Geen zin in werken is niet een generatieverschijnsel. Misschien dat jongeren voor het eerst durven te dromen van een leven zonder tolpoortjes.
Mijn vader, die dierenarts is en vlak voor zijn pensioen zit, vroeg onlangs voor het eerst of ik wou helpen bij een chirurgische ingreep. Ik zei natuurlijk ja, onnadenkend als ik ben, maar algauw sloeg de schrik me om het hart en was ik bang dat ik zou flauwvallen of overgeven en tot mijn schande eerder een sta-in-de-weg zou zijn dan behulpzaam. Ik weet niet zo goed wat ik me in het hoofd haalde – een explosie van bloed of ingewanden of zo? – maar ik betrapte me op iets heel onverwachts: totale fascinatie vanwege de precieze en bekwame handelingen van iemand die al veertig jaar lichamen opensnijdt en weer dichtmaakt, een vaardigheid die hij door stug volhouden perfect onder de knie had gekregen.
Ach kijk, dacht ik, dit is wat hij deed tijdens mijn balletuitvoeringen of piano-optredens en al die dingen in mijn jeugd waar hij niet bij kon zijn. Eindelijk begreep ik het: dat was belangrijk. En vanuit deze openbaring ten overstaan van een opengesneden poezenlijfje, vol ontzag en liefde, terwijl ik met een pincet een bloedvat dicht klemde, vroeg ik hem: ‘Hé, ga je dit niet missen?’
En mijn vader, die bepaald niet met zijn gevoelens te koop loopt, keek me priemend aan – sorry voor het cliché maar zo was het – en siste woedend: ‘Ik heb twintig jaar vergooid.’ En ik kon alleen maar knikken. Het is waar: mijn vader droomt al van zijn pensioen zolang het me heugt. Het mag voor mij dan niet meer belangrijk zijn maar híj betreurt nog altijd de schooluitvoeringen waar hij niet bij kon zijn, het leven dat hij niet geleefd heeft, dat andere, niet geleefde leven want ja, dat was verdomme zijn leven.
Mentale kwetsbaarheid
Ik wilde per se met deze anekdote te beginnen om niet klakkeloos aan te nemen dat de huidige hekel aan werk louter een generatiekwestie is, ondanks de berichten waarmee we dagelijks worden doodgegooid: over dat de generatie Z geen leidinggevende meer wil zijn; dat de lazy girl jobs (banen voor luie meisjes) horen bij een generatie die inspanningen schuwt; dat alles erop wijst dat burn-outs voorkomen bij vijfentwintigjarigen, maar dat dat dan door mentale problemen zou komen; dat het Chinese tangping – ‘gaan liggen’ als protest tegen uitbuiting op het werk – een TikTok-dingetje zou zijn.
De conclusie lijkt steeds hetzelfde: het zijn de jongeren die er de brui aan geven want vroeger, in een utopisch verleden, fungeerde werk wel degelijk als middel tot zelfverwezenlijking.
Wat volgens mij niet klopt. En niet omdat er niets nieuws is in de manier waarop mijn generatie en de volgende zich verhouden tot werk, maar omdat het moeilijk voorstelbaar is dat er vroeger een gouden tijdperk vol arbeidsethos bestond waarin de mensen iedere ochtend fluitend opstonden, vol verlangen om aan de slag te gaan. Wat is veranderd lijkt niet zozeer de uitputting maar eerder het feit dat je er voor het eerst hardop voor uit mag komen. Het kan ook zijn dat we ons voor het eerst beginnen toe te staan om te dromen van iets wat vroeger alleen aan wat rijkelui was voorbehouden: de mogelijkheid van een leven zonder tolpoortjes.
Onlangs las ik dat er in de Griekse mythologie godinnen bestonden die zich uitsluitend bezighielden met het reguleren van de dromen van de koningen, die vast niet gelijk waren aan die van een boer. Dromen zijn nooit democratisch geweest: niet alle dromen waren evenveel waard en ze kwamen niet allemaal door dezelfde deur naar binnen. Er waren reële dromen en bedrieglijke dromen, dromen die ergens op sloegen en dromen die gedoemd waren in de ochtend te verdampen. Misschien hebben we lange tijd aangenomen dat de onze, die van de werkers, hoorden bij die tweede categorie: onbeduidende dromen, een soort compensatie, zonder anker in de werkelijkheid.
