Tag: economie

  • Wat als geld een houdbaarheidsdatum had?

    Wat als geld een houdbaarheidsdatum had?

    De inmiddels in de vergetelheid geraakte Duitse econoom Silvio Gesell stelde dat zowel de samenleving als de economie beter af zouden zijn als geld een vergankelijk goed was, beperkt houdbaar zoals groente. Om economische en sociale misstanden te corrigeren zou de aard van geld moeten veranderen, zei hij.

    Een paar weken terug bedacht mijn negenjarige zoontje Theo een fiduciaire munt om de handel vanuit zijn fort in de woonkamer te vergemakkelijken. Als ware kapitalist in de dop had hij een souvenirshop geopend in zijn fort, waar hij een voorraadje boekenleggers te koop aanbood die hij in razend tempo had geproduceerd met vouwpapier en een grote hoeveelheid plakband. Er stonden teksten op als ‘Love’, ‘Ik ben de baas’ en ‘Geld, poen, pegels, cash’.

    Theo’s zesjarige broertje Julian had wel belangstelling voor de boekenleggers, die Theo voor 1 dollar per stuk aan hem wilde verkopen. ‘Ho even,’ riep ik vanuit de andere kamer. ‘Je mag ze niet verkopen voor echt geld.’ (Staatsinmenging, ik weet het.) Theo legde zich hier schoorvoetend bij neer. Na wat gepeins stelde hij een nieuw systeem voor, waarbij zijn broertje eigen geld kon drukken, met een stift en papier.

    De geschiedenis van geld staat bol van dit soort fantasierijke mandaten en grillige logica

    Zodra Julian drie keer ‘Ik kan schrijven’ op een stukje papier had gezet, zou het veranderen in een wettig betaalmiddel. Eén schrijffoutje en het biljet zou ongeldig zijn. ‘Het moet wel een bepaalde waarde hebben,’ lichtte Theo toe. ‘Anders kun je gewoon miljoenen dollars drukken.’ Julian sputterde even wat, maar wisselde al snel zijn nieuwe vermogen in voor een boekenlegger. Theo stopte het geld in zijn portemonnee.

    De geschiedenis van geld staat bol van dit soort fantasierijke mandaten en grillige logica, zoals Jacob Goldstein schrijft in zijn meeslepende boek: Money: The True Story of a Made-Up Thing (Geld: het ware verhaal van een verzinsel). Toen er nog geen geld was, vertrouwde men op ruilhandel – een onhandig systeem omdat het een ‘dubbele samenloop van behoeften’ vereist. Als ik graan heb en jij hebt vlees, dan moet jij op hetzelfde moment behoefte hebben aan mijn graan als ik aan jouw vlees. Bijzonder inefficiënt.

    Ruilen

    In veel culturen werden rituele manieren ontwikkeld om waardevolle voorwerpen te ruilen – als er een huwelijk werd gesloten, bijvoorbeeld, of wanneer er boete werd gedaan voor een moord, of wanneer er offers werden gebracht. Bij dergelijke overeenkomsten werd er van alles en nog wat geruild, variërend van kaurischelpen tot vee, van potvistanden tot varkens met lange slagtanden. Deze goederen vervulden twee wezenlijke functies van geld:

    1.Ze dienden als rekeneenheid (ze boden een gestandaardiseerde methode om waarde te bepalen).

    2.Ze dienden als waarde-depot (dingen die je op een bepaald moment kunt vergaren om later te gebruiken).

    Door de inherente tekortkomingen van het ruilhandelsysteem konden deze goederen niet de derde functie van geld vervullen, te weten:

    3.Dienen als ruilmiddel (een neutraal middel dat gemakkelijk kan worden ingewisseld voor goederen.)

    Pas ergens rond 600 voor Christus kwam er geld dat alle drie deze functies vervulde, toen er in Lydia, een koninkrijk in het hedendaagse Turkije, iets in omloop werd gebracht dat geschiedkundigen de allereerste munten ooit noemen: klompjes versmolten goud en zilver met de opdruk van een leeuw. Het idee verspreidde zich naar Griekenland, waar men op openbare plekken, agora’s geheten, goederen begon te verhandelen voor munten.

    Al snel zorgde geld voor alternatieven voor de traditionele arbeidssystemen. Mensen hoefden nu niet langer een jaar te werken op de akkers van een rijke landeigenaar in ruil voor eten, onderdak en kleding, er kon worden betaald voor een kortere periode van arbeid. Dat gaf mensen de vrijheid om te stoppen met een rotbaan, maar het bracht ook de onzekerheid met zich mee dat je werk moest zien te vinden op het moment dat je dat nodig had.

    Bang

    Aristoteles was dan ook niet overtuigd. Hij was bang dat de Grieken iets belangrijks zouden verliezen in hun jacht op munten. Van het ene op het andere moment werd de waarde van een mens niet langer alleen bepaald door diens werk en ideeën, maar ook door diens sluwheid. In 995 werd in Sichuan, in China, papiergeld geïntroduceerd toen een koopman uit Chengdu mensen schitterend versierde bonnetjes overhandigde in ruil voor hun ijzeren munten. Dankzij papiergeld waren mensen verlost van de fysieke last van hun rijkdom, wat het makkelijker maakte om over grotere afstanden handel te drijven.

    Het was geld omdat de keizer zei dat het geld was

    Gaandeweg kreeg geld een meer symbolische waarde. Het vroege papiergeld fungeerde als schuldbekentenis en kon altijd worden ingewisseld voor munten van verschillende waarden. Maar eind dertiende eeuw bedacht Koeblai Khan, de Mongoolse keizer, papiergeld dat door niets werd gedekt. Het was geld omdat de keizer zei dat het geld was. De mensen gingen hierin mee. In de tussenliggende eeuwen heeft geld ons gedwongen mee te gaan in nog veel fantasievollere concepten, zoals het idee van de aandelenmarkt, gecentraliseerd bankieren en onlangs nog de cryptovaluta.

    Momenteel is er zo’n 2,34 biljoen aan fysiek Amerikaans geld in omloop, waarvan ongeveer de helft in het buitenland. Dat is slechts 10 procent van het bruto binnenlands product (de totale monetaire waarde van alle geproduceerde goederen en diensten). Het totaal van alle Amerikaanse bankdeposito’s bedraagt ongeveer 17 biljoen dollar. Ondertussen bedraagt de totale rijkdom van dit land, inclusief alle niet-monetaire activa, zo’n 149 biljoen, meer dan 63 keer het totaal aan beschikbare contanten.

    De kloof tussen deze getallen doet denken aan de zwarte gaten in het heelal – we hebben er geen empirische verklaring voor, maar zonder deze fenomenen zou ons hele begrip van het heelal, of de economie, op losse schroeven komen te staan. Voor de meeste mensen in de westerse wereld is geld niets anders dan een reeks getallen in de computer van de bank.

    Iets absurds

    Geld is iets abstracts, iets absurds. Het is een geloofssysteem, een taal, een sociaal contract. Geld is vertrouwen. Maar de regels zijn niet in steen gebeiteld. ‘Met geld gaat het eigenlijk altijd hetzelfde’, schrijft Goldstein. ‘De vorm die geld op een bepaald moment heeft aangenomen wordt gezien als de natuurlijke gedaante van geld, en al het andere lijkt onverantwoorde waanzin.’ Meer dan een eeuw geleden stelde ondernemer en autodidactisch econoom Silvio Gesell, een vegetarische voorstander van de vrije liefde, een man met een wilde blik in zijn ogen, een radicale hervorming voor van het monetaire systeem zoals wij dat kennen.

    Hij wilde geld maken dat in de loop der tijd zou vergaan. Ons huidige geld, zo stelde hij, is een ontoereikend ruilmiddel. De rijkdom van een man met zijn zakken vol geld is niet gelijkwaardig aan de rijkdom van een man met een zak vol goederen, zelfs niet als de markt heeft bepaald dat de goederen het geld waard zijn.

    ‘Het uitbuiten van de behoeften van onze naasten is de basis van ons economisch bestel’

    ‘Alleen geld dat gedateerd is, zoals een krant, geld dat wegrot als aardappels, verroest als ijzer, vervluchtigt als ether, kan de toets doorstaan om te dienen als ruilmiddel voor aardappelen, kranten, ijzer en ether’, schreef Gesell in zijn belangrijkste werk, Die natürliche Wirtschaftsordnung durch Freiland und Freigeld (Het natuurlijke economisch bestel door vrij land en vrij geld) uit 1915. Gesell werd geboren in 1862, in wat nu België is, als zevende van negen kinderen.

    Hij ging voortijdig van school omdat zijn ouders die niet langer konden betalen, kreeg een baantje bij de post en vertrok op zijn twintigste naar Spanje om daar bij een bedrijf te gaan werken. Vier jaar later emigreerde hij naar Argentinië, waar hij een bedrijf begon dat medische apparatuur importeerde en waar hij een fabriek opzette waar kartonnen dozen werden gemaakt.

    GettyImages 3264233
    © Getty Images

    Kaalplukken

    ‘De koopman, de arbeider en de beurshandelaar hebben allemaal hetzelfde doel, namelijk het uitbuiten van de toestand van de markt, ofwel de mensen in het algemeen’, schreef Gesell. ‘Het enige verschil tussen woekerhandel en gewone handel is misschien dat de beroepswoekeraar specifieke personen uitbuit.’

    Gesell meende dat de meest gewaardeerde impuls in onze hedendaagse economie de neiging is om bij elke transactie zo min mogelijk te geven en zo veel mogelijk te krijgen. Op die manier worden we in materieel, moreel en sociaal opzicht armer. ‘Het uitbuiten van de behoeften van onze naasten, het over en weer kaalplukken met de sluwheid van de verkoper, is de basis van ons economisch bestel’, concludeerde hij somber.

    Als we willen dat geld een beter ruilmiddel wordt, moeten we zorgen dat het slechtere handelswaar wordt

    Om deze economische en sociale misstanden te corrigeren, zouden we de aard van geld moeten veranderen, zo opperde Gesell, zodat het een betere afspiegeling vormt van de goederen waartegen het wordt geruild. ‘Als we willen dat geld een beter ruilmiddel wordt, moeten we zorgen dat het slechtere handelswaar wordt’, schreef hij. Met dat doel voor ogen ontwikkelde hij geld met een beperkte houdbaarheidsdatum, het zogeheten Freigeld, ofwel vrij geld. (Vrij omdat het bevrijd zou zijn van spaarders en rente.)

    De theorie werkt als volgt: Een Freigeld-biljet van 100 euro heeft 52 vakjes op de achterkant, met een datum, waar de eigenaar elke week een zegeltje van 10 cent moet plakken om te zorgen dat het biljet honderd euro waard blijft. Als je het biljet een jaar bewaart, moet je tweeënvijftig zegels op de achterkant plakken – ter waarde van 5,20 euro – om te zorgen dat het zijn waarde behoudt. Op die manier gaat het biljet jaarlijks 5,2 procent in waarde achteruit, en dat bedrag komt ten laste van de eigenaar(s). (De waarde van de zegels, en hoe vaak ze moeten worden geplakt, kan indien nodig worden bijgesteld.) Dit systeem werkt tegengesteld aan ons huidige systeem, waarin geld dat wordt bewaard juist in waarde stijgt doordat er rente bovenop komt.

    In Gesells systeem zou het individu betalen voor de zegels, terwijl de opbrengsten ten goede komen aan de gemeenschap, waardoor de overheid minder belasting zou hoeven innen om de mensen te ondersteunen die niet in staat zijn om te werken. Het geld zou op een bank kunnen worden gezet, waarmee het zijn waarde zou behouden omdat de bank verantwoordelijk zou worden voor de zegels. Om niet de kosten voor de zegels te hoeven dragen, zou de bank gestimuleerd worden het geld uit te lenen, waarbij de kosten bij een ander worden neergelegd. In Gesells visie zouden banken zo vrijelijk uitlenen dat hun rentetarieven uiteindelijk bij nul zouden uitkomen en ze alleen een kleine risicopremie zouden vragen, plus administratiekosten.

    Het gebruik van deze zegelvaluta zou de volledige productieve kracht van de economie ontketenen

    Het gebruik van deze zegelvaluta zou de volledige productieve kracht van de economie ontketenen. Kapitaal zou voor iedereen toegankelijk zijn. Een valutakantoor zou de prijsstabiliteit garanderen door bij te houden hoeveel geld er in omloop is. Als de prijzen zouden stijgen, zou het valutakantoor geld vernietigen. Als de prijzen zouden dalen, zou het valutakantoor geld bijdrukken. In deze economie zou het geld circuleren met de snelheid van een balspel. Er zouden geen woekeraars meer zijn die ‘slapend’ rijk worden. In plaats daarvan zou iemands succes direct gekoppeld zijn aan de ideeën die hij of zij heeft, en aan de kwaliteit van zijn of haar werk. Gesell zag voor zich hoe dit zou leiden tot een darwiniaanse vorm van natuurlijke selectie binnen de economie: ‘Vrije concurrentie zou in het voordeel zijn van mensen die efficiënt zijn, en zij zouden zich dan ook in groteren getale voortplanten.’

    Nieuwe orde

    Deze nieuwe ‘natuurlijke economische orde’ zou gepaard gaan met een hervorming van het grondbezit – Freiland, ofwel vrij land – waardoor land niet langer privébezit zou zijn. Landeigenaren zouden worden gecompenseerd door de overheid, in de vorm van obligaties met en looptijd van twintig jaar. Daarna zouden ze rente betalen aan de overheid en dat geld zou, zo stelde Gesell zich voor, worden gebruikt voor overheidsuitgaven en jaarlijkse uitkeringen aan moeders, om de financiële onafhankelijkheid van vrouwen te bevorderen, wat hun de vrijheid zou geven een relatie te beëindigen als ze dat wilden.

    Om te zorgen dat iedereen een groter en eerlijker stuk van de koek zou kunnen krijgen, waren systeemveranderingen nodig

    Gesells ideeën zouden de geest van het private, competitieve ondernemerschap behoeden voor wat hij beschouwde als de systeemfouten van het kapitalisme. Je zou Gesell een antimarxistische socialist kunnen noemen. Hij maakte zich sterk voor sociale rechtvaardigheid, maar hij was het ook eens met Adam Smith dat eigenbelang de natuurlijke basis is van iedere economie. Terwijl Marx pleitte voor de politieke suprematie van de armen door middel van organisatie, stelde Gesell dat we enkel economische obstakels hoeven weg te nemen om onze ware productiecapaciteit te realiseren.

    Om te zorgen dat iedereen een groter en eerlijker stuk van de koek zou kunnen krijgen, waren systeemveranderingen nodig, zo benadrukte hij, in plaats van een revolutie met herverdeling als doel. ‘We zullen onze erfgenamen geen eeuwig wassende bron van inkomsten nalaten’, schreef hij, ‘maar is het niet voldoende om economische omstandigheden na te laten waarin de volledige opbrengst van hun arbeid is gegarandeerd?’

    GettyImages 1207431130 1
    © Getty Images

    Steun

    Hoewel velen Gesell afdeden als een anarchistische ketter, kregen zijn ideeën steun van belangrijke economen uit zijn tijd. In zijn boek The General Theory of Employment, Interest and Money (De algemene theorie van werkgelegenheid, rente en geld), wijdde John Maynard Keynes vijf pagina’s aan Gesell en noemde hem een ‘merkwaardige en ten onrechte genegeerde profeet’. Hij stelde dat het idee achter het zegeltjesbiljet solide was. ‘Naar mijn idee zal de toekomst meer baat hebben bij de geest van Gesell dan bij die van Marx’, schreef Keynes.

    In 1900 ging Gesell met pensioen en trok zich terug op een boerderijtje in Zwitserland, waar hij pamfletten, boeken en een tijdschrift over monetaire hervorming schreef. In 1911 verhuisde hij naar Eden, een vegetarische commune net buiten Berlijn met een enkelvoudige belastingheffing, waar Gesell vraagtekens plaatste bij monogamie en pleitte voor de vrije liefde. Toen in 1919 in München de Beierse Sovjetrepubliek werd opgericht door pacifistische dichters en scenarioschrijvers, kreeg Gesell de positie aangeboden van minister van Financiën.

    Gesell stelde plannen op voor landhervormingen, een basisinkomen en Freigeld. De republiek hield het maar een week vol voordat ze werd omvergeworpen door de Communistische Partij en vervolgens door het Duitse leger, dat Gesell gevangenzette op beschuldiging van verraad.

    ‘Ik val het kapitaal niet aan met geweld, noch met stakingen en het lamleggen van bedrijven en fabrieken, noch met sabotage’

    Hij verdedigde zich vol vuur. ‘Ik val het kapitaal niet aan met geweld, noch met stakingen en het lamleggen van bedrijven en fabrieken, noch met sabotage,’ hield hij de rechtbank voor. ‘Nee, ik val het aan met het enige wapen dat eigen is aan het proletariaat: arbeid. Door de massa’s op te roepen tot ongeremde, niet-aflatende arbeid, leg ik de afgod van de rente aan banden.’ Gesell werd vrijgesproken en ging weer schrijven.

    In 1930 overleed hij aan een longontsteking, in Eden, op zevenenzestigjarige leeftijd. In datzelfde jaar probeerde de eigenaar van een slapende kolenmijn niet ver van de Beierse plaats Schwanenkirchen vergeefs een lening bij de bank te krijgen om de oude mijn weer op te starten. Gedwarsboomd door vertegenwoordigers van de traditionele financiële wereld zocht hij zijn heil bij de Wära Exchange Association, een groep die in het leven was geroepen om Gesells ideeën handen en voeten te geven. De groep stemde ermee in de mijneigenaar 50.000 Wära te geven, een in waarde dalende munteenheid, wat overeenkwam met 50.000 Reichsmark.

    Vervolgens riep de mijneigenaar de werkloze mijnwerkers bij elkaar en vroeg of ze weer aan het werk wilden gaan, niet tegen een wettig betaalmiddel, maar voor deze nieuwe munteenheid. Onbekend geld was beter dan geen geld, vonden de mijnwerkers. De mijneigenaar kocht eten, kleren en huishoudelijke artikelen bij winkels die ook de Wära-valuta gebruikten. De mijnwerkers, die weer kolen delfden, gebruikten hun inkomen om die goederen te kopen van de mijneigenaar. Al snel wilden ook andere winkels de munteenheid hanteren om mee te liften op de plotselinge toestroom van geld. Omdat de munt elke maand 1 procent in waarde daalde, wilde iedereen zijn Wära’s snel uitgeven en dus circuleerden ze al snel in de hele economie.

    Binnen afzienbare tijd werd de Reichsmark verdrongen door de Wära, tot verontrusting van de grotere banken en de overheid. Uiteindelijk maakte de Reichsbank een einde aan het experiment door de munteenheid te verbieden.

    Mensen betaalden zo snel mogelijk hun belastingen om zegels uit te sparen

    Twee jaar later werden Gesells ideeën opnieuw in de praktijk gebracht in de Oostenrijkse stad Wörgl. In 1932 wilde de burgemeester, een socialistische spoorwegingenieur, niets liever dan zijn inwoners weer aan het werk krijgen. Hij was een aanhanger van Gesells ideeën en bedacht een plan om de Oostenrijkse schilling te vervangen door Arbeidscertificaten, waarvan de waarde maandelijks met 1 procent zou afnemen. De burgemeester huurde stadsbewoners in om de wegen te verbeteren, straatverlichting aan te brengen en een betonnen brug te bouwen, en hij betaalde uit in Arbeidscertificaten. Die certificaten circuleerden al snel onder kooplieden, huurders en landeigenaren, en vonden hun weg naar spaarrekeningen.

    Mensen betaalden zo snel mogelijk hun belastingen om zegels uit te sparen. In een jaar gingen de Arbeidscertificaten 463 keer van hand tot hand, waardoor ten minste 15 miljoen schilling aan goederen en diensten werd gecreëerd. Ter vergelijking: de gewone schilling ging maar 21 keer van hand tot hand.

    Het experiment kwam bekend te staan als het Wonder van Wörgl. De Weense kranten namen er kennis van. De Franse regering toonde interesse. Tweehonderd burgemeesters uit Oostenrijk ontwikkelden soortgelijke programma’s voor hun eigen gemeenschap. Ook nu weer leidde het tot onrust bij de financiële autoriteiten, die betoogden dat deze lokale zegelbiljetten een ondermijning betekenden van de macht van de nationale bank om valuta in omloop te brengen. In de herfst van 1933 verbood het Oostenrijkse Hooggerechtshof de circulatie van de certificaten. Ook in Amerika en Canada vonden geselliaanse experimenten plaats, in de hand gewerkt door de depressie van de jaren 1930.

    In Hawarden, in Iowa, werd een beperkte hoeveelheid zegelbiljetten in omloop gebracht om te betalen voor werk voor de gemeenschap. Datzelfde jaar werd er een vergelijkbaar programma uitgevoerd in Anaheim, in Californië. In 1933 wilde Oregon voor 80 miljoen aan zegelbiljetten drukken, maar daar stak het Amerikaanse ministerie van Financiën een stokje voor. De regering van premier William ‘Bible Bill’ Aberhart in Alberta, Canada, bracht in 1936 depreciërende ‘welvaartscertificaten’ uit (die al snel werden omgedoopt in velocity dollars, ofwel geld met een hoge omloopsnelheid).

    Experimenten

    In dat decennium waren er in de Verenigde Staten zevenendertig steden, acht county’s en enkele bedrijfschappen die bijna honderd verschillende soorten zegelbiljetten probeerden te introduceren. Deze experimenten waren allemaal lokaal, bescheiden van opzet en van korte duur. In 1933 probeerde de econoom Irving Fisher, die zichzelf ‘een nederige leerling van Silvio Gesell’ noemde, president Franklin Delano Roosevelt over te halen om een nationaal zegelbiljet in te voeren. Hij wist een senator uit Alabama zover te krijgen dat hij een wetsvoorstel indiende waarmee tot een miljard aan depreciërende valuta zou worden uitgegeven.

    Het wetsvoorstel is nooit in stemming gebracht. Roosevelt, die voorbereidingen trof om van de gouden standaard af te stappen, was bang dat nog meer economische innovaties een destabiliserend effect zouden hebben. Gesells idee van geld dat minder waard wordt ‘druist in tegen alles wat we ooit hebben geleerd over de wenselijke eigenschappen van geld’, zegt David Andolfatto. Andolfatto is voormalig senior vicevoorzitter van de Federal Reserve Bank van St. Louis en hij staat aan het hoofd van de economiefaculteit van de Universiteit van Miami. ‘Waarom zou je in ’s hemelsnaam willen dat geld die eigenschap heeft?’

