Tag: Duitsland

  • Hoe Leipzig ‘Hypezig’ werd

    Hoe Leipzig ‘Hypezig’ werd

    Na de Duitse hereniging ging het een tijdlang bergafwaarts met Leipzig. Maar inmiddels beleeft de duizend jaar oude stad een opmerkelijke renaissance en steekt ze zelfs Berlijn naar de kroon.

    Vaak is het zo dat een droom lange tijd in 
stilte groeit, voor hij in het volle licht treedt. In Leipzig ging dat anders – daar brak die droom met een oerkreet naar buiten, de oerkreet 
van tienduizenden dolgelukkige voetbalfans die de sensatie vierden met gejuich en gezang. Een oerkreet die oversloeg op een hele stad.

    Het was op een avond, laat in de zomer van 2016, 
dat Naby Keita in het stadion van RB Leipzig na 89 zenuwslopende minuten de bal achter de doelman van Borussia Dortmund in het net joeg. Bierbekers vlogen door de lucht, fans vielen elkaar in de armen, iedereen ging uit zijn dak – Leipzig deed weer mee.

    1-0 tegen de nummer twee van Duitsland, het was de eerste zege in de Bundesliga voor de pas gepromoveerde ploeg waar heel veel Duitse voetbalfans op neerkijken. Tot dan toe was het een kwestie geweest van willen en de beurs trekken. Red Bull koopt een club, en die wordt door iedereen gehaat. Leipzig 
trotseerde die haat, stad en club vonden elkaar, bijna elke thuiswedstrijd was al weken van tevoren uitverkocht. Maar de avond waarop Naby Keita de Borussen versloeg, was het echte moment waarop de haters 
de mond werd gesnoerd. Het was de dag waarop ze in Leipzig openlijk begonnen te dromen.

    Een café in de populaire wijk Connewitz. – © Getty Images
    Een café in de populaire wijk Connewitz. – © Getty Images

    Negen maanden later is die droom werkelijkheid geworden. RB – de twee letters staan voor RasenBallsport (balsport op gras), maar natuurlijk ook voor sponsor Red Bull – eindigt in de competitie op de tweede plaats, voor Borussia Dortmund; het hoeft alleen het oppermachtige Bayern voor zich te dulden.

    Wanneer de ploeg in de laatste thuiswedstrijd uiteindelijk met 4-5 het onderspit delft tegen de landskampioen uit München, maakt de frustratie al snel plaats voor trots. Deze club, dweept burgemeester Burkhard Jung, ‘staat symbool voor de opleving van een totale stad’.

    De neergang van Leipzig werd ingezet ten tijde van de DDR en bereikte haar dieptepunt bij de Duitse hereniging, toen hele reeksen fabrieken gesloten moesten worden. Nu laat de stad deze neergang 
niet alleen achter zich, maar zit ze weer in de lift, met een ongelooflijke dynamiek – en niet alleen in de Bundesliga. Jung heeft gelijk: RB is geen doekje voor het bloeden, maar staat symbool voor die bloei.

    Het zijn figuren zoals Naby Keita waardoor de mensen worden meegesleept. Aanvankelijk had hij zich in Leipzig eenzaam gevoeld, zo vertelt de 22-jarige middenvelder, die het voetbal leerde in de straten van de Guineese hoofdstad Conakry. Tegenwoordig 
is er vaak een hele entourage om de speler heen, vrienden en familie. Vooral dankzij maman, zijn 
moeder, voelt hij zich in Leipzig inmiddels thuis. Maar heel goed kent hij zijn nieuwe vaderstad nog niet. Daarvoor ontbreekt het hem aan tijd.

    Ook andere sterren houden van de stad. Ze hebben gehoord dat het er anders moet zijn dan elders in het oosten van Duitsland. In Berlijn of Hamburg hoor je vaak zeggen: ‘Als ik op een andere plek in Duitsland zou moeten wonen, dan alleen in Leipzig.’ Sommigen doen dat ook. Nog maar kort geleden kocht Elyas M’Barek, het tieneridool uit Fack Ju Göhte [een populaire Duitse filmkomedie uit 2013], die eigenlijk in München woont en vaak in Berlijn is, een villa aan 
de zuidkant van het centrum.

    Wel bijzonder: deze stad is niet klein te krijgen. Er steekt in haar iets dat steeds weer de kop opsteekt, naar de top, de wereld in. Die kwaliteit wekte niet alleen bewondering, maar ook jaloezie en nijd. De altijd felle Maarten Luther trok in de vroege jaren veertig van de zestiende eeuw al van leer tegen 
‘hoererij en woeker’ in de jaarbeursstad. Ook de zich als edelman voordoende August Maurer die brieven schreef over Leipzig im Taumel (Leipzig in roes), stelde het zedenverval aan de kaak. ‘Zo veel lage schepsels en verdorven meisjes kan men alleen aantreffen 
tijdens de Leipziger jaarbeurs’, schreef hij aan het eind van de achttiende eeuw.

    In Dresden zijn ze alleen heimat en verder vooral op zichzelf. In Berlijn zijn ze alleen wereld, maar kennen 
ze geen heimat. Leipzig wil beide. Leipzig is beide

    Maar met de start van de eenentwintigste eeuw begon de hype. Toen ontdekte The New York Times Leipzig als ‘the better Berlin’, tenminste voor jonge creatievelingen. Ook de Britse Guardian zag een stad ‘better than the capital’. Al gauw prezen alle lokale kranten ‘Hypezig’ de hemel in.

    Wie zich afvraagt wat deze stad heeft wat andere steden niet hebben, moet misschien maar eens een blik werpen op de menukaarten en de namen van nieuwe horecagelegenheden. Ook hieruit spreekt 
de geest van de stad. Königsberger Klopse (een Oost-Pruisische specialiteit) en ook de nodige gerechten met curry. Bier van hier en rum van ver, dat alles overgoten met een zoet smakend restje communistische saus.

    ‘Subbotnik’ heet een restaurant, genoemd naar de extra werkdag die de arbeiders in de Sovjet-Unie aan hun Partij moesten schenken. ‘Werk 2’ luidt de naam van een cultuurcentrum in het stadsdeel Connewitz. De grote fabriekspoort roept beelden op van de proletarische massa’s die hier ooit onderdoor liepen. Wie de DDR heeft meegemaakt, zal het zich zeker kunnen herinneren.

    Dat is het: de heimat, maar ook de wereld. In Dresden zijn ze alleen heimat en verder vooral op zichzelf. In Berlijn zijn ze alleen wereld, maar kennen 
ze geen heimat. Leipzig wil beide. Leipzig is beide.

    © HH
    © HH

    Iemand die zich hierdoor aangetrokken voelde, is Lizette Ardelean. Het is het oeroude verhaal van het zoeken naar de juiste plek om te wonen – een plek die schittert, die een belofte betekent. Ardelean is twintig als ze het Roemeense Oradea inruilt voor Leipzig.

    Drie jaar geleden is dat nu en ze belandt meteen 
in de legendarische katoenspinnerij van Plagwitz, een gigantische fabriek die een plek voor de kunsten werd. Galeries, ateliers van bekende schilders en tweemaal per jaar de zogeheten spinnerijrondgang. Dan trekt half Leipzig door haar wereldberoemde kunstfabriek en mengt de lokale bevolking zich 
tussen verzamelaars en kenners die van over de hele wereld komen. Bij de allereerste rondgang, zo vertellen de Leipzigers elkaar, zouden alle parkeerplekken voor privéjets op de luchthaven bezet zijn geweest.

    Ardelean woont een tijdje met een kunstenaarsechtpaar in hun loft in de spinnerij. ‘Een mooie tijd,’ zo herinnert ze zich. Ze krijgt van hen een fiets en in haar eerste zomer in Leipzig doet ze daarmee wat iedereen hier doet: de stad verkennen, overdag en ’s nachts. En ook de vele meren buiten de stad.

    Aan het eind van die eerste zomer begint ze met bloggen en zet ze een magazine op dat ze Effusive noemt. Nog altijd verwondert ze zich over het gemak waarmee zij als buitenlandse journaliste hier voet aan de grond kon krijgen. De mooie tijd in de spinnerij ligt achter haar; ze woont nu in het duidelijk minder hippe Altlindenau.

    Die wijk heeft twee gezichten, vertelt ze. Overdag 
is het er rustig, je ziet veel vriendelijke gezichten en treft er winkels aan die zo Oost-Duits aandoen dat sommige toeristen denken dat deze speciaal voor hen zijn ingericht. Maar het is gewoon nooit gestopt – de lampen, de behangsels, de ragouts en dat typische DDR-softijs, het is er allemaal gewoon nog. Maar wanneer de zon onder is, toont de wijk zich van zijn minder vriendelijke kant – dan slaan de bierglazen tegen de stoep en trekt de wijk nachtbrakers en zwervers aan.

    Goedkope huren, goedkoop bier

    Hier wonen studenten, creatievelingen, jonge gezinnen. Bij Subbotnik kost een biertje 1,80 euro. Goedkope huren, goedkoop bier – voor veel studenten twee goede redenen om naar Leipzig te komen. Maar ook hier is verandering merkbaar, stijgen de huren en dus trekken veel mensen weer weg.

    Maar dat geldt niet voor Lara Rüter. Voor nog geen 1000 euro kan zij in Eutritzsch leven, een stadsdeel in het noorden van Leipzig. Voor een metropool 
zoals Berlijn zou zoiets onvoorstelbaar zijn. De 26-jarige vrouw studeert aan het Duitse Instituut voor Literatuur. Ze is geboren in Hannover en belandde via Hildesheim en Berlijn in Leipzig. ‘Hier is mijn thuis,’ zegt ze over haar tweede vaderstad.

    Het instituut waarvan de oorsprong teruggaat op 
het jaar 1955, is vergeleken bij de eerbiedwaardige bakens van Leipziger cultuur zoals het Gewandhaus (concertgebouw) en het koor van de Thomaskerk (waarvoor Johann Sebastian Bach als cantor werkte) bepaald jong. Afgestudeerd aan het instituut zijn onder meer Clemens Meyer en Juli Zeh [allebei 
succesvolle Duitse romanschrijvers].

    Ook blogster Ardelean wil studeren. Fotografie, aan de Hogeschool voor Grafiek en Boekkunst, een van 
de oudste openbare kunstacademies van Duitsland. Berlijn is haar te groot, zegt ze. In Leipzig maak je gemakkelijker vrienden. Leipzig is het Berlijn voor 
de lafaards, zeggen spotters.

    De Leipzigers – ook de nieuwe – ergeren zich over 
al die vergelijkingen met Berlijn. Voor een traditiebewuste Saks is Berlijn een parvenu: als grote stad nog geen honderdvijftig jaar oud. Vergelijk dat eens met Leipzig, dat in haar duizendjarige geschiedenis al vaak in een heel andere divisie speelde. De stad beschikt over een aanzienlijk niveau en ligt ‘een paar flinke mijlen boven de cultuurzeespiegel Berlijn’, schreef de grote journalist Joseph Roth in een reisrapportage uit 1922. ‘Leipzig is de literaire graanschuur van de Duitse landen. Vanuit hier gaan 
lectuur en lexicon de wereld over. Met name deze stad maakte van het Duitse Rijk het land van de meeste geletterden.’

    Jongeren in een plantsoen bij het Thomaskirchhof, in de oude binnenstad. – © Bram Belloni / HH
    Jongeren in een plantsoen bij het Thomaskirchhof, in de oude binnenstad. – © Bram Belloni / HH

    Maar ook in recentere tijden heeft Leipzig goede redenen voor een solide zelfbewustzijn tegenover de hoofdstad. In de herfst van 1989, toen de maandagse demonstraties aanzwollen en uiteindelijk tienduizenden Wir sind das Volk roepend over de ringweg rond de binnenstad trokken, was het Leipzig dat 
als Heldenstadt gevierd werd. en niet Berlijn, waar de SED-elites erin slaagden het protest min of meer in de hand te houden.

    En zo staat niet Berlijn maar juist Leipzig voor de vrijheidsrevolutie van 1989. Rebels was de stad altijd al. In 1965 gingen bij de zogenaamde Beatkrawalle honderden de straat op om te protesteren tegen 
het verbod op beatmuziek – maar liefst 54 van de 
58 officieel geregistreerde bands in de stad werden 
toen verboden.

    Toen Siegfried Bülow aan het begin van de jaren negentig in het weekend terugkeerde naar zijn 
flat in Chemnitz en vanaf zijn balkon op de elfde verdieping uitkeek over het Ertsgebergte, dacht hij dat het hem gelukt was. De in 1952 geboren Saks had al tijdens de DDR carrière gemaakt. Na een opleiding tot instrumentmaker studeerde hij machinebouw 
en schopte het tot directeur van de Chemnitzer Motorenwerke.

    Toen later het Volkswagenconcern het bedrijf overnam, bood deze autofabrikant ook Bülow een baan aan. Hoewel automan Bülow nu moest pendelen tussen Chemnitz en Wolfsburg, was hij toch tevreden. Heel wat van zijn collega’s werkten in bedrijven van de Treuhandanstalt (het agentschap dat na de hereniging van Duitsland Oost-Duitse ondernemingen privatiseerde) en wisten niet wat de toekomst zou brengen. Anderen konden niet meekomen in het kapitalistische systeem en raakten werkloos. Bülow daarentegen was een gewild man. Op een dag in 1999 ging zijn telefoon, en een man aan de lijn vroeg: ‘Een groot autobedrijf wil in het oosten, bij u in de buurt, een fabriek bouwen. Hebt u belangstelling?’

    Bülow had belangstelling. Wat hij aanvankelijk niet wist, was dat de headhunter het over Porsche had. Porsche! Een schitterend merk dat voor passie staat, een autobouwer die in heel de wereld uiterst winstgevend is. Uitgerekend voor dit concern moest Bülow, ooit verantwoordelijk voor de montage van 
de Barkas, het logge DDR-bestelbusje, een nieuw 
productiebedrijf opbouwen. In februari 2000 werd 
in een maisveld vlak bij de luchthaven van Leipzig 
de eerste steen voor de nieuwe fabriek gelegd, die in augustus 2002 feestelijk werd geopend. Het was 
een tijd waarin alles mogelijk leek. ‘De stemming was euforisch,’ herinnert Bülow zich. Een baan bij Porsche Leipzig GmbH, zoals de firma heet, was een lot uit de loterij.

    Later zou de vestiging een keerpunt blijken te zijn 
in de economische geschiedenis van de stad. Vlak voor de arbeiders- en boerenrepubliek ten onderging, kende de Leipziger industrie nog meer dan honderdduizend arbeidsplaatsen. Veel daarvan waren allang niet meer concurrerend.

    Een jongetje op een fototentoonstelling in een oude fabriek. – © HH
    Een jongetje op een fototentoonstelling in een oude fabriek. – © HH

    Toen de muur viel en het kapitalisme zijn intrek nam, ging het pijlsnel bergafwaarts. Er bleven nog geen negenduizend banen over, veel te weinig om de stad van een half miljoen inwoners te onderhouden.

    Toen kwam Porsche – en daarna algauw ook BMW. Alleen al de autofabrikanten schiepen meer dan tienduizend banen. Beide fabrieken liggen maar 13 kilometer van elkaar vandaan. Langs de A14, aan de noordrand van de stad, rijgen de bedrijven zich 
als parels aaneen. Amazon heeft een groot logistiek centrum gebouwd en pakketdienst DHL heeft de luchthaven uitgebouwd tot het op vier na grootste vrachtvliegveld van Europa.

    Sinds 1991 was het werkloosheidspercentage in 
Leipzig nog nooit zo laag, momenteel ligt het op 7,7 procent. Ter vergelijking: in 2002 lag het rond de 20 procent. Tussen 2010 en 2015 liet de jaarbeursstad een groei zien van ruim 17 procent op een aantal van bijna 250.000 werknemers. Daarmee staat Leipzig 
in Duitsland bovenaan, nog voor München.

    Ook vanwege de werkgelegenheid komen elk jaar duizenden mensen naar de stad. In de afgelopen vijf jaar kwamen er 62.000 nieuwe inwoners bij – een groei die geen enkele andere grote Duitse stad kan laten zien. En waarmee niemand had gerekend.

    In 2005 werd aan de Humboldtuniversiteit van Berlijn nog een proefschrift verdedigd over ‘gemeentepolitiek in krimpsteden’. Daarin werd Leipzig vergeleken met Duisburg, beide steden werden als een extreem voorbeeld van demografische neergang beschreven. En dat klopte ook: met haar inwonertal was Leipzig in 1998 afgegleden naar plaats vijftien. Maar vervolgens haalde de Saksische metropool eerst Dresden in, toen Neurenberg en daarna Duisburg, Hannover en Bremen. Vaststaat dat de stad binnenkort ook Essen en Dortmund achter zich zal laten. Daarmee is het de op zeven na grootste stad van het land. Momenteel telt Leipzig bijna 584.000 inwoners; voor het jaar 2030 rekent men op het stadhuis op 722.000.

    In plaats van krimpen is het dus groeien wat de klok slaat. Overal ontstaan nieuwe stadswijkjes, zoals vlak naast het centraal station, aan de Lindenauer Hafen of bij de Bayerischer Bahnhof. Leipzig beleeft op dit moment een nieuwe Gründerzeit (de tijd van grote economische opbloei in Duitsland na de stichting van het keizerrijk in 1871).

    Na de orkestrepetitie, als niemand kijkt, maakt de Letse dirigent Andris Nelsons een radslag. Niet zo perfect als bij een ballerina, maar toch een prima radslag; zijn zwarte overhemd glipt daarbij een stukje uit zijn zwarte broek. Soms draagt Nelsons onder zijn zwarte overhemd een wit T-shirt, dan komt het wit achter zijn openstaande boord tevoorschijn en heeft hij wel iets weg van een geestelijke.

    In zekere zin, zegt Nelsons, is een dirigent ook missionaris, bemiddelaar tussen twee werelden, die van de orkestleden en die van het publiek. Met name in Leipzig, de stad met zo’n unieke muzikale traditie, werkt dat goed. De betrekkelijk geringe omvang van de stad, heel compact ook, is voor hem als kunstenaar perfect. ‘Hier kan ik veel mensen bereiken.’ 
Ook op het leven hier verheugt hij zich al.

    In het komende seizoen, waarin het Gewandhausorchester zijn 275e verjaardag viert, zal Nelsons 
Riccardo Chailly opvolgen als dirigent. Daarmee treedt hij toe tot een traditie die bepaald glanst van grote namen – van Felix Mendelssohn Bartholdy en Wilhem Furtwängler tot Kurt Masur. Een traditie die een minder van zijn missie overtuigde man de moed in de schoenen zou doen zinken.

    Nelsons gaat er enthousiast aan staan. Het is natuurlijk ook prestigieus, zo geeft hij toe, om 
hier te mogen werken. Hij is in 1978 geboren in de 
Sovjet-Unie, maar wel in het nooit helemaal door Sovjet-Rusland gevormde Riga. En ja, tot op zekere hoogte doet Leipzig, dat ooit achter het IJzeren 
Gordijn lag, hem denken aan zijn vaderland.
    Sinds drie jaar is hij chef-dirigent van het Boston Symphony Orchestra – daar hing al enigszins een Leipzig-achtige geur. Want de Symphony Hall in Boston werd ooit gemodelleerd naar het oude concertgebouw van de jaarbeursstad. Nelsons zal zowel in Boston als in Leipzig dirigeren – en slaat zo een heel eigen Atlantische brug tussen evenbeeld en voorbeeld. Wanneer hij die avond voor een uitverkochte zaal zijn orkest aanvuurt en intoomt, en zelf tot het uiterste gaat, danst hij er zelfs iets bij.

    Gentrificering en misdaad

    Leipzig danst, Leipzig bloeit. Voorbij zijn de tijden waarin de stad in de Berlijnse kranten met advertenties als ‘Kom naar Leipzig, wij hebben ruimte’ naar inwoners hengelde. In de stad met haar kolossale huizen, hoge plafonds en ooit voordelige huren, wordt het krapper en duurder. Er gebeurt wat er altijd in zo’n situatie gebeurt. Sommige kunstenaars trekken een wijk verder oostwaarts, naar Leipzig-Neustadt, naar de beruchte Eisenbahnstraße.

    Het is een wedloop – ook investeerders slapen niet. Ze zien in een van de laatste nog niet gegentrificeerde wijken uit de Gründerzeit een goudmijn, ondanks de criminaliteitscijfers die er hoger zijn 
dan waar ook in het land.

    Leipzig lijkt inderdaad een bijzondere aantrekkingskracht uit te oefenen op criminelen. De stad staat op plaats twee, niet alleen in de Bundesliga, maar ook in de ranking van gevaarlijkste Duitse steden. Vorig jaar kende de stad op elke 100.000 inwoners 15.811 misdrijven. Meer dan in Hannover (15.764 delicten), meer zelfs dan in Frankfurt am Main (15.671), jarenlang 
in Duitsland het bolwerk van criminaliteit. Alleen Berlijn doet het met 16.161 delicten nog slechter.

    Leipzig, zo zeggen cynici, is allang het kleine Chicago van de Bondsrepubliek. De bijna 89.000 misdrijven in 2016 betekenden een stijging van 20 procent ten opzichte van het jaar ervoor. Vooral de cijfers van eigendomsdelicten, diefstallen en woninginbraken vliegen omhoog. Met name de drugsscene zorgt 
voor problemen. Leipzig ligt in het centrum van drugsstromen in het midden van Duitsland, zegt 
een woordvoerder.

    De stad is ook altijd weer een politiek slachtveld. Links tegen rechts. Links tegen de staat. Rechts tegen de staat. Eind 2015 escaleerde de situatie bij een demonstratie van neonazi’s, toen meer dan tweeduizend linkse tegendemonstranten hevig 
slag leverden met de politie. Tientallen agenten raakten daarbij gewond.

    Duizenden spoelen zingen, honderden wolkammachines ratelen in de stoffige, verstikkende lucht, een oorverdovend lawaai. Grote, oude industrie – 
de Leipziger katoenspinnerij, de grootste in zijn soort op het Europese continent. Hier werkten in 1989 nog bijna 1700 mensen, in meerderheid vrouwen. Een van de jonge vrouwen was Katrin Heichel, en soms maakt het leven merkwaardige capriolen, soms lukt zelfs een synchroonsprong. De sprong vanuit een huishoudschort naar het cultuurbezeten heden, ze hebben hem beide synchroon uitgevoerd: de oude spinnerij die een kunstfabriek werd en de jonge vrouw die er werd opgeleid tot vakarbeider textiel en die later schilderes werd. ‘Ik droomde er tijdens mijn werk altijd al van dat op deze plek ooit cultuur geschapen en gestimuleerd zou worden,’ zegt ze.

    Nu is Heichel 45. Ze staat in haar atelier, naar eigen zeggen een van de laatste vrijplaatsen in het centrum van Leipzig. Ze is in deze stad geboren en groeide op in de burgerlijke wijk Gohlis. Ten tijde 
van de DDR was Leipzig een grauwe stad, vertelt ze, in het zuiden werd bruinkool ontgonnen. Ze moest voortijdig van school, naar eigen zeggen ongewild: te eigenzinnig en onaangepast. Naast Heichels ateliergemeenschap moet nu een kinderdagverblijf 
verrijzen. ‘Daarvoor worden veel oude bomen gerooid,’ zegt ze boos. De schilderes is een van die Leipzigers met een donkerbruin vermoeden dat het binnenkort wel eens voorbij zou kunnen zijn met 
de postsocialistische coolness van de stad – met de vreedzame co-existentie van vroeger en nu, met goedkope ateliers en nostalgie met een knipoog.

    De liefde voor haar vaderstad heeft min of meer plaatsgemaakt voor woede, zegt Heichel. De stad is gewoon te gladjes geworden. Te perfect, te gehypet.

    Leipzig groeit niet alleen door zijn immigranten, ook de babyboom gaat onverminderd door. Sinds 2014 worden er meer mensen geboren dan er overlijden. In combinatie met de trek van vooral jonge volwassenen naar de stad leidt dit ertoe dat de gemiddelde leeftijd van de bevolking daalt. Leipzig is een jonge stad.

    Auteurs: Annelie Naumann en Ibrahim Naber

    Die Welt
    Duitsland | dagblad | oplage 202.000

    Profileert zich als conservatief. Op economisch gebied zeer uitgebreid, tevens aandacht voor toerisme en de huizenmarkt. In 1946 door de Britten in Hamburg opgericht.

  • In Merkels Duitsland regeert de middelmaat

    In Merkels Duitsland regeert de middelmaat

    Economisch gaat het Duitsland voor de wind onder Angela Merkel. Maar op cultureel en intellectueel gebied is het armoe troef, schrijft journalist Nils Minkmar.

    Zelden komt het publiek zo dicht bij de bondskanselier als tijdens de openbare interviews van het tijdschrift Brigitte in Berlijn. Vier jaar geleden was Angela Merkel hier ook al eens te gast en gaf ze weloverwogen inkijkjes in haar huiselijke leven als vrouw die kookt en bakt. Dit jaar kreeg het gesprek achteraf een bijzondere betekenis: Merkel zette met een opmerking over het homohuwelijk een reeks gebeurtenissen in gang die ertoe leidden dat een wet hierover kon worden aangenomen. Zelf stemde ze tegen.

    Maar het is de moeite waard om haar hele optreden tegen het licht te houden. Het is een studie van de merkeleske manier van denken en daarmee ook een duiding van ons land en onze tijd, want na twaalf jaar heeft ze niet alleen een stempel gedrukt op de Duitse politiek, maar ook op onze gewoonten en cultuur. Hoe meer ze beweert daar geen waarde aan te hechten, des te beter ze daarin slaagt.

    De beschrijving die Merkel op de avond met de collega’s van Brigitte van zichzelf gaf, bevat een boodschap: ze is een vrouw die nadenkt. Die wandelend, reizend of kokend nadenkt over welke politiek het best is. Hoe ze dat doet? Ook daarover geeft ze opheldering, maar het interessantst is wat ze niet noemt. Ze heeft het niet over adviseurs, invloeden of inspiratie. Ze citeert geen enkele auteur, boek of film. Ze beroept zich niet op een klassieker en noemt geen vroegere staatsman. Haar manier van denken volgt een cyclisch patroon: ze analyseert de wereld, haalt hier informatie uit, verwerkt die in haar brein en zet ze om in politiek. En die verbetert de wereld weer. Harde noten worden niet gekraakt door Angela Merkel, ze worden gehakseld. En het land is er haar dankbaar voor. Na het dieptepunt door de vluchtelingencrisis is ze vooral in haar eigen kamp weer populair.

    Individuele aanpak

    Die individuele aanpak is nieuw. De bondskanseliers vóór Angela Merkel hadden allemaal te maken met een zelfbewuste, soms overmoedige intelligentsia. De Bondsrepubliek is ontstaan met concrete steun van kritische auteurs en intellectuelen, met belangrijke politieke literatuur en een altijd buitengewoon sensibele academische wereld. Dat was niet alleen in West-Duitsland het geval: ook in de jonge DDR speelden auteurs, wetenschappers en intellectuelen een rol. Ze gaven de maatschappij een stem en formuleerden politieke eisen. Dat werd echter steeds riskanter nadat Wolf Biermann [zanger en dichter die kritisch was op het DDR-bewind] zijn staatsburgerschap was ontnomen, tot de machtsovername van Gorbatsjov.

    De kanseliers voor Angela Merkel koesterden die uitwisseling en waren er trots op. De dialoog was daarbij een waarde op zich, geen middel om het doel te bereiken. Maar die kanseliers hadden ook rivalen, soms zelfs aan de kabinetstafel. Merkel heeft zelfs geen serieuze concurrenten meer in andere politieke partijen. Ze doet het goed en bedoelt het goed, maar lange discussies – althans met mensen die geen Trump of Poetin heten – gaan, zo hebben we begrepen, alleen maar van haar tijd af.

    Verzorgingsbureaucratie

    Moeten we dat erg vinden? Angela Merkel doet het toch goed? Sinds 2005 gaat het de Bondsrepubliek voor de wind. De cijfers zijn bekend, uit de hele wereld komt er overwegend lof voor de staat van Duitsland. En als de burgers iets niet bevalt, dan verandert ze dat gewoon volgens haar beproefde methode: protest wordt info en info wordt politiek. Maar deze geruisloze efficiëntie heeft bijwerkingen. Het gaat Duitsland goed, maar op intellectueel en cultureel vlak is het ook een beetje saai geworden. Onze culturele verzorgingsbureaucratie zorgt voor middelmaat, zonder grote uitschieters, en zonder risico’s.

    Wie in buitenlandse boekhandels op zoek gaat naar Duitse boeken, stuit telkens weer op grote stapels van dezelfde werken: De mooie voedselmachine van Giulia Enders en Het geheime leven van bomen van Peter Wohlleben. Verder alleen klassiekers. Als je in een simulator over ons culturele en intellectuele landschap kon vliegen, dan zou je veel solide middengebergten zien – maar geen hoogtepunten, geen bezienswaardigheden, niets waarop je je kunt oriënteren of waaraan je een herinnering hebt. Waar is het richtinggevende bouwwerk, dat in grote stijl getuigenis aflegt van de glans, de rijkdom en de inventiviteit van ons hedendaagse Duitsland? De Elbphilharmonie in Hamburg is de uitzondering die de regel bevestigt. Verder staan overal zandkleurige blokkendozen met kijkspleten die binnenkort alweer toe zijn aan renovatie.

    De conclusie is steeds weer dezelfde: te weinig voor zo’n groot en rijk land. Te weinig durf, te weinig liefde, te weinig risico op creatief gebied. Het probleem is dat je deze ontwikkeling lastig in cijfers kunt vatten. Een dergelijke conclusie laat zich niet weergeven en wordt dus maar moeizaam informatie waar vervolgens beleidsmatig iets tegen kan worden gedaan. Veel mensen zullen ook bestrijden dat de politiek überhaupt verantwoordelijk is voor de geestelijke toestand van het land. Tenslotte wordt niemand verhinderd te schrijven, te dichten of te filmen. Mogelijk verbaast zelfs de kanselier zich erover dat er zo weinig geestelijke onrust te bespeuren is. Maar voor het ophelderen van de oorzaken komt eerst de beschrijving van de situatie. En wat daaraan opvalt, is dat er niets opvalt.

