Tag: economie

  • De jeugd wil zich niet meer uitsloven voor een habbekrats

    De jeugd wil zich niet meer uitsloven voor een habbekrats

    Geen zin in werken is niet een generatieverschijnsel. Misschien dat jongeren voor het eerst durven te dromen van een leven zonder tolpoortjes.

    Mijn vader, die dierenarts is en vlak voor zijn pensioen zit, vroeg onlangs voor het eerst of ik wou helpen bij een chirurgische ingreep. Ik zei natuurlijk ja, onnadenkend als ik ben, maar algauw sloeg de schrik me om het hart en was ik bang dat ik zou flauwvallen of overgeven en tot mijn schande eerder een sta-in-de-weg zou zijn dan behulpzaam. Ik weet niet zo goed wat ik me in het hoofd haalde – een explosie van bloed of ingewanden of zo? – maar ik betrapte me op iets heel onverwachts: totale fascinatie vanwege de precieze en bekwame handelingen van iemand die al veertig jaar lichamen opensnijdt en weer dichtmaakt, een vaardigheid die hij door stug volhouden perfect onder de knie had gekregen.

    Ach kijk, dacht ik, dit is wat hij deed tijdens mijn balletuitvoeringen of piano-optredens en al die dingen in mijn jeugd waar hij niet bij kon zijn. Eindelijk begreep ik het: dat was belangrijk. En vanuit deze openbaring ten overstaan van een opengesneden poezenlijfje, vol ontzag en liefde, terwijl ik met een pincet een bloedvat dicht klemde, vroeg ik hem: ‘Hé, ga je dit niet missen?’

    En mijn vader, die bepaald niet met zijn gevoelens te koop loopt, keek me priemend aan – sorry voor het cliché maar zo was het – en siste woedend: ‘Ik heb twintig jaar vergooid.’ En ik kon alleen maar knikken. Het is waar: mijn vader droomt al van zijn pensioen zolang het me heugt. Het mag voor mij dan niet meer belangrijk zijn maar híj betreurt nog altijd de schooluitvoeringen waar hij niet bij kon zijn, het leven dat hij niet geleefd heeft, dat andere, niet geleefde leven want ja, dat was verdomme zijn leven.

    Mentale kwetsbaarheid

    Ik wilde per se met deze anekdote te beginnen om niet klakkeloos aan te nemen dat de huidige hekel aan werk louter een generatiekwestie is, ondanks de berichten waarmee we dagelijks worden doodgegooid: over dat de generatie Z geen leidinggevende meer wil zijn; dat de lazy girl jobs (banen voor luie meisjes) horen bij een generatie die inspanningen schuwt; dat alles erop wijst dat burn-outs voorkomen bij vijfentwintigjarigen, maar dat dat dan door mentale problemen zou komen; dat het Chinese tangping – ‘gaan liggen’ als protest tegen uitbuiting op het werk – een TikTok-dingetje zou zijn. 

    De conclusie lijkt steeds hetzelfde: het zijn de jongeren die er de brui aan geven want vroeger, in een utopisch verleden, fungeerde werk wel degelijk als middel tot zelfverwezenlijking.

    Wat volgens mij niet klopt. En niet omdat er niets nieuws is in de manier waarop mijn generatie en de volgende zich verhouden tot werk, maar omdat het moeilijk voorstelbaar is dat er vroeger een gouden tijdperk vol arbeidsethos bestond waarin de mensen iedere ochtend fluitend opstonden, vol verlangen om aan de slag te gaan. Wat is veranderd lijkt niet zozeer de uitputting maar eerder het feit dat je er voor het eerst hardop voor uit mag komen. Het kan ook zijn dat we ons voor het eerst beginnen toe te staan om te dromen van iets wat vroeger alleen aan wat rijkelui was voorbehouden: de mogelijkheid van een leven zonder tolpoortjes.

    Onlangs las ik dat er in de Griekse mythologie godinnen bestonden die zich uitsluitend bezighielden met het reguleren van de dromen van de koningen, die vast niet gelijk waren aan die van een boer. Dromen zijn nooit democratisch geweest: niet alle dromen waren evenveel waard en ze kwamen niet allemaal door dezelfde deur naar binnen. Er waren reële dromen en bedrieglijke dromen, dromen die ergens op sloegen en dromen die gedoemd waren in de ochtend te verdampen. Misschien hebben we lange tijd aangenomen dat de onze, die van de werkers, hoorden bij die tweede categorie: onbeduidende dromen, een soort compensatie, zonder anker in de werkelijkheid. 

    Wat nu aan het veranderen zou kunnen zijn is niet zozeer onze relatie tot werken als wel het karakter van wat we onze verbeelding toestaan. Het is of we ons voor het eerst collectief afvragen: hé, stel je voor dat we zouden kunnen leven zoals rijke mensen altijd al hebben geleefd, zonder de plicht om ons brood te verdienen omdat brood simpelweg een recht was? 

    Mogen alleen rijke mensen genieten?

    Misschien was de grote sensatie tijdens de pandemie niet alleen de ontdekking dat onze bazen ons, ook al liep ons leven gevaar, nog zouden willen verplichten om door te werken, maar ook dat andere, opzienbarender feit: dat velen ontdekten hoe hun leven zonder werk zou zijn en niet langer bang waren voor dat cliché dat ons, armen, van kinds af aan is ingeprent om ons huiverig te maken voor onze koningsdromen: dat er mensen zijn – mensen zoals jij dus – die als ze niet zouden werken, niet zouden weten wat ze met hun leven aanmoesten. Maar de mensen wisten precies wat ze met hun leven aanmoesten als ze thuis moesten blijven omdat ze op non-actief waren gesteld: ze lazen als nooit tevoren; ze gingen zorgen voor hulpbehoevende buurtbewoners, ze begonnen aan yoga te doen, brood te bakken, taart te bakken; online te studeren of door te geven wat ze al wisten zodat anderen gratis konden studeren; te mediteren voor een raam met uitzicht op een autoloze straat, waarin de vogels kwinkeleerden.

    Ik vroeg de vrouwen om me heen wat ze zouden doen als ze niet hoefden te werken, en er was er maar een die zei dat ze zou doorgaan met werken (het ging om een creatief beroep, ‘al zou ik er wel veel minder uren in stoppen’, zei ze erbij). De anderen, we waren met een overweldigende meerderheid, leek het dat we zouden gaan klooien met onze vriendinnen, meer kinderen of meer honden of meer katten zouden nemen, of een reusachtige, fraaie tuin zouden aanleggen, dus zorgen voor levende dingen en alleen studeren voor zover het in dat kader nodig was en verder niks; geen balletvoorstelling van onze dochters of nichtjes meer missen; een verantwoordelijke en genotvolle ledigheid creëren die ons zou behoeden voor de spijt van morgen, dat wil zeggen oud worden met het gevoel te veel te hebben gestoken in een bepaalde deskundigheid in ruil voor bijna niks, een habbekrats.

    een gelukkige 1 mei, met de droom dat spoedig, op een dag, werk een achterhaald concept moge zijn

    Het is, zeker weten, als in dat gedicht van Li Yuansheng dat in 2014 niets meer of minder dan een hype in China veroorzaakte: ‘Ik wil niksen met jou; bijvoorbeeld / het hoofd buigen, naar de vissen kijken; bijvoorbeeld / de thee koud laten worden, zien hoe het spel van de schaduwen langzaam oplost; ja, ze aan hun lot overlaten, samen de zonsondergang verdoen; bijvoorbeeld rondlopen; praten tot de hemel de sterren kwijtraakt / ik wil die tijd waarin de wind blaast verspillen; gaan zitten in een gang, kijken naar het niets / dat je blik bevolkt met de wolken / die zwart langstrekken aan de andere kant van het glas’.

    Maar tot het zo ver is willen, nee eisen we al het andere: fatsoenlijke lonen die de gelegenheid bieden een kind groot te brengen zonder partner, zonder dat het recht op scheiding in discussie is omdat twee huizen erop nahouden in dit land bijna onmogelijk is; fatsoenlijke roosters om er met onze kinderen op uit te kunnen trekken, want de doekjes voor het bloeden mogen niet betekenen dat zij meer tijd tussen tralies doorbrengen; en universeel recht op een woning, OP Z’N MINST. 

    Kortom, vriendinnen, een gelukkige 1 mei, met de droom dat spoedig, op een dag, werk een achterhaald concept moge zijn dat niet langer ons leven afpakt, dat, zeker weten, elders is.  

  • Kan een economie draaien op emigratie?

    Kan een economie draaien op emigratie?

    Al decennialang verlaten Keralieten hun thuisland voor een baan in het Midden-Oosten. Het geld dat vanaf daar naar Kerala wordt gestuurd, tilde de Zuid-Indiase deelstaat uit de armoede. Maar door geopolitieke spanningen, zoals de oorlog met Iran, dreigen de vitale geldstromen dit jaar met een vijfde te krimpen.

    In Kerala draait de belangrijkste olie-industrie om kokosnoten. Toch is de welvaart van de Zuid-Indiase deelstaat – bekend om zijn idyllische waterwegen, geurige keuken en ontspannen levensstijl – nauw verbonden met olie uit de Perzische Golf, die doorgaans via de Straat van Hormuz wordt vervoerd.

    Sinds de olieboom in het Midden-Oosten een halve eeuw geleden begon, trekken inwoners van Kerala naar de Golfstaten om er te werken: eerst als schoonmakers en bouwvakkers, later als kantoormedewerkers, verpleegkundigen en verkopers. Inmiddels wonen naar schatting zo’n 1,7 miljoen Keralieten in de Golfregio, goed voor 5 procent van de bevolking van de deelstaat en bijna 11 procent van de beroepsbevolking.

    Het oliegeld uit de Golf heeft Kerala ingrijpend veranderd. K.P. Kannan en K.S. Hari van het Centre for Development Studies, een Indiase denktank, berekenden dat geldzendingen uit de regio halverwege de jaren 2010 overeenkwamen met ongeveer een kwart van de economie van Kerala – meer dan de toegevoegde waarde van de industrie en de overheidsuitgaven samen.

    Dat heeft de levensstandaard sterk verhoogd. De consumptie per inwoner ligt bijna driekwart hoger dan het Indiase gemiddelde. Volgens de Indiase maatstaf voor multidimensionale armoede leeft ongeveer een op de tien Indiërs in ernstige armoede; in Kerala komt dat nauwelijks nog voor.

    Volgens sommige economen is rijk worden via industrialisering en export tegenwoordig moeilijker

    Volgens sommige economen is rijk worden via industrialisering en export tegenwoordig moeilijker dan in de tijd dat dat gebeurde met Europa, Japan, Zuid-Korea en recent nog China industrialiseerden. Voor landen als India betekent groeien op de wereldmarkt vaak dat ze andere landen moeten verdringen. En als dat land China is, wordt dat bijzonder lastig.

    Kan het exporteren van mensen in plaats van goederen, zoals Kerala doet, dan een alternatief model voor groei zijn?

    Veel armere landen zijn afhankelijk van emigranten. Volgens de Wereldbank vormen geldzendingen uit het buitenland meer dan een vijfde van het nationale inkomen in Honduras, Libanon, Nepal en Tadzjikistan. In lage- en middeninkomenslanden samen zijn ze goed voor ongeveer een derde van alle kapitaalinstromen.

    In Nepal zouden die geldzendingen de armoede tussen 2001 en 2011 met 40 procent hebben teruggedrongen. In Mexico droegen ze bij aan een daling van de kindersterfte. Het effect op economische groei is echter minder duidelijk. Een studie uit 2013 naar migratielanden in Afrika, Azië en Latijns-Amerika concludeerde dat een structurele stijging van 10 procent in geldzendingen per inwoner slechts leidde tot een groei van 0,13 procent van het bbp per hoofd van de bevolking. Recenter onderzoek uit 2022 kwam uit op een iets sterker, maar nog steeds bescheiden effect van 0,66 procent.

    Sommigen wonnen de migratieloterij en verhuisden naar San Francisco, maar veel anderen bleven in India

    In een nieuwe studie ziet Charles Kenny van het Centre for Global Development in Washington vrijwel geen verband tussen de omvang van een diaspora en de groei van het bbp per inwoner. Emigratie kan immers zowel een gevolg zijn van zwakke economische groei, waardoor mensen vertrekken, als een oorzaak van economische vooruitgang.

    Toch denkt Kenny dat emigratie onder bepaalde omstandigheden economische groei kan aanjagen. Alles hangt af van de neveneffecten van migratie. Die kunnen positief uitpakken als ze het kennisniveau in het land van herkomst verhogen én die kennis lokaal wordt benut. Maar ze kunnen ook exact die problemen in stand houden die mensen ertoe aanzetten te vertrekken.

    Een recente studie in het Journal of Economic Perspectives van Gaurav Khanna onderzoekt migratiegolven vanuit Azië naar de Verenigde Staten. Volgens Khanna leidde dat in sommige gevallen eerder tot ‘brain circulation’ dan tot ‘brain drain’. Veel Indiërs behaalden bijvoorbeeld diploma’s in software-engineering in de hoop ooit in Silicon Valley te kunnen werken. Sommigen wonnen de migratieloterij en verhuisden naar San Francisco, maar veel anderen bleven in India.

    Op afstand

    Zo ontstond een nieuwe exportsector die niet langer volledig afhankelijk was van migratie, maar ook op afstand kon opereren vanuit steden als Bangalore. De Indiase IT-export is inmiddels goed voor meer dan 220 miljard dollar per jaar, aanzienlijk meer dan de 135 miljard dollar die India jaarlijks ontvangt aan geldzendingen uit het buitenland.

    In Kerala lijken zulke neveneffecten beperkter. De deelstaat scoort beter dan de rest van India op geletterdheid en levensverwachting, dankzij relatief vooruitstrevend bestuur vóór de onafhankelijkheid en jarenlange investeringen van linkse regeringen in onderwijs en gezondheidszorg.