    Maar tijdens de economische baisse die volgde op de coronaepidemie, zag Andolfatto dat geld dat minder waard wordt in tijden van crisis een bepaalde waarde zou kunnen hebben. De cheques die de Amerikaanse overheid verstrekte aan Amerikaanse huishoudens hadden niet meteen het gewenste effect – het stimuleren van de economie – omdat veel mensen het geld opspaarden in plaats van het uit te geven. Dat is de paradox van spaarzaamheid, legde Andolfatto uit. Wat goed is voor het individu is slecht voor de groep.

    Geld achterhouden in angstige tijden zorgt voor een selffulfilling prophecy die de economie nog meer verstikt

    In een artikel dat Andolfatto in 2020 schreef voor de Fed, heeft hij het over hot money credits (ontvlambare tegoeden). Als de economie stagneert, schrijft hij, krijg je te maken met een ‘coördinatiefout’: bepaalde mensen stoppen met uitgeven en anderen stoppen met verdienen. Geld achterhouden in angstige tijden zorgt voor een selffulfilling prophecy die de economie nog meer verstikt. Zou Gesells idee van geld dat zijn waarde verliest, de oplossing kunnen zijn?

    Het probleem, zo zegt Andolfatto, is dat het verstrekken van pandemiecheques die beperkt houdbaar zijn, nadelig kan uitpakken voor mensen met een klein spaarpotje. Mensen met geld op de bank zouden die cheques net zo gebruiken als gewoon geld. Maar mensen zonder spaargeld zouden zich door de vervaldatum wellicht gedwongen zien het geld uit te geven, zonder dat het iets bijdraagt aan de stabiliteit van hun financiële situatie.

    Halve theorie

    Keynes was van mening dat Gesells depreciërende geld niet meer dan ‘een halve theorie’ was – er werd voorbijgegaan aan het feit dat mensen een voorkeur hebben voor liquide activa, waarvan geld slechts een voorbeeld is. ‘Geld als ruilmiddel moet ook een opslag van waarde zijn,’ aldus Willem Buiter, voormalig hoofdeconoom bij Citigroup. In een geselliaanse economie, vervolgt hij, zouden de welgestelden hun rijkdom domweg opslaan in een andere vorm – goudstaven, wellicht, of boten – om die vervolgens weer om te zetten in geld als ze zaken willen doen.

    Buiter gelooft niet dat geselliaans geld echt iets kan uitrichten tegen sociale ongelijkheid, maar hij heeft wel gezien dat er momenten zijn waarop het gunstig heeft uitgepakt voor een centrale bank om de rente te laten dalen tot onder nul, zoals wanneer de inflatie en de marktrente laag zijn en nog verder zouden moeten dalen om volledige werkgelegenheid en gebruik van bronnen overeind te houden.

    In een cashloze economie zouden positieve en negatieve rente makkelijk kunnen worden toegepast op digitaal geld, zoals Buiter en anderen hebben bepleit. Maar het is moeilijk voor te stellen hoe een overheid vandaag de dag een geselliaanse belasting op harde valuta zou kunnen doorvoeren in de praktijk. ‘Je zou in staat moeten zijn de straat op te gaan en geld in beslag te nemen waarop men heeft verzuimd zegeltjes te plakken,’ aldus Buiter. ‘Dat zou een nogal brute aanpak zijn.’

    GettyImages 1213143010
    © Getty Images

    Zekerheden

    Vandaag de dag is geld voor de meesten van ons een vorm van geruststelling. We leven in een cultuur waarin het streven naar zekerheden vooropstaat. Je moet sparen, krijgen we te horen – voor als je ziek mocht worden, om te zorgen dat je kinderen kunnen studeren, voor je pensioen. Maar zijn er wel garanties, in de vorm van geld of anderszins, dat ons niets zal overkomen in het leven?

    In haar nieuwe boek The Age of Insecurity, (Het tijdperk van onzekerheid) schrijft activist Astra Taylor: ‘Tegenwoordig hebben veel van de manieren waarop we onszelf en onze samenlevingen proberen veilig te stellen – geld, bezit, politie, het leger – een paradoxaal effect, waardoor uitgerekend de veiligheid die we nastreven wordt ondermijnd. Het fungeert als katalysator voor schade aan de economie, het klimaat en het leven van mensen, waaronder dat van onszelf.’

    ‘We moeten ons een weg banen door het moeras van het kapitalisme naar de vaste grond eronder’

    De negatieve gevolgen van de ongeremde accumulatie van rijkdom zijn voor iedereen duidelijk. Schendingen van mensenrechten, corruptie en de verwoesting van de aarde worden allemaal gerechtvaardigd vanuit dit streven. Er zijn vele reïncarnaties van geld denkbaar die andere waarden dienen. Laten betalen voor CO2-emissies is een manier om de milieuschade te compenseren die wordt teweeggebracht door economische groei.

    Een universeel basisinkomen en gratis voortgezet onderwijs zouden kunnen helpen om financieel en sociaal kapitaal op een gelijkwaardige basis te herverdelen. Gesell was van mening dat het kapitalisme het communisme had verslagen, maar hij zag wel de tekortkomingen van ons huidige economische stelsel. ‘Het is de keuze tussen vooruitgang of ondergang’, schreef hij. ‘We moeten ons een weg banen door het moeras van het kapitalisme naar de vaste grond eronder.’ Is zijn idee van een expirerende munteenheid absurder dan de status quo die we hebben meegekregen?

    Misschien bestaat zijn belangrijkste bijdrage eruit dat hij ons in herinnering brengt dat de regels van geld opnieuw kunnen worden uitgevonden, zoals altijd het geval is geweest. Geld is een bedenksel van onze collectieve verbeelding, voortspruitend uit onze zelfgenoegzaamheid, dat zeker, maar ook uit onze nieuwsgierigheid, onze waarden en onze hoogste ambities. Gesell pleitte ervoor om met een geëngageerde, onderzoekende en nieuwsgierige blik te kijken naar onze economische instituties, zodat we ze opnieuw kunnen vormgeven op een manier waar de samenlevingen die we willen vormen, bij gebaat zijn.

    ‘Het economisch bestel waarbij de mens floreert’, schreef hij, ‘is de meest natuurlijke economische orde.’ In die zin is ons bestel misschien nog altijd een werk in uitvoering.

  • Duitse economie is gekrompen in 2023

    Duitse economie is gekrompen in 2023

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » In China is spiritualiteit big business

    » Donald Tusk maakt morning-afterpil weer zonder recept beschikbaar in Polen

    Europa’s groeimotor is kapot

    De economie van Duitsland, de grootste van Europa en de op drie na grootste ter wereld, is vorig jaar gekrompen. Daarmee lopen de Duitse groeicijfers al zes jaar op rij achter op die van de Verenigde Staten. ‘Duitsland zit op een dood spoor en er is geen snelle uitweg’, schrijft The Wall Street Journal over de economische situatie bij onze oosterburen.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    In 2023 kromp de Duitse economie met 0,3 procent, waardoor die op dit moment slechts 0,7 procent groter is dan in 2019, het jaar voorafgaand aan de coronapandemie, aldus Destatis, het Duitse instituut voor statistiek. Andere grote economieën in de eurozone zijn vorig jaar gegroeid, waaronder Frankrijk, Italië en Spanje, volgens schattingen van de Europese Unie. Ook de Nederlandse economie is gekrompen in 2023.

    Volgens de Amerikaanse zakenkrant is de Duitse krimp te wijten aan een tragere groei in China, hogere energieprijzen en rentetarieven, en toenemende spanningen rond de wereldhandel. Aangezien er geen tekenen zijn dat deze factoren zullen verbeteren, zien de vooruitzichten voor Duitsland er niet goed uit.

  • De eeuwenoude vraag: hoe betaalt een land een oorlog?

    De eeuwenoude vraag: hoe betaalt een land een oorlog?

    Vanwege de oorlog in Oekraïne verhogen meerdere regeringen hun defensie-uitgaven. Maar waar moet al dat geld vandaan komen? ‘Er zullen moeilijke keuzes moeten worden gemaakt.’

    Volgend jaar april zullen de Denen voor het eerst in drie eeuwen moeten werken op de Grote Gebedsdag, aangezien de regering deze vrije dag heeft afgeschaft, deels om de extra defensie-uitgaven te bekostigen. Het besluit van afgelopen maart stuitte op grote weerstand onder de bevolking: volgens een peiling was 70 procent van de Denen tegen. Economen daarentegen hebben Kopenhagen geprezen omdat het met een oplossing komt voor zijn hogere defensiekosten, in tegenstelling tot veel andere regeringen. ‘Niemand wil meer belasting betalen. Maar tegelijkertijd wil iedereen een betere defensie en goede gezondheidszorg,’ zegt John Llewellyn, voormalig hoofd economische voorspellingen van de OESO. ‘Op een gegeven moment wordt de kwestie de politieke arena in geduwd omdat niemand weet waar het geld vandaan moet komen.’

    Japan, bezorgd over een steeds assertiever China en het risico van oorlog in de Indo-Pacific-regio, heeft nog niet gespecificeerd hoe het tegen 2027 zijn defensiebegroting met twee derde verhoogd denkt te kunnen hebben. Het VK wil, onder invloed van de Russische inval in Oekraïne, zijn militaire uitgaven uiteindelijk laten oplopen tot 2,5 procent van het bnp, maar alleen als ‘de fiscale en economische omstandigheden dat toelaten’. Duitsland, geschrokken van de Russische agressie, wil zijn defensie-uitgaven eveneens verhogen, maar niet ten koste van een officiële vrije dag. Frankrijk heeft nog niet toegelicht waar het geld vandaan moet komen voor de geplande verhoging van zijn militaire begroting met 40 procent de komende vijf jaar. Hetzelfde geldt voor Polen, dat zijn uitgaven bijna wil verdubbelen tot 4 procent van het bnp.

    Zenuw

    De vraag hoe oorlogen gefinancierd moeten worden is even oud als het fenomeen oorlog zelf. De Romeinse staatsman Cicero noemde ‘geld de zenuw van de oorlog’. In 1694 werd de Bank of England opgericht om William III te helpen zijn oorlog met Frankrijk te financieren. Vandaag de dag lijken zelfs in een steeds chaotischer wereld de uitgaven beperkter als gevolg van de stijgende rentepercentages en de hoge staatsschulden.

    Europa zit midden in het grootste gewapende conflict sinds 1945. De geopolitieke spanningen tussen China en Taiwan lopen op. Iran zal wellicht weldra in staat zijn een kernwapen te produceren. Bovendien kunnen ook wereldwijde problemen als klimaatverandering en migratie overheden ertoe dwingen veel geld uit te geven.

    Het Internationaal Instituut voor Vredesonderzoek van Stockholm (SIPRI) heeft berekend dat de defensie-uitgaven vorig jaar wereldwijd zijn gestegen tot een recordbedrag van 2,24 triljoen dollar. Die trend zal zich dit jaar voortzetten, ook al zijn overheden meer geld kwijt aan leningen vanwege de stijgende rente.

    Economen als Lawrence Summers, voormalig minister van Financiën van de VS, en Olivier Blanchard, voormalig hoofdeconoom bij het IMF, hebben erop gewezen dat hogere defensie-uitgaven de rentepercentages zelfs nog verder kunnen opjagen.

    ‘Eén scenario is dat landen die in 2022 al meer aan defensie hebben uitgegeven dat zullen blijven doen, terwijl landen die dat voor 2023 hebben aangekondigd daar nu werkelijk mee beginnen,’ zegt Diego Lopes Da Silva, hoofdonderzoeker bij de afdeling militaire uitgaven en wapenproductie van SIPRI.

    In de vijf landen met de hoogste defensie-uitgaven ter wereld gaat het om duizelingwekkende bedragen. In de VS hebben politici een incidentele verhoging van het schuldenplafond mogelijk gemaakt om de defensie-uitgaven in 2024 met 3 procent te kunnen verhogen tot 886 miljard dollar. De defensiebegroting van China, die SIPRI op 292 miljard dollar schat, zal dit jaar voor het negenentwintigste achtereenvolgende jaar worden verhoogd. Rusland, dat vorig jaar naar schatting 86 miljard dollar aan defensie uitgaf, heeft inmiddels verklaard dat er geen ‘financieringsbeperkingen’ zullen gelden voor zijn oorlog tegen Oekraïne, ook al blijft het precieze bedrag geheim. India wil zijn defensiebegroting het komende jaar met 13 procent verhogen tot 73 miljard dollar, terwijl Saoedi-Arabië, uit vrees voor een nucleair Iran, nu 7,5 procent van zijn bnp aan defensie besteedt, na Oekraïne het hoogste percentage.

    Oorlogen gaan dikwijls gepaard met hogere inflatie en beperking van rentepercentages

    Binnen de NAVO hebben maar 7 van de 31 lidstaten vorig jaar de beoogde norm van 2 procent van het bnp gehaald. Zouden ze dat allemaal doen, dan zouden de totale defensie-uitgaven met meer dan 150 miljard dollar per jaar stijgen, volgens onderzoek van Financial Times.

    Hoewel oorlog tot de ‘duurste en minst productieve menselijke activiteiten’ behoort, zegt James Grant, financieel historicus en hoofdredacteur van Grant’s Interest Rate Observer in New York, ‘kan de boel ook in vredestijd flink uit de hand (…) lopen. Als dat gebeurt, nemen de uitgaven en het bijdrukken van geld vaak hand over hand toe.’

    Over het algemeen worden ‘korte, hete oorlogen’ die een plotselinge verhoging van uitgaven vereisen gefinancierd met extra leningen, terwijl ‘korte, koude oorlogen’, die langdurige defensie-uitgaven vereisen, via belastingen worden betaald.

    De napoleontische oorlogen en de Eerste en Tweede Wereldoorlog werden grotendeels gefinancierd met geleend geld. Maar tijdens de lange decennia van de Koude Oorlog financierde het Westen zijn defensie-uitgaven met belastingverhogingen. In de kwarteeuw die voorafging aan de val van de Berlijnse muur stegen de belastinginkomsten van de OESO-landen gemiddeld van 25 procent van het bnp naar meer dan 32 procent, terwijl de staatsschuld over het algemeen daalde.

    Inflatie

    ‘Voor korte oorlogen kunnen regeringen de kosten dekken met leningen,’ zegt James Macdonald, auteur van A Free Nation Deep in Debt, dat over de geschiedenis van openbare financiën en oorlogen handelt. ‘Maar als het gaat om een langdurige oorlog, moet je andere methodes gebruiken naarmate die langer duurt, zoals belastingheffing.’

    Oorlogen gaan ook dikwijls gepaard met hogere inflatie en beperking van rentepercentages. Tijdens de Tweede Wereldoorlog stegen de Amerikaanse groothandelsprijzen gemiddeld met 8,2 procent, terwijl de rente op langjarige leningen werd beperkt tot 2,5 procent, een gat dat Washington hielp de waarde van Amerikaanse staatsobligaties door inflatie te laten wegsmelten.

    ‘Alle oorlogen worden over het algemeen geassocieerd met enige inflatie. Politici houden er niet van belastingen te verhogen [om oorlogen te financieren], en inflatie is verborgen belasting,’ zegt Richard Sylla, coauteur van A History of Interest Rates.

    Economen verwachten dat aanhoudend hoge defensie-uitgaven, die in de OESO-landen na de val van de Berlijnse muur met een derde waren gedaald, een mengeling van hogere belastingen en bezuinigingen elders vereisen. ‘Om de politiek kun je niet heen,’ zegt Llewellyn. ‘Samenlevingen worden met een aantal ingewikkelde problemen geconfronteerd en er zullen moeilijke keuzes moeten worden gemaakt.’

  • De EU moet zoeken naar nieuwe partners in Azië nu de Chinese economie stagneert

    De EU moet zoeken naar nieuwe partners in Azië nu de Chinese economie stagneert

    China is niet meer de groeimotor van de wereld, maar als de EU openstaat voor nieuwe handelspartners hoeft dat geen grote impact te hebben op de Europese economie, aldus Alicia García Herrero, hoofdeconoom bij investeringsbank Natixis. ‘Het is zaak zo snel mogelijk toenadering te zoeken tot opkomend Azië.’

    Al meer dan drie decennia levert China de grootste bijdrage aan de wereldwijde groei van de economie. Tijdens de crisis van 2008, terwijl de economieën van de Verenigde Staten en Europa instortten, was de Chinese economie bijvoorbeeld voor een derde verantwoordelijk voor de wereldwijde groei. De piek van de Chinese groei is al enige tijd voorbij en de economie vertraagt zelfs al dertien jaar. In 2015 werd China meegesleurd in een periode van deflatie, gevolgd door een instorting van de beurs, de handelsoorlog met de VS, de pandemie en het zerocovidbeleid dat enorm negatieve gevolgen had voor de economische groei van China, waardoor deze alleen maar meer werd geremd. 

    Tegen deze achtergrond begon 2023 door de opheffing van de coronamaatregelen veelbelovend. De hoge inflatie in de rest van de wereld, veroorzaakt door de oplopende energie- en voedselprijzen, zette de centrale banken wereldwijd aan tot actie. Deze leidde vervolgens tot de hoogste rentestijging in decennia. De verwachting was dat de hoge rente de Amerikaanse en Europese economieën op de knieën zou dwingen, waardoor de Chinese economie net als in 2008 sneller kon groeien dan in het Westen. Deze gunstige vooruitzichten zorgden voor sterke kapitaalinjecties in november en december vorig jaar, maar die duurden slechts tot maart dit jaar. Toen werd duidelijk dat de consumentenmarkt niet herstelde en dat het aantal investeringen ook niet toenam, zoals verwacht. 

    Uit enquêtes blijkt dat het vertrouwen van Chinese consumenten en ondernemers in de economie erg laag blijft, wat misschien verrassend lijkt na de pandemie. Maar omdat het besteedbare inkomen niet stijgt en de werkloosheid onder jongeren zelfs harder stijgt dan in Spanje, met 21,6 procent in juni, is dat niet zo gek. Ook op de investeringsmarkt is weinig herstel te zien, met de vastgoedsector als belangrijkste oorzaak. Daarbovenop ging ook de export nog eens hard achteruit en en was er zelfs sprake van een daling, met dubbele cijfers in juni. Dat is een zorgwekkende ontwikkeling aangezien de buitenlandse vraag een belangrijke bijdrage vormde gedurende de coronapandemie en zelfs nog tot begin 2023. De oorzaak van de dalende Chinese exportcijfers kan worden gezocht in de verzwakte economieën van de VS en Europa, maar de afname kan ook andere minder cyclische en meer geopolitieke oorzaken hebben, zoals risicomijdende gedrag van westerse landen en grote multinationals, die hun productie verplaatsen naar andere landen dan China. 

    Toenadering

    De zware last van de staatsschuld, vooral bij lokale overheden, en de nog altijd penibele situatie van vastgoedondernemers heeft de Centrale Bank van de Volksrepubliek China ertoe aangezet de liquiditeit in omloop te verhogen en de rentetarieven te verlagen, waardoor de yuan tot voor kort erg zwak was. Het herstel van de beurs heeft te maken met de steunmaatregelen die de Chinese autoriteiten de afgelopen weken hebben aangekondigd. Het gaat echter niet om een ouderwetse financiële injectie, maar om een oproep aan de private sector om herstel mogelijk te maken door te investeren en banen te creëren. Helaas laat de reactie van zowel Chinese als buitenlandse bedrijven op zich wachten. 

    Tot nu toe wijst alles er echter op dat de Chinese economie erg op zichzelf staat

    Een belangrijke vraag is of de rest van de wereld, die lange tijd heeft geprofiteerd van de enorme bijdrage van China aan de wereldwijde groei, veel last zal hebben van deze structurele afremming. Omdat China in 2008 profiteerde van de ingestorte economie in de VS en de EU, was de verwachting dat dit andersom ook zou gebeuren. Tot nu toe wijst alles er echter op dat de Chinese economie erg op zichzelf staat. Zelfs nog meer dan in 2008. Eén oorzaak daarvan is het feit dat China al bijna tien jaar geïmporteerde producten aan het vervangen is voor binnenlandse productie, van industriële goederen tot eindproducten zoals auto’s. Maar dit geldt ook voor de chemische en andere sectoren. De Chinese import ligt met andere woorden al lange tijd erg laag en landen met een hoge exportindustrie, zoals Duitsland, Zuid-Korea en Japan, zijn gewend geraakt aan de verminderde vraag.  

    Vanwege de handelsnabijheid zou men verwachten dat Zuidoost-Azië het meest te lijden heeft onder de Chinese stilstand, maar dat lijkt niet het geval te zijn. In 2022 bereikten de opkomende economieën in die landen zelfs een recordgroei, terwijl er in China, waar nog altijd een zerocovidbeleid heerste, sprake was van maar 3 procent groei. De groeikloof tussen opkomend Azië, aangevoerd door India en de landen van de ASEAN (Association of Southeast Asian Nations: Thailand, Indonesië, Maleisië, Singapore en de Filipijnen), en China zal in 2023 kleiner worden, maar niet helemaal verdwijnen. Dat is goed nieuws voor de rest van de wereld, want deze landen zullen een steeds grotere rol van betekenis gaan krijgen en daarbij nog onafhankelijker worden van China. Een realiteit die Europa, dat nog steeds met India onderhandelt over een handels- en investeringsovereenkomst, niet over het hoofd mag zien. 

    Vooruitkijken

    Het Verenigd Koninkrijk maakt al deel uit van een belangrijke en uitgebreide handelsovereenkomst met Azië, namelijk de Comprehensive and Progressive Agreement for Trans-Pacific Partnership (CPTPP). Dit pact zou de EU een gevoel van urgentie moeten geven als het gaat om haar handelsplannen met wat de belangrijkste groeiregio van de wereld gaat worden nu de Chinese economie blijft vertragen, onder druk van vergrijzing en een afnemend rendement op investeringen. De EU zou het tempo van de onderhandelingen met India moeten opvoeren en de ASEAN als één geheel moeten beschouwen. Het zou niet langer bilaterale onderhandelingen moeten voeren, zoals momenteel gebeurt met Indonesië en Thailand. Het is zaak zo snel mogelijk toenadering te zoeken tot opkomend Azië. 

