Tag: film

  • 4. Hacker vervangt Rosa Klebb

    4. Hacker vervangt Rosa Klebb

    Russische spionnen – bruut, kil, verleidelijk en gewetenloos – zijn geliefde personages in westerse speelfilms. Maar ze worden in snel tempo vervangen door technologie.

    Tot de impertinenties die Russen al generaties lang moeten dulden, behoort het beeld dat in de westerse popcultuur van hen wordt geschetst. Als stiefmoeder van alle kwaad geldt nog altijd de ongekend lompe Rosa Klebb, die de Britse held James Bond wilde doden met een giftig mes in de punt van haar schoen. Ook de Black Widow uit de vroege Marvel Comics, een met hightechwapens uitgeruste femme fatale, is een Russische agente. Russinnen en Russen waren meestal bruut, kil en gewetenloos, en als ze eens een keer aardig waren, zoals de hulpvaardige kosmonaut Lev Andropov in Armageddon, dan hadden ze een bontmuts met oorkleppen op en waren ze dronken.

    Momenteel komt de herinnering aan Rosa Klebb weer tot leven, en dat komt niet zozeer door de film als wel door de werkelijkheid. De van oorsprong Russische en later Britse agent Sergej Skripal is onlangs in Engeland het slachtoffer geworden van een gifaanslag, uitgevoerd met een in de Sovjet-Unie ontwikkelde chemische stof. Dat misdrijf zou net zo goed uit de Koude Oorlog kunnen dateren als het verhaal van de Vietnamees Trinh Xuan Thanh, die kort geleden midden in Berlijn werd ontvoerd – op bevel van de Socialistische Republiek Vietnam, zijn geboorteland. Communistische of autoritaire diensten, waartoe ook de Russische behoren, hebben even weinig genade met hun slachtoffers als respect voor rechtsstaten. Het Westen bekruipt dan ook een gevoel van onbehagen.

    De ontmaskerde spionne Anna Chapman begon een succesvolle tweede carrière als televisiepresentatrice

    Lange tijd waren Russische agenten verdwenen uit het bewustzijn van Europeanen en Amerikanen. Dat kwam door het einde van de Koude Oorlog en door het islamistische terrorisme. De personificatie van het kwaad was niet meer een bejaarde leider van het politbureau met zijn hand op de atoomknop, maar een prediker met opgestoken wijsvinger in een Afghaanse tent. De islamisten hadden beter dan de communisten door welke kracht er uitging van beelden: nooit eerder heeft de werkelijkheid de film zo overtroffen als op 11 september 2001, toen Al-Qaida de massamoord live op televisie bracht. De geheime diensten van Amerika bestreden het nieuwe gevaar met methoden waarvan het Westen eerder de Sovjet-Unie zou hebben verdacht – met ontvoeringen, martelingen en gevangenissen die boven recht en grondwet waren verheven.

    De post-Sovjet-Russen waren ondertussen weliswaar niet gestopt met het bespioneren van het Westen, maar wekten geen al te groot onbehagen meer op. In 2010 werd bijvoorbeeld een spionagenet in de VS opgerold – tien Russinnen en Russen hadden zich jarenlang voorgedaan als brave burgers, maar in het geheim informatie doorgespeeld aan Moskou. Als ze in code met elkaar spraken, zeiden ze grappige dingen als: ‘Het is geweldig om een kerstman in mei te zijn.’ De Amerikanen reageerden eerder verbluft en geamuseerd dan gealarmeerd, en de ontmaskerde spionne Anna Chapman begon – ook dat paste goed bij die tijd – een succesvolle tweede carrière als televisiepresentatrice.

    Scenarioschrijver Joseph Weisberg maakte van deze ware gebeurtenis een televisieserie over spionnen ‘onder ons’, over Philip en Elizabeth die aan de rand van Washington twee kinderen opvoeden en daarnaast – of beter gezegd als hoofdtaak – voor Moskou werken. Ze verleiden, folteren en moorden; op een keer snijden ze het lijk van een vrouw in stukken, zodat het in een koffer past. Weisberg ondervond maar één probleem met dit thema: de griezelfactor ontbrak, want niemand was meer bang voor de Russen. De schrijver loste dit op door vooral de spanningen binnen het agentengezin te belichten en de handeling terug te verplaatsen naar de jaren tachtig, toen de Amerikaanse president Ronald Reagan de Sovjet-Unie het ‘Rijk van het Kwaad’ noemde.

    Als Weisberg zijn serie The Americans vandaag de dag had geschreven, dan zou hij de handeling met een gerust hart weer in het heden kunnen laten plaatsvinden, waarin dan misschien geen Koude Oorlog heerst, maar op zijn minst wel Koude Vrede. De Russische president Vladimir Poetin ziet zijn land belegerd door het Westen, vooral door de uitbreidingen van de NAVO. Zijn onmiskenbare doel dat Rusland weer serieus wordt genomen of misschien zelfs wordt gevreesd, heeft hij inmiddels bereikt. Sinds de annexatie van de Krim en zijn breed uitgemeten bondgenootschap met de Syrische vatbommenwerper Bashar al-Assad acht het Westen Poetin tot nagenoeg alles in staat. De Britse regering uit zelfs de verdenking dat hij persoonlijk verantwoordelijk is voor de moord op Skripal. Bewijzen ontbreken, maar de Britse pers mag er graag op wijzen dat Poetin ooit KGB-agent is geweest, wat verdere bewijsvoering kennelijk overbodig maakt. Poetin voltooit het beeld door verraders ‘een slechte afloop’ te voorspellen of door te dreigen terroristen in de wc te verdrinken.

    Maar zijn de geheime diensten van de landen die ten oosten van het IJzeren Gordijn lagen echt gewetenlozer dan de westerse? Het verleden biedt in elk geval tal van filmrijpe aanwijzingen daarvoor. In 1959 stierf de Oekraïense anticommunist Stephan Bandera in München nadat een agent met een speciaal pistool blauwzuur in zijn gezicht had geschoten. In 1978 brachten de KGB en de Bulgaarse geheime dienst de dissident Georgi Markov om het leven: op een brug in Londen stak iemand de punt van een paraplu in zijn huid, waarmee het dodelijke ricine werd toegediend. In 1981 probeerde de Stasi Wolfgang Welsch, die mensen de DDR uit smokkelde, uit de weg te ruimen door zijn gehaktballen met thallium te prepareren.

    Ook veel andere geheime diensten grijpen echter naar het uiterste. De Israëlische Mossad heeft duizenden echte en vermeende terroristen gedood; in 2010 vermoordden vermoedelijk Israëlische agenten Hamas-leider Mahmud al-Mabhuh in een hotel in Dubai. Ze deden dat zo handig dat het aanvankelijk leek alsof Al-Mabhuh een natuurlijke dood in bed was gestorven. In de leerboeken zal ook een plaatsje ingeruimd blijven voor de commandoactie waarbij Amerikaanse agenten Al-Qaida-leider Osama bin Laden in Pakistan om het leven brachten; later werd hiervan de film Zero Dark Thirty gemaakt. Werkelijkheid en fictie zijn in een eeuwige wedloop met elkaar verwikkeld. Dat de werkelijkheid vaak wint, ligt beslist niet alleen aan de Russen.

    Meer echter dan in het Westen worden in het Oosten diensten ook tegen dissidenten en critici ingezet. Na de ervaring met het stalinisme zag de Sovjetleiding erop toe dat een individu niet meer willekeurig agenten kon inzetten: partij en politbureau oefenden controle uit over de leiding van de geheime dienst. Onder Poetin daarentegen heerst opnieuw een man uit de diensten met de diensten en is er geen enkele politieke kracht te bekennen die toezicht op hem houdt.

    Tien Russische spionnen die werden gearresteerd vanwege werkzaamheden in de VS. Linksboven Anna Chapman, die een tweede carrière kreeg als tv-presentator. – © HH
    Tien Russische spionnen die werden gearresteerd vanwege werkzaamheden in de VS. Linksboven Anna Chapman, die een tweede carrière kreeg als tv-presentator. – © HH

    Maar ook in de VS waren het niet zozeer rechtsstatelijke principes die de methoden van de geheime dienst dicteerden als wel de toestand in de wereld en het heersende dreigingsgevoel. In de jaren vijftig smeedde de CIA groteske plannen om de Cubaanse revolutionair Fidel Castro om het leven te brengen. Later distantieerde de organisatie zich van dergelijke methoden, tot met de terreur van 2001 alle scrupules weer verdwenen. De Amerikaanse president Barack Obama breidde zijn dronesoorlog aanvankelijk uit, maar stelde er later ook nieuwe grenzen aan door gericht doden te beperken tot gevallen waarin terroristen een ‘direct’ gevaar betekenden. In beide gevallen hadden de burgers nauwelijks mogelijkheden om de staat te controleren.

    Een bijzonder bewijs voor de meedogenloosheid van autoritaire veiligheidsapparaten zien experts in ‘honingvallen’: agentes of agenten die buitenlandse tegenhangers verleiden of seksuele omgang met hen hebben. Ook westerse diensten hebben deze truc gehanteerd, maar de Sovjet-Unie was daarin onverslaanbaar, wat uit westerse optiek verband hield met hun meedogenloosheid. Frederick Hitz, een voormalige inspecteur-generaal van de CIA, duidt dat als volgt: ‘Maar weinig westerse diensten konden hun burgers opleggen dat hun lichaam aan de staat toebehoorde.’

    Dat hierover net een film draait in de bioscoop is zeker geen toeval. Red Sparrow, een film over een Russische agente die andere spionnen moet verleiden, zou in 2010 nauwelijks kijkers hebben getrokken. Nu voegt hij zich bij een lange lijst westerse films waarin Russen beestachtig te werk gaan en bereid zijn tot geweld. Red Sparrow is een film die zó in 1988 had kunnen draaien (als je even buiten beschouwing laat dat de Amerikaanse hoofdrolspeelster Jennifer Lawrence, die de Russische agente speelt, toen nog helemaal niet was geboren).

    Maar moet je nog met de vijand naar bed om hem uit te horen? Voor geheime diensten hebben de grootste veranderingen tegenwoordig meer van doen met technologie dan met ideologie. Waarom zou je iemand in bed geheimen ontlokken als je diens telefoon kunt uitlezen? Waarom zou je het leven van een agent riskeren als je de vijand ook met een drone kunt doden?

    Over de spionagefilm werd altijd gezegd dat het een onverwoestbaar genre was: regimes en ideologieën mogen komen en gaan, de strijder die zich in zijn eentje en voor een hoger doel blootstelt aan de grootste gevaren zal er altijd zijn. Maar voor twee centrale taken van de geheime dienst zijn mensen steeds minder nodig. Als het zo doorgaat met de bots en drones, dan zou de spionagefilm wel eens spoedig zijn belangrijkste acteur kunnen kwijtraken: de agent zelf.

    Zo beschouwd maakten juist de VS de voorbije jaren de indruk van een schurkenstaat. Ten eerste vanwege Obama’s drones, ten tweede vanwege de verzamelwoede van de National Security Agency, die in het wilde weg telefoongegevens opsloeg. Dat het veiligheidsapparaat van de aardige meneer Obama uitgerekend de mobiele telefoon van de Bondskanselier liet afluisteren, stond voor de Duitsers praktisch gelijk aan verraad. Sinds de annexatie van de Krim begin 2014 is het weer Moskou dat onder een vergrootglas ligt. Sindsdien doen de VS hun beklag over Russische hackeraanvallen en het doelbewust lekken van e-mails van de Democraten om de presidentsverkiezingen van 2016 te beïnvloeden. Speciaal aanklager Robert Mueller heeft gereconstrueerd hoe Russische agenten de VS bespioneerden en vervolgens vanuit Sint-Petersburg met geautomatiseerde socialmedia-accounts probeerden kiezers te beïnvloeden en het vertrouwen in de staat te ondermijnen. Is dat hoe de nieuwe oorlogsvoering eruitziet? Ophitsing, destabilisering, verwarring – zo geraffineerd uitgevoerd dat Moskou het steeds plausibel kan bestrijden? De voormalige FBI-man Clint Watts heeft ooit in het Amerikaanse congres gezegd: ‘Rusland hoopt de tweede Koude Oorlog met de macht van de politiek te winnen, niet meer met de politiek van de macht.’ De ironie wil dat de Amerikanen als uitvinders van Facebook en Twitter de Russen zelf van de noodzakelijke instrumenten hebben voorzien. Aan de andere kant: is de situatie zo dramatisch als politici en diensten in het westen schetsen? Tenslotte is politiek in de VS al sinds lange tijd toxisch, en dat de Amerikanen hun staat wantrouwen blijkt al uit hun grondwet. Wat hebben de Russen daar eigenlijk precies aan veranderd?

    In Duitsland is het niet anders: voor de Bondsdagverkiezingen verzamelden de Duitse geheime diensten bewijzen voor mogelijke beïnvloeding door Moskou – maar geen enkel schrikbeeld is bewaarheid. De stroom van slechte berichten over Moskous destructieve rol droogt desondanks niet op. De Amerikaanse regering stelde onlangs over bewijzen te beschikken dat Russische hackers westerse krachtcentrales kunnen binnendringen. Verschillende autoritaire diensten zouden zich er wel eens heimelijk over kunnen verkneukelen met welke lowbudgettrucs ze het Westen van zijn stuk kunnen brengen.

    Poetin lijkt de beschuldigingen uit het Westen niet erg serieus te nemen, alsof hij ervan geniet dat Europeanen en Amerikanen zich onzeker voelen. De New Yorkse professor Nina Khrushcheva heeft eens de theorie geponeerd dat Poetin nauwkeurig heeft bekeken hoe Russen in Hollywoodfilms overkomen. En dat hij toen heeft besloten zich precies zo te gedragen om het Westen angst in te boezemen.

    Auteurs: Georg Mascolo en Nicolas Richter
    Vertaler: Pieter Streutker

    Openingsbeeld: Still uit Hitchcocks The 39 Steps (1935).

    Süddeutsche Zeitung
    Duitsland, dagblad, oplage 358.000

    Opgericht in 1945. De intellectuele, liberale krant van links Duitsland. Samen met de FAZ een van de belangrijkste dagbladen van het land. De SZ staat bekend om de drie-eenheid: tolerantie, onafhankelijkheid en waakzaamheid.

  • 2. Wonder Woman achter de camera

    2. Wonder Woman achter de camera

    Patty Jenkins was de eerste vrouw die een film met een superheldin regisseerde. En ze maakt van Wonder Woman ook nog een daverende hit. Maar zal haar succes ook leiden tot meer kansen voor vrouwelijke collega’s?

    Probeer voor de grap eens vijf vrouwelijke Amerikaanse regisseurs te noemen. Kathryn Bigelow, Sofia Coppola… Al uitgeteld? Goed, maar er zijn toch heel wat beroemde actrices achter de camera gekropen? Jodie Foster, Angelina Jolie…

    En Patty Jenkins? Een paar maanden geleden zouden nog maar weinigen haar naam hebben genoemd. De laatste keer dat die in een aftiteling verscheen was in 2003: Monster, die Charlize Theron de Oscar voor de beste actrice had opgeleverd. Budget: acht miljoen dollar. Maar in 2017 kun je in Hollywood niet meer om Patty Jenkins (47) heen. Haar huzarenstuk: de regie van Wonder Woman, ‘de duurste film die ooit is gemaakt door iemand met twee X-chromosomen,’ aldus The Hollywood Reporter (THR). Budget: 150 miljoen dollar.

    De druk was hoog. Bovenmenselijk zelfs. Maar de betrokkene bekende goed voorbereid te zijn omdat ze in het kielzog van haar vader, kapitein bij de Amerikaanse luchtmacht, van de ene naar de andere militaire basis was verhuisd. ‘Om een film te maken moet je betrouwbaar, goed georganiseerd, zelfverzekerd en rustig zijn, allemaal eigenschappen die je in het leger zult tegenkomen’, vertrouwde ze THR toe. En Patty Jenkins heeft haar missie met verve volbracht. Wonder Woman, de eerste film met een superheldin na de flop Elektra (2005), kreeg lovende kritieken en bracht wereldwijd 822 miljoen dollar aan recettes in het laatje. Hij trok een veel groter publiek dan andere films met superhelden en sprak ook veel vrouwen en vijftigplussers aan.


    ‘Zelfs Warner Bros had niet op zo veel enthousiasme gerekend,’ constateert THR in een ander artikel. ‘Volgens een ingewijde was de studioleiding totaal verrast. En nu zijn de vrouwelijke regisseurs euforisch.’ Veteraan Nancy Meyers, regisseur van What Women Want, reageerde aldus in het weekblad: ‘Nu kunnen ze [de beslissingsnemers] hun kop niet langer in het zand steken. Het succes van Patty Jenkins is onweerlegbaar. Het wordt tijd dat het werk van vrouwen op waarde wordt geschat en dat ze de teugels in handen krijgen bij grote films, kleine films, alle films die ze willen draaien.’

    Maar er is nog een lange weg te gaan. Volgens Forbes Magazine is maar vier procent van de regisseurs in Hollywood vrouw. In de onafhankelijke cinema zijn ze al talrijker: 23,7 procent van de cineasten die de afgelopen jaren tijdens het Sundance Festival naar de prijs voor de beste film dongen, bezat twee X-chromosomen. Van Sundance naar Hollywood ‘klinkt als een gat in de pijpleiding. Maar Patty Jenkins helpt dit gat te dichten’, aldus het New Yorkse blad.

    In elk geval is het succes van Wonder Woman reden om een discussie te beginnen over het beleid van de filmmaatschappijen Marvel en DC Comics: dat superheldenfilms voornamelijk op een jong mannelijk publiek zijn gericht wordt dikwijls als argument gebruikt voor het ontbreken van vrouwen voor en achter de camera. Maar THR vraagt zich af of dat geen reden is om het roer eens om te gooien in een sector die al zo lang ieder risico mijdt. ‘Ook andere vrouwen hebben bezoekersrecords gebroken zonder dat dat merkbare gevolgen had. Sinds Dorothy Azner in de tijd van de stomme film hebben heel wat vrouwen films gedraaid; de zes lange speelfilms van Meyer hebben wereldwijd meer dan 1,35 miljard dollar opgeleverd, maar evenmin als Sleepless in Seattle van de inmiddels overleden Nora Ephron hebben die voor meer vrouwelijke regisseurs gezorgd.’

    Dankzij haar succes deze zomer heeft Patty Jenkins voor het vervolg op Wonder Woman een salaris van tussen de zeven en negen miljoen dollar kunnen bedingen: een record voor een vrouw. Moeten we daar blij om zijn?

  • 1. #MeToo: het schandaal dat al jaren in de lucht hing

    1. #MeToo: het schandaal dat al jaren in de lucht hing

    Iedereen in Hollywood wist van het gedrag van Harvey Weinstein en consorten. Maar sinds het schandaal uitbrak is de crisis er niet minder om. Grote vraag is: gaat er nu echt iets veranderen?

    Keuze uit ons archief

    Zoals zo vaak was Amerika ons voor, vele jaren zelfs. Dit stuk uit het archief over waartoe #MeToo zou kunnen leiden, en wat er speelt, is uit 2017, toen Weinstein net was aangeklaagd. Interessant is o.a. dat van de twee kampen die hierin worden genoemd – degenen die de gevaren van een heksenjacht aanstippen en degenen die zich verzetten tegen grensoverschrijdende gedrag – het eerstgenoemde aanzienlijk stiller is geworden. De consensus lijkt al te zijn verschoven naar dat zulk gedrag ronduit onacceptabel is, en dat de daders hier verantwoordelijkheid in dragen. Daarmee is een deel van de vraag wat er zal veranderen beantwoord.
    Dit artikel maakte onderdeel uit van een minidossier over #MeToo. In #134 besteedde 360 eveneens een dossier aan het onderwerp.

    De sluier is weggetrokken, en o, wat een puinhoop wordt er zichtbaar.

    Hollywood is altijd al gekleurd geweest door schandalen. Roddels. Insinuaties. Verontschuldigingen. Mensen die weer in genade worden aangenomen. Maar de verhalen over seksueel misbruik die de laatste tijd aan het licht komen vormen een bonte verzameling van banale vergrijpen en perverse verlangens, verhalen uit films die werkelijkheid zijn geworden tegen een smakeloze achtergrond.

    Door de beschuldigingen van verkrachting en seksueel misbruik aan het adres van Harvey Weinstein, Brett Ratner, James Toback en vele anderen is er in dit prijzenseizoen weinig te merken van de gebruikelijke bravoure in een stad die zichzelf graag mag presenteren als onverschrokken en vrijgevochten, maar die in de praktijk liever alle touwtjes in de hand houdt en het script volgt. De entertainmentindustrie is weggezakt in een meerpolige catharsis van vrouwen die zich gesterkt voelen, mannen die gespannen afwachten, advocaten die dreigen, carrières die zijn stukgelopen en een algehele onzekerheid over hoe het verder moet nu er plots diepe scheuren opduiken in vele façades.

    ‘Ik denk dat de showbizz voorgoed is veranderd,’ zegt Marcel Pariseau, een publicist die werkt voor Scarlett Johansson en Olivia Munn – een van de vijf vrouwen die onlangs Ratner heeft beschuldigd van seksueel wangedrag. ‘We worden elke ochtend wakker met de vraag wat ons nu weer te wachten staat. Je durft haast niet op je mobiel te kijken wat de laatste onthulling is. Niemand gaat meer naar de hotelkamer van een producent of een regisseur,’ zegt hij. ‘Er vindt geen gesprek meer plaats zonder dat er een derde aanwezig is – om beide partijen te beschermen. Iedereen is op zijn hoede.’ Er worden Instagram-accounts gezuiverd, Facebook-pagina’s bijgewerkt, publicisten geraadpleegd en hersenen gepijnigd over wat er ook al weer precies is gebeurd, en met wie, op die ene schimmige avond, jaren terug.

    Dit is het nieuwe Hollywood. Gespannen, onzeker, getekend door een luide roep om rechtvaardigheid, door mensen die zich indekken, mensen die zich afvragen hoe het verder moet

    Op borrels heerst een gespannen sfeer; de opwinding rond de Oscars lijkt wat mat. Impresariaten laten klanten vallen en schonen hun adressenbestand op. Studio’s kijken kritisch naar hun contacten, mensen worden ontslagen zodra er ook maar één aantijging in de pers verschijnt.

    Bij elke pitch of voortgangsbespreking wil men ‘het erover hebben’, zegt een vrouwelijke scenarioschrijver die liever niet bij naam genoemd wil worden. ‘Het lijkt wel of iedereen in therapie zou moeten. Iedereen is ermee bezig, ofwel omdat ze er direct bij betrokken zijn, ofwel omdat het net zoiets is als langs een auto-ongeluk rijden – je moet er wel naar kijken. Eerst ging het vrijwel de hele tijd over Trump, nu gaat het de hele tijd hierover.’