Wat nu aan het veranderen zou kunnen zijn is niet zozeer onze relatie tot werken als wel het karakter van wat we onze verbeelding toestaan. Het is of we ons voor het eerst collectief afvragen: hé, stel je voor dat we zouden kunnen leven zoals rijke mensen altijd al hebben geleefd, zonder de plicht om ons brood te verdienen omdat brood simpelweg een recht was?
Mogen alleen rijke mensen genieten?
Misschien was de grote sensatie tijdens de pandemie niet alleen de ontdekking dat onze bazen ons, ook al liep ons leven gevaar, nog zouden willen verplichten om door te werken, maar ook dat andere, opzienbarender feit: dat velen ontdekten hoe hun leven zonder werk zou zijn en niet langer bang waren voor dat cliché dat ons, armen, van kinds af aan is ingeprent om ons huiverig te maken voor onze koningsdromen: dat er mensen zijn – mensen zoals jij dus – die als ze niet zouden werken, niet zouden weten wat ze met hun leven aanmoesten. Maar de mensen wisten precies wat ze met hun leven aanmoesten als ze thuis moesten blijven omdat ze op non-actief waren gesteld: ze lazen als nooit tevoren; ze gingen zorgen voor hulpbehoevende buurtbewoners, ze begonnen aan yoga te doen, brood te bakken, taart te bakken; online te studeren of door te geven wat ze al wisten zodat anderen gratis konden studeren; te mediteren voor een raam met uitzicht op een autoloze straat, waarin de vogels kwinkeleerden.
Ik vroeg de vrouwen om me heen wat ze zouden doen als ze niet hoefden te werken, en er was er maar een die zei dat ze zou doorgaan met werken (het ging om een creatief beroep, ‘al zou ik er wel veel minder uren in stoppen’, zei ze erbij). De anderen, we waren met een overweldigende meerderheid, leek het dat we zouden gaan klooien met onze vriendinnen, meer kinderen of meer honden of meer katten zouden nemen, of een reusachtige, fraaie tuin zouden aanleggen, dus zorgen voor levende dingen en alleen studeren voor zover het in dat kader nodig was en verder niks; geen balletvoorstelling van onze dochters of nichtjes meer missen; een verantwoordelijke en genotvolle ledigheid creëren die ons zou behoeden voor de spijt van morgen, dat wil zeggen oud worden met het gevoel te veel te hebben gestoken in een bepaalde deskundigheid in ruil voor bijna niks, een habbekrats.
een gelukkige 1 mei, met de droom dat spoedig, op een dag, werk een achterhaald concept moge zijn
Het is, zeker weten, als in dat gedicht van Li Yuansheng dat in 2014 niets meer of minder dan een hype in China veroorzaakte: ‘Ik wil niksen met jou; bijvoorbeeld / het hoofd buigen, naar de vissen kijken; bijvoorbeeld / de thee koud laten worden, zien hoe het spel van de schaduwen langzaam oplost; ja, ze aan hun lot overlaten, samen de zonsondergang verdoen; bijvoorbeeld rondlopen; praten tot de hemel de sterren kwijtraakt / ik wil die tijd waarin de wind blaast verspillen; gaan zitten in een gang, kijken naar het niets / dat je blik bevolkt met de wolken / die zwart langstrekken aan de andere kant van het glas’.
Maar tot het zo ver is willen, nee eisen we al het andere: fatsoenlijke lonen die de gelegenheid bieden een kind groot te brengen zonder partner, zonder dat het recht op scheiding in discussie is omdat twee huizen erop nahouden in dit land bijna onmogelijk is; fatsoenlijke roosters om er met onze kinderen op uit te kunnen trekken, want de doekjes voor het bloeden mogen niet betekenen dat zij meer tijd tussen tralies doorbrengen; en universeel recht op een woning, OP Z’N MINST.
Kortom, vriendinnen, een gelukkige 1 mei, met de droom dat spoedig, op een dag, werk een achterhaald concept moge zijn dat niet langer ons leven afpakt, dat, zeker weten, elders is.





















