Tag: cultuur

  • Weer bij stem

    Weer bij stem

    De muziekscene van New Orleans heeft zich de afgelopen jaren knap hersteld. Dankzij de terugkeer van uitgeweken muzikanten én de instroom van nieuw talent is ze volgens lokale legende Branford Marsalis zelfs dynamischer dan ooit.

    Het is een prachtige ochtend in New Orleans, en ik zit op een bankje in het hart van de Musicians’ Village. De straten zijn leeg, op een enkele auto na die langzaam rondjes rijdt door de buurt, als in een film. Als de auto voor de derde keer langskomt, stapt de chauffeur uit en loopt naar me toe. ‘Neemt u mij niet kwalijk,’ zegt hij. ‘Ik ben op zoek naar het eerste huis dat ze hier na Katrina hebben gebouwd.’

    De Musicians’ Village, in de Upper Ninth Ward van de stad – een van de gebieden die het ergst is getroffen door de orkaan Katrina – is een gemeenschap van 72 betaalbare huizen voor muzikanten die door de storm hun huis zijn kwijtgeraakt (of daarvóór in slechte huizen hebben gewoond) en na de storm ontheemd zijn gebleven. De wijk werd gebouwd door duizenden vrijwilligers, onder wie de man die voor mij staat. Ik kan hem niet helpen bij zijn speurtocht, maar hij is vastbesloten het huis te vinden.

    ‘Ik wil gewoon even kijken,’ zegt hij. Zijn stem trilt nu van emotie en trots. ‘Ik ben hier na Katrina als vrijwilliger gekomen en heb geholpen dat huis te bouwen. Ik was niet van plan te blijven, maar ben van de stad gaan houden en heb hier sindsdien gewoond.’

    Dit voelt pas echt als een film – een perfect geformuleerde zin waaruit niet alleen blijkt hoe de stad is herbouwd, maar waaruit ook de liefde naar voren komt die deze stad oproept, en de reden waarom – tien jaar na Katrina – tienduizenden mensen hierheen zijn verhuisd en trots zijn om New Orleans hun thuis te mogen noemen. De Musicians’ Village werd een week na Katrina bedacht door de in New Orleans opgegroeide musici Harry Connick Jr. en Branford Marsalis, toen ze vanuit de stad naar Houston reden voor een benefietconcert. ‘Het idee was om muzikanten te helpen die onze carrière mogelijk hebben gemaakt,’ zegt Marsalis. ‘Als zij er niet waren geweest, zouden wij niet zijn wie we zijn en zou de stad niet zijn wat hij is. Het was een manier om dank je wel te zeggen tegen de mensen die vertegenwoordigen wat New Orleans zo bijzonder maakt.’

    Saxofonist Branford Marsalis (m) met Brass Band bij een herdenkingsoptocht voor 
de orkaan Katrina. 
© Lee Celano / Reuters
    Saxofonist Branford Marsalis (m) met Brass Band bij een herdenkingsoptocht voor 
de orkaan Katrina. 
© Lee Celano / Reuters

    Als de muzikanten niet waren teruggekeerd, was dat een ramp geweest voor het toerisme

    Muzikaal erfgoed

    Muziek is zó belangrijk voor de cultuur van New Orleans, dat sommigen hebben gesteld dat het een ramp zou zijn geweest voor het toerisme als de muzikanten niet waren teruggekeerd – een reële angst, onmiddellijk na zo’n ramp – en de stad zijn muzikale erfgoed zou zijn kwijtgeraakt, omdat bezoekers zich de stad eenvoudigweg niet kunnen voorstellen zonder muziek. Marsalis is het hier tot op zekere hoogte mee eens, maar zegt: ‘Ik wist dat de muzikanten terug zouden komen, omdat ze nergens anders heen konden. Ik kan me niet voorstellen dat de Olympia Brass Band voorgoed in Phoenix zou zijn gebleven. Je zult in Phoenix nooit een school tegenkomen die zegt: “Ons basketbalteam is kampioen geworden! Laten we een fanfare uitnodigen en een straatoptocht organiseren!” Dat gebeurt in New Orleans, maar nergens anders. New Orleans is anders dan welke Amerikaanse stad ook.’

    In het hart van de Musicians’ Village staat het Ellis Marsalis Center for Music, vernoemd naar de vader van Branford (en zijn broer Wynton), de patriarch van de beroemdste muzikale familie van de stad. Het voornaamste doel is de tradities van deze unieke muzikale stad in leven te houden door middel van onderwijs en ontwikkeling in de lokale gemeenschap. Er is ook een opnamestudio die door plaatselijke musici kan worden gebruikt (om aan inkomsten te komen), en een indrukwekkende concertzaal waar kaartjes voor een doorsneeconcert op de dinsdagavond slechts 3 dollar kosten. Als ik het centrum verlaat, vraag ik aan een van de muziekdocenten of het project uit publieke middelen wordt gefinancierd.


