Tag: diplomatie

  • Italiaanse journalist geeft Legion d’Honneur terug

    Italiaanse journalist geeft Legion d’Honneur terug

    Zeer vereerd maar nee, bedankt. Dat is kort samengevat de reactie waarmee de 85-jarige Italiaanse intellectueel Corrado Augias zijn Legion d’Honneur teruggeeft. Vanwege de moord op een Italiaanse student in 2016, weigert Augias de belangrijkste onderscheiding van Frankrijk te delen met de Egyptische president Abdel Fattah al-Sisi, die deze week dezelfde onderscheiding ontving.

    Corrado Augias, wiens vader in Frankrijk werd geboren, is een Italiaanse journalist, schrijver en tv-presentator. Hij schreef onder meer voor de gerenommeerde Italiaanse krant La Repubblica en voor de weekbladen l’Espresso en Panorama. Daarnaast heeft hij verschillende historische misdaadromans op zijn naam staan. Hij werd populair in Italië als presentator van tv-programma’s over mysteries en bijzondere historische voorvallen, die hij tot vorig jaar presenteerde. Als politicus was Augias in de jaren negentig Europees Parlementslid voor de sociaaldemocratische PDS, die inmiddels is opgegaan in de Italiaanse Partito Democratico. 

    Augias kreeg zijn Legion d’Honneur in 2007, maar toen hij vernam dat al-Sisi afgelopen week tijdens een staatsbezoek met dezelfde eer is onderscheiden door de Franse president Macron, liet hij weten de versierselen te retourneren. Vandaag brengt hij ze persoonlijk terug naar het Palazzo Farnese in Rome, waar de Franse ambassade is gevestigd, zo schrijft de Franse krant Libération. ‘Naar mijn mening had president Macron het Legion d’Honneur niet mogen toekennen aan een staatshoofd dat objectief gezien medeplichtig is aan gruwelijke misdaden‘, liet Augias gisteren weten aan de Italiaanse krant La Repubblica.

    Een bloedende wond

    De beslissing van Augias heeft alles te maken met wat hij ‘een bloedende wond’ noemt voor alle Italianen: de moord in Egypte op Giulio Regeni, een Italiaanse student aan de universiteit van Cambridge. Op 3 februari 2016, tien dagen na zijn verdwijning in Caïro, werd het lichaam van de 28-jarige promovendus gevonden langs een snelweg. Autopsie toonde aan dat hij dagenlang was gemarteld: gebroken botten en handen, vijf ontbrekende tanden, gebroken ribben, armen en benen. Volgens zijn moeder herkende ze haar zoon uiteindelijk aan het puntje van zijn neus.

    Al vanaf het begin van het onderzoek dat volgde, klaagden Italiaanse onderzoekers over tegenwerking door Caïro bij het verkrijgen van informatie. Het regime van president al-Sisi trok voortdurend rookgordijnen op, door maandenlang met wisselende verklaringen over de tragedie te komen, uiteenlopend van een auto-ongeluk, tot represailles vanwege vermeende criminele activiteiten, tot betrokkenheid bij spionage. Ondanks alle pogingen om sporen uit te wissen en ondanks het gebrek aan medewerking door de autoriteiten in Caïro, liet het parket van Rome afgelopen donderdag weten vier Egyptische officieren, inclusief een generaal, voor de rechter te dagen.

    Diezelfde dag noemde het Franse programma Quotidien van TF1 het staatsbezoek van al-Sisi aan Frankrijk, een paar dagen eerder, een ‘verborgen ceremonie’. ‘Hadden we alleen de beelden van de persdienst van het Elysée geloofd, dan hadden we gedacht dat de Egyptische president al-Sisi maar heel even in Parijs was.‘ Op wat beelden na van een ontmoeting tussen Macron en al-Sisi, werd er in Frankrijk weinig persmateriaal over het staatsbezoek verspreid, wellicht ‘om critici niet te veel te voeden’. Maar volgens Quotidien werden in Egypte daarentegen beelden van het bezoek naar hartenlust verspreid door de persafdeling van al-Sisi, ‘met maar één doel: president al-Sisi verheerlijken’.

    ‘De man die 60.000 mensen opsloot wordt getrakteerd op de heilige Graal van de diplomatie’

    Op die beelden is te zien dat ‘de man die 60.000 mensen opsloot omdat ze het met hem oneens zijn’, wordt gefêteerd en ‘getrakteerd op de heilige Graal van de diplomatie: een driedaags staatsbezoek, met alle pracht en praal. Een ontmoeting met Emmanuel Macron, een ceremonie in de Invalides, een warm welkom door de burgemeester van Parijs, de Republikeinse garde op een voor de gelegenheid leeggehaalde Place de l’Etoile, een ontmoeting met de voorzitter van de Senaat en een gala onder de verguldsels van het Elysée-paleis.’ Én het ceremonieel waarmee al-Sisi het Legion d’Honneur krijgt opgespeld door Macron. 

    Dat leidde tot de woede van Corrado Augias, die zijn ongenoegen aan de Franse ambassadeur kenbaar heeft gemaakt in een brief die La Repubblica gisteren in zijn geheel afdrukte: 

    ‘Meneer de ambassadeur, ik geef u de versierselen van het Legioen van Eer terug. Toen deze mij werd toegekend, ontroerde het gebaar me diep. Het was een soort van bezegeling van mijn liefde voor Frankrijk, voor haar cultuur. Ik heb uw land altijd als de oudere zus van Italië beschouwd en als mijn tweede thuis, waar ik al heel lang woon, en ik ben van plan dat te blijven doen. In juni 1940 plengde mijn vader tranen vanwege de agressie van het fascistische Italië tegen het reeds bijna verslagen Frankrijk.

    Ik geef U deze insignes dan ook terug met pijn, want ik was trots om het rode lint in het knoopsgat van mijn revers te tonen. Maar ik wil deze eer niet delen met een staatshoofd dat objectief gezien medeplichtige is van criminelen.

    De moord op Giulio Regeni is voor ons Italianen een bloedende wond, een belediging, en ik had van president Macron een gebaar van begrip zo niet van broederschap verwacht, in naam van het Europa dat we samen zo hard proberen te bouwen.

    Ik wil u niet te naïef overkomen. Ik ben bekend met de werking van zakelijkheden en diplomatie, maar ik weet ook dat er een maat is, zoals de Latijnse dichter Horatius schrijft: ‘Sunt certi denique fines, quos ultra citraque nequit consistere rectum.’ [Er zijn bepaalde grenzen waarbuiten het juiste niet kan bestaan.] Ik geloof dat in dit geval de mate van juistheid ruimschoots is overschreden, wat daarom leidt tot verontwaardiging.

    Met diepste spijt, Corrado Augias’

  • In vredesnaam

    In vredesnaam

    In een villa aan het Meer van Genève zetelt het HD Centre, een onafhankelijke non-profitorganisatie van zo’n 140 mediators die zich inzetten om crises en oorlogen te voorkomen of te beëindigen. Die Zeit mocht twee van hen – de Amerikaan David Gorman en de Fransman Romain Grandjean – bijna een jaar lang volgen.

    Koekjes zijn goed, whisky is soms nog beter. Bij de start van onderhandelingen moet er iets zijn wat de gesprekspartners ontspant en de stemming verbetert. Suiker of alcohol. Daarover is vrijwel iedereen het eens.

    Op een bloedhete dag eind juni 2016 stapt David 
Gorman het kantoor van de rampendienst in Kiev binnen. Hij heeft een paar zakjes koekjes bij zich. In het kantoor is alles bruin: stoelen, tafels, muren. De projector werpt vaal licht op de muur. ‘Ecologische risico’s in de regio Donbass’, staat er. De mannen van de rampendienst en van de Oekraïense Academie van Wetenschappen wachten aan de ene kant van de tafel, de mannen van de ambassades van Noorwegen, Zweden en Groot-Brittannië aan de andere. Ze kennen elkaar nog niet, maar moeten binnenkort zij aan zij gaan strijden. Tussen hen in deelt David Gorman zijn koekjes uit en legt het eerste contact.

    Glimlachend gaan de mannen zitten. Gorman is 47 jaar oud 
en ruim 1,90 meter lang. Als hij zit, kromt hij zijn rug in een poging zich kleiner voor te doen. Hij wil niet boven de mensen uitsteken die naast hem zitten. Hoe men hem ziet, kan bepalend zijn voor de kant die de gesprekken opgaan. Is hij te luidruchtig of te stil? Te terughoudend of te vastbesloten? Hij moet niet alleen oog hebben voor wie hij tegenover zich heeft, maar ook altijd voor zichzelf. In Azië mag zijn handdruk niet te stevig zijn, in het Midden-Oosten niet te slap. Wat in het ene land wordt gerespecteerd, kan in het andere wrevel veroorzaken.

