Tag: cultuur

  • Worden de Verenigde Arabische Emiraten na vijftig jaar een mondiale soft power?

    Worden de Verenigde Arabische Emiraten na vijftig jaar een mondiale soft power?

    Het doel van Expo 2020, het mega-evenement dat onlangs de deuren weer sloot in Dubai, was om bij ‘de groten’ te gaan horen. Deze journalist toont zich enthousiast over het resultaat.

    Expo 2020 bood baanbrekende innovaties, onderzocht de grootste uitdagingen waarvoor de mensheid zich geplaatst ziet en vermaakte zijn bezoekers met meer dan zestig live-evenementen per dag. De expositie bood landen de gelegenheid hun cultuur, keukens, kunst en reismogelijkheden te tonen. Ze had ten doel mensen te inspireren, te boeien, te vermaken en samen te brengen in het grootste publieksevenement sinds het uitbreken van de covid-19-pandemie. Expo 2020 gaf de wereld het teken dat het ergste definitief achter de rug is. Het was een baken van hoop.

    Expo 2020 was echter niet alleen ’s werelds grootste voorstelling; het toonde en bekrachtigde ook de rol van de VAE als mondiale soft power.

    De afgelopen jaren hebben de VAE een strategische koerswijziging in hun buitenlands beleid doorgevoerd. Die heeft zich snel vertaald in meer soft power. Er is geen beter voorbeeld dan Expo 2020. Expo 2020, die naties verbindt en bruggen bouwt door innovatie en inspiratie, is het toonbeeld van soft power – een model dat aanspreekt en aantrekt; een symbool van alles waar de VAE voor staan.

    Waar anderen muziek, lokale kookkunst en soapseries exporteren, exporteren de VAE ideeën, innovaties en best practices

    Internationale betrekkingen hebben ons – met dank aan de Amerikaanse politicoloog Joseph Nye – geleerd dat landen soft power gebruiken om anderen over te halen te doen wat zij willen, zonder geweld of dwang, en om hun standpunten en voorkeuren op lange termijn vorm te geven. Zo hebben de VS – succesvolle voorvechters van soft power – deze uitgeoefend via hun commerciële bedrijven, universiteiten, Hollywood, cultuur en waarden.

    Voor een land als de VAE, door analisten vaak een opkomende regionale macht of Klein Sparta genoemd, gaat de term soft power nog iets verder. Decennialang was internationale buitenlandse hulp de belangrijkste soft power-beleidsstrategie, maar vandaag de dag zijn er diverse andere, even belangrijke instrumenten. De VAE zijn al lang een toeristisch en commercieel knooppunt, en tevens de thuishaven van internationale merken als Emirates Airlines en de Jumeirah-groep. Nu heeft het land zich ook ontpopt als een leider in technologie, wetenschap en start-ups. Waar anderen muziek, lokale kookkunst en soapseries exporteren, exporteren de VAE ideeën, innovaties en best practices.

    Verenigde Arabische Emiraten

    MO kaartje NL

    Oppervlakte: 82.880 km² (≈ Oostenrijk) 

    Bevolking: 9,8 miljoen, waarvan een derde in Abu Dhabi woont en een derde in Dubai. Slechts 10,5 procent van de bevolking zijn Emiratis, lokale Arabieren. De economie van de Verenigde Arabische Emiraten (of de VAE ) is de op drie na grootste in het Midden-Oosten (na Turkije, Saoedi-Arabië en Iran), met een bbp van 421 miljard dollar in 2020.

    Belangrijkste handel wordt gedreven met: India, Japan, China 
    Voornaamste leveranciers: China, India en de Verenigde Staten. 

    Op de HDI-ranglijst, de index van menselijke ontwikkeling, staat de VAE op nummer 31 van de 189 landen

    Vijftigste verjaardag

    Als jonge natie aan de vooravond van haar vijftigste verjaardag, is het de VAE gelukt een belangrijke mondiale soft power te worden. Volgens de 12e Arab Youth Survey zijn de VAE voor Arabische jongeren al negen jaar op rij het favoriete land om te wonen – meer nog dan de VS en Canada. Het land heeft zich bovendien ontwikkeld tot modelland voor expats van alle leeftijden en nationaliteiten, die ervoor kiezen hier te werken of gewoon te wonen. Het heeft zijn verblijfswetten en -programma’s gemoderniseerd en is een internationale campagne begonnen om buitenlands talent aan te trekken, zoals artsen, ingenieurs, studenten, kunstenaars en wetenschappers, samen met hun gezinnen. Het voert een langetermijnvisie uit om van de VAE een welvarend en gastvrij tehuis voor zijn inwoners te maken.

    World Wealth Report schat dat meer dan 35.000 vermogende particulieren tussen 2000 en 2020 naar de VAE zijn verhuisd

    De VAE blijven ook een van de favoriete bestemmingen voor migrerende vermogende particulieren, terwijl velen tijdens de pandemie een uittocht hadden verwacht. Het laatste World Wealth Report schat dat meer dan 35.000 vermogende particulieren tussen 2000 en 2020 naar de VAE zijn verhuisd. Veel van deze mensen zijn afkomstig uit India, het Midden-Oosten en Afrika.

    De wereld in een stad

    Expo 2020 is de wereld in een stad – ze laat zien hoe de VAE hun soft power vormgeven door middel van allianties, partnerschappen en creativiteit. Expo 2020 neemt een centrale plaats in bij het oplossen van de grootste wereldproblemen op het gebied van klimaatverandering, energie en duurzame ontwikkeling. Ze belichaamt de kernwaarden van de VAE: tolerantie en co-existentie. Expo 2020 toont talloze technologische ontwikkelingen en levensveranderende innovaties. Aan bod komen de toekomst van de luchtvaart, uitdagingen in de gezondheidszorg, de inzet van kunstmatige intelligentie ten dienste van de mensheid, en er komt een paviljoen geïnspireerd door de grote Stephen Hawking.

    Het evenement is gegrondvest op de visie van een betere wereld door verbinding en door het bouwen aan een toekomst. En dat is dan weer, in een notendop, waar het om draait in de dynamische kijk van de VAE op soft power.

    Disclaimer: De meningen van de auteurs in deze rubriek zijn uitsluitend de hunne en geven niet noodzakelijkerwijs het standpunt van Arab News weer.

  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen, of online te vinden zijn.

    Zes maanden over tijd

    Ongeboren baby vervult cartooneske hoofdrol

    SPEELFILM | In de Noorse film Ninjababy van Yngvild Sve Flikke leeft de 23-jarige Rachel er vrolijk op los: feestjes, drank, soms een pilletje en nu en dan een onenightstand. Tot ze ontdekt dat ze al zes maanden zwanger is. Rachel zit allerminst op een kind te wachten en weet trouwens niet eens wie de vader is. Het aanstaande kind doet mee in de film en geeft in cartooneske animaties commentaar op de personages en situaties. Ze zijn ontleend aan de graphic novel Fallteknikk van Inga Sætres, waarop de film ook is gebaseerd.

    Het thema van de film komt Leif Tore Lindø van de Noorse krant Aftenbladet bekend voor, maar wordt naar zijn smaak ‘op een verfrissende manier en met een bitterzoete ondertoon gebracht’. Kristine Kujath Thorp, in de hoofdrol, vindt hij ‘absoluut briljant’. De animaties bezorgen de film volgens Lindø een soort ‘indierocksfeer’, behalve in de dialogen tussen moeder en kind: ‘Dan zijn ze overbodig: het enige minpuntje van deze filmtraktatie.’   

    De ‘heerlijk gekke humor, de vindingrijkheid en de woeste energie’ in Ninjababy doen Jan-Olov Andersson van het Zweedse Aftonbladet denken aan de vroege films van Danny Boyle, zoals Trainspotting (1996) en A Life Less Ordinary (1997). Bovendien werd hij ‘gegrepen door het onverwacht voor de hand liggende einde’. 

    ‘Door de bijtende humor en de open, losse toon komen de hoofdpersonen volstrekt authentiek over’

    ‘Door de bijtende humor en de open, losse toon komen de hoofdpersonen volstrekt authentiek over,’ schrijft Sarah Stutte in Kino-Zeit. ‘Daardoor komt het wispelturige en onvolwassen gedrag van de hoofdpersoon prima uit de verf.’ Het is te danken aan het ‘sympathieke, hartverwarmende spel van Thorpe dat we een eerlijk inzicht krijgen in het leven van een vrouw op zoek naar haar plek in de wereld’. 

    David Rooney stelt in The Hollywood Reporter dat de regisseur ‘behendig de clichés over aanstaand moederschap en het vaste recept voor romcoms omzeilt’. Wat werkt in de film is niet zozeer de ‘Look Who’s Talking-achtige gimmick als wel het genot om toe te kijken hoe feilbare personages zich een weg banen door een heikele situatie’.  

    Ninjababy van regisseur Yngvild Sve Flikke draait vanaf 21 april in de bioscoop.

    Door Diederik Samwel

    Ninjababy st 4 jpg sd low Copyright Motlys 1
    Ninjababy


    135 street art kunstenaars

    Biografie in beelden

    FOTOGRAFIE | De Deense fotograaf Søren Solkaer (1969) maakte naam met portretten van popmuzikanten als U2, Björk, Patti Smith en Amy Winehouse. Tijdens een wandeling door Melbourne in 2012, waar hij de bijbehorende expositie had geopend, kwam hij op het idee om de beoefenaars van een heel ander genre vast te leggen: graffiti en straatkunst. Vervolgens bezocht Solkaer vijf jaar lang dertien wereldsteden om in totaal 135 kunstenaars bij een van hun werken in beeld te brengen. 

    In zijn bespreking voor The Sydney Morning Herald schrijft Michael Dwyer dat Solkaer zijn kader en enscenering zo kiest dat ‘elke foto een verhaal vertelt waar een filmmaker hooguit aan kan tippen’. Tegelijkertijd laat de expositie Surface volgens hem goed zien ‘hoe graffiti zich de afgelopen jaren tot een volwassen kunstvorm heeft ontwikkeld’. 

    ‘De fotograaf is er vooral op uit de mythe van zijn subject te vergroten’

    The Edinburgh News is minder enthousiast over het werk van Solkaer. De recensent vindt dat hij voornamelijk boeken produceert die ‘het goed doen op de koffietafel. De fotograaf is er vooral op uit de status of mythe van zijn subject te vergroten en niet om de kijker een diepere of andere kijk op hen te verschaffen.’  

    Angie Kordic van het Zwitserse digitale kunstplatform Widewalls vindt dat hij dat juist wel doet: ‘Boven op het dak, in smalle steegjes of rond een treinstation; Solkaer draagt zowel de geest van het kunstwerk als de manier waarop de kunstenaar naar de wereld kijkt op ons over.’

    De criticus van het onlinemagazine Brooklyn Street Art noemt het alleen al bewonderenswaardig dat Solkaer zo veel straatkunstenaars, al dan niet herkenbaar, voor zijn lens heeft gekregen. ‘De fotograaf gaat te werk volgens de Tsjechische traditie: als een biograaf. Door zijn kadrering en orkestratie ziet hij kans de onderscheidende elementen van elke kunstenaar, diens stijl en werkwijze in één beeld te vangen.’  

    De expositie Surface van Søren Solkaer is tot en met 25 september te zien in Fotomuseum aan het Vrijthof in Maastricht.

    Door Diederik Samwel

    I7R5467
    Surface


    Koreaanse roman verfilmd

    De wereld is klaar voor series als Pachinko

    SERIE/BOEK | In 2017, toen film- en tv-agent Theresa Kang-Lowe de grootse roman Pachinko las, waarin Min Jin Lee schrijft over vier generaties van een arme Koreaanse familie die naar verschillende plekken emigreert, had ze niet verwacht dat deze de aandacht van Hollywood zou kunnen trekken. Vijf jaar later verschijnt het eerste seizoen van Pachinko – met Kang-Lowe als uitvoerend producent – op Apple TV+. In tegenstelling tot Hollywoods decennialange overtuigingen blijken kijkers gewoon bereid om ‘ondertitels te lezen en verhalen van over de hele wereld te consumeren waarin mensen van kleur centraal staan’, schrijft TIME.

    Pachinko is de tweede roman van Lee, die Koreaans-Amerikaans is en gefascineerd raakte door de strijd van Koreaanse immigranten in Japan in de twintigste eeuw. Hoofdpersoon is Sunja, geboren in de vroege jaren 1900, die stoïcijns het lijden van iedereen om haar heen absorbeert terwijl ze de ene crisis na de andere (de Japanse kolonisatie van Korea, de atoombommen op Japan) doorstaat.

    ‘In dit familieverhaal wordt de rijkheid van proza gecombineerd met de specifieke voordelen van televisie’

    De door TIME benoemde bereidheid van de kijker wordt door de recensies weerspiegeld. IndieWire noemt de serie een ‘liefdevol vervaardigde paradox, die de moeite waard is om je aan over te geven’. Die paradox zit hem erin dat sommige delen van het verleden invoelbaar zijn, bijvoorbeeld waar het aankomt op keuzes van ouders die hun kinderen een beter leven willen geven, terwijl andere delen volstrekt ongrijpbaar blijven. Ook London Evening Standard vindt de bewerking van het boek geslaagd, en noemt de serie even groots als het 490 pagina’s tellende boek, en ‘verrukkelijk in zijn uitvoering’. Rolling Stone prijst de ‘kunstzinnigheid en elegantie’ waarmee het onderwerp wordt behandeld. ‘In dit familieverhaal wordt de rijkheid van proza gecombineerd met de specifieke voordelen van televisie.’

    De auteur werkte uiteindelijk niet mee aan het script van de eerste seizoen, bestaande uit acht afleveringen. En hoewel veel recensenten het boek een van de beste noemen die ze het afgelopen jaar hebben gelezen, zijn de grote wijzigingen die scenarioschrijver en producent Soo Hugh in de opbouw heeft aangebracht voor vrijwel niemand een bezwaar. Dat heeft misschien ook met de tijd te maken: ‘De geografie en de individuele gezichten kunnen veranderen, maar verhalen over ontheemding en vluchtelingenervaringen zijn nooit ver van onze huidige realiteit (…). Oekraïne. Syrië. Guatemala,’ aldus The Hollywood Reporter.

    Pachinko is te zien op AppleTV+. Het boek is in het Nederlands vertaald door Ineke Lenting en Paul van der Lecq en verscheen bij Meulenhoff.

    Door Laura Weeda

    Min Jin Lee
    Pachinko

    De microkosmos van Eran Kolirin

    De boekverfilming van een controversiële Palestijnse schrijver

    FILM/BOEK | Aan het begin van Let It Be Morning, de nieuwe film van Eran Kolirin, wordt de bruiloft gevierd van een jong Israëlisch-Arabisch echtpaar wiens verbintenis ‘verdoemd lijkt zelfs voordat deze geconsumeerd is’, zo schrijft het Amerikaans-Joodse tijdschrift Forward.

    Het eerste voorteken is dat de duiven die bruid en bruidegom loslaten als symbool van hoop en vrede weigeren weg te vliegen. En inderdaad, op de nacht na de ceremonie sluiten Israëlische strijdkrachten het dorp af, zonder enige kennisgeving of uitleg.

    ‘Door zijn personages letterlijk gevangen te houden, creëert Kolirin een soort microkosmos’

    De bruiloftsgasten en de bewoners stranden ter plaatse, zonder dat contact met de buitenwereld mogelijk is. ‘Door zijn personages letterlijk gevangen te houden, creëert Kolirin een soort microkosmos die hem in staat stelt de sociale en politieke status van de Israëlisch-Arabische gemeenschap te onderzoeken,’ schrijft Variety.

    De film is geïnspireerd op het gelijknamige boek uit 2006 van Sayed Kashua, die door Middle East Eye wordt omschreven als ‘een controversiële Palestijnse schrijver’. De Arabische journalist, auteur en scenarioschrijver maakte de zeldzame keuze om in het Hebreeuws te schrijven, omdat hij ‘de taal van de Israëliërs moest spreken om het standpunt van de Palestijnen over te brengen’. Haaretz, het dagblad van Israëlisch links, riep hem uit tot ‘een van de meest invloedrijke Arabische commentatoren van Israël’. Maar in 2014 verliet hij zijn land om zich in de VS te vestigen. Tegen The Guardian zei hij:Toen jonge Joden door de straat begonnen te marcheren, “dood aan Arabieren” riepen en Arabieren aanvielen alleen omdat ze Arabieren waren, wist ik dat ik mijn strijd verloren had.’

    Hij was het zelf die filmmaker Eran Kolirin benaderde, die een Palestijnse cast bij elkaar zocht. Maar deze weigerde te komen opdagen bij de vertoning op het filmfestival van Cannes vorig jaar; ‘de film werd gepresenteerd als Israëlisch’, aldus Middle East Eye. Israëlische Arabieren worden sterk aangemoedigd om hun films aldus te presenteren, zodat ze kunnen profiteren van overheidssubsidies. Kolirin zelf zei verheugd te zijn dat zijn film het debat nieuw leven inblaast. ‘Het label “Israëlische film” slaat nergens op. Noemt Scorsese zijn films soms “Amerikaans”? Je kunt deze film noemen wat je wilt. Als je hem als een Palestijnse film wilt presenteren, zal ik zowel vereerd als dankbaar zijn.’

    De film Let It Be Morning is in mei in de bioscoop te zien. Het boek is niet in het Nederlands vertaald.

    Door Laura Weeda

    e15266b59f0a787ce0f613b5fcc19119ac3ce5df
    Let It Be Morning

  • Agenda

    Agenda

    360 selecteert een aantal toonaangevende internationale concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities.

    Niet te dichtbij komen

    FOTOGRAFIE | Judith Joy Ross wordt regelmatig geprezen als ’s werelds grootste levende portretfotograaf. Wat Amerika betreft wellicht, want grootse en levende portretfotografen zijn allang niet meer op één hand te tellen. Dat de sensuele foto’s van Ross ontroerend en soms aangrijpend zijn, staat buiten kijf. Misschien komt dat wel zoals zij zelf tegen The Guardian zei, doordat Ross – zoals elke goeie fotograaf – ziet wat in het dagelijks leven vaak onopgemerkt blijft. Om die momenten vast te leggen, gebruikte zij ‘stiekeme technieken’. Ze deed bijvoorbeeld alsof ze haar camera aan het instellen was en maakte ondertussen de ene na de andere opname.

    Therapeutisch, noemt zij de toenadering tot vreemden die zij wil en wilde fotograferen. ‘Een marteling’ zelfs. Want hoe benader je iemand in je eigen belang? Wat ze in een handomdraai in iemand ziet, al is het maar voor even, is zo de moeite waard dat het hervinden van dat moment bijna een dwangmatig proces is. Meisjes kijken verlegen en verwachtingsvol in de lens, en roepen de ongemakkelijkheid van de adolescentie op en de lange zomers van vervlogen tijden. 

    ‘Ik ben geïnteresseerd in mensen, maar wil liever niet te dichtbij komen’

    ‘Ik ben geïnteresseerd in mensen, maar wil liever niet te dichtbij komen,’ zegt Ross in een interview. Haar werk zit desondanks (of misschien juist daardoor) vol empathie en straalt een diepe verbondenheid uit met het geportretteerde, ongeacht of het bomen, kamers of mensen zijn. Wat ook meewerkt, zegt zij, is het gebruik van de plaatcamera op statief, omdat die ‘zo groot en verdomd mooi is’, en mensen direct ontwapent. Naast de tentoonstelling verscheen een retrospectief boek, Judith Joy Ross: Photographs 1978-2015.

    Judith Joy Ross – Photographs 1978-2015, Le Bal, Parijs, tot 18 september.

    02 numerique


    Macy Gray in De Roma

    MUZIEK | Een prachtige stem en een weergaloos gevoel voor ritme: Macy Gray is een van de laatst levende souldiva’s ter wereld, bekend van monsterhit I Try. Binnenkort is ze te zien in het Antwerpse theater.

    Macy Gray, De Roma, Antwerpen, 1 juni.


    Kapoor Black van Anish 

    TENTOONSTELLING | Taco Dibbits (Rijksmuseum) heeft een retrospectief samengesteld van Anish Kapoor met onder andere nooit eerder vertoonde werken die hij maakte met zijn Kapoor Black-pigment, zo donker dat deze bijna 100 procent van het zichtbare licht absorbeert. 

    Retrospectief Anish Kapoor, Venetië, tot 9 oktober.

    03 AK Venice 2021 11 copia

    Iedereen is een kunstenaar’

    TENTOONSTELLING | Pierre Bismuth gebruikt allerlei bronnen en materiaal om de uitspraak van Joseph Beuys te pareren met de vraag: als iedereen een kunstenaar is, wat is kunst dan? Hoe alledaagse handelingen betekenis krijgen en poëzie worden, laat de Franse kunstenaar zien in West.

    Pierre Bismuth, West, Den Haag, tot 10 juli.

    1 2


    Andere weergave

    BEELDENDE KUNST | De Noors-Nigeriaanse kunstenares en sociologe Frida Orupabo (1986) maakt analoge en digitale zwart-witcollages en video-installaties van beeldmateriaal dat zij online vindt. Ze kiest beelden uit het koloniale tijdperk of juist hedendaagse, uit de geneeskunde en wetenschap of uit de kunst en popcultuur, en ‘bevrijdt’ het zwarte (vrouwelijke) lichaam van de meestal eendimensionale weergave. Ze demonteert beelden van zwarte lichamen om ze vervolgens laag voor laag weer in elkaar te zetten. Afbeeldingen worden zodoende indringende verhalen die thema’s als geweld, racisme, seksualiteit en identiteit recht aan doen.

