De moord op de 22-jarige Mahsa Amini leidde in de afgelopen weken tot massale demonstraties tegen het hardvochtige regime van ayatollah Ali Khamenei, dat het protest met geweld uit elkaar probeert te slaan. Wat moet er gebeuren om deze revolutie te laten slagen?
President Gotabaya Rajapaksa vlucht naar Malediven
Na verschillende mislukte pogingen om het Sri Lankaanse grondgebied dinsdag te verlaten, is president Gotabaya Rajapaksa er woensdagochtend eindelijk in geslaagd de Malediven te bereiken. Naar verwachting zal hij van daaruit zijn aftreden aankondigen, meldt CNN.
Rajapaksa en zijn vrouw vlogen met een militair vliegtuig van de Sri Lankaanse luchtmacht naar Malé, op de Malediven. De plaatselijke luchtverkeersleiding weigerde eerst het vliegtuig te laten landen, ‘tot de tussenkomst van de voorzitter van het parlement van de Malediven en zijn voormalige president Mohamed Nasheed‘, aldus de zender.
Uren nadat de president Sri Lanka ontvluchtte, heeft premier Ranil Wickremesinghe in het hele land de noodtoestand uitgeroepen, nu betogers de straten van de hoofdstad Colombo zijn opgegaan. Ook gaf Wickremesinghe het ministerie van Defensie opdracht om in Colombo en de rest van de westelijke provincie van het land een avondklok in te stellen.
Militairen schoten met scherp tijdens demonstratie
Een mars van tienduizenden Soedanezen die demonstreerden tegen het militaire regime van generaal Abdel Fattah al-Burhan is donderdag met geweld beantwoord door veiligheidstroepen. Volgens Al Jazeera zijn er ten minste zeven doden zijn gevallen. Een van de slachtoffers was een minderjarige die ‘stierf nadat hij in de borst was geschoten’, aldus de Qatarese zender.
Artsen hebben het gebruik van munitie en traangasgranaten in ziekenhuizen door de politie aan de kaak gesteld. Sinds de staatsgreep van 25 oktober 2021 is er elke week gedemonstreerd voor de herinvoering van het burgerbestuur in Soedan, maar de demonstratie van donderdag was een van de grootste en dodelijkste in maanden. Sinds de staatsgreep zijn meer dan honderdtien demonstranten gedood.
Na achttien dagen van demonstraties en geweld, waarbij zes doden en honderden gewonden vielen, werd op donderdag 30 juni een akkoord bereikt tussen de Ecuadoraanse regering van Guillermo Lasso en de inheemse leiders, van wie de eisen slechts gedeeltelijk werden ingewilligd. Inheemse groepen voerden actie tegen de gestegen kosten van levensonderhoud in het land.
De bemiddeling van de katholieke kerk ‘was doorslaggevend voor het bereiken van een consensus en het sluiten van compromissen aan beide zijden’, meldt de website Qué! En ondanks ‘enkele meningsverschillen op het laatste ogenblik tussen sommige inheemse leiders vóór de ondertekening van de tekst’, konden de partijen uiteindelijk ‘verklaren dat de nationale staking is beëindigd’.
‘De meerderheid van de bevolking is niet tevreden over oud-bankier Lasso’
De donderdag ondertekende overeenkomst voorziet in een verdere verlaging van de brandstofprijzen met 5 dollarcent, boven op de verlaging met 10 cent die al tijdens de protesten werd bereikt. Dit zorgt voor een totale verlaging met 15 cent – ver verwijderd van de 40 cent die door de demonstranten werd geëist.
De regering van Guillermo Lasso heeft ook toegezegd twee decreten te herzien die oliewinning en mijnbouw reguleren, om de exploitatie ‘in beschermde gebieden en voorouderlijke gebieden’ van inheemse gemeenschappen, of in ‘archeologische zones’ te voorkomen, aldus El Mercurio.
Maar de weg naar verzoening zal lang zijn, aldus Clarín, aangezien Guillermo Lasso, gered door verdeeldheid binnen de oppositie, eerder deze week aan afzetting ontsnapte. ‘De meerderheid van de bevolking is niet tevreden over oud-bankier Lasso’, schrijft het Argentijnse dagblad. ‘En niet omdat hij rechts-conservatief is, maar omdat ze vinden dat hij zijn belofte van een beter, minder corrupt land, met meer banen en betere inkomens, niet is nagekomen.’
Wat betekent vrijheid als je leeft onder een militaire dictatuur? Op die vraag probeert de jonge Myanmarese activistenleider Thinzar Shunlei Yi een antwoord te geven.
Vrijheidslezingen
In de programmareeks The Freedom Lecture nodigt debatcentrum De Balie in Amsterdam vier keer per jaar iemand uit die uit eigen ervaring weet wat het betekent om niet vrij te zijn. Het doel van de lezingen is om de verhalen van de sprekers te delen, hun boodschap uit te dragen en te leren van hun strijd. Zo ontving De Balie eerder al FEMEN-leider Inna Sjevtsjenko, de Oegandese lhbt-activist Frank Mugisha, de Russische journaliste Jevgenia Albats, internetactiviste Esra’a Al Shafei uit Bahrein en Patrisse Cullors & Janaya Khan van de Black Lives Matter-beweging.
Hieronder volgt de lezing die mensenrechtenactivist Thinzar Shunlei Yi uit Myanmar uitsprak op 3 juli in De Balie.
Altijd wanneer ik aan Vrijheid denk, vraag ik me altijd af of ik de werkelijke betekenis en kleur daarvan wel ken. Want die heb ik nog nooit meegemaakt. Maar ik heb er wel mijn hele leven lang voor geknokt, me afvragend of vrijheid ons een betere wereld kan brengen.
Is vrijheid een toestand waarin we niet bang meer zijn, geen enkele vorm van discriminatie meer ervaren en bevrijd zijn van culturele normen en de beperking van onze vrijheid van meningsuiting?
Is vrijheid iets wat je door iemand, een militair of jezelf, wordt gegund?
Ik weet niet zeker of ik je de ware betekenis ervan kan uitleggen. Maar omdat ik dat wel graag wil proberen, maak ik hier van de gelegenheid gebruik om u te vertellen hoe vrijheid er volgens mij zou moeten uitzien.
Ik denk dat vrijheid een aangeboren kwaliteit is. We hebben haar moeten afleren omdat ze nu wordt onderdrukt. Maar om onszelf te kunnen zijn, proberen we haar onszelf opnieuw aan te leren.
Elk moment dat we onze stem verheffen om te eisen wat we willen, is een moment van vrijheid
Vrijheid is van niemand anders dan van ons. Om het terug te winnen, protesteren we in Myanmar elke dag. En omdat we bezig zijn onze vrijheid terug te winnen, zijn we nu vrijer dan we eerst waren. Elk moment dat we een vrijere samenleving opeisen, elk moment dat we onze stem verheffen om te eisen wat we willen, is een moment van vrijheid.
Daarom denk ik dat Myanmar nu vrijer is dan voor de staatsgreep van 1 februari. Mensen bevrijden zichzelf om dingen opnieuw te leren en een eind te maken aan de staatsgreep en het militaire regime. De coup heeft ons wakker geschud en ertoe aangezet ons tegen de onderdrukker te verzetten en onze vrijheid op te eisen. Deze strijd voeren we elke dag opnieuw. Zal het ons vandaag wel of niet lukken om vrij te blijven? Kunnen we onze mening vandaag vrij uiten of niet? Elke dag weer betalen we de prijs voor de vrijheid die we opeisen. Met levens. Met banen en geluk. Vrijheid wordt duur betaald, vind ik.
Niemand van ons heeft het recht de vrijheid die we hebben, van ons af te pakken of er misbruik van te maken. Vrijheid is voor mij innerlijke bevrijding. Om mezelf vrij te kunnen maken, moet ik eerst beseffen dat die macht in mij ligt en dat die macht me zonder mijn toestemming, nooit kan worden afgenomen. Vrijheid is het vermogen de macht zelf in handen te hebben.
We lopen tegen veel problemen en vraagstukken aan. De meeste daarvan hebben diepe wortels en de oorzaak is een volledige ontkenning van de omstandigheden. Als mensen de situatie niet accepteren zoals die is, blijven ze zichzelf voorliegen, de zaken vanuit hun eigen perspectief bekijken en de waarheid vanuit hun eigen blikveld formuleren. Vrijheid komt wanneer je je bewust bent van jezelf en je doel als mens op deze aarde. Vrijheid komt wanneer je situaties kunt accepteren zoals ze zijn en de gang van zaken aanvaardt. Zo kun je jezelf bevrijden en jezelf toestaan met de stroom mee te zwemmen en aanwezig te zijn in het hier en nu. Vrijheid komt met dit diepe innerlijke bewustzijn en het besef van je eigen kracht. Waar, hoe en wie je ook bent, we hebben allemaal de innerlijke kracht om wat met jou of anderen gebeurt, te begrenzen of toe te staan.
Als je wordt onderdrukt en je je daartegen verzet, ben je vrij.
Op 26 juni is het 46 jaar geleden dat de eerste studentenleider Salai Tin Maung Oo door de dictator van Myanmar ter dood werd veroordeeld. Voor hij werd vermoord, sprak hij deze ondubbelzinnige en indrukwekkende woorden: ‘Ik zal nooit buigen voor een dictator. Mij kun je vermoorden, maar mijn geloof en waar ik voor sta, zul je nooit kunnen uitwissen.’ Dit is een pregnant voorbeeld van innerlijke kracht en dat tot je laatste adem verdedigen. Hij werd vermoord maar zijn overtuigingen en nalatenschap stralen nog steeds omdat zijn innerlijke kracht overeind bleef. Hij heeft niet verkwanseld waar hij heilig in geloofde en hij heeft geen compromissen gesloten.
Zo ziet vrijheid eruit. Als je wordt onderdrukt en je je daartegen verzet, ben je vrij. Als je altijd achter je principes blijft staan en die onder alle omstandigheden blijft verdedigen, ben je vrij. Zelfs in levensbedreigende situaties, als je blijft opkomen voor de waarheid tegenover het gezag, ben je vrij. Vrijheid is gelukkig zijn zonder jezelf te hoeven inhouden en zonder je schuldig te voelen over wat je wel of niet in het verleden hebt gedaan. Vrijheid is de pure vreugde van in het moment te leven, bij je volle bewustzijn en zonder wroeging over waarom je nog steeds ademt.
Laten we onszelf afvragen of we echt vrij zijn.
Over de auteur
Thinzar Shunlei Yi won de Women of the Future Southeast Asia Award in 2019 en werd uitgeroepen als ‘Emerging Young Leader’ door het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Ze werkt met lokale politieke coalitie CDD als rechtscoördinator voor mensenrechten en democratie in Myanmar. Thinzar is momenteel bezig met de wereldwijde campagne genaamd #Sisters2Sisters voor solidariteit met vrouwen in Myanmar.
Er lijkt geen oplossing in zicht voor Colombia. Het wantrouwen van de betogers in de politiek is groot en de communicatiekanalen zitten potdicht. De regering weigert op haar beurt het gesprek aan te gaan met ‘terroristen’.
Voortdurend hoor je mensen zeggen hoe verbaasd ze zijn dat de protesten in Colombia al zo lang duren en zo heftig zijn. De staking duurt nu een maand en de regering lijkt geen duidelijk plan te hebben om tegemoet te komen aan de eisen van de betogers, waardoor die geen reden zien om te stoppen met protesteren. Het lijkt wel of de regering en de betogers een andere taal spreken en elkaar niet meer begrijpen. De regering spreekt de taal van law-and-order, heeft het over terrorisme en het in gevaar brengen van de veiligheid, de betogers hebben het over armoede, werkgelegenheid en onderwijs. Ze lijken elkaar nauwelijks te horen.
In een land waar het deel van de bevolking dat in armoede leeft met 6,8 procent is gegroeid, waar bijna 30 miljoen Colombianen moeten leven van nog geen 330.000 peso per maand [ca. 75 euro], waar vrouwen sneller arm worden dan mannen, en waar jongeren steeds moeilijker toegang krijgen tot de arbeidsmarkt en het onderwijs, is de onverschillige houding van de regering steeds lastiger te begrijpen. Natuurlijk zijn er aan beide kanten mensen die erbij gebaat zijn meer chaos te creëren. Maar blijven volhouden dat die paar relschoppers het probleem vormen en zo de legitieme eisen negeren van een wanhopige, in armoede levende bevolking, zal alleen maar meer frustratie veroorzaken en meer mensen de straat op jagen.