    Gormans beroep is tussen de partijen in staan. Hij is niet vooringenomen en spant met niemand samen. Hij is vredesbemiddelaar en al 25 jaar op pad in de oorlogs- en crisisgebieden van deze wereld: Israël, Palestina, Bosnië, Liberia, Indonesië, de Filipijnen, Libië en sinds drie jaar Oekraïne en Rusland. Gorman verschijnt wanneer twee partijen in een conflict niet meer met elkaar praten. Of als ze niet willen dat de wereld weet dat ze in het geheim nog met elkaar praten.

    Gorman werkt voor het Zwitserse Centre for Humanitarian Dialogue (HD Centre), een onafhankelijke 
non-profitorganisatie van zelfstandige vredesbemiddelaars die in een villa aan het Meer van Genève zetelt. Het is de grootste in haar soort. Al bijna twintig jaar spannen inmiddels 140 mediators zich in om crises en oorlogen te voorkomen of te beëindigen. Op dit moment bemiddelen ze in 25 landen. In de meeste gevallen krijgen ze een opdracht van regeringen, de Verenigde Naties of de Europese Unie, die naast 
stichtingen en particuliere sponsors de belangrijkste financiers van het HD Centre zijn. Sommige inspanningen zijn zo geheim dat zelfs de namen van de landen niet bekend mogen worden. De bemiddelaars handelen in het verborgen, elk zinnetje in het openbaar kan destructieve gevolgen hebben. Discretie is het DNA van hun business.

    Daarom praten ze normaal gesproken niet over hun werk. Die Zeit mocht twee van hen – de Amerikaan David Gorman en de Fransman Romain Grandjean – bijna een jaar lang volgen. Gorman is regiodirecteur van het HD Centre voor Eurazië, met Oekraïne in zijn portefeuille, Grandjean voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika, dus ook voor Libië.

    David Gorman. – © HD Centre
    David Gorman. – © HD Centre

    De vergaderzaal in Kiev is klein, de hitte dringt naar binnen. David Gorman vertelt over zijn reis naar Oost-Oekraïne in 2014. Het Donetsbekken is een van de grootste steenkoolgebieden ter wereld en het centrum van de zware industrie van het land. Nu behoort het tot de door pro-Russische separatisten gecontroleerde ‘Volksrepubliek Donetsk’, die zich van Oekraïne heeft afgesplitst. Gorman reist heen en weer tussen Donetsk en Kiev om boodschappen van de ene naar 
de andere kant over te brengen. Nu gaat het om een mogelijke ecologische ramp in het separatistengebied. De bodem zou verontreinigd geraakt kunnen zijn door bombardementen, waardoor de regio zonder drinkwater kan komen te zitten. Daarom hebben de wetenschappers uit Kiev dringend behoefte aan contact 
met het lokale waterleidingbedrijf Voda Donbassa. Maar de deskundigen van beide zijden mogen niet meer rechtstreeks met elkaar praten. Ze zijn bang 
dat ze wegens ‘illegale contacten’ als vijand worden bestempeld. Daarom brengt Gorman de Oekraïense wetenschappers vandaag in contact met westerse diplomaten. De westerlingen moeten hun best gaan doen om meer aandacht voor het onderwerp te 
genereren. ‘We moeten een ecologische crisis voorkomen. Dat is ons doel,’ zegt Gorman bij aanvang.

    De projector in de vergaderzaal werpt beelden van verwoeste bruggen en waterleidingen in Oost-Oekraïne op de muur. Jevgeni Jakovlev, een oudere heer van de Oekraïense Academie van Wetenschappen, gaat staan. Hij somt enkele potentiële schrikbeelden voor het Donetsbekken op: raketten die opslagplaatsen van stoffen als chloor, lood of kwik treffen, kolenmijnen die klakkeloos onder water 
worden gezet, waardoor giftig mijnwater aan de oppervlakte komt. Jakovlev is bang dat dit allemaal al gebeurd is. De hele regio zou onbewoonbaar kunnen worden. ‘Maar we hebben geen gegevens over de daadwerkelijke situatie,’ zegt hij. De diplomaten zijn stil. Het lijkt wel alsof ze dit allemaal voor het eerst horen.

    David Gorman heeft geluisterd en aantekeningen gemaakt. Luisteren tot je erbij neervalt, interesse tonen, mensen het gevoel geven te worden gehoord, dat zijn de belangrijkste eigenschappen van een vredesbemiddelaar. Aan het einde van de bijeenkomst vat hij de vervolgstappen samen: met hulp van 
westerse diplomaten in Kiev moet er een expert van Voda Donbassa worden uitgenodigd en er moet een gemeenschappelijke werkgroep worden opgericht om watermonsters te nemen in de bedreigde 
gebieden. ‘Om politici te overtuigen hebben we harde cijfers nodig,’ zegt Gorman.

    Hij hoopt dat de zorg om het milieu de partijen 
dichter bij elkaar zal brengen, omdat het gevaar voor beide kanten dreigt. En als het lukt om het eens te worden over het drinkwater, dan is het misschien ook mogelijk om een akkoord te bereiken over 
grenzen en een staakt-het-vuren. Het zou een kleine stap kunnen zijn in de richting van een verzoening tussen Rusland en Oekraïne.

    Opgegroeid met conflicten

    David Gorman is opgegroeid met conflicten. Hij komt uit een wijk in het Amerikaanse Boston waar veel Ierse katholieken wonen. In zijn jeugd was de crisis in Noord-Ierland alomtegenwoordig; zijn broer had een tatoeage van de ondergrondse organisatie IRA. Ook het conflict in het Midden-Oosten liet Gorman niet met rust: de gijzeling, in 1979, van 52 Amerikaanse diplomaten in de Iraanse hoofdstad Teheran en de vraag ‘Waarom worden we toch zo gehaat?’ Gorman zegt dat het vinden van een antwoord op die vraag al in zijn jeugd een obsessie voor hem was. Na zijn studie volgde hij in Washington een opleiding tot mediator en op zijn vierentwintigste vertrok hij voor zijn eerste opdracht naar Israël. Sindsdien is de crisis zijn domein.

    Tegenwoordig woont Gorman met zijn Bosnische vrouw en zijn drie kinderen op Cyprus. Op maandag pakt hij het vliegtuig, op vrijdag gaat hij terug. Ook zijn vrouw werkt voor een ngo, die zich inzet voor misbruikte kinderen. Thuis praten ze nooit over 
hun werk. ‘Te veel werkelijkheid,’ zegt Gorman.

    Soms moet Gorman jarenlang werken om iets te bereiken. Frustratie heeft hij zichzelf afgeleerd. 
‘Je moet blij zijn met de kleine overwinningen,’ zegt hij in de auto in Kiev. Vanavond vliegt hij naar Moskou, over twee dagen zal hij weer in Kiev zijn. Binnenkort staat de volgende bijeenkomst ter 
voorkoming van de watercatastrofe op de agenda. Gorman hoopt dat er dan ook een vertegenwoordiger van Voda Donbassa uit Oost-Oekraïne aan tafel zit.

    Romain Grandjean. – © HD Centre
    Romain Grandjean. – © HD Centre

    Een paar weken eerder, medio juni 2016, staat 
Gormans collega Romain Grandjean vlak voor 
middernacht in een bar bij de haven van de Noorse hoofdstad Oslo. De 41-jarige Grandjean ziet er moe uit, hij heeft donkere kringen onder de ogen. Hij is pas aangekomen vanuit het hoofdkantoor van het 
HD Centre in Genève. Grandjean woont met zijn gezin net over de Zwitserse grens in Frankrijk. Het is niet eenvoudig om hem tijdens zijn werk te volgen. Naar Libië reizen is lastig voor journalisten: er zijn problemen met visa, en gesprekken worden verzet 
of uit veiligheidsoverwegingen afgezegd. Dus eerst maar eens Oslo. Elk jaar organiseert het HD Centre hier samen met het Noorse ministerie van Buitenlandse Zaken een informele conferentie waarbij 
vredesbemiddelaars, politici en diplomaten van gedachten wisselen over de toestand in de wereld. Dit keer worden vijf ministers van Buitenlandse Zaken verwacht; de Amerikaan John Kerry zal een toespraak houden.

