Tag: Duitsland

  • De iPhone uit Wuppertal

    De iPhone uit Wuppertal

    Het Duitse familiebedrijf Vorwerk verkocht vorig jaar ruim een miljoen exemplaren van de Thermomix, een slim vormgegeven keukenmachine. Niet in de winkel, maar via tupperwareparty’s en de populaire kookvideo’s van ‘Thermifee’ Stefanie Holtz.

    Wie het wonderbaarlijke succes van de firma Vorwerk wil begrijpen, moet naar een gebied met wederopbouwwoningen aan de noordgrens van het Sauerland gaan. Daar, in een geel huisje met antracietkleurige dakpannen, woont een fee. Haar naam is Stefanie Holtz. Ze is midden veertig, en meestal goed geluimd. ‘Mama van drie fantastische kinderen, en enthousiaste tweevoudige hondenmoeder.’ Toveren kan ze uiteraard ook, ze is immers een fee.

    Tussen de eettafel en het keukenblok liggen de twee Afrikaanse jachthonden van het gezin te lummelen op de glanzende lichtbeige vloertegels. In de oven wordt een Paderborner boerenbrood gebakken. Het ruikt naar thuis, en voor velen ziet het er ook uit als thuis. Miljoenen mensen kennen deze keuken net 
zo goed als die van henzelf. Van YouTube. Daar runt Stefanie Holtz onder de artiestennaam Thermifee een kookkanaal en tovert ze met alles wat keuken 
en kelder te bieden hebben.

    Een Thermomix is een soort heksenkookpot voor huisvrouwen

    ‘Pruimengebak met zure room, daar begon het allemaal mee,’ zegt ze in het Duits van het Ruhrgebied. Sinds enkele jaren zet ze elke drie dagen een nieuwe kookvideo op het net: ‘Geroosterde amandelen’ (110.514 keer bekeken), 
‘Echt de allerlekkerste aardappelpuree’ (82.792 keer), ‘Tagliatelle met broccoli, ham en room’ (56.720 keer). Enzovoort.



    En de Thermifee is niet eens de ster in haar eigen kookshow. De hoofdrol wordt gespeeld door de wit-zilveren keukenmachine waarmee Holtz al haar YouTube-gerechten op tafel tovert en die tevens haar artiestennaam verklaart: de Thermomix.

    Een Thermomix is een soort heksenkookpot voor huisvrouwen. Een mixer met verwarmingselement, een aluminium kookpan met weegschaal en touchscreen, tegen een prijs van 1109 euro, dus tamelijk duur. Toch heeft producent Vorwerk alleen al in de eerste negen maanden van dit jaar een miljoen van deze dingen verkocht, de meeste in Duitsland. Ruim 1 miljard euro aan keukenmachines. Dat alleen al zou verbazingwekkend genoeg zijn. Maar Vorwerk heeft dit wonder verricht zonder tv-reclames. Zonder billboards. Zonder de Thermomix in winkels te verkopen. En zonder hem via webwinkels aan de man te brengen. Vorwerk krijgt dat voor elkaar met uitsluitend mensen zoals Stefanie Holtz, de Thermifee.

    Zo schrijft een 132 jaar oud familiebedrijf uit Wuppertal een stukje hedendaagse economiegeschiedenis.

    Een beetje geluk

    Wie altijd al wilde leren hoe je ideeën uit de tijd van het wirtschaftswunder laat gedijen in de eenentwintigste eeuw, is hier aan het goede adres. Vorwerk verbindt de wereld van de huisvrouw slim met het digitale tijdperk, verenigt traditionele Duitse machinebouw met psychologisch uitgekookte verkoopmethoden, en verovert daarmee het ene huishouden na het andere. En natuurlijk komt er ook 
een beetje geluk bij kijken.

    Thermomix-demonstratie.  © Stuart Chalmers / Flickr Creative Commons
    Thermomix-demonstratie. © Stuart Chalmers / Flickr Creative Commons

    ‘We rekenden wel op succes, maar dat het zo snel zou gaan, heeft ons verrast,’ zegt Reiner Strecker, vennoot en een van de bedrijfsleiders. Hoewel hij al zes jaar bij Vorwerk werkt, kan ook hij niet goed verklaren wat er aan de hand is. Voordien heeft de vijftiger bij sigarettenfabrikant British American Tobacco gewerkt en producten verkocht die ziek maken. Nu maakt hij zich sterk voor de gezonde keuken. En voor een schoon huis, want Vorwerk maakt ook stofzuigers, schoonmaakrobots, tapijten, en sinds kort ook elektronische apparatuur met een vrouwelijke touch. Maar de Thermomix is de ster in dit assortiment en zorgt voor eenderde van de omzet.

    Strecker zit in een conferentiezaal, hoog boven Wuppertal. Het hoofdkantoor van de onderneming straalt de charme uit van de jaren vijftig, een paternosterlift draait hier zijn rondjes. En ook de wonderbaarlijke keukenmachine is eigenlijk oeroud. ‘Er was al een Thermomix in de jaren zeventig in Frankrijk,’ zegt Strecker. Vier decennia lang heeft Vorwerk gewacht op succes. Een bedrijf met aandeelhouders zou de productie waarschijnlijk al lang hebben stopgezet, maar ‘in een familiebedrijf kunnen we meer geduld oefenen als we ergens in geloven’, zegt Strecker.

    De Commanditaire vennootschap Vorwerk & Co is een typisch Duits familiebedrijf. Het werd in 1883 opgericht door Carl en Adolf Vorwerk als een tapijtfabriek in de Wuppertalse wijk Barmen. 
Later produceerde het motortjes voor grammofoons, in de Tweede Wereldoorlog ook wapentuig en nog later stofzuigers met de naam Kobold. Al deze dingen zijn eigenlijk, net als keukenmachines, door de tijd achterhaald. Ze herinneren eerder aan de jaren van het wirtschaftswunder dan aan het digitale tijdperk. Dit soort dingen kunnen alleen maar succesvol zijn als de tijdgeest iets verkeerd doet – of Vorwerk iets goed.

    Apple als voorbeeld

    Op een paar kilometer van het hoofdkantoor, in het stadsdeel Laaken, ligt in een smal en bebost dal aan beide oevers van de Wupper de Duitse Thermomixfabriek. In de neonverlichte fabriek rollen dagelijks 1500 keukenmachines van de band, de klok rond in drie shifts. Technici stellen apparatuur in, machines voeren elektromotoren aan en medewerkers testen displays; er wordt een extra productiestraat bijgebouwd en in Frankrijk staat nog zo’n fabriek.

    De arbeid aan de lopende band is ongeveer fifty-fifty verdeeld tussen robots en mensen. Vorwerk 
produceert bijna alles zelf, zelfs de motoren die het vierbladige roterende mes binnen in elke heksenkookpot versnellen tot 10.700 omwentelingen per minuut. Alle belangrijke onderdelen van de Thermomix, uitgezonderd de zilverkleurige aluminium kookpan, zijn lichtgrijs, bijna wit.


    Hoofdontwerper Uwe Kemker wil per se lichte kleuren. Dat is niet altijd zo makkelijk, omdat de kleur van het merk Vorwerk donkergroen is. Kemker, een man die rustig en geconcentreerd overkomt, heeft een duidelijk voorbeeld: Apple. ‘Ik sta er in het hele bedrijf om bekend dat ik steeds Apple-producten meebreng. Van Apple kun je echt leren wat goed design is – het is de kunst van het weglaten,’ zegt hij. Met deze maatstaf heeft hij ook de Thermomix TM5 ontworpen. Met een kleurig touchscreen, dat het koken zo intuïtief mogelijk maakt, zoals Apples iPod indertijd deed met het luisteren naar muziek: kiezen uit duizenden recepten, ingrediënt erin, druk op de knop. Volgende ingrediënt, weer een druk op de knop, ingrediënt, knop, ingrediënt, knop, tot het gerecht klaar is. Dat is alles. Het duurt een paar minuten. De rest wordt verzorgd door de Thermomix, die het verwarmingselement en de mixer volautomatisch hun programma laat afwerken, van brooddeeg via kookgroente tot gekoelde spinaziesmoothies.

    Wat Apple kan, dat kunnen ze bij Vorwerk ook.

    Het vermogen van de ondernemersfamilie achter Vorwerk wordt op 2,3 miljard euro geschat

    De verwantschap gaat op tot en met het businessmodel. Als iPhone-bezitters in de App Store nieuwe software (of bij iTunes muziek) downloaden, dan verdient Apple eraan mee. Zoiets willen ze ook met de Thermomix. Bedrijfsleider Strecker laat op dit moment tests doen waarbij de Thermomix wordt verbonden met de databank voor recepten op het internet. Als alles goed gaat, zou binnenkort een veeg over het touchscreen kunnen volstaan, en een half uur voor het avondeten staat dan een bezorger met alle benodigde ingrediënten op de stoep.

    Maar dat is nog toekomstmuziek, volgens Strecker. Er zijn nog een paar problemen op te lossen voordat, over een paar jaar misschien, een bestelfunctie de Thermomix ook tot inkoopassistent maakt. ‘Vooral de logistiek, dus de bezorging op een bepaald tijdstip, is nog een lastige kwestie,’ zegt Strecker. Als die horde genomen is, zou zijn bedrijf niet alleen verdienen aan de 
verkoop van keukenmachines, maar ook aan de ingrediënten. Een geschikte bezorgdienst is er al: drie jaar geleden heeft Vorwerk aandelen gekocht 
in de Berlijnse start-up HelloFresh.


    Als de Thermomix in het huidige tempo verkocht blijft worden, zou tegen die tijd in bijna elke Duitse keuken een apparaat staan. Daar komen Italië, Spanje en Frankrijk bij, die nu al grote markten voor Vorwerk zijn, en de Verenigde Staten, waar de onderneming de Thermomix vanaf volgend jaar wil verkopen. Niet via winkelcentra of webwinkels, maar zonder reclame en andere fratsen, uitsluitend door middel van haar wonderbaarlijke verkoopconcept.

    Terug dus naar Stefanie Holtz, de Thermifee. ‘Bij mij begon het in 2010, met een uitnodiging bij een vriendin,’ herinnert Holtz zich. De betovering van de heksenkookpot werkt binnen het kader van zulke uitnodigingen: een leuke avond in de vriendenkring. ‘Erlebniskochen’ heet dat in Vorwerk-Duits: een soort tupperwareparty met de keukenmachine. Alleen langs deze weg kom je aan een Thermomix. Kijken, meedoen, bestellen. Op een andere manier is het apparaat niet te krijgen.

    Wat lawaai betreft heeft hoofdontwerper Kemker nog wat te doen. Maar het ijs smaakt voortreffelijk

    Holtz kocht eerst het vorige model, later de huidige TM5. Sindsdien organiseert ze zelf in haar kennissenkring de ene ‘kookbelevenis’ na te andere. Haar YouTube-video’s hebben haar bekend gemaakt.

    Met haar zwarte Citroën Berlingo toert ze door het Sauerland en de Soester Börde, en omdat ze allesbehalve verlegen is, verdient ze daar aardig mee. Voor elke verkochte Thermomix incasseert ze 115 euro provisie van 
Vorwerk. In het eerste jaar verkocht ze 23 apparaten, later waren het er tegen de honderd. ‘Ik begrijp niet waarom iemand nog een baantje aanneemt voor 450 euro,’ zegt ze, en toont zich op dat moment 
meer zaken- dan huisvrouw.

    Een kookbelevenis verloopt steeds volgens dezelfde enscenering. Die is door Vorwerk, zo schrijft de onderneming in interne documenten, ‘bewust zo vormgegeven dat de wens om een Thermomix te bezitten in de loop van de demonstratie steeds 
sterker wordt’. De bedoeling is een ‘culinaire reis’, waarbij elke gast een keer meekookt, en die steeds van baguettes via mediterrane kaasgerechten naar groenteschotels met lichte saus voert. En waarbij aardbeienijs wordt bereid: suiker in de pan, druk op de knop, de mixer springt aan. Dan slagroom, knop. Bevroren aardbeien, knop. Aan het eind wordt het luidruchtig. De Thermomix wordt een helse machine als hij de bevroren vruchten verpulvert. Wat lawaai betreft heeft hoofdontwerper Kemker echt nog wel wat te doen. Maar het ijs smaakt voortreffelijk. En de wens om zo’n apparaat te bezitten wordt sterker.

    Wie na zo’n party geen Thermomix koopt, kan er ook een verdienen, door zelf vrienden en bekenden uit te nodigen voor een kookbelevenis. Net als de Thermifee doen in totaal 34.500 zogeheten vrije Thermomix-
vertegenwoordigers dat. Vierendertigduizend vijfhonderd! Drie. Vier. Vijf. Nul. Nul. Dit legioen is het geheim van Vorwerk. De verklaring voor de reusachtige hoeveelheid verkochte keukenmachines.

    Piramidespel

    De onderneming beloont goede verkoopsters met oorbellen, sierspelden en halskettingen met het design van het vierbladige mes. De besten brengen het tot de Rozenclub, de allerbesten tot de Briljantclub. Vorwerk lokt ze met gezamenlijke reizen en feestjes. Als tegenprestatie moeten de vertegenwoordigsters hun groepsleidsters elke week melden hoeveel Thermomixen ze verkocht hebben. Zo brengt Vorwerk de dames in een concurrentiepositie, waardoor ze actief blijven. Natuurlijk wordt niemand tot verkoop gedwongen – maar hoe zou het voelen om wekelijks nul verkopen aan je leidster te moeten melden? Laat staan als er een groepsreis van afhangt. Vorwerk weet natuurlijk hoe de melding ‘nul verkopen’ te vermijden is. In haar trainingshandboeken beveelt de onderneming aan om eerst ‘vrienden, bekenden, buren’ aan te spreken en de kring dan langzaam te verbreden: ‘de postbode, de doktersassistente, de kapster, collega’s op het werk, de secretaresse’. Enzovoort.

    Je zou dat als een soort piramidespel kunnen zien, maar dat bestrijdt bedrijfsleider Strecker stellig. Anders dan bij veel piramidespelen lopen de vertegenwoordigers geen financieel risico, omdat ze de apparaten niet eerst zelf hoeven te kopen voor ze ze doorverkopen. En nog een verschil: Vorwerk verhindert dat verkoopsters zelf weer verkoopsters in dienst nemen en alleen nog van provisies leven.

    Zolang de klanten tevreden zijn met de Thermomix, functioneert dit concept. Zo groeit het, wordt het groter. Bijna vanzelf. Zelfs de Aldi kan daar niets aan veranderen. Onlangs had de supermarktketen een goedkopere nagebouwde versie in de aanbieding voor 200 euro. De toeloop was op verscheidene plaatsen zo groot dat de politie eraan te pas moest komen. Voor Vorwerk is de nieuwe concurrentie echter geen reden tot zorg. Veertig jaar ervaring in de bouw van keukenapparatuur kopieer je niet zomaar even.


    Dit alles heeft bijgedragen aan de vorming van 
een van de grootste privévermogens in Duitsland. Het vermogen van de ondernemersfamilie achter Vorwerk, de familie Mittelsten Scheid, wordt door Manager Magazin nu op 2,3 miljard euro geschat. Ze bezetten daarmee de drieënzestigste plaats op de lijst van de rijkste Duitsers. En ‘Dr. Jörg’, zoals ze 
hem in Wuppertal noemen, achterkleinzoon van 
de oprichter, is nog steeds erevoorzitter van de Raad van Advies. Zijn donkergroene Audi staat beneden voor de hoofdingang geparkeerd.