De jongeren hebben het gevoel nergens bij te horen, een gevoel dat versterkt wordt als er geen kans is op werk en onderwijs
In de arme wijken van de grote steden zijn de demonstraties massaler en soms ook gewelddadiger geworden. Als gevolg van de pandemie is de situatie verslechterd. Vaak zijn er illegale groepen actief (guerrillagroeperingen, partijen die zich bezighouden met het kruimelwerk in de drugshandel of met andere vormen van criminaliteit) die kansen zien om deze jongeren te rekruteren. Het gaat om wijken waarnaar ontheemde gezinnen, die huis en haard hebben verlaten, uitwijken op zoek naar bescherming in de anonimiteit van de grote stad. De jongeren daar hebben het gevoel nergens bij te horen, een gevoel dat versterkt wordt als er geen kans is op werk en onderwijs.
Alsof dat nog niet genoeg is, staat hun verhouding met de politie constant onder hoogspanning: achtervolgingen, onwettige aanhoudingen en machtsmisbruik zijn aan de orde van de dag. Het probleem is nog erger geworden doordat de ordetroepen tijdens de pandemie extra bevoegdheden kregen om de naleving van de maatregelen omtrent bioveiligheid te waarborgen. Terwijl de jongeren en hun families thuiszaten en steeds armer werden, was de politie op straat heer en meester van de publieke ruimte. Toen de economische situatie onhoudbaar werd, botsten de gefrustreerde jongeren en de politie op een manier die in het recente verleden zijn weerga niet kent.
Er is nog een bijkomend probleem. Onder de Colombiaanse bevolking groeit het wantrouwen in de instituties en politieke partijen. In 2004 was 57,7 procent van de bevolking tevreden over de instituties, inmiddels is dat nog maar 18,2 procent, aldus het Observatorio de la Democracia (Democratieobservatorium). Daar komt bij dat het vertrouwen in de media en maatschappelijke organisaties is afgenomen, wat weer met zich meebrengt dat het Comité del Paro (Stakingscomité) de stem van de demonstranten niet lijkt te vertolken. Er is nog geen oplossing gevonden voor het feit dat de stakers zich niet vertegenwoordigd voelen. Vandaar dat veel Colombianen alleen via protestdemonstraties hun eisen kenbaar kunnen maken.
Ze hebben er geen vertrouwen meer in dat hun volksvertegenwoordiging adequaat zal reageren. Als gevolg hiervan zitten de communicatiekanalen tussen de regering en de demonstranten potdicht. Alle partijen benadrukken dat onderhandelen de enige oplossing is voor deze staking, die nu dus al een maand duurt. Maar onderhandelaars aanwijzen blijkt een hels karwei. Intussen heeft de regering haar kaarten gezet op hardhandige ordehandhaving: ze criminaliseert de demonstraties, legt disproportioneel veel nadruk op de materiële schade en beweert slachtoffer te zijn van electorale belangen. En dus zijn de betogers de enigen die iets kunnen doen en hun stem kunnen laten horen.
Als je daarbij optelt dat de regering zelf deel is van het probleem, en dat ze het grove politiegeweld niet veroordeelt, kun je slechts concluderen dat ze zelf bijdraagt aan het voortduren en almaar massaler worden van de staking. De bijzonder zwakke regering van Iván Duque, wiens eigen partij niet eens de belastinghervorming steunt die de directe aanleiding was voor de protestdemonstraties, vormt het grootse obstakel om uit deze impasse te komen. Ze is niet in staat om op te roepen tot een dialoog over de noodzakelijke maatregelen die genomen moeten worden. Het gevolg is weinig perspectief en veel repressie.
De aanleiding van de protesten
De rechtse regering van Iván Duque wil onder meer de mogelijkheden tot belastingaftrek terugschroeven, de inkomstenbelasting voor sommige groepen verhogen en de btw-vrijstellingen voor een aantal goederen en diensten afschaffen. Met de hervormingen hoopte de regering 5 miljard euro te besparen, om de staatsfinanciën te stabiliseren. Dat maakte ze eind april bekend.
Het plan bevatte ook een soort basisinkomen voor de allerarmsten. Sinds het uitbreken van de pandemie kregen drie miljoen Colombianen dankzij de Ingreso Solidario maandelijks zo’n 40 euro. Na de hervormingen zouden zelfs 4,7 miljoen inwoners in aanmerking komen voor deze steun.
Toch bleek uit peilingen dat 82 procent van de Colombianen niet zou stemmen op congresleden die voorstander waren van belastingverhogingen. Er klonk vooral kritiek vanuit de middenklasse, die vreesde erop achteruit te gaan, omdat de hervorming lagere inkomens eerder zou belasten. Na hevige protesten zegde Duque toe zijn plan te herzien.
Maar die repressie vergroot de kans op politiegeweld en zal door de internationale reactie op de mensenrechtenschendingen in Colombia steeds meer ter discussie komen te staan. Een besluit zonder precedent illustreert dit: eerst weigerde de regering het verzoek van de Comisión Interamericana de Derechos Humanos (Inter-Amerikaanse Mensenrechtencommissie) om de situatie in het land ter plekke te bekijken, later stemde ze er alsnog mee in. Het schrijnende van dit alles is dat elke dag die verstrijkt een gemiste kans is om noodmaatregelen te nemen, om de radeloos makende economische situatie van al die arme gezinnen enigszins te verbeteren.
De ordetroepen zijn marionetten van de regering geworden
Elke dag die verstrijkt zal de manier waarop de regering meent te moeten handelen het vertrouwen in de beschadigde instituties verder ondermijnen. De ordetroepen, die erop moeten toezien dat de rechten van de burgers niet worden geschonden, zijn marionetten van de regering geworden en kunnen niet langer functioneren als handhavers. De politiek heeft alleen oog voor haar electorale belangen in de verkiezingen in 2022. Linkse politici, die altijd een leidende rol hebben bij sociale protesten, zijn voorzichtig; ze willen niet beschuldigd worden van medeplichtigheid aan de excessen. Rechtse politici wachten rustig het moment af waarop ze een betoog kunnen afsteken waarin ze verwijzen naar Castro en Chávez, en pleiten voor hard optreden. En het politieke midden heeft dit moment uitgekozen voor een crisis.
De overige maatschappelijke sectoren blijven zich verschansen in soortgelijke veroordelingen, die niet of nauwelijks bijdragen aan een oplossing. Verontwaardiging helpt ons niet om iets voor elkaar te krijgen; daarmee plaatsen we ons in deze netelige situatie alleen maar op een voetstuk van morele superioriteit. Oproepen tot eenheid en terugkeren naar hoe het was, zoals docent Andrés Parra suggereert in een onlangs verschenen artikel, zal geen soelaas bieden als er geen oplossing komt voor de armoede en werkloosheid die als gevolg van de pandemie zijn toegenomen. Met andere woorden, zoals Parra zelf stelt: het probleem is juist de situatie van vóór de pandemie.
In Myanmar leven de militairen apart van de rest van de samenleving. Ze mogen hun bases nauwelijks onbegeleid verlaten en hebben geen toegang tot internet. In combinatie met een gestaag propagandadieet, leidt dit tot tot de overtuiging dat burgers – de zogenaamde vijand – zonder pardon mogen worden gedood.
Kapitein Tun Myat Aung boog zich over het hete wegdek in Yangon, de grootste stad van Myanmar, en raapte kogelhulzen op. Hij voelde zich misselijk worden. De hulzen, wist hij, betekenden dat er geweren waren gebruikt, dat er met echte kogels op echte mensen was geschoten.
Diezelfde avond, begin maart, ontdekte hij op Facebook dat er in Yangon meerdere burgers waren gedood door soldaten van de Tatmadaw, zoals het Myanmarese leger wordt genoemd. Door mannen in uniform, net als hij.
Enkele dagen later glipte de kapitein van de 77ste Lichte Infanteriedivisie, berucht om het massaal afslachten van burgers in heel Myanmar, de basis uit en deserteerde. Hij zit nu ondergedoken.
‘Ik hou zoveel van het leger,’ zegt hij. ‘Maar de boodschap die ik aan mijn medemilitairen wil meegeven is: Als je moet kiezen tussen het land en de Tatmadaw, kies dan alsjeblieft voor het land.’
Robotleger
De Tatmadaw, die over een half miljoen parate manschappen zegt te beschikken, wordt vaak afgeschilderd als een robotleger dat getraind is om te doden. Na het afzetten van de burgerregering van Myanmar twee maanden geleden, dat overal in het land tot protesten heeft geleid, hebben de militairen hun meedogenloze reputatie alleen maar versterkt door het doden van meer dan 420 mensen en het aanvallen, gevangenzetten of martelen van duizenden anderen.
Op zaterdag 27 maart, de dodelijkste dag sinds de coup op 1 februari, hebben de veiligheidstroepen volgens de Verenigde Naties meer dan honderd mensen gedood. Zeven van hen waren kinderen, onder wie twee jongens van dertien en een jongen van vijf.
‘We moeten elk bevel van onze meerderen opvolgen’
Uit diepgaande interviews met vier officieren, van wie er twee na de coup zijn gedeserteerd, komt een complex beeld naar voren van een institutie die Myanmar al zes decennia lang domineert. Vanaf het moment dat ze aan hun opleiding beginnen leren manschappen van de Tatmadaw dat ze hoeders zijn van een land en een religie die zonder hen ten onder zullen gaan.
Ze vormen een geprivilegieerde staat binnen een staat, waarin militairen apart van de rest van de samenleving leven en werken en een ideologie ingeprent krijgen die hen ver boven de burgerbevolking verheft. De beschreven officieren worden continu in de gaten gehouden door hun meerderen, zowel in de kazerne als op Facebook. Een gestaag propagandadieet voedt hun idee dat er op iedere straathoek vijanden staan.
Dit leidt alles bij elkaar tot een wereldbeeld dat het rechtvaardigt om ongewapende burgers zonder pardon dood te schieten. Hoewel er volgens de militairen enige onvrede over de staatsgreep bestaat, achten ze het onwaarschijnlijk dat het leger op grote schaal in opstand zal komen. Dat maakt meer bloedvergieten tijdens de komende dagen en maanden des te waarschijnlijker.
‘De meeste militairen zijn gehersenspoeld,’ zegt een kapitein die is afgestudeerd aan de prestigieuze militaire academie van Myanmar. Net als de twee anderen met wie The New York Times heeft gesproken, wil hij zijn naam niet gepubliceerd zien vanwege mogelijke represailles; hij is nog in actieve dienst.
‘Ik ben bij de Tatmadaw gegaan om het land te beschermen, niet om tegen ons eigen volk te vechten,’ zegt hij. ‘Ik vind het zo verschrikkelijk om soldaten onze eigen mensen te zien doden.’
De Tatmadaw verkeert al sinds het land onafhankelijk werd in 1948 op voet van oorlog met militaire guerrilla’s, etnische opstandelingen en pleitbezorgers van de democratie. Binnen de cultachtige grenzen van de Tatmadaw wordt het boeddhistische Bamar-volk, dat de etnische meerderheid vormt, verheerlijkt ten koste van de vele etnische minderheden die Myanmar rijk is en die al decennia lang met militaire onderdrukking worden geconfronteerd.
De vijand kan zich ook in de eigen gelederen bevinden. Een doelwit van de toorn van de Tatmadaw is Daw Aung San Suu Kyi, de burgerleider die na de staatsgreep van twee maanden geleden is afgezet en opgesloten. Haar vader, generaal Aung San, heeft de Tatmadaw opgericht.
Tegenwoordig komen de vijanden van de Tatmadaw niet langer uit het buitenland maar uit eigen land: de miljoenen mensen die de straat op zijn gegaan om tegen de staatsgreep te protesteren of die aan stakingen hebben deelgenomen.
Beschermen
Op zaterdag 27 maart, de Dag van de Strijdkrachten, hield generaal Min Aung Hlaing, de opperbevelhebber die de staatsgreep in gang heeft gezet, een toespraak waarin hij zwoer ‘het volk tegen alle gevaar te beschermen’. Terwijl tanks en soldaten over de brede avenues van Naypyidaw paradeerden, de hoofdstad vol bunkers die door een eerdere junta is gebouwd, schoten in meer dan veertig steden veiligheidstroepen op zowel demonstranten als omstanders.
‘Ze beschouwen demonstranten als criminelen omdat iedereen die niet aan het leger gehoorzaamt of ertegen protesteert een crimineel is,’ zegt kapitein Tun Myat Aung. ‘De meeste soldaten hebben hun hele leven nog geen democratie meegemaakt. Ze weten nog niet wat dat inhoudt.’
Hoewel de Tatmadaw in de vijf jaar die aan de staatsgreep voorafging enige macht met een gekozen regering heeft gedeeld, behielden de militairen hun greep op het land. Ze hebben hun eigen conglomeraten, banken, ziekenhuizen, scholen, verzekeringsmaatschappijen, aandelenopties, mobiele netwerk en groentekwekerijen.