    Grandjean is tien jaar geleden begonnen bij het HD Centre. Daarvoor is hij in dienst geweest bij een ngo die politieke analyses van conflicten en oorlogen over de hele wereld maakt en heeft hij als waarnemer bij verkiezingen in Mexico, Libanon en 
Wit-Rusland gewerkt. Op een gegeven moment wilde hij de problemen niet meer alleen vanaf de zijlijn bekijken, maar ook proberen ze op te lossen. Voor het HD Centre heeft hij in de Centraal-Afrikaanse Republiek bemiddeld en later in Tunesië, Syrië en Egypte. Nu werkt hij in Libië. Er zijn missies waarover hij met niemand mag spreken. ‘Soms is dat een behoorlijke last,’ zegt hij. ‘Veel mensen denken dat ik een spion ben.’ Het valt op dat hij vragen vaak met een tegenvraag beantwoordt. ‘Een relatie opbouwen’, noemt hij dat. Pas wanneer hij iets over een ander weet, kan hij een inschatting van diegene maken en uiteindelijk onderhandelingen met hem of haar 
voeren. Grandjean en Gorman vertellen meestal maar weinig over zichzelf. Ze proberen zich in hun gesprekspartners te verplaatsen, bieden ruimte en blijven zelf op de achtergrond. Het zijn mensen met wie andere mensen zich graag omringen omdat ze belangstelling tonen en aandacht schenken zonder meteen een oordeel te vellen. ‘Mij interesseert de persoon en niet wat hij of zij vertegenwoordigt,’ zegt Grandjean. Misschien is het beroep van bemiddelaar ook een soort levenshouding.

    Romain Grandjean citeert de Amerikaanse schrijver Ambrose Bierce: ‘Diplomatie is de patriottische kunst om voor je vaderland te liegen.’ Grandjean vindt het een groot voordeel dat hij niet de belangen van een land vertegenwoordigt en dus niet hoeft te liegen. ‘We hebben geen politieke agenda.’ Daarom neemt hij voor zijn werk in het Midden-Oosten en in Noord-Afrika geen geld aan van de VS of Frankrijk, want die landen zijn te zeer verwikkeld in de conflicten aldaar.

    De bemiddelaars beslissen zelf met wie, wanneer, hoe en waarover ze praten, ze zetten hun eigen koers uit. ‘Sommige sponsors begrijpen dat beter dan andere,’ zegt Grandjean. Ook het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken financiert projecten van 
het HD Centre, waaronder enkele in Libië. De Duitse diplomaten werken sinds enige tijd intensiever samen met particuliere vredesbemiddelaars. ‘Ze doen het heel goed,’ zegt Rüdiger König, oud-ambassadeur in Afghanistan en nu de verantwoordelijke afdelingschef op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Onafhankelijke bemiddelaars, zegt hij, zijn in staat mensen te spreken die regeringsvertegenwoordigers uit veiligheids- of politieke overwegingen niet 
zouden kunnen ontmoeten.

    Hoe langer je Grandjean en Gorman volgt, des te meer ze de indruk wekken geheel buiten adem te zijn. Een leven door anderen bepaald, door het wereldgebeuren opgejaagd

    Mannen als Grandjean en Gorman zijn de libero’s van de wereldgemeenschap. Ze praten ook met mensen met wie verder niemand praat, zoals die 
van IS, de taliban of Al-Qaida. ‘Ze vertrouwen je of 
ze maken je van kant,’ zegt Grandjean. Hij vergelijkt zichzelf en zijn collega’s met acrobaten in een 
circustent, maar dan zonder net dat ze opvangt als 
ze vallen. Neem nu Grandjeans medewerker Hesham Gaafar in Egypte. Hij werd in oktober 2015 gearresteerd; sinds een halfjaar zit hij in eenzame opsluiting – zonder aanklacht. Tot nog toe is Grandjean er niet in geslaagd hem vrij te krijgen. ‘Ik denk elke dag aan hem,’ zegt hij.

    De volgende ochtend begint de internationale 
conferentie, in een hotel bij een golfbaan in de buurt van Oslo. In pastelkleurige ruimten gaan ongeveer honderdvijftig vredesbemiddelaars, diplomaten en politici met elkaar in gesprek. Ook David Gorman is overgekomen uit Kiev. Het gaat over Syrië, Libië, Burundi, Jemen, Afghanistan, Colombia, Oekraïne. Het geheel biedt een ietwat surreële aanblik. Buiten wandelen golfers over zacht glooiende heuvels, 
binnen heerst de crisis. In Syrië hebben tot nog toe alle bemiddelaars gefaald, in Oekraïne is de situatie aan het verslechteren en Libië valt uiteen.

    In de pauzes vinden de echt belangrijke gesprekken plaats. Op het terras praat Gorman met de Oekraïense minister van Buitenlandse Zaken. Grandjean is verdwenen voor een vertrouwelijke bespreking. Na de lunch neemt hij deel aan de besprekingen over Libië. Er zijn daar nu drie regeringen, in het oosten, in het westen en een van ‘nationale eenheid’, en bovendien verscheidene milities en Islamitische Staat, die allemaal strijden om de macht in het land. Veel partijen in het oosten weigeren elke dialoog met de Verenigde Naties. Romain Grandjean zal eerdaags weer naar Libië vertrekken.

    Drie maanden later, op een ochtend in september 2016, staat David Gorman in een raamloze vergaderruimte van hotel President in Kiev. Eveneens aanwezig zijn Jevgeni Jakovlev van de Oekraïense Academie van Wetenschappen, westerse diplomaten, en voor het eerst iemand van de andere kant, uit het separatistengebied: Viktor Savodovski, de chef van de 
afdeling Investeringen en Ontwikkeling bij waterleidingbedrijf Voda Donbassa in Oost-Oekraïne. David Gorman rapporteert dat hun initiatief overal zeer positief is ontvangen. Zijn collega heeft een lijst gemaakt met plaatsen waar de experts uit beide delen van het land de komende weken naartoe 
zullen gaan om water- en bodemmonsters te nemen.

    In november 2016 komt Romain Grandjean naar Berlijn. Hij heeft een afspraak bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. De dagen ervoor heeft hij 
nauwelijks geslapen. Eerst is hij in Libië geweest, vervolgens in Zürich.

    Hoe langer je Grandjean en Gorman volgt, des te meer ze de indruk wekken geheel buiten adem te zijn. De voortdurende reizen, bijeenkomsten en gesprekken geven een gevoel van permanente 
rusteloosheid. Een leven door anderen bepaald, door het wereldgebeuren opgejaagd. Des te prangender is de vraag: wat drijft hen? Grandjean vat zijn beroep in twee woorden samen: frustratie en geduld. Maar saai is het nooit. ‘Ik geloof dat dialoog daadwerkelijk iets verandert.’ David Gorman ziet dat ook zo: ‘Je kunt iets bewerkstelligen, deel van iets groots worden.’ Wat is er zinvoller dan vrede stichten? In de afgelopen zes jaar was het HD Centre bij 35 verdragen betrokken.

    Pas in december lukt het om Romain Grandjean naar Noord-Afrika te vergezellen. Na maandenlang wachten is er een bijeenkomst in Tunesië. Een delegatie uit Sintan, een belangrijke stad in het westen van Libië, vlak bij de grens met Algerije, zal naar Tunis reizen. Men zoekt toenadering tot de internationale gemeenschap, en het HD Centre moet het contact tot stand brengen.

    Op een koele ochtend voert Grandjean overleg met acht van zijn medewerkers – een Slowaakse, een Fransman, een Marokkaan, een Tunesiër, een 
Soedanees, een Brit en twee Libiërs. Grandjean 
probeert een choreografie voor de ontmoeting te ontwikkelen. Op de eerste dag zullen de bemiddelaars van gedachten wisselen met de Libische 
delegatie, op dag twee moet er een gesprek met 
vertegenwoordigers van de Verenigde Naties, de Europese Unie en verscheidene hulporganisaties volgen.

    Grandjean doet altijd zijn best om alles nauwgezet 
in kaart te brengen. Wie komt er? Wie niet? Wie trekt er op de achtergrond aan de touwtjes? Als de bemiddelaars niet weten wie er aanwezig zal zijn, kunnen ze minder goed reageren op onverwachte situaties. Drie van hen zijn deze zomer al in Sintan geweest. 
Ze hebben enkele leden van de delegatie ontmoet 
en weten wat die acceptabel vinden en wat niet. Ze weten welke sleutelwoorden hen bij de onderhandelingen verder zouden kunnen helpen. En toch kan straks alles anders zijn.

    Flessen water

    Het hotel waar de volgende ochtend de eerste 
bijeenkomst plaatsvindt, staat in een wijk van Tunis die met hulp van Saoedische investeerders is gebouwd. Alcohol mag hier niet worden geschonken. Tien mannen uit Sintan zitten met zes bemiddelaars om een vierkante tafel. Grandjean opent de vergadering in het Arabisch en gaat vervolgens verder in het Engels: ‘We zijn er trots op dat u hier bent. Dit is een ontmoeting om u beter te leren kennen. We hebben goede contacten met westerse regeringen, maar we werken onafhankelijk. We zullen de dag van morgen met u voorbereiden en luisteren naar wat u te zeggen hebt.’

