gematigder. Volgens hem zal de Brexit de opkomst van robots aan de sandwichproductielijn versnellen. ‘Een van de dingen die je kunt doen is zorgen dat je minder afhankelijk bent van arbeidskrachten,’ zegt hij. Beneden op de werkvloer laat Chahar me een nieuwe geavanceerde belegmachine zien – een glanzend metalen kegel – waar het bedrijf een proef mee doet. ‘Het idee is om zo veel mogelijk te automatiseren,’ zegt hij. Vanaf zo‘n dertig centimeter boven de lopende band vallen klodders eiersalade exact op plakjes wit brood. Eén vrouw met in elke hand een spateltje smeert het goedje uit. Ik kijk verder langs de lijn. Er werken maar vier mensen aan, tegen acht of negen aan de andere lijnen. De sandwiches die klaar zijn, glijden zonder menselijke tussenkomst nog een hele tijd over de lopende band. Aan het uiteinde maakt de stapelaar ze klaar voor de snijmachine. Ze ziet me kijken en lacht.
De gestage, onstuitbare uitbreiding van het sandwichrijk – de kolonisatie van nieuwe dagdelen – gaat vrij geruisloos. Op Lunch!, de jaarlijkse handelsbeurs van de food to go-industrie in het Excel Centre in Oost-Londen, schittert de sandwich door afwezigheid. Wel staan er zo’n driehonderd exposanten met fruitchips, tofu uit Devon en kikkererwtenpasteitjes. Een door de organisatoren aangeleverde grafiek verklaart min of meer waarom. Sandwiches, wraps en stokbroodjes vormen samen meer dan een derde van alle voedsel die wij in 2016 rond lunchtijd kochten. Voeg daarbij nog de burgers en het aandeel stijgt naar 40 procent. De enige andere producten die nog enigszins meetellen zijn chips, friet en chocoladerepen. Salades vormen 3,5 procent van onze lunch. Sushi halen de top 10 niet.
De sandwich hoeft niets te bewijzen. Alle andere producten op Lunch! – de notenrepen, de zongedroogde bananito’s (kleine banaantjes uit Thailand), de glutenvrije, zuivelvrije, suikervrije chai lattes, de kokos-teryakireepjes, de insecten met chocoladesmaak en het cactuswater – strijden alleen maar mee om een plekje als begeleiding van het hoofdprogramma. Hetzelfde geldt voor de verpakkingsstands. Een man die Ewald heet, laat me een nieuwe lichtgewicht wikkel uit Duitsland zien die je tot halverwege het stokbroodje kunt openritsen en die in de Benelux en in Argentinië verkoopt als een gek. ‘Het is het wauw-effect, ja,’ zegt hij terwijl hij de bovenste helft van een stokbroodje met sesamzaad tevoorschijn ritst.
Wie op de beurs wil zien wat er met de sandwich gebeurt, moet weten waar hij moet zoeken. Boven, in een aparte suite, wordt onder auspiciën van British Sandwich Association een rustige wedstrijd gehouden op zoek naar recepten voor de croll – een kruising tussen een croissant en een roll (broodje) – die is uitgevonden door de New York Bagel Company. Een jonge ontwikkelkok staat een croll d’Hollandaise klaar te maken op een kookplaat.
Op de beursvloer zie ik in het voorbijgaan af en toe de naam van een grote speler – van Pret, Greencore, Tesco – op de badge van een passerende bezoeker. Ze zijn er wel, om de trends en elkaar in de gaten te houden. Dit jaar stond Lunch! geheel in het teken van proteïnen en vegetarisme. Het ‘flexitarisme’, de trend onder millennials om één of twee dagen in de week geen vlees meer te eten of een tijdje vegan te worden, speelt op dit moment een belangrijke rol in de food to go-industrie. Pret a Manger opende afgelopen zomer zijn eerste vegetarische vestiging in het centrum van Londen, en heeft er nu drie in de hoofdstad. In januari lanceert M&S een lijn vegan sandwiches met felrood, groen en geel groentenbrood.
Buurtbewoners delen elkaar sandwiches uit.
In het centrum van de hal kom ik de Soho Sandwich Company tegen, een leverancier uit het duurdere segment dat, zoals ik inmiddels weet, de sandwiches voor de kantine van The Guardian levert. Directeur Dan Silverston laat me zijn nieuwe TLT zien – een vegan BLT met tofurkey. ‘Dit is cool,’ zegt hij. ‘Dit is helemaal nu. Dit is de trend.’ Frank Boltman komt aangelopen. Hij kijkt naar de stands met pitabroden, exotische groenten en voorgemengde salades om ons heen. ‘Haal het voedsel weg en het is gewoon een oorlog,’ zegt hij.