‘Ik zou deze situatie moderne slavernij noemen’
Het leger runt televisiestations, uitgeverijen en een filmindustrie met opwindende titels als Happy Land of Heroes en One Love, One Hundred Wars. De Tatmadaw heeft dansgroepen, traditionele muziekensembles en vragenrubrieken waarin vrouwen worden gemaand zich zedig te kleden.
Verreweg de meeste officieren en hun gezinnen wonen op een militair complex, waar al hun bewegingen worden gevolgd. Sinds de staatsgreep hebben de meesten van hen die complexen niet langer dan een kwartier zonder toestemming mogen verlaten.
‘Ik zou deze situatie moderne slavernij noemen,’ zegt een officieren die na de staatsgreep is gedeserteerd. ‘We moeten elk bevel van onze meerderen opvolgen. We mogen de juistheid of onjuistheid ervan niet aan de orde stellen.’
Officierskinderen
Kinderen van officieren trouwen vaak met andere officierskinderen, of met het nageslacht van rijke zakenlieden die van hun militaire connecties hebben geprofiteerd. Infanteristen brengen dikwijls de volgende generatie infanteristen voort. Het ecosysteem van de Raad voor het Staatsbestuur, zoals de junta die vorige maand de macht heeft gegrepen zichzelf noemt, is een kluwen van onderling verstrengelde stambomen.
Zelfs tijdens de vijf jaar van politieke openheid was een kwart van de parlementszetels voor mannen in het groen gereserveerd. Ze mengden zich niet met andere parlementsleden en stemden alleen maar en bloc. De belangrijkste ministeries bleven in militaire handen.
‘Ik wil heel graag het volk dienen, maar militair zijn betekent dat je de leiders van de Tatmadaw dient,’ zegt een legerarts in Yangon. ‘Ik wil ontslag nemen, maar dat kan niet. Als ik dat doe, sturen ze me naar de gevangenis. Als ik vlucht, martelen ze mijn familie.’
De geïsoleerde positie van de Tatmadaw verklaart misschien mede waarom de leiding de felheid van het verzet tegen de putsch heeft onderschat. Officieren die in psychologische oorlogvoering zijn getraind, planten dikwijls complottheorieën over democratie in Facebookgroepen die worden bezocht door militairen, aldus socialmedia-experts en een van de officieren die met onze krant sprak.
Een moslimsamenzwering wordt beschuldigd van pogingen het boeddhistische geloof de kop in te drukken
In deze paranoïde wereld viel de dreun die Aung San Suu Kyi’s Nationale Liga voor Democratie tijdens de verkiezingen van afgelopen november toebracht aan de partij die de steun van het leger genoot, gemakkelijk af te schilderen als verkiezingsfraude.
Een moslimsamenzwering, gefinancierd door rijke oliesjeiks, wordt beschuldigd van pogingen het boeddhistische geloof van de Myanmarese meerderheid de kop in te drukken. Invloedrijke monniken, aan wier voeten ook generaals bidden, prediken dat de Tatmadaw en de boeddhistische monniken zich moeten verenigen om de islam te bestrijden.
De Tatmadaw wil doen geloven dat het roofzuchtige Westen Myanmar elk moment kan veroveren. Angst voor een invasie geldt als een van de redenen waarom de militaire machthebbers de hoofdstad begin deze eeuw van Yangon, dat aan de kust ligt, naar de landinwaarts gelegen stad Naypyidaw hebben verplaatst.
‘Nu doden soldaten mensen met het idee dat ze hun land voor buitenlandse interventie behoeden,’ zegt de kapitein die nog in actieve dienst is. Zijn brigade is in een niet nader genoemde stad ingezet om een woedende volksmenigte in toom te houden.
De gevreesde invasie hoeft niet per se door de lucht of over zee te komen, maar kan ook door de ‘zwarte hand’ van buitenlandse invloed worden bewerkstelligd. George Soros, de Amerikaanse filantroop en pleitbezorger voor de democratie, wordt in kringen van de Tatmadaw beschuldigd van pogingen het land te ondermijnen met grote sommen geld voor activisten en politici. Een legerwoordvoerder impliceerde tijdens een persconferentie dat ook mensen die tegen de staatsgreep protesteren door het buitenland worden gefinancierd.
Kapitein Tun Myat Aung zegt dat hij tijdens zijn eerste jaar op de militaire academie een film te zien kreeg waarin democratische activisten uit 1988 werden afgeschilderd als dolgedraaide beesten die soldaten het hoofd afsneden. In werkelijkheid werden dat jaar duizenden betogers en anderen door de Tatmadaw gedood.
Een van de manschappen van kapitein Tun Myat Aung werd kortgeleden in het oog getroffen door een projectiel uit de katapult van een betoger, zegt hij. Maar de kapitein erkent dat de andere kant beduidend veel meer slachtoffers heeft gemaakt.
‘De meeste militairen leiden een geïsoleerd bestaan, en voor hen is de Tatmadaw de enige wereld’
Op Facebookberichten van de Tatmadaw zie je soms soldaten die worden belegerd door gewelddadige betogers met zelfgemaakte brandbommen. Maar in werkelijkheid zijn het de veiligheidstroepen die artsen hebben aangevallen, kinderen hebben gedood en omstanders hebben gedwongen nederig door het stof te kruipen.
Volgens de militairen die met onze krant hebben gesproken was het opschorten van de toegang tot mobiele data de afgelopen twee weken evenzeer bedoeld om manschappen te isoleren die twijfels begonnen te krijgen over de bevelen die ze kregen, als om de bevolking onwetend te houden.
Kort na de staatsgreep verklaarden enkele militairen zich op Facebook solidair met de betogers. ‘Het leger is aan het verliezen. Geef niet op, mensen’, schreef een inmiddels ondergedoken kapitein in een Facebookbericht. ‘Uiteindelijk zal de waarheid zegevieren.’
Loyaliteit
De geïsoleerde positie van de Tatmadaw dient ook een ander doel. Decennia lang heeft het leger op talrijke fronten tegen talrijke vijanden gevochten, voornamelijk gewapende etnische groeperingen die op zelfbestuur aandrongen. Een sterk gevoel van saamhorigheid is nodig om desertie te beperken en loyaliteit te bevorderen.
Dodentallen worden niet gepubliceerd in Myanmar omdat ze als een staatsgeheim worden beschouwd. Maar uit uitgelekte documenten die The New York Times heeft kunnen inzien, zoals over een aantal gesneuvelde soldaten in de westelijke staat Rakhine een paar jaar geleden, blijkt dat er elk jaar minimaal honderden militairen omkomen.
Volgens de kapitein die nog in actieve dienst is, is het gebruikelijk dat ongetrouwde militairen lootjes trekken om met de weduwe van een in de strijd gesneuvelde collega te kunnen trouwen. De vrouw, zegt hij, heeft weinig te zeggen over wie haar nieuwe man wordt. ‘De meeste militairen leiden een geïsoleerd bestaan, en voor hen is de Tatmadaw de enige wereld.’
Etnische minderheden, die ruwweg een derde van de Myanmarese bevolking uitmaken, leven in voortdurende angst voor de Tatmadaw, die door onderzoekers van de Verenigde Naties van genocidale acties is beschuldigd, waaronder massaverkrachtingen en executies. De bekendste slachtoffers van zulke campagnes zijn de Rohingya-moslims, maar ze hebben zich ook op andere etnische groeperingen gericht, zoals de Karen, de Kachin en de Rakhine.
Kapitein Tun Myat Aung zegt dat toen zijn 77ste Lichte Infanteriedivisie in de staat Shan in het noordoosten van Myanmar vocht, hij de weerzin van mensen uit diverse etnische groeperingen kon voelen. Als lid van een andere etnische minderheid, de Chin, begreep hij hun angst voor de Bamar-meerderheid maar al te goed.
‘Etnische minderheden haten het leger om wat dat hun heeft aangedaan’
Hoewel hij zegt alleen te hebben geschoten om te verwonden, niet om te doden, heeft kapitein Tun Myat Aung acht jaar in de frontlinies doorgebracht. Volgens hem heeft hij in al die tijd maar met één dorpeling contact gehad. ‘Mensen haten het leger om wat dat hun heeft aangedaan,’ zegt hij.
Maar de Tatmadaw heeft hem ook gered. Zijn moeder overleed toen hij tien was. Zijn vader dronk. Hij werd naar een kostschool voor leerlingen uit etnische minderheden gestuurd, waar hij uitblonk. Op de militaire academie leerde hij natuurkunde en Engels. ‘Het leger werd mijn familie,’ zegt hij. ‘Ik was automatisch blij als ik mijn uniform zag.’
In de vroege uurtjes van 1 februari klom een nog half slapende kapitein Tun Myat Aung in Yangon in een legertruck en gordde zijn helm vast. Hij wist pas wat er aan de hand was toen een collega iets over een staatsgreep fluisterde. ‘Op dat moment was het alsof ik alle hoop voor Myanmar verloor,’ zegt hij.
Enkele dagen later zag hij zijn majoor met een doos kogels, echte, niet van rubber. Die nacht huilde hij. ‘Ik realiseerde me,’ zegt hij, ‘dat de meeste militairen het volk als de vijand beschouwen.’
In vrijwel alle Latijns-Amerikaanse landen verzet de bevolking zich tegen ongelijke verdeling van welvaart en macht. Een op het oog kleine maatregel kan een massa op de been brengen.
DOSSIER DE STRAAT OP
Overal ter wereld zijn gefrustreerde burgers de afgelopen jaren straat op gegaan om hun politieke of economische eisen kracht bij te zetten. In de meeste landen is men woedend over de ongelijkheid en de schaamteloze corruptie van de politieke klasse, terwijl met name de jongere generatie met moeite het hoofd boven water kan houden. De coronapandemie heeft de sociale tegenstellingen – maar ook de urgentie om hier iets aan te veranderen – alleen maar vergroot.
Dit artikel verscheen eerder in nummer 171, december 2019.
Latijns-Amerika is het zat. Zo zat dat het bloed van de demonstranten ervan door hun aderen kolkt en de straten in de steden ervan zinderen. Zat zijn ze het, omdat er al sinds het begin van deze eeuw institutioneel noch economisch iets aan de problemen is gedaan. Nul komma nul. Daarom gaan de mensen – met name in Uruguay, Bolivia, Chili, Ecuador en Haïti – weer de straat op om te laten zien hoe zat ze het nog steeds zijn, en om de discussie aan te zwengelen over de structurele problemen van de maatschappij, die door hun regeringen worden verdoezeld, uit de weg gegaan en gerelativeerd.
In 2001 gingen in Argentinië miljoenen burgers de straat op om te protesteren tegen de economische en sociale crisis onder de leuze ‘Dat ze allemaal oprotten!’ In 2011 demonstreerden duizenden studenten in Chili voor meer toegang tot het hoger onderwijs. In 2013 kwam de Braziliaanse bevolking in opstand tegen de verhoging van de tarieven in het openbaar vervoer en de verspilling van miljoenen dollars aan de voorzieningen voor het wereldkampioenschap voetbal. Maar tot nog toe zijn de regeringsleiders erin geslaagd de diffuse macht van het protest te neutraliseren, door middel van beloften die uiteindelijk niet worden nagekomen of door hervormingen die niet meer dan pleisters op de wonden zijn, of anders door pure onderdrukking.
De onvrede onder de bevolking uit zich op zichtbare wijze – demonstraties – en op onzichtbare wijze – in 2010 gaf 30 procent van de bevolking nog aan tevreden te zijn over de economie, terwijl dat cijfer in 2018 was gezakt naar 16 procent; over diezelfde periode zakte de tevredenheid over de democratie van 61 procent naar 48 procent. De paradox is: de landen die in 2018 het meest tevreden waren over hun economie, Chili en Ecuador (30 procent), zijn uitgerekend de landen waar de meeste demonstraties tegen de ongelijkheid werden gehouden – de grief was dat de economische ontwikkeling uitsluitend ten goede komt aan een klein deel van de bevolking.
Woede
In Haïti eisen demonstranten al maanden het aftreden van een president die geen bevredigende verklaring heeft kunnen geven voor de grote armoede in het land en die geen weerwoord heeft op de aantijgingen van corruptie. Honduras maakt een ernstige politieke crisis door, en ook daar eisen de demonstranten het aftreden van de president, die wordt verdacht van banden met de georganiseerde criminaliteit. Ecuador beleefde woelige dagen na een verhoging van de brandstofprijzen. De opstand, waarbij ten minste zeven doden vielen, brak uit nadat de regering een akkoord had gesloten met het Internationaal Monetair Fonds. In Bolivia is een politieke crisis uitgebroken omdat er werd getwijfeld aan de geldigheid van de verkiezingen.