    Het Humboldtforum, de veelbekritiseerde herbouw van het Berliner Stadtschloss. – © Jörg Carstensen / HH
    Het Humboldtforum, de veelbekritiseerde herbouw van het Berliner Stadtschloss. – © Jörg Carstensen / HH

    Cultuur in Duitsland is een reusachtige industrie. Veel hoofdsteden van deelstaten hebben meer theaters, musea en academies dan menig land. Radio-omroepen, instellingen, verenigingen – cultuur is een zaak van de burgermaatschappij en wordt serieus genomen en gekoesterd. Herdenkingsevenementen zijn erg in trek, of het nu gaat om dood, geboorte of een op twee nullen eindigend jubileum van een schrijver of denker. Dan volgen tentoonstellingen of een heel gedenkjaar. Dit jaar Luther, volgend jaar Karl Marx – wat zich voordoet, wordt getoond, besproken, tentoongesteld en gevierd. Cultuur wordt zodanig bedreven dat velen onder de indruk zijn en niemand kan zeuren. Maar is dat de bedoeling ervan?

    In de lente en de herfst wordt een enorme hoeveelheid literatuur en non-fictie over de boekhandels uitgestort. Elke donderdag en op de grote filmfestivals worden er nieuwe producten van de Duitse filmindustrie aan de toeschouwers vertoond; ook daar is geen gebrek aan nieuw materiaal. Een onafzienbaar aantal podia heeft nu al het programma voor komend jaar gepresenteerd. Maar als 
je de afgelopen twaalf jaar de revue laat passeren, als je zonder zoektocht op internet bedenkt wat belangrijk was – hoeveel is er dan nog over van de binnenlandse producties? Eigenlijk alleen de krimi’s: regionale misdaadromans, misdaadromans die over dieren gaan, die in het verleden spelen, misdaadromans die een parodie zijn op andere misdaadromans en misdaadromans die in werkelijkheid sociale romans zijn. Er zitten heel goede tussen, generaliseren is altijd oneerlijk. Maar als dit genre zich door iets kenmerkt, dan is het wel door het feit dat je dit soort boeken geen tweede keer leest.

    En in de wetenschappen? Welk thema, welk vakinhoudelijk debat bereikte de geïnteresseerde lezer? Specialisatie is de eis van het ogenblik, intellectuelen ontwikkelen zich tot experts. Als niemand een beroep op hen doet, hoor je ze niet. Een vluchtige blik is dus altijd oneerlijk. We hebben Navid Kermani, Harald Welzer, Herfried Münkler en Carolin Emcke, en ook van de oude garde zijn nog grote denkers actief. Kluge denkt nog en hetzelfde geldt voor Habermas. Maar wie volgt hen op? Wie gaat de grote leerstoelen bekleden? Er zijn zo veel denktanks, Institutes for Advanced Studies, academies en instellingen, zo veel universiteiten en nog meer hogescholen, maar in alle lange gangen kun je een speld horen vallen.

    Het is nog niet zo lang geleden dat cultuur – met tentoonstellingen, boeken, debatten, films en toneelstukken – als kompas voor het hele land fungeerde. De wereld van de Koude Oorlog behoorde tot het verleden, een nieuwe tijd van internationale uitwisseling stond voor de deur, de digitalisering nam een aanvang. René Pollesch vernieuwde het theater, conservatieven als Meinhard Miegel dachten na over het einde van de economische groei. Duizenden mensen worstelden zich door de werken van [de Italiaanse neomarxistische filosoof] Toni Negri en [de Amerikaanse marxistische literatuurwetenschapper] Michael Hardt, en als het te stil werd bedacht [de in 2010 overleden Duitse theatermaker] Christoph Schlingensief wel iets. Er werd gediscussieerd over Sloterdijk, over Grass, over een tentoonstelling over de Wehrmacht en over Daniel Goldhagen.

    De belichting van de DDR in romans en films vormde de grondtoon van dat tijdperk. In de Bondsdag vonden enerverende debatten plaats, zoals over de inzet van het leger in het buitenland. Eigenlijk ging het om één groot thema: de wereldorde en Duitslands plaats daarin. Tegenwoordig houdt de bondskanselier zich met dat soort vraagstukken bezig. Sinds de bankencrisis en de daaropvolgende schuldencrisis in Zuid-Europa worden belangrijke Bondsdagprocedures in hoog tempo doorlopen. Twee grote coalities [van CDU/CSU en SPD] onder leiding van Angela Merkel hebben niet alleen de gedachte verdrongen dat er een politiek alternatief bestaat, maar ook het intellectuele debat over de koers van het land, over implicaties en alternatieven doen verstommen.

    Onder Angela Merkel is een nieuwe biedermeiertijd begonnen; dit keer niet als een terugkeer naar een repressieve tijd, maar uit gezelligheid

    Onder Angela Merkel is een nieuwe biedermeiertijd begonnen [periode in de eerste helft van de negentiende eeuw die geldt als braaf en burgerlijk]: dit keer niet als een terugkeer naar een repressieve tijd, maar uit gezelligheid. De begroting van de minister van Cultuur gaat omhoog en regelmatig verschijnen er persberichten over uitbreidingen van musea, de restauratie van oude schatten en geweldige samenwerkingsprogramma’s. Nooit eerder was het verleden zo goed in vorm en werd het zo vertroeteld. Wie in de jaren zestig is geboren, kan zich de toekomst nog herinneren. Ouders namen hun kinderen op schoot en rekenden hun voor wanneer ze met een jetpack op hun rug naar school zouden vliegen. Politici zagen daarin hun eigenlijke metier: vandaag ervoor werken dat het morgen, nee overmorgen, beter wordt. Maar omdat niemand precies kon weten hoe dat eruit zou zien, werd er eerst eens ruzie gemaakt. Die twee dingen hoorden bij elkaar: de durf van de politieke pioniers en de heftige debatten in parlementen en ’s avonds aan tafel bij de mensen thuis.

    In de politieke cultuur waarop Angela Merkel haar stempel drukt en die uiterst aangenaam is, ontbreekt deze dimensie. Hierin zijn de Duitse auto’s en de Duitse machines voor eeuwig gewild, is Duitsland wereldkampioen voetbal en de kanselier de krachtigste stem in Europa.

    Daarom heeft de Bondsrepubliek het zo moeilijk met nieuwe bouwwerken. Ze staan er nog als ons heden voorbij is en getuigen ervan hoe wij de toekomst zagen. Is dat grote gebouw in het centrum van Berlijn, dat Stadtschloss, een reconstructie of iets nieuws? Beide zijn mogelijk – zoals altijd in het tijdperk-Merkel, want zonder eenduidigheid is geen tegenspraak mogelijk. Wordt het lelijk, wordt het mooi? Het wordt in elk geval een monument van de ambivalentie, waartegen niemand iets kan inbrengen. Zo leven we in de illusie van een permanent heden en presteren we als cultuurnatie consequent onder onze mogelijkheden.

    Auteur: Nils Minkmar

    Der Spiegel
    Duitsland | weekblad | oplage 976.000

    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.

  • ‘De jihad begrijpen? Kijk naar het Duitsland van de negentiende eeuw’

    ‘De jihad begrijpen? Kijk naar het Duitsland van de negentiende eeuw’

    Schrijver Pankaj Mishra in gesprek met Der Spiegel-redacteuren Tobias Rapp en Eva Thöne over hoe onoverzienbaar de gevolgen van de Verlichting waren.

    Pankaj Mishra is een typische intellectueel uit de tijd van de globalisering. Hij denkt in termen van netwerken en legt verbanden tussen historische gebeurtenissen over de gehele wereld. Dat de Duitsers al in de negentiende eeuw een heilige oorlog hebben gevoerd, bijvoorbeeld. Mishra (48) groeide op in Ihansi, in het noorden van India. Hij woont in Londen en schrijft voor tijdschriften als The New Yorker en The New York Review of Books. In zijn boek Tijd van woede: een geschiedenis van het heden (2017) probeert hij de oorzaken te vinden van de haat en de angst die zo’n enorm stempel op onze tijd drukken. Dat doet hij door naar de geschiedenis van de Verlichting te kijken.

    Meneer Mishra, uw nieuwe boek gaat over de grote veranderingen in de huidige tijd. Maar al in het voorwoord grijpt u terug op een gebeurtenis uit het verre verleden: de Duitse dichter Theodor Körner die in 1813 oproept tot een ‘Heilige Oorlog’ tegen Napoleon. Hoe zit dat met de jihad?

    ‘Ik weet dat het in Duitse oren vreemd klinkt, maar wat ik met jihad bedoel, heeft helemaal niets met religie te maken. Ik gebruik dit begrip om de situatie te beschrijven waarin een volk wordt opgeroepen tot de heilige oorlog om te kunnen voortbestaan. En dat is wat er in Duitsland gebeurde toen Napoleon het land verslagen en veroverd had.’

    Waarom vochten de Duitsers toen eigenlijk zo vol overtuiging tegen Napoleon? Er bestond geen Duitse natie, geen Duits leger, en wat de Duitse identiteit was had ook nog niemand geformuleerd.

    ‘Napoleon was de eerste moderne imperialist. Hij was een kind van de Revolutie, het Franse volk stond achter hem, hij beschikte over alle natuurlijke hulpbronnen die zijn land hem te bieden had, maar wat hem met name dreef was het idee van maatschappelijke vooruitgang. Dat universalisme probeerde hij de Duitsers op te dringen. En daar verzetten die zich tegen.’

    Terwijl sommige Duitsers heel enthousiast waren over de Franse Revolutie.

    ‘Daarom is dat historische moment ook zo interessant als we het plaatsen in het kader van de hedendaagse ontwikkelingen. De Duitsers zagen als eersten ook de keerzijde van de Verlichting. Want Napoleon zag zichzelf als de ‘Heraut van het Verstand’ die Europa veroverde. Terwijl Frankrijk allang in een imperialistisch rijk was veranderd.’

    Waarom verzetten mensen zich tegen de vooruitgang?

    ‘De Duitsers voelden dat ze voor gek stonden omdat ze zo achterliepen. Waardoor een tweeledig proces op gang kwam. In navolging van de Fransen begonnen ook zij een functionerende natiestaat op te bouwen. Daarnaast startten ze een hartstochtelijke en haatdragende stemmingmakerij tegen alles wat Frans was, met de wens deze vijand te vernietigen. Een reactie die daarna steeds opnieuw en opnieuw en opnieuw klonk. In andere Europese landen, in Azië en in Afrika.’

    © HH
    © HH

    Landen waarvoor het Westen tegelijkertijd de vijand en het land van hun dromen was?

    ‘Precies. Om het hedendaagse islamitische terrorisme en de complexe verhouding die het met het Westen heeft te begrijpen, moet je je niet met de Koran bezighouden. Het is veel interessanter om naar het Duitsland van de negentiende eeuw te kijken en naar de manier waarop de modernisering zich daar voltrok. Er was een tijd dat Duitsland nog niet bij het Westen hoorde, maar er zijn identiteit aan ontleende door zich ertegen af te zetten.’

    De twee belangrijkste denkers in uw boek komen niet uit Duitsland. Wat is nu nog zo interessant aan Voltaire en Jean-Jacques Rousseau?

    ‘Ik denk dat je de politieke verschuivingen van tegenwoordig niet meer kunt verklaren met de scheidslijn tussen links en rechts. Ik zou liever zeggen dat we onderscheid moeten maken tussen aan de ene kant een klasse die van de globalisering heeft geprofiteerd, een wereldwijd netwerk heeft, goed opgeleid is en in welvarende steden leeft. En aan de andere kant de meerderheid van mensen die zich door die klasse bedrogen en in de steek gelaten voelt. Die van het platteland komt en zichzelf ziet als slachtoffer. Overal ter wereld. Dit conflict werd toen al weerspiegeld in dat tussen Voltaire en Rousseau.’

    Kunt u dat uitleggen?

    ‘In het Europa van de achttiende eeuw ontstaat een openbaar leven, waarin kan worden gediscussieerd over nieuwe ideeën. Voltaire is de held van die tijd. Hij neemt risico’s, hij ligt overhoop met de kerk en de aristocratie. Maar in de eerste plaats ziet hij nieuwe kansen. Als je slim bent, kun je enorm rijk worden als je je met machtige mannen inlaat. Rousseau daarentegen is de buitenstaander uit de provincie. De vreemdeling die in de grote stad komt, zich vervreemd voelt en door de kliek van intellectuelen wordt buitengesloten. Hij ziet hoe zelfverzekerd en rijk ze zijn en zegt: zo niet. Je kunt mensen de vooruitgang niet opdringen of hun religie belachelijk maken.’

    U versimpelt het wel erg.

    ‘Natuurlijk. Maar in de discussie tussen Voltaire en Rousseau ligt het conflict besloten dat nu opnieuw de wereld verscheurt: dat tussen een elite die het goed doet en rijk wil worden en mensen die helemaal niet zo enthousiast zijn dat ze in een andere wereld moeten gaan leven.’

    Het klinkt alsof u meer ophebt met Rousseau.

    ‘Nee. In Rousseaus denken zie ik heel veel problematische elementen. In het algemeen houd ik niet zo van helden. Ik kies geen partij. Ik wil alleen het conflict laten zien. Voltaire is in de cultuurgeschiedenis altijd goed weggekomen, omdat hij in het krijt treedt voor de idealen van mensen die kunnen schrijven. Maar wat intussen vaak wordt vergeten, is dat hij een kind van zijn tijd was. Hij wilde vooral ruimte creëren voor mensen als hijzelf.’

    ‘Geen van de filosofen van de Verlichting interesseerde zich voor de arme massa’s. Voltaire minachtte hen zelfs, hij dreef de spot met mensen die schoenen maakten’

    Was hij geen democraat?

    ‘Er is geen rechtstreeks verband tussen de Verlichting en democratie. Geen van de filosofen van de Verlichting interesseerde zich voor de arme massa’s. Voltaire minachtte hen zelfs, hij dreef de spot met mensen die schoenen maakten. Voltaire was bevriend met een aantal van de grootste verlichte despoten van zijn tijd. De gewelddadige modernisering van Rusland onder Catharina de Grote beviel hem zeer. Hij adviseerde haar de Turken aan te vallen om die achterlijke moslims een lesje te leren. Als we de woede willen begrijpen die de elite sindsdien elke keer weer ontmoet als ze dergelijke plannen heeft, moeten we Voltaire en zijn tijd bekijken.’

    U beschouwt Voltaire als de stamvader van de neoconservatieven, lijkt het. De man die de uitdrukking ‘regime change’ heeft bedacht.

    ‘Ik denk dat we na de grote maatschappelijke onrust van de laatste jaren eens goed moeten nadenken over de rol van de intellectuelen.’

    Waarom?

    ‘Overal, of het nu in India, Indonesië, Europa of de Verenigde Staten is, zie ik een laag van intellectuelen die een kostbare opleiding hebben genoten, die genieten van de voordelen van een geglobaliseerde wereld en die denken voor een groot aantal mensen te mogen bepalen wat goed voor ze is. Van de ontwikkelingsprogramma’s die de nieuwe industrielanden de eenentwintigste eeuw in moeten brengen, via de wereldverbeteringsfantasieën van de IT-industrie tot plannen om de politieke structuur van staten omver te werpen. Dat soort denken begint bij Voltaire. Het idee dat je de Verlichting met het zwaard kunt brengen. Intellectuelen die zich met de macht hebben verbonden: een problematische constellatie. Vroeger al, en nu nog steeds.’

    Wat zijn de alternatieven dan? De wereld niet willen verbeteren?

    ‘Er zijn problemen die we niet kunnen oplossen. Ik denk dat we hier te maken hebben met een fundamentele tegenstrijdigheid van de moderne tijd. Dat moeten we proberen te begrijpen.’

    Het idee dat de rede een keerzijde heeft en dat de vooruitgang zijn eigen monsters baart, is de Duitsers vertrouwd uit hun eigen geschiedenis. U betrekt die gedachte nu op de hele wereld.

    ‘Duitsland heeft zich lang als een “verlate natie” beschouwd. Als een land dat de moderne tijd pas laat is ingegaan, dat pas laat een natiestaat werd. Landen met zo’n geschiedenis hebben vaak het idee dat er geen tijd te verliezen is. Alles moet snel gaan. Ze moeten koloniën hebben, industrialiseren, een sterk leger krijgen. Ze moeten leren van hun vijanden. Dat allemaal zie je in het Duitsland van de negentiende eeuw. Daarna ook in Japan, dat zich op Duitsland oriënteert. Daarna in heel veel landen in Afrika en Azië.’


    Zijn ‘verlate naties’ wellicht de norm? En niet Frankrijk, Engeland of de Verenigde Staten?

    ‘Zeker! Wat in Amerika en Engeland is gebeurd, vormt in de geschiedenis juist de uitzondering. Hun begrip van democratie, modernisme en vooruitgang is voortgekomen uit ervaringen die heel specifiek alleen hún ervaringen zijn.’

    Maar laat het voorbeeld van Duitsland niet zien dat het allemaal wat ingewikkelder is? Angela Merkel wordt sinds de verkiezingsoverwinning van Trump vaak gezien als de nieuwe leider van het Westen.

    ‘Het idee leeft dat de Duitse geschiedenis een “lange weg naar het Westen” is. Maar wat is vandaag de dag het Westen? Het is versnipperd. De Duitsers kunnen er niet meer op vertrouwen dat ze een deel van het seculiere, democratische Westen zijn, omdat het gemeenschappelijke project van een seculier, democratisch Westen als zodanig niet meer bestaat. Het bestaat uit ten diepste gespleten samenlevingen die hun voorbeeldfunctie voor de rest van de wereld verloren hebben. Anders dan Duitsland trouwens, dat vooral in Azië een heel goede naam heeft.’

    Waarom?

    ‘Tot nog toe heeft geen enkel land met een koloniaal verleden zijn misdaden bekend en verwerkt. Ze zien heel goed dat nou net in Duitsland de politieke cultuur wordt gebaseerd op het zich bewust zijn van het onheil dat ze over de wereld gebracht hebben.’

    Nu heeft u het over de Tweede Wereldoorlog, de Holocaust, niet over het Duitse koloniale verleden.

    ‘Ook dat wordt langzaam maar zeker verwerkt, ook al is het Duitse koloniale rijk nooit zo groot en belangrijk geweest als het Engelse. Het is voor een buitenstaander moeilijk voor te stellen hoe belangrijk het koloniale denken in Groot-Brittannië nog steeds is. Anders zouden we ook geen Brexit hebben. Het idee dat Engeland Europa niet nodig heeft en eenvoudigweg de Commonwealth weer kan doen herleven, is niet meer dan een postkoloniale fantasie. Philip Hammond, de minister van Financiën van Theresa May, is naar India gevlogen in het waandenkbeeld dat dat land de wegvallende handel met Europa zou kunnen compenseren. Ambtenaren hebben dat Empire 2.0 genoemd. Zoiets bestaat in Duitsland alleen in de marge van het politieke spectrum.’

    Het zijn altijd weer jongemannen die die speciale woede in zich hebben die omslaat in geweld. Duitse vrijheidsstrijders, Russische en Italiaanse anarchisten, Japanse nationalisten, militante hindoes, radicale Iraniërs, allerlei varianten van islamisten. Wat is hun drijfveer?

    ‘De last van de bevrijding. Want tegenwoordig is bevrijding een soort plicht van het individu. Jongemannen moeten het verleden achter zich laten en zich opmaken voor een nieuw tijdperk, om nieuwe mogelijkheden te vinden om zich te ontplooien. Dat brengt vele kansen op teleurstelling met zich mee. Bijvoorbeeld als de maatschappij nog niet zo ver ontwikkeld is dat ze die behoeften kan opvangen.’

    ‘Als je hebt gedroomd van een wereldrijk, is het moeilijk tevreden te zijn met kiesrecht’

    En uit die frustratie ontstaan dan politieke fantasieën?

    ‘Vaak. Als je hebt gedroomd van een wereldrijk, is het moeilijk tevreden te zijn met kiesrecht.’

    U beschrijft in uw boek hoe de anarchist Michael Bakoenin en de componist Richard Wagner in 1849 samen in een koets Dresden ontvluchtten toen de Duitse revolutie mislukte. Twee jongemannen die een heel verschillende weg zijn gegaan.

    ‘Waar een Wagner is, is ook altijd een Bakoenin. Het zijn twee routes naar de moderne tijd. De ene staat voor het cultureel nationalisme. De ander is anarchistisch, strijdlustig en gelooft in de kracht van geweld en verwoesting. Wagner is een voortbrengsel van een land dat snel opkomt in de wereld. Bakoenin ontbreekt het aan een land. Hij wordt een van de voorlopers van een internationaal netwerk van anarchisten en militanten, hij voert een nieuwe manier in van politiek bedrijven, gestuurd door kleine groepjes en individuen, waarbij het verleden wordt gezien als een mythe, iets waarvan ze denken dat het verloren is gegaan en dat ze opnieuw willen opbouwen. Daar komt een politiek uit voort die we tegenwoordig terrorisme noemen.’

    Maar anarchisten zijn niet religieus.

    ‘De geschiedenis van het terrorisme begint eind negentiende eeuw met anarchistisch geweld, zoals de aanslagen op de beurs van Parijs en het Franse Lagerhuis. Terroristen waren altijd al mensen uit de meest verschillende etnische en wereldbeschouwelijke achtergronden. Er is geen enkele religieuze traditie die terrorisme ondersteunt.’

    Dus u ziet terrorisme als symptoom van de moderne tijd?

    ‘Absoluut. Met de Verlichting begon in Europa een proces dat nu universeel is. Als je denkt dat mensen vandaag de dag, waar ook ter wereld, nog net zo religieus kunnen zijn als in de Middeleeuwen, dan is dat een fantasie. We mogen onze loyaliteiten hebben, onze gezindheid, maar in de manier waarop we de wereld interpreteren en om ons heen kijken zijn we tegenwoordig onontkoombaar geseculariseerd, of we willen of niet.’

    Duister beeld

    U schetst een heel duister beeld van het heden. De mogelijkheden die de moderne wereld biedt zijn toch ook verworvenheden? Mensen hebben nog nooit zo veel vrijheid gehad om uit te zoeken hoe ze willen leven.

    ‘Zo kun je het zien. Toch is het belangrijk om goed naar de oorsprong van juist het idee ‘vrijheid’ te kijken. Het idee van de vrijheid van het individu werd in de achttiende eeuw voor het eerst geformuleerd door een groepje mannen dat al heel lang aan de macht was. Het zijn ideeën van een minderheid, die in de negentiende eeuw gemeengoed werden door het wereldwijde kapitalisme, de industrialisatie en de verstedelijking.’

    Daar is toch niets mee mis?

    ‘Het zijn bedrieglijke idealen. In de negentiende eeuw verloren mensen hun beroep door de opkomende massaproductie. Tegelijkertijd ontstonden de woedende massa’s, veel mensen bleken ontvankelijk voor de simpele kreten van demagogen die bepaalde groepen tot zondebok maakten. Het laat zien hoe onoverzienbaar de gevolgen van de Verlichting waren. Ik wil de verlichters niet overal de schuld van geven, zij wisten toen natuurlijk ook niet wat ze losmaakten. Hoe hadden ze dat kunnen weten? Maar ook de verkiezing van Trump of de keuze voor een Brexit zijn gevolgen van dit proces.’

    Is uw eigen carrière − van het Indiase platteland naar een van de meest gerenommeerde universiteiten − niet het beste voorbeeld dat de moderne tijd ook positieve gevolgen kan hebben?

    ‘Natuurlijk lijk ik het levende bewijs dat globalisering werkt. In werkelijkheid was het vooral toeval.’

    Toeval?

    ‘Ik kreeg de kans om boekrecensies te schrijven voor een Indiase krant, ook al had ik niet eens een typemachine. Toevallig ontmoette ik een redacteur van The New York Review of Books. Als ik zou beweren dat ik dat door mijn talent heb bereikt, zou ik mezelf voor de gek houden. Ik ken in India zo veel getalenteerde mensen die geen enkele kans hebben gekregen.’

    Hebt u over woedende jongemannen geschreven om na te kunnen denken over wat er van uzelf had kunnen worden?

    ‘Ideeën komen altijd voort uit de eigen ervaring. Ik ben grootgebracht door ouders die zelf in de premoderne tijd zijn opgevoed, die zijn gevormd door religie en mythe. Het grootste deel van mijn leven heb ik in een Indiaas dorpje in de Himalaya gewoond, en heb daar de jongemannen gezien die allemaal ergens naar zochten. Ik heb geprobeerd dat in een boek neer te zetten.’

    Pankaj Mishra, Tijd van woede: een geschiedenis van het heden. Uitgeverij Atlas Contact

    Wie is Mishra?

    Der Spiegel
    Duitsland | weekblad | oplage 976.000

    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.

  • Controverse: mag Erdogan in Duitsland campagne voeren?

    Controverse: mag Erdogan in Duitsland campagne voeren?

    Ook in Duitsland lopen de gemoederen over het Turkse referendum hoog op. Zeker nu Erdogan heeft aangekondigd zelf in Duitsland te willen komen spreken.

    JA

    Het is maar moeilijk te verdragen dat de Turkse president Recep Tayyip Erdogan in Duitsland campagne wil voeren voor zijn grondwetsreferendum, dat van hem een onbeperkt heerser moet maken en dat een einde aan de vrijheid van meningsuiting en de liberale democratie in zijn land zou betekenen. Mag een vrijheidslievende democratie een dergelijke tegenstander van de vrijheid, die tienduizenden critici heeft laten opsluiten en ze waarschijnlijk zelfs in Duitsland laat bespioneren, een podium bieden? Ja, dat mag ze, sterker nog, dat moet ze. Juist uit het feit dat wij de vrijheid van meningsuiting niet inperken zolang een spreker niet in strijd met het democratische staatsbestel en onze wetgeving handelt, blijkt de superioriteit van onze democratie. Dat recht geldt ook voor buitenlandse politici. Zelfs als dat in het geval van Erdogan met zijn nationalistische, antiwesterse en retorische uitspraken nauwelijks te verdragen is. De democratie kunnen we alleen verdedigen als we ons consequent aan de regels houden.

    Een verbod van Erdogans optreden zou bovendien de conflicten tussen de hier wonende Turken en mensen van Turkse afkomst alleen maar verscherpen. Waarschijnlijk zou er precies het tegendeel mee worden bereikt: nog meer ja-stemmen bij het referendum

    Een verbod van zijn geplande verkiezingstoespraak voor landgenoten is toch al vrijwel onmogelijk. Het recht van vergadering biedt daar nauwelijks aanknopingspunten voor. Dat geldt immers ook voor buitenlandse burgers, ook al komt Erdogan niet als burger maar als president. Dat hij de 1,4 miljoen Turkse stemgerechtigden wil oproepen ja te stemmen bij het referendum, vindt staatsrechtdeskundige Ulrich Battis ‘volkomen legitiem’. De regering zou hem weliswaar de toegang tot het land kunnen ontzeggen, maar dat is wat Battis betreft ‘vanuit politiek oogpunt ondenkbaar’. Tenslotte is Duitsland vooral in de vluchtelingenkwestie afhankelijk van Turkije.

    Een verbod van Erdogans optreden zou bovendien de conflicten tussen de hier wonende Turken en mensen van Turkse afkomst alleen maar verscherpen. Waarschijnlijk zou er precies het tegendeel mee worden bereikt: nog meer ja-stemmen bij het referendum. In plaats van te twisten over een verbod zouden er – samen met Turkse organisaties die kritisch tegenover Erdogan staan – tegendemonstraties en eigen bijeenkomsten voor de hier wonende Turken moeten worden georganiseerd om ze tot een nee bij het referendum aan te moedigen.

    Dat zou het beste signaal tégen Erdogan en vóór een pluralistische Duits-Turkse democratie zijn. Wie zich er ten slotte druk over maakt dat Erdogan weer eens campagne wil voeren in Duitsland, zou er eens over moeten nadenken waarom er in Duitsland nog altijd miljoenen mensen van Turkse afkomst wonen die zich tot hem en Turkije aangetrokken voelen. Is dat niet het falen van de integratie? Als we weten te bereiken dat deze Duitse Turken het gevoel hebben Duitsers te zijn en in onze vrije samenleving te zijn opgenomen, dan zouden we op den duur een einde maken aan Erdogans voedingsbodem in dit land. Op een dag staat hij dan hopelijk voor lege zalen.

    Auteur: Ludwig Greven
    Vertaler: Pieter Streutker

    Ludwig Greven is politiek redacteur bij Zeit Online. Voorheen werkte hij onder meer bij Financial Times Deutschland en was hij chef politiek bij Die Woche.

    Demonstranten bij een bijeenkomst in Keulen van Erdogans AKP, begin maart. Herhaaldelijk probeerden Turkse politici de meer dan een miljoen in Duitsland wonende Turken ervan te overtuigen 'ja' te stemmen op het referendum. –  © Lukas Schulze / Getty
    Demonstranten bij een bijeenkomst in Keulen van Erdogans AKP, begin maart. Herhaaldelijk probeerden Turkse politici de meer dan een miljoen in Duitsland wonende Turken ervan te overtuigen ‘ja’ te stemmen op het referendum. – © Lukas Schulze / Getty

    NEE

    Of Recep Tayyip Erdogan in Duitsland campagne mag voeren voor de autoritaire grondwetswijziging in Turkije is een politiek besluit. Er bestaat geen recht waaraan buitenlandse regeringsleiders en staatshoofden een forum voor hun politieke doeleinden kunnen ontlenen. Zo luidde afgelopen jaar het oordeel van de hoogste bestuursrechter in Münster – bevestigd door het federaal constitutioneel gerechtshof – toen deze een videotoespraak van de Turkse president verbood. ‘Het is derhalve aan de federatie om te besluiten of […] buitenlandse staatshoofden of regeringsleden zich op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland door middel van officiële uitlatingen in de publieke ruimte met politiek mogen bezighouden’, staat in het besluit. De verantwoordelijkheid voor zo’n besluit ligt bij de Duitse federale regering. Die moet zich er niet gemakkelijk van afmaken.

    Juist tegenover Turkije, dat de grondrechten beperkt, moeten democratische waarden als vrijheid van vergadering en vrijheid van meningsuiting in ere worden gehouden. Juist nu.

    En in deze gespannen situatie zou de president een podium krijgen om de haat tegen zijn tegenstanders verder aan te wakkeren en het toch al heersende klimaat van angst te versterken?