    Maar potentiële investeerders worden afgeschrikt door diezelfde regeringen, vanwege hun anti-kapitalistische beleid en sterke vakbonden. Net als elders in India telt Kerala veel zorgmedewerkers die er niet in slaagden te emigreren, terwijl verpleegkundigen geregeld staken voor hogere lonen. Bedrijven hebben moeite salarissen te bieden die aansluiten bij de verwachtingen die zijn ontstaan door de hoge lonen in de Golfstaten.

    Door de oorlog met Iran zouden de geldzendingen dit jaar met 20 procent kunnen dalen

    Daardoor vestigen bedrijven zich liever in ondernemingsvriendelijkere deelstaten zoals het naburige Tamil Nadu. Een groot deel van het geld uit de Golf gaat naar huizen en auto’s. Dat verhoogt de levensstandaard, maar niet per se de productiviteit. Investeringen in onderwijs, eveneens gefinancierd met geld uit de Golf, maken inwoners van Kerala weliswaar productiever, maar zolang lokale kansen schaars blijven, zullen veel hoogopgeleiden hun geluk in het buitenland blijven zoeken.

    Het grootste nadeel van een economie die afhankelijk is van emigratie, is misschien wel dat haar succes grotendeels afhangt van factoren buiten de controle van het land zelf. Dat geldt tot op zekere hoogte voor elke economie. Maar producenten die in de ene markt tegen invoerheffingen aanlopen, kunnen vaak nog uitwijken naar een andere. Voor emigranten ligt dat moeilijker wanneer de economische of politieke omstandigheden in hun gastland veranderen.

    Ook Kerala laat die kwetsbaarheid zien. Het aantal Keralieten in de Golf is de afgelopen jaren nauwelijks nog gegroeid, omdat landen in de regio bepaalde banen reserveren voor eigen burgers. Door de economische gevolgen van de oorlog met Iran zouden de geldzendingen dit jaar bovendien met 20 procent kunnen dalen.

    Emigratie levert bijna altijd voordelen op voor migranten en hun families thuis. Maar economische groei baseren op migratie blijft riskant in een wereld die steeds meer wordt gekenmerkt door fragmentatie, protectionisme en conflict.

  • Kan een land te rijk worden?

    Kan een land te rijk worden?

    Dankzij zijn oliereserves heeft Noorwegen een economie opgebouwd die zijn bevolking op elk vlak steun kan bieden. Toch beginnen de valkuilen van uitzonderlijke welvaart aan de oppervlakte te komen.

    Noorwegens eerbetoon aan Edvard Munch, de beroemdste schilder van Scandinavië, is een indrukwekkend dertien verdiepingen tellend blok van gerecycled aluminium en glas aan de haven van Oslo. Het museum, dat in 2021 werd voltooid voor 350 miljoen dollar, liep tien jaar vertraging op en ging fors over budget – er kwam nog eens 200 miljoen dollar bij. Op een winterse middag, oprijzend uit de dichte zeemist, belichaamt het museum het land dat ervoor betaalde: verfijnd en zo rijk dat geld geen rol meer speelt.

    Noorse olie heeft een economie voortgebracht waar andere rijke landen jaloers op zijn – laat staan armere landen. Het bbp per hoofd bedraagt zo’n 90.000 dollar en wordt alleen overtroffen door dat van stadstaten, belastingparadijzen en Zwitserland. Sinds 1991 heeft de overheid een staatsinvesteringsfonds opgebouwd ter waarde van 2,2 biljoen dollar, oftewel 400.000 dollar per inwoner van de 5,6 miljoen tellende bevolking. De opbrengsten financieren een van de gulste verzorgingsstaten ter wereld.

    Vervormd gedrag

    Maar niet iedereen is daar even blij mee. In 2025 was de bestverkochte non-fictietitel van het land The Country that Became Too Rich, een aanval op het economische model van econoom en voormalig McKinsey-consultant Martin Bech Holte. Hij beschreef hiermee een groeiend sentiment. Bij de verkiezingen van afgelopen september ging de grootste winst naar de centrumrechtse Vooruitgangspartij, die stelde dat Noorwegen ‘problemen probeert op te lossen door er simpelweg meer geld tegenaan te gooien’. De zorg is dat de rijkdom ieders gedrag vervormt – van politici tot kantoormedewerkers en scholieren. Wie kan rekenen op een royale uitkering, maakt zich minder zorgen over de toekomst. Kan de welvaart van een land zijn vooruitzichten ondermijnen?

    Volgens Bech Holte heeft de groei van het staatsfonds – dat door olie-inkomsten en beleggingsrendementen in het afgelopen decennium is verdubbeld – Noorse politici spilzuchtig gemaakt. Hoewel het fonds alleen in het buitenland investeert om de binnenlandse economie niet te verdringen, vloeit er geld terug naar de overheid, die daarmee het gat tussen uitgaven en belastinginkomsten dicht. In 2008 bedroeg die bijdrage nog een bescheiden 36 miljard Noorse kronen (toen 6,4 miljard dollar), minder dan 5 procent van de overheidsuitgaven. In 2025 kwam een vijfde van de uitgaven – 414 miljard kronen (40 miljard dollar) – uit het oliefonds.

    Dat heeft ongewenste gevolgen. Politici kunnen moeilijke beslissingen uitstellen. Kiezers zien weinig reden om hun eisen te matigen. Neem de gezondheidszorg, de grootste uitgavenpost van de overheid. Medische zorg is in Noorwegen gemiddeld 30 procent duurder dan in de Europese Unie. Maar waarom ziekenhuizen hervormen als je er gewoon meer geld tegenaan kunt gooien? Denemarken, dat ongeveer evenveel per hoofd uitgeeft, heeft de wachttijden voor routineoperaties twee keer zo snel weten te verkorten als Noorwegen.

    Politici kunnen moeilijke beslissingen uitstellen. Kiezers zien weinig reden om hun eisen te matigen

    Weinig politici nemen nog de moeite om de kosten en baten van beleid zorgvuldig af te wegen, aldus een parlementariër. Dat probleem bestaat elders ook, maar Noorwegen lijkt er bijzonder gevoelig voor. Net als bij het Munchmuseum duurde de renovatie van het parlementsgebouw in Oslo vier jaar in plaats van één en waren de kosten zes keer zo hoog als begroot. In 2023 besteedde de regering 250 miljard kronen – de helft van haar belastinginkomsten op arbeid en kapitaal – aan buitenlandse hulp en binnenlandse liefdadigheidsorganisaties. Dat is een hoge prijs om goodwill in het buitenland te kopen en zorgen over het klimaat thuis te temperen. In Groot-Brittannië ligt dat aandeel onder de 10 procent.

    Noorse burgers zijn nauwelijks minder spilzuchtig dan hun vertegenwoordigers. De gemiddelde huishoudschuld bedraagt 250 procent van het jaarinkomen – het hoogste niveau in Europa. Als je erop kunt rekenen dat de nationale rijkdom je uit de brand helpt, voelt sparen voor slechtere tijden minder urgent.

    Ook de noodzaak om überhaupt inkomen te genereren neemt af. Bijna een op de tien Noren in de twintig is werkloos, tegenover een op de twintig Denen. Het percentage school- en universiteitsuitval behoort tot de hoogste in Europa. Het hoger onderwijs biedt onbeperkt gratis opleidingen en genereuze studieleningen. Dat moedigt studenten aan om hun studie uit te stellen, te wisselen en langer te blijven studeren. Het resultaat is een hoogopgeleide bevolking: meer dan 70 procent van de werknemers in laaggeschoolde dienstverlenende banen (zoals barista’s en callcentermedewerkers) heeft een masterdiploma. Mensen met een migratieachtergrond vervullen 100.000 onderzoeksbanen in wetenschap en techniek – de helft van het totaal. Nog eens 100.000 vacatures moeten tegen 2030 worden ingevuld.

    Houdbaarheid

    Deze financiële losbandigheid begint de economie al te schaden. De centrale bank aarzelt om de rente te verhogen ondanks hoge schulden, wat de kroon verzwakt en buitenlandse investeerders afschrikt. De arbeidsproductiviteit groeit niet meer. De reële lonen beginnen te dalen.

    Je zou kunnen stellen dat dit alles niet uitmaakt zolang het land voor zijn bevolking kan blijven zorgen. Economische groei is politiek gezien belangrijk omdat ze het welzijn van burgers garandeert: direct via werk en indirect via uitkeringen. In theorie kan dat welzijn ook worden gefinancierd uit vermogensopbrengsten in plaats van productie. Zolang het nationale vermogen sneller groeit dan de overheidsuitgaven, kan dat model blijven bestaan.

    Tot nu toe is dat het geval in Noorwegen. Hoewel de staat in 2025 tien keer zo veel geld uit het fonds haalde als in 2008, was dat relatief gezien een kleiner aandeel van het totale vermogen. Zolang de reële rendementen boven de 6 procent blijven, kan de overheid mogelijk nog lang na het opdrogen van de olie – over zo’n vijftig jaar – de belastingen verlagen en de uitgaven blijven verhogen.

    Zo’n redenering is echter zelfgenoegzaam, om twee redenen. Ten eerste is een rendement van 6 procent in de praktijk onzeker, tenzij kunstmatige intelligentie de wereldproductiviteit sterk verhoogt. Ten tweede – en belangrijker – heeft een bloeiende economie voordelen die verder gaan dan louter bestaanszekerheid. Politici zijn beter controleerbaar als ze belasting moeten heffen. Buitenlandse investeerders brengen kennis mee. Veel mensen halen voldoening uit werk. Dat alles draagt bij aan menselijk welzijn. Niemand hoeft Noorwegen zijn rijkdom te misgunnen – behalve, als ze verstandig zijn, de Noren zelf.

  • Duitsland: automarkt in zwaar weer door afname van het aantal banen

    Duitsland: automarkt in zwaar weer door afname van het aantal banen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VS: Logan Paul veilt zeldzame Pokémonkaart voor recordbedrag

    » Europese leiders verdeeld over het hervatten van de dialoog met Rusland

    Steeds meer investeringen en banen gaan naar het buitenland

    De positie van Duitsland als centrum voor de auto-industrie staat onder druk nu investeringen en banen naar het buitenland verdwijnen, waarschuwt de Duitse branchevereniging voor de auto-industrie (VDA). Ze roept de bevoegde autoriteiten in Duitsland en de EU daarom op zich te richten op het stimuleren van de groei en de regelgeving te versoepelen.

    Volgens VDA-voorzitter Hildegard Müller bleek uit een VDA-enquête onder kleine en middelgrote ondernemingen in Duitsland dat 72 procent van de bedrijven van plan is om investeringen in Duitsland te verminderen. Dit kan door ze naar het buitenland te verplaatsen (28 procent), uit te stellen (25 procent) of volledig te annuleren (19 procent). De enquête omvatte bedrijven in de gehele toeleveringsketen van de auto-industrie, aldus de Tsjechische nieuwssite České noviny.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Bijna twee derde van de 124 onderzochte bedrijven in Duitsland schrapte vorig jaar banen, waarbij 87 procent concurrentienadelen als reden noemde. Momenteel schrapt 49 procent van de bedrijven in Duitsland banen, tegenover 7 procent in het buitenland. Toeleveranciers van de Duitse auto-industrie kampen met een daling van de orders, sterke concurrentie uit het buitenland en een moeizame transitie naar elektrische auto’s en software.

    Volgens overheidscijfers van afgelopen november staat het aantal banen in de Duitse auto-industrie op het laagste niveau sinds 2011. ‘De verplaatsing van investeringen en banen zal niet zonder gevolgen blijven voor de welvaart van ons land en voor de sociale en politieke stabiliteit’, aldus Müller. Ze bekritiseert het maatregelenpakket van de EU, dat bedoeld is om Europese autofabrikanten te ondersteunen bij de overgang naar elektrische auto’s en schonere productie, en vindt dat dit flexibeler moet.

    De Duitse economie groeide vorig jaar voor het eerst in drie jaar, maar het bbp steeg slechts met 0,2 procent. Dit jaar rekent Duitsland op een groei van 1 procent, voornamelijk dankzij hogere defensie-uitgaven.

  • Wat is de winst van het EU-Mercosur-akkoord?

    Wat is de winst van het EU-Mercosur-akkoord?

    Om de week pluist de redactie van 360 een actuele gebeurtenis voor je uit aan de hand van de internationale pers. Deze week kijken we naar het Mercosur-akkoord. Na meer dan een kwart eeuw onderhandelen hebben de Europese Unie en het Zuid-Amerikaanse handelsblok Mercosur een omvangrijk vrijhandelsakkoord ondertekend. De overeenkomst belooft nieuwe markten, maar roept felle tegenstand op van Europese boeren en krijgt bovendien een geopolitieke lading in een wereld die steeds verder polariseert. Wat betekent het EU-Mercosur-akkoord nu echt?

    Wat is het?

    De Europese Unie en het Mercosur-blok hebben zaterdag hun langverwachte handelsovereenkomst ondertekend, waarmee na meer dan vijfentwintig jaar onderhandelen een van ’s werelds grootste vrijhandelsakkoorden werd bezegeld. De voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, en de voorzitter van de Europese Raad, António Costa, woonden de ceremonie bij in Asunción, Paraguay, samen met de leiders van Mercosur uit Argentinië, Uruguay en gastland Paraguay. De Braziliaanse president Luiz Inácio Lula da Silva, een belangrijke voorstander van het pact, was niet aanwezig en liet zich vertegenwoordigen door zijn minister van Buitenlandse Zaken.

    ‘Deze overeenkomst geeft een sterk signaal af aan de wereld,’ zei Von der Leyen tijdens de ceremonie, geciteerd door Politico. ‘Het akkoord weerspiegelt een duidelijke en weloverwogen keuze. We kiezen voor eerlijke handel in plaats van invoerheffingen. We kiezen voor een productief, langdurig partnerschap.’ De overeenkomst moet nog worden goedgekeurd door het Europees Parlement en de nationale wetgevende instanties aan beide zijden van de Atlantische Oceaan.

    Als de overeenkomst wordt geratificeerd, ontstaat een vrijhandelszone die meer dan 700 miljoen mensen in Europa en Latijns-Amerika omvat. Meer dan 90 procent van de invoerrechten op EU-exportproducten wordt geleidelijk afgeschaft, wat nieuwe markten opent voor Europese fabrikanten, met name in industriële sectoren. De Mercosur-landen zouden op hun beurt meer toegang krijgen tot de EU-markt voor landbouwproducten.