Al die conflicten komen voort uit de specifieke omstandigheden in de individuele landen, maar allemaal draaien ze om dezelfde onderliggende thema’s: ontevredenheid met en wantrouwen tegen de regering, concentratie van rijkdom bij een kleine minderheid, waardoor de structurele ongelijkheid en de sociale uitsluiting worden versterkt.
Van begin deze eeuw tot 2015 is de regio er qua economische groei en kwaliteit van leven op vooruitgegaan. De indicatoren voor sociale inclusiviteit in de gezondheidszorg, het onderwijs en de infrastructuur zijn significant verbeterd, evenals de indicatoren voor werk en inkomen. Veel factoren hebben aan deze vooruitgang bijgedragen, en die verschillen van land tot land; maar fundamenteel hebben ze te maken met overheidsmaatregelen om de ongelijkheid terug te dringen en met een periode van economische groei die het gevolg was van een stijging van de grondstofprijzen op de internationale markt.
De landen in Latijns-Amerika zijn weliswaar verschillend, maar wat ze gemeen hebben is dat in de afgelopen jaren de armoede in de hele regio is toegenomen. In een rapport van de Economische Commissie voor Latijns-Amerika van de Verenigde Naties (CEPAL) uit 2019, getiteld Economische perspectieven van Latijns-Amerika, staat dat de armoede tussen 2015 en 2018 in de hele regio met 1,7 procentpunt is gestegen en de extreme armoede met 2,5 procentpunt. Dat wil zeggen dat drie op de tien personen in de regio onder de armoedegrens leven en een op de tien in extreme armoede.
Na dagen van protesten en een golf van geweld in Chili heeft president Sebastián Piñera de maatregel ingetrokken die de aanleiding vormde voor het conflict: de prijsverhoging van een metrokaartje met 30 peso (ongeveer 4 eurocent). Hij dacht misschien dat daarmee de protesten zouden ophouden, zoals enkele weken eerder in Ecuador was gebeurd, toen president Lenín Moreno het decreet had ingetrokken waarmee de subsidie op fossiele brandstoffen werd afgeschaft. Maar dat gebeurde niet. Integendeel: de protesten namen toe. Op straat hadden de mensen een simpele leuze voor de politieke klasse die er blijkbaar niets van begreep: ‘Het zijn geen 30 peso, het zijn 30 jaar’.
Die simpele leuze drukt uit hoezeer de bevolking de ongelijkheid zat is. Latijns-Amerika is de meest ongelijke regio ter wereld, niet alleen in termen van inkomen, maar ook in termen van toegang tot het recht. Het economisch herstel (met een terugval in 2015) bracht wel een verbetering van het armoedepercentage, maar zorgde niet voor structurele veranderingen. De mensen die de armoede zijn ontstegen vormen een kwetsbare opkomende middenklasse wier positie onzeker is en die, omdat ze niet kunnen sparen of zelfs tot over hun oren in de schulden zitten, constant het gevaar lopen opnieuw in armoede te vervallen.
Volgens het eerder geciteerde rapport van de CEPAL uit 2019 bevindt 40 procent van de bevolking in de hele regio zich in deze situatie, met slecht betaald, laaggeschoold werk en weinig of helemaal geen sociaal vangnet. De vooruitgang stagneert, omdat alles structureel bij het oude blijft.
Voor de ongelijkheid zijn weliswaar meerdere oorzaken aan te wijzen, maar de wortels ervan reiken diep in het productiesysteem van de hele regio. De productie in Latijns-Amerika kent weinig diversificatie en is zeer ongelijksoortig, met een concentratie van 50 procent van het laaggeschoold werk in de kwetsbare sectoren die onder de macro-economische groeicijfers blijven. Bovendien steunt de economie historisch op de winning van grondstoffen. Die afhankelijkheid heeft op alle fronten negatieve gevolgen: de concurrentiekracht ten opzichte van andere regio’s in de wereld is uitzonderlijk laag en er is geen enkel perspectief op duurzaamheid. Bovendien brengt de winning van grond-stoffen zowel de natuur als de samenleving onherstelbare schade toe.
Maar het zijn niet alleen materiële factoren die de ongelijkheid veroorzaken. Het koloniale verleden heeft de regio met een culturele erfenis van privileges opgezadeld die een tweede natuur is geworden. In de collectieve verbeelding heeft zich het idee vastgezet dat sommige mensen rechten hebben en andere niet. Zo heeft een inheems meisje op het platteland veel meer kans op een leven in armoede, zonder toegang tot schoon drinkwater of goed onderwijs, dan een jongetje uit de grote stad. En het zijn niet alleen sociaal-economische factoren die de rechten van het individu bepalen, maar ook parameters als het geslacht, de etniciteit en de geografie. Gelijkheid in de zin van volledige aanspraak op alle mensenrechten, ongeacht de omstandigheden, is voor Latijns-Amerika een stip op een zeer verre horizon.
Maar de cultuur van privileges betekent niet dat de ongelijkheid zomaar passief wordt geaccepteerd. Integendeel: dat is de soep waarin de sociale opstand gaar kookt. Ongelijkheid is om te beginnen al een hinderpaal voor sociale integratie. De scherpe scheiding tussen de maatschappelijke klassen komt op velerlei niveaus tot uiting: van de segregatie in de stad in het onderwijs en de huisvesting tot aan de levensverwachting toe.
Naarmate de economie groeit, worden grote delen van de samenleving in de marge gedrukt, en dat roept spanningen op, vooral als de mensen zien dat de privileges berusten op overgeërfde posities, of op vriendjespolitiek of regelrechte corruptie. Dat ondergraaft de legitimiteit van de instituties en genereert onbehagen en maatschappelijke instabiliteit die uiteindelijk leiden tot massale protesten.
Uitsluiting
Als we kwesties onder de loep nemen, zoals de gezondheidszorg, de voedselvoorziening, de toegang tot schoon drinkwater, huisvesting en vast werk, zien we duidelijk de realiteit van het dagelijks leven achter de macro-economische variabelen. Zo is de toegang tot schoon drinkwater, een voorziening die door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 2010 werd erkend als een van de rechten van de mens, lang niet altijd gegarandeerd.
40% van de Latijns-Amerikanen loopt het risico om in armoede te vervallen door onzeker werk en gebrek aan een sociaal vangnet.
In 2015 beschikte 65 procent van de Latijns-Amerikanen over een betrouwbare watervoorziening en was slechts 22 procent aangesloten op riolering. Vooral de plattelandsbevolking heeft van dit gebrek te lijden. Aan de andere kant leeft een kwart van de bevolking in de stedelijke gebieden in armoedige omstandigheden. En ten slotte zijn er, volgens een rapport van de Inter-nationale Arbeidsorganisatie, in de regio 140 miljoen mensen zonder vast werk. Dat is de helft van de werkzame bevolking.
De statistieken over de hele regio laten de omvang van de uitsluiting zien, en de nationale en lokale cijfers brengen de ongelijkheid aan het licht. Beide tonen de realiteit van een regio die, ondanks alle vooruitgang, nog steeds moeite heeft de structuren te ontmantelen die verhinderen dat de hele bevolking in staat wordt gesteld haar volledige sociale, politieke, economische en culturele rechten uit te oefenen.
Privéonderwijs
In 2011 gingen in heel Chili studenten de straat op om te demonstreren voor openbaar en inclusief onderwijs. Die protesten brachten aan het licht hoe exclusief het hoger onderwijs is, hoe het alleen toegankelijk is voor een klein segment van de bevolking dat het kan betalen, terwijl de rest zich diep in de schulden moet steken om te kunnen studeren. Maar tegelijk barstte daarmee de discussie los over de maatschappelijke ongelijkheid en de toegang tot basisvoorzieningen als zorg en onderwijs. Binnen het huidige model, dat is gebaseerd op accumulatie van macht, rijkdom en prestige, leidt een systeem van privéonderwijs onherroepelijk tot een consolidatie van de ongelijkheid, die bovendien nog wordt gerechtvaardigd door een cultuur van privileges.
In alle landen van Latijns-Amerika vind je privéscholen en privé-universiteiten, en wat openbaar onderwijs wordt genoemd is in feite staats-onderwijs. Veel onderwijsinstellingen van de staat hebben een hoog niveau en genieten veel aanzien, maar voor vele geldt dat ook niet, en de kwaliteitskloof in het onderwijs, tussen en binnen landen, is nog steeds erg groot. Daarom spreken we van staatsonderwijs in plaats van openbaar onderwijs, want een openbare voorziening dient voor iedereen dezelfde kwaliteit te hebben en op dezelfde wijze bij te dragen aan de waardigheid van de burger.
De helft van de werkzame bevolking in Latijns-Amerika zit zonder vast werk
Bernardo Toro, een Colombiaanse filosoof en lid van de Fundación Avina, een ngo die zich inzet voor duurzame ontwikkeling in Latijns-Amerika, zegt dat ‘wanneer het onderwijs van verschillende kwaliteit is, het niet leidt tot de ontplooiing maar tot de afbrokkeling van de maatschappij’.
In Latijns-Amerika zal een proces van integratie pas mogelijk zijn als er wordt afgerekend met een situatie waarin sommigen beter onderwijs krijgen dan anderen. Dat impliceert dat de bijl aan de wortel van het systeem moet worden gezet om gelijke kansen voor iedereen te creëren, en dat betekent ingrijpen in alle sectoren van de samenleving: gezondheidszorg, vervoer, veiligheid en openbare ruimte. Om de ongelijkheid te verminderen moeten er meer openbare voorzieningen komen en dat vereist een transitie naar een nieuw model dat, in tegenstelling tot het huidige, zorg voorop stelt en alle lagen van de bevolking en alle nationale staten achter hetzelfde doel verenigt: het creëren van voorwaarden om iedereen een waardig leven te gunnen.
Bezet de politiek
De instelling van nieuwe democratische instituties en de versterking en uitbouw van hun sociale en politieke bevoegdheden zullen ervoor zorgen dat de machtsverhoudingen verschuiven en er meer ruimte komt voor participatie in alle geledingen van de democratie. Een voorbeeld is de consolidatie van politieke actiegroepen zoals Ocupar la Política [Bezet de Politiek] in Brazilië, Mexico en Colombia, die niet alleen politiek en beleidsmatig aan de knoppen willen draaien, maar ook bereid zijn actie te ondernemen voor de invulling en implementatie van hervormingen in het democratisch bestel. Die nieuwe actiegroepen bieden een platform voor andere stemmen en andere segmenten van de bevolking die traditioneel werden buitengesloten van de macht.
Ze behoren tot de rijkste steden ter wereld – Parijs, Hongkong en Santiago – maar toch hadden ze de afgelopen jaren te kampen met massale demonstraties. ‘Economische groei zonder eerlijke verdeling en ecologische duurzaamheid is een recept voor wanorde, niet voor welzijn.’
Dossier De straat op
Overal ter wereld zijn gefrustreerde burgers de afgelopen jaren straat op gegaan om hun politieke of economische eisen kracht bij te zetten. In de meeste landen is men woedend over de ongelijkheid en de schaamteloze corruptie van de politieke klasse, terwijl met name de jongere generatie met moeite het hoofd boven water kan houden. De coronapandemie heeft de sociale tegenstellingen – maar ook de urgentie om hier iets aan te veranderen – alleen maar vergroot.
In drie van de rijkste steden ter wereld zijn dit jaar massale protesten uitgebroken en is een klimaat van maatschappelijke onrust ontstaan. Parijs kampt met golven demonstraties en rellen; deze begonnen in november 2018, kort nadat president Emmanuel Macron de accijns op brandstof had verhoogd.
Hongkong is in opstand sinds maart van dit jaar [2019], toen leider Carrie Lam met een wetsvoorstel kwam dat uitlevering van burgers aan China mogelijk moest maken. En Santiago explodeerde [in oktober 2019], nadat president Sebastián Piñera de prijs van een metrokaartje had verhoogd. Elk protest heeft zijn eigen lokale kenmerken, maar samen vertellen ze een breder verhaal: dit is wat er kan gebeuren wanneer gevoelens over oneerlijke verdeling samengaan met een wijdverbreid besef van gebrek aan sociale mobiliteit.
Volgens de klassieke meetmethode van bnp per hoofd van de bevolking zijn deze drie steden toonbeelden van economisch succes. in Hongkong ligt het inkomen per hoofd van de bevolking rond de 36.000 euro, in Parijs ligt het boven de 54.000 euro en in Santiago, een van de rijkste steden van Latijns-Amerika, rond de 16.000 euro. In het Global Competitiveness Report van het World Economic Forum staat Hongkong op de derde plaats, Parijs op de vijftiende en Santiago op de drieëndertigste (verreweg het hoogst van heel Latijns-Amerika).