    Het slechte nieuws is dat we er uiteindelijk aan moeten wennen dat China niet langer de grootste bijdrage levert aan de wereldwijde groei. Het goede nieuws is dat de wereld gewend is geraakt aan de structurele afremming van de Chinese economie en dat er een reservewiel is dat de wereldwijde groei draaiende houdt. Dat reservewiel bestaat uit de rest van Azië, aangevoerd door India en de landen van de ASEAN.

    Lees ook:

  • Waarom het zo moeilijk is om afscheid te nemen van steenkool

    Waarom het zo moeilijk is om afscheid te nemen van steenkool

    Het bonte gezelschap van financiers dat ‘de tandwielen’ van de steenkoolindustrie smeert, zal er waarschijnlijk voor zorgen dat deze lucratieve handel stand houdt, ook al is dat schadelijk voor planeet. De markt wil maar geen afscheid van de de vervuilende brandstof nemen.

    Opgestapeld onder de azuurblauwe lucht in de haven van het Australische Newcastle liggen bergen steenkool waar gigantische shovels hapjes uit nemen. Ze scheppen het spul op transportbanden, die naar vrachtschepen leiden van soms wel drie voetbalvelden lang. Jaarlijks verwerken deze terminals 200 miljoen ton van de brandstof, wat Newcastle de grootste kolenhaven ter wereld maakt. De doorvoer beleeft een indrukwekkende comeback, nadat overstromingen vorig jaar de toelevering een zware slag hadden toegebracht. 

    Aaron Johansen, die toezicht houdt op de nieuwste, volledig geautomatiseerde terminal, verwacht voor de komende zeven jaar in ieder geval geen kleinere cijfers. Rijke Aziatische landen, zoals Japan en Zuid-Korea, snakken naar de hoogwaardige steenkool die de terminal passeert. En dat geldt ook steeds meer voor opkomende landen als Maleisië en Vietnam.

    Aan de andere kant van de wereld is de stemming wel anders. De afgelopen weken verstoorden activisten meermaals de jaarlijkse algemene vergadering van Europese banken en energiebedrijven, waarbij zij grote schrijvers citeerden, onder wie Shakespeare (Don’t shuffle off this mortal coil) en de Spice Girls (Stop right now), in hun oproep een einde te maken aan de steenkoolwinning. Ze geven een stem aan de breed gevoelde angst voor wat steenkool voor het klimaat kan aanrichten als grootste bron van broeikasgassen. De brandstof was goed voor ruim 40 procent van energiegerelateerde koolstofemissies in 2022. De Verenigde Naties zeggen dat de productie met 11 procent per jaar moet dalen om de opwarming van de aarde ten opzichte van pre-industriële tijden onder de 1,5 graad Celsius te houden. Het Internationaal Energieagentschap (IEA), een officiële voorspellende instantie, wil niet dat er nieuwe mijnen worden geopend, noch dat er bestaande worden uitgebreid. Klimaatexperts denken dat 80 procent van de reserves ongebruikt moet blijven.

    In 2020 meende het IEA nog dat de steenkoolconsumptie tien jaar geleden al een hoogtepunt had bereikt

    Dit moet dan voornamelijk gebeuren door de financiële toeleveringsketen af te knijpen. Ruim tweehonderd van ’s werelds grootste financiers, waaronder 87 banken, hebben aangekondigd dat ze investeringen in kolenmijnbouw of kolencentrales aan banden zullen leggen. Kredietverstrekkers die goed zijn voor 41 procent van de wereldwijde bankactiva hebben zich aangesloten bij de Net-Zero Banking Alliance en toegezegd hun portefeuilles tegen 2050 af te stemmen op CO2-neutrale emissies. Op de COP26-top in 2021 voorspelden de VN dat de steenkoolproductie door deze campagne verleden tijd zou worden. In 2020 meende het IEA nog dat de consumptie tien jaar geleden al een hoogtepunt had bereikt.

    Geoliede handelsmachine

    Toch lijkt koning Steenkool steviger op zijn troon te zitten dan ooit. In 2022 bedroeg de vraag ernaar voor het eerst meer dan 8 miljard ton. In dit artikel beschrijven we wie de tandwielen van deze ooit tot ondergang gedoemd lijkende handelsmachine smeert. Onze bevinding is dat de markt levendig, goed gefinancierd en winstgevend is. Nog opvallender is dat het bonte gezelschap van financiers er waarschijnlijk voor zal zorgen dat de handel tot ver in de jaren dertig van deze eeuw standhoudt, en dat die handel nog een aantal zakken flink zal vullen, ten nadele van de planeet.

    Het is verleidelijk om 2022 als een uitzonderlijk jaar te beschouwen. Rusland sneed de gasleidingen naar Europa af en Europa verbood de invoer van steenkool uit Rusland. Het continent verliet zich op vloeibaar aardgas (lng) dat bestemd was voor Azië en thermische steenkool uit Colombia, Zuid-Afrika en het verre Australië. Ook Aziatische landen die afhankelijk zijn van hoogwaardige Russische steenkool gingen diversifiëren. De prijzen voor topkwaliteit stegen. De armere buren van Europa werden uit de gasmarkt geprijsd en stortten zich op brandstof van mindere kwaliteit.

    De crisis van vorig jaar heeft de importafhankelijke Aziatische landen eraan herinnerd dat wanneer energie schaars is, steenkool uitkomst biedt

    Nu is de storm gaan liggen. Na een zachte winter hebben Europese nutsbedrijven weer behoorlijke voorraden aan gas en kolen. Maar naarmate de vraag naar stroom voor verkoelingsapparatuur in steeds warmere zomers toeneemt, zal de invoer van steenkool versnellen. De Chinese economie is het tijdperk van zerocovidbeleid te boven gekomen, India gaat als een speer. Handelaren verwachten dat het wereldwijde verbruik dit jaar met nog eens 3 tot 4 procent zal groeien.

    Steenkool blijft waarschijnlijk ook na 2023 in trek. Het klopt dat de vraag in Europa zal afnemen naarmate het aanbod van hernieuwbare energiebronnen stijgt. In de VS, met hun goedkopere schaliegas, ís de vraag al laag. Maar de crisis van vorig jaar heeft de importafhankelijke Aziatische landen eraan herinnerd dat wanneer energie schaars is, steenkool uitkomst biedt. Kolen zijn goedkoper en ruimer voorradig dan andere brandstoffen en – eenmaal op eenvoudige schepen geladen – overal naartoe te vervoeren. Dit in tegenstelling tot lng, waarvoor je speciale schepen en terminals voor hervergassing moet bouwen, wat jaren duurt. China wil de komende twee jaar 270 gigawatt aan nieuwe kolencentrales bouwen, meer dan welk land dan ook ter wereld vandaag de dag aan capaciteit heeft. India en een groot deel van Zuidoost-Azië volgen hetzelfde pad.

    Blijvende vraag naar steenkool

    Zelfs als het Westen steenkool snel afzweert, zal de vraag naar thermische steenkool tussen nu en 2030 met slechts 10 tot 18 procent dalen, verwacht de Boston Consulting Group. Een groot deel van de vraag komt voor rekening van de binnenlandse productie in China en India, de grootste verbruikers ter wereld. Import blijft echter cruciaal. Investeringsbanken verwachten niet dat de verhandelde volumes dit decennium snel onder de 900 miljoen ton komen, ten opzichte van 1 miljard ton vorig jaar. Eén investeringsbank, Liberum Capital, verwacht de komende vijf jaar een stijgende invoer.

    Blijft de wereldwijde kolenmarkt aan die hardnekkige vraag voldoen? Ons onderzoek lijkt te zeggen van wel. Er is genoeg geld voor drie vitale schakels in de toeleveringsketen: handel en scheepvaart, meer graven in bestaande mijnen, en nieuwe projecten.

    Handelsfinanciering is nog het eenvoudigst. Consultant Oliver Wyman berekende voor The Economist dat hoge prijzen, samen met de langere reizen als gevolg van omgeleide export, de behoefte aan werkkapitaal van kolenhandelaren in 2022 opdreven tot 20 miljard dollar, vier keer het historische gemiddelde. Ervan uitgaande dat de gemiddelde kolenprijs boven de 100 dollar per ton blijft, wat veel analisten verwachten, blijft die behoefte tot ten minste 2030 boven de 7 miljard dollar.

    Handelaren in grondstoffen blijven liquide genoeg om de aankoop van kolen te financieren. Een van hun geldbronnen bestaat uit bedrijfsleningen via meerjarige bankleningen of obligaties, waardoor bedrijven een vastgesteld bedrag naar eigen goeddunken kunnen gebruiken. Handelaren kunnen ook gebruikmaken van doorlopend krediet op korte termijn, verstrekt door groepen banken. Veel van dit soort financieringen zijn sinds begin 2022 uitgebreid – en belopen vaak enkele miljarden dollars – om handelaren te helpen sterke prijsschommelingen op te vangen. Banken die restricties opleggen en bepalen dat het geld niet mag worden gebruikt om steenkool te kopen, lopen het grote risico dat handelaren hun toevlucht zoeken tot concurrenten die wat minder strikt in de leer zijn. Dat zijn dus maar weinig banken.

    Financieel directeuren bij handelsfirma’s zeggen dat banken in landen waar handel de voornaamste bron van inkomsten is, waaronder DBS in Singapore en UBS in Zwitserland, nog steeds steenkoolaankopen financieren. Zwitserse regionale geldschieters helpen graag. Hetzelfde geldt voor banken in consumerende landen, zoals China en Japan, evenals voor de Britse bankengroep Standard Chartered, die zich richt op Aziatische bedrijven (DBS en Standard Chartered melden allebei dat ze hun belang in thermische steenkool aan het verminderen zijn). Alleen Europese kredietverstrekkers, vooral Franse, hebben zich teruggetrokken. De opengevallen plaatsen zijn ingenomen door banken uit producerende landen, zoals Australië, Indonesië en Zuid-Afrika. 

    Zelfs het door sancties getroffen Rusland exporteert het grootste deel van zijn steenkool

    Kleinere, uitsluitend op kolenhandel gerichte bedrijven (de zogeheten ‘pure players’) voelen wel een grotere druk. Banken die toch al nooit veel geld aan hen hebben verdiend, kunnen nauwelijks volhouden dat ze niet weten hoe het geleende geld wordt gebruikt. Vorig jaar werden sommige handelaren gedwongen geld te lenen van private fondsen, vaak gedekt door vermogende individuen, tegen jaarlijkse tarieven van bijna 25 procent – ongeveer vijf keer de standaardkosten. Maar na maanden van bloeiende handel hebben velen geen externe financiering meer nodig. Eén bankier zegt dat sommige van zijn in kolen handelende klanten de winst in 2022 hebben zien vertienvoudigen. Een van hen, gevestigd in Londen, zag zijn totale vermogen stijgen van 50 miljoen pond in 2021 naar 700 miljoen in 2023.

    Om het product vervolgens naar kopers te verschepen, hebben handelaren vaak een door een gerenommeerde bank afgegeven garantie nodig dat ze op tijd worden betaald. Steeds minder leners willen dergelijke ‘kredietbrieven’ verstrekken, maar er zijn ook manieren om dit te omzeilen. Sommige handelaren brengen hun klanten meer in rekening om het tegenpartijrisico te dekken. Het helpt dat de investering beperkt is. Met de huidige prijzen kan een vracht steenkool niet meer dan 4 tot 5 miljoen dollar waard zijn. Een olietanker daarentegen kan voor 200 miljoen dollar aan ruwe olie vervoeren. Anderen maken gebruik van vertrouwde tussenpersonen, of vragen grotere garanties op andere goederen die de klant koopt. Sommige overheden in ontvangende landen geven de garantie zelf af of betalen zelfs vooruit.

    Transport

    Buiten Zuid-Afrika, waar spoorwegstakingen het transport hebben lamgelegd, biedt het vasteland voldoende infrastructuur om steenkool te vervoeren. Die infrastructuur zal zich alleen maar uitbreiden. Global Energy Monitor, een Amerikaanse ngo, verwacht dat India van plan is zijn kolenterminals meer dan te verdubbelen tot 1400 (momenteel zijn er wereldwijd 6300). De logistiek over zee is beperkter: onder druk van groene aandeelhouders mijden sommige verladers steenkool inmiddels. Maar kleinere transporteurs, vaak Chinezen of Grieken, hebben het stokje overgenomen. Handelaren melden geen problemen bij het verzekeren van de vracht. Zelfs het door sancties getroffen Rusland exporteert het grootste deel van zijn steenkool en gebruikt dezelfde mix van obscure handelaren en scheepvaartmaatschappijen, uit Hongkong of de Golf, die het gebruikt om zijn olie naar Azië te verschepen.

    Financiering van meer graafwerkzaamheden in bestaande mijnen – de tweede schakel in de toeleveringsketen – is ook geen probleem. Vorig jaar steeg de steenkoolproductie tot een record van 8 miljard ton. Maar helemaal business as usual is het niet. Sinds 2018 hebben veel ‘majors’ in de mijnbouw (gediversifieerde conglomeraten die op openbare markten opereren) hun steenkoolactiva geheel of gedeeltelijk verkocht. Maar in plaats van te worden ontmanteld, zijn afgestoten activa opgepikt door particuliere mijnbouwers, concurrenten in opkomende markten en investeringsfirma’s. Nieuwe eigenaren hebben er geen moeite mee om mijnen volledig te benutten. In 2021 verzelfstandigde Anglo American, een in Londen gevestigde major, zijn Zuid-Afrikaanse mijnen in een nieuw bedrijf dat onmiddellijk beloofde de productie op te voeren.

    Net als handelaren zitten de mijnbouwondernemingen op dit moment goed in de slappe was. De drie grootste ‘pure-play’-steenkoolproducenten van Australië gingen van een nettoschuld van 1 miljard dollar in 2021 naar 6 miljard dollar aan nettocontanten vorig jaar. Ze hebben het grootste deel van hun langlopende leningen afgelost, dus op dat gebied zijn er geen belangrijke deadlines. ‘Tegenwoordig gaat het niet meer om de vraag “Hoe herfinancier ik mijn schuld?” maar om “Wat doe ik met mijn extra geld?”,’ zegt een financieel directeur van een van hen.

    Inconsequent beleid

    Steenkoolmijnbouwondernemingen kunnen nog steeds geld lenen wanneer dat nodig is. Uit gegevens die de ngo Urgewald verzamelde, blijkt dat ze in de periode 2019-2021 in totaal 62 miljard dollar aan bankleningen hebben verkregen. Japanse bedrijven (SMBC, Sumitomo, Mitsubishi) waren de grootste geldschieters, gevolgd door Bank of China en JP Morgan Chase en Citigroup uit de Verenigde Staten. Europese banken stonden ook in de top-15. In deze periode slaagden mijnbouwbedrijven, voornamelijk uit China, er ook in om voor 150 miljard dollar aan obligaties en aandelen te verkopen, waarvoor Chinese banken vaak borg stonden. En de liquiditeit houdt aan. Urgewald heeft berekend dat in 2022 zestig grote banken in totaal 13 miljard dollar naar de dertig grootste steenkoolproducenten ter wereld hebben gesluisd.

    Dit is mogelijk doordat het beleid van financiële ondernemingen dat steenkool uitsluit verre van consequent is. Vaak treedt dat beleid pas in 2025 in werking. In sommige gevallen geldt het alleen voor nieuwe klanten. In andere is financiering van projecten wel verboden, maar geldt dat niet voor algemene bedrijfsleningen die mijnbouwers kunnen gebruiken om naar steenkool te graven. Beleid dat dergelijke leningen beperkt, geldt vaak alleen voor mijnbouwers die veel van hun inkomsten uit steenkool halen, meestal 25 of 50 procent. Veel grote bedrijven, waaronder Glencore, een Zwitserse grondstoffengigant die 110 miljoen ton per jaar produceert, zitten onder deze percentages.

    Sommige beleidsregels zijn bewust vaag geformuleerd om vrijstellingen mogelijk te maken. Hoewel Goldman Sachs heeft beloofd ‘binnen een redelijk tijdsbestek’ te zullen stoppen met het financieren van thermische steenkoolmijnbouwbedrijven zonder diversificatiestrategie, schijnt de bank leningen te blijven verstrekken aan Peabody, een gigantisch Australisch mijnbouwbedrijf dat vorig jaar 78 procent van zijn inkomsten betrok uit de verkoop van steenkool (wellicht hielp het dat het bedrijf onlangs een bescheiden dochteronderneming op het gebied van zonne-energie heeft opgericht). Van de 426 grote banken, investeerders en verzekeraars die werden beoordeeld door Reclaim Finance, een andere ngo, kan van slechts 26 worden vastgesteld dat ze een beleid voeren dat overeenstemt met een nettonulscenario in 2050. Nog minder van die bedrijven hebben gezegd steenkool volledig te zullen afzweren. De meeste Chinese en Indiase staatsbanken hullen zich op dat gebied in stilzwijgen.

    Het financieren van nieuwe projecten in rijke landen stuit op nogal wat obstakels

    Kortom, weinig banken zijn bereid om hun omzet of de voorraden van hun land te schaden. Volgens analisten helpt dit de bestaande mijnen om tot begin 2030 aan de vraag te voldoen. Pas dan kan er sprake zijn van een crisis in de steenkoolsector. Westerse banken, die hun beleid vaak om de zoveel tijd evalueren, zullen de duimschroeven langzaam maar zeker aandraaien. Het huidige gebrek aan nieuwe projecten – de derde schakel in de keten – betekent dat er mogelijk niet genoeg nieuwe voorraad is wanneer oude mijnen stoppen met produceren.

    Hoewel het steeds moeilijker is om nieuwe projecten gefinancierd te krijgen, is er nog altijd geld beschikbaar. Westerse banken trekken zich terug, maar andere spelers dringen zich op de voorgrond. Westerse mijnbouwers zijn al jaren zuinig met kapitaalinvesteringen. Nadat ze in het eerste decennium van deze eeuw een hoop hadden uitgegeven, leden velen onder de prijsdalingen halverwege de jaren tien. En al boeken ze nu weer flinke winsten, dan nog kopen de grote jongens liever concurrenten op, heropenen ze oude mijnen of geven ze kapitaal terug aan aandeelhouders dan dat ze nieuwe ondernemingen in het leven roepen. Het investeringsklimaat is het schraalst in de steenkoolsector. Een mijn vanaf de grond opbouwen kan meer dan tien jaar duren. En ook het verkrijgen van vergunningen, die in het Westen steeds vaker worden geweigerd, is een uiterst tijdrovende zaak.

    Het financieren van nieuwe projecten in rijke landen stuit op nogal wat obstakels. Vorig jaar moest Adani Group, een Indiaas bedrijf dat het beheer voert over Carmichael, een enorme kolenmijn in aanbouw in Queensland, uit eigen zak 500 miljoen dollar aan obligaties herfinancieren die het voor het project had uitgegeven. Sommige opportunistische fondsen zullen blijven mikken op sappige winsten, vooral in geval van prijsstijgingen. De eerste diepe steenkoolmijn die in decennia in Groot-Brittannië is gegraven, is uiteindelijk eigendom van EMR Capital, een investeringsfirma die is opgericht op de Kaaimaneilanden. Peter Ryan van Goba Capital, een soortgelijk bedrijf in Miami, verwacht dat de kolenactiva van zijn bedrijf tegen 2030 verachtvoudigd zullen zijn.

    Hardnekkige grondstof

    In Azië is de situatie anders. Banken blijven behulpzaam. Beleggers zijn begonnen nieuwe mijnen in eigen land te steunen. Familiefondsen, die zijn opgericht om het fortuin van de rijken te beleggen, zijn geïnteresseerd. Elke zakelijke dynastie in Indonesië, waar mijnbouw de ruggegraat van de economie vormt, moet steenkool bezitten, zegt een handelaar. In India doen obscure vastgoedfirma’s biedingen op land waar steenkool valt te winnen. Uiteindelijk zouden bedrijven uit deze landen mijnen kunnen aanleggen in het buitenland, gevolgd door banken, maar Chinese uitstapjes in het Westen zullen zeldzaam blijven; Indiase en Indonesische bedrijven, die al een samenstel van steenkoolactiva in Australië bezitten, zullen hun voetafdruk echter ongetwijfeld vergroten.

    Hoewel steenkool zich in een neerwaartse spiraal bevindt, zal het afscheid onaangenaam lang duren

    En dus zal de steenkolenmarkt er in de jaren dertig heel anders uitzien. ‘Van eigendom en exploitatie tot financiering en consumptie: steenkool wordt een grondstof voor opkomende markten,’ zegt een mijnbouwondernemer. De prijzen blijven hoog door aanvoerbeperkingen, maar de groep exporteurs die hieraan goud geld verdient, zal krimpen. Colombia en Zuid-Afrika, die Europa bedienen, verliezen hun afzetmarkt. Rusland zal het moeilijker krijgen om naar China te verschepen. Alle drie zullen ze minder steenkool exporteren voor minder geld. Australië zal critici sussen door zich te concentreren op de efficiëntste steenkool; dan kan het land minder exporteren maar hogere prijzen berekenen. Indonesië zou de toonaangevende exporteur kunnen worden, zoals Saoedi-Arabië dat nu is voor olie. Het zal meer van zijn basissteenkool verkopen, vaak voor meer geld.

    Hoewel steenkool zich in een neerwaartse spiraal bevindt, zal het afscheid onaangenaam lang duren. Rond de jaren veertig kan de vraag voorgoed uitdoven, ten gunste van hernieuwbare energiebronnen. Maar zelfs dan houden sommige landen hun opties open. Stel dat er nog eens een energiecrisis komt. ‘Dan zal steenkool, die grondstof die niemand wil, de grondstof zijn die we wel weer moeten gebruiken,’ zegt een grote handelaar die Azië bedient. ‘Dat zou weleens een eeuwigdurend kenmerk van steenkool kunnen zijn.’

    Lees ook:

  • Generatie Z, ingeklemd tussen fast fashion en duurzaamheid

    Generatie Z, ingeklemd tussen fast fashion en duurzaamheid

    Ze hebben het over duurzaamheid én dromen van privéjets. Er is geen klantengroep die ondernemingen meer hoofdbrekens bezorgt dan Generatie Z. Waar geven jongeren hun geld aan uit? En hoe kun je ze bereiken zonder dat ze het cringe vinden?