    Er volgt een heel kort voorstelrondje: de burgemeester, een vertegenwoordiger van de raad van oude wijze mannen, een vertegenwoordiger van het lokale bedrijfsleven, een van de jeugd, een oud-minister 
van Defensie van Libië in de overgangsregering na 
de val van Gaddafi, twee mannen met een militaire achtergrond. Daarna heerst er stilte. Grandjeans 
collega’s roepen hun bezoek van afgelopen zomer in herinnering. De Libiërs reageren nauwelijks, vertrekken geen spier, lijken af te wachten. De koekjes van Gorman zouden nu een goede dienst bewijzen. Op tafel staan alleen flessen water, maar er is geen 
opener. Niemand zal het in de daaropvolgende twee uur wagen daarnaar te vragen.

    Uiteindelijk neemt de burgemeester van Sintan het woord. Hij vertelt dat er momenteel tienduizend migranten en twintigduizend vluchtelingen uit 
Tripoli in Sintan zijn, maar dat er geen huisvesting voor hen is, geen medicijnen, geen psychologische hulp. ‘Voor de internationale gemeenschap zijn dat simpele dingen, waarmee duizenden mensen 
geholpen zouden zijn.’ Bovendien zou hij willen dat er weer internationale organisaties in de regio actief waren. Grandjean zegt dat het voor die organisaties momenteel moeilijk is om in Libië te werken. Ze 
hebben het land als no-go-area bestempeld.

    De delegatie uit Sintan maakt bekend dat ze de 
dag ervoor als teken van goede wil een belangrijke oliepijplijn hebben heropend. De stad heeft de 
controle over twee olievelden, en twee pijplijnen 
lopen over hun grondgebied.

    Aan het einde van de bijeenkomst stelt Grandjean vast dat de delegatie uit Sintan goede berichten 
heeft voor de bijeenkomst van morgen met de vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap. Hij raadt aan erop te wijzen dat een investering in Sintan een investering in vrede is. De stad zou een belangrijke partner in het proces van nationale 
verzoening kunnen zijn. Grandjean weet welke 
sleutelwoorden bij het Westen in de smaak vallen. 
De Libiërs zijn optimistisch.

    Na de bijeenkomst rookt Romain Grandjean een sigaret voor het hotel. Zijn Tunesische collega rijdt 
de auto voor en Grandjean en zijn Britse medewerker stappen in. In de auto dreunt It’s a Man’s World 
van James Brown uit de speakers. De mannen zingen luidkeels mee. Het gezang wordt abrupt onderbroken door het alarm op Grandjeans telefoon. De volgende bijeenkomst wacht, dit keer met een EU-vertegenwoordiger.

    Op een van de avonden in Tunis valt er een 
melktand van Grandjeans zevenjarige zoontje uit zijn portemonnee. Het is een treurig moment. 
Net als David Gorman probeert Grandjean de twee werelden van elkaar te scheiden. Met zijn gezin 
en zijn vrienden praat hij niet over zijn werk. ‘Ik wil 
een omgeving waarin het niet om oorlogen en 
conflicten gaat.’

    Illustraties: © Skizzomat – Marie Emmerman
    Illustraties: © Skizzomat – Marie Emmerman

    Nieuwe morgen, nieuw en groter hotel. Het is koud, het regent en Grandjean dwaalt door het gebouwencomplex. Het is de enige keer dat hij iets van een slecht humeur vertoont. In de conferentiezaal trekt hij in één ruk de gordijnen omhoog. De mannen uit Sintan en de vertegenwoordigers van de VN, de EU en de hulporganisaties druppelen binnen. De westerlingen blijven aanvankelijk onder elkaar, de Libiërs ook, alleen de bemiddelaars praten met iedereen.

    Later aan tafel geeft de burgemeester van Sintan een statement af, zoals voorgesteld door Grandjean: ‘We willen een einde maken aan de gewapende strijd in ons land. In onze regio hebben we dat voor elkaar gekregen. Ons doel is een staat voor alle Libiërs. We reiken hun 
de hand voor verzoening.’ Hij benadrukt dat Sintan 
een belangrijke rol wil spelen in het toekomstige Libië. Hij vraagt om hulp voor het ziekenhuis, hulp voor de oorlogsvluchtelingen en nodigt de internationale gemeenschap uit voor een bezoek aan de stad.

    De burgemeester heeft de sleutelwoorden gebruikt. Maar de westerlingen lijken een beetje afwezig, 
sommigen kijken op hun telefoon. Grandjean vraagt: ‘Zou de internationale gemeenschap zich kunnen voorstellen niet heel Libië in de rode kleur van gevaar te zien, maar in nuances als oranje of geel?’ De westerse diplomaten nemen Grandjeans metafoor over, maar oranje vinden ze te weinig. Pas wanneer het hele land groen gekleurd is, zullen ze overwegen of ze weer medewerkers naar Libië zullen sturen. In de pauzes staan de Libiërs en de westerlingen wel met elkaar te praten.

    De volgende dag verspreidt de militaire raad van Sintan een bericht via de sociale media: ‘Wij steunen de inspanningen voor de dialoog en de vreedzame co-existentie. Er is geen alternatief voor de dialoog, die leidt tot de opbouw van de instituties van een eenheidsstaat. Wij bieden geen steun aan de militaire actie die het westelijke deel van Libië in chaos stort en tot bloedvergieten leidt.’ Het is een succes voor het team van Romain Grandjean. Een van de groepen in Libië zweert openlijk het geweld af en 
zet een klein stapje in de richting van verzoening.

    De laatste avond in Tunis gaan Grandjean en zijn collega’s de stad in. Ze zouden kunnen gaan feesten of zich kunnen ontspannen, maar ze blijven de 
Libische chaos analyseren. Namen, gebeurtenissen en plaatsnamen wisselen elkaar af en wekken de indruk van een blijvende urgentie. Als een drug waar je niet meer van afkomt.

    Gedesillusioneerd

    Twee dagen voor Kerst staat David Gorman te 
wachten voor de ontbijtzaal in zijn hotel in Kiev. Hij is om middernacht uit Moskou gekomen en is zijn kamernummer vergeten. ‘Kunt u dat opzoeken?’ vraagt hij aan de dame bij de deur. De volgende 
ontmoeting over de gevaren van een ecologische crisis is aanstaande; dit keer zullen de eerste resultaten van de watermonsters worden gepresenteerd.

    In een ideale wereld zou Gorman erin slagen Russen en Oekraïners aan één tafel te krijgen. Eind 2016 is Gorman geregeld gedesillusioneerd. In Moskou heeft hij zijn gesprekspartners onlangs gevraagd: ‘Waar leiden onze gesprekken toe? Wanneer zien we vooruitgang?’ Er zijn veel redenen waarom het niet opschiet, zegt hij. Het is een kwestie van politieke 
wil en de juiste timing. Momenteel zit iedereen af 
te wachten. Donald Trump is weliswaar al verkozen, maar nog niet in functie. Hij heeft gewonnen met 
de slogan ‘America first’. Het is afwachten of Oekraïne hem interesseert en hoe hij daadwerkelijk tegenover Rusland staat.

    Trump is een thema waarbij Gorman ongewoon stil wordt. Dat komt ook door zijn ouders. Gormans vader is een gepensioneerd zakenman, zijn moeder een grafisch ontwerpster. Bij de voorverkiezingen 
steunden ze de democratische kandidaat Bernie 
Sanders, maar uiteindelijk brachten ze hun stem uit op Donald Trump. Gormans ouders hebben op de kandidaat gestemd die staat voor alles wat hun zoon van de hand wijst: confrontatie, protectie, misbaar. ‘We praten er niet meer over,’ zegt Gorman. In zijn eigen familie is de bemiddelaar verstomd.

    Aan het begin van het gesprek wijst David Gorman 
er nadrukkelijk op dat het in elk geval is gelukt om het contact tussen de experts uit West- en Oost-Oekraïne te herstellen. Jevgeni Jakovlev van de 
Academie van Wetenschappen in Kiev presenteert 
de eerste resultaten van het wateronderzoek: in het door de regering gecontroleerde gebied waren 30 van de 34 monsters vervuild, in het separatistengebied 
24 van de 26. In sommige streken zouden mensen zelf putten boren om aan drinkwater te komen. 
‘We moeten een systeem verzinnen om de bevolking te informeren waar er schoon water is.’

    David Gorman vraagt: ‘Kunnen we ons rapport naar het ministerie voor bezette gebieden sturen?’ Hij wil het initiatief neerleggen op een hoger niveau, een groter effect sorteren. De wetenschappers aarzelen. Ze zijn bang dat hun thema, het water, daardoor 
nog meer wordt gepolitiseerd. De resultaten van de proeven zijn maar voorlopig, zeggen ze. Ze hebben onweerlegbare feiten nodig. ‘Wanneer kunnen we 
de eindresultaten verwachten?’ vraagt Gorman. Waarschijnlijk eind januari, is het antwoord.