Persoonlijke vrijheid
Deze landen zijn volgens de gebruikelijke economische maatstaven dus redelijk rijk en concurrerend, maar toch zijn hun inwoners ontevreden over belangrijke aspecten van hun leven. Volgens het World Happiness Report van 2019 hebben de burgers van Hongkong, Frankrijk en Chili het gevoel dat hun leven op veel belangrijke punten is vastgelopen.
Onderzoeksbureau Gallup stelt mensen over de hele wereld elk jaar de vraag: ‘Bent u tevreden of ontevreden over uw vrijheid om te kiezen wat u met uw leven wilt doen?’ Hongkong, dat qua bnp wereldwijd op de negende plaats staat, komt in het ervaren van persoonlijke vrijheid om een eigen levensloop te kiezen pas op de zesenzestigste plaats. Hetzelfde contrast is te zien in Frankrijk (vijfentwintigste in bnp per hoofd van de bevolking, maar negenenzestigste in persoonlijke keuzevrijheid) en Chili (respectievelijk achtenveertigste en achtennegentigste).
Ironisch genoeg wordt Hongkong zowel door de Heritage Foundation als door de Canadese Simon Fraser-universiteit de stad met de meeste economische vrijheid ter wereld genoemd, en toch zijn de inwoners van Hongkong ongelukkig over hun vrijheid om zelf te bepalen wat ze met hun leven willen doen. In alle drie de landen zien jonge mensen die niet uit een rijke familie komen nauwelijks kansen om betaalbare huisvesting en een fatsoenlijke baan te vinden.
‘Economische groei zonder eerlijke verdeling is een recept voor wanorde, niet voor welzijn’
De gemiddelde prijs voor een woning in verhouding tot het gemiddelde salaris is in Hongkong het hoogst ter wereld. Binnen de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de club van landen met hoge inkomens, heeft Chili de grootste inkomensongelijkheid. In Frankrijk hebben kinderen uit elitefamilies een enorme voorsprong in het leven.
Door torenhoge huizenprijzen worden de meeste mensen uit centrale zakendistricten verdreven en zijn ze vaak afhankelijk van openbaar vervoer om naar hun werk te komen. Veel mensen zullen dus extra gevoelig zijn voor veranderingen in de vervoersprijzen, zoals de uitbarstingen van protest in Parijs en Santiago hebben laten zien.
Hongkong, Frankrijk en Chili zijn bepaald niet de enige landen die te maken hebben met een crisis op het gebied van sociale mobiliteit en met woede over ongelijkheid. In de Verenigde Staten neemt het aantal zelfdodingen sterk toe en zijn er ook andere tekenen van maatschappelijke nood, zoals massaschietpartijen, in een tijd dat de ongelijkheid groter is dan ooit en het vertrouwen in de overheid praktisch is verdwenen. Als Amerika politiek en economisch op dezelfde voet doorgaat, kan het land zeker nog meer maatschappelijke uitbarstingen verwachten.
Willen we dat afwenden, dan moeten we lering trekken uit de drie bovengenoemde recente voorbeelden. Geen van deze drie regeringen had de protesten zien aankomen. Ze waren het contact met wat er onder de bevolking leeft kwijtgeraakt en voorzagen daardoor niet dat een ogenschijnlijk bescheiden beleidsmaatregel (de uitleveringswet van Hongkong, de verhoging van de benzineaccijns in Frankrijk en duurdere metrokaartjes in Chili) zo’n maatschappelijke explosie zou veroorzaken.
‘In de VS is de ongelijkheid groter dan ooit en het vertrouwen in de overheid praktisch verdwenen’
Misschien nog wel het belangrijkst, en het minst verrassend, is dat de traditionele economische methoden om welzijn te meten totaal niet meer voldoen voor het inschatten van de werkelijke gevoelens van de samenleving. Het bnp per hoofd van de bevolking meet een gemiddeld inkomen van een economie, maar zegt niets over de verdeling daarvan, over gevoelens van eerlijkheid of onrecht onder de mensen, over de financiële kwetsbaarheid die ze ervaren of over andere omstandigheden (zoals vertrouwen in de overheid) die belangrijk zijn voor de algehele kwaliteit van leven.
Rankings als die in de Global Competitive Index van het World Economic Forum of de Index of Economic Freedom van de Heritage Foundation, en de meeteenheid van de Economic Freedom of the World die de Simon Fraser-universiteit gebruikt, geven ook veel te weinig weer van de subjectieve gevoelens over een eerlijke verdeling, de vrijheid om eigen keuzes te maken, de oprechtheid van de overheid en de betrouwbaarheid van medeburgers zoals die wordt ervaren.
Om over dat soort gevoelens meer te weten te komen, moet je het publiek rechtstreeks vragen naar de tevredenheid over hun leven, hun gevoel van persoonlijke vrijheid, hun vertrouwen in overheid en landgenoten en andere dimensies van het maatschappelijk leven die belangrijk zijn voor de kwaliteit van leven en daarmee voor de kans op het ontstaan van maatschappelijke onrust.
Het idee achter de duurzame ontwikkeling die wordt weerspiegeld in de zeventien duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) die in 2015 door de Verenigde Naties zijn vastgesteld, is om niet alleen te kijken naar traditionele indicatoren zoals groei van het bnp en inkomen per hoofd van de bevolking, maar ook naar een reeks doelen zoals sociale rechtvaardigheid, vertrouwen en ecologische duurzaamheid. De SDG’s hebben bijvoorbeeld specifiek aandacht voor inkomensongelijkheid, maar ook voor bredere factoren van welzijn.
Elke samenleving hoort de pols van zijn bevolking te nemen en aandacht te schenken aan de bronnen van maatschappelijk ongeluk en wantrouwen. Economische groei zonder eerlijke verdeling en ecologische duurzaamheid is een recept voor wanorde, niet voor welzijn. Zelfs schijnbaar redelijke maatregelen zoals het stoppen van brandstofsubsidies of het verhogen van de metroprijs om daarmee kosten te dekken, kunnen tot protesten leiden wanneer ze worden doorgevoerd in een tijd van onvoldoende vertrouwen in de maatschappij, grote ongelijkheid en een algeheel gevoel van oneerlijkheid.
In Chili was de verhoging van de metrotarieven de lont in het kruitvat. In Libanon was het een WhatsApp-belasting. De regering van Saoedi-Arabië ondernam actie tegen waterpijpen. En in India ging het over uien. Wat de aanleiding ook was, overal gingen gefrustreerde burgers massaal de straat op.
Dossier De straat op
Overal ter wereld zijn gefrustreerde burgers de afgelopen jaren straat op gegaan om hun politieke of economische eisen kracht bij te zetten. In de meeste landen is men woedend over de ongelijkheid en de schaamteloze corruptie van de politieke klasse, terwijl de jongere generatie met moeite het hoofd boven het water kan houden. De coronapandemie heeft de sociale tegenstellingen – maar ook de urgentie om hier iets aan te veranderen – alleen maar vergroot.
Overal ter wereld werden kleine geldkwesties de afgelopen maanden [najaar 2019] het brandpunt van volkswoede en gingen gefrustreerde burgers massaal de straat op. De onverwachte betogingen speelden in op de zinderende frustratie over een politieke elite die als onverbeterlijk corrupt of hopeloos onrechtvaardig werd beschouwd, of allebei. Ze volgden op massale demonstraties in Bolivia, Spanje, Irak en Rusland en daarvoor al in Tsjechië, Algerije, Soedan en Kazachstan.
Op het eerste gezicht is het verband tussen de gestaag toenemende onrust en de talrijke demonstraties vooral tactisch van aard. Als gevolg van constante burgerlijke ongehoorzaamheid in Hongkong werd ook elders de confrontatie gezocht, om volstrekt andere economische of politieke eisen kracht bij te zetten. Toch bespeuren deskundigen een bepaald patroon: een ongewoon luidruchtig protest tegen elites in landen waar democratie een bron van teleurstelling is, waar schaamteloze corruptie heerst en waar een minuscule politieke klasse een luxeleventje leidt, terwijl de jongere generatie moeite heeft om rond te komen.
‘Het zijn de jongeren die er genoeg van hebben,’ zegt Ali Soufan, directeur van de Soufan Group, een consultancybureau voor beveiligingsinformatie. ‘Deze nieuwe generatie pikt het in hun ogen corrupte gedrag van de politieke en economisch elite in hun land niet langer. Ze eisen verandering.’
Maar hoe dramatisch de recente uitbraak van massabetogingen ook lijkt, volgens wetenschappers is het slechts een voortzetting van een trend. Al decennialang gaan samenlevingen steeds vaker de straat op om voor ingrijpende politieke veranderingen te betogen.
De laatste tijd is het tempo waarin de betogingen elkaar opvolgen sterk opgevoerd door een combinatie van factoren: een stagnerende wereldeconomie, een duizelingwekkende kloof tussen rijk en arm en een toenemende groep jongeren in tal van landen die overloopt van gefrustreerde ambitie. Daar komt bij dat de uitbreiding van de democratie wereldwijd tot stilstand is gekomen, zodat burgers met onwillige regeringen gefrustreerd raken en activisten geen andere mogelijkheid zien dan de straat op te gaan om verandering te eisen.
Succespercentage
Maar terwijl het aantal protestbewegingen groeit, keldert het succespercentage ervan. Nog maar twintig jaar geleden had 70 procent van de betogingen voor systematische politieke verandering resultaat, een percentage dat sinds de jaren vijftig gestaag was gestegen, aldus een studie van Erica Chenoweth, politicoloog aan de Harvard-universiteit. Halverwege het eerste decennium van deze eeuw keerde het tij. Succespercentages blijven nu hangen op 30 procent, een afname die Chenoweth ‘onthutsend’ noemt.
Deze twee trends houden nauw verband met elkaar. Naarmate betogingen frequenter worden maar vaker mislukken, strekken ze zich uit over een langere periode en worden ze steeds feller, steeds zichtbaarder; daarbij zijn mensen steeds vaker geneigd opnieuw de straat op te gaan wanneer hun eisen niet worden ingewilligd. Het resultaat kan een wereld zijn waarin volksopstanden niet langer opvallen en onderdeel van het landschap worden.
In landen waar verkiezingen bepalend zijn, zoals de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, heeft scepsis over het oude politieke bestel geleid tot stemmenwinst van populisten, nationalisten en tegenstanders van immigratie. En in landen waar de mensen geen stem hebben, wordt massaal gedemonstreerd.
De uiteenlopende blijken van onrust zijn binnen de Verenigde Naties niet onopgemerkt gebleven. Secretaris-generaal António Guterres heeft [half oktober] ter sprake gebracht tijdens een vergadering van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Critici hebben het IMF ervan beschuldigd de economische problemen in landen als Ecuador nog verder aan te jagen door bezuinigingsmaatregelen op te leggen om de staatsschuld te verlichten.
Volgens sommige deskundigen is de wereldwijde protestgolf te divers om hem onder één noemer te kunnen scharen. Toch hebben de protesten in sommige regio’s vaak overeenkomstige trekken.
In het Midden-Oosten heeft het tumult tot onvermijdelijke vergelijkingen met de Arabische Lente van 2011 geleid. Maar volgens deskundigen zit er achter de recente protesten een nieuwe generatie die zich minder aantrekt van de oude sektarische of ideologische scheidslijnen. En in plaats van het hoofd van een dictator te eisen, zoals veel Arabieren in 2011 deden, hebben de Libanezen een hele politieke klasse aangeklaagd.
Veel Arabieren zijn sinds de roerige Arabische Lente beducht voor volksprotesten en geloven hun autoritaire leiders als die waarschuwen dat iedere revolte hun land in net zo’n gewelddadige chaos kan storten als in Libië, Syrië of Jemen.
Muur van angst
Maar de recente protestgolven in Libanon, Egypte en Irak – en niet te vergeten de revoltes die aloude dictators in Algerije en Soedan dit jaar de kop hebben gekost – duiden erop dat de muur van angst begint af te brokkelen.
Zelfs in Saoedi-Arabië, waar openbare betogingen vrijwel ondenkbaar zijn door de dreiging van overheidsrepressie, brak er op sociale media een ongebruikelijke opstand uit vanwege een belasting van 100 procent op rekeningen van restaurants met waterpijpen, oftewel hookahs. ‘Belasting op hookah-restaurants’ werd een trending topic in het koninkrijk. Volgens sommige commentatoren op Twitter druiste de belasting in tegen de wens van de koninklijke familie om het ultraconservatieve imago van Saoedi-Arabië te veranderen.