    Dit is het nieuwe Hollywood. Gespannen, onzeker, getekend door een luide roep om rechtvaardigheid, door mensen die zich indekken, mensen die zich afvragen hoe het verder moet na een lange geschiedenis van discriminatie en seksueel geweld, mensen die zich afvragen hoe de verlichte samenleving valt te realiseren die men in de films zo graag mag uitdragen.

    ‘Het gesprek gaat er nu over of we de mensen in het vak al dan niet in bescherming moeten nemen tegen de mensen die dit geweld plegen,’ zegt komiek en producent Judd Apatow. ‘Ik zou me er persoonlijk niet prettig bij voelen om verkrachters en misbruikplegers de hand boven het hoofd te houden. Iedereen moet zelf beslissen hoe hij zijn geld wil verdienen. Iedereen maakt zijn eigen morele afwegingen. Ik realiseer me dat een misdadiger ook rechten heeft, maar tegelijkertijd brengen we anderen in gevaar.’ Het is lastig om alles glad te strijken wanneer er zelfs gelauwerde namen op de voorpagina verschijnen: Dustin Hoffman heeft zijn verontschuldigingen aangeboden nadat hij ervan is beschuldigd in 1985 een zeventienjarige stagiaire te hebben lastiggevallen. Kevin Spacey heeft gezegd dat hij op zoek gaat naar ‘zelfinzicht en behandeling’ na beschuldigingen van aanranding en ongewenste intimiteiten.

    De mensen die worden beschuldigd, worden vrijwel onmiddellijk geconfronteerd met de gevolgen: Netflix heeft Spaceys House of Cards gecanceld en Warner Bros heeft de banden verbroken met Ratner, die de beschuldigingen van aanranding en seksueel wangedrag, afkomstig van meerdere vrouwen, heeft ontkend.

    ‘Toen die Dustin Hoffman-kwestie naar buiten kwam had ik echt zoiets van, jemig, nu is er een hele verzameling fantastische films die ik niet meer kan bekijken vanwege die nare bijsmaak,’ aldus de scenarioschrijfster.

    Zowel publiek als recensenten zijn al begonnen aan een herwaardering van Weinsteins films. Tijdens de opnamen van een van die films, Shakespeare in Love, zegt en de hoofdrolspeelster, Gwyneth Paltrow, in een hotelkamer door de producent te zijn aangerand.

    Veel vrouwen worden heen en weer geslingerd tussen afgrijzen en opluchting. Een aantal actrices is van mening dat de golf van beschuldigingen de filmindustrie er eindelijk toe zal dwingen zelfregulerend op te treden, en zich te realiseren welke risico’s een vastgeroest mannenbolwerk met zich meebrengt. In een poging de heersende cultuur te doorbreken, twitterde Ellin Barkin: ‘Ik roep de onverschrokken, machtige zusters in ons vak op om de vrouwen die zich hebben uitgesproken, te omarmen.’

    De schokken die L.A. nu op haar grondvesten doen trillen ‘konden eigenlijk niet uitblijven’, aldus Jordana Oberman, actrice en producente. ‘De hele industrie is medeplichtig aan dit soort gedrag en heeft het afgedaan als iets wat nu eenmaal bij Hollywood hoort. Velen van ons hopen dat dit een keerpunt zal zijn, maar dat moet de tijd leren. Ik hoop vooral dat er kritischer zal worden gekeken naar de medeplichtigheid en dat mensen er niet langer het zwijgen toe zullen doen.’

    Twee polen

    De gebalde vuist van Rose McGowan, die zegt te zijn verkracht door Weinstein, en de bezorgde woorden van Woody Allen, die waarschuwt voor een ‘heksenjacht’ – het zijn de twee polen van dit verontrustende universum. De schandalen raken aan het wezen van de macht in L.A. – wie heeft de macht, en hoe wordt die gebruikt – en deze schandalen volgen op de jaren waarin er veel klachten waren over racisme en discriminatie, uitmondend in de campagne #OscarsSoWhite. Een campagne die er, volgens velen, mede toe heeft geleid dat de Oscar voor de beste film in 2017 naar Moonlight ging, een coming-of-ageverhaal met een homo in de hoofdrol, een zwarte regisseur en een zwarte cast.

    Maar de feestvreugde was niet van lange duur. We hebben het tenslotte over Hollywood, in het tijdperk van Donald Trump – een realityshowhost die glamour en politiek aaneen heeft gesmeed, een presidentskandidaat die heeft toegegeven dat hij vrouwen in hun kruis greep, en die vervolgens toch in het Witte Huis belandde. De entertainmentindustrie trok van leer tegen Trump, maar de beschuldigingen aan het adres van Weinstein, Ratner en anderen duiden op een stevig geworteld patroon van misbruik, gepleegd door mannen die zichzelf als kunstzinnig en links beschouwen.

    ‘Toen ik in de jaren twintig van de vorige eeuw in de showbizz terechtkwam, heerste het idee dat je als rijke, machtige man in Hollywood echt alles kon maken – en dat was ook het geval,’ zei producente Christine Vachon onlangs.

    De opkomst van Trump en de stortvloed van beschuldigingen in Hollywood hebben een nieuwe impuls gegeven aan de feministische beweging. De honderden vrouwen in de showbizz die nu een boekje hebben opengedaan, komen uit alle geledingen, variërend van topactrices tot secretaresses. Hun beschuldigingen zijn olie op het vuur van een breder gevoel in heel Amerika, het gevoel dat het maar eens afgelopen moet zijn met dat misbruik. Social media – van #MeToo op Twitter tot ontelbare Facebook-pagina’s – bepalen het gesprek van de dag in L.A., als een soort moderne stadsomroepers die niet alleen de vrouwen op de hoogte stellen van de nieuwste misstanden, maar die ook het gedrag aan de kaak stellen dat tot dan toe werd gedoogd.

    ‘Of ik nou kijk naar de gesprekken die ik heb gehad met schrijvers, of naar de algehele stemming, ik proef overal oprecht respect en bewondering voor de vrouwen die de stilte hebben doorbroken,’ zegt John Eisendrath, scenarioschrijver en executive producer van The Blacklist. Eisendrath zegt: ‘Ik, en ik weet zeker dat ik niet de enige man ben die dat heeft gedaan, heb de dertig jaar die ik nu in de showbizz werkzaam ben nog eens grondig de revue laten passeren. Ben ik er getuige van geweest? Heb ik er zelf mee te maken gehad? Heb ik het laten gebeuren? Zijn er situaties geweest waarin ik had moeten ingrijpen?’

    De beschuldigingen van seksueel misbruik hebben ook geleid tot een debat over juridische kwesties en morele vraagstukken – wie moet wie beschermen bij alle politieonderzoeken, rechtszaken en schikkingen

    Alec Baldwin zegt dat de cultuur in L.A. is veranderd en dat er een terugslag zal volgen, met beschuldigingen over en weer. ‘In ieder geval zullen er voorlopig geen castings meer plaatsvinden zonder dat er een derde partij aanwezig is. Uitgesloten,’ zegt hij. ‘Iedereen zal er iemand bij willen hebben, zodat er nooit onduidelijkheid kan ontstaan over wat er precies is voorgevallen.’ Hij voegt eraan toe: ‘Mijn agent heeft contact met me opgenomen. Ze zei dat ze zich zorgen maakt over de mensen die er het zwijgen toe doen, en die als gevolg daarvan opdrachten zullen mislopen. Want ze weten altijd wel een of andere foto boven tafel te krijgen waar je op staat met iemand die is beschuldigd van iets wat niet door de beugel kan.’

    De beschuldigingen van seksueel misbruik hebben ook geleid tot een debat over juridische kwesties en morele vraagstukken – wie moet wie beschermen bij alle politieonderzoeken, rechtszaken en schikkingen. Het maakt allemaal al jaren deel uit van de complexe machinerie die carrières heeft gemaakt, heeft doen wankelen en heeft gebroken, in een vuurhaard waar spektakel wordt beschouwd als een vorm van kunst en waar alles in het teken staat van het beeld.

    Nathanael West, F. Scott Fitzgerald en Raymond Chandler waren geïntrigeerd, betoverd en vaak tamelijk nuchter over deze stad, met alle ego’s en onzekerheden, alle ambities en gekonkel. Ze waren zich bewust van de schandalen, en in hun ogen waren Los Angeles en Hollywood in elkaar verstrengelde buurten, waar privélevens van de ene buurt overliepen in de andere, en dat alles strekte zich door de canyons uit tot aan zee, onstuitbaar, als een koortsachtige droom. Maar onder de stad, ergens diep in de aarde, schuilt een breuklijn die elk moment naar de oppervlakte kan komen. Niemand weet waar of wanneer hij zal openscheuren.

    ‘Dit is een lastige tijd om je koers te bepalen,’ zegt Amanda Lenker Doyle, casting director. ‘Het zijn afschuwelijke verhalen die je steeds maar weer hoort en waar het elke dag over gaat. Ik hoop maar dat dit de industrie verandert, verder helpt.’

    Auteur: Jeffrey Fleishman

    Los Angeles Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 657.000

    Meest links georiënteerde van de grote Amerikaanse kranten. Belangrijke nieuwsbron voor de entertainmentindustrie en winnaar van vele Pulitzerprijzen. Eigendom van de Tribune Company in Chicago.

  • Is Al Gores nieuwe film het bekijken waard?

    Is Al Gores nieuwe film het bekijken waard?

    Elf jaar na zijn Oscarwinnende klimaatfilm An Inconvenient Truth heeft Al Gore een opvolger uitgebracht. Moeten we die gaan zien?

    JA

    Afgelopen jaar was het grootste nieuws op klimaatgebied ongetwijfeld het besluit van de VS om uit het klimaatakkoord van Parijs te stappen. Daarmee lijkt de timing van An Inconvenient Sequel: Truth to Power misschien wat ongelukkig. Is de opvolger van het Oscarwinnende An Inconvenient Truth immers niet meteen alweer achterhaald? Maar de onverwacht bevlogen film overtuigt je juist van het tegendeel. In tegenstelling tot wat sommige leiders beweren is de urgentie om in actie te komen alleen maar gegroeid en zijn de mogelijkheden om een verschil te maken alleen maar toegenomen.

    Waar Gores eerste documentaire een verfilming was van zijn reizende wetenschappelijke diavoorstelling, is het vervolg een klassieke cinéma verité-film. De filmmakers hebben Gore maandenlang op de voet gevolgd. Hoewel zijn onvermoeibare strijd hem de 
Nobelprijs voor de Vrede heeft opgeleverd, kent Gore vele tegenstanders. Sequel begint met een aantal illustratieve geluidsfragmenten, waarin hij onder andere door commentator Glenn Beck wordt vergeleken met Joseph Goebbels, de naziminister van Propaganda, en we zien Gore in 2007 in de Senaat zijn uiterste best doen door te dringen tot klimaatontkenner Jim Inhofe.

    De film overstelpt je, net zoals zijn voorganger, met feiten, waarvan sommige hoopvol stemmen – de groeiende investeringen in zonne- en windenergie – en andere, zoals de stijging van de CO2-uitstoot, juist somber.

    In tegenstelling tot wat sommige leiders beweren is de urgentie om in actie te komen alleen maar gegroeid en zijn de mogelijkheden om een verschil te maken alleen maar toegenomen

    De documentaire is op zijn best wanneer de voormalige vicepresident wordt gefilmd terwijl hij de wereld afreist om bewijzen te verzamelen en zijn boodschap te verspreiden. We zien hem in Groenland, waar onthutste wetenschappers hem over smeltende gletsjers bijpraten, en in Miami Beach, waar hij bij een overstroming voor de camera zijn sokken staat uit te wringen. Veel tijd is ingeruimd voor de klimaattop in Parijs, die werd bijgewoond door zo’n honderdvijftig regeringsleiders en culmineerde in een historisch akkoord. Het grootste obstakel was de halsstarrige opstelling van de Indiase premier, die meende dat de Indiase op kolen draaiende industrie onmisbaar is voor de bestrijding van armoede. 
Een van de sterkste scènes is die waaruit blijkt dat Gore een centrale rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het akkoord.

    Hoewel we Donald Trump aan het begin van de film horen zeggen dat hij niet in de opwarming van de aarde gelooft, krijgen we pas bij de aftiteling te lezen dat Amerika uit het betreffende klimaatakkoord is gestapt. Gore reageert hier niet op voor de camera, maar het laat zich raden hoe hij hierover denkt.

    Per definitie wisselen hoop en wanhoop elkaar bij deze strijd af, geeft hij toe, maar dat neemt niet weg dat hij af en toe wordt overmand door woede. ‘Hoorden jullie de schreeuw van moeder natuur niet?’ stelt hij zich voor dat toekomstige generaties het huidige Amerika voor de voeten zullen werpen. ‘Wat dachten jullie nu eigenlijk?’ Een terechte vraag.

    Auteur: Kenneth Turan

    Kenneth Turan 
is sinds 1991 filmcriticus voor de_ LA Times._ Regisseur James Cameron vroeg om zijn ontslag nadat hij Titanic had afgekraakt. Turans recensies verschijnen ook in The Baltimore Sun.

    Los Angeles Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 657.000

    Meest links georiënteerde van de grote Amerikaanse kranten. Belangrijke nieuwsbron voor de entertainmentindustrie en winnaar van vele Pulitzerprijzen. Eigendom van de Tribune Company in Chicago.

    screenshot 2017 10 05 09 46 04

    NEE

    Al Gore kent iedereen. Hij trekt zo zijn mobieltje tevoorschijn om de minister van Financiën of de topman van een zonnepaneelfabrikant te bellen. Maar wonderlijk genoeg staat er in zijn contactenlijst geen documentairemaker die weet hoe je je publiek wakker houdt. Best schokkend als je bedenkt hoeveel drama er in zijn laatste filmavontuur schuilt. De gletsjers smelten, de oceanen warmen op, de aarde verdroogt. De planeet staat op uitsterven en maar één man heeft de kennis en de contacten om er iets aan te doen. In Gaia’s naam: laat iemand Michael Bay bellen! [Actieregisseur van films als Armageddon en de Transformers-serie]

    Maar zo’n soort film is An Inconvenient Sequel niet. Hij is anders dan An Inconvenient Truth, de bejubelde documentaire uit 2006 die een Oscar won en het klimaatprobleem op de agenda zette. Die film, een veredelde diavoorstelling, was opvallend droog; hij bestond voornamelijk uit grafieken en pogingen van de voormalig vicepresident om lollig uit de hoek te komen. Maar het doortimmerde betoog ging tenminste wel ergens heen.

    De opvolger van elf jaar later hangt van los zand aan elkaar en heeft een hoog kijk-mij-eensgehalte. Het is moeilijk voor te stellen, maar je begint bijna terug te verlangen naar die saaie presentaties. De eerste helft is gewijd aan wat Al Gore sinds de laatste film zoal heeft beziggehouden. Terwijl George W. Bush is gaan schilderen, stortte Gore zich vol overgave op zijn kruistocht tegen de klimaatverandering. Er mag geen misverstand over bestaan: Al Gore is een rechtschapen mens.

    Het lijkt wel een campagne voor een niet-bestaande verkiezing. Ik bleef maar hopen dat Gore een klimaatscepticus voor eens en al de mond zou snoeren

    Ergens in de tweede helft van de documentaire verschijnt een schim van een verhaalboog, wanneer Gore zich voorbereidt op de klimaattop van 2015 in Parijs. Zonder dieper op het akkoord in te gaan, wordt de Indiase premier neergezet als boosdoener die alle vooruitgang blokkeert. (Deze film suggereert dat het klimaat, en wellicht de aardbol, zonder Gores gelobby reddeloos is verloren.)

    An Inconvenient Sequel wordt opgeleukt met een paar soundbites van Donald Trump – de film is grotendeels opgenomen tijdens de verkiezingscampagne, toen weldenkend Amerika het nog onmogelijk achtte dat hij president zou worden. Aan het eind is daarom een scène ingelast waarin Gore de verkiezingen ‘een klap in het gezicht’ noemt, en we zien hem als een Don Quichot de roltrap van de Trump Tower bestijgen, vastbesloten om voor een beleidswijziging te pleiten.

    De documentaire is eerder een portret van Gore dan een oproep om in actie te komen. Het lijkt wel een campagne voor een niet-bestaande verkiezing. Ik bleef maar hopen dat Gore een klimaatscepticus voor eens en al de mond zou snoeren. Aangezien we leven in een tijdperk van nepnieuws en een president die daarin grossiert, komt die agressievere kant van Gore er misschien in het laatste deel van de trilogie nog uit. Misschien niet zijn lievelingsstijl, maar wel broodnodig.

    Auteur: Jordan Hoffman

    Jordan Hoffman is een Amerikaanse freelancefilmcriticus. Hij schrijft voor de New York Daily News, The Guardian, Film.com, Vanity Fair, ScreenCrush en The Times of Israel.

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

    Openingsbeeld: Still uit de nieuwe film.

  • Hoe Hollywood onze ogen stuurt

    Hoe Hollywood onze ogen stuurt

    Al sinds de begindagen van Hollywood weten regisseurs onze blik feilloos naar hun hoofdrolspelers te trekken. Neurowetenschappers komen er nu langzaam achter hoe dit werkt.

    De actiefilm Iron Man 2 (2010) is nog maar een klein halfuur bezig of er volgt een reeks explosies tijdens een autorace in de straten van Monaco. De scène is een technisch hoogstandje, met een serie explosies, auto’s die over de kop slaan, overal uitslaande vlammen, en duizenden toeschouwers die in paniek slaan. Tijdens een bijeenkomst van de Academy of Motion Picture Arts and Sciences kreeg Jon Favreau, de regisseur, de oogbewegingen te zien van mensen in de zaal die naar deze scènes keken. Favreau zei opgetogen – en opgelucht – te zijn om te merken dat iedereen naar de acteurs keek (Robert Downey Jr en Mickey Rourke), en dan met name naar hun gezicht en hun handen, en dat niemand naar de omstanders keek. De omstanders zijn namelijk allemaal gegenereerd door de computer, en als je heel goed kijkt zie je ook dat ze niet echt zijn. Zolang het publiek niet al te goed keek kon Favreau (die tevens de producent was) flink bezuinigen op deze effecten en het geld gebruiken voor de dingen die echt bepalend zijn.

    Dit fenomeen – dat de ogen van het publiek allemaal naar hetzelfde gaan – is typerend voor de bioscoop. Het gaat niet op voor het echte leven. Maar in film wordt heel handig gebruik gemaakt van editing, framing en andere technieken om tot in detail te bepalen waarnaar precies wordt gekeken. De afgelopen honderdvijfentwintig jaar hebben filmmakers wereldwijd proefondervindelijk een soort informele wetenschap van de blik ontwikkeld, door middel van een groot aantal experimenten met de menselijke waarneming. De resultaten zijn niet terug te vinden in neurowetenschappelijke of psychologische werken, al lees je er wel soms iets over in boeken over cinematografie of editing, of in wetenschappelijke artikelen waarin een specifieke film wordt geanalyseerd. Andere inzichten zijn terug te vinden in de films zelf, maar zijn nog niet expliciet beschreven. De afgelopen jaren zijn wetenschappers begonnen met het ontginnen van deze enorme, informele database, met soms opzienbarende conclusies.


    Om te begrijpen wat een film met de blik doet, moet je iets weten van de werking van het oog buiten de bioscoop. In het gewone, dagelijkse leven schieten onze ogen twee tot drie keer per seconde van de ene plek naar de andere, waarbij ze bepaalde dingen registreren en andere dingen negeren. Die snelle oogbewegingen heten saccades. Waarom doen we dat? Omdat onze hersenen proberen een zo compleet mogelijke weergave te creëren van wat er om ons heen gebeurt met behulp van een camera – het oog – die slechts op een heel klein vlakje een hoge resolutie heeft. Als bepaalde visuele informatie belangrijk is om een situatie in te schatten, moeten we onze blik daar echt op richten om het te kunnen coderen.

    De manier waarop mensen oogbewegingen gebruiken om een situatie te verkennen kent een bepaald ritme, waarbij wordt geschakeld tussen een snelle, verkennende modus en een tragere modus waarbij informatie wordt vergaard.

    De eerste pogingen om deze mechanismen te doorgronden vonden plaats in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen psychologen Julian Hochberg en Virginia Brooks van Columbia University de overgang bestudeerden van deze snelle verkennende modus naar de tragere modus waarin informatie wordt vergaard.

    In latere onderzoeken werd bestudeerd welke visuele aspecten de blik weten vast te houden. Hierbij kwam men tot de ontdekking dat de mens geneigd is vooral te kijken naar delen van een beeld met randen, met een groot contrast tussen licht en donker, of met een heel duidelijke structuur of gemarkeerde punten, zoals een hoek.

    In een natuurlijke omgeving zijn er meestal diverse plekken waar de blik naartoe wordt getrokken. Op het strand zijn er misschien een paar parasols met een sterk contrast, een paar palmbomen met een duidelijke structuur, en een paar strandstoelen met allerlei randen en hoeken. Tijdens de verkennende fase zal bij vrijwel iedereen die dit tafereel in zich opneemt de blik even blijven hangen bij de meeste van deze focalisatiepunten, maar hoe lang de blik daar blijft rusten zal voor iedereen weer anders zijn, afhankelijk van de verschillen in het interne controlesysteem. De blik van een surfer zal misschien even blijven hangen aan een surfplank die tegen een boom staat, terwijl de blik van een zeiler eerder zal worden getrokken door een boot aan de horizon.

    Na een cut zijn er veel oogbewegingen – al helemaal na de vele cuts binnen een doorlopende scène

    Een van de verschillen tussen een scène in de werkelijkheid en in de film, is dat een film bewéégt. In hoeverre kijken mensen daardoor ook naar andere elementen? In een recent experiment hebben Parag Mital, Tim Smith, Robin Hill en John Henderson van de University of Edinburgh de oogbewegingen bestudeerd van een aantal mensen die naar willekeurige video’s keken, onder meer reclameboodschappen, documentaires, trailers, nieuwsberichten en muziekvideo’s. Een aantal effecten was vergelijkbaar met de blik bij het kijken naar stilstaande beelden. Mensen kijken nog altijd naar plekken met veel contrast, en naar hoeken. Maar bij bewegende beelden treden andere effecten op de voorgrond: mensen kijken naar dingen die bewegen, en naar dingen die van licht naar donker gaan, of van donker naar licht. Vanuit evolutionair oogpunt is dat heel logisch: dingen die veranderen zijn waarschijnlijk belangrijker voor hoe je moet handelen dan dingen die er gewoon zijn. Om preciezer te zijn: de ogen volgen nieuwe bewegingen die je kunnen attenderen op iets waarop je snel moet reageren – iets wat valt, of een dier dat beweegt.