Om het half uur verschijnt er een spreker op een van de podia aan de twee uiteinden van de hal. Een marketeer van Leon houdt een praatje, geïllustreerd door schermen met ‘Kombucha’, ‘Gut Health’ (gezonde darmwerking) en ‘Be storytellers’ (Wees verhalenvertellers). Op de vrijdagochtend verzamelt zich een grote menigte voor een presentatie door Roger Whiteside, de voormalige Marks & Spencer-topman, die nu Greggs runt. Toen Whiteside daar aan de leiding kwam bevond het bedrijf zich in zwaar weer. Na zeventig jaar als bakkerij in winkelstraten lukte het Greggs niet om zich aan te passen aan het feit dat 80 procent van zijn klanten iets wilden dat ze meteen konden opeten. De afgelopen vier jaar heeft Whiteside op zijn eigen praktische manier Greggs veranderd, van een bakker die ook sandwiches verkocht (Greggs had al sinds 1988 een succesvolle lijn in stokbroodjes), in een puur food to go-bedrijf. De winst is met 50 procent gestegen.
Zittend op een kruk beantwoordde Whiteside vragen van Lunch!-deelnemers over stijgende voedselprijzen en het belang van koffie als opening van het ochtenddagdeel. Whiteside, die nu 58 is, gaat straks terug naar Newcastle, waar het hoofdkantoor van Greggs is gevestigd, en hij vindt het duidelijk leuk om de nuchtere noorderling te spelen tegenover de flexitarische zuiderlingen. Het gemiddelde bedrag dat mensen bij Greggs besteden is £ 2,85. ‘Zullen we ooit quinoa kunnen verkopen in Sunderland?’ overpeinst hij. ‘Als we het kunnen, zullen we het doen.’ Iedereen applaudisseert.
Een paar weken later spreek ik Whiteside in Newcastle. Ik vraag hem een verklaring voor de opkomst van de sandwich die hij tijdens zijn carrière zich heeft zien voltrekken. Volgens hem is die deels het gevolg van de druk op het leven van de mensen die al die sandwiches eten. ‘De meeste mensen zullen je, als ze eerlijk zijn, vertellen dat ze hun hele leven lang elke dag exact dezelfde sandwich eten,’ zei hij. De sandwich is weliswaar onderdeel van een sneller en eenzamer leven, maar biedt ook een bepaalde zekerheid. We kiezen ervoor omdat we al genoeg aan ons hoofd hebben. ‘Mensen willen niet teleurgesteld worden,’ zegt Whiteside. En in zekere zin is dat het zeer Britse geheim van een zeer Britse bedrijfstak. De sandwich is een nationaal symbool van bescheiden verwachtingen die altijd worden vervuld.
Voor ik vertrek wil Whiteside me vertellen over de warme sandwiches waarvan hij hoopt dat ze het avonddagdeel zullen openbreken. Op hun eigen manier lijken de nieuwe avondsandwiches, die Greggs ‘streetfood’ noemt, even onwaarschijnlijk als de verpakte sandwich van M&S in 1980. ‘Maar in feite worden er ’s avonds heel veel sandwiches gegeten,’ volgens Whiteside. ‘Heel veel klanten eten een sandwich als ze thuiskomen, omdat ze geen zin hebben om iets anders klaar te maken. Dit is wat ze in huis hebben. Dus ze maken een sandwich.’
Een paar minuten later word ik meegenomen naar de ‘food zone’ van Greggs, op een industrieterrein een eindje bij het kantoor vandaan. Kate Jones, de manager productontwikkeling, laat me drie versies van de nieuwe streetfoodsandwiches zien onder een warme lamp. Ik neem een hapje van een van de drie: barbecue-kip met een Koreaanse barbecuesaus, geserveerd op een stokbroodje. Het beleg is warm en zoet, en plakt aan mijn tanden. Greggs heeft een nieuwe mayonaise met baconsmaak ontwikkeld als garnering. ‘Onze strategie,’ zegt Jones, ‘is dat wij gaan zorgen dat we voor elk moment van de dag het juiste aanbod hebben.’
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
Sam Knight was ooit stagiair bij komiek Ali G In New York. Tegenwoordig woont hij in Londen en schrijft hij longreads voor The Guardian en The New Yorker. Hij heeft plannen voor een boek.
Duizenden opiniestukken verschenen in het Verenigd Koninkrijk over de Brexit. Maar aan deze column van de inmiddels overleden journalist en restaurantcriticus A.A. Gill konden weinig tippen.
Ze was zo’n bekende verschijning, die vrouw op Question Time. In elke rij, in elke koffiebar, bij elke school, in elke parochieraad van het land kom je haar tegen. Middelbaar, middenklasse, middle of the road, met haar te zwaar opgemaakte wijkverpleegstersgezicht en haar weerbestendige uitdrukking van verongelijktheid is zij onze nationale schoonmoeder. De camera zoomde op haar in en ze riep: ‘Ik wil alleen maar mijn land terug. Geef me mijn land terug.’
Het was een oprechte kreet van diepe angst en het publiek barstte uit in een warm applaus, maar ik dacht: terug van wat? Terug waarvandaan?