    I have seen a million pictures of my face and still I have no idea, Fotomuseum Winterthur, tot 29/5.

    150621
    Turning, 2021 © Frida Orupabo and Gallery Nordenhake

    Fysieke afwezigheid

    BEELDENDE KUNST | De Scandinaviërs Michael Elmgreen (1961) en Ingar Dragset (1969) staan sinds hun deelname aan de Biënnale in 2009 in de schijnwerpers. De tentoonstelling Useless Bodies van het kunstenaarsduo in Milaan beslaat 3000 vierkante meter in vier galeriezalen en onderzoekt de huidige toestand van het lichaam in het postindustriële tijdperk. Het duo stelt dat onze fysieke aanwezigheid bijna volledig overbodig aan het worden is in een wereld die steeds meer draait op twee-dimensionale beelden.

    Onze lichamen, zeggen zij, genereren nauwelijks nog waarde

    Onze lichamen, zeggen zij, genereren nauwelijks nog waarde. Men zou zelfs kunnen beweren dat ze eerder een obstakel zijn geworden; het gaat om onze gegevens die worden verzameld en doorverkocht worden. Juist de waarneming van de lijfelijk aanwezige mens is een thema in het beeldende werk van de twee, en van hun performances. Naast andere terugkerende onderwerpen als opgroeien, intimiteit en diversiteit, komt het duo steeds weer uit bij hoe we navigeren in de publieke sfeer. In Fondazione Prada zijn de zalen gevuld met werk, vermaak en ontspanning, alleen is er niemand meer te bekennen

    Useless Bodies, Fondazione Prada, Milaan, tot 22/8.

    Useless Bodies 3 959x640 1
  • Agenda

    Agenda

    360 selecteert een aantal toonaangevende internationale concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities.

    Koortsdroom in Volksbühne

    THEATER | Suzan Boogaerdt en Bianca van der Schoot spelen Jessica – An Incarnation, een nieuwe voorstelling van Susanne Kennedy en Markus Selg, met wie het duo al eerder bewustzijnverruimend spektakel maakte over de vraag wat realiteit is en wat illusie. 

    Jessica – An Incarnation, 25 maart, Volksbühne, Berlijn.

    DSC 5993 web 1 1

    Diepzinnige Arvo Pärt

    MUZIEK | Liefhebbers van de gerenommeerde Estse componist Arvo Pärt kunnen hun hart ophalen op het Pärt Festival, een ode aan de ‘diepzinnige muziekvernieuwer’. Spiegel im Spiegel, jarenlang favoriet in de Klassieke Top 400, staat ook op het programma. 

    Arvo Pärt, 22 t/m 27 maart, Muziekgebouw, Amsterdam.

    img39740 225

    Bossanova Bebel

    MUZIEK | Wie wil niet meewiegen op het ritme en de zwoele, loom klinkende stem van bossanovazangeres Bebel Gilberto (54)? De Braziliaanse Gilberto bouwde op haar laatste album Agora verder aan de moderne variant van de bossanova. 

    Bassonova Bebel, 13 maart, Het Sieraad, Amsterdam.

    Bebel Gilberto persfoto

    For the Record

    FOTOGRAFIE | Platenhoezen zijn zo ongeveer sinds de uitvinding van het vinyl geliefde schilderdoeken voor kunstenaars en vormgevers. Iedereen heeft wel een herinnering aan een of meerdere covers. In de Londense Photographers’ Gallery zijn tweehonderd iconische hoezen tentoongesteld waarbij de bijdragen van fotografen en andere visuele kunstenaars onmiskenbaar aanwezig zijn. Uiteraard ontbreekt Andy Warhol niet met zijn bananenhoes die hij ontwierp voor The Velvet Underground & Nico.

    De lijst met artistieke grootheden is indrukwekkend; de unieke creaties van onder anderen Cindy Sherman, David Bailey, Joseph Beuys, Nan Goldin, Richard Avedon en William Eggleston werpen licht op de talloze manieren waarop dit vierkante formaat is gebruikt door artiesten. De covers komen uit de collectie van Antoine de Beaupré, eigenaar van meer dan 15.000 albums. 

    For the Record: Photography & the Art of the Album Cover, The Photographers’ Gallery, Londen 25/3 t/m 12/6

    THEROLINGSTONE alta

    Sol LeWitts Joodse erfenis

    TENTOONSTELLING | Het Joods Museum van België noemt de tentoonstelling van de Amerikaanse conceptuele kunstenaar Sol LeWitt (1928-2007) een ‘dubbele première’. Dubbel omdat werken van hem voor het eerst samen wordt getoond met de vrij onbekende Joodse erfenis van LeWitt, namelijk de ontstaansgeschiedenis van zijn ontwerp voor de in 2001 geopende synagoge Beth Shalom Rodfe Zedek in Chester, Connecticut. De muurschildering van een kleurige, zespuntige ster kan uiteenschuiven om de Thora te onthullen. 

    Solomon LeWitt, geboren in Connecticut, in een familie van Joodse immigranten uit Rusland, ontwikkelde zich tot pionier van de conceptuele en minimalistische kunst, en werd een beroemdheid met zijn Wall Drawings. Hoewel hij niet religieus was en een seculier leven leidde, onderhield LeWitt gedurende zijn hele leven een discrete maar innige band met zijn Joodse erfenis. Om een synagoge te kunnen ontwerpen werd hij uitgedaagd ‘een probleem van geometrische vormen’ op te lossen in een ruimte die moest voldoen aan rituele gebruiken. Hij baseerde de synagoge op de traditionele houten Poolse varianten met hun achtkantige koepels, die vrijwel allemaal in de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s werden verwoest. 

    In Brussel werden de Wall Drawings op de muren van het museum aangebracht door jonge kunstenaars en kunststudenten, in samenwerking met professionele tekenaars uit de studio van LeWitt. 

    Sol LeWitt: Wall Drawings, Works on Paper, Structures (1968-2002), te zien t/m 1 mei, Joods Museum van België, Brussel.

    Drawings

    Eerbetoon aan jeugdvriend

    FILM | De Deense regisseur Jonas Poher Rasmussen kreeg zijn schoolvriend Amin aan het praten over hoe hij in de jaren tachtig was gevlucht uit Afghanistan en in Denemarken terechtkwam. In Flee laat hij zien dat Amins tocht langs corrupte Russische agenten en onmenselijke mensensmokkelaars ook in handgetekende 2D-animaties huiveringwekkend echt en spannend kan zijn. 

    Maar nog meer laat de film de onmetelijke veerkracht van een vluchteling zien die, verscheurd door de oorlog in Kaboel, nu een onbedreigd leven kan lijden als homoseksuele man, iets waarvan hij nooit had gedacht dat het mogelijk was. Dat Rasmussen ervoor koos om het schrijnende verhaal op deze meeslepende manier te verfilmen, werd door Sundance Film Festival en het IDFA gehonoreerd met lovende kritieken. 

    Het grootste gedeelte van de film is animatie, maar Rasmussen gebruikte ook montages van archiefbeelden die de politieke chaos in Afghanistan en Rusland doeltreffend weergeven. Flee is een liefdevol eerbetoon aan zijn jeugdvriend, zoals Along the Way van Mijke de Jong dat is aan de tweeling wiens vluchtverhaal zij verfilmde. 

    Flee, vanaf 3 maart in de bioscopen.

    https www.filmfestival.be volumes fiona f2a806bd 46f1 4b63 8c45 63ff7536cc75

  • Zweet, een belangrijk communicatiemiddel

    Zweet, een belangrijk communicatiemiddel

    Menselijk zweet is veel meer dan alleen verkoelend. Soms ruikt het ‘ranzig, geitachtig’ naar een flinke doses ‘stinkkaas’ of naar ‘een mengsel van rijp tropisch fruit met ui’, dan weer prikkelt het onze zintuigen op een aangename manier.

    In de sportschool getuigt een bezweet T-shirt van krachts-inspanning en doorzettingsvermogen, maar bij een kennismakingsgesprek is het een teken van zwakte en onzekerheid. Voor de sauna betalen we om te zweten, voor een taxi met airco juist om te voorkomen dat we bij een receptie op ook maar één zweetdruppeltje worden betrapt. Geen twijfel aan: de mens heeft een schizofrene verstandhouding met zweet. Nu eens heeft lichaamsvocht een erotische aantrekkingskracht, dan weer wekt het weerzin.

    Eerst en vooral is zweten essentieel om te kunnen overleven: zo beschermt het lichaam zichzelf tegen oververhitting. Ieder mens heeft twee tot vijf miljoen zweetklieren. Het merendeel daarvan zijn eccriene zweetklieren, die over het hele lichaam verspreid liggen. Door die klieren dringt een waterig-zoutachtig vocht door tot op het huidoppervlak, waar het verdampt en ons lichaam afkoelt. Apocriene zweetklieren komen daarentegen alleen voor op enkele behaarde lichaamsdelen, zoals onder de oksels. Deze geurklieren scheiden een olieachtig secreet af. Het vocht zelf is weliswaar reukloos, maar vormt tegelijkertijd ook een buitenkansje voor heel wat huidbacteriën. De afvalproducten van dit afbraakproces resulteren in wat wij doorgaans een zweetlucht noemen. 

    Vrouwen ruiken daarentegen meer naar ‘een mengsel van rijp tropisch fruit met een zweem van ui’

    Ieder mens heeft zijn eigen unieke zweetgeur. In haar lezenswaardige boek The Joy of Sweat schrijft de Canadese wetenschapsjournalist en docent Sarah Everts dat er genderspecifieke tendensen zijn. Zo worden mannengeuren vaker gedomineerd door een geurmolecuul dat ze omschrijft als ‘een ranzige, geitachtige stank met een geur van stinkkaas’. Vrouwen ruiken daarentegen meer naar ‘een mengsel van rijp tropisch fruit met een zweem van ui’.

    Hoe onaangenaam die zweetlucht tegenwoordig ook kan zijn, in oorsprong was hij een belangrijk communicatiemiddel. Veel zoogdieren bakenen hun territorium af – met waarschuwingssignalen of juist met liefdesboodschappen. ‘Maar bij mensen wordt de oorspronkelijke biologische betekenis van de apocriene zweetklieren nog maar slecht begrepen,’ zegt Everts. Misschien verraadde de zweetlucht van onze voorouders ooit dat iemand bang was, of dat een vriend of familielid ziek was.

    Bezwete T-shirts

    Ook bij het vinden van een partner speelden zweetklieren mogelijk een belangrijke rol – en misschien doen ze dat nog steeds. In de jaren negentig liet evolutiebioloog Claus Wedekind van de Universiteit van Lausanne vrouwen ruiken aan bezwete T-shirts van mannen. De proefpersonen hadden voorkeur voor de reuk van mannen met een immuunsysteem dat niet te sterk leek op het hunne, maar dit juist goed aanvulde. Vroeger, toen mensen in kleine groepen leefden, voorkwam die voorkeur mogelijk dat een vrouw een man koos die te nauw aan haar verwant was.

    Hoewel dat risico tegenwoordig geringer is en andere factoren bij de partnerkeuze veel belangrijker zijn, geloven sommigen nog altijd in de erotische werking van het okselholtebouquet. Everts deed mee aan een zweetdating in Moskou waarbij de deelnemers aan hun date snuffelden. Om een tipje van de sluier op te lichten: zij stuitte daarbij inderdaad op een geur waar ze warm van werd.

    Sterke zweters kunnen wel drie theelepels zweet per minuut verliezen

    Eccriene zweetklieren zijn minder verbonden met intieme gevoelens. Maar ook zij kunnen een mens onzeker maken of voor schut zetten. Everts doet veel aan sport, vertelt ze, ‘en ik ben altijd de eerste die zweet’. Dat vond ze vaak vervelend en het bracht haar op het idee een boek over zweet te schrijven. Uit onderzoek bleek dat de zweetproductie van haar lichaam gemiddeld is. Maar sommige mensen hebben enorm veel zweetporiën, of hun zenuwsysteem is zo ingesteld dat het maar al te gauw een zweetsignaal afgeeft. Sterke zweters kunnen wel drie theelepels zweet per minuut verliezen.

    Zweten is een zeer menselijk fenomeen. Mensen hebben, schrijft Everts, tien keer zoveel eccriene zweetklieren als chimpansees en kunnen twaalf keer zo sterk zweten als een koe. Bij andere zoogdieren zoals honden en katten komen eccriene zweetklieren alleen voor op de poten. Zij reguleren niet de warmtehuishouding maar vergroten bij het klauteren en jagen hun grip op de grond. Afkoelen doen onze favoriete huisdieren onder meer door te hijgen met de tong uit de bek. Maar dat is een actief proces dat energie kost.

    Afkoelingsstrategieën

    Ook in vergelijking met andere afkoelingsstrategieën is zweten een behoorlijk slimme oplossing. Kangoeroes bijvoorbeeld likken hun onderarm om af te koelen. De Nieuw-Zeelandse zeebeer urineert over zijn buik en achterpoten als het hem te warm is. Ooievaars en gieren spatten modder op hun poten. En als honingbijen oververhit dreigen te raken, braken ze hun maaginhoud uit en smeren die met hun voorpoten over hun hele lijf. 

    Hoewel zweet voor 99 procent uit water bestaat, is de resterende 1 procent in velerlei opzichten heel interessant. Die bestaat namelijk uit honderden chemische substanties die door het lichaam worden afgescheiden uit het weefselvocht tussen bloedvaten en weefsels. De belangrijkste zijn zoutbestanddelen zoals natrium, kalium en chloride. Andere substanties verraden onze ondeugden: vermaard en berucht is de geur van knoflooketers. Everts beschrijft zelfs het geval van een verpleegkundige uit Zuid-Afrika die vertwijfeld een arts raadpleegde omdat er rood zweet uit haar poriën kwam. De kleur bleek afkomstig van de tomatenchips die de vrouw met kilo’s naar binnen had gewerkt.

    Sinds enkele jaren neemt ook de sportgeneeskunde ons zweet nauwkeuriger onder de loep. Bij het interdisciplinaire onderzoeksproject WeCare proberen wetenschappers uit Zürich, Neuchâtel, Lausanne en Barcelona een zweetmeetapparaat voor duuratleten te ontwikkelen. Hiermee moeten triatleten, wielrenners en marathonlopers onderweg voortdurend controleren hoeveel water, natrium of kalium zij hebben uitgezweet. ‘Zo kunnen zij dan op het juiste moment de juiste hoeveelheid van het juiste vocht tot zich nemen,’ zegt Mathieu Saubade van het Centrum voor Sportgeneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Lausanne, die als onderzoeker bij het project betrokken is.

    Realtime

    Volgens Saubade is de wetenschappelijke belangstelling voor dergelijke toepassingen de afgelopen tijd sterk gestegen. Tot nog toe waren er echter nog geen apparaten op de markt om de bestanddelen van zweet in realtime te meten. Dat komt door de complexiteit van dat lichaamsvocht. ‘Hoeveel en hoe we zweten is afhankelijk van verschillende factoren,’ zegt Saubade. Omgevingstemperatuur, leeftijd, geslacht, het uur van de dag en voeding zijn onder meer relevant. Conditie is een andere factor: de zweetklieren van topatleten werken efficiënter dan die van ongetrainde mensen, zij hebben ‘leren’ reageren op hoge lichaamstemperaturen. Ondanks de vele factoren die van invloed zijn is Saubade 
    ervan overtuigd dat er in de niet al te verre toekomst apparaten op de markt komen die gericht zijn op het constant meten van zweet.

    De politie zou al aan de mogelijkheid werken om aan het zweet van vingerafdrukken te kunnen aflezen of iemand alcohol of drugs heeft gebruikt

    Zweet bevat heel veel informatie. Het leven van mensen met diabetes zou veel gemakkelijker worden als zij hun bloedsuiker konden meten zonder zich te hoeven prikken. En voor automobilisten zou een waarschuwingssignaal via een smartwatch nuttig zijn als ze na een avondje stappen te veel alcohol op hebben. De politie werkt volgens Sarah Everts al aan de mogelijkheid om aan het zweet van vingerafdrukken te kunnen aflezen of iemand alcohol of drugs heeft gebruikt.

    Maar wat als bedrijven in de toekomst informatie uit zweet verzamelen om sollicitanten te beoordelen? Of als ziektekostenverzekeringen een zweettest vragen om korting op de premie te kunnen geven? Everts vreest dat het niet lang meer duurt voordat dergelijke ideeën worden omgezet in praktijk. Misschien is dat ook een reden waarom zweten ons vaak in verlegenheid brengt, zegt ze. ‘Wij hebben geen controle over ons zweet en het verschaft intieme informatie over ons.’ 

    Lees ook:

  • Hoe sociale media de macht van de Verenigde Staten vergroten

    Hoe sociale media de macht van de Verenigde Staten vergroten

    Trends uit de Verenigde Staten worden vaak rechtstreeks overgenomen in andere landen, waar situatie heel anders is. De laatste jaren gaat dit zelfs op voor politieke overtuigingen en protesten. ‘In Hongarije, waar nog geen 0,1 procent van de bevolking van Afrikaanse afkomst is, wilden lokale politici een kunstwerk plaatsen als steunbetuiging aan Black Lives Matter.’

    Arthur do Val wilde gewoon iets betekenen in de wereld. Nu zit hij in het regionale parlement van São Paulo – gekozen met het op een na grootste aantal stemmen van alle kandidaten, zoals hij in zijn Twitter-bio pocht – nadat hij in eigen land bekendheid verwierf door bij betogingen spottend in discussie te gaan met linkse demonstranten. Een truc, zo legt hij uit, die hij heeft afgekeken van de Amerikaanse documentairemaker Michael Moore. 

    Do Val is uitgegroeid tot een begenadigd en productief bespeler van sociale media, waarop zijn team wekelijks honderden foto’s en filmpjes plaatst. De mensen willen vermaakt worden, vindt hij, dus moet je de politiek ook amusant maken. Zijn politieke standpunten brengt hij over met grappige memes en maffe filmpjes, waarin hij vooral het vrijemarktdenken uitdraagt en inhakt op links. ‘Ik heb geprobeerd een popster te worden, maar dat lukte niet. Ik heb geprobeerd een bokser te worden, een sporter, maar ik was niet meer dan een gefrustreerd zakenman. En toen zag ik via YouTube een kans om munt te slaan uit mijn verontwaardiging,’ vertelt hij. ‘Ik wilde gewoon opvallen, en dat heeft toevallig geresulteerd in een politieke carrière.’ 

    Soft power

    Het was even verrassend als indrukwekkend dat hij zich op zijn tweeëndertigste vanuit het niets wist op te werken tot parlementariër. Hij staat voor een geheel nieuwe internationale klasse van politiek ondernemers die hun boodschap overbrengen met memes, internetfilmpjes en hapklare leuzen. Ze kunnen putten uit een mondiale stroom van politieke ideeën, waaruit ze opvissen wat ze nodig hebben om dat vervolgens, toegesneden op hun lokale omstandigheden, in eigen land de ether in te slingeren. Het zijn vaak gewone burgers of activisten. En ze hebben vooral via sociale media invloed, op hun volgers en op elkaar. Dat leidt niet alleen tot een nieuwe klasse van onconventionele politici, maar tot de globalisering van politiek gedachtengoed, van ideeën die veelal hun oorsprong vinden in de Verenigde Staten.

    Amerikaanse muziek, films en tv-series zijn overal geliefd. Amerikaanse merken hebben al lang de wereld veroverd. Amerikaanse socialemediasterren zijn mondiale influencers. Als het machtigste land ter wereld, met een cultuur die mondiaal aanspreekt, hebben de VS altijd al grote invloed gehad op politieke trends in andere landen. Joseph Nye, politicoloog aan de Harvard-universiteit, muntte daarvoor in 1990 het begrip ‘soft power’, dat hij omschreef als ‘het vermogen om anderen te beïnvloeden en tot een gewenste uitkomst te bewegen door middel van verleiding en overreding, in plaats van betaling of dwang’. Hollywood, popmuziek, McDonald’s en Levi’s zijn allemaal uitingen van de soft power van Amerika.

    Je kunt de Amerikaanse argumenten in zo’n debat niet simpelweg kopiëren naar je eigen situatie

    Voor veel mensen in andere landen was de consumptie daarvan de enige manier om zich aan de Amerikaanse droom te laven. Bij de opening van de eerste McDonald’s-vestiging in Bombay stonden in 1996 duizenden Indiërs in de rij om de befaamde hamburger te proeven (maar dan een variant zonder rundvlees), net zoals dat zes jaar eerder in Moskou was gebeurd. (Bij de opening van een Starbucks-filiaal in Bombay zag je tien jaar geleden vergelijkbare taferelen.) De filmindustrie van Bombay, de grootste ter wereld, wordt Bollywood genoemd, naar haar tegenhanger in Los Angeles. Zo heeft Nigeria zijn Nollywood en Pakistan (in Lahore) zijn Lollywood.

    McDonald’s mag dan bijdragen aan het overgewicht in de wereld en Hollywood aan de onrealistische verwachtingen over forensisch onderzoek, voor politici gaat het er vooral om dat je, in de woorden van Nye, ‘veel gedaan kunt krijgen door aantrekkelijk te zijn voor anderen’. Waardering voor Amerikaanse merken gaat vaak samen met een positieve waardering voor Amerikaans beleid. Het nieuwe is dat het land inmiddels niet meer alleen zijn culturele, maar ook zijn politieke thema’s exporteert. En in de tijd van sociale media is het niet zozeer via McDonald’s als wel via memes dat de Verenigde Staten culturele invloed uitoefenen. 