    Maar er zijn goede argumenten voor de regering om een optreden van de Turkse president te verhinderen. Erdogan is een tegenstander van het democratische staatsbestel, waarop hij zich zou beroepen om hier een toespraak te kunnen houden. En hij schendt de rechten van mensen die in Duitsland wonen: Diyanet, de religieuze autoriteit in Turkije, laat in opdracht van zijn regering imams spioneren om zijn tegenstanders te vervolgen. Erdogans optreden zou het interne Turkse conflict verder op scherp zetten in Duitsland. In Duitsland wonende Turkse Koerden, journalisten, diplomaten en andere tegenstanders van Erdogan vragen sinds de couppoging van afgelopen zomer asiel aan, reden waarom de president Duitsland als ‘belangrijke haven voor terroristen’ heeft bestempeld.

    En in deze gespannen situatie zou de president een podium krijgen om de haat tegen zijn tegenstanders verder aan te wakkeren en het toch al heersende klimaat van angst te versterken? De Duitse regering moet Erdogans haat geen extra podium bieden. Zijn geplande optreden zou ook nog zonder gezichtsverlies kunnen worden afgezegd. Tot nog toe is het bezoek van de Turkse president namelijk niet officieel bevestigd en er ligt ook geen officieel verzoek van Ankara. De strijd om zijn grondwetsreferendum zal ook zonder zijn persoonlijke aanwezigheid in Duitsland worden gevoerd. Zo heeft de Türkische Gemeinde in Deutschland zich tegen de wijziging uitgesproken. En Erdogans boodschappen bereiken de mensen toch wel, bijvoorbeeld via Turkse televisiezenders. Zijn aanhangers kunnen net als zijn tegenstanders gebruikmaken van alle rechten in Duitsland: ze kunnen bijeenkomsten organiseren, voor hun mening opkomen of voor of tegen de grondwetswijziging demonstreren.

    Auteur: Till Schwarze
    Vertaler: Pieter Streutker

    Till Schwarze is managing editor van Zeit Online. Daarvoor was hij politiek redacteur bij nieuwszender n-tv en onlineredacteur bij de Hessische Niedersächsische Allgemeine.

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

    Lees ook ons artikel ‘Stem nee tegen het referendum’ terug uit Reader # 10, of op onze site.

  • 1. Kan Europa het ook zonder Amerika?

    1. Kan Europa het ook zonder Amerika?

    De nieuwe protectionistische koers van de Verenigde Staten kan enorme gevolgen hebben voor de Europese export. In Duitsland maakt vooral de autoindustrie zich zorgen.

    Op 27 januari 1867, vrijwel exact honderdvijftig jaar geleden, neemt in het Zwabische stadje Heidenheim handwerksman Friedrich Voith de smederij over van zijn vader Johann Matthäus. Het duurt niet lang of hij werkt zich op tot fabrikant. Hij levert papiermachines aan het Russische tsarenrijk, bouwt in China de eerste waterkrachtcentrale en verscheept turbines naar de Amerikaanse Niagarawatervallen. In 1903 wordt in de waterkrachtcentrale daar de grootste turbine ter wereld in werking gesteld, gefabriceerd in het Zuid-Duitse heuvelland.

    Tegenwoordig is Voith een trots familiebedrijf met 19.000 medewerkers in zestig landen. Het bedrijf maakte Heidenheim en omgeving welvarend en getuigt tot op de dag van vandaag van de zegeningen van de globalisering. Dankzij de ingenieurs valt Duitsland als wereldkampioen export bovendien maar moeilijk te onttronen. Op het jubileum vraagt de bij Voith aangestelde topman Hubert Lienhard zich bezorgd af hoe het met de vrije handel verder moet, nu er in het Witte Huis een man zit die het rad van de globalisering terug wil draaien.

    Nu kunnen we ons afvragen of we niet onder een teveel aan Trump-hysterie gebukt gaan. Jullie doemdenkers moeten niet zo overdrijven, wat is nou 10 procent export meer of minder? Zo erg is dat toch niet?

    America first, luidt het parool. Globalisering is alleen goed als het de VS ten goede komt, dus als het zorgt voor Amerikaanse arbeidsplaatsen en Amerikaanse winsten. Zo niet, dan trekt de president muren op. ‘Strafheffingen en handelsbeperkingen passen niet in de eenentwintigste eeuw,’ windt de topman van Voith, tevens voorzitter van de afdeling Azië-Stille Oceaan van het Duitse bedrijfsleven, zich op. En hij vraagt zich af wat velen zich dezer dagen afvragen: hoe zwaar kan Donald Trump de Duitse industrie schaden? Kunnen we het desnoods ook zonder Amerika af? En wat betekent dit alles voor onze welvaart?

    Eerst maar eens de kale cijfers, en die zijn onheilspellend genoeg: Amerika is Duitslands belangrijkste handelspartner, elk jaar goed voor bijna 10 procent van de export. Trump heeft uit de grote aantallen fraaie Duitse limousines op straat de juiste conclusies getrokken: de Amerikanen zijn dol op Duitse producten, en niet zo’n beetje ook. Dat is geen nepnieuws en ook geen alternatief feit. De export naar de VS groeide de afgelopen tien jaar met 64 procent, gewild zijn Duitslands klassiek sterke kanten: auto’s, chemie, machinebouw – de bedrijfstakken die het land al tientallen jaren lang werk en welvaart garanderen.

    Twee miljoen arbeidsplaatsen zijn alleen al van de auto-industrie afhankelijk. Die is goed voor 8 procent van Duitslands totale toegevoegde waarde. In geen enkel ander land is deze bedrijfstak zo dominant, een gevolg van de wereldwijde faam van de Duitse merken: driekwart van de productie is bestemd voor de export, en weer gaat Amerika aan kop. ‘Met alleen al de uitvoer van auto’s naar Amerika zijn 200.000 arbeidsplaatsen gemoeid’, rekent het Institut für Weltwirtschaft in Kiel voor. Maar als de exportindustrie lijdt, lijden ook de werknemers. Dan verdienen ze minder geld, geven ze minder uit, neemt de binnenlandse vraag af en komt er een neerwaartse spiraal op gang, waarschuwt Marcel Fratzscher, directeur van het Deutsches Institut für Wirtschaftsforschung (DIW).

    BMW’s staan te wachten op transport in de haven van Charleston, South Carolina. – © Luke Sharrett / Getty Images
    BMW’s staan te wachten op transport in de haven van Charleston, South Carolina. – © Luke Sharrett / Getty Images

    Geen twijfel mogelijk, de Duitse economen zijn zeer bezorgd over wat de machtigste man ter wereld elke dag aan hatelijkheden over de wereldhandel twittert. ‘Onder president Trump dreigen we in een handelsoorlog met Amerika te belanden,’ zegt Fratzscher. Duitsland werkt op Trump als een rode lap, omdat het zo veel meer naar Amerika exporteert dan omgekeerd. De door Trump aangekondigde strafheffingen moeten eerst alleen voor Mexico gelden, maar daarna ook voor landen die een positief handelssaldo met Amerika hebben, China en Duitsland voorop.

    Voor de schade die dat tot gevolg heeft, heeft Clemens Fuest, directeur van het IFO-Institut (IFO staat voor Information und Forschung), de cijfers paraat. In zijn somberste scenario lopen 1 miljoen arbeidsplaatsen in de Duitse exportindustrie gevaar, en verder 600.000 banen bij Amerikaanse bedrijven in Duitsland. ‘In geval van een escalatie met tegenmaatregelen vanuit Europa zijn die ook niet zeker,’ zegt Fuest. ‘Al met al worden 1,6 miljoen arbeidsplaatsen bedreigd wanneer de economische relaties met Amerika tot nul worden gereduceerd – voor Duitsland een horrorscenario.’

    Het roept bij Dennis Snower, directeur van het Kielse Institut für Weltwirtschaft, zelfs herinneringen op aan de jaren twintig, toen handelsoorlogen de wereldeconomie in een afgrond stortten – met fatale gevolgen: ‘Uit deze bittere ervaring hebben we allemaal ons lesje geleerd – behalve Donald Trump,’ zegt Snower. ‘We leven in een tijd waarin de liberale wereldorde onder vuur ligt.’

    Nu kunnen we ons afvragen of we niet onder een teveel aan Trump-hysterie gebukt gaan. Jullie doemdenkers moeten niet zo overdrijven, wat is nou 10 procent export meer of minder? Zo erg is dat toch niet?

    ‘Het is nog erger,’ antwoorden de experts. Feit is dat we met alleen de exportcijfers het Amerikaanse belang voor de Duitse economie fors onderschatten; in de handelsstatistieken komt maar een fractie naar voren van wat er op het spel staat. Zo’n 3500 Duitse ondernemingen hebben dochtermaatschappijen in Amerika, waar ze aan meer dan 620.000 mensen werk verschaffen. Die komen niet voor in de handelsbalans, maar het geld dat ze verdienen komt wel terecht bij het moederbedrijf in Duitsland – en bij de biotoop eromheen: adviseurs en juristen, bakkers, slagers, burgemeesters.

    De wereld één fabriek

    Traditiegetrouw onderhouden Duitsland en Amerika nauwe relaties, gegroeid in de afgelopen honderdvijftig jaar sinds beide landen Engeland als leidende wereldmacht begonnen uit te dagen. Johann August Roebling, een Thüringse ingenieur, ontwierp de Brooklyn Bridge in New York. Carl Laemmle, zoon van een joodse veehandelaar die niet ver van de Voiths opgroeide, stond mede aan de wieg van de filmindustrie in Hollywood. En omgekeerd stond autopionier Henry Ford keverbouwer Ferdinand Porsche al bij met raad en ingenieurs om de Volkswagenfabriek in Wolfsburg van de grond te tillen.

    Vandaag de dag is elke onderneming van enig belang in Amerika aanwezig, zowel het beursgenoteerde bedrijf als de hidden champion uit de provincie. En om Trump te kalmeren, praten alle bestuurders van ondernemingen nu net als Voith-chef Lienhard: ‘In Amerika zijn we een zo goed als Amerikaans bedrijf.’ De Duitsers doen meer dan het meebrengen van hun producten, ze produceren ook ter plekke en doen er onderzoek. Voith alleen al op twintig plaatsen.

    Hoe sterker de arbeidsdeling in de wereld is, hoe moeilijker het wordt om etiketjes op producten te plakken, zegt DIW-directeur Fratzscher: ‘Een Duits product dat voor honderd procent Duits is bestaat niet, zoals er ook geen echt Amerikaanse producten bestaan.’

    In een geglobaliseerde wereld stuit het nationalisme op zijn grenzen, de zaak wordt snel absurd. ‘Tegenwoordig is de hele wereld één enkele fabriek, dan is het geen goed idee om muren op te trekken,’ zegt Dennis Snower, de Oostenrijks-Amerikaanse econoom uit Kiel. ‘Als het om economie gaat, dan is die vervlochten,’ wist Kurt Tucholsky al. Dan wordt het lastig uitwijken: waar moet die 10 procent export dan naartoe? Het gaat per slot van rekening om producten ter waarde van 114 miljard euro, die iemand anders moet betalen. Toen tijdens de financiële crisis de afzet aan auto’s in Zuid-Europa in een mum van tijd stagneerde, schakelde de industrie vliegensvlug om richting China. Dat zal met Trump moeilijk worden, als die tegelijkertijd de Chinese economie aanvalt. Naarmate hij daarin slaagt, treft hij ook de Duitse industrie.

    Wanneer de exportinkomsten van China dalen – waar Trump onbetwist op uit is, ‘hebben Duitse concerns en middenstanders hier ook onder te lijden,’ zegt IFO-directeur Fuest. Het verband is simpel: ‘Als China in zijn fabrieken minder goederen voor Amerika produceert, heeft China ook minder behoefte aan machines uit Duitsland.’ Deze indirecte gevolgen van Trumps antivrijhandelspolitiek schatten economen nog ernstiger in dan de directe effecten. Wat overblijft is de hoop dat Trump zich inhoudt – in eigen Amerikaans belang.

    Auteur: Georg Meck
    Vertaler: Marten de Vries

    Frankfurter Allgemeine Sonnatsgzeitung
    Duitsland, dagblad, oplage 382.000

    Zondagseditie van een van de belangrijkste kranten van Duitsland. Hoewel politiek onafhankelijk, wordt de FAZ over het algemeen een gematigd conservatief profiel toegedicht.

    schermafbeelding 2017 02 22 om 11 13 40

    CONTEXT: Vaarwel, verdragen

    Donald Trump had tijdens de campagne zijn protectionistische voornemens duidelijk aangekondigd – en hij houdt woord. Nauwelijks had hij zich gevestigd in het Witte Huis, of de president, die trots het ‘America first’ verkondigt, haastte zich om op 23 januari de terugtrekking van de VS uit het Trans-Pacific Partnership (TPP) te ondertekenen, een vrijhandelsverdrag waarvan de tekst toch al in 2015 na harde onderhandelingen was ondertekend door twaalf landen in Azië en rond de Stille Oceaan.

    Het nieuwe staatshoofd heeft trouwens ook al enkele malen zijn voornemen aangekondigd de onderhandelingen te heropenen over het Noord-Amerikaanse vrijhandelsakkoord NAFTA, met Canada en Mexico, dat sinds 1994 van kracht is.

    Trump heeft het Amerikaanse bedrijfsleven tevens een drastische inperking van de regelgeving beloofd, naast een massale belastingverlaging. Hij spoort de Amerikaanse ondernemers aan hun activiteiten in het buitenland te repatriëren naar het eigen land en wil daartoe de importen vanuit Mexico met 20 procent gaan belasten. Die aankondiging kwam op dezelfde dag dat de Mexicaanse president Enrique Peña Nieto liet weten af te zien van zijn bezoek aan Washington, onderstreept Business Insider, een Duits-Amerikaanse website, gevestigd in New York.

  • 2. Haalt Merkel haar vierde termijn?

    2. Haalt Merkel haar vierde termijn?

    Nog voor de aanslag op de kerstmarkt in Berlijn, schreef het weekblad Stern al dat een herverkiezing voor Angela Merkel niet zo makkelijk zou worden als in 2013.

    Angela Merkel wil nog een keer kanselier worden. Na elf jaar in functie wil ze proberen Helmut Kohl te evenaren door de zestien jaar vol te maken. ‘Alternativlos’ wordt dat graag genoemd. Wie anders zou het ook moeten doen bij de CDU? ‘Ze is te verslaan,’ klinkt het juichend uit linkse hoek – de vraag is alleen door wie. Dat besluit heeft de SPD voor zich uitgeschoven. Nog groter is de vreugde binnen de AfD. Merkel heeft ten slotte de ‘miljarden verslindende en gevaarlijke immigratiechaos veroorzaakt’. Daarvan wil de partij profiteren, maar afgewacht moet worden in welke mate dat gebeurt. Wél staat vast dat het dit keer moeilijker voor haar zal worden dan in 2013. Haar kandidatuur brengt gevaren met zich mee.

    Het gevaar van slijtage

    Als Merkel voor vier jaar wordt herkozen, dan zou ze na afloop van die termijn Kohl hebben geëvenaard. Zestien jaar is een lange tijd. Ook Kohl heeft dat uiteindelijk moeten inzien. Aan zijn laatste ambtsperiode hebben veel mensen bepaald geen goede herinnering. Vooral zijn stem voor de invoering van de euro, bewust tegen een meerderheid van het volk, werd hem zwaar aangerekend. Ook Merkel zou zich met een nieuwe ambtstermijn blootstellen aan het gevaar van de slijtage.

    Het gevaar van de grote druk

    Na de verkiezingsoverwinning van Trump en voor het dreigende succes van Le Pen in Frankrijk wordt er veel van Merkel verwacht. The New York Times bevordert haar zelfs tot de ‘laatste verdedigster van het liberale Westen’. Daarbij komt nog de mammoetklus van de integratie van circa één miljoen vluchtelingen, voor wier komst naar Duitsland niemand zich zo hard maakt als zij. Die grote druk ligt zwaar op haar schouders.

    Met de verkiezingen van 2017 stelt Merkel zich bloot aan een risico dat ze misschien helemaal niet meer kent. Ze zou kunnen verliezen

    Het gevaar van rechts

    Van oudsher stemt de conservatieve Duitse kiezer op de CDU, maar met het sterker worden van de AfD krijgt een partij rechts van CDU/CSU vaste voet in het politieke landschap. AfD-leidster Frauke Petry heeft al over Merkels kandidatuur gezegd: ‘Hiermee stelt de politica die de miljarden verslindende en gevaarlijke immigratiechaos heeft veroorzaakt en onder wier leiding de energieomslag op een mislukking is uitgelopen zich opnieuw verkiesbaar.’ Samen met de mogelijke SPD-kandidaat Martin Schulz belichaamt dit ‘droomduo van de grote coalitie’ volgens Petry de neergang van Duitsland. De successen van rechtse partijen en politici in Europa en de VS en de goede resultaten van de AfD bij de ene na de andere deelstaatverkiezing maken duidelijk dat Merkel in de verkiezingsstrijd ook zal moeten afrekenen met de AfD – en zij is het geliefdste doelwit van die partij.

    Het gevaar van het verlies

    Jarenlang heeft Merkel gewoon kunnen doen wat ze wilde – haar populariteit onder de bevolking bleef ongelooflijk hoog. Maar door haar omstreden besluiten in de vluchtelingencrisis heeft haar reputatie een behoorlijke deuk opgelopen. En niet alleen bij de kiezers. Ook in haar eigen kamp werd flink tegengas gegeven – om nog maar te zwijgen van zusterpartij CSU. Met de verkiezingen van 2017 stelt Merkel zich bloot aan een risico dat ze misschien helemaal niet meer kent. Ze zou kunnen verliezen. (…)

    Het gevaar van de open verkiezingsstrijd

    Wie de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016 ook maar met een half oog heeft gevolgd, zal zich vaak hebben verbaasd. Nu hoeft niet elke trend de grote plas over te waaien, maar met het oog op de AfD is het heel wel denkbaar dat ook de Duitse verkiezingsstrijd van 2017 met het mes tussen de tanden zal worden gevoerd, waarbij feiten van ondergeschikt belang zijn. Of Merkel met holle frasen als ‘een nieuwe samenleving’ of ‘samen succesvol’ (verkiezingsslogans van 2009 en 2013) tegen de gouden bergen van de AfD op kan, is op zijn minst twijfelachtig.

    Auteur: Finn Rütten

    CONTEXT: Falende veiligheidsdiensten

    De Duitse pers is niet mals voor de autoriteiten die terrorist Anis Amri lieten lopen.

    Op 19 december sloeg de verschrikking ook in Duitsland toe. Een vrachtwagen denderde dwars door een kerstmarkt in het centrum van Berlijn. De balans: twaalf doden en tientallen gewonden. Enkele dagen voor de eindejaarsfeesten werd de ontzetting al snel gevolgd door een polemiek over het werk van de veiligheidsdiensten. Hoe kon het dat een man die bekend was bij de Duitse inlichtingendiensten een dergelijke aanval had kunnen uitvoeren?

    ‘De autoriteiten wisten vrijwel alles over Anis Amri, schrijft de Süddeutsche Zeitung: 
‘met welke buitengewoon slecht bekendstaande sympathisanten van IS hij 
had gesproken (…) welke telefoon hij had gebruikt (…) ze kenden alle schuilnamen van de Tunesiër, ze wisten hoeveel en welke moskeeën hij had bezocht (vijftien)’. En toch achtten de veiligheidsdiensten het niet opportuun tot handelen over te gaan, betreurt de krant.

    Het falen binnen de veiligheidsorganisatie in de Bondsrepubliek moet ‘zo snel en zo grondig mogelijk worden onderzocht’, schrijft de Frankfurter Allgemeine Zeitung, ‘en dat kan het beste gebeuren door een onafhankelijke onderzoekscommissie’. Tegenover de stemmen die opgaan voor een versterking van de veiligheidsstructuur stelt het weekblad Der Spiegel dat Duitsland ‘een open samenleving’ moet blijven, maar wel ‘met uitkijktorens op de juiste plekken’.

    Stern
    Duitsland | weekblad | oplage 1.275.000

    Het grootste actualiteitenblad van Duitsland, bekend om de rijk geïllustreerde reportages. Is sinds de publicatie van de vervalste dagboeken van Hitler een beetje verbleekt.

  • Zo fris als een dertigjarige

    Zo fris als een dertigjarige

    Van 2 september tot 13 november was in de Bonner Kunstverein een retrospectief te zien van kunstenaar Wim. T. Schippers. De Frankfurter Allgemeine Zeitung toonde zich enthousiast over diens verbazend actuele oeuvre.

    Al in de foyer van de Bonner Kunstverein waait je een 
pindageur tegemoet. Als je de tentoonstelling van de Nederlandse kunstenaar Wim T. Schippers binnenkomt, geloof je vervolgens je ogen niet: zo fris, zo brutaal is de indruk die het werk van de 75-jarige maakt. 
Maar wie is Wim T. Schippers?

    De in 1942 in Groningen geboren Schippers studeert van 1959 tot 1961 aan het Amsterdamse Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs, tegenwoordig de Rietveld Academie. Al 
tijdens zijn studie richt hij samen met Ger van Elk en Bob Wesdorp het ‘A-Dynamic Centre’ op, dat zich geheel wijdt aan de ‘theoretische en praktische traagheid en dufheid’. In een tijd waarin dynamiek het cultbegrip wordt van het moderne levensgevoel, kunnen de ‘a-dynamische performances’ alleen als provocaties worden begrepen, en zo zijn ze ook bedoeld. Daarbij ontzien ze ook collega-kunstenaars niet.

    Al snel krijgt Willem Sandberg, 
toenmalig directeur van het Stedelijk Museum, Schippers in de gaten en in 1962 nodigt hij hem samen met Ger van Elk uit om een tentoonstelling 
in museum Fodor te maken. Daar ontstaat de glaszaal, waarvan de hele vloer bedekt is met glasscherven, en ook de zoutruimte. Allebei voorlopers van de pindakaasvloer uit 1969, een reusachtig op de vloer uitgestreken rechthoek 
van pindakaas, die nu in de Bonner Kunstverein opnieuw is uitgevoerd. Uit de Amsterdamse tentoonstelling zijn ook een paar ‘a-dynamische objecten’ behouden. Bijvoorbeeld Plast-o-lux uit 1963, een amorf, in een fabriek voor plastic flessen ontstaan Iets, dat eruitziet alsof het uit een tube geperst is, 
en op een sokkel van kostbaar marmer staat.

    ‘Het was zijn absurde humor die hem in de toenmalige kringen van de avant-garde niet bepaald geliefd maakte. Avant-garde was in de jaren zestig en zeventig een ernstige zaak.’ © Anneke Janssen | Hollandse Hoogte
    ‘Het was zijn absurde humor die hem in de toenmalige kringen van de avant-garde niet bepaald geliefd maakte. Avant-garde was in de jaren zestig en zeventig een ernstige zaak.’ © Anneke Janssen | Hollandse Hoogte

    Een jaar later gaat Schippers televisie maken. In 1963 maakt hij het programma Signalement. Kunst na 1963, waarin hedendaagse tendensen in de kunst worden gepresenteerd en waarin een jonge vrouw in bikini kunstwerken vertoont. De Nederlandse kunstwereld reageert ontzet en verwijt Schippers een gebrek aan ernst. Zo ook Sandbergs opvolger in het Stedelijk Museum, 
Edy de Wilde. Voortaan krijgt Schippers daar geen exposities meer.

    Des te meer concentreert hij zich op televisie- en radio-uitzendingen. In 1967 maakt hij Hoepla, een tv-programma dat na een naakt optreden van de performancekunstenares Phil Bloom wordt stopgezet en een nationale polemiek uitlokt. In 1971 volgt de Fred Haché Show, waarin Schippers zelf optreedt als een idioot. Zijn radioprogramma Ronflonflon, dat tussen 1984 en 1991 door de VPRO 
wordt uitgezonden, wordt een van de populairste in die tijd. Ook schrijft en regisseert Schippers veertig theaterstukken. In zijn 46 minuten durende stuk Going to the Dogs voert hij zes 
herdershonden op. Tot op heden kent heel Nederland Schippers’ stem van 
de Nederlandse versie van de tv-serie Sesamstraat, waarin hij de stemmen 
van Ernie en Kermit op zich neemt.


    Schippers’ tv-optredens zijn in Bonn zorgvuldig gedocumenteerd en aangevuld met andere kunstwerken. Zo staat midden in de zaal een gedeukte, maar perfect gelakte taxi. Als Schippers in 1982 door sigarettenfabrikant Peter Stuyvesant wordt gevraagd om een 
taxi kunstzinnig vorm te geven, levert hij dit werk af en verklaart dat de taxichauffeur zich zo geen zorgen meer hoeft te maken over verdere schade. Aan de wanden hangen uit gevonden materialen samengestelde objecten 
van 1962 tot heden, die er bont, pop-artachtig, trashy en vrolijk uitzien. 
Je zou kunnen denken dat hier een kunstenaar van rond de dertig aan het werk is, zo’n frisse indruk maken ze.

    Dat geldt ook voor Schippers optredens en commentaren, die op monitoren zijn te volgen. Op de vraag wat ‘a-dynamisch’ betekent, antwoordt 
hij (en dat in het begin van de jaren zestig): ‘A-dynamisch is een handelsmerk. Betekenis speelt geen rol.’ Je zou haast denken dat hier een lid spreekt van het New Yorkse collectief DIS, dat dit jaar de curator was van de negende Berlin Biennale.

    Ernstige zaak

    En dan begin je te begrijpen waarom deze kunstenaar buiten Nederland onbekend is gebleven. Het was zijn absurde humor die hem in de toenmalige kringen van de avant-garde niet bepaald geliefd maakte. Avant-garde was in de jaren zestig en zeventig een ernstige zaak. Ook Schippers’ omgang met het massamedium tv 
was voor zijn artistieke carrière zeker niet erg bevorderlijk.

    Dat zijn werken nu voor het eerst 
in een retrospectief buiten Nederland getoond worden, is te danken aan Michelle Cotton, die de leiding in de Bonner Kunstverein in 2014 overnam van Christina Végh. Na de exposities van de Amerikaanse schilder Josh Smith en de Britse performance-artiest Marvin Gaye Chetwynd is deze show een voorlopig hoogtepunt. Hij laat nog eens zien hoe weinig ontvankelijk de meeste vertegenwoordigers van de avant-gardebewegingen van de jaren zestig en zeventig waren voor artistieke stellingnamen die niet aan hun verwachtingen voldeden. Maar tegenwoordig begint men Schippers juist vanwege zijn gebrek aan respect voor deze verwachtingen te waarderen.

    Auteur: Noemi Smolik
    Vertaler: Piet Meeuse

    Van 2 september tot 13 november was in de Bonner Kunstverein een retrospectief te zien van kunstenaar Wim. T. Schippers. De Frankfurter Allgemeine Zeitung toonde zich enthousiast over diens verbazend actuele oeuvre.

    Frankfurter Allgemeine Zeitung
    Duitsland | dagblad | oplage 382.000

    Een van de belangrijkste kranten van Duitsland. Hoewel politiek onafhankelijk, wordt de FAZ over het algemeen een gematigd conservatief profiel toegedicht.

  • Vier redenen waarom Angela Merkel zich weer kandidaat moet stellen

    Vier redenen waarom Angela Merkel zich weer kandidaat moet stellen

    Iedereen is vervangbaar, maar niet op elk moment. Volgens _Die Zeit_-journalist Bernd Ulrich is het van groot belang dat Merkel nog even de macht behoudt: voor de democratie, voor de politiek, voor de partij en voor zichzelf.

    Het is zo klaar als een klontje. Angela Merkel heeft zich maandag door een slim gebaar van deemoed speelruimte verschaft, dus ze zal zich weer kandidaat stellen. Machtsbehoud, dat is de kern van de politiek en helemaal van haar, de machtspolitica bij uitstek. Dat wordt tenminste algemeen aangenomen. Maar zo eenvoudig is het raadsel 
Merkel niet op te lossen.

    Vrijwel op de kop af drie jaar geleden sprak ze in een televisiedebat de beroemde zin ‘Sie kennen mich’. Dat klopte niet. Terugblikkend is aannemelijk dat zelfs de kanselier drie jaar geleden niet eens precies wist wie ze die drie jaar zou zijn. Laat staan het grote publiek, dat altijd al problemen had met dat vreemde wezen uit het mentaal zo verre Oosten. Grif nam men genoegen met clichés. Enkele onderstromen uit haar levensverhaal bleven daar mogelijk achter verborgen.

    En zo ontstond in de loop der jaren het verwrongen beeld van de kille, onevenwichtige, maar wel vanuit het einddoel terugredenerende, superverstandige machtspolitica Merkel. Nog altijd wordt er zo tegen haar aangekeken, en dus wordt er simpelweg verondersteld dat ze zich weer kandidaat zal stellen, voor de vierde keer, verliefd op macht, berekenend, in hogere sferen. Maar of dat zo is…

    Leven

    In tegenstelling tot bijvoorbeeld Helmut Kohl, die zich graag in de mantel der geschiedenis hulde, behoort Angela Merkel tot het type postheroïsche politici. Ze verheerlijkt zichzelf niet zozeer, maar is ook niet bereid om zich helemaal op te offeren. Leven speelt ook een rol bij haar. Niet zoals bij de vicekanselier, die zich afmat met maandag de SPD, dinsdag het ministerie en woensdag zijn dochtertje Marie. Bij Merkel zijn het meer de lange golven. Eigenlijk heeft ze tot nog toe twee halve levens geleid: ingetogen in de DDR, en in de hoogste versnelling als toppolitica in het herenigde Duitsland. Met normaal en onvrij is Angela Merkel bekend, met vrij en abnormaal ook. Alleen een tamelijk goed, normaal leven in vrijheid heeft ze tot op heden niet kunnen leiden. Kunnen we er echt van uitgaan dat ze dat niet graag zou willen?

    En wel dringend. Tenslotte is ze ook nog de inmiddels langst regerende bondskanselier. Als je er tenminste rekening mee houdt dat het tempo van de politiek sinds Adenauer verviervoudigd en sinds Kohl nog eens verdubbeld is. Aannemelijk is dat dat de krachten soms enigszins te boven gaat.

    Angela Merkel zou dus alle reden 
hebben om te zeggen: ik wil hier weg.

    (Zoals overigens in deze tijden van openlijke haat en escalerende crises algemeen moet worden aangenomen dat bij vooraanstaande Duitse politici het streven naar macht minder sterk is dan de neiging om die te ontvluchten.)