Sentimentele nostalgie
We willen ons land terug, het is het mantra van alle outies. Farage lalt het. Grove insinueert het. Natuurlijk weet ik wat ze bedoelen. We weten allemaal wat ze bedoelen. Ze bedoelen: terug van Achmed Buitenlander, terug van het randje van de afgrond, terug uit de toekomst, terug naar knus onder elkaar, terug naar groene heggen en stenen muurtjes en landweggetjes en kerkklokken en warm bier en zuurtjes en voetbal en ratels in het voetbalstadion en jolige grappen en houten klompen op klinkerweggetjes. Terug naar gekostumeerde ‘vicar and tarts’-feestjes en lachen om een scheet. Terug naar de tijd van altijd mooi weer en borders vol kruiden en auto’s die Morris heten. Terug naar biscuittaart en 22 yard tot de wicket en naar drie voet in een yard en vier vingers in een KitKat, terug naar kruisbessen en geen avocado’s, terug naar eerbied en respect, naar je behelpen met wat je hebt en repareren en dapper glimlachen en je tanden op elkaar zetten en in stilte lijden en buitenlanders behandelen als sneue kleuters.
We weten allemaal wat ‘we willen ons land terug’ betekent. Het is een lijntje snuiven van die verderfelijke en slopende little-England-drug: nostalgie.
Het warme, kruimelige, goudbruine collectieve ‘gisteren’ en het innige geloof dat alles toen beter was, dat Groot-Brittannië (of eigenlijk Engeland) nu een slechtere plek is dan het op een vaag moment in het verleden was, op het hoogtepunt van ons o zo geliefde wereldrijk. Het is het besef dat het beste al achter ons ligt, dat we nooit meer iets kunnen bouwen dat zo mooi is als een Georgiaans landhuis van de National Trust, dat geen kunst zo goed zal zijn als Turner, geen gedicht zo prachtig als ‘If’, dat geen schrijver kan tippen aan Shakespeare of Dickens, niets zo mooi zal bloeien als een cottagetuin, geen held groter kan zijn dan Nelson, geen politicus beter dan Churchill, geen aanblik aangrijpender dan de witte rotsen van Dover en dat we nooit meer zoiets geweldigs zullen fabriceren als een Rolls-Royce of een Flying Scotsman.
In de Brexit-fantasie is alle hoop erop gericht dat we de rond de klok werkende buitenlanders eruit gooien en de hoeders van ons eigen verleden worden op dit zelfgenoegzame eiland van geklaag en gewichtigdoenerij
De droom van de Brexit is niet dat we misschien een beter, nieuw, energieker morgen kunnen maken, het is een verlangen om terug te sloffen naar een van spijt verzuurd, naar binnen gericht gisteren. In de Brexit-fantasie is alle hoop erop gericht dat we de rond de klok werkende buitenlanders eruit gooien en de hoeders van ons eigen verleden worden op dit zelfgenoegzame eiland van geklaag en gewichtigdoenerij.
En als je denkt dat dit een overdrijving is van het Brexit-standpunt, luister dan naar de taal die ze gebruiken: ‘Wij zijn een natie van uitvinders en ondernemers, we willen het Groot terug in Brittannië, de grote ingenieurs, de grote fabrikanten.’ Het zijn allemaal uitingen van sentimentele nostalgie. Voor het geestesoog van de Brexiteer verschijnen het oude Pathé-bioscoopjournaal met autocoureur Donald Campbell, John Logie Baird met zijn televisie, Barnes Wallis en zijn stuiterbom en Robert Baden-Powell die in zijn schuurtje de padvinders uitvond.
We hoeven alleen maar af te komen van die humorloze Duitsers en spelbrekers van Fransen, met hun liberalisme en werkelijkheidszin, betogen ze. En tegelijkertijd is er de hoop dat we, als we aan Europa weten te ontsnappen, terug zullen keren naar de jaren vijftig van de bolhoeden, waarin het Gemenebest weer parades zal houden, vuurwerkshows zal geven en zal smeken om weer bij de Queen Empress in een goed blaadje te komen. Dan zal Nieuw-Zeeland duizend lammeren offeren, Ghana zal vragen of het weer de Gold Coast mag worden genoemd en Groot-Brittannië zal weer handgemaakte Land Rovers, hoge hoeden en hotelzilveren theepotten gaan fabriceren.
Er is een reden waarom de meeste mensen die de EU willen verlaten oud zijn, terwijl degenen die willen blijven, jong zijn: dat is omdat de jongeren niet besmet zijn met Bisto-nostalgie*. Zij herkennen de helft van al die dingen die ik net heb opgenoemd niet. Ze zijn opgegroeid in de EU en hun beeld daarvan is op zijn slechtst neutraal.
De Britten onder de dertig willen onderdeel zijn van dingen, niet aan de zijlijn staan. Voor hen gaat het om meedoen en meetellen. Ik denk dat de meeste outies zich kunnen vinden in de zin ‘De vrouwenemancipatie is te ver doorgeschoten’. Voor hen is alles te ver doorgeschoten, van politieke correctheid – nou, dat ís toch ook krankjorum tegenwoordig? – tot goede arbeidsomstandigheden en genderneutrale toiletten. Die oudjes, ze kunnen het allemaal niet meer volgen, al die nieuwerwetse mobiele telefoons en die jongeren op Tinder en Grindr. Waar blijft de tijd dat je Miss Joan Hunter Dunne gewoon op de tennisclub leerde kennen? En praat ze niet van elektrische handdrogers of die ellendige computer waar je een password voor moet hebben met hoofdletters en kleine letters en cijfers en dan nog meer dan acht ook.