    In totaal genereren de landen van de EU en Mercosur een vijfde van het totale bruto binnenlands product (bbp) van de wereld. Op papier is dit een aanzienlijke markt, maar de twee blokken hebben onderling weinig handelsverkeer, merkt Le Monde op. ‘Mercosur is goed voor slechts 2,1 procent van de EU-uitvoer, ver achter Turkije, Noorwegen of zelfs Zuid-Korea.’

    ANP 547847355
    Leiders en vertegenwoordigers van de Europese Unie en Mercosur poseren na de ondertekening van het handelsakkoord. Asunción, 17 januari 2026. – © Luis Robayo / AFP

    De overeenkomst heeft dan ook het doel de handel tussen beide partijen te bevorderen. Brussel schat dat dankzij de verlaging van de douanebarrières tussen beide blokken het bbp van de EU tegen 2040 met 77,6 miljard euro (0,05 procent) en dat van Mercosur met 9,4 miljard euro (0,25 procent) zou kunnen stijgen. Maar volgens het Franse dagblad plaatsen veel economen hun vraagtekens bij deze cijfers, die zij als een overschatting beschouwen. 

    Waarom duurde het zo lang?

    De onderhandelingen tussen de EU en Mercosur begonnen in 1999, maar liepen vast door het aantreden van een reeks linkse leiders in Zuid-Amerika in de jaren 2000 en begin jaren 2010. Met de komst van meer marktgerichte presidenten in Argentinië in 2015 en Brazilië in 2016 vorderden de onderhandelingen en werd in 2019 een principeakkoord bereikt. Deze keer liep de ratificatie echter vast door tegenstand van Europese protectionisten.

    De overeenkomst leek ten dode opgeschreven toen de voormalige Braziliaanse president Jair Bolsonaro – een extreemrechtse ontkenner van klimaatverandering – tijdens zijn ambtstermijn van 2019-2023 in heel Europa een persona non grata werd. Uit bezorgdheid dat het pact ontbossing in het Amazonegebied zou aanwakkeren of klimaatnormen zou verzwakken, voegde de EU in 2023 strengere groene kaders toe. Die stap bracht de onderhandelingen bijna tot stilstand; de leiders van Mercosur reageerden verontwaardigd op wat zij zagen als Europese bemoeizucht, maar bereikten later een compromis, aldus Foreign Policy

    De landbouwlobby maakte zich echter veel zorgen. In Frankrijk blokkeerden boeren met hun tractoren snelwegen ten zuiden van Toulouse en de toegang tot de grootste containerhaven van het land in Le Havre. Ook in Ierland vonden nieuwe tractorkonvooien plaats uit protest tegen het pact. ‘Omdat boeren twee jaar geleden enig succes boekten met hun protesten tegen het EU-landbouwbeleid, kwamen ze nu opnieuw in opstand,’ constateert Süddeutsche Zeitung.

    De Commissie beloofde 45 miljard euro extra steun voor EU-boeren en temperde zo het verzet van landbouwsectoren en regeringen die bezorgd waren over goedkope import. ‘De Franse president Emmanuel Macron kwam als een van de grootste verliezers uit de bus. Ondanks aanhoudende pogingen om de overeenkomst te blokkeren of uit te stellen – onder druk vanuit de Franse landbouwsector – slaagde Parijs er niet in het akkoord van tafel te vegen’, aldus Foreign Policy. Italië steunde de overeenkomst uiteindelijk nadat het garanties en financieringsverplichtingen voor zijn eigen boeren had bedongen.

    ANP 547587209 1
    Boeren demonstreren met honderden tractoren tijdens een landelijke actiedag tegen het vrijhandelsakkoord tussen de Europese Unie en Mercosur. Lyon, 15 januari 2026. – © Konrad K. / SIPA

    ‘De EU heeft dus opnieuw gereageerd op de protesten van de boeren en ingestemd met aanvullende beschermingsbepalingen. Als de markten instabiel worden door import uit Zuid-Amerika, zullen de hogere tarieven opnieuw worden ingevoerd. Deze beslissing heeft de Zuid-Amerikaanse landbouworganisaties ongetwijfeld ontstemd’, schrijft Süddeutsche Zeitung.

    Wat levert het uiteindelijk op?

    Deze vraag is moeilijk te beantwoorden, concludeert Le Monde, aangezien de overeenkomst waarschijnlijk veel onderling verweven ecologische, geopolitieke en economische gevolgen zal hebben, ‘waardoor het onmogelijk is om de impact van elk afzonderlijk element nauwkeurig in te schatten’.

    Vanuit economisch oogpunt zou de Europese industriële sector de meeste baat hebben bij de overeenkomst, aangezien deze een einde maakt aan de hoge invoerrechten op onder andere auto’s, machines en chemische producten. 

    Volgens El Mundo biedt de overeenkomst tussen Mercosur en de EU daarnaast handelsmogelijkheden die kunnen leiden tot meer industrie en hoogwaardige banen in de regio. ‘Het is ook een bron van handels- en investeringsmogelijkheden voor Europa, dat volgend jaar al meer dan 4 miljard euro aan invoerrechten zal besparen.’ In The Conversation schrijft Sergi Basco, universitair hoofddocent economie aan de Universiteit van Barcelona, echter dat ‘deze handelsovereenkomst geen grote economische effecten zal hebben’.

    Voor de Mercosur-landen gaat de overeenkomst met de EU minder over een plotselinge exportboom en meer over geopolitieke invloed. ‘De sterkere banden met Europa vormen een aanvulling op de banden met de Verenigde Staten en China; Zuid-Amerikaanse regeringen zullen niet gedwongen worden om een keuze te maken tussen de druk van Washington en de aantrekkingskracht van Beijing,’ analyseert Foreign Policy. Door Mercosur via een formeel pact aan de EU te binden, krijgt Mercosur bovendien weer een gezamenlijk doel en cohesie. ‘De overeenkomst versterkt ook de diplomatieke geloofwaardigheid van Brazilië, dat zichzelf als regionale leider ziet.’

    Voor Europa biedt de overeenkomst een gedeeltelijke bescherming in de wereldwijde strijd om zeldzame aardmetalen en andere cruciale grondstoffen. Brazilië alleen al controleert meer dan 20 procent van de wereldwijde reserves aan cruciale mineralen, waaronder zeldzame aardmetalen die essentieel zijn voor geavanceerde productie, schone energietechnologieën en militaire toepassingen. Argentinië en Bolivia beschikken over belangrijke lithiumreserves, die onder andere gebruikt kunnen worden voor het ontwikkelen van batterijen van elektrische voertuigen en eveneens belangrijk zijn voor de energietransitie. ‘Nu regeringen wereldwijd hun afhankelijkheid van China voor kritieke mineralen willen verminderen, is het vastleggen van de toegang tot Zuid-Amerikaanse toeleveringsketens niet alleen een commerciële, maar ook een strategische troef geworden’, schrijft het Amerikaanse tijdschrift.

    ANP 488660500 1
    Donald Trump geeft een toespraak tijdens een bijeenkomst van de Republikeinse voorverkiezingen in Des Moines, Iowa, op 15 januari 2024 – © Jim Watson / AFP

    ‘Op dit moment is de overeenkomst met Mercosur het beste antwoord op de uitgebreide versie van de Monroe-doctrine die Trump in de regio toepast’, schrijft El Mundo. Het akkoord creëert de grootste vrijhandelszone ter wereld, die door dezelfde waarden en normen zal worden geregeerd. 

    De overeenkomst is daarmee veel meer geworden dan alleen een handelsakkoord: het is een teken dat Europa en een groot deel van Zuid-Amerika strategieën nastreven om hun economische en strategische autonomie te vergroten in het licht van het protectionisme en de militaire dreigingen van de VS.

    Sterker nog, volgens El País was Donald Trump zelfs onmisbaar bij het nieuw leven inblazen van het handelsakkoord tussen de EU en Mercosur. ‘De Republikein was nog niet eens aangetreden toen EC-voorzitter Ursula von der Leyen in december 2024 op het vliegtuig stapte en naar Montevideo vloog om een principeakkoord te ondertekenen – het tweede – na onderhandelingen die al het hele decennium hadden geduurd.’ Het uitbreiden van handelsallianties met voorspelbare partners is een grote stap om de handelsafhankelijkheid van Europa van zijn voormalige grote partner te verminderen. 

    De afgelopen jaren heeft een golf van populisme en protectionisme – van de brexit tot de invoerheffingen van Trump – twijfel gezaaid over de toekomst van open markten. Veel analisten vreesden dat de wereld afstevende op ontkoppeling en rivaliserende economische blokken. De overeenkomst tussen de EU en Mercosur biedt een tegenwicht. ‘Ze toont aan dat zelfs in 2026 het mondiale noorden en het mondiale zuiden kunnen kiezen voor samenwerking in plaats van confrontatie’, schrijft Foreign Policy. ‘Het akkoord laat zien dat de onvoorspelbaarheid van Washington onbedoelde positieve effecten kan hebben: het stimuleert andere mogendheden om nieuwe allianties te smeden en te investeren in diplomatie.’ 

  • Syrië zet geen gezichten meer op bankbiljetten

    Syrië zet geen gezichten meer op bankbiljetten

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VS: artiesten annuleren optredens in Kennedy Center wegens naamswijziging

    » President Colombia: ‘VS hebben cocaïnefabriek in Venezuela gebombardeerd’

    Het land wil afscheid nemen van de persoonlijkheidscultus

    ‘Geen gezichten, geen plaatsen’, kopt The National over de nieuwe Syrische bankbiljetten, in Damascus gepresenteerd door president Ahmed El-Charaa. Deze zullen de oude biljetten vanaf 1 januari geleidelijk vervangen. Op het biljet van 50 pond staan ​​sinaasappels, op dat van 200 pond olijven en op dat van 500 pond tarwe.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Op de oude bankbiljetten stonden onder andere Bashar al-Assad, zijn vader en diverse monumenten afgebeeld. De wijziging vindt plaats in het kader van de wederopbouw van de Syrische economie. Het ontwerp van de nieuwe bankbiljetten is ‘een uiting van een nieuwe identiteit en een breuk met de persoonsverheerlijking’, aldus Ahmed El-Charaa.

  • AI beloofde een productiviteitsboost – maar levert vooral meer bureaucratie op

    AI beloofde een productiviteitsboost – maar levert vooral meer bureaucratie op

    De wereld had gehoopt dat de AI-revolutie de productiviteit een enorme boost zou geven en de administratieve kosten zou verlagen. Het tegendeel is waarschijnlijk het geval, schrijft hoogleraar economie Mathias Binswanger.

    Jarenlang hebben we de boodschap gehoord dat AI in de toekomst voor enorme productiviteitswinsten zal zorgen. Economen die in de technologie geloven, zoals Erik Brynjolfsson, directeur van het Stanford Digital Economy Lab, verwachten bijvoorbeeld een permanente productiviteitsstijging van meer dan 30 procent in de VS in de komende twintig jaar.

    Ondanks de digitalisering en het toegenomen gebruik van AI hebben we sinds het begin van het nieuwe millennium slechts een lichte groei van de arbeidsproductiviteit gezien. De groei van de arbeidsproductiviteit in de OESO-landen daalde van gemiddeld 2 procent per jaar van 1970 tot 2000 naar 1 procent per jaar in de periode sindsdien.

    Creatievere beroepsbevolking

    Hoe kan het gebruik van AI leiden tot een verhoging van de productiviteit? In feite kunnen aanzienlijke stijgingen in arbeidsproductiviteit worden waargenomen in individuele processen en activiteiten. Een studie uit 2023 toonde bijvoorbeeld aan dat callcenteroperators 14 procent productiever werden dankzij het gebruik van AI.

    Dergelijke productiviteitsstijgingen worden niet alleen verklaard door de directe toename van het gebruik van AI. Aangenomen wordt dat het gebruik van AI werknemers ook creatiever en innovatiever maakt, wat vervolgens leidt tot verdere productiviteitsstijgingen. Dit geldt met name voor generatieve AI-toepassingen zoals chat-GPT, die nieuwe inhoud genereren zoals afbeeldingen, teksten, video’s of kunstmatige data.

    En dit is nog maar het begin. In de toekomst zal de ontwikkeling van steeds completere kunstmatige intelligentie – ‘kunstmatige algemene intelligentie’, die complexe taken oplost met gegeneraliseerde menselijke cognitieve vaardigheden – naar verwachting leiden tot nog grotere en duurzamere productiviteitsstijgingen.

    Op macro-economisch niveau zullen grote productiviteitsstijgingen een utopie blijven

    Bijna niemand zal serieus betwisten dat het gebruik van AI de productiviteit in individuele processen aanzienlijk kan verhogen. Als we echter naar de economie als geheel kijken in plaats van naar individuele processen, ontstaat een ander beeld. Op macro-economisch niveau zullen grote productiviteitsstijgingen een utopie blijven. Dat komt omdat AI niet alleen een productiviteitsbooster is, maar ook een bureaucratiebooster. Dit aspect van de AI-revolutie wordt tot nu toe echter nauwelijks onderkend. Er bestaat zelfs de illusie dat AI de bureaucratie zal verminderen omdat het in de toekomst veel administratieve taken zonder menselijke tussenkomst zal kunnen uitvoeren. Waarom voorspel ik dan een toename van de bureaucratie?

    Om dit te begrijpen, moeten we eerst verduidelijken wat we bedoelen met bureaucratie. Meer dan honderd jaar geleden definieerde Max Weber bureaucratie als de ‘overheersende aanwezigheid van administratieve handelingen in staats- of particuliere organisaties’. In de wereld van vandaag verwijst dit naar activiteiten zoals administratie, analyse, organisatie, monitoring, documentatie, controle, sturing, regulering, registratie, optimalisatie, evaluatie, certificering of naleving.