    Als Sally Özcan, een influencer van 34 jaar, uitlegt hoe haar wereld eruitziet, komen zelfs keukenbedrijven als Miele, Vitra en Bosch naar haar luisteren. Ook managers van andere traditionele bedrijven zijn naar München gekomen om iets van haar op te steken. Het gaat erom hip en aantrekkelijk te worden voor een jonge doelgroep, wier wensen niet meer worden begrepen. Ze heeft een hand-out meegenomen, een to-do-list voor de nieuwe tijd. Het allerbelangrijkste is volgens haar de app die je gebruikt. 

    Facebook? De mensen daar zijn ‘oud en koopkrachtig’ en die zijn het gemakkelijkst te bereiken met nostalgie, met slogans in de trant van ‘Vroeger was alles beter’. Generatie Z moet je elders zoeken, vertelt Özcan. Op feelgoodsite Pinterest bijvoorbeeld (‘veel geld, veel vraag’) of op TikTok (‘laag inkomen, korte aandachtsspanne’). Om de heel jonge consumenten te bereiken moet de bedrijfstak in elk geval zijn oude reclamespotjes overboord gooien. Wat voor hen telt, is geloofwaardigheid. ‘Dat is wat Generatie Z zoekt. Ze willen geen reclame, ze willen transparantie.’

    Geloofwaardigheid

    Via haar website Sallys Welt (shop, blogs, filmpjes) bereikt Özcan miljoenen kijkers. Op YouTube bakt ze Schwarzwälder Kirschtorte, op TikTok legt ze uit hoe een spuitzak werkt, op Facebook post ze foto’s van haar boekhouding. Ook al hoort ze daar zelf niet bij, voor Generatie Z – de mensen die geboren zijn tussen 1995 en 2010 – is Özcan een ster. Zij weet hoe je de ‘zoomers’ moet aanspreken.

    ‘Fabrikanten kopen bij ons geloofwaardigheid’

    Om de maand maakt ze een ‘grote keukeninrichtingsvideo’ voor het dure merk Nobilia. Ze werkt samen met KitchenAid en Bosch, waarvan ze producten gebruikt om taarten en quiches te bakken. Sallycon Valley, dat ze samen met haar man runt in Waghäusel in Baden, heeft een miljoenenomzet en bijna honderdvijftig werknemers. Haar simpele formule: ‘Fabrikanten kopen bij ons geloofwaardigheid,’ zegt Özcan. En dat mag wat kosten.

    Inmiddels proberen bijna alle ondernemingen de jonge klanten aan zich te binden, maar de manier waarop ze dat doen komt vaak nogal hulpeloos over. Meubelfabrikant XXXLutz gebruikt jongerentaal in zijn reclamespots. Deutsche Telekom probeert met behulp van een jonge vrouwelijke rapper van zijn dure imago af te komen. Ryanair gooit het over een andere boeg en steekt op de sociale netwerken de draak met ontevreden klanten.

    Generatie Z is op de consumentenmarkt inmiddels de grootste machtsfactor. Over een paar jaar zal ze de millennials als grootste kopersgroep voorbijstreven. Business Insider schat haar koopkracht in de VS nu al op 360 miljard dollar. Jonge mensen kopen meer nieuwe kleding en elektronica dan voor de pandemie en zetten trends die hun leeftijdsgroep overstijgen: recession core, bijvoorbeeld, minimalistische beige mode voor een leven in crisistijd. Met traditionele middelen zijn ze intussen nauwelijks nog te bereiken. Meer dan een derde van de Duitse Generatie Z kijkt geen tv en verdeelt reclamespotjes in twee categorieën: belachelijk of irritant.

    Is marketing ook mogelijk zonder dat het cringe, oftewel totaal gênant wordt?

    Het grootste probleem voor ondernemers is dat de vertegenwoordigers van deze generatie zo tegenstrijdig lijken. Volgens een enquête vindt bijna twee derde van hen het belangrijk zijn winkelwagen te vullen met duurzame producten. Tegelijkertijd zijn veel van de populairste producten heel schadelijk voor het milieu. Wegwerp-e-sigaretten van ELFBAR: van plastic. Fast fashion van Shein: uit China. Bontgekleurde fidget toys met plopeffect: gekocht uit verveling. Wat wil deze generatie nou echt? Hoe kunnen bedrijven zo’n ambivalente leeftijdsgroep bereiken? En is marketing ook mogelijk zonder dat het cringe wordt, dat wil zeggen: zonder het risico te lopen dat het totaal gênant wordt?

    Volgens Mathias Horsch wel. Hij is 28 – Patagoniahemd, Birkenstocks, Apple Watch – en start-up-ondernemer. Met zijn vrienden Fredi en Philipp heeft hij een paar jaar geleden Holy opgericht. In het begin maakten ze gaming boosters: energydrinks in poedervorm die de prestaties bij videogames moeten verbeteren. Highscores door cafeïne, een absolute hit bij jonge gamers. Tegenwoordig is het bedrijf in Berlijn gespecialiseerd in softdrinks in poedervorm. Horsch ziet Red Bull en Coca-Cola als zijn belangrijkste concurrenten, hij krijgt er per maand 15.000 nieuwe klanten bij. Dat kan alleen als je concessies doet.

    ‘Onze producten zijn suikervrij, maar er zit natuurlijk wel een zoetstof in omdat ze anders niet smaken,’ zegt hij; veel klanten vinden dat ongemakkelijk. De kakelbonte Holy-verpakking moet duurzaam zijn, maar er moet wel een plastic deksel op omdat het poeder anders hard wordt. Horsch zucht en bestelt een curryworst – van vlees, maar met vegan mayo.

    Concessies

    Het zijn concessies die vermoedelijk elk jong bedrijf moet doen. Maar Holy heeft ze in zijn eigen voordeel leren gebruiken. Zijn concept: radicale nabijheid. Horsch en zijn medeoprichters leggen op Instagram continu uit wat ze doen, ze rijden met een omgebouwde frietkar door het hele land en laten leden van de Holy Squad, zoals de hardcore-klanten zich noemen, stemmen over toekomstige varianten. ‘Er is zo veel oninteressant spul op de markt,’ zegt Horsch. Als je jongeren wilt bereiken, moet je eerlijk zijn. ‘Dan zijn ze ook authentiek gehypet.’

    Traditionelere producenten hebben het daar moeilijk mee. Thomas Wlazik leidt het marketingteam van TikTok voor de Duitstalige markt. Hij moet bedrijven telkens weer leren op hun apps geen klassieke tv-spots te gebruiken. Dat zou gewoon te gênant zijn.

    ‘Op spoor 11 komt binnen het Tik Tok-kanaal van Deutsche Bahn. Met drie jaar vertraging’

    Als voorbeeld van een bedrijf dat de boodschap heeft begrepen, noemt hij Deutsche Bahn. ‘Hun posts zitten vol zelfspot en laten gewoon de werkelijkheid zien,’ zegt hij. In de eerste video van DB is een aankondiging te horen: ‘Op spoor 11 komt binnen het Tik Tok-kanaal van Deutsche Bahn. Met drie jaar vertraging.’

    Merken die bij Generatie Z scoren, zijn vooral de merken die zich door een persoon laten presenteren. Meer dan de helft van de jongvolwassenen vindt influencers geloofwaardiger dan klassieke reclamespotjes.

    Zelfs het blauwe mosterdpotje van Bautz’ner wordt nu op de markt gezet via content creators die in de camera grijnzen terwijl ze mosterd naar binnen lepelen. Het doel is de mosterd neer te zetten als de ‘zelfironische love brand van Gen Z’, schrijft reclamebureau WeCreate, zonder ‘de vaste klanten (met name in Oost-Duitsland) van zich te vervreemden’.

    ‘Bedrijven moeten zijn waar wij zijn, namelijk op onze telefoon’

    Wanneer je als merk niet heel vroeg in iemands leven aanwezig bent, ben je gewoon nooit aanwezig, zegt Yaël Meier: ‘Bedrijven moeten zijn waar wij zijn, namelijk op onze telefoon.’ Meier weet waar ze het over heeft: grote concerns bellen haar als ze in verband met Generatie Z weer eens met de handen in het haar zitten. De 22-jarige Zwitserse is een soort exegeet voor gearriveerde marketingafdelingen; samen met haar levenspartner runt ze het managementadviesbureau Zeam in Zürich; ‘team’, maar dan met een z.

    Als ze met bedrijven praat, moet ze vaak vooroordelen uit de weg ruimen, zegt Meier terwijl ze van haar matchathee nipt. Bijvoorbeeld dat jonge mensen nauwelijks geld hebben om uit te geven. ‘Dat klopt niet,’ zegt ze. ‘Jongeren hebben geen vermogen, maar wel geld. En dat geven ze graag uit, liefst aan luxe zaken.’ Aan Rolexhorloges, kleren van Yves Saint Laurent of een peperdure haardroger van Dyson. Ook BMW, zegt Meier, is ongelooflijk populair bij Gen Z, ‘omdat het merk erin is geslaagd aansluiting te vinden bij de digitale wereld’. Het automerk uit München zet inmiddels inderdaad zijn logo op gamestoelen en computermuizen. Een sportwagen past nu eenmaal niet in de kinderkamer.

    First class

    Ook luxe reizen zijn bij Generatie Z ongelooflijk in opkomst, beweert Meier. ‘In mijn Instabubbel is het tegenwoordig absoluut trendy om business of first class te vliegen.’ Bedrijven als Solutions Holding, dat wereldwijd meer dan vijftig hotels exploiteert of beheert, profiteren daarvan. Ronja Gerhard (37), erfgename van het bedrijf, ontwikkelde een half virtuele, half analoge avonturenreis voor jonge vrouwelijke vakantiegangers: Sisters of Paradise.

    De kern ervan is een soort speurtocht met websitebegeleiding, waarbij je een bende meisjes helpt die op zoek gaan naar hun verdwenen broer. Op elke vakantielocatie van Gerhard wordt een nieuw hoofdstuk van de participatieroman geactiveerd. Een trip die het midden houdt tussen rollenspel en voorleesboek. Juist jonge mensen, zegt Ronja Gerhard, willen geen doorsneehotels, maar een story.

    ‘De nieuwe hardheid in de wereld drukt ook haar stempel op Generatie Z’

    Zulke trends zorgen bij veel bedrijven voor verwarring. Was het niet deze generatie die niet van straat weg te krijgen was omdat ze opkwam voor het klimaat? Hadden ze het niet zojuist nog over vliegschaamte?

    Marc Herz (41), marktonderzoeker en partner bij het strategiebureau K’UP in Berlijn, heeft begrip voor deze ambivalentie: ‘De nieuwe hardheid in de wereld drukt ook haar stempel op Generatie Z.’ Over elkaar heen buitelende crises zijn deel van het dagelijks leven van deze leeftijdsgroep, die is opgegroeid met corona, de klimaatcrisis en de Russische oorlog tegen Oekraïne. En die nu ook weleens wat anders wil. Bij een deel constateert Herz een ‘vlucht naar schoonheid’, die af en toe doorslaat naar verspilling.

    Uit onderzoek blijkt dat 20 procent van de jongeren tussen 14 en 29 jaar schulden heeft.

    Herz ziet dat deze generatie in een zingevingscrisis zit. Jongeren zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheid en zouden vaak ook meer aan biologische producten willen uitgeven. En dan moeten ze voor zichzelf verantwoorden dat ze geen weerstand kunnen bieden aan snelle modetrends. ‘Dan zeggen ze dat iedereen het immers doet en dat je toch niets goed kunt doen,’ zegt Herz. Een kwart van de 18- tot 25-jarigen vindt het in eerste instantie een taak van de overheid om milieuproblemen aan te pakken, slechts 13 procent geeft zichzelf de schuld. Chinese webwinkels als AliExpress en Temu, razend populair bij Generatie Z, passen in dit beeld: hier speelt een schoon geweten dan even geen rol.

    Jongere consumenten die het anders willen doen, zie je op zaterdagochtend in Kulturkirche Altona in Hamburg. Start-up Vinokilo verkoopt er vintage kleren; de rekken hangen vol geruite overhemden, spijkerrokjes en bloemetjesjurken. De clou is dat je hier per kilo betaalt, de prijzen liggen tussen de 40 en 55 euro. Zo’n honderd jongvolwassenen verdringen zich tussen de rijen. Sehraa (20) stopt kleren in een fruitkrat die op een weegschaal staat. ‘Vijf kilo?’ zegt ze lachend en ongelovig. Ze duwt haar metgezel twee jassen in handen en weegt alle items nog eens, een voor een. Ze heeft al zo veel kleren, zegt ze. Ze koopt ze toch.

    Achter Vinokilo zit ondernemer Robin Balser (33), die al als student een soort kledingruilbeurs runde. Sinds 2017 verkoopt hij beroepsmatig tweedehands spullen en heeft hij het oude idee van verkoop per kilo voor een nieuwe generatie aantrekkelijk gemaakt. Sehraa en andere klanten hebben het evenement ontdekt op Instagram. ‘Don’t let fashion rule you,’ schrijft Vinokilo daar. Dat past bij hun levensstijl: wie vintage koopt, draagt zowel individualiteit als duurzaamheid uit.

    De influencerscultuur heeft een druk gecreëerd om ‘iedere dag iets anders aan te trekken’

    In de ogen van de kopers, zegt Robin Balser, is tweedehands kleding van een soort vodden veranderd in een premium product. De influencerscultuur heeft een druk gecreëerd om ‘iedere dag iets anders aan te trekken’. Zo’n driekwart van Generatie Z zegt wel eens tweedehands kleding te hebben gekocht. De koopzucht wordt in elk geval niet minder, ze verandert alleen. Neem Henri, negentien jaar, die met zijn vingers snel door de mannenoverhemden gaat. Minder consumeren is belangrijk voor hem, zegt hij. ‘Maar nog belangrijker is hoe dingen eruitzien.’

    Het lijkt alsof deze generatie klem zit tussen twee uitersten: fast fashion en slow vintage, verspilling en duurzaamheid. Maar er is een derde weg en ook die is allang een trend geworden. Met deinfluencing willen jonge mensen corrigeren wat influencers hebben aangericht. Ze gaan voor een camera zitten, laten allerlei producten van Amazon of Chinese webwinkels zien en zeggen wat niemand anders zegt: ‘Dit heb je helemaal niet nodig.’

  • Hoe Europese landen het geboortecijfer proberen op te krikken

    Hoe Europese landen het geboortecijfer proberen op te krikken

    Bijna overal in Europa proberen regeringen de geboortecijfers op te krikken. In het ene land gaat dit met meer succes gepaard dan in het andere. Eén ding staat in ieder geval als een paal boven water: geld alleen helpt niet.

    Het plan van minister Lisa Paus [de Duitse minister van Gezin, Senioren, Vrouwen en Jongeren] om de ouderschapsuitkering af te schaffen voor stellen met hogere inkomens is onderwerp van verhitte debatten. Ook de toekomst van de gescheiden belastingaanslag voor echtgenoten is binnen de Duitse coalitie een twistpunt. Maar is gezinsbeleid alleen in Duitsland controversieel? Hoe is de situatie in andere Europese landen? Hoe ontwikkelen de cijfers zich daar en welke tegemoetkomingen krijgen ouders en kinderen?

    Polen

    Spanje en Italië kijken misschien jaloers naar het geboortecijfer van Polen, maar vergeleken met zijn EU-buren komt Polen achteraan met 1,33 kind per gezin (in 2021). Zelfs het Familie 500+-programma heeft daar geen verandering in kunnen brengen. Sinds de partij PiS in 2016 aan de macht is, ontvangt elk gezin 500 złoty per kind per maand, ongeacht het inkomen, tot de achttiende verjaardag van het kind. Omgerekend is dat ongeveer 112 euro.

    De PiS-regering verwaarloost de gezondheidszorg, schaft seksuele voorlichting op scholen af, beperkt de toegang tot voorbehoedsmiddelen en staat abortussen alleen toe na verkrachting, incest of als het leven van de moeder gevaar loopt. Toch is het 500+-programma als belangrijke sociale beleidsmaatregel onomstreden. In de verkiezingscampagne overboden de PiS en zijn grootste tegenstander, de PO van Donald Tusk, elkaar met beloftes. De PiS heeft vanaf 2024 een kinderbijslag van 800 złoty beloofd. Hoe dat gefinancierd moet worden is onduidelijk.

    Dat het geboortecijfer nog steeds niet stijgt, komt volgens activisten voor vrouwenrechten mede door het verbod op abortus. Jonge vrouwen zijn bang om zwanger te worden. Er sterven regelmatig zwangere vrouwen in Poolse ziekenhuizen. In alle gevallen stierf de foetus in de baarmoeder. Als er niet snel wordt ingegrepen, leidt dat tot een fatale sepsis [een heftige reactie op een bacterie]. 

    Door een gebrek aan kinderopvangplaatsen is het vooral voor vrouwen ook moeilijk om weer aan het werk te gaan. Pas na de derde verjaardag van het kind is er recht op gratis kinderopvang. Het maakt de wetgever niet uit of de vader of de moeder ouderschapsverlof opneemt; degene die voor het kind zorgt, krijgt kinderopvangtoeslag. Om het geboortecijfer te verhogen, dragen verschillende steden bij aan de kosten van in-vitrofertilisatie (ivf). Onder de PO-regering gold dat voor het hele land, maar de PiS heeft deze maatregel stopgezet.

    Oostenrijk

    Wat betreft sociale uitkeringen voor ouders is Oostenrijk vrij royaal in vergelijking met de rest van Europa. Er is een inkomensafhankelijke ouderschapsuitkering van 80 procent van het inkomen, tot een maximum van 2100 euro per maand – als alternatief zijn er verschillende soorten forfaitaire regelingen, bijvoorbeeld voor mensen die voor de geboorte geen betaald werk hadden. Er is een gezinstijdbonus en een leeftijdsgebonden kinderbijslag. De regeringspartij ÖVP heeft zich onlangs zelfs uitgesproken voor uitbreiding van de kinderopvang vanwege het enorme tekort aan geschoolde arbeidskrachten en het hoge percentage deeltijdwerkers onder vrouwen.

    Op papier ziet het er allemaal goed uit, maar in de praktijk ontbreekt het belangrijkste: keuzevrijheid. Het blijft bij mooie woorden, en vooral in deelstaten waar de FPÖ in de regering zit, wordt symboolpolitiek bedreven. In Salzburg hebben de rechtspopulisten een ‘kuddepremie’ in het regeerakkoord laten opnemen, en ook in Neder-Oostenrijk wil de FPÖ ‘staatskinderbijslag’ voor ouders die hun kinderen thuis opvangen. De ‘kuddepremie’ bestaat in Opper-Oostenrijk al jaren. Tegelijkertijd bestaat er in alle conservatief geregeerde deelstaten een enorm tekort aan plekken op kinderdagverblijven. Gedurende bijna twee maanden per jaar, veel langer dan welke vakantie ook, is meer dan een tiende van de kinderdagverblijven gesloten. Salzburg heeft voor slechts 24 procent van de kinderen onder de drie jaar plek bij de kinderopvang.

    Ondertussen daalt het geboortecijfer (in 2021 was het 1,48). Het antwoord van de FPÖ, met ongeveer 30 procent de sterkste partij in de peilingen: ‘Oostenrijk is geen immigratieland. Daarom voeren we een geboortegericht gezinsbeleid.’ Dat gaat de partij doen door ‘prioriteit te geven aan het huwelijk tussen man en vrouw als een bijzondere vorm van bescherming van het welzijn van het kind’. ‘De opvang van kinderen binnen de zekerheid van het gezin heeft bij ons de voorkeur boven vervangende maatregelen van de overheid.’

    Groot-Brittannië

    De Britten worden van oudsher voornamelijk geregeerd door conservatieve Tories en die hebben als uitgangspunt dat de staat zo min mogelijk moet ingrijpen, lees: regelen of helpen. Voor ouders is er daarom weinig financiële steun. Wat er wel is, voor wie, wanneer en hoeveel, is bovendien behoorlijk ingewikkeld.

    De situatie van de moeder is altijd doorslaggevend (ongeacht of ze een natuurlijke moeder of een adoptiemoeder is). Als de moeder vóór de zwangerschap in vaste dienst was en in ieder geval het minimumloon verdiende, hebben de ouders recht op maximaal 39 weken door de staat betaald ouderschapsverlof, waarbij het aan de ouders is hoe ze deze 39 weken onderling verdelen. De eerste zes weken wordt 90 procent van het salaris van de moeder uitbetaald, zonder bovengrens. Deze periode van zes weken kan ook beginnen tijdens de zwangerschap, bijvoorbeeld als de moeder niet kan werken. Voor de resterende 33 weken is er slechts een maximum van ongeveer 172 pond (200 euro) per week. Als de moeder vóór de zwangerschap geen vast dienstverband had, kan de vader maximaal twee weken betaald ouderschapsverlof aanvragen, maar ook hij ontvangt dan slechts 172 pond per week. Als het huishouden als geheel weinig verdient, zijn er nog andere sociale uitkeringen mogelijk, zoals huursubsidie of een bijdrage in de kosten voor kinderopvang.

    De combinatie van relatief weinig financiële tegemoetkoming van de staat en de algemeen stijgende kosten van levensonderhoud heeft vanzelfsprekend gevolgen voor de manier waarop Britse gezinnen leven en werken. Het Office for National Statistics merkt op dat het sinds 2020 ‘gebruikelijk is dat beide ouders voltijds werken’, in tegenstelling tot vroeger, toen in het typische Britse gezin een tweede werkende ouder hoogstens een deeltijdbaan had. Gezinsbeleid is een terugkerend thema in het Verenigd Koninkrijk – maar geen centraal thema, althans niet voor de huidige Tory-regering. Premier Rishi Sunak heeft vijf doelen gesteld voor de verkiezingen van volgend jaar, en die gaan over vluchtelingen en de slechte economische situatie. Gezinnen komen er niet in voor.

    Spanje

    Rechtse partijen in Spanje willen meer prioriteit voor de verhoging van het relatief lage geboortecijfer (1,19 in 2021). Het gezinsbeleid van de linkse regering van premier Pedro Sánchez was daarentegen vooral gericht op het bevorderen van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Tweeënhalf jaar geleden veranderde de regering de regels voor ouderschapsverlof en ouderschapsuitkering. Sindsdien hebben vaders in Spanje recht op dezelfde hoeveelheid ouderschapsverlof als moeders, namelijk zestien weken. En dat niet alleen: de eerste zes weken ouderschapsverlof direct na de geboorte zijn verplicht voor vaders. Daarna is het aan hen of ze het verdere ouderschapsverlof in één keer opnemen of in losse weken tot de eerste verjaardag van het kind. 