De wereldwijde protestgolf is te divers om hem onder één noemer te kunnen scharen
Al steken de protesten nu sneller de kop op en zijn ze wijdverbreider dan in eerdere decennia, ze zijn ook fragieler. De moeizame mobilisering die volksbewegingen ooit typeerde, was traag maar duurzaam. Via sociale media georganiseerde protesten kunnen sneller opvlammen maar zakken even snel weer in. Ook hebben autoritaire regeringen inmiddels geleerd sociale media in te zetten voor het verspreiden van propaganda, het op de been brengen van sympathisanten of het zaaien van verwarring, aldus Chenoweth.
En zelfs als er een opwelling van protest is, komt er heel wat meer voor kijken om die te laten uitgroeien tot een massale verzetsbeweging. De huizenhoge uienprijzen in India leidden ertoe dat boeren de snelwegen blokkeerden en kortstondige betogingen hielden. Maar de frustratie heeft zich nog niet ontwikkeld tot massale betogingen, omdat niemand haar in de juiste banen weet te leiden: de Indiase oppositie is een chaos, de politiek wordt gedomineerd door scheidslijnen tussen kasten en religies, en de regering van de hindoenationalistische premier Narendra Modi grijpt voortdurend de dreiging van het naburige Pakistan aan om het publiek af te leiden.
Drukmiddel
Volgens Harvard-politicoloog Erica Chenoweth neemt over de hele wereld het massale protest toe als drukmiddel om verandering mee te eisen of frustratie te ventileren. Ook is te zien dat de kans op succes afneemt. Volgens Chenoweth werd in 2000 nog 70 procent van de eisen ingewilligd; dat percentage is de laatste jaren gezakt naar de huidige 30 procent.
Ecuador trok een door het IMF ontworpen bezuinigingspakket weer in. In Soedan kregen een miljoen demonstranten het militaire regime op de knieën. In Algerije stapte president Bouteflika op nadat miljoenen mensen zijn vertrek hadden geëist. Naast deze successen leidden protesten in Rusland, Brazilië en Tsjechië nog niet tot verandering.
Eerder berichtten we al over Googles dreigement om Australië te verlaten, vanwege een wetsvoorstel van de regering dat eist dat nieuwsuitgevers voor hun inhoud worden betaald. Sindsdien, meldt Sydney Morning Herald, sloot het bedrijf miljoenencontracten met grote Australische uitgevers.
Zo niet Facebook. Als reactie op het voorstel verhindert het bedrijf persgroepen en gebruikers om nieuwsartikelen op het sociale netwerk in het land te delen of te bekijken. De Australische regering noemt de blokkade ‘autoritair’, de Sydney Morning Herald ‘onthutsend’.
De officiële reactie van Facebook luidt als volgt:
‘We staan voor een onaangename keuze: proberen te voldoen aan een wet die de realiteit van de relatie [tussen het netwerk en de uitgevers] negeert, of stoppen met het toestaan van nieuwsinhoud op onze diensten in Australië. Met een bezwaard hart kiezen we voor de tweede optie.’
Fakebook
Afgezien van de afname van het verkeer naar hun sites die de maatregel tot gevolg zal hebben, maken veel Australische media, zoals The Australian Financial Review, zich zorgen over het verdwijnen van betrouwbare informatie op het netwerk. De krant is van mening dat ‘Facebook de Australische waarheid opoffert (…) om te voorkomen dat er een duur wereldwijd precedent wordt geschapen’.
Volgens een rapport van de Universiteit van Canberra over digitaal nieuws in 2020 gebruikt 39 procent van de Australiërs Facebook om het nieuws te raadplegen en 49 procent om informatie over de covid-19-epidemie te verkrijgen.
‘Terwijl Australië zich voorbereidt op de lancering van het belangrijkste vaccinatieprogramma van ons leven, zullen de antivaxers, die zoals we hebben gezien verkeerde informatie op Facebook verspreiden, niet langer worden weersproken door een persbericht van lokale gezagsdragers’, aldus Financial Review.
Met al dit nepnieuws, waarschuwt ook The Australian, ‘wordt Facebook “Fakebook”’ en zorgt Mark Zuckerberg ervoor dat zijn ‘Australische gebruikers machteloos staan tegenover gevaarlijk nepnieuws’.
‘Vrijheid voor Pablo Hasél. Weg met Franco’s rechtssysteem’
Meer dan veertig mensen zijn gearresteerd na gewelddadige protesten in Madrid, Barcelona en Granada tegen de opsluiting van Pablo Hasél, meldde El Mundo woensdag (17 februari). In de Spaanse hoofdstad verzamelden honderden mensen zich ’s middags bij Puerta del Sol om de rapper te steunen, na zijn veroordeling tot negen maanden gevangenisstraf vanwege tweets waarin hij de politie en de monarchie aanvalt. De ‘ongeoorloofde maar vreedzame’ demonstratie ontmondde tegen de avond in ‘een veldslag’.
In Barcelona verzamelden honderden mensen zich voor de tweede dag op rij, wat uitliep op ‘het verbranden van containers en het opzetten van barricades’.
El País sprak met enkele demonstranten. Jorge Gómez, 24, licht toe: ‘Er is een gebrek aan vrijheid van meningsuiting, alleen omdat Hasél vanzelfsprekende dingen heeft gezegd.’ [Hasél noemde voormalig koning Juan Carlos I een maffiabaas.] Gómez noemt de wetten die de rapper hebben veroordeeld ‘middeleeuws’. Julia Castro, 22, voert aan dat: ‘veel reggaetonliedjes denigrerende boodschappen over vrouwen bevatten en toch door miljoenen mensen worden gehoord, terwijl slechts een minderheid naar Hasél luistert.’
De kreet die het meest is gehoord op het centrale plein van Madrid is ‘Nazi’s overdag en politie ’s nachts’ en ‘Hier zijn de antifascisten’. Op spandoeken staat de slogan ‘Ontvoerd door de staat, iedereen op straat! Laten we zijn vrijheid heroveren!’ en ‘Vrijheid voor Pablo Hasél. Weg met Franco’s rechtssysteem’. Volgens het Spaanse dagblad begonnen de bijeenkomsten in feestelijke sfeer, met liedjes waarin de vrijlating van de Catalaanse rapper wordt geëist.
Ook Amnesty International veroordeelt de opsluiting van de rapper.
Pablo Hasél's imprisonment is an excessive and disproportionate restriction on his freedom of expression, but he is not alone in suffering the consequences of unjust laws. https://t.co/eN2rr75lyc
In het VK worden vrijwilligers ingeënt met het coronavirus
De Britse regering heeft besloten een experiment te financieren dat van plan is om ongeveer negentig vrijwilligers te ‘infecteren’ met covid-19 om informatie te verzamelen over de reactie van het immuunsysteem. De ethische instantie voor klinische proeven heeft groen licht gegeven voor het experiment. Over een paar weken zullen gezonde mensen tussen de 18 en 30 jaar door middel van druppels in de neus met het virus worden besmet.
Deze wereldprimeur roept enkele vragen op. Zoals: wat is een gepaste beloning als je ermee instemt te worden geïnjecteerd met een virus dat wereldwijd al 2,4 miljoen mensen heeft gedood? Het antwoord is volgens The Times 4000 pond (4600 euro). In het project is in totaal 33 miljoen pond geïnvesteerd.
Op middellange termijn hopen de onderzoekers de tests te kunnen voortzetten om nog ambitieuzere doelen te bereiken, legt professor Peter Openshaw van Imperial College London uit in TheGuardian. ‘Deze onderzoeken zijn uniek en kunnen ons in staat stellen om sneller vooruitgang te boeken, niet alleen bij het begrijpen van de ziekte, maar ook bij het vinden van geschikte behandelingen en vaccins’, aldus de wetenschapper. Deze hulp zou meer dan welkom zijn in een tijd waarin de verspreiding van nieuwe varianten de internationale wetenschappelijke gemeenschap zorgen baart.
Balans
Het wetenschappelijke Nature stelde al aan het begin van de pandemie de vraag of dergelijke ‘tests op mensen’ acceptabel zouden zijn. De media bevestigden vervolgens dat het noodzakelijk was ‘een redelijk evenwicht te vinden tussen de risico’s die deze mensen lopen en het belang dat deze inspanning vormt voor de gemeenschap. De onderzoeken brengen risico’s met zich mee, maar nemen ze ook weg.’
Zeeschildpadden worden in Texas gered van de kou
In Texas is een congrescentrum ingericht om de ‘laatste slachtoffers van het strenge winterweer op te vangen’, schrijft NBC News. Het gaat om duizenden door de kou verdoofde zeeschildpadden, die op het strand zijn aangespoeld.
De verdoving houdt in dat de schildpadden hun flippers niet meer kunnen bewegen en vanzelf komen bovendrijven. Ze weten dat ze moeten bewegen om te kunnen overleven, maar zijn niet in staat om hun lichaam daartoe aan te zetten, legt een medewerker van het centrum uit in een filmpje op CNN. Als gevolg daarvan worden ze levenloos.
Bewoners, van wie sommigen zelf geen warmte of basisvoorzieningen in hun eigen huis hebben vanwege het ongewoon koude weer, hebben de zeeschildpadden gered en naar het congrescentrum in een vakantieoord in het zuiden van Texas gebracht.
‘Zo ongeveer om de vijftien minuten komt er weer een pick-uptruck of SUV aanrijden’, zegt Ed Caum, uitvoerend directeur van de South Padre Island Convention and Visitors Bureau, geciteert door The Guardian.
Hij vertelt dat mensen soms een of twee zeeschildpadden meebrengen, soms meer. ‘Gisteren kwamen er soms ook aanhangwagens vol met vijftig tot honderd stuks.’ Tot nu toe zijn er meer dan 3500 zeeschildpadden ‘verzameld’; Caum is terughoudend met de term gered, want ‘we weten dat we er enkele gaan verliezen’.
Nu er opnieuw een koufront nadert, is niet bekend wanneer de zeeschildpadden weer het water in kunnen. De temperatuur in het gebied was op woensdagmiddag ongeveer 4 graden Celsius. De schildpadden kunnen pas teruggeplaatst worden in de Golf van Mexico als het kwik boven de 15 graden uitstijgt.
Eerder beschreef The Guardianal hoe de winterstorm de ongelijkheid in toegang tot elektriciteit vergroot onder Texanen; hoewel de staat de meeste elektriciteit produceert in de VS, ‘bevonden miljoenen kansarme inwoners zich de afgelopen weken in kou en duisternis’.
Door een serie aan rampen in de recente geschiedenis van Japan, zouden relatief veel inwoners ontvankelijker zijn geworden voor complottheorieën die verklaren waarom alles is misgegaan.
In enkele grote Japanse steden hebben de afgelopen tijd pro-Trumpdemonstraties plaatsgevonden, tot in de puntjes georganiseerd door de sterk in opkomst zijnde ‘J-Anon’-beweging. Zo maakte Jeffrey Hall, docent aan de Waseda-universiteit in Tokio, op 6 januari in een serie tweets melding van een betrekkelijk grote pro-Trumpdemonstratie in de Japanse hoofdstad, enkele uren voordat aan de andere kant van de wereld in Washington D.C. Trumpaanhangers het Capitool bestormden. En half december deelde BBC-journalist Shayan Sardarizadeh, die over complottheorieën schrijft, filmpjes van een andere pro-Trumpdemonstratie in Osaka en wees daarbij op de sterke groei van J-Anon, een beweging die net als haar gecrowdsourcede Amerikaanse tegenhanger QAnon samenzweringstheorieën verspreidt.
A pro-Trump #StopTheSteal march is being held right now in Tokyo. Hours before the #January6th march takes place in America, these people are holding their own event supporting the claim that Trump actually won the 2020 election. pic.twitter.com/6CNobnlzHk
Tot de ingreep door Twitter na de rellen in het Amerikaanse Capitool op 6 januari hebben Japanse QAnon-groepen zich op het platform gemanifesteerd met hashtags als #J-Anon en #QArmyJapanFlynn. Dat laatste als verwijzing naar Michael Flynn, de in ongenade gevallen Amerikaanse Nationale Veiligheidsadviseur aan wie gratie is verleend door Donald Trump, en een belangrijke figuur binnen QAnon. Ondanks de veelvuldige ingrepen door het platform, waarbij de laatste keer meer dan zeventigduizend accounts werden verwijderd, zijn beide hashtags sinds 13 januari 2020 nog altijd actief.
De beruchtste van de religieuze randgroeperingen was de Aum-cultus uit de jaren negentig, die het einde van de wereld voorspelde
Als reden voor de populariteit van QAnon in Japan, die blijkt uit demonstraties in verscheidene Japanse steden sinds de Amerikaanse verkiezingen in november 2020, wordt vaak de sociale ontwrichting genoemd die het gevolg is van de enorme aardbeving, tsunami en kernramp in 2011 en van de huidige covid-19-pandemie, waardoor sommige Japanners ontvankelijker zijn geworden voor complottheorieën die verklaren waarom alles is misgegaan.