    Deze lijst is zeker niet volledig, maar geeft een idee van wat bureaucratie inhoudt. De output van dergelijke activiteiten bestaat dan uit rapporten, concepten, strategieën, missieverklaringen, evaluaties, prospectussen, contracten, algemene voorwaarden, gebruiksaanwijzingen, procesbeschrijvingen, gegevensverzameling, protocollen en prestatiemandaten, maar ook meningen van experts, audits, certificaten, labels of plannen. Ook deze lijst kan oneindig worden uitgebreid.

    Nieuwe controlerende bureaucratie

    We zien al tientallen jaren een toename van dergelijke activiteiten, wat heeft geleid tot de opkomst van een nieuwe controlerende bureaucratie. Dit is te wijten aan het feit dat de economie steeds complexer wordt, wat tot nieuwe uitdagingen leidt. Het antwoord op deze uitdagingen is een verdere uitbreiding van de bureaucratie, die ook bedoeld is om de economie steeds veiliger, gezonder, duurzamer, socialer of eerlijker te maken.

    Bedrijven worden geconfronteerd met een groeiend aantal externe eisen, voorschriften en bepalingen en reageren daarop met een toename van intern gedefinieerde administratieve eisen, voorschriften en bepalingen. Er is meer bureaucratische specialisatie met nieuwe activiteiten die allemaal weer op elkaar afgestemd moeten worden. Daarnaast worden de inspanningen om alle processen en procedures te optimaliseren voortdurend geïntensiveerd, wat ook een steeds uitgebreidere controle vereist.

    Neem bijvoorbeeld complianceafdelingen, die de afgelopen decennia bij veel bedrijven en vooral banken als paddenstoelen uit de grond zijn geschoten. Steeds uitgebreidere wetten en regels hebben bedrijven gedwongen om ervoor te zorgen dat deze wetten en regels worden nageleefd. Daarom werken er tegenwoordig in alle grotere bedrijven steeds minder mensen in de productie, maar des te meer compliance officers, nalevingsfunctionarissen of compliance managers die een oogje in het zeil houden om ervoor te zorgen dat alles correct en volgens de wet verloopt.

    Het gevolg is dat de complianceafdeling het werk van andere afdelingen bemoeilijkt en nieuwe inefficiënte situaties creëert. Zoals we lezen in Compliance Study van Forrester Consulting voor 2023: ‘De complexiteit van complianceregelgeving is een groot probleem voor financiële instellingen.’ Er zijn dus meer banen nodig, zoals complianceconsultants of compliancecoördinatoren, die de negatieve gevolgen van de toenemende compliancebureaucratie moeten verzachten, maar die zelf bijdragen aan de groei van de bureaucratie.

    Steeds meer gegevens beschikbaar

    Dus hoe komt AI in het spel? Het veroorzaakt een digitale intensivering van de controlerende bureaucratie. De gedigitaliseerde controlerende bureaucratie wordt niet langer gekenmerkt door ‘papieren in beweging’, maar door een voortdurend groeiende gegevensstroom tussen een toenemend aantal sensoren, apparaten, processen en toepassingen. Deze gegevensstromen worden grotendeels gebruikt om mensen, objecten en processen te monitoren, controleren of optimaliseren. Algoritmes worden gevoed met gegevens om de juiste beslissingen te nemen of maatregelen te treffen.

    De constante poging om bureaucratische activiteiten te optimaliseren met behulp van digitale toepassingen en AI bevordert daarom zelf een toename van bureaucratie. Dit is ook te wijten aan het feit dat de beschikbaarheid van gegevens sneller toeneemt dan de rekenkracht van de algoritmen. Ondanks de toenemende rekenkracht kunnen we dus een steeds kleiner deel van alle gegevens in de wereld op een zinvolle manier verwerken.

    Het probleem is niet een gebrek aan gegevens, maar het omgaan met te veel gegevens die met hoge snelheid bewegen

    Het probleem is niet een gebrek aan gegevens, maar het omgaan met te veel gegevens die met hoge snelheid bewegen. Dit vergroot de behoefte aan nog meer gegevensverwerking en optimalisatie. Zelfs het nieuwste niveau van digitalisering is nooit genoeg om processen te controleren en te bewaken in de mate die we zouden willen.

    Het is gewoon niet zo, zoals Jack Ma, de oprichter van Alibaba, zich in 2017 voorstelde, dat we in het digitale tijdperk beschikken over een röntgenapparaat of een computertomograaf voor de wereldeconomie die de technologische voorwaarde vormt voor feedbackgebaseerde, realtime catering. Je komt nooit echt tot de bodem van de processen die je in detail zou willen analyseren, omdat ze oplossen in steeds meer details die de behoefte aan verdere controle creëren.

    Uiteindelijk zijn er dus twee aspecten die de intensivering van bureaucratie door AI veroorzaken: ten eerste heeft de intensivering van gegevensverzameling en de evaluatie van gegevens door op AI gebaseerde algoritmen geleid tot steeds gedetailleerdere monitoring, controle en de daaruit voortvloeiende ‘optimalisatie’ van processen en activiteiten, waarbij de hoeveelheid gegevens sneller toeneemt dan de zinvolle evalueerbaarheid ervan.

    Nieuwe complexe situaties

    Ten tweede zorgt de steeds groter wordende stroom gegevens en het gebruik ervan met behulp van AI voor nieuwe complexe situaties en nieuwe uitdagingen die verdere bureaucratische maatregelen zoals richtlijnen, voorschriften, wetten, contracten, meningen van deskundigen en deskundigenrapporten noodzakelijk maken. Een van die uitdagingen is gegevensbescherming. De regelgevingspakketten die hiervoor in het leven zijn geroepen, zoals de Algemene Verordening Gegevensbescherming, zorgen echter voor bureaucratie in plaats van effectieve gegevensbescherming. En nieuwe regelgeving zoals de onlangs ingevoerde AI-wet in de EU, die moet zorgen voor eerlijk en niet-discriminerend gedrag van algoritmen, zal ons binnenkort met een verdere, blijvende toename van bureaucratie opzadelen.

    Deze toename in bureaucratie betekent dat het gebruik van AI op macro-economisch niveau waarschijnlijk niet zal leiden tot grote vooruitgang in productiviteit. AI-promotors zullen er alles aan doen om het geloof in productiviteitsstijgingen in stand te houden. Maar op de lange termijn zal dit niet mogelijk zijn en verdere prijscorrecties op de aandelenmarkt zullen het gevolg zijn.

    We moeten echter ook de positieve kant zien van deze door AI aangedreven groei van de bureaucratie. Het zorgt ervoor dat we volledige werkgelegenheid blijven houden en dat de banen die door AI zijn overgenomen, worden vervangen door nieuwe banen in de bureaucratie.

    Mathias Binswanger is hoogleraar economie aan de Universiteit voor Toegepaste Wetenschappen Noordwest-Zwitserland en auteur van Die Verselbstständigung des Kapitalismus: Wie KI Menschen und Wirtschaft steuert und für mehr Bürokratie sorgt (2024).

  • In een abonnementeneconomie stijgt de vraag naar hebbedingetjes

    In een abonnementeneconomie stijgt de vraag naar hebbedingetjes

    Of het nu muziek, mode of meubels betreft, voor wat vroeger een aanschaf voor het leven was, betaal je tegenwoordig een flexibel maandbedrag. Hoe het moderne kapitalisme het bezit afschaft en in plaats daarvan toegang tot ‘kleine luxe’ verkoopt.

    Weet u nog wat monchhichi’s zijn? Die kleine, pluizige poppetjes die in de verte aan een aapje deden denken en waarvan je de rechterduim als een fopspeen in het mondje kon steken? Ik ken ze nog uit mijn kinderjaren, een paar van mijn vriendinnetjes hadden er een. Zelf wilde ik liever een tamagotchi: een elektronisch speeltje dat je door middel van drie knoppen en een piepklein beeldschermpje moest verzorgen als een alienbaby.

    Was ik vandaag weer kind, dan zou ik precies weten wat er op mijn verlanglijstje zou staan: een labubu! Een potsierlijk wezentje dat in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar is die je allemaal kunt verzamelen, en dat zowel bij kinderen als volwassenen zo populair is dat erom gevochten wordt.

    De wens je geld uit te geven aan een onnodig maar gehypet artikel is niet nieuw. Maar veranderd is de kortstondigheid van zulke trends. Nu zijn het de labubu’s, een paar maanden geleden was het nog de Dubai-chocolade – mierzoete repen tegen buitensporige prijzen. Daarvoor waren het de Stanley-cups: drinkbekers met een ingebouwd rietje, waarvoor je nog bijpassende zakjes en ijsblokvormpjes kon kopen.

    Terwijl het leven overal duurder wordt, moet gehypete prullaria snelle bevrediging brengen

    Op sociale media wordt deze vorm van consumptie ‘little luxury’ genoemd: terwijl het leven overal duurder wordt, moet gehypete prullaria snelle bevrediging brengen. De figuurtjes die je moet verzamelen, de trendy snacks en kleine gadgets zijn weliswaar veel te duur, maar tegelijkertijd veel voordeliger dan echte aankopen waarvoor je maandenlang zou moeten sparen.

    Die bereidheid om je geld uit te geven aan kleinigheden komt niet uit de lucht vallen. Dat behoeften niet gewoon bevredigd worden, maar steeds opnieuw gecreëerd moeten worden, is zo ongeveer een basisprincipe van het kapitalisme. Hoe moeten de omzetten anders nog stijgen als we op enig moment tevreden zijn met wat we hebben?

    Daar komt bij: om ons als betalende klanten steeds kooplustig te houden, heeft de markt ons jarenlang met zachte hand getraind in het uitgeven van ‘kleine bedragen’. Heb je een auto nodig? Huur er gewoon een vanaf 79 cent per kilometer! Wil je series kijken? Voor 13,99 euro per maand gaat de wereld van het streamen voor je open! Een nieuwe sofa nodig? Voor een flexibel termijnbedrag van slechts 30 euro kun je die de volgende 24 maanden gewoon afbetalen. Dat kan comfortabel klinken: een muisklik, en daar heb je de serie, de auto of de meubels. Maar het systeem bindt ons voor langere tijd. In plaats van één keer betalen, betalen we soms maanden- of zelfs een leven lang.

    Feodalisme

    Laten we eens een paar eeuwen teruggaan, naar de tiende eeuw. In die tijd ontstond het systeem van het feodalisme, dat de maatschappelijke en economische orde van de middeleeuwen in West- en Midden-Europa bepaalde: vorsten, de adel en de kerk vormden de heersende klasse en bezaten de grond van de landerijen. In ruil voor afdrachten en trouwe ondergeschiktheid mochten hun onderdanen een stukje land bewerken. Slechts in zeldzame gevallen gingen de verpachte landerijen over in handen van de boeren. Men bewerkte land dat men niet bezat en moest een deel van de opbrengst afstaan zolang men leefde. Eigendom was onbereikbaar, afhankelijkheid was het basisprincipe.

    In de moderne tijd is het feodalisme als economisch systeem afgelost door het kapitalisme. En toch ontkom je er niet aan parallellen te trekken. Wat vroeger ‘lenen’ waren, wordt tegenwoordig ‘subscription economy’ genoemd: om toegang te krijgen blijven we eindeloos betalen.

    Een voorbeeld: Adobe. Vroeger kon je Photoshop, de software om foto’s mee te bewerken, kopen en dan was het programma levenslang jouw bezit (dacht je!) Nu betaal je maandelijks aan Creative Cloud: wie opzegt, krijgt meteen geen toegang meer.

    Labubu’s of Stanley-cups zijn weliswaar te duur, maar toch betaalbaar en dan héb je uiteindelijk toch ook echt wat

    Ander voorbeeld: streamingdiensten. Om al je favoriete series en films te kunnen bekijken is één aanbieder niet meer genoeg, je moet er meerdere hebben. De prijzen worden steeds hoger; zelfs de versies met reclame zijn intussen niet meer gratis. Wat begon als innovatie en vooruitgang in vergelijking met tv-kijken, is intussen gewoon een aanzienlijk duurdere variant daarvan geworden.

    Huur, verzekeringen, energie: deze vaste lasten maken al een steeds groter deel uit van onze uitgaven. Maar ook de zogenaamde ‘kleine maandbedragen’ voor streamingdiensten, abonnementen en dergelijke lopen beetje bij beetje op en houden ons gevangen in een web van terugkerende uitgaven: nooit zijn we vrij van schulden, nooit onafhankelijk.

    Geen wonder dat die ‘kleine luxe’ daarom voor veel mensen zo verleidelijk is. Labubu’s of Stanley-cups zijn weliswaar te duur, maar toch betaalbaar en dan héb je uiteindelijk toch ook echt wat – al is het maar een trendy prul waar een paar maanden later meer naar omkijkt. Wat uiteindelijk slechts resteert is het besef dat iedere aankoop ons vasthoudt in een systeem waarin de markt de winnaar is.

  • De Afrikaanse gezondheidszorg gaat gebukt onder torenhoge leenkosten

    De Afrikaanse gezondheidszorg gaat gebukt onder torenhoge leenkosten

    Omdat geld lenen duur is moeten Afrikaanse regeringen vaak kiezen tussen schuldaflossing en investeren in hun gezondheidszorg. De G20-top van komende november, de eerste in Afrika en de tweede met de Afrikaanse Unie als permanent lid, is een ideale gelegenheid voor het creëren van betere opties.

    Na afloop van de 78ste jaarvergadering van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) afgelopen mei heerste er een zelfgenoegzame stemming. Er waren tal van successen om prat op te gaan, van een akkoord over pandemische paraatheid tot een verhoging van de WHO-bijdragen. Wel was er een olifant in de kamer, die schuilging achter een spandoek met de tekst ‘One World for Health’, het thema van het evenement: de hoge leenkosten waarmee Afrikaanse landen kampen.

    Hoewel het Afrikaanse continent de jongste bevolking ter wereld heeft, is het goed voor 24 procent van het wereldwijde aantal ziektegevallen. De uitgaven aan gezondheidszorg bedragen echter maar 1 procent van het wereldwijde totaal. In 2001 besloten Afrikaanse landen het heft in eigen handen te nemen en voortaan minstens 15 procent van hun nationale budget aan gezondheidszorg te besteden, een doel dat meer dan twee decennia later maar door twee landen wordt gehaald. Gemiddeld besteden overheden op het continent slechts 1,48 procent van hun bbp aan gezondheidszorg en komt 37 procent van de uitgaven uit de zak van de burgers zelf.

    De kapitaalkosten kosten levens

    De belangrijkste reden hiervoor zijn de hoge leenkosten. Waar hoge-inkomenslanden kunnen lenen tegen een rente van 2 à 3 procent, betalen hun Afrikaanse tegenhangers meer dan 10 procent. Deze discrepantie, die illustreert hoe beleggers over het verhoogde risico van Afrikaanse economieën denken, heeft tot gevolg dat Afrikaanse regeringen vaak moeten kiezen tussen het afbetalen van schulden of het kopen van medicijnen, het inhuren van artsen en het bouwen van klinieken. De kapitaalkosten kosten levens. 

    Neem het noodlottige Managed Equipment Services (MES)-programma van Kenia, een publiek-privaat samenwerkingsverband gericht op het leveren van moderne apparatuur aan ziekenhuizen om de dienstverlening te verbeteren. Hierdoor kregen veel ziekenhuizen weliswaar de beschikking over hightechapparatuur, maar de investeringskosten waren zo hoog dat er geen geld overbleef voor het ontwikkelen van de benodigde infrastructuur en het aannemen van personeel om de apparatuur te bedienen.

    In Ghana, waar de overheidsschulden weinig financiële ruimte overlaten, gaat bijna 75 procent van het overheidsbudget voor gezondheidszorg op aan de lonen van zorgpersoneel. Voor andere cruciale uitgaven, zoals geneesmiddelen en kraamzorg, blijft vrijwel niets over. In 2023 zagen enkele plattelandsklinieken zich door een tekort aan antimalariamiddelen genoodzaakt patiënten voor de aanschaf daarvan naar particuliere apotheken te verwijzen. Veel gezinnen kwamen daardoor voor de gruwelijke keuze te staan tussen een nog diepere armoedeval of de vroegtijdige dood van een dierbare.

    De gezondheid van Afrikanen mag niet afhankelijk zijn van de vrijgevigheid van derden

    Veel Afrikaanse landen zijn door de hoge leenkosten aangewezen op de welwillendheid van buitenlandse donoren. Maar gezondheidszorg die afhankelijk is van hulp van derden is buitengewoon fragiel. Dat zagen we tijdens de covid-19-pandemie en zien we opnieuw gebeuren nu veel Europese landen bezuinigen op ontwikkelingshulp en de Verenigde Staten hun hulpprogramma’s zelfs volledig afbouwen, te beginnen met USAID – het Amerikaanse agentschap voor internationale ontwikkeling.

    In Malawi zijn cruciale programma’s als hiv-behandeling en -preventie door deze bezuinigingen al gedwongen om zelf geld bijeen te scharrelen. Lokale ngo’s zijn genoodzaakt hulpverleners te ontslaan en patiënten met tuberculose of hiv moeten het zonder zorg stellen. Zoals een wijkverpleegkundige in Zuid-Afrika verzuchtte: ‘Ik vrees dat de sterfte erg hoog zal zijn.’

    De gezondheid van Afrikanen mag niet afhankelijk zijn van de vrijgevigheid van derden. Overheden moeten kunnen investeren in stabiele, veerkrachtige, zelfvoorzienende zorgstelsels. Om aan het benodigde geld te komen experimenteren Senegal en Zambia inmiddels met ‘gezondheidsbelasting’ op alcohol en suikerhoudende dranken. Landen als de Seychellen ontwikkelen schuld-in-ruil-voor-zorgprogramma’s met veelbelovende resultaten. Ook de Nigeriaanse diaspora zou miljarden kunnen mobiliseren via gezondheidsobligaties, mits die worden ondersteund met gunstige voorwaarden en garanties van multilaterale banken.

    Uiteindelijk is er geen vervanging voor betaalbaar, voorspelbaar kapitaal. Daarom moet het verlagen van de leenkosten topprioriteit zijn tijdens de komende G20-top in november.

    Prioriteiten

    Om dat te bereiken, moeten structurele oorzaken worden aangepakt, zoals verouderde internationale regels en bevooroordeelde risicobeoordelingen. Daarnaast is tijdige en substantiële schuldverlichting essentieel. Dit vraagt om innovatieve oplossingen, zoals schuld-in-ruil-voor-zorgprogramma’s en de opname van pauzeclausules in leencontracten, zodat betalingen kunnen worden opgeschort als er bijvoorbeeld een pandemie uitbreekt.

    Een derde prioriteit is het veiligstellen van blijvende politieke steun voor multilaterale zorgprogramma’s zoals de Vaccinatie-alliantie Gavi en het Wereldfonds ter Bestrijding van Aids, Tuberculose en Malaria. Alleen op die manier kan een continue levering van essentiële gezondheidszorg worden gegarandeerd.

    Ten slotte moet de G20 zich inzetten om Afrikaanse landen meer toegang te geven tot concessionele financiering voor hun zorginfrastructuur via multilaterale ontwikkelingsbanken.

    De huidige kapitaalkosten dragen bij aan een ontwrichtende wereldwijde gezondheidscrisis

    De G20 is het aangewezen forum voor deze acties. Het mandaat van de groep omvat het aanpakken van mondiale uitdagingen, het stimuleren van economische samenwerking en het waarborgen van wereldwijde stabiliteit. De huidige kapitaalkosten overstijgen de draagkracht van vrijwel elk Afrikaans land en dragen bij aan een ontwrichtende wereldwijde gezondheidscrisis. De komende G20-top – de eerste op Afrikaanse bodem en de tweede met de Afrikaanse Unie als permanent lid – biedt een uitgelezen kans om daar iets aan te doen.

    Binnen Afrikaanse landen is het daarnaast van groot belang dat er mechanismen komen voor publieke verantwoording die stevig verankerd zijn in het maatschappelijk middenveld. Maar daarvoor moeten allereerst voldoende middelen beschikbaar worden gesteld. Om ‘One World for Health’ te realiseren moeten alle landen over middelen kunnen beschikken om hun gezondheidszorg te financieren.

  • Afrika maakt zich op als nieuwe backoffice van de wereld

    Afrika maakt zich op als nieuwe backoffice van de wereld

    Na jaren van dromen lijkt het er eindelijk van te komen: Afrika begint een serieuze concurrent te worden in de mondiale outsourcingmarkt. Maar de snelle groei gaat gepaard met zorgen over arbeidsomstandigheden en de dreiging van automatisering.

    Zo halverwege het eerste decennium van deze eeuw hoorde Mercy Mugure voor het eerst over outsourcing. Berichten over wat het betekend had voor India, koploper in deze nieuwe branche, sijpelden door naar Afrika, dat nog geen vruchten plukte van de globalisering. ‘We dachten: waarom wij niet?’ zegt de Keniaanse onderneemster. Samen met een vriendin zette ze in 2006 een van de eerste outsourcingbedrijven in Kenia op. Wat hen aantrok, was het banenpotentieel van een branche waarin de activiteiten kunnen variëren van het beantwoorden van telefoontjes tot het afwikkelen van verzekeringsclaims en het signaleren van illegale of gewelddadige content op sociale media. Haar bedrijf Adept Technologies staat in Kenia nog steeds tamelijk alleen. Beleidsmakers droomden ervan dat Afrika de plaats zou innemen van India en de Filipijnen als backoffice van de wereld, maar die droom is nog niet uitgekomen. Al zit er nu wel schot in. Vanwege de groeiende vraag naar mensen die algoritmen kunnen trainen en digitale data annoteren zal naar verwachting een steeds groter aandeel van dit werk de komende jaren in Afrika plaatsvinden.

    Groeiende behoefte

    Daar is grote behoefte aan zulke banen. Driekwart van de jonge Afrikanen zegt geen geschikt werk te kunnen vinden. De traditionele maakindustrie, die met enorme werkgelegenheid de groei gestimuleerd heeft van landen als Zuid-Korea en Vietnam, vergt steeds complexere machines maar steeds minder mensen om ze te bedienen. Als bron van grote aantallen goede banen wordt die sector dus minder interessant. Dat gat kan voor een deel worden gevuld met outsourcing. Daarin zijn nu net 1 miljoen Afrikanen werkzaam: ongeveer 2 procent van het wereldwijde personeelsbestand van een sector die in Afrika tussen 2023 en 2028 naar verwachting met 14 procent per jaar zal groeien. Dat is bijna tweemaal zo snel als de verwachte jaarlijkse mondiale sectorgroei van 8 procent, en vier keer zo snel als de jaarlijkse groei in heel Afrika, die door de Wereldbank voor dit jaar op 3,5 procent wordt geraamd. In Kenia, waar een paar van ’s werelds grootste outsourcingbedrijven naartoe gegaan zijn, zal de sector volgens adviesbureau Genesis Analytics naar verwachting nog sterker groeien, met wel 19 procent. ‘Afrika is het nieuwe groeigebied,’ zegt Martin Roe, de directeur van CCI Global, wiens nieuwste callcenter in Kenia vijfduizend werknemers telt.

    Vooral Engelstalig Afrika heeft voor outsourcingbedrijven altijd al een paar sterke pluspunten gehad: een jonge bevolking, met een steeds betere opleiding en een goede Engelse taalvaardigheid. Bazen beweren dat veel westerse klanten liever ‘neutralere’ Afrikaanse accenten horen dan Indiase accenten. Ook de tijdzones van het continent zijn gunstiger voor activiteiten in Amerika en Europa. In het verleden was dit allemaal nog niet genoeg om de weegschaal in het nadeel van Azië te laten doorslaan, maar dat kan nu weleens veranderen.

    Werknemers in India en de Filippijnen worden steeds rijker en daarmee duurder

    Een belangrijke factor daarbij zijn de arbeidskosten, zegt Mark Graham, coauteur van The Digital Continent. Lonen en andere kosten zijn in Kenia 60 tot 70 procent lager dan in Amerika, Europa en Australië. Ondertussen worden werknemers in India en de Filippijnen steeds rijker en daarmee duurder. Het Fairwork-project, waarmee de universiteit van Oxford de arbeidsstandaard van techbedrijven in kaart brengt, constateerde dat werknemers van een buitenlands outsourcingbedrijf in Kenia 233 dollar per maand verdienen, terwijl werknemers bij een vergelijkbaar bedrijf in de Filipijnen 284 dollar verdienen.

    Meer gerichte douceurtjes van de overheid helpen ook. Kenia komt in juli met een langverwacht nieuwe beleidsprogramma waarmee het in de komende vijf jaar een miljoen nieuwe banen in de outsourcing wil creëren. Nigeria lanceerde in 2024 zijn ‘Outsource in Nigeria’-programma. Beide landen lonken met royale belastingvoordelen en subsidies. Zuid-Afrika deelt zelfs geld uit voor nieuwe banen. ‘Je moet de sector actief stimuleren,’ zegt John Kiria, hoofd digitale economie bij de Keniaanse overheid. Er zijn ook structurele veranderingen in de wereldeconomie die in het voordeel van Afrika werken. Nu de beroepsbevolking in veel delen van de wereld krimpt, groeit de vraag naar Afrikaanse arbeidskrachten. In mei organiseerde de Duitse overheid in Berlijn een beurs om Duitse en andere Europese bedrijven in contact te brengen met Afrikaanse outsourcingkantoren.

    Geen wondermiddel

    Outsourcing is geen wondermiddel. Critici maken zich zorgen over de kwaliteit van de nieuwe banen, vooral bij de contentmoderatie voor sociale media en de annotatie van data voor AI. Werknemers klagen dat ze zonder adequate psychologische ondersteuning veel schokkende teksten of beelden moeten bekijken, of dat ze te lang achter elkaar zonder pauze eentonige taken moeten uitvoeren. De techreus Meta en het Californische outsourcingbedrijf Sama, dat kortstondig door Meta werd ingehuurd, zijn in Kenia door voormalige moderatoren voor de rechter gedaagd vanwege hun arbeidsomstandigheden. (Sama zegt niets verkeerds gedaan te hebben en deze dienst ook niet meer aan te bieden. Meta stelt dat het niet onder de bevoegdheid van de Keniaanse rechter valt en de moderatoren niet in dienst waren van Meta zelf.)

     Een aanverwant probleem is de hypermobiliteit. In geval van slechte publiciteit of onbetrouwbare regeringen kunnen de uiteindelijke afnemers van het uitbestede werk hun heil elders zoeken. Uit recent onderzoek van het Londense Bureau of Investigative Journalism bleek dat Meta na de Keniaanse rechtszaken zijn contentmoderatie stilletjes naar Ghana had verplaatst. (Meta zegt de nieuwe locatie geheimgehouden te hebben om klanten en moderatoren te beschermen, en beweert serieus werk te maken van de ondersteuning van moderatoren.) ‘De klant kan zoiets van het ene op het andere moment beslissen,’ zegt Kiria. ‘Dan zitten ze vanaf morgenochtend 8 uur ineens in India.’

    De grootste uitdaging is AI. Veel elementaire taken zijn al geautomatiseerd

    De grootste uitdaging is AI. Veel elementaire taken zijn al geautomatiseerd. Tien jaar geleden richtte de Britse ondernemer Graham Parrott een van de eerste outsourcingbedrijven in Ethiopië op, dat tijdens de pandemie is opgedoekt. Nu is hij bang dat het land ‘de boot al gemist heeft’. Volgens de consultant Bobby Varanasi wordt de sector ‘aan de onderkant volledig uitgehold’. In een rapport van Genesis Analytics voor de Mastercard Foundation wordt geschat dat meer dan veertig procent van de taken in outsourcing in Afrika geautomatiseerd dreigen te worden.

    Maar taken zijn wat anders dan banen. Toen Sama in 2008 werd opgericht, zegt directeur Wendy Gonzalez, kwam het annoteren van data neer op het beantwoorden van vragen als: ‘staat er een kat op deze foto?’ Tegenwoordig gaat het om verfijndere kwesties, zoals controleren of de schrijfsuggesties van AI-modellen grammaticaal in de haak zijn. Volgens Martin Roe van CCI Global zal er vraag blijven bestaan naar ‘complexe en op gevoel’ uitgevoerde diensten die alleen een mens kan leveren. Zulk werk zou ook beter betaald kunnen worden. Zo bezien kan het verwerven van een groter aandeel in de mondiale outsourcingmarkt uitzicht bieden op de hoogst gewaardeerde banen. Mugure van Adept Technologies levert geen contentmoderatie. Ze wil meer gaan doen met ‘kenniswerk’, waarvoor ze meer Kenianen nodig heeft die zijn afgestudeerd in AI en informatica. Investeren in onderwijs is voor landen dus misschien wel de beste manier om te voorkomen dat ze achterop raken.

  • Geld, goud of grond. Welke investering is het meest crisisbestendig?

    Geld, goud of grond. Welke investering is het meest crisisbestendig?

    Wanneer oorlog en crisis dreigen, spelen bezorgde spaarders op zekerheid en gaan ze goud kopen. Maar de geschiedenis laat zien dat er andere, betere investeringen voorhanden zijn.

    Als Lena Klimek ’s avonds met haar man op de bank zit en ze in het nieuws weer eens horen over pantservoertuigen, drones en doden, stellen beiden zich het worstcasescenario voor. Waarheen kunnen ze vluchten als de oorlog in Oost-Europa zich zou uitbreiden naar Duitsland? Naar Nieuw-Zeeland? Naar de Caraïbische eilanden? Of toch naar familie in Spanje? Wat is ver genoeg en hoe zouden ze er kunnen komen? En vooral: hoeveel geld hebben ze daarvoor nodig? In welke vorm? Hoe beschermen ze hun vermogen?

    De zesenvijftigjarige schooldirecteur wil goed voorbereid zijn. De eerste stap: 7000 euro contant van de bank halen. Dat zou voldoende moeten zijn, meent ze, om de vlucht te betalen. Het is een gevoelig onderwerp voor haar, vertelt Klimek, die daarom liever niet met haar echte naam in de krant wil. We moeten haar niet verkeerd begrijpen, zegt ze; ze gelooft niet dat de wereld binnenkort vergaat. Ze is geen prepper. Maar een beetje voorbereiding lijkt haar gezien de toestand in de wereld wel op zijn plaats. ‘Sinds Trump weer aan de macht is, maak ik me voor het eerst van mijn leven zorgen over mijn veiligheid en die van mijn gezin,’ zegt Klimek. En over haar bezittingen.

    Aanleiding tot zorg gaven de nieuwsberichten de laatste tijd in overvloed: in Oekraïne sterven week in week uit mensen door Russische troepen en drones. Donald Trump wekt twijfel aan de VS als bondgenoot. In Duitsland wordt weer gediscussieerd over de dienstplicht. En de EU-commissie riep alle burgers op om een noodpakket voor minstens 72 uur in huis te halen. 

    Speelbal

    Twee derde van de mensen in Duitsland voelt zich een speelbal van grotere machten, met Trump aan de ene en Poetin aan de andere kant. Driekwart maakt zich zorgen om de veiligheid in Europa, zo meldde ARD-Deutschlandtrend onlangs. 

    Velen zijn ook bezorgd over de vraag hoe ze hun geld moeten investeren. Actuele cijfers van de Vereniging van Banken laten zien dat steeds meer Duitsers hun geld bewust steken in zaken die geacht worden crisisbestendig te zijn: vastgoed, contanten en goud.

    Maar stel je zo inderdaad je vermogen veilig voor onzekere tijden?

    Laten we de crisischeck beginnen met het meest voor de hand liggende: contant geld. Een kleine voorraad, die ook Klimek aanlegt, is vooral belangrijk voor de korte termijn. Met haar 7000 euro wil de schooldirecteur de eerste dagen doorkomen in geval van oorlog of een natuurramp, zodat ze het noodzakelijkste kan betalen: voedsel, water en misschien tickets.

    Ook het rijksbureau voor bescherming van de bevolking en hulp bij rampen zegt: contant geld hoort in het noodpakket. Overigens zijn de autoriteiten desgevraagd terughoudend met een aanbeveling over de hoogte van het bedrag. De Zweedse overheid is daarin concreter en raadt de bevolking, die niet dol is op contanten, aan om munten en biljetten ‘voor minstens een week’ in huis te hebben, ‘bij voorkeur in verschillende coupures’.

    In crisistijd aan contant geld komen is niet altijd eenvoudig. Toen in 2022 de oorlog uitbrak ontstonden er eerst in Oekraïne en later ook in Rusland zogeheten ‘bank-runs’, waarbij mensen probeerden hun bankrekeningen leeg te halen. Om het systeem tegen instorting te beschermen stellen banken op zulke momenten vaak limieten in: bij de staatsschuldencrisis in Griekenland, in 2015, konden de klanten bijvoorbeeld maar 60 euro per dag opnemen.

    Bij de staatsschuldencrisis in Griekenland, in 2015, konden de klanten maar 60 euro per dag opnemen

    Als de Deutsche Bundesbank gevraagd wordt of de verstrekking van contant geld in Duitsland ook in een crisis is gewaarborgd, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een grote stroomstoring, dan luidt het antwoord dat in alle bankfilialen ongeveer vijf maal zo veel contant geld aanwezig is als de mensen dagelijks opnemen. Bovendien beschikken ze over noodstroomaggregaten met brandstof voor drie dagen.

    Op middellange tot lange termijn lijkt het minder zinvol om grote hoeveelheden contant geld te bewaren: het verliest in de regel aan waarde door inflatie, en in onzekere tijden vaak aanzienlijk sneller dan anders. Daarom kopen mensen die hun vermogen zeker willen stellen contant geld in andere valuta, die ‘stabieler geacht’ worden, zegt Michael Eubel. Hij is expert in deviezen en edelmetalen bij de Bayern LB, en hij rekent daartoe op dit moment vooral de Zwitserse franken, Australische dollars, Noorse kronen en Amerikaanse dollars. Zoals navraag van Zeit Online bij andere banken laat zien, werden in Duitsland de laatste tijd niet merkbaar meer buitenlandse valuta aangevraagd dan anders.

    Bij een ander soort investering stijgt de vraag op het ogenblik echter onophoudelijk: goud. Dat is te zien aan de prijs per ounce. In januari van het jaar 2022, nog voor de Russische overval op Oekraïne, lag die op ongeveer 1600 euro. Nu bedraagt deze meer dan 2900 euro. Dat verbaast Ralph B. niet. Hij bewaart thuis op het platteland bij Zürich ongeveer 20 goudtabletjes van 1 tot 2 gram, die bij de huidige koers samen een waarde hebben van ruim 3000 euro. Uit angst voor inbrekers wil hij niet met zijn volledige naam genoemd worden. B. werkt als IT-expert bij een fintech-onderneming. In geval van nood wil de zesenvijftigjarige zijn goud als betaalmiddel gebruiken en eten kopen bij de boeren in de buurt en in de supermarkt. Zijn gedachte: ‘Als de crash eenmaal een feit is, heb je niks meer aan contant geld. Lees de dagboeken van onze grootouders maar.’ 

    Crisisvaluta

    Zijn grootmoeder heeft in de Tweede Wereldoorlog zelfs gouden oorringen geruild voor levensmiddelen. ‘Als er in de winkel niets meer te koop is, weten de boeren bij mij in de buurt snel hoeveel gram goud ze voor een varken kunnen vragen,’ aldus Ralph B. Vandaar de verdeling in stukjes van 1 of 2 gram. Van een grote baar goud is het immers moeilijker iets af te snijden. Alleen is die opdeling in kleine stukjes duurder. 

    B.’s verhaal klinkt overtuigend, maar volgens historicus Laura Rischbieter is er geen algemene aanbeveling uit af te leiden. Er zijn te weinig empirische bewijzen om te kunnen beoordelen of goud in het verleden over het algemeen als betaalmiddel kon worden ingezet. ‘Ik zou het daarom geen crisisvaluta willen noemen, maar eerder een instrument om waarde te behouden,’ zegt Rischbieter, die aan de Universiteit van Basel de geschiedenis van het kapitalisme doceert en onderzoekt.

    Waarde behouden, dat konden spaarders in het verleden meestal heel goed met goud. Tijdens de financiële crisis, de coronapandemie of de Oekraïne-invasie gold: als mensen zich zorgen maken, dan kun je erop rekenen dat de goudprijs recordhoogtes bereikt. Historicus Eva Maria Gajek onderzoekt aan het Max Planck Institut für Gesellschaftsforschung [maatschappelijk onderzoek] de vermogensgeschiedenis. ‘In de Tweede Wereldoorlog vormde goud voor Joodse emigranten die tijdig konden reageren een mogelijkheid om een deel van hun vermogen in veiligheid te brengen,’ beaamt Gajek.

    En dus heeft Ralph B. behalve zijn kleine goudtabletjes nog 3 ounce goud, net geen 100 gram, in een bankkluis gedeponeerd. De actuele waarde: bijna 10.000 euro. 

    Met grotere hoeveelheden goud rondlopen is simpelweg te riskant. Het kan kwijtraken of gestolen worden

    Goud is echter niet altijd even praktisch. B. moet in geval van nood snel naar zijn bankfiliaal, dat dan ook nog open moet zijn. Bovendien kost de kluis elke maand geld. Afhankelijk van de bank en de grootte van de kluis is dat maandelijks een bedrag van tussen de 10 en 35 euro, zegt Andreas Görler van de Berlijnse vermogensbeheerder Pruschke & Kalm. Je kan ook thuis een kluis maken, in de muur. Maar dat kost ook geld en dat kan om bouwtechnische reden niet in elke woning, aldus Görler. En met grotere hoeveelheden goud rondlopen is simpelweg te riskant. Het kan kwijtraken of gestolen worden.

    Het kan dan ook eenvoudiger zijn om het vermogen om te ruilen in de cryptomunt bitcoin – en in een zogeheten hardware-wallet op een USB-stick het land uit te brengen. Zo lukte het een Oekraïense vluchteling om ongeveer 40 procent van zijn vermogen in een bitcoinwallet naar Polen te brengen, zoals de Amerikaanse zender CNBC berichtte. Bitcoins hebben een paar voordelen. Je kunt ze niet alleen makkelijker over een grens brengen op een USB-stick, maar ook beter dan goudbaren verstoppen. Bovendien zijn crypto’s niet afhankelijk van banken, ze kunnen dus niet door de staat worden ‘bevroren’ en zijn nog beschikbaar wanneer hackers het Europese betaalsysteem lamleggen. 

    Maar betalen kun je met bitcoin of andere cryptovaluta slechts in enkele zaken en restaurants. ‘Daarom zijn ze niet echt geschikt als valuta voor noodgevallen,’ zegt vermogensbeheerder Görler. Uiteindelijk zou je toch weer toegang tot een bank nodig hebben. Ook wat betreft het veiligstellen van het eigen vermogen op lange termijn is Görler sceptisch; de koers van cryptovaluta is nogal veranderlijk. 

    Aandelen in crisistijd 

    En hoe zit het met aandelen in crisistijd? Steeds meer Duitsers nemen intussen met hun vermogen delen in bedrijven, meestal in de vorm van ETF’s (exchange-trades funds). Alleen: wie dringend brood nodig heeft, zal dat niet kunnen krijgen in ruil voor waardepapier. Bovendien kunnen de koersen door politieke onzekerheid snel instorten. De depots zijn tegenwoordig vaak alleen digitaal toegankelijk, wat het handelen kan bemoeilijken.

    Maar op enig moment, dat is althans de hoop, is elke crisis voorbij. Contant geld is dan minder waard, hetzij door inflatie hetzij door een geldhervorming. Goud heb je intussen misschien opgebruikt. En aandelen? Wie gespreid belegt in aandelen uit uiteenlopende landen en sectoren, zal op de lange termijn zien dat zijn portefeuille zich steeds herstelt, meent Rischbieter.

    Vermogensbeheerder Andreas Görler beveelt zijn klanten, ook degenen die door angst voor oorlog geplaagd worden, dan ook nog steeds waardepapieren aan. In de negenendertig jaar dat hij werkzaam is in de branche heeft hij met zijn klanten al vele crises doorstaan. ‘Het kan altijd gebeuren dat mensen in paniek hun beleggingen stopzetten, hun aandelen met verlies verkopen en alles in geld vastleggen,’ zegt hij. Maar gelukkig komt dat maar zelden voor. Meestal lukt het om de beleggers te kalmeren, vertelt Görler. Alleen wordt dat er niet makkelijker op nu we steeds sneller en vaker een stortvloed van slecht nieuws over zich heen krijgen.        

    In historisch opzicht is er één investering die zich in het bijzonder als crisisbestendig heeft bewezen: grondbezit

    In historisch opzicht is er één investering die zich in het bijzonder als crisisbestendig heeft bewezen: grondbezit, en in mindere mate ook bezit van het vastgoed dat op die grond staat. Gajek heeft er onderzoek naar gedaan. ‘Voor de Eerste Wereldoorlog was industrieel Bertha Krupp de rijkste persoon op de miljonairslijst van het Duitse keizerrijk,’ zegt ze. ‘Daarna heeft de adellijke familie van de Hohenzollerns de titel overgenomen.’

    De reden: de Hohenzollerns bezaten veel landerijen en hadden hun vermogen ondergebracht in familiestichtingen. Anders dan veel andere rijken die indertijd hun ‘vermogen destijds investeerden in industrie en handel’, zegt Gajek. Door de wereldoorlog verloren beleggingen in aandelen en leningen de helft van hun waarde, en ook de vastgoedprijzen kelderden drastisch. De waarde van het grondbezit bleef daarentegen grotendeels stabiel. Rischbieter plaatst één belangrijke kanttekening bij vastgoed als de veiligste investering in crisistijden: ‘Vastgoed is zo duur geworden dat lang niet iedereen zich nog een aankoop kan veroorloven.’ 

    Lena Klimek, de schooldirecteur uit Hamburg, ziet veel in de strategie van de Hohenzollerns. Nu overweegt ze om het ouderlijk huis op het platteland, dat ze eigenlijk wilde verkopen, toch te houden. Haar vader is ziek en ze wilde haar ouders eigenlijk dichterbij halen, ‘maar het huis staat op een perceel van 1000 vierkante meter. Misschien kunnen wij daar ook gaan wonen, en in geval van crisis ons eigen eten verbouwen.’ In dit huis ziet ze momenteel de grootste vorm van zekerheid: ‘Dat kan tenminste niemand stelen of wegslepen.’ 

  • Passief inkomen is zo passief nog niet: de waarheid over de constante cashflow

    Passief inkomen is zo passief nog niet: de waarheid over de constante cashflow

    Het klinkt zo mooi: passief inkomen. Nietsdoen en toch inkomen genereren. Maar als je 2000 euro per maand wilt bijverdienen, heb je kapitaal nodig – of moet je heel creatief zijn.

    Een onuitputtelijke geldbron, een boom in je achtertuin waar geld aan groeit, een magische, ongelimiteerde creditcard. Hoe verleidelijk zulke bronnen van rijkdom ook lijken, het zijn duidelijk verzinsels. Want afgezien van het winnen van de loterij: geld zonder ervoor te werken is een sprookje. Toch?

    Sommige mensen zullen het daar wel volstrekt mee oneens zijn, tenminste als ze geloven in het moderne equivalent van de geldboom: een passief inkomen. Iedere maand geld binnenkrijgen zonder daar iets voor te hoeven te doen, klinkt als een sprookje. Daarom zijn er online ook mensen die beweren dat ze dat allang voor elkaar hebben en die deze zogenaamd waardevolle tips met je proberen te delen, waar zij dan weer geld mee verdienen. 

    Voordat we het over de methodes hebben, eerst een definitie: onder passief inkomen verstaan we een constante of regelmatige geldstroom waarvoor je niet hoeft te werken, zoals een uitkering of pensioen. Anders dan bij financiële onafhankelijkheid gaat het er bij een passief inkomen niet om het dekken van alle kosten van levensonderhoud. De extra inkomstenstroom kan ook gewoon het maandbudget aanvullen of een kortere werkweek en meer vrije tijd mogelijk maken. 

    Het begrip passief inkomen wordt veel gebruikt door zelfbenoemde businesscoaches en beleggingsprofessionals. Ze gebruiken deze slogan al jaren om ondoorzichtige bedrijfsstrategieën en dubieuze producten aan de man te brengen. Om een exclusieve en serieuze indruk te maken, nodigen ze zogenaamd geselecteerde klanten uit voor chatgroepen waarin ze advies geven. Het verleidelijke Join the group is op internet een meme geworden. Maar zijn alle mogelijkheden voor een passief inkomen dan flauwekul? Laten we een paar van de aangeprezen methodes eens onder de loep nemen. 

    De drempels voor passief inkomen

    Wil je meer met je geld doen, maar weet je niet hoe je dat moet aanpakken? Of vraag je je af welk ETF (exchange traded fund, een beleggingsfonds dat op de beurs wordt verhandeld) je moet kopen en hoeveel je eigenlijk elke maand in je pensioen zou moeten stoppen? 

    Een van de populairste strategieën voor een passief inkomen zijn huuropbrengsten. Daarbij zijn er verschillende opties die allemaal één gemeenschappelijk probleem hebben: je moet eerst onroerend goed bezitten. Dat kan behoorlijk in de papieren lopen, vooral in populaire grootstedelijke regio’s. Een simpel sommetje: wie met vastgoed € 2.000 per maand wil verdienen, dus € 24.000 per jaar, moet bij een jaarlijks netto-huurrendement van 2,4 procent bijvoorbeeld al een miljoen euro investeren. 

    Om met een geringere investering een hoger rendement te behalen, deed een paar jaar geleden het idee van ‘Airbnb-arbitrage’ opgeld. Een trend die vooral digitale nomaden, mensen die zonder vaste locatie werken en veel kunnen reizen, als geniale truc voor passief inkomen probeerden te verkopen. Daar waren ‘alleen maar’ een aantal appartementen of huizen in verschillende landen voor nodig, liefst in populaire vakantieoorden met betaalbare koop- of huurprijzen. De leegstaande appartementen konden tijdelijk worden verhuurd als men er zelf geen gebruik van maakte, wat weer tot de beloofde ‘constante cashflow’ zou leiden. 

    zelfs als je de appartementen enkel verhuurt, wordt dat zonder startkapitaal lastig

    Afgezien van de talrijke juridische restricties waarmee je in het buitenland bij de aankoop van onroerend goed en permanente onderverhuur rekening moet houden, is het verhuren van woningen natuurlijk een allesbehalve stressloze onderneming. Denk bijvoorbeeld aan schoonmaak, sleutels overhandigen, communicatie, reparaties en boekhouding. Inkomen zonder te hoeven werken ziet er heel anders uit. En zelfs als je de appartementen enkel verhuurt, wordt dat zonder startkapitaal lastig.

    Het probleem van startkapitaal geldt ook voor passieve inkomensstrategieën op de aandelenmarkt. Om met ETF’s of aandelen een geldstroom van € 2.000 per maand te genereren, is een klein vermogen nodig. Als je ETF jaarlijks 4 procent dividend uitkeert, heb je een vermogen van € 600.000 nodig om dat bedrag te realiseren. Bij een rendement van 2 procent is het zelfs € 1,2 miljoen. Bovendien is dividend nooit gegarandeerd en kunnen aandelenprijzen en dividenden sterk fluctueren.

    Zogenaamde P2P-leningen lijken aantrekkelijk door hun bijzonder hoge rendement. Ze zijn een populaire bron van passief inkomen, maar brengen ook aanzienlijke risico’s met zich mee. Het systeem werkt zo: via speciale platforms wordt het ingelegde geld als krediet aan particulieren verstrekt. De rente die zij betalen vloeit weer naar jou terug. Maar garanties zijn er niet. Het kan gebeuren dat kredietnemers hun schulden niet kunnen aflossen. En als het platform failliet gaat, is het voor beleggers vaak moeilijk om hun geld terug te krijgen.

    Als [een startkapitaal] geen optie is, moet je creatief zijn

    Alle hier genoemde mogelijkheden voor het genereren van passief inkomen vereisen een forse kapitaalinvestering in het begin. Als dat geen optie is, moet je creatief zijn – in de ware zin van het woord. Een andere mogelijkheid zijn namelijk creatieve bijverdiensten, in goed Dunglish: side hustles. Met een blog kun je voor stukken die meer dan 1.500 views per jaar krijgen – in Duitsland – geld krijgen van de Verwertungsgesellschaft Wort. En dat niet alleen in het jaar van publicatie, maar ook langer, mits de artikelen genoeg lezers blijven trekken. Ook een YouTube-kanaal kan aantrekkelijk zijn omdat je op langere termijn van de advertentie-inkomsten van eenmaal gemaakte video’s kunt profiteren. De algoritmes van de meeste platforms zijn echter wel ontworpen om steeds nieuwe content onder de aandacht te brengen; alleen als je continu produceert, heb je een kans er op lange termijn geld mee te verdienen.

    Het concept iets te creëren en daar jarenlang een deel van je inkomsten mee te genereren, werkt in theorie beter als je bijvoorbeeld een app programmeert en verkoopt of een boek schrijft. Maar in de praktijk is het probleem van creatieve side hustles dat naast de initiële inspanning ook de content relevant en populair genoeg moet zijn om er geld mee te verdienen. 

    De fout in de toverformule 

    Online of van vrienden heb je misschien gehoord van andere mogelijkheden om passief inkomen te verwerven. Ook die functioneren niet zonder voorafgaande inspanning. Want het is net als met de geldboom: iemand moet hem wel eerst planten. Zonder tijd, werk of kapitaal te investeren, kan er ook geen geldstroom ontstaan. De enige uitzonderingen zijn erfenissen, een prijs in de loterij of heel gulle vrienden. 

    Het probleem met passief inkomen is niet per se de methode. Sommige werken wel, maar niet zoals de meeste mensen zich dat voorstellen. De term ‘passief’ is misleidend. Een betere term zou ‘inkomen op termijn’ zijn: na een periode van hard werken of een aanzienlijke kapitaalinvestering volgt een fase waarin je minder hoeft te doen en toch geld blijft verdienen. 

    Dat is vermoedelijk ook wat de meeste coaches hopen die je online benaderen. Het feit dat ze zo actief proberen iets te verkopen, laat al zien dat ook zij de weg naar echt passief inkomen nog niet hebben gevonden.

  • Deze vier vrienden delen hun inkomen

    Deze vier vrienden delen hun inkomen

    Een groep vrienden heeft een gemeenschappelijke rekening, omdat ze rechtvaardiger met geld willen omgaan. Meebetalen aan reizen en vanaf 100 euro elke uitgave bespreken: kan dat echt goed gaan?

    Twee bevriende stellen van begin dertig ontmoeten elkaar in een woning aan een binnenplaats in de Berlijnse wijk Neuköln – tot zover niks bijzonders. Zoals elke zes weken hebben Laura en Madru met Jana en Luka afgesproken in hun woongemeenschap. Omdat ze in hun respectieve beroepen veel met mensen te maken hebben, met patiënten en cliënten, willen de vier hun echte namen liever niet gepubliceerd zien. ‘We hebben besloten de reis naar de Galapagos te maken,’ zegt Jana. In plaats van ze ermee te feliciteren of door te vragen, knikken Laura en Madru alleen maar. Ze weten beiden namelijk al veel over de geplande reis door Latijns-Amerika, die in totaal drie maanden zal duren. Ook wat het zal kosten. Want ze betalen eraan mee, zonder dat ze meegaan.

    De groep deelt alle inkomsten en uitgaven. Aan het begin van iedere maand maken ze hun inkomen over op een gemeenschappelijke rekening, en nemen daarvan op naar behoefte. Wie hoeveel verdient speelt daarbij geen rol. Dit concept hebben de vrienden niet zelf bedacht, het heet gemeinsame Ökonomie [‘gemeenschappelijk huishouden’], afgekort GemÖk, en is afkomstig uit linkse kringen. Het bijzondere is: de groepen kunnen bestaan uit slechts twee of wel meer dan tien deelnemers, die vaak niet eens samenwonen. Anders dan in klassieke communes delen ze dus niet hun dagelijks leven, maar alleen hun geld.

    Een radicaal model dat zekerheid belooft

    Hoeveel jonge mensen net als de groep uit Neuköln in dit model zekerheid zoeken, is niet bekend. Er bestaat geen GemÖknetwerk met vaste structuren. Maar in de afgelopen jaren zijn er waarschijnlijk meer dan tien van dit soort groepen gevormd in heel Duitsland. Dat schat een lid van de eerste GemÖk, die eind jaren negentig ontstond uit een woongemeenschap van studenten in Göttingen, onder de naam ‘Finanzcoop’. De zeven leden delen tot op heden hun inkomen. In 2019 publiceerden ze een boek over hun concept. Sindsdien meldden zich steeds meer geïnteresseerden bij hen, vooral jonge mensen die het delen willen uitproberen.

    Het is een radicaal model, dat in theorie financiële zekerheid belooft door de steun van de gemeenschap en een andere, solidaire omgang met geld. Het is een zekerheid waar velen naar verlangen in een tijd waarin de ene crisis op de andere volgt. En waarin een fatsoenlijke rente even onwaarschijnlijk lijkt als de mogelijkheid om ooit een woning te kopen. Der Spiegel sprak met twee GemÖks om uit te vinden of deze nieuwe omgang met geld op den duur werkelijk de verlangde zekerheid brengt – of alleen maar nieuwe problemen.

    ‘We waren ook gewoon nieuwsgierig hoe het voelt om te delen, en of het zou werken’

    Een podcastserie met de Finanzcoop-groep bracht Jana en Luka twee jaar geleden op het idee hun inkomen te delen met Laura en Madru. ‘We waren ook gewoon nieuwsgierig hoe het voelt om te delen, en of het zou werken,’ zegt Laura. Niet veel later spraken de vier af op het Tempelhofer Feld. Elk had een blaadje met de eigen inkomsten en uitgaven bij zich, herinneren ze zich. Toen hebben ze ‘gewoon alles bij elkaar gegooid’. Kort daarna openden ze een gezamenlijke rekening. Na een testperiode van zes maanden besloten ze uiteindelijk om door te gaan met het concept.

    Het was van het begin af aan te voorzien dat de leden op de lange termijn heel verschillende inkomens zouden krijgen. Laura en Jana zijn sociaal werkers, Madru is ergotherapeut, Luka werkt als arts en volgt een opleiding tot psychiater. Doordat hij nog zijn studiekosten afbetaalt, zouden alle vier ongeveer evenveel bijdragen, vertelt de groep. Maar het is nu al duidelijk dat Luka op den duur met afstand het hoogste inkomen zal inleggen. Je zou kunnen zeggen: zulke verschillen moet een GemÖk niet alleen aankunnen, ze vormen zelfs de kern van de zaak. De vraag is hoe je daar op de juiste manier mee omgaat. 

    f gemok gruppe 20 2 32841712825343745
    © Kseniia Apresian

    Ook al benadrukt de groep dat ze hun geld ‘gewoon bij elkaar gegooid’ hebben en het hebben uitgeprobeerd, er zijn toch een paar regels. Zo is er bijvoorbeeld de 100 euro-regel: boodschappen en aankopen van meer dan 100 euro moeten met de groep worden afgestemd. Wie de nieuwe koffiemachine of het extra paar schoenen onnodig acht, kan een veto uitspreken. Maar dat is nog nooit nodig geweest. 

    Voor uitgaven voor de gezondheid, zoals een tandartsrekening, is geen toestemming van de groep nodig, maar voor vakantieplannen zoals de reis naar Latijns-Amerika wel. In de afgelopen twee jaar hebben de vier geld gespaard, samen ongeveer 15.000 euro. Daarmee zouden ze intussen het maandenlang wegvallen van twee inkomens kunnen opvangen, bijvoorbeeld tijdens de reis door Latijns-Amerika. Maar ze moeten samen besluiten of ze dat ook willen.

    Knelmomenten

    Dat gebeurt in de zogeheten ‘poenronde’, waarvoor de leden om de zes weken bijeenkomen. Daarbij gaat het niet alleen om geld. De groep begint in de regel eerst altijd met de ‘emo-ronde’, een soort inventarisatie van hoe het met iedereen gaat. Ze moeten allemaal vertellen hoe ze zich voelen, waar ze mee te kampen hebben, waar ze blij mee zijn.

    Dan pas gaat het over het geld. Nadat de groep in Berlijn-Neuköln vandaag heeft ingestemd met de reis van Jana en Luka – kosten: ongeveer 2500 euro per maand – neemt Madru het woord. Hij wil minder gaan werken als ergotherapeut. ‘Dat zou 300 euro minder zijn per maand’, zegt hij. ‘Zo veel?’ vraagt Jana.

    Op dit soort momenten, waar het in dit model van ‘al het geld bij elkaar gooien’ op aankomt, schuurt het. Wie niet alleen voor zichzelf, maar voor een hele groep financiële beslissingen neemt, moet voortdurend afwegen: wat kan ik mezelf gunnen, wanneer moet ik me matigen voor de anderen? De antwoorden daarop zijn zelden eenvoudig. Om ze te vinden moet een GemÖk in het dagelijks leven voortdurend overleggen over de vraag wat in het leven werkelijk nodig is, en samen beslissen wat nu eigenlijk rechtvaardig is. Dat zijn dus de grote vragen.

    Maar de vier vrienden uit Berlijn lijken er niet veel moeite mee te hebben, te oordelen naar wat ze vertellen. En zo gaat het ook deze middag, waarop veel cijfers en wensen door de kamer vliegen en toch alle besluiten unaniem worden genomen. Ze noemen zich voor de grap ‘GlamÖk’, vertelt Madru. ‘Niet omdat we zo glamoureus leven, maar omdat we allemaal meer verdienen dan we uitgeven.’ Met maar vier leden die dicht bij elkaar wonen is het bovendien makkelijker het overzicht te houden over alle uitgaven en elkaar regelmatig te treffen en van gedachten te wisselen.

    Een systeem op afstand

    De uit zeven leden bestaande GemÖk van Robin (25) heeft het moeilijker. Net als Laura en Jana is ze sociaal werker en ze woont in de Berlijnse wijk Wedding. Ook Robin wil liever niet haar echte naam noemen, omdat ze als klimaatactivist deelneemt aan bezettingsacties. De zes andere deelnemers aan haar GemÖk wonen verspreid over heel Duitsland: van Berlijn tot in het Ruhrgebied en van Hessen tot in Nedersaksen. Ze kennen elkaar allemaal van de Dännenroder Forst, een stuk bos dat in oktober 2019 door klimaatactivisten werd bezet, om de gedeeltelijke kap ervan voor de verbreding van een autosnelweg te verhinderen. Tijdens de bezetting was het idee opgekomen om een GemÖk te beginnen. Een paar activisten daar hadden dat al eens eerder gedaan, zegt Robin. ‘Ons idee was om de verschillen tussen mensen qua financiële mogelijkheden op te heffen, omdat die onrechtvaardig zijn.’

    Omdat de zeven leden in vier verschillende deelstaten wonen, hadden ze een systeem nodig voor hun gedeelde geld dat ook op afstand zou functioneren. Ze besloten al snel dat elk zijn eigen rekening zou houden en dat ze als groep een digitaal systeem zouden gebruiken. In haar woning in Wedding laat Robin op haar laptop de door de groep zelf opgezette website zien. Het is een soort boekhoudsysteem dat verschillende geldpotjes beheert. Alle leden voeren hun inkomsten en uitgaven in, het totaalbedrag wordt dan volgens een vaste verdeelsleutel automatisch verdeeld over de verschillende potjes. Bijna 90 procent gaat elke maand naar de ‘courante uitgaven’, dus de kosten van levensonderhoud; voor reizen wordt daarentegen op het moment 2,5 procent opzijgezet.

    Vertrouwen en zekerheid

    Waarvoor de leden hun geld uitgeven, loopt sterk uiteen. De groep heeft het bijvoorbeeld voor Robin mogelijk gemaakt haar studie af te maken zonder dat ze een bijbaan hoeft te nemen. Een ander lid kon onlangs beginnen met een niet door de verzekering vergoede therapie, en weer een ander heeft voor 1000 euro een laptop aangeschaft.

    Naast het geld is echter vooral één ding belangrijk: vertrouwen. Alleen dat voorkomt dat iemand inkomen achterhoudt of er eenvoudigweg vandoor gaat met een groot bedrag. Een onderling contract is er immers niet, zegt Robin. Tegelijkertijd heeft de GemÖk haar band met de andere leden nog verder versterkt. ‘Wij zijn geen familie, niet alleen maar vrienden, en hebben ook geen liefdesrelatie, maar we vormen een hechte groep,’ zegt Robin. Zij en de andere leden zijn voor elkaar niet alleen financiële, maar ook emotionele raadgevers en ze hebben al voor veel besluiten de verantwoordelijkheid met elkaar gedeeld.

    Deze band is ook bestand tegen de spanningen die het delen van geld met zich meebrengt. De groepsleden zullen hun koopgedrag onderling regelmatig kritisch bevragen en bespreken. Maar ze voelen zich daardoor niet beperkt, zegt Robin. De discussies in de groep hebben haar laten zien dat er ook voor een vliegticket in een enkel geval goede redenen kunnen zijn.

    ‘Wij zijn geen familie, niet alleen maar vrienden, en hebben ook geen liefdesrelatie, maar we vormen een hechte groep’

    Dat Robin zelf spaarzaam leeft, merk je al gauw als je haar woongemeenschap bezoekt. Haar kamer beslaat amper negen vierkante meter, waarvan het grootste deel in beslag wordt genomen door het bed. Daarboven hangen foto’s die haar samen met de andere GemÖk-leden tonen op een Zwitserse bergweide, waar ze een keer bijeenkwamen voor een poenronde. Aan de muur ertegenover hangen twee akoestische gitaren. Robin schrijft zelf liedteksten, ze is in de zomer twee maanden op tournee geweest, vertelt ze. Ze heeft concerten gegeven in cafés en cultuurcentra, in woonkamers en op klimaatkampen. Dat was mogelijk dankzij de steun van haar gemeenschap.

    f gemok gruppe 25 40831712825343744
    © Kseniia Apresian

    Deze vrijheid was een van de kerndoelen van haar GemÖk, zegt Robin. Omdat de leden met hun geld voor elkaar instaan, kunnen ze activiteiten ontplooien die ze belangrijk vinden, zonder steeds op de financiën te hoeven letten. ‘Dat kan betaald werk zijn, maar ook activisme of je een half jaar lang oriënteren op iets nieuws.’ 

    Wat houdt de groep bij elkaar?

    Maar dit ‘voor elkaar instaan’ kent ook zijn grenzen. Onlangs is iemand uit de groep gestapt, vertelt Robin. Zij had in een poenronde voorgesteld om langdurig te sparen voor de aankoop van een boerderij. Dat idee was niet bij iedereen goed gevallen. Alleen al over de vraag of ze wel langdurig voor iets wilden sparen, werd gediscussieerd. Tot dan toe hadden ze geld dat over was vaak in de vorm van renteloze kredieten uitgeleend aan verschillende kleine duurzaamheidsprojecten. Een paar leden wilden bovendien het houden van vee niet steunen, laat staan het zelf bedrijven van veeteelt. 

    Toen dat uitmondde in een conflict, belegde de groep een bijeenkomst om te praten over ‘wat ons eigenlijk bindt’, vertelt Robin. Maar voordat de bijeenkomst plaatsvond, had de betreffende persoon de groep al verlaten. ‘Haar levensplan had zich in een andere richting ontwikkeld,’ zegt Robin, ‘en dat leidde ook tot haar besluit.’

    ‘Voor mij is het belangrijkste te weten dat deze groep van mensen bestaat, die er gewoon voor mij zijn’

    Principiële discussies zoals deze klimaat-GemÖk die op dit moment voert, zijn nodig om de mogelijkheden maar ook de grenzen van het model te kunnen verkennen. Want een einddatum hebben de GemÖks doorgaans niet. ‘We maken in principe plannen voor onbepaalde tijd,’ zegt Luka van de groep van vier uit Berlijn. Dat GemÖks in staat zijn existentiële vragen als grote salarisverschillen of het krijgen van kinderen op de lange termijn op te lossen, toont de eerste GemÖk uit Göttingen aan. Maar zelfs daar zoeken ze na bijna dertig jaar nog naar een echte oplossing hoe je voor de groep een oudedagsvoorziening voor elkaar krijgt.

    Het delen van geld alleen is evenwel niet de belangrijkste motivatie om deel te nemen aan een GemÖk. Naast de financiële zekerheid kan deze manier van leven een minstens zo grote sociale geborgenheid bieden, zoals de leden het beschrijven. ‘Voor mij is het belangrijkste te weten dat deze groep van mensen bestaat, die er gewoon voor mij zijn,’ zegt Robin. Uiteindelijk zijn het misschien wel de gemeenschappelijke ervaringen die het delen van geld voor hen mogelijk hebben gemaakt, die de groep bij elkaar hebben gehouden, zegt Luka. Hij denkt vaak terug aan de eerste avond, toen de GemÖk na de bijeenkomst op het Tempelhofer Feld bijeenkwam. ‘Dat was een fantastisch moment: voor het eerst 200 euro opnemen van de gezamenlijke rekening en gewoon een feestje gaan vieren.’

  • Duitsland: Bondsdag neemt grootschalig investeringsplan voor herbewapening aan

    Duitsland: Bondsdag neemt grootschalig investeringsplan voor herbewapening aan

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Telefoongesprek Trump en Poetin resulteert in zeer beperkt staakt-het-vuren

    » Presidenten van de DRC en Rwanda ontmoeten elkaar in Doha om vrede te bespreken

    Het land probeert zo onafhankelijk van de VS te worden

    Een pakket ter waarde van honderden miljarden euro’s voor defensie en economie werd dinsdag goedgekeurd door 513 parlementsleden, een twee derde meerderheid van de aanwezigen. Het wetsvoorstel is een revolutie voor Duitsland, de voorvechter van de begrotingsorthodoxie, dat lange tijd de militaire uitgaven heeft verwaarloosd ten gunste van de Amerikaanse paraplu die het land sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft beschermd.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Maar Berlijn besloot van koers te veranderen nadat Washington aangaf dat het zich van Europa wilde afkeren en toenadering tot Rusland wilde zoeken. Om in werking te treden moeten de grondwetswijzigingen vrijdag nog worden goedgekeurd door de Bondsraad, de kamer die de deelstaten vertegenwoordigt. Concreet zal Duitsland het schuldenplafond versoepelen, die de leencapaciteit van het land voor militaire uitgaven en voor de regio’s beperkt.

    De stemming van dinsdag ‘zendt een positief signaal uit, zowel intern als extern’, aldus de Frankfurter Allgemeine Zeitung: ‘Duitsland mobiliseert eindelijk al zijn kracht en middelen om de al lang bekende, maar snel toenemende, bedreigingen voor zijn veiligheid en welvaart het hoofd te bieden.’ Deze ‘injectie van fondsen’ zal echter niet voldoende zijn om ‘de staat wendbaarder en efficiënter te maken’, waarschuwt het dagblad. De vraag is of [de toekomstige bondskanselier Friedrich] ‘Merz in staat zal zijn om de hervormingen die hij al vóór de schuldenovereenkomst beloofde door te voeren’.

  • Canada maakt zich klaar voor invoertaksenstrijd met VS

    Canada maakt zich klaar voor invoertaksenstrijd met VS

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Eén dode en enkele gewonden na vuurgevecht aan grens Afghanistan en Pakistan

    » DR Congo: 131 ziekenhuispatiënten uit Goma gekidnapt door M23

    Na Trumps nieuwe invoertaksen begint Canada aan een tegenoffensief

    Gisteren kondigde president Trump aan dat zijn plan om 25 procent aan invoertaksen te heffen op Mexicaanse en Canadese goederen op dinsdag middernacht in werking treedt. Trumps nieuwe invoertaksen hebben betrekking op alle goederen die Canada naar de VS exporteert en kunnen leiden tot inflatie en economische wanorde, meldt CBC.

    De premier van Canada Justin Trudeau reageerde met een tegenoffensief van dertig miljard dollar aan invoertaksen op Amerikaanse goederen. ‘Terwijl we de VS aanmoedigen om de tarieven te heroverwegen, zal Canada blijven staan voor haar economie, haar banen, haar arbeiders en een eerlijke overeenkomst,’ zei Trudeau tijdens een persconferentie. ‘Onze taksen zullen standhouden tot de VS hun tarieven opheffen.’

    De Amerikaanse president beweert dat Canada een toename aan fentanylsmokkel en illegale migratie heeft toegelaten. Canada heeft in de afgelopen maanden de grenscontroles aangescherpt en de resultaten zijn zichtbaar. Aan de grens met de VS is illegale migratie met 90 procent gedaald en fentanylsmokkel wordt steeds vaker onderschept, aldus de Canadese omroep.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De premier van Ontario Doug Ford zegt dat hij bereid is om alles te doen om Trump op zijn beslissing terug te laten komen. ‘Als ze Ontario willen vernietigen, dan zal ik alles doen – zelfs het stil leggen van hun energievoorraad – met een lach op mijn gezicht.’ In een toespraak eind vorige maand waarschuwde Tiff Macklem, gouverneur van de Bank of Canada, dat ‘de economische gevolgen van een langdurig handelsconflict zeer ernstig zouden zijn’.

    Matthew Holmes, vicepresident en het hoofd van beleid bij de Canadese Kamer van Koophandel, zei dat Trump al onomkeerbare schade heeft toegebracht aan de bilaterale handelsrelatie met zijn ‘tariefdreigementen’. ‘We hebben een lange weg af te leggen voordat Canada en de VS weer betrouwbare economische partners worden,’ zei Holmes.