    Tijdens de ambtstermijn van Sánchez werd het ouderschapsverlof voor vaders steeds een beetje verlengd: van vier weken in 2018 naar acht, toen twaalf en uiteindelijk zestien weken. Vaders kunnen hun weken niet overdragen aan moeders. Hiermee voorkomt de Spaanse regering wat in Duitsland nog steeds gebruikelijk is: dat moeders aanzienlijk meer ouderschapsverlof opnemen dan vaders.

    Toen de laatste stap van dit beleid werd doorgevoerd, noemden veel feministen dat historisch. Werkgevers weten nu dat iedereen, man of vrouw, na de geboorte van een kind een tijdje thuis zal blijven. Er is echter ook kritiek: velen vinden de zestien weken ouderschapsverlof per partner te kort. Vooral omdat openbare kinderdagverblijven niet voor alle kinderen plek hebben. Als er dan evenmin genoeg geld is voor een oppas, zijn het uiteindelijk meestal de vrouwen die thuisblijven.

    Tijdens de bij elkaar opgeteld acht maanden ouderschapsverlof krijgen vaders en moeders in Spanje volledige looncompensatie. In Spanje bestaat in het algemeen echter geen kinderbijslag, die is er alleen voor kinderen met een handicap. Alleenstaande ouders of ouders met drie of meer kinderen ontvangen een eenmalige uitkering van 1000 euro na de geboorte.

    Italië

    Terwijl extreemrechts in Spanje er nog van droomt om de macht te grijpen, is dat in Italië al gelukt. Het is duidelijk dat het dramatisch lage geboortecijfer (1,25 in 2021) deze regering zorgen baart. Het aantal pasgeborenen daalde in 2022 voor het eerst onder de drempel van vierhonderdduizend. De bevolking van Italië daalt al jaren gestaag – tot 58,85 miljoen mensen bij de laatste telling – en zou kunnen krimpen naar 37 miljoen in 2060. De partij Fratelli d’Italia van premier Giorgia Meloni liet weten dat er geen ‘etnische vervanging’ zal plaatsvinden, dus geen ‘bevolkingsuitruil’ van Italianen tegen immigranten. Dit fascistische taalgebruik leidde tot een storm van verontwaardiging bij gematigde partijen.

    Tot nu toe heeft Meloni echter nog geen strategie om de bevolkingsafname tegen te gaan en daarmee de economie te voorzien van meer werknemers en het sociale stelsel van meer belastingbetalers. De nadruk op conservatieve gezinswaarden is duidelijk niet genoeg om het tij te keren. Er wordt gesproken over meer kinderopvang en hiervoor is zelfs 4,6 miljard euro beschikbaar, voornamelijk uit EU-fondsen. Maar de staat slaagt er niet in om landelijk meer kinderdagverblijven te bouwen. Zelfs een belastingvrije toelage van 950 euro per kind en de aanzienlijk verhoogde kinderbijslag onder de vorige regering van Mario Draghi blijken niet bevorderend te werken. 

    Al met al bevindt Italië zich wat betreft financiële steun voor kinderen in het laagste derde deel van de groep geïndustrialiseerde landen van de OESO. Er is geen sprake van gelijke voorwaarden voor vaders en moeders: moeders kunnen vijf maanden ouderschapsverlof nemen tegen 80 procent van hun salaris, vaders slechts tien dagen, tegen 100 procent van hun salaris.

    Frankrijk

    Frankrijk wordt in Duitsland vaak genoemd als rolmodel, en als je een van de belangrijkste doelen van gezinsbeleid – een groot aantal kinderen – als maatstaf neemt, is dat ook wel terecht. In Frankrijk worden aanzienlijk meer kinderen geboren, het land loopt al lang voorop in de EU en de staat werkt hier dan ook al sinds de Tweede Wereldoorlog aan. Hoewel het geboortecijfer de laatste tijd is gedaald, ligt het met ongeveer 1,8 kinderen nog steeds ver boven het Duitse cijfer, dat rond de 1,5 schommelt. Vrouwen blijven niet alleen minder vaak kinderloos, ze hebben ook vaker grote gezinnen met drie of meer kinderen.

    Daar zijn verschillende redenen voor. In 2020 bleek uit een vergelijkende studie van het Europees Centrum voor Economisch Onderzoek dat financiële factoren vooropstaan. Dankzij betere kinderopvang is het al tientallen jaren gemakkelijker om gezin en werk te combineren. Veel Franse vrouwen beginnen snel na de bevalling weer te werken. Tussen twee bevallingen verlaten ze de arbeidsmarkt meestal niet. De kleintjes worden ondergebracht bij een kinderoppas of in een kinderdagverblijf, waar echter een tekort aan plaatsen is. 

    Op driejarige leeftijd gaan ze naar de école maternelle, de kleuterschool. Ook in Frankrijk neemt het aantal kinderen af naarmate de ouders beter opgeleid zijn, maar lang niet zo veel als in Duitsland. Meer vrouwen werken fulltime. Dit alles bevordert de gelijkheid, maar vrouwen dragen nog steeds veruit de grootste lasten en ervaren dan ook veel stress.

    De sociale uitkeringen voor gezinnen liggen ver boven het EU-gemiddelde. Naast een geboortepremie is er kinderbijslag vanaf het tweede kind en een extra vaste uitkering voor drie of meer kinderen. Moeders hebben recht op minstens zestien weken betaald zwangerschapsverlof, dat vanaf het derde kind wordt verlengd. Ze kunnen tot drie jaar ouderschapsverlof aanvragen bij hun werkgever, maar krijgen ondertussen relatief weinig steun. Belastingtechnisch profiteren Franse stellen van een splitsingssysteem voor gezinnen dat in feite nauwelijks verschilt van het Duitse systeem; in plaats van kindertoeslagen zijn er echter extra splitsingsfactoren voor kinderen. De toeslag voor het derde kind is twee keer zo hoog als voor het tweede.

    Lees ook:

  • Waarom Chinese afgestudeerden weer bij hun ouders gaan wonen

    Waarom Chinese afgestudeerden weer bij hun ouders gaan wonen

    Elke week pluist de redactie van 360 een actuele gebeurtenis voor je uit aan de hand van de internationale pers. Deze week kijken we naar China, waar de werkloosheid onder jonge Chinezen ongekend hoog is. Bij gebrek aan banen keren veel jongeren na het behalen van een universitair diploma terug naar hun ouders.

    Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief Buiten de grenzen, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – al vanaf €4 per maand – op 360 Magazine en abonneer je op de nieuwsbrieven.

    Hoe is het gesteld met de jeugdwerkloosheid in China?

    ‘Terwijl de op een na grootste economie ter wereld drie jaar van coronabeperkingen te boven komt, dragen jonge werkloze afgestudeerden zoals Wang de last van een lauw herstel’, schrijft Financial Times. Wang is onlangs afgestudeerd in commerciële economie in de Chinese stad Zhengzhou, de hoofdstad van een provincie van 100 miljoen mensen en de standplaats van de grootste iPhone-fabriek ter wereld.

    Net als voor veel andere Chinese jongeren liggen de baankansen voor Wang niet voor het grijpen. De werkloosheid onder jongeren tussen 16 en 24 jaar was in juni 21,3 procent. De vacatures die er wel zijn, zijn voor slechtbetaalde klusjes met een werklast van wel zeventig uur per week. ‘De banencrisis die China’s afgestudeerden treft, is verrassend omdat dit cohort het hoogst opgeleide ooit is’, schrijft de zakenkrant. 

    Sommige jongeren kiezen er daarom voor om de steden te verlaten en terug te keren naar hun ouders op het platteland. ‘Ze hebben geen werk, in plaats daarvan doen ze klusjes voor hun ouders of houden hen gezelschap in ruil voor zakgeld en gratis woonruimte’, schrijft het in Shanghai gevestigde medium Sixth Tone over de zogenoemde ‘fulltimekinderen’, een fenomeen dat zich verspreidt onder jonge Chinezen. 

    Volgens South China Morning Post heeft de komst van dit fenomeen twee oorzaken. ‘Sommigen zeggen dat ze genoeg hebben van een ultracompetitieve werkwereld, lange werkdagen en de hoge kosten van levensonderhoud in de grote steden. Maar voor velen is de meest voor de hand liggende reden dat ze ondanks hun zoektocht geen baan hebben kunnen vinden.’ 

    lwzee hYyBM1YLRuc unsplash
    Sommige afgestudeerde jongeren die geen baan kunnen vinden, keren terug naar hun ouders op het platteland. – © Unsplash

    China heeft ook te maken met een vergrijzende bevolking. In 2035 zal een derde van de inwoners van het land, 400 miljoen mensen, ouder zijn dan 60 jaar. Inwonende kinderen kunnen een deel van de zorg voor deze groep opvangen. 

    De verwachting is dat de komende tien jaar de jeugdwerkloosheid hoog blijft in China, met een stijging op korte termijn, aldus Financial Times. De regering maant jonge mensen ertoe om ook laagbetaalde banen te accepteren. De overheid lanceerde onlangs een campagne om afgestudeerden ervan te overtuigen ‘eerst een baan te vinden en dan pas een carrière te kiezen’. 

    ‘Dergelijke berichten bevestigen echter alleen maar wat veel jonge afgestudeerden al vermoeden: ondanks het betalen voor diploma’s die aan openbare universiteiten ruwweg 30.000 renminbi [4000 dollar] per jaar kunnen kosten – ongeveer een vijfde van het gemiddelde gezinsinkomen voor een gezin van drie – hebben diploma’s van alle universiteiten behalve de beste te weinig waarde op de arbeidsmarkt’, schrijft de zakenkrant.

    Waarom zijn er zo veel jongeren zonder baan?

    Volgens China-onderzoeker George Magnus liggen verschillende mismatches ten grondslag aan de hoge werkloosheid onder jongeren. ‘Er is een discrepantie tussen de vaardigheden die veel afgestudeerden verwerven en de vaardigheden die werkgevers vragen’, schrijft hij in Financial Times. Ook hebben hoogopgeleide afgestudeerden onrealistische verwachtingen van het salaris en de werkzaamheden van hun eerste baan. Dat de overheid beleid heeft gevoerd om snelgroeiende sectoren waar veel jonge mensen werken, zoals e-commerce, onderwijsplatforms, gaming en financiële dienstverlening, in te dammen, is ook een factor.

    ANP 473885898
    Een recent afgestudeerde vrouw voert een gesprek met een potentiële werkgever op een banenmarkt in Suzhou, in het oosten van China. – © ChinaImages / Sipa USA

    Het helpt niet mee dat door de strenge lockdowns in China de dienstensector, zoals de horeca, zwaar te lijden heeft gehad. Laat dat nou net een van de sectoren zijn waar normaal gesproken veel jongeren werken, schrijft Financial Times op basis van een rapport van Goldman Sachs over de Chinese arbeidsmarkt. Door de pandemie zijn jongeren ook langer in de collegebanken blijven zitten, wat heeft geleid tot een enorme toestroom van pas afgestudeerden naar de arbeidsmarkt in de jaren daarna, aldus The Economist

    Sommige analisten beweren dat de onderliggende oorzaken dieper liggen. Michael Pettis, een senior medewerker van het Carnegie China Center, zegt dat het investeringsmodel van Beijing gericht blijft op productie en investeringen in plaats van op de binnenlandse consumptie die uiteindelijk nodig is om banen te creëren. ‘Als je je concurrentiepositie in de maakindustrie baseert op lage lonen, zit je als het ware vast als de lage lonen een probleem worden door de zwakke binnenlandse vraag,’ zei Pettis tegen Financial Times.

    Een van de eigenaardigheden van de Chinese arbeidsmarkt is dat lager opgeleide jongeren minder vaak werkloos zijn, schrijft The Economist. Jongeren met een beroepsopleiding of alleen een middelbareschooldiploma hebben meer praktische vaardigheden en een grotere behoefte aan een baan.

    In de afgelopen drie decennia, toen de Chinese economie met sprongen groeide, gingen meer mensen naar de universiteit omdat ze het zagen als een weg naar een veelbelovende carrière, schrijft The New York Times. Volgens het Nationaal Bureau voor de Statistiek van China steeg het aantal studenten dat zich inschreef voor hogescholen en universiteiten van 754.000 in 1992 naar 10,1 miljoen in 2022. Nu blijkt dat er niet voor al die hoogopgeleiden een passende baan beschikbaar is. 

    ANP 473951608
    Chinese jongeren zoeken naar werk op een banenmarkt in Yichang, in het midden van China. – © CFOTO / Sipa USA

    Ook is het vertrouwen in de economie in de particuliere sector in het algemeen, die goed is voor 80 procent van de werkgelegenheid in de steden in China, nog steeds laag. Dit drijft veel jongeren naar een baan bij de overheid of bij staatsbedrijven, die actief werven onder jongeren om de jeugdwerkloosheid omlaag te brengen, aldus The Economist.

    Wat zijn de gevolgen van de hoge jeugdwerkloosheid?

    ‘Het grootste probleem voor werkloze jongeren is het risico van wat economen “hysterese” noemen. Dit is het gevaar dat hoe langer ze buiten de formele arbeidsmarkt blijven, hoe moeilijker het wordt om er ooit weer in terug te keren, omdat hun vaardigheden en ervaring afnemen’, schrijft China-onderzoeker Magnus. 

    Daarnaast zijn jongeren belangrijk voor de binnenlandse consumptie in China. In sommige stedelijke gebieden zijn ze verantwoordelijk voor een vijfde van de aankopen. Als hun uitgaven afnemen, heeft dat grote gevolgen voor de Chinese economie.

    ‘Als [de jeugdwerkloosheid] verkeerd wordt aangepakt, zal dat leiden tot verdere sociale problemen en zelfs de aanleiding worden voor politieke problemen’, aldus Financial Times. Maar vooralsnog trekken Chinese twintigers liever weer bij hun ouders in, dan dat ze de straat op gaan om politieke verandering te eisen. 

    Lees ook:

  • Moet de werkweek worden ingekort naar vier dagen?

    Moet de werkweek worden ingekort naar vier dagen?

    In Duitsland heeft een recent onderzoek naar de vierdaagse werkweek de discussie over een betere werk-privébalans geopend. Twee redacteuren van Süddeutsche Zeitung gaan met elkaar in debat. ‘De vraag is niet of de meeste sectoren de vierdaagse werkweek moeten invoeren, maar eerder hoe dat moet gebeuren.’

    Ja: ‘De vierdaagse werkweek zou bepaalde beroepen weer aantrekkelijk kunnen maken’

    Er was een tijd dat het als positief werd gezien als je veel werkte. Gelukkig zijn die tijden voorbij. De meeste mensen vinden overwerk en overbelasting niet langer benijdenswaardig. Volgens een onderzoek van de Hans Böckler-stichting is nu ongeveer 81 procent van de werknemers voorstander van een vierdaagse werkweek. En gelijk hebben ze: het is tijd om de vijfdaagse werkweek af te schaffen, zonder loonverlies. Want de staat zal zijn huidige welvaartsniveau niet kunnen handhaven met een personeelsbestand dat op zijn laatste benen loopt.

    Duitsers zijn uitgeput, zo blijkt uit een onderzoek van het DAK [het Duitse ziekenfonds]. Het aantal ziektedagen als gevolg van psychische problemen is tussen 2010 en 2020 met 56 procent gestegen en een op de twee werknemers zegt bijna een burn-out te hebben.

    Zelfvernietiging door werk is nooit haalbaar of redelijk geweest, maar het wordt al heel lang getolereerd. En toch kan niemand met fatsoen zijn kinderen willen toevertrouwen aan leraren die lijden aan oorsuizingen, of zijn gezondheid aan artsen die niet eens meer tijd hebben om een lunchpauze te nemen.

    De vijfdaagse werkweek werkte misschien toen vrouwen nog thuis bleven om voor de kinderen en het huis te zorgen en een enkel loon genoeg was om de huur te betalen, kleren te kopen en de kachel aan te steken. Maar de manieren waarop we samenleven, de kosten van levensonderhoud en de arbeidsmarkt zijn veranderd sinds de jaren 1950. Op de werkvloer heeft een digitale omslag plaatsgevonden en werknemers zijn daardoor vaak efficiënter geworden. De werktijden zijn echter hetzelfde gebleven.

    De vierdaagse werkweek zou bepaalde beroepen, vooral fysiek werk, weer aantrekkelijker kunnen maken – voor jonge mensen, die zich niet dood willen werken, maar ook voor oudere werknemers, die zich beginnen te realiseren dat ze zichzelf iets te veel hebben belast. Het tekort aan geschoolde vakmensen in Duitsland is niet te wijten aan de arbeidstijdverkorting, maar aan demografische veranderingen, dalende lonen en de situatie in het onderwijs. Integendeel, de omschakeling naar vier dagen zou kunnen helpen om dit tekort te bestrijden.

    Veel werknemers en steeds meer bedrijven lijken klaar voor een revolutie op de werkvloer

    Tenminste, dat blijkt uit een IJslandse studie onder 2500 werknemers in verschillende sectoren. Ze werken nu 35 of 36 uur per week, in plaats van 40, verdeeld over vier dagen. In 2021, na een looptijd van zeven jaar, concludeerde het onderzoek dat hun productiviteit niet was gedaald en voor sommigen zelfs was gestegen. De respondenten zeiden ook dat ze gelukkiger en gezonder waren.

    Sinds enige tijd zijn dit soort bemoedigende getuigenissen talrijker geworden, ook in Duitsland. Ondernemers die de kortere werkweek hebben ingevoerd, slagen er eindelijk weer in om mensen te werven. De omschakeling naar een vierdaagse werkweek zonder loonverlies helpt ook om personeel terug te winnen, bijvoorbeeld in de gezondheidssector, die onder druk staat. Vrouwen die minder zijn gaan werken om zich aan hun kinderen te wijden, zullen onder deze omstandigheden eerder geneigd zijn om hun beslissing te heroverwegen. Dat blijkt althans uit een enquête van [de vakbond] IG Metall.

    In de meeste sectoren is de werktijd sowieso een arbitraire constructie. Er is geen bewijs dat acht uur per dag werken, vijf dagen per week, het enige mogelijke model voor productiviteit is. In 1900 duurden werkweken zes dagen, en een werkdag tien uur, en dit stramien, dat toen onverwoestbaar moet hebben geleken, is ook verlaten. Vandaag staat een nieuwe omwenteling voor de deur: veel werknemers en steeds meer bedrijven lijken klaar voor een revolutie op de werkvloer. Maar de verandering hoeft niet zo radicaal te zijn: IG Metall eist slechts een 32-urige werkweek in plaats van een 35-urige.

    De vraag is dus niet of de meeste sectoren de vierdaagse werkweek moeten invoeren, maar eerder hoe dat moet gebeuren. Elk beroep is natuurlijk te specifiek om snel algemene regels op te stellen. Daarom moeten bedrijven in eerste instantie individueel beslissen of ze dit nieuwe werkpatroon al dan niet aanbieden.

    In een tijd waarin er een tekort is aan geschoolde vakmensen, zouden werknemers het zich eindelijk kunnen veroorloven om meer vrije tijd te eisen. Deze trend zal nog sterker worden met de komst van veel jonge mensen van generatie Z [geboren tussen 1997 en 2010] op de arbeidsmarkt. Als ze dat tegen die tijd nog niet hebben gedaan, zal de vierdaagse werkweek de norm worden voor deze vrijheidslievende generatie, die heeft gezien hoe hun ouders en grootouders hun leven rond werk organiseerden en die snakt naar verandering. Werkgevers doen er goed aan zich hierop voor te bereiden.

    Paulina Würminghausen


    Nee: ‘Juist het grote aantal vrouwen dat deeltijd werkt is het echte probleem’

    Als we een vraag stellen, is dat meestal om een antwoord te krijgen. Maar er zijn ook vragen waarvan het antwoord zo voor de hand lijkt te liggen dat ze niet anders dan puur retorisch kunnen zijn. Bijvoorbeeld: zouden Duitsers vier in plaats van vijf dagen willen werken zonder salarisverlies? Dat is wat de Hans Böckler-stichting – die dicht bij de vakbonden staat – wilde weten, en het blijkt dat bijna 75 procent van de ondervraagden bevestigend antwoordde. Zonder de empirische nauwkeurigheid van de onderzoekers in twijfel te willen trekken, denk ik dat soortgelijke resultaten zeker zouden zijn verkregen door mensen te vragen of ze elke dag chocolade-ijs met slagroom zouden willen kunnen eten zonder een grammetje aan te komen.

    Natuurlijk zou het fantastisch zijn om minder te hoeven werken en evenveel te verdienen, om genoeg geld te hebben om te kunnen blijven reizen en de kinderen mee uit te nemen, maar dan met nog meer vrije tijd. Om jezelf toe te wijden aan je gezin, om eindelijk de tijd te hebben om nieuwe dingen te leren, of gewoon om beter bestand te zijn tegen de chaos van alledag. Maar is dit scenario echt realistisch? En zou de samenleving als geheel er wel bij varen?

    Geen probleem, zeggen de voorstanders van verandering: als je minder werkt, ben je gezonder, dus doe je uiteindelijk evenveel werk in minder tijd. Maar het idee dat omschakelen naar een vierdaagse werkweek zonder loonverlies de economie vrijwel niets zou kosten, is van hetzelfde soort als de theorie dat lagere belastingen niet zouden leiden tot een verlaging maar tot een verhoging van de belastinginkomsten – een hypothese die alom wordt betwist.

    Het is op zijn minst gewaagd om te veronderstellen dat de Duitse economie een verborgen productiviteitsreserve van 20 procent heeft. Er zijn zeker sectoren en beroepen waarin werknemers, gestimuleerd door dit nieuwe ritme, in staat zouden zijn om in vier dagen evenveel werk te verzetten als in vijf dagen. Maar als artsen, verpleegkundigen, buschauffeurs, kappers, caissières, vuilnismannen, winkelbedienden en zelfs politieagenten allemaal hun werkuren zouden inkorten, zouden er nieuwe mensen moeten worden aangeworven om dit te compenseren. Tegelijkertijd kampen steeds meer sectoren en regio’s met een tekort aan arbeidskrachten. Je hoeft alleen maar te kijken naar wat er op scholen gebeurt om de echte gevolgen van een algemene arbeidstijdverkorting te begrijpen: het hoge percentage deeltijdwerk is een van de oorzaken van het dramatische lerarentekort.