    Dit jaar was hij 42 van de 52 weken op pad. Nu heeft 
hij twee weken vrij en heeft hij een skivakantie in 
Bulgarije geboekt

    De volgende ochtend vliegt Gorman naar huis. Dit jaar was hij 42 van de 52 weken op pad. Nu heeft 
hij twee weken vrij en heeft hij een skivakantie in 
Bulgarije geboekt. Gorman was bang dat hij zich 
zou gaan vervelen.

    Ook Romain Grandjean heeft vakantie rond de 
kerstdagen. Op een woensdag in januari komt hij met zijn team bijeen in een café in Parijs om nieuwe ideeën voor Libië te bespreken. Zes mannen zitten dicht naast elkaar espresso’s te drinken rond een 
lage tafel. ‘Het door de VN uitonderhandelde vredesverdrag voor de beëindiging van de burgeroorlog werkt niet,’ zegt Grandjean. ‘De deling van het land 
is zich aan het intensiveren.’

    Twee maanden later, in maart, gebeurt waarvoor Romain Grandjean heeft gevreesd: in Libië escaleert het geweld. Brigades uit Benghazi nemen belangrijke oliehavens aan de kust in. Het Libische 
parlement in het oosten zegt het vredesverdrag op. Later herovert de machtige generaal Khalifa Haftar de oliehavens. Romain Grandjean is op bezoek in Berlijn, hij heeft weer afspraken bij het ministerie van Buitenlandse Zaken.

    Hoe ziet hij de situatie in Libië na bijna een jaar 
werken? De eenheidsregering heeft het land nog altijd niet verenigd, antwoordt hij, het is nog altijd verdeeld in oost en west. Maar sommige regio’s, 
zoals Sintan, hadden het voor elkaar gekregen om zich buiten het conflict te houden, en er waren nog overheidsinstellingen die functioneerden. ‘Ik heb nog altijd goede hoop,’ zegt hij.

    Eind maart is Gorman in Kiev om eindelijk de 
eindresultaten van het onderzoek naar de watervervuiling te presenteren. In de conferentiezaal van het Hilton neemt hij helemaal aan het einde van de tafel plaats. De zaal zit vol, er zijn vertegenwoordigers 
van verscheidene westerse ambassades en de EU gekomen, onder wie de wetenschappers Savodovski en Jakovlev. Gorman zegt: ‘De resultaten zijn wat vertraagd, maar inmiddels is er een honderd pagina’s dik rapport verschenen. We hopen dat het serieus wordt genomen en dat een ecologische ramp kan worden afgewend.’ Gormans Oekraïense collega houdt een powerpointpresentatie: door artillerievuur zijn waterleidingen en chemische fabrieken verwoest en zware metalen in het water terechtgekomen. De deskundigen hebben hoge concentraties nitraten, ijzer, magnesium, kobalt, chroom, zink en nikkel in het water aangetroffen. Op dit moment 
zijn er in het conflictgebied vrijwel geen schone waterbronnen meer. Het gaat om 6,5 miljoen 
mensen. Zonder een permanente wapenstilstand zou het gebied onbewoonbaar kunnen worden.

    De westerse diplomaten achten een stabiele wapenstilstand op dit moment echter niet realistisch. In plaats daarvan zouden veiligheidszones rond de zwaarst getroffen plaatsen moeten worden ingericht. Gorman schrijft steekwoorden op. Na twee uur vat hij samen: ‘Ik wou dat ik iets kon zeggen wat alles zou veranderen. Maar ik heb zes ideeën genoteerd: gedemilitariseerde zones, observatie van de risicogebieden, sluiting van de bedreigde kolenmijnen, nieuwe boorputten, lobbyen voor onze zaak op 
regeringsniveau en de publieke opinie erbij betrekken.’ Het is de systematiek van de bemiddelaar: de anderen laten praten, positieve dingen opschrijven, negatieve dingen weglaten, sleutelwoorden gebruiken. Vrijwel alle aannames en angsten van de experts van afgelopen juni zijn bewaarheid. Nu hebben ze zekerheid. Maar waar leidt dat toe?

    Tuinier

    David Gorman heeft ’s middags nog afspraken met Oekraïense parlementariërs. Hij loopt schuin over het Maidanplein, langs foto’s van de doden van toen. Als hij nadenkt over wat hij heeft bereikt, komen er twee dingen in hem op: hij heeft voor een kanaal gezorgd waarlangs de conflictpartijen met elkaar in verbinding staan, ook als ze niet rechtstreeks met elkaar praten. En het gevaar van een ecologische crisis in het Donetsbekken staat nu in elk geval op 
de politieke agenda.

    David Gorman en Romain Grandjean konden beide conflicten niet oplossen in deze maanden, geen vrede scheppen. Ze konden de wereld niet redden, maar misschien wel een beetje beter maken. Gorman zal met de resultaten van het wateronderzoek 
naar Moskou gaan. Grandjean zal weer naar Libië vertrekken om met milities in het oosten te praten.

    Gorman staat op het Maidanplein, nog vol adrenaline van de laatste ontmoeting en in gedachten al 
bij de volgende. Dan vertelt hij dat hij zich ’s avonds, wanneer hij zich als het ware zwanger voelt van het luisteren, soms voorstelt hoe het zou zijn om bijvoorbeeld tuinier te worden. Maar slechts voor even.

    Auteur: Jana Simon
    Vertaler: Pieter Streutker

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.

  • Waarom de VN Syrië niet kan redden

    Waarom de VN Syrië niet kan redden

    De Verenigde Naties bestaan in oktober zeventig jaar. De machteloze positie waarin de organisatie zich momenteel bevindt, wordt perfect belichaamd door de Zweeds-Italiaanse diplomaat Staffan de Mistura, speciaal gezant van de VN voor Syrië. Zijn opdracht, een vreedzame oplossing vinden voor het conflict, is een mission impossible. Journaliste Janine di Giovanni volgde De Mistura een jaar lang op de voet, en schreef een haarfijn portret.

    In juli 2014 was Staffan de Mistura, een 68-jarige Zweeds-Italiaanse diplomaat, al half en half van zijn pensioen aan het genieten toen hij op het eiland Capri een telefoontje kreeg van zijn oude baas, Ban Ki-moon, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die hem misschien wel de moeilijkste baan ter wereld aanbood. De Mistura had onder Ban gewerkt als hoofd van de VN-missie in Afghanistan en Irak, en nu kreeg hij het verzoek om speciaal gezant van de VN te worden voor Syrië, met als opdracht een vreedzame oplossing te vinden voor een van de bloedigste en meest complexe oorlogen van deze tijd.

    De Mistura aarzelde. Na een onderministerschap van Buitenlandse Zaken in de Italiaanse regering was hij onlangs directeur geworden van Villa San Michele, een Zweedse cultuurstichting op Capri, en daarnaast speelde hij met het idee om een mediterrane politieke denktank op te richten. Hij had 42 jaar humanitair werk gedaan en negentien jaar in het buitenland gewerkt, voornamelijk in conflictgebieden, en nu had hij zijn vriendin en zijn twee kinderen (uit een eerder huwelijk) beloofd om een ‘normaler leven’ te gaan leiden.

    Maar zijn twijfel had ook politieke 
redenen. De eerste twee VN-gezanten voor Syrië, oud-secretaris-generaal Kofi Annan en de doorgewinterde 
diplomaat Lakhdar Brahimi, waren mannen met een statuur om u tegen te zeggen, en toch waren ze er niet 
in geslaagd om een einde te maken 
aan het bloedvergieten. De VN-Veiligheidsraad was sterk verdeeld – China en Rusland kozen partij voor de regering van Bashar al-Assad, de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk steunden een samenraapsel van oppositiegroepen onder aanvoering van de Syrische Nationale Coalitie. Noch de regering-Assad, noch de versplinterde oppositie toonde enige bereidheid om compromissen te sluiten of zelfs maar te onderhandelen. En zowel Annan en Brahimi hadden uiteindelijk totaal gedesillusioneerd hun opdracht teruggeven.

    Na zijn successen in Afghanistan en Irak – waarvoor de Amerikaanse president Barack Obama hem omstandig had geprezen – vroeg De Mistura zich af waarom hij zijn reputatie op het 
spel zou zetten voor een onderneming die tot mislukken gedoemd was. Een mission impossible, zoals een van zijn beste vrienden het noemde.

    Mistura spreekt zeven talen, maakt buiginkjes en deelt handkussen uit

    Geen baan zo zwaar als die van VN-gezant in Syrië. Als vertegenwoordiger van ‘de internationale gemeenschap’ – lees: de VN – moet de gezant de strijdende partijen aan de onderhandelingstafel zien te krijgen. Maar in het geval van de oorlog in Syrië, waar minstens zes landen bij betrokken zijn, vereist dat niet alleen de deelname van
 de belangrijkste landen in de regio – Saoedi-Arabië, Turkije, Jordanië, Qatar en Iran – maar ook die van 
wereldmachten als Rusland, China 
en de VS. (Omdat geen enkel land in 
de regio als neutraal geldt in het Syrische conflict, werkt de gezant inmiddels vanuit een kantoor in Genève.)