    Een miljoen overwegend islamitische Arabieren het land binnenlaten, 
betekent je verantwoordelijk voelen voor die mensen en voor de landen waar ze vandaan komen

    Nu heeft Angela Merkel de pech dat 
ze als postheroïsche politica in een heroïsche tijd is beland. Duitsland, Europa, het hele Westen bevindt zich in de zwaarste crisis sinds 1945. Kan 
ze dan vertrekken? Eigenlijk niet. 
Maar als eerst de grootste crises bezworen moeten zijn voordat ze mag terugtreden, dan zou ze als bondskanselier honderd jaar moeten worden. Niemand gelooft tenslotte nog dat deze crises überhaupt crises zijn. Het gaat eerder om de nieuwe normaliteit.

    Evengoed zijn er vier goede redenen waarom Angela Merkel zich weer 
kandidaat moet stellen: democratische hygiëne, de eenheid in die Union 
[CDU/CSU], de internationale situatie 
in de komende twaalf maanden, en toch ook weer zijzelf.

    1. Voor de democratie
    In de merkeleske politiek heeft altijd een fundamentele contradictie gezeten: die tussen haar eigen behoedzaamheid, die ze zich in een goed betaalde bliksemopleiding tot toppolitica eigen 
heeft gemaakt, en, daartegenover, haar fundamentele overtuiging dat de (West-)Duitsers een beetje verwend zijn en zo nu en dan behoorlijk aangespoord en opgejut moeten worden. Eén keer heeft ze die tegenstrijdigheid deels weggenomen door alle voorzichtigheid te laten varen. Dat was in 2005, toen 
ze de neoliberale politiek van bondskanselier Schröder nog eens wilde 
overtroeven – en daarvoor bij de verkiezingen zwaar werd afgestraft.

    Tijdens haar kanselierschap heeft 
Merkel die fundamentele contradictie op een andere manier weggenomen. Haar programmatische politiek bleef vaag omlijnd en voorzichtig, maar ze maakte telkens weer kordaat gebruik van buitenlandse crises om haar beleid radicaal te wijzigen. Zo ging het bij 
de dienstplicht, bij de energieomslag en bij het Ruslandbeleid. Merkel, die verondersteld werd vanuit het einddoel terug te redeneren, werd een meester in de wording. Keer op keer nam ze risico’s, voor zichzelf en voor 
de Duitsers, zonder te weten waar ze zou uitkomen. Lichtelijk overdrijvend zou je over Merkels kanselierschap kunnen zeggen: crises beheerst ze, geen crises niet.

    Deze gang van zaken heeft een nadeel: de kiezers kunnen alleen maar stemmen over de waterige programmasoep, het onbelangrijke, en niet over het fundamentele. In de vluchtelingenkwestie is er uiteindelijk een draai gemaakt. Voor de laatste Bondsdagverkiezingen, en zelfs nog in het regeerakkoord, werd er gedaan alsof vluchtelingen geen groot probleem waren, alsof Duitsland tot op zekere hoogte door Dublin voor de wereldgeschiedenis werd beschermd. Op 4 september 2015 nam de kanselier echter een besluit van heel andere aard, met een draagwijdte die niet onderdoet voor de Westbindung, 
de Ostpolitik en de Duitse eenwording.

    © Getty
    © Getty

    Een miljoen overwegend islamitische Arabieren het land binnenlaten, 
betekent je verantwoordelijk voelen voor die mensen en voor de landen waar ze vandaan komen. De verantwoording op je nemen, niet voor een paar maanden, maar voor tientallen jaren. Bovendien betekent het een 
nog altijd positieve houding tegenover de globalisering, nu die niet meer eenzijdig in het voordeel van het Westen uitpakt en als het ware huiswaarts keert met vluchtelingen, economische concurrentie en terreur. Juist wie dit besluit ten diepste steunt, moet toch toegeven dat het dringend een democratische legitimatie behoeft, ook al 
is dat dan een legitimatie achteraf.

    Willy Brandt maakte na zijn Ostverträge de weg vrij voor nieuwe verkiezingen, Helmut Kohl deed dat na de Duitse eenwording en Gerhard Schröder na zijn ‘Agenda 2010’ – en nu is het de beurt van Angela Merkel. Anders zal het democratische deficit van haar vluchtelingenbeleid lange tijd voeding geven aan agressie – tegen haar, maar met name tegen de vluchtelingen, die dat toch echt niet hebben verdiend.

    2. Voor de partij
    Horst Seehofer [leider van de CSU en premier van de deelstaat Beieren] en Angela Merkel zorgen voor verdeeldheid in die Union, zo wordt gezegd. 
Dat getuigt van een beperkte kijk op 
de zaken. Het tegendeel is namelijk waar. In alle belangrijke westerse 
landen zijn de conservatieve partijen ten diepste verdeeld (de linkse en 
sociaal-democratische ook, maar om andere redenen en met andere consequenties). In de VS is de Republikeinse Partij van Donald Trump gewoonweg verscheurd, in Groot-Brittannië draaien de Tories nog altijd besluiteloos en richtingloos om de Brexit heen, in Frankrijk staat Nicolas Sarkozy inmiddels dichter bij de rechts-populistische Marine Le Pen dan zijn partijgenoot Alain Juppé. Daarmee vergeleken zijn CDU en CSU, Merkel en Seehofer, haast twee handen op één buik.

    Het zeer explosieve conflict binnen 
alle conservatief-liberale partijen 
over afsluiten of openstellen, over 
vernieuwing van de globalisering of het opgeven ervan, wordt in Duitsland van zijn scherpe kanten ontdaan doordat die tussen de nog altijd machtigste vrouw van Europa en een, vooruit, belangrijke regionale politicus wordt gevoerd. Merkel is de deksel op de 
hete pan. Zonder haar hernieuwde kandidaatstelling zou het conflict 
volledig tot uitbarsting komen en 
zou een scheuring in die Union waarschijnlijk zijn.

    De droom van enkele CSU’ers dat 
Wolfgang Schäuble de plaats van 
Merkel zou kunnen innemen, heeft haast iets aandoenlijks. De minister van Financiën heeft immers nog 
duidelijker dan de kanselier zelf de kant van de globalisering, de liberalen en het humanitaire realisme gekozen. Onlangs nog riep Schäuble de televisiekijkers toe: ‘De wereld is aan het 
veranderen. Er zullen nog veel meer immigranten komen!’

    Merkel is misschien niet de komende vijf jaar nodig, maar zeker wel de komende twaalf maanden

    3. Voor het Westen
    Volgens de huidige publieke opinie in Duitsland zou de kanselier niet zo veel op het internationale toneel moeten acteren, maar zich meer moeten bezighouden met binnenlandse aangelegenheden. Alsof de situatie in Turkije, de Griekse vluchtelingenkampen, Syrië en Libië geen rechtstreekse weerslag op Duitsland heeft, alsof de verkiezingen in de VS, de afwikkeling van de Brexit, het Italiaanse referendum over de grondwet en de verkiezingsstrijd in Frankrijk niet als een vos in een 
kippenhok de zogenaamd binnenlandse politiek van Duitsland zouden binnensluipen.

    De vraag is niet of ze minder internationale politiek zou moeten bedrijven, maar wat er van het Westen terechtkomt als Angela Merkel zichzelf over een paar weken vleugellam maakt door af te zien van haar vierde kandidatuur voor het kanselierschap. Iedereen is natuurlijk vervangbaar, maar niet op elk moment.

    Als begin december in Oostenrijk een rechts-populist tot president wordt gekozen, dan zal dat land politiek gezien in verwarring zijn. In elk geval is het dan vooralsnog handelings-onbekwaam. Ach nou ja, Oostenrijk, zou je kunnen zeggen, maar ook in Frankrijk zal de beginnende verkiezingsstrijd regeren onmogelijk maken. En mocht Marine Le Pen in mei 
daadwerkelijk worden gekozen, dan klapt misschien de EU wel. En dan ten slotte nog de VS: als Donald Trump op 
8 november wint, dan leven wij allemaal in een andere, slechtere wereld.

    Maar ook in het betere geval dat de alom impopulaire Hillary Clinton 
president wordt, zal zij heel lang nodig hebben om vaste voet te krijgen. En 
het is de vraag of Donald Trump zich koest houdt als hij heeft verloren. Nu lijkt het waarschijnlijker dat hij een op zijn minst verbale burgeroorlog begint.

    Kortom, het Westen beweegt zich een tijdlang langs de zelfkant van zijn 
volledige, collectieve handelings-
onbekwaamheid. Laten we het zo 
zeggen: een mooier moment voor de kanselier om zichzelf van de macht te beroven zouden zelfs Vladimir Poetin en Viktor Orbán niet kunnen bedenken. Merkel is misschien niet de komende vijf jaar nodig, maar zeker wel de komende twaalf maanden.

    4. Voor zichzelf
    Doorgaan, plicht, historie, verantwoording, last, discipline. Dergelijke begrippen op elkaar stapelen is voor postheroïsche politici uiteindelijk geen solide motivatie. Blijft dus de vraag of Angela Merkel nog iets ziet in een hernieuwde kandidatuur. In de taal van moderne voetbaltrainers: is ze nog nieuwsgierig naar zichzelf? Afgelopen maandag heeft de kanselier iets heel interessants gezegd: ‘We moeten onszelf nu dus als het ware overtreffen. Ook ik.’

    Inderdaad. Persoonlijk geldt voor Angela Merkel de regel van drie: normaal in onvrijheid, abnormaal in vrijheid en nog iets wat ontbreekt. Op politiek 
gebied geldt: ordentelijk regeren 
zonder grote ambities, geschiedenis maken zonder mandaat en motivering, en ook nog iets wat ontbreekt.

    De ontbrekende toon in haar muziek 
is de gelijkluidendheid van duiding 
en betekenis, van woord en daad, de omkering van haar informele verkiezingsmotto van 2009 en 2013: als 
Angela Merkel zich opnieuw kandidaat stelt, maakt ze met ‘asymmetrische demobilisatie’ geen kans meer; dit keer zou het asymmetrische mobilisatie moeten zijn. Jarenlang bedreef ze de metafysica slechts in de marge en 
filosofeerde ze hooguit op de achtergrond over haar politiek. Dit keer zou ze strijdbaar haar overtuiging, haar waarden en een programma moeten uitdragen. Zoals in 2005, maar nu 
beter – en voor een betere zaak.

    Sie schafft das.

    Auteur: Bernd Ulrich
    Vertaler: Pieter Streutker

    Beeld bovenaan: © Getty

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

  • Duitse bedrijven bespioneren elkaar stilletjes maar efficiënt

    Duitse bedrijven bespioneren elkaar stilletjes maar efficiënt

    Het is volkomen legaal en vrijwel alle grote Duitse bedrijven doen het: hun concurrenten bespioneren. Dit jaar groeit de sector van deze zogeheten Competitive Intelligence met 15 procent.

    Als Peter Behrends de toekomst van een bedrijf moet redden, heeft hij niet veel bij zich: mueslirepen, koffie, pen en papier en een verrekijker. Zijn opdracht heeft hem deze zomerochtend naar de rand van een stadje in het zuiden van Duitsland gebracht, naar een industriegebied dat tussen spoorrails en een bos ligt. Behrends sluipt een heuvel op, gaat in het gras liggen en spiedt omlaag. Hij ziet bakstenen huizen, loodsen van golfplaten, schoorstenen. Een fabriek die dampend ontwaakt. Behrends telt de werknemers die naar binnen gaan en daarna de vrachtwagens die de schuifpoort passeren. Hij turft ze op een papiertje en verbaast zich, want daar beneden is meer activiteit dan gebruikelijk, veel meer zelfs.

    Behrends, een pezige man van halverwege de veertig, werkt voor een kleine ondernemer. Hij moet een concurrent bespioneren om erachter te komen hoe druk het bij de ingang is: een indicatie hoe de zaken gaan. Als hij zijn waarneming juist interpreteert, loopt het goed. De productie is kennelijk gestegen sinds hij de laatste keer bij het bedrijf op de loer lag. Waarschijnlijk is de rivaal aan het uitbreiden.

    © Getty
    © Getty

    Competitive Intelligence wordt het werk van Behrends genoemd, kortweg CI. Het houdt in dat de concurrent wordt doorgelicht, volkomen legaal of in elk geval zo ongeveer. Mannen als Behrends spreken werknemers van andere bedrijven aan, zo mogelijk terloops, bijvoorbeeld op de bushalte voor het fabrieksterrein. Ze bellen afdelingschefs, zogenaamd voor een nieuwe studie of een marktrapport. Ze schieten deskundigen aan op congressen. Ze horen verkopers op beursstands uit, doen anonieme testaankopen of liggen zoals Behrends voor de poort.

    Vrijwel alle Duitse ondernemingen van enige omvang doen aan CI. Bayer, BMW, Lufthansa, Deutsche Bank en Deutsche Telekom, allemaal hebben ze hun speurders. En die hebben nog nooit zo veel werk gehad als nu. Volgens schattingen groeit de bedrijfstak dit jaar met 15 procent. Tot nog toe stonden Duitse bedrijven op dit terrein te boek als onschuldig, in tegenstelling tot Fransen, Amerikanen en Chinezen. Maar tersluiks, heel stilletjes, is Duitsland een land van economische spionnen geworden.

    Vijfduizend mensen

    CI-specialisten moeten blootleggen wat ondernemingen graag verborgen willen houden: op welke markten ze zich richten, welke prijzen ze met toeleveranciers uitonderhandelen, welke producten ze ontwikkelen. ‘CI is een blik in de toekomst,’ zegt Peter Behrends. Mensen als hij zijn meer detective dan marktonderzoeker. Ze opereren niet zo clandestien als staatsspionnen, zijn technisch niet zo goed toegerust, tappen geen telefoons af en hacken geen computers. Maar hun speurwerk kan om miljoenen gaan en hun rapportages beïnvloeden vaak rechtstreeks de besluiten van de bedrijfstop.

    De ondernemingen praten er niet graag over, dat hebben ze in elk geval met staatsspionnen gemeen. ‘Wij willen daar niets over zeggen en vragen om uw begrip daarvoor’, klinkt het bij Daimler. ‘Helaas kunnen we geen gesprek aanbieden over het thema Competitive Intelligence’, laat BASF weten. Wie echter zijn oor lang genoeg te luisteren legt, vindt individuele werknemers die wel iets willen zeggen. Dan hoor je dat de CI-afdelingen van de grootste beursgenoteerde ondernemingen maar ongeveer twintig tot dertig medewerkers tellen. Die acteren meestal wel op het hoogste niveau en hebben directe toegang tot het bestuur. Kleinere bedrijven daarentegen nemen vaak gespecialiseerde bureaus in de arm. Daarvan zijn er ongeveer een dozijn in Duitsland. En dan zijn er nog ongeveer honderd bureaus die deze diensten boven op hun advieswerkzaamheden aanbieden. In de sector zijn circa vijfduizend mensen werkzaam.

    Hoogleraar Nikos Passas vindt de bedrijfstak “lawful but awful”

    Twee belangrijke trends stimuleren de business, zegt Rainer Michaeli, oprichter en bestuursvoorzitter van de brancheorganisatie Deutsches Competitive Intelligence Forum (DCIF). ‘Ten eerste is de strijd op de markten feller dan ooit. Dan betaalt een kleine voorsprong in kennis zich al uit. Ten tweede zijn ondernemingen nog nooit zo internationaal georiënteerd geweest. Wie in steeds nieuwe regio’s doordringt, waar steeds nieuwe rivalen op de loer liggen, moet zich voorbereiden.’ Voor wie is dat nu belangrijker dan voor Duitsland, het grote exportland?

    Op het gebied van Competitive Intelligence zijn China en de VS nog altijd toonaangevend. Daar is een regelrechte spionage-industrie ontstaan. Adviesbureaus als het New Yorkse Kroll hebben duizenden mensen in dienst, die gretig gerekruteerd zijn van geheime diensten CIA en NSA of van de federale politie FBI. In Europa is Frankrijk heel actief. Daar zijn speciale CI-academies, zoals de École de Guerre Économique, de school voor economische oorlogsvoering. Alleen al de naam laat er geen twijfel over bestaan hoe serieus de Fransen deze business nemen.

    ‘De Duitsers bedrijven CI eerder stilletjes, maar ongelooflijk efficiënt,’ zegt Claude Revel, tot voor kort de Franse regeringscommissaris voor Competitive Intelligence – een overheidsambt dat in Duitsland niet bestaat. Ook een school voor economische oorlogsvoering is er niet in Duitsland. Ondernemingen leiden CI’ers vaak in eigen huis op of bij instellingen als het Institute for Competitive Intelligence nabij Frankfurt am Main, waarvan Rainer Michaeli directeur is. Zijn lijst met referenties wordt steeds langer; inmiddels staan er rond de vierhonderd bedrijven op.


    Veel CI-specialisten zijn bedrijfseconoom of ingenieur, andere hebben een verleden bij de politie, een inlichtingendienst of in de journalistiek. Met de wisseling van baan begeven ze zich in een grijs gebied. Hoogleraar strafrecht Nikos Passas uit Boston vindt CI bedenkelijk. Het vakgebied is wat hem betreft ‘lawful but awful’. Volgens de Amerikaan schuren de activiteiten tegen industriële spionage aan.

    ‘Het op een fatsoenlijke manier observeren van concurrenten is heel iets anders dan industriële spionage,’ zegt Elisabeth Hadling, manager van een CI-team bij een grote Duitse onderneming. ‘Bonafide speurders maken alleen maar gebruik van bronnen die openbaar zijn. Bedrijven zijn zo voorzichtig omdat ze bang zijn om met al te louche methoden hun reputatie te verwoesten. Het overgrote deel van het werk is niet bijster spectaculair. Zo’n 90 procent van de informatie is van achter het bureau te achterhalen, bijvoorbeeld met een telefoontje naar de eigen verkoopafdeling, waarvan veel klanten met de concurrentie te maken hebben. Of met een blik in jaarverslagen, brochures en vaktijdschriften. Personeelsadvertenties hebben onze bijzondere belangstelling.’ De concurrent is plotseling op zoek naar ingenieurs? Dan heeft hij mogelijk een grote opdracht binnengehaald. Hij gaat managers met kennis van de Chinese taal in dienst nemen? Dan wil hij misschien wel een nieuw filiaal in Azië openen.

    Human intelligence

    Mogelijk, misschien. Het bureauwerk mag dan belangrijke aanknopingspunten opleveren, vaak zijn het pas de laatste 10 procent die zekerheid brengen: niet de documenten en tabellen, maar de mensen die erachter schuilgaan. Hier verschijnen specialisten als Thomas Bischof op het toneel. Bischof, een rijzige man met grijs stoppelhaar, zit in de lobby van een hotel. Hij heeft een klein bureau dat aan Human Intelligence doet, onderzoek met behulp van menselijke bronnen: Bischof spreekt mensen aan. Bijvoorbeeld ’s avonds aan de bar. Schijnbaar toevallig raakt hij aan de praat met managers, maar hij heeft alles nauwgezet voorbereid. Hij wist al dat ze hier zouden overnachten, bijvoorbeeld omdat er een conferentie plaatsvindt waarvoor reclame werd gemaakt op internet. Onder een drankje praat Bischof met hen over de stad en vervolgens over hun werk. De capaciteit van de textielfabriek in Bangladesh zou beter kunnen worden benut, de oliedeal in Venezuela dreigt te mislukken: onderzoek via smalltalk. ‘Het is simpel,’ zegt Bischof. ‘Mensen praten over niets liever dan over hun werk.’

    Het lukt echter niet altijd. Enkele managers hebben hun medewerkers ingeprent hun mond te houden. Bijvoorbeeld als ze een telefoontje van een hogeschool krijgen. ‘Hallo, ik studeer elektrotechniek, mag ik u een paar vragen stellen voor mijn scriptie?’ Het zou een leergierige twintigjarige student kunnen zijn, maar ook Thomas Bischof.

    Dergelijke methoden keurt bestuursvoorzitter Rainer Michaeli niet goed. ‘Wie te goeder trouw is, werkt niet onder een valse naam, dat gaat te ver,’ zegt hij.

    Xie maakt alleen van openbare content gebruik, een hacker is hij niet. Althans, dat zegt hij

    Een man die verder gaat dan veel Duitse collega’s zich ook maar kunnen voorstellen, is Xinzhou Xie. Hij werkt voor de staatsuniversiteit van Beijing, dus voor de Chinese regering. Zijn missie: alle gegevens verzamelen die er over buitenlandse ondernemingen op internet staan. Echt alle.

    Xie zit in een restaurant. Hij doet dit werk al een kwart eeuw en geldt als China’s toonaangevende CI-expert. Hij werkt aan de universiteit en rapporteert rechtstreeks aan de Communistische Partij. Zijn spionnen behoren tot de besten ter wereld. Xie zet webcrawlers in, robotprogramma’s die in adembenemend tempo het internet doorzoeken. Hij laat ze vooral graag los op social media. ‘Mensen communiceren onvervalst, dat maakt de informatie zeer waardevol.’

    Zijn programma’s doorzoeken bijvoorbeeld Facebook, Twitter en de Chinese messengerapp WeChat. Bij Amazon sporen ze klantwaarderingen van producten van westerse rivalen op. Xie maakt alleen van openbare content gebruik, een hacker is hij niet. Althans, dat zegt hij. Zijn webcrawlers zijn vooral afgestemd op autoconcerns, elektronicafabrikanten, machinebouwers, de farmaceutische industrie en energiebedrijven, ondernemingen waarvan met name één land er veel heeft: Duitsland.

    ‘Het afscheid van kernenergie bespoedigt de innovatie in de opwekking van schone energie, wat bijzonder interessant is voor ons,’ zegt Xie. Op termijn wil hij zeer aandachtig kleine ondernemers gaan observeren. De duizenden Duitse wereldmarktleiders die vrijwel niemand kent, maar die enorm veel onderzoeken, ontdekken en ontwikkelen.

    Lange tijd analyseerden de robots van Xie alleen websites in het Engels. Dat is aan het veranderen. Ze leren nu ook Duits.

    Auteur: Stefan Beutelsbacher
    Vertaler: Pieter Streutker

    Die Welt
    Duitsland | dagblad | oplage 202.000

    Profileert zich als conservatief. Op economisch gebied zeer uitgebreid, tevens aandacht voor toerisme en de huizenmarkt. In 1946 door de Britten in Hamburg opgericht.

  • 3. ‘Spion van de eeuw’ liet zich bedotten

    3. ‘Spion van de eeuw’ liet zich bedotten

    Reinhard Gehlen (1902-1979) was de beroemdste spion van Duitsland tijdens de Koude Oorlog. Maar van zijn onfeilbare reputatie blijft na recent onderzoek weinig over.

    Al tijdens zijn leven was hij een door geheimen omhulde legende, ‘de man zonder gezicht’. Kort voor zijn dood in 1979 noemde een Britse auteur hem zelfs ‘Duitslands meesterspion’, en ook nog ‘spion van de eeuw’: generaal Reinhard Gehlen, het eerste hoofd van de Bundesnachrichtendienst (BND), de buitenlandse geheime dienst van de Bondsrepubliek. De BND was in 1956 voortgekomen uit een al geformeerde groep, die Gehlen niet alleen had geleid, maar die zelfs zijn naam droeg, de Organisation Gehlen.

    Voor zijn dominante rol in de West-Duitse geheime dienst van na de oorlog had Gehlen zich uitgerekend laten voorstaan op zijn werk als leider van de Abteilung fremde Heere Ost in Hitlers oorlog tegen de Sovjet-Unie. In die positie was hij in het opperbevel van het leger verantwoordelijk geweest voor de analyse en prognose van de operationele bedoelingen van de Sovjetstrijdkrachten. Toen al was hij bezig de mythe van zijn eigen onfeilbaarheid op te bouwen. In Der Dienst, zijn memoires die in 1971 verschenen, beweerde hij zelfs dat hij het in zijn analyses van de vijand in het Oosten tussen 1942 en 1968 altijd bij het rechte eind had gehad, of die analyses nu voor Adolf Hitler, voor de Amerikanen of voor de Bondsregering bestemd waren.

    Max-Meldungen

    Het is verbazingwekkend dat niemand die bewering ooit grondig heeft onderzocht. Pas vijf jaar geleden riep de BND zelf een onafhankelijke commissie van historici in het leven om de ontstaansgeschiedenis en de vroege jaren van de BND wetenschappelijk te onderzoeken – en daarmee ook de persoon Gehlen van zijn geheimzinnigheid te ontdoen. Of het eindrapport van de commissie nog dit jaar zal verschijnen, zoals was aangekondigd, is onzeker: de BND verzet zich heftig tegen het voornemen van de historici om ook de echte namen van de agenten van de dienst te vermelden. Maar nu al is het beeld van de onfeilbare meesterspion onhoudbaar.

    Al in september 1943 moest Gehlen als hoogste inlichtingenofficier van het Duitse leger een soort bekentenis afleggen: in juli 1943 was het laatste grote Duitse offensief in het Oosten mislukt tijdens de grootste tankslag die ooit werd geleverd – bij Koersk, op 100 kilometer van de huidige Oekraïense grens –, mede omdat de Sovjets al lang van de plannen wisten. De Duitsers raakten in de verdediging, en daarom werden er van Gehlens afdeling realistische aanwijzingen geëist over plaats, tijd en sterkte van de aanvalsplannen van de Sovjets.

    Maar uitgerekend in die situatie moest Gehlen bekennen: ‘Door het uitvallen van de belangrijkste bronnen ontbreken op dit moment meldingen over de bedoelingen van de vijand.’ Men was nu ‘voor een aanzienlijk deel’ aangewezen op ‘gevolgtrekkingen van zuiver theoretische aard’.

    Sinds zijn aantreden in april 1942 had Gehlen zich steeds sterker georiënteerd op de zogeheten ‘Max-Meldungen’, die door de inlichtingendienst van de Wehrmacht werden aangeleverd. Die meldingen behelsden informatie over de verplaatsing van Sovjettroepen, de positie en bezetting van vliegvelden, maar berichtten ook over actuele strategische besluiten van de generale staf van de Sovjets onder leiding van Stalin. Na aanvankelijke scepsis beschouwde Gehlen de meldingen als zodanig betrouwbaar dat hij ze ook geloof schonk als ze uitsluitend door volgende ‘Max-meldingen’ leken te worden bevestigd.

    Gehlen kreeg zijn berichten van de joodse agent ‘Klatt’ en de Russische balling Longin Ira, die ze in werkelijkheid zelf verzon

    De meldingen waren afkomstig van een informant met de schuilnaam ‘Klatt’. Die leidde in de Bulgaarse hoofdstad Sofia de ‘Luftmeldekopf Südost’ en was in kringen van ingewijden in de inlichtingendienst van de Wehrmacht bekend als ‘de jood Klatt’. Achter die naam ging de voormalige vastgoedmakelaar Richard Kauder schuil, de zoon van een tot het katholicisme bekeerde jood, arts uit het voormalige Oostenrijkse leger.

    Sinds de zogenaamde Anschluss van Oostenrijk gold Kauder volgens de naziwetten als ‘Volljude’. Hij onderkende het gevaar, vluchtte naar Hongarije, maar werd uitgewezen. Begin 1940 werd hij door de Weense Gestapo gearresteerd. Maar de leider van de Abwehrstelle in Wenen, een conservatief-katholieke tegenstander van Hitler en een vriend van Kauders overleden vader, zorgde ervoor dat hij vrijkwam. Om zichzelf en zijn moeder te verzekeren van verdere bescherming van de Abwehrstelle tegen racistische vervolging, trad Richard Kauder als informant in dienst van de Abwehr.

    Vanuit Sofia zond hij vanaf de herfst van 1941 steeds meer berichten naar Wenen, zowel uit het achterland van het Russische front als uit de door de Britten beheerste gebieden in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, die ter onderscheiding van het geografische gebied waarop ze betrekking hadden ‘Max-’ dan wel ‘Moritz-Meldungen’ werden genoemd. Zijn informatie kreeg Kauder weer van de Russische balling Longin Ira, die hij tijdens zijn vlucht als medegevangene had leren kennen in de stadsgevangenis van Boedapest.

    Longin Ira had deel uitgemaakt van het tsaristische en het ‘Witte’ leger in de Russische burgeroorlog en had zich als emigrant aangesloten bij een organisatie van Russische ballingen. Ira’s berichten zouden afkomstig zijn van een netwerk van agenten dat deze organisatie in de Sovjet-Unie had opgebouwd.

    Gehlen op een ontspannen moment, begin jaren zestig. – © Getty
    Gehlen op een ontspannen moment, begin jaren zestig. – © Getty

    In werkelijkheid werden de berichten door Ira verzonnen, zij het wel op grond van een uitstekende kennis van het Sovjetleger en van het gebied van de operaties, en ook door een zorgvuldig gebruik van de neutrale en de Sovjetmedia. Die waren in Bulgarije vrij verkrijgbaar, omdat het land – hoewel het met Duitsland geallieerd was – niet met de Sovjet-Unie in oorlog verkeerde. Richard Kauder maakte zich weinig zorgen over de authenticiteit van zijn berichten, zolang de ontvangers er maar tevreden mee waren en hem daarmee vrijwaarden van deportatie en dood.

    Vooral zijn ‘Max-meldingen’ konden vanwege hun actualiteit en vermeende precisie rekenen op een steeds hogere waardering in de Duitse legerstaven. Dagelijks werden er tot wel tien ‘Max-meldingen’ vanuit Wenen direct verzonden naar de post ‘Walli I’ van majoor Hermann Baun, die de hele inlichtingendienst aan het Oostfront coördineerde. Baun gaf de berichten, die het grootste deel vormden van de inlichtingen waarover hij kon beschikken, door aan de betreffende legeronderdelen en aan de afdeling van Gehlen.

    Intrige

    Maar vanaf 23 augustus 1943 bleven de vanuit Wenen aangeleverde berichten uit het achterland van het Sovjetfront plotseling uit. Wat was er gebeurd? In een intrige tegen de inlichtingendienst van de Wehrmacht was Hitler er opmerkzaam op gemaakt dat een informant die in Stockholm geheime contacten onderhield met de Russische ambassade een jood was. Woedend ontbood de Führer de chef van de Abwehr, admiraal Canaris, en eiste het ontslag van alle als ‘Volljuden’ geldende informanten.