    ‘Nee!’ roept ze. ‘En dat is de reden dat het werkt!’

    Jazz Market

    Ik denk niet dat ze een sneer wilde uitdelen aan mijn volgende tussenstop, de nieuwe New Orleans Jazz Market, maar als dat wel het geval is, was het een schot in de roos. Het gebouw is het nieuwe onderkomen van het New Orleans Jazz Orchestra, onder leiding van trompettist Irvin Mayfield, die ook de oprichter en uitvoerend directeur is. Het werd in april geopend, in de wijk Central City, maar een maand later was het al verwikkeld in een corruptieschandaal rond Mayfield – een veelvoudig winnaar van Grammy Awards en een van de poster boys van de stad – en zijn zakenpartner. Bedacht door Mayfield als ‘een monument voor de grootste prestatie die New Orleans ooit heeft geleverd: de schepping van de jazz’, is het een zeer ambitieus en indrukwekkend project.

    Er is een mooie open bar, vernoemd naar jazzpionier Buddy Bolden, aan de muren hangen 25 iconische, onmiddellijk herkenbare originele zwart-witfoto’s van de beroemde Herman Leonard, en er is een concertzaal met 440 stoelen, een van de weinige ter wereld die qua akoestiek zijn afgestemd op een jazzorkest en niet op een symfonieorkest – en er is zelfs een bar en een kleine dansvloer achter in de zaal. Toch zijn er op de donderdagavond dat ik de grote bar bezoek slechts vijf anderen die naar de pianist luisteren.

    Komt dat door het zich nog steeds voortslepende schandaal, of staat het gebouw alleen maar in het verkeerde deel van de stad? Alle slechte publiciteit heeft zeker niet geholpen, en het zou een tragedie zijn als dit toekomstgerichte project, dat bovendien de arme maar historisch belangrijke buurt weer op gang zou moeten helpen, een mislukt prestigeproject zou worden, met een zweem van ouderwetse zuidelijke corruptie – precies datgene waar de stad berucht om was, maar waar men na Katrina van af probeerde te komen. En zelfs al is de Jazz Market op dit moment the talk of the town, dat kan zo weer voorbij zijn in een stad waar de muziek vrijwel overal waar je rondloopt zo verdomd goed is, of, zoals Branford Marsalis het fraai uitdrukt: ‘een mate van opwinding teweegbrengt die je nergens anders zult voelen, en een hoeveelheid energie voortbrengt die een dj eenvoudigweg niet voor elkaar zal krijgen.’

    Het is allemaal zo droomachtig dat ik het gevoel heb dat ik in een film zit

    Frenchman Street

    De grootste concentratie muziekclubs bevindt zich in Frenchman Street, net buiten het French Quarter, een uitgaansstraat die door de stad is gepromoot en sinds Katrina in de lift zit. Als je zorgvuldig kiest, kun je er iedere avond naar blues, funk en jazz van wereldklasse luisteren in clubs als Cafe Negril, DBA, The Spotted Cat en de Blue Nile, en dat allemaal zonder te betalen. De clubeigenaren hebben Katrina aangegrepen om te versoberen en er is, net als in andere sectoren, sprake geweest van een instroom van nieuwelingen. Net als muziekliefhebbers zien jonge muzikanten New Orleans als een heilige graal, en velen zijn blij als ze hier voor een fooi mogen spelen – wat betekent dat de oudere lokale muzikanten, die altijd de fakkel hebben gedragen, minder betaald krijgen.

    Een van de favoriete clubs van Branford Marsalis is Snug Harbor, de oudste club in Frenchman Street en de eerste die na Katrina weer openging. Het is bovendien een van de twee clubs die nog steeds entree heffen. Het is een heerlijk intiem zaaltje met een uitmuntende geluidskwaliteit, waar mensen niet komen om feest te vieren maar om naar de beste jazzmusici van de stad te luisteren, waaronder de vader en broers van Branford. De grote angst is dat Frenchman Street zal verworden tot een tweede Bourbon Street, de met alcohol doordrenkte, Disneylandachtige Mardi Gras-straat van New Orleans.

    Als je zorgvuldig kiest, kun je er iedere avond naar blues, funk en jazz van wereldklasse luisteren

    De eigenaar van Snug Harbor, Jason Patterson, zegt: ‘Frenchman Street is ten dode opgeschreven als ze er een voetgangersgebied van maken, zoals met Bourbon Street, waar iedereen alleen maar op straat staat te drinken en niet meer de clubs binnen gaat om naar de muziek te luisteren.’ Maar al is de roem van Frenchman Street tanende, er is hier zo veel geweldige muziek dat die beslist elders haar toevlucht zal zoeken… zelfs als dat gewoon op straat is.