    Na Bans telefoontje in juli kon hij niet slapen. ‘Ik voelde me schuldig,’ bekende hij toen ik hem in augustus 2014 voor het eerst sprak. Hij had in de heftigste oorlogsgebieden ter wereld gewerkt, naar eigen zeggen vooral uit ‘constructieve verontwaardiging’. 
Ditmaal had De Mistura de beker het liefst aan zich voorbij laten gaan, maar hij kon Bans laatste woorden niet uit zijn hoofd zetten. ‘Hij wees me op de ernst van situatie in Syrië. Het aantal doden, het aantal vluchtelingen, de gruwelijkheid van het geweld.’ Na een paar doorwaakte uren belde hij Ban, om drie uur ’s nachts, en nam de baan aan.

    De Mistura staat bekend als een creatief en inventief diplomaat, met een grote betrokkenheid bij de problemen van burgers en vluchtelingen. (Zijn eigen vader was in de Tweede Wereldoorlog statenloos geworden. ‘Ik begreep als jongen van tien al dat het gebrek aan waardigheid voor een politiek vluchteling nog het moeilijkst te verdragen is.’) Van zijn collega’s en vrienden hoor ik verhalen over zijn improvisatietalent: dat hij een luchtvaartmaatschappij zo ver kreeg om voedsel naar het hongerende Kaboel te vliegen, dat hij in Soedan de kamelen van het Wereldvoedselprogramma die vaccins vervoerden blauw liet verven zodat ze vanuit de lucht zichtbaar waren voor de helikopters die ze tegen rovers beschermden, dat hij tijdens het beleg van Sarajevo smokkelaars inschakelde om dekens en maaltijden naar de wegkwijnende bevolking te brengen.

    De Mistura met de Syrische president Assad tijdens een onmoeting in Damascus in 2014. – © Reuters
    De Mistura met de Syrische president Assad tijdens een onmoeting in Damascus in 2014. – © Reuters

    Maar aan die talenten heeft De Mistura in Syrië niet veel. De belangrijkste reden dat er geen schot zit in de onderhandelingen is dat geen van de betrokkenen – noch de strijdende partijen, noch de regionale en wereldmachten die op de achtergrond aan de touwtjes trekken – belang heeft bij vrede, zegt een VN-functionaris die nauw met De Mistura samenwerkt. ‘Ze denken allemaal dat ze het conflict kunnen winnen, en als de bemiddelaars zich onpartijdig proberen op te stellen, schreeuwen ze moord en brand,’ aldus de VN-functionaris. 
‘Zo ging het ook bij Annan en Brahimi.’

    Een van de grootste problemen van 
De Mistura en zijn voorgangers is om de aandacht van de rest van de wereld vast te houden. Brahimi gooide de handdoek in de ring omdat hij, zoals hij zelf zei, ‘niets bereikte’, en aftreden ‘de enige manier was om tegen de totale desinteresse van de internationale gemeenschap en de regio voor de situatie in Syrië te protesteren’.

    Niettemin begon De Mistura, die zichzelf weleens een ‘onverbeterlijke optimist’ heeft genoemd, vol goede moed als derde vredesonderhandelaar, maar het valt hem niet mee om hoopvol te blijven. ‘Het is na verloop van tijd een marionettenoorlog geworden, waarbij vrijwel iedereen, óók de Syrische regering, bereid is te vechten tot de laatste Syriër om de wereld van zijn eigen gelijk te overtuigen,’ vertrouwde hij me afgelopen zomer toe. ‘Dit is de meest cynische oorlog die ik ooit heb meegemaakt.’


    Vriendjespolitiek

    De Mistura is nu een jaar bezig. Syrië staat in brand, en Turkije, Iran, Saoedi-Arabië en Qatar staan eromheen te wachten tot ze het karkas kunnen schoonpikken. Vier miljoen Syriërs zijn het land ontvlucht, er zijn 230.000 doden gevallen, en nog altijd wordt 
de burgerbevolking met chloorgas en vatenbommen bestookt. Het is een helse strijd, de ergste waarover ik in al mijn jaren als oorlogsverslaggever heb bericht. De belangrijkste partijen – de Syrische regering en de Syrische Nationale Coalitie – peinzen er niet over om de wapens neer te leggen, en zijn tot dusver dan ook niet bereid geweest om met open vizier te onderhandelen. 
De opkomst van IS heeft de situatie 
nog erger gemaakt: Assad kan zich nu voordoen als bondgenoot in de strijd tegen IS, en veel Syriërs scharen zich nog liever achter Assad dan achter een groep bloeddorstige radicale jihadisten.

    Van het begin af aan heeft De Mistura geweten dat hij in zekere zin in een afgrond staarde. Toen ik hem een paar weken nadat hij als gezant was begonnen voor het eerst sprak in Brussel, waar hij met zijn vriendin woont, vertelde hij over het gruwelijke lot van de Syrische burgerbevolking. Hij sprak over zijn eerdere frustraties in Soedan en Bosnië. De Mistura is met zijn aristocratische uitstraling een zeldzaamheid bij de VN: hij spreekt zeven talen, maakt buiginkjes en deelt handkussen uit, draagt elegante pakken en een 
pince-nez, en als hij voor langere tijd ergens heen moet, neemt hij zijn zilveren pepermolentje mee. Hij kan goed 
luisteren, en zijn bezorgdheid om de Syrische bevolking is onmiskenbaar oprecht.

    Maar de afgelopen maanden is De Mistura van alle kanten bekritiseerd omdat hij de vrede geen millimeter dichterbij heeft weten te brengen.

    Hij zou niet genoeg zijn best hebben gedaan om de Syrische oppositie mee te krijgen, om te zorgen dat overeengekomen wapenstilstanden daadwerkelijk worden nageleefd, en om het 
geweld tegen burgers terug te dringen in plaats van zich alleen te richten op het politieke proces. Het ergste verwijt is misschien nog wel dat hij zich alleen zou omringen met oude getrouwen – het woord ‘vriendjespolitiek’ valt in dit verband nogal eens – en niet met experts die de regio terdege kennen. Kenneth Roth, de directeur van Human Rights Watch, zegt dat De Mistura ‘de grote lijnen’ niet ziet en zich blindstaart op het bereiken van kleinschalige wapenstilstanden.

    De kritiek komt er in wezen op neer dat De Mistura meer van zijn onmogelijke opdracht had moeten maken, een verwijt dat moeilijk te verifiëren valt. ‘Of je nu een goede of een slechte onderhandelaar bent, als de tijd niet rijp is, krijg je niets voor elkaar,’ zegt een ervaren Amerikaanse diplomaat. ‘Je kunt de situatie op het strijdtoneel uitbuiten – de manier waarop destijds de oorlog in Bosnië is beëindigd. Maar je kunt als VN-gezant die situatie niet naar je hand zetten. Je kunt er alleen 
je voordeel mee doen, als je tenminste experts hebt die de dynamiek goed aanvoelen. Je moet een uitgewerkt plan achter de hand hebben voor het moment dat de tijd rijp is.’

    Vooral de beschuldiging van vriendjespolitiek steekt De Mistura. Het leek hem het beste om mensen aan te trekken met wie hij eerder goede ervaringen had opgedaan – en die zich voornamelijk hadden onderscheiden door hun loyaliteit aan hem – maar die aanpak lijkt hem nu op te breken. ‘Vriendjespolitiek, dat is dat je een baantje voor iemand regelt in Genève of New York,’ volgens De Mistura – niet in de frontlinie van een oorlog. Hoe dan 
ook, de prestaties van zijn staf liggen nu onder vuur. Mouin Rabbani, een Nederlands-Palestijnse Midden-Oostenkenner die zich begin dit jaar terugtrok als belangrijkste politiek adviseur van De Mistura, zegt dat die staf overwegend bestond uit ‘mensen die vooral uitblonken in persoonlijke loyaliteit, en die lang voor hem hadden gewerkt’.

    ‘Ik wil niet beweren dat de crisis in Syrië rijp was voor een oplossing en dat de VN het verknald heeft door een te lichte gezant te benoemen,’ vervolgt Rabbani. ‘Het is zijn voorgangers immers ook niet gelukt. Maar de VN heeft Syrië en het Syrische volk ook niet echt geholpen door een gezant te sturen die niet in staat is gebleken om mogelijkheden tot conflictbeperking, hoe klein ook, te benutten of te creëren.’

    Hij werkte in de heftigste oorlogsgebieden, vooral uit ‘constructieve verontwaardiging’
    Zoeken naar overlevenden na de aanslag van de Syrische overheid op een door de oppositie bezette woonwijk Kalasa in Aleppo. © Ibrahim Ebu Leys / Getty
    Zoeken naar overlevenden na de aanslag van de Syrische overheid op een door de oppositie bezette woonwijk Kalasa in Aleppo. © Ibrahim Ebu Leys / Getty

    Maar los daarvan zijn de strijdende partijen gewoon niet te porren voor onderhandelingen, zoals ook De Mistura’s critici wel weten. Afgelopen juni ging hij naar Damascus met de 
bedoeling om Assad het gebruik van vatenbommen uit het hoofd te praten. Maar toen kwam er slecht nieuws uit Aleppo: bij een aanval op een moskee waren tientallen doden en bijna honderd gewonden gevallen, waaronder veel kinderen. En de verantwoordelijke was ditmaal niet het Syrische regime, maar de oppositie.

    Na een onderhoud met Walid al-Moallem, de Syrische minister van Buitenlandse Zaken – die hij bijpraatte over het contact dat hij in de voorafgaande weken in Genève had gehad met diverse maatschappelijke Syrische organisaties – sprak De Mistura een uur lang met Assad. Hij wilde weten waarom die hij zulke zware wapens tegen zijn eigen bevolking bleef inzetten.

    Wat was Assads antwoord? ‘Daar kan 
ik niets over zeggen,’ zei De Mistura. Maar het was zonneklaar dat zijn directe aanpak niet in goede aarde viel bij de Syrische leider. Een week later hoorde De Mistura, weer terug in Genève, dat de aanvallen met vatenbommen nog gewoon doorgingen. Hij liet een verklaring uitgaan waarin hij beide kampen scherp veroordeelde 
– al wist hij natuurlijk ook wel dat 
verklaringen alleen weinig uitrichten.

    ‘Soms,’ zei De Mistura in zijn werkkamer, met een blik op het meer van Genève, ‘voel ik me net een arts die zijn patiënt wel in leven weet te houden, maar alleen de pijn kan verzachten.’


    Genève I en II

    Op het moment dat Kofi Annan als eerste VN-gezant de strijdende partijen eind 2012 in Genève bij elkaar bracht, was de oorlog al ruim een jaar aan de gang. Het geweld was losgebarsten toen Assad in 2011 het leger afstuurde op betogers die vreedzaam tegen zijn bewind protesteerden. Een paar maanden later was vrijwel het hele land in een slagveld veranderd. De ene na de andere stad werd belegerd, de ene na de andere provincie werd getroffen door voedseltekorten, en soms werden complete dorpen weggevaagd. In de zomer van 2012 was alleen Damascus – stevig in handen van Assad – nog vrij van oorlogsgeweld. Steden als Homs, Aleppo en Hama werden hevig bestookt, en gruwelijke mensenrechtenschendingen waren aan de orde van de dag.

    Al snel werden pogingen ondernomen om het aantal slachtoffers te beperken. Na het bloedbad in Houla in mei 2012 deed de VN belangrijk werk. Maar ik zag ook dat ze nauwelijks de kans kregen om hun werk te doen Syrië. Zo moesten VN-waarnemers in Damascus in hun hotel blijven omdat ze werden 
beschoten, en mensenrechtenspecialisten van de VN konden niet eens het land in omdat ze van de Syrische overheid geen visum kregen. Van meet af aan werden ze openlijk dwarsgezeten.

    In juni 2012 vloog ik van Damascus naar Zwitserland om verslag te doen van de eerste vredestop die Annan had georganiseerd. Daaraan werd deelgenomen door de vijf permanente leden van de VN-Veiligheidsraad, Turkije en drie Arabische landen, maar níét door Iran, Saoedi-Arabië, Syrië of de Syrische oppositie. Niettemin kwam er een vredesplan, vastgelegd in de Verklaring van Genève: alle partijen moesten de wapens neerleggen en er zou een overgangsregering komen, gevolgd door vrije, eerlijke verkiezingen. Volgens de Amerikanen, Britten en Fransen hield het plan in dat Assad zou moeten vertrekken, terwijl de Russen het zo interpreteerden dat Syrië geen oplossing van buitenaf opgedrongen zou krijgen. Inmiddels vinden de meeste waarnemers echter dat het plan uit 2012 dringend aan herziening toe is, omdat het al dan niet aanblijven van Annan de kernvraag is geworden.

    Een maand na de top in Genève stapte Annan op. Hij werd opgevolgd door Brahimi, die met pijn en moeite de strijdende partijen bij elkaar wist te krijgen voor een nieuwe top, begin 2014. Dit overleg, dat Genève II werd gedoopt (hoewel het in Montreux van start ging), werd aanvankelijk als weinig meer gezien dan een fotomomentje. De stemming was somber en grimmig, en de gesprekken verliepen chaotisch. De partijen konden het zelfs niet eens worden over hoe er onderhandeld zou worden. De Syrische regering eiste dat haar speerpunten het eerst zouden worden besproken. Vooral de positie van Assad bleek een breekpunt. De oppositie weigerde na 
te denken over elk scenario mét hem, de regering wilde niet praten over nieuw Syrië zónder hem. Een andere struikelblok was de door de regering 
gehanteerde definitie van terroristische groeperingen: daaronder viel al het gewapende verzet – en dus alle 
partijen waarmee ze juist zou moeten onderhandelen.
    Brahimi, een charmante verschijning met een imposant postuur die eerder het einde van de burgeroorlog in 
Libanon had bewerkstelligd, maakte een nietige, terneergeslagen indruk toen hij in Montreux naar buiten kwam om de pers te woord te staan.

    Hoewel beide vredestoppen als een mislukking gelden, sluit De Mistura niet uit dat er een derde top van 
Genève komt. De gesprekken over de toekomst van Syrië die hij in mei in 
Genève heeft gevoerd, waren deels 
bedoeld om de partijen in de juiste stemming te brengen voor een laatste onderhandelingsronde. Maar het is de vraag of hij een idee heeft hoe hij ze daadwerkelijk om de tafel moet krijgen. Geen van de strijdende partijen lijkt bereid om water bij de wijn te doen, en datzelfde geldt voor hun buitenlandse steunpilaren, zoals Iran en Saoedi-Arabië.


    Lokale gevechtspauzes

    In het begin van de oorlog kon je een betrouwbare chauffeur inhuren en vanuit Turkije naar Aleppo rijden, een ritje van een uur door een desolaat landschap met uitgebrande auto’s, checkpoints en verwoeste dorpen. 
Ooit was Aleppo de trots van Syrië, 
een stad aan de Zijderoute waar christenen, soennieten en sjiieten woonden. In het begin van deze eeuw was het zelfs even een hippe bestemming voor een stedentrip. Bemiddelde buitenlanders kochten huizen in de oude stad, en er waren rechtstreekse vluchten vanuit Londen en Parijs. Kunstverzamelaars en ontwerpers, zoals Christian Louboutin, een vriend van presidentsvrouw Asma al-Assad, gaven feestjes in hun fraaie optrekjes. Even leek Aleppo het nieuwe Marrakech.

    Maar toen de oorlog uitbrak werd 
Aleppo het toneel van zware gevechten tussen het Vrije Syrische Leger en de regeringstroepen. Al snel waren er tekorten aan benzine, water, brood, elektriciteit en medicijnen. Ooit had Aleppo het beste kankerziekenhuis van Syrië, nu zijn mensen met een chronische ziekte er ten dode opgeschreven.

    In het najaar van 2014, niet lang na zijn aantreden, raakte De Mistura ervan overtuigd dat Aleppo weleens 
de sleutel naar vrede kon zijn. Een 
bestand in die stad kon van grote symbolische waarde zijn, meende hij: een soort Syrisch Sarajevo.

    Hij kreeg het advies om een wat minder moeilijke plek uit te kiezen – de oppositie was in Aleppo sterk verdeeld, 
en de stad was zowel doelwit van IS 
als van het regeringsleger. Maar De Mistura bleef erbij dat er behoefte was aan een iconisch beeld, waarmee hij de noodzaak om de burgers in het hele land te beschermen op de kaart zou kunnen zetten.

    En dus stuurde hij aan op losse, kleinschalige wapenstilstanden in verschillende wijken van Aleppo, als een eerste stap naar een staakt-het-vuren in de hele stad en vervolgens in andere steden en regio’s. Eerder hadden lokale bestanden – in delen van Homs, in Barzah, een wijk in het noordoosten van Damascus en in Ras al-Ain, een stadje aan de Turkse grens – immers ook al gewerkt.

    Clashes tussen de oppositie en troepen van Assad in Aleppo. © Corbis
    Clashes tussen de oppositie en troepen van Assad in Aleppo. © Corbis

    Het idee van een lokale wapenstilstand was afkomstig van Nir Rosen, een Amerikaanse oud-journalist en arabist die in vrijwel alle conflicthaarden in het Midden-Oosten had gewerkt en contacten had in het hele spectrum van het Syrische conflict. Anders dan de meeste medewerkers van De Mistura kende Rosen het land op zijn duimpje. Voor in een Genève gevestigde bemiddelingsorganisatie, Humanitarian Dialogue, had Rosen een voorstel opgesteld voor een reeks freezes, lokale gevechtspauzes die het mogelijk maakten om hulpgoederen aan te voeren en de bevolking even op adem te laten komen. Als zulke freezes in Aleppo zouden werken, konden ze worden uitgebreid naar de rest van het land.

    Hoewel critici van Rosens voorstel vreesden dat de lokale bestanden 
vooral gunstig zouden uitpakken voor het regime, legde De Mistura het idee in oktober 2014 voor aan de Veiligheidsraad, zij het in een minder uitgewerkte vorm. De V-raad was niet bijster enthousiast.

    Maandenlang probeerden De Mistura en zijn staf de verschillende oppositieleiders tegemoet te komen. Maar die hielden de boot af, omdat ze vonden dat de VN-gezant te veel op de hand van Assad was, een probleem waar-mee Brahimi en Annan ook hadden 
geworsteld. ‘De oppositie wilde niet 
dat de VN met het regime overlegde, omdat ze zichzelf als de rechtmatige leiders van het Syrische volk beschouwen,’ aldus een VN-functionaris. ‘Maar de VN kan er niet onderuit om met de regering in Damascus te praten.’

    In december werd De Mistura gefotografeerd op een feestelijke bijeenkomst in Damascus ter ere van de vijfendertigste verjaardag van de Iraanse revolutie. Dat had geen probleem hoeven zijn, ware het niet dat het Syrische leger met steun van Iran dood en verderf zaaide in de buitenwijken van Damascus die inmiddels in handen zijn van de rebellen. De foto van het feest werd getwitterd door een invloedrijke Syrische commentator en ging vervolgens razendsnel het internet rond. 
De Mistura vond desondanks dat hij niet weg kon blijven, vertelde hij me. ‘Als een lidstaat een nationale feestdag viert – en dat was het geval – en ik ben in de buurt, dan moet ik erheen.’

    Een paar dagen later joeg De Mistura de oppositie nog verder op de kast met een opmerking die hij maakte op een persconferentie in Wenen. Nadat hij het freeze-voorstel had besproken met de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken, zei hij dat er door dat plan duizenden mensenlevens konden worden gered, maar dat de oppositie wel open moest staan voor de mogelijkheid dat Assad een politieke rol zou blijven spelen. Later zei hij dat hij die opmerking had gemaakt om ‘Assad over de streep te trekken, om zijn medewerking te krijgen voor de aanzet 
tot een oplossing’. De uitspraak was volgens hem niet bedoeld als steun in de rug van het regime.

    Maar uitgerekend dezelfde dag werd bekend dat het regime het dorp Douma, bij Damascus, met raketten en vatenbommen had bestookt. De Mistura’s opmerking viel niet alleen bar slecht bij de Syrische oppositie, maar ook bij de Amerikanen en de Fransen, die van het begin af aan hadden gezegd dat vrede alleen mogelijk was als Assad het veld zou ruimen. Het was de druppel die de emmer deed overlopen voor de oppositie, die liet weten alle gesprekken met De Mistura en zijn medewerkers voortaan te zullen boycotten.

    Het freeze-voorstel sukkelde nog door tot februari, toen De Mistura de Veiligheidsraad in New York kwam bijpraten over de kans dat Assad zou beloven om de luchtaanvallen op Aleppo te staken. Maar net op dat moment brak de hel los in de stad. Het Syrische regime begon een militair offensief om de laatste enclaves van het verzet in Aleppo te omsingelen en de bevoorradingsroutes af te snijden; zolang er geen handtekening onder een staakt-het-vuren stond, zo was de redenering, konden de gevechten gewoon doorgaan. De Mistura voelde zich verraden; toen hij de vergaderzaal in New York verliet, kwam de stoom uit zijn oren.

    Ondertussen had De Mistura’s politiek adviseur Mouin Rabbani in Genève woedend zijn ontslag ingediend. Tegenover de pers beschuldigde hij de speciaal gezant en diens staf regelrecht van geklungel. ‘Alsof je een pasgeboren baby de ring in stuurt om de zwaargewichttitel op Mohammed Ali te veroveren,’ zo verwoordde Rabbani het tegen mij.

    Rabbani’s kritiek was funest voor het toch al tanende moreel onder de resterende medewerkers van De Mistura, die dat pas in de gaten leek te krijgen toen dat afgelopen voorjaar uitlekte naar de pers. Sindsdien heeft hij echter niet stilgezeten. Zo nam hij een nieuwe politiek adviseur aan met een grondige kennis van het constitutioneel recht en liep hij zich het vuur uit de sloffen om weer on speaking terms te raken met de leiders van de Syrische oppositie. Met succes. Najib Ghadbian, de gezant van de oppositie voor de VS en de VN, vertelde me in New York dat het contact inderdaad weer was hersteld. 
‘We moeten wel met ze samenwerken.’

    De Mistura gelooft nog steeds in de mogelijkheid van een politieke oplossing. Want de internationale gemeenschap kan IS pas aanpakken, zo redeneert hij, als er een sjabloon is voor een diplomatieke oplossing van het conflict.


    Ervoor zorgen dat het onvergeeflijke wordt vergeven, is zo mogelijk nog moeilijker dan De Mistura’s diplomatieke missie

    Geen formule

    Voor het beëindigen van een oorlog bestaat geen formule. De geschiede-nis doet ons wel wat voorbeelden aan de hand, en diplomaten kunnen buitengewoon creatief zijn in het vlot trekken van vastgelopen onderhandelingen. Maar het is moeilijk voorstelbaar hoe zelfs de briljantste diplomaat de partijen in het Syrische conflict tot overeenstemming zou kunnen brengen. De Mistura wil niets liever dan dat een eind komt aan het leed van het Syrische volk, maar hij heeft geen enkele grip op de strijdende partijen, die voorlopig niet van plan lijken op 
te houden met bloedvergieten.

    Het knapste staaltje van vredesdiplomatie uit de recente geschiedenis lijken de akkoorden waarmee de burgeroorlog in Bosnië werd beslecht, een conflict waar de strijd in Syrië steeds meer op begint te lijken. De Amerikaanse gezant Richard Holbrooke wist die akkoorden te bereiken na 21 dagen onderhandelen op een luchtmachtbasis in Dayton, Ohio, nadat hij er alles aan had gedaan om de strijdende partijen met elkaar in gesprek te krijgen – van servetjes met handgeschreven boodschappen doorgeven aan de lunchtafel tot nachtelijke drankgelagen met de Servische leider Slobodan Milosevic. Net als De Mistura leek Holbrooke voor een onmogelijke opgave 
te staan, en op de laatste avond van de onderhandelingen gaf hij alle drie de partijen een conceptversie van de verklaring die hij de volgende ochtend wereldkundig wilde maken, waarin stond dat de onderhandelingen op niets waren uitgelopen. Het was intimidatie, maar briljante intimidatie, waarmee hij alsnog een doorbraak 
wist te forceren.

    De Mistura klaarde op toen ik op een avond in Genève, kort voordat hij in juni weer naar Damascus zou afreizen, over Holbrooke begon. ‘Dayton heeft een eind gemaakt aan de slachting,’ 
zei hij. ‘En dat is wat wij ook proberen. Een eind te maken aan de slachting.’ Maar Holbrooke, die niet de VN vertegenwoordigde maar het machtigste land ter wereld, had wel een paar 
dingen vóór op De Mistura, niet in 
de laatste plaats het feit dat de strijdende partijen zich al bereid hadden verklaard om te onderhandelen. Het 
is maar de vraag of zo’n eindspel er op dit moment voor Syrië in zit.

    Ook is het vooralsnog onduidelijk hoe een naoorlogs Syrië eruit zou moeten zien. Khaled al-Khoja, voorzitter van de Syrische Nationale Coalitie, heeft wel ideeën over dat ‘nieuwe Syrië’. ‘Het 
zal weer één land zijn, met één vlag,’ laat hij weten vanuit zijn kantoor in Istanboel. ‘En met een overkoepelende Syrische identiteit. Maar daarnaast bestaan er subidentiteiten, collectieve rechten en individuele vrijheden.’

    Maar eerst moet er natuurlijk vrede komen. En vervolgens zullen de Syriërs moeten afrekenen met de misdaden tegen de menselijkheid die de afgelopen jaren door alle partijen zijn begaan. Of verzoening ooit nog mogelijk is na deze verschrikkelijke oorlog, zal mede afhankelijk zijn van de manier waarop de vrede tot stand wordt gebracht. Dat deel van De Mistura’s opdracht is zo mogelijk nog moeilijker dan zijn diplomatieke missie: ervoor zorgen dat het onvergeeflijke wordt vergeven.

    Janine di Giovanni

    (Foto boven: De Veiligheidsraad van de VN in New York. © Cem Ozdel / Getty)