We horen de Brexit-club praten over de handelsakkoorden die ze na ons vertrek met Europa gaan sluiten, in de weldadige zorgeloosheid dat zij in plaats van het EU-lidmaatschap een scheiding te bieden hebben waarin je nog steeds seks met je ex kunt hebben. Ze denken dat ze onder het huwelijk uit kunnen komen en dan het huis mogen houden, geen alimentatie hoeven te betalen, de kinderen van school kunnen houden, de schoonouders kunnen verbieden om naar de dokter te gaan, eisen kunnen stellen over omgangsregelingen, maar, je weet wel, in het weekend toch een beurt krijgen en natuurlijk ook nog met anderen mogen scharrelen.
O ja? Is dat het beste wat ze te bieden hebben? Is dat het plan? Brutaalweg Brussel binnenstappen met je Union Jack-broek aan en zeggen ‘Hee schat, wat zie je er lekker uit, zal ik jou eens even pakken?’
Zoals alle scheidingen wordt het verlaten van Europa smerig en kwaadaardig en pijnlijk en er komt een heleboel giftige xenofobie en racisme bij kijken, al die pietluttige persoonlijke vooroordelen waarmee in de steek gelaten, verraden en gedwarsboomde mensen te kampen hebben
Als wij, de anderen, dan vragen hoe dat zal gaan werken, antwoorden de vertrekkers met een Terry-Thomas-grijns dat ‘ze heus nog steeds op ons vallen, echt, ze snakken naar ons. Merkel niet misschien, maar de bazen van Mercedes en die Franse wijnboeren en kaasmakers, die kunnen geen genoeg krijgen van die ouwe John Bull. Natuurlijk willen ze nog met ons in bed duiken om een vrije markt te maken, als we de echtscheiding rond hebben. Logisch toch?’
Vergeet het maar: dit is een echte scheiding. Het gaat niet alleen over de financiën, het wordt niet allemaal redelijkheid en goede wil. Zoals alle scheidingen wordt het verlaten van Europa smerig en kwaadaardig en pijnlijk en er komt een heleboel giftige xenofobie en racisme bij kijken, al die pietluttige persoonlijke vooroordelen waarmee in de steek gelaten, verraden en gedwarsboomde mensen te kampen hebben. En het racisme en de vooroordelen zijn natuurlijk zwakke punten voor ons. De ingewikkelde onderhandelingen met advocaten en rechtbanken zullen bitter en wraakgierig zijn, want dat zijn scheidingen nu eenmaal en, nu we het er toch over hebben, dat soevereiniteitsdingetje dat we zogenaamd zo graag terug willen, als de ring van Frodo, heeft niets met jou of mij te maken. We zullen niet eens merken dat het terugkomt, omdat we om te beginnen al niet merkten dat we misten.
Je zult niet op 24 juni wakker worden en denken: O, mijn God, mijn artritis is over! Mijn tanden zijn ineens witter! Nu weet ik zomaar hoe ik soufflé moet maken en ik voel de macht van de soevereiniteit over me komen. Hier maken alleen politici zich druk om; voor u en voor mij maakt het geen jota uit of het hoogste rechtsorgaan een stel wereldvreemde oude knarren met pruiken in Westminster Hall is of een stel wereldvreemde oude knarren zonder pruik in Luxemburg. Wat wel uitmaakt is dat we zo veel mogelijk rechters hebben die aan de kant van persoonlijke vrijheid staan.
Persoonlijk zie ik geen reden om onze parlementariërs in het VK meer macht toe te vertrouwen. Hoe meer verschillende belangen politici hebben, hoe beter dat voor ons is. Je kunt niet genoeg knappe koppen en verschillende meningen hebben. Misschien maak je je echt zorgen om de bureaucratie, maar dat is niet alleen een Europees probleem. Wij Britten zijn heel goed in staat om onze eigen regels en wetten te verzinnen en we hebben bepaald geen tekort aan dienstkloppers. Bureaucratie is misschien ergerlijk, maar bestaat ook om jouw en mijn gezin te beschermen tegen leugens, vergif en bedrog.