    De Musicians Village: betaalbare huizen voor muzikanten die door 
de storm hun huis waren kwijtgeraakt.  
© Mario Tama
    De Musicians Village: betaalbare huizen voor muzikanten die door 
de storm hun huis waren kwijtgeraakt. 
© Mario Tama

    Straatmuzikant

    Op mijn laatste avond, als ik in de kleine uurtjes door het French Quarter loop, sta ik plotseling stokstijf stil als ik het spookachtige, prachtige geluid hoor van een eenzame straatmuzikant die op zijn metalen Resonator-gitaar tokkelt. Het is onmogelijk om zijn muziek in een hokje te plaatsen, maar deze is zo rijk dat de zwoele lucht erdoor gevuld wordt alsof er een orkest aan het spelen is.

    Een stelletje is aan het dansen en zweeft over het plaveisel, een man ligt op straat te genieten van de muziek, terwijl een ander net als ik tot tranen toe geroerd is. Een mooie jonge zangeres vraagt of ze een paar bekende liedjes mee mag zingen. De naam van de gitarist is Chris Christy, een verlegen autodidact uit Los Angeles. Als je geluk hebt, tref je hem ’s avonds laat aan in Decatur Street. Het is allemaal zo droomachtig dat ik, niet voor het eerst deze week, het gevoel heb dat ik in een film zit – een film die alleen maar in New Orleans gemaakt zou kunnen worden. De stad is sinds Katrina in rap tempo veranderd – en in positieve zin, volgens vrijwel iedereen die ik ben tegengekomen. Maar tegen welke prijs?

    Welkome toevoeging

    Hoewel de meeste muzikanten zijn teruggekeerd, zijn vele duizenden van hun buren uit de oude zwarte gemeenschappen, waar de muziek zich ontwikkelde, in andere Amerikaanse steden achtergebleven. Velen zijn uitgeweken naar het conservatieve Texas, dat in cultureel opzicht het tegenovergestelde is van het losse en liberale New Orleans, maar betere scholen en hogere lonen biedt. Dat, in combinatie met de grote instroom van mensen van buiten, heeft geleid tot de angst dat het erfgoed van de stad zal verloren zal gaan.

    Noch Christy, noch Grace – de jonge zangeres die, enigszins onvermijdelijk, hiernaartoe is gekomen om een band te vormen en een plaat op te nemen – komt uit New Orleans. Maar zou de instroom van talent niet gewoon een welkome toevoeging aan de muzikale gumbo kunnen zijn?

    Branford Marsalis denkt van wel: ‘Er zijn hier allerlei soorten mensen, en dat is niet slecht. De jazzscene is nu veel dynamischer dan toen ik jong was. Ze nemen allemaal hun eigen ding mee en mengen dat met de traditionele muziek van New Orleans.’ Laten we hopen dat hij gelijk heeft. Want ik kan me niet voorstellen dat de magische taferelen uit deze stad ook maar ergens anders zouden kunnen plaatsvinden.

    Gavin McOwan

    Gavin McOwan schrijft voor _ The Guardian_ als o.a. reisredacteur.

  • Mogen klassiekers worden gemoderniseerd?

    Mogen klassiekers worden gemoderniseerd?

    Een light-versie schrijven van een klassieker die wordt beschouwd als de eerste roman uit de wereldliteratuur, 
je moet het maar durven. Andrés Trapiello deed er veertien jaar over om de Don Quichot te moderniseren. Een tour de force die hem niet door iedereen in dank wordt afgenomen.

    In de Don Quichot, het beroemde boek dat Miguel de Cervantes zo rond 1600 schreef, staan honderden woorden en uitdrukkingen die in de loop der eeuwen in onbruik zijn geraakt. Het is voor een Spaanstalige anno nu onmogelijk om zonder een woordenboek of de noten onder aan de pagina te raadplegen de tekst volledig te begrijpen van deze klassieke roman, die inmiddels vertaald is in 145 talen en verhaalt over de naïeve ridder Don Quichot die bijgestaan door zijn schildknecht Sancho Panza de strijd aanbindt met windmolens.

    Het goede nieuws – hoewel niet voor iedereen – is dat er sinds kort een gemoderniseerde versie bestaat, verzorgd door de (Spaanse) schrijver Andrés Trapiello, die er veertien jaar aan heeft gewerkt. Maar deze tour de force is enkele geleerden in het verkeerde keelgat geschoten: ze spreken van ‘humaniteitsschennis’. Zo beweert universitair docent David Felipe Arranz bijvoorbeeld dat door deze ‘light prose’-versie het origineel van Cervantes niet meer wordt verkocht. ‘De woorden die de beste schrijver van onze taal gebruikt, mogen niet op een dergelijke manier worden verminkt,’ voegt hij eraan toe.

    María Antonia Garcés, specialist in het werk van Cervantes, is juist erg enthousiast over de ‘durf’ van Trapiello en begrijpt de ophef niet. Volgens haar zijn dit soort bewerkingen van alle tijden. ‘De aanpassingen vallen eigenlijk reuze mee en de tekst wordt er niet wezenlijk door aangetast. Alles wat men doet om goede literatuur nader tot de lezer te brengen is welkom, zelfs verfilmingen of een toneelversie,’ meent Garcés. Ze legt uit dat de taal in Cervantes’ tijd nog volop in ontwikkeling was en dat de tekst dus zinnen bevat die voor een moderne lezer onbegrijpelijk zijn.

    Windmolens in Consuegra.
    Windmolens in Consuegra.

    Men kan de Don Quichot niet lezen in een editie zonder noten, want er zijn tal van historische verwijzingen die verklaard moeten worden, stelt ze, en dat geldt ook voor archaïsche woorden en gezegden. ‘Trapiello toont een groot respect voor de tekst van Cervantes, en dankzij hem kunnen veel lezers nu zonder angst het boek openslaan in de zekerheid dat ze zullen begrijpen wat ze lezen.’

    Al even enthousiast is de Colombiaanse dichter Darío Jaramillo Agudelo, die meent dat Trapiello de aangewezen persoon is voor een dergelijke klus. ‘Zijn twee romans over onderwerpen ontleend aan Don Quichot zijn uitstekend en verraden een grote kennis van zaken. Bovendien is Trapiello een van de grote Spaanstalige vertellers van dit moment.’ Jaramillo, die het werk van Cervantes door en door kent, verzekert dat hij elke keer als hij het boek opnieuw leest weer wordt verrast. ‘Ik ben zeker van plan die vertaling naar de eenentwintigste eeuw te gaan lezen, want er zijn dingen uit het zeventiende-eeuwse origineel die ook ik gewoon niet begrijp.’

    Hoe dan ook, kritiek kan altijd nog scherper worden aangezet. De Spaanse succesauteur Arturo Pérez-Reverte besloot de Don Quichot te ontdoen van alle hoofdstukken die niet direct te maken hebben met de twee hoofdpersonages. Zijn editie, die in januari van dit jaar het licht zag, werd door sommigen bestempeld als ‘vreselijk’.

    Ook de Amerikaanse schrijver Ilan Stavans, die zijn hele leven heeft gewijd aan Spaanstalige literatuur, kreeg de volle laag. In 2002 waagde hij het boek te vertalen in het ‘Spanglish’, in de hoop dat het werk zo lezers zal vinden in de frisse, opkomende cultuur van de latino’s in de VS, waar het Spanglish de nieuwe lingua franca is. Hij werd neergesabeld en uitgemaakt voor ‘verkrachter van de Spaanse taal’ en ontving zelfs doodsbedreigingen, ‘de ergste vorm van lafheid’, volgens Stavans. Hij denkt dat het boek van Trapiello is uitgekomen op een cruciaal moment in de geschiedenis van Spanje. ‘Het land maakt een van de ergste crises door en zoekt naar zijn wortels. Daarbij lezen de Spanjaarden hun Don Quichot niet meer. De avonturenroman is nu veel populairder in het buitenland.’

    Zoveel lezers, zoveel ervaringen. Álvaro Bautista, hoogleraar Literatuur, las geen woorden maar verhalen, gebeurtenissen en personages toen hij voor het eerst de Don Quichot las. ‘Elke zin in archaïsch Spaans koesterde ik als een prachtig mysterie. Ik vond het leuk dat de taal me op het verkeerde been zette, want men moet niet vergeten dat al in de tijd van Cervantes zelf sommige uitdrukkingen en woorden verouderd waren.’

    Docent Alexander Erazo houdt zich wat de controverse aangaat op de vlakte. Hij leest de klassieker al jaren met zijn klas. ‘Het is onmogelijk dat alle leerlingen meteen gegrepen worden door het boek. Volgens mij moet je eerst een inleiding geven waarin je vertelt over de tijd waarin een dergelijk werk is geschreven.’

    De polemische versie van Trapiello zal zeker niet de laatste zijn. Zoals Ilan Stavans zegt: ‘In elke taal worden de klassieken gemoderniseerd: Dante in het Italiaans, Molière in het Frans, Goethe in het Duits, om nog maar te zwijgen van de Bijbel, misschien wel de meest geactualiseerde – en verkeerd begrepen – tekst van de mensheid.’

    Catalina Villa