    Sjablonen

    Neem Brazilië. Daar is de politiek vergeven van de youtubers en Facebook-influencers, variërend van aanhangers van president Bolsonaro tot critici van zijn regering zoals Felipe Neto, en tal van politieke contentmakers van allerlei pluimage daartussen. ‘Het openbare debat in Amerika heeft veel invloed, ook onbewust. Wat daar gebeurt, komt hiernaartoe,’ zegt Do Val, doelend op de discussies over mondkapjes en over racisme. Maar je kunt de Amerikaanse argumenten in zo’n debat niet simpelweg kopiëren naar je eigen situatie, waarschuwt hij. Het is eerder zo dat Amerika sjablonen levert die iedereen lokaal kan toepassen. 

    Volgens Whitney Phillips, mediawetenschapper aan de Universiteit van Syracuse, in de staat New York, heeft de Amerikaanse invloed op het politieke debat in andere landen niet alleen te maken met de waarden die de VS uitdragen. Het komt ook ‘door de culturele productie – de media en memes die het land voortbrengt,’ schrijft Phillips in You Are Here, haar nieuwe boek over mondiale informatiestromen. Een van de redenen waarom de Amerikaanse invloed nu groter is dan ooit, zegt ze, is dat ‘de sociale media mondiaal zijn. En er zijn buiten de Verenigde Staten nog veel meer mensen die Facebook gebruiken dan in de Verenigde Staten zelf.’ 

    Lees ook:

    Neem de protesten van de Amerikaanse Black Lives Matter-beweging in 2020. Die vormden de opmaat voor lokale protesten overal ter wereld, van Zuid-Korea, waar maar heel weinig mensen wonen die van Afrikaanse afkomst zijn, tot Nigeria, waar maar heel weinig mensen wonen die dat niet zijn. In Groot-Brittannië, waar de politie normaal gesproken geen vuurwapen draagt, hield een betoger een bord omhoog met de tekst ‘demilitariseer de politie’. In Hongarije, waar nog geen 0,1 procent van de bevolking van Afrikaanse afkomst is, wilden lokale politici een kunstwerk plaatsen als steunbetuiging aan Black Lives Matter. De gemeenteraad werd teruggefloten door de premier, die vorig jaar zelf een filmpje online zette met de slogan ‘All Lives Matter’.

    Ook QAnon, de complottheorie dat de macht in handen is van een netwerk van pedofiele kannibalen, begon in de loop van 2017 de ronde te doen in de VS. Sindsdien heeft de theorie daarbuiten veel aanhangers gekregen. Bij een kleine QAnon-betoging in Londen liepen vorig jaar mensen rond met teksten als ‘Stop met het beschermen van pedofielen’. In Frankrijk wordt de theorie vooral opgepikt door aanhangers van de gelehesjesbeweging. Volgens een schatting telt Duitsland het op een na grootste aantal QAnon-aanhangers. Zelfs in Japan is deze complottheorie al opgedoken, ondanks de radicaal andere politieke cultuur in dat land.

    Megafoon

    Culturele invloed is geen eenrichtingsverkeer. Er zijn ook Britse politieke influencers die een mondiaal publiek bereiken, tot in de VS. Vol trots wijst Do Val op de ‘confused lady’-meme, ooit in Brazilië begonnen en inmiddels mondiaal verspreid. Alleen beseffen maar weinig mensen dat deze meme oorspronkelijk uit Brazilië komt, en er zijn ook niet veel bewegingen in Brazilië of elders die op grote schaal tot zulke wereldwijde memes leiden. Het vermogen van een land om, al is het maar indirect, invloed uit te oefenen op de wereld is evenredig aan het cultureel gewicht dat zo’n land in de schaal legt (zie grafiek).

    Dit komt voor een groot deel door de sociale media. Die werken als een megafoon voor nieuwe stemmen, verhogen de snelheid waarmee ideeën worden verspreid en vergroten de schaal waarop zowel mensen als ideeën aan invloed kunnen winnen. De website van CNN is de op een na meest bezochte Engelstalige nieuwssite ter wereld, na die van de BBC; die van The New York Times is een goede derde. In november deed Emmanuel Macron bij die krant zijn beklag over de manier waarop er verslag was gedaan van een terroristische aanslag bij Parijs. Dat doet Macron niet bij iedere krant, maar online heeft The New York Times buiten de VS een lezerspubliek van zo’n vijftig miljoen mensen, verspreid over zo’n beetje alle landen ter wereld. Bijna een vijfde van de 5,2 miljoen digitale abonnees woont buiten de VS.

    Nieuwsmedia in andere landen nemen een voorbeeld aan de Amerikaanse media. Volgens een analyse van King’s College London waren verwijzingen naar een ‘cultuuroorlog’ in de Britse pers lange tijd een vierjaarlijks fenomeen, wat doet vermoeden dat deze samenhingen met de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Maar de laatste jaren is het gebruik van dat woord scherp gestegen. ‘We hebben de taal van de cultuuroorlog onverkort in Groot-Brittannië geïmporteerd,’ zegt Bobby Duffy, hoofd van het Policy Institute, dat de analyse uitvoerde. Het zijn allemaal factoren die kunnen verklaren hoe het komt dat QAnon wereldwijde bekendheid heeft gekregen, waarom bij protesten tegen de lockdown Amerikaanse terminologie wordt overgenomen en waarom Black Lives Matter-betogingen zich over de hele wereld hebben verspreid. Zoals men overal ter wereld naar Hollywoodfilms kijkt, volgt men ook overal Amerikaanse kranten, tv-programma’s en sociale media. 

    Vanwege Amerika’s imago als natie van idealisme spreken protestbewegingen uit dat land des te meer aan

    Er is geen enkel ander land waarvan dat gezegd kan worden. Neem China. De protesten in Hongkong wekten gevoelens van sympathie en solidariteit, maar hebben nergens tot vergelijkbare demonstraties geleid. Buiten China krijgen maar weinig mensen een warm gevoel bij het kopen van een Huawei-telefoon of het shoppen op Alibaba. TikTok, de enige Chinese app die een wereldwijd succes is, is er in twee versies: de Chinese, Douyin, en de versie die de rest van de wereld gebruikt. De Great Firewall helpt China om de rest van de wereld buiten de deur te houden, maar verhindert ook dat Chinese ideeën doordringen in de buitenwereld.

    Daarbij leidt de openheid van de Amerikaanse politiek ertoe dat Amerikaanse beelden en symbolen gemakkelijk over te nemen zijn, zegt Craig Hayden, docent strategische studies aan de Marine Corps University in Virginia. Je zou denken dat beelden van rellen op straat het aanzien van de VS in de wereld schaden. Maar wat er volgens hem juist gebeurt, is dat mensen de onlusten in Washington of Minneapolis zien en denken: Amerika is ‘verwikkeld in een strijd die op de onze lijkt’. En vanwege Amerika’s imago als een natie van idealisme spreken protestbewegingen uit dat land des te meer aan. ‘Noem een willekeurig land dat kampt met racisme onder de eigen bevolking: de protesttweets die daar rondgaan, retweeten wij niet,’ aldus Hayden.

    Zo winnen politieke stoorzenders in deze tijd van sociale media niet alleen aan invloed in eigen land, ze krijgen ook steeds meer invloed op de politiek in verre landen. Gebruikers van sociale media in Minneapolis of Seattle kunnen als inspiratie dienen voor Instagrammers in São Paulo. Ideeën die voor het eerst naar voren komen op de campus van universiteiten in New England, kunnen opduiken in de woonkamers van het oude Engeland. De belofte van het internet was dat het informatie over de hele wereld zou verspreiden. Maar de sociale media en hun algoritmen versterken vooral de stem van Amerika.

    Lees ook:

  • Wat de Japanse sneeuwaap ons leert over cultuur bij dieren

    Wat de Japanse sneeuwaap ons leert over cultuur bij dieren

    Lange tijd is de westerse wetenschap beheerst door antropocentrisme, ofwel de overtuiging dat de mens een unieke plaats inneemt in het centrum van de wereld. Doordat dit voor Japan niet gold, ontdekten studenten hier ‘precultuur’ bij dieren. Ben Crair wilde dit zelf waarnemen en koos ervoor de Japanse sneeuwaap te bestuderen: die was het schattigst.

    De Snow Monkey Express was bijna leeg toen ik met een paar andere toeristen van Nagano naar de laatste stop in Yamanouchi reed, een stad met 12.400 inwoners. Een spandoek verwelkomde ons in Snow Monkey Town en borden op het station toonden rode Japanse makaken die tot aan hun nek in warm bronwater zaten te weken. De apen hadden de ogen gesloten en de armen uitgestrekt terwijl stoom om hen heen opsteeg en sneeuwvlokken neerdaalden in de droge vacht op hun hoofd.

    Na een lange reisdag besloot ik zelf een duik te nemen in een van de onsenbaden van de stad. Ik liet mezelf in het kokendhete zwavelhoudende water zakken en dacht aan soortgelijke ervaringen die ik op andere plaatsen had gehad: de geurige vochtige hitte van de Russische banya, het Indiase ayurvedische stoombad in de kitscherige cabine. Door de eeuwen heen hebben mensen over de hele wereld de eenvoudige praktijk van het baden op vele verschillende uitgebreide manieren beoefend. Japanse primatologen waren de eersten die zich afvroegen of ook dieren hun eigen rituelen hebben ontwikkeld.

    De sneeuwapen zijn een van de vele groepen Japanse makaken die de manier waarop we dieren en onszelf zien hebben veranderd. Ze hebben ons geholpen de ware complexiteit van dierlijk gedrag te herkennen – en daarmee inzicht gegeven in de evolutionaire oorsprong van ons gedrag. Mijn plan was om verschillende van deze apentroepen door heel Japan te bezoeken en in deze Snow Monkey Town te beginnen omdat, nou ja, de apen hier het schattigst waren.

    Allesbehalve zen

    De volgende ochtend liep ik enkele kilometers door het bos naar het Jigokudani Monkey Park, waar een bord voor een ‘apenonsen’ over een voetgangersbrug wees. De poel stoomde op de rand van een klif boven de Yokoyu-rivier, en in het midden zat een enkele aap, een oud vrouwtje met een lange snuit en ronde amberkleurige ogen. Ze was een van de ongeveer veertig makaken die wel eens in bad gingen. Andere apen kibbelden over het graan dat arbeiders in het apenpark op de rivieroever en op de berghelling hadden uitgestrooid.

    De foto’s die ik voor de reis had gezien, gaven een indruk van ontspannen kleine dieren, maar het tafereel was allesbehalve zen. Wetenschappers beschrijven Japanse makakengemeenschappen als ‘despotisch’ en ‘nepotistisch’. Elke aap binnen een bepaalde groep had een plaats in een lineaire dominantiehiërarchie, één voor mannen en één voor vrouwen, en ze verdrongen voortdurend ondergeschikten om hun rang te versterken. De apen waren waakzaam terwijl ze graan uit de sneeuw plukten, ze keken voortdurend over hun schouders om hun buren in de gaten te houden; een hogere aap zou ze aan hun been mee kunnen slepen of zijn tanden in hun nek kunnen zetten.

    snow monkey 3971841 1
    © Pixabay

    Toen etenstijd voorbij was, begonnen de apen elkaar te verzorgen – hun manier om niet alleen parasieten te elimineren, maar ook om een ​​meerdere te paaien of een alliantie te vormen. Een paar juvenielen sprongen in de onsen, terwijl volwassen vrouwtjes voorzichtig het water in waadden. Ik hurkte neer voor een vrouwtjesmakaak, die met beide handen een steen vastpakte en haar achterhand onder water plaatste. Haar puberzoon hurkte achter haar terwijl haar dochtertje naast haar peddelde. De zoon kamde met zijn poot door haar vacht, eerst met zijn linkerhand en toen met zijn rechterhand, werkte door haar grijze ondervacht naar de blanke huid en at de stukjes op die hij erin vond. De moeder sloot haar blauwachtige oogleden en legde haar rode wang op de rots tussen haar handen. Haar naam was Tomiko, vertelde een parkmedewerker me. ‘Tomiko houdt erg van onsen’, verklaarde hij.

    Apen zoals Tomiko begonnen bijna zestig jaar geleden te baden in de onsen in Jigokudani. ‘Ik was de eerste die ze erin zag gaan’, vertelt een gepensioneerde professor genaamd Kazuo Wada van het Primate Research Institute van de Universiteit van Kyoto. Het was 1963, en hij bestudeerde de apen in Jigokudani. Het park voorzag in die tijd een groep van 23 apen van appels, in de buurt van een onsen waar gasten van een lokale ryokan, een traditionele Japanse herberg, kwamen om te baden. De apen vermeden het water, tot op een dag een appel het bad in rolde. ‘Een aap ging erachteraan en ontdekte dat het warm was’, herinnert Wada zich. Een paar minuten later nam de aap nog een duik. Jonge apen die vanaf de rand toekeken, werden nieuwsgierig en probeerden het al snel zelf.

    Zowel wetenschappers als de lokale bevolking keken al jaren naar de Jigokudani-apen, maar tot dat moment had niemand ze het water in zien gaan. Binnen een paar maanden was baden populair bij de jongere apen in de groep. Het was meer dan een rage. Hun baby’s leerden ook zwemmen. Uiteindelijk was een derde van alle apen in de troep aan het baden. In 1967 moest het park om hygiënische redenen een speciale apenonsen in de buurt bouwen zodat ze niet samen met hun gasten in het bad zouden gaan.

    GettyImages 52050622 1 1
    Een heetwaterbron bij Jigokudani-Onsen. – © Koichi Kamoshida/Getty Images

    ‘Monkey see, monkey do’ is een meestal spottend gebruikte uitdrukking voor leren middels imitatie, maar wetenschappers van Jigokudani geloofden dat ze getuige waren van iets diepgaands. Ze waren discipelen van Kinji Imanishi, een ecoloog en antropoloog die in 1967 het Primate Research Institute mede oprichtte. Terwijl westerse wetenschappers het leven als een darwinistische strijd om te overleven beschouwden, geloofde Imanishi dat in de natuur harmonie de basis vormde, en dat cultuur een uitdrukking was van deze harmonie. Hij voorspelde dat bij alle dieren die leefden in een ‘eeuwige sociale groep’ waar individuen van elkaar leerden en generaties lang bij elkaar bleven, een eenvoudige vorm van cultuur zou ontstaan. Antropologen hadden nooit aandacht besteed aan dieren, omdat de meesten van hen aannamen dat ‘cultuur’ strikt menselijk was. Vanaf de jaren vijftig ontdekten Imanishi’s studenten in Jigokudani en andere locaties in Japan dat dit niet het geval was.

    Net als mensen vertrouwen dieren op sociale gewoonten en tradities om belangrijk gedrag door te geven dat individuen niet instinctief kennen en niet zelf kunnen bedenken

    Tegenwoordig zijn culturen niet alleen erkend bij apen, maar ook bij verschillende zoogdieren, vogels en zelfs vissen. Net als mensen vertrouwen dieren op sociale gewoonten en tradities om belangrijk gedrag door te geven dat individuen niet instinctief kennen en niet zelf kunnen bedenken. De verspreiding van dit gedrag wordt bepaald door de sociale relaties tussen de dieren – degenen met wie ze tijd doorbrengen en degenen die ze mijden – en verschilt per groep. Onderzoekers hebben bijna veertig verschillende gedragingen bij chimpansees gevonden die ze als cultureel beschouwden, van een groep in Guinee die noten kraakt tot een andere in Tanzania die danst in de regen. Potviswetenschappers hebben verschillende vocale clans geïdentificeerd met hun eigen klikdialecten, waardoor wat een wetenschapper ‘multiculturele gebieden’ noemt in de zee zijn ontstaan.

    Cultuur is zo belangrijk voor sommige dieren dat Andrew Whiten, een evolutionair en ontwikkelingspsycholoog aan de Universiteit van St. Andrews in Schotland, het een ’tweede overervingssysteem’ noemt naast genetica. En wanneer dieren verdwijnen, verdwijnen ook de culturen die ze in de loop van de generaties hebben ontwikkeld. Instandhoudingsprogramma’s kunnen soms nieuwe dieren in een leefgebied herintroduceren, maar deze nieuwkomers kennen niets van het culturele gedrag van hun voorgangers. In 2019 publiceerde het tijdschrift Science twee artikelen waarin werd betoogd dat inspanningen voor natuurbehoud de impact van menselijke activiteit op gedrags- en culturele diversiteit bij dieren altijd over het hoofd hebben gezien. De auteurs van een van de artikelen drongen aan op het creëren van ‘culturele erfgoedsites’ voor chimpansees, orang-oetans en walvissen.

    nagano 3068677 1
    © Pixabay

    De kranten maakten geen melding van Japanse makaken, die namelijk geen bedreigde diersoort zijn. Maar het voorstel van culturele erfgoedsites voor dieren deed me meteen denken aan Japan, waar Imanishi en zijn studenten in de eerste plaats dierenculturen leerden herkennen. Van Jigokudani trok ik naar mijn volgende bestemming: de meest legendarische van hun veldsites, een eiland genaamd Koshima.

    ‘Eén ding waar mensen makaken niet de eer voor geven, is dat ze na mensen de meest succesvolle primaten zijn’

    Vanuit Jigokudani reed ik met een oude bus langs de Pacifische kust door Kyushu, het meest zuidelijke van de vier belangrijkste eilanden van Japan. Kleine huizen werden door hun tuinen grotendeels aan het zicht onttrokken, bergen rezen op en omarmden het water in de ronde blauwe baaien. Deze regio was ooit populair bij Japanse pasgetrouwden, maar de gouden eeuw eindigde toen het gemakkelijk werd om naar plaatsen als Hawaï te vliegen. Ik stapte uit de bus bij het veldstation dat in 1967 was opgericht door het Primate Research Institute en nu wordt beheerd door de Universiteit van Kyoto.

    Een Amerikaanse student genaamd Nelson Broche Jr. wachtte me op bij de bushalte. Hij bestudeerde acute stress bij Japanse makaken in het Koshima Field Center. ‘Eén ding waar mensen makaken niet de eer voor geven, is dat ze na mensen de meest succesvolle primaten zijn,’ vertelde hij me. Je kunt verschillende soorten makaken vinden in heel Azië, ook in de harten van grote steden zoals Delhi. Japanse makaken hebben zich aangepast aan bijna elke natuurlijke habitat in het land, van de besneeuwde bergen van Jigokudani tot de subtropische bossen op Kyushu.

    Broche stelde me voor aan Takafumi Suzumura, die al achttien jaar voor de universiteit van Koshima werkt. We liepen naar het water en ze wezen naar Koshima, een stuk groen bos in een kalme turquoise zee. Het was zo dichtbij dat surfers erheen konden zwemmen. We betaalden een visser om ons om de rotsachtige kustlijn heen naar een verborgen inham met een strand te varen.

    De apen stonden op het zand te wachten, als overlevenden van een schipbreuk. Zodra we verschenen begonnen ze te kirren en te zoemen. ‘Dat betekent: “Geef me eten”’, zei Suzumura. Het alfamannetje, Shika, stapte op Suzumura af met zijn staart in de lucht en joeg elke andere aap die te dichtbij kwam weg. In tegenstelling tot de apen in Jigokudani, die volledig onverschillig waren voor mensen, gromden sommige apen op Koshima naar me en vielen me aan als ik in de buurt kwam. Suzumura zei dat ik rustig moest blijven, oogcontact moest vermijden en me geen zorgen moest maken. ‘Ze bijten nooit,’ zei hij.

    Imanishi en zijn studenten arriveerden in 1948 op hetzelfde strand. Ze waren op zoek naar bewijs van ‘precultuur’ bij dieren, een fundamenteel proces dat ook de evolutionaire grondslag zou kunnen zijn van de diverse en verfijnde samenlevingen van de mens. Hun doel was om te onderzoeken hoe ‘een eenvoudig gedragsmechanisme zich heeft ontwikkeld tot een hoger complex mechanisme’, schreef Syunzo Kawamura, een student van Imanshi. Ze begonnen hun onderzoek ergens daar in de buurt op halfwilde paarden maar schakelden over op apen nadat ze merkten hoe goed hun troep was georganiseerd. Ze ontmoetten een plaatselijke leraar, Satsue Mito genaamd, die bekend was met de apen van Koshima. In 1952 hielp zij hen om twintig apen te voorzien van graan en zoete aardappelen op bospaden en op het strand.

    monkey 3132624 1
    © Pixabay

    Het was ongebruikelijk voor onderzoekers om wilde dieren te voeren, maar er was wel meer ongebruikelijk aan het onderzoek van Imanishi. Hij moest de apen tolerant maken tegenover menselijke waarnemers, zodat ze elk individueel dier konden identificeren en gedetailleerde observaties konden doen over hun gedrag en sociale relaties gedurende meerdere generaties. Het zou nog een decennium duren voordat westerse wetenschappers zoals Jane Goodall en Dian Fossey op deze manier naar apen gingen kijken. De meeste westerse wetenschappers waren gedrild om dieren nooit te antropomorfiseren. Ze gaven ze alfanumerieke identiteiten in plaats van namen en deden niet aan langetermijnobservaties: in hun ogen waren individuele dieren uitwisselbaar en niet in staat tot complexe sociale relaties.

    Anti-antropomorfisme kreeg steeds meer trekjes van een ander bekend vooroordeel: antropocentrisme, ofwel de overtuiging dat de mens een unieke plaats in het centrum van de wereld inneemt

    Anti-antropomorfisme kreeg steeds meer trekjes van een ander bekend vooroordeel: antropocentrisme, ofwel de overtuiging dat de mens een unieke plaats in het centrum van de wereld inneemt. De moderne westerse wetenschap ontwikkelde zich in samenlevingen met ouderwetse opvattingen over de suprematie van de mens over dieren, zoals de Nederlandse primatoloog Frans de Waal opmerkte. In de religieuze tradities in Japan heeft de mens daarentegen geen speciale status. ‘De Japanse cultuur benadrukt het verschil tussen mensen en dieren niet’, schreef de Japanse primatoloog Junichiro Itani. ‘En we hebben het gevoel dat dat veel belangrijke ontdekkingen mogelijk maakte.’

    Preculturele verspreiding

    Nadat de apen het graan van Suzumura op Koshima hadden opgegeten, begonnen ze op het strand naar eten te zoeken. Ze ontspanden zich en namen weinig zelfbewuste houdingen aan. Sommigen ploften languit op het zand neer terwijl een metgezel zich over hen heen boog, als Orpheus die om Eurydice rouwde. Anderen gingen slap over rotsen hangen, als offerslachtoffers. Eentje keek me bedeesd over haar schouder aan; een ander bekeek me hooghartig, met de kin in de lucht. Moeders hielden hun baby’s tegen hun borst gedrukt zoals elke Madonna die ik ooit heb gezien met haar kind doet.

    Terwijl ik met mijn smartphonecamera zo dicht mogelijk bij de apen probeerde te komen, verzamelde Suzumura met een paar eetstokjes fecesmonsters uit het zand. Hij hield gedetailleerde gegevens bij van elke aap op het eiland. Hij kon elk van hen identificeren en wist van alle apen de naam, leeftijd, sociale rang en status en de persoonlijkheid te vertellen. De gegevens gingen helemaal terug tot de tijd van Imanishi en volgden de levensgeschiedenis van elke individuele aap op Koshima gedurende meer dan zeventig jaar. Ze lieten zien hoe sommige apenfamilies de overhand kregen terwijl andere gaandeweg verdwenen. Imanishi en zijn studenten waren de eersten die zich realiseerden dat apen hun hele leven hechte allianties met familieleden onderhielden – en dus ‘nepotistisch’ waren. Precies het soort complexe sociale orde waaruit Imanishi voorspelde dat cultuur zou ontstaan.

    Imanishi en zijn team waren al vijf jaar op Koshima toen ze op een dag zagen hoe een anderhalfjarige aap genaamd Imo een zoete aardappel pakte en deze naar de rand van een beek droeg. Ze doopte de aardappel in het water en veegde het zand van de schil. Zo smaakte hij mogelijk beter, want daarna bleef ze haar aardappelen op die manier schoonmaken. De eerste apen die Imo kopieerden, waren twee die veel tijd met haar doorbrachten: haar moeder en een speelkameraadje. Al snel probeerden haar familieleden het ook, en hun speelkameraadjes kopieerden hen weer. Het wassen van zoete aardappelen werd een rage onder jongere apen. In 1958 wasten vijftien van de negentien jonge apen hun aardappelen.

    Masao Kawai, een andere student van Imanishi, beschreef deze fase als ‘preculturele verspreiding’. Imo had nieuw gedrag ontwikkeld dat zich verspreidde onder haar leeftijdsgenoten. Leeftijd en geslacht waren beide van invloed op de overdracht: jongere apen en vrouwtjes leerden zich vaker aan hun aardappelen te wassen dan volwassen apen en mannetjes. De volgende fase begon toen Imo en haar leeftijdsgenoten volwassen werden en zich voortplantten. Nu werd het gedrag overgegeven aan de volgende generatie, zowel mannetjes als vrouwtje, die het wassen van de zoete aardappelen van hun moeder leerde. Leeftijd en geslacht speelden niet langer een rol. ‘Preculturele druk werkt’, schreef Kawai. Een nieuw gedrag was vastgesteld binnen de troep.

    sugarman joe LybgMpDCCXI unsplash 1
    © Unsplash

    In 1961 wasten de meeste apen hun aardappelen niet langer in de beek maar in de zee. Misschien omdat zeewater overvloediger was, hoewel sommige wetenschappers dachten dat de apen misschien de smaak van het zoute water prefereerden: sommige doopten de aardappel er na elke hap weer in.

    Ik had gehoopt de huidige populatie apen op Koshima hun zoete aardappelen te zien wassen, maar Suzumura voerde ze nog slechts één of twee keer per jaar zoete aardappelen. De oorspronkelijke groep van twintig apen groeide in 1971 tot honderdtwintig. Sinds 1972 leverde het Primate Research Institute alleen nog graan. Toch was de culturele impact van het zoete aardappelen wassen nog altijd zichtbaar op Koshima.

    De kieskeurige kleine Imo had nóg een nieuw gedrag ontwikkeld dat zich snel verspreidde binnen de groep: ze scheidde haar tarwe van het zand waarmee het vermengd raakte door het in het water te gooien. Het graan bleef drijven en het zand zonk. (Sommige apen wassen hun tarwe nog steeds, zei Suzumura, maar zelf zag ik het niet gebeuren.) Baby’s die tijdens het wassen van de aardappelen door hun moeder mee het water in werden gedragen, begonnen tijdens het spelen te zwemmen, iets wat hun ouders nooit hadden gedaan.

    Voordat Imanishi’s team arriveerde, brachten de apen bijna al hun tijd door in het bos. Nu brachten ze ook een groot deel van hun tijd op het strand door en hadden ze een nieuw repertoire van gedragingen aangeleerd. ‘Sinds de wetenschappers voor het eerst begonnen met het voeren van de makaken op het eiland Koshima, heeft zich een geheel nieuwe levensstijl ontwikkeld’, schreven de Israëlische onderzoekers Eva Jablonka en Eytan Avital. Ze noemden dit een voorbeeld van ‘cumulatieve culturele evolutie’. Kawai was verrast door hoe snel de apen zich aanpasten aan hun nieuwe strandomgeving, gezien hun aanvankelijke afkeer van water. ‘We leren via de Koshima-troep dat zodra dat sterke traditionele conservatisme door een of andere oorzaak begon af te breken, het gemakkelijk helemaal verdween’, schreef hij.

    Toen ik er was slenterden de apen enkele uren over het strand. Het was middag, de temperatuur begon al te dalen en de dieren verdwenen in het bos om te foerageren. Het lege strand stak misschien bleek af bij ‘culturele erfgoedsites’ in de mensenwereld, zoals paleizen en kathedralen. De apen hadden niets gebouwd dat op architectuur leek, zelfs geen zandkasteel. Maar wat Koshima ons liet zien, is dat cultuur geen product was. Het was een proces. Stap voor stap begon het leven van de apen in Koshima er anders uit te zien dan dat van andere apen – en begon het iets meer op het onze te lijken.

    Ik was nieuwsgierig om apen te zien die nog nooit door mensen waren gevoerd

    Ik moest kiezen waar ik heen wilde na Koshima. Er waren andere sites die in aanmerking konden komen als cultureel erfgoed voor Japanse makaken. In Arashiyama bij Kyoto begonnen sommige apen in de jaren zeventig met stenen te spelen, en dat gedrag verspreidde zich in hetzelfde patroon als het wassen van zoete aardappelen in Koshima en het baden in Jigokudani: eerst horizontaal onder leeftijdsgenoten en vervolgens van de ene generatie op de andere. De wetenschapper die het gedrag voor het eerst observeerde, een Amerikaan genaamd Michael Huffman die nu verbonden is aan het Primate Research Institute, merkte dat verschillende groepen apen in de loop der tijd hun eigen manier ontwikkelden om met stenen om te gaan. In sommige groepen wreven de apen ze tegen elkaar, in andere knuffelden ze de stenen of sloegen ermee op de grond.

    Maar ik was nieuwsgierig om apen te zien die nog nooit door mensen waren gevoerd. De Japanse onderzoekers realiseerden zich ook dat het nieuwe gedrag op plaatsen als Koshima, Jigokudani en Arashiyama niet bepaald natuurlijk was. De wetenschappers zelf hadden hun ontwikkeling gestimuleerd door te voeren, waardoor de dieren in onbekende habitats terecht kwamen en tijd hadden om nieuw gedrag uit te proberen. Ook op andere plekken had het voeren invloed op het leven van de groep. ‘In de voederplaatsen waren de relaties tussen de mannetjes heel duidelijk. De ene is dominant, de andere is ondergeschikt,’ vertelde Yukimaru Sugiyama, een voormalig wetenschapper van het Primate Research Institute. Maar toen hij apen het bos in volgde, zaten jonge mannetjes vaak in de buurt van dezelfde dominante apen die ze op de voederplaats hadden vermeden.

    Naarmate de interesse van onderzoekers in het natuurlijke leven van de primaten toenam, leerden ze ze beter kennen door ze simpelweg te volgen. Aanvankelijk renden de primaten weg, maar de meeste verloren uiteindelijk hun angst voor mensen. Vanaf het einde van de jaren vijftig brachten Imanishi en zijn studenten wat ze in Japan hadden geleerd naar Afrika om chimpansees, gorilla’s en andere primaten te bestuderen. Door een combinatie van veldobservatie en experimenteel werk hebben ze daar veel van wat ze van apen in Japan hadden geleerd over cultuur, kunnen verifiëren en verbeteren. Dankzij het werk van mensen als Goodall kwamen westerlingen tot hun huidige technieken en bevindingen.

    Onheilspellend

    Omdat ik ze niet helemaal naar Afrika kon volgen, ging ik naar een ander eiland, genaamd Yakushima. Je kan naar Yakushima vliegen of een hogesnelheidsveerboot nemen, maar ik koos voor de goedkoopste optie: een tocht van dertien uur op een nachtelijk vrachtschip vanuit Kagoshima, een stad naast een vulkaan op de zuidpunt van Kyushu. Het eiland zag er onheilspellend uit toen we de volgende ochtend de haven binnenvoeren, de bergen omringd door mist en regen. Yakushima was beroemd om zijn oude mos en oerbossen. Ook leefden er ongeveer 10.000 Japanse makaken op het eiland – ongeveer evenveel als de menselijke populatie van ongeveer 13.000. De apen leefden in groepen van minder dan vijftig, en er was geen bevoorrading. Ze zochten naar fruit, bladeren, eikels en scheuten, maar ook naar insecten en spinnen.

    ‘Op Yakushima houden apen van paddestoelen’, zegt Akiko Sawada, een onderzoeker van de Chubu Universitaire Academie van Opkomende Wetenschappen. De Yakushima-apen aten meer dan zestig verschillende soorten en Sawada onderzocht of ze konden ruiken of een paddestoel al dan niet giftig was. Ze dacht dat dit sociale kennis was, waarbij een jonge aap leerde welke paddestoelen hij moest eten en welke hij moest vermijden door naar zijn moeder en andere volwassenen te kijken. Het was moeilijk te zeggen of gedragingen in Yakushima cultureel waren of op een andere manier aangeleerd, zoals door instinct of gewoon door vallen en opstaan. Al deze processen werkten samen om het leven van een aap vorm te geven en konden in een volledig natuurlijke omgeving niet gemakkelijk van elkaar worden gescheiden.

    Sawada nam me mee naar de rustige westkust van Yakushima, waar wetenschappers verschillende groepen hadden ondergebracht. De apen waren gemakkelijk te vinden, omdat ze onderweg graag elkaar verzorgden en zonnebaadden. Ze haastten zich uit de weg voor auto’s die snel reden, maar reageerden nauwelijks op langzaam rijdend verkeer. Het was ook paartijd en mannetjes en vrouwtjes zochten elkaar op en maakten leeftijdsgenoten op een afstand jaloers. Sawada wees erop hoe een van de oudere apen achterover leunde en naar haar armen keek terwijl ze een partner verzorgde: haar zicht werd slechter.

    We volgden een grote groep vanaf de weg het bos in. Professor Sugiyama had gelijk: er waren minder conflicten, omdat de apen een groot gebied hadden om te foerageren. Sommige braken eikels met hun tanden; anderen klommen in bomen voor fruit. Een jonge vrouw ontdeed de bodem van het bos van opgekrulde dode bladeren. ‘Ik denk dat ze cocons zoekt,’ zei Sawada.

    nomao saeki yuqwzT3C7yk unsplash 1
    © Unsplash

    Tijdens de wandeling werden we door vier herten vergezeld. Ze waren zo klein als honden en bijna net zo vertrouwd met mensen. De apen waren rommelige eters en de herten volgden hen om hun restjes op te rapen. Er ontstond een relatie: de apen verzorgden de herten, en klommen er soms op. Op een andere onderzoekslocatie in de buurt van Osaka bestegen apen soms zelfs herten in een zeldzaam voorbeeld van seks tussen soorten. Het is mogelijk dat de herten zachtaardiger partners waren voor kleine adolescenten die routinematig werden afgewezen door het andere geslacht of fysieke schade riskeerden van agressieve volwassenen. ‘Toekomstige observaties op deze plek zullen uitwijzen of deze groepsspecifieke seksuele eigenaardigheid een kortstondige rage was of het begin van een cultureel in stand gehouden fenomeen’, schreven de onderzoekers.

    Die middag liet Sawada me verschillende video’s zien die zij en haar collega’s in het bos hadden opgenomen. In één verslond een aap een gigantische duizendpoot; in een andere wreef een aap een rups tussen haar handen heen en weer om de stekende stekels te verwijderen voordat ze hem at; in een derde plukte een aap mollige witte horzellarven uit een nest. Sawada giechelde toen ze een video afspeelde van de apen die op grote hoogte leefden en bamboe aten: ze waren, om redenen die niemand echt begreep, extreem dik.

    Later, toen ik in mijn eentje de berg beklom, waren er geen bamboebossen of mollige apen op de rotsachtige top. Ik keek neer op het bladerdak van het oude cederbos en over de zee, denkend aan wat de primatoloog Itani had waargenomen: dat de Japanse cultuur geen sterk onderscheid maakt tussen mensen en dieren. In het Westen lijken cultuur en wetenschap vaak gescheiden krachten, maar hier versterkten ze elkaar. De wetenschap had de makakencultuur ontcijferd en de cultuur had ons wetenschappelijke begrip van de dierenwereld verbreed.

    Maciek Pożoga, gevestigd in Frankrijk, heeft voor dit verhaal twee weken lang Japanse makaken gefotografeerd. Bekijk in het originele artikel zijn werk.

  • Wereldbeeld: koffergeroffel

    Wereldbeeld: koffergeroffel

    GettyImages 1232363789 2
    © Antonio Masiello / Getty Images

    Het water staat aan de lippen bij Italianen die actief zijn in de culturele sector. Overrompeld door corona ging hun land verschillende malen in strikte en langdurige lockdowns, en zaten de mensen die in de sector werken, zowel voor als achter de schermen, zonder publiek en zonder inkomen thuis. De entertainmentindustrie is vorig jaar in Italië met 82 procent gekrompen – veel meer dus dan het Europees gemiddelde van 31 procent –, maar steun bleef uit.

    Daarom demonstreert actiegroep Bauli in Piazza (‘Koffers op het Plein’) voor meer financiële ondersteuning en voor de heropening van theaters, live-evenementen en shows. De demonstranten zijn het zat, en dat lieten ze in Rome weten door keihard op de reiskoffers te roffelen waarmee ze normaal van optreden naar optreden trekken.

  • Silbo Gomero: de enige volledig ontwikkelde gefloten taal ter wereld

    Silbo Gomero: de enige volledig ontwikkelde gefloten taal ter wereld

    De lokale fluittaal van de Canarische eilanden is tot immaterieel cultureel erfgoed verklaard. Kinderen leren het op school. Soms is het lastig om het verschil tussen gallina en ballena te verstaan. Maar als ze enige tijd met elkaar gefloten hebben, gaat het net zo makkelijk als spreken.

    Gezeten op een hoge klif op Gomera, een van de Canarische Eilanden, kan Antonio Márquez Navarro tot in de wijde omtrek buren bij hem uitnodigen (‘Kom naar ons, we gaan het varken slachten’) zonder dat er een woord over zijn lippen komt: hij hoeft zijn uitnodiging maar te fluiten. In de verte blijven aan de overkant van een ravijn drie wandelaars staan als ze die schrille klanken van de rotswanden horen weerkaatsen.

    In zijn jeugd, zegt Márquez (71), wandelden er geen toeristen over de ruige steile voetpaden van dit eiland, maar liepen er louter schaapherders, die zo’n uitnodiging meteen met luid en duidelijk gefluit zouden hebben beantwoord. Maar aan de wandelaars was zijn boodschap niet besteed, dus die hervatten al snel hun route over het eiland. Márquez is de trotse hoeder van het Silbo Gomero, de fluittaal die hij ‘de poëzie van mijn eiland’ noemt. En net als poëzie, voegt hij eraan toe, ‘hoeft het fluiten geen nut te hebben om mooi en waardevol te zijn’.

    Gefloten versie

    De fluittaal van de inheemse bevolking op het eiland werd in de vijftiende eeuw al vermeld in verslagen van ontdekkingsreizigers die de weg plaveiden voor de Spaanse verovering van het eiland. Aanvankelijk was het een gefloten versie van de inheemse taal, maar in de loop der eeuwen stapten de eilandbewoners ook voor hun fluittaal over op de taal van de Castiliaanse veroveraars.

    Het Silbo Gomero bestaat uit meerdere fluittonen van verschillende lengte en toonhoogte die ieder een van de klinkers of medeklinkers van de gesproken taal vertegenwoordigen. Helaas zijn er minder verschillende fluittonen dan het Spaans letters telt en zijn de gefloten versies van sommige woorden dus meerduidig, wat tot misverstanden kan leiden. Sommige Spaanse woorden klinken in gefloten vorm identiek: korte woordjes zoals sí (ja) en ti (jij) bijvoorbeeld, maar ook langere woorden die al een beetje op elkaar lijken, zoals gallina en ballena (respectievelijk kip en walvis). ‘Binnen een zinsverband is altijd duidelijk welk dier er wordt bedoeld, maar niet als je alleen een los woord fluit,’ zegt Estefanía Mendoza, die de fluittaal onderwijst.

    Twee fluiters die voor het eerst met elkaar communiceren, kunnen in het begin wat moeite hebben om elkaar te verstaan

    In 2009 werd het Silbo Gomero door Unesco op de lijst van immaterieel cultureel erfgoed geplaatst als ‘de enige volledig ontwikkelde gefloten taal ter wereld die nog in gebruik is bij een grote gemeenschap’ – de 22.000 inwoners van La Gomera dus. Maar nu de taal niet meer onmisbaar is voor het communiceren over grotere afstanden, is het voortbestaan ervan vooral afhankelijk van de wet uit 1999 die het Silbo verplichte lesstof maakte op de scholen op het eiland.

    In het havenstadje Santiago blijkt een klas met kinderen van zes weinig moeite te hebben met het herkennen van de fluittonen voor de verschillende kleuren of de dagen van de week. Lastiger wordt het als daarmee zinnen worden gevormd, zoals: ‘Hoe heet het kind met de blauwe schoenen?’ Sommige kinderen horen ‘geel’ in plaats van ‘blauw’.

    En levert het verstaan van de klanken soms al problemen op, nog veel moeilijker is het om ze correct te fluiten. De meeste leerlingen steken daartoe een vingerkootje in hun mond, anderen hooguit één of twee vingertoppen, en weer anderen doen het met één vinger van elke hand. ‘Daar zijn geen regels voor, je gebruikt gewoon de vinger waarmee jij het makkelijkst fluit, en sommigen lukt het helaas helemaal niet,’ zegt Francisco Correa, de coördinator van het schoolfluitprogramma. ‘Er zijn ook oudere mensen die het Silbo al van kindsbeen af prima verstaan, maar het zelf nooit verstaanbaar uit hun mond hebben gekregen.’

    Schermafbeelding 2021 03 15 om 12.53.40 kopie
    Stills uit de video El Silbo Gomero. Het Silbo
    is de enige gefloten taal ter wereld ontwikkeld en beoefend door een grote gemeenschap (meer dan 22.000 mensen). Het Gomeraanse fluitje vervangt de klinkers en medeklinkers van het Spaans door fluitjes: twee verschillende fluitjes vervangen de vijf Spaanse klinkers; en
    nog eens vier vervangen de medeklinkers. De fluitjes onderscheiden zich door hun toonhoogte en hun onderbreking of continuïteit. – © Juan Ramón Hernandez
    en David Baute.

    Twee fluiters die voor het eerst met elkaar communiceren, kunnen in het begin wat moeite hebben om elkaar te verstaan en zullen de ander soms vragen een zin te herhalen, net als sprekers die ieder een ander dialect van dezelfde taal spreken. Maar ‘als ze enige tijd met elkaar gefloten hebben, gaat het net zo makkelijk als Spaans spreken’, zegt Correa.

    Generatiekloof

    Zoals bij zoveel talen, of ze nu gefloten of gesproken worden, is ook op Gomera sprake van een generatiekloof. Ciro Mesa Niebla, een boer van 46, zegt dat hij soms moeite heeft om in de fluittaal te converseren met de jongere generatie die het fluiten op school heeft geleerd. ‘Ik ben een jongen uit de bergen die thuis de woorden heeft leren fluiten die we in onze familie op de boerderij gebruikten,’ zegt hij, ‘maar ik heb niet de woordenschat van die jonge salonfluiters, die allemaal dure woorden kennen.’

    Er zijn ook bejaarde bewoners die gestopt zijn met fluiten omdat ze niet meer al hun tanden hebben. Márquez heeft een kunstgebit en fluit nog wel, ‘maar het gaat niet meer zo makkelijk en klinkt niet meer zo hard als toen ik nog met mijn vingers op mijn eigen tanden kon drukken,’ zegt hij.

    Als je het landschap hier ziet, begrijp je wel waarom de mensen hun toevlucht namen tot deze fluittaal: de meeste Canarische Eilanden bestaan uit hoge bergen doorsneden door diepe ravijnen, waar zelfs het afleggen van kleine afstanden heel wat tijd en moeite kost. Zo ontstond dit alternatief, omdat fluiten veel verder draagt dan schreeuwen – als de wind goed staat, in sommige ravijnen tot wel vier kilometer. Daarbij weten oudere bewoners van Gomera ook nog goed dat de eilandbewoners het Silbo vroeger gebruikten om elkaar te waarschuwen voor politie op zoek naar smokkelwaar. In de recente film La Gomera (The Whistlers) gebruiken gangsters het als hun geheimtaal.

    Schermafbeelding 2021 03 15 om 12.55.43 kopie 4

    De andere Canarische Eilanden hebben weer andere fluittalen, maar die zijn grotendeels in onbruik geraakt – al wordt die van El Hierro tegenwoordig weer onderwezen. ‘Het Silbo is niet uitgevonden op Gomera, maar dat is wel het eiland waar de taal het best behouden is gebleven,’ zegt de etnomusicoloog David Díaz Reyes. Gomera is tegenwoordig sterk afhankelijk van toerisme, en dat levert weer kansen op voor jonge fluiters zoals de zestienjarige Lucía Darias Herrera, die in een van de hotels op het eiland elke week een fluitshow geeft. Ze fluit normaal gesproken in het Spaans, maar ze kan haar Silbo aanpassen aan de talen van de mensen in het publiek – meestal Duitsers op vakantie.

    In een tijd van mondkapjes kunnen docenten hun leerlingen niet echt helpen met hoe ze hun vinger in hun mond moeten plaatsen

    Helaas zet corona sinds vorig voorjaar niet alleen een streep door deze optredens, maar ook door de praktijkles op school. In een tijd van mondkapjes kunnen docenten hun leerlingen niet echt helpen met hoe ze hun vinger in hun mond moeten plaatsen. De kleinere kinderen ‘kost het nog veel moeite en ze blazen veel lucht uit, waardoor het soms meer spuwen dan fluiten wordt,’ zegt schoolcoördinator Correa. Om verspreiding van het virus te voorkomen kunnen de kinderen tijdens de wekelijkse les dus voorlopig niet zelf fluiten, maar alleen naar opnamen van het Silbo luisteren.

    Bijkomend probleem is dat er buiten de les weinig gelegenheid is om in het Silbo te communiceren. In de eerdergenoemde schoolklas steken maar zeventien leerlingen hun hand op bij de vraag of ze het Silbo thuis ook gebruiken. ‘Mijn broer kan heel hard fluiten, maar hij wil het niet voordoen, want als hij niet op zijn PlayStation zit, is hij wel met vrienden op stap,’ klaagt een van de meisjes, Laura Mesa Mendoza.

    Toch fluiten sommige tieners elkaar wel in het Silbo toe als ze elkaar tegenkomen in de stad, en ze gebruiken de taal ook om gesprekken te voeren die veel volwassenen om hen heen niet kunnen volgen. Sommige ouders hebben als kind op school immers geen les in het Silbo gehad, of ze zijn pas op latere leeftijd op het eiland komen wonen. De vijftienjarige Erin Gerhards kan haar smartphone niet missen, maar ze lijkt vast van plan om beter te leren fluiten en zo te helpen de traditie van haar eiland in stand te houden. ‘Het is een eerbetoon aan de mensen die hier vroeger leefden,’ zegt ze. ‘Om te beseffen waar we vandaan komen, dat al die technologie er niet altijd al was, maar dat we heel simpel zijn begonnen.’ 

  • ‘De weergaloze Naomi Osaka’, van tenniswonder tot eerste zwarte mangaheldin

    ‘De weergaloze Naomi Osaka’, van tenniswonder tot eerste zwarte mangaheldin

    Als drievoudig Grand Slam-winnares en de best betaalde vrouwelijke sporter ter wereld is tennisster Naomi Osaka over de hele wereld populair. In Japan prijkt haar beeltenis niet alleen op T-shirts en sleutelhangers, maar nu ook op de pagina’s van manga, oftewel strips. Niet eerder was een zwart personage hierin een held.

    Twee eerdere pogingen om Osaka, die van gemengde afkomst is, als strippersonage te gebruiken, in een Australische krant en in een Japanse advertentie, sloegen de plank mis: ze werd erin afgebeeld met een witte huid en lichtgekleurd haar. Maar in december 2020 bracht het Japanse tijdschrift Nakayoshi voor het eerst ‘De weergaloze NAOMI Tenkaichi’, met Osaka als heldin (tenkaichi betekent ‘de beste op aarde’).

    Screen Shot 2019 01 25 at 3 1

    In deze strip wordt ze wél correct afgebeeld, voor een deel dankzij het feit dat het project tot stand kwam onder toeziend oog van haar zus Mari. Het tenniswonder, dat in december de Associated Press-prijs voor beste vrouwelijke sporter van het jaar kreeg, heeft nu een plaats in het uitgebreide mangapantheon van sterke vrouwelijke personages en een klein maar groeiend gezelschap zwarte personages.

    Het is een bekend gegeven dat etnische verschillen in de Japanse samenleving worden uitgewist of weggestopt

    Dat is een teken van vooruitgang in een genre waarin tot nu toe weinig correcte weergaven van raciale diversiteit te vinden waren. Het is een bekend gegeven dat etnische verschillen in de Japanse samenleving worden uitgewist of weggestopt. Maar volgens deskundigen verandert dat geleidelijk aan en krijgt manga een nieuw uiterlijk.

    ‘Meer mangaka (mangamakers) doen hun best om zwarte personages beter en met meer respect af te beelden,’ zegt LaNeysha Campbell, een mangarecensent die voor popcultuurwebsite ‘But Why Tho?’ schrijft. ‘Een goed voorbeeld is Aran Ojiro, een van de personages in Haikyū!! Zijn gezicht en huidtint worden afgebeeld met respect voor zwarte trekken.’

    Voor schrijver en The Japan Times-columnist Baye McNeil was het eerdere debacle met Osaka’s stripbeeld een katalysator voor verandering. ‘Er ontstaat meer bewustzijn in verschillende Japanse media en daardoor gaan sommige kunstenaars duidelijk zorgvuldiger te werk wanneer ze niet-Japanse personages gebruiken. Niemand wil opeens allerlei negatieve aandacht uit de hele wereld op zich gericht krijgen. Het is treurig, maar soms is zo’n incident nodig om mensen de ogen te openen.’

    Sommige mangapersonages tonen de liefde van de kunstenaar voor zwarte cultuur

    In het verleden hebben makers van manga en van de filmtegenhanger daarvan, anime, maar al te vaak stereotypes gebruikt om zwarte mensen af te beelden. ‘In veel klassieke manga uit de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw werden zwarte mensen getekend met grote lippen en voorgesteld als intimiderende, vaak domme personages,’ zegt mangaliefhebber Diamond Cheffin. ‘Zelfs in het eerste decennium van deze eeuw kom je nog die zwarte karikaturen tegen.’

    Volgens McNeil komt de houding van veel manga-artiesten tegenover zwarte personages voort uit gewoonte: ‘Veel mangaka zijn gewend om zwarte mensen op een bepaalde manier neer te zetten. En al kloppen die personages niet, ik geloof niet dat ze per se beledigend bedoeld zijn. Het is ook zo dat die strips niet voor een niet-Japans publiek bedoeld zijn.’ 

    Een reden waarom veel Japanse mangakunstenaars zwarte mensen voorheen op een weinig vleiende manier portretteerden, is volgens Campbell dat ze altijd door de lens van witte Amerikaanse media naar zwarte cultuur hebben gekeken: ‘Het kan best zijn dat de eerste indrukken die het Japanse publiek van zwarte mensen kreeg, gevormd zijn door deze racistische en stereotiepe beelden. Die afbeeldingen stammen inmiddels van ruim zeventig jaar geleden, maar ze dragen nog steeds bij aan de negatieve houding tegenover zwarte mensen en de beledigende en problematische manier waarop die in manga worden neergezet.’

    Sommige mangapersonages tonen de liefde van de kunstenaar voor zwarte cultuur. Veel Japanse makers zijn met Amerikaanse strips, muziek en films opgegroeid en nemen die iconen bij wijze van eerbetoon in hun eigen werk op. Maar dat kan nog steeds tot verkeerde typeringen leiden. Een voorbeeld is het personage Coffee in de populaire tv- en vervolgens ook manga-serie Cowboy Bebop.

    ‘Coffee is een typisch blaxploitation-personage,’ zegt film- en tv-recensent Kambole Campbell. ‘Ze is eigenlijk Foxy Brown, maar dan op Mars. (De film Foxy Brown uit 1974 met Pam Grier als de hypergeseksualiseerde hoofdpersoon, kreeg in de Verenigde Staten veel kritiek vanwege de manier waarop zwarte mensen en vooral zwarte vrouwen erin werden neergezet.)

    Cowboy Bebop-regisseur Shinichirõ Watanabe koos in 2019 voor een andere benadering met de anime-serie Carole & Tuesday, waarvan de hoofdpersoon een zwart meisje in tuinbroek met dreadlocks en een vrolijke lach is.

    Coole meiden

    Naomi Osaka, dochter van een Haïtiaanse vader en een Japanse moeder, zegt dat ze vroeger in Japan wel racisme heeft ervaren. ‘Japan is een heel homogeen land, dus het was lastig voor mij om racisme bespreekbaar te maken, schreef ze in juli 2020 in een artikel voor Esquire. ‘Ik heb online en zelfs op tv wel racistische commentaren gekregen. Maar dat is de minderheid. In werkelijkheid worden mensen, en vooral sporters van gemengde afkomst door de meerderheid van het publiek, door fans, sponsors en media wel geaccepteerd. De onwetendheid van enkelingen mag de progressiviteit van de meerderheid niet overschaduwen.’

    De weergaloze NAOMI Tenkaichi, de nieuwe manga over Osaka, wordt vanuit een ander standpunt gemaakt en richt zich op een van de groepen waarbij dit genre populair is: tienermeisjes.

    ‘We willen haar charme overbrengen,’ schrijven de makers Jitsuna en Kizuna Kamikita, tweelingzussen die hun gezamenlijke werk ondertekenen als Futago Kamikita, in een e-mail. ‘En natuurlijk ook haar grootsheid als tennisster. Naomi is een humaan, menslievend iemand. We houden ook van haar denkbeelden en haar bereidheid om daar zelf naar te handelen. Tegelijkertijd heeft ze gevoel voor humor en dat verzacht haar serieusheid.’ En, voegen ze eraan toe: ‘We vinden het ook belangrijk om een warm verhaal te tekenen over het gezin waarin ze is opgegroeid.’

    sorcerority manga feature.jpg.optimal

    De keus voor Osaka paste helemaal bij Nakayoshi,’ zegt Izumi Zushi, de uitgever van het blad. ‘Onafhankelijke heldinnen en coole meiden zijn bij onze lezers heel populair.’ 

    In de strip speelt het personage van Osaka ‘ruimtetennis’ en ‘reist ze met haar ouders en zus door het heelal om steeds nieuwe uitdagingen aan te gaan en ieders dromen en verwachtingen te beschermen tegen de ‘Duisternis’, zegt Zushi. 

    In het Westen denken veel mensen dat otaku, de nerdcultuur, voornamelijk voor mannen is

    Nakayoshi is een van de vele publicaties die zich op vrouwelijke lezers richten en de Kamikita-tweeling maakt deel uit van een grote groep vrouwelijke stripmakers. In het Westen denken veel mensen dat otaku, de nerdcultuur, voornamelijk iets voor mannen is, maar een aanzienlijk deel van die community bestaat uit vrouwen, zowel makers als consumenten. Volgens de Japanse uitgeversorganisatie waren er in 2019 zeker drieëntwintig tijdschriften in de mangacategorieën shojo (gericht op tienermeisjes) en josei (gericht op oudere lezeressen), met een totale maandelijkse oplage van meer dan 1,5 miljoen exemplaren.

    Behalve de manga over tennisster Osaka wijzen ook andere recente ontwikkelingen in deze bedrijfstak op een nieuwe gevoeligheid voor etnische verschillen. ‘Ik vind echt dat de manier waarop zwarte mensen worden neergezet een heel stuk verbeterd is,’ zegt liefhebber Cheffin. ‘We krijgen nu coole personages zoals Ogun uit Fire Force. Over het algemeen doet deze nieuwe generatie het geweldig. Maar ik zou wel graag meer zwarte personages willen zien, op grotere schaal en niet alleen maar af en toe eentje.’

    En McNeil zegt: ‘Hoe sterker kunstenaars zich ervan bewust worden dat manga mensen over de hele wereld bereikt, hoe beter ze zullen leren verhalen en personages te creëren die rekening houden met de verschillende gevoeligheden van hun groeiende publiek.’

  • Nieuwe vondsten in Pompeii: een 2000 jaar oud recept

    Nieuwe vondsten in Pompeii: een 2000 jaar oud recept

    Eind december maakten archeologen bekend dat ze een thermopolium, een Romeins eethuisje, hadden opgegraven in Pompeii, de stad waar de tijd kwam stil te staan na de catastrofale uitbarsting van de Vesuvius. De spectaculaire vondst verschaft veel informatie over het dagelijks leven van de lagere klassen in de Romeinse samenleving.
    Archeologe en culinair schrijfster Farrell Monaco bereidde op basis van de overblijfselen een ​​Pompejaanse caféhap.

    ‘In de tweede eeuw na Christus schreef Plinius de Jonge een brief aan de Romeinse historicus Tacitus, waarin hij het begin van de uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Christus memoreert’, schrijft Farrell Monaco. ‘Hij herinnert zich dat hij vanuit zijn villa in Misenum, aan de overkant van de vulkaan aan de baai van Napels, een donkere wolk zag in de vorm van een parasoldennenboom, die de lucht vulde boven de bergen. Wat volgde was iets waarop niemand in het gebied was voorbereid.

    Een dag nadat Plinius die donkere wolk opmerkte, bezweek een kleine taverne in het noordoostelijke deel van Pompeii samen met de rest van de stad onder het gewicht van puimsteen en as. 

    Daarna volgde een snelle pyroclastische golf van heet gas, vulkanisch puin en as die de laatste verwoestende dreun van de vulkaan markeerde: degenen die waren achterbleven in Pompeii en Herculaneum werden op slag gedood door deze helse golf van hitte, die volgens schattingen opliep tot bijna 500 graden Celsius.

    De eigenaar van de genoemde taverne was een van de slachtoffers. Hij kon niet op tijd uit zijn onderkomen ontsnappen en stierf ter plekke in bed, evenals een man en een hond die hun toevlucht bij hem hadden gezocht.’

    Antieke snackbar

    In december vorig jaar maakten archeologen van het Archeologisch Park van Pompeii bekend dat ze de overblijfselen van deze twee mannen en de hond hadden gevonden bij de opgraving van een antieke ‘snackbar’, thermopolium genoemd.

    ‘Gelegen in een nog niet uitgegraven deel van Pompeii, vormen de goed bewaard gebleven toonbank van het thermopolium, de dolia, zoals keramische vaten voor opslag worden genoemd, en de kunst op de muren gezamenlijk een van de meest ontroerende vondsten die recentelijk zijn gedaan’, aldus Monaco.

    In één dolium werden de overblijfselen van een van de mannen gevonden, daar waarschijnlijk in gedeponeerd door achttiende-eeuwse plunderaars

    De grote gemetselde toonbank is versierd met fresco’s die scènes uit het dagelijkse leven in het etablissement weergeven: schalen en kookgerei hangend boven de bar, een afbeelding van een bezorger, een Griekse zeenimf rijdend op een zeepaard en afbeeldingen van wilde eenden, een kip en een hond. Tegen de toonbank leunden amforen, de keramische wijnvaten waarin lokaal geproduceerde en geïmporteerde Griekse wijnen werden bewaard.

    Sommige van de dolia bevatten de botten van verschillende soorten dieren en in één dolium werden de overblijfselen van een van de mannen gevonden, daar waarschijnlijk in gedeponeerd door achttiende-eeuwse plunderaars.

    ‘Als klassiek archeoloog wiens onderzoek zich richt op voedsel en voedselbereiding in het Romeinse Middellandse Zeegebied’, schrijft Monaco, ‘ben ik dolgelukkig met dergelijke vondsten. Ze werpen een helder licht op het dagelijkse leven van delen van de Romeinse samenleving die in oude literaire bronnen slecht zijn vertegenwoordigd, zoals slaven en de doorsnee werkende Romeinen. Plekken zoals dit thermopolium geven archeologen zoals ik een realistisch beeld van hoe de Romeinse eetcultuur eruitzag.’

    Voor Monaco en anderen bieden ze een noodzakelijk contrast met de sensationele weergaves van de Romeinse eetcultuur, zoals bekend van het satirische Trimalchio’s Banket van Petronius, of van de weelderige fresco’s die de muren van de eetkamer sieren in het Huis van de Vettii, een uitzonderlijk goed bewaard gebleven luxe woning.

    Alledaags eten

    Het opgegraven thermopolium biedt aanwijzingen over waar en wat de doorsnee Pompejaan at. In het gebied rond de Vesuvius had slechts 40 procent van de stadswoningen voor werkende armen een vuurhaard om te koken, denkt Anna Maria Sodo, directeur van het Antiquarium van Boscoreale. Van de woningen voor de middenklasse was 66 procent uitgerust met een kookgelegenheid. Dat betekent dat veel mensen buiten de deur aten.

    De site moet nog verder worden uitgegraven, maar volgens archeoloog Massimo Osanna telde Pompeii minstens tachtig eet- en drinkgelegenheden. Die bieden inzicht in het soort voedsel dat aan gewone burgers werd geserveerd.

    Om een maaltijd te reconstrueren die in de buurt komt van wat mogelijk werd opgediend, bieden de overblijfselen allerlei aanwijzingen, schrijft Monaco. Dat geldt voor zowel de fresco’s die op de toonbank zijn geschilderd, als voor de inhoud van de amforen en de dolia.

    Een van de dolia bevatte de botten van eenden, varkens, geiten en vissen, evenals schelpen van landslakken. De eendenbotten komen overeen met het fresco van twee wilde eenden op de voorkant van de toonbank, dat mogelijk diende als een picturaal menu voor de ongeletterde meerderheid van de bevolking. 

    Termopolio Regio V 8 Foto Parco archeologico di Pompei 1 1
    © Parco archeologico di Pompei

    Sommige wetenschappers denken uit deze resten op te kunnen maken dat de Pompejanen uit de eerste eeuw stoofschotels of soepen aten die werden gebrouwen van alle gevonden dieren tezamen. Monaco betwijfelt dat, want het zou ongebruikelijk zijn voor de oude Romeinse keuken. Omdat dolia normaal gesproken werden gebruikt voor het bewaren van droog en vloeibaar voedsel en niet om te koken, acht Monaco het mogelijk dat de botten en schelpen die in het dolium werden gevonden, voedselresten zijn van een eigen slagerij, van voedselbereiding die aan de toonbank plaatsvond, of van resten die werden achtergelaten door klanten.

    Bouillon

    Maar het is ook mogelijk dat deze overblijfselen op iets heel anders wijzen, aldus Monaco. De schelpen en botten zouden bestemd kunnen zijn geweest voor een basisbouillon die werd gebruikt in de gerechten. Het thermopolium bevond zich tenslotte in de buurt van een fontein en een watertoren, waardoor het makkelijk was om dagelijks een grote hoeveelheid bouillon te maken. Verwijzingen naar dergelijke gerechten komen voor in historische teksten. 

    Zo klaagt Cicero in zijn bijtende scheldrede Tegen Piso uit de eerste eeuw voor Christus over de ‘stank en rook’ van stoofhuizen. En Athenaeus van Naucratis, een Grieks-Egyptische schrijver uit de derde eeuw, verwijst naar voedsel in de ‘gewone eethuizen’ als ‘niets anders dan bouillon en wat stukjes vlees’. De historicus Dio Cassius uit de tweede eeuw heeft het zelfs over keizer Claudius die een verbod uitvaardigde op herbergen waar gekookt vlees en heet water werd verkocht, aldus Monaco.

    Thermopolium of popina

    ‘Het is zeer waarschijnlijk dat de opgegraven ruimte in feite een taverne was’, meent Monaco. ‘Ondanks het feit dat veel publicaties de eetgelegenheden in Pompeii ‘thermopolie’ noemen, vermeldt de Loeb Classical Library slechts twee voorbeelden van de gebruikte term.

    Deskundigen zoals Tonnes Kleberg, Mary Beard, Steven Ellis en Claire Holleran hebben allemaal opgemerkt dat de Latijnse term popina veel vaker voorkomt en een geschiktere naam is voor dit soort gelegenheden. Doorgaans vertaald als ‘taverne’, wordt het soms ook vertaald met ‘volkshuis’, of met het modernere ‘café’. Om je de sfeer van oude Romeinse tavernes voor te stellen, kun je gewoon naar de fresco’s kijken die de muren van dergelijke ruimtes in Pompeii sieren, met scènes van drinken, minnekozen, gokken en gestoei.

    ‘Dergelijke informatie in acht nemend’, vervolgt Monaco, ‘en ervan uitgaande dat Latijnse teksten over “gekookt vlees”, “bouillon en stukjes vlees” en de “stank en rook” van stoofschotels verwijzen naar een popina, geeft ons de mogelijkheid om te speculeren dat het bot- en schelpmateriaal in het nu opgegraven dolium bestemd was voor bouillon. Suggereert dit dat vlees gekookt in bouillon van de popina op de hoek, de Romeinse versie is van onze huidige café-hap? Ik denk van wel en het brengt ons dichterbij een voorstelling van een 1ste eeuwse Romeinse maaltijd.’

    Eend volgens Apicius

    In het kookboek De Re Coquinaria van fijnproever Marcus Gavius Apicius uit de 1ste eeuw staat een recept voor eend of kraanvogel in bouillon. Het lijkt misschien een wat duur gerecht voor een eenvoudige popina op de hoek, maar de bereiding is redelijk eenvoudig en het recept bevat enkele van de meest gebruikte ingrediënten en smaakmakers uit die tijd, aldus Monaco. Ze beschrijft vervolgens eerst het recept van Apicius:

    ‘Pluk en was de vogel en doe hem in een grote kookpot. Voeg water, zout en dille toe en kook tot de vogel stevig is. Haal hem halverwege het kookproces uit de pot en doe hem in een andere pan met olie, een bundel oregano en koriander en liquamen (vissaus van gefermenteerde vis en zout).

    Voeg als het bijna gaar is een beetje defrutum (wijnsiroop) toe voor de kleur. Maal peper, lavas, komijn, koriander, laserwortel, wijnruit in een vijzel, voeg caroenum (enigszins vergelijkbaar met defrutum) en honing toe, giet er wat van de kookvloeistof over en breng op smaak met azijn. Giet dit terug in de pan om op te warmen. Bind met zetmeel. Leg de vogel op een serveerschaal en giet de saus erover.’

    ‘Als begeleiding van het hoofdgerecht’, gaat Monaco verder, ‘koos ik ervoor om mensae toe te voegen, een platbrood dat zowel als bord als bestek werd gebruikt.’

    Dit blijkt onder meer uit de Aeneis van Vergilius. Nadat Aeneas en zijn mannen hun voedsel van platbroden hebben gegeten roepen ze uit: ‘Oh, kijk! Wij eten ook onze tafels op!’ 

    De keukenspullen van Monaco

    Monaco bereidt haar eend met klassiek kookgerei ‘om de originele kooktechnologieën en de “stank en rook” van Cicero’s stoofpotten zo goed mogelijk te simuleren.’ 

    ‘Ik besloot om mijn terracotta foculus (draagbare vuurpot) en ollae (kookpotten) voor dit recept te gebruiken. Maar mijn draagbare keuken is misschien meer geschikt voor een van de slaven in de Satiren van Juvenalis, dan als vervanging voor een vast fornuis in een popina. Thuiskoks kunnen een aarden pot aan een driepoot gebruiken boven barbecuekolen of hout, of gewoon kookgerei op conventionele fornuizen om een vergelijkbaar resultaat te bereiken.’

    Het recept

    Ingrediënten:

    Voor de gestoofde eend:

    2 eendenborsten of eendenbouten

    Een klein bosje dille of 1 theelepel (2 gram) gedroogde dille

    Snufje zout

    2 eetlepels (20 gram) olijfolie

    2 theelepels (6 gram) colatura d’alici of Red Boat-vissaus

    Een klein bosje verse oregano of 1 theelepel (2 gram) gedroogde oregano

    Een klein bosje verse koriander of 1 theelepel (2 gram) gedroogde koriander

    3 eetlepels (60 gram) defrutum / caroenum (die je kunt maken met dit recept) of melasse van druiven uit de winkel

    1 eetlepel (20 gram) rode wijnazijn

    1 theelepel (5 gram) honing

    1 theelepel (5 gram) gesneden groen van paardebloemen (cicoria, in het Italiaans) ter vervanging van wijnruit (die potentieel giftig is in grote hoeveelheden)

    ½ theelepel (2 gram) gedroogde gemalen zwarte peper; lavas; komijn; koriander; asafoetida (ook bekend als hing en verkrijgbaar in veel Aziatische winkels of reformzaken) ter vervanging van laser (silphium)

    1 eetlepel (15 gram) bloem

    1 eetlepel (15 gram) eendenvet, reuzel of ongezouten boter

    Takjes verse oregano (voor garnering)

    Voor de mensae:

    250 gram steengemalen volkorenmeel

    60 gram zuurdesembrood‘starter’ (Geen starter bij de hand? Maak een ‘spons’ bestaande uit gelijke delen bloem en water met 1 theelepel (5 gram) commerciële bakkersgist. Gebruik 60 gram van deze spons voor dit recept.)

    160 gram water

    2 gram zout

    Olijfolie (als je wilt frituren in plaats van grillen)

    Bereidingswijze:

    1.

    Bereid het deeg voor de mensae: los de starter op in het water, meng met de bloem en het zout, kneed het deeg, dek het af en laat een uur rusten op een warme plek.

    2.

    Doe de eend in een pan, dompel hem onder in water, voeg de dille en een snufje zout toe en breng aan de kook. Dek af en laat 45 minuten op medium-laag vuur sudderen om een lichte bouillon te creëren. Als je het durft, voeg dan een paar slakkenhuisjes, geitenbotten en varkensbotten aan de bouillon toe voor extra smaak.

    3.

    Nadat het mensae-deeg heeft gerust, snijd je het doormidden en kneed je elke helft tot een bal. Gebruik een deegroller of de palm van je hand om van elke bal vervolgens een schijf te maken. Dek af met een vochtige theedoek en laat het deeg nog eens 30 minuten rusten.

    4.

    Meng in een andere pan de olijfolie en de vissaus met de oregano en koriander en verwarm op middelhoog vuur.

    5.

    Haal de eend uit de bouillon en braad hem aan in de pan met de olie, vissaus en kruiden. Besprenkel met de helft van de defrutum (of druivenmelasse). Als de eend bruin is, haal je hem uit de pan en zet je hem apart. Bewaar het vocht in de pan.

    6.

    Meng in een kom de overgebleven defrutum (of druivenmelasse) met de rode wijnazijn, honing, het gesneden groen van paardebloemen (of cicoria), gemalen zwarte peper, lavas, komijn, koriander en asafoetida en klop het door elkaar.

    7.

    Voeg in de pan de bloem en het eendenvet (of reuzel of ongezouten boter) toe aan het overgebleven vocht en maak een roux door de bloem en het vet samen op laag vuur op te lossen. Gebruik een garde om klonteren te voorkomen.

    8.

    Maak een mengsel van honing, azijn en kruiden met 215 gram eendenbouillon en voeg de vloeistof langzaam toe aan de roux in de pan, op laag vuur, en klop het samen totdat het begint te verdikken tot een saus.

    9.

    Bereid beide mensae door een grill of een koekenpan met olijfolie op middelhoog vuur te verwarmen. Leg elke mensa op de hete grill of in de pan en verhit ze tot ze beginnen op te blazen. Draai ze dan om tot de andere kant goudbruin wordt. Verlaag de temperatuur als de mensae te snel bruin worden voordat ze zijn opgeblazen.

    10.

    Leg een grote toef saus op elke bord. Snijd het eendenvlees in hapklare stukjes en leg ze op de saus. Besprenkel de stukjes eend met extra bouillon en garneer met takjes verse oregano.

    11.

    Snijd de gegrilde mensae in partjes en serveer ze naast de gesneden eend om de saus en de bouillon op te nemen.

    ‘En dan’, schrijft Monaco, ‘neem je je bord met gestoofde eend en je brood, en stel je je voor dat je in een Pompejaanse popina bent. Zoek een kruk op een plek met voldoende licht om je eten te kunnen zien. Misschien kom je naast een vreemde terecht, dus pas op je portemonnee. Het beste kun je nu stoppen met wijn drinken. De grond trilt altijd onder je voeten als je te veel hebt gedronken en dat gebeurt nu.

    Maak je geen zorgen, de bouillon en het brood zullen je net genoeg ontnuchteren om de voordeur uit te kunnen strompelen, langs die hond die maar blijft blaffen naar iets in de verte. Aai hem over zijn kop om hem af te leiden en ga er dan vandoor. Tijd om op pad te gaan nu er nog daglicht is.’

    Een verslag van de ontdekking door archeoloog Massimo Osanna.
  • Dansende wortels en een vork die telkens explodeert

    Dansende wortels en een vork die telkens explodeert

    In het hartverwarmende universum van de Engelse tekenaar Glen Baxter (76), excuseer, Colonel Baxter, kan alles. Zijn nieuwste boek New Ways with Vegetables and Other Disasters is opnieuw een staaltje onverstoorbare (Britse) humor en weergaloos taalgevoel. Voor zijn kleurpotloodtekeningen bestaan niet genoeg superlatieven.

    Wie altijd de humor kan vinden of een draai weet te geven aan een tragische situatie of aan de saaie tijd die wij nu noodgedwongen beleven, is in het bezit van een waardevol stuk gereedschap. Glen Baxter (Leeds, 1944) grosseert erin. Er vast is geen enkele publicatie van hem te vinden die zonder te grinniken kan worden bekeken. Maar Baxter is geen komiek, dat zou zijn kwaliteit als kunstenaar tekortdoen. Wat hij tekent interesseert hem, daarna ontstaat de grap pas. Per toeval. Baxter koestert, zoals dat heet, het kind in hemzelf en kijkt met die onbevangen blik naar de dingen om hem heen. Vooral naar wat hij als klein jongetje ook al niet begreep. Dat fascineerde hem.

    Net zoals hij in zijn jeugd gegrepen werd door het witte doek in de bioscoop of de avonturenboeken in de bibliotheek. Amerikaanse glamour, westerns en de volstrekt eigen humor van de Marx Brothers. Favoriet was Biggles, een serie avonturenboeken over de fictieve piloot James Bigglesworth, geschreven door de Britse schrijver W.E. Johns. Het eerste verscheen in 1932; 96 delen zouden volgen, totdat de auteur in 1968 overleed, naar verluidt tijdens het schrijven van deel 97. Het originele taalgebruik van Johns, die zijn personages bijvoorbeeld ‘Algy, the Hon. Algernon Montgomery Lacey’ en ‘Ginger Hebblethwaite’ noemde en ellenlange woorden gebruikte, was een bron van inspiratie voor de kolonel.

    screenshot 2021 01 29 at 11 52 49

    Eten

    Over New Ways with Vegetables and Other Disasters schreef hij speciaal voor 360 over zijn verhouding tot eten.

    ‘In de loop der jaren heb ik een eindeloze stroom tekeningen over eten gemaakt. Het was mijn Nederlandse uitgever Jaco Groot die voorstelde er een boek van te maken. Onze relatie gaat terug tot 1978, toen hij mij uitnodigde in Amsterdam om een boek te maken met de titel Atlas. Dat was het begin van een serie tekeningen onder de titel Great Culinary Disasters Of Our Time, gebaseerd op een aantal maaltijden die ik op mijn reizen kreeg voorgeschoteld. Sindsdien ben ik te vinden op het foodfestival in het Franse Bourg-en-Bresse, waar sommige foodtekeningen werden tentoongesteld.’

    Safari

    ‘Het was daar dat ik de grote voedselhistoricus Alan Davidson ontmoette, wiens boeken een enorme inspiratie voor mij zijn geweest. In 1991 kreeg ik een tentoonstelling in Poitiers en raakte in de ban van de lokale keuken van de streek, Poitou-Charentes. Mijn gastheer nam me mee op een gastronomische safari, gelukkig inclusief de wereldberoemde oesters van het Franse eiland Île d’Oléron, evenals de lokale cognac en de fantastische geitenkaasboerderijen daar.

    Er wordt zo veel geweldig ambachtelijk eten gemaakt. Ik ben blij om te zien dat lokaal gekweekte seizoensproducten nog steeds floreren en speerpunt blijven in de renaissance van het ambacht. Ik heb de streken verkend en mijn tekeningen vier keer per jaar in het tijdschrift L’Actualité Nouvelle-Aquitaine gepubliceerd.’

    Een broodje haring bij een van de stalletjes langs de Amsterdamse grachten

    ‘Onlangs heb ik de fantastische chef Pierre Gagnaire ontmoet, die een wonderbaarlijk lekker diner voor mij en mijn vrouw heeft gemaakt in zijn restaurant Gordes in Parijs. Pierre is echt een kunstenaar. We werken samen aan een boek.’

    ‘Dus mijn avonturen in voedselland gaan gestaag door. Maar uiteindelijk keer ik altijd terug naar een van mijn favoriete plekken om te mogen proeven van wat voor mij een van ‘life’s great pleasures’ betekent: een broodje haring bij een van de stalletjes langs de Amsterdamse grachten. Zo ziet de hemel er voor mij uit.’

    screenshot 2021 01 29 at 11 54 16

    Humor

    Glen Baxter publiceerde in 2012 het boek Colonel Baxter’s Dutch Safari bij het veertigjarige jubileum van zijn uitgeverij De Harmonie. Bijna elk Nederlands begrip is er in een absurdistische versie terug te vinden. Wim de Bie, een groot fan en verzamelaar van Baxters werk, schreef het voorwoord bij deze bundeling. Uitgenodigd voor een lunch door De Bie zou Baxter grappend gezegd hebben: ‘Krijg ik dan eindelijk het Baxtermuseum eens te zien.’

    Bij aankomst hing er op de voordeur inderdaad een bordje ‘Baxter Museum’ en Wim de Bie verwelkomde Baxter verkleed als suppoost. Hij kreeg een toegangskaartje en elke bezoeker moest naam en adres achterlaten in een daarvoor bestemd boek. Binnen stonden Kees van Kooten en Jan Mulder, met de handen achter hun rug, heel serieus naar zijn tekeningen te kijken. Over humor gesproken.

    New Ways with Vegetables and Other Disasters van Glen Baxter verschijnt bij uitgeverij De Harmonie.

  • Elkaar in virtual reality ontmoeten nu dat fysiek even niet kan

    Elkaar in virtual reality ontmoeten nu dat fysiek even niet kan

    Als de werkelijkheid niet meer bevalt, biedt virtual reality tal van mogelijkheden. Die zogenaamde realiteit wordt bovendien steeds echter. ‘Je zintuigen worden zo geprikkeld dat je lichaam de rest gewoon invult.’

    Het maakt allemaal een nogal onschuldige indruk. Een zonnestraal komt precies voor mijn voeten terecht, hij heeft een lange reis achter de rug, ook al bestaat hij eigenlijk niet echt. De zonnestraal heeft zich een weg gebaand door het dikke pak wolken buiten, is meegereisd op de piepkleine regendruppeltjes uit de hemel, tot hier bij mij. Zachtjes en warm kietelt hij mijn voet op de parketvloer. Ik kijk om me heen: de ruimte heeft de vorm van een kubus, aan drie zijden begrensd door enorme glazen wanden. De vierde muur is vrijwel over de hele breedte bedekt door een reusachtig scherm waarop een film speelt. Een paar lachende mannen staan ernaar te kijken.

    Waar ben ik? Ik ben in de toekomst. En tegelijk ben ik in het hier en nu. Ik ben in de realiteit. En tegelijkertijd in iets heel anders, iets dat wel wat weg heeft van een droom. Ik ben in de virtuele realiteit. Ze zeggen dat virtual reality onze toekomst is en dat we elkaar over een jaar of tien, twintig hier zullen ontmoeten, in plaats van verre reizen te maken om onze geliefden te zien. Nu zijn er nog maar weinig mensen op pad in deze wereld, die eigenlijk nog niet echt bestaat, ook al ziet hij er voor mij op dit moment verdomd echt uit.

    avatar2
    Worlding Worlds, MU – © Hanneke Wetzer

    In de niet-virtuele werkelijkheid heb ik nu een grote koptelefoon en een enorme virtualrealitybril op die in het begin zwaar aanvoelde, en sta ik in mijn eigen woonkamer. Maar wat is nou echt: zodra ik me bevind in de kubusvormige ruimte met de glazen wanden die alleen in mijn bril bestaat, verdwijnt de andere realiteit. De headset voel ik niet meer, ik sta niet meer in mijn woonkamer, ik ben in deze met licht overgoten ruimte met het grote scherm tegen de muur. Als ik op de vloer van mijn woonkamer een stap zet, ga ik ook in de virtuele ruimte een stap naar voren. Buig ik mijn hoofd, dan doet mijn avatar, in wiens lichaam ik de andere wereld beleef, dat ook. 

    Andere wereld

    Ik draai een rondje en ben verbaasd hoe echt het allemaal lijkt: boven, onder, links, rechts, waar ik ook kijk, de illusie is zo perfect dat mijn woonkamer en daarmee de hele andere wereld verdwijnt. Ik verbaas me over de bomen achter het raam die wiegen in de wind, net als echte bomen, ervoor loopt een beekje dat uitkomt bij een waterval. Als ik dichter bij de uitgang kom, hoor ik het beter, net als het getsjilp van de vogels en het ruisen van de bladeren, terwijl het gesprek van de mannen op de achtergrond zachter wordt. Dit hier is de ‘Hang out area’. Op het menu heb ik deze gekozen omdat het klinkt naar vrije tijd, gezelligheid, smalltalk, mensen leren kennen, relaxen. Ik voel de zon op mijn huid, ook al kan dat eigenlijk niet. Hier worden je zintuigen zo geprikkeld dat mijn lichaam de rest gewoon invult. Er komt een rust over me waarvan ik niet weet of die misschien ook alleen virtueel is.

    Opeens wordt de zonnestraal verduisterd en staat er een grote, rode man voor me. Ik heb hem niet zien aankomen, maar nu hoor ik hem hijgen, vlak bij mijn oor, veel te dichtbij. Hier klopt iets niet. Zijn hand komt dichterbij, ik kijk omlaag, zie mijn blauwe jurk en zijn hand op mijn borst. Ik heb een vrouwelijke avatar gekozen, was dat misschien verkeerd? Mijn avatar heeft een wespentaille en ziet er verder uit als een kleine robot, met ronde, lege oogkassen die oplichten als je spreekt. Mijn vrouwelijke avatar heeft de man ertoe verleid om mij te grijpen. Ik wil schreeuwen. Maar wie zal me horen? In welke wereld komt mijn kreet terecht? De rode man staat voor me, breedgeschouderd, met agressief flitsende groene ogen, hij betast me en zegt niets. Hij kijkt me recht in de ogen, alsof hij zich afvraagt hoe ver hij kan gaan. Grijnst hij? Verlustigt hij zich aan mijn hulpeloosheid? Wil hij zien wat er nu gaat gebeuren, als een klein kind? In dit gezicht kun je van alles menen te zien. Het voelt shit. Ik wil een stap achteruit doen, maar daar is een trap. Wat als ik struikel? Zijn het echte treden? Of beweeg ik me over de vlakke vloer van mijn woonkamer in de andere wereld? 

    Wat is nu echt?

    Ik probeer tegen mezelf te zeggen dat het allemaal niet echt is. Als door drijfzand banen de gedachten zich een weg door mijn hoofd. Deze ruimte lijkt te echt. Maar wat is nu echt? In mijn echte handen heb ik twee controllers, zwarte ringen ter grootte van een armband. Die brengen mijn bewegingen over naar de virtuele wereld. Daar heb ik dus geen handen met vingers, maar twee ringen. Ik probeer de man weg te duwen, maar de controllers gaan dwars door hem heen. ‘Look!’ roept hij naar opzij, ‘kijk!’ Er komt nog een man aan, even rood, even enorm. Nu staan ze daar allebei te lachen. Ik hoor ze ademhalen, de een bij mijn rechter- en de ander vlak bij mijn linkeroor, de ene lacht zo hard dat hij moet hoesten. Het komt allemaal mijn hoofd in alsof er echte mensen naast me staan. En ze zijn echt. Deze mannen staan net als ik ergens op de wereld in een woonkamer, ze hebben precies dezelfde stem, hoesten in werkelijkheid ook en grepen zojuist een vreemde vrouw bij haar borsten alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Hun avatars hebben metalen blinddoeken voor, die oplichten als ze praten. Anders dan ik hebben ze wel handen: in plaats van een controller gebruiken ze een techniek die de bewegingen van hun echte handen en vingers filmt en overbrengt naar de virtuele werkelijkheid. De tweede man geeft een teken: met wijsvinger en duim maakt hij een rondje en steekt de wijsvinger van zijn andere hand erdoor. ‘Neuken’, betekende dat vroeger bij ons op school. Ik draai me om.

    Het is niet zo dat ik niet gewaarschuwd ben. In talloze gesprekken met ontwikkelaars, filosofen en psychologen heb ik vooral één ding steeds opnieuw gehoord: virtual reality is echt heel realistisch, bijna té. Gamers vertellen over veel te gewelddadige killergames, sommigen van hen hebben problemen een virtuele moord te verwerken, andere waarschuwen: in deze realiteit voelt misbruik zo echt dat mensen er trauma’s van kunnen krijgen en die meenemen naar de echte wereld. Weer anderen vertellen enthousiast over de mogelijkheden voor sociale interactie, net als in het echte leven. Onderzoekers garanderen me: in de toekomst, als deze technologie geschikt is gemaakt voor de grote massa, gaan we echt niet alleen driedimensionale computergames spelen. Mensen die te ver van elkaar af wonen om elkaar te ontmoeten, kunnen in de virtuele wereld samen avonturen beleven, musiceren, een film kijken of gewoon een beetje praten. Ruimte en tijd worden overwonnen. Ik moet bij zulke gesprekken altijd denken aan mijn vriendin in Nieuw-Zeeland of aan mijn broer in Brazilië, met wie ik weinig contact heb omdat ik, als we bellen, e-mailen of chatten, altijd iets mis. Social virtual reality, het klinkt als een mooie droom.

    Toekomst

    Hoe zou die toekomst voelen? Ik ga op zoek en vind AltspaceVR, tot nu toe de grootste chatroom van de virtual reality. Nog klein, maar vervuld van een groot optimisme. Optimisme niet alleen bij de eerste gebruikers, maar vooral bij Amerikaanse verstrekkers van durfkapitaal. De virtuele werkelijkheid lijkt hen een superinvestering voor hun in het geheel niet-virtuele geld. Via een forum zoek ik gebruikers van AltspaceVR en vraag hun: waar is hier de toekomst? Niemand van hen wil me in het echte leven ontmoeten. Een van hen schrijft: ‘Als je wilt weten waar de toekomst is, moet je absoluut met Crystal kennismaken! Ze is echt een beroemdheid in de community.’ Crystal, de toekomst, het klinkt geheimzinnig. Ik neem me voor Crystal te vinden en ga op reis in deze ver verwijderde, andere wereld.

    De dagen daarna zijn ontzettend opwindend. Ik ben weer kind, met iedere dag nieuwe speelkameraadjes. We verkennen allemaal verschillende ruimtes in Altspace, de ‘Welcome area’, een taveerne, we ontdekken wat we allemaal met onze avatars kunnen doen, beamen, vliegen, we zwerven door een labyrint en houden zwaardgevechten, die ook in het echt een beroep doen op alle spieren in je lijf. Want als ik met mijn zwaard zwaai, zwaai ik ook in de werkelijkheid van mijn woonkamer met mijn arm en de controller. Als een andere strijder door mijn dekking breekt, duik ik weg op de vloer van de woonkamer die voor mij op dat moment niet bestaat, ik zit immers op de krakende vloer van de taveerne. Gelukkig staat er in de echte wereld niemand naar me te kijken, denk ik af en toe als de herinnering aan mijn andere leven even opkomt.

    Sommige gebruikers zijn zo enthousiast over de nieuwe techniek, over wat ze kunnen en wat er in virtual reality mogelijk is, dat ze alle grenzen overschrijden. Ze rennen tussen andere gebruikers door, wapperen met hun handen voor het gezicht van andere gebruikers of bepotelen vreemde vrouwen. 

    Ik word beter in het mezelf wegbeamen, dat is de nooduitgang uit de virtuele realiteit. Ik hoef alleen maar met mijn controller naar een plaats in de ruimte te wijzen en op een knop te drukken en dan land ik precies op die plek.

    Dat kan gevaarlijk zijn: op een dag heb ik me samen met mijn nieuwe speelkameraden op een rots gebeamd, pal voor mijn voeten gaat het honderden meters omlaag. Beneden zie ik de piramide die gisteren nog enorm en onoverwinnelijk voor me stond, nu is hij piepklein, de mensen die erop staan lijken luizen. Ik kijk voorzichtig achterom; achter me niets dan rots, geen mogelijkheid om weg te komen. Ik sta te trillen, kan me niet bewegen, denk even aan de andere wereld die zo ver weg is, en waar ik op de solide vloer van mijn woonkamer sta. Of niet? De gedachte stelt me niet gerust. Dit hier voelt te echt. Ik verstijf, mijn lichaam signaleert: gevaar!

    Ook dat wist ik en desondanks kon ik het niet geloven. Veel gamers en psychologen waarschuwden me al voor dat effect. Ontelbare keren heb ik het zinnetje gehoord: ‘Het lijkt zó echt, dat kun je je niet voorstellen.’ En ik moet zeggen: dat klopt. Maar tegelijk creëert juist datgene wat mij tot de grens brengt van wat ik aankan – hoewel ik in het echte leven niet erg bang ben uitgevallen – voor andere mensen enorme mogelijkheden. Zo kunnen er in de toekomst therapieën ontwikkeld worden voor allerlei angststoornissen. De eerste experimenten lopen al en de resultaten zijn veelbelovend. Mensen met hoogtevrees oefenen om in een virtuele afgrond te kijken. 

    Mensen met ruimtevrees zitten in virtuele liften en rijden door tunnels, patiënten met sociale fobie kunnen virtuele mensen ontmoeten en leren met hen om te gaan. De therapie van de toekomst.

    Ik heb een vrouwelijke avatar gekozen, was dat misschien verkeerd?

    Maar ik ben niet op zoek naar de therapie van de toekomst, en niet naar avonturen en games van de toekomst, ik zoek het sociale leven van de toekomst! Waar zit die Crystal? Hoe kan het dat ik haar in al die uren die ik al in de andere wereld heb doorgebracht nog niet ben tegengekomen? Alleen haar naam klinkt al veelbelovend. Zou zij me duidelijkheid kunnen geven, me helpen in de kristallen bol te kijken? Is zij iemand die nu al leeft zoals wij dat in de toekomst zullen doen?

    Verschillende culturen

    Op een avond zit ik naar een virtuele hemel te kijken, naar dikke wolken met gerafelde omtrekken waar ik allerlei fantasiefiguren in zie, net als bij echte wolken. De zon schijnt door de open plekken in het wolkendek. Hier en daar staan groepjes mensen te praten. Een paarse vrouw haalt me uit mijn dromerige stemming. Haar ronde ogen lichten zachtroze op als ze zich voorstelt als Sana en me vraagt wie ik ben. Ze heeft een zachte, warme stem. Ook al kan ik haar gezicht niet zien, ik heb het gevoel dat ze naar me glimlacht. Ze spreekt langzaam en bedachtzaam, kleine signalen waardoor ze een vriendelijke indruk maakt. Haar hoofd een beetje voorover, de knikjes die uit de echte wereld naar de virtuele wereld worden overgebracht, het nauwelijks hoorbare ‘hm’. Ik hoor dat ze uit Egypte komt, een gelovige moslima is en iedere dag na het vasten van de echte naar de virtuele wereld reist. En jij? Aha, een Duitse. Aanvankelijk had ze vooroordelen tegen Duitsers, tegen Europeanen, eigenlijk tegen westerlingen in het algemeen. ‘Je hoeft je niet aangevallen te voelen,’ zegt ze beleefd, ‘maar ik heb lang gedacht dat westerlingen geen manieren hadden, dat ze zich onbehoorlijk gedroegen, gewelddadig waren en overal rommel lieten liggen. Maar hier heb ik veel aardige Europeanen leren kennen.’

    Dat kan de virtuele werkelijkheid ook: mensen uit verschillende culturen bij elkaar brengen. Onder avatars heerst grote tolerantie, noodgedwongen. Er is immers maar een beperkt aantal modellen voor onze virtuele lichamen, je kunt zelf alleen de kleur kiezen, dus uiterlijk zijn we allemaal min of meer gelijk. Pas in een gesprek en vooral door de stem komt de echte mens achter de avatar tevoorschijn. Verbazend snel vergeet ik dat de mensen met wie ik hier praat, eruitzien als robots. 

    ‘Kom, ik laat je mijn ruimte zien,’ zegt Sana. 

    Gebruikers van AltspaceVR kunnen zelf hun eigen ruimte vormgeven. Soms zijn ze heel creatief, afhankelijk van hoeveel programmeerervaring en zin om te experimenteren ze hebben. De ruimtes zijn open voor iedereen, je kunt ze niet afsluiten. Ik kies in mijn menu ‘Sana’s time machine’, de computer heeft een paar seconden nodig en dan sta ik in een grote ruimte met een open haard, waar een gezellig houtvuur knappert, aan de muren hangen schilderijen en foto’s met Arabische letters, een scene uit een sprookje en zwart-wit foto’s van twee kleine kinderen met grote, donkere ogen. Sana is er al, ze vraagt of ik op het balkon kom. ‘Welkom in mijn domein, kijk gerust rond.’ De hemel is paars, haar lievelingskleur, er zweven lichtbolletjes door de lucht, sterren zo groot als sneeuwvlokjes, de hele tijd vliegt er een tussen ons door. Het is bijna een beetje romantisch. Voor het eerst hier in Altspace heb ik het gevoel dat ik tot rust kom. Sana’s tijdmachine vormt een tegenwicht tegen de hectiek in de andere ruimtes, het onafgebroken gamen in de taveerne en het labyrint, en tegen de korte, oppervlakkige gesprekjes met al die verschillende gebruikers.

    Evildoer

    Ik wil meer over Sana te weten komen. Maar ze is opeens erg zwijgzaam. Haar leeftijd wil ze niet vertellen. ‘De mensen hier hebben snel hun oordeel klaar, iedereen boven de dertig vinden ze stokoud.’ 

    Ze vertelt wel dat ze niet werkt. ‘In onze godsdienst kan dat niet. Nu heb je vast je oordeel klaar. Maar waarom zou ik werken? Ik vind het niet leuk.’ We praten wat over verschillende culturen, hoe het haar vergaat, haar vrienden hier. Opeens staat er een grote, zwarte avatar met neongroene ogen in de deuropening naar het terras. ‘Hé, Evildoer,’ roept Sana, ‘dit is Eva, ze is journalist. En dit is Evildoer, een goede vriend van me. Hij heeft mijn hemel geprogrammeerd. Hij kan alles!’ De zwarte man knippert vriendelijk met zijn neongroene ogen en zegt verlegen: ‘Nou ja, ik vind het nu eenmaal leuk om te doen.’

    ‘Het lijkt zó echt, dat kun je je niet voorstellen’

    Sana legt uit dat zijzelf het vuur niet kan zien. Ze heeft een andere virtualrealitybril dan ik en ziet alleen de houtblokken. ‘Maar Evildoer is ermee bezig.’ Haar stem klinkt zacht en een beetje wee-moedig. Voor Sana is hij niet iemand die ‘kwaad doet’, zoals de letterlijke vertaling van zijn naam is, integendeel, hij doet juist goede dingen. Hij versiert Sana’s ruimte met kunstwerken. Als hij voor een muur staat verschijnt daar opeens een nieuw schilderij: de wijzerplaat van een klok, het lijkt of hij op de zeebodem ligt en vanuit de diepte goud oplicht. Sana en ik lopen over haar groene retro bloemen-tapijt naar Evildoer, die voor het kunstwerk staat. Sana leest het Arabische schrift: ‘Mijn gedicht,’ zegt ze nadenkend. Wat staat er?

    ‘Dat is moeilijk te zeggen, omdat deze symbolen in het Engels niet bestaan,’ zegt Sana. De strekking luidt: ‘De wijzers van de klok vallen omlaag en steken me als een schorpioen. Het gif blijft in mijn lichaam zitten.’

    Gedachten schieten door mijn hoofd: tijd, tijdreizen… In Sana’s ruimte gaat het over een of ander thema dat ik nog niet begrijp. Ik durf er niet naar te vragen, het lijkt me te persoonlijk gezien onze recente kennismaking. In plaats daarvan vraag ik, onschuldiger: ‘Waarom heet je ruimte de tijdmachine?’ ‘Och, ik ben een boekenwurm en ik hou van tijdreizen.’ ‘Sciencefiction?’ ‘Nee, alleen tijdreizen.’

    In de loop van de avond komt er meer bezoek. Sana zegt tegen iedereen vriendelijk: ‘Welkom in mijn ruimte.’ Ze vraagt iedereen naar welke tijd hij wil reizen en waarom. Veel bezoekers gaan meteen weer weg, zulke vragen zijn ze in Altspace niet gewend. Sommigen kijken alleen in stilte rond, reageren niet op Sana’s woorden en verdwijnen geluidloos weer, als geesten. ‘Wacht, blijf nog even!’ roept ze hen achterna, ze klinkt bedroefd. Met de paar die blijven heeft ze filosofische gesprekken, over de zin van tijdreizen, of je beter naar de toekomst of naar het verleden kunt gaan, en of het toegestaan zou moeten worden om in het verleden dingen te veranderen.

    Evildoer heeft geen rust, voortdurend is hij op zoek naar plekken in de ruimte die hij kan verfraaien. Laat op de avond komt ook hij tot rust. We staan voor een ander kunstwerk dat hij zojuist heeft geprogrammeerd. ‘Wie ben je in het echt?’ vraag ik hem. Maar veel wil hij niet kwijt. Zijn echte naam is Eric, hij komt uit Canada en heeft als freelancer met computers gewerkt, zijn leeftijd doet er niet toe. 

    Wat bevalt hem hier? Sana’s ruimte inrichten. En het sociale. ‘In het echte leven ben ik heel verlegen, ik heb niet veel vrienden. Mijn avatar is een soort masker, hier ben ik meer op mijn gemak en heb ik vrienden gemaakt.’ Op het schilderij waar we voor staan, zijn carnavalsmaskers in het zand afgebeeld, ze maken al een beetje een verweerde indruk. Ernaast staan Arabische letters. ‘We verstoppen ons allemaal achter ons masker, omdat we allemaal iets meedragen dat stuk is gegaan,’ leest Sana voor. ‘Sommigen geven het toe, anderen verdringen het, omdat datgene wat stuk is, pijn doet.’ We zwijgen. ‘Tja, ik ben een zwaarmoedig mens,’ zegt Sana. 

    Wat maakt haar zo bedroefd?

    De volgende dag zit de melancholie van die avond als een breedgerande hoed op mijn hoofd. De melancholie schermt me af van de oppervlakkige stralen van de realiteit. Ik denk aan mijn nieuwe vriendin en aan haar wereld, die ze in de virtuele wereld heeft opgebouwd en die ze blijkbaar verkiest boven de echte wereld. Ik probeer te gissen wat er bij haar stuk zou kunnen zijn, wat haar ertoe brengt zich achter een masker te verbergen. Maar, doet ze dat eigenlijk wel? In haar virtuele wereld maakt ze een heel oprechte indruk. Ze is uit haar dagelijkse bestaan geëmigreerd, een bestaan dat haar wellicht zwaar valt. Als je kon tijdreizen, was ze misschien al lang weg geweest, ergens naar het verleden. Tot het zover is, lijkt de virtuele wereld haar toevluchtsoord te zijn.

    avatar1
    Worlding Worlds , MU – © Hanneke Wetzer

    Ik zet mijn melancholiehoed af en mijn virtual-realitybril op om afleiding te zoeken in de Welcome area van Altspace. Voor de afwisseling heb ik geen bezwaar tegen wat onschuldige smalltalk. Ik ontmoet een Duitser die in een hoekje staat en in opdracht van Altspace in de gaten houdt dat niemand zich ongepast gedraagt. Een zogenaamde moderator. Ik vertel hem over mijn ontmoeting met de rode man op mijn eerste dag. ‘Hier in de Welcome area is altijd iemand van ons aanwezig,’ zegt hij. 

    ‘We zorgen ervoor dat zulke mensen er onmiddellijk uitvliegen! Kom de volgende keer hiernaartoe.’ Dit is zijn eerste virtuele baan, altijd ’s ochtends, als Amerika nog slaapt. Virtuele banen, ook die zijn in de toekomst nodig: virtuele uitsmijters, virtuele politieagenten. ‘Zero tolerance’ is het devies in Altspace als het om racisme en seksisme gaat. Gebruikers die de regels overtreden worden er zonder waarschuwing uitgezet, een volgende keer wordt hun voor 48 uur de toegang ontzegd en een derde keer wordt hun account gewist. 

    Dubbele X-chromosoom

    Het schijnt een moeizame strijd te zijn. ‘De raadselachtige aantrekkingskracht van het dubbele X-chromosoom,’ zegt de Duitse politieagent geheimzinnig. Hij schat het aandeel vrouwen in Altspace op twintig procent. ‘En die staan niet allemaal open voor een avontuurtje.’ Een probleem voor mannen die op een avontuurtje uit zijn. Vooral jonge vrouwen zijn er niet veel, ‘en als ze er al zijn, zijn ze net zo opgefokt als Crystal’. Mijn hart slaat over: dé Crystal? Ik wil meer vragen, maar zijn dienst zit erop. In het echte leven heeft hij een afspraak.

    Na de eerste week maak ik de balans op. Ik ben oververzadigd door de honderden, zo lijkt het wel, vergelijkbare gesprekjes. Wie ben je? Waar kom je vandaan? Wat doe je hier? Welk apparaat gebruik je? Ik blijf een paar dagen offline, trek me terug in mijn echte leven en denk na over hoe het verder moet. Ik zou graag relaties aanknopen, met een paar bezoekers intensiever omgaan. Als dat lukt, is dat toch de toekomst! Ik besluit Sana te gaan zoeken. Ik ga een paar keer naar haar ruimte, maar ze is er niet. Ik zou wel een berichtje voor haar willen achterlaten, maar daar is in Altspace niet in voorzien. Hier bestaan geen post-its, geen prikbord en ook geen telefoon. 

    ‘Missen jullie hier niet een level? Iemand kunnen omhelzen bijvoorbeeld?’

    Of je komt iemand tegen, of niet. Een vriendschap onderhouden is in de virtuele wereld helemaal niet eenvoudig. Ik wen me aan om ’s avonds altijd even te kijken welke gebruikers online zijn. Dat is heel makkelijk, via de app op mijn telefoon, ik hoef niet eens zelf in de virtuele wereld te zijn. Ik voel me net een spion als ik ’s avonds de lijst uit de andere wereld doorkijk. Als Sana’s naam opduikt, zet ik vlug mijn headset op en klik op haar naam. Ik land direct naast haar, onder een boom aan de rand van de Welcome area. 

    Liefde

    Sana herkent me meteen. ‘Hé, welkom terug, wat fijn dat je er weer bent!’ Ze zit te praten met haar vriendin Lun uit Kroatië. Luns avatar is helemaal roze, die van Sana paars, de mijne blauw. We praten over het echte en over het virtuele leven, over mannen die eeuwige trouw beloven en zich nooit meer laten zien. We lachen, omdat Lun vertelt dat ze dat zelfs hier heeft meegemaakt met iemand die absoluut haar nieuwe verkering wilde worden. Daarna verdween hij. ‘En sindsdien wacht Lun tot hij terugkomt,’ giechelt Sana.

    Evildoer schiet me te binnen, de man die Sana’s wensen van haar gezicht lijkt te kunnen aflezen, die zelfs het vuur in haar haard wil aansteken nu ze dat zelf nog niet kan. En ook omdat Sana en Lun zo moeten giechelen over Luns aanbidder, voel ik dat ze het al vaker over dit onderwerp hebben gehad. 

    Als ons sociale leven in de virtuele wereld moet gaan plaatsvinden, dan moet daar ook liefde bestaan. Dan schiet me een vraag te binnen die me al bezighoudt sinds ik hier ben: ‘Missen jullie hier niet een level? Iemand kunnen omhelzen bijvoorbeeld?’ Lun en Sana kijken elkaar aan, ze twijfelen. ‘Misschien,’ zegt Lun zachtjes.

    Op dat moment weet ik nog niet dat Crystal me binnenkort zachtjes over mijn wang zal strelen.

    Ons paars-roze-blauwe vrouwengroepje aan de rand van de Welcome area valt nogal op. Steeds weer komen er mannen die ons gesprek onderbreken, ze stellen de bekende ‘wie zijn jullie en wat doen jullie hier’-vragen, een van hen wil weten of we zussen zijn. Als er hier al zo weinig vrouwen zijn, dan is een groepje vrouwen helemaal uniek. Lun vertelt over haar twee kleine kinderen, die nu liggen te slapen en over haar man, een zeiler, die al maanden op zee is. Het lijkt er steeds meer op dat de virtuele wereld er vooral is voor mensen die op dit moment in het echte leven niets beters te doen hebben, die niet gewoon kunnen uitgaan. Lun met haar kleine kinderen en haar man die er nooit is. Sana met haar strenge 
    islamitische geloof.

    Maar wat heb ík eigenlijk in deze virtuele realiteit te zoeken? Na ieder bezoek voel ik me leger. Het is leuk om al die gekke games uit te proberen; Altspace met al zijn details is met veel liefde geprogrammeerd. 

    Het is leuk om hier met iedereen een beetje te kletsen. Maar aan het eind van de dag, als ik mijn headset afdoe, dringt zich toch de vraag op: wat dóe ik hier met al die onbekenden? Een gevoel van leegte volgt me uit de virtuele naar de echte. Ik voel me eenzaam. Terwijl ik in de onvirtuele wereld toch echte vrienden heb! Die ik verwaarloos vanwege dit virtuele avontuur. Dit kan niet de toekomst zijn. 

    Ik geniet van een dagje offline. Maar dan mis ik Sana een beetje en stuur ik haar een mail: ‘Kunnen we morgen afspreken?’ Het antwoord komt meteen: ‘Graag. Ik ben er ’s avonds, na het vasten.’

    Ik vind Sana in haar tijdmachine, ze is alleen en staat peinzend naar de muur met tekeningen uit een kinderboek te kijken. Er staan een jongen en een meisje op met hun armen om elkaar heen, maar voor elk plaatje lijkt een net van prikkeldraad te zijn gespannen.

    Opeens staat daar Evildoer, Sana knikt, alsof ze op hem heeft gewacht. Op zijn karakteristieke manier glijdt hij als het ware door haar ruimte en bekijkt de muren uit alle hoeken. ‘En?’ vraagt hij uiteindelijk als hij naast Sana staat en met zijn hoofd naar de muur knikt. ‘Is goed geworden,’ zegt Sana met haar zachte stem. ‘Wat heb je erbij geschreven?’ vraagt hij met een blik op de Arabische letters. ‘Een verhaal over mensen die zijn weggegaan,’ leest Sana voor, ‘en hoe we op hen blijven wachten, ook al komen ze nooit meer terug.’

    Helaas heeft Sana geen echte tijdmachine die haar naar de mensen kan brengen die zijn weggegaan en nooit meer terugkomen. Er is kennelijk iemand die ze zó erg mist dat de virtuele realiteit voor haar een steun is om de echte realiteit te kunnen verdragen. Voor haar opent die wereld hier de mogelijkheid om een tweede leven te hebben, een virtueel leven dat alles goedmaakt. Iets wat in de werkelijkheid niet voor haar is weggelegd. Of om dingen te vergeten die in de echte wereld misgegaan zijn. Ik ga er stilletjes vandoor en ben blij dat Evildoer bij haar is. Hij lijkt haar alleen al door zijn aanwezigheid te kunnen troosten.

    Ondanks de verdrietige ontmoeting ben ik de volgende dag tevredener dan eerder in deze twee weken. Voor mijn innerlijk oog vormen de puzzelstukjes langzaam een geheel: onze virtuele toekomst. Wellicht biedt die toekomst een nieuwe ruimte voor iedereen en alles, voor dromen en visioenen. Voor mensen die alleen willen gamen. En voor anderen die hier een sociaal leven opbouwen omdat ze dat in de realiteit niet lukt. Op een of andere manier is het een troostrijke gedachte. Dan zit er in mijn postvak een mailtje van de voorlichtingsdienst van Altspace: ze zijn blij dat ze me in contact kunnen brengen met een van hun powerusers voor een interview. Ze is ’s avonds altijd online: Crystal uit Las Vegas! De vrouw van de toekomst! Opgewonden reken ik vlug uit: negen uur tijdverschil, acht uur ’s avonds in Las Vegas is vijf uur ’s ochtends bij mij.

    Crystal

    Als de grote dag daar is, voel ik me moe. In mijn echte wereld slaapt iedereen nog als ik mijn headset opzet en Crystal ontmoet. Ze lijkt wel dolgedraaid en haar snelle Amerikaans-Engels komt in een spraakwaterval: ‘Hé Eva, how are you, nice to see you, kom, ik laat je alles zien, het is hier zo prachtig, ik heb enorm veel lol, het is net als in het echte leven, maar dan beter, ik heb waanzinnig veel vrienden hier en ik kan haast niet wachten tot het weer weekend is en ik weer een party kan organiseren. Die zijn altijd waanzinnig vol, daarom hebben we nu een wachtlijst.’

    Pas als ik weer boven kom uit haar woordenvloed en Crystal beter bekijk, valt me op dat ze er precies zo uitziet als Sana. Ook zij heeft de elegante paarse avatar met de wespentaille gekozen. Maar verwarring is uitgesloten. In tegenstelling tot Sana kan Crystal niet stilzitten, ze huppelt om me heen, lacht, praat luid en raakt steeds buiten adem. Haar energie is aanstekelijk, zodat ik helemaal vergeet dat ik op dit moment eigenlijk te moe ben voor dit soort gesprekken. Ik hoor dat ze in het echt ook Crystal heet, 26 jaar is en in Las Vegas werkt als doktersassistente. Ze brengt hier al haar avonden en het hele weekend door. ‘Dit is mijn sociale leven,’ zegt ze, ‘het is net de echte wereld.’ Wat zeggen haar echte vrienden, die uit de andere wereld, daarover? ‘In het echte leven heb ik geen vrienden,’ zegt ze met een ontwapenende openheid. Ze heeft een probleem met nabijheid, een angststoornis. ‘Als ik iemand tegenover me heb, sta ik te trillen en te zweten, daar kan ik niet tegen.’ ‘En hier?’ ‘Hier is het makkelijker. In geval van nood draai ik me om of beam mezelf weg.’

    ‘Mis je het niet dat je mensen niet kunt aanraken?’ vraag ik. Ze komt dichterbij en streelt met haar wijsvinger zachtjes over mijn wang. Ze gebruikt dezelfde techniek als de grote rode man die me bij mijn borsten greep: een camera die de bewegingen van haar echte handen overbrengt naar de virtuele realiteit. ‘Maar dat voel je toch niet!’ protesteer ik. ‘Ik voel het wel,’ zegt ze. Daarna neemt Crystal me mee op een wilde tocht door Altspace. We beamen onszelf hierheen en daarheen en opeens staan we onder een adembenemende sterrenhemel. Mijn hoofd tolt van zo veel input op de vroege morgen. ‘Welcome to the campsite,’ staat op een affiche te lezen, daarnaast brandt een kampvuur. ‘Dit heeft een vriend geprogrammeerd voor mijn laatste party,’ zegt Crystal. Haar party’s duren altijd twee dagen, zodat al haar vrienden uit verschillende tijdzones erbij kunnen zijn. ‘Ze kunnen op de camping slapen.’ Hoe bedoel je, slapen? ‘Ga maar liggen.’ Ik ga op de grond liggen, in de ene wereld op de vloer van mijn woonkamer, in de andere op het malse gras van het kampeerterrein, en door mijn bril zie ik sterren, kometen, de Melkweg. Ik wil nooit meer opstaan, zo mooi is deze hemel. Maar hoe kun je nu feesten als je in werkelijkheid alleen thuis bent? ‘Ik maak altijd wat te eten en zet drankjes klaar. We drinken met zijn allen! Ik bedoel, anderen gaan naar een club om alcohol te drinken. En dit is mijn club.’

    Tijdmachine

    Als ik mijn bril afzet, schijnt buiten de zon. In het park voor mijn huis zijn eersteklassertjes op weg naar school. Zo heerlijk onschuldig, de echte wereld. Het is acht uur. Voor vandaag heb ik wel weer genoeg meegemaakt.

    Een paar uur later krijg ik een mailtje van Sana: ‘Hallo, lieve vriendin, ben je er vanavond? Laat het me weten, dan kom ik ook.’

    Als ik die avond in Sana’s tijdmachine arriveer, is ze er nog niet. Ik slenter wat door de ruimte en kijk plotseling in de vertrouwde neongroene ogen van Evildoer. Hij staat voor het schilderij met de kinderen die elkaar omhelzen. ‘Wie zijn die kinderen?’ vraag ik. ‘Vraag maar aan Sana, ik weet niet of ze het wil vertellen.’

    Is ze een goede vriendin? Evildoer aarzelt. Dan fluistert Sana opeens zachtjes in mijn oor: ‘Dat is het magische van de virtuele realiteit, de mensen voelen hier zo dichtbij.’

    Ze is thuisgekomen en omhelst me ter begroeting, het voelt als warm gekriebel.

    Buiten rommelt het onweer en plenst de regen uit de paarse hemel, binnen knappert het haardvuur. 

    ‘Ik kan het vuur nu ook zien!’ zegt Sana. Ze klinkt erg gelukkig. Vanavond praten we over God en over de wereld. Of je je kinderen godsdienstig moet opvoeden of dat je de keuze aan hen moet laten. Dat ze haar puberdochter heeft gedwongen een hoofddoekje te dragen en daar nu spijt van heeft. Evildoer luistert meestal alleen en knikt af en toe instemmend, op zeker moment is hij zonder iets te zeggen weggegaan.

    Laat op de avond, als we helemaal alleen zijn, vraag ik aan Sana: ‘Waar wil je met je tijdmachine naartoe?’ ‘Ik zou graag terugreizen naar de tijd dat mijn man nog leefde. Ik mis hem zo erg.’ Ik zou haar graag in mijn armen nemen. Maar zij zit in Egypte, ver weg en helemaal alleen. Virtueel is de realiteit nog moeilijker te verdragen dan in het echte leven.  

    Worlding Worlds – MU

    De Eindhovense culturele instelling Stichting MU op Strijp-S in Eindhoven maakt zich sterk voor vernieuwende tentoonstellingen waarin de grensgebieden van de beeldende kunst worden opgezocht.

    Vanuit beeldende kunst legt de Stichting MU dwarsverbanden naar digitale cultuur, autonoom design, technologie, wetenschap, bio art en performance. De instelling ziet zichzelf als een aanjager van en knooppunt in het kunstklimaat van Eindhoven, Brabant en Nederland.

    Onlangs lanceerde zij het project Worlding Worlds, over het vermogen om alternatieven te vinden in tijden van crises. [Een tentoonstelling die helaas niet meer te zien is.]

    Virtueel naar alternatieve werelden reizen is een welkome afleiding. Zeker als dertien kunstenaars en ontwerpers ons daartoe verleiden en onverwachte mogelijkheden bieden die moeilijk te vinden zijn in de samenleving zoals we die kennen.

    De bij dit artikel gebruikte beelden zijn afkomstig uit de tentoonstelling Worlding Worlds van Stichting MU.

  • In Madrid gaat de show nog steeds door

    In Madrid gaat de show nog steeds door

    In de Spaanse hoofdstad zijn de theaters sinds juli weer open, een uitzondering in Europa. Hoe kan dat in een stad die onevenredig hard is getroffen door de pandemie?

    ‘Het applaus was overweldigend en de bijna duizend toeschouwers waren ontroerd. Een beetje zoals de wereld voor covid-19, maar dan met een mondkapje op’, schrijft Spanjecorrespondent Sandrine Morel in Le Monde. Ze bezocht deze week de opera Don Giovanni van Mozart (in de versie van Claus Guth) in het Teatro Real, het operahuis van Madrid. ‘Een eigenaardige ervaring. Wat ongetwijfeld te maken had met het vreemde gevoel onder het publiek zo bevoorrecht te zijn in een wereld waar de cultuur tot stilstand is gekomen’, aldus Morel.

    Terwijl wereldwijd de meeste grote operahuizen zijn gesloten, zoals The Metropolitan Opera in New York, Convent Garden in Londen en La Scala in Milan, is het Teatro Real al sinds juli weer open, zij het met een lagere bezetting. Zelfs toen in september en oktober de tweede golf de Spaanse hoofdstad hard trof – meer dan 43 procent van de bedden op de intensive care waren door coronapatiënten bezet – en een nieuwe lockdown dreigde, bleef in de regio Madrid het grootste deel van de culturele programmering in stand, aldus Le Monde. Dat uit contactonderzoek bleek dat er geen clusters waren te herleiden tot theaters was voor het regiobestuur reden genoeg om de zalen open te houden. Op dit moment daalt het aantal besmettingen in Spanje weer.

    dongiovanni 1
    Don Giovanni van Mozart in het Teatro Real in Madrid op 16 december 2020, in de versie van Claus Guth. Alleen de hoofdrolspelers dragen geen mondkapje. – © Javier del Real

    ‘In zes maanden tijd hebben we geen uitbraken gehad’, verklaart Marta Rivera de la Cruz, regiominister voor Cultuur en Toerisme – en romanschrijver – tegenover Le Monde. ‘Het was belangrijk om het culturele weefsel in stand te houden. Daarom hebben we deze zomer en herfst veel festivals georganiseerd en hebben we theaters financiële steun geboden, op voorwaarde dat ze weer opengaan.’ De enige beperkingen zijn de verplichting van een mondkapje voor het publiek en een maximale bezetting van 75 procent, met één vrije zitplaats tussen iedere twee personen of groepen die een reservering maken – wat de maximale bezetting in de praktijk op ongeveer 65 procent brengt, legt Le Monde uit.

    ‘Het theater en de cultuur moeten hun best doen om altijd open blijven’, aldus de directeur van Teatro Real, Ignacio García-Belenguer, tegen persbureau Associated Press. ‘We geloven dat dat onze taak is.’

    Protest

    Maar op 18 september ontstond er in het Teatro Real een protest onder toeschouwers die vonden dat ze niet genoeg afstand konden houden, meldt El País. Bezoekers die een kaartje hadden voor de balkons, zagen dat er geen stoelen vrij waren gehouden om mensen van elkaar te scheiden. Ook mensen die vooraan zaten verklaarden tegen het dagblad dat er onvoldoende mogelijkheid was om voldoende afstand te bewaren: ‘Er was geen enkele stoel vrij, we zaten als haringen in een ton.’

    Nog voor de voorstelling van start ging, begonnen aanwezigen met hun voeten te stampen en in hun handen te klappen om hun ongenoegen te uiten. Het theater kondigde aan dat mensen hun geld terug konden krijgen als ze wilden vertrekken en dat daarna de opera zou worden aangevangen. Maar vanwege aanhoudende chaos in de zaal, besloot de dirigent de voorstelling alsnog af te gelasten, aldus El País.

    ‘Ik voel me ongelooflijke geluksvogel om hier te mogen zijn’

    In een verklaring zegt het theater dat maar 51,5 procent van de stoelen waren verkocht en dat na de mogelijkheid om te vertrekken nog ‘een kleine groep bleef protesteren om de uitvoering te boycotten’. Toch zegt el Teatro Real dat het gaat onderzoeken hoe het zo mis heeft kunnen gaan, en dat het de nodige maatregelen zal nemen om te zorgen ‘dat komende voorstellingen gewoon hun doorgang kunnen vinden’, meldt El País. Hoewel het theater zich altijd aan de geldende regels heeft gehouden, besloot het om sindsdien één stoel na elke twee stoelen vrij te laten, meldt AP.

    dongiovanni 2224
    In het Teatro Real wordt van elke bezoeker de temperatuur opgenomen bij binnenkomst, en er zijn chirurgische mondkapjes en handgel te verkrijgen. – © Javier del Real

    De operazangers zijn in ieder geval blij dat het theater open blijft. ‘Ik voel me ongelooflijke geluksvogel om hier te mogen zijn’, zegt de Britse bariton Christopher Maltman tegen Le Monde. In Madrid vermijdt hij uit voorzorg het uitgaansleven, hoewel bars en restaurants tot middernacht open zijn: ‘Als ik positief test, verlies ik mijn baan. En ik heb ook een verantwoordelijkheid tegenover mijn medespelers.’

    Achter de schermen draagt iedereen mondkapjes, op het podium alleen de koorleden. Iedereen die in het theater werkt wordt wekelijks getest, de zangers zelfs om de twee dagen. Dagelijks worden de kostuums ontsmet met ultraviolet licht en het luchtverversingssysteem is aangepast. Verder heeft het Teatro Real een medisch team ingeschakeld die de veiligheid van de voorstellingen moet garanderen, aldus Le Monde. Na elke positieve test reageerde het theater onmiddellijk door vaak tot 50 mensen te testen die in contact waren geweest met de besmette persoon.

    Ook voor het publiek zijn extra maatregelen genomen, legt Associated Press uit. Zo wordt ieders temperatuur opgenomen bij binnenkomst, en zijn er chirurgische mondkapjes en handgel te verkrijgen.

  • Goed nieuws uit de culturele sector

    Goed nieuws uit de culturele sector

    Bij de Zuid-Koreaanse kunstenaar Haegue Yang wisselen de seizoenen in haar werk voortdurend. In Strange Attractors bestaan geheimzinnige en schijnbaar ongelijksoortige ideeën, culturen, relaties en tijdsmomenten naast elkaar.

    In Tate St Ives in het Engelse Cornwall is tot mei volgend jaar de expositie Strange Attractors te zien. Het is de grootste tentoonstelling in Groot-Brittannië tot nu toe van de Zuid-Koreaanse kunstenaar Haegue Yang, die bekend werd met bizarre, wervelende en meeslepende werken die ze creëert met een breed scala aan materialen en die de kijker onderdompelen in een ervaring. In haar sculpturen en installaties combineert ze industrieel vervaardigde objecten met arbeidsintensieve, ambachtelijk gemaakte voorwerpen. Ze verwijzen naar heidense culturen, naar de wisseling van de seizoenen en naar natuurverschijnselen. De titel van de tentoonstelling verwijst naar een concept uit de wiskunde en heeft betrekking op complexe gedragspatronen in chaotische natuurlijke systemen. Met deze mathematische theorie als uitgangspunt creëert Yang een omgeving waarin geheimzinnige en schijnbaar ongelijksoortige ideeën, culturen, relaties en tijdsmomenten tegelijkertijd naast elkaar bestaan.

    Haegue Yang, inmiddels een van ’s werelds invloedrijkste hedendaagse kunstenaars, krijgt vaak de klacht dat haar werk te moeilijk te begrijpen is, schrijft de Korea JoongAng Daily. Zelf is de in Berlijn woonachtige kunstenaar van mening dat haar werken niet echt ontoegankelijk erudiet zijn, maar ‘dubbelzinnig’. Die dubbelzinnigheid is onvermijdelijk vanwege de complexiteit van de wereld, die nu eenmaal moeilijk valt samen te vatten ‘naarmate je er meer begrip van hebt, of het nu gaat om kennis of informatie’.

    Haegue Yang in her exhibition When The Year 2000 Comes at Kukje
    Haegue Yang bij haar tentoonstelling When The Year 2000 Comes in Kukje Gallery, Seoul, 2019. – © Haegue Yang / Kukje Gallery, Seoul / Chunho An

    Kunstblog Muddy Stilettos heeft geen probleem met die vermeende moeilijkheid of ontoegankelijkheid. ‘Het werk van Haegue combineert ongelijksoortige ideeën, universele concepten, zoals volks- en ambachtstechnieken, die tot leven worden gebracht met onverwachte objecten, die tegelijk oud en hedendaags zijn. Het werk roept een Pinter-achtig gesprek op, waarin geen antwoorden bestaan en waarin honderdduizend keer tegelijk wat en waarom wordt geroepen.’ Verwijzend naar de begeleidende tekst van de expositie, ‘onverwachte structuren waarnaar chaotische systemen neigen te evolueren’ roemt Muddy Stilettos de ‘heerlijke, leuke en chaotische’ energie, onderstrepend dat we die chaos en het chaotische zowel metaforisch, fysiek als letterlijk moeten opvatten. Museumdirecteur Anne Barlow, die de tentoonstelling in directe samenwerking met Yang samenstelde, nodigt de kijker uit ‘om na te denken over onze spirituele, culturele en artistieke reactie op de natuurlijke wereld en mystieke en geometrische landschappen’.

    SonicIntermediates ThreeDifferentialEquations
    Sonic Intermediates
    – Three Differential Equations 
    (2020) – © Galerie Barbara Wien / Berlin Photo / Nick Ash
    HY installation view Airflow of Pyramid Winnow 2015
    The Intermediate
    – Airflow of Pyramid Winnow 
    (2015) in Tate St Ives.
    © Tate (Matt Greenwood)
    HY installation view Running Firecracker 2016
    The Intermediate
    – Running Firecracker 
    (2016) in Tate St Ives.
    © Tate (Matt Greenwood)

    Dansen

    ‘Heb je ooit willen dansen met een sculptuur?’, vraagt Hettie Judah in haar recensie voor iNews. ‘Haegue Yang maakt het je gemakkelijk. Haar Sonic Intermediates hebben handige zwenkwielen, stevige handvatten en rinkelende bellen. Je zou elegant met hen door de galerij kunnen walsen.’ De gedachte aan dansen is niet zo vreemd, vindt Judah, want ‘een paar jaar geleden raakte Yang behoorlijk geobsedeerd door de kostuums voor het Triadisch Ballet van Bauhaus-meester Oskar Schlemmer. Schlemmers kostuums, die de beweging van de dansers vaak belemmerden, trokken de dans naar het rijk van geometrie en kleur: hoe zou een stapel cirkels kunnen bewegen, of een kegel? Dergelijke vragen spreken Yang aan, met haar interesse voor wiskunde en natuurkunde.’

    Het is een raadsel of de robots nu dansen, zich voorbereiden op een gevecht of zich bezighouden met een of ander uitgebreid verleidingssritueel

    ‘Eindelijk goed nieuws uit de gehavende culturele sector in Groot-Brittannië’, schrijft Alastair Sooke in The Daily Telegraph. ‘Terwijl de meeste museum-directeurs terneergeslagen zijn over gedecimeerde bezoekersaantallen, straalt Anne Barlow van Tate St Ives. Sinds de heropening is de Tate coronaproof. En als dat je niet vrolijk maakt, dan zal de nieuwste tentoonstelling van het museum, de grootste installatie van hedendaagse kunst sinds de opening van de uitbreiding drie jaar geleden, een glimlach op je gezicht toveren. Wie zei daar dat hedendaagse kunst saai is?’

    Wij niet, stelt Wallpaper juichend vast. Het blad ziet in het werk van Yang verwijzingen naar kunstenaars als Barbara Hepworth, Naum Gabo en Li Yuan-chia, die eerder in Tate St Ives exposeerden en van wie Yang een aantal werken bij de entree van haar tentoonstelling presenteert. ‘Als Yangs theatrale R_eflected Metallic Cubist Dancing Mask_ je mond al niet wijdopen doet vallen, dan zal S_onic Intermediates – Three Differential Equations_ dat zeker doen’, aldus Wallpaper. ‘Een trio van kunstmatige, met stro beklede robotwezens rijdt rond op zwenkwielen in een geheel dat lijkt op een kruising van Star Wars met een heidens ritueel en een creatie van de Haas Brothers. Het is een raadsel of de robots nu dansen, zich voorbereiden op een gevecht of zich bezighouden met een of ander uitgebreid verleidingsritueel.’

    HY installation view Sonic Half Moon Types II 2014 15
    Sonic Half Moon Types (2014-2015) in Tate St Ives.
    © Tate (Matt Greenwood)

    Het magazine vervolgt: ‘De expositie toont Yangs talent voor het combineren van industrieel geproduceerde objecten en arbeidsintensief handwerk met het spirituele en mystieke. Dit is een verkenning van het postmodernisme en de lange en diepgewortelde relatie die Tate St Ives met het postmodernisme heeft. Het is een open einde: hoe dieper je onderzoekt, hoe minder duidelijk de dingen worden – maar dergelijke intrige is dan ook Yangs handelsmerk.’

    Strange Attractors, is de conclusie van Wallpaper, wekt bij de bezoeker reacties op die even eclectisch zijn als de invloeden die de maker heeft ondergaan, uiteenlopend van vertedering tot ongemak. De expositie heeft, zoals de titel belooft, ‘een heel vreemde aantrekkingskracht’.