    Nu durfde ook de Abwehrstelle in Wenen het niet meer aan berichten door te geven van hun joodse informant in Sofia. Het ‘wegvallen van de belangrijkste bron van de Abwehr’ bracht zowel majoor Baun als overste Gehlen in een precaire positie. Ook op het verzoek van de legerleiding om Hitler te bewegen tot een uitzonderingsregeling voor Kauder toonde de dictator zich ‘onverbiddelijk’. In november 1943 beklaagde Gehlen zich nog dat Hitler hem het gebruik had verboden van zijn ‘betrouwbaarste vertrouwensman, die ons de beste berichten over Rusland bracht’. Maar hij zou ‘al middelen en wegen gevonden’ hebben ‘om hem verder in te zetten’.

    Richard Kauder, de legendarische agent ‘Klatt’, stierf als een gebroken man

    Gehlen had inderdaad ingestemd met een regeling waarbij Richard Kauder als informant werd overgedragen aan de bevriende geheime dienst van het Hongaarse leger. Hij kreeg een nieuwe schuilnaam en verplaatste zijn standplaats naar Boedapest, vanwaar hij vanaf midden september 1943 zijn berichten met de gebruikelijke frequentie naar Wenen stuurde. En zo maakten de door een dubieuze Russische balling verzonnen en door een joodse vastgoedmakelaar geleverde berichten weer het leeuwendeel uit van het door Gehlen benutte inlichtingenmateriaal over de vijand in het Oosten.

    Omdat zijn berichten nog steeds golden als belangrijk voor de oorlogsvoering, kon Kauder zijn positie bijna tot het einde van de oorlog behouden. Pas in februari 1945 werd hij in Wenen door de Gestapo gearresteerd wegens een deviezenvergrijp en op verdenking dat hij ervandoor wilde gaan. Met veel geluk overleefde Kauder de oorlog. Al in de zomer van 1945 trad hij in Salzburg in dienst van een daar gestationeerde kleine eenheid van de Amerikaanse geheime dienst OSS, deze keer onder de schuilnaam ‘Saber’ (Sabel).

    Maar het contact met zijn – eveneens in Salzburg gestrande – voormalige leverancier van berichten, Longin Ira, werd hem door de Amerikanen ten strengste verboden. De Amerikanen hadden Ira en zijn belangrijkste Russische verklikkers uitverkoren als agenten voor een operatie met als doel te infiltreren in de geheime dienst van de Sovjet-Unie. Dat moest volgens de initiatiefnemers ‘een van de belangrijkste contraspionageoperaties aller tijden’ worden, en derhalve net zo geheim te behandelen als het ‘Manhattan Project’, de ontwikkeling van de Amerikaanse atoombom.

    Daarmee werd de operatie van de Amerikaanse geheime dienst in Oostenrijk een gevaarlijke concurrent voor een project van de chef van de inlichtingendienst van het Amerikaanse leger in Duitsland, generaal Edwin Luther Sibert, waarin Reinhard Gehlen centraal stond. Gehlen was pas op 9 april 1945 wegens foute prognoses door Hitler ontslagen en had met zijn opvolger en Hermann Baun een afspraak gemaakt: ze wilden hun diensten, en al hun inlichtingenmateriaal, aan de Amerikanen aanbieden, om na de onvermijdelijke nederlaag van Hitler-Duitsland de strijd tegen het bolsjewisme in Amerikaanse dienst en vooral met Amerikaans geld te kunnen voortzetten.

    Voor zijn anticommunistische plannen vond Gehlen een enthousiaste medestander in generaal Sibert, in wiens sector hij in juli 1945 krijgsgevangene was gemaakt. Sibert installeerde hem en een paar van zijn uit Amerikaanse krijgsgevangenenkampen gehaalde voormalige medewerkers als ‘Fachstab Gehlen’. Hun analyses over de tactiek en de leiding van het Sovjetleger bevatten vooral opmerkingen van Gehlen over het vermeende karakter van de ‘oostelijke Slaven’, dat gekenmerkt zou worden door ‘zwart-witdenken’, een ‘neiging tot schematisch denken’ en een ‘grenzeloos wantrouwen tegen anderen, de wereld en zichzelf’.

    Reinhard Gehlen in gesprek met een Russische officier, in 1943/1944. – © Getty
    Reinhard Gehlen in gesprek met een Russische officier, in 1943/1944. – © Getty

    Eind augustus 1945 moesten Gehlen en zijn medewerkers op instructie van het Amerikaanse ministerie van Defensie naar de VS vliegen. Daar werden ze echter niet ontvangen voor directe onderhandelingen over de opbouw van een Duitse geheime dienst, zoals Gehlen later in zijn memoires beweerde, maar om in een geheim verhoorcentrum ondervraagd te worden over de Duitse oorlogvoering aan het Oostfront.

    Pas in de herfst van 1945 kon generaal Sibert Gehlens partner Baun opsporen en naar ‘Camp King’ in Oberursel laten brengen. Daar ontwikkelde Baun plannen voor een Duitse inlichtingendienst die onder zijn leiding voor de Amerikanen zou werken – een onderneming die Washington in een Europese variant 4 miljoen en in een wereldwijd opererende variant 8 miljoen dollar zou gaan kosten.

    Deze plannen zag Baun wel in gevaar komen toen hij vernam dat de geheime dienst van de Amerikanen in Oostenrijk een soortgelijk project wilde opzetten met Longin Ira en zijn medestrijders, de voormalige leveranciers van inlichtingen die het werk van Gehlen en hem zo succesvol hadden doen lijken. Baun ging ertoe over om de beide Russen en hun partner Kauder bij de Amerikanen aan te geven als dubbelagenten, ‘van wie bekend was dat ze jarenlang voor de Sovjets hadden gewerkt’. Deze bevinding staat op deze manier nog altijd in de akten van de Westelijke Geallieerden.

    Afgebrand, oncontroleerbaar en overschat

    Maar zelfs met Bauns desinformatie kon generaal Sibert de operatie van de Amerikaanse geheime dienst in Salzburg aanvankelijk niet stoppen. De concurrentiestrijd tussen de in Salzburg en in Oberursel voorbereide projecten werd ten slotte beslecht doordat de geheime dienst OSS in de herfst van 1945 werd opgeheven en de restanten daarvan bij het Amerikaanse ministerie van Defensie werden ondergebracht.

    De militairen in het ministerie besloten uiteindelijk ten nadele van de in Oostenrijk voorziene operatie en kozen voor het project om met de Duitse beroepsmilitairen Gehlen en Baun een voor de Amerikanen werkende Duitse geheime dienst op te bouwen. Gehlen, die een hogere rang had dan Baun, kreeg daarover de leiding – reden waarom de oude-nieuwe geheime dienst de firmanaam ‘Organisation Gehlen’ kreeg.

    Kort voordat deze organisatie in 1956 opging in de Bundesnachrichtendienst (BND), konden Richard Kauders oude contacten daar de verleiding niet meer weerstaan om hem als informant aan te trekken, omdat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog ‘een van de bekwaamste agenten van de Duitse geheime dienst’ was geweest. Maar nu maakten de Amerikanen duidelijk dat Kauder ‘volledig afgebrand, oncontroleerbaar en overschat’ was, en dat men van de Organisation Gehlen in geen geval berichten van zijn hand geleverd wilde krijgen.

    Vier jaar later stierf Richard Kauder, de legendarische agent ‘Klatt’, als een gebroken man, verarmd en vereenzaamd, in een ziekenhuis in Salzburg. Hij werd op kosten van de gemeente begraven in een armengraf.

    Auteur: Winfried Meyer
    Vertaler: Piet Meeuse

    Reinhard Gehlen bleef tot zijn pensionering in 1968 hoofd van de BND.

    Winfried Meyer is onderzoeker aan het Zentrum für Antisemitismusforschung van de Technische Universität Berlin en auteur van Klatt. Hitlers jüdische Meisteragent gegen Stalin: Überlebenskunst in Holocaust und Geheimdienstkrieg (Metropol Verlag, Berlijn 2014).

    Tagesspiegel
    Duitsland | dagblad | oplage 132.000

    Opgericht in 1945 in Berlijn, waar zich nog altijd het merendeel van de lezers bevindt. Degelijke kwaliteitskrant, in 2005 onderscheiden voor zijn restyling.

  • In de ban van de boom

    In de ban van de boom

    De Duitsers hebben altijd een liefdevolle verhouding met hun bossen gehad. Geen wonder dus dat een boek over het verborgen leven van bomen een bestseller werd. Maar tegelijk neemt het houtverbruik bij onze oosterburen toe. Een reportage over houthakkers en bomenknuffelaars, en over de vraag of bomen kunnen voelen.

    Hoe het hart van een land eruitziet, wordt ook in zijn periferie bepaald. In bowlingcentra, cafés, verenigingsgebouwen. En zelfs in het bos. Dus is het van belang dat op deze winterochtend in Oberbayern een boom valt. 
Vannacht heeft het gesneeuwd, maar nu is het bos onder een vale lucht druppend aan het ontdooien 
en valt er natte sneeuw van de takken. Horen doe je dat niet, want midden in het winterlandschap is 
een dreunende en dampende machine, voorzien 
van grijparmen, zagen, walsen en messen, zich als een hongerig insect door het bos heen aan het bijten. De gevelde boom wordt stevig vastgepakt: een spar, misschien wel negentig jaar oud. Sneeuw spat op, boomschors barst, spaanders vliegen in het rond. 
Een paar tellen later ligt de stam in stukken op de grond, pasklaar voor op de vrachtwagen, vakkundig doorgesneden als een gehalveerd varken.

    Op een paar meter afstand staat een man roerloos toe te kijken. Laarzen en spijkerbroek, gewatteerde jas en vilthoed, grijs haar en een montere blik. De Beierse boseigenaar Florian von Schilcher (1944), 
de zesde generatie van een adellijke familie, ziet 
deze ochtend bomen vallen die zijn opa Hubert 
heeft geplant.

    Voelt hij weemoed? ‘Ach, welnee! Bomen groeien om te worden gekapt,’ zegt Von Schilcher. Hij vindt het goed om te zien dat waar zojuist nog de oude boom stond er nu licht en ruimte is, zodat de volgende 
spar ‘gas kan geven’. Over een paar decennia zullen zijn zoons of kleinkinderen die vellen.

    Zo simpel is dat.

    Links: Boswachter en auteur Peter Wohlleben en rechts boseigenaar Florian von Schilcher. – © Florian Jaenicke
    Links: Boswachter en auteur Peter Wohlleben en rechts boseigenaar Florian von Schilcher. – © Florian Jaenicke

    Hetzelfde jaar, dezelfde winter, hetzelfde land, 
alleen een ander deel van de periferie en een ander bos, waar een uit de kluiten gewassen man in een olijfgroen boswachterspak boven de bladeren en 
takken uitsteekt. Het is muisstil, alleen kraakt er zo nu en dan een tak in het gemeentebos van het Eifeldorp Hümmel in Rheinland-Pfalz. De man in het bos draagt een bril met een zwart montuur en heeft een baard van drie dagen; hij zou zomaar een therapeut uit de grote stad kunnen zijn. Plotseling gaat hij op zijn hurken zitten en veegt oude bladeren, mos en modder weg. In de grond zit iets ruws. Knoestig, donker, dood. ‘Schraapt u er maar eens overheen,’ zegt hij. ‘Wel voorzichtig.’ Onder het donker wordt het licht. Dat is hout. Leven.

    Een paar jaar geleden was het Peter Wohlleben zelf die – nieuwsgierig en onthutst – met zijn zakmes over deze donkere klomp schraapte. Een oeroude boomstronk, het overblijfsel van een beuk. Hoe kon die nog leven, zonder stam, zonder bladeren, zonder fotosynthese? Met biologen van de nabijgelegen 
Universiteit van Aken bekeek Wohlleben de stronk in het bos nauwkeuriger. Kennelijk pompten de bomen eromheen al vierhonderd jaar een suikeroplossing naar hun verminkte soortgenoot, via diens wortels. ‘Dat noem ik nou burenhulp,’ zegt Wohlleben.

    Peter Wohlleben (1964) is de afgelopen tijd een beroemdheid geworden. In zijn afgelegen 
boswachtershuis heeft hij een boek geschreven dat de Duitsers recht in het hart treft. Het verborgen leven van bomen stond in 2015 het langst boven aan de 
bestsellerlijst voor non-fictie van Der Spiegel. De boodschap: bomen zijn niet alleen dingen, maar ook wezens. Het zijn ‘oude vrienden’ van elkaar. Maar ook van de mens. Inmiddels hebben 400.000 Duitsers het boek gekocht.

    Florian von Schilcher mag dan waarschuwen voor ‘behaaglijkheidslectuur’ en een ‘nieuwe romantisering’ van het bos, Peter Wohlleben krijgt onophoudelijk uitnodigingen voor debatten en aanvragen 
voor seminars. En liefdesbrieven van alleenstaande vrouwen, die zijn boek onder – jawel – de kerstboom hebben gelezen.

    Zo gecompliceerd ligt dat.

    Het bos is zo Duits als brood en bier

    De twee mannen wonen hemelsbreed 500 kilometer van elkaar vandaan en schelen twintig jaar in leeftijd. Ze hebben elkaar nog nooit ontmoet. Hun confrontatie komt alleen tot stand door een journalistieke constructie, het onderzoek voor deze reportage. Je zou de twee en hun meningsverschillen simpelweg kunnen laten voor wat ze zijn, ware het niet dat de Duitsers hun liefde voor het bos uitgerekend hebben ontdekt in een tijd waarin ze heel veel bomen voor zichzelf laten kappen.

    Vrijwel iedereen zal zichzelf hierin herkennen: wie hout koopt, voelt zich goed, of het nu om speelgoed, meubilair of terrasdelen gaat. Wie hout koopt, is een goed mens. Dat daarvoor bomen moeten sneuvelen, wordt snel vergeten.

    Onderzoekers van de universiteit van Hamburg schatten het jaarlijkse ‘boshoutverbruik’ van de Duitsers op 1,06 kubieke meter per persoon. De vraag van 
articuliere huishoudens is tussen 1990 en 2010 verdubbeld. Hout geeft warmte, ook als het niet brandt. Als het wel brandt, dan geeft het des te meer warmte: verwarmen met hout geldt als knus en effectief tegelijk. In het afgelopen decennium is het aantal pelletkachels verviervoudigd. Voor het eerst sinds meer dan honderd jaar wordt in Duitsland weer meer hout verbrand dan er in de bouw wordt gebruikt. Volgens Von Schilcher is de houthonger in Duitsland alleen te stillen met snelgroeiende bomen, gekapt zonder rekening te houden met welk wezen ook.

    Wohlleben vindt dat een redenering die zo van iemand uit de bio-industrie zou kunnen komen. Von Schilcher vraagt zich hierop af wat er aan levensvreugde 
overblijft als we allemaal vegetariër zouden worden. Het antwoord van Wohlleben: tot nog toe heeft dat niemand kwaad gedaan.

    – © Olli Henze / Flickr Creative Commons
    – © Olli Henze / Flickr Creative Commons

    Het debat, dit artikel, de bestseller: ze zouden er 
allemaal niet zijn als Peter Wohlleben een boek had geschreven over het verborgen leven van de suikerbieten. Of over tarwe. Maar het bos? Dat is voor de Duitsers meer dan een verzameling bomen. In het bos wortelt de nationale identiteit, het is natuurlijk en cultureel erfgoed, de Germaanse geesteswereld, die sprookjes en mythen voortbrengt.

    In het bos was Hermann de Cherusk de Romeinen te slim af. In het bos nam Siegfried een bad in drakenbloed. In het bos daar zijn de rovers. Hans en Grietje verdwaalden in het bos. Joseph von Eichendorff noemde het bos de ‘echokamer van de ziel’, Caspar David Friedrich schilderde de ene boom na de andere. Schilderijen, lyriek en prentenboeken met het bos 
als thema vullen musea en bibliotheken. Het bos is zo Duits als bier en brood.

    In moeilijke tijden trekken de Duitsers zich terug in het bos, als wild waarop wordt geschoten. Onthaasting en escapisme, in elk geval mentaal. Een dood vluchtelingenkind op het strand? Poetins strategische spelletjes met Syrië? Aanrandingen op het domplein in Keulen? In het bos, waar geen televisie is en op plekken geen bereik, is nog aan nieuws te ontsnappen. Bos is wellness. Een vlucht uit de werkelijkheid, zoals ooit in de romantiek.

    Ochtendmist. – © Marcus Pink / Flickr Creative Commons
    Ochtendmist. – © Marcus Pink / Flickr Creative Commons

    Er is geen romanticus te bekennen wanneer op een waterkoude ochtend in het bos van Von Schilcher 
de kettingzagen beginnen te huilen. Zoals zoveel branches besteedt ook de bosbouw al sinds lange tijd opdrachten uit aan externe bedrijven, die het zware werk door seizoenarbeiders laten doen.

    En dus kijkt Florian von Schilcher toe hoe twee zwijgzame Roemenen zich door het kreupelhout heen werken. Vlad en Vasile zwaaien met hun 
kettingzagen als Sylvester Stallone met zijn machinegeweer in Rambo. Ze hebben opdracht om jonge beuken weg te halen en ‘zo andere bomen in staat te stellen te groeien,’ zegt Von Schilcher. En wel zo veel mogelijk sparren. Waarom eigenlijk?

    ‘De beuk is vanaf het eerste tot het laatste moment van zijn leven een bron van ergernis,’ zegt Von Schilcher.
De bladeren nemen te veel licht weg voor andere bomen. De stam vertakt zich te vroeg in een brede kruin, waarmee je vrijwel niets kunt beginnen. 
‘En een beuk die omvalt, slaat in als een bom. Daar groeit dan de eerste jaren niets meer.’

    Vlad en Vasile zwaaien met hun kettingzagen als Sylvester Stallone met zijn machinegeweer

    De strijd tussen Wohlleben en Von Schilcher ontbrandt al bij dit detail, dat voor beiden geen detail is. De beuk is namelijk de meest Duitse van alle Duitse bomen, meer nog dan de eik. Als Peter Wohlleben groepen rondleidt door het bos bij Hümmel, laat hij hen vierduizend jaar oude beuken zien, en zegt: ‘Zo zag het er vroeger in vrijwel het hele land uit.’ Voordat kolenbranders, mijnwerkers en scheepsbouwers Europa in de zeventiende eeuw in belangrijke mate hadden ontbost, was het gebied dat tegenwoordig Duitsland heet grotendeels bedekt met beukenbossen. Nog altijd buigen taalonderzoekers zich over de vraag of de Duitse woorden Buch en Buchstabe zijn ontstaan doordat de Germanen hun runen in het harde hout van de beuk [Buche in het Duits] krasten.

    Wohlleben vraagt zich af: waarom niet laten groeien wat inheems is? De spar is een importplant. Hij noemt die een ‘boom voor luie mensen’. Sparren groeien niet naar het licht, maar kaarsrecht tegen de aantrekkingskracht van de aarde in, snel en pasklaar 
de zagerij in. Desondanks, vindt Wohlleben, doen ze alleen maar alsof ze rendabel zijn. In warme zomers worden ze aangevreten door kevers. En bij een storm kieperen ze om, omdat ze ondiepe wortels hebben. De beuk daarentegen wortelt diep en opent zijn kruin als een waaier om elke drup regen op te vangen. ‘Welke boom zou nou beter zijn opgewassen tegen 
de opwarming van de aarde?’

    Von Schilcher vindt het grappig dat uitgerekend een eco-auteur zich uitspreekt tegen het idee van duurzaamheid. Hij vertelt dat Hans Carl von Carlowitz, net als Von Schilcher van adel, in 1713 in een manifest voor het eerst als voorwaarde heeft gesteld dat er altijd net zoveel hout moet aangroeien als er wordt gekapt. Hoe sneller er wordt gerooid, des te sneller er dus ook moet worden aangeplant. ‘Daar houd ik me aan.’ Ook zegt Von Schilcher dat hij zijn hele leven een gemengd bos heeft onderhouden: 70 procent naaldbomen, ondersteund door 30 procent loofbomen – als ‘bijmenging’. Als er iemand is die een monocultuur wil, dan is het die schrijver uit de Eifel wel. Anonieme stemmen noemen Wohlleben een ‘boomracist’ en een ‘plantenfascist’, die niets anders dan de beuk wil accepteren. Wohlleben zegt hierop dat hij gemengde bossen wantrouwt. Wat eruitziet als de wil van de natuur, zijn ‘bomenakkers’, geplant naar de behoeften van de markt.

    Zo gaat het over en weer. Niet alleen tussen Wohlleben en Von Schilcher, maar ook tussen het 
Bundesamt für Naturschutz, dat meer ‘natuurlijke ontwikkeling van het bos’ wil, en het Deutscher Energieholz- und Pellet-Verband, dat snel veel nieuw hout nodig heeft. Zelfs in de Bondsregering wijzen de neuzen niet dezelfde kant op. Het door een SPD-minister geleide ministerie voor Milieu wil tot 2020 10 procent van alle openbare bossen tot oerbos maken. In het door een CSU-minister geleide ministerie van Landbouw noemt een hoge ambtenaar oerbossen ‘bosruïnes’. Als de Bondsrepubliek ‘het tijdperk van de decarbonisatie’ wil binnengaan, zich onafhankelijk wil maken van smerige kolen, Poetins gas en de olie van de Saoedi’s, dan kan dat alleen met zon, water, wind – en hout.

    Beukenbos. – © Olli Henze / Flickr Creative Commons
    Beukenbos. – © Olli Henze / Flickr Creative Commons

    Aan al deze tegenstrijdige opvattingen valt op dat de verschillende partijen er tot nog toe alleen maar over gediscussieerd hebben met welke mix van bomen de mensheid het meest geholpen is, als koks die hartstochtelijk van gedachten wisselen over een optimaal recept. Maar nu verovert deze boswachter uit de Eifel het hart en het brein van zijn lezers met de bewering dat de bomen zelf van belang zijn en een geheugen en gevoelens hebben.

    Zijn bomen de nieuwe walvissen? Bedreigde, intelligente, edele wezens, door de mens onderschat en afgeslacht? Staan we binnenkort met beuken te knuffelen zoals we dat nu met dolfijnen doen?

    Er zijn seminars waarbij je bomen kunt omhelzen. En het is waar dat tijdens een boswandeling de bloeddruk daalt. Verscheidene onderzoeken hebben aangetoond dat zelfs het aantal antikankercellen in het lichaam toeneemt. Onduidelijk is nog waarom. Waarschijnlijk vanwege de zogenaamde phytoncides, gasvormige stoffen die bomen afscheiden ter bescherming tegen schadelijke insecten en dieren.

    Op een mistige, waterkoude dag leidt Peter Wohlleben weer een groep rond in zijn bos. Mannen en vrouwen met stevige schoenen en kleurrijke outdoorkleding van dure merken. Ze hebben veldkijkers, fototoestellen, thermosflessen en wandel- en nordic walking-stokken bij zich. De uitrusting van stedelingen die een bezoek aan het platteland brengen. Liefdevol streelt Wohlleben de jonge scheuten van beuken, zoals een moeder in het voorbijgaan de hoofden van haar kinderen. ‘Het is toch jammer,’ zegt hij, ‘dat vrijwel elke boom in Duitsland voor zijn natuurlijke dood wordt omgehakt.’

    Zijn bomen de nieuwe walvissen? Bedreigde, intelligente, edele wezens?

    In de groep wordt geknikt. Dat zijn gasten soms in imposante auto’s naar de Eifel komen, daarover spreekt Wohlleben niet. Hoeveel hout ze verbruiken, vraagt hij niet. En dat hij vindt dat elk meubelstuk net als eieren een herkomststempel zou moeten 
hebben, houdt hij voor zich. Tijdens de urenlange natuurwandelingen onthoudt Wohlleben zich consequent van kritiek op zijn publiek en leidt hij de bezoekers van zijn bos van wonder naar wonder zoals zijn lezers van anekdote naar anekdote. In Het verborgen leven van bomen schrijft Wohlleben dat ‘hele bossen’ via een ‘wood wide web’ met elkaar in verbinding staan. ‘Beukenouders’ bieden schaduw en brengen hun kinderen geduldig groot. Als je ze ongemoeid laat, groeien beuken dicht bij elkaar: ‘Groepsknuffels 
zijn aangenaam.’ Wohlleben schrijft dat ‘bomen 
pijn ervaren en een geheugen hebben’.

    Florian von Schilcher zegt: ‘Hij schrijft best aardig, dat moet ik hem nageven. Maar kinderen en ouders? Enorme flauwekul. Daarmee verslijt hij de mensen voor dom.’

    Rondvraag onder wetenschappers levert aanvankelijk niets op. Er is vrijwel geen onderzoeker die het boek van Wohlleben heeft gelezen. Omdat het onomstreden is? Er niets nieuws in staat? Of omdat het onzin is? Christian Ammer, professor Bosbouw en Bosecologie in Göttingen, mailt aan Die Zeit: ‘Het boek zegt meer over de lezers dan over bomen. Vanuit wetenschappelijk oogpunt kun je – zwak uitgedrukt – bij sommige passages alleen maar het hoofd schudden.’


    Waar Wohlleben ook verschijnt, telkens weet hij de rust te bewaren van iemand die het recht aan zijn zijde weet en een meerderheid achter zich waant. Niet hij verslijt de mensen voor dom, zegt Wohlleben, maar de houtindustrie, een conservatief kartel van zwijgers en mooipraters. Iedere Duitser weet tot op de komma nauwkeurig wat het brandstofverbruik van zijn auto is en hoeveel stroom zijn huishouden verbruikt. Maar hoeveel kubieke meter van zijn bloedeigen grondstof hout hij jaarlijks nodig heeft, weet niemand. Waarom niet?

    Ik ontmoet hem bij hem thuis, in zijn boswachterswoning in het bos. In de tuin heeft hij met zijn vrouw mais, aardappels, pastinaken en courgettes geplant, om zo zelfvoorzienend mogelijk te kunnen leven. Wohlleben zegt dat hij is opgegroeid in decennia van angst. Club van Rome, bossterfte, Koude Oorlog, opgedroogde rivieren, Tsjernobyl. ‘Ik heb altijd de vaste overtuiging gehad dat ik niet aan seniliteit zal sterven.’

    Als hij over zichzelf vertelt, klinkt hij een beetje minder zelfverzekerd dan tijdens zijn rondleidingen in het bos. Hij weet dat elke tijd en elk milieu hun eigen verschijningsvormen hebben. Op het gymnasium was hij onder de indruk van ‘de jonge leraren, die allemaal hadden meegedaan aan de studentenprotesten van eind jaren zestig’. Wohlleben nam 
deel aan demonstraties van Greenpeace en het WNF. Hij probeert ‘zo weinig mogelijk vlees’ te eten. Aan 
de muren van zijn huis hangen de verentooi van e
en Sioux, een parelketting van de Yokut-stam en armbanden van de Crow. Peter Wohlleben heeft altijd hart gehad voor de indianen.

    Beuken in het Westerwald. – © Christian / Flickr Creative Commons
    Beuken in het Westerwald. – © Christian / Flickr Creative Commons

    Florian von Schilcher neigt meer naar een cowboy. Hij is voorzitter van de schietvereniging van Dietramszell. Onlangs was hij op antilopejacht in Oeganda. De geweien aan de muren van zijn huis strengelen zich bijna ineen. De angst voor bossterfte vond hij dertig jaar geleden al overdreven.

    Als Von Schilcher zijn leven moet samenvatten, pookt hij eerst eens het vuur op en laat vervolgens op vrijwel elke anekdote een zelfvoldaan lachje volgen. Zijn jeugd heeft voor een groot deel uit ‘vlegelachtig gedrag’ bestaan: ‘We reden als waanzinnigen. Op mijn veertiende zat ik zonder rijbewijs achter het stuur.’

    Een ‘rampzalige leerling’ was hij, zegt Von Schilcher, zeven keer wisselde hij van school. Hij had een baantje in het orang-oetanhuis in de dierentuin van Berlijn, deed alsnog examen, trouwde met een Braziliaanse, studeerde biologie in Edinburgh en schreef zijn proefschrift over het seksleven van de fruitvlieg. In de open haard ligt het hout zachtjes te knapperen, Von Schilcher legt er nog een paar blokken op. Tussen Dietramszell en Hümmel, op die 500 kilometer tussen de twee mannen, gaat het om veel meer dan het bos. En ook om meer dan ecologie en economie of een generatieconflict.

    Het gaat om de levensinstelling alles goed te willen doen, zoals Wohlleben, en het niet iedereen naar de zin te hoeven maken, zoals Von Schilcher. Het gaat om verschillende mannenrollen. En om het eeuwige contrast tussen stad en platteland.

    Al 25 jaar onderhoudt Peter Wohlleben het bos van Hümmel, maar hij zegt zelf dat hij ‘in de stad gesocialiseerd is’. Een eengezinswoning in de buurt van Bonn, vader werkte bij het ministerie van Financiën en ’s avonds werd er onder het eten over politiek gesproken. Al die gesprekken hadden een hoog 
theoretisch en moralistisch gehalte. Vanuit de stad bekeken lijkt de plattelandsbevolking soms gecorrumpeerd door de eigen economische belangen. 
Hoe zou iemand die in een mestveehouderij werkt tegen mestveehouderijen kunnen zijn?

    © dominikla / Flickr Creative Commons
    © dominikla / Flickr Creative Commons

    Florian von Schilcher vindt deze manier van denken ‘schijnheilig’. Buiten de steden gaat het er nu eenmaal niet zo idyllisch aan toe als het tijdschrift Landlust in de stationskiosk doet vermoeden. ‘Hoe intensiever de verstedelijking, des te sterker de romantisering van de natuur,’ zegt Von Schilcher. Het komt er immers op neer dat de plattelandsbevolking het vuile werk doet voor de stedelingen. Zaaien en maaien, mesten en slachten. ‘En wat krijgen ze voor dank?’

    Het heeft weer eens gesneeuwd, misschien wel voor het laatst deze winter. Peter Wohlleben loopt met een oudere dame door zijn stijf bevroren bos. In de kwarteeuw die hij tot nog toe in het bos van Hümmel heeft doorgebracht, heeft Wohlleben 15 procent ervan ongemoeid gelaten, zodat boomouders en -kinderen ongehinderd kunnen groeien. Dat zijn werk desondanks lucratief is voor de gemeente heeft een andere oorzaak: hij verkoopt grafplaatsen, die hij ‘rustbiotopen’ noemt. Begraven worden in het bos is een trend.