In december 2020 schreef journalist en activist Ogesa Taro op de Japanse website Harbour Business Online dat de Japanse steun voor Trump afkomstig is van een gevestigd ecosysteem van extreemrechtse, ultranationalistische en anticommunistische groeperingen met een prominente aanwezigheid op social media. Ook komt de steun voor Trump volgens Ogesa mogelijk van andere groeperingen binnen het politieke spectrum in Japan, zoals activisten tegen de Amerikaanse basis in Okinawa, die de vorige president steunden omdat ze geloofden dat hij de Amerikaanse troepen uit hun land zou terugtrekken.
QAnon seems to be growing bigger and bigger in Japan.
There was a pro-Trump "Stop the Steal" rally in Osaka today and some members of team "QArmyJapanFlynn" were there. pic.twitter.com/EyDDGx7eKb
Ook mensen die opkomen voor de mensenrechten in China door zich te beijveren voor de democratisering van Hongkong en het beëindigen van de onderdrukking van de Oeigoerse minderheid, kunnen Trump volgens Ogesa als hun verlosser beschouwen.
Ten slotte zou de steun voor Trump daarnaast afkomstig zijn van religieuze randgroeperingen, ‘nieuwe religies’ genaamd, die ook wel als cultussen worden aangeduid. Deze hebben een rijke geschiedenis in Japan en dateren van de sociale beroering en de grotere godsdienstvrijheid die volgden na het gewelddadige einde van het shogunaat (de regeringsvorm die bijna 700 jaar lang in Japan aan de macht was) in 1867.
De oorlogsverwoestingen en de daarop volgende uitbreiding van de persoonlijke vrijheden na de Japanse nederlaag in de Tweede Wereldoorlog, hebben de opkomst en groei van tal van nieuwe religieuze bewegingen bevorderd.
Einde van de wereld
De beruchtste van deze religieuze randgroeperingen was de Aum-cultus uit de jaren negentig, die het einde van de wereld voorspelde. Onder leiding van Asahara Shoko was de Aum-groepering verantwoordelijk voor een serie moorden, bomaanslagen en andere activiteiten, met als hoogtepunt de sarin-gasaanval op de metro van Tokio in maart 1995, waarbij dertien mensen om het leven kwamen en minstens 5500 gewonden vielen.
Sarah Hightower, een onafhankelijk onderzoeker die binnenlandse terreurbewegingen bestudeert, wijst erop dat Aum, net als QAnon, zeer succesvol was in het aantrekken van nieuwe aanhangers. In 1995 telde de Japanse Aum-cultus wereldwijd 65.000 leden, waarvan tussen de 30.000 en 50.000 in Rusland. Voorafgaand aan de aanslagen was Aum betrokken bij verscheidene commerciële operaties in Japan en verkocht de beweging overal ter wereld drugs en wapens.
Jeffrey Hall van de Waseda Universiteit, die op 6 januari de grote, goed georganiseerde pro-Trumpmarsen in Tokio filmde, constateerde inderdaad de deelname van religieuze randgroeperingen, waaronder Sanctuary Church (ook wel bekend als World Peace and Unification Sanctuary), Falun Gong en Happy Science. De laatste is een religieuze organisatie die een eigen politieke partij heeft in Japan.
Falun Gong, een internationale religieuze beweging die op het Chinese vasteland verboden is en vervolgd wordt, publiceert Epoch Times, een anticommunistische krant die zich steeds meer achter Trump schaart. Falun Gong heeft ook op andere plekken op de wereld, waarin in Taiwan, deelgenomen aan pro-Trumpdemonstraties of die helpen organiseren.
Who are they? Trump supporters affiliated with several religious groups: Happy Science, the Sanctuary Church, and Falun Gong – appear were sharing information about this event in Japanese. Although it's a weekday, the turnout is quite large pic.twitter.com/OB5Llo08Vs
Fujikura Yoshiro, een onderzoeker die over religieuze randgroeperingen in Japan publiceert op zijn blog Almost Daily Cult News, schreef op Twitter dat hij op 5 januari veel prominente leden van Happy Science had gezien bij een andere pro-Trumpdemonstratie in de wijk Hibiya in Tokio, waaraan volgens zijn schatting tussen de duizend en tweeduizend mensen deelnamen:
‘Gisteren hielden aanhangers van president Donald Trump een mars van Hibiya naar Ginza. De demonstratie werd gesponsord door de “Trump Supporters in Japan”-groepering van Happy Science, in samenwerking met de “Change Japan”-groepering van datzelfde Happy Science. Vermoedelijke cosponsor was de “New Federal State of China”, een groepering die betrekkingen heeft met Trumpaanhanger Steve Bannon, en de “President Trump Re-election Support Rally”.’
Volgens Fujikura leek het erop dat verschillende groeperingen samenwerkten als een soort ‘J-Anon All-Star Team’, allemaal samengebracht door Donald Trump.
‘Alles duidt erop dat de pro-Trumpgroeperingen een scala van religieuze groeperingen omvatten’
Ook psycholoog Norichika Horie merkte op Twitter op dat alles erop duidt dat de pro-Trumpgroeperingen een scala van religieuze groeperingen omvatten. Het is mogelijk dat dergelijke groeperingen het enthousiasme en de energie die door de vertrekkende Amerikaanse president worden opgewekt gebruiken om nieuwe volgelingen aan te trekken en extra inkomsten te werven.
Thoton Akimoto, een softwareontwikkelaar en journalist die regelmatig nieuwsberichten post op Twitter, is bang dat niet genoeg mensen zich herinneren hoe snel extreemrechtse bewegingen in cultussen kunnen veranderen, en hoeveel schade cultussen kunnen aanrichten. Hij waarschuwt voor deze pro-Trumpgroeperingen in Japan:
‘Er is een spreekwoord: “De cultus slaat toe op het moment dat je er niet meer op verdacht bent.” Nee, zo’n spreekwoord bestaat niet, ik verzin het hier ter plekke. Maar het is wel waar. We moeten beducht blijven voor het gedrag van Trumpaanhangers in Japan en de Verenigde Staten die de verkiezingsuitslagen in de VS ontkennen.’
Volgens de Spaanse krant El País lijkt het Frankrijk van Macron op het Frankrijk van voor mei ’68. Sluimert er een opstand?
Alleen de allerbeste journalisten zijn in staat om in 996 woorden, 12 alinea’s en 6180 tekens de stemming van een land te verwoorden. Alleen de allerbesten beschikken over een uitzonderlijk observatievermogen, een sensor waarmee ze de diepe onderstromen peilen die kenmerkend zijn voor een bepaald moment uit de geschiedenis. En alleen de allerbesten, zoals alleen de grote literaire schrijvers dat kunnen, schrijven teksten die je op verschillende manieren kunt interpreteren en die, afhankelijk van de bril waarmee ze worden gelezen, één ding betekenen of precies het tegenovergestelde. Het artikel in kwestie was de meest trefzekere diagnose van het prerevolutionaire Frankrijk van 1968 of een van de grootste analytische missers in de geschiedenis van de journalistiek.
Verveling
‘Wanneer Frankrijk zich verveelt…’ Dat is de titel van het artikel van Pierre Viansson-Ponté – een ervaren journalist van Le Monde – dat op 15 maart 1968 op de voorpagina van de Parijse ochtendeditie van de krant stond afgedrukt. Het was een klassiek Frans journalistiek stuk: informatief, maar niet overladen met saaie data, interpretatief maar niet opiniërend, helder en prachtig geschreven. Viansson-Ponté beschreef een Frankrijk dat was weggezonken in lethargie en verveling, zoiets als ‘het einde van de geschiedenis’ 25 jaar voordat dit dankzij Francis Fukuyama een populair begrip werd. Frankrijk was een welvarend land, zonder oorlogen, zonder politieke spanningen, zonder sociale conflicten. Het paradijs, of de hel.
Zes weken nadat het artikel was gepubliceerd, barstte mei ’68 los. Eerst waren er de studentenprotesten, daarna volgden de arbeiders en uiteindelijk brak er een politieke crisis uit die de Vijfde Republiek tot aan de rand van de afgrond bracht. In het door Viansson-Ponté beschreven conformistische, melancholische en doodverveelde Frankrijk ontketende zich in een paar weken tijd een ongebreidelde opstand – het tegendeel van verveling – waarin de ambities en dromen van een deel van de westerse jeugd zich samenbalden, en die de kiem droeg van veel van de sociale veranderingen – van gelijke rechten voor mannen en vrouwen tot het individualisme en de ik-cultuur – die onze huidige wereld kenmerken.
Het zou zomaar kunnen dat Frankrijk zich nu, vijftig jaar later, opnieuw verveelt. Net als in 1968 heeft het land een sterke regering, is er geen noemenswaardige oppositie en staat er een zelfverzekerde, bijna koninklijke president aan het roer. Pas tien maanden nadat Emmanuel Macron de verkiezingen won, valt er iets van sociale onvrede over zijn hervormingen te bespeuren. Maar de diepgaande problemen waarover de Fransen zich ernstig zorgen maakten – de sociale tegenstellingen, de etnische verdeeldheid, de jihadistengetto’s, een bijna chronisch pessimisme en een onherroepelijke achteruitgang – lijken verleden tijd. Sinds de zomer van 2016 is de terroristische dreiging nog steeds van kracht maar groeit de economie, daalt de werkloosheid en wordt de president bewonderd in de wereld.
Verveelt Frankrijk zich? ‘Nee,’ zei Frédéric Dabi, mededirecteur van marktonderzoekbureau Ifop. ‘Frankrijk wacht…,’ vulde hij aan. Dát zou vandaag een betere titel zijn voor het artikel van Viansson-Ponté. Of nog beter: Frankrijk wacht af… Wat wacht Frankrijk af? Wat de hervormingen van Macron gaan brengen. Dat de economie verder groeit en dat de werkloosheid daalt. En dat de kloof tussen het kansrijke en kansarme Frankrijk, tussen de Franse steden en de periferie, gedicht zal worden.
Publicist Alain Minc, tot voor kort pleitbezorger van de globalisering, analyseert het onbehagen in zijn nieuwste boek Une humble cavalcade dans le monde de demain (Een bescheiden ritje ter paard door de wereld van morgen). ‘Het is niet nieuw in de geschiedenis: het kapitalisme is een machine die efficiëntie en ongelijkheid produceert’, schrijft hij. En hij ziet in het Frankrijk van 2018 tekenen van een aanzwellende golf, een gefrustreerde generatie, het pré-mei ’68-klimaat.
Een beeld van wat Frankrijk anno maart 2018 zou kunnen zijn, geeft het Insee (het Centraal Bureau voor de Statistiek en Economische Studies) in zijn jaarlijkse rapport: ‘Frankrijk, een sociaal portret’. Het rapport concentreert zich op wat ze de modale Fransman met een gemiddeld inkomen noemen. 18,5 procent van de bevolking behoort tot die categorie, voor wie het salaris schommelt tussen de 1510 en 1850 euro netto per maand. Hun opleidingsniveau, hun baan – áls ze al werk hebben – en hun toekomstvisie liggen dichter bij die van de arme Fransman. Wat betreft de kans op werk, de toegang tot primaire levensbehoeften, de kans op een eigen woning en de zeldzaamheid van eenoudergezinnen staan ze dichter bij de rijke klassen.
Culturele kloof
In een recent verschenen rapport van de Stichting Jean-Jaurès legt onderzoeker Jérôme Fourquet nóg een kloof bloot: de culturele kloof die de economische ongelijkheid, die in Frankrijk minder groot is dan in andere westerse landen, overstijgt. Het rapport ‘1985-2017: Wanneer de bevoorrechte klasse zich afscheidt’ beschrijft een ‘onzichtbaar proces’ dat bij de elite tot een vorm van separatisme heeft geleid.
De elite woont in dezelfde wijken en steden, en wordt op dezelfde scholen opgeleid. Men gaat met elkaar om, trouwt met elkaar en krijgt kinderen met elkaar. Terwijl vroeger kruisbestuiving tussen de verschillende Frankrijken plaatsvond tijdens de dienstplicht en in de vakantiekampen, bestaat dit niet langer (het eerste geval) of is het nauwelijks meer in trek (het tweede geval).
Als je het huidige Frankrijk op zijn Viansson-Pontés beschouwt, zou je het moeten hebben over een etnische breuklijn en de jihadisten in de getto’s, maar die diagnose zou onvolledig zijn als je voorbijgaat aan de angst van de modale Fransman voor een onzeker bestaan en het risico daarop dat hij loopt, zoals in het Insee-rapport staat. Of aan de sociale klassen die niet meer met elkaar in aanraking komen, zoals Fourquet beschrijft. Door die sociale segregatie is het ongenoegen met de politiek, dat zich niet alleen in Frankrijk manifesteert, beter te begrijpen.