    Veel bedrijven hebben nu al een tekort aan werknemers

    De behoefte aan arbeidskrachten is een van de dringendste uitdagingen geworden voor de Duitse samenleving. Veel bedrijven hebben nu niet alleen een tekort aan specialisten, maar ook aan werknemers voor meer basale taken. En de demografische veranderingen zullen de situatie alleen maar verergeren. Om zelfs maar een deel van de vacatures te vervullen, zouden we meer immigranten nodig hebben of vrouwen die voltijds werken. Aan de andere kant zullen de voorstanders van de vierdaagse werkweek me moeten uitleggen hoe een algemene arbeidstijdverkorting het probleem kan helpen oplossen.

    Bovendien is Duitsland geen geïsoleerd eiland. De Duitse economie heeft nog veel te doen als het gaat om concurrentievermogen, van energieprijzen tot bureaucratie en belastingen voor bedrijven. En aangezien de invoering van een vierdaagse werkweek in de hele particuliere sector een zekere prijs zou hebben, zou deze de economie alleen maar een beetje meer verzwakken ten opzichte van de concurrentie. Des te erger als de uitkomst tegenvalt.

    In tegenstelling tot de vijfdaagse werkweek vormt het feit dat een groot aantal Duitse vrouwen in deeltijd werkt een echt probleem. Het zou wenselijk zijn – zowel voor hen als voor de economie in het algemeen – dat zo veel mogelijk van hen meer uren gaan werken. Maar ik zie niet in waarom een vrouw die ervoor gekozen heeft om slechts 20 uur per week te werken, plotseling bereid zou zijn om 32 uur te werken, alleen omdat dat het nieuwe ‘voltijd’ is?

    In Duitsland zijn onderhandelingen over lonen en werktijden de verantwoordelijkheid van de sociale partners. Als ze een overeenkomst kunnen bereiken, per filiaal dan wel per bedrijf, over de overgang naar een vierdaagse werkweek zonder loonverlies, prima! Maar het is niet aan de staat om dit model op te leggen. Veel werknemers zouden juist baat hebben bij meer flexibiliteit in hun werktijden. Met soms korte, soms lange dagen – en soms vierdaagse weken.

    Henrike Roßbach

  • Hoe overleef je als niet-gebonden land een spagaat tussen supermachten

    Hoe overleef je als niet-gebonden land een spagaat tussen supermachten

    Verreweg de meeste landen ter wereld nemen een pragmatisch neutraal standpunt in en willen vooral uit politieke en economische overwegingen geen partij kiezen tussen de VS, China en Rusland. Een analyse van de zogeheten niet-gebonden landen.

    Veel landen die gevangen zitten tussen Amerika, China en Rusland willen in geen geval partij kiezen. Nu de naoorlogse, door de VS geleide wereldorde uiteenvalt en economieën almaar verder losgekoppeld raken, proberen ze deals te sluiten die scheidslijnen overstijgen. Een transactiegerichte aanpak die de geopolitiek een nieuw aanzien geeft.

    Wil je de niet-gebonden machten goed in kaart brengen, bekijk je ze dan eens door een Russische lens. Onze zusterorganisatie EIU [Economist Intelligence Unit, een organisatie die ontstaan is uit The Economist en analyses uitvoert voor het bedrijfsleven] heeft landen geanalyseerd op basis van hun economische en militaire banden met Moskou, hun diplomatieke standpunten zoals die blijken uit hun stemgedrag in de VN en hun steun aan en uitvoering van sancties. Er zijn 52 landen, goed voor 15 procent van de wereldbevolking, die het optreden van Rusland hekelen: het Westen en zijn bondgenoten. Slechts 12 landen staan achter Rusland. Dit betekent dat de overige 127 staten niet duidelijk voor een van beide kampen kiest.

    Wat niet-gebonden landen gemeen hebben is een nietsontziend pragmatisme 

    Om een idee te krijgen van wat niet-gebondenheid precies inhoudt, heeft The Economist ook gekeken naar de 25 grootste economieën (t25) die de kat uit de boom hebben gekeken bij de Oekraïense oorlog, of die neutraal willen blijven in de Chinees-Amerikaanse confrontatie, of beide. Deze ‘transactiegerichte’ groep is in termen van welvaart en politieke organisatie buitengewoon gevarieerd van samenstelling: zowel het reusachtige India als dwergstaat Qatar behoren ertoe. Wat ze gemeen hebben is een nietsontziend pragmatisme. 

    Ze vertegenwoordigen nu 45 procent van de wereldbevolking. Hun aandeel in het mondiale bbp is gestegen van 11 procent in 1992 naar 18 procent in 2023, en is daarmee hoger dan dat van de EU. Hun strategie van neutraliteit brengt ernstige risico’s met zich mee, maar biedt ook grote kansen. Hun succes of falen zal de wereldorde tientallen jaren beïnvloeden. En zowel de VS als China zullen proberen deze landen voor zich te winnen.

    Kloof

    In de twintigste eeuw had niet-gebondenheid verschillende betekenissen voor verschillende landen op verschillende momenten. Tijdens conferenties in Bandung in Indonesië (1955) en Belgrado in Joegoslavië (1961) presenteerden leiders een ‘derde wereld’, naast het Westen en het Sovjetblok. Vanaf het einde van de jaren zestig richtten deze landen hun pijlen steeds meer op economische ongelijkheid tussen het ‘mondiale zuiden’ (een minder beladen term voor ‘derde wereld’) en het industriële noorden. De niet-gebonden beweging was een formele instelling waarvan bijna elke Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse staat lid werd. Toen de Koude Oorlog ten einde kwam werd ze, in de woorden van een Indiase academicus, ‘een zieltogende organisatie, die een waardige begrafenis behoefde’.

    De niet-gebonden landen van nu zijn niet te herkennen aan lidmaatschap van een instelling, maar aan gedrag. Middelgrote machten zijn het, die zich laten leiden door pragmatisme en opportunisme. In een recent boek betoogt de voormalige Chileense diplomaat Jorge Heine dat landen in de twintigste eeuw vaak per toeval in een van de invloedssferen van de supermachten terechtkwamen. Tegenwoordig is het meer zo dat ze mogelijkheden ‘actief’ evalueren om bepaalde doelen te bereiken, zo stelt hij. Sommigen noemen dit ‘minilateralisme’ (in tegenstelling tot multilateralisme) – het aansturen van discrete allianties of groeperingen, in plaats van je lot in handen van één blok te leggen.

    ‘Europa moet zich bevrijden van de mentaliteit dat de problemen van Europa de problemen van de wereld zijn, maar dat de problemen van de wereld niet de problemen van Europa zijn’

    Niet-gebonden landen vinden westerse leiders meestal hypocriet. In het eerste jaar van de oorlog werd ongeveer 170 miljard dollar aan hulp toegezegd aan Oekraïne – ongeveer 90 procent van wat de ontwikkelingscommissie van de OESO, een groep van 31 westerse donoren, in 2021 aan mondiale hulp uitgaf. Voor het Westen is deze vrijgevigheid een uiting van solidariteit met een mededemocratie; voor anderen toont ze aan dat rijke landen vooral geld ophoesten als dit hun belangen dient. ‘Europa moet zich bevrijden van de mentaliteit dat de problemen van Europa de problemen van de wereld zijn, maar dat de problemen van de wereld niet de problemen van Europa zijn,’ zo stelde Subrahmanyam Jaishankar, de Indiase minister van Buitenlandse Zaken, vorig jaar.

    Deze stellingname komt in grote lijnen overeen met de publieke opinie. Uit een rapport van Cambridge University van vorig jaar bleek dat in liberale democratieën 75 procent een negatief beeld heeft van China en 87 procent ongunstig over Rusland oordeelt. Onder de 6 miljard mensen die elders wonen is het beeld nagenoeg omgekeerd. Er is dus een kloof tussen hoe het Westen de wereld ziet en hoe de rest van de wereld die ziet. In een opiniepeiling, eerder dit jaar gepubliceerd door de Europese Raad voor Buitenlandse betrekkingen (een denktank), stelde 48 procent van de Indiërs en 51 procent van de Turken dat multipolariteit of niet-westerse dominantie de toekomstige wereldorde zal bepalen. Slechts 37 procent van de Amerikanen, 31 procent van de EU-bevolking en 29 procent van de Britten waren het hiermee eens. Het Westen denkt dat het naar een vervolgaflevering van de Koude Oorlog kijkt, de rest van de wereld ziet een geheel nieuwe film.

    Gemeenschappelijk doel

    Wie zitten er dan allemaal in die t25? Het is, zoals gezegd, een diverse groep die bestaat uit landen met bevolkingen die tot de grootste ter wereld behoren, waarvan er twee – India en Indonesië – de grootste democratieën ter wereld zijn. Je hebt ook Vietnam, Saoedi-Arabië en Egypte, alle bestuurd door autocraten van uiteenlopende snit. Er zijn grote verschillen wat welvaartsniveau betreft. In Saoedi-Arabië is het bbp per persoon ruim 24.000 euro, ongeveer evenveel als dat van een aantal Europese landen, terwijl het in Pakistan op zo’n 1440 euro blijft steken.

    Naarmate de globalisering zich uitbreidde, zijn de t25 een handel in vele richtingen gaan drijven. Zo’n 43 procent geschiedt met het westerse blok, 19 procent met het Chinees-Russische blok en 30 procent met landen uit geen van beide kampen. Misschien is het gezien de ligging van Mexico niet verrassend dat 77 procent van de totale handel van dat land met het Westen is, en dat ook Israël en Algerije voor meer dan 60 procent handel daarmee drijven. Geen ander t25-land kent zo’n intensief handelsverkeer met China als Chili (meer dan een derde), maar tegelijkertijd betreft 40 procent van dat handelsverkeer het Westen. Meer dan de helft van de Argentijnse handel, en bijna de helft van die van India, wordt met andere niet-gebonden landen gedreven.

    De wapeninvoer toont ook een complex netwerk van loyaliteiten. India dekt zich slim in. Tussen 2018 en 2022 was Rusland de belangrijkste leverancier, die India voor 45 procent van zijn wapens voorzag, maar het land ontving van Europa nog eens 29 procent en waarschijnlijk zal het zich nog zelfredzamer maken met Amerikaanse hulp. Met het rivaliserende China, dat levert aan India’s aartsvijand Pakistan, kan geen sprake zijn van handel. Israël, Marokko, Saoedi-Arabië en Zuid-Afrika verlaten zich voor het overgrote deel op de Verenigde Staten als het om wapenimport gaat.

    Geopolitieke allianties zijn sinds 2018 almaar belangrijker geworden bij het bepalen van directe buitenlandse investeringen

    Er is geen bestuursorgaan dat niet-gebonden landen en hun belangen vertegenwoordigt. En dat zal er waarschijnlijk ook niet komen. In plaats daarvan zijn er uiteenlopende organisaties, zoals de G20, die platforms bieden die grote niet-gebonden landen in meer of mindere mate van nut zijn. De BRICS-groep – Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika – is een forum voor middelgrote machten die expansie nastreven: er is een discussie gaande over of Iran en Saoedi-Arabië mogen toetreden. Tijdens klimaatgesprekken in VN-verband is een brede groep van meer dan honderddertig landen, waaronder China, rond de tafel gaan zitten.

    Ondanks hun verschillen hebben de niet-gebonden landen een gemeenschappelijk doel: gunstige overeenkomsten sluiten in een veranderlijke omgeving. Twintig jaar lang konden velen relaties opbouwen met zowel het Westen en China als Rusland. Dat is verleden tijd. Het Westen legt Rusland sancties op en beperkt China’s toegang tot technologie.

    Voor veel landen betekent dit nu een ernstige bedreiging. Door de sancties tegen Rusland stegen de energie- en voedselprijzen wereldwijd, met ernstige gevolgen voor de niet-westerse wereld. Onlangs heeft Janet Yellen, de Amerikaanse minister van Financiën, Amerikaanse bedrijven aangespoord om hun toeleveringsketens naar bevriende staten over te hevelen. Ook investeringen verplaatsen zich. En ondertussen bloeit er iets moois op tussen Beijing en Moskou. Recent onderzoek van het IMF heeft uitgewezen dat geopolitieke allianties, zoals die blijken uit stemgedrag in de VN, sinds 2018 almaar belangrijker zijn geworden bij het bepalen van directe buitenlandse investeringen. De scenario’s van het IMF ten aanzien van gefragmenteerde handel voorspellen dat de impact in opkomende markten meer dan twee keer zo slecht kan zijn als in ontwikkelde markten.

    Geen ‘automatische allianties’

    Maar velen in de niet-gebonden wereld gokken er ook op dat ze voordeel kunnen putten uit deze economische en politieke fragmentatie door hun relaties met diverse grootmachten af te palen en zelf andere landen te beïnvloeden. Om deze transactiestrategie te begrijpen, is het goed te kijken naar de aanpak van enkele grote landen die tussen twee vuren zitten. Neem Brazilië. Dat verzet zich tegen wat Mauro Vieira, minister van Buitenlandse Zaken, ‘automatische allianties’ noemt. Luiz Inácio Lula da Silva, die in januari aan zijn tweede leven als president van Brazilië begon, ziet ambtsgenoot Biden als een bondgenoot in de strijd tegen klimaatverandering; op hun bijeenkomst in Washington DC in februari werden gezamenlijke milieu-instellingen, die door de vorige president Bolsonaro waren opgedoekt, in ere hersteld. De VS zien Brazilië als een ‘grote niet-NAVO-bondgenoot’, en die status geeft recht op robuustere samenwerking met de Amerikaanse strijdkrachten.

    Maar ook Brazilië laveert tussen de supermachten. Net als andere landen in de regio heeft het afwijzend gereageerd op westerse voorstellen om oud materieel van Russische makelij aan Oekraïne te leveren in ruil voor nieuwe wapens. Het bezoek van Lula aan Beijing in april onderstreept het economische belang van China. De handel tussen Brazilië en China bedroeg in 2022 een kleine 140 miljard euro, wat 37 keer zo veel is als twintig jaar geleden. Dit is onder meer te danken aan de wijze waarop Brazilië gebruik heeft gemaakt van de tarievenoorlog tussen China en de VS. Ten koste van Washington voerde het de export van landbouwproducten naar China op.

    De angst van India voor China heeft in een aantal opzichten gezorgd voor toenadering tot het Westen

    Brazilië gaat ook zelf op avontuur. Lula bezoekt binnenkort Afrika om de invloed van Brazilië daar nieuw leven in te blazen. Tijdens zijn eerste periode als president steeg de handel met Afrika van een kleine 5,5 miljard euro in 2003 naar ruim 23 miljard euro in 2012, en Zuid-Afrika mocht toetreden tot het brics-blok. Lula’s voorganger begaf zich niet naar Afrika. Hijzelf vindt duidelijk wel dat het de moeite loont.

    De angst van India voor China heeft in een aantal opzichten gezorgd voor toenadering tot het Westen. In maart bracht de premier van Japan – dat net als India, de VS en Australië tot het ‘quadrilaterale’ Indo-Pacifische veiligheidsforum Quad behoort – een historisch bezoek aan Delhi. In het financiële jaar 2021-22 overtrof de handel van India met de VS die met China. Toch koopt India nog steeds wapens en goedkope olie van Rusland en is het onwaarschijnlijk dat het zijn jarenlange banden met dit land zal verbreken, tenzij het regime van Poetin kernwapens gaat inzetten.

    Praktisch, niet partijdig

    Net als Brazilië profileert India zich in het buitenland: alleen China zit dieper in de import en export met Afrika bezuiden de Sahara. Het gemiddelde jaarlijkse totaal aan directe buitenlandse investeringen van India bedroeg van 2004 tot 2008 0,7 miljard euro (minder dan de helft van die van Zweden), maar een decennium later 28 miljard (meer dan die van Duitsland en Japan samen). Vorige maand nodigde India vertegenwoordigers van 31 Afrikaanse landen uit voor war games. En India heeft beloofd zijn voorzitterschap van de G20 dit jaar te gebruiken om de ‘stem van het mondiale zuiden’ te laten horen.

    Turkije wil zijn invloed in het mondiale zuiden eveneens vergroten. Het heeft veiligheidsovereenkomsten met dertig Afrikaanse staten gesloten. De militaire export naar Afrika vervijfvoudigde tussen 2020 en 2021. Adviseurs van de Turkse president Erdogan zeggen dat het ‘nieuwe Turkije’ zijn eigen partners kan uitkiezen. Dat kan verklaren waarom Turkije zich neutraal opstelt ten aanzien van de oorlog in Oekraïne. Ankara heeft zijn banden met Moskou recent aangehaald. De Turkse export naar Rusland kwam in 2022 uit op bijna 7 miljard euro, een stijging van 45 procent ten opzichte van het jaar ervoor.

    Saoedi-Arabië verkleint zijn afhankelijkheid van zijn historische bondgenoot, de VS, door tegen China aan te schurken, dat nu de grootste handelspartner van het koninkrijk is. Kijk naar de besluiten, deze maand, en in oktober, door de OPEC, waarin Saoedi-Arabië het hoogste woord voert, om de olieproductie terug te dringen. Vorige maand ondertekende Saoedi-Arabië een overeenkomst met Iran, waarbij China had bemiddeld, en sloot het zich aan bij de Shanghai Co-operation Organization, een Euraziatische praatclub. China zegt zo snel mogelijk een vrijhandelsovereenkomst met de Golf te willen sluiten.

    De betrekkingen van de Golfstaten met Afrika bleven ooit beperkt tot energie, landbouw en de politiek van de Hoorn van Afrika. Nu willen Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten contracten voor de winning van delfstoffen in de wacht slepen; DP World, een havenexploitant uit Dubai, is bezig uit te groeien tot een cruciaal bedrijf op het Afrikaanse continent, en Qatar manifesteert zich op uiteenlopende manieren op het diplomatieke toneel. Vorige maand was het betrokken bij onderhandelingen over de vrijlating van Paul Rusesabagina, een gedetineerde Rwandese dissident (en inspirator voor de film ‘Hotel Rwanda’).

    Zelden klonken westerse beloften om de veiligheid te garanderen in sommige delen van Afrika zo hol

    Afrikaanse landen hebben zich lange tijd naar beide grootmachten gericht. Het Westen is door de bank genomen hun belangrijkste voorziener in ‘zachte‘ behoeften geweest: onderwijs, gezondheid en, mocht een regering dat willen, mensenrechten. China biedt ‘hardware’: bruggen, wegen, havens, en de leningen om die te bouwen. Voor infrastructuurprojecten ten zuiden van de Sahara bedroegen de leningen van het belangrijkste Amerikaanse ontwikkelingsbureau tussen 2007 en 2020 minder dan een tiende van de leningen die de twee grote ontwikkelingsbanken van China verstrekten (1,7 miljard tegen ruim 20 miljard euro).

    Zelden klonken westerse beloften om de veiligheid te garanderen in sommige delen van Afrika zo hol. ‘De Amerikaanse troepen en agenten moeten ergens slapen. Maar de veiligheidsrelatie komt onze economische ontwikkeling helemaal niet ten goede,’ legt een voormalig adviseur van een Afrikaanse president uit. ‘Daarvoor hebben we China nodig.’ In augustus verlieten, na negen jaar, de laatste Franse troepen Mali; de Wagner-groep, bestaande uit Russische huurlingen, houdt de regerende junta nu overeind.

    De niet-gebonden landen kiezen liever geen partij. Maar de grootmachten VS en China willen ze graag in hun invloedssfeer trekken. Beijing ziet zijn leiderschap over het mondiale zuiden als een manier om beter weerwerk te kunnen bieden aan de VS. Het positioneert zich als rolmodel binnen een brede familie van ontwikkelingslanden. Het zet zich af tegen het Westen, dat volgens Beijing meer waarde hecht aan exclusiever gezelschap, zoals dat van de G7. ‘China laat zich zien waar en wanneer het Westen dat niet doet,’ zegt Yemi Osinbajo, de vertrekkende vicepresident van Nigeria.

    Oosterse vrienden, westerse vrienden

    China is de belangrijkste handelspartner van ongeveer 120 landen en voor velen de geldschieter in eerste en laatste instantie. Tussen 2007 en 2020 stopte het meer geld in infrastructuur ten zuiden van de Sahara dan de volgende acht grootste geldschieters tezamen. Dit is van cruciaal belang voor het oplossen van staatsschuldcrises. Uit een analyse van 73 ontwikkelingslanden door het IMF blijkt dat China in 2006 slechts 2 procent van de externe schulden van deze groep bezat, waar de ‘club van Parijs’ – een groep grotendeels westerse crediteuren – 28 procent voor zijn rekening nam. In 2020 bedroegen deze percentages respectievelijk 18 en 10.

    Westerlingen mogen hier terecht hun wenkbrauwen bij fronsen. China’s ‘win-win’-retoriek verdonkeremaant de meedogenloze houding van Beijing. In het boek Banking on Beijing (2022), van onder anderen Bradley Parks van AidData (een onderzoeksinstelling), valt te lezen hoe China zijn economische instrumenten gebruikt voor politieke doeleinden. Geldstromen worden vaak naar de thuisdistricten van zittende leiders omgebogen, en ook is China meer dan westerse landen bereid geld te lenen aan corrupte en autocratische landen. AidData ontdekte ook dat als een land 10 procent vaker met Beijing meestemt bij de VN, het ook meer Chinese projecten in dat land tegemoet mag zien. Chinese leningen gaan vergezeld van ongewoon strikte clausules betreffende vertrouwelijkheid en onderpand. Chinese ontwikkelingsprojecten zouden echter wel tot een verhoging van het bbp per persoon leiden, merkt Parks op.

    De VS bedrijft nu diplomatie op plekken die het eerder heeft verwaarloosd

    De VS en bondgenoten proberen de Chinese inspanningen te ondervangen door hun boodschap aan de niet-gebonden wereld te verfijnen. Washington erkent dat de internationale orde die het leidt alleen legitiem is als andere landen er vrijwillig mee instemmen. ‘Landen willen niet gedwongen worden te kiezen, en dat willen wij ook niet,’ aldus Jake Sullivan, nationale veiligheidsadviseur van president Biden, eerder dit jaar in The Washington Post. De VS bedrijft nu diplomatie op plekken die het eerder heeft verwaarloosd. Kamala Harris, de Amerikaanse vicepresident, Janet Yellen en Antony Blinken, minister van Buitenlandse Zaken – allemaal hebben ze Afrika in 2023 bezocht. Biden volgt binnenkort.