    De Duitse verbondenheid met het bos is eeuwigdurend. Sinds Wohlleben dertien jaar geleden zijn rustbos opende, zijn hier 3400 mensen ter aarde besteld. Ze liggen in cirkels om de stammen heen, 
in biologisch afbreekbare urnen. Vandaag leidt Wohlleben de 75-jarige Eleonore Rottscheid-Zölliken van stam naar stam. Ze wil een boomgraf voor zichzelf en haar man reserveren.

    ‘Wilt u liever een schaduw- of een zonplek?’ vraagt Wohlleben.

    ‘Graag een beetje verscholen,’ zegt ze.

    ‘Vindt u de boomsoort belangrijk?’

    Uit de zijzak van zijn wandelbroek haalt Wohlleben een tablet tevoorschijn. Op het scherm verschijnt een landkaart met honderden stippen. Geel staat voor eiken. Rood voor douglassparren. Groen voor beuken. Grijs voor bezet. Grijs overheerst. Na een halfuurtje wikken en wegen staat Eleonore Rottscheid-Zölliken tussen boom 4243 en boom 4249 wolkjes adem het bos in te blazen. De eerste boom is een grote, rechte beuk, de laatste een krom, scheefgegroeid ding. ‘Ik wil die kleine wel,’ zegt mevrouw Rottscheid-Zölliken.

    Wohlleben tikt op zijn tablet en een groene stip wordt grijs. Over enkele dagen zal mevrouw Rottscheid-Zölliken voor de prijs van 2990 euro ‘bijzettingsgerechtigde’ bij boom 4249 zijn en ooit deel gaan uitmaken van een reservaat, ook biologisch.

    99 jaar

    Peter Wohlleben heeft met deze transactie weer een stukje bos beschermd voor de komende 99 jaar. 
Tegen de houtlobby, tegen alle Von Schilchers, en tegen alle mogelijke opvolgers die in de verre toekomst zijn bos zullen overnemen en misschien wel andere ideeën en idealen najagen.

    Van het geld dat Wohlleben met zijn bestseller heeft verdiend, wil hij zijn oude boswachtershuis laten renoveren. De muren isoleren, zonnepanelen op het dak. Tot nog toe stookt Peter Wohlleben met hout. Hij verbruikt geen 1,06 kubieke meter per jaar, zoals de gemiddelde Duitser. Hij verstookt 10 kubieke meter.

    Auteur: Henning Sussebach
    Vertaler: Pieter Streutker

    Peter Wohllebens Het verborgen leven van bomen, 
verschijnt half april bij AW Bruna. Vertaling: Bonella van Beusekom.

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

  • 1. Na zeventien jaar weer een vaste baan

    1. Na zeventien jaar weer een vaste baan

    De bewering dat een langdurig werkloze jarenlang niets heeft gedaan, is nogal boud. Neem Ella Haug, 44 jaar, die vijf kinderen opvoedde en opvoedt. Grotendeels alleen.

    Als ze over de vader van de laatste drie kinderen spreekt, heeft ze het over ‘Herr Haug’. De man heeft zich zelden om hen bekommerd. Ella Haug (44) zit nu in een spreekkamer van het arbeidsbemiddelingsbureau in Neurenberg – felrood haar en een voor haar leeftijd sterk getekend gezicht.

    Ze praat over haar arbeidsverleden.

    Op het laatst waren het alleen nog 1 euro-jobs [baantjes voor uitkeringstrekkers, voor 1 euro per uur, bedoeld om ze aan het arbeidsproces te laten deelnemen]. Bleef ze weg omdat de achtjarige een astma-aanval had, dan dreigde de sociale dienst te korten op haar uitkering. Ze voelde zich een goedkope hulpkracht, met zinloze, tijdelijke bezigheden die tot niets leidden. Ze was niet meer in staat een beroep uit te oefenen, zoals zovelen van de 1 miljoen Duitsers die een jaar of langer werkloos zijn.

    Ooit had Ella Haug een echte baan, waarin ze goed verdiende, en waar ze trots op was. Ze leidde het filiaal van een discounter. Dat was zeventien jaar geleden. Toen kwamen er nog drie kinderen, voor wie ze niet kon zorgen. Aan ‘Herr Haug’ had ze niets. Op zeker moment was ze te lang uit de running, waardoor geen bedrijf haar nog in dienst wilde nemen. Ze kwam terecht bij het postorderbedrijf Quelle, omdat weinig mensen zin hebben in nachtdiensten. Maar oma wilde na twee dagen niet meer bij de kleinkinderen overnachten. Ella wilde een vak leren, maar het arbeidsbemiddelingsbureau wilde geen opleiding voor haar betalen – vanwege haar onbetrouwbaarheid geloofde men niet dat zoiets een succes kon worden.

    1 euro-jobs

    Dus bleven alleen de 1 euro-jobs over, die bij haar slechts één gevoel losmaakten: ‘Je denkt: Dan kan ik net zo goed in de uitkering blijven.’ Daar liep het op uit: een Hartz IV-uitkering*, levenslang. Duur voor de samenleving, frustrerend voor haar. Het is een lot dat ze deelt met miljoenen Duitsers – en misschien wel doorgeeft aan haar kinderen. Oudgedienden onder de Neurenberger arbeidsbemiddelaars hebben cliënten wier ouders ze al zonder succes probeerden te helpen.

    Dit leven, waarbij haar gezin meestal rondliep in gekregen, afgedragen kleren, wilde Ella Haug achter zich laten. In 2014 nam ze deel aan een proefproject van de deelstaat Beieren en de stad Neurenberg. Haar laatste echte baan lag toen al anderhalf decennium achter haar. Er bestaan tal van sociale projecten, maar dit project, ‘Perspectief voor gezinnen’, volgt een nieuwe logica. Bij langdurig werklozen is vaak sprake van meer dan één hindernis om een baan te krijgen. Gebrek aan opleiding, geringe kennis van het Duits, huiselijk geweld, drugs, passiviteit. Zo iemand aan een baan helpen lukt misschien alleen door intensieve begeleiding, door een opzet waarbij meerdere problemen tegelijk worden aangepakt en waarbij ook naar het hele gezin wordt gekeken.

    Een rij werkzoekenden bij het arbeidsbureau in de wijk Lichtenberg in Berlijn. © Hollandse Hoogte
    Een rij werkzoekenden bij het arbeidsbureau in de wijk Lichtenberg in Berlijn. © Hollandse Hoogte

    Hoe noodzakelijk dat was in het geval van Haug, zag het gecombineerde team van arbeidsbemiddelaars en sociaal werkers snel in. Ze hadden een onbeduidend baantje voor haar gevonden, als een nieuw begin. Na een poosje gaf ze er de brui aan. Bij een tweede baantje idem dito. De ene keer viel de zoon van de trap, zegt ze, de andere keer ontsnapte er thuis hete stoom uit de gasoven, dat maakte de kinderen bang. Serieuze redenen misschien, maar ze bleef eenvoudig weg, zonder zich af te melden. Kwam dagenlang niet aan de telefoon. Ze kon of wilde niet werken, en tegelijkertijd schaamde ze zich daarvoor. Nu, twee jaar later, in de spreekkamer van het arbeidsbemiddelingsbureau, wil ze dat wel toegeven.

    Het Duitse recht schrijft in zo’n geval voor dat de bemiddelaar moet korten op de Hartz IV-uitkering. Ella Haug kent dat. Maar sancties hielpen haar ook andere keren niet terug aan het werk.

    Schäfer overtuigde de moeder om de puberende dochter een eigen kamer te geven. Haar naar bijles te sturen. En haar de hamster te beloven die ze zo graag wilde

    In het gecombineerde team zit Andreas Schäfer, een sociaal werker. Hij ging ’s avonds gewoon langs bij de familie Haug. Hij trof een puberende dochter aan, die vaak uit haar vel springt, en twee andere kinderen met leermoeilijkheden die bijzonder onderwijs volgen en veel aandacht nodig hebben. ‘Als mevrouw Haug zich concentreerde op het ene kind, ging het fout met de andere,’ zegt de sociaal werker. ‘Mevrouw Haug was nog helemaal niet klaar voor een baan.’

    Schäfer overtuigde de moeder om de puberende dochter een eigen kamer te geven. Haar naar bijles te sturen. En haar de hamster te beloven die ze zo graag wilde – maar alleen als ze zich meerdere maanden goed gedroeg. Toen de thuissituatie zich stabiliseerde, maakten de bemiddelaars het mogelijk dat Ella Haug de opleiding ging volgen die haar eerder was geweigerd. Ze leerde in een verzorgingstehuis ouderen te verzorgen. Gesprekken voeren, een valtraining. Ze hield het vol. Dat lukte alleen omdat ze de kinderen nu regels stelde.

    Op 1 januari jongstleden kreeg ze een vaste aanstelling in het verzorgingstehuis. 1400 euro per maand. Het is haar eerste echte baan sinds zeventien jaar.

    Tot voorbeeld dienen

    In het project in Neurenberg, met zeshonderd gezinnen, hebben ze vaak te maken met langdurig werklozen die in het normale systeem buiten de boot vallen. Zoals Ella Haug. Zoals een Congolese vrouw die tien jaar zonder baan bleef. De normale arbeidsbemiddelaars voor moeilijke gevallen behandelen twee keer zoveel cliënten als in dit project en bekommerden zich weinig om deze vrouw. Als ze zich concentreren op makkelijkere cliënten, verbeteren ze hun score. Bemiddelaarster Gudrun Frank, die meer tijd heeft, ontdekte dat het bij de Congolese een kwestie van geschiktheid was. De dienst bood niets aan, en zijzelf durfde niets. Nu werkt ze als verzorgster en bloeit ze op.

    ‘De Neurenbergse opzet voorkomt Hartz IV-carrières en daarmee uitgaven en ouderdomsarmoede,’ zegt de Beierse minister van Sociale Zaken, Emilia Müller (CSU). ‘Ouders kunnen hun kinderen weer tot voorbeeld dienen.’ Müller heeft haar collega-ministers aangespoord om haar voorbeeld in de hele Bondsrepubliek te volgen. De sociale commissie van de Bondsraad stemde met 16 tegen 0 stemmen voor.

    Als de Bondsregering die opzet in een wet vastlegt, kan elk arbeidsbemiddelingsbureau te werk gaan volgens het Neurenberger model. Gefinancierd door gemeenten en rijk. Maar daar zit de moeilijkheid. Het is duurder wanneer arbeidsbemiddelaars, zoals in het proefproject, maar half zoveel cliënten hebben. Emilia Müller brengt daartegen in: ‘Voor iedere uitgegeven euro komt minstens 4 euro terug.’ Zoals in de evaluatie van het project telt zij de lonen van de herintreders, de sociale premies en de belastingen bij elkaar op. 4:1. Maar pas op de lange termijn. Aanvankelijk zouden gemeenten en rijk meer geld moeten uitgeven.

    Wellicht wordt het model nu aantrekkelijk omdat het vooral geschikt lijkt voor de grootste uitdaging waarvoor Duitsland juist nu staat: de integratie van miljoenen vluchtelingen.

    Auteur: Alexander Hagelüken
    Vertaler: Piet Meeuse

    • De Duitse variant van de bijstandsuitkering, genoemd naar Peter Hartz, 
de voorzitter van de commissie uit de Bondsdag die aan het begin van de 
eeuw wijzigingen in de Duitse sociale wetgeving voorbereidde.

    Süddeutsche Zeitung
    Duitsland | dagblad | oplage 445.000

    Opgericht in 1945. De intellectuele, liberale krant van links Duitsland. Samen met de FAZ een van de belangrijkste dagbladen van het land. De SZ staat bekend om de drie-eenheid: tolerantie, onafhankelijkheid en waakzaamheid.

  • ‘Zou u terug willen naar het muffe Duitsland van vroeger?’

    ‘Zou u terug willen naar het muffe Duitsland van vroeger?’

    Der Spiegel sprak met de Duits-Iraanse schrijver en essayist Navid Kermani over het vluchtelingenvraagstuk. Problemen zoals in Keulen moet je volgens hem erkennen en benoemen. Maar hij blijft geloven in het nieuwe, pluriforme Duitsland.

    Der Spiegel: Meneer Kermani, we hebben kort na het bekend worden van de gebeurtenissen in Keulen met elkaar gebeld. U leek niet volkomen verrast.
    Kermani: Die bendes zijn al jaren een probleem, ook in deze wijk. Iedereen weet dat. Maar als je hier het Marokkaanse café binnenstapt, dan verbaas je je.

    Der Spiegel: Waarover?
    Kermani: Dat de mensen daar schijnbaar meer weten dan de politie. Ze weten blijkbaar wie deze jongens zijn, ze zeggen ook dat die al in Marokko crimineel en drugsverslaafd waren: straatjongens, zonder op-
voeding, zonder binding, die op eigen houtje gekomen zijn. De Marokkaanse families hier zijn, zacht uitgedrukt, niet blij met deze laatkomers.

    Der Spiegel: Wat bedoelt u?
    Kermani: Nou ja, ze praten ongeveer zoals de politici van de CSU: uitzetten, meteen!

    Der Spiegel: Ach.
    Kermani: Wat er gebeurd is, is nieuw, en verontrustend voor ons allemaal. Eigelstein is een stationsbuurt, een multicultureel stadsdeel, met alle romantiek, maar ook de problemen die zich zo duidelijk manifesteerden op Oudejaarsdag: alcohol, drugs, machogedrag, losbandigheid en die ‘haat tegen de burgerlijke samenleving’, zoals het heet.

    Der Spiegel: Zou u het zo durven noemen?
    Kermani: De lui die waarschijnlijk de harde kern daarvan vormen, lijken in elk geval niet de mensen die gekomen zijn om hier arts te worden.

    Der Spiegel: Of schrijver.
    Kermani: Of om bij Ford te werken. Die komen 
vermoedelijk omdat het hier makkelijker is: meer opbrengst, minder politie, die ook niet zo hard optreedt als de politie in Marokko.

    Der Spiegel: Nu is iedereen geshockeerd.
    Kermani: Pluriformiteit veroorzaakt problemen. Zou ik, zou u graag terug willen naar een monocultuur, of een homogene volksgemeenschap? Mij lijkt het Duitsland van nu spannender, en ook sympathieker dan, laten we zeggen, de muffe sfeer van de jaren vijftig.

    Der Spiegel: En als de problemen te groot worden?
    Kermani: Sorry, maar er komen zo veel mensen uit de meest uiteenlopende landen en sociale klassen, en met de meest uiteenlopende achtergronden. En niet alleen de Duitsers hebben ressentimenten. Moet u de Marokkanen van de eerste generatie eens horen praten over de tweede, of de Turken over de Arabieren, en dan de Iraniërs over de Turken. En de moderne Turken uit Istanboel over de vrome Anatoliërs!
    We leven in een fragiel evenwicht, en als er dan 
terreuraanslagen of dingen als in de Oudejaarsnacht in Keulen gebeuren, dan wekt dat angstgevoelens. We weten dat uit de geschiedenis, en we zien het nu in het Midden-Oosten: zelfs in vreedzame tijden wordt identiteit gevormd door zich tegen anderen 
af te zetten. En in tijden van grote onzekerheid of sociale ontbinding gaat dat vaak genoeg helemaal niet vreedzaam. Pluriformiteit is altijd in gevaar, en ja, ook gevaarlijk. Dat kan omslaan, kantelen. Op het moment dat mensen zich onzeker voelen, angstig worden, komen ze met hun vermeende identiteit 
op de proppen en zetten die in tegen de anderen. 
Dat is bijna een natuurwet. En dan de seksuele overtredingen. Dat was in Joegoslavië al zo, en nu in Irak en Syrië: vrouwen zijn altijd de eerste slachtoffers. 
De vrouwen van anderen zijn vogelvrij verklaard.

    Keulen, 4 februari. Tijdens het carnaval is de politie massaal aanwezig om een herhaling van de gebeurtenissen op Oudejaarsavond te voorkomen. – © Getty Images
    Keulen, 4 februari. Tijdens het carnaval is de politie massaal aanwezig om een herhaling van de gebeurtenissen op Oudejaarsavond te voorkomen. – © Getty Images

    Der Spiegel: Trofeeën van de haat.
    Kermani: En als iemand daar niet bang van wordt, zou ik graag willen weten in wat voor wereld die leeft. Bijna een miljoen migranten in een half jaar, dat is echt veel. Een reusachtige opgave.

    Der Spiegel: En dan laat de politie het afweten.
    Kermani: Niet voor het eerst. In Keulen heeft de NSU [Nationalsozialistischer Untergrund] twee terreuraanslagen gepleegd, waarvan een hier in de wijk: maar 200 meter hier vandaan in de Probsteigasse heeft een NSU-bom de dochter van een Iraanse 
kruidenier zwaar verwond. Mijn dochter ging vlak daarnaast naar een kinderdagverblijf. Wij kenden 
de familie, kochten daar vaak chocola of melk. Van de ene dag op de andere was de zaak dicht. De veiligheidsdiensten hebben gefaald, hebben sporen die naar het Duits-nationalistische milieu leidden uitgewist en jarenlang slachtoffers tot daders gemaakt. Of denk aan de Hogesa-protesten [Hooligans gegen Salafisten]. Het kan toch niet dat vijfduizend hooligans zomaar midden in de stad urenlang kunnen protesteren. Als het falen van de autoriteiten zich zo dramatisch herhaalt, dan moet dat aan het systeem liggen. Maar dat kunnen we ons in een multiculturele samenleving, met zo veel nieuwe migranten en gewelddadige neigingen van meerdere kanten, niet permitteren. We moeten de staat kunnen vertrouwen.

    Der Spiegel: Kan het zijn dat we ons hebben laten misleiden door de illusie van: oké, er zijn problemen in de steden, maar op zich gaat het wel?
    Kermani: Ik geloof wel dat men een zekere criminaliteit door de vingers zag. Niet iedere terreuraanslag kan voorkomen worden, maar wat er bij het Centraal Station is gebeurd, had voorkomen kunnen worden. Ik zou als surveillerend agent, tussen zeer agressieve jongelui die stijf stonden van de drugs, woedend zijn op een leiding die zelfs aangeboden versterkingen afwijst.

    Der Spiegel: U had het over de bendes die de harde kern vormden van de Oudejaarsnacht. Blijkbaar waren daar ook vluchtelingen bij.
    Kermani: Ja, al speculeert iedereen daar nog over. Het schijnt in elk geval zo geweest te zijn dat daar ook vluchtelingen stonden en dronken, en misschien op een gegeven moment dachten dat ze wel de beest uit konden hangen. En nu discussiëren we over de Arabische man in het algemeen. Dat gaat mij echt veel te ver, dat culturalisme en deels ook racisme waarin plotseling iedereen zich openlijk meent te mogen uitleven. De Arabische man, lieve help! 
Elyas M’Barek [Duitse acteur van Oostenrijks-
Tunesische afkomst] is er ook een, en Sami Khedira [voetballer van Duits-Tunesische afkomst] net zo. Worden zij ook bedoeld? Of hebben wij, dus u, die op Europese wijze onschadelijk gemaakt? Ik ben als moslim opgegroeid, en heb mijn dochter toch naar de Montessorischool gestuurd.

    ‘We hebben de immigratie gecriminaliseerd’

    Der Spiegel: Ik maak niemand onschadelijk. Aan de feministische kant van het debat wordt inderdaad de vraag gesteld of een islamitische opvoeding waarden als respect voor, en gelijkberechtiging van de vrouw kan overdragen.
    Kermani: Dat ik me niet aan vrouwen vergrijp is in elk geval niet alleen aan mijn Duitse socialisatie toe te schrijven.

    Der Spiegel: Maar wat is er dan aan de hand met die Arabische jongemannen?
    Kermani: Er zijn enorme problemen in grote delen van de Arabische wereld, speciaal onder de jonge mannen; deze problemen zijn niet te wijten aan een Arabisch gen, maar zijn benoembaar: een bevolkingsexplosie en een economische liberalisering, die heeft geleid tot een zichtbare rijkdom van zeer weinigen die steeds groter en obscener is geworden. De massa jongelui heeft zelfs met een diploma geen enkel beroepsperspectief, geen enkel uitzicht op een eigen woning en een huwelijk. En tegelijkertijd is seks buiten het huwelijk taboe. De informatietechnologie heeft de smaak van vrijheid en pornografie gebracht, 
terwijl de mogelijkheden om die vrijheid te beleven steeds kleiner zijn geworden. Dat maakt de sociale diagnose – en ik heb nu echt nog maar een van de vele aspecten genoemd – er niet ongevaarlijker op, ook niet met het oog op de toestroom van deze jonge-
mannen uit die samenlevingen. Maar als je dat goed tot je laat doordringen, begin je tenminste iets te begrijpen. Wat hebben wij eraan als we ons verschansen in onze discours van culturele superioriteit en met steeds grotesker theorieën komen, zoals vroeger over de negers of de joden, tegenwoordig over de moslim, en nu over de Arabische man? Daarmee los je geen enkel sociaal probleem op. In tegendeel: de tegenstellingen worden nog scherper, omdat dit discours uitmondt in discriminatie en leidt tot nog meer uitsluiting.

    Der Spiegel: Maar waarom zijn het vooral jongemannen die migreren, en niet meer families?
    Kermani: Omdat we de immigratie gecriminaliseerd hebben. Zo dwingen we de mensen tot een lange vluchtweg, die de fysiek sterkeren beter aankunnen.

    Der Spiegel: Nog steeds komen er veel mensen, ondanks de winter, en nog altijd hebben we geen idee wie dat zijn.
    Kermani: Nogmaals: om dit proces te kunnen 
sturen, mogen we de mensen niet in de illegaliteit dwingen.

    Der Spiegel: En hoe pakken we dat aan?
    Kermani: Daar praten we al tien jaar over. We moeten immigratie scheiden van asielverlening. Immigratie richt zich naar de behoeften van de ontvangende samenleving, asielverlening naar de nood. Zolang er nauwelijks een mogelijkheid is om voor immigratie in aanmerking te komen, probeert iedereen het via de asielprocedure. En zolang het praktisch onmogelijk is om aan een buitengrens van de EU een asielaanvraag in te dienen, moeten zowel de immigranten als de vluchtelingen hun geld, hun tijd en hun moed investeren in de smokkelindustrie in plaats van in hun opleiding en hun toekomst.

    Der Spiegel: Veel Europese staten weigeren mee te doen aan een gemeenschappelijke oplossing.
    Kermani: Ja, zoals Duitsland weigerde toen er nog niet zo veel vluchtelingen kwamen. Duitsland heeft Europa de Dublin-regeling opgedrongen en daarmee het eigen asielrecht praktisch ontlast. Je moest 
ongeveer aan een parachute boven Duitsland gedropt worden om legaal van je grondrecht gebruik te kunnen maken.

    Der Spiegel: Was het ‘Wir schaffen das’ van mevrouw Merkel en de beslissing om de grenzen te openen misschien niet zo zinvol, omdat vroeg of laat vanzelf de vraag rijst hoeveel mensen we kunnen opnemen?
    Kermani: U moet wel bedenken dat dat een noodsituatie was. De mensen zaten in Hongarije op de snelweg, uitgehongerd en door de Hongaarse autoriteiten heel slecht behandeld. Men had niets anders kunnen besluiten.

    Wie in zijn gemeente Syriërs opneemt, hun dankbaarheid ervaart, hun verhalen hoort, die is gewapend tegen vreemdelingenhaat

    Der Spiegel: Maar de mensen zomaar uitnodigen, zonder een tijdslimiet?
    Kermani: Staten als Polen en Hongarije blokkeren een oplossing. Een deel van Europa verleent geen asiel meer. Nu is er een situatie die niet eeuwig kan duren. Dat weet ook iedereen.

    Der Spiegel: En als het toch voortduurt?
    Kermani: Dan zullen er meer nachten komen 
als die in Keulen. Of dingen die misschien nog onaangenamer zijn.

    Der Spiegel: Onaangenaam is zacht uitgedrukt.
    Kermani: Het zal Duitsland in elk geval niet lukken om het probleem van het Midden-Oosten hier op 
te lossen. We hebben een Europese Unie die niet 
adequaat kan reageren op de interne en externe uitdagingen, omdat men het over de fundamentele kwesties niet eens is. Steeds meer regeringen wijzen de zogeheten Europese waarden af. Die vinden dat vrouwen en homo’s geen gelijke rechten hebben, dat de vrijheid van meningsuiting en de scheiding der machten niet meer zo belangrijk zijn. Europa heeft geen innerlijke kracht meer.

    Der Spiegel: Echt sterk is het nooit geweest.
    Kermani: Jawel. Europa was beresterk – het heeft dit gewelddadige continent niet alleen vrede gebracht, het heeft ons niet alleen unieke welvaart bezorgd en tot op zekere hoogte gezorgd voor sociale rechtvaardigheid, in elk geval heel veel meer dan er bestaat in de Verenigde Staten. Europa heeft de vrijheid bevorderd, allereerst in Duitsland, maar ook in Oost-Europa en eerder in Griekenland, in Spanje, in Portugal – het vooruitzicht bij Europa te horen heeft de democratie aan een doorbraak geholpen. Europa is niet alleen een vredesproject, maar ook een vrijheidsproject. Het is de politieke toepassing van de Verlichting.

    Der Spiegel: Dat klinkt een beetje als een zondagse preek.
    Kermani: Ik weet het. Maar onze generatie heeft de bestaansgrond van dit Europa, de Tweede Wereldoorlog, de onvrijheid, de honger, niet zelf meegemaakt.

    Der Spiegel: Nog eens terug naar Keulen: is het verkeerd om de herkomst van de daders te benoemen?
    Kermani: Helemaal niet. Maar als je echt van dik hout planken wilt zagen, dan doe je eerst alsof er een zwijgplicht bestaat, en dan gooi je het in de media. We hebben nu de paradox dat iedereen praat over de herkomst van de daders, en tegelijk het gevoel heeft dat je over de herkomst van de daders niet mag praten.

    Der Spiegel: Het debat wordt ook gekenmerkt door het gebrek aan vertrouwen dat deze samenleving lijkt te hebben in haar eigen geschiktheid voor democratie.
    Kermani: Daar ben ik niet bang voor. Ik zie toch hoe het nu op de scholen gaat. Als schrijver kom ik vaak op scholen. In Siegen was ik indertijd de enige die anders was. Nu zijn er in iedere klas veel die anders zijn. De pluriformiteit is vanzelfsprekend geworden, juist nu ook voor degenen die persoonlijke ervaring met vluchtelingen hebben opgedaan. Wie in zijn gemeente Syriërs opneemt, hun dankbaarheid ervaart, hun verhalen hoort, die is gewapend tegen vreemdelingenhaat, ook wanneer andere vreemdelingen zich schuldig maken aan erge dingen. Hij of zij zal niet zeggen: het zijn de buitenlanders, de vluchtelingen, maar zal nuanceren.

    Der Spiegel: De aanslagen in november in Parijs, het afgelasten van de interland in Hannover, de bommelding in München op Oudejaarsavond, de voorvallen in Keulen op diezelfde avond, de terreuraanslag in Istanboel, waarbij tien Duitse toeristen omkwamen: het is of iemand een afschuwelijk draaiboek aan het schrijven is.
    Kermani: En in zekere zin wordt dat draaiboek ook geschreven. Er zijn mensen die met bommen de escalatie willen uitlokken. En zoiets als bij het Keulse station is voor die lui een extra gelukje.

    ‘We moeten ons haasten om ook na de volgende aanslag onze vrijheid en openheid overeind te houden’

    Der Spiegel: En nu?
    Kermani: Er is die beroemde regel van Hölderlin: ‘Wo aber Gefahr ist, wächst das Rettende auch.’ Wat overigens niets anders betekent dan dat er sprake is van een wedloop: enerzijds de escalatie, anderzijds het rijpingsproces van een samenleving. Beide voltrekken zich tegelijkertijd, en ja, we moeten ons haasten om ook na de volgende aanslag onze vrijheid en openheid overeind te houden. De welkomcultuur was immers geen uitvinding van mevrouw Merkel. Zij heeft erop gereageerd, dat gebeurde zelfs in de CDU, in eertijds conservatieve, kerkelijke kringen. Daar waar vluchtelingenopvang moest komen, ontstonden meteen burgerinitiatieven. En wel voor de opvang.

    Der Spiegel: Zeker, maar je zou toch de indruk kunnen krijgen dat de staatsorde verbrokkelt. Aan de grenzen heerst chaos. In Berlijn functioneert de centrale registratie voor vluchtelingen nog steeds niet. In Leipzig verwoesten hooligans een alternatieve wijk [de als links bekend staande buurt Connewitz].
    Kermani: Integendeel. Het is een grote prestatie, zoals de Duitse autoriteiten de vluchtelingencrisis de baas worden, even afgezien van Berlijn. Zelfs in het vaak verguisde Beieren loopt het heel goed.

    Der Spiegel: Die doen het paradoxaal genoeg het beste.
    Kermani: Die doen het het beste. Nee, het Avondland gaat hier niet ten onder. Wij hebben geen toestanden die aan burgeroorlog doen denken, echt niet.

    Der Spiegel: En de Oudejaarsnacht in Keulen?
    Kermani: Het is aan ons, of dat nu een begin was, 
of dat wij dat opvatten als waarschuwingsschot. 
Dat hebben we zelf nog in de hand.

    Der Spiegel: Dus ‘Wir schaffen das’?
    Kermani: Geen idee. Maar laten we het toch tenminste proberen.

    Auteur: Lothar Gorris
    Vertaler: Piet Meeuse

    Beeld bovenaan: © Hannelore Foerster / Getty Images

    Der Spiegel
    Duitsland | weekblad |oplage 976.000
    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.

    Wie is Navid Kermani?

    Navid Kermani (Siegen, 1967) is een Iraans-Duitse schrijver. Hij speelt een belangrijke rol in het publieke debat in Duitsland, vooral als het gaat over de rol van de islam en de relatie tussen Oost en West. Kermani studeerde Oosterse studies, filosofie en theaterwetenschappen in Keulen, Caïro en Bonn. Hij promoveerde in 1999 op het proefschrift God is schön en werd in 2006 hoogleraar Oosterse studies aan de Universiteit van Bonn. Kermani’s productie is zeer divers: hij schreef romans, essays, reportages, een kinderboek en een boek over zanger Neil Young. Na de aanslagen van 11 september 2001 publiceerde hij Dynamit des Geistes – Martyrium, Islam und Nihilismus, over de martelaarscultuur in de islam en het christendom. In Nederland verscheen Mijn leven met de islam, een door Kermani opgetekende autobiografie van de Egyptische islamoloog Nasr Hamid Abu Zaid. In 2015 won Kermani de prestigieuze Vredesprijs van de Duitse Boekhandel.