    Jörg Mittelsten Scheid is 79 jaar oud. Zijn hele leven heeft hij over de eigenaardigheden van familiebedrijven nagedacht. In Silicon Valley mag het snelle geld dan regeren, zegt hij, maar ‘in een familie gaat het daarnaast ook altijd om loyaliteit, binding en 
een langdurige samenwerking’. Blijkbaar profiteert zijn onderneming zelfs van het feit dat dat soort
 bindingen over het algemeen zwakker worden: 
‘De eenzaamheid in de samenleving neemt toe. 
Er zijn meer scheidingen, meer eenpersoonshuishoudens, meer oude mensen, meer alleenstaande ouders. De directe verkoop heeft daarbij altijd al 
een interessante functie gehad, want die gaat vereenzaming tegen,’ zegt Mittelsten Scheid, en hij verwijst naar het Erlebniskochen met de Thermomix, dat voor veel plezier en vreugde zorgt.

    Zo kun je het bekijken. Maar je zou het evengoed kunnen bekritiseren, omdat vrienden en bekenden op deze manier als klanten worden beschouwd. Thermifee Stefanie Holtz zegt dat ze het allemaal voor haar plezier doet: de kookbelevenis en de filmpjes voor YouTube. Daarvoor zet ze haar tablet altijd neer tussen de koffiemachine en de magnetron – en filmen maar. Vorwerk betaalt haar daar niets voor, zegt ze, maar YouTube wel. ‘Die zeiden op zeker moment dat ze me zouden laten delen in de reclame-inkomsten. Dat begon met 30 euro, maar nu is het meer,’ vertelt ze. De Thermifee heeft alweer iets tevoorschijn getoverd: geld uit het niets. Dan wendt ze zich naar de oven. Het boerenbrood is klaar. Zo dadelijk komt de familie thuis.

    Auteur: Marcus Rohwetter
    Vertaler: Piet Meeuse

    Die Zeit
    Duitsland | oplage 540.000
    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

  • Het valse etiket

    Het valse etiket

    Het ontbreekt Griekenland aan medicijnen tegen kanker en astma. Logisch, volgens wetenschapsredacteur Felix Rohrbeck, als geneesmiddellen bestemd voor Griekenland, tegen afbraakprijzen in Duitsland belanden. 
Hij volgde het spoor.

    Op de afdeling Spoedeisende Hulp van het Evangelismos, het grootste ziekenhuis van Athene, zie ik een uitgemergelde man die krimpt van de pijn, maar naar wie niemand omkijkt. Buiten staan volledig overwerkte artsen in hun pauze te roken. Ze vertellen dat er niet alleen een tekort is aan personeel, maar ook steeds vaker aan medicijnen. Uit het hele land klinken zulke berichten: het ontbreekt aan pijnstillers en aan medicijnen tegen kanker, astma en krampaanvallen.

    De Griekse overheid betaalt meer voor geneesmiddelen dan de Duitse

    Export verviervoudigd

    Terug in Duitsland lees ik dat Duitse ondernemingen medicijnen in Griekenland kopen die uiteindelijk in Duitse apotheken belanden. En in een reportage van de WDR uit 2014 wordt gezegd: ‘De hoeveelheid geneesmiddelen die deze bedrijven vanuit Griekenland naar Duitsland hebben geëxporteerd, 
is vanaf het begin van de crisis in 2009 verviervoudigd.’ Ik kan het haast niet geloven. Ontnemen wij de Grieken hun medicijnen? Profiteren Duitse patiënten van andermans leed? Hoe is het mogelijk dat een geneesmiddel dat voor Griekenland bestemd is, in Duitsland belandt? Welke economische mechanismen zijn hier aan het werk? Moeten die niet worden tegengegaan?
    Ik besluit om de weg die een geneesmiddel aflegt te volgen, van de productie tot en met de levering aan Griekenland en verder naar een apotheek in Duitsland. Ik wil doorgronden hoe die handel in zijn werk gaat, wie eraan verdient, wie eronder lijdt.
    Ik begin mijn onderzoek op de plek waar de reis van het geneesmiddel eindigt: in de Engel-Apotheke van Sven Villnow, niet ver van het Centraal Station van Hamburg. Binnen ziet het er net zo uit als in veel andere apotheken: naast de ingang een rek met Hansaplast-pleisters, voor de toonbank eucalyptuspastilles en een standaard met het magazine Apotheken Umschau. Achter de toonbank staat de 51-jarige Sven Villnow. Zijn grijze haren heeft hij opzij gekamd, een paar staan rechtovereind, alsof 
ze onder stroom staan.
    Villnow is een apotheker die zijn klanten bij naam kent. Een tweede apotheek heeft hij nooit willen hebben. Hij neemt pakketjes aan voor de buren. Soms vraagt hij zich af waarom er steeds meer mensen naar zijn apotheek komen die weliswaar dik in de zeventig zijn, maar vinden dat ze zich nog vijfendertig zouden moeten voelen. Hij zegt: ‘Het is goed als je als apotheker verder kijkt dan je neus lang is.’
    Op zijn bureau in een achterkamer van de apotheek liggen drie witte doosjes, ongeveer tien centimeter lang en vijf centimeter hoog. Avodart, stat erop. Urologen schrijven het voor bij een 
vergroting van de prostaat. In eerste instantie is er niks bijzonders aan zo’n doosje te zien, maar bij een nadere inspectie blijkt over het oorspronkelijke etiket een Duits etiket te zijn geplakt. Rechtsboven op het doosje is nog te zien voor welk land het medicijn ooit was bedoeld. Daar staat in het Grieks: ‘Let op: alleen te gebruiken door mannen’.
    Villnow zet zijn computer aan. In een zoekvenster in zijn bestelsysteem tikt hij ‘Avodart’. Er verschijnt een overzicht van aanbieders. Helemaal bovenaan staat GlaxoSmithKline. Dat is de fabrikant. Erachter staat: € 123,64. Dat is de prijs die apotheken voor een doosje van 90 stuks moeten betalen. Daarna volgt nog een hele reeks leveranciers die Avodart allemaal aanzienlijk goedkoper aanbieden. De doosjes op het bureau van Villnow zijn geleverd door Kohlpharma. Dat verkoopt een doosje voor 
€ 97,47, dus € 26,17 goedkoper – en met dezelfde inhoud.
    Er zijn tal van dit soort leveranciers. 
Ze heten CC Pharma, Beragena Arzneimittel, EMRAmed of Pharma Gerke. Hun businessmodel bestaat uit de aankoop van geneesmiddelen in EU-landen waar ze het minst kosten en de verkoop ervan in landen waar ze het duurst zijn. Zodoende reizen medicijnen kriskras door Europa. Soms van land A naar land B en weer terug, wat herimport wordt genoemd. Maar vaker van land 
A naar land B naar land C. Dan heet het parallelimport.

    Medicijnen reizen van hot naar her in Europa. De bijsluiter moet in de goede taal zijn, maar de markt mag de prijs bepalen. Pech voor de Grieken. 
©  Ayhan Mehmet / Getty Images
    Medicijnen reizen van hot naar her in Europa. De bijsluiter moet in de goede taal zijn, maar de markt mag de prijs bepalen. Pech voor de Grieken. 
© Ayhan Mehmet / Getty Images

    Quotum

    Waar een her- of parallelimport vandaan komt, uit Frankrijk, Italië of 
Griekenland, kan Villnow niet zien in zijn bestelsysteem. Wel moet hij aan een quotum voldoen: minstens 5 procent van de omzet die apotheken maken met medicijnen die alleen op recept verkrijgbaar zijn, moet bestaan uit her- en parallelimporten. De zorgverzekeraars willen op die manier geld besparen. Als Villnow niet voldoet aan zijn quotum, moet hij een boete betalen aan de zorgverzekeraars.
    In zijn dagelijks werk zet hij nauwelijks nog vraagtekens bij het systeem van her- en parallelimport, vertelt Villnow. Hij is eraan gewend geraakt. Maar nu kijkt hij peinzend naar de Avodart op zijn bureau. ‘Dat heen en weer sturen door Europa komt wel bespottelijk over,’ zegt hij. Aan de andere kant besparen de Duitse zorgverzekeraars er geld mee, naar schatting tussen de 91 en 222 miljoen euro per jaar. Dat is toch ook een goede zaak, denkt hij.
    Vaststaat dat de her- en parallelimporten politiek gedragen zijn, want de prijzen voor medicijnen verschillen aanzienlijk binnen Europa. Voor Avodart geldt bijvoorbeeld dat 90 pillen van fabrikant GlaxoSmithKline in Griekenland niet 
€ 123,64 kosten zoals in Duitsland, maar € 68,13. Een verschil van € 55,51. De oorzaken van de grote prijsverschillen zijn de verschillende zorgstelsels en de prijsstrategie van de fabrikanten.
    De her- en parallelimporten moeten de prijsverschillen tussen de EU-landen wat kleiner maken. Eigenlijk dienen 
ze dus een goed doel. Maar wat nu als dit politiek gedragen systeem op een crisis als die in Griekenland stuit? 
Kun je er dan gewoon mee doorgaan?
    In een persbericht van het Verband Forschender Arzneimittelhersteller [Vereniging van Innoverende Geneesmiddelenfabrikanten] van juli staat dat de farmaceutische ondernemingen ‘ondanks alle onduidelijkheden en wanbetalingen uit het verleden de levering van medicijnen aan Griekenland garanderen’. De politiek zou echter moeten waarborgen dat de geleverde medicijnen ‘ook daadwerkelijk bij de Griekse patiënten terechtkomen’. De eis: ‘We hebben een Grieks exportverbod voor medicijnen nodig.’ Een paar dagen later kondigt de Griekse regering inderdaad een exportverbod af, zij het voor slechts vijfentwintig geneesmiddelen.

    Heretiketteermachine

    Offert de onbaatzuchtige farmaceutische industrie zich op voor de Grieken? Moet de politiek zien te voorkomen dat de gewetenloze herimporteurs haar inspanningen simpelweg tenietdoen?
    Ik volg de weg die ook de Avodart op het bureau van Sven Villnow heeft afgelegd, alleen in tegengestelde richting. Net voor de grens met Luxemburg, ergens tussen Saarbrücken en Trier, ligt het stadje Merzig. Hier, op een terrein met witte laagbouw, bevindt zich het logistiek centrum van Kohlpharma, het bedrijf dat Avodart aan de apotheek van Sven Villnow heeft geleverd. Kohlpharma is de grootste importeur van geneesmiddelen in Europa. Met achthonderd werknemers behaalt de onderneming een omzet van 700 miljoen euro per jaar. In vergelijking met de miljardenomzet van grote fabrikanten als Bayer of GlaxoSmithKline is Kohlpharma evenwel een dwerg.
    Kohlpharma kan het best worden vergeleken met een enorme heretiketteermachine. ’s Ochtends arriveren de vrachtwagens met geneesmiddelen, elke dag ongeveer 35.000 doosjes. In blauwe kratten, die eruitzien als winkelmandjes, rollen ze op loopbanden met een totale lengte van zes kilometer door het bedrijf. Aan het opschrift op een doosje is te zien uit welk land het is geïmporteerd. Viskaldix, een middel tegen hoge bloeddruk, komt bijvoorbeeld uit Frankrijk, en Elocon, dat net zo werkt als cortison [een variant op het stresshormoon], uit Griekenland.
    Vroeg of laat belanden alle geneesmiddelen in een van de productiehallen. Hier werken vrijwel alleen vrouwen, die aan witte tafels de blauwe kratten staan op te wachten. Op werkplek E04 liggen 163 doosjes Avodart van 90 stuks uit Griekenland opgestapeld. Een medewerkster pakt een doosje en legt het op een smalle loopband die naar een zilverkleurig apparaat voert. Daar wordt het Griekse doosje van een Duits etiket voorzien. Aan de andere kant van het apparaat neemt een tweede medewerkster het doosje in ontvangst. Het enige wat nog ontbreekt, is een Duitse bijsluiter. Dan is de Griekse Avodart een product geworden dat in Duitsland mag worden verkocht.
    Bedrijfsleider Jörg Geller draagt een gestreept overhemd en een colbert met een witte pochet, alsof hij ook hiermee iets wil inbrengen tegen de slechte reputatie van de herimporteurs. 3500 doosjes Avodart heeft Kohlpharma sinds begin dit jaar geïmporteerd, zegt hij, uit in totaal zes landen. ‘Van die zes landen zit Griekenland wat prijs betreft momenteel in de middenmoot. We kopen Avodart nog liever in goedkopere landen, bijvoorbeeld in Italië of Estland.’
    Dat geldt niet alleen voor Avodart, zegt hij. Sinds 2009 zou de import door zijn onderneming uit Griekenland ongeveer gehalveerd zijn, omdat die gemiddeld niet goedkoper, maar duurder is geworden. ‘De schaarste in Griekenland weerspiegelt zich in de prijzen.’

    De Engel-Apotheke van Sven Villnow.
    De Engel-Apotheke van Sven Villnow.

    Melina

    Door de telefoon klinkt de stem van een vrouw. Ze werkt voor de Griekse groothandel die Avodart heeft gekocht van fabrikant GlaxoSmithKline en 
vervolgens heeft doorverkocht aan Kohlpharma. Haar echte naam noch die van haar bedrijf mag in de krant komen. Dat zijn de voorwaarden voor een gesprek. Ze wil het namelijk niet verpesten bij de fabrikanten – tenslotte is haar bedrijf afhankelijk van hun leveranties. Laten we haar dus Melina noemen.
    Wat ze vertelt, voldoet niet aan het beeld van de coulante, genereuze farmaceutische concerns dat het Verband Forschender Arzneimittelhersteller zo graag in het openbaar schetst. Haar bedrijf, zegt Melina, had voor de crisis nog twee of drie weken de tijd om de rekeningen van de fabrikanten te 
betalen, maar nu leveren de meeste alleen nog bij vooruitbetaling.
    Voor het bedrijf van Melina is dat een lastige situatie. Enerzijds moet het 
de leveranciers meteen betalen, anderzijds kunnen de eigen klanten, overwegend Griekse apotheken, hun rekeningen vaak pas na weken of maanden voldoen. Zij liggen immers aan het infuus van de overheid, en die heeft bijna geen geld meer. ‘Wij groothandelaars worden door de crisis van twee kanten in de tang genomen,’ zegt Melina.
    Het gesprek met haar levert een relatief helder beeld van de situatie op. Omdat de overheid geen geld heeft om apotheken en ziekenhuizen te betalen, kunnen deze laatste niet langer aan de rekeningen van de groothandels voldoen. Hierdoor hebben de groothandels op hun beurt geen geld om bij de farmaceutische ondernemingen bij vooruitbetaling te bestellen. Het eind van het liedje is dat de farmaceutische ondernemingen minder geneesmiddelen aan Griekenland leveren.
    Dat kun je hen niet zonder meer verwijten. Farmaceutische concerns zijn geen liefdadigheidsinstellingen. Je kunt kritiek hebben op het feit dat ze zich via hun vereniging als onbaatzuchtige verlossers presenteren. Ook zouden ze de Griekse crisis niet moeten misbruiken om een stokje te steken voor her- en parallelimporten. Die zijn hen altijd al een doorn in het oog geweest, en hebben weinig te maken met de problemen in het Griekse zorgstelsel.
    Volgens Melina is het niet zo dat haar bedrijf door de crisis minder aan Griekse apotheken en meer aan het buitenland levert. Volgens haar bedraagt het exportaandeel constant ongeveer 20 procent. ‘Als we niet meer leveren aan een Griekse apotheek, enkel om in het buitenland een betere prijs te krijgen, dan hoeft die apotheker alleen maar de telefoon te pakken om een klacht in te dienen bij de fabrikant of de Griekse zorgautoriteit. Dan hebben we een groot probleem. We zouden niet meer bevoorraad worden en zelfs onze vergunning kwijt kunnen raken.’
    Waar moet je dan beginnen om de situatie in Griekenland te verbeteren? Misschien bij de kosten. Hoewel veel merkgeneesmiddelen in Griekenland goedkoper zijn dan in Duitsland en import dus lonend is, betaalt de Griekse overheid relatief gezien veel meer voor geneesmiddelen dan de Duitse. In 2013 gaf de Griekse verzekeraar EOPYY 44 procent van zijn budget uit aan geneesmiddelen, terwijl dat percentage voor Duitse verzekeraars slechts 16,5 bedroeg.