Het eerste kruisje dat ik ooit op een stembiljet heb gezet was om ja te zeggen tegen de EU. Bij het eerste referendum was ik twintig. Het komende referendum valt in de week van mijn tweeënzestigste verjaardag. Bijna mijn hele volwassen leven is er geen dag voorbij gegaan waarop ik niet blij en trots was dat ik deel uitmaakte van dit grootse collectief. Als je mij naar mijn nationaliteit vraagt, is het antwoord dat ik me meer Europeaan voel dan iets anders. Ik ben onderdeel van deze cultuur, van deze Europese beschaving. Welk museum op ons continent ik ook binnenloop, ik begrijp alle beelden en verhalen aan de muren. Deze mensen zijn mijn mensen en dat zijn ze al duizenden jaren. Ik kan boeken lezen over onderwerpen die uiteenlopen van het antieke Griekenland tot Scandinavië in de middeleeuwen, van het Italië van de renaissance tot negentiende-eeuws Frankrijk en ik heb er geen uitleg bij nodig over de achtergrond of het landschap. De muziek van Europa, van zijn toonladders en instrumenten tot zijn ritmes en religie, is mijn muziek. De renaissance, de rococo, de romantiek, de impressionisten, de gotiek, de barok, het neoclassicisme, realisme, expressionisme, futurisme, fauvisme, kubisme, dada, het surrealisme, postmodernisme en de kitsch – het waren allemaal Europese stromingen en geen van alle behoren ze toe aan één enkel land.
Eetcultuur
Er is een reden waarom de Chinezen nep-Italiaanse handtassen maken en de Italianen geen nep-Chinese handtassen. Deze Europese cultuur is zonder enige twijfel de grootste, mooiste, machtigste, meest inventieve, subtiele, en diepzinnige cultuur die ooit door mensen is gevormd, en ze is van ons. Kijk eens naar mijn dagelijkse werk – eten. De eetcultuur en het genieten van eten zijn enorm veranderd sinds wij lid van de EU werden, en dat is geen toeval. Wat we eten – de ingrediënten, de recepten – komt misschien van over de hele wereld, maar het is de collectieve activiteit van Europese interesse, vakmanschap en fantasie die onze maaltijden zo smakelijk en opwindend heeft gemaakt.
Ook het restaurant was natuurlijk een Europese uitvinding. Het eerste restaurant in Parijs heette The London Bridge.
Cultuur werkt en groeit met het continue weefsel van creatieven, producenten, consumenten, intellectuelen en pure liefhebbers. Je kun cultuur niet dicteren of er wetten voor maken, je kunt alleen maar een plaats bieden die haar aanmoedigt, of je kunt haar kortwieken. Je kunt haar harder en wrokkiger maken, je kunt barrières opwerpen en muren bouwen, maar waarom zou je in hemelsnaam? Deze collectieve cultuur, deze gouden beschaving die in de loop van duizenden jaren op dit continent is gegroeid, heeft alles gemaakt wat we hebben en alles wat we zijn. Waarom zou je daar geen deel van uit willen maken?
Ik begrijp wel dat we onze bibliotheekkaart voor de Europese beschaving niet hoeven in te leveren als we vertrekken, maar waarom zouden we dat zelfs maar overwegen? De enigen die dat doen zijn eigenlijk die barbaarse, angstige oude knarren. Moet je ze zien, te bang om mee te doen.
Auteur: A.A. Gill
Vertaler: Annemie de Vries
Bisto is een ouderwets, typisch Brits merk traditionele gerechten in blik.
De Britse restaurant- en televisiecriticus A.A. Gill overleed eind vorig jaar aan kanker. Bijna een kwart eeuw had hij in The Sunday Times met een pen die vaak gedoopt leek in slangengif zijn mening over chefs en tv-presentatoren ten beste gegeven. De laatste drie artikelen van zijn hand gingen over iets heel anders: twee over zijn naderende dood, het derde over Brexit, volgens Gill al even rampzalig.
The Sunday Times
Verenigd Koninkrijk | zondagskrant | oplage 1.300.000
Zondagse kwaliteitskrant, in 1864 opgericht en in 1981 opgekocht door mediamagnaat Rupert Murdoch, die o.a. ook The Times bezit. Staat bekend om zijn goede research, vele bijlagen en bijdragen van populaire auteurs. Schotland en Ierland kennen een eigen editie.
De uiterst rechtse Israëlische minister van Onderwijs Naftali Bennett censureerde een liefdesroman, en eist van kunstenaars dat ze loyaal zijn aan de staat. Het maakt hem alleen maar populairder.
De extreemrechtse minister van Onderwijs Naftali Bennett is langzaam maar zeker bezig om op de ruïnes van de Israëlische democratie een nieuwe messiaanse en eendimensionale wereld te grondvesten waarmee hij het hart van de Israëliers verovert. Het onverbloemd totalitaire karakter van zijn jongste initiatieven zal zijn volgelingen niet ontmoedigen. Zijn openlijke bedoeling om het al dan niet verspreiden van literaire werken op scholen op irrelevante criteria te baseren zal niet op onoverkomelijke bezwaren stuiten. Hoe kun je dat zo stellig beweren? Omdat Bennett, nadat hij zonder een schrammetje het laatste censuurschandaal heeft overleefd (het verbieden van een roman over de liefde tussen een Joodse vrouw en een Palestijnse man), voortaan zelfs een raket kan overleven.