    Wil dat zeggen dat we de slaaf zijn van bewegingen? Schieten we niet langer heen en weer tussen verkennen en informatie vergaren en laten we ons gijzelen door bewegingen, of het nu in de film is of in de realiteit? Aan Washington University in Saint Louis werk ik samen met Michelle Eisenberg, een promovenda. Wij hadden allebei het vermoeden dat ons visuele systeem gewoon zou doorgaan met schakelen – met als verschil dat in het geval van voortdurende beweging de overgang van de verkennende modus naar de informatie vergarende modus zou worden aangestuurd door veranderingen in de actie, en niet door markeerpunten of licht.

    Neem nou de opening van Orson Welles’ A Touch of Evil (1958). Drieënhalve minuut lang volgen we de twee hoofdpersonen in een complexe scène in een nachtelijk grensplaatsje. Zowel camera als acteurs zijn voortdurend in beweging. Hoe schakelen we in een dergelijke situatie? Wij hadden een hypothesis, gebaseerd op laboratoriumonderzoek waarbij was aangetoond dat mensen een voortdurende activiteit als vanzelf ontleden in een opeenvolging van afzonderlijke gebeurtenissen. Dat ontleden lijkt voortdurend te gebeuren wanneer we anderen handelingen zien uitvoeren, en waarschijnlijk ook wanneer we zelf handelingen uitvoeren. Als ik u bijvoorbeeld een filmpje zou laten zien van een man die een band verwisselt, zult u dat als vanzelf opbreken in verschillende gebeurtenissen, zoals het tevoorschijn halen van de krik en het opkrikken van de auto. Bij de overgang tussen deze gebeurtenissen laten grote delen van uw cortex een kortstondige toename van metabolische activiteit zien – dit kunnen we vaststellen met behulp van functionele MRI. Misschien dat ons visuele systeem telkens wanneer er zich zo’n overgang voordoet, reageert alsof we een nieuw beeld te zien krijgen, met weer een verkennende fase en een daaropvolgende fase van informatie vergaren?


    Om dat vast te stellen hebben we de oogbewegingen van kijkers gevolgd, met behulp van een moderne versie van het infraroodcamerasysteem dat Hochberg en Brooks gebruikten bij mensen die naar filmpjes keken van mensen die alledaagse dingen deden. De filmpjes duurden een paar minuten en toonden mensen die een band verwisselden, planten in de aarde zetten, of voorbereidingen troffen voor een feestje. We vroegen de mensen om eerst gewoon naar de filmpjes te kijken, en bij de tweede keer kijken telkens op een knop te drukken bij een overgang tussen verschillende handelingen – het moment waarop de ene handeling ten einde is en de volgende aanvangt. Vervolgens analyseerden we wat hun ogen deden rond de wisseling van handeling. We vonden bewijzen voor de veronderstelde overgang: tegen het einde van een handeling waren de oogbewegingen meestal klein en de tussenpozen vaak wat langer. Zodra zich dan een nieuwe handeling aandiende werd de tijd tussen de oogbewegingen korter en de bewegingen zelf duurden langer. Zodra de overgang van handelingen achter de rug was, kwam alles weer tot rust. Deze opeenvolging doet denken aan de systeemovergang van informatie vergaren naar verkennen, die we aanvankelijk ook hadden waargenomen wanneer tijdens een diavoorstelling een nieuwe afbeelding in beeld verscheen.

    In een vakkundig gemaakte film gebruiken de regisseur en de editor verschillende technieken om de visuele overgangen te sturen – al dan niet bewust. Ten eerste is de handeling in scène gezet. Ten tweede is alles gefilmd met camera’s die heel bewust op een bepaalde plek zijn neergezet, die misschien zelfs bewegen en die gebruikmaken van kunstlicht. Tot slot – en dat is misschien nog wel het belangrijkste – wordt het beeldmateriaal gemonteerd, meestal met de bedoeling een coherent verhaal te vertellen. Dit zijn allemaal technieken waarmee niet alleen de volgorde van de handelingen wordt gemanipuleerd, maar ook de volgorde van de visuele overgangen die onze hersenen helpen de voortdurende stroom van handelingen op te breken in een reeks episodes, die we stuk voor stuk verwerken als een beeld: eerst verkennen we het beeld, vervolgens proberen we het in een context te plaatsen, en uiteindelijk gaan we alle details invullen. Door te knutselen met de shot layout en door te editen, manipuleren filmmakers het visuele proces op een manier die vaak experimenteel en nieuw is.

    Waar het om oogbewegingen gaat is de laatste manipulatietechniek vermoedelijk de belangrijkste. Editen is deels een verzameling afzonderlijke shots tot een geheel vormen. Tegenwoordig bestaan veel edits uit de meest simpele vorm van verbinden denkbaar: een cut, waarbij een van de twee segmenten domweg achter de andere wordt geplaatst, zonder overgang. (Meer ingewikkelde edits, zoals fades, wipes of iriseffecten, waren altijd al populairder maar werden minder vaak gebruikt.) Editen heeft grote gevolgen voor de oogbewegingen. Na een cut zijn er veel oogbewegingen – al helemaal na de vele cuts binnen een doorlopende scène. Vaak wordt de blik met de oogbewegingen naar het midden van het scherm geleid. Het zou kunnen dat dit een standaardreactie is op een visuele verstoring.

    Mensen hebben ook de neiging te gaan knipperen bij een cut. Dat zou een reactie kunnen zijn op een plotselinge verandering van de lichtintensiteit waarmee een cut gepaard kan gaan. Het zou er ook op kunnen duiden dat onze hersenen de visuele onderbreking zien als een teken dat ze heel even mogen ontspannen, en van de gelegenheid gebruikmaken om de ogen te bevochtigen. Tot slot, maar daarom niet minder belangrijk: bij het kijken naar een film die is geëdit, maken we meer oogbewegingen. Bij natuurlijke stimuli is er sprake van twee tot drie oogbewegingen per seconde, bij het kijken naar een video die niet is geëdit gaat het om zo’n vier bewegingen per seconde, maar zodra er sprake is van editen loopt dat op tot rond de vijf per seconde.

    Praktisch

    Sturen wanneer het publiek waarnaar kijkt is belangrijk vanuit praktisch oogpunt: filmmakers kunnen bezuinigen op die delen van de film waar we toch niet naar kijken, zoals aannemers bezuinigen door de zolder niet te verven. Deze informatie kan ook nuttig zijn voor bepaalde artistieke doeleinden.

    Ik sta ervan te kijken dat de betere filmmakers proefondervindelijk bepaalde dingen aan de weet zijn gekomen die ik moet weten, als wetenschapper die onderzoek doet naar perceptie. Tegelijkertijd denk ik dat mijn vakgebied een belangrijke bijdrage kan leveren aan de praktijk van de cinematografie. Kunstenaars en vakmensen voeren talloze experimenten uit – je probeert iets, kijkt hoe het uitpakt, laat het aan een paar vrienden zien, organiseert misschien zelfs een screening en stelt daar een paar vragen over. In de loop der tijd ontwikkel je een soort intuïtie en stel je voor jezelf een aantal vuistregels op. Door het gedrag en de fysiologie in kaart te brengen van mensen die ergens naar kijken, real time, kan mijn vakgebied er wellicht aan bijdragen dit proces te bespoedigen en meer voor het voetlicht te brengen.

    Auteur: Jeffery M. Zacks
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Openingsbeeld: Maratha Mandir-theater in Moembai. – © Reuters / Danish Siddiqui

    Aeon
    Verenigd Koninkrijk | aeon.co/magazine

    Deze site, met als motto ‘lees dieper’, werd opgericht in september 2012 en publiceert dagelijks een essay, waarbij de relativering van het snelle dagelijks leven vooropstaat.

  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.

    © HH
    © HH

    LITERATUUR – Zo was het

    Humor en sentiment om de verloren dagen

    Hoe een recensent in één alinea een boek in z’n context kan plaatsen, en dan ook heel precies de plaats van dat boek binnen die context aangeven. Bij Die Zeit verstaan ze die kunst. De recensie van de roman_ Auerhaus_ van Bov Bjerg begint zo: ‘Het meest voor de hand liggende wat je over een roman als deze kan zeggen, is waarschijnlijk dat de jeugd, als hij eenmaal voorbij is, ook werkelijk verloren is. Die tijd waarin al het zware nog licht leek en een kleinigheid loodzwaar kon wegen, is niet meer terug te halen, elke poging daartoe is slechts nostalgie. Er is geen weg terug. Daarom heeft elke goede roman over volwassen worden aandacht voor het verdriet over die onmogelijkheid om de jeugd terug te halen. En Auerhaus van Bov Bjerg is een van die goede romans, maar ook weer niet een hele goeie.’

    Hoe zou het zijn om zo’n alinea te lezen, met die ontknoping aan het eind, als je Bov Bjerg heet?

    Bjerg, pseudoniem van Rolf Böttcher, is een bekende in de Berlijnse literaire wereld. Verwijzend naar de wijk Prenzlauer Berg, waar hij vaak te vinden is, noemt de Duitse pers hem soms Prenzlauer Bjerg. Hij heeft zijn pen gescherpt bij het Duitse fenomeen van de Lesebühne, een soort voordrachtsavonden. Behalve romanschrijver is Bjerg ook cabaretier. Hij is 51 jaar oud, Auerhaus (de verduitsing van Our House, een nummer van Madness uit de jaren tachtig), is zijn tweede roman. Dan kan je wat hebben. Maar toch.

    ‘We moeten zonder meer vaststellen dat Bjergs roman niet vervalt tot dat verkrampt opgekraste jargon van de jeugdrestauratie waarin zo veel van zulke literatuur is geschreven, die dan ook meestal klinkt als de presentator van de ontbijt-tv die het lexicon straattaal heeft verslonden’, zo gaat recensent David Hugendick verder. Dat klinkt toch alsof Bov Bjerg weer rustig kan ademhalen. ‘Het is vooral de melancholische koppigheid die Bjerg uit de taal van de jeugd weet over te leveren.’ Dat klinkt zelfs helemaal niet slecht. En dat Hugendick Auerhaus vervolgens ‘een zeer spaarzaam verteld boek’ noemt, zal in het licht van het voorgaande ook als een compliment zijn bedoeld. Waar zit dan het voorbehoud, die vileine ‘ook weer niet een hele goeie’ van het begin?

    Alsof Bjerg zelf nog bezig is met zijn coming of age en zijn eigen jeugd nog niet voorbij is, alleen die van zijn personages, die stap voor stap leren dat de tijd onherroepelijk voortschrijdt

    Hugendick concludeert nogmaals dat het ‘eenvoudig dieptreurig’ is dat geen dag van onze jeugd ooit nog terugkeert, een besef dat Bjerg met ‘sympathieke sentimentaliteit’ de lezer nog eens onder de neus wrijft, ‘en ons eraan herinnert dat we zelfs de mooiste momenten van die dagen al lang zijn vergeten’, eindigt hij. Het lijkt erop dat Hugendick het boek eerder verwijt dat het hem te hard heeft geraakt, in plaats van niet hard genoeg.

    Der Tagesspiegel noemt Auerhaus een ‘wonderbaarlijke roman’ en de toon van de recensie lijkt veel minder door een persoonlijke midlifecrisis bepaald dan die van Die Zeit. Want: ‘zo was het, toen we eindexamen deden (…) diep in de jaren tachtig’. De manier waarop Bjerg dat verleden evoceert is ‘opwindend’. Hij schrijft ‘authentiek, het klopt, hij treft precies de taal van de opgroeiende jeugd, het wijsneuzige en hoogdravende ervan (…) alsof Bjerg zelf nog bezig is met zijn coming of age en zijn eigen jeugd nog niet voorbij is, alleen die van zijn personages, die stap voor stap leren dat de tijd onherroepelijk voortschrijdt’. Toch is het geen nostalgische roman, vindt Gerrit Bartels, ook al ‘komt het ene na het andere citaat voorbij: Madness, The Godfather en ook telefooncellen, waar ’s avonds “gastarbeidersgezinnen” in de rij staan’. Bov Bjerg vertelt ‘zonder tierelantijnen en met overzicht. Zijn talent voor het komische is even groot als dat voor terloopse sentimentaliteit.’

    De vertaling van_ Auerhaus_ door Anne Folkertsma verschijnt bij Uitgeverij Cossée. Het Duitsland Instituut organiseert op 14 februari een avond met Bjerg in de Duitse ambassade te Den Haag. Aanmelding is gratis maar verplicht, via ku-s1@denh.diplo.de.


    FILM – Poëzie op het witte doek

    Jarmusch en de muze

    Drieëndertig jaar geleden kwam_ Stranger than Paradise_ uit, de verpletterende doorbraak van cineast Jim Jarmusch. The Washington Post schreef daarover toen dit: ‘Er bestaat geen tweede geur als die scherpe eerste betovering van een nieuwe lente, geen kwelling zo goddelijk als die van een eerste liefde en geen ervaring in de filmwereld als de collectieve ontdekking van een geestige, helder-realistische en volstrekt originele nieuwe film van een onbekend, jong talent. Dit is de belangrijkste week uit het leven van Jim Jarmusch.’

    Jarmusch maakte daarna klassiekers als Down by Law en de serie korte vignetten Coffee and Cigarettes, evenals een aantal documentaires, onder meer over Neil Young en The Stooges. ‘Hij is een natuurlijke verteller met een zeer droog gevoel voor humor’ schreef The Independent over de in 1953 in Ohio uit een half-Duitse moeder geboren regisseur.

    Zijn twaalfde speelfilm komt deze week uit.

    ‘De held in de nieuwe film van Jim Jarmusch, Paterson, heet Paterson (gespeeld door Adam Driver). Hij woont in Paterson, New Jersey, met zijn vrouw Laura (Golshifteh Farahani). Paterson staat elke dag vroeg op, ontbijt, en gaat op weg naar zijn werk als buschauffeur. Hij bestuurt lijn 23, waar aan de voorkant “Paterson” op staat. Aan het eind van de dag komt hij weer thuis, om te eten. Waarna hij zijn Engelse buldog gaat uitlaten, die buiten moet wachten bij de bar waar hij een biertje drinkt. Om de een of andere reden heet die hond Marvin. Belachelijk. Hij had Paterson moeten heten’, schrijft Anthony Lane in de eerste New Yorker van het nieuwe jaar.

    Zoals in andere films specialisten worden ingezet voor het halsbrekende werk, werkte de dichter Ron Padgett aan deze film mee als “poëzieadviseur” van Jim Jarmusch

    Die ironische kritiek op de naam van de hond zet de toon voor de hele recensie: Lane heeft zich overgegeven aan deze film. En wie daarin niet mee wil, die moet maar achterblijven: ‘Als dit je allemaal een beetje saai lijkt, dan weet je nog niet de helft. Nog niet een zevende’, gaat Lane verder. Want de film beslaat een hele week van Patersons leven in Paterson, op de Paterson-bus. Maar Paterson is geen gewone buschauffeur. Hij zit vaak in zijn kelder. Liefhebbers van het Jarmusch-universum denken nu direct aan het geheimzinnige nummer What’s He Building In There? van Tom Waits, vriend van Jarmusch (en als acteur in meerdere van diens films magistraal).

    Anthony Lane vertelt u wat Paterson uitspookt: ‘Het is u vergeven als u denkt dat hij seriemoordenaar is of kidnapper, want in films en op tv zijn dat de enige redenen waarom onopvallende mannen de kelder in gaan. Maar nee. Paterson doet nog iets veel raadselachtigers. Hij schrijft gedichten.’

    En zo komt het dat Paterson niet echt over Paterson gaat. Noch over de man, noch over de plaats, noch over de bus. Paterson is een film over poëzie. ‘De wereld die we in Paterson zien en beleven, voelt aan als een gedicht’, schrijft Kevin Crust van de Los Angeles Times, die zich niet minder liet meeslepen door de film dan zijn collega aan de oostkust, ‘van de natuurlijke schoonheid van de Great Falls tot het industriële patroon van de straten waar Paterson zijn bus doorheen rijdt. De woorden die hij neerpent in zijn “geheime notitieboek” verschijnen op het scherm en meanderen voort, waardoor de kijker de beelden en de emoties die ze oproepen, in zich kan opnemen.

    De poëzie heeft geen grote reputatie op het witte doek. We moeten waarschijnlijk terug tot Il Postino van Michael Radford voor de laatste keer dat een film werkelijk probeerde de poëtische ervaring over te brengen. Dat vereist dus speciale maatregelen. Zoals in andere films specialisten worden ingezet voor het halsbrekende werk, werkte de dichter Ron Padgett aan deze film mee als ‘poëzieadviseur’ van Jim Jarmusch. Noem hem een stuntman, uiteindelijk schreef hij zeven gedichten die in de film voor rekening komen van de buschauffeur met z’n geheime notitieboekje Paterson. ‘Er komen minstens tien gedichten in de film voor’, telde de Los Angeles Times, ‘en vier personages houden zich op de een of andere manier met poëzie bezig.’ Dat zijn inderdaad waarschijnlijk wereldrecords.

    Auteur: Pieter van den Blink

  • ‘Deze film móést ik maken’

    ‘Deze film móést ik maken’

    Als jongen wilde hij priester worden. Als volwassene leefde hij net zo wild als zijn hoofdpersonen. Het hele leven van Martin Scorsese is één grote slingerbeweging tussen het sacrale en het profane. Le Monde Magazine zocht de intussen 74-jarige filmlegende op in New York om te praten over zijn drie uur durende religieuze epos Silence.

    Als Jezus aan Sebastião Rodrigues verschijnt, een jonge Portugese priester op evangelisatiemissie in Japan, oogt hij als de Christus op het fresco in Sansepolcro, geschilderd door Piero della Francesca. Met één voet op zijn graftombe en een vaandel in zijn rechterhand, kijkt hij met een bemoedigende blik recht voor zich uit. Een streng gezicht dat levenskracht uitstraalt. Zo verschijnt hij aan de hoofdpersoon van het boek Silence, van de Japanse schrijver Shushako Endo.

    Maar voor zijn filmbewerking van de roman, die vanaf 9 februari in de bioscoop te zien is, zocht Martin Scorsese naar een ander portret van Christus. ‘Met meer compassie,’ zegt hij. In zijn film ziet pater Rodrigues – gespeeld door Andrew Garfield – in een waterbron het gezicht van de Christus uit het schilderij De heilige Veronica met de zweetdoek van El Greco: roodblond haar, donkere ogen, een hypnotiserende en verwonderde blik. Dit gezicht, zegt de regisseur, kijkt je niet alleen aan. Het wil dat je terugkijkt. De filmer heeft het zijn leven lang steeds weer bekeken en het heeft hem troost en vreugde gegeven. Silence is het verhaal van die lange dialoog.


    Meteen nadat de montage van de film klaar was, ging Martin Scorsese terug naar de kerk waar hij als kind kwam. Old St. Patrick’s staat aan Prince Street in Manhattan in wat toen Little Italy heette. De laatste keer dat hij daar in stilte had gebeden, was in augustus 1993, na de dood van zijn vader. De kist was opengebleven voor het bezoek. Het was midden in de zomer en door de ondraaglijke hitte werd het een nogal eigenaardige rouwperiode. Vijf jaar later, toen zijn moeder was overleden, vroeg de cineast aan de priester of er een rouwkapel kon worden ingericht. Dat verzoek werd geweigerd. De plechtigheid werd naar elders verplaatst. ‘Ik kreeg niet het idee dat ze me moesten, dus ik ben er nooit meer geweest. Maar hier een kwart eeuw niet komen, dat is lang. Te lang.’

    Scorsese woonde vanaf zijn achtste met zijn ouders in Elizabeth Street, samen met zijn broer en zijn grootouders van vaderskant. Onder hen woonde zijn oom van vaderskant met vrouw en kinderen. De grootouders van moederskant, zijn ooms en tantes – de Cappa-tak van de familie – woonden in Queens. Een paar neven woonden wel in de buurt, tussen Prince Street en Lafayette. In dit ecosysteem, volgens de filmer vergelijkbaar met een levend organisme, was de kerk nog het hart van alles.

    De kerk was intussen vervallen, maar gelukkig wel gerestaureerd, zag hij. Alleen de communiebank was nog in oude staat. Het altaar was hersteld, net als de meeste beelden, waarvan hij zich nog heel precies dat van de heilige Rochus herinnerde en dat van moeder Seton, een in 1975 zalig verklaarde Amerikaanse non. En dan was er ook nog een in zijn ogen heel bijzondere piëta.

    Scorsese liet de priester foto’s uit die tijd zien die hij zorgvuldig had bewaard. Al in 1993 begon the quarter, zoals hij de buurt graag noemt, te veranderen. Het was nog niet zoals nu – in de panden waar vroeger eenvoudige Italiaanse en joodse gezinnen woonden, zitten nu zakenjongens. En tegelijk is er niets veranderd. Het pand waar de filmmaker woonde, de kerk waarin hij tot ontwikkeling kwam, de school waar ze hem de eerste beginselen van zijn religieuze opvoeding bijbrachten: ze staan er nog, als artefacten uit een voorbije tijd. Het is voor de cineast een hele geruststelling dat dit toevluchtsoord er nog is – en dat midden in New York, waar het zo lastig is om herinneringen bewaren.

    Raadselachtige scène

    In de kerk kon hij de geur van de sterke ontsmettingsmiddelen nog ruiken waarmee hij als kind met de hele familie de vloeren, muren en ramen boende om cholera en allerlei andere ziektes uit te roeien. Destijds had Elizabeth Street een van de hoogste kindersterftecijfers van het land. Als koorknaapje moest hij ook bij begrafenissen en zaterdagse requiemmissen aanwezig zijn. In deze kerk begroef Martin Scorsese de generatie die vanuit Sicilië naar Ellis Island was vertrokken. En toen moest hij ook zijn vader begraven. Door ver weg te gaan van Elizabeth Street dacht hij zich los te kunnen maken van deze doden. Maar nu komt hij ze in alle rust weer nader. ‘Morgen of overmorgen ben ik zelf aan de beurt. Daar heb ik me bij neergelegd.’

    Hij dacht dat zijn dood al nabij was toen hij Raging Bull (1980) had afgerond. Vanwege zijn zware drugsverslaving geloofde Scorsese tijdens het regisseren dat het zijn laatste film zou zijn. Aan het eind van de film kijkt bokser Jake LaMotta, gespeeld door Robert De Niro, naar zichzelf in de spiegel. Het is het slotstuk van een mislukt leven, van hemzelf maar ook van de mensen om hem heen. Dit is lang een raadselachtige scène gebleven. Scorsese had die op zijn gevoel gedraaid. Pas recent drong het tot hem door wat LaMotta in die spiegel zag: zichzelf. En daarmee ook dat je jezelf moet nemen zoals je bent en voort moet gaan in de voetsporen van je voorvaderen.

    Op zijn vierenzeventigste, nadat hij andere religies had leren kennen, veel verschillende denkwijzen van alle kanten had bekeken en uitgeprobeerd, begreep hij dat hij naar het christelijk geloof terug moest keren. Daar waar voor hem alles begonnen was. En waar alles zal eindigen. In deze kerk in Prince Street.

    Het priesterschap is lang zijn levensdoel geweest. Op zijn vijftiende hoorde film wel bij het leven, maar hij zag er geen toekomst in. Zijn mentor in de jaren vijftig, van zijn elfde tot zijn zeventiende, was pater Principe. ‘Hij was wat ik een straatpriester zou noemen. Hij heeft me geleerd dat er buiten onze straat een andere wereld was, doordat hij ons Graham Greene, James Joyce en James Baldwin liet lezen en ons meenam naar de bioscoop. Hij was een geweldige leermeester in die lastige omgeving van Little Italy.’

    In deze wijk was het moeilijk als je niet keihard was. En Martin Scorsese was dat niet

    In deze wijk was het moeilijk als je niet keihard was. En Martin Scorsese was dat niet. Hij snapte vooral de kloof niet tussen de sereniteit in de kerk zelf en de chaos die daarbuiten heerste. ‘Hoe kon het leven gewoon doorgaan terwijl de aanwezigheid van God binnen die muren zo sterk voelbaar was? Waarom was de wereld niet geschokt door het lichaam en het bloed van Jezus? Dat soort vragen kwelden me. Ik begreep niet waarom niemand anders die innerlijke geschoktheid voelde.’

    In Silence heeft de cineast geprobeerd de eenvoud van het kerkelijk ritueel en die onbedorven spiritualiteit weer te geven. Vooral in de scène waarin Sebastião Rodrigues en Francisco Garrupe (een rol van Adam Driver) voor het eerst voet op Japanse bodem zetten. Ze vinden er een huis in een vissersdorp waar Japanse christenen een toevlucht vinden. Die krijgen crucifixen van de twee jezuïeten. ’s Nachts wordt de mis opgedragen voor een heimelijk opgericht heiligenbeeld. Toen Martin Scorsese deze scène draaide, wist hij dat hij bij de essentie was gekomen. Als hij nu bij een vertoning van Silence aanwezig is, springt zijn hart precies op dat moment open. En het gaat nog sneller kloppen als degene naast hem even geconcentreerd kijkt als hij. De cineast is er heel goed in dat te registreren: als iemand zijn romp recht houdt, liefst in een rechte hoek. ‘Ik kan er echt niet tegen als degene naast me te veel op zijn stoel zit te schuiven, dat is een teken van gebrek aan aandacht. Ik ben in staat om dan op te staan en hem te wurgen.’

    Dat mengsel van passiviteit en actie – rustig blijven of meppen – is een gevolg van de astma waaraan Martin Scorsese al vanaf zijn vroegste kindertijd leed. Zelfs zo ernstig dat het bij de ergste aanvallen de vraag was of hij die zou overleven. Maar dan biedt de kerk hem een uitweg. ‘Ik leefde geïsoleerd, afgesneden van de wereld. Ik moest thuisblijven, mocht niet sporten; en ik kon de stad ook niet uit vanwege mijn allergieën. Met jongens van mijn eigen leeftijd spelen lukte ook bijna nooit, dus ging ik mee in de wereld van de volwassenen, raakte gewend aan hun zorgen, aan discussies over wat goed en wat slecht was… Zo werd mijn gevoeligheid gescherpt en doorzag ik anderen steeds beter. Thuis mocht ik mijn mond niet opendoen, ik keek zwijgend toe wat mijn vader deed. Hij en mijn broer konden slecht met elkaar overweg. Mijn vader moest ook voor mijn oom zorgen. En die had altijd problemen met de maffia. Hij had in de gevangenis gezeten en had geregeld schulden, die mijn vader dan betaalde. Ik was de toeschouwer aan wie niemand iets vroeg. Dus ja, priester worden leek me geweldig.’

    Maar na een jaar op het seminarie begreep de toekomstige regisseur dat het priesterschap niet voor hem was weggelegd. Hij haalde rampzalig slechte cijfers en de leraren vonden zijn gedrag onvolwassen. Stapje voor stapje moest hij het plan om priester te worden loslaten, een pijnlijk proces dat op zijn twintigste was afgerond. De filmkunst zou een volgend levensdoel worden.

    Met Daniel Day-Lewis op de set van The Age of Innocence; met Leonardo DiCaprio op de set van The Aviator; met Cybill Shepherd; op de set van Alice Doesn't Live Here Anymore en met Jack Nicholson op de set van The Departed.
    Met Daniel Day-Lewis op de set van The Age of Innocence; met Leonardo DiCaprio op de set van The Aviator; met Cybill Shepherd; op de set van Alice Doesn’t Live Here Anymore en met Jack Nicholson op de set van The Departed.

    Toen kwam de eerste verzoeking. ‘Ik begon belangstelling voor meisjes te krijgen. Ik was erg verlegen en introvert. Ik durfde ze niet te benaderen, want het idee om priester te worden spookte nog steeds door mijn hoofd. Dat bleef zo tot 1963, toen ik al over de twintig was en mijn eerste korte film had gemaakt. Anderen in mijn omgeving pakten het anders aan en gingen wel tot actie over, wat veel gezonder was. Maar wat wil je, als je in mijn cultuur een meisje aanraakte, dan was dat om te trouwen.’

    Toen hij op zijn drieëntwintigste trouwde – het eerste van vijf huwelijken – was hij van plan om in zijn hele leven maar van één vrouw te houden.

    Precies op het moment dat de gekwelde jongen van de jaren vijftig een man van de jaren zestig werd, kreeg hij door hoe het bij hem vanbinnen werkte, met zijn bijzondere gestel. Chemisch gezien functioneert Martin Scorsese volgens het principe van compressie en explosie. Een manier van functioneren die we terugzien bij de personages uit zijn films. Robert De Niro in Taxi Driver (1976), wiens leven in het appartement van een New Yorkse pooier in een bloedbad eindigt. En recenter de door Leonardo DiCaprio gespeelde beursmakelaar in The Wolf on Wall Street (2013), wiens carrière eindigt in een orgie van seks en overdaad. Net als de latere hoofdrolspelers in zijn films leefde de regisseur volgens een afwisselend patroon van ascese of uitspatting, een middenweg was er niet. Maathouden bleef een lastige opgave.

    Zijn eerste explosieve periode beleefde hij tijdens het draaien van Taxi Driver, toen hij als dertiger besloot zijn gezin te verlaten, en dezelfde kwellingen ervoer als de doorgedraaide figuur die door Robert De Niro wordt gespeeld. Als jongen zweeg Martin Scorsese, als volwassen man zette hij het op een schreeuwen. En nu zoekt hij de dialoog. ‘Sinds een paar jaar mediteer ik veel.’ Hij probeert zonder woorden tot een gesprek te komen. Het zwijgen van God stelt hem voor een probleem. Niet alleen hem trouwens, maar we hebben het nu even over hem. En Silence probeert nu juist dit probleem te definiëren en een formule te bedenken waardoor dat gesprek eindelijk mogelijk wordt.

    Geluksgevoel

    Die dialoog is er geweest. Tenminste, dat denkt hij. De eerste keer was in 1983 toen hij in Israël The Last Temptation of Christ zou gaan draaien – wat uiteindelijk vier jaar later in Marokko gebeurde. Hij ging naar de Heilig Grafkerk in Jeruzalem, waar Christus volgens de overlevering na zijn kruisiging begraven is. De regisseur knielde er neer en zei een gebed. Hij was onder de indruk van Jeruzalem, maar voelde op dat moment niets bijzonders. Maar later, op een vlucht van Eilat naar Tel Aviv, gebeurde er wél iets. In kleine vliegtuigen was hij altijd bang en greep hij voortdurend naar de kruisjes die hij van zijn moeder had gekregen. En toen kwam er een groot geluksgevoel over hem, een niet eerder ervaren alomvattende liefde op het moment dat het toestel opsteeg. ‘Het was alsof ik beschermd werd, een tot dan toe ongekende gewaarwording voor me. Ik heb mijn kruisjes losgelaten. Ze hadden geen enkel nut meer.’

    Dat onverklaarbare gevoel is nog één keer teruggekomen, in 1999 bij de geboorte van zijn dochter Francesca. ‘Ze is vijf weken te vroeg geboren. Mijn vrouw heeft de ziekte van Parkinson, wat de zaken er niet eenvoudiger op maakte. Tijdens de bevalling gebeurde er iets vreemds. De dokter vroeg me opeens om de kamer uit te gaan. Dertig seconden lang keek ik door een raam naar de bevalling. Er was overal bloed. Toen de baby kwam, leek die dood. Een halve minuut stond de tijd stil. Ik wist niet goed wat er gebeurde. Ik besefte dat mijn vrouw en kind onder mijn ogen konden sterven. Toch voelde ik een enorm vertrouwen, ik hing aan een draad, maar wel een heel stevige draad. Na die dertig seconden kwam een verpleegster in tranen naar me toe en zei: ‘Ze redt het wel.’ Eerst begreep ik dat ik een dochter had, en daarna dat ze zou blijven leven. Toen legden ze haar in mijn armen, ze deed haar ogen open en alles veranderde op slag.’

    De voor Scorsese meest troostrijke scène in Silence is die waarin pater Rodrigues, om zijn eigen leven en dat van andere gelovigen te redden, zijn voet op een afbeelding van Christus zet en een afvallige wordt. Een doffe, overweldigende pijn overvalt hem. De regisseur vond de reactie van zijn hoofdrolspeler prachtig, maar ook de woorden van Christus die in de voice-over tegen hem spreekt: ‘Trap maar. Want om door mensen te worden vertrapt ben Ik op deze wereld gekomen. En om het leed van de mensen te delen heb Ik mijn kruis gedragen.’

    Op dat moment, zo stelde Scorsese zich voor, had deze sprekende Christus het gezicht van de Christus van El Greco, dat hij zo troostrijk vindt. Hij wist: dit is de film die ik moest maken. En voelde zich ongekend gelukkig. Daarna kan en mag er stilzwijgen zijn, juist omdat er een dialoog is geweest.

    Auteur: Samuel Blumenfeld
    Vertaler: Tess Visser

    Silence van Martin Scorsese, met Andrew Garfield, Liam Neeson, Adam Driver. Vanaf 9 februari in de bioscoop.

    Beeld bovenaan: 7 oktober 1973: Martin Scorsese op de hoek van Hester Street en Baxter Street in New York, een van de locaties uit zijn film Mean Streets. – © Getty Images

    M
    Frankrijk | weekblad | oplage 281.872

    Betrekkelijk laat en enigszins aarzelend bekeerde ook de Franse krant Le Monde zich in 2000 tot een wekelijkse bijlage, die enerzijds was bedoeld ter verstrooiing van de lezer, anderzijds om een sliertje mee te pikken uit de ruif van het hogere segment van de advertentiemarkt (en niet noodzakelijkerwijs in deze volgorde). Aanvankelijk droeg de bijlage de naam_ Le Monde 2_ en werd ze vervaardigd in samenwerking met de bladenreus Hachette Filipacchi Médias.

    Sinds vijf jaar is de weekbijlage volledig geïntegreerd in de krant en draagt ze de naam M, met als ondertitel Le magazine du Monde (afgekeken van T The New York Times Style Magazine). Uiterlijk en inhoudelijk mag M er zijn: goede typografie, goede fotografie en teksten op niveau. In een van de laatste nummers werd het gekerm en gekreun tijdens de geslachtsdaad zelfs ingelijfd bij ons gemeenschappelijk cultuurgoed.

  • Toni Erdmann,  een grote Duitse film

    Toni Erdmann, een grote Duitse film

    Met het voor een Oscar 
genomineerde Toni Erdmann 
hebben de Duitsers eindelijk 
weer een film die scoort over 
de grenzen. Ook in eigen land regende het lovende recensies, zoals deze uit de Berlijnse 
krant Der Freitag.

    Als een film op voorhand al een reputatie 
heeft zoals Toni Erdmann sinds zijn première in Cannes, dan bekijk je deze film, die nu in de bioscopen draait, niet meer alleen. Dan zit de enthousiaste ontvangst op het filmfestival naast je 
en wanneer je even een blik opzij waagt, kijkt deze je vol verwachting aan: jou vergaat het toch net als mij, nietwaar?! Het fascinerende is dat als je na afloop van de film, na 2 uur en 42 minuten, je hoofd opzij wendt, het enthousiasme een masker van verbazing heeft opgezet: dat een film die zo veel dingen niet doet die andere films wel doen, zo’n geestdrift kan losmaken.

    Wanneer Toni Erdmann bijvoorbeeld aan het eind niet langer de conventies van het filmplot volgt, maar zich gewoon lijkt over te geven aan de bewegingen van de personages – zoals wanneer de dochter haar vader vanaf een feestje [waar ze alle gasten plots heeft gesommeerd hun kleren uit te trekken] in haar 
ochtendjas de stad in volgt, over straat, in het park, 
te midden van mensen die voor het eerst naar voren komen ‘als zichzelf’ zoals het op de aftiteling zou 
luiden, als gewone mensen, waar ze tot dan toe alleen vertegenwoordigers van een maatschappelijke klasse waren geweest. En trouwens, het is misschien 
helemaal niet haar vader in dat knotsgekke Bulgaarse bozegeestenwegjaagpak, het zou ook heel iets anders kunnen zijn. Of ten minste meer dan alleen de vader.

    Komedie is tragedie plus tijd

    Zoals Toni Erdmann meer is dan de familiegeschiedenis die het plot suggereert. Die van een vader (Peter Simonischek) die gescheiden woont van moeder. 
Zijn hond is doodgegaan en de volwassen dochter (Sandra Hüller) gedraagt zich afstandelijk. Ze werkt als businessconsultant in de wereld van het grote geld in Boekarest. De vader besluit zijn dochter te bezoeken. Maar zij kan daar slecht mee overweg omdat ze niets anders doet dan werken, en met haar vader kan ze nog slechter overweg omdat hij met zijn flauwe grappen niets van haar wereld begrijpt.

    Of iets wat daarop lijkt. Want een van de kwaliteiten van regisseur Maren Ade is dat zij haar humor 
nuchter weet te hanteren en dat je aan het eind niet meer weet wat je erover moet zeggen. ‘Komedie is tragedie plus tijd’, luidt een aan Woody Allen toegeschreven uitspraak. Toni Erdmann functioneert in wezen andersom, hier gaan de grappen zo lang door dat het lachen je vergaat, maar de film stopt wel 
precies op het moment dat het tragisch zou kunnen worden, het falen onomkeerbaar.

    Toni Erdmann (Peter Simonischek) heft het glas met zijn dochter (Sandra Hüller).
    Toni Erdmann (Peter Simonischek) heft het glas met zijn dochter (Sandra Hüller).

    En zo komt de intense aantrekkingskracht van de film voort uit een negatief gevoel. Toni Erdmann boeit zijn publiek niet door het te vleien, te charmeren, de ene komische situatie na de andere voor te schotelen, maar door een moeilijk te verdragen, behoorlijk intens ervaren gevoel van pijn. Onder het kijken lijd je en juist daarom moet je wel kijken. Als de dochter haar vader meeneemt naar een receptie omdat ze daar zaken hoopt te kunnen doen met haar belangrijkste cliënt (Michael Wittenborn), en ze haar vader uit voorzorg dus strikt instrueert hoe hij zich dient te gedragen, bestaat de spanning van heel die scène uit de vraag of de vader in deze opdracht zal slagen, dan wel of hij daar eigenlijk wel in zou moeten slagen.

    Het vader-dochterverhaal speelt zich af in de wereld van de expats en consultants in Boekarest. Een 
plek ver van alle werkelijkheid, een ijskelder van 
menselijke gevoelens, waar zo veel geld rondgaat en waar zich zo veel macht concentreert, dat je deze microkosmos niet kunt negeren als je iets over de wereld wilt vertellen. (‘Ik houd van landen met een middenklasse, daar word ik rustig van,’ zegt de door Victoria Malektorovych gespeelde vrouw van de belangrijkste cliënt, als ze informeert naar shoppingtips).

    En iets over de wereld vertellen, dat is exact wat _
Toni Erdmann_ wil, ondanks de waanzinnige rijkdom aan detail. De familiegeschiedenis is slechts een voorwendsel, een truc om via twee perspectieven door te dringen tot de maat- en mantelpakken 
dragende klasse van onze samenleving.

    Via de ogen van de dochter die dit spel meespeelt 
om hogerop te komen, op plekken waar grotere 
beloningen wachten dan de grote woning met het reusachtige balkon in Boekarest (hoe groot deze woning is, ziet alleen haar door Ingrid Bisu gespeelde assistente, voor haar is deze geen vanzelfsprekendheid, maar een droom). En met de ogen van de vader die als gepensioneerd docent de schijnbaar minder vervreemde middenklasse vertegenwoordigt, zonder daarom een beter mens te zijn. ‘Ik kan je bij elke stap die je zet haarfijn uitleggen hoe direct jouw economische relatie tot deze mensen is,’ zegt de dochter, nadat haar vader niet wil accepteren dat ze een medewerker ontslaat. Dan keert de rust terug.

    Distantie

    Het gevoel van pijn fungeert in Toni Erdmann als middel tot distantie. De pijn voorkomt dat je bezwijkt onder de verleiding om je met de hoofdpersoon te identificeren. Want als de kijker mét haar zou zitten bibberen of ze wel succes heeft, zou dit ook betekenen dat hij blij moet zijn als zij haar massaontslagplannen weet te realiseren. En die pijn geeft ruimte voor een bepaalde naïviteit, van pure puberale verbazing als in de vraag van de vader: ‘Ben je eigenlijk wel een mens?’

    Zoals de vreemde humor van de vader – die pas in de buurt van zijn dochter kan komen als hij de nepcoach Toni Erdmann wordt, met valse tanden en een zotte pruik, maar die in haar wereld vol schone schijn en mooie praatjes wel degelijk geloofwaardig is – helpt om deze schijn en deze praatjes zichtbaar te maken.

    Toni Erdmann is een geweldige film die zich als een landschap uiteenvouwt. Waar Ades tweede film _
Alle Anderen_ (2009) een catalogus van intermenselijke relaties was, ontpopt Toni Erdmann zich als een catalogus van economische betrekkingen. Het verhaal 
van afhankelijkheid, hiërarchieën en dwangsituaties wordt verteld via het lichaam van Sandra Hüller, 
dat wordt afgezet tegen het contourloze massief dat Peter Simonischek neerzet. Naaktheid biedt geen oplossing, zoals het verloop van de receptie aantoont, maar ze zorgt wel voor even voor bevrijding uit de kerker van kleding en high heels.

    Auteur: Matthias Dell
    Vertaler: Marten de Vries

    Der Freitag
    Duitsland | weekblad | oplage 20.000

    Der Freitag is een links-liberaal Duits politiek opinieweekblad, gevestigd in Berlijn, dat is ontstaan uit het samengaan van de Deutsche Volkszeitung en de Oost-Duitse Sonntag na de Duitse hereniging in 1990. Het heeft een oplage van rond de 20.000 exemplaren en publiceert met grote regelmaat artikelen uit de Britse krant The Guardian en zondagskrant The Observer.

    Eigenaar van het blad is sinds 2008 Jakob Augstein; hij is de wettige zoon van Rudolf Augstein, oprichter van het weekblad Der Spiegel, waarin Jakob sinds de dood van zijn vader in 2002 een aandeel van 24 procent bezit. Zijn biologische vader is evenwel de schrijver Martin Walser, zoals Jakob na de dood van Rudolf Augstein van zijn moeder, de vertaalster Maria Carlsson, te horen kreeg.

  • Wat als Godzilla echt zou opduiken?

    Wat als Godzilla echt zou opduiken?

    Ook de negenentwintigste Godzilla-film is in Japan weer een onvervalste kaskraker. Maar geeft de prent ook een realistisch beeld van een crisissituatie? 
De krant Mainichi Shimbun vroeg een aantal politici en veiligheidsspecialisten wat zij zouden doen als het monster daadwerkelijk toesloeg.

    Opeens verschijnt een gigantisch wezen dat niemand ooit eerder heeft gezien, en dat de hele stad vernietigt. Voilà, de plot van de film Godzilla Resurgence, die onlangs in Japan in première ging (het is alweer de negenentwintigste aflevering van de Japanse franchise over het door straling gemuteerde monster; de eerste episode dateert van 1954). Al ruim vier miljoen mensen gingen de door Hideaki Anno geregisseerde film zien, wat goed is voor een recette van 6 miljard yen [53 miljoen euro]. Daarmee is het een van de best bezochte Japanse films aller tijden. En al berust de film niet op feiten, toch zag de Vereniging van Parlementaire Filmliefhebbers, een onafhankelijke organisatie onder leiding van voormalig minister van Buitenlandse Zaken Koichiro Gemba, er aanleiding in om een debat aan te zwengelen over ons vermogen om adequaat te reageren op rampen.

    In de film wordt zeer realistisch getoond hoe een fantasiewezen paniek zaait in het parlement en tot welke reacties dit vervolgens leidt. Dat roept natuurlijk de vraag op hoe de Japanse overheid zou handelen in een echte crisissituatie. Wij besloten daarom een aantal specialisten te vragen wat zij zouden adviseren als Godzilla in het echt zou toeslaan.

    ‘Maar dat is onmogelijk! Als het zo gedaan werd, zou dat tot gigantische files in Tokio leiden. Er zou paniek uitbreken’

    Als eerste gingen we op bezoek bij voormalig minister van Defensie Shigeru Ishiba, de veiligheidsspecialist van de Liberaal-Democratische Partij, die het debat onlangs op scherp zette door in zijn blog te schrijven: ‘Juridisch is het volstrekt legitiem om gevaarlijke dieren uit te roeien.’ In de film besluit de regering tot inzet van het leger om de dood en verderf zaaiende Godzilla te verslaan, maar Ishiba vindt dat niet verstandig. ‘Godzilla valt Japan niet aan op bevel van een vreemde mogendheid,’ zegt hij [volgens een nieuwe wet is dit voorwaarde voor inzet van het leger].

    Op zich staat de wet de inzet van het leger bij het bewaken de openbare orde toe, wanneer de situatie de krachten van de politie te boven gaat, en ook mag het leger reddingsoperaties uitvoeren bij rampen. Toch zou Ishiba niet snel het leger inzetten: ‘Het is denkbaar, maar de procedure duurt veel langer dan wanneer je bij een ramp gewone hulpverleners stuurt,’ vertelt hij.

    Als voorbeeld van de manieren waarop het leger soms is ingezet bij de bestrijding van gevaarlijke dieren, noemt de oud-minister een operatie uit 1959, waarbij voor de kust van Hokkaido op verzoek van lokale vissers robben werden afgeschoten. De luchtmacht stuurde destijds vier vliegtuigen om de dieren met mitrailleurs neer te maaien. ‘Door na te denken over extreme gevallen zoals de verschijning van een monster of een ufo, kunnen we onderzoeken welke juridische problemen zich in zo’n geval voordoen. Het interessante aan deze film is dat de kijker wordt uitgenodigd om zich daar vragen over te stellen,’ vindt Ishiba. Hij is blij met het levendige debat dat is ontstaan over maatregelen tegen een monster als Godzilla.

    Goede weergave

    Een van de vragen die zich in zo’n geval voordoen, is hoe de secretaris van het kabinet, in de film een van de belangrijkste personages, zou moeten handelen. Democratisch senator Tetsuro Fukuyama, die de post bekleedde tijdens de grote aardbeving van 2011, zegt hierover: ‘In de film zitten talloze verwijzingen verstopt naar het nucleaire ongeval in Fukushima. Ik was toen degene die met Washington overlegde en de bevolking van Fukushima het bevel gaf om de stad te verlaten. Ik begrijp dan ook eerlijk gezegd niet hoe men dit als entertainment kan brengen.’ En toen Fukuyama zag hoe in de film het bevel tot evacuatie gegeven werd, dacht hij: ‘Maar dat is onmogelijk! Als het zo gedaan werd, zou dat tot gigantische files in Tokio leiden. Er zou paniek uitbreken.’ Al even onverstandig vond hij het bevel dat in de film werd gegeven om binnen te blijven. ‘Aangezien niemand wist in welke richting Godzilla ging bewegen (metafoor voor een radioactieve wolk), zou het gevaarlijk zijn om binnen te blijven.’

    In de film verschanst de regering zich in de Tokiose buitenwijk Tachikawa, maar in werkelijkheid hoeft een crisiskabinet helemaal niet naar een andere plek te verhuizen, want onder de woning van de premier bevindt zich een crisiscentrum. Ook vraagt Fukuyama zich af wat er, als het de regering zou lukken om de opmars van Godzilla tot staan te brengen, daarna met het monster zou moeten gebeuren. ‘Wat doe je met dat enorme stuk radioactief afval? De film geeft de huidige situatie van Japan goed weer,’ vindt hij.


    Vinden veiligheidsspecialisten dat ook? Ook oud-generaal Noboru Yamaguchi, die leiding gaf aan de afdeling onderzoek en ontwikkeling van de landmacht, heeft de film bekeken. Eén vraag die bij hem opkwam was hoeveel Godzilla wel niet zou wegen. In de film wordt weliswaar vermeld dat het monster 118 meter lang is, maar over zijn gewicht hoort de toeschouwer niets. In de Amerikaanse remake uit 2014 mat het monster 108 meter en woog het ruim 90.000 ton. Aangezien een tank zo’n 50 ton weegt, berekende Yamaguchi dat Godzilla meer moest wegen dan 1800 tanks. ‘Zelfs helikopters uitgerust met kanonnen met een kaliber van 20 à 30 millimeter beginnen weinig tegen zo’n gigantisch wezen. Hoe moet je hem dan wel vernietigen?’

    In de film hebben zware kanonnen inderdaad geen enkel effect op de opmars van het beest. Al snel ziet de regering in dat het leger machteloos staat tegen een monster van deze omvang.

    De oud-generaal adviseerde de regering tijdens de nasleep van de aardbeving van maart 2011. ‘In de film zegt men voortdurend: “Dit overtreft alle verwachtingen”, en dat was bij Fukushima ook zo,’ vertelt hij. De ‘volgende Godzilla’ zou volgens hem heel goed een zware aardbeving in Tokio kunnen zijn; zijn voornaamste vrees daarbij is dat de communicatienetwerken het kunnen begeven. ‘De ministeries en veiligheidsdiensten hebben elk hun eigen netwerk, en ook grote bedrijven als spoorwegmaatschappij JR beschikken over een eigen netwerk. De grote vraag is of, wanneer de stroomvoorziening van netwerken die nodig zijn om de crisis te beheersen wordt onderbroken, het zal lukken om de nog wel functionerende netwerken met elkaar te verbinden en de nodige informatie bij de leiding van het land te krijgen.’

    Als de staf van de premier meer te weten wil komen over de onbekende gigant, hoe kan dat dan het beste worden aangepakt? Volgens dinosaurusspecialist en bioloog Makoto Manabe van het Nationaal Museum voor Natuur en Wetenschap in Tokio moeten er ‘allereerst radiozenders in zijn lichaam worden ingebracht. Als we ervan uitgaan dat Godzilla leeft, zullen we er rekening mee moeten houden dat er mannetjes, vrouwtjes en ook nakomelingen bestaan. In dat geval moet er dus meer dan één enkel wezen worden vernietigd.’

    Scène uit Godzilla Resurgence.
    Scène uit Godzilla Resurgence.

    In de eerste helft van de film zitten biologen die proberen te verklaren wat er op hen afkomt, met de handen in het haar. Manabe ergerde zich aan het feit dat geen van hen op het idee komt om radiozenders te gebruiken. ‘Met behulp van scanners zou het mogelijk moeten zijn om, uitgaande van de configuratie van zijn hersenen, de capaciteiten van zijn reuk-, visuele en gehoorzintuigen te bepalen, en op basis daarvan te anticiperen op zijn gedrag,’ denkt hij. En om het belangrijkste doel van de autoriteiten te bereiken – Godzilla verslaan – zou het in zijn ogen het slimste zijn om ‘te proberen te begrijpen waarom het monster uit zee tevoorschijn is gekomen, en ervoor te zorgen dat het weer teruggaat’.

    In de film vlucht de bevolking voortdurend alle kanten op om aan het monster te ontsnappen. Volgens advocaat Yukitoshi Nagai is dat realistisch en is daar goed over nagedacht. Het enige wat hij op de film heeft aan te merken, is dat van begin tot eind alles vanuit het gezichtspunt van de autoriteiten wordt getoond, van bovenaf dus. Nagai was na de aardbeving van 2011 voorzitter van het hulpcomité van de Japanse Vereniging van Advocaten voor de wederopbouw van de getroffen gebieden. Wat hem in de film vooral trof, was een scène waarin een speciale afgezant van de Verenigde Staten de Japanse kabinetssecretaris, die in zijn ogen te langzaam reageerde, toebeet: ‘Wie beslist hier eigenlijk?’

    Dat zou geïnterpreteerd kunnen worden als suggestie dat de premier meer bevoegdheden zou moeten krijgen dan het parlement. ‘Mensen zouden door deze zeer realistische scène het idee kunnen krijgen dat de Japanse grondwet moet worden aangepast, dat er een clausule over de noodtoestand in moet worden opgenomen,’ zegt hij zorgelijk. ‘Een andere publieksfilm over een invasie, War of the Worlds, laat goed zien hoe in een crisissituatie een al te sterke machtsconcentratie een democratie kan doen afglijden naar een dictatuur. Godzilla Resurgence toont daarentegen op geen enkel moment hoe gevaarlijk dat kan zijn. En dat terwijl de Liberaal-Democratische Partij voorstander is van een dergelijk amendement op de grondwet en een tweederdemeerderheid heeft in het parlement [die nodig is om zo’n wijziging door te voeren]. Je kunt je dus afvragen of de film niet gewoon een stuk propaganda is.’

    Toen er in 1946 werd gewerkt aan een nieuwe grondwet, legde de verantwoordelijke minister Tokujiro Kanamori uit waarom er geen clausule in werd opgenomen over de noodtoestand. ‘Zo’n clausule is erg prettig voor de overheid, maar het risico is dat er dan geen rekening meer wordt gehouden met de wensen van het volk.’ Volgens Kanamori ‘staat juist in een crisissituatie de democratie het meest onder druk’.

    Hoe kan machtsmisbruik in zo’n situatie worden voorkomen? Misschien door de discussie over dit onderwerp niet louter aan politici en specialisten over te laten. Ook wij moeten ons deze vragen stellen. Als Godzilla in ons leven opduikt, wat kunnen wij als burgers dan doen?

    Auteurs: Hiroshi Sawadaishi en Tetsuya Shoji
    Vertaler: Valentijn van Dijck

    Mainichi Shimbun | dagblad | oplage 3.960.000 (ochtendeditie), 1.660.000 (avondeditie met andere inhoud)

    Oudste krant van Japan, 1872 voor het eerst uitgegeven onder de naam Tokyo Nichi Nichi Shimbun. De krant wordt twee keer per dag gedrukt. De site is ook in het Engels te lezen. Krant voor het politieke midden.

  • Oliver Stone: ‘Mensen zullen iets zien wat ze niet eerder zagen’

    Oliver Stone: ‘Mensen zullen iets zien wat ze niet eerder zagen’

    Oliver Stone deed uitputtende research voor zijn film Snowden. Zo sprak hij met Guardian-journalist Ewen MacAskill, aan wie Snowden in Hong Kong tienduizenden documenten overhandigde. MacAskill volgde op zijn beurt de opnames van de film, waarin hij zelf een bijrol kreeg.

    Oliver Stone ziet er uitgeput uit. Het is mei 2015, en we zijn in München op de allerlaatste opnamedag voor zijn film over Edward Snowden. Tijdens de lunch lijkt de regisseur moe en bezorgd, met zware oogleden en afhangende schouders: futloos. Toen het idee voor Snowden werd voorgesteld, legt hij uit, had hij zich krachtig verzet. Vervolgens had hij zich er langzaam en aarzelend in mee laten trekken. Vandaag klinkt het alsof hij misschien spijt heeft van dat besluit. Er zijn problemen geweest met de financiën, met het zoeken naar distributeurs, en met het verbeelden van iets wat zo saai is als de cyberwereld waarin Snowden verblijft.

    ‘Een regisseur moet zeggen dat alles geweldig is en dat de dingen prachtig zijn,’ zegt hij, geprikkeld. ‘Iedere dag op een filmset is een potentiële ramp. Iedere dag op een filmset heb je de hoop dat het de goede kant op gaat, maar de waarheid is dat het de hele tijd alleen maar geploeter is. Het is als een bulldozer die door een rij bomen heen gaat. Het is niet makkelijk. Het is nooit makkelijk geweest.’


    Vooral déze film was niet makkelijk. ‘Iedere film die ik heb gemaakt was een uitdaging. Maar vanaf de allereerste dag lijken er bij deze film obstakels te zijn geweest, of het nu computers waren, of het feit dat de technologie moeilijk te begrijpen is, of het karakter van Snowden, dat een sterke, robotachtige en nerderige kwaliteit heeft. Dat is een nadeel. Hij is niet het actieve type.’ Voordat Stone terugging naar de set, gaf zijn laatste opmerking de beperkte ambities die hij destijds met de film had goed weer: ‘Ik wil niets doen wat Edward Snowden zal schaden.’

    Bijna een jaar later ontmoet ik Stone weer, in Londen. De vermoeidheid is verdwenen. Hij is vol enthousiasme over het leven en zijn film. Hij heeft het gevoel dat de montage goed is gegaan; de week daarvoor werd een vroege preview in Idaho op een positieve reactie onthaald – ondanks zijn onheilspellende voorgevoel.

    ‘Als regisseur denk ik dat de film een kracht heeft die de details overstijgt,’ zegt hij, stralend. ‘Misschien komt er wel niemand. Maar de mensen die wél komen zullen iets zien wat ze nog niet eerder hebben gezien. Er zijn geen achtervolgingen. Er zijn geen moorden. Ik houd van spanning, maar dit is een ander soort spanning … Wat Snowden heeft gedaan zal volgens mij verschil blijven maken … Ik denk niet dat dat nog zal veranderen.’

    Uiteindelijk spraken Stone en zijn medescenarioschrijver Kieran Fitzgerald met bijna iedereen die bij de Snowden-affaire betrokken was geweest

    Een paar maanden nadat het verhaal in de zomer van 2013 voor het eerst naar buiten kwam, werd Stone benaderd door Anatoly Kucherena, Snowdens Russische advocaat, over het maken van een film over zijn cliënt. Hij zegt dat hij toen net in een dal zat. Een project over Martin Luther King was niet van de grond gekomen. Hij had geen zin betrokken te raken bij een nieuw, ingewikkeld plan, dat de bioscoop waarschijnlijk toch niet zou halen. Niettemin ging hij naar Moskou, ontmoette Kucherena, en was voldoende geïntrigeerd om verder onderzoek te gaan doen en de filmrechten te kopen van Kucherena’s fictieve verhaal over een Amerikaanse klokkenluider, Time of the Octopus, en van The Snowden Files van Guardian-correspondent Luke Harding.

    Zo’n zes maanden later heb ik Stone voor het eerst ontmoet, toen hij The Guardian bezocht. Ik was het kantoor van de toenmalige hoofdredacteur Alan Rusbridger binnengeroepen en verheugde me op het vooruitzicht, omdat ik nog nooit een Hollywoodregisseur had gesproken. Dit was ook een regisseur van wiens films ik hield. We waren met een handvol mensen in de kamer, en we praatten ongeveer een uur. De reden dat ik er was, was dat ik, samen met mijn medejournalisten Laura Poitras en Glenn Greenwald, Snowden in Hongkong had opgezocht, waar hij tienduizenden topgeheime Amerikaanse en Britse documenten aan ons overhandigde – een van de grootste lekken in de geschiedenis van de inlichtingendiensten – voordat hij onderdook. Stone wilde het verhaal uit de eerste hand horen. Op dat moment wist ik niet zeker wat ik van hem moest vinden, maar ik was onder de indruk van de details die hij al over Snowden had verzameld.

    In december 2014 ontmoette ik hem vervolgens in mijn eentje, tijdens een lunch in Londen. Ik was een half uur te laat, maar daar maakte hij geen probleem van: er school geen prima donna in hem. In plaats daarvan bleef hij maar vragen stellen. Heel veel vragen. Ze werden gevolgd door e-mailtjes en telefoontjes. Ik kon deze bezetenheid wel waarderen, want hij was meer journalist dan filmregisseur; hij was bezig met een hardnekkige speurtocht naar het onbeantwoorde, in een poging een film te kunnen voltooien.

    Uiteindelijk spraken Stone en zijn medescenarioschrijver Kieran Fitzgerald met bijna iedereen die bij de Snowden-affaire betrokken was geweest. Hij sprak met juristen, journalisten en voormalige leden van de NSA. Hij ging naar de Ecuadoriaanse ambassade in Londen om te praten met WikiLeaks-oprichter Julian Assange. En hij sprak met de partner van Snowden, Lindsay Mills. Hij ging minstens achtmaal naar Moskou om Snowden te ontmoeten.

    Te veel research, aldus Stone. Ongeveer 80 procent moest worden weggegooid. Maar dat was geen tijdverspilling, zegt hij – het heeft hem de duidelijkheid verschaft waarnaar hij hunkerde. We zijn nu terug in München, twee dagen na de algemene verkiezingen in Groot-Brittannië: een tijd waarin op de redactie van een krant sprake is van grote bedrijvigheid en opwinding. Filmen is daarentegen saai. Ik was nog nooit op een filmset geweest, en was blij dat ik de kans kreeg om achter de schermen te kijken. Op de een of andere manier had ik me voorgesteld dat het een beetje als een toneelvoorstelling zou zijn, maar dat was niet zo. Het was saai en repetitief.

    Die ochtend werd gedomineerd door de opnamen die Stone maakte van Joseph Gordon-Levitt, die Snowden speelde terwijl hij uit een hotelraam keek. Dit moest Hongkong voorstellen; Snowdens slaapkamer in het Mira-hotel was in Duitsland nagemaakt. Gordon-Levitt werd gefilmd terwijl hij van links naar rechts keek, en vervolgens omlaag naar de straat. Telkens opnieuw. Een andere belichting. Andere camerastandpunten. Andere shots. De scène heeft de film gehaald, maar duurt slechts een paar seconden. Het filmen ervan duurde een paar uur.

    snowden4 1

    Als hij niet uit het raam keek, was Gordon-Levitt bereid om te praten. Tegen die tijd had hij Edward al eens ontmoet en wist hij heel goed zijn trage, precieze dictie te reproduceren. Als zoon van een progressief West Coast-gezin had hij een intensieve belangstelling voor Snowden en voor de discussie over surveillance ontwikkeld. Niet bang voor publieke uitingen met een politieke strekking nam Gordon-Levitt zich voor zich tijdens de komende persconferenties als een pleitbezorger voor privacyzaken te manifesteren. Hij heeft zijn verdiensten als acteur in deze film gedoneerd aan de American Civil Liberties Union, waarvan een van de juristen Snowdens voornaamste vertegenwoordiger is.

    Terwijl ik de opnamen bijwoonde in het namaak-Hongkonghotel, zag ik op de rommelige tafel van Snowden een leeg bierblikje van het merk Tsingtao staan. Maar dat soort lege blikjes waren er in de oorspronkelijke hotelkamer nooit geweest. Niemand van ons dronk destijds alcohol, en Snowden is geheelonthouder. Ik durfde dat echter niet te zeggen omdat de opnamen al zo vergevorderd waren, en de gedachte hen te moeten blootstellen aan nog meer uren van heropnamen was eenvoudigweg te veel. Uiteindelijk kan ik me niet herinneren het blikje in de eindmontage te hebben teruggezien.

    Er zijn andere, grotere problemen. Delen van de film zijn puur Hollywood. Stone wijdt een deel van zijn film aan de romance tussen Snowden en Mills. De manier waarop Snowden data in een Rubiks kubus uit het NSA-hoofdkwartier op Hawaii smokkelt, is vrijwel zeker een product van de verbeelding. De film is ook een regelrechte biopic, die Snowden volgt van zijn mislukte poging om zich bij de Amerikaanse special forces aan te sluiten, via een succesvolle carrière als computerspecialist van de NSA, naar zijn ontgoocheling en uiteindelijke beslissing om klokkenluider te worden.

    Verrader en held

    Toch is Snowden in bredere zin getrouwer aan de waarheid dan je van Hollywood zou mogen verwachten. Stone is er als de kippen bij om te betogen dat hij geen politiek regisseur of activist is, maar een dramaturg. Dat verrast me, en misschien ook anderen die bekend zijn met zijn werk. Maar wat hij bedoelde was wellicht dat hij niet iets wil maken wat saai is. De film is ook niet saai. Maar ik ben belanghebbende: ik word erin ten tonele gevoerd, en daarom hoop ik dat hij het goed zal doen.

    Ik ben het meest geïnteresseerd in het vermogen van de film om de publieke opinie te beïnvloeden over de man wiens verhaal erin wordt verteld. De standpunten in de VS liggen nu ver uiteen: er zijn degenen die hem als een verrader zien, en degenen die hem als een held beschouwen. Stones film kan mensen bereiken die weinig van hem afweten. De film portretteert Snowden als een mens, en zorgt ervoor dat ingewikkelde argumenten over het evenwicht tussen privacy en surveillance onmiddellijk te begrijpen zijn. Zelfs degenen die betogen dat ze geen problemen hebben met mogelijke inbreuken op hun privéleven zullen waarschijnlijk ineenkrimpen bij het kijken naar een scène waarin Snowden en zijn vriendin seks hebben – maar dan aarzelt Snowden, omdat hij een open laptop ziet en zich afvraagt of er niet iemand meekijkt door de webcam. (Deze scène is gebaseerd op een interview met The Guardian, waarin Snowden zegt dat surveillancediensten zich bezighouden met dergelijk voyeurisme.)

    Zal Snowden erin slagen de publieke opinie te laten kantelen? ‘Ik hoop het,’ zegt Stone, een tikkeltje onzeker. ‘Het is lastig,’ voegt hij eraan toe. Zijn film zou een paar van de meest vurige campagnevoerders tegen surveillance stof tot nadenken kunnen geven. Een van de meer onverwachte subtiliteiten in de film is de manier waarop de NSA in beeld wordt gebracht, waar uiteenlopende meningen over het evenwicht tussen privacy en veiligheid zijn toegestaan – en zelfs worden omarmd.

    ‘Ed heeft nooit echte mensen bij naam en toenaam genoemd,’ zegt Stone. ‘Maar hij heeft ons ideeën over echte mensen en gebeurtenissen gegeven, waaruit we – met de nodige artistieke vrijheid – conclusies kunnen trekken die wellicht niet te vergezocht zijn. We hebben geprobeerd het zo realistisch mogelijk te maken.’

    ‘Bij de NSA werken ook mensen met een ziel,’ voegt hij eraan toe. ‘Het zijn niet allemaal James Bond-achtige schurken.’ Hij glimlacht niet; hij meent het.

    Toen de trailer werd vrijgegeven tweette Snowden: “Twee minuten en 39 seconden lang hield iedereen bij de NSA gewoon op met werken”

    Maar zijn eigen loyaliteit ligt bij de klokkenluider; zijn onwankelbare doel is de onwetenden te waarschuwen voor wat hij de ‘surveillancestaat’ noemt. ‘Ik denk dat we te maken hebben met een orwelliaanse superorganisatie die de wereld regeert,’ zegt hij. ‘Maar dat is politiek!’ Hij is teleurgesteld dat de kwestie tot nu toe zo weinig aan bod is gekomen in de campagne voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen – de enige keer dat dit het geval was, deed zich voor tijdens een debat tussen de Democratische kandidaten. Stone steunde Bernie Sanders (en is ook een fan van Jeremy Corbyn). ‘Hillary Clinton heeft geen mededogen voor Snowden,’ zegt hij, terwijl hij iets ongemakkelijks mompelt over haar ‘hardcore oorlogszuchtige tactiek’.

    Snowden zal in de Verenigde Staten twee maanden vóór de verkiezing van een nieuwe president worden uitgebracht, en een dag na de zeventigste verjaardag van Stone. Het lot van de film zal dan worden beslecht. Maar hoe zit het met de belangrijkste mening, die van Snowden zelf? Toen hij nog voor de NSA werkte, gaf zijn instinct hem in een ‘low profile’ aan te houden – vermoedelijk zou hij door de grond zijn gezakt bij het idee dat er ooit een film over hem zou worden gemaakt. En hij blijft iemand die zeer op zijn privacy is gesteld; hij vindt het prima om over technologie en surveillance te praten, maar schermt de details van zijn privéleven af. De wereld van de beroemdheid is niet de wereld waarin hij zich prettig voelt.

    Stone zinspeelt erop dat Snowden de film goed vond – en zijn medewerking duidt erop dat dit klopt. De werkelijke reden dat hij er blij mee is, lijkt echter misschien wel op die van mij. In april, toen de trailer werd vrijgegeven, tweette hij: ‘Twee minuten en 39 seconden lang hield iedereen bij de NSA gewoon op met werken.’

    snowden2 1

    Nadat hij de Oscar-winnende film Citizenfour had gezien, kwam een collega bij The Guardian met het volgende oordeel: ‘De man die jou speelt kan er niets van.’ Het was een grap, hoop ik; de man die mij ‘speelt’ ben ik namelijk zelf, omdat Citizenfour een documentaire is.

    Citizenfour, uitgebracht in 2014, doet verslag van een ontmoeting van NSA-klokkenluider Edward Snowden met drie journalisten, Laura Poitras, Glenn Greenwald en ikzelf, in Hongkong in 2013. Oliver Stones Snowden is anders. Daarin nemen acteurs de meeste rollen voor hun rekening, inclusief Tom Wilkinson, die mij speelt.

    Mijn hele carrière heb ik me op mijn gemak gevoeld met een ‘low profile’, en me graag achter de letters verscholen. Na het Snowden-verhaal, dat tot nu toe drie toneelstukken, diverse documentaires en nu ook nog een Hollywoodfilm heeft opgeleverd, gaat dat echter niet meer.

    Mijn rol in al deze films is relatief klein. Niettemin voelde ik de eerste keer dat ik naar mezelf, gespeeld door een acteur, ging kijken – het was Jonathan Coy, in James Grahams Privacy at the Donmar Warehouse in 2014 – een mengeling van verlegenheid en angst, niet in de laatste plaats omdat ik erover moest schrijven. Maar Coy deed het goed en ik begon te ontspannen nadat hij zijn eerste zinnen had uitgesproken. Ik had de acteur eerder ontmoet, bij een gelegenheid waarvan ik dacht dat het gewoon een feestje was, terwijl hij me in feite aan het observeren was om mijn maniertjes over te kunnen nemen.

    Ik hield er een raar gevoel aan over. Toen ik naar München vloog om de filmset van Snowden te bezoeken, waren twee dingen belangrijk voor me. De eerste was: zou mijn kleine rol de eindmontage overleven? En de tweede: zou ik mijn Schotse accent hebben behouden? Stone had ook voor een Amerikaans of zelfs gewoon voor een Brits accent kunnen kiezen.

    Een van de grootste verschillen tussen het toneelstuk en de film is dat de taal van het toneelstuk míjn taal was, terwijl die in Snowden is bedacht

    Tijdens een pauze op de set, toen er onweer was uitgebroken, ontmoette ik de man die mij speelde, Tom Wilkinson. Hij bevestigde dat hij aan het Schots had vastgehouden. ‘Dat is altijd een accent geweest wat me gemakkelijk afgaat,’ zei hij. ‘Ik ben op een bepaalde manier goed in accenten, en blijkbaar ook in Schots.’ En zijn accent is goed, al klinkt het iets meer als ‘Edinburghs’ dan als mijn eigen ‘Glasgows’. Bovendien noemt hij Snowden in de film ‘laddie’. Dat is een term die ik nooit zou gebruiken.

    Een van de grootste verschillen tussen het toneelstuk en de film is dat de taal van het toneelstuk míjn taal was, die woordelijk is overgenomen, terwijl die in Snowden is bedacht.

    Tijdens de echte ontmoeting in het Mira-hotel had Snowden zichzelf en zijn laptop op een gegeven moment met een rode kap bedekt. Hij wilde zijn wachtwoord beschermen tegen verborgen camera’s, zei hij later. Zelfs toen al leek dat vreemd gedrag, en in Citizenfour wisselen Glenn en ik vragende, ongemakkelijke blikken met elkaar uit.

    In de film zeg ik, als Snowden de kap over zijn hoofd trekt, iets in de trant van ‘Moeten we daar allemaal onder?’, wat ik niet heb gezegd. Stone benadrukte herhaaldelijk tegenover me dat hij een film aan het maken was en die interessant moest zien te houden. Als ik alleen maar aantekeningen zat te maken in een stoel, zei hij vriendelijk, was dat niet bepaald opwindend. Hij had actie nodig.

    Guinness

    Er is een andere opvallende zinsnede van mij als ik The Guardian bel om te zeggen dat ‘de Guinness goed is’ – een van tevoren afgesproken code om te bevestigen dat de klokkenluider echt was, en geen bedrieger. In het echt heb ik die zinsnede ook gebezigd. Dit ‘script’ was het geesteskind van de toenmalige Amerikaanse _Guardian_-eindredactrice Janine Gibson, die hier wordt gespeeld door Joely Richardson.

    In de film val ik op een gegeven moment in slaap. Dat is ook gebeurd, maar wel later dan in de scène die wordt getoond. Glenn, Laura en ikzelf hadden alle drie weinig geslapen die week. Pas toen Snowden onderdook, begon ik te ontspannen en kon ik overal in slaap vallen.

    Wilkinson was minder goed op de hoogte van de achterliggende thematiek van de film dan de regisseur of zijn medester, maar hij herinnerde zich enthousiast de verslaggeving in The Guardian uit de tijd dat het verhaal in de publiciteit kwam, en staat sympathiek tegenover Snowden. ‘Ik vind hem geen verrader,’ zegt hij zachtjes en weloverwogen. ‘Je hebt zulke mensen nodig. Ik denk dat alle mensen die vrijwillig zo’n groot risico lopen een simpele manier van tegen de wereld aankijken hebben die de meesten van ons ontgaat.’

    Eerder deze zomer heb ik een preview van de film bijgewoond met mijn collega Luke Harding, op wiens boek een groot deel van de film is gebaseerd. Naderhand vroeg ik hem hoe accuraat hij de rol van Wilkinson vond. Een onverschrokken buitenlandse correspondent die het opneemt tegen de verzamelde macht van de Amerikaanse en Britse inlichtingendiensten – toch? Het oordeel van Luke: ‘Je maakte een beetje een suffe indruk.’

    Auteur: Ewen MacAskill
    Vertaler: Menno Grootveld

    Snowden is op 10 september in première gegaan op het filmfestival van Toronto, en draait sinds 16 september in de bioscopen.

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

  • Heerst er een intolerant klimaat in India?

    Heerst er een intolerant klimaat in India?

    Bollywoodacteur Aamir Khan (moslim) uitte publiekelijk zijn zorg over het intolerante klimaat in India onder de hindoenationalistische premier Modi. Zijn vrouw vroeg zich af of ze het land moest verlaten. Heeft Khan een punt?

    Ja

    De acteur Aamir Khan vertelde op een bijeenkomst van journalisten hoe onveilig en radeloos hij zich soms voelt in het huidige, alsmaar intolerantere klimaat. Hij vertelde dat zijn vrouw hem voor het eerst had gevraagd of ze India niet beter konden verlaten. Een dag later antwoordde minister van Arbeid Smriti Irani dat het feit dat hij dit als toerisme-ambassadeur van de regering publiekelijk kon zeggen in het bijzijn van een minister, bewijst dat India een tolerant land is. Irani heeft gelijk. Er waren naast eregast Arun Jaitly [minister van Financiën] zelfs vier ministers bij aanwezig. Dat beeld 
van vijf ministers die geduldig de woorden van de superster beluisterden, geeft wel aan dat de machthebbers hier 
openstaan voor kritiek.

    Maar die vrijheid is natuurlijk pas echt compleet, in een open democratie zoals India zichzelf met trots noemt, als de leiders hem niet alleen aanhoren maar ook van repliek dienen. Zij moeten zijn zorgen met 
hem bespreken, al is het maar om hem duidelijk te maken 
dat die ongegrond zijn.

    Er zijn ongelovigen aangevallen 
of gedood, en een man werd zelfs – na een gerucht dat hij rundvlees had gegeten – door een menigte gelyncht

    Het zou erg teleurstellend zijn als Aamirs ontboezemingen als aanval op de regering worden opgevat, als onvaderlands‑
lievend terzijde geschoven, of gebagatelliseerd als gezeur van iemand met te veel privileges. Het zou zonde zijn als Aamir en Shah Rukh Khan [een andere bekende Indiase acteur], die al even ferme uitspraken deed in het ‘intolerantie‑
debat’, alleen antwoord krijgen van regeringsgezinde bullebakken, met hun gebruikelijke gescheld, laster en intimidatie. Overigens zijn de twee Bollywoodsterren niet erg representatief voor de leden van Aam-Aadmi [‘Partij van de gewone man’, een door burgers opgerichte anticorruptiepartij]. 
Aamir Khans bekendheid beschermt hem tegen allerlei uitwassen waar gewone mensen vaak mee te maken krijgen. Ook waren zijn woorden zeker niet vrij van overdrijving. 
Toch draagt de stem van een artiest als Aamir ver en kan hij daarom voor velen spreken. Al is de band die al deze mensen met hem voelen er een van de verbeelding, het maakt hun ervaringen niet minder werkelijk.

    De twee supersterren hebben uitdrukking willen geven aan een angst die velen voelen. Er zijn ongelovigen aangevallen 
of gedood, en een man werd zelfs – na een gerucht dat hij rundvlees had gegeten – door een menigte gelyncht [voor hindoes is het eten van rundvlees om religieuze redenen streng verboden]. In verklaringen van ministers en parlementsleden van de regeringspartij kregen de slachtoffers de schuld en werd gezegd dat Pakistan erachter zat. Premier Narenda Modi stond de leiders van antimoslimdemonstranten, die met hem sympathiseren, onmiddellijk te woord. Hij zou nu hetzelfde moeten doen met degenen die zich tegen zijn regering en het intolerante klimaat verzetten.

    The Indian Express
    India, dagblad, oplage 1.032.000

    Zelfbenoemde ‘enige krant van India’. Staat bekend om zijn strijdlust en journalistieke moed en duikt graag in politieke en financiële schandalen. De zondagseditie heeft extra aandacht voor cultuur.

    Nee

    Geachte heer Khan, ik schrijf u omdat ik mij afvraag hoe ons land eruitziet vanuit de grote ramen van uw dure villa op Pali Hill. Heel anders dan vanuit mijn sociale huurwoning op de tweede etage, vermoed ik. Zo’n woninkje is het enige wat een eerlijke journalist tegenwoordig nog kan betalen in ons land. 
Ik zeg expres ‘eerlijke journalist’, zodat u niet denkt dat ik een bhakt [benaming op sociale media voor Modi-aanhangers] of een ‘perstitué’ ben – twee termen die het in ons intolerante klimaat zo goed doen. U hebt het over intolerantie. cver intolerantie kan ik meepraten. Ik ben chinki genoemd, spleetoog, Nepali en elk ander scheldwoord op de Chinese menukaart. 
De meeste van mijn Chinki-vrienden ondergaan hetzelfde. Wij op onze beurt noemen deze scheldende Indiërs bhaiya’s [eikels] en gaan door met ons leven.

    Heb ik ooit overwogen om deze stad te verlaten? Nooit, en 
dat zal ik ook nooit doen. Zoals u al zo mooi zong: All Izz Well [een door Aamir Khan gezongen nummer uit een zeer succesvolle Bollywoodfilm] – maakt u zich over mij geen zorgen.

    
Ik was er kapot van en bedronk me op een terras in een arme buitenwijk van Mumbai, ver weg van uw huis

    Uw gevoelens kan ik niet veranderen. Ik zal niet proberen u 
voor mij te winnen. Dat heb ik jaren geleden afgeleerd, nadat 
ik tevergeefs had geprobeerd mijn eerste liefde, die mij had geschreven dat ze me niet kon uitstaan, milder te stemmen. 
Ik was er kapot van en bedronk me op een terras in een arme buitenwijk van Mumbai, ver weg van uw huis waar u op dat moment het succes van uw film Lagaan aan het vieren was [Lagaan is een bekende film uit 2001 waar Khan in speelde].

    Eén ding is zeker: ik heb vaker met intolerantie te maken gehad dan u. Maar ik geef toe, ik had graag een gezicht als het uwe gehad, dat zou mijn leven heel wat makkelijker hebben gemaakt. Nu u zich verwaardigd hebt om iets over intolerantie te zeggen, zal er zelfs in het parlement over gedebatteerd worden – als ze dat daar nog doen tenminste. Dat hebt u toch maar mooi voor elkaar gekregen.

    Meneer Khan, de angst die u gezaaid hebt zal aanhouden, 
ook als u en ik allang weer met andere dingen bezig zijn. 
Uw miljoenen volgers en fans zullen uw woorden voor zoete koek slikken. Zij zullen op televisie fel discussiëren over de 
kwestie die u hebt opgerakeld. Maar onderwijl zult u alweer rustig op de sportschool bezig zijn om in vorm te komen voor uw volgende film.

    P.S. Als u een dezer dagen in Delhi bent, nodig ik u graag uit 
om in Nizamuddin, vlakbij de residentie van de premier, een runderkebab te komen eten [verwijzing naar de lynchpartij 
in september in Uttar Pradesh]. Ik betaal.

    Auteur: Prawesh Lama
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Foto boven: © Reuters

    Hindustan Times
    India, dagblad, oplage 550.000

    Veruit de populairste krant in New Delhi. Nuchtere toon. Redactioneel schurkt de krant tegen de macht aan.

  • Star Wars, Elvis en ik

    Star Wars, Elvis en ik

    Voor iedereen die opgroeide in de jaren zeventig was de eerste Star Wars-film een culturele mijlpaal. En dus houdt New York Times-criticus A. O. Scott ondanks alles nog steeds van Luke, lichtzwaarden en de Force.

    Halverwege 1977 vonden er kort na elkaar drie belangrijke gebeurtenissen plaats. Star Wars ging in roulatie, ik werd elf en Elvis Presley ging dood. Een van die gebeurtenissen is van een volkomen andere orde, ik weet het; en strikt genomen was er – en ís er – weinig meer onderlinge samenhang dan het gegeven dat die data zo dicht bij elkaar liggen. Maar toch zijn die willekeurige gebeurtenissen bepalend geweest voor mijn relatie met de populaire cultuur.

    En dat geldt natuurlijk niet alleen voor mij. Het moderne leven is een aaneenschakeling van mijlpalen, gekoppeld aan een bepaalde generatie. We ontlenen onze collectieve identiteit aan de gedeelde ervaringen van allerlei publieke gebeurtenissen, waar ook kaskrakers en hits onder vallen. Of we ze nou mooi vinden of niet, ze gaan als vanzelf deel uitmaken van de architectuur van onze persoonlijke identiteit, en ze vormen een soort ruilmiddel tussen leeftijdsgenoten. Elvis, die halverwege de veertig was toen hij overleed, hoorde voor kinderen zoals ik onmiskenbaar bij de ouderen, hij stond symbool voor het moment in de jeugd van onze ouders waarop alles veranderde. De Beatles vertegenwoordigden een soortgelijke aardverschuiving, zij het van iets recentere datum. Ook zij maakten deel uit van het verleden. Op de kleuterschool hadden we hun liedjes gezongen, en we hadden ze gehoord bij Sesamstraat. Ze behoorden tot het domein van de nostalgie. Bij Star Wars lag dat anders. Star Wars was van óns – het was onze eigen tektonische plaat die begon te schuiven, waarmee het landschap voorgoed zou veranderen.


    Althans, zo gaat het verhaal – zowel de heroïsche als tragische versie. Het ongekende succes van de film die tegenwoordig bekend staat als Episode IV – A New Hope _wordt verantwoordelijk gehouden voor veel van wat volgde, zowel in positieve als in negatieve zin. _Stars Wars zou een einde hebben gemaakt aan de nieuwe artistieke ambities in het Hollywood van de jaren zeventig, waar grote risico’s werden genomen, en het begin hebben gevormd van een tijdperk waarin kaskrakers de dienst uitmaken, een tijdperk waaraan nog altijd geen einde is gekomen. Volwassenen in de eenentwintigste eeuw die zich beklagen over de hegemonie van franchisefilms met een fantasyconcept – wij bijna allemaal dus, op enig moment – moeten de schuld zoeken bij ons eigen jeugdige enthousiasme. Maar de eerste Star Wars-trilogie zou ook verantwoordelijk zijn voor de duizelingwekkende wereld van de fancultuur. Ook zou de trilogie bevrijdend hebben gewerkt voor nerds en geeks die voorheen konden rekenen op de minachting van ouderen en de hoon
van leeftijdsgenoten, terwijl hun passie nu ineens in het centrum van het universum was beland. Zoals het eerder de rock-’n-roll was gegaan, zo werd ook dit nieuwe culturele model niet direct breed gedragen, maar wel was het vanaf het allereerste moment winstgevend, en het kon keer op keer vernieuwd worden.


    Maar hoe vernieuwend was het nou eigenlijk? De geschiedenis heeft er een handje van nieuwe dingen te doen voorkomen alsof ze niet echt nieuw zijn. Elvis drukte zijn onmiskenbare stempel op het bewustzijn van de babyboomer door de zwarte muziek uit het zuiden, die al veel langer bestond, 
te voorzien van een wit gezicht en de lippen van 
een pruilende tiener. De Beatlemania borduurde goeddeels voort op de echo van Elvis en Chuck Berry. Star Wars greep nog bewuster terug op het verleden, het was haast een caleidoscopische hommage van een student filmkunde, een allegaartje van stijlen en verwijzingen.

    In zijn gunstige, maar ook enigszins neerbuigende recensie in The New York Times maakte Vincent Canby gewag van verwijzingen naar de Flash Gordon-serie en een hele verzameling literatuur die zonder meer eclectisch valt te noemen: Quo Vadis, Buck Rogers, Ivanhoe, Superman, De tovenaar van Oz, het evangelie volgens Mattheüs, de legende van koning Arthur en de Ridders van de Ronde Tafel. De collega-cinefielen van George Lucas wezen erop dat hij schatplichtig was aan John Ford en Akira Kurosawa. Stars Wars mocht dan ogen als een sciencefictionfilm met 
de bijbehorende ruimtegevechten, het was óók een western, een epische samoeraifilm en, zeker wanneer Carrie Fisher en Harrison Ford in een en dezelfde scène speelden, een screwball comedy. Een schoolvoorbeeld van wat sommigen van ons jaren later tijdens de studie zouden leren herkennen als 
de typisch postmoderne esthetiek van de pastiche.

    Demografische en sociale krachten

    Maar wat wisten we daar in die tijd nou van? Voor wie in 1977 elf was, was Stars Wars iets volkomen nieuws. Wat niet wilde zeggen dat we dachten dat het zomaar uit het niets was gekomen. Er waren al actie-avonturenfilms, sciencefictionallegorieën met steeds weer nieuwe delen en stripboeken die de fan hadden voorbereid op de geneugten van verhalende series. We kenden The Lord of the Rings (zowel de boeken als de animatiefilm van Ralph Bakshi), Planet of the Apes (zowel de film als de spin-offs, de animatiefilms op zondagochtend), Star Trek, het tijdschrift Mad. Meer dan voldoende brandstof voor de ontluikende fantasie van een liefhebber.
    Dit alles had het vuur in gang gezet, en ik sluit niet uit dat dat ook tot ontbranding was gekomen als George Lucas niet de lucifer had afgestreken. De vonk in de zomer van 1977 was misschien niet alleen – of niet voornamelijk – de liefde voor een bepaalde film. Achteraf gezien leek het bredere fenomeen Star Wars symbool te staan voor wat het onvermijdelijke resultaat lijkt te zijn van demografische en sociale krachten.

    De ‘helden’-theorie binnen de geschiedkunde staat altijd op gespannen voet met een meer deterministische visie. De opkomende generatie – die pas later ‘generatie x’ genoemd zou worden – hunkerde naar nieuwe dingen, afleiding, comfort, orde, mythologie, heroïek, kortom alles wat onze post-jarenzestigtijd van recessie niet te bieden had. We hadden alleen nog een babyboomer nodig die daarin zou voorzien, die ondertussen steenrijk zou worden en zou zorgen dat wij ons de rest van ons leven konden koesteren in aanbidding en afgunst. Hij zou de bedenker zijn, maar wij de eindgebruikers, en we zouden ons het product toe-eigenen. Wat gold voor Star Wars, gold een paar jaar later ook voor de personal computer. Beide zouden de generatiekloof verdiepen tussen de inmiddels grijzende generatie X en de millenniumgeneratie in opkomst.

    Star Wars-fans in de rij in 1980. – © John Sunderland / Getty
    Star Wars-fans in de rij in 1980. – © John Sunderland / Getty

    Maar daarover straks meer. Ik ben Coleridges ancient mariner, en dit is nog altijd mijn verhaal. Ik weet niet precies hoe vaak ik Star Wars heb gezien in het jaar dat de film uitkwam, maar wat ik wel weet is dat er niet één andere film ik is die ik zó kort achter elkaar zó vaak heb gezien – totdat mijn kinderen werden geboren en er een dvd-speler in huis kwam en een dvd van Toy Story 2.

    De schrijver Jonathan Lethem, die twee jaar ouder is dan ik, heeft in een indringend stuk (getiteld ‘13, 21, 1977’) geschreven dat hij de film 21 keer heeft gezien, waarvan de meeste keren in zijn eentje, tijdens een uitzonderlijk zware periode van zijn leven. Aan dat aantal kom ik niet, en er zat ook geen patroon in mijn kijkgedrag. Volgens mij ben ik er de eerste keer met mijn ouders naartoe geweest. Later ben ik er met mijn zusje naartoe gegaan. Nog weer later ging ik met een meisje uit de klas, in wat een soort onhandige voorloper van een afspraakje was. Ik herinner me ten minste één partijtje van een vriendje waarbij we naar Star Wars gingen. Zoals ik het me herinner was het gewoon iets wat je om de zoveel tijd deed. Je was bij een vriendje thuis aan het spelen, of je probeerde wheelies te maken op je fiets, en als het je begon te vervelen en je had nog zakgeld over, dan ging je naar de bioscoop, waar de film sinds het einde van het voorgaande schooljaar niet meer weg was geweest. Het was gewoon een van de dingen die je deed in je vrije tijd.

    Voor sommigen, onder wie Lethem, was het tevens een opstapje naar meer kwalitatief hoogstaande cinematografische geneugten, en een eerste stap op het pad terug door de filmgeschiedenis. In zijn geval maakte Star Wars eerst plaats voor 2001: A Space Odyssey en vervolgens voor The Searchers – twee films die niet geheel toevallig worden gerekend tot de voorlopers van A New Hope. Anderen klampten zich vast aan kinderachtige dingen en vormden een Rebellenalliantie tegen het rijk der volwassenen. Het is nauwelijks toeval te noemen dat J. J. Abrams, regisseur van Star Wars: The Force Awakens, een van ons is. Hij werd twee weken voor mij elf.


    De legende van Star Wars is pas later ontstaan. In 1977 wisten we nog niets van Joseph Campbell [de Amerikaanse hoogleraar Mythologie wiens boek The Hero with a Thousand Faces – over archetypische helden – een inspiratiebron was voor George Lucas] en de overige associaties die Lucas en anderen in het leven zouden roepen. De allegorische betekenissen – de strijd tussen goed en kwaad, het mysterie van de Force – kleven ook enigszins aan het gladde oppervlak van A New Hope. De verwijzingen naar diepte 
en duisternis waren veel sterker in The Empire Strikes Back en Return of the Jedi – hoewel het natuurlijk ook kan zijn dat wij ze makkelijker oppikten omdat we weer een paar jaartjes ouder waren.

    En toen ging het leven gewoon verder, in ieder geval tot 1999, toen George Lucas terugkwam met The Phantom Menace, en de hele generatie X-nalatenschap van ambivalentie en verwarring weer opnieuw tot wasdom kwam. Wat een verschrikkelijke film! Net als Attack of the Clones. Maar dat maakte niets uit. Iedereen ging er evengoed heen, en het feit dat die films zo slecht waren verleende die eerste trilogie een zekere, wellicht niet geheel terechte glans. Zo goed waren die films nou ook weer niet geweest. 
Ook dát leek niets uit te maken. Die films – de hele kosmos, de gestalt, of wat het ook is – het bestaat 
in een universum waarin dergelijke oordelen geen geldigheid meer hebben, een universum dat zich onttrekt aan de gebruikelijke wetten der nostalgie. Star Wars is inmiddels een oude film, ouder dan de eerste Elvisplaten waren in 1977. De film is traag en 
je ziet de predigitale lassen. Het is eerder ontroerend dan subliem, een vermakelijk voortbrengsel van de populaire cultuur, vol grappige personages, tenenkrommende dialogen en hijgerig acteerwerk. Het 
is precies zoals in mijn herinnering en als ik er nu weer naar kijk, vraag ik me af wat ik er destijds in zag. Ik schrik van mijn gebrek aan loyaliteit. Maar 
ik zal altijd een believer blijven.

    Auteur: A.O. Scott
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    A.O. Scott (1966) is journalist en filmrecensent.

    The New York Times
    Verenigde Staten | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Ook wel de grijze oude dame van de journalistiek genoemd, maar nog alijd up en running.

  • ‘Ik hoop maar dat jij ook een idioot bent’

    ‘Ik hoop maar dat jij ook een idioot bent’

    In januari verschijnt The Hateful Eight, de nieuwste van Quentin Tarantino. Stadgenoot en schrijver Bret Easton Ellis sprak hem in L.A. over zijn film, gedeelde liefdes en de kritiek van zwarte recensenten.

    ‘Ik heb ooit in een boek over Bette Davis gelezen dat iedereen die een interview geeft met drank op, een verdomde idioot is. Toen ik dat las, dacht ik: o mijn God, ze heeft gelijk! Waar ben ik mijn hele carrière mee bezig geweest?’ Quentin Tarantino biedt me een glas rode wijn aan uit een fles die hij nog niet zo lang geleden heeft opengetrokken en 
die ongeveer halfvol is wanneer ik op een warme augustusavond arriveer bij zijn huis, hoog in de 
Hollywood Hills, met uitzicht op de groene bergkammen. ‘Ik hoop maar dat jij ook een idioot bent!’
    We zitten aan een tafel bij het zwembad, aan de achterkant van het grote huis met her en der een aanbouw dat hij in 1996 kocht toen hij aan Jackie Brown werkte. Tarantino draagt baggy jeans met een bruine hoodie. Als je iemand een filmnerd zou kunnen noemen is het Tarantino wel – ik ken niemand met zo veel encyclopedische kennis op filmgebied – en het duurt dan ook niet lang of we hebben het over onze gedeelde bewondering voor de recensente Pauline Kael.
    Kael, die een belangrijke invloed heeft gehad op Tarantino, was een groot liefhebber van een soort trash art die de scheiding tussen kunst en dagelijks leven opheft. Voor Kael konden daar zowel buitenlandse regisseurs van de oude stempel onder vallen (zoals Max Ophüls en Satyajit Ray) als non-conformistische nieuwkomers (zoals Sam Peckinpah en Brian De Palma), terwijl Kael geen goed woord overhad voor de veel beschaafdere Amerikaanse cinema uit die tijd; we zijn het erover eens dat ze veel vitaler en interessanter was in de jaren zeventig dan in de jaren tachtig. ‘De film stelde toen niet zo veel voor – zij was beter dan de films,’ zegt Tarantino, die vindt dat de jaren tachtig een dieptepunt waren voor de Amerikaanse film. ‘Maar,’ voegt hij eraan toe, ‘een van de gekke dingen, als je terugkijkt op die recensies uit de jaren zeventig, is dat ze sommige fantastische films ongenadig heeft neergesabeld. Ze trok echt van leer tegen Don Siegel omdat hij Charley Varrick had gemaakt.’
    Natuurlijk kan het zijn dat je Charley Varrick helemaal niet zo’n fantastische film vindt (als je er überhaupt al iets van vindt), maar door Tarantino’s gedrevenheid ga je toch denken: Heb ik iets gemist?

    gettyimages 485716015

    The Hateful Eight

    Tarantino is te druk met zijn nieuwe opus, The Hateful Eight, om het afgelopen jaar veel nieuwe films te hebben gezien, maar er komen toch – naast een nieuwe fles wijn – verschillende meningen op tafel over zijn tijdgenoten. David Fincher? ‘Zelfs als zijn films me niet aanspreken, blijven ze toch iets van een week door mijn hoofd spoken.’ Wes Anderson? ‘Films als The Grand Budapest Hotel spreken me in principe niet zo aan, maar op een bepaalde manier vond ik ze toch prachtig. Het feit dat ik op voorhand niet bepaald een fan was, maakte het alleen maar mooier dat ik hem uiteindelijk in mijn hart kon sluiten.’ Judd Apatow? ‘Zijn publiek wordt kleiner en kleiner, maar volgens mij wordt hij er alleen maar beter op.’
    The Hateful Eight gaat op eerste kerstdag in première, in een paar met zorg geselecteerde steden – in 70-millimeter, gebracht als een roadshow, met pauze en al –, voordat hij in januari overal in roulatie gaat. Tarantino is geobsedeerd door het zachte, korrelige beeld van 70-millimeterfilm – zo zeer zelfs dat hij heeft gezorgd dat honderd bioscopen, verspreid over de hele wereld, Ultra Panavision-lenzen hebben geïnstalleerd, zodat de film kan worden vertoond zoals hij hem heeft bedoeld. ‘De afgelopen drie weken zijn nogal intens geweest,’ zegt hij, terwijl zijn blik ontspannen langs de hellingen glijdt die geleidelijk worden opgeslokt door het donker.
    De film, met sterren als Bruce Dern, Samuel L. Jackson, Jennifer Jason Leigh, Michael Madsen, Tim Roth en Kurt Russell, vindt zijn oorsprong in twee verschillende genres: een klein detectiveverhaal en een grootse western, in breedbeeld. Hij kwam op het idee door klassieke televisieseries als The Virginian, Bonanza en The Big Valley. ‘In die series had je altijd, elk seizoen, minstens één aflevering waarin slechteriken de Ponderosa of de Shiloh Ranch overnemen, en dat waren dan altijd gastrollen. Dat leidde als vanzelf tot een situatie als Reservoir Dogs: zet ze allemaal bij elkaar in een ruimte en laat mij alle helden van het toneel verwijderen, zodat er geen ethisch ankerpunt meer is.’ Dat is ook precies wat er gebeurt in The Hateful Eight, tijdens een verschrikkelijke sneeuwstorm.


    Visueel spektakel

    We hebben het over de verschillen tussen televisie en film, dat televisie stoelt op het haast onophoudelijk vertellen van een verhaal, waarbij het voornaamste doel is het voortdurend verstrekken van nieuwe informatie, terwijl film veel meer wordt bepaald door stemmingen en sfeer – televisie is een schrijversmedium en film is een regisseursmedium. Zelfs in 
de Gouden Eeuw van de televisie wordt het idee van televisie als kunstvorm inmiddels beschouwd als een soort grap die de media in het leven hebben geroepen, een mythe die nu eindelijk openlijk wordt doorgeprikt door zowel critici als journalisten en programmamakers. De beste televisieseries hebben nog altijd sets die enigszins afgetrapt ogen, vanwege de financiële realiteit van het televisie maken – en voor Tarantino is dat van groot belang. De grootsheid van zijn recente films – Inglourious Basterds, Django Unchained en nu The Hateful Eight – voelt als een soort sneer naar het kleine van de televisie, die voor het publiek een steeds grotere rol vervult. Tarantino bindt de strijd aan met een reeks middelmatige shots en close-ups op computer, iPad en iPhone. Een geloof in visueel spektakel maakt deel uit van Tarantino’s boodschap in deze tijd van Amazon, Hulu en Netflix.
    ‘Ik denk dat we iets van zestig miljoen hebben uitgegeven aan Hateful Eight, wat meer is dan ik had gewild, maar het slechte weer speelde ons parten. Bovendien,’ lacht hij met een schouderophalen, ‘wilde ik per se dat het goed zou worden.’ Veel regisseurs raken ontmoedigd door de bescheiden budgetten en zoeken hun toevlucht in de televisiewereld, maar dat heeft Tarantino niet gedaan, omdat het, nou ja, omdat het niet hoeft. Zijn laatste twee films waren wereldwijd kassuccessen, met vele Oscarnominaties. Zijn eerste twee films waren redelijk bescheiden misdaadverhalen die in L.A. speelden, en tot op de dag van vandaag belichamen ze de meest zuivere vorm van een ironische Generatie X-gevoeligheid die je veel ziet in de Amerikaanse filmcultuur. Toen Reservoir Dogs in 1992 in roulatie ging, werd er veel over gepraat, maar ging er bijna niemand naartoe. Desondanks baande Reservoir Dogs de weg voor een nieuw soort film, die twee jaar later een hoogtepunt zou bereiken met de perfide genoegens van Pulp Fiction – op een moment dat het publiek er wél rijp voor was. In alle films van Tarantino vervullen de theatrale dialogen, doorspekt met straattaal, een centrale rol, en vormen misdadigers het morele kompas. De humor is inktzwart, het nihilisme heeft iets vrolijks. Er zijn eindeloze verwijzingen naar de popcultuur – en ja, het valt niet te ontkennen, de films worden gekenmerkt door extreem en gruwelijk geweld.

    Friendly old men: Bret Easton Ellis (l.) en Quentin Tarantino.
    Friendly old men: Bret Easton Ellis (l.) en Quentin Tarantino.

    Al was zijn vroege werk nog zo invloedrijk (in de jaren negentig, en ook nog in het begin van de eenentwintigste eeuw hebben talloze belabberde imitaties het licht gezien), het is nu moeilijk voor te stellen dat een serieus filmer ergens in deze eeuw een film zou maken die zo pervers en choquerend is als Pulp Fiction of Reservoir Dogs, of welke andere Tarantino-film ook. In een tijdperk dat is geobsedeerd door ‘triggeren’ [het waarschuwen voor – meestal gewelddadige – content die een sterke emotionele reactie kan oproepen] en ‘microagressie’ [subtiele vormen van discriminatie waarvan mensen zich vaak niet bewust zijn] en het sturen van het taalgebruik, is het werk van Tarantino ongekend politiek incorrect: zijn films zijn brutaal, grof, onverantwoordelijk en wat afstandelijk. En hoe verder Tarantino gaat, hoe meer publiek hij krijgt, zoals ook bleek met zijn raciaal beladen comedy-western Django Unchained. In The Hateful Eight, dat een jaar of acht, negen na de Amerikaanse Burgeroorlog speelt, komt uiteindelijk ook de rassenkwestie aan de orde, hoewel dat nooit zijn bedoeling was geweest. ‘Het was gewoon een mooi, afgerond genrescenario.’
    Tarantino’s scènes leunen zwaar op de dialoog, schieten alle kanten op, met een en al uitweidingen, en ze voltrekken zich vaak in realtime, ingebed in het merkwaardige, duistere, gecompliceerde plot dat hij uitwerkt. Zijn plots lijken in niets op wat je zou verwachten van een scenarioschrijver die goeroes als Syd Field en Robert McKee als leermeester heeft gehad; het idee van de duidelijk gestructureerde film van drie aktes, met op pagina 15 de ‘gebeurtenis die alles in gang zet’, lijkt krankzinnig en onwaarachtig in de wereld van Tarantino.

    Controverses

    Hij heeft dergelijke regels aan zijn laars gelapt en vervolgens opnieuw vormgegeven in Inglourious 
Basterds – een doldwaze, aangrijpende Tweede Wereldoorlogpastiche. Het is een van de grote films van het afgelopen decennium: speels, erudiet, grappig, snedig, spannend en maf. De film respecteert én bespot de conventies van de genrefilm, terwijl hij ze tegelijkertijd moderniseert en opnieuw vormgeeft. Als je het mij vraagt is deze film veel meeslepender, opwindender en vernieuwender dan Kathryn Bigelows The Hurt Locker, die andere oorlogsfilm die in de zomer van 2009 uitkwam – een serieuze, rechttoe rechtaan, humanistisch-realistische karakterstudie waardoor het serieuze, linkse publiek zichzelf zowel schuldig voelt als op de borst klopt. Dat is de reden dat The Hurt Locker in 2010 Inglourious Basterds het nakijken gaf bij de Oscars voor Beste Film, Beste Regisseur en Beste Originele Scenario. ‘Het stak 
dat Mark Boal de Oscar kreeg voor Beste Scenario,’ biecht Tarantino nu op. ‘Die Kathryn Bigelow-kwestie, daar kan ik wel inkomen. Natuurlijk, het was spectaculair dat een vrouw zo’n goede oorlogsfilm had gemaakt, en het was de eerste film over de Irakoorlog met een serieuze boodschap. Ik heb het niet afgelegd tegen een aanfluiting. Het was geen E.T. 
die het aflegde tegen Gandhi.’
    We krijgen het over de Oscars van dit jaar en het feit dat Ava DuVernays Martin Luther King-film Selma ten onrechte naast de prijzen zou hebben gegrepen, wat leidde tot een landelijke, zeer emotionele verontwaardiging, die nog eens werd versterkt door de gebeurtenissen in Ferguson. De leden van The Academy zouden oude, onvervalste racisten zijn – hoewel het jaar daarvoor 12 Years a Slave de Oscar voor Beste Film in de wacht had gesleept. Tarantino haalt diplomatiek zijn schouders op. ‘Ze had prima werk geleverd met Selma, maar Selma verdiende een Emmy.’ Django Unchained, dat een beeld schetst van het geïnstitutionaliseerde racisme van vóór de Amerikaanse Burgeroorlog, van de slavengevechten en de zelfhaat van de zwarten, is een veel schokkender en meer op de toekomst gerichte film dan Selma, en het publiek heeft dit tot Tarantino’s grootste succes ooit gemaakt. Maar de film is ook onder vuur komen te liggen, onder andere omdat hij is gemaakt door een blanke man.
    Tarantino is wel gewend aan controverses. ‘Als je je brood hebt verdiend als recensent van de zwarte cultuur in de afgelopen twintig jaar, dan kun je niet om mij heen,’ zegt hij. ‘Je moet je een mening over mij hebben gevormd. Je zult iets moeten met mijn boodschap en de gevolgen daarvan.’ Hij valt even stil, denkt na. ‘Als je de recensies uitpluist,’ zegt hij, ‘dan zul je zien dat ik ongeveer net zo veel voorstanders heb als tegenstanders. Maar toen de zwarte recensenten met allerlei meedogenloze opiniestukken kwamen over Django deed dat me niet zo veel. Als iemand mijn films maar niets vindt, dan is dat maar zo. En als ze het niet snappen, geeft het niet. Maar waar ik een nare bijsmaak van kreeg, is dit: je moet ver teruggaan in de tijd om een schrijver te vinden over wiens huidskleur zo vaak is geschreven als over die van mij. Je zou denken dat de huidskleur van 
de schrijver niet van belang is voor wat de woorden zelf bewerkstelligen. In veel van de meest kwalijke stukken werden mijn beweegredenen in een zeer negatief daglicht geplaatst. Alsof ik een of andere superschurk ben die dit allemaal verzint.’ Maar Tarantino is een optimist. ‘Dit is het ideale moment om iets gedaan te krijgen,’ zegt hij een paar minuten later. ‘Dit is het beste moment om iets neer te zetten, omdat er nu ook echt een podium is. Nu wordt erover gepraat.’


    Bioscoopervaring

    We worden onderbroken door een assistent die komt zeggen dat het negen uur is geweest en dat de film die hij wil zien over twintig minuten begint, dus we stappen in Tarantino’s gele Mustang GT uit 2006. Terwijl we naar een selectie van zijn mixtapes luisteren, slingeren we door de verlaten valleien en rijden door de vlakten van Hollywood naar de New Beverly Cinema, een oude bioscoop die hij in 2007 heeft gekocht. Sinds afgelopen najaar doet hij de programmering, en er worden geregeld films vertoond uit zijn privécollectie. Hij zet zijn auto aan de achterkant en we lopen om het gebouw heen naar een donker en verlaten stuk van Beverly Boulevard. Voor de bioscoop staan groepjes hipsters onder de markies. Ze staan wat te roken en staren naar hun telefoon. Sommigen kijken op als Tarantino eraan komt.
    Vandaag staan er twee films geprogrammeerd: Modern Times en een betrekkelijk onbekende Chaplin-film met als titel The Circus. Tarantino loopt met grote stappen door de foyer, gaat een gang in, en weer een andere gang in, totdat hij bij de vier stoelen is gekomen die voor hem worden vrijgehouden op de vijfde rij van deze bioscoop met 250 stoelen, die vanavond voor de helft is gevuld – een opmerkelijk goedgevulde zaal voor een maandag, zegt hij, terwijl hij zich in zijn stoel aan het gangpad laat zakken.
    Voor iemand die niet meer in het New Beverly is geweest sinds hij er als tiener en vroege twintiger de deur platliep, is het verrassend om te zien hoe alles zo veel moderner is (nieuwe stoelen en een nieuw filmdoek), maar tegelijkertijd ook niet (de heren-wc is nog hetzelfde hokje van destijds en de foyer is zo klein dat de rij voor de drankjes soms zelfs doorloopt tot in de zaal. Op het programma voor vanavond staan twee previews van samenwerkingsprojecten uit de jaren zeventig, van Wertmüller en Giancarlo Giannini, gevolgd door The Circus, dat een juweeltje blijkt, hoewel – of misschien wel juist omdát – er krassen in de film zitten en er frames missen. Het jonge publiek moet de hele voorstelling lang hard lachen, en aan het einde klinkt er gejuich.


    Na afloop staan Tarantino en ik nog even buiten, 
en de jongelui die nog bij de bioscoop rondhangen verzamelen moed om hem aan te spreken. Zodra eentje de stoute schoenen heeft aangetrokken, 
volgen er meer. Tarantino staat iedereen te woord, met een voortdurende glimlach, terwijl fans hem bedanken – voor zijn films, voor de bioscoop, voor 
het feit dat hij hen te woord staat. Het lijkt alsof hij hier de hele nacht mee zou kunnen doorgaan, maar hij heeft honger en zijn favoriete restaurant sluit over niet al te lange tijd de keuken.
    Voor hij vertrekt zeg ik nog hoe bijzonder zo’n gemeenschappelijke ervaring is: naar een film kijken op zo’n enorm doek, met een groot en welwillend publiek – en met de fysieke film – na zo veel in je eentje televisie te hebben gekeken of op internet films te hebben gehuurd. Tarantino knikt en hij gebruikt onze laatste minuten samen om nogmaals zijn zorgen te uiten over de digitalisering van de bioscoopervaring. ‘Buzzy, de jongen die de popcorn maakt, hoeft maar op één knop te drukken en we zitten met zijn allen HBO te kijken,’ zegt hij. ‘En ik weet niet hoe het met jou zit, maar het laatste wat 
ik wil is met een stel onbekenden HBO kijken.’

    Bret Easton Ellis

    Bret Easton Ellis (1964) is auteur van de wereldwijde bestsellers Less Than Zero (1985) en American Psycho (1991). Zijn laatste roman is Imperial Bedrooms (2010), 
een vervolg op Less Than Zero.

  • Onder de oppervlakte kijken

    Onder de oppervlakte kijken

    Wanneer was u voor het laatst in uw kelder? Geïnspireerd door Im Keller, de nieuwe film van Ulrich Seidl, daalde Zeit Magazin af in de ‘onderwereld’. Of zoals Seidl zegt: ‘Waar de echte ziel huist.’

    Er is een trap. Er zijn treden. Er is een lichtknop. De weg naar beneden is eigenlijk heel gemakkelijk. Dan komt de deur. Achter de deur wordt het moeilijk.

    Achter de deur zijn kisten, balen, zakken, plastic tasjes, de hometrainer, de slee en het pierenbadje. De VHS-cassettes, de lamp met franjekap, plattegronden van Londen, Parijs en Goslar, de oude tv, de handstofzuiger, de keukendeur en de kattenbakkorrels, de sta-asbak, de golfstok, het nooit gebruikte broodrooster en de met veters samengebonden tennisschoenen. De lucht smaakt stoffig.

    Als je je nu omdraait en weer naar boven gaat, is het ergste achter de rug. Maar het is er nog wel.

    Mens en kelder kunnen goed met elkaar overweg, zolang ze elkaar met rust laten. In huis is de kelder het minste onder de vertrekken. Hij komt zelfs nog na de garage. Bescheiden verricht hij zijn taak. Hij vraagt niet – zoals de woonkamer – of de tafel wel bij de bank past. Hij vraagt niet eens of er nog wel wat bij kan. Klakkeloos laat hij zich volzetten. Hij wordt niet, zoals de keuken, elke dag schoongemaakt, vrijwel nooit gezogen. De kelder accepteert alles zonder klagen. Maar er komt een dag dat hij gaat praten.

    De mens komt de kelder binnen en hoort ineens een stem: je zou eens. Je moest misschien. Je had toch allang. En eigenlijk kon je wel. Dat is het moment waarop het serieus wordt. De kelder is de probleemzone in het huis: alles wat er afgedankt, opgehoopt, ingeperst ligt, uit zich in verwijten. Wat verdrongen was komt onverteerd weer boven en vraagt om verwerking.

    De kelder verzamelt niet alleen de afgedankte dingen, maar ook al het verlangen, al het wensen, al het mislukken, al het afkeuren dat hen hierheen gebracht heeft. De schoenen met hakken waar niet op te lopen viel. De ski met de krukken ernaast. De saxofoon, de diaprojector, de cd-rom met de cursus Spaans, de vruchtenpers die slechts één zomer in de keuken werd geduld. Allemaal duur betaald. En allemaal nog goed.

    © Clara Roellinghoff
    © Clara Roellinghoff

    Voor later

    Of nog redelijk goed, zoals de misschien nog complete puzzel. Redelijk goed is de fauteuil met vlekken, het landschapje met de vrijwel onzichtbare deuk, het theemeubel van namaaknotenhout. De cassetterecorder heeft tot het laatst toe vlekkeloos gefunctioneerd. Hij zit helaas niet in een plastic tas; nu is hij met gruis gepaneerd. Je kunt hem afstoffen en direct aansluiten, misschien verkopen, de verpakking compleet met piepschuim en gebruiksaanwijzing moet nog ergens liggen, daarachter tussen de kartonnen dozen. Komt wel, later.

    ‘Nog goed’ en ‘voor later’ – het zijn de terreurwoorden van het bezitten die daar beneden klinken als de mens de kelder antwoordt. Maar gewoon weggooien na eeuwig opbergen – hoe moet dat in vredesnaam? En daar zoemt ook nog de vrieskist met diepgevroren inhoud.

    De kelder is een overloopbekken. Langzaam stijgt het waterpeil. Maar helaas, het bekken is vol. Er is geen kelder voor de kelder. In huis is hij het eindstation.

    De kelder is de deur die terugvoert naar de bewaarmaatschappij, naar het overwonnen gewaande materialisme

    Maar weinig dingen weten vanuit de onderwereld terug te komen naar het licht. Het zijn de seizoenarbeiders onder de spullen: de tuinstoelen, de kerstboomstandaard of de sneeuwschuiver. Ze zijn bevoorrecht en mogen naar de garage als hun bezitters al dat traplopen te veel vinden worden. Vanwege de wanorde die er heerst heeft de kelder iets provisorisch. Maar dat is maar schijn. Wat in de kelder belandt, is voor het huis verloren. Wat de kelder verlaat, moet ook het huis verlaten. De vraag is alleen hoe en waarheen.

    De rommelmarkt en eBay, het zijn de verlossingsfantasieën van wie veel bezit. Daarachter ligt de idee dat hoe langer iets opgeslagen ligt, hoe waardevoller het wordt. Door er gewoon te zijn en de tijd zijn werk te laten doen, wordt de kelder een schatkamer, die kan worden geplunderd als we niet genoeg geld hebben om op vakantie te gaan. Er is zelfs een televisieserie over, Der Trödel-King. Op de WDR bellen gezinnen deze rommelkoning om hun verzonken have te laten taxeren. De oude kachel brengt beslist nog 500 euro op! De tuinkabouters met Beatlekapsel en de in prima staat verkerende Bismarckbuste zijn zonder meer curiositeiten! De rommelkoning vraagt advies aan deskundigen over de echte waarde en biedt de waar aan liefhebbers aan. De kachel: slechts 150 euro waard, plus 100 voor de pijp. Wanneer niemand zich meldt, blijft alleen de rommelmarkt over. De tuinkabouters, de hele set voor 20 euro. Het namaak Meissner-porselein 10 euro; de kopergravure, een hert tussen bomen, gaat weg voor 8 euro. Die leeslamp krijg je er gratis bij. Wat je voor design hield, is vaak maar Deco.

    En nog altijd staat daar in de kelder de fondueset, de elektrische ventilatorkachel, de luchtbevochtiger. Het rapport met een voldoende voor wiskunde en kijk daar, het diploma van het sportfeest van 1986 – was dat niet, toen…?


    Een pakhuis vol herinneringen, met voorwerpen waaraan verhalen zijn verbonden die je allang weer was vergeten. Gedoofde liefdes vlammen op als daar ineens de brieven weer zijn die je altijd hebt bewaard. Waarom eigenlijk? Voor een moment als dit?

    Maar je weet ook: weggooien doe je ze niet. In de 
kelder ligt het heilige naast het profane, het dagboek naast de Römertopf. Waar elders klontert Zijn en Hebben zo samen als hier? En als cultuur betekent: ‘bewaren’, is de kelder dan niet de tempel van een diepere cultuur? Met de inhoud van al onze kelders zou je misschien het hele land kunnen meubileren, een B-versie van wonen en bezitten.

    De verstandigste mens in een vertrek is het vertrek, heeft de Amerikaanse techniekfilosoof David Weinberger gezegd. En geen vertrek in huis weet zo veel over de bewoners als de kelder. Je kunt hem lezen als een boek. Wat een leven in karton, dozen en zakken! En tussen karton, dozen en zakken. De kelder is ook het schaduwrijk van suspecte medebewoners. Het hoeven geen ratten of muizen te zijn. Wanneer het licht aangaat glippen de zilvervisjes onder de opgestapelde waar. Ze zetten zich aan het textiel, het katoen of de lijm van boekbanden en laten er hun sporen achter: kleine vraatgaatjes.

    De honger van deze insecten is niet zo groot dat 
ze alle opgeslagen waar wegknagen en verteren. Maar ze zullen zeker het kwaliteitsniveau ‘nog goed’ in ‘beschadigd’ veranderen.


    Mythische diepgang

    De wetenschap heeft nauwelijks belangstelling voor de kelder. We hebben op de kop af één doctoraalscriptie over het onderwerp kunnen vinden, voor de faculteit Filosofie van de Berlijnse Humboldt-universiteit. In 1998 heeft de cultuurwetenschapper Miriam G. Möllers 190 pagina’s ‘over de doorwerking van het natuurlijk gegroeide onderaardse in de kelder van de twintigste eeuw’ geschreven. De probleemstelling wijst op een mythische diepgang. We lezen over oprijzende schaduwen, ongelooflijke griezeligheden, de kelder als dodenrijk, over ‘drempel- en verticale ervaringen.’

    Deze drempel- en verticale ervaringen bestaan uit het afdalen in de kelder. En volgens Möllers huist daar meer dan rommel en kruipbeestjes, namelijk een ‘beeldenwereld van buitengewone 
verscheidenheid en ambivalentie’.
    Enerzijds is de kelder het hol dat leven schenkt en beschermt, dat de mens sinds oertijden als woonplaats, toevluchtsoord, opslagplaats of cultusoord heeft gediend. Van daar naar de ongeopende verhuisdozen met duikbrillen, zwemvliezen en de lucifersdoosjesverzameling is voor de cultuurwetenschap een kleine stap. Anderzijds is het hol in diskrediet geraakt. Wie aan overgeleverde vormen van wonen vasthoudt, geldt sinds het neolithicum als een 
zonderling.

    Het hol werd het terrein van alles wat mysterieus en bedreigend is. Sindsdien huizen er reuzen, beesten en ongedierte, vreemd genoeg ook kabouters, misschien vanwege de hoogte, en verder geesten, goden en heksen. Hoewel er geen beren of wolven te verwachten vallen – die kunnen rustig 
van de lijst met verschrikkingen worden afgevoerd – is er ook zonder hen aan demonen geen gebrek.

    Nazi's in een Oostenrijkse kelder in de documentaire Im Keller van Ulrich Seidl
    Nazi’s in een Oostenrijkse kelder in de documentaire Im Keller van Ulrich Seidl

    De kelder kan ook als het onderbewuste van het huis worden opgevat. De psychoanalyticus C.G. Jung ontdekte dit in 1909 in zijn slaap: ‘Ik droomde dat ik “bij mij thuis” was, in een behaaglijke woonkamer, ingericht in achttiende-eeuwse stijl. (…) Ik ging (…) naar beneden de kelder in en zag daar een deur waardoor je bij een stenen trap kwam die naar een groot gewelf voerde. Op de vloer lagen grote steenplaten en de muren leken heel oud. (…) Ik raakte steeds opgewondener. In een hoek ontdekte ik aan een steenplaat een ijzeren ring. Ik tilde de plaat op en zag een tweede smalle stenen trap die naar een soort hol leidde, 
kennelijk een prehistorisch graf waarin twee schedels, verscheidene botten en aardewerkscherven lagen. Toen werd ik wakker.’

    De Pools-Amerikaanse schrijver Mark Z. Danielewski pakt dit motief 91 jaar later weer op in zijn sciencefictionroman Het kaartenhuis: fotograaf Will Navidson wil met zijn gezin vakantie houden in een oud huis op het platteland. Met die vakantie is het gedaan wanneer hij constateert dat het huis van binnen een paar millimeter groter is dan van buiten. Achter de muur in de woonkamer ontdekt hij een gang die de bestemming wordt van urenlange expedities. Steeds weer nieuwe gangen doemen op. Uiteindelijk komt hij in een grote hal met een wenteltrap die omlaag loopt in het niets.
    ‘We hebben een paar fakkels naar beneden gegooid die we niet horen landen. Ik geloof dat je, wanneer het daarbinnen zo leeg, koud, stil enzovoort is, dat je dan echt elke speld moet kunnen horen vallen, maar de duisternis heeft de dingen gewoon opgeslokt.’ – ‘Het is zo diep joh, bijna als in een droom.’


    In zekere zin is de kelder het ‘darknet’ van het huis

    Doar in die doar!

    Een nachtmerrie over een kelder waarin alles verdwijnt wat men er achterlaat: wat een omdraaiing van gewone ervaringen. Waar de eigen kelder sommigen met zijn onverbiddelijke behoud van massa en energie (plus vocht en minus mottenvraat) tot last is, raken anderen van hun evenwicht door een kelder die alles meteen maar opslokt. Wat in werkelijkheid zijn goede kanten heeft, het huis met de ingebouwde afvoer voor het grofvuil, wordt in fictie alleen horror.

    Op de smalle richel tussen onderzoek en levenskunst balanceert het in Graz uitgegeven tijdschrift Kuckuck, dat zich richt op alledaagse cultuur. Een van de 
nummers laat ons kennismaken met de Marburger etnoloog Alexander Edmund Rissmann en diens zeer onconventionele werk. Hij gaat op onderzoek in kelders waarover hij gehoord heeft. Uit die inspecties met de eigenaren komen fantastische woordverslagen voort, niet zelden in dialect.
    Rissmann: Waar is nou de puinhoop?

    Eerste vrouw: Doar in die, in die doar! Doarinne. Doar heb ik welles kiekt. Doarachter in het gaat. Hehe. Joa ien het gaat. Kiek, viend ik unne holtblok – vaan unne dieng. Unne holtblok viend ik zunder kop (hoest). Doar heb ik welles kiekt doarin.

    Tweede vrouw: Da ies zo unne Lourdes-Madonna.

    Eerste vrouw: Doar ies olles zo an vulles … kiek es. D’oude skoar, na, kiek es. Kiek es skoen. Hiahe.

    Rissmann beschrijft een ‘atmosfeer onder het huis’, die maar moeilijk verandert, waar hopen ballast opgestapeld liggen waarmee een mens liever niet geconfronteerd wordt.

    De kelder is niet alleen de spiegel van de gemoedstoestand en de bezinksels van het ik, maar ook de spiegel van maatschappelijke veranderingen.

    Met de komst van de aardappel kwam de aardappelkelder, een update van de voorraadkelder. Met de verbreiding van de kachel trokken kolen (en de haardluis) erbinnen. Vervolgens kwamen de bommen die de mensen de schuilkelder in dreven. Na de oorlog werd de bestemming gewijzigd in die van partykelder. Non-stopdancing op muziek van James Last! Na het feesten kwam de hobbykelder. Voor de man. Later kwam de vrouw er ook bij, en namen ze samen plaats in de ingebouwde sauna. Volkomen anders, zweten in plaats van kleumen, maar nog altijd nat. En daarna, onder het laatkapitalisme, de wijnkelder.

    Belangrijke voorwaarde voor deze evolutie was de komst van elektriciteit. De waskeuken had net zo goed stroom nodig als de hobbyspoorbaan.

    Regisseur Ulrich Seidl heeft niet zo lang geleden 
een documentaire gemaakt over de kelder in Oostenrijkse dorpen. Hij treft er nazi’s, wapens, sm. Dat kon je verwachten. Niet alleen vanwege de combinatie Oostenrijk en kelder, niet alleen vanwege Josef Fritzl en Natascha Kampusch, maar omdat zoiets gewoon voor de hand ligt: wat in de kelder gebeurt, gebeurt daar vermoedelijk niet zonder reden. Wie zich terugtrekt in de kelder, wil zich onttrekken aan de blik van anderen.
    In tijden van groeiende transparantie, glazen wanden en plafonds, ramen tot aan de vloer en zogenaamde smart homes die data bijhouden over de gewoontes van de huisgenoten, is de kelder de laatste plek voor het heimelijke. In zekere zin is hij het ‘darknet’ van het huis.

    In de kelder wordt het, metaforisch gesproken, steeds donkerder, terwijl het boven in huis steeds lichter wordt. Want ook de zolder verandert. Hij is niet langer een hogere opbergruimte, maar doelwit van huiselijke expansie. Hij is uitgebouwd, wordt juist uitgebouwd of zou binnenkort uitgebouwd kunnen worden. Als kamer voor de groter wordende kinderen of als atelier voor de ambities van de echtgenoten.

    In de symboolleer van succes is de hoogste etage inmiddels zeer gewild. Dat het er schuin loopt nemen we op de koop toe. Kasten kunnen immers op maat gemaakt worden. Op naar het penthouse met daktuin en begaanbare buitentrap! En is het niet geweldig, dat uitzicht?

    In oorsprong was de fascinatie voor de zolder een andere. In boeken vinden jongens er de tovermantel van een grootvader, geleerden de vergeten aantekeningen van een overleden genie. Of de werkster 
ontdoet een tot dan toe onbekende Rembrandt van het stof – iets kostbaars onder een witte doek die iemand daar ooit overheen heeft gehangen. Anders dan in de kelder is het op zolder immers droog, zolang het niet inregent tenminste.

    Heeft de kelder nog toekomst? Verzamelt de moderne mens nog wel zo veel levensballast? De flexibele tijdgenoot, zoals afgebeeld in managementmagazines en inrichtingshandboeken, bezit steeds minder en wat hij bezit, kiest hij zorgvuldig. Simplify your life! Het werd al een imperatief in de jaren negentig. Sindsdien 
vertonen meubeltijdschriften spartaans aandoende interieurs waarin vrijwel enkel een tafel staat, een bed, alles wit, misschien nog een bloem in een vaas en verder: strakke lijnen, geen franje.

    Voor het levensgevoel van deze na hard trainen 
verworven ascese is de kelder een onwelvoeglijke 
verleiding – zoals de sigarettenautomaat voor de deur van een ex-roker. De kelder is de deur die 
terugvoert naar de bewaarmaatschappij, naar het overwonnen gewaande materialisme.

     © eLKayPics/Flickr Creative Commons
    © eLKayPics/Flickr Creative Commons

    In de cloud

    Het bezit van morgen daarentegen vervluchtigt. Boeken die net nog in kasten stonden, staan nu op een harde schijf. Dossiers die net nog uit Leitz-ordners barsten, verdwijnen naar usb-sticks. De cd-verzameling zit op de smartphone of in de cloud, het digitale bovenkamertje dat de mensheid momenteel uitbouwt als virtuele zolder. Boven onze hoofden zweeft geestelijk eigendom, even alomtegenwoordig als ongrijpbaar, even onuitwisbaar als fragiel. Denkt u daar maar eens over na! Toch zijn er nog altijd dingen die zich niet laten dematerialiseren, noch in overvolle kelders passen, de analoge erfstukken van onze opa’s en oma’s bijvoorbeeld. Waarnaartoe met de nog goede cd-speler, de grote Winkler Prins, de messing pannen, de kristallen glazen, het dressoir?

    Daarvoor hebben we sinds een paar jaar selfstoragecentra. Het zijn paradoxale doorgangsstadia op de route van bezit naar niet-bezit. In de grote steden, aan de uitvalwegen, rijzen steeds vaker zulke blokken op, als kelders die de lucht in groeien. Vanbuiten lijken ze reusachtige containers, inclusief veiligheidshekken en laadzone. Vanbinnen: smalle gangen, deuren met nummers, videocamera’s overal waar je gaat.

    In een selfstoragecentrum kun je opslagruimte huren die niet meer naar oppervlakte, maar naar inhoud berekend wordt, wat direct in de papieren loopt. De kleinste eenheid, 1 m3 – dus 1 bij 1 bij 1 – kost in Hamburg bijvoorbeeld 39 euro per maand. Daarbij vergeleken is elke nog zo dure huurwoning een koopje.
Merkwaardigerwijs presenteert deze eerste klas opslagruimte zich meer als magazijn dan als kelder. Geen donkere gaten, geen houten afschuttingen 
met draadgaas, geen vocht langs de muren, geen ongedierte, maar neonlicht en metaal zoals in de extra beveiligde afdeling van een gevangenis. Het selfstoragecentrum lijkt op een strafkamp voor zaken die lang moeten zitten.

    Die indruk is in strijd met de korte verblijfsduur van veel goederen. Omdat de opslag zo duur is, heeft hij op de psyche van de bezitter de uitwerking van een duurbetaalde therapeut. Al na enkele maanden kan de huur hoger zijn dan de gevoelswaarde van de spullen. Geld neemt dan de plaats in van pijn en versnelt het afscheid van erfstukken die men immers toch niet kan gebruiken.

    Menig selfstoragecentrum probeert de arbeidsintensieve wisseling van huurders te reduceren door zichzelf aan te prijzen voor goederen die gevoelig zijn voor tijd. Pickens in Hamburg, een pionier in deze jonge, opkomende branche, biedt externe wijnkelders aan. Geweldig voordeel: de lucht wordt bevochtigd, het muffe dus hydro-elektrisch nagedaan. Maar pissebedden worden er – in elk geval tot op heden – niet uitgezet.

    In de notoir onderbetaalde kelder thuis blaast niet het geld maar het gebrek aan ruimte het uiteindelijk provisorische reservoir op. Er zijn zo veel spullen dat de eigenaar tijd tekortkomt om ervoor te zorgen. Het goede kan alleen uit daden blijken, staat in een deeltje uit het verzamelde werk van Kästner dat bovenop ligt.

    Ook eBay verlangt een reeks handelingen. 
Foto, beschrijving, verpakking, naar de post brengen, geld innen. Er bieden zich al gedienstige geesten aan die onze spullen op eBay voor ons willen verkopen. 
Je kunt ze vinden in de kleine annonces van de advertentieblaadjes. Natuurlijk willen ze wel provisie.

    Tegenover de lol van afdingen onder de vrije hemel staat het beginsel van de meestbiedende op het veilingplatform. Buiten het net prijzen de verkopers de excellentie van hun waar luid aan, op het net geldt dat ze verhaal willen voorkomen. Dat gaat het best door zuinigjes te doen over de kwaliteit. Spullen die nog goed zijn worden bewust onder de prijs verkocht, liefst zelfs als ‘kapot’, opdat niemand zich na afloop hoeft te beklagen.

    Nadat alle mogelijkheden van potentieel en feitelijk hergebruik zijn uitgeput, slaat het uur voor het grofvuil. Opgehaald op aanvraag. Mannen in felgekleurde jasjes rijden voor, niet zelden al ’s ochtends om zeven uur. In Hamburg doen bijvoorbeeld Hüseyin Kücükkaya en Musa Pehlivan al meer dan twintig jaar dit werk. Meestal worden zij en hun team hartelijk begroet. De klanten waarderen de kundigheid van deze mannen die hen zonder veel omhaal bevrijden van hun in huis gehaalde ballast. Maar ze zijn ook bang voor hen. Hun verschijnen betekent dat afvoer nu onherroepelijk is geworden. Wat goed dat de mannen niet tot discussie neigen. Ze doen denken aan een masseur die over de manier van toetasten, het moment van aanpakken, geen tegenspraak wil. Tegelijkertijd beschikken ze over de nodige tact.

    ‘De bank is vijftig jaar oud, maar nog goed,’ citeert Kücükkaya een dagelijks gehoorde inschatting. In Duitsland is nu eenmaal alles voor de lange termijn, ook de woonkamer – wellicht een collectieve reflex 
op de tapijtbombardementen waaraan exact zeventig jaar geleden een einde kwam.

    Het probleem met het ophopen van dingen is echter hun houdbaarheid. Als ze kapot waren of niet meer te repareren, zou het afscheid eenvoudiger vallen. 
Anders krijgt de bezitter last van een slecht geweten. 
De bank was een huisdier dat met weinig tevreden was. Nu is hij broos en zwak en moet hij naar de shredder. Hoe vreselijk ondankbaar is dat toch.

    Kücükkaya en Pehlivan lossen het probleem op hun manier op. De bejaarde bank zetten ze in de goede vrachtwagen, de wagen die zijn lading later bij de gemeentelijke kringloop zal afleveren. Ze springen achter het stuur, zwaaien misschien de eigenaren van de bank vanuit het opengedraaide raampje nog even toe en gaan dan verder met hun inzamelingsrit door de stad.

    Grofvuil. – © Thomas Kohler / Flickr Creative Commons
    Grofvuil. – © Thomas Kohler / Flickr Creative Commons

    Grofvuildag

    Maar twee straten verderop stoppen de beide vrachtwagens van het team en de bank wordt vanuit de goede vrachtauto naar de vraatzuchtige wagen gesjouwd, waar een pers van het meubilair kleinhout maakt dat in de vuilverbrandingsoven belandt. In de vorm van elektriciteit of warmte keert het misschien nog eenmaal terug naar huis om het daar voor het laatst behaaglijk te maken. ‘Er zijn ook dingen die pas een jaar oud zijn,’ zegt Kücükkaya, ‘dan heeft de man een nieuwe vrouw die de kleur niet mooi vindt.’ In zo’n geval helpt ‘nog goed’ niet. Dan moet er snel gehandeld worden. Als je wat extra betaalt komen 
de vuilnismannen direct de volgende dag om het erotisch negatief beladen meubilair op te halen.

    Vroeger werd datgene wat uit de kelder vloog langs de straat gezet. Grofvuildag heette dat toen en de hele wijk leek op een rommelmarkt, alleen was alles gratis. Inmiddels halen de mannen van de gemeente de spullen liever direct uit de kelder om de gieren van eBay voor te zijn en er wat bruikbaars uit te vissen voor de gemeentelijke winkel voor bijstandtrekkers.

    In de kelder blijven de vuilophalers maar kort. Ze pakken de spullen die aangemeld waren en dan staan ze alweer buiten. Ze hebben geen gevoel voor de poëzie van het souterrain. Anders zouden ze in de bijkeuken van een meergezinshuis achter plakplastic het ‘wasplan’ kunnen zien, waar de bewoners hun gewenste ‘wastijden’ noteren om gehakketak rond de machines te voorkomen. En ook de oproep van de conciërge om een wasdag die wel gepland was, maar niet doorgaat, alstublieft duidelijk door te strepen, ‘zodat er geen vertraging optreedt in het aan de juiste persoon doorgeven van de bijkeukensleutel’. Je kunt vermoeden wat voor drama’s zich hier al tussen 30 en 60 graden afgespeeld hebben.

    En wat staat al die kelderspullen die het huis uit weten te komen te wachten? Ze komen in een kringloopwinkel waar het ‘nog’ in goede staat bedrukkend voelbaar wordt. Zijn de spullen eenmaal aan de romantiserende blik van hun eigenaren ontsnapt, dan springen de gebreken vanzelf naar voren. Elke deuk, elke schram wordt een esthetisch manco. Wie iets zou willen kopen mag zich in elk geval geen aansteller tonen.

    Niet duidelijk is wat de kopers met het verworvene doen. Misschien neemt het de plaats in van andere objecten die op hun beurt afdalen naar de kelder. Of het belandt regelrecht onder de oppervlakte, waar het later weer wordt afgedankt en opnieuw de markt op komt.

    Voor zover die goederen telkens weer gekocht en verkocht worden, is er sprake van echte recycling, een eeuwige kringloop van waren. Dan kunnen we hoog opgeven van eindelijk bereikte duurzaamheid of flink vloeken: we raken die zooi gewoon nooit kwijt.

    David Hugendick en Ulricht Stock