  • Rijk Duitsland, armeluis-eten

    Rijk Duitsland, armeluis-eten

    In Duitsland is iets vreemds aan de hand. Het land telt meer topkoks en sterrenrestaurants dan ooit, maar tegelijk ziet de gemiddelde Duitser zijn Wiener Schnitzel of pasta met tomatensaus nog altijd als het toppunt van culinair genot. Waar komt die schizofrenie vandaan?

    Dit is een pleidooi voor het goede eten. En omdat het Duitsland betreft moeten we 
een beetje grof te werk gaan. Niet met een voorsnijvork, maar met een voorhamer. Minder 
elegant, maar wel nodig, anders snapt uiteindelijk weer niemand het. We zeggen het dus maar meteen: culinair gezien zijn de Duitsers het gênantste volk van Europa. Zoiets kun je natuurlijk nooit bewijzen, maar de aanwijzingen zijn overstelpend.

    Of moeten we spreken van symptomen? Want de relatie van de Duitsers met de hogere kookkunst 
is inmiddels ernstig pathologisch. Het ziektebeeld: een bizarre vorm van schizofrenie.

    In november verscheen de editie 2016 van de grote culinaire gidsen Michelin en GaultMillau, en werd er weer flink gejubeld. Het zogeheten Duitse keukenwonder duurt nu al bijna dertig jaar en komt maar geen einde aan. Duitsland, een wereldmacht aan 
het fornuis, roepen de recensenten: 290 sterrenrestaurants, een record – alleen Frankrijk heeft er meer. Duitse koks? Technisch briljant! Een exporthit van Rome tot aan Bangkok! Maar die fijnproeversgidsen kunnen zeggen wat ze willen. De enige vraag die er werkelijk toe doet is: hoe kan het dat tegenover deze indrukwekkende keukenbrigade, zelfs twintig jaar na Eckart Witzigmanns uitverkiezing tot ‘de kok van de eeuw’, nog altijd een natie staat die culinair zo veel schuchterheid aan de dag legt?

    Voorbeelden te over. Zoals de uitkomst van de laatste kantine-enquête op kantoor: steviger en goedkoper eten graag! Of de goedverdienende buurvrouw die vraagt welk restaurant we kunnen aanbevelen, ja, het mag beslist wat kosten, zo’n 30 euro ongeveer?

    Niemand in Europa besteedt minder geld aan zijn eten dan de Duitser

    Of de collega met een leidinggevende positie die besmuikt fluistert dat hij onlangs in de Tantris is geweest, de allerbeste gelegenheid van München [Tantris was in 2009 44ste op de lijst van 50 beste restaurants ter wereld van Restaurant Magazine], 
‘Tja, wat zal ik zeggen, het was fantastisch, maar vertel het alsjeblieft niet verder!’

    De Duitse eter – verscheurd tussen begeerte, gierigheid, genotzucht, jaloezie en schuldgevoel. Hoe spijtig. Over de gedragsafwijkingen die deze verscheurdheid veroorzaakt kan vrijwel elke topkok meepraten. Het pijnlijkst blijkt dat in het buitenland, waar de Duitsers – ondanks alle vervaging van nationale eigenaardigheden – nog altijd bekendstaan als kampioen klagen. Cijfers ontbreken, maar vraag je de bediening in een wereldberoemd toprestaurant naar ‘lastige gevallen’, dan zeggen ze in essentie dit: de Japanse obsessie met kwaliteit is vermoeiend, de dikdoenerij van de Russen vervelend, maar het allermoeilijkste is het om ‘de Duitse gast een glimlachje op de lippen te ontlokken’.

    Op zoek naar de oorzaken voor die scepsis, kun je 
op geen enkel niveau heen om de oer-Duitse vraag: wat krijg ik ervoor?

    De voormalig Duitse president Horst Köhler en zijn echtgenote Eva Luise eten een broodje curryworst bij de legendarische cafetaria Konnopke in Prenzlauer Berg, Berlijn. – © HH
    De voormalig Duitse president Horst Köhler en zijn echtgenote Eva Luise eten een broodje curryworst bij de legendarische cafetaria Konnopke in Prenzlauer Berg, Berlijn. – © HH

    Bij de koks gaan Duitsers door voor gasten die het maximale voor hun geld willen. In principe is daar niets mis mee. Maar toch zit er een bijsmaakje aan, zegt Otto Koch, de Münchense grandseigneur van 
de Duitse haute cuisine: ‘Nog altijd irriteert het me mateloos dat gasten bij ons alleen vragen wat een gerecht kost, nooit wat het waard is.’

    Die obsessie voor prijs-kwaliteit wordt aangewakkerd door het nauwgezette onderscheid dat het land van de Bildungsbürger maakt tussen de zogeheten ‘hoge cultuur’ en al het andere. Tweehonderd euro voor een operapremière? Geen enkel probleem. Tweehonderd euro voor een diner? Ja, dan kun je je goeie geld net zo goed meteen maar op straat gooien!

    Gourmettempel

    Zo bleef de topkeuken altijd iets overdrevens en 
elitairs houden. Dat wantrouwen zit ook verankerd in de taal. Woorden die genot uitdrukken ontbreken vrijwel. Verbazingwekkend hardnekkig is, zelfs als het niet ironisch gebruikt wordt, het woord ‘Gourmettempel’, een benaming voor toprestaurants. Alsof 
het gaat om een overblijfsel uit een nouvellecuisine-parodie van Louis de Funès.

    Alleen in Duitsland doen absurde broodjeaapverhalen de ronde waarin topkoks worden beticht van discriminatie van gasten. De tante van een kennis van een vriend zou bijvoorbeeld gevraagd zijn het fijnproeversrestaurant te verlaten omdat ze te hard praatte.

    Bij de rekening was een grove mededeling gevoegd: ‘Wij verzoeken u ons niet nog eens met een bezoek 
te vereren.’ Bekende chefs als Alfons Schuhbeck en Johann Lafer hebben beloningen van duizenden euro’s uitgeloofd voor de gast die een dergelijk briefje zou kunnen laten zien. Geïncasseerd werden ze nooit.

    Driesterrenkok Thomas Bühner kreeg zelfs anonieme dreigbrieven te verwerken. Hoewel hij twijfelde, maakte hij de voortdurende beledigingen twee jaar geleden toch openbaar, op een persconferentie. ‘De enige juiste beslissing,’ zegt hij nu. Bühners beroemde restaurant La Vie in het centrum van Osnabrück is een voorbeeld van het dilemma van topkoks. Gasten komen speciaal uit Tokio of Los Angeles om bij hem te dineren, maar in eigen stad is het ingewikkeld om klanten te trekken. Zelfs veelverdieners zijn veel sceptischer en prijsgevoeliger dan hij dacht, zegt de kok. ‘Duitsers houden van wat ze kennen, de Italiaan op de hoek met zijn vijf standaardpastasauzen.

    Wanneer wij in de voetgangerszone voor La Vie gratis blind zouden laten proeven, zijn velen bang dat ze kikkerbilletjes of gesauteerde sprinkhaan in hun mond geschoven krijgen.’


    De briefaffaire heeft Bühler duidelijk gemaakt dat het belangrijk is om zo veel mogelijk ‘gewone mensen’ in zijn restaurant te krijgen. Om ‘aan iedereen 
te laten zien wie wij zijn’. Dus biedt hij doordeweeks nu zeven gangen voor 98 euro aan. Drie sterren voor koopjesjagers. Een succes. En een risico. Omdat zulke prijzen tot de onjuiste conclusie kunnen leiden dat topprestaties niet duur hoeven te zijn. En dat terwijl de fijnproeverskeuken tegenwoordig meer dan ooit een financiële zelfmoordoperatie is. Niet voor de gast, maar voor de chef.

    Volksaard

    Aan tafel blijven ondertussen velen hardnekkig geloven in het bespottelijke idee dat een bord al avant-garde is als daarop kalfsragout ligt, gedecoreerd met stukjes bladerdeeg, romanescoroosjes en modieuze plukjes pompoen- en bietenpuree. ‘Het is haast alsof de Duitsers ergens tijdens het Wirtschaftswunder allemaal besloten hebben om voortaan slecht te eten en daarvan dan een heleboel,’ zegt Marin Trenk, hoogleraar etnologie aan de Goethe-universiteit van Frankfurt. En hoe verklaart de wetenschap dit? ‘Lastig,’ zegt Trenk, die onderzoek doet naar globalisering van het eten en de Duitse eetgewoonheden. ‘Misschien moeten we gewoon accepteren dat genot bij sommige volken, zoals de Thai, de Chinezen of de Fransen, in de volksaard verankerd zit, en bij andere niet.’

    Een blik in de geschiedenis is interessant, maar helpt weinig. Zo beschreef de Romeinse historicus Tacitus 2000 jaar geleden al de tafelgewoonten van de Germanen; hun smakeloze voedsel en hun drinkgelagen als een vroege vorm van het Oktoberfeest. Of neem ‘aardappelkoning’ Frederik de Grote in het spartaanse Berlijn, wiens karige keuken berucht was bij de Franse gezanten die ziek van heimwee werden. Honderd jaar later zag men in de keizerlijke rijkshoofdstad al te kostbare diners nog altijd als overdreven Frans.

    Königsberger Klopse, gehaktballen met kappertjessaus. – © Dieter Heinemann / HH
    Königsberger Klopse, gehaktballen met kappertjessaus. – © Dieter Heinemann / HH

    Fransenhaat, Germanendorst en Pruisendom, oorlogen, hongersnoden en het bescheiden protestantisme – ze kunnen allemaal een bijdrage leveren aan het debat, maar ze vormen geen afdoende verklaring voor de genotsscepsis van de Duitsers. Tenslotte zijn ook de protestantse nakomelingen van de Vikingen binnen een tijdsbestek van tien jaar wereldberoemd geworden met hun ‘nieuwe Noordse keuken’. In Denemarken, het land van de roze industriesalami, kende men tot voor kort nog geen vijf recepten voor varkensvlees, schertste Kopenhagens sterrenkok René Redzepi. Vandaag de dag is Denemarken een bedevaartsoord voor smulpapen.

    Genot zit bij sommige volken verankerd, en bij andere niet

    Dat de topkeuken economisch interessant is, hebben niet alleen de regeringen in Parijs, Kopenhagen, Madrid en Stockholm door, maar ook die in het arme Peru, het gewelddadige Mexico of het regelgekke Singapore. Zij steunen koks, sturen ze op tournee. Duitsland daartegen verstopt zijn topchefs niet alleen, de politiek voedt het kleine culinaire denken zelfs door zich er naarstig aan te spiegelen. ‘Duitse politici zien een Wiener Schnitzel in (de Berlijnse bobotent) Borchardt nog altijd als een toppunt van genot,’ merkte GaultMillau bijtend op. Grotendeels 
om culturele redenen, zo vermoeden koks; en vaak ook om bij de kiezers in het gevlij te komen. Om maar geen verdenking van verkwisting te wekken!


    Waartoe een hedonistische, flamboyante levensstijl in de politiek leidt, weten we immers sinds 1968, toen je in Berlijn de (heimelijk bewonderde) Toscanefractie had, een groep champagnesocialisten die zijn vakanties graag in Italië doorbracht. Hoe actueel dit jaloeziedebat is, mocht voor het laatst SPD-kanselierskandidaat Peer Steinbrück ervaren. Toen hij tijdens de verkiezingsstrijd vertelde dat hij nooit Pinot beneden de 5 euro dronk, was het hele land verontwaardigd.

    ‘In het buitenland heeft men respect voor ons, thuis hecht men geen waarde aan onze prestaties,’ vat Berlijns hoogst gewaardeerde chef Tim Raue de situatie samen. Natuurlijk zijn er wel mensen die goed uit eten gaan, maar een cultuur die het geheel draagt zoals een sportgek publiek de Olympische Spelen, kennen we hier niet; in de politiek noch in het bedrijfsleven. Driesterrenkok Thomas Bühner geeft toe dat hij op reis in het buitenland jaloers constateert ‘hoe vanzelfsprekend bedrijven daar fijnproeversbijeenkomsten sponseren’. En Joachim Wissler, wiens restaurant Vendôme tot de beste 
van de wereld wordt gerekend en die zonder enig probleem stromen internationale gasten naar het weinig aantrekkelijke Bergisch-Gladbach haalt, 
stelt droogjes vast: ‘Nog geen wegwijsbordje heeft 
de gemeente voor ons over.’

    De Duitse eter wordt verscheurd tussen begeerte, gierigheid, genotzucht, jaloezie en schuldgevoel

    Niemand verwacht overigens dat de natie constant aan het vijfgangendiner zit. Maar misschien komt 
de politiek er ooit eens achter dat andere landen een topkeuken met goede ingrediënten allang weten te waarderen vanwege zijn duurzame karakter. Topkoks ondersteunen immers kleinschalige productie, produceren relatief weinig afval, laten gasten zien wat hun fornuis te bieden heeft en wat kwaliteit kosten moet. Hedonisme als een vormingsprogramma – dat zou een benadering zijn die Duitsland past.

    Nieuwsgierigheid

    Maar tot het zover is, gedijt de schizofrenie van de koopjescultuur – ondanks de populariteit van groene producten en alle in een schrikbarend klein kringetje gevoerde debatten over kwaliteit en gezondheid. 
Het verontrustend reële, want statistisch onderbouwde cliché laat bovendien het volgende beeld zien: niemand in Europa besteedt minder geld aan zijn eten dan de Duitser (gemiddeld 6200 euro). 
En daarbij gebruikt hij olijfolie die minder kost dan 
de motorolie voor zijn auto. In de Consumentengids leest hij vervolgens hoe beroerd die olie versneden is, om zich daarna bij de borrel op te winden over levensmiddelschandalen. Rijk Duitsland, armeluis-eten.

    Maar af en toe wint toch de nieuwsgierigheid. Zoals twee jaar geleden toen de bondskanselarij onverwachts aan Tim Raue vroeg om het menu bij het bezoek van Barack Obama te verzorgen. Enige restrictie: het protocol vereiste Königsberger Klopse [Oost-Pruisisch streekgerecht van gekookte vleesknoedels in witte saus met kappertjes]. Nu is er niets tegen Klopse, en 
al helemaal niet als die van Tim Raue komt. ‘Achteraf was die voorwaarde een zegen,’ vertelt hij enthousiast. ‘Sindsdien wil iedereen bij ons de Obama-Klopse.’

    Aan de andere kant: stel je eens voor wat er gebeurd zou zijn wanneer deze superchef bij het staatsdiner echt had mogen laten zien waartoe hij in staat is. Misschien hadden zijn gasten dan wel smaak ontwikkeld.

    Auteur: Marten Rolff
    Vertaler: Marten de Vries

    Beeld bovenaan: Pretzels en pullen bier op het Oktoberfest in München. 
– © Michaela Rehle / Reuters

    Süddeutsche Zeitung
    Duitsland | oplage 445.000
    Opgericht in 1945. De intellectuele, liberale krant van links Duitsland. Samen met de FAZ een van de belangrijkste dagbladen van het land. De SZ staat bekend om de drie-eenheid: tolerantie, onafhankelijkheid en waakzaamheid.

    Kevin Fehling © Axel Heimken / HH
    Kevin Fehling © Axel Heimken / HH

    CONTEXT: Keven Fehling

    In november vorig jaar vervulde een jonge chefkok van 38, Kevin Fehling, de uitdaging die hij zichzelf 
had gesteld. ‘Niet één, niet twee, maar in één klap drie Michelinsterren,’ vat het weekblad Die Zeit samen. Hij is de eerste die dat kunststukje heeft uitgehaald in Duitsland. En nog sterker: in een recordtijd. Zijn restaurant The Table werd pas geopend 
in augustus van datzelfde jaar in de nieuwe wijk HafenCity in het oude havengebied van Hamburg.

    Twintig couverts maximaal, een open keuken en 
op het bord klassiekers in een eigentijds jasje. Het succes van The Table is terecht, juicht de Duitse pers. Die Welt bijvoorbeeld, roemt ‘de precisie’ van de 
‘aromatische composities’ van Fehling. ‘Het lijken 
wel sterrenbeelden’ – een verwijzing naar een 
andere liefhebberij van de chef, de astronomie. ‘Fehling ziet zijn gerechten als planetaire systemen, waarin hij soms de dialoog aangaat met de zon.’ De kop van het artikel in Die Zeit luidde: ‘De poëzie van de komkommer’. ‘Voor een diner rekent Kevin Fehling 290 euro per persoon. In ruil daarvoor kokkerelt hij chips van ossentong en knutselt hij met groenten. 
Is dat gekte of ware kunst?’

    Auteur: Lambiek Berends

    CONTEXT: Jonge Duitse koks zorgen voor ‘frisse wind in de keuken’

    Duitsland telt sinds vorig jaar 290 restaurants met één of meer (in totaal 349) Michelinsterren, waaronder tien in de hoogste categorie: drie sterren. Dat zijn 26 restaurants meer dan voorheen. Berlijn gaat aan kop met twintig restaurants. Maar een driesterrenrestaurant ontbreekt nog in de hoofdstad.

    Duitsland raakte één driesterrenrestaurant kwijt, 
door sluiting van de Amador in Mannheim na het vertrek van de chef, de Spaanse gastarbeiderszoon Juan Amador, naar Wenen. Er zijn nu nog tien restaurants met drie sterren – nog altijd het hoogste aantal per land na Frankrijk. Nieuw in deze categorie is The Table van Kevin Fehling, in Hamburg. Fehling was voorheen driesterrenchef in La Belle Epoque in Travemünde.

    In Hotel Adler in Häusern kan men specialiteiten nuttigen als een confit van beekforel met appel of Geschmorte Kalbsbacke mit Knusperspeckpüree

    Onder de nieuwkomers zijn veel jonge koks, zelfs jonger dan dertig jaar. ‘De Duitse gastronomie behoort op dit moment tot de wereldtop,’ zegt Michael Ellis, de internationaal directeur van de Guide Michelin. ‘Een hele generatie uitstekend opgeleide, zeer gemotiveerde en innovatieve koks zorgt voor een frisse wind.’

    Veel van die jonge koks hebben het vak geleerd van 
de Oostenrijker Eckart Witzigmann, die in 1979 in Aubergine in München de Beieren liet kennismaken 
met de nouvelle cuisine, en daarvoor prompt een jaar later van Franse zijde werd beloond met drie Michelinsterren. Een andere meesterkok is Harald Wohlfahrt, die al sinds 1980 een potje kookt in de Schwarzwaldstube in Baiersbronn-Tonbach in het Zwarte Woud en sinds 1992 elk jaar is bekroond met drie sterren. Zijn leerlingen zijn in de jongste Michelingids voor Duitsland samen goed voor 70 sterren. De Duitse uitgave van 
de Franse gids bestaat in 2016 vijftig jaar. Eén restaurant is sinds de eerste editie jaarlijks bekroond: Hotel Adler in Häusern, in het zuiden van het Zwarte Woud, waar men specialiteiten kan nuttigen als een confit van beekforel met appel of Geschmorte Kalbsbacke mit Knusperspeckpüree. 


    Jana Stegemann, Süddeutsche Zeitung

  • De firma zwendel en bedrog

    De firma zwendel en bedrog

    Bankiers aan het praten krijgen is lastig – vraag het maar aan Joris Luyendijk. Toch wagen twee journalisten van het Duitse weekblad Die Zeit een manhaftige poging. In een bijgebouw van de Deutsche Bank in Frankfurt voeren ze eindeloze gesprekken met gewezen topbankiers die hier hun laatste dagen slijten. Hun doel: een verklaring vinden voor de funeste cultuur die de bank én de wereldeconomie in een crisis zonder weerga stortte.

    Hij heeft geleefd voor de bank. Hij heeft ervoor gestreden en geleden, maar nu kent zelfs de receptioniste hem niet meer. ‘Breuer?’ vraagt ze, en bladert door de namenlijst. ‘Wie moet dat zijn?’

    Veertig jaar heeft Rolf Breuer voor de Deutsche Bank gewerkt, hij was woordvoerder van het bestuur en voorzitter van de raad van commissarissen. Wanneer zijn chauffeur hem ’s morgens naar het hoofdkwartier in Frankfurt reed – de twee zilveren torens die bijna iedereen wel eens op tv of op een krantenfoto gezien heeft –, dan stond er in de ondergrondse garage al iemand te wachten om het portier voor hem open te doen. Met de lift ging hij zonder 
tussenstops naar boven.

    In de wereld waarin Rolf Breuer toen leefde, is het belangrijk hoe groot een kantoor is, op welke etage het zich bevindt en hoeveel licht er binnenvalt. Licht symboliseert macht. Rolf Breuer had veel macht, alleen de hemel had hij boven zich, en onder zich: de hele stad. Toen hij in 2006 zijn laatste 
functie opgaf, behield hij, zoals zoveel voormalige leidinggevenden, nog een chauffeur, een secretaresse en zijn kantoor boven in toren A.

    Maar als je nu bij de receptie naar 
hem vraagt, lijkt niemand hem meer 
te kennen.

    Deutsche Bank was een van de meest gerespecteerde ondernemingen ter wereld. Nu worden er 6000 processen tegen de bank gevoerd

    De kwestie wordt pas opgelost als er een tweede receptioniste bij komt. Breuers kantoor, weet ze, is intussen ergens anders: in een laag gebouw, meteen om de hoek, in de schaduw 
van de torens. Daar zitten degenen 
die niet meer nodig zijn.

    In bijna elk bedrijf, bijna elk concern, heb je die oude heren die er nog steeds zijn, al hebben ze allang geen functie meer. Soms is het de patriarch die het familiebedrijf heeft opgebouwd en tot bloei gebracht. Soms zijn het de voormalige bestuurders. Aanvankelijk mogen ze hun kantoor houden, dan zie je ze ’s morgens komen en door de hal lopen. Maar vroeg of laat worden ze toch verzocht te verhuizen – eerst naar een andere hoek van de etage, dan naar een andere etage. En soms naar een ander gebouw. Die oudgedienden horen meestal niets van de spot waarmee over hen wordt gesproken: dat ze nu in de ‘grafkamer’ zitten, zoals het in een groot Duits concern heet, of op het ‘olifantenkerkhof’, zoals ze in sommige bedrijven zeggen.

    Het is maar een paar stappen van de tweelingtorens naar de kleine dwarsstraat waarin het sterfhuis staat. Zes traptreden voeren naar de ingang. 
Aan de gevel niets wat op de Deutsche Bank wijst, geen bedrijfslogo. Op het gazon ervoor heeft een vastgoedfirma haar billboards in de grond geplant: 
die verhuurt hier opslagruimte op toplocatie.

    Rolf Breuer, de voormalige CEO van de Deutsche Bank. – © Guido Krzikowski / Getty Images
    Rolf Breuer, de voormalige CEO van de Deutsche Bank. – © Guido Krzikowski / Getty Images

    Zwendel en bedrog

    Het huis heeft geen portier en geen receptionist. Slechts een kleine camera houdt de deur in de gaten. Bel je aan, dan meldt zich een vriendelijke vrouwenstem. ‘Tweede etage,’ zegt ze. 
Op de tweede etage weer een deur, weer een camera. En een bel. Een medewerkster doet open. Het is er 
heel stil.

    Hier, in deze stilte, zullen we een 
verklaring vinden voor de ongekende neergang van de Deutsche Bank.

    Ooit was het een van de meest gerespecteerde ondernemingen van het land, misschien zelfs van de wereld. ‘Alles begint met vertrouwen’ was de slogan waarmee de Deutsche Bank reclame maakte. Nu is het een onderneming waartegen wereldwijd zesduizend processen gevoerd worden. Een paar vonnissen zijn geveld, een paar schikkingen getroffen, in andere gevallen wordt nog gerechtelijk onderzoek gedaan. Het gaat om witwassen, belastingfraude, rentemanipulatie. 
Het gaat om misbruik van vertrouwen.

    Het opzienbarendste proces vindt plaats in München, waar de huidige bestuursvoorzitter Jürgen Fitschen, twee van zijn voorgangers en nog twee voormalige topmanagers van de bank zich voor de rechtbank moeten verantwoorden. Vroeger was de Deutsche Bank een symbool van degelijkheid 
en betrouwbaarheid. Nu is ze ook een symbool van zwendel en bedrog.

    Het antwoord op de vraag hoe het zo ver kon komen, wordt vooral gezocht in het hoofdkwartier van de bank, in de tweelingtorens, waar aandeelkoersen en grondstofprijzen flikkerend over honderden schermen rollen, waar opgewonden analisten zoeken naar de beste koopadviezen, en waar helemaal bovenin de bestuurders regeren over wereldwijd honderdduizend mede-werkers. Maar feitelijk verbergt het antwoord zich bijna helemaal beneden, op de grond, waar diegenen terechtgekomen zijn die niets meer te zeggen hebben in de bank, maar die jarenlang de koers ervan bepaalden.

    Achter de deur gaan we naar rechts, door een smalle gang. De naambordjes op de deuren aan beide zijden zijn te lezen als een who is who van de Deutsche Bank.

    Hilmar Kopper, van 1977 tot 1997 in 
de raad van bestuur, de laatste acht jaar als woordvoerder. En nog vijf jaar als voorzitter van de raad van commissarissen van de Deutsche Bank.

    Ulrich Weiss, negentien jaar in de raad van bestuur, van 1979 tot 1998.

    Georg Krupp, dertien jaar in de raad van bestuur, van 1985 tot 1998.

    Michael Endres, tien jaar in de raad van bestuur, tot 1998.

    Carl-Ludwig von Boehm-Bezing, elf jaar in de raad van bestuur, van 1990 tot 2001.

    Ronaldo Schmitz, negen jaar, van 1991 tot 2000.

    En Rolf Breuer, zeventien jaar in de raad van bestuur. Woordvoerder van 1997 tot 2002, daarna vier jaar voorzitter van de raad van commissarissen.

    Veel bankiers openen het gesprek met de zin: Deze ontmoeting heeft nooit plaatsgevonden

    Hier zitten ze: mannen wier kantoren vroeger zo groot waren dat je heel wat stappen moest zetten voor je ergens bij een bureau stond. Hun huidige kantoren liggen dicht op elkaar gepakt, als honingraten. De deur van Breuer is gesloten, hij is er vandaag niet. Maar Robert Ehret is er wel. Hij heeft zijn kamer helemaal aan het eind van de gang, links achterin.

    Ehret zit aan zijn bureau. Meteen bij 
de begroeting bekent hij dat hij een fout heeft gemaakt: hij had zijn bezoek eigenlijk een half uur moeten laten wachten. Het laten wachten behoort tot de laatste machtsmiddelen die hij en zijn kantoorburen nog hebben, en dat weet hij. De kamer van Ehret is ongeveer acht, hooguit tien vierkante meter groot. Uit zijn oude kamer heeft hij alleen de stoel meegenomen. Ook heeft hij wat kunstwerken meegebracht, een paar beeldjes, en een schilderij: Rode Ahorn heet het, zijn vrouw heeft het geschilderd.


    Robert Ehret is niet het enige voormalige bestuurslid van de Deutsche Bank dat met Die Zeit spreekt. Maar hij is de enige die toestemming geeft met naam en toenaam geciteerd te worden. De anderen willen in geen geval geciteerd in een krantenartikel opduiken. Sommigen zeggen kort voor het afgesproken tijdstip weer af. Anderen bellen de dag na de ontmoeting ongerust naar de redactie, omdat ze vrezen dat ze te veel hebben gezegd en zichzelf in de problemen zullen brengen. Weer anderen openen het gesprek met de zin: ‘Deze ontmoeting heeft nooit plaatsgevonden.’ Zo presteren ze het om tegelijkertijd te praten en te zwijgen, een techniek die ook verderop in dit artikel nog een rol zal spelen.

    De openheid van Ehret heeft te maken met zijn leeftijd. Hij is nu negentig. Toen hij toetrad tot de raad van bestuur van de bank, heette de bondskanselier nog Willy Brandt. Toen hij het bestuur verliet, stond Helmut Kohl aan het begin van zijn kanselierschap. De neergang van de Deutsche Bank was nog niet begonnen. Daarvoor zijn anderen dan Robert Ehret verantwoordelijk: degenen die na hem kwamen en die nu met hem in het sterfhuis zitten.

    Net als met de meisjes

    Robert Ehret belichaamt een tijd waarin bankdirecteuren nog bankiers werden genoemd. Toen men nog veel waarde hechtte aan goede persoonlijke contacten, niet alleen aan goede cijfers. Een handdruk was net zo veel waard als een overeenkomst. Bankiers waren hooggeachte mannen en de Deutsche Bank was een achtenswaardige onderneming.

    Robert Ehret heeft zich op dit bezoek voorbereid, hij heeft trefwoorden genoteerd en ze voor het gesprek nog gedicteerd aan zijn secretaresse. Nu liggen de papieren geprint voor hem. Ehret is zeer lang en mager, en hij draagt het uniform van de geldadel: een pak, wit overhemd met fijne lichtblauwe streepjes, gouden manchetknopen. Op zijn das zijn kleine beursstieren afgebeeld, het symbool voor stijgende koersen. Hij ziet er helemaal uit zoals men zich een voormalig bestuurslid voorstelt.

    Maar hij praat anders. Bloemrijker. Softer. Ehret komt met zinnen als: 
‘Met een bank is het als met de meisjes. Als je reputatie in duigen ligt, krijg je hem niet meer goed.’ Of: ‘Een bank gaat nooit kapot aan een zaak te weinig, maar soms wel aan een zaak te veel.’ Het zijn zinnen die je op verschillende manieren kunt interpreteren. Ehret noemt geen namen, geen concrete gebeurtenissen, hij wijst geen schuldigen aan.

    Na een kwartier brengt de secretaresse belegde broodjes en sap. Terwijl Ehret vertelt is in de kamer ernaast een stem te horen. Zijn bureau is slechts door een dunne wand gescheiden van dat van zijn buurman. In hun grote kantoren hadden de mannen die ooit topmanagers waren dikke wanden en dubbele deuren. Boven de deuren waren twee lampjes gemonteerd: groen en rood. Vanachter hun bureau konden de mannen met een druk op de knop bepalen welk lampje boven hun deur brandde. Wie ’s morgens het rode lampje aandeed, bleef de hele dag ongestoord.