‘Het enige waarover ze zich druk maken is of de meisjes op de campussen van Nanterre en Antony op de kamers van de jongens mogen komen’
‘Verveling is wat ons openbare leven kenmerkt. De Fransen vervelen zich’, begon Viansson-Ponté op 15 maart 1968 zijn artikel ‘Wanneer Frankrijk zich verveelt…’ Frankrijk, betoogde hij, had zich afgekeerd van de problemen in Vietnam, Latijns-Amerika en Azië die de wereld op hun grondvesten deed trillen. Frankrijk leefde onder een vreedzame stolp van onwetendheid. ‘Het zijn hun problemen, niet de onze…’ Het Frankrijk van toen had een stabiele regering en de arbeiders, suf van het televisiekijken, gehoorzaamden de wet en de autoriteiten, net als de studenten. Bij de jeugd was de verveling voelbaar. ‘In Spanje, Italië, België, Algerije, Japan, Amerika, Egypte, Duitsland en Polen’, zo schreef de journalist van Le Monde, ‘protesteren de studenten, roeren ze zich. Maar in Frankrijk: vergeet het maar. Het enige waarover ze zich druk maken is of de meisjes op de campussen van Nanterre en Antony op de kamers van de jongens mogen komen.’ ‘Het probleem,’ zo concludeerde hij, was ‘dat je niks opbouwt zonder bevlogenheid.’ En zijn laatste zin was: ‘Uiteindelijk, en dat is gebleken, kun je ook doodgaan van verveling.’
Het knappe van het artikel was dat de schrijver, zonder dat hij het wist, zijn vinger had gelegd op de symptomen van de opstand die op het punt stond uit te breken. De diagnose van de wereld van vandaag moet nog geschreven worden.
Het zal u niet ontgaan zijn: Emmanuel Macron is een jaar in functie. Ook 360 doet mee aan de kalenderjournalistiek en brengt u in dit nummer een kloek dossier vol stukken over de Franse president.
Een van de interessantste daarvan komt uit de Spaanse krant El País. De auteur heeft de knipselmap erbij gepakt en duikelde daar een beroemde analyse op van de Franse journalist Pierre Viansson-Ponté (1920-1979). Die schreef in maart 1968 in een voorpaginastuk in Le Monde dat Frankrijk was ‘weggezonken in lethargie en verveling’. Het was een welvarend land, zonder oorlogen, zonder politieke spanningen, zonder sociale conflicten. De Franse studenten? Zij misten in tegenstelling tot hun leeftijdgenoten in andere landen bevlogenheid. Zes weken later brak Mei ’68 aan. Tien miljoen Franse studenten en arbeiders gingen de straat op, legden het land plat en wierpen bijna de regering omver.
Zou zoiets nu weer kunnen gebeuren? vraagt de auteur van het El País -verhaal zich af. Dat we het niet doorhebben, maar dat er onder de oppervlakte een opstand sluimert? Volgens sommige linkse Franse politici en analisten zijn er tekenen die daarop wijzen. Kijk naar de ook in Frankrijk zeer populaire #MeToo-beweging, zeggen zij. En naar de spoorwegstakingen. Of neem de recente studentenprotesten tegen de veranderingen in het Franse baccalaureaat. Macrons linkse concurrent Mélenchon, nooit te beroerd om hem weg te zetten als een president voor de rijken, sprak onlangs zelfs hardop over een nieuw Mei ’68. ‘Tegen degenen die zeggen dat ik droom, zeg ik dat ik liever mijn droom heb dan de nachtmerries die ik om me heen zie.’
Het kan zomaar zijn dat we helemaal geen linkse opstand krijgen, dat Macron zijn confrontatie met de vakbonden wint en daarmee zijn Margaret Thatcher-moment beleeft
Maar anderen geven de linkse krachten weinig kans. Het zijn de verliezers van de verkiezingen die nu vergeefs revanche proberen te nemen, zo klinkt het. Ook de culturele omstandigheden lijken niet te vergelijken. Macron mag dan volgens velen autoritaire trekjes hebben, een vergelijking tussen deze tijd en het repressieve tijdperk-De Gaulle gaat volledig mank.
Het kan ook dus zomaar zijn dat we helemaal geen linkse opstand krijgen, dat Macron zijn confrontatie met de vakbonden wint en daarmee zijn Margaret Thatcher-moment beleeft. Dan zijn we niet in 1968, maar in 1984.
Macron zei er zelf ook wat over in een recent interview met La Nouvelle Revue française, dat hem ondervroeg over zijn literaire voorkeuren (Gide, Camus, Colette). Volgens Macron was Mei ’68 ‘een gebeurtenis uit een andere tijd. Het was eenmalig, het is voorbij’. Over 1984 liet hij zich niet uit.
In West-Afrika nemen ze in rap tempo afscheid van dictators en andere langzittende machthebbers. Alleen de Togolese president Faure Gnassingbé houdt hardnekkig vast aan het pluche.
Twee jaar geleden kwamen de leiders van vijftien West-Afrikaanse landen in de Ghanese hoofdstad Accra samen om de politieke toekomst van de regio te bespreken. Het was een bijeenkomst van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (Ecowas), maar het was bepaald geen gewone top. Op de agenda stond een voorstel dat, indien geaccepteerd, de politiek in de regio – en uiteindelijk het hele continent – radicaal zou veranderen.
Dat voorstel was simpel: alle Ecowas-leiders zouden onder alle omstandigheden niet meer dan twee ambtstermijnen aan de macht blijven. Geen dictators meer. Geen presidenten voor het leven meer. Gewoon regelmatige machtswisselingen, regelmatige verversing van het bewind, regelmatige cycli van politieke vernieuwing.
Op een continent dat berucht is om machthebbers die hardnekkig aan het pluche kleven, was dit een revolutionair voorstel.
En bijna werd het aangenomen.
In het debat stemden dertien landen voor de motie: Benin, Burkina Faso, Ghana, Guinee, Guinee-Bissau, Ivoorkust, Kaapverdië, Liberia, Mali, Niger, Nigeria, Senegal en Sierra Leone – vrijwel allemaal landen waar in de afgelopen tien jaar een vredige machtsoverdracht is geweest, na geloofwaardige verkiezingen. Van de staatshoofden van deze landen was Ernest Bai Koroma, de president van Sierra Leone, het langst aan de macht. Hij regeerde destijds pas acht jaar, en in maart 2018 treedt hij af. Geleidelijk aan, zonder veel ophef, is West-Afrika een democratisch bastion op het continent geworden. Maar er resten nog een paar politieke fossielen.
Dwarsliggers Togo en Gambia
Twee landen waren tegen het plan van maximaal twee ambtstermijnen: Gambia en Togo. Dat mag nauwelijks een verrassing heten. Yahya Jammeh, de toenmalige president van Gambia, kwam in 1994 door een militaire coup aan de macht en weigerde categorisch de scepter uit handen te geven. Faure Gnassingbé ‘erfde’ het presidentschap van Togo in 2005 na de dood van zijn vader – die al sinds de onafhankelijkheid in 1967 in het zadel zat.
Evenals de Afrikaanse Unie werkt Ecowas op basis van consensus. Door de tegenstemmen van Gambia en Togo vond de motie geen doorgang. Hoewel ze een kleine minderheid vormden, hadden de fossiele regimes deze ronde gewonnen. Maar de rest van Ecowas zou zich wreken.
In december 2016 leed Jammeh een verrassende verkiezingsnederlaag, maar hij weigerde zijn functie neer te leggen. Zonder de massale opstand van de bevolking en het kordate optreden van Ecowas was hij er misschien zelfs mee weggekomen. Verscheidene Afrikaanse staatshoofden vlogen naar Banjul om Jammeh over te halen het veld te ruimen. Senegal, het land dat Gambia aan drie kanten omsluit, sloot zijn grenzen. In alle haast werd een regionale interventiemacht opgetrommeld – een paar duizend militairen uit Senegal, Nigeria en Ghana, om hem tot aftreden te dwingen. Op 21 januari vertrok Jammeh in het holst van de nacht met een privévliegtuig, verslagen en weggebonjourd. Niet langer president voor het leven. Weer een fossiel geruimd.
Wat ons bij Togo brengt, de laatste dwarsligger. Togolezen zijn niet doof voor de roep om meer democratie die in de regio weerklinkt. Ze hebben gezien hoe Gambia zich van Jammeh heeft ontdaan. Ze hebben ook gezien hoe hun noordelijke buur, Burkina Faso, in opstand kwam tegen de dictator Blaise Compaore, die na een golf van protesten in 2014 uit het land werd verdreven, waarna een nieuw democratisch bestel werd ingeluid. Kan Togo hetzelfde doen?
In september organiseerde de snel groeiende protestbeweging betogingen in een aantal steden. Niet afgeschrikt door de oproeppolitie, gingen tienduizenden Togolezen de straat op, gehuld in de oppositiekleuren rood, oranje en roze. ‘Vijftig jaar is te lang,’ scandeerden ze, doelend op de Gnassingbé-dynastie.
‘We zullen weer de straat op gaan,’ zegt de onvermoeibare oppositieleider Jean-Pierre Fabre. ‘Faure moet met ons in gesprek gaan over de voorwaarden van zijn vertrek.’ Bij zijn inspanningen om Gnassingbé uit het zadel te lichten wordt Fabre inmiddels bijgestaan door Tikpi Atchadan, leider van de Pan-Afrikaanse Nationale Partij (PNP), die zich aan de zijde van de oppositie heeft geschaard. In tegenstelling tot Fabre is Atchadan afkomstig uit het noorden van het land, van oudsher een stevig bolwerk van aanhangers van de president. Door deze aanwinst krijgt het protest in één klap meer gewicht.
‘Wij hielden een demonstratie. Enorme opkomst! Jullie hielden een tegendemonstratie. Niemand. Wij hielden een tegendemonstratie. Massa’s mensen! Jullie werden boos, haalden internet uit de lucht en sloegen ons neer’
In een poging de demonstraties, die grotendeels via de sociale media worden georganiseerd, de kop in te drukken, legde de regering het internet plat, zodat het merendeel van de Togolezen geen toegang had tot Facebook of WhatsApp en het bijna onmogelijk werd om betogingen op poten te zetten. ‘Wij hielden een demonstratie. Enorme opkomst! Jullie hielden een tegendemonstratie. Niemand. Wij hielden een tegendemonstratie. Massa’s mensen! Jullie werden boos, haalden internet uit de lucht en sloegen ons neer,’ twitterde mensenrechtenactiviste Farida Nabourema.
Een aantal voormalige leiders van buurlanden heeft er bij de Togolese president op aangedrongen de boodschap van de demonstranten ter harte te nemen. De Nigeriaanse oud-president Olusun Obasanjo zei dat Togo zijn grondwet moet herschrijven en opperde dat het misschien tijd werd voor een nieuw gezicht in het presidentiële paleis. ‘Gnassingbé heeft alle mogelijkheden om zijn land vooruit te helpen inmiddels uitgeput – of hij moet buiten ons medeweten iets nieuws achter de hand hebben.’
Maar de West-Afrikaanse leiders hielden zich opvallend stil. Wellicht omdat Gnassingbé, ondanks al zijn tekortkomingen, eerder dit jaar tot voorzitter van Ecowas is verkozen, een ceremoniële positie. Maar dit zal hem niet beschermen als de protesten verder aanzwellen.
‘De positie van de president is erg wankel, en als het uit de hand loopt, zal geen van de bevriende regeringsleiders uit Ecowas of Europa hem te hulp schieten,’ zegt Francois Conradie, politiek analist in een interview met Al Jazeera.
Kortom, Gnassingbé staat alleen. Dit in sterk contrast met andere regio’s in Afrika, waar langzittende machthebbers kunnen rekenen op de onbetwiste steun van collega-staatshoofden. Denk alleen al aan het stilzwijgen van het regionale samenwerkingsverband SADC over de talloze misstappen van Robert Mugabe, president van Zimbabwe, of de oogluikende instemming van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap met de derde ambtstermijn van zowel Burundi’s president Pierre Nkurunziza als Rwanda’s president Paul Kagama.
Nee, dan West-Afrika, dat er ondanks alle gebreken in slaagt vreedzame machtswisselingen af te dwingen. Gnassingbé is de laatste antidemocratische fossiel die nog over is. De vraag is voor hoe lang.
De duidelijk links georiënteerde krant ijvert voor een toleranter Zuid-Afrika.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.