    Avodart

    De laatste bestemming in dit onderzoek had Poznań in Polen moeten zijn. Daar staat de fabriek die Avodart produceert. Maar GlaxoSmithKline laat weten dat een bezoek aan de fabriek niet mogelijk is. Ik vraag om een gesprek in het Duitse hoofdkantoor in München. Ook dat is niet mogelijk. Dus stuur ik mijn vragen op schrift: ik wil weten welke betalingstermijnen het concern hanteert voor zijn Griekse klanten en welke uitstaande vorderingen het op hen heeft. GlaxoSmithKline (GSK) wil de vragen niet beantwoorden en geeft alleen algemene informatie: ‘Voor GSK heeft het waarborgen van adequate verzorging van patiënten met zijn geneesmiddelen de hoogste prioriteit. Wij leveren ook in het vervolg onze geneesmiddelen aan Griekenland en zijn niet op de hoogte van een door de financiële crisis ontstane schaarste op de markt met GSK-geneesmiddelen – met inbegrip van de levering van het concreet door u genoemde product Avodart.’

    Export verboden

    Het merkwaardige is dat ook preparaten van GlaxoSmithKline op de lijst van geneesmiddelen staan waarvan de Griekse regering de export heeft verboden. Weliswaar niet Avodart, maar wel vaccins en inhalatiesprays. Als die helemaal niet schaars zijn, zoals GlaxoSmithKline suggereert, waarom is de export ervan dan verboden?
    En zo ontstaat het volgende beeld. Ja, er zijn geneesmiddelen in Griekenland die schaars zijn. Dat wordt bevestigd door artsen en patiënten. En nee, dat is niet de schuld van de herimporteurs. In plaats daarvan 
zouden degenen die hen de schuld geven eens onder de loep moeten worden genomen: de farmaceutische concerns, die jarenlang goed hebben verdiend in Griekenland en nu voor een deel alleen bij vooruitbetaling leveren. En de Griekse regering, die met een exportverbod doet alsof ze iets onderneemt – zonder de daadwerkelijke problemen aan te pakken.

    Felix Rohrbeck

  • Onder de oppervlakte kijken

    Onder de oppervlakte kijken

    Wanneer was u voor het laatst in uw kelder? Geïnspireerd door Im Keller, de nieuwe film van Ulrich Seidl, daalde Zeit Magazin af in de ‘onderwereld’. Of zoals Seidl zegt: ‘Waar de echte ziel huist.’

    Er is een trap. Er zijn treden. Er is een lichtknop. De weg naar beneden is eigenlijk heel gemakkelijk. Dan komt de deur. Achter de deur wordt het moeilijk.

    Achter de deur zijn kisten, balen, zakken, plastic tasjes, de hometrainer, de slee en het pierenbadje. De VHS-cassettes, de lamp met franjekap, plattegronden van Londen, Parijs en Goslar, de oude tv, de handstofzuiger, de keukendeur en de kattenbakkorrels, de sta-asbak, de golfstok, het nooit gebruikte broodrooster en de met veters samengebonden tennisschoenen. De lucht smaakt stoffig.

    Als je je nu omdraait en weer naar boven gaat, is het ergste achter de rug. Maar het is er nog wel.

    Mens en kelder kunnen goed met elkaar overweg, zolang ze elkaar met rust laten. In huis is de kelder het minste onder de vertrekken. Hij komt zelfs nog na de garage. Bescheiden verricht hij zijn taak. Hij vraagt niet – zoals de woonkamer – of de tafel wel bij de bank past. Hij vraagt niet eens of er nog wel wat bij kan. Klakkeloos laat hij zich volzetten. Hij wordt niet, zoals de keuken, elke dag schoongemaakt, vrijwel nooit gezogen. De kelder accepteert alles zonder klagen. Maar er komt een dag dat hij gaat praten.

    De mens komt de kelder binnen en hoort ineens een stem: je zou eens. Je moest misschien. Je had toch allang. En eigenlijk kon je wel. Dat is het moment waarop het serieus wordt. De kelder is de probleemzone in het huis: alles wat er afgedankt, opgehoopt, ingeperst ligt, uit zich in verwijten. Wat verdrongen was komt onverteerd weer boven en vraagt om verwerking.

    De kelder verzamelt niet alleen de afgedankte dingen, maar ook al het verlangen, al het wensen, al het mislukken, al het afkeuren dat hen hierheen gebracht heeft. De schoenen met hakken waar niet op te lopen viel. De ski met de krukken ernaast. De saxofoon, de diaprojector, de cd-rom met de cursus Spaans, de vruchtenpers die slechts één zomer in de keuken werd geduld. Allemaal duur betaald. En allemaal nog goed.

    © Clara Roellinghoff
    © Clara Roellinghoff

    Voor later

    Of nog redelijk goed, zoals de misschien nog complete puzzel. Redelijk goed is de fauteuil met vlekken, het landschapje met de vrijwel onzichtbare deuk, het theemeubel van namaaknotenhout. De cassetterecorder heeft tot het laatst toe vlekkeloos gefunctioneerd. Hij zit helaas niet in een plastic tas; nu is hij met gruis gepaneerd. Je kunt hem afstoffen en direct aansluiten, misschien verkopen, de verpakking compleet met piepschuim en gebruiksaanwijzing moet nog ergens liggen, daarachter tussen de kartonnen dozen. Komt wel, later.

    ‘Nog goed’ en ‘voor later’ – het zijn de terreurwoorden van het bezitten die daar beneden klinken als de mens de kelder antwoordt. Maar gewoon weggooien na eeuwig opbergen – hoe moet dat in vredesnaam? En daar zoemt ook nog de vrieskist met diepgevroren inhoud.

    De kelder is een overloopbekken. Langzaam stijgt het waterpeil. Maar helaas, het bekken is vol. Er is geen kelder voor de kelder. In huis is hij het eindstation.

    De kelder is de deur die terugvoert naar de bewaarmaatschappij, naar het overwonnen gewaande materialisme

    Maar weinig dingen weten vanuit de onderwereld terug te komen naar het licht. Het zijn de seizoenarbeiders onder de spullen: de tuinstoelen, de kerstboomstandaard of de sneeuwschuiver. Ze zijn bevoorrecht en mogen naar de garage als hun bezitters al dat traplopen te veel vinden worden. Vanwege de wanorde die er heerst heeft de kelder iets provisorisch. Maar dat is maar schijn. Wat in de kelder belandt, is voor het huis verloren. Wat de kelder verlaat, moet ook het huis verlaten. De vraag is alleen hoe en waarheen.

    De rommelmarkt en eBay, het zijn de verlossingsfantasieën van wie veel bezit. Daarachter ligt de idee dat hoe langer iets opgeslagen ligt, hoe waardevoller het wordt. Door er gewoon te zijn en de tijd zijn werk te laten doen, wordt de kelder een schatkamer, die kan worden geplunderd als we niet genoeg geld hebben om op vakantie te gaan. Er is zelfs een televisieserie over, Der Trödel-King. Op de WDR bellen gezinnen deze rommelkoning om hun verzonken have te laten taxeren. De oude kachel brengt beslist nog 500 euro op! De tuinkabouters met Beatlekapsel en de in prima staat verkerende Bismarckbuste zijn zonder meer curiositeiten! De rommelkoning vraagt advies aan deskundigen over de echte waarde en biedt de waar aan liefhebbers aan. De kachel: slechts 150 euro waard, plus 100 voor de pijp. Wanneer niemand zich meldt, blijft alleen de rommelmarkt over. De tuinkabouters, de hele set voor 20 euro. Het namaak Meissner-porselein 10 euro; de kopergravure, een hert tussen bomen, gaat weg voor 8 euro. Die leeslamp krijg je er gratis bij. Wat je voor design hield, is vaak maar Deco.

    En nog altijd staat daar in de kelder de fondueset, de elektrische ventilatorkachel, de luchtbevochtiger. Het rapport met een voldoende voor wiskunde en kijk daar, het diploma van het sportfeest van 1986 – was dat niet, toen…?


    Een pakhuis vol herinneringen, met voorwerpen waaraan verhalen zijn verbonden die je allang weer was vergeten. Gedoofde liefdes vlammen op als daar ineens de brieven weer zijn die je altijd hebt bewaard. Waarom eigenlijk? Voor een moment als dit?

    Maar je weet ook: weggooien doe je ze niet. In de 
kelder ligt het heilige naast het profane, het dagboek naast de Römertopf. Waar elders klontert Zijn en Hebben zo samen als hier? En als cultuur betekent: ‘bewaren’, is de kelder dan niet de tempel van een diepere cultuur? Met de inhoud van al onze kelders zou je misschien het hele land kunnen meubileren, een B-versie van wonen en bezitten.

    De verstandigste mens in een vertrek is het vertrek, heeft de Amerikaanse techniekfilosoof David Weinberger gezegd. En geen vertrek in huis weet zo veel over de bewoners als de kelder. Je kunt hem lezen als een boek. Wat een leven in karton, dozen en zakken! En tussen karton, dozen en zakken. De kelder is ook het schaduwrijk van suspecte medebewoners. Het hoeven geen ratten of muizen te zijn. Wanneer het licht aangaat glippen de zilvervisjes onder de opgestapelde waar. Ze zetten zich aan het textiel, het katoen of de lijm van boekbanden en laten er hun sporen achter: kleine vraatgaatjes.

    De honger van deze insecten is niet zo groot dat 
ze alle opgeslagen waar wegknagen en verteren. Maar ze zullen zeker het kwaliteitsniveau ‘nog goed’ in ‘beschadigd’ veranderen.


    Mythische diepgang

    De wetenschap heeft nauwelijks belangstelling voor de kelder. We hebben op de kop af één doctoraalscriptie over het onderwerp kunnen vinden, voor de faculteit Filosofie van de Berlijnse Humboldt-universiteit. In 1998 heeft de cultuurwetenschapper Miriam G. Möllers 190 pagina’s ‘over de doorwerking van het natuurlijk gegroeide onderaardse in de kelder van de twintigste eeuw’ geschreven. De probleemstelling wijst op een mythische diepgang. We lezen over oprijzende schaduwen, ongelooflijke griezeligheden, de kelder als dodenrijk, over ‘drempel- en verticale ervaringen.’

    Deze drempel- en verticale ervaringen bestaan uit het afdalen in de kelder. En volgens Möllers huist daar meer dan rommel en kruipbeestjes, namelijk een ‘beeldenwereld van buitengewone 
verscheidenheid en ambivalentie’.
    Enerzijds is de kelder het hol dat leven schenkt en beschermt, dat de mens sinds oertijden als woonplaats, toevluchtsoord, opslagplaats of cultusoord heeft gediend. Van daar naar de ongeopende verhuisdozen met duikbrillen, zwemvliezen en de lucifersdoosjesverzameling is voor de cultuurwetenschap een kleine stap. Anderzijds is het hol in diskrediet geraakt. Wie aan overgeleverde vormen van wonen vasthoudt, geldt sinds het neolithicum als een 
zonderling.

    Het hol werd het terrein van alles wat mysterieus en bedreigend is. Sindsdien huizen er reuzen, beesten en ongedierte, vreemd genoeg ook kabouters, misschien vanwege de hoogte, en verder geesten, goden en heksen. Hoewel er geen beren of wolven te verwachten vallen – die kunnen rustig 
van de lijst met verschrikkingen worden afgevoerd – is er ook zonder hen aan demonen geen gebrek.

    Nazi's in een Oostenrijkse kelder in de documentaire Im Keller van Ulrich Seidl
    Nazi’s in een Oostenrijkse kelder in de documentaire Im Keller van Ulrich Seidl

    De kelder kan ook als het onderbewuste van het huis worden opgevat. De psychoanalyticus C.G. Jung ontdekte dit in 1909 in zijn slaap: ‘Ik droomde dat ik “bij mij thuis” was, in een behaaglijke woonkamer, ingericht in achttiende-eeuwse stijl. (…) Ik ging (…) naar beneden de kelder in en zag daar een deur waardoor je bij een stenen trap kwam die naar een groot gewelf voerde. Op de vloer lagen grote steenplaten en de muren leken heel oud. (…) Ik raakte steeds opgewondener. In een hoek ontdekte ik aan een steenplaat een ijzeren ring. Ik tilde de plaat op en zag een tweede smalle stenen trap die naar een soort hol leidde, 
kennelijk een prehistorisch graf waarin twee schedels, verscheidene botten en aardewerkscherven lagen. Toen werd ik wakker.’

    De Pools-Amerikaanse schrijver Mark Z. Danielewski pakt dit motief 91 jaar later weer op in zijn sciencefictionroman Het kaartenhuis: fotograaf Will Navidson wil met zijn gezin vakantie houden in een oud huis op het platteland. Met die vakantie is het gedaan wanneer hij constateert dat het huis van binnen een paar millimeter groter is dan van buiten. Achter de muur in de woonkamer ontdekt hij een gang die de bestemming wordt van urenlange expedities. Steeds weer nieuwe gangen doemen op. Uiteindelijk komt hij in een grote hal met een wenteltrap die omlaag loopt in het niets.
    ‘We hebben een paar fakkels naar beneden gegooid die we niet horen landen. Ik geloof dat je, wanneer het daarbinnen zo leeg, koud, stil enzovoort is, dat je dan echt elke speld moet kunnen horen vallen, maar de duisternis heeft de dingen gewoon opgeslokt.’ – ‘Het is zo diep joh, bijna als in een droom.’


    In zekere zin is de kelder het ‘darknet’ van het huis

    Doar in die doar!

    Een nachtmerrie over een kelder waarin alles verdwijnt wat men er achterlaat: wat een omdraaiing van gewone ervaringen. Waar de eigen kelder sommigen met zijn onverbiddelijke behoud van massa en energie (plus vocht en minus mottenvraat) tot last is, raken anderen van hun evenwicht door een kelder die alles meteen maar opslokt. Wat in werkelijkheid zijn goede kanten heeft, het huis met de ingebouwde afvoer voor het grofvuil, wordt in fictie alleen horror.

    Op de smalle richel tussen onderzoek en levenskunst balanceert het in Graz uitgegeven tijdschrift Kuckuck, dat zich richt op alledaagse cultuur. Een van de 
nummers laat ons kennismaken met de Marburger etnoloog Alexander Edmund Rissmann en diens zeer onconventionele werk. Hij gaat op onderzoek in kelders waarover hij gehoord heeft. Uit die inspecties met de eigenaren komen fantastische woordverslagen voort, niet zelden in dialect.
    Rissmann: Waar is nou de puinhoop?

    Eerste vrouw: Doar in die, in die doar! Doarinne. Doar heb ik welles kiekt. Doarachter in het gaat. Hehe. Joa ien het gaat. Kiek, viend ik unne holtblok – vaan unne dieng. Unne holtblok viend ik zunder kop (hoest). Doar heb ik welles kiekt doarin.

    Tweede vrouw: Da ies zo unne Lourdes-Madonna.

    Eerste vrouw: Doar ies olles zo an vulles … kiek es. D’oude skoar, na, kiek es. Kiek es skoen. Hiahe.

    Rissmann beschrijft een ‘atmosfeer onder het huis’, die maar moeilijk verandert, waar hopen ballast opgestapeld liggen waarmee een mens liever niet geconfronteerd wordt.

    De kelder is niet alleen de spiegel van de gemoedstoestand en de bezinksels van het ik, maar ook de spiegel van maatschappelijke veranderingen.