    De Trading Room van de Deutsche Bank. – © Ulrich Baumgarten / Getty Images
    De Trading Room van de Deutsche Bank. – © Ulrich Baumgarten / Getty Images

    Het behoort tot de privileges van een bestuurder van de Deutsche Bank dat hij heel veel geld verdient, maar dat is het onbelangrijkste privilege. Ook de managers onder de bestuurder verdienen heel veel, ook zij hebben meer dan genoeg. Maar zij worden bijvoorbeeld niet bediend door een sterrenkok, zoals de bestuursleden hoog boven in toren A, wiens keuken geldt als een van de beste van de stad. De managers onder het bestuursniveau mogen schilderijen uitzoeken uit de kunstcollectie van de bank, en die in hun kantoor hangen. Maar de bijzonder waardevolle 
exemplaren zijn voorbehouden aan 
de bestuursleden.

    In het sterfhuis bestaan nauwelijks nog privileges. De chauffeur rijdt je 
’s morgens niet meer de ondergrondse garage in. De lift glijdt niet zonder tussenstop naar boven. De bank heeft een vroegere bestuurder bij zijn vertrek uit de toren een rekening gepresenteerd voor zijn bureaustoel. Dat heeft deze man zeer gekwetst, en niet vanwege het geld. Het was zijn gevoel van eigenwaarde dat plotseling weg was.

    ‘Ik heb nog wel andere dingen te doen, vooral in het culturele leven,’ zegt 
een van de oudgedienden. Het klinkt alsof hij zichzelf wil overtuigen dat 
zijn carrière nog niet voorbij is.

    ‘Je hebt toch het gevoel dat het nog 
niet over is. Dat je nog nodig bent, 
nog meedoet,’ zegt een ander.

    De kantoren van deze mannen waren zo groot dat je heel wat stappen moest zetten voor je bij een bureau stond

    De eerste minuten van deze gesprekken, die officieel nooit gevoerd zijn, verlopen meestal zo: de mannen uit het huis in de schaduw van de torens vertellen over hun afspraken, over hun ideeën en welke belangrijke mensen ze juist nog ontmoet hebben. Wie ze al wat langer kent, uit de tijd toen ze zelf nog bestuurslid waren, merkt aanvankelijk geen verschil met vroeger.

    Maar dan valt op dat ze niet meer ophouden met praten, dat ze opeens tijd hebben, veel meer tijd dan vroeger. Ze lijken heel blij te zijn dat er iemand is die naar hen luistert.

    En vroeg of laat komt het eruit.

    Dan vertelt een voormalig bestuurslid dat hij brieven schrijft aan de huidige leidinggevenden. Hij biedt zijn advies aan. Maar hij krijgt geen antwoord.

    Je moet je de mannen aan de top van de bank voorstellen als verzamelaars, dat is de eerste stap naar inzicht in de crisis waarin deze onderneming verkeert. Zoals de Deutsche Bank al jarenlang schilderijen en beeldhouwwerken verzamelt, zo besteden haar beste managers jaren aan het verzamelen van tekenen van macht. Maar terwijl de collectie van de bank steeds verder groeit, ze omvat inmiddels 60.000 kunstwerken, raakt een bestuurslid dat te oud is om nog langer te functioneren, in één klap alle bewijzen van zijn machtspositie kwijt. Dan is alle macht weg.

    En de oorlog verloren.

    Concurrenten bestrijden

    Want ook daarin lijkt iedereen die 
carrière maakt bij een bank op een fanatieke verzamelaar: er is altijd een ander, een concurrent, die op hetzelfde uit is; die al heeft waar je zelf nog van droomt; die al heeft bereikt wat je zelf nog moet bereiken. Dat is de indruk die je in het gesprek met de oudgedienden krijgt: dat een bestuurder permanent bezig is zijn concurrenten te bestrijden. Dat het erom gaat steeds opnieuw nederlagen te verwerken en allianties te smeden.

    ‘Met leugens en waarheid moet je 
strategisch omgaan,’ zegt een voormalig bestuurslid.
    ‘Je was blij als de ander een klap in 
z’n smoel kreeg,’ zegt een ander.

    ‘Het gaat om tactische slimheid,’ 
formuleert een derde.

    Het gaat erom op zeker moment de overwinning te behalen, ook al is het een late, laatste triomf. Zoals eertijds met Clemens Börsig.

    Börsig zat vijf jaar lang, van 2001 tot 2006, in het bestuur van de Deutsche Bank. Hij was niet geliefd in die tijd. Velen beschouwden hem als ijdel en egocentrisch, anderen ronduit als incompetent. Meerdere leden van de raad van commissarissen, die eerder 
in het bestuur van de bank hadden gezeten en nu toezicht hielden op het werk van Börsig, lieten hem steeds weer merken hoe laag ze hem achtten, en dat ze zelf veel meer voorstelden dan hij.

    Dan, in mei 2006, klimt Börsig op tot in de raad van commissarissen. Daar volgt hij Rolf Breuer op als voorzitter. Nu is hij het die de macht heeft. En in het voorjaar van 2007 gebruikt hij die.

    Op dat moment worden de tweelingtorens gerenoveerd; alle medewerkers moeten tijdelijk verhuizen. De voormalige leidinggevenden, die nog boven in toren A resideren, krijgen een kantooretage aangeboden in een kleine dwarsstraat vlak achter de bank. Geen punt, denken ze eerst, het is maar tijdelijk.

    Bij een gemeenschappelijke maaltijd licht Börsig de verhuisplannen toe aan de oudgedienden, die hem jarenlang hadden bestreden. Als een van hen, Carl-Ludwig von Boehm-Bezing, informeert hoe lang ze in hun nieuwe, nietige kantoortjes zullen moeten blijven, draait Börsig eromheen.

    Daarmee is duidelijk: het zal voor altijd zijn.

    Daarom bestaat dus het sterfhuis: omdat Clemens Börsig wraak nam.

    Clemens Börsig, de man die wraak nam en ervoor zorgde dat zijn vroegere tegenstanders in de kleine dwarsstraat kantoor kregen.
    Clemens Börsig, de man die wraak nam en ervoor zorgde dat zijn vroegere tegenstanders in de kleine dwarsstraat kantoor kregen.

    Kredietcrisis

    Een gewone werknemer die niet tevreden is met zijn werkplek, kan niet zomaar thuisblijven. Hij heeft een contract getekend, hij is verplicht op de werkplek te verschijnen. De mannen in het kleine buurhuis van de Deutsche Bank zijn daar vrijwillig, niemand belet ze om in een mooi buitenhuis van hun pensioen te genieten. Maar het lukt ze niet de bank te verlaten, ze blijven gevangen in een wereld waarin een groot kantoor op de bovenste verdieping tot levensdoel is verklaard. Alleen hebben ze nu een klein kantoortje, bijna beneden.

    Voor mannen die een heel beroepsleven lang strijden om macht en status, en op grond van leeftijd ten slotte alles verliezen, hoef je geen medeleven te voelen. Je zou hun gevechten, hun tactische manoeuvres met meer of minder interesse vanuit de verte kunnen gadeslaan als iets wat je verder niet aangaat – ware het niet dat praktisch elke Duitser onontkoombaar met de Deutsche Bank verbonden is, ook als 
hij er geen rekening heeft en er geen aandelen in bezit.

    Deutsche Bank was een van de banken die door steeds riskantere goktransacties in het jaar 2007 de wereldwijde kredietcrisis ontketende, waarop in 2009 de zwaarste recessie sinds de beurscrisis van 1929 volgde. Over de hele wereld verloren miljoenen 
mensen hun baan. Alleen al de Duitse belastingbetalers moesten de reddingsacties van de regering met vele miljarden euro’s financieren. Maar de Deutsche Bank slaagde erin hieraan te verdienen, door op de ineenstorting van de wereldeconomie te speculeren.

    Het was de Deutsche Bank die jarenlang miljarden euro’s uitleende aan Griekenland, Spanje, Ierland en Portugal, ook toen allang duidelijk was dat deze landen hun schulden nooit zouden kunnen terugbetalen. Na het uitbreken van de eurocrisis in 2010 waren het opnieuw de belastingbetalers die daarvoor moesten opdraaien.

    Er wordt dezer dagen veel gesproken over geautomatiseerde geldhandel, over computeralgoritmen die de effectenhandel reguleren, over supersnelle computers die zelfstandig aandelen kopen. Maar de basis voor de gokspelletjes van de Deutsche Bank werd niet gelegd in het binnenste van een computer, maar in een vergaderzaal hoog boven in toren A. Daar komt het bestuur samen en neemt het haar besluiten. Steeds opnieuw waren er in de afgelopen jaren momenten waarop de mannen die nu geen macht meer hebben verzocht werden hun hand 
op te steken, waarop ze moesten beslissen: ben ik voor of tegen?

    Bijvoorbeeld toen het erom ging de Deutsche Bank al of niet om te vormen tot een investeringsbank.

    In het jaar 1989 besluit het bestuur van de Deutsche Bank de Britse investeringsbank Morgan Grenfell te kopen. Door de fusie krijgt de onderneming er honderden kapitaalmarktexperts en effectenhandelaars bij. De Deutsche Bank, die tot dan toe vooral geld verdiende met kredietverstrekking aan andere ondernemingen, stapt nu met veel aplomb de beurshandel in. De strategieafdeling van de bank stelt dan een rapport op voor het bestuur waarin ze waarschuwt voor de risico’s van de overname van Morgan Grenfell. De werkwijze van investment bankers past niet bij de cultuur van een handelsbank. Op dit rapport reageert de toenmalige topbankier Alfred Herrhausen met woorden van deze strekking: ‘Goed werk, maar ik vraag uw begrip voor het feit dat we anders hebben beslist.’ Dan stuurt hij het terug naar de opstellers. Een paar weken later is Herrhausen dood, vermoord door een terreurcommando van de [linksextremistische] RAF (Rote Armee Fraktion). De koop van Morgan Grenfell wordt afgerond door de opvolger van Herrhausen: Hilmar Kopper.

    Investment bankers

    Tien jaar later, in juni 1999, koopt de Deutsche Bank ook nog de Amerikaanse zakenbank Bankers Trust, een enorm handelshuis.

    Gemeten aan het balanstotaal is de Deutsche Bank nu de 
grootste bank ter wereld. En het zijn 
de investment bankers die de grootste broek aanhebben. Ze incasseren miljoenen aan bonussen, een veelvoud 
van wat de bestuurder verdient.

    Op 29 januari 2002 besluiten de heren van de raad van bestuur de bank een andere organisatiestructuur te geven. Het nieuw gevormde gremium onder de raad van bestuur bestaat uit de dikbetaalde directeuren van de afzonderlijke investeringsbanken. Zij hebben nu macht – maar anders dan het bestuur zijn ze niet aansprakelijk voor de transacties. Macht en verantwoordelijkheid worden losgekoppeld.

    Het zijn de investment bankers die jaren later met Amerikaanse vastgoedkredieten gokken, die nog Griekse staatsobligaties kopen als ze allang kunnen weten dat het land op de rand van bankroet staat, die speculeren op de ineenstorting van de wereldeconomie die ze zelf mede veroorzaakt hebben.

    Nu heeft een beursgenoteerd bedrijf als de Deutsche Bank niet tot doel het Algemeen Nut te dienen. Het hoogste doel is niet het geld van de belastingbetaler te beschermen, maar om meer winst te maken. Toch was ook vanuit dat perspectief de uitbreiding met de investmentactiviteiten een slechte zaak voor de Deutsche Bank.

    De vernieuwing van het financiële systeem zou van binnenuit moeten komen. Maar dat gebeurt niet

    Naar schatting 40 tot 50 miljard euro vloeiden in de afgelopen vijftien jaar als bonusuitkeringen in de zakken van de investment bankers. Maar al hun riskante transacties op de financiële markt hebben de bank uiteindelijk geen geld opgeleverd. Ze hebben haar geld gekost.

    Na alle schandalen is de bank op de beurs nu veel minder waard dan tien jaar geleden. Ook van het waardevolle bezit van de Deutsche Bank – haar aandelen in de belangrijkste Duitse industrieën – is bijna niets over. Ze werden verkocht om de transacties van de bank te financieren.

    Het was een bankroof van binnenuit.

    Occupy-activisten demonstreren bij het proces tegen de topmannen van de Deutsche Bank. Ze dragen maskers met de gezichten van bestuurders als Norbert Fitschen, Josef Ackermann en Rolf Breuer. – © HH
    Occupy-activisten demonstreren bij het proces tegen de topmannen van de Deutsche Bank. Ze dragen maskers met de gezichten van bestuurders als Norbert Fitschen, Josef Ackermann en Rolf Breuer. – © HH

    Goktransacties, kredieten aan zeer zwakke eurolanden, uitbreiding van investeringsactiviteiten: de leden van het bestuur hadden steeds het belang van de Deutsche Bank voor ogen, zelfs al heeft het ten slotte niet geleid tot het verhoopte resultaat. Zo ongeveer staat het in de officiële bekendmakingen van de bank.

    Maar de voormalige bestuursleden, 
die deze beslissingen indertijd hebben genomen of gesteund hebben en van wie er nu een paar in het sterfhuis zitten, vertellen een ander verhaal. U moet het zich zo voorstellen, zegt een van hen: als het gremium stemde over een strategische kwestie inzake de toekomst van de bank, dan dacht op dat moment niemand aan die toekomst. Je dacht aan je eigen toekomst, je eigen macht. En aan de macht van een ander bestuurslid, die beknot moest worden. Dan stak je je hand op, hoewel je eigenlijk tegen de beslissing was – in de wetenschap dat een concurrent door deze beslissing in de problemen zou komen. Of omdat je daarmee een tijdelijke alliantie met een ander bestuurslid sloot.

    Een ander vertelt: ‘Ik ben toen begonnen alles te noteren en documenten 
te verzamelen om mezelf in te dekken. In het begin is dat een volkomen nieuwe ervaring. En dan merk je: zo doet waarschijnlijk iedereen het.’

    Maar als ze het allemaal zo doen, dan moet een bestuurslid wel denken: Welke documenten hebben de anderen in handen waarmee ze mij kunnen beschadigen? En als ze papierwerk tegen mij verzamelen, waartoe zijn ze dan in staat?

    Er is een voormalige bestuurder die in zijn villa de telefoonaansluiting liet verwijderen in de vaste overtuiging 
dat hij werd afgeluisterd. Een andere vroegere bestuurder heeft zijn interne bankdocumenten bij drie advocaten in drie verschillende kluizen gedeponeerd.

    In zeker opzicht functioneert de Deutsche Bank als een kloosterorde. Iedereen controleert elkaar. Een uitgekiend systeem van privileges, sancties en intimidatie smoort elke kritiek. Wie weet heeft van illegale praktijken in de bank, kan dat niet openbaar maken. Want zelfs als de beweringen juridisch waterdicht zouden zijn, zelfs als de verwijten met documenten onderbouwd kunnen worden, zou de bank de verrader financieel te gronde kunnen richten met eisen tot schadevergoeding wegens schending van vertrouwelijkheid of vermeende reputatieschade. ‘Als je toetreedt tot het bestuur, dan kom je er niet meer onschuldig uit,’ zegt een van de oudgedienden. ‘Het is een levenslange deal.’

    En dus zwijgen de voormalige bestuurders. Zelfs als ze praten. Daarom hebben zo veel gesprekken die ze met Die Zeit voerden, officieel nooit plaatsgevonden.


    Het grote betonblok in het centrum van München wekt vanbinnen de indruk van een scholengemeenschap uit de zeventiger jaren. Bruine vloertegels, mosterdgele wanden. Groene metalen deuren. In zaal B 273 houdt de vijfde strafkamer van het Landesgericht München, I zitting. In een vitrine naast de deur hangt een lijst van aangeklaagden. Helemaal bovenaan staat: Dr. Breuer, Rolf-Ernst. De achternaam in hoofdletters geschreven.

    Breuer zit in de gerechtszaal vooraan, vlak voor de rechters. Op het eerste gezicht ziet hij eruit als vroeger: elegant double-breasted jasje, de witte haren in een strakke scheiding, een gebruind gezicht. 77 jaar is hij nu. 
Nauwelijks gerimpeld. En toch maakt deze man een bijzonder verouderde indruk, zijn bruine tint kan dat niet verhullen. Hij beweegt zich stijf, zijn mimiek lijkt wel bevroren.

    Het is een proces zoals er in de geschiedenis van het Duitse bedrijfsleven nog nooit een geweest is. In de kern gaat het erom hoe nauw men het in het bestuur van de Deutsche Bank neemt met de waarheid.

    Dertien jaar geleden gaf de toenmalige topman van de Deutsche Bank Breuer een televisie-interview waarin hij liet weten dat mediaondernemer Leo Kirch in financiële nood verkeerde. Een paar maanden later was Kirch failliet – en diende hij een eis tot schadevergoeding in tegen Breuer en de bank. Breuer, 
zo luidde het verwijt, zou er met zijn uitspraak voor gezorgd hebben dat Kirch van niemand meer krediet kreeg. Er volgde een langslepende juridische strijd. De Deutsche Bank betaalde 925 miljoen euro aan de erven van Leo Kirch, nadat de partijen in februari 2014 tot een schikking waren gekomen.

    Na dertien jaar is nog steeds niet duide-
lijk of Breuer in dit televisie-interview gewoon wat voor de vuist weg praatte, zorgeloos en naïef, of dat het interview misschien een middel was om een doel te bereiken. Kirch bezat een groot aandelenpakket in uitgeverijconcern Springer. En hij was kredietklant bij 
de bank. Mogelijk vreesde men bij Springer indertijd dat Kirchs aandelenpakket in handen zou vallen van een ongewenste buitenlander, zoals mediamagnaat Rupert Murdoch. 
Om dat te verhinderen zouden Kirchs aandelen via de Deutsche Bank naar Springer teruggesluisd moeten worden. Maar dan zou Kirch eerst failliet moeten gaan.

    Wat dus ook gebeurde na Breuers interview.

    Jürgen Fitschen (achterste rij, tweede van rechts), Rolf Breuer (vooraan rechts) en Josef Ackermann (tweede rij, tweede van rechts) wachten op hun proces in de zaak van mediamagnaat Leo Kirch. – © Jörg Koch / Getty Images
    Jürgen Fitschen (achterste rij, tweede van rechts), Rolf Breuer (vooraan rechts) en Josef Ackermann (tweede rij, tweede van rechts) wachten op hun proces in de zaak van mediamagnaat Leo Kirch. – © Jörg Koch / Getty Images

    Achter Breuer in de gerechtszaal zit Josef Ackermann, zijn opvolger als 
baas van de bank. Daarachter Jürgen Fitschen, Ackermanns opvolger. Twee voormalige bestuursvoorzitters en de huidige, en ook nog de twee vroegere topmanagers Clemens Börsig en Tessen von Heydebreck: vijf topbankiers van de Deutsche Bank samen voor de rechter, ook dat is nog nooit vertoond. De aanklacht luidt: opzettelijke misleiding van de rechtbank.

    In een eerder proces zouden de vijf managers opzettelijk valse verklaringen hebben afgelegd om de eis tot schadevergoeding van Kirch af te wenden.

    In het bestuur en in de raad van commissarissen hebben de vijf elkaar ooit bittere strijd geleverd. Breuer tegen Ackermann, Ackermann tegen Börsig. Heydebreck hield zich buiten alle gevechten, zoals hij zich altijd in alles afzijdig hield. En Fitschen bracht het uiteindelijk tot de leiding van de bank omdat hij te midden van alle vetes een acceptabele compromiskandidaat was.

    Vijf mannen die vele jaren van hun leven dezelfde werkgever hadden, en slechts één ding gemeen hebben: dat ze nu samen aangeklaagd zijn. Zo zitten ze in gerechtszaal B 273, hun advocaten tussen hen in, als menselijke scheidingsmuren. Vroeger, in de bestuursvergaderingen, dronken ze hun koffie uit porceleinen kopjes. Het personeel wist precies wie van hen zijn fruit graag geschild at. In de rechtszaal staat een waterautomaat in de hoek, dat iedereen zelf mag bedienen. De plastic bekertjes zijn zo dun dat ze makkelijk breken als je er te hard in knijpt.

    Loyaliteit

    Het probleem van het Münchense 
proces is dat het in wezen over het verkeerde gaat. Het openbaar ministerie wil een aanklacht bewijzen die waarschijnlijk nooit te bewijzen valt. De officieren van justitie vragen in dit proces niet naar het mogelijke belang van de bank om aan Kirchs Springeraandelen te komen. Dat speelt vanuit juridisch oogpunt geen rol. En zo zou het goed kunnen dat de aangeklaagden de rechtszaal verlaten met een vrijspraak.

    Desondanks zegt het proces veel over de methoden van de bank, over al haar vuile zaakjes.

    Handelaars van de Deutsche Bank moeten meegeholpen hebben om de goudprijs te manipuleren. Ze hebben meegeholpen om belangrijke rentetarieven als Libor en Euribor te manipuleren. Belastingfraude bij de handel in CO2-certificaten, witwaspraktijken in Rusland: steeds gaat het om criminele economische delicten waarvan de bank geprofiteerd zou kunnen hebben.

    Een paar beschuldigingen bestrijdt de bank. Toch werden interne opnames van telefoongesprekken gewist en werd onderzoek van de overheid tegengewerkt. Dit voorjaar betaalde de Deutsche Bank een recordboete van 2,5 miljard dollar aan Amerikaanse en Britse overheidsorganen.

    Als we spreken met voormalige bestuurders, tonen ze zich verbijsterd over hoe het met de bank gegaan is. Terwijl ze zelf de beslissingen namen die tot deze ontwikkeling leidden – 
en elkaar intussen bestreden. Of wegkeken. Of zwegen.

    Ze zwijgen nog steeds. Zouden de 
oude bestuurders in het sterfhuis hun kritiek met naam en toenaam uiten, dan zouden ze zich tegen de gemeenschap keren – en door de bank worden verstoten. Ze zouden moeten vertrekken en helemaal geen kantoor meer hebben bij de Deutsche Bank, zelfs geen kleintje in het bijgebouw. ‘Ik kan niet in het openbaar spreken,’ zegt een van de mannen, ‘omdat ik als pensioentrekker bepaalde loyaliteitsverplichtingen heb.’

    Een andere voormalige bestuurder zegt: ‘Je moet bereid zijn een heleboel te verdragen als je uit de orde treedt.’

    Wie dat doet, geldt als onbetrouwbaar, ook buiten de bank. In de financiële wereld van Frankfurt is de maatschappelijke omgeving immers niet beperkt tot de eigen bank of het eigen advocatenkantoor: men ziet elkaar thuis in de Taunus, waar bijna alle leidinggevenden wonen; men treft elkaar bij het operabal of bij de nieuwjaarsreceptie van de Duitse beurs. Ook nu nog gaan de oudgedienden eens in de week samen lunchen, maken ze de korte wandeling naar de ‘Frankfurter Gesellschaft’, hun deftige herensociëteit, waar men hen kent en waar ze begroet worden als vroeger. Maar een afvallige krijgt geen uitnodigingen meer, of hij zit aan apart tafeltje, als hij dat nog krijgen kan. Hij hoort er niet meer bij.

    Dat overkwam Otto Steinmetz.

    Aanklacht

    De grote aula van de Salzburger Universiteit ziet eruit als een elegant 
theater. Wit gestuukt, grote luchters, aan de wand hangen olieverfschilderijen. De Salzburger gemeenschap heeft zich vandaag opgedoft: de vrouwen in klederdracht, de mannen in donkere pakken. Op het podium staan de af-
gestudeerden van de masterstudie Gastrosofie: vijftig vrouwen en mannen die in het afgelopen semester veel geleerd hebben over voeding en ethiek. Een van hen is drie keer zo oud als de meeste anderen: Otto Steinmetz, zeventig jaar.

    Ook Steinmetz werkte ooit bij de 
Deutsche Bank, meer dan dertig jaar lang. Ook hij draagt de littekens van 
de veldslagen die hij geleverd heeft. 
Nu staat hij daar, de rode map met het getuigschrift in de hand, als iemand die nog een leven voor zich heeft. Maar hij heeft ook al een heel leven achter zich.

    Voor het podium speelt een jazzband de oude Beatlessong When I’m Sixty Four. Misschien overdenkt een van de afgestudeerden op dit moment wel hoe het op z’n 64ste zal zijn. Otto Steinmetz kan onmogelijk vergeten zijn hoe het hém verging toen hij 64 was.

    Dat was in 2008, op het hoogtepunt van de kredietcrisis. Dan ziet bankier Otto Steinmetz van dichtbij hoe de mateloosheid van zijn collega’s bijna het hele financiële systeem ruïneert. 
In interviews bekritiseert Steinmetz later de buitensporige rendementsverwachtingen van de banken, de blindheid van de toezichthouders en het wegkijken van de politici. Hij kan dat doen, want hij hoort dan al niet meer bij de community.

    Wanneer de bankroof van binnenuit begint, is Otto Steinmetz de hoogste risicomanager onder het bestuur. Hij controleert de kredietboeken en moet ingrijpen als de zakelijke risico’s van 
de bank te groot worden. Dat is voor 
de bank als geheel een belangrijke taak. Maar voor de investment bankers is Steinmetz alleen maar een storende factor. Hij vraagt door, wil alles heel precies weten. Ze dwarsbomen hem. Wanneer hij bij de Bankers Trust in New York opeens niet meer naar binnen mag, escaleert de zaak. Steinmetz waagt het ongehoorde: hij dient een aanklacht in tegen zijn eigen werkgever, eist dat hij zijn werk volgens voorschrift kan doen. Hij keert zich tegen de bank, tegen het zwijgen, hij breekt het bolwerk open. De bank gooit hem eruit. Dan volgt een jarenlange juridische strijd, die hij verliest.

    Ook toen Steinmetz in Frankfurt 
werkte, bleef hij in Mannheim wonen en trok niet naar de Taunus, zoals de meeste andere bankmanagers. Hij wilde afstand houden, onafhankelijk blijven. Steinmetz was erbij toen 
mensen gepromoveerd en weer ten 
val gebracht werden. Hij heeft nog geprobeerd om zich in de geest van 
de klassieke bankier aan een morele erecode te houden. Maar uiteindelijk was hij zelf een van degenen die ten 
val gebracht werden.

    Steinmetz vertelt dat een van de mannen uit het sterfhuis onlangs bij een receptie in Berlijn naar hem toekwam. Zijn naam wil hij niet noemen. Maar hij, Steinmetz, werd nu geprezen door degenen die hem indertijd hadden laten vallen, vertelde de man. Niemand die nu zijn kantoor in het kleine gebouw naast het grote heeft, was destijds bereid zich voor hem in te zetten.

    Op zeker moment bereikt ook Steinmetz het punt waarop hij heel zwijgzaam wordt, hoewel hij eigenlijk zou moeten uitpakken en alles vertellen wat hij weet. Maar opeens zegt hij helemaal niets meer. Zijn vrouw vertelt dat het bijna vier jaar durende proces tegen de bank de verschrikkelijkste tijd van hun leven is geweest.

    Ook Otto Steinmetz is niet vrij.

    rtr3bhct

    De mannen in het sterfhuis hadden bijna twee decennia de tijd om de neergang van de Deutsche Bank tegen te houden. Ze hebben de tijd laten verstrijken. Ze lieten toe dat de investment bankers de macht overnamen. Ze zwegen toen degenen die verantwoordelijk waren voor de schandalen in functie bleven, of zelfs een nog hogere functie kregen.

    ‘We speelden het spel allemaal tactisch, we hebben allemaal gelogen,’ zegt een van de oudgedienden. Ze vreesden waarschijnlijk ook hun eigen neergang.

    En dat is nog altijd zo. Het kantoor in de dwarsstraat mag klein zijn, maar als een van de chauffeurs hen ’s morgens thuis afhaalt, weten de buren niet dat hij helemaal niet naar het grote kantoor in de torens gaat, maar naar dat kamertje. Niemand hoeft te weten dat de agenda’s bijna leeg zijn, en dat de aktetas alleen een boterham bevat.

    Geen verandering

    Het is het zoete gif van het comfort. Zolang het werkt, zal er geen echte afrekening plaatsvinden over wat er met de bank is gebeurd. Er zal niets veranderen, niets geleerd worden. 
Een paar dagen geleden kondigde de bank een radicale reorganisatie van
 het concern aan, een paar bestuurders moeten vertrekken, het leidinggevende gremium onder het bestuur wordt afgeschaft. Macht en verantwoordelijkheid moeten weer in één hand komen. Maar zolang het de bestuurders alleen om de uitbreiding en het behoud van de eigen macht gaat, zolang de structuren boven in de toren en zelfs beneden bij de oudgedienden niet veranderen, zolang de insiders zwijgen, zal de neergang doorgaan. 
En die raakt niet alleen de Deutsche Bank.

    ‘Om een volgende grote financiële crisis te voorkomen, zou de hele architectuur van de financiële wereld fundamenteel vernieuwd moeten worden,’ zegt een voormalig bestuurder. ‘Dat de politiek daartoe niet in staat is, zien we aan de halfslachtige hervormingen tot nu toe. De druk zou moeten komen van degenen die een bank van binnenuit kennen. Maar dat gebeurt niet.’

    Op de kantooretage in de kleine dwarsstraat achter het hoofdkwartier van de Deutsche Bank, in zijn kamer links aan het eind van de gang, spreekt de negentigjarige Robert Ehret over zijn leeftijd en hoe zwaar het hem valt alles los te laten. Ook Ehret is na zijn tijd in het bestuur gaan studeren: theologie en filosofie. Maar anders dan Steinmetz is hij altijd een insider gebleven, net als de anderen aan deze gang. 
‘Aan het eind van het leven worden de ruimtes steeds kleiner,’ zegt Robert Ehret, ‘en de laatste ruimte zal de kleinste zijn.’ Hij zegt dat hij nu in de voorlaatste ruimte zit, en daar wil blijven tot het einde.

    Auteurs: Marc Brost en Andres Veiel
    Vertaler: Piet Meeuse

    Marc Brost is chef van de Berlijnse redactie van Die Zeit.
    Andres Veiel is een bekende documentairemaker.

    Die Zeit
    Duitsland | 540.000
    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.