Israëlische kunstenaars zijn slappelingen
Bennett heeft alle redenen om de behandeling van zijn nieuwste wetsvoorstel door de Knesset met rotsvast vertrouwen tegemoet te zien, het voorstel om van Israëlische kunstenaars te eisen dat ze loyaal zijn aan de staat Israël en zich schriftelijk bereid verklaren om hun creaties in de bezette gebieden te presenteren. Gezien de recente ervaringen hoeft hij geen echte oppositie te vrezen en zullen de petities die op ad-hocsites of de sociale netwerken worden ingediend daar niets aan veranderen. Zoals gebruikelijk zullen sommigen Heine citeren, zullen anderen Brecht of nog andere helden van stal halen en, o heldenmoed, zelfs zo ver gaan hun profielfoto door die van een of andere mediarevolutionair te vervangen. De Israëlische kunstenaars zijn niet alleen slappelingen, zoals Bennett mopperend opmerkt, ze hebben ook de betreurenswaardige neiging om erg hoog van zichzelf op te geven.
De feiten liegen er niet om. Toen Bennett aankondigde een prijs voor Joodse kunst te zullen instellen, trad hij daarmee alleen maar in de voetsporen van de voormalige Likoed-minister van Onderwijs Limor Livnat, die besloot een zionistische oeuvreprijs in het leven te roepen. Het meest absurde en beschamende was nog wel dat het merendeel van de daarmee bekroonde kunstenaars tot het linkse kamp behoorde en dat de enige die de prijs weigerde de oude dichter, romanschrijver en filmmaker Haïm Gouri was. Het zit er dik in dat als de prijs voor de Joodse kunst eenmaal zal worden toegekend, maar weinigen tegen de initiatiefnemer zullen zeggen wat hij met zijn prul kan doen.
Weigering van Amos Oz
Het is in onze contreien moeilijk, zoals Bennett heel goed weet, om prijzen en onderscheidingen te weigeren. Zonder ben je nu eenmaal niets. Zo kon het gebeuren dat nauwelijks een maand geleden een nogal middelmatige kunstenaar blij op Facebook meldde dat hij de zionistische oeuvreprijs van 2015 in de wacht had gesleept. Hij vond het daarbij nodig om aan zijn ‘vrienden’ te melden dat de aanvaarding van de prijs niet betekende dat hij niet met gewetensproblemen kampte. Bennett zal zich ongetwijfeld rot hebben gelachen toen dit bericht hem onder ogen kwam. Iedere poging om de totalitaire macht te grijpen kan snel op collaborateurtjes rekenen.
Bennett is zeer wel bekend met de onbedwingbare behoefte van Israëlische kunstenaars om naar het buitenland te worden uitgezonden. Als we de beroemdste en luidruchtigste onder hen mogen geloven, is het absoluut niet hun bedoeling om het beleid van de Israëlische regering te belichamen. Toch aarzelen ze niet om hun buitenlandse reizen te laten financieren door iemand als Avigdor Lieberman, de voormalige extreemrechtse minister, of zich aan diens zijde te vertonen.
Kortgeleden heeft de schrijver Amos Oz bekendgemaakt dat hij voortaan zal weigeren zich te verbinden aan culturele initiatieven van het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken. Het klinkt hard, maar de voorbeelden van Amoz Oz (77) en Haïm Gouri (93) herinneren aan een wrede waarheid: het is makkelijker om moedig te zijn als je op het punt staat het toneel te verlaten. Als er mensen zijn die denken dat ze de publieke opinie kunnen wakker schudden door schokkende uitspraken of groteske initiatieven, dan moeten ze zich niet de geringste illusie maken: in Joods-Israëlische kringen zal de populariteit van Bennett alleen maar stijgen.
Auteur: Lior Leal
Vertaler: Peter Bergsma
Ha’aretz Israël, dagblad, oplage 80.000
De eerste Hebreeuwse krant die in 1919 onder Engels mandaat uitkwam. ‘Het land’ is dé krant voor Israëlische politici en intellectuelen.
Veertig jaar na zijn dood heeft de Belgische kunstenaar Marcel Broodthaers (1924-1976) eindelijk een grote tentoonstelling in New York. ‘Majestueus en duizelingwekkend’, oordeelt The New York Times.
‘Ik ben nergens goed in. En ik ben veertig.’ Dat schreef de Belgische dichter Marcel Broodthaers, die zichzelf tot 1964 ternauwernood als boekverkoper en fotojournalist in leven wist te houden (hij maakte veel foto’s van de Wereldtentoonstelling in Brussel van 1958), terwijl hij intussen vreemde korte films maakte en avantgardistische poëzie publiceerde.
Het ontbrak hem in elk geval niet aan ambitie, zodat hij zich ten slotte afvroeg of hij eindelijk ‘iets zou kunnen verkopen om te slagen in het leven.’ Maar wat dan? Rond die tijd ‘kwam ik op het idee iets onoprechts te verkopen’. Dat onoprechte was kunst, en hij stortte zich er erbovenop.