    Met de komst van de aardappel kwam de aardappelkelder, een update van de voorraadkelder. Met de verbreiding van de kachel trokken kolen (en de haardluis) erbinnen. Vervolgens kwamen de bommen die de mensen de schuilkelder in dreven. Na de oorlog werd de bestemming gewijzigd in die van partykelder. Non-stopdancing op muziek van James Last! Na het feesten kwam de hobbykelder. Voor de man. Later kwam de vrouw er ook bij, en namen ze samen plaats in de ingebouwde sauna. Volkomen anders, zweten in plaats van kleumen, maar nog altijd nat. En daarna, onder het laatkapitalisme, de wijnkelder.

    Belangrijke voorwaarde voor deze evolutie was de komst van elektriciteit. De waskeuken had net zo goed stroom nodig als de hobbyspoorbaan.

    Regisseur Ulrich Seidl heeft niet zo lang geleden 
een documentaire gemaakt over de kelder in Oostenrijkse dorpen. Hij treft er nazi’s, wapens, sm. Dat kon je verwachten. Niet alleen vanwege de combinatie Oostenrijk en kelder, niet alleen vanwege Josef Fritzl en Natascha Kampusch, maar omdat zoiets gewoon voor de hand ligt: wat in de kelder gebeurt, gebeurt daar vermoedelijk niet zonder reden. Wie zich terugtrekt in de kelder, wil zich onttrekken aan de blik van anderen.
    In tijden van groeiende transparantie, glazen wanden en plafonds, ramen tot aan de vloer en zogenaamde smart homes die data bijhouden over de gewoontes van de huisgenoten, is de kelder de laatste plek voor het heimelijke. In zekere zin is hij het ‘darknet’ van het huis.

    In de kelder wordt het, metaforisch gesproken, steeds donkerder, terwijl het boven in huis steeds lichter wordt. Want ook de zolder verandert. Hij is niet langer een hogere opbergruimte, maar doelwit van huiselijke expansie. Hij is uitgebouwd, wordt juist uitgebouwd of zou binnenkort uitgebouwd kunnen worden. Als kamer voor de groter wordende kinderen of als atelier voor de ambities van de echtgenoten.

    In de symboolleer van succes is de hoogste etage inmiddels zeer gewild. Dat het er schuin loopt nemen we op de koop toe. Kasten kunnen immers op maat gemaakt worden. Op naar het penthouse met daktuin en begaanbare buitentrap! En is het niet geweldig, dat uitzicht?

    In oorsprong was de fascinatie voor de zolder een andere. In boeken vinden jongens er de tovermantel van een grootvader, geleerden de vergeten aantekeningen van een overleden genie. Of de werkster 
ontdoet een tot dan toe onbekende Rembrandt van het stof – iets kostbaars onder een witte doek die iemand daar ooit overheen heeft gehangen. Anders dan in de kelder is het op zolder immers droog, zolang het niet inregent tenminste.

    Heeft de kelder nog toekomst? Verzamelt de moderne mens nog wel zo veel levensballast? De flexibele tijdgenoot, zoals afgebeeld in managementmagazines en inrichtingshandboeken, bezit steeds minder en wat hij bezit, kiest hij zorgvuldig. Simplify your life! Het werd al een imperatief in de jaren negentig. Sindsdien 
vertonen meubeltijdschriften spartaans aandoende interieurs waarin vrijwel enkel een tafel staat, een bed, alles wit, misschien nog een bloem in een vaas en verder: strakke lijnen, geen franje.

    Voor het levensgevoel van deze na hard trainen 
verworven ascese is de kelder een onwelvoeglijke 
verleiding – zoals de sigarettenautomaat voor de deur van een ex-roker. De kelder is de deur die 
terugvoert naar de bewaarmaatschappij, naar het overwonnen gewaande materialisme.

     © eLKayPics/Flickr Creative Commons
    © eLKayPics/Flickr Creative Commons

    In de cloud

    Het bezit van morgen daarentegen vervluchtigt. Boeken die net nog in kasten stonden, staan nu op een harde schijf. Dossiers die net nog uit Leitz-ordners barsten, verdwijnen naar usb-sticks. De cd-verzameling zit op de smartphone of in de cloud, het digitale bovenkamertje dat de mensheid momenteel uitbouwt als virtuele zolder. Boven onze hoofden zweeft geestelijk eigendom, even alomtegenwoordig als ongrijpbaar, even onuitwisbaar als fragiel. Denkt u daar maar eens over na! Toch zijn er nog altijd dingen die zich niet laten dematerialiseren, noch in overvolle kelders passen, de analoge erfstukken van onze opa’s en oma’s bijvoorbeeld. Waarnaartoe met de nog goede cd-speler, de grote Winkler Prins, de messing pannen, de kristallen glazen, het dressoir?

    Daarvoor hebben we sinds een paar jaar selfstoragecentra. Het zijn paradoxale doorgangsstadia op de route van bezit naar niet-bezit. In de grote steden, aan de uitvalwegen, rijzen steeds vaker zulke blokken op, als kelders die de lucht in groeien. Vanbuiten lijken ze reusachtige containers, inclusief veiligheidshekken en laadzone. Vanbinnen: smalle gangen, deuren met nummers, videocamera’s overal waar je gaat.

    In een selfstoragecentrum kun je opslagruimte huren die niet meer naar oppervlakte, maar naar inhoud berekend wordt, wat direct in de papieren loopt. De kleinste eenheid, 1 m3 – dus 1 bij 1 bij 1 – kost in Hamburg bijvoorbeeld 39 euro per maand. Daarbij vergeleken is elke nog zo dure huurwoning een koopje.
Merkwaardigerwijs presenteert deze eerste klas opslagruimte zich meer als magazijn dan als kelder. Geen donkere gaten, geen houten afschuttingen 
met draadgaas, geen vocht langs de muren, geen ongedierte, maar neonlicht en metaal zoals in de extra beveiligde afdeling van een gevangenis. Het selfstoragecentrum lijkt op een strafkamp voor zaken die lang moeten zitten.

    Die indruk is in strijd met de korte verblijfsduur van veel goederen. Omdat de opslag zo duur is, heeft hij op de psyche van de bezitter de uitwerking van een duurbetaalde therapeut. Al na enkele maanden kan de huur hoger zijn dan de gevoelswaarde van de spullen. Geld neemt dan de plaats in van pijn en versnelt het afscheid van erfstukken die men immers toch niet kan gebruiken.

    Menig selfstoragecentrum probeert de arbeidsintensieve wisseling van huurders te reduceren door zichzelf aan te prijzen voor goederen die gevoelig zijn voor tijd. Pickens in Hamburg, een pionier in deze jonge, opkomende branche, biedt externe wijnkelders aan. Geweldig voordeel: de lucht wordt bevochtigd, het muffe dus hydro-elektrisch nagedaan. Maar pissebedden worden er – in elk geval tot op heden – niet uitgezet.

    In de notoir onderbetaalde kelder thuis blaast niet het geld maar het gebrek aan ruimte het uiteindelijk provisorische reservoir op. Er zijn zo veel spullen dat de eigenaar tijd tekortkomt om ervoor te zorgen. Het goede kan alleen uit daden blijken, staat in een deeltje uit het verzamelde werk van Kästner dat bovenop ligt.

    Ook eBay verlangt een reeks handelingen. 
Foto, beschrijving, verpakking, naar de post brengen, geld innen. Er bieden zich al gedienstige geesten aan die onze spullen op eBay voor ons willen verkopen. 
Je kunt ze vinden in de kleine annonces van de advertentieblaadjes. Natuurlijk willen ze wel provisie.

    Tegenover de lol van afdingen onder de vrije hemel staat het beginsel van de meestbiedende op het veilingplatform. Buiten het net prijzen de verkopers de excellentie van hun waar luid aan, op het net geldt dat ze verhaal willen voorkomen. Dat gaat het best door zuinigjes te doen over de kwaliteit. Spullen die nog goed zijn worden bewust onder de prijs verkocht, liefst zelfs als ‘kapot’, opdat niemand zich na afloop hoeft te beklagen.

    Nadat alle mogelijkheden van potentieel en feitelijk hergebruik zijn uitgeput, slaat het uur voor het grofvuil. Opgehaald op aanvraag. Mannen in felgekleurde jasjes rijden voor, niet zelden al ’s ochtends om zeven uur. In Hamburg doen bijvoorbeeld Hüseyin Kücükkaya en Musa Pehlivan al meer dan twintig jaar dit werk. Meestal worden zij en hun team hartelijk begroet. De klanten waarderen de kundigheid van deze mannen die hen zonder veel omhaal bevrijden van hun in huis gehaalde ballast. Maar ze zijn ook bang voor hen. Hun verschijnen betekent dat afvoer nu onherroepelijk is geworden. Wat goed dat de mannen niet tot discussie neigen. Ze doen denken aan een masseur die over de manier van toetasten, het moment van aanpakken, geen tegenspraak wil. Tegelijkertijd beschikken ze over de nodige tact.

    ‘De bank is vijftig jaar oud, maar nog goed,’ citeert Kücükkaya een dagelijks gehoorde inschatting. In Duitsland is nu eenmaal alles voor de lange termijn, ook de woonkamer – wellicht een collectieve reflex 
op de tapijtbombardementen waaraan exact zeventig jaar geleden een einde kwam.

    Het probleem met het ophopen van dingen is echter hun houdbaarheid. Als ze kapot waren of niet meer te repareren, zou het afscheid eenvoudiger vallen. 
Anders krijgt de bezitter last van een slecht geweten. 
De bank was een huisdier dat met weinig tevreden was. Nu is hij broos en zwak en moet hij naar de shredder. Hoe vreselijk ondankbaar is dat toch.

    Kücükkaya en Pehlivan lossen het probleem op hun manier op. De bejaarde bank zetten ze in de goede vrachtwagen, de wagen die zijn lading later bij de gemeentelijke kringloop zal afleveren. Ze springen achter het stuur, zwaaien misschien de eigenaren van de bank vanuit het opengedraaide raampje nog even toe en gaan dan verder met hun inzamelingsrit door de stad.

    Grofvuil. – © Thomas Kohler / Flickr Creative Commons
    Grofvuil. – © Thomas Kohler / Flickr Creative Commons

    Grofvuildag

    Maar twee straten verderop stoppen de beide vrachtwagens van het team en de bank wordt vanuit de goede vrachtauto naar de vraatzuchtige wagen gesjouwd, waar een pers van het meubilair kleinhout maakt dat in de vuilverbrandingsoven belandt. In de vorm van elektriciteit of warmte keert het misschien nog eenmaal terug naar huis om het daar voor het laatst behaaglijk te maken. ‘Er zijn ook dingen die pas een jaar oud zijn,’ zegt Kücükkaya, ‘dan heeft de man een nieuwe vrouw die de kleur niet mooi vindt.’ In zo’n geval helpt ‘nog goed’ niet. Dan moet er snel gehandeld worden. Als je wat extra betaalt komen 
de vuilnismannen direct de volgende dag om het erotisch negatief beladen meubilair op te halen.

    Vroeger werd datgene wat uit de kelder vloog langs de straat gezet. Grofvuildag heette dat toen en de hele wijk leek op een rommelmarkt, alleen was alles gratis. Inmiddels halen de mannen van de gemeente de spullen liever direct uit de kelder om de gieren van eBay voor te zijn en er wat bruikbaars uit te vissen voor de gemeentelijke winkel voor bijstandtrekkers.

    In de kelder blijven de vuilophalers maar kort. Ze pakken de spullen die aangemeld waren en dan staan ze alweer buiten. Ze hebben geen gevoel voor de poëzie van het souterrain. Anders zouden ze in de bijkeuken van een meergezinshuis achter plakplastic het ‘wasplan’ kunnen zien, waar de bewoners hun gewenste ‘wastijden’ noteren om gehakketak rond de machines te voorkomen. En ook de oproep van de conciërge om een wasdag die wel gepland was, maar niet doorgaat, alstublieft duidelijk door te strepen, ‘zodat er geen vertraging optreedt in het aan de juiste persoon doorgeven van de bijkeukensleutel’. Je kunt vermoeden wat voor drama’s zich hier al tussen 30 en 60 graden afgespeeld hebben.

    En wat staat al die kelderspullen die het huis uit weten te komen te wachten? Ze komen in een kringloopwinkel waar het ‘nog’ in goede staat bedrukkend voelbaar wordt. Zijn de spullen eenmaal aan de romantiserende blik van hun eigenaren ontsnapt, dan springen de gebreken vanzelf naar voren. Elke deuk, elke schram wordt een esthetisch manco. Wie iets zou willen kopen mag zich in elk geval geen aansteller tonen.

    Niet duidelijk is wat de kopers met het verworvene doen. Misschien neemt het de plaats in van andere objecten die op hun beurt afdalen naar de kelder. Of het belandt regelrecht onder de oppervlakte, waar het later weer wordt afgedankt en opnieuw de markt op komt.

    Voor zover die goederen telkens weer gekocht en verkocht worden, is er sprake van echte recycling, een eeuwige kringloop van waren. Dan kunnen we hoog opgeven van eindelijk bereikte duurzaamheid of flink vloeken: we raken die zooi gewoon nooit kwijt.

    David Hugendick en Ulricht Stock

  • München herontdekt de Isar

    München herontdekt de Isar

    Nadat München de Isar jarenlang de rug toekeerde, heeft de Beierse hoofdstad de rivier herontdekt. Ze is bevrijd uit haar cementen keurslijf, en stroomt weer vrijuit als vanouds. Het resultaat is groots, zo vindt vrijwel iedereen in deze zeldzaam ontspannen miljoenenstad.

    In de vroege morgen staat een man eenzaam in de rivier. Het is zo stil dat je de kiezels onder zijn voeten kunt horen knerpen. Helder water omspoelt zijn enkels. Als de zon een schilder was, dan zou je hem dringend adviseren niet ook nog overal fonkelingen aan te brengen, vanwege het grote gevaar van kitsch dat op de loer ligt. Maar de zon neemt geen raadgevingen aan.

    De man zwaait met zijn hengel, de lijn beschrijft precieze cirkels in de lucht. Dan landt het vederlichte, kleurige aas, door kenners ‘vlieg’ genoemd, zachtjes op het water in de buurt van een met mos begroeide boomstronk, waar – dat kun je zelfs van boven zien – drie barbelen vin aan vin de stroming trotseren. Je zou nu je mobieltje kunnen pakken om dit plaatje vast te leggen en later te vertellen hoe heerlijk het in de Alpen was, bij die eenzame vliegvisser in die fonkelende bergbeek. Maar dat zou natuurlijk een leugen zijn. Je hoeft je maar even om te draaien om het verkeer over de Wittelsbacherbrücke te zien razen, waarna de vraag zich opdringt hoe al dat stadslawaai in de afgelopen minuten aan je voorbij is gegaan. Surfer Wolfrik Fischer, die zich een paar kilometer stroomopwaarts gewoonlijk niet in maar op het water bevindt, zou zeggen: ‘Dat doet de Isar met haar ongehoorde kracht.’

    De wereld beleeft momenteel een renaissance van de rivieren
    Een barbecue aan de oever van de Isar. – © Jan Greune / HH
    Een barbecue aan de oever van de Isar. – © Jan Greune / HH

    Vroeger ontstonden en floreerden steden vanwege de rivieren. Het waren transportroutes, drinkwaterreservoirs, beschermende grachten, prachtige decors. Lange tijd werden rivieren de levensaders van de steden genoemd. Op veel plaatsen heeft het leven zich met de industrialisatie echter afgekeerd van zijn aders, en de oevers afgestaan aan krachtcentrales, fabrieken en machines. De rivier, een mythe van de Duitse romantiek: in beton gevangen, vervuild, verdroogd.