    De VS hebben ook de veiligheidssamenwerking met invloedrijke niet-gebonden landen versterkt. In november ontmoette minister van Defensie Lloyd Austin zijn Indonesische collega voor de vierde keer; in januari kwamen Amerikaanse en Indiase functionarissen overeen de samenwerking op het gebied van geavanceerde defensietechnologieën verder uit te bouwen. In totaal onderhoudt de VS 88 ‘defensiepartnerschappen’ (uitgezonderd formele allianties zoals die met de NAVO), al is een aantal vrij beperkt van aard. 

    Hoewel de VS en de EU de afgelopen jaren de Belt and Road Initiative, ofwel de door China geïnstigeerde Nieuwe Zijderoute, probeerden te pareren met concurrerende plannen, blijft de indruk bestaan dat je nog altijd beter bij Beijing kunt aankloppen voor geld om je infrastructuur te verbeteren en daarmee je economie te transformeren. Nadat Kamala Harris een soundtrack met Afrikaanse artiesten had uitgebracht om haar recente bezoek aan het continent luister bij te zetten, merkte een hoge Afrikaanse functionaris droogjes op dat de Chinezen met leningen en ingenieurs komen aanzetten en de Amerikanen met playlists.

    Een politieke paradox

    Alom wordt ervan uitgegaan dat de regering-Biden een buitenlands beleid op twee niveaus voert: op de eerste plaats komen de betrekkingen met de belangrijkste democratische bondgenoten in Europa en Azië (met de hoop dat India daarvan ooit deel zal uitmaken) – en daarna met rammelende mondiale instituties. Aan de bemiddelende rol van die instituties heeft een brede groep landen, waaronder de meeste niet-gebonden landen, behoefte, of het nu gaat om ontwikkeling, schuldverlichting, veiligheid of financiën.

    Dat brengt drie uitdagingen met zich mee. In de eerste plaats moet de westerse eenheid standhouden. Dat is niet vanzelfsprekend. Tijdens zijn recente bezoek aan China zei de Franse president Emmanuel Macron dat de Europese staten het Amerikaanse beleid ten aanzien van Taiwan niet zomaar moeten volgen, noch een boodschap hoeven te hebben aan het Amerikaanse ‘ritme’.

    Het risico van deze bundeling van krachten is dat het mondiale zuiden verder vervreemd raakt van de internationale orde

    De tweede uitdaging is de mogelijkheid dat China de mondiale instellingen ondermijnt door bijvoorbeeld te kiezen voor bilaterale schuldenverlichting in plaats van zich volledig in te zetten voor gecoördineerde inspanningen op dat gebied. De halsstarrige houding van Chinese crediteuren bij het IMF vermindert de flexibiliteit die het kan bieden aan landen die met schulden worstelen.

    De laatste uitdaging betreft het wantrouwen jegens het Westen vanwege al zijn verbroken beloften. Neem de klimaatfinanciering. In 2009 zeiden rijke landen dat ze in 2020 ruim 90 miljard euro per jaar naar arme landen zouden sluizen; het jaarlijkse totaal is nooit hoger geweest dan 77 miljard.

    Op grond van hun gedeelde liberale waarden en geschiedenis schaarden westerse landen zich achter Oekraïne na de Russische invasie. Zij hebben ook hernieuwde vastberadenheid aan de dag gelegd jegens een autoritair China. Het risico van deze bundeling van krachten is evenwel dat het mondiale zuiden verder vervreemd raakt van de internationale orde. Het zou tragisch zijn als de VS, door het Westen te verenigen, het contact met de rest van de wereld verliest.

    Lees ook:

  • MBS wil rentenierssysteem vervangen door productie-economie

    MBS wil rentenierssysteem vervangen door productie-economie

    De Mukaab is het zoveelste megalomane stedelijke project uit de koker van Mohammed bin Salman, alias MBS, de zoon van koning Salman die samen met zijn vader de scepter zwaait over Saoedi-Arabië. MBS wil de economie diversifiëren, want die is nu nog volledig afhankelijk van olie-inkomsten.

    Het nieuwste stedelijke megaproject van Mohammed bin Salman, bijgenaamd ‘MBS’, de kroonprins van Saoedi-Arabië: de Mukaab, een gigantisch kubusvormig bouwwerk met een hoogte, breedte en diepte van 400 meter. Het moet het symbool van Riyad worden. Een soort Saoedische Eiffeltoren of Big Ben, maar dan in XXL-formaat, met 2 miljoen vierkante meter aan vloeroppervlak, die plaats moet bieden aan een armada van hotels, winkelcentra en zelfs een ‘immersief theater’. Volgens berekeningen van de Amerikaanse media belooft deze mastodont twintig keer zo groot te worden als het Empire State Building.

    Dit Babylonische project is afkomstig uit de koker van MBS, de zoon van koning Salman die samen met zijn vader de scepter zwaait over Saoedi-Arabië. Hij wil een revolutie ontketenen in het koninkrijk door te breken met ouderwetse sociaal-religieuze aspecten en door de economie, die nu nog volledig afhankelijk is van olie-inkomsten, te diversifiëren.

    Voordat hij zijn plan voor de Mukaab lanceerde, had deze overactieve, met games opgegroeide dertiger al andere projecten geïnitieerd die minstens zo opzienbarend zijn: Neom in het noordwesten van het land, een megalopolis met robotbedienden, vliegende taxi’s en een kunstmaan; The Line, een klimaatneutrale stad die zich in een lijn van 170 kilometer lang uitstrekt door de woestijn; Qiddiya, een reusachtig entertainmentproject aan de rand van Riyad dat drie keer zo groot moet worden als Parijs; Trojena, een prestigieus skiresort in de bergen boven de stad Tabuk, waar naar verwachting de Aziatische Winterspelen van 2029 zullen worden gehouden; het Red Sea Project, met een reeks super-de-luxe hotels aan de Rode Zee, et cetera.

    Imago opvijzelen

    Grillen van een megalomane postpuber? Pogingen om minder flatteuze acties in het vergeetboek te doen geraken, zoals de rampzalige oorlog in Jemen of de moord op journalist Jamal Khashoggi, die in 2018 in het Saoedische consulaat in Istanboel met een botzaag in stukjes werd gesneden?
    De werkelijkheid is complexer. Naar alle waarschijnlijkheid zal maar een deel van deze enorme bouwwerken het daglicht zien, geheel in lijn met eerdere half voltooide megaprojecten. Zo is de Koning Abdoellah Economische Stad, waarmee de voorganger van Salman een eiland van liberalisme wilde stichten aan de oevers van de Rode Zee, nooit echt van de grond gekomen. Het faraonische karakter van de projecten is bedoeld om het imago van de Saoedische kroonprins op te vijzelen. Ze moeten een ander verhaal vertellen, dat van de jonge prins die zich meer dan ooit als ondernemer van de toekomst presenteert, naar het voorbeeld van een van zijn idolen, Elon Musk, de baas van SpaceX die Mars wil koloniseren.

    De productiviteit van de Saoedische bevolking, die gewend is aan een uiterst genereuze staatsruif, ligt notoir laag

    Deze projecten zijn een teken voor de rest van de planeet, en in het bijzonder voor investeerders, dat het koninkrijk daadwerkelijk bezig is zich aan zijn verstarring te ontworstelen. ‘MBS wil een nieuw Saoedi-Arabië creëren, en het lijdt geen twijfel dat hij daarin slaagt,’ zegt Bertrand Besancenot, voormalig Frans ambassadeur in Riyad, die in 2015 zag hoe het nieuwe fenomeen zijn intrede deed op het Saoedische politieke toneel. ‘Hij ziet zichzelf als de nieuwe Ibn Saoed (de eerste koning van het moderne Saoedi-Arabië, die het koninkrijk in 1932 tot een eenheid smeedde) en wil van zijn land een van de tien machtigste ter wereld maken.’

    Deze kentering begon in 2016, met de inperking van de bevoegdheden van de zedenpolitie. De muttawa, die een sinistere reputatie genoot, was belast met de handhaving van de geboden van het wahabisme, de ultrapuriteinse stroming binnen de islam die lange tijd de staatsgodsdienst van Saoedi-Arabië was. In de jaren daarna heeft MBS de zachte dictatuur waarvan lange tijd sprake was weliswaar vervangen door een ultra-autoritair bewind, maar is hij doorgegaan met het doorbreken van taboes, door muziekuitvoeringen toe te staan (2016), het verbod op autorijden voor vrouwen op te heffen (2017), bioscopen te heropenen (2018), de scheiding tussen mannen en vrouwen in restaurants op te heffen (2019), winkels toestemming te geven om tijdens gebedstijden open te blijven (2021) et cetera.

    Vierde Saoedische staat

    Het dewahabiseringsproces is in gang gezet, en te oordelen naar het succes van de hervormingen is de bevolking, van wie tweederde jonger is dan 35, rijp voor deze revolutie. Het proces is des te moeilijker te stoppen doordat MBS ervan verzekerd is dat hij na de dood van zijn vader, die nu 87 is, de troon zal bestijgen; rekening houdend met zijn jonge leeftijd (37) zou hij, mits er geen ongelukken gebeuren, nog drie of vier decennia moeten kunnen regeren.

    ‘We zijn in feite getuige van de geboorte van de vierde Saoedische staat,’ zegt politicoloog Stéphane Lacroix, gespecialiseerd in de geschiedenis van het Arabisch Schiereiland. Eerst was er het emiraat Diriyah, dat duurde van 1727 tot 1818, toen het emiraat Nadjd, van 1824 tot 1891, en daarna het koninkrijk dat in 1932 door Abdoel Aziz al-Saoed werd gesticht. ‘Dit idee van een vierde staat was een geliefd thema van de Saoedische oppositie, die lange tijd heeft gedroomd van de stichting van een constitutionele monarchie,’ aldus Lacroix. ‘Maar MBS is bezig een geheel ander project te verwezenlijken: een door moderniseringsdrift en grootheidswaanzin bezielde autocratie. Hij is de opperheerser die alle regels aan zijn laars lapt, goedschiks of kwaadschiks.’

    Vrouwen

    Met dit hervormingsproces was al langzaam maar zeker een begin gemaakt in de tijd van koning Abdoellah. Aan hem is, behalve de Economische Stad, ook de toegang van vrouwen tot de Majlis al-Shura (het Saoedische surrogaatparlement) te danken, evenals het staatsmonopolie op fatwa’s en de eerste investeringen in toerisme en mijnbouw – de twee belangrijkste sectoren waarmee MBS de afhankelijkheid van olie wil verminderen. Maar de macht in Saoedi-Arabië was in die tijd nog sterk verdeeld en de pogingen van Abdoellah liepen vaak al snel spaak.

    Mohammed bin Salman heeft lering getrokken uit deze mislukkingen en besloten dat het systeem alleen kan worden veranderd door het ten val of op z’n minst aan het wankelen te brengen. Vandaar zijn grootschalige arrestatiecampagnes, zowel onder islamisten als liberalen, en zowel binnen de koninklijke familie als binnen vooraanstaande zakenfamilies en geestelijke kringen. Zo wil hij een verticale machtsstructuur creëren en het – al dan niet reële – verzet tegen zijn grootse plannen breken.

    Vooral op religieus gebied heeft hij opvallend veel succes geboekt. De wahabitische geestelijkheid die in ruil voor haar trouw aan koning Saoed de hele maatschappij haar obscurantistische credo oplegde, is volledig monddood gemaakt. De islamitische toon wordt inmiddels gezet door MBS zelf, die zich heeft ontpopt als een voorvechter van de iitidal, de religieuze gematigdheid. Tijdens een opzienbarend interview met de zender Al-Arabiya in 2021 tergde de kroonprins de traditionalisten zelfs tot het uiterste door op te roepen om Mohammed ibn Abdul-Wahhab, stichter van het wahabisme, niet als een heilige te vereren.

    Deze modernisering wordt niet alleen ingegeven door imago-overwegingen. In een recent boek, L’Arabie saoudite. De l’or noir à la mer Rouge, beschrijft de Franse historicus en diplomaat Louis Blin, voormalig consul in Djedda, hoe het ‘antimodernisme’ van de fundamentalisten, gepaard met de verslaving aan het zwarte goud, de industriële ontwikkeling van Saoedi-Arabië heeft gedwarsboomd. ‘Het welslagen van de postwahabitische gok van de kroonprins staat of valt met zijn vermogen om het rentenierssysteem dat door de salafisten wordt gesteund te vervangen door een productie-economie,’ aldus Blin.

    Maar de productiviteit van de Saoedische bevolking, die gewend is aan een uiterst genereuze staatsruif, ligt notoir laag, en de kroonprins weet dat. Het succes van zijn plannen is afhankelijk van een ontwikkeling van het arbeidsethos en een integrale hervorming van het lokale opleidingsstelsel. Het bekeren van de Saoediërs tot het wereldwijde materialisme, het onuitgesproken doel van Mukaab, Trojena en andere soortgelijke projecten, zal niet volstaan om het koninkrijk te hervormen.

  • ‘Pak de vermogensbeheerders aan die Russen helpen sancties te omzeilen’

    ‘Pak de vermogensbeheerders aan die Russen helpen sancties te omzeilen’

    Steenrijke Russische oligarchen die het doelwit zijn van westerse sancties weten met gemak routes te verzinnen om hun geld toch veilig te stellen. Om dat te voorkomen moeten niet de oligarchen zelf, maar hun buitenlandse vermogensbeheerders worden aangepakt, schrijft sociologieprofessor Brooke Harrington.

    Vorig jaar werden er sancties uitgevaardigd tegen Russische oligarchen in een poging de vazallen van Vladimir Poetin niet langer toegang te verschaffen tot hun onmetelijke rijkdommen in het buitenland, die naar schatting zo’n zestig procent van hun netto waarde vertegenwoordigen. Megajachten, privéjets en luxueuze villa’s werden in beslag genomen, soms in het bijzijn van snorrende nieuwscamera’s. Maar ondanks al dat machtsvertoon werd een groot deel van het kapitaal van de oligarchen stilletjes naar veiliger havens geloodst.

    Russische oligarchen zijn er zelfs in geslaagd sancties te ontlopen op het grondgebied van een van de landen die hen het hardst aanpakten, namelijk door doodleuk in Amerikaans onroerend goed te investeren. Het Amerikaanse ministerie van Justitie maakte onlangs bekend dat Viktor Vekselberg, een oligarch die door president Poetin was aangesteld om westerse leiders te paaien, Amerikaanse sancties op luxueuze onderkomens in New York en Florida had weten te ontlopen. In januari van dit jaar waarschuwde het ministerie van Financiën in Washington met klem dat Russische oligarchen in toenemende mate langs slinkse wegen hun vermogen in commercieel Amerikaans onroerend goed investeerden in weerwil van de sancties.

    Kat-en-muisspel

    De Verenigde Staten zijn in een kostbaar en schijnbaar vruchteloos kat-en-muisspel met Russische oligarchen verwikkeld geraakt. Confisqueer of bevries je hun activa op de ene plek, dan verdwijnen ze naar een andere, recht onder onze neus. Dit draagt alleen maar bij aan de internationale reputatie van deze oligarchen als een onaantastbare elite.

    Maar er is een betere benadering: sancties opleggen aan de buitenlandse vermogensbeheerders die achter dit ingewikkelde internationale balletje-balletjespel zitten. Een nieuwe studie laat zien waarom: de vermogensbeheerders, en niet hun rijke cliënten, zijn het brein achter de strategieën om sancties te ontlopen, en ook achter de tactieken om de activa van oligarchen als Russische poppetjes onder te brengen in brievenbusfirma’s en trusts. Straf de tussenpersonen en de oligarchen hebben niet langer toegang tot veel buitenlandse netwerken die hen in staat stellen een loopje met de wet te nemen.

    Door het analyseren van de grote internationale lekken van de afgelopen jaren – de Panama Papers uit 2016, de Paradise Papers uit 2017 en de Pandora Papers uit 2021 – hebben Herbert Chang van de University of Southern California, de wiskundigen Feng Du en Dan Rockmore van Dartmouth College in New Hampshire en ondergetekende de buitenlandse activanetwerken van elites in kaart gebracht, onder wie veel Russen die nauwe banden hebben met president Poetin. We ontdekten een complex dekmantelsysteem dat een onverwacht aspect van het internationale financiële raderwerk aan het licht brengt: er is sprake van een ‘schaalvrij netwerk’, dat uitermate goed bestand is tegen willekeurige aanvallen van buitenaf.

    Russische oligarchen vertrouwen hun buitenlandse activa toe aan een klein aantal vermogensbeheerders in het Westen

    Maar deze netwerken hebben wel een duidelijke zwakke plek: een paar raderen erin (zoals mensen in het internationale systeem van geldstromen die nauw met elkaar in contact staan) vervullen een spilfunctie en houden de hele structuur bij elkaar. Richt je pijlen op die spilfiguren en het hele netwerk valt uiteen. En valt het dekmantelsysteem uiteen, dan gebeurt hetzelfde met de relaties die oligarchen vrije toegang tot hun buitenlandse activa hebben verschaft.

    Het is dus cruciaal voor beleidsmakers om erachter te komen waar die belangrijke spilfuncties zich bevinden. Ons onderzoek werpt een licht op gebieden die ‘superfragiel’ zijn, zoals netwerkgeleerden het noemen, in een systeem van offshorefinance (het onderbrengen van vermogen in het buitenland) dat uiterst weerbaar is gebleken tegen conventionele wettelijke strategieën.

    Meer dan enige andere doelgroep in ons onderzoek – dat zich ook richtte op elites uit de Verenigde Staten, Hongkong en China – vertrouwen Russische oligarchen hun buitenlandse activa toe aan een klein aantal vermogensbeheerders in het Westen. Als er maar een klein aantal deskundigen ‘op de hoogte’ is, helpt dat om de geheimen van oligarchen beter te bewaren, maar wordt er ook een duidelijke zwakke plek gecreëerd – een superfragiliteit. En daarmee kunnen beleidsmakers die de sancties controleren hun voordeeldoen. Volgens ons onderzoek hadden rechtstreekse sancties tegen vermogensbeheerders in dienst van Russische oligarchen tot gevolg dat de buitenlandse netwerken van laatstgenoemden volledig instortten en hun mogelijkheden om sancties te ontlopen op een effectieve manier om zeep werden geholpen.

    Dit inzicht kan een eind maken aan de kostbare klopjacht van de Verenigde Staten en andere landen op de activa van oligarchen. Onze analyse toont aan dat talrijke oligarchen gebruikmaken van de diensten van dezelfde vermogensbeheerder. Als we die experts met zulke nauwe banden eruit pikken, kunnen we hen beletten samen te werken met lieden als Viktor Vekselberg. Daarmee zouden vele buitenlandse netwerken van oligarchen in één klap worden ontbonden en belangrijke toegangswegen tot hun vermogen worden afgesneden. Zo’n straf heeft veel verstrekkender gevolgen en beantwoordt veel beter aan het beoogde doel van de sancties dan het in beslag nemen van een jacht of jet.

    Sanctiestrategieën

    Het vervangen van deze vermogensbeheerders door experts die niet met sancties te maken krijgen (zoals degenen die in Dubai gevestigd zijn), zou bovendien veel moeilijker en riskanter voor oligarchen zijn dan het klinkt. Vermogensbeheerders worden in de loop der tijd een vergaarbak van de geheimen van hun cliënten, financieel, politiek en persoonlijk. Het verhuizen van deze geheimen naar nieuwe experts is niet alleen heel erg kostbaar, het zou ook risico’s voor de oligarchen met zich meebrengen. Hoe meer mensen weten hoe de oligarchen hun rijkdom hebben vergaard, hoeveel ze bezitten en waar dat bezit zich bevindt, hoe kwetsbaarder ze zijn voor politieke represailles, inbeslagname van hun activa en fysiek gevaar. In de wereld van de offshorefinance is vertrouwen een schaars goed, dat niet gemakkelijk via een andere leverancier te verkrijgen is.

    Wat de vermogensbeheerders betreft: als die hun samenwerking met deze bestrafte cliënten een halt zouden toeroepen, zouden ze weer met open vizier zaken kunnen doen en op een reguliere manier in hun inkomen kunnen voorzien.

    Offshorefinance kan een serieuze bedreiging vormen voor de internationale veiligheid en stabiliteit

    Sanctiestrategieën die zich op expertise richten zijn in het verleden al menigmaal succesvol gebleken. Zo werd de beslissing van Iran om in 2015 de overeenkomst te ondertekenen die paal en perk stelde aan zijn nucleaire programma deels toegeschreven aan een beleid dat heel sterk leek op wat wij voorstellen: het opleggen van sancties aan buitenlandse juridisch-financiële experts zodat de leiding van het land ‘geen toegang heeft tot haar vreemdevalutareserves die in het buitenland zijn geparkeerd’, zoals een rapport van een onderzoekscommissie van het Amerikaanse Congres het uitdrukte. Op het delen van technologische kennis op het gebied van nucleaire, chemische en biologische wapens staan al decennia lang sancties; wanneer deze benadering zich ook zou uitstrekken tot het terrein van vermogensbeheer, zou dat betekenen dat in toenemende mate wordt ingezien dat offshorefinance een serieuze bedreiging kan vormen voor de internationale veiligheid en stabiliteit.

    Zwitserland vervolgt inmiddels enkele vermogensbeheerders van gesanctioneerde oligarchen wegens het schenden van regels die maar zelden worden toegepast. Zo hebben de Zwitserse autoriteiten een aanklacht ingediend tegen vier vermogensbeheerders van Gazprombank wegens onzorgvuldig handelen inzake hun cliënt Sergej Roldoegin, een vertrouweling van Poetin tegen wie sancties lopen.

    Vorig jaar hebben de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en de Europese Unie eerste stappen gezet voor het verbieden van bepaalde soorten advieswerk op het gebied van het creëren van financiële offshoreconglomeraten voor oligarchen. Deze verboden hadden geen vermogensbeheerders op het oog, maar een aantal deskundigen dat door vermogensbeheerders voor specifieke taken in de arm wordt genomen, zoals belastingadviseurs en vennootschapsspecialisten.

    Dit zijn stappen in de goede richting; mijn collega’s en ik hopen dat onze studie beleidsmakers ertoe zal aanzetten om hun aandacht te verleggen naar de echte spilfiguren binnen het systeem, namelijk de vermogensbeheerders.

    Brooke Harrington, hoogleraar sociologie aan Dartmouth College in New Hampshire, is de auteur van Capital Without Borders: Wealth Managers and the One Percent.