Om verschillende redenen lijkt Broodthaers’ werk in Amerika meer op zijn plek dan ooit
Eureka. Hij had zijn eerste solotentoonstelling in het jaar waarin hij de hierboven aangehaalde woorden schreef; ze staan zelfs in de brochure bij die expositie. Een jaar of vier later verklaarde hij opnieuw van loopbaan te zullen veranderen, deze keer om directeur van een fictief museum te worden: een met zijn eigen werk. En nu is er dan het veel te late, maar majestueuze en duizelingwekkende Marcel Broodthaers: A Retrospective, een tentoonstelling die op 21 februari opende in het Museum of Modern Art en New York daarmee voor het eerst uitgebreid laat kennismaken met een van de invloedrijkste Europese dichter-kunstenaars van de twintigste eeuw.
De poëtische helft van het dubbeltalent manifesteerde zich al vroeg. De in 1924 in Brussel geboren Broodthaers – uitgesproken als ‘Brotaars’, zoals hij zelf zei, mopperend op de overbodige letters in zijn naam – schreef zijn eerste werk als tiener. Nadat hij korte tijd actief was geweest in het Belgische verzet, sloot hij zich aan bij een groep naar revolutie hongerende surrealisten. Enkele van zijn eerste boeken maken deel uit van de tentoonstelling, waaronder (in Engelse vertaling) het prachtige Pense-Bête (Memory-Aid). Toen hij kunstenaar besloot te worden, overgoot hij vijftig onverkochte exemplaren van het boek met gips en noemde het resultaat een beeldhouwwerk.
Er volgden nog veel meer van dergelijke objecten. Ze waren meestal gemaakt met een vaste set materialen, zoals poëzie draait om een reeks herhaalde beelden. Voor plastische sculpturen gebruikte hij steenkoolbrokken en mosselschelpen, omdat hij daar gemakkelijk aan kon komen en omdat ze aan België deden denken; op die manier spotte hij met het idee van kunst als nationalistisch propagandamiddel. Eierschalen waren al even gemakkelijk verkrijgbaar – hij haalde ze bij restaurants in de buurt – maar als metafoor veelzijdiger. Net als talen bevatten ze nieuw leven.
Woorden
Woorden – met de hand geschreven, gedrukt, gefotografeerd, geschilderd en gesproken – zijn overal in Broodthaers’ werk aanwezig. Voor hem waren het beelden, net als portretten, en versmelten ze op vanzelfsprekende wijze met de niet-verbale beelden van zijn films. De eerste daarvan, La Clef de l’horloge, Poème cinématographique en l’honneur de Kurt Schwitters uit 1956, is een hommage aan zijn grote voorganger, Schwitters, de dadaïstische dichter-kunstenaar die met René Magritte en Stéphane Mallarmé tot Broodthaers’ helden behoorde. De film combineert close-ups van Schwitters’ buitenaards aandoende assemblages met een opname van Broodthaers zelf, verwikkeld in een nonsensicale, maar bovenzinnelijke causerie met een zogenaamde geliefde.
In een werk uit 1967 dat is gebaseerd op een fabel van La Fontaine hoopt taal zich stilletjes in lagen op doordat gefotografeerde woorden over elkaar heen op een scherm worden geprojecteerd. En in de film La pluie (projet pour un texte), uit 1969, verdwijnen de woorden voor onze ogen. We zien de kunstenaar in een tuin in een notitieboekje zitten schrijven. Plotseling stort er water naar beneden, dat hem doorweekt en zijn woorden wegspoelt. Maar de taal overwint. Ogenschijnlijk even onaangedaan als een van zijn andere helden, Buster Keaton, blijft Broodthaers doorschrijven.
Rond de tijd waarin hij de film maakte, was hij druk bezig met zijn grootste project, het uit meerdere delen op meerdere locaties bestaande, telkens veranderende Musée d’Art Moderne, Département des Aigles, waar hij in 1968 aan begon en vier jaar aan zou werken. Een woekerend distillaat ervan is het meest opvallende werk op de tentoonstelling. In plaats van te proberen het te doorgronden, is de beste aanpak je er volledig aan over te geven.
Broodthaers gaf door middel van installaties een indruk van een van de ‘galerijen’ van zijn museum. De zogeheten XIXde-eeuwse afdeling, in elkaar gezet in zijn studio, bestond voornamelijk uit ansichtkaarten van negentiende-eeuwse schilderijen die op een muur zijn geplakt of dia’s die op een scheepskist worden geprojecteerd. Latere secties waren gewijd aan zeventiende-eeuwse kunst (vooral Rubens), aan film en aan literatuur. De grootste ‘vleugel’, die waar het museum naar is genoemd, bestond geheel uit afbeeldingen van wel honderden arenden zoals die worden aangetroffen op neoklassieke schilderijen, legeruniformen, drankflessen en souvenirs. De selectie in het MoMA is even hilarisch als naargeestig: ze vormt een visueel essay dat niet alleen gaat over de manipulatie van een afbeelding, maar ook over musea als instrument van politieke macht en commerciële branding.
Zowel in dit als in zijn overige werk doet Broodthaers moeite om de toon licht te houden, al zijn zijn ideeën dan misschien zwaar. (Hij heeft zijn maatschappelijk messianistische tijdgenoot Joseph Beuys weleens vergeleken met Richard Wagner en zichzelf met Jacques Offenbach.) Kritiek en subtiliteit verdragen elkaar moeilijk, wat misschien de reden is waarom hij het museum in 1972 ophief, zich terugtrok als directeur en terugkeerde in zijn rol – want zo beschouwde hij het – als kunstenaar.
Zijn korte, vruchtbare loopbaan, die verschillende disciplines omvat, laat zich bijna niet dwingen in de mal van een standaard museaal overzicht
Zijn nieuwe werk had ogenschijnlijk de stijl van de belle époque: het was een reeks installaties die hij geen kunst noemde, maar ‘décors’, waarmee hij een sfeer van luxueuze salons en filmsets evoceerde. Eén ervan, Un Jardin d’Hiver II, met zijn dertig potpalmen en prenten van tropische vogels, roept het eerste grote museale tijdperk van bourgeois Europa op en plaatst het pontificaal op een sokkel van Afrikaans kolonialisme.
Een tweede ‘décor’, A Conquest uit 1975, vormt het schokkende slotakkoord van de tentoonstelling. Het bestaat uit twee delen. Het eerste, ‘de negentiende-eeuwse ruimte’, telt nog meer palmen, een paar oude kanonnen en een opgezette boa constrictor, gestrekt en rechtop, alsof hij op het punt staat toe te slaan. De kleinere ‘twintigste-eeuwse ruimte’ bevat een kleinburgerlijk tuinameublement te midden van een arsenaal aan handvuurwapens en geweren. Offenbach, zij het via Napoleon en de Unabomber.
Om verschillende redenen lijkt Broodthaers’ werk in Amerika meer op zijn plaats dan ooit. Bezoek de tentoonstelling – samengesteld door curator tekeningen en prenten van het MoMA Christophe Cherix, assistent-curator Francesca Wilmott en directeur van het Madrileense Museo Nacional Centro de Arte Reina Sofia, Manuel J. Borja-Villel – en het is duidelijk dat zijn werk een voorloper is van dat van vele hedendaagse kunstenaars, onder wie Fia Backstrom, Andrea Bowers, Rachel Harrison, Karen Kilimnik en Haim Steinbach. Hoewel geen van hen eenzelfde hang naar verzet heeft als Broodthaers, die jong was in een tijd vol revoluties, hebben ze allemaal iets van zijn subversieve absurdisme.
Broodthaers is alles behalve gemakkelijk. Zijn korte, vruchtbare loopbaan, die verschillende disciplines omvat, laat zich bijna niet dwingen in de mal van een standaard museaal overzicht. Daar zorgde hij wel voor. Doordat hij je kunst laat lezen en er tegelijkertijd naar laat kijken en luisteren, werpt hij incoherentie en onberekenbaarheid op als voorwaarden. (Eén manier om hem te doorgronden is hem in kleine doses tot je te nemen, wat mogelijk wordt gemaakt door naar de tentoonstelling te gaan die momenteel te zien is in de Michael Werner Gallery in Manhattan en die als thema de schrijfkunst in zijn werk belicht.)
Ongetwijfeld doen Broodthaers’ persoonlijke en culturele verwijzingen – naar literatuur en de Oude Wereld – veel bezoekers gekunsteld en mysterieus aan. Doorgewinterde kunstliefhebbers die een hekel hebben aan conceptualisme en aan teksten moeten lezen om de bijbehorende kunst te begrijpen, zullen hem een beproeving vinden. Maar de reden waarom ze afhaken is precies die waarom deze kunstenaar de lieveling van academici is, een knoop van raadsels die moet worden ontward, weer verstrikt en opnieuw uitgehaald, zoals in de zwaarwichtige catalogus gebeurt.
Een van Broodthaers’ laatste werken voor hij in 1976 op 58-jarige leeftijd aan een chronische leverziekte overleed, laat zich interpreteren als een plaats waar hij kon schuilen voor de complicaties ervan, en misschien wel voor de kunst. Het werk, met de titel La Salle Blanche, is een model op ware grootte van de studio in Brussel waar hij jarenlang poëzie had geschreven voor hij op het idee kwam kunst te gaan maken. In feite is het niet meer dan een grote, kale ruimte van beige hout, met losse woorden op de muren. Sommige zijn traditioneel poëtisch: schaduw, zon, bewolking. Andere zijn politiek: privilege, waarde, museum. Ze voeren ons terug naar Pense-Bête, het boek waar de tentoonstelling mee begint, en naar de gedichten die erin staan: kort, kristalhelder en werkelijk schitterend.
Auteur: Holland Cotter
Vertaler: Nico Groen
Holland Cotter schrijft voor The New York Times over kunst. In 2009 won hij als criticus de Pulitzerprijs.
The New York Times Verenigde Staten, dagblad, oplage 1.120.402
De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.