    De Isar mag nu weer op net zo’n charmante manier een riviertje zijn als de miljoenenstad München een dorp
    De Viktualienmarkt, de bekendste markt van München. – © HH
    De Viktualienmarkt, de bekendste markt van München. – © HH

    De snelstromende

    Vroeger, dat mogen we rustig aannemen van de dichters, zei een rivier veel over haar stad. Maar tegenwoordig? Nu hebben veel rivieren alleen maar saaie verhalen in petto. Niettemin heb je op de Wittelsbacherbrücke aan het einde van een lange, warme zomer het gevoel dat de Isar toch iets te vertellen zou kunnen hebben over München, die Duitse prima donna.

    Omdat in München schijn en werkelijkheid vaak niet van elkaar te onderscheiden zijn, is het goed om meteen maar vast te stellen dat de stad in elk geval bij de Isar heel duidelijk naar werkelijkheid neigt. Aan de rand van het water, op strandjes en op grasvelden bakenen ijverige mensen ’s ochtends al met klapstoeltjes een terrein af voor het barbecuefeest van die avond. Een paar jongens stapelen kratten bier in het water, de grootste koelkast van de stad. Een oudere dame negeert tijdens haar yogaoefeningen de typisch Münchense teckel die nauwgezet haar handtas inspecteert. Waarom heeft die snuiter in zijn ranzige zwembroek vier iPhones bij zich? Een heerschap met opgezette polokraag waadt met een luidsprekerbox op zijn schouder naar een eilandje; bijna laat hij de box in het water vallen omdat hij de zelfs in het ondiepe water krachtige stroming onderschat.

    De Romeinen noemden de Isar al Isara rapidus, de snelstromende. Vanuit het Karwendelgebergte stort de rivier zich naar de vlakte. In München liet ze steeds weer bruggen instorten en sleurde ze mensen mee de dood in. In de negentiende eeuw werd begonnen de rivier te beteugelen. Ze moest molens en zagerijen aandrijven, en werd daarom in kaarsrechte kanalen met hoge kademuren geperst, in een graf van cement. Uiteindelijk ontnamen krachtcentrales aan de voet van de Alpen de rivier een groot deel van het water, waardoor in München slechts een treurig stroompje resteerde.

    Een surfer op het snelstromende water van de Eisbach, een zijrivier van de Isar. © Herman Wouters/ HH
    Een surfer op het snelstromende water van de Eisbach, een zijrivier van de Isar. © Herman Wouters/ HH

    Renaissance

    De wereld beleeft momenteel een renaissance van de rivieren. In de VS wordt de verlevendiging van het river front als wondermiddel voor verkommerende centra beschouwd. In Parijs stort men een beetje zand op een paar voetpaden aan de Seine, noemt het Paris-Plages en doet alsof er een tweede Eiffeltoren is gebouwd. Londen eert de Theems elk jaar met een festival en een vuurwerk. In Duitsland worden overal promenades aangelegd bij rivieren, waar chique bars en soms zelfs een bioscoop met twaalf zalen verrijzen. Ook München, dat de Isar lange tijd de rug had toegekeerd, heeft zich eindelijk weer op zijn rivier gericht. Maar op een heel andere manier dan de overige steden.

    In München zijn de kademuren gesloopt en zijn er vlakke kiezelstranden aangelegd, met veel groen ervoor. Er zijn eilandjes gecreëerd, vistrappen, knusse plekjes voor witoogeenden en bevers. En vervolgens heeft men de Isar gewoon laten begaan: de rivier heeft zijarmen gevormd, is aangezwollen tot een nieuwe, oude breedte, heeft eilandjes afgezet en weer verlegd. Helemaal klaar is de Isar nooit met haar werk. Wat het betekent om een landschap weer terug te brengen in de oorspronkelijke staat, is te zien op de plek waar de geschiedenis van München begon: op de Ludwigsbrücke.

    Daar verheft zich op een eiland het Deutsches Museum. Vanuit de koepels van het observatorium kan met telescopen naar ver weg gelegen melkwegstelsels worden gekeken. Maar de laatste tijd, vertelt museumdirecteur Wolfgang Heckl, werpen steeds meer bezoekers als eerste een blik op de Isar in plaats van op de sterren. Vanuit het observatorium is te zien hoe een bergrivier, van haar betonnen korset bevrijd, vrolijk door de stad stroomt, over een lengte van 14 kilometer. Waarschijnlijk is er geen andere miljoenenstad ter wereld die haar rivier zo veel ruimte geeft – en waar het rivierwater veelal ook nog drinkbaar is.

    Grootse dingen

    München is eraan gewend te worden bewonderd, om het Oktoberfest en FC Bayern, om Siemens en BMW, om de meren en de bergen, die praktisch zijn ingelijfd. Momenteel vindt de stad veel inspiratie in het feit dat men het hart van de wereld heeft veroverd door meer aan vluchtelingen te geven dan men ooit kan opmaken aan eten of kleding. Waarschijnlijk moet je zeggen dat de Münchenaars verwend zijn door alle genegenheid, die soms ook de vorm van jaloezie aanneemt.

    Tot echt grootse dingen heeft München zich al lange tijd niet meer kunnen zetten. Veel stedelingen vinden dat de Olympische Spelen ook eens door Zuid- of desnoods Noord-Korea georganiseerd moeten worden, dat de plaatselijke orkesten van wereldniveau ook wel zonder concertgebouw van wereldniveau kunnen en dat gedurfde moderne architectuur heel goed ergens anders kan staan. Grootse dingen zijn inmiddels verdacht voor de Münchenaars, want daarin herkennen ze de vijand van hun geborgenheid. Met de nieuwe Isar heeft München eindelijk weer iets groots bewerkstelligd. Iets groots dat de stad niet killer maakt, maar warmer. Iets groots dat zo voorspoedig en geruisloos tot stand is gekomen dat velen het helemaal niet hebben gemerkt.

    Een stadsstrand langs de Isar in München. – © Jan Greune / HH
    Een stadsstrand langs de Isar in München. – © Jan Greune / HH

    Isarplan

    Hoe heeft München, die zeldzaam schuchtere diva, dat voor elkaar gekregen? Op de Ludwigsbrücke bij het Deutsches Museum staat een man met een buitengewoon gehoorzame Münsterländer te wachten die dat misschien wel beter kan uitleggen dan wie ook. Hij heeft een doorzichtige map bij zich, met daarin een verbleekte stapel papieren die dicht beschreven zijn met een schrijfmachine. De stapel is voorstel 636 van de Münchense gemeenteraad van 3 mei 1985: het ‘Isarplan’. Op deze A4’tjes heeft SPD-gemeenteraadslid Wolfgang Czisch dertig jaar geleden geschetst wat hij als gepensioneerde nu trots kan laten zien.

    ‘Laat die Isar toch met rust, Czisch,’ zeiden veel mensen destijds, maar het was nu eenmaal zo dat de Isar Czisch niet met rust liet. De betere bescherming tegen hoogwater was het argument dat het balletje uiteindelijk aan het rollen bracht. In 2000 kwamen de werklui, in 2011 vertrokken ze weer. En nu bloeit hun werk eindelijk in volle pracht.

    De Ludwigsbrücke, zegt Czisch, is de tolbrug van Hendrik de Leeuw [hertog van Beieren van 1154 tot 1190, en in 1156 stichter van München] geweest, de bakermat van München. ‘Als dit hier het hart van de stad is,’ zegt Czisch, de hondenriem over zijn schouder geslagen, ‘dan is de Isar de ziel.’ Czisch heeft behalve politiek ook geologie gestudeerd. Hij haalt een lichtrood, vlekkerig steentje uit zijn zak: ‘Het ijs uit de ijstijd heeft de Alpentoppen geschaafd en alle graniet en kalk zitten hier in de kiezels van de Isar.’ Uit de hele wereld zijn delegaties naar München gereisd om te zien hoe je het lijk van een rivier tot leven wekt. Ook werd een afvaardiging uit München in Los Angeles uitgenodigd om advies te geven over de foeilelijke Los Angeles River. LA doet navraag in München: mooier hadden de Münchenaars de wereld zelfs in hun stoutste dromen niet kunnen voorstellen.

    Wolfgang Czisch heeft ook nog enkele pragmatische ideeën voor München. Hij wil graag meer uitkijkpunten op de rivier in de stad, een autoluwe boulevard aan de kant van de binnenstad, een zwembad in de rivier en een uitbreiding van het project naar het noorden. ‘De ziel moet je koesteren,’ zegt hij.


    ‘Hier kan ik gewoon vrij zijn’

    Voor de Münchenaars

    Aan de Isar koesteren de mensen in de eerste plaats zichzelf, hun spieren, hun teint. Hier presenteert de maatschappij zich in alle kleuren van de regenboog: mensen die bier verkopen vanuit kinderwagens, mensen die lege flessen verzamelen in kinderwagens, managers die zich van hun pak ontdoen en de rivier in springen, kinderen, oma’s. In de bloedhete zomer van 2015 heeft heel München een plekje gevonden aan de Isar, met een fles wijn of met een boek – maar vaak met allebei.

    In München zijn er twee groepen mensen. De grootste groep is van mening dat ze in de mooiste stad ter wereld woont, de rest vindt deze Münchense zelfbewustheid belachelijk en mag een zakenreis naar Berlijn graag tot in het weekend verlengen. Maar over de Isar kunnen ze het eens worden, over de Isar kan iedereen het eens worden.

    Wie ’s avonds door de Maximilian- of de Theatinerstraβe loopt, komt veel toeristen tegen, onder wie Russen en Arabieren. Het is zelfs niet zeker dat de ober bij Zum Augustiner uit München komt. Als er in München iets ontstaat, ontstaat er meestal luxe: luxueuze appartementen, luxueuze boetieks, luxueuze dokterspraktijken, elke vierkante meter is betwist en obsceen duur. Er ontstaan plekken die niet zozeer voor Münchenaars zijn, als wel voor Arabieren en Russen. Bij de nieuwe Isar is dat anders. Natuurlijk, inmiddels staat in elke reisgids dat je er eens in moet springen (en moet opletten dat je kleding niet wordt gestolen), maar de rivier is vooral voor de Münchenaars.

    Vrijwel nergens anders is de Isar zo typisch Münchens als bij de kiosk van Christa Fingerle, pal onder de Braunauer spoorbrug waarover de treinen naar de populairste voorsteden van München, Innsbruck, Bolzano en Verona denderen. Een jonge vader duwt zijn kinderwagen naar het raampje en zegt tegen zijn baby: ‘Gaat papa een Radler kopen? Is papa nu een Radler aan het kopen? Papa is nu een Radler aan het kopen!’ Aan de statafeltjes ben je niet lang alleen. Uitbaatster Christa Fingerle zegt: ‘Bij ons drink je niet in je eentje zoals in Noord-Duitsland.’ Prompt komt een oudere heer aanlopen, een zonnebril in het schaarse haar en een imposante mobiele telefoon in het borstzakje van zijn overhemd. Hij komt meteen ter zake: ‘Weet jij een goede advocaat?’ Christa Fingerle is juist een jonge vrouw aan het helpen, die een broodje leverkaas op haar arm heeft laten tatoeëren. Je zou zó in haar arm willen bijten. De oudere heer heeft andere prioriteiten: ‘Weet jij een goede advocaat?’

    Christa Fingerle heeft haar hele leven aan de Isar doorgebracht, rond de kiosk die haar vader overnam toen hij uit Russische krijgsgevangenschap was teruggekeerd. Bij de kiosk heeft haar vader, de ‘limonadeoom’ van de spoorbrug, zijn vrouw leren kennen. Toen haar ouders waren overleden, kon Christa het niet over haar hart verkrijgen om de kiosk van de hand te doen. ‘Een eigen kiosk,’ zegt ze, ‘niemand die zich ermee bemoeit,’ en bovendien de rivier, die altijd ook een venster op de wijde wereld is: ‘Hier kan ik gewoon vrij zijn.’

    De Allianz Arena, het stadion waar de lokale clubs TSV 1860 München en Bayern München spelen. – © HH
    De Allianz Arena, het stadion waar de lokale clubs TSV 1860 München en Bayern München spelen. – © HH

    Münchner Freiheit

    In het stadsdeel Schwabing ligt een plein dat niet bijzonder mooi is, maar wel een heel mooie naam heeft: Münchner Freiheit. München, dat is een stad waar stress inhoudt dat je ’s ochtends vroeg in een café in Schwabing zit na te denken over de wereld en ’s middags voor verdieping van de inzichten naar de Hirschgarten moet verkassen. In München rijden de jongens die zich naar de Eisbach, een zijarm van de Isar, hebben laten drijven, kletsnat en zonder kaartje met de tram weer terug. En wie nog een beeld nodig heeft voor het aangename Münchense leven hoeft alleen maar ergens op een kruising te wachten tot iemand met een surfplank onder de arm voorbijfietst. Toeristen die hun reisgids alleen maar diagonaal hebben doorgenomen, vragen zich dan af of ze ergens een oceaan hebben gemist. Op een bankje zit Wolfrik Fischer, het neopreenpak tot de navel afgestroopt, de blonde kuif bijna loodrecht omhoog, een man bij wie zelfs een elektronische sigaret er cool uitziet. Hij kijkt naar het bruggetje bij de Floβlände, waar vijftig andere surfers op hun beurt staan te wachten. Fischer, een pionier van het riviersurfen, zegt: ‘Ongelooflijk dat we dit hier allemaal hebben.’

    Hier, waar een tiener zich nu al een halve minuut staande houdt op de golf, werd het riviersurfen in 1972 uitgevonden. Twee surflocaties zijn er in München, bij de Floβlände en in de Eisbach. ‘Surfen hoort al helemaal bij München,’ zegt Fischer, die 52 is, maar er op het bankje uitziet als 42 en op de plank als 32. ‘Al surfend vergeet ik de wereld om me heen. Dat doet de Isar met haar ongehoorde kracht.’ Na de voltooiing van het Isarproject onderscheidt de rivier zich door ‘de extreme openheid, de toegankelijkheid voor iedereen, maar dat maakt de situatie ook kwetsbaar.’

    Münchner Freiheit, dat wil zeggen dat men niet overdrijft met de regels. In de zomer van 2015 zaten er regelmatig vier knapen bier te drinken en te kaarten aan een tafeltje in de Isar, tot hun borst in het water. München heeft met de Isar een nieuwe plek voor zijn ongedwongenheid gevonden.

    Bij die ongedwongenheid horen sinds de jaren zeventig natuurlijk ook de liefhebbers van de naaktrecreatie, die nu op de Flauchersteg [een voetgangersbrug] tot ontzetting leiden bij een Indiase familie; paniekerig duwt de moeder haar kinderen voort. In die beginjaren riep de jonge Edmund Stoiber [voormalig minister-president van Beieren] nog op tot een opstand tegen de naaktlopers in de Pupplinger Au. Nu bevestigt een poedelnaakte man na het uitrollen van zijn ligmatje eerst een Bayernvlaggetje aan zijn parasol, wat Stoiber ongetwijfeld zou kunnen waarderen. Wie zich grotendeels gekleed in de buurt van de naaktlopers waagt, wordt aangestaard, iets wat ze onderling nooit zullen doen. Op een gegeven moment zegt de Bayernfan: ‘Wij waren er al voordat al die eikels kwamen.’ Hij doelt op de mensen in zwemkleding op de andere oever. Natuurlijk werd er hier vroeger ook wel wat gedronken en beslist ook wel eens gezongen, maar zo ongebreideld feesten als die lui daar? ‘Misschien zou er eens wat harder moeten worden opgetreden.’ Zo gaat dat in München: de naaktlopers spelen voor politieagent.

    De oevers van de Isar – ©  Metro Centric
    De oevers van de Isar – © Metro Centric

    Feestbeesten en surfers

    Eigenlijk is de Isar een plek waar de Münchenaars hun legendarische basisontspannenheid vinden. Maar soms raken ze die daar ook kwijt. In het weekend doen delen van de Flaucher [een zijarm van de Isar] denken aan de Ballermann, de beruchte strandtent op Mallorca: bij het invallen van de duisternis bekogelen volwassen mannen elkaar met worsten of cevapcici. En wie hier aan het eind van de middag een van de dixi’s opzoekt, komt erachter waar precies de Münchense gezelligheid ophoudt. Feestbeesten en surfers, naaktlopers en kanoërs, vogelaars en hondenbezitters, iedereen wil delen in het leven aan de rivier, en dan kom je ook wel eens van een koude kermis thuis. Afval en scherven verstoren het paradijs, de rook van de vele barbecues hindert de omwonenden – en de dieren in de dierentuin. Fritz Leuthner zegt dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen de mensen die alleen maar gebruikmaken van de rivier, en de anderen, ‘die er ook respect voor hebben.’

    Leuthner, politieagent met oorring, houdt zich ook als vrijwilliger bezig met het thema respect. Hij zit in het bestuur van de plaatselijke hengelsportvereniging. Toen hij acht jaar oud was nam zijn vader hem voor het eerst mee, en sindsdien gooit hij zijn hengel uit in de rivier. ‘Tegenwoordig is dat nog leuker,’ zegt Leuthner, ‘omdat je niet meer op de kademuur staat, maar op knerpende kiezels.’ Vanaf de Wittelsbacherbrücke kijkt hij de rivier af: ‘Andere mensen moeten honderd kilometer rijden voor zo’n viswatertje, wij hebben dat midden in de stad.’

    Een Münchense zomer loopt ten einde, een zomer van wekenlange bloedhitte. Misschien wordt dit seizoen later herinnerd als het moment waarop de Münchenaars hun rivier definitief herontdekten. Als het lange moment waarop dit karakteristieke Münchense levensgevoel, dat boosaardige Berlijners als een mythe bestempelen, tastbaar was. Leuthner en de andere sportvissers kunnen er niet mee zitten dat de zomer nu bijna voorbij is. ‘In het zwemseizoen is het steeds zo druk dat we alleen bij slecht weer of ’s morgens vroeg de rivier in kunnen,’ zegt Leuthner. ‘Tegen de herfst wordt het rustiger.’ Hij wijst vanaf de brug naar beneden, naar twee barbelen en een forel, en zegt: ‘Ik zou de Isar voor geen andere rivier willen ruilen.’

    De Isar is geen Rijn, geen machtige rivier, er varen geen schepen, alleen van boomstammen gemaakte vlotten. De Isar staat niet op de lijst van langste rivieren, ook niet van Duitsland. Ze komt zo’n 295 kilometer tekort; de Eems is langer, de Saale eveneens en tot overmaat van ramp ook de Spree. Maar Leuthner zou niet willen ruilen, geen surfer zou willen ruilen, en dat geldt ook voor Christa Fingerle van de kiosk en Wolfgang Czisch van de gemeenteraad.
    Omdat de Isar nu weer iets zegt over München. Omdat ze nu weer op net zo’n charmante manier een riviertje mag zijn als de miljoenenstad München een dorp.

    Roman Denininger

    (Foto boven: Een stadsstrand langs de Isar in München. – © Jan Greune / HH)

  • De uitputtende odyssee

    De uitputtende odyssee

    Ze stromen bij duizenden Europa binnen, van alles beroofd, behalve van hun onmisbare smartphone. De weg om het Duitse ‘Beloofde Land’ te bereiken is lang en vol obstakels.

    Op het station van Gevgelija in Macedonië hangt een wirwar van verlengsnoeren uit een raam die zich zigzaggend een weg banen naar een tafeltje op het perron. Alle stopcontacten worden in beslag genomen door opladers. De vluchtelingen betalen een euro om de batterij van hun mobieltje te mogen opladen. En zonder dat mobieltje kunnen ze niet. Communicatie is van levensbelang: waar zijn familie en vrienden, wanneer en waar is de afspraak met de mensensmokkelaars, wie kan geld sturen? Sommige kwaadwillenden vragen zich af hoe 
die ‘zogenaamde vluchtelingen’ aan smartphones, spijkerbroeken en merktennisschoenen komen. Om echte vluchtelingen te lijken, hadden ze tienduizenden kilometers op hun blote voeten moeten afleggen en in lompen moeten arriveren met hun geiten.

    Begin september. Een groep migranten is er ondanks de grensversperring in geslaagd vanuit Servië Hongarije te bereiken, en rust zo goed en zo kwaad als het gaat uit in het grensdorp Roszke. – © Pierre Crom / Getty Images
    Begin september. Een groep migranten is er ondanks de grensversperring in geslaagd vanuit Servië Hongarije te bereiken, en rust zo goed en zo kwaad als het gaat uit in het grensdorp Roszke. – © Pierre Crom / Getty Images

    In Macedonië

    Ze zijn te voet in Macedonië gearriveerd vanuit het Griekse dorpje Idomeni. De twee grensposten worden door hooguit drie kilometer gescheiden. De migranten zeggen geen Griekse grenswachters te hebben gezien en de Macedoniërs gebaarden alleen maar dat ze konden doorlopen. Af en toe krijgen ze het 
verzoek enkele uren te wachten omdat het station van Gevgelija overvol is. 
Het recente machtsvertoon van de Macedonische politie tegenover de migranten was alleen maar een ijdele poging om de toestroom te vertragen. Ze dwalen met duizenden door het 
station en de aangrenzende straten. 
Ze slapen op de perrons of in het 
naburige park.

    Voordat de Macedonische politie 
de grens voor korte tijd blokkeerde, arriveerden er tweeduizend vluchtelingen per dag op het station van 
Gevgelija. Maar er zijn te weinig treinen om hen naar Servië te vervoeren: behalve een internationale trein, van Thessaloniki naar Belgrado, zijn er een stuk of drie plaatselijke treinen zonder vaste dienstregeling. Je weet nooit hoe laat ze aankomen, en óf ze wel aankomen. Eenmaal op het perron blijven de deuren op slot en mogen reguliere reizigers eerst instappen voordat de treinen bestormd worden door vluchtelingen. Na enkele gewelddadige vechtpartijen om een plekje in de treinen 
te bemachtigen, is besloten voorrang 
te geven aan families met kleine 
kinderen. Zo heeft men enige orde in de algehele chaos weten te scheppen.

    © Pierre Crom / Getty Images
    © Pierre Crom / Getty Images

    Bovenleiding

    Artsen bezoeken het station eenmaal per dag. Er is me verteld dat vijf vrouwen de afgelopen week een miskraam 
hebben gehad. Dat komt in geen 
enkele statistiek voor. Ik hoor dat twee mensen op het dak van een wagon 
zijn geklommen met de bedoeling 
hun mobieltje aan een bovenleiding 
op te laden. Ze zijn voor tachtig procent verbrand, maar hebben het overleefd. De meest voorkomende verwondingen zijn het gevolg van knokpartijen in de rij voor de politiegrenspost. Daar wachten de immigranten op een document dat bevestigt dat ze in Macedonië zijn aangekomen en dat ze 72 uur hebben om een asielaanvraag te doen. Met andere woorden, ze hebben drie dagen om er stiekem vandoor te gaan naar Servië.

    Het document machtigt hen om alle vormen van openbaar vervoer te gebruiken. Sommigen wachten enkele dagen op het papier. De mensen hergroeperen zich op basis van etniciteit, schreeuwen, duwen elkaar opzij, dreigen, schelden elkaar uit. ‘Het ergst zijn de Pakistani’s,’ vertrouwt een Syrische Koerd me toe.

    Zo haalt Gevgelija overal ter wereld de voorpagina’s. De burgemeester van het stadje, Ivan Frangov, is er niet blij mee. Tot dan toe ontving men er alleen maar welgestelde toeristen die in de tien casino’s kwamen gokken. Frangov 
vertelt over het veiligheidsrisico voor Macedonië, over de Grieken die het probleem naar het noorden exporteren, de burgers die de straat niet meer op durven. ‘Ik heb met de vluchtelingen te doen, maar dat wil nog niet zeggen dat ons land het slachtoffer van de situatie moet worden.’

    Maar het zakeninstinct heeft de inwoners van Gevgelija niet verlaten. Op het perron hebben ze geïmproviseerde kraampjes gezet om bananen, popcorn, chips en flessen water te verkopen, 
drie keer zo duur als in de winkels tweehonderd meter verderop. Ook de taxichauffeurs profiteren ervan. Angel Stojankov legt uit dat ze de migranten niet oplichten, ze hanteren gewoon de tarieven die de taximeter aangeeft, 
100 euro voor vier passagiers tot aan 
de Servische grens. ‘We brengen ze tot de officiële doorgangspost, daarna gaan ze verder via landweggetjes.’

    Van Macedonië naar Servië. Of je nu een taxi, trein of bus neemt, alle wegen leiden naar Tabanovce, het laatste Macedonische dorp voor de Servische grens. De UNHCR heeft er een kamp ingericht, wat schuilplaatsen om de aangekomenen tegen zon en regen te beschermen. Niemand belet de immigranten overigens om door te reizen. Zaman, een Marokkaan, arriveert met een grote rugzak en vervolgt meteen zijn weg richting Servië.

    De transportbedrijven doen goede zaken

    Belgrado

    Om de grens over te komen, moet je gewoon geduld hebben. De Macedonische politie is nergens te bekennen, aan Servische zijde zijn maar vier agenten. Zij moeten de toestroom naar Servië doseren zodat de druk op Presevo, de Servische stad waar zich het eerste opvangkamp voor vluchtelingen bevindt, niet te hoog wordt.

    We stoppen op een parkeerplaats langs de snelweg. Daar pauzeert een bus, afgeladen met vluchtelingen. De chauffeur laat me een brief van het ministerie van Binnenlandse Zaken zien waarin transportbedrijven wordt verzocht speciale busdiensten te 
openen tussen het opvangcentrum 
in Presevo en Belgrado. Ze hebben positief op het verzoek gereageerd. De prijs van een kaartje is niet omhooggegaan, 16.000 dinar [14 euro], en de bussen zijn vol. De chauffeur heeft alle passagiers op een lijst gezet, dus alles gaat volgens de regels. Ze beschikken allemaal over een Servisch document dat hun drie dagen geeft om hun asielaanvraag in te dienen. Maar niemand is van plan om van dit recht gebruik 
te maken. Ze willen maar één ding: naar Hongarije.

    Belgrado is de enige grote stad waar 
de migranten enige tijd rust houden tijdens hun Balkanreis. Het park tussen de twee busstations en een park tegenover de economische faculteit worden geheel in beslag genomen door tenten, dekzeilen en wasgoed dat te drogen hangt aan lijnen die tussen de bomen zijn gespannen. De migranten slapen onder de blote hemel, behalve als het regent. In dat geval schuilen ze in een naburige garage, waar ze tussen de auto’s slapen. De vluchtelingen weigeren met de Duitse media te praten uit vrees dat dat tegen hen wordt gebruikt op het moment dat ze asiel zullen aanvragen. ‘In Irak zijn er grote problemen met IS. Als die je te pakken krijgen, hakken ze je hoofd eraf. 
Daarom wil ik naar Duitsland,’ legt de 17-jarige Ahmad uit.

    De jeugdherbergen in de wijk zijn vol. Een plaatselijk eettentje maakt reclame voor hamburgers en ‘cevapcici’ [traditionele gehaktrolletjes], allemaal halal. De mensen passen zich aan aan de vraag van het moment. Maar de prijzen zijn niet overeenkomstig de situatie. Enkele meters verderop kun je dezelfde hamburgers kopen voor drie keer zo weinig. De zaken gaan bijzonder goed, er worden verkoopsters geworven. 
Ook de transportbedrijven doen goede zaken: er is een dozijn extra busdiensten geopend naar Subotica en Kanjiza, 
de kaartjes worden lang van tevoren verkocht.

    Dat is de kant die Mehdi op wil. Hij is Iraniër en verklaart dat hij atheïstisch is, wat problemen geeft in de sjiitische republiek. Hij heeft net een glas vruchtensap gedronken op de binnenplaats van de club Mixer, een populaire plek voor alternatieve cultuur. ’s Zomers wordt de binnenplaats van Mixer omgetoverd tot een liefdadigheidsbazaar. Er worden tafels vol kleren neergezet. De inwoners van Belgrado dragen hun steentje bij, meer dan noodzakelijk. ‘Er komen artsen om de vluchtelingen te onderzoeken,’ vertelt een vrijwilliger die helpt bij de verdeling van kleren, water en eten. Een grootmoeder heeft brood, paté en koekjes gebracht.


    Wat zal hij doen als de muur klaar is? ‘Dan spring ik eroverheen’

    Richting Hongarije

    Boven het dorp Backi Vinogradi geeft een hoge paal met thermische camera’s aan dat we bij de Hongaarse grens komen. Een enorme militaire truck rijdt langzaam de grens langs. Via 
versterkers klinkt Money, Money, Money, de beroemde hit van Abba. De soldaten die de afrastering moeten aanbrengen, maken grappen. Twee grote rollen prikkeldraad liggen klaar om geplaatst te worden, de bouw van de muur nadert zijn voltooiing [op 29 augustus was het zover].

    Een soldaat vraagt ons wat we komen doen. ‘Wilt u foto’s maken? Geen probleem.’ Hij legt ons beleefd uit dat de migranten hier de grens niet over komen. Denkt hij nou echt dat drie meter prikkeldraad mensen zal 
tegenhouden die niet meer naar huis kunnen? ‘Dat hopen we. Ons doel is 
om ze naar de officiële grensposten te dirigeren,’ zegt hij. Maar daar komen ze Hongarije niet in.

    © Pierre Crom / Getty Images
    © Pierre Crom / Getty Images

    Prikkeldraad

    Twintig kilometer meer naar het zuidwesten, in een verlaten steenbakkerij in de buurt van Subotica, treffen we de 27-jarige Milad. Over het afsluiten van de Hongaarse grens met prikkeldraad maakt hij zich niet al te veel zorgen. Wat hem meer zorgen baart, is dat 
‘de Pakistani’ hem niet belt. Dat is zijn smokkelaar. ‘Hij koopt politiemensen om,’ zegt Milad. De genoemde Pakistani slaagt er kennelijk in om dagelijks een twintigtal mensen van de steenbakkerij naar Duitsland te krijgen. Zijn diensten kosten Milad en diens familie 4.500 euro. Wie geen geld heeft, zal voor een andere optie moeten kiezen. Voor enkele tientallen euro’s brengen de smokkelaars hen naar plekken waar de grens makkelijker te passeren lijkt en laten hen vervolgens aan hun lot over.

    Tijdens ons bezoek aan de verlaten steenbakkerij waren er niet veel migranten. Binnen blijkt uit de overvloedige Arabische graffiti dat er daar duizenden mensen zijn gepasseerd.
‘En niemand heeft me gedood,’ grapt Tibor Varga, de breedgeschouderde dominee in camouflagebroek. Hij bezoekt de steenbakkerij al vier jaar, sinds de ‘Arabische lente’. Tibor brengt brood, eieren, tandpasta… Volgens hem is het hek van prikkeldraad een steeds terugkerend gespreksonderwerp bij 
de vluchtelingen, maar ze beschouwen het maar zelden als een onoverkomelijk obstakel. ‘Ze hebben wel andere problemen, die veel erger zijn dan een paar meter prikkeldraad,’ besluit hij.

    Dat doet me denken aan een jonge Syrische arts die ik in Gevgelija heb ontmoet. Toen hij al enkele maanden onderweg was, hoorde hij over de ‘Hongaarse muur’. Hij heeft geen geld om smokkelaars te betalen. Wat zal hij doen als de muur klaar is? ‘Dan spring ik eroverheen, ik knip hem stuk, ik zal alles doen om erdoorheen te komen,’ zegt hij. En trouwens, de kniptangen gaan als warme broodjes over de toonbank in de ijzerwinkels van Subotica.

    Nemanja Rujevic

  • Het nieuwe Duitslandgevoel. ‘We zijn een ontzettend goed volk’

    Het nieuwe Duitslandgevoel. ‘We zijn een ontzettend goed volk’

    Was de briljante 7-1-overwinning van het Duitse voetbalelftal op de Brazilianen een afspiegeling van het Duitsland van nu? Niet helemaal misschien, maar dat onze oosterburen in een goede flow zitten, staat buiten kijf. ‘We mogen weer trots zijn op ons land, zonder die bijsmaak.’

    Keuze uit het archief

    Na een glorieuze voetbaloverwinning op Brazilië in 2014, schreef Der Spiegel een jubelend stuk over ‘het Duitslandgevoel’; Duitsland was weer trots op zichzelf, en met recht. Acht jaar later, als de in dit artikel tevens gevierde Merkel inmiddels is vervangen door kanselier Olaf Scholz, bevindt het land zich in een lastige spagaat tussen een van oudsher loyale houding tegenover de Russen, en de morele verplichting Oekraïne aan wapens te helpen. Toen voormalig Bondspresident Joachim Gauck een grotere betrokkenheid bij de wereld eiste, werd ook hij door een linkse politicus voor ‘walgelijke oorlogshitser’ uitgemaakt. Hoort deze houding eveneens bij dat nieuwe Duitslandgevoel?

    De 61-jarige Christine Meier ligt in bikini op een strandbedje op het eiland Sylt. Ze heeft op drie na alle wedstrijden van het WK voetbal gezien, de meeste in haar volkstuin in Berlijn. ‘We dragen kettingen en hoedjes in de Duitse kleuren, sommigen schminken zich ook, er zijn gebakjes, antipasti, of ik maak een zwart-rood-gele pastasalade.’ Ze is trots op het succes van het Duitse elftal. ‘De mensen in het buitenland kijken naar ons. Ze willen nu weten hoe we leven, wie we zijn.’ Duitsland presenteert zich als een fair land, zegt ze. ‘We zijn een ontzettend goed volk.’

    Dat was twee dagen na de 7-1-overwinning van Duitsland op Brazilië [op 8 juli 2014]. De oude voetbaltovenaars waren van hun magische krachten ontdaan en de Duitsers moesten zich afvragen of ze echt zo lichtvoetig waren als de wedstrijd deed vermoeden en zo geweldig als de uitslag suggereerde. Christine Meier vindt van wel.

    Het was maar een van de zeven wedstrijden op het WK, de andere liepen niet zo geweldig. Maar vaak zijn het juist op zichzelf staande gebeurtenissen, momenten in het bestaan van landen waarop mensen de oren spitsen en zich afvragen: is dat hoe we zijn?

    Voetbal heeft de Duitsers dat soort momenten bezorgd. Tot 2006 zagen ze zichzelf vooral als tobberige natie. Maar in dat jaar vierden ze een vrolijk WK-feest in eigen land. Tot 2010 zagen ze zichzelf vooral als onbeholpen natie, wat zich ook weerspiegelde in het voetbal. Maar in dat jaar speelden de Duitse voetballers op het WK in Zuid-Afrika bij tijd en wijle als dartele veulens. Duitsland bezorgde de wereld momenten van schoonheid, en de wereld verbaasde zich en beleefde plezier aan de Duitsers. De halve finale van 2014 borduurde daarop voort. De Mannschaft speelde gedecideerd, ongedwongen en volwassen.

    hetnieuweduitslandgevoel02

    Klaus Hollweger en zijn vrouw Helga zitten op de delicatessenafdeling van het Berlijnse warenhuis KaDeWe naar de mensen te kijken die langs de schappen lopen. Kaviaar, doorregen steaks. De 78-jarige Hollweger woont in Thüringen.

    Als Hollweger over het Duitse voetbal praat, spert hij zijn ogen wijd open achter zijn bril en vormt hij zijn mond tot een rondje. ‘Oooh,’ zegt hij, ‘voor mij laat het WK zien hoe mooi het is in een verenigd land te leven. Nu kunnen we samen trots zijn op ons nationale elftal.’ Hij is ontroerd. ‘Het gaat zo goed met ons land, het is hier allemaal zo mooi en nieuw, net als bij ons thuis in Weimar,’ zegt Klaus Hollweger.

    Toni Kroos was op dit WK het brein van het elftal. Weet iemand waar hij vandaan komt? Maakt dat wat uit? Kroos is geboren in Greifswald, hij is Oost-Duitser, maar dat speelt geen rol. Toen Michael Ballack in 2004 aanvoerder van het nationale elftal werd, werd daar nog een punt van gemaakt. Een Oost-Duitser, nou ja zeg. Kroos is daarentegen een Duitser uit Greifswald.

    In de politiek zijn er ook dat soort momenten van reflectie. Op 6 juni van dit jaar was bondskanselier Angela Merkel aanwezig bij de feestelijkheden ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de landing in Normandië. De staatshoofden en regeringsleiders van de voormalige geallieerden hadden haar uitgenodigd. Hun landen waren destijds de overwinnaars, de Duitsers waren teruggedrongen en West-Europa kon worden bevrijd.

    Maar wie stond er in het middelpunt op die jubileumdag? Angela Merkel. Vanaf maart was de crisis in Oekraïne aan het escaleren en de wereld keek naar haar. Zou zij erin slagen Vladimir Poetin tot rede te brengen? Niet echt, maar desondanks kwam Merkel bijna zeventig jaar na het einde van de oorlog over als een wereldleider. De mensen wreven zich de ogen uit.

    Het Duitsland van 2014 is een heel ander Duitsland dan dat van 1984, een ander Duitsland dan dat van 1994, een ander Duitsland dan dat van 2004. Twee relatief nieuwe indrukken komen samen: ongedwongenheid en gewicht.

    Anders gezegd: er is een nieuw Duitslandgevoel.

    De gesteldheid van een natie blijkt uit twee componenten: de situatie in het binnenland en de verhouding met andere landen. Normaal gesproken vloeit het tweede voort uit het eerste. Daarom zouden we ons moeten afvragen: waar komt die ongedwongenheid vandaan? En hoe presenteren de Duitsers zich aan de wereld? We vragen het hunzelf, in de dagen na de 7-1-overwinning.

    Toni Kroos was het brein op het WK, dat hij Oost-Duitser is speelt geen rol

    De Duitsers waren lange tijd verkrampt omdat hun land in tweeën was gedeeld. Ze wisten niet eens wie ze waren. Duitsers? Ergens wel, maar andere Duitsers dan die achter de Muur? West-Duitsers, Oost-Duitsers, DDR-burgers. West-Duitsers zeiden ook bewust: Europeanen.

    De Bondsrepubliek en de DDR waren zeldzaam definitieve provisoria. Vrijwel iedereen ging ervan uit dat de deling permanent zou zijn, maar de conservatieven in het westen moesten wel benadrukken dat het doel van eenheid niet zou worden opgegeven, absoluut niet, nooit. En de linkse partijen moesten wel zeggen dat er geen eenheid mocht komen, want dan zouden de Duitsers een Derde Wereldoorlog ontketenen, zeker weten, onherroepelijk.

    Zo beet men zich vast in een virtueel debat, en toen kwam plotseling de eenheid en beet men zich nog steviger vast. De Duitsers bouwden een Muur in hun hoofd. Oost-Duitsers klaagden over het verdwijnen van arbeidsplaatsen, veiligheid, gemeenschappelijkheid. West-Duitsers klaagden over het wegvloeien van miljarden voor de opbouw van het Oosten.

    Nu ziet dat er anders uit. Natuurlijk valt er nog altijd wel iets te klagen, maar over het geheel genomen is de eenwording geslaagd. De Derde Wereldoorlog is niet uitgebroken, steden als Leipzig, Dresden en Jena bloeien, en zelfs met Mecklenburg-Vorpommern gaat het de goede kant op. Sommige ouderen verlangen misschien nog wel terug naar de knusheid van de DDR of West-Duitsland, maar de jongeren leven heel vanzelfsprekend in hun vaderland.

    De Duitsers zijn een volk geworden, zijn Duitsers geworden. Voorvoegsels kunnen worden weggelaten. Dat maakt ze een stuk losser.

    Immigratieland

    De 47-jarige Bajram Avdijaj is 22 jaar geleden vanuit Albanië naar Duitsland geëmigreerd. Nu staat hij achter een kraam met groente en fruit op de Viktualienmarkt in München, de meest internationale plek van de stad.

    Avdijaj zegt dat hij niets met sport heeft, net zoals hij ook helemaal zonder religie is opgevoed. Een patriot is hij ook niet echt, maar hij merkt wel hoe de mensen om hem heen veranderen. ‘Maar dat mag toch ook, of niet?’

    Hij is half Albanees, half Duitser, ‘vanuit het gevoel,’ zegt hij. Hoewel, sinds die avond van de halve finale is hij misschien een beetje meer Duitser dan Albanees. ‘Desondanks ben ik voor Argentinië. Ik weet niet, Messi is gewoon de beste, geniaal. Maar die Argentijnen slaan altijd zo veel kruisjes, vier, vijf keer achter elkaar, daar moet je van houden, zoiets hebben de Duitsers gewoon niet. Die doen wat er gedaan moet worden. Er wordt niet gebeden op het veld. Dat helpt uiteindelijk ook niet. Je moet zien wat er gebeurt, dat is het. Dat is Duits. Dat ligt me meer.’

    ‘Duitsland ontwikkelt zich meer en meer tot een modern immigratieland,’ schreef de Neue Zürcher Zeitung in juni. Ook daarin is iets wezenlijks veranderd.

    Wie is Duitser? Wie mag er Duitser zijn? Dubbel paspoort of niet, greencard? Deze onaangename discussies zijn decennia lang gevoerd. De Bondsrepubliek maakte het mensen die geen ‘Duits bloed’ hadden moeilijk om hiernaartoe te komen of zelfs Duitser te worden. Als je anders bent dan ik, dan hoor je er niet bij. Een enorm krampachtig gedoe.

    De acceptatie van mensen met een migratieachtergrond is toegenomen

    En nu: immigratieland. Volgens cijfers van de OESO stond Duitsland in 2012 op plaats twee voor wat betreft duurzame immigratie, na de VS. Circa 400.000 mensen wilden zich voor langere tijd in Duitsland vestigen. En dat mogen ze, de drempels zijn verlaagd. ‘De islam hoort inmiddels ook bij Duitsland,’ zei de toenmalige Bondspresident Christian Wulff in 2010, en na die uitspraak gaat er niemand meer terug.

    Immigratie en integratie blijven evenwel lastige onderwerpen. Die Union [CDU/CSU] is nog steeds niet aan de gedachte gewend dat Duitsland een immigratieland is, en met vluchtelingen zou je bovendien wat liberaler kunnen omgaan. Aan de andere kant zou menige migrant beter zijn best kunnen doen om te integreren.

    hetnieuweduitslandgevoel03

    Maar men beweegt naar elkaar toe. In een studie van het Berlin-Institut für Bevölkerung und Entwicklung met de titel ‘Nieuw potentieel – Over de toestand van de integratie in Duitsland’ staat dat de maatschappelijke acceptatie van mensen met een migratieachtergrond is toegenomen. En deze passen op hun beurt hun leefwijze langzamerhand aan die van autochtone Duitsers aan.

    Onlangs nam het gymnasium Graues Kloster in Berlijn afscheid van zijn geslaagden. De vertegenwoordigster van de ouders maakte zich in haar toespraak sterk voor een ‘Buntes’ [kleurrijk] Kloster, omdat er op deze school vrijwel geen kinderen van immigranten zijn. Zelfs in dat bolwerk van homogeniteit is iets gaande. Ene Otto von Bismarck ging hier ooit naar school. In 1871 stichtte hij het Duitse Rijk.

    Dus we zijn een volk, en wel een kleurrijk volk. Ook dat maakt losser. Voor het Duitse elftal zijn migranten toch al onmisbaar.

    Burkhard Kieker stond paf toen hij afgelopen dinsdag de Grand Khaan in het centrum van Ulaanbaatar binnenliep. Het was tegen vier uur ’s nachts, maar desondanks verdrongen zich honderden Mongolen voor de beeldschermen in de kroeg. De meesten hadden hun wangen zwart-rood-geel geverfd. Na het eindsignaal vielen ze Kieker en zijn gezelschap om de hals en gaven een rondje. ‘We waren de sterren van de avond,’ aldus Kieker. ‘Vroeger werden Duitse voetballers hier beschouwd als tanks die linea recta op hun doel af rolden, tegenwoordig worden ze gevierd als een soort kunstenaars.’

    Kieker is vertrouwd met juichverhalen. Als hoofd Toerisme van Berlijn heeft hij een van de leukste banen ter wereld. Hij moet zijn stad in andere landen verkopen, maar dwepen is daarbij niet nodig. Van Berlijn hoeft hij niemand te overtuigen.

    Berlijn is de metropool van het lossere Duitsland. Zonder Berlijn zou Duitsland nog altijd een provinciaal land zijn. Dat is verbazingwekkend, want de Berlijner staat nu niet bepaald bekend als wereldburger.

    Maar hier heeft Duitsland zichzelf in de vroege jaren negentig genegeerd en een sprong in het coole diepe gewaagd.

    Zonder Berlijn zou Duitsland nog altijd een provinciaal land zijn

    Na de val van de Muur was het oosten van de stad enige tijd vrijwel niet aan regels gebonden. Veel jonge West-Duitsers waagden de stap en verwierven er samen met jonge Oost-Duitsers nieuwe vrijheden. Er werd niet gevraagd naar vergunningen of huurovereenkomsten, je ging gewoon wonen en dansen waar je wilde. Het was goedkoop, er was veel ruimte. Men stond open voor het andere en anderen, een openheid die de hele wereld omvatte. En die kwam dan ook.

    Vooral de feestvierders kwamen, en Berlijn werd de partyhoofdstad van de wereld. Dat trok kunstenaars en steeds meer toeristen, die niet allemaal langs de portiers van technoclub Berghain komen, maar in Berlijn willen zijn geweest en zich huppelend en springend voor de Brandenburger Tor laten fotograferen. Ze ervaren Berlijn als een stad van ongedwongenheid.

    Dat geldt ook voor de Duitsers. Berlijn straalt af op mensen. Ook Bielefelders en Würzburgers nemen iets van het levensgevoel van de metropool met zich mee naar huis. De oorspronkelijke ongeregeldheid is weliswaar verdwenen en gecommercialiseerd, maar er is nog een beetje van over, op nieuwe, snel wisselende plekken. Berlijn is een belangrijk onderdeel van het nieuwe Duitslandgevoel.

    En wie een heel bijzondere vorm van de Duitse ongedwongenheid wil ervaren, moet eveneens naar Berlijn reizen. Het liefst met het vliegtuig over Schönefeld, want dan is vanuit de lucht een mooi groot luchthavengebouw te zien, fonkelnieuw en leeg. Al ruim twee jaar geleden stond de opening ervan gepland. Falende ingenieurs, een hoofd technische dienst dat wordt verdacht van corruptie, verspilling van miljarden. Is dat hoe we zijn? Ja, zo zijn we ook.

    Adolf Hitler

    Klaus Richter zit in de SchillerGarten in Dresden. Naast een gaslantaarn onder de kastanjebomen staat een groot beeldscherm; in de miezerregen zitten een paar mensen zich te vervelen bij de halve finale Nederland-Argentinië. Vroeger was Friedrich Schiller hier stamgast. Het Schiller-Institut beschrijft zijn houding tegenover de wereld als volgt: in zijn werken maakte hij duidelijk ‘dat de mens hogere plichten heeft dan zijn persoonlijke voorkeuren, dat hij patriot moet zijn en wereldburger, wat geen contradictie is omdat het belang van een natie nooit mag indruisen tegen het belang van de wereld’.

    Is Klaus Richter een patriot? Peinzend staart hij in zijn bier. Natuurlijk is hij blij als de Duitsers in de finale staan, zegt hij. Maar hij zou nooit gaan rondrijden met vlaggetjes op zijn auto. ‘Je kunt in Duitsland niet zo ontspannen omgaan met de symbolen van het land als in de VS of andere landen.’ De geschiedenis van het land is daarvoor te ambivalent, vindt hij.

    Daar is hij weer. Adolf Hitler wandelt door Duitse straten, belt aan bij mensen of slentert over de Fanmeile en heeft het met Duitse supporters over de kansen op een ‘Endsieg’. Hij draagt het bekende uniform en heeft natuurlijk een klein snorretje. In werkelijkheid is het een acteur. Hij speelt Hitler in de verfilming van de bestseller Er ist wieder da, waarin Hitler terugkeert naar de Duitsers.

    Was hij ooit weg dan? De Duitse bedruktheid had voor een groot deel te maken met het naziverleden. Geen enkel ander volk heeft de wereld zulke gruwelijkheden aangedaan, geen enkel ander volk heeft zich zo schuldbewust en intensief met de geschiedenis van zijn misdaden beziggehouden. Dat was nodig om te begrijpen wat er Duits aan was en dus opnieuw zou kunnen gebeuren. Dat was nodig om signalen af te geven aan de wereld dat men het heeft begrepen. Maar het zorgde ook voor een zelfverduistering, die niet alleen voor Duitsers moeilijk te verdragen was. Soms ook voor anderen.

    Deze debatten worden nog altijd gevoerd. Niets houdt Duitsers méér bezig dan een terugkeer van Hitler, in welke vorm dan ook. Een hakenkruis op de huid van een Russische zanger in Bayreuth: groot debat. Een roeister van de Duitsland Acht die een relatie heeft met een neonazi: groot debat. Een regelrecht schandaal is het dat de Nationalsozialistischer Untergrund (NSU) jarenlang migranten kon vermoorden zonder de aandacht te trekken van politie en justitie.

    Ook anderen houden ons graag gevangen in onze geschiedenis. Zelfs de halve finale tegen Brazilië, dat feest van schoonheid en ongedwongenheid, bewoog mensen ertoe de nazitijd in herinnering te roepen. ‘De Duitsers zijn een vreemd land binnengetrokken en hebben het commando overgenomen. Hoe verrassend’, twitterde ene Binyamin Appelbaum. Rob Delaney schreef: ‘Duitsland, ontspan. Het zijn geen Polen.’

    Hitler is geen grap, maar je kunt er wel weer een paar over hem maken. Ook als Duitser, zoals Timur Vermes, wiens boek Er ist wieder da een bestseller is.

    Herinneren betekent vandaag de dag niet: niet lachen, niet vrolijk kunnen zijn. De Duitsers hebben zich voor een groot deel bevrijd van de zelfverduistering. Dat was voor het eerst goed zichtbaar tijdens het WK 2006 in Duitsland, toen ze de wereld een heerlijk voetbalfeest voorschotelden. Herinneren gaat nu gepaard met ontzetting en droefheid, maar zonder totaal te verkrampen.

    De 28-jarige Philipp Stültgens werkt als kok op Sylt. Op zijn vrije woensdagavond is hij met vrienden naar de haven gekomen om voetbal te kijken. Het succes van het Duitse elftal maakt hem trots, zegt Stültgens. ‘Op ons elftal en op ons land.’ Typisch Duits betekent voor hem: veel inzet tonen, de wil om naar voren te gaan. ‘We zijn niet voor niets wereldkampioen export.’ Of hij zichzelf typisch Duits vindt? ‘Nou ja, ijverig ben ik wel.’

    Ook Duitse deugden dragen bij aan de Duitse ongedwongenheid. Dankzij ijver, discipline en volgzaamheid groeit de welvaart, die op zijn beurt het leven licht maakt en het humeur bevordert.

    Duitsland beleeft een klein wirtschaftswunder in de zomer van 2014. Meer dan 42 miljoen werkenden, nog nooit hadden zo veel mensen een baan. De lonen zijn sterk gestegen en vanwege de lage rente is het niet lonend om het geld op een spaarrekening te laten verkommeren. De Duitsers gaan winkelen tot hun armen uitrekken van de zware tassen. En winkelen kan gelukkig maken.

    Doorlopend stellen de economische voorspellers hun prognoses naar boven bij: dit en komend jaar zou de economie met meer dan 2 procent kunnen groeien. Voor een gevestigde volkseconomie is dat een goed cijfer.

    Duitsland profiteert ervan dat het land al rond de millenniumwisseling de update voor de eenentwintigste eeuw heeft geïnstalleerd. Het model van het gezapige kapitalisme, waarbij de winkels op zaterdag al om twee uur ’s middags sloten en je het op zondag zonder verse broodjes moest doen, is verleden tijd.

    De economie en de maatschappij hebben zich aangepast, wat vooral betekent: geflexibiliseerd. De bedrijven hebben hun processen ingesteld op efficiëntie en hun productengamma aangepast op de behoeften van de opkomende industrielanden.

    ‘Ook de Hartz-hervormingen en het gezond verstand van de sociale partners hebben bijgedragen aan de positieve ontwikkeling,’ zegt Clemens Fuest, leider van het Zentrum für Europäische Wirtschaftsforschung. Voor veel werknemers was een zekere arbeidsplaats belangrijker dan sterke loonstijgingen met de kans op ontslag. Jarenlang stegen de reële lonen in geen enkel Europees land zo bescheiden als in de Bondsrepubliek.

    Duitsland lijkt zo tevreden met alles dat het de status-quo het liefst zou willen invriezen

    In 2003 doorbrak bondskanselier Gerhard Schröder de sociale consensus. Tot dan toe gaf de staat aan zijn burgers, en wat hij eenmaal had gegeven, nam hij niet terug. Schröder was de eerste die werklozen flink liet inleveren. Dat zorgde voor een slechte sfeer in het land, maar tegelijkertijd bleek dat Duitsland te hervormen was. De mensen volgden hun vakbonden, volgden Schröder, zij het morrend. Een grote opstand bleef uit.

    Zijn opvolgster heeft het nu goed. De groei geeft Angela Merkel de mogelijkheid cadeautjes uit te delen. Dat doet ze dan ook kwistig: extra pensioenverhogingen, oudertoeslag, geld voor kinderzorg, pensioen vanaf 63 jaar, pensioenopbouw tijdens de zorg voor een kind. Er is geen economische reden om daar zorgelijk over te doen, althans nu niet. Toekomstige generaties zullen ervoor moeten opdraaien.

    Andere redenen zijn er wel, maar alleen voor mensen die vinden dat democratie levendig moet zijn en leeft van de strijd tussen standpunten. Merkel ziet dat anders, zij heeft althans de spanning uit de Duitse democratie gehaald. Ze probeert in alle rust met haar coalitie te regeren, zorgt niet voor opwinding met onredelijke politieke of economische eisen en krijgt daarvoor veel waardering van de Duitsers.

    Ze worden niet gehinderd door de politiek en maken zich hooguit regionaal druk omdat er een station wordt gebouwd of een elektriciteitsmast wordt geplaatst. Duitsland wekt momenteel de indruk dat het zo tevreden is met alles dat het de status-quo het liefst zou willen invriezen. Geen nieuwe infrastructuur, geen nieuwe kanselier en zo min mogelijk politiek. Een nieuwe biedermeiertijd lijkt te zijn aangebroken.

    Soevereine staat

    De 47-jarige Dagmar Donabauer zit op woensdagavond om half tien ’s avonds in muziekcafé Spectacel in Inning am Ammersee, vlak voor het begin van de tweede halve finale. Ze is personeelsconsulente in Gilching. Ze heeft het over ‘wij’ en ‘ons’ als ze over het nationale elftal praat.

    Voor Donabauer is ‘in 2006 plotseling alles veranderd, tijdens het WK. Toen begonnen de mensen, en ook ik, pas echt door te krijgen dat ze trots mochten zijn op hun land, zonder die bijsmaak. Toen konden we de vlag laten zien, dat was de ommekeer, en de wereld vond het prima dat we met onze vlaggen zwaaiden, men zag het niet langer als nationalistisch.’ Het taboe ‘om openlijk blij te zijn voor Duitsland was doorbroken,’ zegt ze.

    Dagmar Donabauer is Oostenrijkse. Er moet echt een hoop zijn veranderd aan de rol van Duitsland in de wereld dat Oostenrijkers zo enthousiast kunnen raken over het Duitse voetbal.

    Helmut Kohl heeft ooit in één zin de verhouding tussen Duitsland en de Europese Unie gedefinieerd: ‘Elke voor Europa uitgegeven mark is goed besteed geld.’ Angela Merkel is daar niet zo euforisch over.

    Kohl en zijn voorgangers zagen de Bondsrepubliek niet in de eerste plaats als individueel land, maar als onderdeel van bondgenootschappen. De vroegere kanseliers moesten de voormalige paria van de wereld eerst terugleiden naar de wereldgemeenschap, en dat deden ze via Europa en de NAVO. De West-Duitsers hadden belang bij een versmelting met het Westen, en tegelijkertijd bij een goede relatie met de landen van het Warschaupact. Dit alles gebeurde onder toezicht en de nucleaire paraplu van de Amerikanen. Tot 3 oktober 1990 was de Bondsrepubliek niet echt een soevereine staat.

    Angela Merkel heeft een heel ander Duitslandgevoel. Er is eenheid en daarmee soevereiniteit. Er is economische bloei, waarbij Frankrijk en de zuidelijke partners van de EU een slecht figuur slaan. De nazitijd, die zij zelf niet heeft meegemaakt, is weer een paar jaar langer geleden. Het Duitse imago in de wereld is verbeterd, wat ook te maken heeft met de voetbalfeesten sinds 2006.

    De Duitse ongedwongenheid gaat gepaard met een sterker zelfbewustzijn. We tellen weer mee, deel 2. Deel 1 werd gemarkeerd door de Duitse overwinning op het WK van 1954 en het Wirtschaftswunder. Nu zijn de Duitsers ook politiek zelfbewust. Wat doen ze daarmee?

    Merkel voert in Brussel een politiek van nationaal belang en haar Duitsers vinden dat goed. Nationaal belang betekent in dit geval: de eigen welvaart behouden en uitbouwen. Ze denkt bovendien expansief. Ze wil dat de andere Europeanen hun economie even efficiënt en effectief inrichten als de Duitsers. Ze spoort hen aan tot hervormingen, opdat Europa als geheel een sterke positie in de wereldeconomie zal gaan innemen. Daaruit vloeit politieke invloed voort, die Merkel weer voor de Duitsers en hun exportmogelijkheden wil gebruiken. Want in Europa mag de Bondsrepubliek groot zijn, wereldwijd is het land klein.

    Een Duitse kanselier die expansief denkt? Ook op dat punt is er een hoop veranderd. Het is alleen mogelijk omdat Merkel haar doelen in stilte en met terughoudendheid nastreeft. Anders zouden haar collega’s in Europa zich heviger verzetten dan tot nog toe. Ze streeft een nuchter nationalisme na, zonder pathos, zonder symboliek, zonder doordrammen, maar wel nadrukkelijk.

    Veiligheid

    Hendrik Groβe Lefert zit de dag voor de wedstrijd tegen Brazilië in de lobby van het hotel in Belo Horizonte waar de Mannschaft verblijft. Het hoofd Veiligheid van de Duitse voetbalbond DFB is afgetraind en heeft zijn donkere overhemd wijd openstaan. Hij heeft veel zorgen op dit WK. Zo kon de Duitse selectie het basiskamp alleen per veerboot bereiken. Groβe Lefert heeft er samen met de lokale autoriteiten in Porto Seguro voor gezorgd dat duikers van de Braziliaanse politie voor elke tocht van de veerboot het water op bommen afzochten. Er is niets gevonden.

    In de eerste week van het toernooi was hem gemeld dat iemand op het strand een drone wilde laten opstijgen, vertelt het hoofd Veiligheid. Later bleek dat een reclamebureau er een schip mee wilde fotograferen.

    Veiligheid is een bijzonder thema voor Duitsers. Sinds de eenwording en sinds de wereld hen weer vertrouwt, verwachten de VN, de NAVO, de Amerikanen en de Fransen dat ze ook wat betreft veiligheid verplichtingen op zich nemen, zo mogelijk met het leger. Maar op dat gebied willen de Duitsers geen leidende rol spelen, Merkel noch de burgers.

    Bondspresident Joachim Gauck werd voor “walgelijke oorlogshitser” uitgemaakt

    De inzet in Afghanistan is al te veel gevraagd, in Libië wilden ze niet actief zijn, in Mali en in de Centraal-Afrikaanse Republiek nemen ze taken op zich waarbij Duitse soldaten nauwelijks iets hoeven te riskeren. De Duitsers hebben genoeg van oorlog.

    Ze zijn er ook niet meer zo zeker van of ze wel volledig bij het Westen willen horen. Bij een recente enquête van de Körber-Stiftung vond 56 procent van de Duitsers dat in de toekomst meer met de Amerikanen zou moeten worden samengewerkt. Maar 53 procent zei hetzelfde over de Russen.

    Tijdens de crisis in Oekraïne heeft de Duitse regering goed nagedacht over wat men zou doen als de Russen een van de Baltische NAVO-landen zouden aanvallen. Een van de opties was zich op militair vlak afzijdig houden, ondanks het bondgenootschap. Daarmee zou de westerse alliantie op losse schroeven komen te staan. Waar natuurlijk vrijwel niemand daadwerkelijk op uit is.

    De Amerikanen maken het de Duitsers echter moeilijk om aan hun kant te staan. Twee vermoedelijke spionnen zijn onlangs ontmaskerd: een brutaliteit van de Amerikanen, die daarmee een bondgenoot vernederen.

    Het politieke profiel van Duitsland ziet er momenteel als volgt uit. Wat de binnenlandse politiek betreft zijn de Duitsers buitengewoon tevreden. Ze worden in de watten gelegd door de coalitie van Merkel en zien vrijwel geen reden om ruzie met elkaar te maken. Op het gebied van de buitenlandse politiek ontbreekt de oriëntatie en daarom is alles omstreden. Vroeger speelde de Bondsrepubliek de rol van de beste Europeaan en de beste vriend van de VS. Dat is verleden tijd. Maar hoe het nu verder gaat?

    Toen Bondspresident Joachim Gauck een grotere betrokkenheid bij de wereld eiste, werd hij door een linkse politicus voor ‘walgelijke oorlogshitser’ uitgemaakt. Veel Duitsers zouden het liefst een pijnontwijkende houding aannemen, het geld in eigen zak houden, de eigen soldaten ontzien. Zo kan de ongedwongenheid worden behouden. Maar egoïstisch is het ook.

    Nieuwe biedermeiertijd, nuchter nationalisme, egoïstische houding: wat geeft dat voor een totaalbeeld? Geen 7-1, dus niet de pure schoonheid. Van een ontspannen Duitse natie is nog geen sprake, eerder van een lossere natie. Ze wordt langzamerhand zichzelf, maar heeft nog moeite met haar plaats in de wereld. Moet het een stil hoekje zijn? Of een leidende positie, passend bij de omvang en de welvaart van het land? Hier ontbreekt een bondscoach die een duidelijke lijn uitstippelt.

    De 50-jarige Markus Werner werkt al 28 jaar als reddingszwemmer in Westerland op Sylt. Hij ontmoet zijn landgenoten tijdens de weken dat ze erg ontspannen zouden moeten zijn, maar hij vindt ze niet ontspannen. Nu eens komt de wind uit de verkeerde richting, dan weer is het zand niet fijn of het water niet warm genoeg. Maar dat verandert allemaal tijdens een WK, zegt Werner. De mensen hebben dan ‘een reden om de mondhoeken omhoog te trekken’. Eigenlijk, vindt Markus Werner, zou er twee keer per jaar een WK moeten zijn.

    Goed idee.