    Lees ook:

    https://360magazine.nl/ondanks-een-nieuw-embargo-financiert-de-europese-oliehandel-de-russische-oorlog/
  • De VS kunnen mogelijk hun rekeningen niet betalen vanaf 1 juni

    De VS kunnen mogelijk hun rekeningen niet betalen vanaf 1 juni

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Nigeria: start-up wil openbaar vervoer verbeteren met elektrische bussen

    » Fietsstad Parijs: meer dan 400.000 fietsritten per dag

    Het schuldenplafond wordt mogelijk op 1 juni bereikt

    Janet Yellen, de Amerikaanse minister van Financiën, waarschuwde het Congres op maandag dat, ‘gebaseerd op de huidige prognoses’, de federale overheid op 1 juni geen geld meer heeft om haar rekeningen te betalen als het schuldenplafond niet wordt verhoogd. Hoewel de kwestie het onderwerp was van ‘politieke confrontaties in slow motion’, zorgt haar waarschuwing voor ‘urgentie’, aldus NPR.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Republikeinen in het Huis eisen grote bezuinigingen en andere beleidswijzigingen in ruil voor het verhogen van het schuldenplafond. President Biden houdt op zijn beurt vol dat hij niet zal onderhandelen over de kredietwaardigheid van de overheid.

    De overheid bereikte in januari technisch gezien haar schuldenlimiet, aldus NPR, maar Yellen zei toen dat ze noodmaatregelen kon inzetten om tijd te kopen en de overheid toe te staan rekeningen tijdelijk te blijven betalen. Toch waarschuwt de minister van Financiën dat als er nu te lang wordt getreuzeld met het verhogen van schuldenplafond, de Amerikaanse economie ernstige schade kan oplopen.

    Lees ook:

  • ‘Accugekte’: waarom zouden we zelf accu’s produceren als China het beter kan?

    ‘Accugekte’: waarom zouden we zelf accu’s produceren als China het beter kan?

    Nu in de komende decennia elektrisch rijden de strandaard wordt, zijn accu’s de industrie van de toekomst. De VS en Europa steken veel geld in nieuwe fabrieken. Maar, stelt Robin Harding van Financial Times, rijke landen zullen het afleggen tegen China.

    Accu’s, accu’s, accu’s. De wedloop om deze industrie van de toekomst binnen te halen en de elektrische voertuigen aan te drijven die de wegen zullen overheersen is even hectisch als de jacht op AAA-batterijen nadat een achtjarige zijn verjaardagscadeautjes heeft uitgepakt.

    Dankzij een orgie van subsidies in het kader van president Bidens Inflatiereductiewet worden er overal in de VS gigafabrieken gebouwd, terwijl het Verenigd Koninkrijk worstelt met de mislukking van zijn enige grote accuproject. Een teken van de door accu’s veroorzaakte onzekerheid is het aantal start-ups dat zich onder deze vlag schaart, met namen als Britishvolt (inmiddels failliet) of American Battery Factory.

    De accugekte laat zich simpel verklaren. In de toekomst zullen alle auto’s elektrisch zijn. En elektrische voertuigen hebben een accu nodig. Ergo, een bloeiende auto-industrie heeft accufabrieken nodig. Dit is tot op zeker hoogte waar en de verkoop van accu’s zal ongetwijfeld een hoge vlucht nemen. Maar waar de gekte aan voorbijgaat is dat vele jaren ervaring hebben aangetoond dat accu’s slechte handel zijn: lage winstmarge, kapitaalintensief, smerig en onderhevig aan ernstige fysieke beperkingen die technologische vooruitgang in de weg staan. Investeerders en landen die zich massaal op deze bedrijfstak storten, zullen op de blaren moeten zitten.

    Misleidend

    De grootste accuproducenten, die niet prat gaan op gigafabrieken, zijn allemaal gevestigd in Azië. Sony pionierde in de jaren negentig met de lithium-ion-accu, maar stopte na jarenlange pogingen om de productie winstgevend te maken. Het Japanse Panasonic en het Zuid-Koreaanse Samsung SDI en LG Energy Solution, de meest gevestigde namen in de bedrijfstak, hebben hun verkoop de pan uit zien rijzen, maar zelfs in goede jaren hebben ze grote moeite om op een omzet van tientallen miljarden dollars een brutowinstmarge van tien procent te behalen. De meest winstgevende en snelst groeiende accuproducent is het Chinese CATL, een goede aanwijzing voor hoe het uiteindelijk met deze bedrijfstak zal aflopen.

    De economische basiswetten van de accuproductie verklaren de financiële resultaten. Je moet een grote hoeveelheid schaarse grondstoffen inslaan – waarvan nikkel en lithium nog tot de minst exotische behoren – en die op grote schaal tot cellen verwerken met behulp van miljoenen dollars kostende machines. De resulterende productie verkoop je op een markt die vrijwel volledig business-to-business is en geen merkbekendheid of aftersales-inkomsten kent. De onderhavige processen zijn gelinkt aan de chemische industrie. Lichte industrie kun je het niet noemen.

    Door de snelheid waarmee elektrische voertuigen veranderen is de indruk ontstaan dat accu’s zich snel ontwikkelen. Maar dat is misleidend. De basistechnologie bestaat al meer dan een eeuw en heeft slechts trage, lineaire vooruitgang geboekt. Accu’s zijn een kwestie van chemie. Je kunt ze niet gewoon maar kleiner maken, zoals een transistor.

    Schaal, kapitaal en kosten: dat wijst allemaal in de richting van China

    De chemie van elke accu – de combinatie van anode- en kathodemateriaal – beperkt de hoeveelheid energie die deze kan bevatten: zijn elektrochemische potentieel. De grootste prestatiesprongen zijn geboekt dankzij nieuwe chemische oplossingen, zoals de overstap op lithium. Maar een accu moet werken als het warm is en als het koud is; hij moet voldoende snel een voldoende aantal keren een voldoende hoeveelheid energie laden en afgeven; hij moet veilig zijn; en hij moet betaalbaar zijn. Elke beperking aanpakken met geheel nieuwe technologie is ongelooflijk moeilijk.

    Er is sprake van een gestage, toenemende innovatie op anode-, kathode- en scheidingsgebied, al komt de meerwaarde daarvan dikwijls ten goede aan gespecialiseerde chemische bedrijven en niet aan accuproducenten. De meeste winst in de hedendaagse industrie wordt geboekt door ‘al doende te leren’ en daarmee kosten te besparen terwijl de volumes groeien, maar daarbij schuilt het geheim van het succes opnieuw in enorme schaalvergroting en kapitaalinvesteringen, en niet in specifieke technische doorbraken.

    Toekomst

    Schaal, kapitaal en kosten: dat wijst allemaal in de richting van China. Gigantische accufabrieken in rijke landen zullen vermoedelijk door hetzelfde lot worden getroffen als fabrieken van zonnepanelen en televisies en, inderdaad, een vorige generatie accufabrieken in rijke landen. Zeker is in elk geval dat er geen tiental nationale accufabrieken zal zijn om een tiental nationale autofabrieken te bevoorraden.

    Wat moet een rijk land met een grote auto-industrie dan doen? Accu’s zijn zwaar dus er kan een voordeel schuilen in plaatselijke fabricage, vooral als er handelsbelemmeringen zijn. Ook kan de groei van de Chinese export worden belemmerd door geopolitieke risico’s. Wordt de accu echter een basisproduct, dan zullen landen die er grote hoeveelheden geld in steken de echte meerwaarde van toekomstige voertuigen mislopen. Die zal gelegen zijn in de software, vooral voor zelfrijdende voertuigen; in de data die een bestuurder genereert; in design, merkbekendheid en interieurkwaliteit; en in de veiligheid van wat altijd een grote metalen doos zal blijven die snel gaat.

    Silicon Valley heeft dat allemaal al bedacht en wacht op zijn kans. Het zal niet lang meer duren voordat ze zich daar in de strijd om de toekomst van de auto-industrie werpen. En die zal niet worden gewonnen door nationale gigafabrieken.

    Lees ook:

  • Ondernemen in Oekraïne: ‘Supermarkten zijn de plekken van onze onverzettelijkheid’

    Ondernemen in Oekraïne: ‘Supermarkten zijn de plekken van onze onverzettelijkheid’

    Poetin wil met zijn bombardementen de Oekraïense maatschappij platleggen. Maar het bedrijfsleven gaat gewoon door. De supermarkten liggen vol, de IT-industrie groeit, en er worden zelfs weer vliegtuigen gebouwd. Hoe doen de Oekraïners dat?

    Bij elke stroomstoring in het westen van Oekraïne gaat er in het bedrijf van Maxim Ivanov iets zoemen: de dieselgenerator voor zijn kantoren in Ivano-Frankivsk start dan op. ‘Teksan Jeneratör’ is de naam van de kolos uit Turkije. Het apparaat genereert 80 kilowatt stroom, genoeg om het bedrijf met zijn 350 werknemers draaiende te houden – en om de plannen van Vladimir Poetin te dwarsbomen. Want zo ziet de eigenaar dat.

    Ivanovs IT-bedrijf Aimprosoft heeft programmeurs, webdesigners en productmanagers in dienst. De opdrachten komen van westerse bedrijven die zelf geen nieuw personeel durven aan te nemen, of die op hun thuismarkt nauwelijks nog geschoolde werknemers vinden. Ondanks de oorlog hoeven zijn klanten niet bezorgd te zijn over vertragingen. Of de Russische strijdkrachten nu een elektriciteitscentrale of –knooppunt aanvallen, de mensen van Aimprosoft werken gewoon door, dankzij de generator en de vaten met diesel, die maximaal tien dagen stroomuitval aankunnen.

    Aanvankelijk had de Russische president Poetin zijn zinnen gezet op een snelle verovering van Kyiv. Vervolgens liet hij zijn troepen beginnen met de gerichte vernietiging van vitale infrastructuur in Oekraïne. Vanaf de herfst troffen honderden kruisraketten en kamikazedrones elektriciteitscentrales en verdeelstations. Eind december zat 90 procent van de 700.000 inwoners van Lviv zonder elektriciteit. De stadsverwarming werkte met horten en stoten en Kyiv zat soms zonder stromend water. Vanuit de ruimte was het effect van de bombardementen goed te zien: Rusland deed het licht in Oekraïne uit.

    Maar het land raakte niet verlamd door duisternis en kou. De winterse apocalyps bleef uit. Onder andere dankzij de generatoren. Bij grote bedrijven zoals Ivanovs Aimprosoft staan buiten de kolossen te zoemen; voor kapsalons en cafés staan kleinere exemplaren. Alleen al in de laatste drie maanden van vorig jaar kocht Oekraïne in het buitenland ongeveer een half miljoen aggregaten voor noodstroom, plus accu’s op zonne-energie met namen als EcoFlow of Bluetti. Samen leveren deze eenheden hetzelfde vermogen als een blok in een kerncentrale. Strategisch gezien zijn ze nog waardevoller, aangezien Rusland ze niet in één klap kan uitschakelen of met een aanval kan veroveren.

    Gewoon overleven

    De snelle verspreiding van de generatoren is meer dan alleen een symbool van de taaie Oekraïense assertiviteit. Het doorzettingsvermogen van zakenlieden als Ivanov is simpelweg noodzakelijk, wil het land volharden in zijn militaire weerstand tegen de indringers. De kosten van het snel gestegen defensiebudget moet Oekraïne immers zelf opbrengen. De partners in de EU en de VS maken maandelijks weliswaar miljarden over aan de regering in Kyiv, maar zij zien er in de staatsbegroting op toe dat het geld vooral wordt besteed aan civiele doeleinden. De eigen belastinginkomsten van Oekraïne vloeien nu bijna volledig naar het leger. Die mogen niet verdwijnen.

    Dat is al moeilijk genoeg: de economische productie van Oekraïne is vorig jaar drastisch gedaald. Miljoenen mensen hebben het land verlaten. De belangrijke staalfabrieken in het oosten zijn vernietigd of bezet door Rusland. Alleen de IT-sector is blijven groeien, zelfs in 2022. Daarvan zijn de exportinkomsten gestegen tot 7,3 miljard dollar: een plus van 6 procent. De belastingafdracht van techbedrijven aan de Oekraïense staat stegen – gerekend in dollars – met 16 procent.

    De oorlog veranderde zijn industrie, zegt Ivanov. Hij heeft nu andere prioriteiten. Vroeger hielden hij en zijn partners zich vooral bezig met groei. Dit jaar echter heeft hij zich als doel gesteld ‘dat we allemaal gewoon overleven’. Veel van zijn werknemers doneren tot 20 procent van hun maandsalaris aan de strijdkrachten. Elke Oekraïner heeft vrienden of familieleden in de strijd. Zij staan voortdurend met elkaar in contact, via berichtenservices als Telegram en dankzij de Starlink-systemen van Tesla-baas Elon Musk.

    De donaties gaan naar het leger of naar vrijwilligersorganisaties. Soms sturen ze nachtzichtapparatuur of winteruitrusting. De particuliere koeriersdienst Nova Poschta – Nieuwe Post – bezorgt de pakketten portvrij aan het front. ‘Ook de koeriers,’ zegt Ivanov, ‘liggen vaak onder vuur.’

    De oorlog heeft de Oekraïense samenleving gemobiliseerd, en daarmee ook de economie. Volgens een onderzoek van adviesbureau Deloitte doneert meer dan de helft van de Oekraïners aan de strijdkrachten. Van de Oekraïense bedrijven maakt 56 procent geld over en 40 procent regelt donaties in natura, aldus de European Business Association (EBA). Poetin wilde de nationale economie van het buurland op de knieën dwingen door gerichte klappen toe te brengen aan de meest kwetsbare punten, maar hij lijkt geen rekening te hebben gehouden met de bevolking.

    Ze zijn zo geroutineerd geraakt dat ze beschadigde apparatuur ‘vier keer sneller repareren dan in de herfst’

    Neem de eenenzestigjarige Joeri Jakovlev. Meteen al aan het begin van de invasie vernietigden de Russen zijn levenswerk, Aeroprakt. Ze rukten op naar het kleine vliegveld bij Kyiv waar Jakovlev zijn bedrijf had. Het produceerde ultralichte vliegtuigen voor de wereldmarkt – negen stuks op maandbasis voor de oorlog. De Russen beschoten de hangar, het dak stortte in. Met durf en geluk wist hij belangrijk gereedschap en bouwtekeningen in veiligheid te brengen. Korte tijd later sloegen de Russen alles aan diggelen, herinnert Jakovlev zich. Hij bracht het materiaal naar zijn bedrijfsvestiging in Polen, zodat hij ten minste de onderhouds- en reparatiewerkzaamheden voor zijn klanten in het Westen kon continueren.

    In de luchtvaartwereld heeft Jakovlev een legendarische status: wereldwijd verkocht de Oekraïner afgelopen decennia meer dan duizend vliegtuigen. Hij leerde zijn vak bij Sovjet-vliegtuigbouwer Antonov. Wanhoop en angst zijn hem vreemd. In Polen maakte hij eerst een doorstart met de verzending van reserveonderdelen, daarna nam hij contact op met verkooppartners en klanten en beloofde hij weldra weer nieuwe vliegtuigen te bouwen. Al in april was hij met zijn onderneming aanwezig op de luchtvaartbeurs in Friedrichshafen. Op Jakovlev en Aeroprakt kan nog steeds gerekend worden, was de boodschap.

    Een jaar na het begin van de oorlog doet hij provisorische reparaties op het vliegveld en in de buitenwijken van de Oekraïense hoofdstad. Deze zijn nodig vanwege de raketinslagen en het geweergeschut. Helaas is het personeelsbestand nu veel kleiner, zegt hij. Veel van de jongere werknemers zijn aan het front. Niettemin assembleert Aeroprakt weer vliegtuigen. ‘Negen per maand,’ aldus Jakovlev. Dat zijn er net zoveel als in januari 2022.

    In Oekraïne zijn er veel van dit soort verhalen over hardnekkig doorgaan. Neem de bestuursleden van de centrale bank NBU, de controlekamer van de economie. Als het luchtalarm afgaat, haasten ze zich naar de bunkers en onderhandelen desnoods vanuit een cel van vier vierkante meter verder met het Internationaal Monetair Fonds over miljardensteun.

    In de pikorde ver daaronder zijn er de reparatieploegen van staatsenergieleverancier Ukrenergo. Na maanden onafgebroken werken zijn ze zo geroutineerd geraakt dat ze beschadigde apparatuur ‘vier keer sneller repareren dan in de herfst’, aldus het hoofd van Ukrenergo. Ze zijn nu even snel in repareren als de Russen in vernietigen en ‘soms zelfs sneller’.

    Demografische crisis

    De Oekraïners hebben de vrije val van hun economie tot staan gebracht. In de zomer voorspelde de Wereldbank een daling van het bruto binnenlands product met 45,1 procent. Eind 2022 zou de min 30 procent al aangetikt moeten zijn – nog steeds een enorme inzinking. Maar voor het lopende jaar achten deskundigen zoals German Economic Team zelfs een lichte groei van 1,8 procent mogelijk.

    Is het genoeg? Van de staalproductie, die vroeger zo belangrijk was voor Oekraïne, is 85 procent ingestort. Russische troepen hebben fabrieken in het oosten bezet en de Azov-staalfabriek in Marioepol verwoest. De productie is daardoor gedaald van 60.000 ton staal per dag naar slechts 10.000 ton. De werkloosheid is verdrievoudigd, naar schatting tot 30 procent, ook al zijn sinds het begin van de oorlog honderdduizenden mannen opgeroepen voor de militaire dienst.

    Een demografische crisis begint zich af te tekenen. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie verminderde de Oekraïense bevolking met ongeveer acht miljoen door emigratie en een laag geboortecijfer. Voor de oorlog telde het land nog zo’n vierenveertig miljoen inwoners. Sindsdien zijn acht miljoen mensen gevlucht. Dat betekent dat de bevolking is gekrompen tot het niveau van voor de Tweede Wereldoorlog, tachtig jaar geleden. De meeste vluchtelingen verklaren dat zij na de oorlog willen terugkeren. Sommige EU-regeringen proberen hen te behouden – driekwart van de vluchtelingen heeft een universitair diploma.

    Zonder de miljardensteun van zijn partners zou de Oekraïense staat waarschijnlijk zijn ingestort. Toch is het betalingsgedrag van de internationale gemeenschap nog voor verbetering vatbaar. In 2022 werd er 64 miljard euro toegezegd, maar tot nu toe is slechts 31 miljard euro uitbetaald, zo berekende het Institut für Weltwirtschaft uit Kiel.

    Oekraïne moet nog steeds elke maand tot zo’n vijf miljard euro bij andere staten ophalen, anders kan het zijn leraren en ambtenaren niet meer betalen. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) wordt niet geacht geld uit te keren aan staten die in een militair conflict verwikkeld zijn maar verklaart zich bereid een uitzondering te maken voor Oekraïne. Om dat proces officieel gestalte te geven zijn de donoren overeengekomen een secretariaat op te zetten met kantoren in Kyiv en Brussel.

    De EU is de belangrijkste handelspartner. In de eerste maanden na het uitbreken van de oorlog steeg haar aandeel in de Oekraïense export van 40 naar 80 procent. Kort voor de oorlog werd de al langer geplande synchronisatie van de elektriciteitsnetten van de EU en Oekraïne voltooid. Dat was een zegen voor Kyiv: in de eerste maanden van de oorlog exporteerde het land kernenergie naar het Westen, waarmee het broodnodige deviezen verdiende. Sinds de bombardementen op energiecentrales begonnen, kan het land nu grote hoeveelheden elektriciteit van de EU kopen. De banden zijn inmiddels zo hecht dat sommige commentatoren Oekraïne beschouwen als ‘de facto lid van de EU’.

    Gewild

    Zover is het nog niet helemaal. ‘Er zijn initiatieven om Oekraïne te integreren in de toeleveringsketens van de EU,’ zegt Michael Harms, directeur van de op Oost-Europa en Centraal-Azië gerichte handelsvereniging Ost-Ausschusses der Deutschen Wirtschaft. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan omdat sommige producten nog niet aan de EU-normen voldoen of om andere redenen nog niet concurrerend zijn. Soms is het ook gewoon een kwestie van bureaucratie. Zo zijn er landbouwbedrijven in Oekraïne die biogas produceren en vloeibaar maken en klanten in de EU die dat willen kopen. De certificaten ontbreken echter nog.

    Economen van de Kyiv School of Economics schatten de oorlogsverwoesting op 138 miljard dollar – een bedrag dat elke dag stijgt. ‘Zonder particulier kapitaal lukt de wederopbouw niet,’ zegt econoom Robert Kirchner, plaatsvervangend hoofd van het Duitse economische team dat Oekraïne op last van de Duitse regering adviseert. Maar welke investeerder wil vrijwillig geld steken in een land dat door buurland Rusland met vernietiging wordt bedreigd? Desondanks heeft het Bayer-concern onlangs aangekondigd vast te houden aan een investering van 30 miljoen euro in een zaadfabriek. En de fabrieken van westerse autoleveranciers hebben hun activiteiten weer opgevoerd. Om ervoor te zorgen dat er nieuwe investeringen worden gedaan, ontwikkelen de Europese Bank voor Wederopbouw en Wereldbankdochter Miga programma’s om risico’s in Oekraïne af te dekken.

    Voor Oekraïense handelaren is vlotte bevoorrading van hun winkels een patriottische plicht geworden

    Oekraïense levensmiddelen zijn bijzonder gewild. Een Britse logistieke reus heeft daarom geïnvesteerd in een overslagcentrum in Moldavië om toegang te krijgen tot Oekraïense landbouwproducten. Het centrum ligt op 190 kilometer ten westen van de havenstad Odessa. Van daaruit zullen groenten en fruit binnenkort via Moldavië het Verenigd Koninkrijk bereiken. Het zou echt kunnen werken: de Oekraïners zijn erin geslaagd om zelfs in de onmiddellijke nabijheid van het front de bevoorrading op peil te houden – heel anders dan wat momenteel in bijvoorbeeld Britse supermarktketens gebeurt.

    Voor Oekraïense handelaren is vlotte bevoorrading van hun winkels een patriottische plicht geworden. Velen bieden voorbijgangers de mogelijkheid aan om zich binnen op te warmen of mobiele telefoons en laptops op te laden. Sommige winkels hebben openbare werkplekken ingericht, die voor iedereen toegankelijk zijn. ‘Supermarkten,’ zegt het hoofd van de winkeliersvereniging, ‘zijn nu de plekken van onze onverzettelijkheid.’

    Lees ook: